Zum Hauptinhalt

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
30 NOVEMBER 2018. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming (NOTA : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij BVR2019-03-15/14, art. 13-16 en 19, 006; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)
Titre
30 NOVEMBRE 2018. - Arrêté du Gouvernement flamand portant exécution du décret du 18 mai 2018 relatif à la protection sociale flamande (NOTE : art. 1 ; 469 ; 473 ; 504/2 ; 667/1 modifiés avec effet à une date indéterminée par AGF2019-03-15/14, art. 13-16 et 19, 006; En vigueur : indéterminée )(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 28-12-2018 et mise à jour au 24-12-2025)
Dokumentinformationen
Numac: 2018032546
Datum: 2018-11-30
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2018032546
Date: 2018-11-30
Moniteur: Voir
Inhoud
Boek 1. Gemeenschappelijke basisbepalingen Deel 1. [1 Definities en toepassingsgebied ]1 Deel 2. - Organisatie van de Vlaamse sociale be... Titel 1. - Het Agentschap voor Vlaamse Sociale ... HOOFDSTUK 1. - Beleidsdomein HOOFDSTUK 2. - Beheer en werking van het agents... HOOFDSTUK 3. - Bepalingen over de financiering,... Titel 2. - De zorgkassen HOOFDSTUK 1. - De procedure voor het verlenen v... HOOFDSTUK 2. - De procedure voor de intrekking ... HOOFDSTUK 3. - Territoriale werking HOOFDSTUK 4. - De organisatie, de werking, en h... HOOFDSTUK 5. - Toezicht en controle op de zorgk... HOOFDSTUK 6. - Ombudsfunctie HOOFDSTUK 7 - Administratieve geldboetes Titel 3. - De Zorgkassencommissie Titel 4. - De sectorale adviescommissies Titel 5. - De Expertencommissie gespecialiseerd... Titel 6. Het raadgevend comité Deel 3. - Het lidmaatschap van de Vlaamse socia... Titel 1. - Aansluiting HOOFDSTUK 1. - Algemeen HOOFDSTUK 2. - Aansluitingsplicht HOOFDSTUK 3. - Vrijwillige aansluiting HOOFDSTUK 4. - Administratieve aansluiting HOOFDSTUK 5. - Verbod op aansluiting HOOFDSTUK 6. - Wijze van aansluiten HOOFDSTUK 7. - Mutatie van een zorgkas Titel 2. - Premies voor de Vlaamse sociale besc... HOOFDSTUK 1. - Bedrag en inning van de premies ... HOOFDSTUK 2. - Herinneringsbrief HOOFDSTUK 3. - Aangetekende brief Titel 3. - Beëindiging van de aansluiting Deel 4. Sanctiebepalingen: de administratieve g... Titel 1. - .Gevallen waarin de administratieve ... Titel 2. - Vrijstellingsgronden voor de adminis... Titel 3. - Procedure Titel 4. - Administratief beroep tegen de admin... Titel 5. - Invordering Deel 5. Registratie, verwerking en uitwisseling... Titel 1. - Algemeen Titel 1/1. [1 Zorgbudgetten]1 Titel 2. - Mobiliteitshulpmiddelen Titel 3. - Residentiële ouderenzorg Titel 4. [1 Revalidatieziekenhuizen]1 Titel 5. [1 Multidisciplinair overleg]1 Titel 6. [1 Revalidatievoorzieningen ]1 Titel 7 [1 Psychiatrische verzorgingstehuizen ]1 Titel 8. [1 Initiatieven van beschut wonen]1 Titel 9. [1Multidisciplinaire begeleidingsequip... 111/40. [1 Met het oog op de indiening van de a... 111/41. [1 Met het oog op de indiening van de a... 111/42. [1 Het INSZ-nummer van de gebruiker wor... 111/43. [1 De multidisciplinaire begeleidingseq... 111/44. [1 Het agentschap bewaart de documenten... 111/45. [1De documenten en gegevens, vermeld in... 111/46. [1 Conform artikel 37, [1 §]1 1, van he... 111/47. [1 De gegevens, vermeld in artikel 50, ... Titel 10. [1 Rolstoeladviesteams en gespecialis... 111/48. [1 Met het oog op de indiening van de a... 111/49. [1 Met het oog op de indiening van de a... 111/50. [1 Het INSZ-nummer van de gebruiker wor... 111/51. [1 Het rolstoeladviesteam of het gespec... 111/52. [1 Het agentschap bewaart de documenten... 111/53. [1 De documenten en gegevens, vermeld i... 111/54. [1 Conform artikel 37, [1 §]1 1, van he... 111/55. [1 De gegevens, vermeld in artikel 50, ... Deel 6. - Tegemoetkomingen Titel 1. - Algemeen Titel 2. - Vrijstelling van premies Titel 3. - Subrogatie Titel 4. - Terugvordering van ten onrechte uitb... HOOFDSTUK 1. - Terugvordering van tegemoetkomin... HOOFDSTUK 2. [1 Terugvordering van tegemoetkomi... HOOFDSTUK 3. - Gemeenschappelijke bepaling met ... Titel 5. [1 Sancties ten laste van de zorgvoorz... HOOFDSTUK 1. [1 - Algemeen]1 HOOFDSTUK 2. [1 - Bedrog]1 Boek 2. Zorggebonden financiering Deel 1. - Zorgbudget Titel 1. - Algemeen HOOFDSTUK 1. - Automatische toekenning en uitbe... HOOFDSTUK 2. - Wijziging in de toestand of de zorg HOOFDSTUK 3. - Schorsing van tegemoetkomingen b... HOOFDSTUK 4. - Administratief beroep Titel 2. - Zorgbudget voor zwaar zorgbehoevenden HOOFDSTUK 1. - Algemeen HOOFDSTUK 2. - Voorwaarden Afdeling 1. - Verblijfsvoorwaarden: residentiël... Afdeling 2. - Voorwaarde voor langdurige ernsti... HOOFDSTUK 3. - Automatische toekenning en aanvraag HOOFDSTUK 4. - Beslissing over de tegemoetkoming Afdeling 1. - Nemen van de beslissing Afdeling 2. - Geldigheidsduur Afdeling 3. - Herziening Afdeling 4. - Verlenging Afdeling 5. - Stopzetting Afdeling 6. - Verandering van zorgvorm Afdeling 7. - Uitvoering van de tegemoetkomingen HOOFDSTUK 5. - Controle op de indicatiestelling Titel 3. - Zorgbudget voor ouderen met een zorg... HOOFDSTUK 1. - Algemeen HOOFDSTUK 2. - Voorwaarden Afdeling 1. - Verminderde zelfredzaamheid Afdeling 2. - Inkomen en gezinssamenstelling HOOFDSTUK 3. - Onderzoek en beslissing Afdeling 1. - De aanvraag Afdeling 2. - De vaststelling Afdeling 3. - De behandeling van de aanvraag Afdeling 4. - De beslissing Afdeling 5. - Aanvraag tot herziening Afdeling 6. - De aangifte Afdeling 7. - De ambtshalve herziening door de ... HOOFDSTUK 4. - Uitvoering van de tegemoetkomingen Afdeling 1. - Betalingsmodaliteiten Afdeling 2. - De betaling van voorschotten Afdeling 3. - Betalingsvoorwaarden Afdeling 4. - Weigering of vermindering van de ... Titel 4. - Basisondersteuningsbudget HOOFDSTUK 1. - Algemeen HOOFDSTUK 2. - Voorwaarde van ernstig verminder... HOOFDSTUK 3. - Beslissing over de tegemoetkoming Afdeling 1. - Nemen van de beslissing Afdeling 2. - Geldigheidsduur Afdeling 3. - Verlenging en stopzetting HOOFDSTUK 4. - Cumulatie van de tegemoetkoming ... Deel 2. Tegemoetkoming voor mobiliteitshulpmidd... Titel 1. - Voorwaarden Titel 2. - Procedures HOOFDSTUK 1. - Vereenvoudigde aanvraagprocedure HOOFDSTUK 2. - Basisprocedure HOOFDSTUK 3. - Uitgebreide procedure HOOFDSTUK 4. - Uitgebreide plus-procedure HOOFDSTUK 5. - Zorgkassencommissie Titel 3. - Huur HOOFDSTUK 1. - Woonzorgcentra - thuiszorg Afdeling 1. - Toepassingsgebied Afdeling 2. [1 [2 Huur van een standaardrolstoe... Afdeling 3. - Aankoop HOOFDSTUK 2. - Gebruikers met snel degeneratiev... Afdeling 1. - Toepassingsgebied Afdeling 2. [1 [2 Huur van een standaardrolstoe... Afdeling 3. - Aankoop Titel 4. - Aankoop HOOFDSTUK 1. - Binnen de productlijst HOOFDSTUK 2. - Buiten de productlijst - bijkome... Afdeling 1. - Mobiliteitshulpmiddelen die niet ... Afdeling 2. - Bijkomende tegemoetkoming HOOFDSTUK 3. - Forfaitaire tegemoetkoming HOOFDSTUK 4. - Testrapport bij aankoop HOOFDSTUK 5. - Tijdelijke huur voorafgaand aan ... HOOFDSTUK 6. - Hernieuwing, voortijdige hernieu... Afdeling 1. - Hernieuwing Afdeling 2. - Voortijdige hernieuwing Afdeling 3. - Voortijdige aanpassingen HOOFDSTUK 7. - Onderhoud en herstelling bij aan... HOOFDSTUK 8. - Uitzonderlijke situaties Titel 5. - Tegemoetkoming voor een tweede rolstoel Titel 6. - Toekenning van tegemoetkomingen HOOFDSTUK 1. - Facturatie HOOFDSTUK 2. - Software HOOFDSTUK 3. - Indexering Titel 7. - Indicatiestelling HOOFDSTUK 1. - Medisch voorschrift HOOFDSTUK 2. - Rolstoeladviesrapport HOOFDSTUK 3. - Erkenning indicatiestellers Afdeling 1. [1 Algemeen]1 Afdeling 2. [1 Erkenning van indicatiestellers ... Afdeling 3. [1 Erkenning van rolstoeladviesteam... Onderafdeling 1. [1 Opdrachten en samenstelling]1 Art. 358/1. [1De rolstoeladviesteams en de gesp... Art. 358/2. [1 De dienstverlening van het rolst... Art. 358/3. [1 Een rolstoeladviesteam bestaat uit: Art. 358/4. [1 Een gespecialiseerd rolstoeladvi... Art. 358/5. [1 De leden van het rolstoeladviest... Art. 358/6. [1 Naargelang van de vraag kan een ... Onderafdeling 2. [1 Erkenning]1 Titel 8. - Productlijst HOOFDSTUK 1. - Opmaak van de productlijst HOOFDSTUK 2. - Opname van producten op de produ... Titel 9. - Verstrekkers van mobiliteitshulpmidd... HOOFDSTUK 1. - Machtiging HOOFDSTUK 2. - Voorwaarden in het kader van de ... HOOFDSTUK 3. - Indiening aanvragen Titel 10. - Adviescommissie Mobiliteitshulpmidd... HOOFDSTUK 1. - Samenstelling van de Adviescommi... HOOFDSTUK 2. - Organisatie en werkingsregels va... HOOFDSTUK 3. - Taken HOOFDSTUK 4. - Vergoeding Titel 11. - Bijzondere Technische Commissie HOOFDSTUK 1. - Samenstelling van de Bijzondere ... HOOFDSTUK 2. - Organisatie en werkingsregels va... HOOFDSTUK 3. - Statuut en vergoeding HOOFDSTUK 4. - Rapportering aan de Adviescommis... Titel 12. - Handhaving HOOFDSTUK 1. - Indicatiestelling HOOFDSTUK 2. - Evaluatie van mobiliteitshulpmid... HOOFDSTUK 3. - Aanrekening tegemoetkoming en su... HOOFDSTUK 4. - Naleving voorwaarden en procedures Boek 3. [1 Tegemoetkomingen voor zorg in woonzo... Deel 1. - Voorwaarden Titel 1. - Algemeen Titel 2. - Gebruiker HOOFDSTUK 1. - Algemeen HOOFDSTUK 2. - Afhankelijkheidscategorieën Afdeling 1. - Algemeen Afdeling 2. - Woonzorgcentra en centra voor kor... Afdeling 3. [1 - Centra voor dagverzorging]1 Titel 3. - Personeel HOOFDSTUK 1. - Algemeen HOOFDSTUK 2. - Woonzorgcentra en centra voor ko... Afdeling 1. - Financieringsnormen volgens het a... Afdeling 2. - Financieringsnormen zorgkundigen ... Afdeling 3. - De continuïteit van de verzorging HOOFDSTUK 3. - [1 Centrum voor dagverzorging]1 Art. 432/1. [1 In dit hoofdstuk wordt onder mee... Titel 4. - Aanmelding HOOFDSTUK 1. - Algemeen HOOFDSTUK 2. - Woonzorgcentra en centra voor ko... HOOFDSTUK 3. [1 - Centra voor dagverzorging]1 Titel 5. - Verzorgingsdossier Titel 6. - Administratieve verplichtingen HOOFDSTUK 1. - Algemeen HOOFDSTUK 2. - Woonzorgcentra en centra voor ko... HOOFDSTUK 3. - Dagverzorgingscentra HOOFDSTUK 4. [1 Gemeenschappelijke bepaling met... Deel 2. - Toekenning van tegemoetkomingen Titel 1. - Tegemoetkomingen HOOFDSTUK 1. - Algemeen HOOFDSTUK 2. - Woonzorgcentra en centra voor ko... HOOFDSTUK 3. [1 - Centra voor dagverzorging]1 Titel 2. - Gedekte zorg HOOFDSTUK 1. - Woonzorgcentra en centra voor ko... HOOFDSTUK 2. [1 - Centra voor dagverzorging]1 Titel 3. - Berekening van de tegemoetkomingen HOOFDSTUK 1. - Tegemoetkoming voor zorg in een ... Afdeling 1. - Basistegemoetkoming voor zorg in ... Onderafdeling 1. - Algemeen Onderafdeling 2. - Deel A1: financiering van de... Onderafdeling 3. - Deel A2: tegemoetkoming als ... Onderafdeling 4. - Deel A3: tegemoetkoming bedo... Onderafdeling 5. - Deel B1: financiering voor h... Onderafdeling 6. - Deel B2: financiering voor p... Onderafdeling 7. - Deel C: financiering van de ... Onderafdeling 8. - Deel D: partiële tegemoetkom... Onderafdeling 9. - Deel E1: financiering van he... Onderafdeling 9. TOEKOMSTIG_RECHT. - [1 Deel E1... Onderafdeling 10. [1 Deel E2: financiering van ... Onderafdeling 11. - Deel E3: financiering van e... Onderafdeling 12. - Deel E4: financiering van t... Onderafdeling 13. [1 Deel F: financiering van d... Onderafdeling 14. - Deel G: bijkomende financie... Onderafdeling 15. - Deel H: financiering van de... Onderafdeling 16. - Deel I: werkingssubsidie ce... Onderafdeling 17. Onderafdeling 18. [1 Deel K: Financiering van o... Onderafdeling 20. Onderafdeling 21. Art. 504/4. Onderafdeling 22. Afdeling 2. - De tegemoetkoming in de gesolidar... Afdeling 3. [1 - De tegemoetkoming voor de opva... HOOFDSTUK 2. [1 - Tegemoetkoming voor zorg in e... Afdeling 1. [1 - Basistegemoetkoming voor zorg ... Afdeling 2. [1 - De tegemoetkoming in de reisko... Deel 3. - Dagprijs en extra vergoedingen en voo... Deel 4. - Indexering Deel 5. - Zorgkassencommissie Titel 1. - Woonzorgcentrum en centrum voor kort... Titel 2. - [1 Centrum voor dagverzorging]1 Deel 6. - Facturatie Deel 7. - Software Boek 3/1. [1 - Subsidiëring van het pilootproje... Art. 534/0. [1 Als meerdere vestigingen als één... Boek 3/2. Boek 3/3. [1 Subsidiëring van de coördinerend e... Boek 3/4. [1 Revalidatieziekenhuizen]1 DEEL 1. [1 - Definities]1 DEEL 2. [1 - Vaststelling van het budget]1 TITEL 1. [1 - Algemene bepalingen]1 TITEL 2. [1 - Het basisbudget, vermeld in artik... TITEL 3. [1 - Het voorwaardelijke budget, verme... HOOFDSTUK 1. [1 - Onderdelen]1 HOOFDSTUK 2 [1 - Bedrag om de kwaliteitsbewakin... HOOFDSTUK 3. [1 - Bedrag om de implementatie va... HOOFDSTUK 4. [1 . Een eenmalig bedrag in het b... TITEL 4. [1 - Het jaarlijks herrekende budget, ... HOOFDSTUK 1. [1 - Onderdelen]1 HOOFDSTUK 2. [1 - Het bedrag ter compensatie va... HOOFDSTUK 3. [1 - Het bedrag ter compensatie va... HOOFDSTUK 4. [1 - Het bedrag ter compensatie va... TITEL 5. [1 - Het corrigerende budget, vermeld ... TITEL 6. [1 - Indexering van het budget]1 DEEL 3. [1 - Kennisgeving van de beslissing]1 DEEL 4. [1 - Vereffening van het budget]1 TITEL 1. [1 - Vaststelling van het vaste en het... TITEL 2. [1 - Vereffening van het budget voor d... TITEL 3. [1 - Vereffening van het budget voor d... TITEL 4. [1 - Gevolgen van de niet-naleving van... DEEL 5. [1 - Verklaring bij opname]1 DEEL 6. [1 - Melding van gegevens]1 DEEL 7. [1 - Tegemoetkomingen voor de verpleegd... TITEL 1. [1 - Algemeen]1 TITEL 2. [1 - Persoonlijk aandeel en extra verg... TITEL 3. [1 - Opname]1 TITEL 4. [1 - Facturatie]1 HOOFDSTUK 1. [1 - Facturatie van verpleegdagen]1 HOOFDSTUK 2. [1 - Patiëntenfactuur]1 TITEL 5. [1 - Software]1 Boek 3/5. [1 Multidisciplinair overleg]1 Boek 3/6. [1 Revalidatievoorzieningen ]1 DEEL 1. [1 Financiering en tegemoetkoming]1 TITEL 1. [1 Tegemoetkomingen voor revalidatieve... TITEL 2. [1 Cumulatie van tegemoetkomingen ]1 TITEL 3. [1 Eigen bijdrage ]1 TITEL 4. [1 Tegemoetkomingen in reiskosten ]1 HOOFDSTUK 1 [1 Tegemoetkomingen in reiskosten v... HOOFDSTUK 2 [1 Tegemoetkomingen in reiskosten v... HOOFDSTUK 3 [1 Indexering ]1 Deel 2. [1 Aanvraagprocedure ]1 Deel 3. [1 Facturatie ]1 Deel 4. [1 Software ]1 Deel 5. [1 Tegemoetkomingen voor geplande reval... Titel 1. [1 Inleidende bepaling ]1 Titel 2. [1 Voorwaarden en bedrag van de tegemo... Titel 3. [1 Aanvraagprocedure ]1 Art. 534/129. [1 In deze titel wordt verstaan o... Art. 534/130 [1 Vóór de geplande revalidatiever... Art. 534/131 [1 Het agentschap stelt op zijn we... Art. 534/132 [1 De zorgkas waarbij de gebruiker... Art. 534/133 [1 De zorgkas bezorgt de aanvraag ... Art. 534/134 [1 De Expertencommissie onderzoekt... Art. 534/135 [1 De Expertencommissie brengt een... Art. 534/136 [1 Op basis van het eensluidend ad... Art. 534/137 [1 De periode waarvoor de aangevra... Art. 534/138 [1 Als de zorgkas conform artikel ... Boek 3/7 [1 Psychiatrische verzorgingstehuizen ]1 Deel 1 [1 Financiering en tegemoetkoming ]1 Titel 1. [1 Tegemoetkomingen voor zorg ]1 HOOFDSTUK 1. [1 Opnemingsprijs ]1 HOOFDSTUK 2. [1 Tegemoetkoming voor zorg in de ... Art. 534/146. [1 De tegemoetkoming voor zorg, v... HOOFDSTUK 3. [1 Financiering ten laste van de g... HOOFDSTUK 4. [1 Extra categorie voor wie de per... Titel 2 [1 Cumulatie van tegemoetkomingen]1 Deel 2 [1 Aanvraagprocedure ]1 Deel 3 [1 . Facturatie ]1 Deel 4 [1 Software ]1 Boek 3/8. [1 Initiatieven van beschut wonen]1 Deel 1. [1 Financiering]1 Deel 2. [1 Tegemoetkoming]1 TITEL 1. [1 Tegemoetkoming voor zorg in de prij... Art. 534/172. [1 De tegemoetkoming voor zorg in... TITEL 2. [1 Cumulatie van tegemoetkomingen]1 Deel 3. [1 Aanvraagprocedure]1 Deel 4. [1Facturatie]1 Deel 5. [1 Software]1 Boek 3/9. [1 Multidisciplinaire begeleidingsequ... Deel 1. [1 Financiering en tegemoetkoming]1 TITEL 1. [1 Algemeen]1 TITEL 2. [1 Samenstelling en berekening van de ... TITEL 3. [1 Voorwaarden voor de tegemoetkoming]1 TITEL 4. [1 Cumulatie van tegemoetkomingen]1 Deel 2. [1 Aanvraagprocedure]1 Deel 3. [1 Facturatie]1 Deel 4. [1 Software]1 Art. 534/221. [1 [1 §]1 1. De digitale applicat... Art. 534/222. [1 [1 §]1 1. De softwareontwikkel... Art. 534/223. [1 [1 §]1 1. Zolang het uitgereik... Art. 534/224. [1 De attesten die verleend zijn ... Boek 3/10. [1 Rolstoeladviesteams of gespeciali... Deel 1. [1 Tegemoetkomingen]1 TITEL 1. [1 Tegemoetkoming voor de opmaak van e... TITEL 2. [1 Tegemoetkoming in reiskosten voor g... Deel 2. [1 Aanvraagprocedure]1 Deel 3. [1 Facturatie]1 Deel 4. [1 Software]1 Boek 4. - Wijzigingsbepalingen Deel 1. - Wijziging van het besluit van de Vlaa... Deel 2. - Wijziging van het koninklijk besluit ... Deel 3. - Wijzigingen van het besluit van de Vl... Deel 4. - Wijziging van het besluit van de Vlaa... Deel 5. - Wijziging van het besluit van de Vlaa... Deel 6. - Wijzigingen van het besluit van de Vl... Deel 7. - Wijzigingen van het besluit van de Vl... Deel 8. - Wijzigingen van het besluit van de Vl... Deel 9. - Wijziging van het koninklijk besluit ... Deel 10. - Wijziging van het besluit van de Vla... Deel 11. - Wijzigingen van het koninklijk beslu... Deel 12. - Wijziging van het besluit van de Vla... Deel 13. - Wijzigingen van het besluit van de V... Deel 14. - Wijziging van het besluit van de Vla... Deel 15. - Wijzigingen van het besluit van de V... Deel 16. - Wijzigingen van het besluit van de V... Deel 17. - Wijziging van het besluit van de Vla... Deel 18. - Wijziging van het koninklijk besluit... Deel 19. - Wijziging van het besluit van de Vla... Deel 20. - Wijziging van het besluit van de Vla... Deel 21. - Wijzigingen van het besluit van de V... Deel 22. - Wijziging van het Subsidiebesluit va... Deel 23. - Wijzigingen van het besluit van de V... Deel 24. - Wijzigingen van het besluit van de V... Deel 25. - Wijzigingen van het besluit van de V... Deel 26. - Wijziging van het besluit van de Vla... Deel 27. - Wijziging van het besluit van de Vla... Deel 28. - Wijziging van het besluit van de Vla... Deel 29. - Wijzigingen van het besluit van de V... Deel 30. - Wijzigingen van het besluit van de V... Deel 31. - Wijziging van de verordening van 28 ... Boek 5. - Slotbepalingen Deel 1. - Opheffingsbepaling Deel 2. - Overgangsbepalingen Deel 3. - Inwerkingtredingsbepaling BIJLAGE.
Inhoud
Livre 1er. - Dispositions de base communes Partie 1re. [1 Définitions et champ d'applicat... Partie 2. - Organisation de la protection socia... Titre 1er. - L'Agence pour la protection social... Chapitre 1er. - Domaine politique Chapitre 2. - Gestion et fonctionnement de l'ag... Chapitre 3. - Dispositions relatives au finance... Titre 2. - Les caisses d'assurance soins Chapitre 1er. - Procédure de délivrance de l'ag... Chapitre 2. - Procédure de retrait et de suspen... Chapitre 3. - Fonctionnement territorial Chapitre 4. - Organisation, fonctionnement et g... Chapitre 5. - Surveillance et contrôle des cais... Chapitre 6. - Fonction de médiation Chapitre 7. Amendes administratives Titre 3. - La Commission des caisses d'assuranc... Titre 4. - Les commissions consultatives sector... Titre 5. - La Commission d'experts des soins sp... Titre 6. - Le comité consultatif Partie 3. - Affiliation à la protection sociale... Titre 1er. - Affiliation Chapitre 1er. -. Généralités Chapitre 2. - Obligation d'affiliation Chapitre 3. - Affiliation volontaire Chapitre 4. - Affiliation administrative Chapitre 5. - Interdiction d'affiliation Chapitre 6. - Mode d'affiliation Chapitre 7. - Changement de caisse d'assurance ... Titre 2. - Primes pour la protection sociale fl... Chapitre 1er. -. Montant et perception des prim... Chapitre 2. - Lettre de rappel Chapitre 3. - Lettre recommandée Titre 3. - Cessation de l'affiliation Partie 4. - Dispositions de sanction : l'amende... Titre 1er. - Cas dans lesquels l'amende adminis... Titre 2. - Motifs d'exemption de l'amende admin... Titre 3. - Procédure Titre 4. - Recours administratif contre l'amend... Titre 5. - Recouvrement Partie 5. - Enregistrement, traitement et échan... Titre 1er. - Généralités Titre 1er/1. [1 Budgets de soins]1 Titre 2. - Aides à la mobilité Titre 3. - Soins résidentiels aux personnes âgées Titre 4. [1 Hôpitaux de revalidation]1 Titre 5. [1 Concertation multidisciplinaire]1 Titre 6. [1 Structures de revalidation ]1 Titre 7. [1 Maisons de soins psychiatriques ]1 Art. 111/24 [1 Afin d'introduire une demande d'... Art. 111/25 [1 Pour introduire la demande d'int... Art. 111/26 [1 Le numéro NISS de l'usager est u... Art. 111/27 [1 Les maisons de soins psychiatriq... Art. 111/28 [1 Les maisons de soins psychiatriq... Art. 111/29 [1 Les documents et données figuran... Art. 111/30 [1 Conformément à l'article 37, § 1... Art. 111/31 [1 . Les données figurant à l'artic... Titre 8. [1 Initiatives d'habitation protégée]1 Titre 9. [1 Equipes d'accompagnement multidisci... Titre 10. [1 Equipes d'avis et équipes d'avis s... Partie 6. - Interventions Titre 1er. - Généralités Titre 2. - Dispense de primes Titre 3. - Subrogation Titre 4. - Récupération d'interventions payées ... Chapitre 1er. - Récupération d'interventions pa... Chapitre 2. [1 Récupération d'interventions pay... Chapitre 3. - Disposition commune relative aux ... Titre 5. [1 Sanctions à charge des structures d... CHAPITRE 1er. [1 - Généralités]1 CHAPITRE 2. [1 - Fraude]1 Livre 2. - Financement lié aux soins Partie 1re. - Budget de soins Titre 1er. - Généralités Chapitre 1er. - Octroi automatique et paiement ... Chapitre 2. - Modification de la situation ou d... Chapitre 3. - Suspension des interventions en c... Chapitre 4. - Recours administratif Titre 2. - Budget de soins pour personnes forte... Chapitre 1er. - Généralités Chapitre 2. - Conditions Section 1re. - Conditions de résidence : soins ... Section 2. - Condition de l'autonomie réduite g... Chapitre 3. - Octroi automatique et demande Chapitre 4. - Décision quant à l'intervention Section 1re. - Prise de la décision Section 2. - Durée de validité Section 3. - Révision Section 4. - Prolongation Section 5. - Cessation Section 6. - Changement de forme des soins Section 7. - Exécution des interventions Chapitre 5. - Contrôle de l'indication Titre 3. - Budget de soins pour personnes âgées... Chapitre 1er. - Généralités Chapitre 2. - Conditions Section 1re. - Réduction de l'autonomie Section 2. - Revenus et composition du ménage Chapitre 3. - Examen et décision Section 1re. - La demande Section 2. - La constatation Section 3. - L'examen de la demande Section 4. - La décision Section 5. - Demande de révision Section 6. - La déclaration Section 7. - La révision d'office de la décisio... Chapitre 4. - Exécution des interventions Section 1re. - Modalités de paiement Section 2. - Le paiement d'avances Section 3. - Conditions de paiement Section 4. - Refus ou diminution des interventi... Titre 4. - Budget d'assistance de base Chapitre 1er. - Généralités Chapitre 2. - Condition d'autonomie réduite grave Chapitre 3. - Décision quant à l'intervention Section 1ère. - Prise de la décision Section 2. - Durée de validité Section 3. - Prolongation et cessation Chapitre 4. - Cumul de l'allocation avec d'autr... Partie 2. - Intervention pour les aides à la mo... Titre 1er. - Conditions Titre 2. - Procédures Chapitre 1er. - Procédure de demande simplifiée Chapitre 2. - Procédure de base Chapitre 3. - Procédure étendue Chapitre 4. - Procédure complémentaire étendue Chapitre 5. - Commission des caisses d'assuranc... Titre 3. - Location Chapitre 1er. - Centres de services de soins et... Section 1ère. - Champ d'application Section 2. [1 [2 Location d'une voiturette stan... Section 3. - Achat Chapitre 2. - Usagers souffrant de maladies dég... Section 1ère. - Champ d'application Section 2. [1 [2 Location d'une voiturette stan... Section 3. - Achat Titre 4. - Achat Chapitre 1er. - Dans la liste des produits Chapitre 2. - En dehors de la liste des produit... Section 1ère. - Aides à la mobilité ne figurant... Section 2. - Intervention complémentaire Chapitre 3. - Intervention forfaitaire Chapitre 4. - Rapport de test lors de l'achat Chapitre 5. - Location temporaire préalablement... Chapitre 6. - Renouvellement, renouvellement an... Section 1ère. - Renouvellement Section 2. - Renouvellement anticipé Section 3. - Adaptations anticipées Chapitre 7. - Entretien et réparation lors de l... Chapitre 8. - Situations exceptionnelles Titre 5. - Intervention pour une seconde voitur... Titre 6. - Octroi des interventions Chapitre 1er. - Facturation Chapitre 2. - Logiciels Chapitre 3. - Indexation Titre 7. - Indication Chapitre 1er. - Prescription médicale Chapitre 2. - Rapport d'avis " type de voituret... Chapitre 3. - Agrément des indicateurs Section 1re. [1 Généralités]1 Section 2. [1 Agrément d'indicateurs en vue de ... Section 3. [1 Agrément d'équipes d'avis et d'éq... Subdivision 1. [1 Missions et composition]1 Sous-section 2. [1 Reconnaissance]1 Titre 8. - Liste des produits Chapitre 1er. - Etablissement de la liste des p... Chapitre 2. - Enregistrement de produits dans l... Titre 9. - Fournisseurs d'aides à la mobilité Chapitre 1er. - Autorisation Chapitre 2. - Conditions dans le cadre de la re... Chapitre 3. - Introduction des demandes Titre 10. - Commission consultative Aides à la ... Chapitre 1er. - Composition de la Commission co... Chapitre 2. - Organisation et règles de fonctio... Chapitre 3. - Tâches Chapitre 4. - Rémunération Titre 11. - Commission technique spéciale Chapitre 1er. - Composition de la Commission te... Chapitre 2. - Organisation et règles de fonctio... Chapitre 3. - Statut et rémunération Chapitre 4. - Rapport à la Commission consultat... Titre 12. - Maintien Chapitre 1er. - Indication Chapitre 2. - Evaluation des aides à la mobilit... Chapitre 3. - Imputation de l'intervention et d... Chapitre 4. - Respect des conditions et procédures Livre 3. [1 - Interventions pour les soins dans... Partie 1ère. - Conditions Titre 1er. - Généralités Titre 2. - Utilisateur Chapitre 1er. - Généralités Chapitre 2. - Catégories de dépendance Section 1ère. - Généralités Section 2. - Centre de soins résidentiels et ce... Section 3. - Centres de soins de jour Titre 3. - Personnel Chapitre 1er. - Généralités Chapitre 2. - Centre de soins résidentiels et c... Section 1ère. - Normes de financement en foncti... Section 2. - Normes de financement aides-soigna... Section 3. - La continuité des soins Chapitre 3. - Centre de soins de jour Titre 4. - Inscription Chapitre 1er. - Généralités Chapitre 2. - Centre de soins résidentiels et c... Chapitre 3. - Centres de soins de jour Titre 5. - Dossier de soins Titre 6. - Obligations administratives Chapitre 1er. - Généralités Chapitre 2. - Centre de soins résidentiels et c... Chapitre 3. - Centres de soins de jour CHAPITRE 4. [1 Disposition commune relative aux... Partie 2. - Octroi des allocations Titre 1. - Allocations Chapitre 1er. - Général Chapitre 2. - Centres de soins résidentiels et ... Chapitre 3. - Centres de soins de jour Titre 2. - Soins couverts Chapitre 1er. - Centres de soins résidentiels e... Chapitre 2. - Centres de soins de jour Titre 3. - Calcul de l'allocation Chapitre 1er. - Allocation de soins dans un cen... Section 1ère. - Allocation de base pour soins d... Sous-section 1ère. - Généralités Sous-section 2. - Partie A1: financement du per... Sous-section 3. - Partie A2 : intervention au t... Sous-section 4. - Partie A3 : intervention dest... Sous-section 5. - Partie B1 : financement du ma... Sous-section 6. - Partie B2 : financement des p... Sous-section 7. - Partie C : financement de la ... Sous-section 8. - Partie D : intervention parti... Sous-section 9. Partie E1 : financement du comp... Sous-section 9. DROIT_FUTUR. [1 Partie E1 : fin... Sous-section 10. [1 Partie E2 : financement du ... Sous-section 11. - Partie E3 : financement d'un... Sous-section 12. - Partie E4 : financement de t... Sous-section 13. [1 Partie F : financement du m... Sous-section 14. - Partie G : financement suppl... Sous-section 15. - Partie H : financement de la... Sous-section 16. - Partie I : subvention de fon... Sous-section 17. Sous-section 18. [1 Partie K : Financement du p... Sous-section 20. Sous-section 21 Sous-section 2 2 Division 2. L'intervention dans les frais solid... Section 3. [1 - L'allocation pour l'accueil des... Chapitre 2. [1 - Intervention pour les soins da... Division 1. [1 - Intervention de base pour les ... Section 2. [1 - L'intervention dans les frais d... Partie 3. - Prix journalier et indemnités et av... Partie 4. - Indexation Partie 5. - Commission des caisses d'assurance ... Titre 1. - Centre de soins résidentiels et cent... Titre 2. - Centre de soins de jour Partie 6. - Facturation Partie 7. - Logiciels Livre 3/1. [1 - Subventionnement du projet pilo... Livre 3/2. Livre 3/3. [1 Subventionnement du médecin coord... Livre 3/4. [1 Hôpitaux de revalidation]1 Partie 1re. [1 - Définitions]1 Partie 2. [1 - Fixation du budget]1 TITRE 1er. [1 - Dispositions générales]1 TITRE 2. [1 - Le budget de base visé à l'articl... TITRE 3.. [1 - Le budget conditionnel visé à l'... CHAPITRE 1er. [1 - Sous-parties]1 CHAPITRE 2. [1 - Montant en vue de promouvoir l... CHAPITRE 3. [1 - Montant en vue de promouvoir l... CHAPITRE 4. [1 Un montant unique dans le budget... TITRE 4. [1 - Le budget recalculé annuellement ... CHAPITRE 1er. [1 - Sous-parties]1 CHAPITRE 2. [1 - Le montant compensatoire des m... CHAPITRE 3.. [1 - Le montant compensatoire du c... CHAPITRE 4. [1 - Le montant compensatoire de la... TITRE 5. [1 - Le budget correctif visé à l'arti... TITRE 6. [1 - Indexation du budget]1 Partie 3. [1 - Notification de la décision]1 Partie 4. [1 - Liquidation du budget]1 TITRE 1. [1 - Fixation des parties fixe et vari... TITRE 2. [1 Liquidation du budget pour les pati... TITRE 3. [1 - Liquidation du budget pour les pa... TITRE 4. [1 - Conséquences du non-respect des c... Partie 5. [1 - Déclaration d'admission]1 Partie 6. [1 - Communication de données]1 Partie 7. [1 - Interventions pour les journées ... TITRE 1er. [1 - Généralités]1 TITRE 2. [1 - Quote-part personnelle et indemni... TITRE 3. [1 - Admission]1 TITRE 4. [1 - Facturation]1 CHAPITRE 1er. [1 - Facturation de journées d'ho... CHAPITRE 2. [1 - Facture du patient]1 TITRE 5. [1 - Logiciels]1 Livre 3/5. [1 Concertation multidisciplinaire]1 Livre 3/6. [1 Structures de revalidation ]1 Partie 1. [1 Financement et intervention ]1 TITRE 1er. [1 Interventions pour des prestation... TITRE 2. [1 Cumul d'interventions ]1 TITRE 3. [1 Contribution propre ]1 TITRE 4. [1 Interventions dans les frais de dép... CHAPITRE 1er [1 Interventions dans les frais de... CHAPITRE 2 [1 Interventions dans les frais de d... CHAPITRE 3. [1 Indexation]1 Partie 2. [1 Procédure de demande ]1 Partie 3. [1 Facturation ]1 Partie 4. [1 Logiciel ]1 Partie 5. [1 Interventions pour des prestations... TITRE 1er. [1 Disposition introductive ]1 TITRE 2. [1 Conditions et montant des intervent... TITRE 3. [1 Procédure de demande ]1 Livre 3/7. [1 Maisons de soins psychiatriques ]1 Partie 1er. [1 Financement et intervention ]1 TITRE 1er. [1 Interventions dans les soins ]1 Chapitre 1er. [1 Chapitre 1er. ]1 Chapitre 2 [1 Intervention pour soins dans le p... Chapitre 3 [1 Financement à charge de l'usager ]1 Chapitre 4 [1 Catégorie supplémentaire : les ca... Art. 534/148. [1 § 1er. Les maisons de soins ps... TITRE 2. [1 Cumul d'interventions ]1 Partie 2. [1 Procédure de demande ]1 Partie 3 [1 Facturation ]1 Partie 4. [1 Logiciels ]1 Livre 3/8. [1 Initiatives d'habitation protégée]1 Partie 1re. [1 Financement]1 Partie 2. [1 Intervention]1 TITRE 1er. [1 Intervention pour soins dans le p... TITRE 2. [1 Cumul d'interventions]1 Partie 3. [1 Procédure de demande]1 Partie 4. [1 Facturation]1 Partie 5. [1 Logiciels]1 Livre 3/9. [1 Equipes d'accompagnement multidis... Partie 1re. [1Financement et intervention]1 TITRE 1er. [1 Généralités]1 TITRE 2. [1 Composition et calcul de l'indemnité]1 TITRE 3. [1 Conditions d'intervention]1 TITRE 4. [1 Cumul d'interventions]1 Partie 2. [1 Procédure de demande]1 Partie 3. [1 Facturation]1 Partie 4. [1 Logiciels ]1 Livre 3/10. [1 Equipes d'avis ou équipes d'avis... Partie 1re. [1 Interventions]1 TITRE 1er. [1 Intervention pour l'établissement... TITRE 2. [1 Intervention dans les frais de dépl... Partie 2. [1 Procédure de demande]1 Partie 3. [1 Facturation]1 Partie 4. [1 Logiciels]1 Livre 4. - Dispositions modificatives Partie 1ère. - Modifications de l'arrêté du Gou... Partie 2. - Modification de l'arrêté royal du 1... Partie 3. - Modifications de l'arrêté du Gouver... Partie 4. - Modification de l'arrêté du Gouvern... Partie 5. - Modification de l'arrêté du Gouvern... Partie 6. - Modifications de l'arrêté du Gouver... Partie 7. - Modifications de l'arrêté du Gouver... Partie 8. - Modifications de l'arrêté du Gouver... Partie 9. - Modification de l'arrêté royal du 1... Partie 10. - Modifications de l'arrêté du Gouve... Partie 11. - Modifications de l'arrêté royal du... Partie 12. - Modification de l'arrêté du Gouver... Partie 13. - Modifications de l'arrêté du Gouve... Partie 14. - Modifications de l'arrêté du Gouve... Partie 15. - Modifications de l'arrêté du Gouve... Partie 16. - Modifications de l'arrêté du Gouve... Partie 17. - Modification de l'arrêté du Gouver... Partie 18. - Modification de l'arrêté royal du ... Partie 19. - Modification de l'arrêté du Gouver... Partie 20. Modification de l'arrêté du Gouverne... Partie 21. - Modification de l'arrêté Gouvernem... Partie 22. - Modification de l'Arrêté de Subven... Partie 23. - Modification de l'arrêté du Gouver... Partie 24. - Modifications de l'arrêté du gouve... Partie 25. - Modifications de l'arrêté du Gouve... Partie 26. - Modification de l'arrêté du Gouver... Partie 27. - Modification de l'arrêté du Gouver... Partie 28. - Modification de l'arrêté du Gouver... Partie 29. - Modifications de l'arrêté du Gouve... Partie 30. - Modifications de l'arrêté du Gouve... Partie 31. - Modification du règlement du 28 ju... Livre 5. - Dispositions finales Partie 1. - Disposition abrogatoire Partie 2. - Dispositions transitoires Partie 3. - Entrée en vigueur ANNEXE.
Tekst (1489)
Texte (1490)
Boek 1. Gemeenschappelijke basisbepalingen
Livre 1er. - Dispositions de base communes
Deel 1. [1 Definities en toepassingsgebied ]1
Partie 1re. [1 Définitions et champ d'application ]1
Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder:
  1° aangetekende brief:een aangetekende brief of een elektronisch aangetekende bezorging conform de verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG;
  2° aansluiten: de aansluiting met premiebetaling bij een zorgkas, door personen op wie de Vlaamse sociale bescherming van toepassing is;
  [4 [5 ...]5;]4
  3° bachelor in de verpleegkunde: een persoon die beschikt over een diploma van bachelor in de verpleegkunde of een persoon wiens behaalde graad hiermee gelijkgeschakeld is conform artikel II.378 van de Codex Hoger Onderwijs;
  4° basisprocedure: de procedure, vermeld in boek 2, deel 2, titel 2, hoofdstuk 2;
  5° [2 BEL-profielschaal of BelRAI screener: de evaluatieschalen waarmee de duur en de ernst van de verminderde zelfredzaamheid worden gemeten, vermeld in artikel 82 van het decreet van 18 mei 2018, en artikel 6, § 2, van bijlage 2 van het besluit van 28 juni 2019. De BelRAI screener is een wetenschappelijk onderbouwd evaluatie-instrument dat gebaseerd is op het internationale Resident Assessment Instrument. Het is een gevalideerd instrument dat gestandaardiseerde informatie over de zorgbehoefte van de gebruiker genereert met als doel een betere zorg voor de gebruiker;]2
  [7 [8 ...]8;]7
  [4 5° /1 besluit van 7 december 2018: het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2018 houdende de uitvoering van het decreet van 6 juli 2018 betreffende de overname van de sectoren psychiatrische verzorgingstehuizen, initiatieven van beschut wonen, revalidatieovereenkomsten, revalidatieziekenhuizen en multidisciplinaire begeleidingsequipes voor palliatieve verzorging;]4
  6° [2 besluit van 28 juni 2019: het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juni 2019 betreffende de programmatie, de erkenningsvoorwaarden en de subsidieregeling voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen voor mantelzorgers en gebruikers]2;
  [8 6/1° besluit van 19 juli 2024: het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2024 over de procedures voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen voor mantelzorgers en gebruikers;]8
  7° betaalde premie: de premie waarvan het bedrag op de rekening van de zorgkas of van het agentschap staat;
  8° [2 bewoner: een persoon die in een woonzorgcentrum woont of gebruik maakt van een centrum voor kortverblijf]2;
  9° budget voor niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning: een budget voor niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning als vermeld in hoofdstuk 5 van het decreet houdende de persoonsvolgende financiering;
  [2 9° /1 centrum voor dagverzorging: een centrum voor dagverzorging als vermeld in artikel 23 van het Woonzorgdecreet van 15 februari 2019, dat een bijkomende erkenning heeft conform artikel 6, § 2, eerste lid, 1°, en tweede lid, van het besluit van 28 juni 2019;]2
  [2 9° /2 centrum voor dagverzorging voor personen met een ernstige ziekte: een centrum voor dagverzorging met een bijkomende erkenning als centrum voor dagverzorging voor personen die lijden aan een ernstige ziekte als vermeld in artikel 6, § 2, eerste lid, 1°, en tweede lid, van het besluit van 28 juni 2019;]2
  [2 9° /3 centrum voor dagverzorging voor zorgafhankelijke personen: een centrum voor dagverzorging met een bijkomende erkenning als centrum voor dagverzorging voor zorgafhankelijke personen als vermeld in artikel 6, § 2, eerste lid, 1°, en tweede lid, van het besluit van 28 juni 2019;]2
  10° [2 centrum voor kortverblijf: het centrum voor kortverblijf type 1, vermeld in 26, § 1, tweede lid, 1° van het Woonzorgdecreet van 15 februari 2019, met uitsluiting van het centrum voor kortverblijf dat uitgebaat wordt in de daartoe bestemde lokalen van een erkend centrum voor herstelverblijf]2;
  11° centrum voor kortverblijf met een bijkomende erkenning: een centrum voor kortverblijf dat gebruikers die thuis wonen tijdelijk en op een multidisciplinaire wijze een intensief observatie- en begeleidingstraject aanreikt met als doel de gebruikers te oriënteren naar het meest passende woonzorgaanbod en dat daardoor een bijkomende erkenning als oriënterend kortverblijf heeft verkregen;
  12° dagverzorgingscentrum: het dagverzorgingscentrum, vermeld in artikel 25 van het Woonzorgdecreet dat een bijkomende erkenning heeft conform artikel 10/5 van het besluit van 24 juli 2009;
  13° dagverzorgingscentrum voor personen met een ernstige ziekte: een dagverzorgingscentrum met een bijkomende erkenning als dagverzorgingscentrum voor personen die lijden aan een ernstige ziekte als vermeld in artikel 10/5, § 3, van het besluit van de 24 juli 2009;
  14° dagverzorgingscentrum voor zorgafhankelijke personen: een dagverzorgingscentrum met een bijkomende erkenning als dagverzorgingscentrum voor zorgafhankelijke personen als vermeld in artikel 10/5, § 2, van het besluit van 24 juli 2009;
  15° decreet van 18 mei 2018: decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming;
  [5 15° /1 Departement Zorg: het departement, vermeld in artikel 2, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2023 over het Departement Zorg]5
  16° desinfectie: het doden, inactiveren of reduceren van schadelijke micro-organismen;
  17° entiteit: een koepelterm voor zowel een woongelegenheid in een woonzorgcentrum als een verblijfseenheid in een centrum voor kortverblijf of in een [3 centrum voor dagverzorging]3;
  18° expert: een ergotherapeut, kinesitherapeut, logopedist, psycholoog of verpleegkundige die opdrachten uitvoert voor de Zorgkassencommissie;
  19° extra vergoeding: de vergoeding die kan worden aangerekend voor de persoonlijke en individuele diensten en leveringen;
  20° factureringsperiode: de ononderbroken periode van twaalf maanden waarvoor een tegemoetkoming voor zorg is vastgesteld. Die periode loopt van 1 januari van het jaar J + 2 tot en met 31 december van het jaar J + 2, waarbij onder "J" het kalenderjaar, vermeld in 45°, wordt verstaan;
  [1 20° /1 Fonds Sociale Maribel: het Fonds Sociale Maribel, ingesteld bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid conform artikel 35, § 5, C, 2°, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers;]1
  21° gegradueerde in de verpleegkunde: een persoon die beschikt over:
  a) een diploma van gegradueerde in de verpleegkunde, uitgereikt in het hoger beroepsonderwijs, met uitzondering personen met de graad van gegradueerde, vermeld in artikel II.378, § 1, van de Codex Hoger Onderwijs;
  b) de graad van gediplomeerde verpleegkundige, uitgereikt voor 2009;
  c) de graad van gebrevetteerde verpleegkundige, uitgereikt voor 1997;
  d) de graad van ziekenhuisassistent, uitgereikt voor 1996;
  e) de graad van verpleegassistent, uitgereikt voor 1979;
  22° gelijkgestelde dagen of uren: de niet-gepresteerde dagen of uren die echter gelijkgesteld worden met arbeidsdagen of -uren, als ze aanleiding geven tot de betaling van een vergoeding door de voorziening (onder meer jaarlijkse vakantie, feestdagen, ziekteperiode gedekt door een gewaarborgd loon), met uitzondering van de dagen of uren disponibiliteit bij een openbaar bestuur;
  23° gemachtigde indicatiesteller: een organisatie, voorziening of een professionele zorgverlener die gemachtigd is de ernst en de duur van de verminderde zelfredzaamheid van een persoon, vermeld in artikel 82 van het decreet van 18 mei 2018, vast te stellen;
  24° gemiddeld aantal erkende entiteiten: het aantal erkende entiteiten dat met de volgende formule overeenstemt
  (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 28-12-2018, p. 105699)
  waarbij:
  a) L = het aantal erkende entiteiten op de eerste dag van de referentieperiode;
  b) li = de verhoging of vermindering van het aantal entiteiten tijdens de referentieperiode;
  c) Ji = het aantal dagen tussen de datum van de aanpassing van het aantal entiteiten en de laatste dag van de referentieperiode;
  d) J = het aantal dagen van de referentieperiode;
  e) n = het aantal aanpassingen van het aantal entiteiten in de referentieperiode;
  25° gespecialiseerd rolstoeladviesteam: een indicatiesteller in het kader van de mobiliteitshulpmiddelen, erkend [10 conform de procedure, vermeld in artikel 358/7 tot en met 358/17,]10 met het oog op de opmaak van medische voorschriften snel degeneratieve aandoening en van rolstoeladviesrapporten, vermeld in artikel 350;
  26° herstelling: de nodige technische tussenkomsten om defecten te verhelpen, al dan niet met vervanging van alle defecte of versleten onderdelen;
  27° hoofdparamedicus: het loontrekkende of statutaire lid van het personeel voor reactivering van een zorgvoorziening, dat aangeduid wordt binnen een zorgequipe van minstens twaalf voltijds equivalenten, samengesteld uit het personeel voor reactivering, om er de coördinatie van te verzekeren;
  28° [2 hoofdverpleegkundige: de hoofdverpleegkundige of teamverantwoordelijke, vermeld in artikel 67, 69 en 70 van bijlage 11 bij het besluit van 28 juni 2019]2;
  [7 28° /1 IFIC: sectorale analytische functieclassificatie en daaraan gekoppeld loonhuis dat ontwikkeld is door het Instituut voor Functieclassificatie (IFIC-vzw) in samenwerking met de sociale partners met het doel gelijkwaardige functies te identificeren en op een gelijkwaardige manier te belonen;
   28° /2 IFIC-categorie: categorie die van toepassing is in de functieclassificatie voor de gezondheidszorg, met daaraan gekoppeld een loonbarema;
   28° /3 IFIC-code: unieke code die toelaat om de functie van het personeelslid te identificeren;]7

  29° [2 initiatiefnemer: de rechtspersoon die een woonzorgcentrum, een centrum voor kortverblijf of een centrum voor dagverzorging uitbaat]2;
  [7 29° /1 INSZ-nummer: het identificatienummer bedoeld in artikel 8, § 1, 1° of 2°, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid;]7
  30° Katz-schaal in de thuisverpleging: de evaluatieschaal om de verminderde zelfredzaamheid te meten, die gebruikt wordt om de tegemoetkomingen in de verstrekkingen, vermeld in artikel 34, eerste lid, 1°, b), van de Ziekteverzekeringswet te berekenen;
  31° Katz-schaal in een woonzorgcentrum, een [2 centrum voor dagverzorging]2 of een centrum voor kortverblijf: de evaluatieschaal om de verminderde zelfredzaamheid te meten, vermeld in artikel 424;
  [1 31° /1 koninklijk besluit van 17 augustus 2007: het koninklijk besluit van 17 augustus 2007 tot uitvoering van de artikelen 57 en 59 van de programmawet van 2 januari 2001 wat de harmonisering van de barema's, de loonsverhogingen en tewerkstellingsmaatregelen in bepaalde gezondheidsinstellingen betreft;]1
  32° koninklijk besluit van 28 december 2011: het koninklijk besluit van 28 december 2011 betreffende uitvoering van het attractiviteitsplan voor het verpleegkundig beroep, in bepaalde federale gezondheidssectoren, wat betreft de premies voor de titels en bijzondere beroepsbekwaamheden en ongemakkelijke prestaties;
  33° leidend ambtenaar: de leidend ambtenaar die door de Vlaamse Regering is belast met de algemene leiding, de werking en de vertegenwoordiging van het agentschap;
  34° mantel- en thuiszorg: de zorgvorm betreffende het zorgbudget voor zwaar zorgbehoevenden waarbij de niet-medische hulp- en dienstverlening verstrekt wordt door een niet-residentiële zorgvoorziening, een professionele zorgverlener of een mantelzorger;
  35° manuele rolstoel: een manuele rolstoel voor volwassenen, een manuele kinderrolstoel of een rolstoelonderstel;
  36° minister: de Vlaamse minister, bevoegd voor het gezondheidsbeleid, en de Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen;
  37° niet-gelijkgestelde dagen of uren: de niet-gepresteerde dagen of uren die niet gelijkgesteld worden met arbeidsdagen of -uren, als ze geen aanleiding geven tot de betaling van een vergoeding door de voorziening (onder meer ziekteperiode die niet gedekt wordt door een gewaarborgd loon, bevallingsrust, onbetaald verlof). Daarin moeten ook de dagen of uren worden opgenomen van het personeelslid met disponibiliteit;
  [4 37/1° niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning: een van de volgende ondersteuningsvormen:
   a) een persoonlijkeassistentiebudget als vermeld in hoofdstuk IV/1 van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap;
   b) ondersteuning door een multifunctioneel centrum voor minderjarige personen met een handicap met toepassing van artikel 7 of 9, § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap;
   c) persoonsvolgende middelen voor minderjarige personen met een handicap met dringende noden als vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 maart 2017 over persoonsvolgende middelen voor minderjarige personen met een handicap met dringende noden;
   d) een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning;]4

  38° nieuw woonzorgcentrum: een van de volgende woonzorgcentra:
  a) elk woonzorgcentrum met een nieuw erkenningsnummer;
  b) elk woonzorgcentrum dat tijdens de referentieperiode niets heeft gefactureerd sinds de dag waarop zij de facturering heeft gestart;
  c) elke woonzorgcentrum dat het voorwerp uitmaakt van een overname na faillissement;
  [9 d) elke vestiging van een woonzorgcentrum als vermeld in artikel 1, 19°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2024, die voor het eerst wordt erkend;]9
  39° onderhoud: het nodige nazicht en de technische tussenkomsten om het optimaal functioneren van het mobiliteitshulpmiddel te verzekeren;
  40° personeel voor reactivering: het personeel dat taken vervult voor de reactivering, revalidatie en de sociale re-integratie;
  41° prestatielijst: de prestatielijst, vermeld in artikel 240;
  42° productlijst: de lijst van voor vergoeding aangenomen producten, vermeld in artikel 359;
  43° psychiatrisch verzorgingstehuis: een psychiatrisch verzorgingstehuis als vermeld in artikel 54 van het decreet van 6 juli 2018 betreffende de overname van de sectoren psychiatrische verzorgingstehuizen, initiatieven van beschut wonen, revalidatieovereenkomsten, revalidatieziekenhuizen en multidisciplinaire begeleidingsequipes voor palliatieve verzorging, dat erkend is conform artikel 56 van het voormelde decreet;
  44° reconditionering: de terugname van het mobiliteitshulpmiddel en het klaarmaken van het mobiliteitshulpmiddel om aan een andere gebruiker ter beschikking te stellen, met inbegrip van de reiniging, het onderhoud, de herstelling en, als dat nodig is, de desinfectie van het mobiliteitshulpmiddel;
  45° referentieperiode: de ononderbroken periode van twaalf maanden waarvoor alle gegevens betreffende de activiteit van de zorgvoorziening aan het agentschap zijn bezorgd. Die periode loopt van 1 juli van het jaar J tot en met 30 juni van het jaar dat daarop volgt (J + 1);
  46° reiniging: het verwijderen van zichtbaar vuil en onzichtbaar organisch materiaal om te voorkomen dat micro-organismen zich kunnen handhaven, vermeerderen en verspreiden;
  47° residentiële zorg: de zorgvorm betreffende het zorgbudget voor zwaar zorgbehoevenden waarbij de niet-medische hulp- en dienstverlening verstrekt wordt door een voorziening die erkend is door de Vlaamse Gemeenschap als een woonzorgcentrum of een psychiatrisch verzorgingstehuis of een daarmee gelijkgesteld centrum;
  48° rolstoeladviesteam: een indicatiesteller in het kader van de mobiliteitshulpmiddelen, erkend conform [10 de procedure, vermeld in artikel 358/7 tot en met 358/17,]10 met het oog op de opmaak van rolstoeladviesrapporten, vermeld in artikel 350;
  49° uitgebreide procedure: de procedure, vermeld in boek 2, deel 2, titel 2, hoofdstuk 3;
  50° uitgebreide plus-procedure: de procedure, vermeld in boek 2, deel 2, titel 2, hoofdstuk 4;
  51° verblijfsdag: een dag waarvoor een gebruiker recht heeft op een tegemoetkoming voor zorg in een woonzorgcentrum, centrum voor kortverblijf of [2 centrum voor dagverzorging]2;
  52° vereenvoudigde aanvraagprocedure: de procedure, vermeld in boek 2, deel 2, titel 2, hoofdstuk 1;
  53° vergoedingsvoorwaarden: de voorwaarden die ingevolge de bepalingen van het decreet van 18 mei 2018 en van dit besluit moeten vervuld zijn opdat een tegemoetkoming voor een mobiliteitshulpmiddel aan de gebruiker kan worden verleend, met uitzondering van de voorwaarden die betrekking hebben op de verzekeringsstatus van de gebruiker;
  54° [9 ...]9
  55° verzekeringsstatus: informatie over de gebruiker die betrekking heeft op het al dan niet in overeenstemming zijn met de voorwaarden voor de aansluiting en de premiebetaling, vermeld in artikel 42 tot en met 46 van het decreet van 18 mei 2018;
  [7 55° /1 vestiging: een of meer gebouwen die op dezelfde plaats liggen en die als woonzorgcentrum, centrum voor kortverblijf type 1 of centrum voor dagverzorging worden uitgebaat;]7
  56° werkdagen: alle dagen met uitzondering van:
  a) zaterdagen;
  b) zondagen;
  c) wettelijke feestdagen, vermeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 18 april 1974 tot bepaling van de algemene wijze van uitvoering van de wet van 4 januari 1974 betreffende de feestdagen;
  57° [2 woonzorgcentrum: een woonzorgcentrum als vermeld in artikel 33 van het Woonzorgdecreet van 15 februari 2019, dat erkend is conform artikel 4 van het besluit van 28 juni 2019]2;
  58° [2 woonzorgcentrum met een bijkomende erkenning: een woonzorgcentrum als vermeld in artikel 44 van het Woonzorgdecreet van 15 februari 2019, dat erkend is conform artikel 6, § 2, eerste lid, 3° en tweede lid van het besluit van 28 juni 2019]2;
  [6 58° /1 [9 zij-instroomzorgkundige]9: het personeelslid dat de job van zorgkundige ambieert en daarvoor een kwalificerend opleidingstraject volgt in het kader van het structurele instroomkanaal voor de zorg- en welzijnssectoren, vermeld in het intersectoraal kaderakkoord van 1 juli 2022 over het structureel instroomkanaal voor de zorg en welzijnssectoren, en die bepaald zijn in collectieve arbeidsovereenkomsten of in de protocollen, vermeld in de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, ter uitvoering van het voormelde akkoord;]6
  59° zorginspectie: [5 Zorginspectie als vermeld in artikel 4, § 2, derde lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2023 over het Departement Zorg]5;
  60° zorgpersoneel: de verpleegkundigen, de zorgkundigen, de kinesitherapeuten, de ergotherapeuten, de logopedisten en het personeel voor reactivering.
  [9 61° kinesitherapeut die dienstverantwoordelijke is: het loontrekkend of statutaire lid van het personeel voor reactivering van een zorgvoorziening, met een visum als kinesitherapeut, dat aangeduid wordt binnen een zorgequipe van minstens twaalf voltijds equivalenten, samengesteld uit het personeel voor reactivering, om er de coördinatie van te verzekeren;
   62° ondernemingscontract: een rechtstreekse contractuele relatie tussen een zelfstandige medewerker en de voorziening.]9

  
Article 1er. Dans le présent arrêté, on entend par :
  1° lettre recommandée : une lettre recommandée ou un envoi recommandé électronique conformément au Règlement (UE) n° 910/2014 du Parlement européen et du Conseil du 23 juillet 2014 sur l'identification électronique et les services de confiance pour les transactions électroniques au sein du marché intérieur et abrogeant la Directive 1999/93/CE ;
  2° affiliation : l'affiliation à une caisse d'assurance soins moyennant paiement d'une prime par des personnes auxquelles s'applique la protection sociale flamande ;
  [3 [4 ...]4; ]3
  3° bachelier en soins infirmiers : une personne titulaire d'un diplôme de bachelier en soins infirmiers ou une personne dont le grade obtenu y est assimilé conformément à l'article II.378 du Code de l'Enseignement supérieur ;
  4° procédure de base : la procédure visée au livre 2, partie 2, titre 2, chapitre 2 ;
  5° [2 échelle de profil BEL ou BelRAI screener : les échelles d'évaluation permettant de mesurer la durée et la gravité de la réduction de l'autonomie telles que visées à l'article 82 du décret du 18 mai 2018 et à l'article 6, § 2, de l'annexe 2 de l'arrêté du 28 juin 2019. Le BelRAI screener est un instrument d'évaluation étayé scientifiquement, basé sur le Resident Assessment Instrument au niveau international. C'est un instrument validé qui génère des informations standardisées sur le besoin en soins de l'usager dans le but d'améliorer les soins pour l'usager ;]2
  [6 [7 ...]7]6
  [3 5° /1 arrêté du 7 décembre 2018 : l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 décembre 2018 portant exécution du décret du 6 juillet 2018 relatif à la reprise des secteurs des maisons de soins psychiatriques, des initiatives d'habitation protégée, des conventions de revalidation, des hôpitaux de revalidation et des équipes d'accompagnement multidisciplinaires de soins palliatifs ;]3
  6° [2 arrêté du 28 juin 2019: l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 juin 2019 relatif à la programmation, aux conditions d'agrément et au régime de subventionnement de structures de soins résidentiels et d'associations d'intervenants de proximité et d'usagers ;]2
  [7 6/1° arrêté du 19 juillet 2024 : l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2024 relatif aux procédures pour les structures de soins résidentiels et les associations d'intervenants de proximité et d'usagers ;]7
  7° prime payée : la prime dont le montant figure sur le compte de la caisse d'assurance soins ou de l'agence ;
  8° [2 résident : une personne qui réside dans un centre de soins résidentiels ou utilise un centre de court séjour ;]2
  9° budget de soins et de soutien non directement accessibles : un budget de soins et de soutien non directement accessibles, tel que visé au chapitre 5 du décret portant le financement qui suit la personne ;
  [2 9° /1 centre de soins de jour : un centre de soins de jour tel que visé à l'article 23 du décret sur les soins résidentiels du 15 février 2019, qui a obtenu un agrément supplémentaire conformément à l'article 6, § 2, alinéa 1er, 1°, et alinéa 2, de l'arrêté du 28 juin 2019 ;]2
  [2 9° /2 centre de soins de jour pour personnes souffrant d'une maladie grave : un centre de soins de jour disposant d'un agrément supplémentaire comme centre de soins de jour pour personnes souffrant d'une maladie grave, tel que visé à l'article 6, § 2, alinéa 1er, 1°, et alinéa 2, de l'arrêté du 28 juin 2019 ;]2
  [2 9° /3 centre de soins de jour pour personnes dépendantes : un centre de soins de jour disposant d'un agrément supplémentaire comme centre de soins de jour pour personnes dépendantes, tel que visé à l'article 6, § 2, alinéa 1er, 1°, et alinéa 2, de l'arrêté du 28 juin 2019 ;]2
  10° [2 centre de court séjour : le centre de court séjour de type 1, visé à l'article 26, § 1er, alinéa 2, 1°, du décret sur les soins résidentiels du 15 février 2019, à l'exclusion du centre de court séjour qui est exploité dans les locaux destinés à cet effet d'un centre de convalescence agréé ;]2
  11° centre de court séjour disposant d'un agrément supplémentaire : un centre de court séjour qui offre, de façon temporaire et multidisciplinaire, à des usagers qui vivent à domicile un trajet d'observation et d'accompagnement intensif pour les orienter vers l'offre de soins résidentiels la plus appropriée et qui a, de ce fait, obtenu un agrément supplémentaire comme centre de court séjour d'orientation ;
  12° centre de soins de jour : le centre de soins de jour, visé à l'article 25 du décret sur les soins et le logement, qui dispose d'un agrément supplémentaire conformément à l'article 10/5 de l'arrêté du 24 juillet 2009 ;
  13° centre de soins de jour pour personnes souffrant d'une maladie grave : un centre de soins de jour disposant d'un agrément supplémentaire comme centre de soins de jour pour personnes souffrant d'une maladie grave, tel que visé à l'article 10/5, § 3, de l'arrêté du 24 juillet 2009 ;
  14° centre de soins de jour pour personnes dépendantes : un centre de soins de jour disposant d'un agrément supplémentaire comme centre de soins de jour pour personnes dépendantes, tel que visé à l'article 10/5, § 2, de l'arrêté du 24 juillet 2009 ;
  15° décret du 18 mai 2018 : le décret du 18 mai 2018 relatif à la protection sociale flamande ;
  [4 15° /1 Département Soins : le département, visé à l'article 2, alinéa 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 mai 2023 relatif au Département Soins;]4
  16° désinfection : la suppression, l'inactivation ou la réduction de micro-organismes nuisibles ;
  17° entité : terme générique désignant aussi bien un logement dans un centre de soins résidentiels qu'une unité de séjour dans un centre de court séjour ou dans un centre de soins de jour ;
  18° expert : un ergothérapeute, un kinésithérapeute, un logopède, un psychologue ou un infirmier qui remplit des missions pour la Commission des caisses d'assurance soins ;
  19° indemnité supplémentaire : l'indemnité qui peut être portée en compte pour les services et fournitures personnels et individuels ;
  20° période de facturation : la période ininterrompue de douze mois pour laquelle une intervention pour les soins a été fixée. Cette période court du 1er janvier de l'année A + 2 au 31 décembre de l'année A + 2, " A " désignant l'année calendrier visée au point 45° ;
  [1 20° /1 Fonds Maribel social : le Fonds Maribel social, créé par l'Office national de sécurité sociale conformément à l'article 35, § 5, C, 2°, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés ;]1
  21° infirmier gradué : une personne titulaire :
  a) d'un diplôme de gradué en soins infirmiers délivré dans l'enseignement professionnel supérieur, à l'exception des personnes possédant le grade de gradué visé à l'article II.378, § 1er, du Code de l'Enseignement supérieur ;
  b) du grade d'infirmier diplômé délivré avant 2009 ;
  c) du grade d'infirmier breveté délivré avant 1997 ;
  d) du grade d'assistant en soins hospitaliers délivré avant 1996 ;
  e) du grade d'hospitalier délivré avant 1979 ;
  22° journées ou heures assimilées : les journées ou les heures non prestées mais assimilées à des journées ou des heures de travail dans la mesure où elles donnent lieu au paiement d'une rémunération par la structure (notamment les vacances annuelles, les jours fériés, les périodes de maladie couvertes par un salaire garanti), à l'exception des journées ou heures de disponibilité auprès d'une administration publique ;
  23° indicateur mandaté : une organisation, une structure ou un prestataire de soins professionnel habilité(e) à déterminer la gravité et la durée de la réduction de l'autonomie d'une personne, visées à l'article 82 du décret du 18 mai 2018 ;
  24° nombre moyen d'entités agréées : le nombre d'entités agréées correspondant à la formule suivante :
  (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 28-12-2018, p. 105826)
  où :
  a) L = le nombre d'entités agréées le premier jour de la période de référence ;
  b) li = l'augmentation ou la diminution du nombre d'entités durant la période de référence ;
  c) Ji = le nombre de jours entre la date de l'adaptation du nombre d'entités et le dernier jour de la période de référence ;
  d) J = le nombre de jours de la période de référence ;
  e) n = le nombre d'adaptations du nombre d'entités durant la période de référence ;
  25° équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette : un indicateur dans le cadre des aides à la mobilité, agréé [9 conformément à la procédure, visée aux articles 358/7 à 358/17, ]9 en vue de l'établissement de prescriptions médicales d'affection dégénérative rapide et de rapports d'avis en matière de voiturette, visés à l'article 350 ;
  26° réparation : les interventions techniques nécessaires pour remédier aux problèmes, moyennant le remplacement éventuel des pièces défectueuses ou usées ;
  27° paramédical en chef : le membre du personnel de réactivation salarié ou statutaire d'une structure de soins, désigné au sein d'une équipe de soins d'au moins douze équivalents temps plein, composée de personnel de réactivation, afin d'en assurer la coordination ;
  28° [2 infirmier(ère) en chef : l'infirmier(ère) en chef ou le responsable d'équipe, visés aux articles 67, 69 et 70 de l'annexe 11 à l'arrêté du 28 juin 2019 ;]2
  [6 28° /1 IFIC : classification analytique sectorielle des fonctions et maison salariale associée, développée par l'Institut de Classification de Fonctions (IFIC asbl) en coopération avec les partenaires sociaux, dans le but d'identifier les fonctions équivalentes et de les récompenser de manière équivalente ;
   28° /2 catégorie IFIC : catégorie qui s'applique à la classification des fonctions pour les soins de santé, avec le barème salarial associé ;
   28° /3 code IFIC : code unique permettant d'identifier la fonction du membre du personnel;]6

  29° [2 initiateur : la personne morale qui exploite un centre de soins résidentiels, un centre de court séjour ou un centre de soins de jour ;]2
  [6 29° /1 numéro NISS : le numéro d'identification visé à l'article 8, § 1er, 1° ou 2°, de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale ;]6
  30° échelle de Katz dans les soins infirmiers à domicile : l'échelle d'évaluation pour mesurer la réduction de l'autonomie, utilisée pour calculer les interventions dans les prestations visées à l'article 34, alinéa 1er, 1°, b), de la loi sur l'assurance maladie ;
  31° échelle de Katz dans un centre de soins résidentiels, un centre de soins de jour ou un centre de court séjour : l'échelle d'évaluation pour mesurer la réduction de l'autonomie, visée à l'article 424 ;
  [1 31° /1 arrêté royal du 17 août 2007 : l'arrêté royal du 17 août 2007 pris en exécution des articles 57 et 59 de la loi-programme du 2 janvier 2001 concernant l'harmonisation des barèmes, l'augmentation des rémunérations et la création d'emplois dans certaines institutions de soins ; ]1
  32° arrêté royal du 28 décembre 2011 : l'arrêté royal du 28 décembre 2011 relatif à l'exécution du plan d'attractivité pour la profession infirmière, dans certains secteurs fédéraux de la santé, en ce qui concerne les primes pour des titres et qualifications professionnels particuliers et les prestations inconfortables ;
  33° fonctionnaire dirigeant : le fonctionnaire dirigeant chargé par le Gouvernement flamand de la direction générale, du fonctionnement et de la représentation de l'agence ;
  34° soins de proximité et à domicile : forme de soins relative au budget de soins pour personnes fortement dépendantes, où l'aide et les services non médicaux sont fournis par une structure de soins non résidentiels, un prestataire de soins professionnel ou un intervenant de proximité ;
  35° voiturette manuelle : une voiturette manuelle pour adultes, une voiturette manuelle pour enfants ou un châssis de voiturette ;
  36° ministre : les ministres flamands ayant respectivement la politique de la santé et l'assistance aux personnes dans leurs attributions ;
  37° journées ou heures non assimilées : les journées ou les heures non prestées et non assimilées à des journées ou des heures de travail dans la mesure où elles ne donnent pas lieu au paiement d'une rémunération par la structure (notamment les périodes de maladie non couvertes par un salaire garanti, le repos d'accouchement, le congé sans solde). Il faut également y inclure les journées où le membre du personnel est en disponibilité ;
  [3 37/1° soins et soutien non directement accessibles : l'une des formes de soutien suivantes :
   a) un budget d'assistance personnelle tel que visé au chapitre IV/I du décret du 7 mai 2004 portant création de l'Agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap " (Agence flamande pour les Personnes handicapées) ;
   b) un soutien par un centre multifonctionnel pour personnes handicapées mineures en application de l'article 7 ou 9, § 2, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 février 2016 portant agrément et subventionnement de centres multifonctionnels pour personnes handicapées mineures ;
   c) des aides personnalisées aux personnes handicapées mineures ayant des besoins urgents telles que visées à l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 mars 2017 relatif au versement d'aides personnalisées aux personnes handicapées mineures ayant des besoins ;
   d) un budget de soins et de soutien non directement accessibles ;]3

  38° nouveau centre de soins résidentiels : l'un des centres de soins résidentiels suivants :
  a) tout centre de soins résidentiels disposant d'un nouveau numéro d'agrément ;
  b) tout centre de soins résidentiels qui, durant la période de référence, n'a rien facturé depuis le jour où il a commencé à facturer ;
  c) tout centre de soins résidentiels qui fait l'objet d'une reprise après faillite ;
  [8 d) toute implantation d'un centre de soins résidentiels telle que visée à l'article 1er, 19°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2024, qui est agréée pour la première fois ;]8
  39° entretien : la vérification nécessaire et les interventions techniques afin d'assurer le fonctionnement optimal de l'aide à la mobilité ;
  40° personnel de réactivation : le personnel qui accomplit des tâches de réactivation, de rééducation et de réintégration sociale ;
  41° liste des prestations : la liste des prestations, visée à l'article 240 ;
  42° liste des produits : la liste des produits admis au remboursement, visée à l'article 359 ;
  43° maison de soins psychiatriques : une maison de soins psychiatriques telle que visée à l'article 54 du décret du 6 juillet 2018 relatif à la reprise des secteurs des maisons de soins psychiatriques, des initiatives d'habitation protégée, des conventions de revalidation, des hôpitaux de revalidation et des équipes d'accompagnement multidisciplinaires de soins palliatifs, agréée conformément à l'article 56 du décret précité ;
  44° reconditionnement : la reprise de l'aide à la mobilité et sa préparation afin de la mettre à disposition d'un autre usager, y compris le nettoyage, l'entretien, la réparation et, si nécessaire, la désinfection de l'aide à la mobilité ;
  45° période de référence : la période ininterrompue de douze mois pour laquelle l'ensemble des données relatives aux activités de la structure de soins sont communiquées à l'agence. Cette période court du 1er juillet de l'année A au 30 juin de l'année qui suit (A + 1) ;
  46° nettoyage : la suppression de la saleté visible et des matières organiques invisibles afin de prévenir le maintien, la multiplication et la dispersion des micro-organismes ;
  47° soins résidentiels : la forme de soins relative au budget de soins pour personnes fortement dépendantes, où l'aide et les services non médicaux sont fournis par une structure agréée par le Gouvernement flamand en tant que centre de soins résidentiels ou maison de soins psychiatriques ou par un centre assimilé ;
  48° équipe d'avis en matière de voiturette : un indicateur dans le cadre des aides à la mobilité, agréé conformément à [9 la procédure, visée aux articles 358/7 à 358/17,]9 en vue de l'établissement de rapports d'avis en matière de voiturette, visés à l'article 350 ;
  49° procédure étendue : la procédure visée au livre 2, partie 2, titre 2, chapitre 3 ;
  50° procédure `plus' étendue : la procédure visée au livre 2, partie 2, titre 2, chapitre 4 ;
  51° journée de séjour : une journée pour laquelle un usager a droit à une intervention pour les soins dans un centre de soins résidentiels, un centre de court séjour ou un centre de soins de jour ;
  52° procédure de demande simplifiée : la procédure visée au livre 2, partie 2, titre 2, chapitre 1er ;
  53° conditions de remboursement : les conditions à remplir en vertu des dispositions du décret du 18 mai 2018 et du présent arrêté pour qu'une intervention puisse être accordée à l'usager pour une aide à la mobilité, à l'exception des conditions relatives au statut d'assurance de l'usager ;
  54° [8 ...]8
  55° statut d'assurance : informations sur l'usager concernant le respect ou non des conditions d'affiliation et de paiement de la prime visées aux articles 42 à 46 du décret du 18 mai 2018 ;
  [6 55° /1 implantation : un ou plusieurs bâtiments dans le même lieu exploités comme centre de soins résidentiels, centre de court séjour de type 1 ou centre de soins de jour ; ]6
  56° jours ouvrables : tous les jours à l'exception des :
  a) samedis ;
  b) dimanches ;
  c) jours fériés légaux visés à l'article 1er de l'arrêté royal du 18 avril 1974 royal déterminant les modalités générales d'exécution de la loi du 4 janvier 1974 relative aux jours fériés ;
  57° [2 centre de soins résidentiels : un centre de soins résidentiels tel que visé à l'article 33 du décret sur les soins résidentiels du 15 février 2019, qui a été agréé conformément à l'article 4 de l'arrêté du 28 juin 2019 ;]2
  58° [2 centre de soins résidentiels disposant d'un agrément supplémentaire : un centre de soins résidentiels tel que visé à l'article 44 du décret sur les soins résidentiels du 15 février 2019, qui a été agréé conformément à l'article 6, § 2, alinéa 1er, 3°, et alinéa 2, de l'arrêté du 28 juin 2019 ;]2
  [5 58° /1 aide-soignant pour l'afflux indirect : le membre du personnel qui aspire au poste d'aide-soignant et suit à cet effet un parcours de formation qualifiant dans le cadre du canal d'entrée structurel pour les secteurs des soins et de l'aide sociale visé dans l'accord cadre intersectoriel du 1er juillet 2022 sur le canal d'entrée structurel pour les secteurs des soins et de l'aide sociale, et qui sont définis dans des conventions collectives du travail ou dans les protocoles visés dans la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités, en exécution de l'accord précité ;]5
  59° inspection des soins : [4 l'Inspection des Soins, telle que visée à l'article 4, § 2, alinéa 3, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 mai 2023 relatif au Département Soins ]4;
  personnel de soins : les praticiens de l'art infirmier, les aides-soignants, les kinésithérapeutes, les ergothérapeutes, les logopèdes et le personnel de réactivation.
  [8 61° kinésithérapeute qui est chef du service : le membre du personnel de réactivation salarié ou statutaire d'une structure de soins, en possession d'un visa de kinésithérapeute, désigné au sein d'une équipe de soins d'au moins douze équivalents temps plein, composée de personnel de réactivation, afin d'en assurer la coordination ;
   62° contrat d'entreprise : une relation contractuelle directe entre un collaborateur indépendant et la structure.]8

  
Art. 1 TOEKOMSTIG RECHT.    In dit besluit wordt verstaan onder:
  1° aangetekende brief:een aangetekende brief of een elektronisch aangetekende bezorging conform de verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG;
  2° aansluiten: de aansluiting met premiebetaling bij een zorgkas, door personen op wie de Vlaamse sociale bescherming van toepassing is;
  [4 2° /1 agentschap Zorg en Gezondheid: het agentschap Zorg en Gezondheid, opgericht bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap "Zorg en Gezondheid";]4
  3° bachelor in de verpleegkunde: een persoon die beschikt over een diploma van bachelor in de verpleegkunde of een persoon wiens behaalde graad hiermee gelijkgeschakeld is conform artikel II.378 van de Codex Hoger Onderwijs;
  4° basisprocedure: de procedure, vermeld in boek 2, deel 2, titel 2, hoofdstuk 2;
  5° [2 BEL-profielschaal of BelRAI screener: de evaluatieschalen waarmee de duur en de ernst van de verminderde zelfredzaamheid worden gemeten, vermeld in artikel 82 van het decreet van 18 mei 2018, en artikel 6, § 2, van bijlage 2 van het besluit van 28 juni 2019. De BelRAI screener is een wetenschappelijk onderbouwd evaluatie-instrument dat gebaseerd is op het internationale Resident Assessment Instrument. Het is een gevalideerd instrument dat gestandaardiseerde informatie over de zorgbehoefte van de gebruiker genereert met als doel een betere zorg voor de gebruiker]2;
  [4 5° /1 besluit van 7 december 2018: het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2018 houdende de uitvoering van het decreet van 6 juli 2018 betreffende de overname van de sectoren psychiatrische verzorgingstehuizen, initiatieven van beschut wonen, revalidatieovereenkomsten, revalidatieziekenhuizen en multidisciplinaire begeleidingsequipes voor palliatieve verzorging;]4
  6° [2 besluit van 28 juni 2019: het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juni 2019 betreffende de programmatie, de erkenningsvoorwaarden en de subsidieregeling voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen voor mantelzorgers en gebruikers]2;
  7° betaalde premie: de premie waarvan het bedrag op de rekening van de zorgkas of van het agentschap staat;
  8° [2 bewoner: een persoon die in een woonzorgcentrum woont of gebruik maakt van een centrum voor kortverblijf]2;
  9° budget voor niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning: een budget voor niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning als vermeld in hoofdstuk 5 van het decreet houdende de persoonsvolgende financiering;
  [2 9° /1 centrum voor dagverzorging: een centrum voor dagverzorging als vermeld in artikel 23 van het Woonzorgdecreet van 15 februari 2019, dat een bijkomende erkenning heeft conform artikel 6, § 2, eerste lid, 1°, en tweede lid, van het besluit van 28 juni 2019;]2
  [2 9° /2 centrum voor dagverzorging voor personen met een ernstige ziekte: een centrum voor dagverzorging met een bijkomende erkenning als centrum voor dagverzorging voor personen die lijden aan een ernstige ziekte als vermeld in artikel 6, § 2, eerste lid, 1°, en tweede lid, van het besluit van 28 juni 2019;]2
  [2 9° /3 centrum voor dagverzorging voor zorgafhankelijke personen: een centrum voor dagverzorging met een bijkomende erkenning als centrum voor dagverzorging voor zorgafhankelijke personen als vermeld in artikel 6, § 2, eerste lid, 1°, en tweede lid, van het besluit van 28 juni 2019;]2
  10° [2 centrum voor kortverblijf: het centrum voor kortverblijf type 1, vermeld in 26, § 1, tweede lid, 1° van het Woonzorgdecreet van 15 februari 2019, met uitsluiting van het centrum voor kortverblijf dat uitgebaat wordt in de daartoe bestemde lokalen van een erkend centrum voor herstelverblijf]2;
  11° centrum voor kortverblijf met een bijkomende erkenning: een centrum voor kortverblijf dat gebruikers die thuis wonen tijdelijk en op een multidisciplinaire wijze een intensief observatie- en begeleidingstraject aanreikt met als doel de gebruikers te oriënteren naar het meest passende woonzorgaanbod en dat daardoor een bijkomende erkenning als oriënterend kortverblijf heeft verkregen;
  12° dagverzorgingscentrum: het dagverzorgingscentrum, vermeld in artikel 25 van het Woonzorgdecreet dat een bijkomende erkenning heeft conform artikel 10/5 van het besluit van 24 juli 2009;
  13° dagverzorgingscentrum voor personen met een ernstige ziekte: een dagverzorgingscentrum met een bijkomende erkenning als dagverzorgingscentrum voor personen die lijden aan een ernstige ziekte als vermeld in artikel 10/5, § 3, van het besluit van de 24 juli 2009;
  14° dagverzorgingscentrum voor zorgafhankelijke personen: een dagverzorgingscentrum met een bijkomende erkenning als dagverzorgingscentrum voor zorgafhankelijke personen als vermeld in artikel 10/5, § 2, van het besluit van 24 juli 2009;
  15° decreet van 18 mei 2018: decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming;
  16° desinfectie: het doden, inactiveren of reduceren van schadelijke micro-organismen;
  17° entiteit: een koepelterm voor zowel een woongelegenheid in een woonzorgcentrum als een verblijfseenheid in een centrum voor kortverblijf of in een [3 centrum voor dagverzorging]3;
  18° expert: een ergotherapeut, kinesitherapeut, logopedist, psycholoog of verpleegkundige die opdrachten uitvoert voor de Zorgkassencommissie;
  19° extra vergoeding: de vergoeding die kan worden aangerekend voor de persoonlijke en individuele diensten en leveringen;
  20° factureringsperiode: de ononderbroken periode van twaalf maanden waarvoor een tegemoetkoming voor zorg is vastgesteld. Die periode loopt van 1 januari van het jaar J + 2 tot en met 31 december van het jaar J + 2, waarbij onder "J" het kalenderjaar, vermeld in 45°, wordt verstaan;
  [1 20° /1 Fonds Sociale Maribel: het Fonds Sociale Maribel, ingesteld bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid conform artikel 35, § 5, C, 2°, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers;]1
  21° gegradueerde in de verpleegkunde: een persoon die beschikt over:
  a) een diploma van gegradueerde in de verpleegkunde, uitgereikt in het hoger beroepsonderwijs, met uitzondering personen met de graad van gegradueerde, vermeld in artikel II.378, § 1, van de Codex Hoger Onderwijs;
  b) de graad van gediplomeerde verpleegkundige, uitgereikt voor 2009;
  c) de graad van gebrevetteerde verpleegkundige, uitgereikt voor 1997;
  d) de graad van ziekenhuisassistent, uitgereikt voor 1996;
  e) de graad van verpleegassistent, uitgereikt voor 1979;
  22° gelijkgestelde dagen of uren: de niet-gepresteerde dagen of uren die echter gelijkgesteld worden met arbeidsdagen of -uren, als ze aanleiding geven tot de betaling van een vergoeding door de voorziening (onder meer jaarlijkse vakantie, feestdagen, ziekteperiode gedekt door een gewaarborgd loon), met uitzondering van de dagen of uren disponibiliteit bij een openbaar bestuur;
  23° gemachtigde indicatiesteller: een organisatie, voorziening of een professionele zorgverlener die gemachtigd is de ernst en de duur van de verminderde zelfredzaamheid van een persoon, vermeld in artikel 82 van het decreet van 18 mei 2018, vast te stellen;
  24° gemiddeld aantal erkende entiteiten: het aantal erkende entiteiten dat met de volgende formule overeenstemt
Art. 1 DROIT FUTUR.    Dans le présent arrêté, on entend par :
  1° lettre recommandée : une lettre recommandée ou un envoi recommandé électronique conformément au Règlement (UE) n° 910/2014 du Parlement européen et du Conseil du 23 juillet 2014 sur l'identification électronique et les services de confiance pour les transactions électroniques au sein du marché intérieur et abrogeant la Directive 1999/93/CE ;
  2° affiliation : l'affiliation à une caisse d'assurance soins moyennant paiement d'une prime par des personnes auxquelles s'applique la protection sociale flamande ;
  [3 2° /1 agence des Soins et de la Santé (agentschap Zorg en Gezondheid) : l'agence des Soins et de la Santé, créée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée interne " Zorg en Gezondheid " (Soins et Santé) " ; ]3
  3° bachelier en soins infirmiers : une personne titulaire d'un diplôme de bachelier en soins infirmiers ou une personne dont le grade obtenu y est assimilé conformément à l'article II.378 du Code de l'Enseignement supérieur ;
  4° procédure de base : la procédure visée au livre 2, partie 2, titre 2, chapitre 2 ;
  5° [2 échelle de profil BEL ou BelRAI screener : les échelles d'évaluation permettant de mesurer la durée et la gravité de la réduction de l'autonomie telles que visées à l'article 82 du décret du 18 mai 2018 et à l'article 6, § 2, de l'annexe 2 de l'arrêté du 28 juin 2019. Le BelRAI screener est un instrument d'évaluation étayé scientifiquement, basé sur le Resident Assessment Instrument au niveau international. C'est un instrument validé qui génère des informations standardisées sur le besoin en soins de l'usager dans le but d'améliorer les soins pour l'usager ;]2
  [3 5° /1 arrêté du 7 décembre 2018 : l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 décembre 2018 portant exécution du décret du 6 juillet 2018 relatif à la reprise des secteurs des maisons de soins psychiatriques, des initiatives d'habitation protégée, des conventions de revalidation, des hôpitaux de revalidation et des équipes d'accompagnement multidisciplinaires de soins palliatifs ;]3
  6° [2 arrêté du 28 juin 2019: l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 juin 2019 relatif à la programmation, aux conditions d'agrément et au régime de subventionnement de structures de soins résidentiels et d'associations d'intervenants de proximité et d'usagers ;]2
  7° prime payée : la prime dont le montant figure sur le compte de la caisse d'assurance soins ou de l'agence ;
  8° [2 résident : une personne qui réside dans un centre de soins résidentiels ou utilise un centre de court séjour ;]2
  9° budget de soins et de soutien non directement accessibles : un budget de soins et de soutien non directement accessibles, tel que visé au chapitre 5 du décret portant le financement qui suit la personne ;
  [2 9° /1 centre de soins de jour : un centre de soins de jour tel que visé à l'article 23 du décret sur les soins résidentiels du 15 février 2019, qui a obtenu un agrément supplémentaire conformément à l'article 6, § 2, alinéa 1er, 1°, et alinéa 2, de l'arrêté du 28 juin 2019 ;]2
  [2 9° /2 centre de soins de jour pour personnes souffrant d'une maladie grave : un centre de soins de jour disposant d'un agrément supplémentaire comme centre de soins de jour pour personnes souffrant d'une maladie grave, tel que visé à l'article 6, § 2, alinéa 1er, 1°, et alinéa 2, de l'arrêté du 28 juin 2019 ;]2
  [2 9° /3 centre de soins de jour pour personnes dépendantes : un centre de soins de jour disposant d'un agrément supplémentaire comme centre de soins de jour pour personnes dépendantes, tel que visé à l'article 6, § 2, alinéa 1er, 1°, et alinéa 2, de l'arrêté du 28 juin 2019 ;]2
  10° [2 centre de court séjour : le centre de court séjour de type 1, visé à l'article 26, § 1er, alinéa 2, 1°, du décret sur les soins résidentiels du 15 février 2019, à l'exclusion du centre de court séjour qui est exploité dans les locaux destinés à cet effet d'un centre de convalescence agréé ;]2
  11° centre de court séjour disposant d'un agrément supplémentaire : un centre de court séjour qui offre, de façon temporaire et multidisciplinaire, à des usagers qui vivent à domicile un trajet d'observation et d'accompagnement intensif pour les orienter vers l'offre de soins résidentiels la plus appropriée et qui a, de ce fait, obtenu un agrément supplémentaire comme centre de court séjour d'orientation ;
  12° centre de soins de jour : le centre de soins de jour, visé à l'article 25 du décret sur les soins et le logement, qui dispose d'un agrément supplémentaire conformément à l'article 10/5 de l'arrêté du 24 juillet 2009 ;
  13° centre de soins de jour pour personnes souffrant d'une maladie grave : un centre de soins de jour disposant d'un agrément supplémentaire comme centre de soins de jour pour personnes souffrant d'une maladie grave, tel que visé à l'article 10/5, § 3, de l'arrêté du 24 juillet 2009 ;
  14° centre de soins de jour pour personnes dépendantes : un centre de soins de jour disposant d'un agrément supplémentaire comme centre de soins de jour pour personnes dépendantes, tel que visé à l'article 10/5, § 2, de l'arrêté du 24 juillet 2009 ;
  15° décret du 18 mai 2018 : le décret du 18 mai 2018 relatif à la protection sociale flamande ;
  16° désinfection : la suppression, l'inactivation ou la réduction de micro-organismes nuisibles ;
  17° entité : terme générique désignant aussi bien un logement dans un centre de soins résidentiels qu'une unité de séjour dans un centre de court séjour ou dans un centre de soins de jour ;
  18° expert : un ergothérapeute, un kinésithérapeute, un logopède, un psychologue ou un infirmier qui remplit des missions pour la Commission des caisses d'assurance soins ;
  19° indemnité supplémentaire : l'indemnité qui peut être portée en compte pour les services et fournitures personnels et individuels ;
  20° période de facturation : la période ininterrompue de douze mois pour laquelle une intervention pour les soins a été fixée. Cette période court du 1er janvier de l'année A + 2 au 31 décembre de l'année A + 2, " A " désignant l'année calendrier visée au point 45° ;
  [1 20° /1 Fonds Maribel social : le Fonds Maribel social, créé par l'Office national de sécurité sociale conformément à l'article 35, § 5, C, 2°, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés ;]1
  21° infirmier gradué : une personne titulaire :
  a) d'un diplôme de gradué en soins infirmiers délivré dans l'enseignement professionnel supérieur, à l'exception des personnes possédant le grade de gradué visé à l'article II.378, § 1er, du Code de l'Enseignement supérieur ;
  b) du grade d'infirmier diplômé délivré avant 2009 ;
  c) du grade d'infirmier breveté délivré avant 1997 ;
  d) du grade d'assistant en soins hospitaliers délivré avant 1996 ;
  e) du grade d'hospitalier délivré avant 1979 ;
  22° journées ou heures assimilées : les journées ou les heures non prestées mais assimilées à des journées ou des heures de travail dans la mesure où elles donnent lieu au paiement d'une rémunération par la structure (notamment les vacances annuelles, les jours fériés, les périodes de maladie couvertes par un salaire garanti), à l'exception des journées ou heures de disponibilité auprès d'une administration publique ;
  23° indicateur mandaté : une organisation, une structure ou un prestataire de soins professionnel habilité(e) à déterminer la gravité et la durée de la réduction de l'autonomie d'une personne, visées à l'article 82 du décret du 18 mai 2018 ;
  24° nombre moyen d'entités agréées : le nombre d'entités agréées correspondant à la formule suivante :
  (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 28-12-2018, p. 105699)
  waarbij:
  a) L = het aantal erkende entiteiten op de eerste dag van de referentieperiode;
  b) li = de verhoging of vermindering van het aantal entiteiten tijdens de referentieperiode;
  c) Ji = het aantal dagen tussen de datum van de aanpassing van het aantal entiteiten en de laatste dag van de referentieperiode;
  d) J = het aantal dagen van de referentieperiode;
  e) n = het aantal aanpassingen van het aantal entiteiten in de referentieperiode;
  25° gespecialiseerd rolstoeladviesteam: een indicatiesteller in het kader van de mobiliteitshulpmiddelen, erkend met het oog op de opmaak van medische voorschriften snel degeneratieve aandoening en van rolstoeladviesrapporten, vermeld in artikel 350;
  26° herstelling: de nodige technische tussenkomsten om defecten te verhelpen, al dan niet met vervanging van alle defecte of versleten onderdelen;
  27° hoofdparamedicus: het loontrekkende of statutaire lid van het personeel voor reactivering van een zorgvoorziening, dat aangeduid wordt binnen een zorgequipe van minstens twaalf voltijds equivalenten, samengesteld uit het personeel voor reactivering, om er de coördinatie van te verzekeren;
  28° [2 hoofdverpleegkundige: de hoofdverpleegkundige of teamverantwoordelijke, vermeld in artikel [6 45, § 2, 7°]6 van bijlage 11 bij het besluit van 28 juni 2019]2;
  29° [2 initiatiefnemer: de rechtspersoon die een woonzorgcentrum, een centrum voor kortverblijf of een centrum voor dagverzorging uitbaat]2;
  30° Katz-schaal in de thuisverpleging: de evaluatieschaal om de verminderde zelfredzaamheid te meten, die gebruikt wordt om de tegemoetkomingen in de verstrekkingen, vermeld in artikel 34, eerste lid, 1°, b), van de Ziekteverzekeringswet te berekenen;
  31° Katz-schaal in een woonzorgcentrum, een [2 centrum voor dagverzorging]2 of een centrum voor kortverblijf: de evaluatieschaal om de verminderde zelfredzaamheid te meten, vermeld in artikel 424;
  [1 31° /1 koninklijk besluit van 17 augustus 2007: het koninklijk besluit van 17 augustus 2007 tot uitvoering van de artikelen 57 en 59 van de programmawet van 2 januari 2001 wat de harmonisering van de barema's, de loonsverhogingen en tewerkstellingsmaatregelen in bepaalde gezondheidsinstellingen betreft;]1
  32° koninklijk besluit van 28 december 2011: het koninklijk besluit van 28 december 2011 betreffende uitvoering van het attractiviteitsplan voor het verpleegkundig beroep, in bepaalde federale gezondheidssectoren, wat betreft de premies voor de titels en bijzondere beroepsbekwaamheden en ongemakkelijke prestaties;
  33° leidend ambtenaar: de leidend ambtenaar die door de Vlaamse Regering is belast met de algemene leiding, de werking en de vertegenwoordiging van het agentschap;
  34° mantel- en thuiszorg: de zorgvorm betreffende het zorgbudget voor zwaar zorgbehoevenden waarbij de niet-medische hulp- en dienstverlening verstrekt wordt door een niet-residentiële zorgvoorziening, een professionele zorgverlener of een mantelzorger;
  35° manuele rolstoel: een manuele rolstoel voor volwassenen, een manuele kinderrolstoel of een rolstoelonderstel;
  36° minister: de Vlaamse minister, bevoegd voor het gezondheidsbeleid, en de Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen;
  37° niet-gelijkgestelde dagen of uren: de niet-gepresteerde dagen of uren die niet gelijkgesteld worden met arbeidsdagen of -uren, als ze geen aanleiding geven tot de betaling van een vergoeding door de voorziening (onder meer ziekteperiode die niet gedekt wordt door een gewaarborgd loon, bevallingsrust, onbetaald verlof). Daarin moeten ook de dagen of uren worden opgenomen van het personeelslid met disponibiliteit;
  [4 37/1° niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning: een van de volgende ondersteuningsvormen:
   a) een persoonlijkeassistentiebudget als vermeld in hoofdstuk IV/1 van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap;
   b) ondersteuning door een multifunctioneel centrum voor minderjarige personen met een handicap met toepassing van artikel 7 of 9, § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap;
   c) persoonsvolgende middelen voor minderjarige personen met een handicap met dringende noden als vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 maart 2017 over persoonsvolgende middelen voor minderjarige personen met een handicap met dringende noden;
   d) een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning;]4

  38° nieuw woonzorgcentrum: een van de volgende woonzorgcentra:
  a) elk woonzorgcentrum met een nieuw erkenningsnummer;
  b) elk woonzorgcentrum dat tijdens de referentieperiode niets heeft gefactureerd sinds de dag waarop zij de facturering heeft gestart;
  c) elke woonzorgcentrum dat het voorwerp uitmaakt van een overname na faillissement;
  39° onderhoud: het nodige nazicht en de technische tussenkomsten om het optimaal functioneren van het mobiliteitshulpmiddel te verzekeren;
  40° personeel voor reactivering: het personeel dat taken vervult voor de reactivering, revalidatie en de sociale re-integratie;
  41° prestatielijst: de prestatielijst, vermeld in artikel 240;
  42° productlijst: de lijst van voor vergoeding aangenomen producten, vermeld in artikel 359;
  43° psychiatrisch verzorgingstehuis: een psychiatrisch verzorgingstehuis als vermeld in artikel 54 van het decreet van 6 juli 2018 betreffende de overname van de sectoren psychiatrische verzorgingstehuizen, initiatieven van beschut wonen, revalidatieovereenkomsten, revalidatieziekenhuizen en multidisciplinaire begeleidingsequipes voor palliatieve verzorging, dat erkend is conform artikel 56 van het voormelde decreet;
  44° reconditionering: de terugname van het mobiliteitshulpmiddel en het klaarmaken van het mobiliteitshulpmiddel om aan een andere gebruiker ter beschikking te stellen, met inbegrip van de reiniging, het onderhoud, de herstelling en, als dat nodig is, de desinfectie van het mobiliteitshulpmiddel;
  45° referentieperiode: de ononderbroken periode van twaalf maanden waarvoor alle gegevens betreffende de activiteit van de zorgvoorziening aan het agentschap zijn bezorgd. Die periode loopt van 1 juli van het jaar J tot en met 30 juni van het jaar dat daarop volgt (J + 1);
  46° reiniging: het verwijderen van zichtbaar vuil en onzichtbaar organisch materiaal om te voorkomen dat micro-organismen zich kunnen handhaven, vermeerderen en verspreiden;
  47° residentiële zorg: de zorgvorm betreffende het zorgbudget voor zwaar zorgbehoevenden waarbij de niet-medische hulp- en dienstverlening verstrekt wordt door een voorziening die erkend is door de Vlaamse Gemeenschap als een woonzorgcentrum of een psychiatrisch verzorgingstehuis of een daarmee gelijkgesteld centrum;
  48° rolstoeladviesteam: een indicatiesteller in het kader van de mobiliteitshulpmiddelen, erkend conform artikel 356 met het oog op de opmaak van rolstoeladviesrapporten, vermeld in artikel 350;
  49° uitgebreide procedure: de procedure, vermeld in boek 2, deel 2, titel 2, hoofdstuk 3;
  50° uitgebreide plus-procedure: de procedure, vermeld in boek 2, deel 2, titel 2, hoofdstuk 4;
  51° verblijfsdag: een dag waarvoor een gebruiker recht heeft op een tegemoetkoming voor zorg in een woonzorgcentrum, centrum voor kortverblijf of [2 centrum voor dagverzorging]2;
  52° vereenvoudigde aanvraagprocedure: de procedure, vermeld in boek 2, deel 2, titel 2, hoofdstuk 1;
  53° vergoedingsvoorwaarden: de voorwaarden die ingevolge de bepalingen van het decreet van 18 mei 2018 en van dit besluit moeten vervuld zijn opdat een tegemoetkoming voor een mobiliteitshulpmiddel aan de gebruiker kan worden verleend, met uitzondering van de voorwaarden die betrekking hebben op de verzekeringsstatus van de gebruiker;
  54° verpleegkundig coördinator: de loontrekkende of statutaire verpleegkundige van een zorgvoorziening, die aangeduid wordt binnen een zorgequipe van minstens twaalf voltijds equivalenten, samengesteld uit verpleegkundig personeel, zorgkundigen en personeel voor reactivering, om er de coördinatie van te verzekeren;
  55° verzekeringsstatus: informatie over de gebruiker die betrekking heeft op het al dan niet in overeenstemming zijn met de voorwaarden voor de aansluiting en de premiebetaling, vermeld in artikel 42 tot en met 46 van het decreet van 18 mei 2018;
  56° werkdagen: alle dagen met uitzondering van:
  a) zaterdagen;
  b) zondagen;
  c) wettelijke feestdagen, vermeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 18 april 1974 tot bepaling van de algemene wijze van uitvoering van de wet van 4 januari 1974 betreffende de feestdagen;
  57° [2 woonzorgcentrum: een woonzorgcentrum als vermeld in artikel 33 van het Woonzorgdecreet van 15 februari 2019, dat erkend is conform artikel 4 van het besluit van 28 juni 2019]2;
  58° [5 ...]5
  59° zorginspectie: Zorginspectie als vermeld in artikel 3, § 2, derde lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 maart 2006 betreffende het Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, betreffende de inwerkingtreding van regelgeving tot oprichting van agentschappen in het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en betreffende de wijziging van regelgeving met betrekking tot dat beleidsdomein;
  60° zorgpersoneel: de verpleegkundigen, de zorgkundigen, de kinesitherapeuten, de ergotherapeuten, de logopedisten en het personeel voor reactivering.
  (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 28-12-2018, p. 105826)
  où :
  a) L = le nombre d'entités agréées le premier jour de la période de référence ;
  b) li = l'augmentation ou la diminution du nombre d'entités durant la période de référence ;
  c) Ji = le nombre de jours entre la date de l'adaptation du nombre d'entités et le dernier jour de la période de référence ;
  d) J = le nombre de jours de la période de référence ;
  e) n = le nombre d'adaptations du nombre d'entités durant la période de référence ;
  25° équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette : un indicateur dans le cadre des aides à la mobilité, agréé en vue de l'établissement de prescriptions médicales d'affection dégénérative rapide et de rapports d'avis en matière de voiturette, visés à l'article 350 ;
  26° réparation : les interventions techniques nécessaires pour remédier aux problèmes, moyennant le remplacement éventuel des pièces défectueuses ou usées ;
  27° paramédical en chef : le membre du personnel de réactivation salarié ou statutaire d'une structure de soins, désigné au sein d'une équipe de soins d'au moins douze équivalents temps plein, composée de personnel de réactivation, afin d'en assurer la coordination ;
  28° [2 infirmier(ère) en chef : l'infirmier(ère) en chef ou le responsable d'équipe, visés aux articles [6 45, § 2, 7°]6 de l'annexe 11 à l'arrêté du 28 juin 2019 ;]2
  29° [2 initiateur : la personne morale qui exploite un centre de soins résidentiels, un centre de court séjour ou un centre de soins de jour ;]2
  30° échelle de Katz dans les soins infirmiers à domicile : l'échelle d'évaluation pour mesurer la réduction de l'autonomie, utilisée pour calculer les interventions dans les prestations visées à l'article 34, alinéa 1er, 1°, b), de la loi sur l'assurance maladie ;
  31° échelle de Katz dans un centre de soins résidentiels, un centre de soins de jour ou un centre de court séjour : l'échelle d'évaluation pour mesurer la réduction de l'autonomie, visée à l'article 424 ;
  [1 31° /1 arrêté royal du 17 août 2007 : l'arrêté royal du 17 août 2007 pris en exécution des articles 57 et 59 de la loi-programme du 2 janvier 2001 concernant l'harmonisation des barèmes, l'augmentation des rémunérations et la création d'emplois dans certaines institutions de soins ; ]1
  32° arrêté royal du 28 décembre 2011 : l'arrêté royal du 28 décembre 2011 relatif à l'exécution du plan d'attractivité pour la profession infirmière, dans certains secteurs fédéraux de la santé, en ce qui concerne les primes pour des titres et qualifications professionnels particuliers et les prestations inconfortables ;
  33° fonctionnaire dirigeant : le fonctionnaire dirigeant chargé par le Gouvernement flamand de la direction générale, du fonctionnement et de la représentation de l'agence ;
  34° soins de proximité et à domicile : forme de soins relative au budget de soins pour personnes fortement dépendantes, où l'aide et les services non médicaux sont fournis par une structure de soins non résidentiels, un prestataire de soins professionnel ou un intervenant de proximité ;
  35° voiturette manuelle : une voiturette manuelle pour adultes, une voiturette manuelle pour enfants ou un châssis de voiturette ;
  36° ministre : les ministres flamands ayant respectivement la politique de la santé et l'assistance aux personnes dans leurs attributions ;
  37° journées ou heures non assimilées : les journées ou les heures non prestées et non assimilées à des journées ou des heures de travail dans la mesure où elles ne donnent pas lieu au paiement d'une rémunération par la structure (notamment les périodes de maladie non couvertes par un salaire garanti, le repos d'accouchement, le congé sans solde). Il faut également y inclure les journées où le membre du personnel est en disponibilité ;
  [3 37/1° soins et soutien non directement accessibles : l'une des formes de soutien suivantes :
   a) un budget d'assistance personnelle tel que visé au chapitre IV/I du décret du 7 mai 2004 portant création de l'Agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap " (Agence flamande pour les Personnes handicapées) ;
   b) un soutien par un centre multifonctionnel pour personnes handicapées mineures en application de l'article 7 ou 9, § 2, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 février 2016 portant agrément et subventionnement de centres multifonctionnels pour personnes handicapées mineures ;
   c) des aides personnalisées aux personnes handicapées mineures ayant des besoins urgents telles que visées à l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 mars 2017 relatif au versement d'aides personnalisées aux personnes handicapées mineures ayant des besoins ;
   d) un budget de soins et de soutien non directement accessibles ;]3

  38° nouveau centre de soins résidentiels : l'un des centres de soins résidentiels suivants :
  a) tout centre de soins résidentiels disposant d'un nouveau numéro d'agrément ;
  b) tout centre de soins résidentiels qui, durant la période de référence, n'a rien facturé depuis le jour où il a commencé à facturer ;
  c) tout centre de soins résidentiels qui fait l'objet d'une reprise après faillite ;
  39° entretien : la vérification nécessaire et les interventions techniques afin d'assurer le fonctionnement optimal de l'aide à la mobilité ;
  40° personnel de réactivation : le personnel qui accomplit des tâches de réactivation, de rééducation et de réintégration sociale ;
  41° liste des prestations : la liste des prestations, visée à l'article 240 ;
  42° liste des produits : la liste des produits admis au remboursement, visée à l'article 359 ;
  43° maison de soins psychiatriques : une maison de soins psychiatriques telle que visée à l'article 54 du décret du 6 juillet 2018 relatif à la reprise des secteurs des maisons de soins psychiatriques, des initiatives d'habitation protégée, des conventions de revalidation, des hôpitaux de revalidation et des équipes d'accompagnement multidisciplinaires de soins palliatifs, agréée conformément à l'article 56 du décret précité ;
  44° reconditionnement : la reprise de l'aide à la mobilité et sa préparation afin de la mettre à disposition d'un autre usager, y compris le nettoyage, l'entretien, la réparation et, si nécessaire, la désinfection de l'aide à la mobilité ;
  45° période de référence : la période ininterrompue de douze mois pour laquelle l'ensemble des données relatives aux activités de la structure de soins sont communiquées à l'agence. Cette période court du 1er juillet de l'année A au 30 juin de l'année qui suit (A + 1) ;
  46° nettoyage : la suppression de la saleté visible et des matières organiques invisibles afin de prévenir le maintien, la multiplication et la dispersion des micro-organismes ;
  47° soins résidentiels : la forme de soins relative au budget de soins pour personnes fortement dépendantes, où l'aide et les services non médicaux sont fournis par une structure agréée par le Gouvernement flamand en tant que centre de soins résidentiels ou maison de soins psychiatriques ou par un centre assimilé ;
  48° équipe d'avis en matière de voiturette : un indicateur dans le cadre des aides à la mobilité, agréé conformément à l'article 356 en vue de l'établissement de rapports d'avis en matière de voiturette, visés à l'article 350 ;
  49° procédure étendue : la procédure visée au livre 2, partie 2, titre 2, chapitre 3 ;
  50° procédure `plus' étendue : la procédure visée au livre 2, partie 2, titre 2, chapitre 4 ;
  51° journée de séjour : une journée pour laquelle un usager a droit à une intervention pour les soins dans un centre de soins résidentiels, un centre de court séjour ou un centre de soins de jour ;
  52° procédure de demande simplifiée : la procédure visée au livre 2, partie 2, titre 2, chapitre 1er ;
  53° conditions de remboursement : les conditions à remplir en vertu des dispositions du décret du 18 mai 2018 et du présent arrêté pour qu'une intervention puisse être accordée à l'usager pour une aide à la mobilité, à l'exception des conditions relatives au statut d'assurance de l'usager ;
  54° coordinateur infirmier : le praticien de l'art infirmier salarié ou statutaire d'une structure de soins, désigné au sein d'une équipe de soins d'au moins douze équivalents temps plein, composée de personnel infirmier, d'aides-soignants et de personnel de réactivation, afin d'en assurer la coordination ;
  55° statut d'assurance : informations sur l'usager concernant le respect ou non des conditions d'affiliation et de paiement de la prime visées aux articles 42 à 46 du décret du 18 mai 2018 ;
  56° jours ouvrables : tous les jours à l'exception des :
  a) samedis ;
  b) dimanches ;
  c) jours fériés légaux visés à l'article 1er de l'arrêté royal du 18 avril 1974 royal déterminant les modalités générales d'exécution de la loi du 4 janvier 1974 relative aux jours fériés ;
  57° [2 centre de soins résidentiels : un centre de soins résidentiels tel que visé à l'article 33 du décret sur les soins résidentiels du 15 février 2019, qui a été agréé conformément à l'article 4 de l'arrêté du 28 juin 2019 ;]2
  58° [5 ...]5
  59° inspection des soins : l'Inspection des soins telle que visée à l'article 3, § 2, alinéa 3, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 mars 2006 concernant le Département de l'Aide sociale, de la Santé publique et de la Famille, relatif à l'entrée en vigueur de la réglementation créant des agences dans le domaine politique Aide sociale, Santé publique et Famille et modifiant la réglementation concernant ce domaine politique ;
  personnel de soins : les praticiens de l'art infirmier, les aides-soignants, les kinésithérapeutes, les ergothérapeutes, les logopèdes et le personnel de réactivation.
Deel 2. - Organisatie van de Vlaamse sociale bescherming
Partie 2. - Organisation de la protection sociale flamande
Titel 1. - Het Agentschap voor Vlaamse Sociale Bescherming
Titre 1er. - L'Agence pour la protection sociale flamande
HOOFDSTUK 1. - Beleidsdomein
Chapitre 1er. - Domaine politique
Art. 2. Het agentschap behoort tot het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, vermeld in artikel 2, 7°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie.
Art. 2. L'agence fait partie du domaine politique Aide sociale, Santé publique et Famille, tel que visé à l'article 2, 7°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 juin 2005 relatif à l'organisation de l'Administration flamande.
HOOFDSTUK 2. - Beheer en werking van het agentschap
Chapitre 2. - Gestion et fonctionnement de l'agence
Art. 3. § 1. De leidend ambtenaar heeft delegatie van beslissingsbevoegdheid voor de aangelegenheden, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 30 oktober 2015 tot regeling van de delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de hoofden van de departementen en van de intern verzelfstandigde agentschappen.
  Naast de delegatie voor de aangelegenheden, vermeld in het eerste lid, wordt aan de leidend ambtenaar de aanvullende delegatie verleend voor het opleggen van de administratieve geldboete, vermeld in artikel 47, 68, 99, 101, 112, 117 en 125 van het decreet van 18 mei 2018.
  § 2. Naast de delegaties voor de aangelegenheden, vermeld in paragraaf 1, worden aan de leidend ambtenaar de volgende specifieke delegaties verleend:
  1° alle noodzakelijke goedkeuringen geven en beslissingen nemen die eventueel in voorkomend geval nodig zijn voor de aangelegenheden, vermeld in artikel 11, 4° en 6 ° van het decreet van 18 mei 2018 en binnen de regels, vastgesteld door de Vlaamse Regering;
  2° beslissingen nemen in het kader van het toezicht en de controle op de zorgkassen, vermeld in artikel 11, 2° van het decreet van 18 mei 2018, conform de regels van de Vlaamse Regering;
  3° bij financiële instellingen rekeningen openen en erover beschikken afhankelijk van het gevoerde kasbeheer en de belegging van de beschikbare financiële activa op korte termijn, conform de regels van de Vlaamse Regering.
  § 3. Bij het gebruik van de delegaties, vermeld in paragraaf 1 en 2, gelden de algemene regelingen, de voorwaarden en de beperkingen, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 30 oktober 2015 tot regeling van de delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de hoofden van de departementen en van de intern verzelfstandigde agentschappen, met inbegrip van de bepalingen over subdelegatie, de regeling bij vervanging en de verantwoording.
Art. 3. § 1er. Le fonctionnaire dirigeant a délégation de compétence de décision pour les matières visées dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 30 octobre 2015 réglant la délégation de compétences de décision aux chefs des départements et des agences autonomisées internes.
  Outre la délégation visée à l'alinéa 1er, délégation complémentaire est conférée au fonctionnaire dirigeant pour infliger l'amende administrative visée aux articles 47, 68, 99, 101, 112, 117 et 125 du décret du 18 mai 2018.
  § 2. Outre les délégations visées au paragraphe 1er, les délégations spécifiques suivantes sont conférées au fonctionnaire dirigeant :
  1° donner toutes les approbations requises et prendre les décisions éventuellement nécessaires, le cas échéant, pour les matières visées à l'article 11, 4° et 6 °, du décret du 18 mai 2018, et conformément aux règles fixées par le Gouvernement flamand ;
  2° prendre des décisions dans le cadre de la surveillance et du contrôle des caisses d'assurance soins tels que visés à l'article 11, 2°, du décret du 18 mai 2018, conformément aux règles fixées par le Gouvernement flamand ;
  3° ouvrir des comptes auprès d'établissements financiers et en disposer, en fonction de la gestion de trésorerie et du placement à court terme des actifs financiers disponibles, conformément aux règles fixées par le Gouvernement flamand.
  § 3. L'utilisation des délégations visées aux paragraphes 1er et 2 est soumise aux réglementations, conditions et limitations générales visées à l'arrêté du Gouvernement flamand du 30 octobre 2015 réglant la délégation de compétences de décision aux chefs des départements et des agences autonomisées internes, y compris les dispositions relatives à la sous-délégation, la réglementation en cas de remplacement et la justification.
Art. 4. § 1. De personeelsleden van zorginspectie kunnen ter plaatse en op stukken toezicht uitoefenen op het beheer, de werking en de financiële toestand van de zorgkassen.
  De personeelsleden van zorginspectie oefenen de inspectieopdrachten onder de volgende voorwaarden uit:
  1° zorginspectie voert de inspectieopdrachten uit die jaarlijks door het agentschap gegeven zijn;
  2° zorginspectie stelt voor de inspectieopdrachten een inspectieconcept op, op basis van de risicoanalyse die in samenwerking met het agentschap is uitgevoerd;
  3° zorginspectie voert de door het agentschap gegeven opdrachten tot gerichte inspecties uit;
  4° zorginspectie kan, nadat ze het agentschap daarover geïnformeerd heeft, autonoom beslissen tot inspectie;
  5° zorginspectie maakt een inspectieverslag op.
Art. 4. § 1er. Les membres du personnel de l'Inspection des soins exercent sur place et sur pièces le contrôle de la gestion, du fonctionnement et de la situation financière des caisses d'assurance soins.
  Les membres du personnel de l'Inspection des soins effectuent les missions d'inspection aux conditions suivantes :
  1° l'Inspection des soins effectue les missions d'inspection données chaque année par l'agence ;
  2° l'Inspection des soins établit à cette fin un concept d'inspection, sur la base de l'analyse des risques qui est exécutée en collaboration avec l'agence ;
  3° l'Inspection des soins effectue également des missions d'inspections ciblées données par l'agence ;
  4° l'Inspection des soins peut décider de façon autonome d'effectuer une inspection après en avoir informé l'agence ;
  5° l'Inspection des soins établit un rapport d'inspection.
Art. 5. Tussen het agentschap en zorginspectie wordt een samenwerkingsovereenkomst gesloten, waarin de verdere praktische modaliteiten inzake controle van de zorginspectie in het kader van de Vlaamse sociale bescherming bepaald worden.
Art. 5. Il est conclu entre l'agence et l'Inspection des soins un accord de coopération fixant les modalités pratiques en matière de contrôle de l'Inspection des soins dans le cadre de la protection sociale flamande.
HOOFDSTUK 3. - Bepalingen over de financiering, het reservefonds en de boekhouding
Chapitre 3. - Dispositions relatives au financement, au fonds de réserve et à la comptabilité
Art. 6. Leningen kunnen door het agentschap worden aangegaan, na akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begroting, als minstens de volgende voorwaarden vervuld zijn:
  1° er worden minstens drie mogelijke leninggevers bevraagd;
  2° er wordt verwezen naar een marktrentevoet die algemeen gangbaar is.
Art. 6. L'agence peut contracter des emprunts, moyennant accord du ministre flamand ayant les finances et le budget dans ses attributions, pour autant qu'il ait été satisfait au moins aux conditions suivantes :
  1° au moins trois prêteurs potentiels sont contactés ;
  2° il est fait référence à un taux du marché couramment appliqué.
Art. 7. Elke opneming uit het reservefonds is afhankelijk van de voorafgaande toestemming van de minister en van de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begroting.
Art. 7. Tout prélèvement du fonds de réserve est subordonné à l'autorisation préalable du ministre et du ministre flamand ayant les finances et le budget dans ses attributions.
Art. 8. Het agentschap bezorgt uiterlijk op 31 maart aan de minister en de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begroting, een boekhoudkundig verslag van alle verrichtingen van het voorbije jaar.
  De minister en de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begroting, bepalen de vormvereisten waaraan het verslag moet voldoen.
Art. 8. Au plus tard le 31 mars, l'agence transmet au ministre et au ministre flamand ayant les finances et le budget dans ses attributions un rapport comptable de toutes les opérations de l'année écoulée.
  Le ministre et le ministre flamand ayant les finances et le budget dans ses attributions arrêtent les exigences de forme auxquelles le rapport doit répondre.
Titel 2. - De zorgkassen
Titre 2. - Les caisses d'assurance soins
HOOFDSTUK 1. - De procedure voor het verlenen van de erkenning
Chapitre 1er. - Procédure de délivrance de l'agrément
Art. 9. Om ontvankelijk te zijn moet een aanvraag tot erkenning van een zorgkas uitgaan van een instantie als vermeld in artikel 18 van het decreet van 18 mei 2018. De aanvraag wordt met een aangetekende brief aan het agentschap bezorgd en bevat de volgende gegevens en stukken:
  1° de statuten van de zorgkas;
  2° de voornamen, de familienaam, de woon- of verblijfplaats, het beroep en de nationaliteit van de beheerders van de zorgkas en van de personen die met de effectieve leiding van de zorgkas zijn belast, en de volmachten van die laatsten;
  3° de statuten van de instantie of de instanties, vermeld in artikel 18 van het decreet van 18 mei 2018, die de zorgkas heeft of hebben opgericht;
  4° de voornamen, de familienaam, de woon- of verblijfplaats van de leden, natuurlijke personen of rechtspersonen, die in de algemene vergadering van de zorgkas een gekwalificeerde deelneming bezitten en het percentage van die deelneming;
  5° de verbintenis om de regels na te leven die bij of krachtens het decreet van 18 mei 2018 zijn vastgesteld;
  6° andere gegevens en stukken, die door het agentschap worden bepaald;
  7° de gegevens en stukken waaruit blijkt dat is voldaan aan de voorwaarden, vermeld in artikel 22 van dit besluit.
  In het eerste lid, 4°, wordt verstaan onder gekwalificeerde deelneming: het rechtstreeks of onrechtstreeks bezitten van ten minste 10% van de stemrechten of elke andere mogelijkheid om een invloed van betekenis uit te oefenen op de bedrijfsvoering van de zorgkas.
Art. 9. Pour être recevable, une demande d'agrément d'une caisse d'assurance soins doit émaner d'une instance telle que visée à l'article 18 du décret du 18 mai 2018. La demande est transmise à l'agence par lettre recommandée et contient les informations et pièces suivantes :
  1° les statuts de la caisse d'assurance soins ;
  2° les prénoms, nom de famille, domicile ou résidence, profession et nationalité des administrateurs de la caisse d'assurance soins et des personnes chargées de la direction effective de la caisse d'assurance soins et les mandats de ces dernières ;
  3° les statuts de l'instance ou des instances visées à l'article 18 du décret du 18 mai 2018, qui a ou ont créé la caisse d'assurance soins ;
  4° les nom, prénoms, domicile ou résidence des membres, personnes physiques ou morales, qui possèdent une participation qualifiée au sein de l'assemblée générale de la caisse d'assurance soins, ainsi que le pourcentage de cette participation ;
  5° l'engagement de respecter les règles fixées par le décret du 18 mai 2018 ou en vertu de celui-ci ;
  6° d'autres informations et pièces déterminées par l'agence ;
  7° les informations et pièces démontrant que les conditions visées à l'article 22 du présent arrêté sont remplies.
  Une participation qualifiée au sens de l'alinéa 1er, 4°, s'entend de la détention directe ou indirecte d'au moins 10 % des droits de vote ou de toute autre possibilité d'exercer une influence significative sur la gestion de la caisse d'assurance soins.
Art. 10. § 1. Binnen dertig dagen na de ontvangst van de aanvraag deelt het agentschap aan de zorgkas mee of de aanvraag ontvankelijk is.
  Als de aanvraag niet ontvankelijk is omdat een of meer gegevens of stukken als vermeld in artikel 9 ontbreken, vraagt het agentschap de ontbrekende gegevens of stukken op. Het agentschap bepaalt een termijn voor de indiening van de gegevens of stukken. Binnen dertig dagen na de ontvangst van de gegevens of stukken, deelt het agentschap aan de zorgkas mee of de aanvraag ontvankelijk is. Als er geen gegevens of stukken worden bezorgd, dan is de aanvraag onontvankelijk.
  Het agentschap onderzoekt de aanvraag.
  § 2. Binnen vier maanden nadat aan de zorgkas is meegedeeld dat haar aanvraag ontvankelijk is, wordt haar de beslissing van de leidend ambtenaar om de erkenning te verlenen of het voornemen van de leidend ambtenaar om de erkenning te weigeren met een aangetekende brief bezorgd.
  De erkenning kan alleen worden verleend als uit de aanvraag blijkt dat de zorgkas zal voldoen aan de regels die bij of krachtens het decreet van 18 mei 2018 zijn vastgesteld.
Art. 10. § 1er. Dans les trente jours de la réception de la demande, l'agence communique à la caisse d'assurance soins si la demande est recevable.
  Si la demande n'est pas recevable du fait qu'une ou plusieurs des informations ou pièces visées à l'article 9 font défaut, l'agence réclame les informations ou pièces manquantes. L'agence fixe un délai pour la remise des informations ou pièces. Dans les trente jours de la réception des informations ou pièces, l'agence communique à la caisse d'assurance soins si la demande est recevable Si aucune information ou pièce n'est transmise, la demande est irrecevable.
  L'agence examine la demande.
  § 2. Dans les quatre mois de la notification de recevabilité de la demande à la caisse d'assurance soins, la décision du fonctionnaire dirigeant d'accorder l'agrément ou l'intention du fonctionnaire dirigeant de refuser l'agrément lui est transmise par lettre recommandée.
  L'agrément ne peut être accordé que s'il ressort de la demande que la caisse d'assurance soins satisfera aux règles fixées par le décret du 18 mai 2018 ou en vertu de celui-ci.
Art. 11. § 1. Tegen het voornemen, vermeld in artikel 10, § 2, eerste lid, kan de zorgkas een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij het agentschap binnen een termijn van twee maanden na de datum van de verzending van het voornemen.
  Het bezwaarschrift wordt behandeld conform artikel 6 tot en met 22 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 juli 2013 betreffende de Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en (Kandidaat-)pleegzorgers.
  Als de zorgkas tegen het voornemen geen ontvankelijk bezwaarschrift indient binnen twee maanden na de verzending van het voornemen, wordt, na het verstrijken van die termijn, de beslissing van de leidend ambtenaar, waarbij de erkenning wordt geweigerd, aan de zorgkas meegedeeld met een aangetekende brief.
  § 2. De beslissing waarbij de erkenning wordt verleend, wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
Art. 11. § 1er. La caisse d'assurance soins peut introduire auprès de l'agence une réclamation motivée contre l'intention visée à l'article 10, § 2, alinéa 1er, dans le délai de deux mois suivant la date d'envoi de l'intention.
  La réclamation est traitée conformément aux articles 6 à 22 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 juillet 2013 concernant la Commission consultative pour les Structures de l'Aide sociale, de la Santé publique et de la Famille et des (Candidats-) accueillants.
  Si la caisse d'assurance soins n'introduit pas de réclamation recevable dans les deux mois de l'envoi de l'intention, la décision du fonctionnaire dirigeant de refuser l'agrément est communiquée à la caisse d'assurance soins par lettre recommandée à l'expiration de ce délai.
  § 2. La décision d'octroi de l'agrément est publiée par extrait au Moniteur belge.
Art. 12. De erkenning van een erkende zorgkas geldt voor vijf jaar.
Art. 12. L'agrément d'une caisse d'assurance soins est valable cinq ans.
Art. 13. De erkenning, vermeld in artikel 12, kan worden verlengd als de erkende zorgkas daarvoor tot uiterlijk acht maanden voor het verstrijken van haar erkenning een aanvraag indient. artikel 9, 10 en 11 zijn van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van artikel 9, eerste lid, 3°.
Art. 13. L'agrément visé à l'article 12 peut être prorogé si la caisse d'assurance soins agréée introduit une demande à cet effet au plus tard huit mois avant l'expiration de son agrément. Les articles 9, 10 et 11 s'appliquent par analogie, à l'exception de l'article 9, alinéa 1er, 3°.
HOOFDSTUK 2. - De procedure voor de intrekking en schorsing van de erkenning van een erkende zorgkas
Chapitre 2. - Procédure de retrait et de suspension de l'agrément d'une caisse d'assurance soins agréée
Art. 14. Als het agentschap vaststelt dat een erkende zorgkas niet werkt conform de regels die bij of krachtens het decreet van 18 mei 2018 zijn vastgesteld, dat haar beheer of haar financiële toestand niet voldoende waarborgen biedt voor de goede afloop van haar verbintenissen of dat haar administratieve of boekhoudkundige organisatie of haar interne controle ernstige leemten vertoont, stelt het agentschap met een aangetekende brief de erkende zorgkas in gebreke om die problemen binnen een door het agentschap te bepalen termijn te verhelpen.
Art. 14. Lorsque l'agence constate qu'une caisse d'assurance soins ne fonctionne pas conformément aux règles fixées par ou en vertu du décret du 18 mai 2018, que sa gestion ou sa situation financière n'offre pas de garanties suffisantes de bonne fin de ses engagements ou que son organisation administrative ou comptable ou son contrôle interne présentent de sérieuses lacunes, l'agence met la caisse d'assurance soins en demeure, par lettre recommandée, de remédier à ces problèmes dans le délai à fixer par l'agence.
Art. 15. De erkenning van een erkende zorgkas kan door de leidend ambtenaar of de minister worden ingetrokken in de volgende gevallen:
  1° als de erkende zorgkas niet gebruik maakt van de erkenning binnen twaalf maanden of als ze gedurende meer dan zes maanden haar activiteiten heeft gestaakt;
  2° als ze niet voldoet aan de regels die bij of krachtens het decreet van 18 mei 2018 zijn vastgesteld of als het beheer of de financiële toestand van de erkende zorgkas niet voldoende waarborgen biedt voor de goede afloop van haar verbintenissen of als haar administratieve of boekhoudkundige organisatie of haar interne controle ernstige leemten vertoont, nadat de termijn, vermeld in artikel 14, is verstreken.
  In de gevallen, vermeld in het eerste lid, uit de leidend ambtenaar een voornemen tot intrekking van de erkenning, dat met een aangetekende brief aan de erkende zorgkas wordt meegedeeld.
Art. 15. Le fonctionnaire dirigeant ou le ministre peut retirer l'agrément d'une caisse d'assurance soins agréée dans les cas suivants :
  1° lorsque la caisse d'assurance soins ne fait pas usage de l'agrément dans les douze mois ou lorsqu'elle a suspendu ses activités pendant plus de six mois ;
  2° lorsqu'elle ne respecte pas les règles fixées par ou en vertu du décret du 18 mai 2018 ou lorsque sa gestion ou sa situation financière n'offre pas de garanties suffisantes de bonne fin de ses engagements ou que son organisation administrative ou comptable ou son contrôle interne présentent de sérieuses lacunes, après l'expiration du délai visé à l'article 14.
  Dans les cas visés à l'alinéa 1er, le fonctionnaire dirigeant exprime une intention de retirer l'agrément, qui est communiquée par lettre recommandée à la caisse d'assurance soin agréée.
Art. 16. Tegen het voornemen, vermeld in artikel 15, tweede lid, van dit besluit kan de erkende zorgkas een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij het agentschap binnen een termijn van twee maanden na de datum van de verzending van het voornemen.
  Het bezwaarschrift wordt behandeld conform artikel 6 tot en met 22 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 juli 2013 betreffende de Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en (Kandidaat-)pleegzorgers.
  Als de erkende zorgkas tegen het voornemen geen ontvankelijk bezwaarschrift indient binnen twee maanden na de verzending van het voornemen, wordt na het verstrijken van die termijn de beslissing van de leidend ambtenaar, waarbij de erkenning wordt ingetrokken, aan deze zorgkas meegedeeld met een aangetekende brief.
Art. 16. La caisse d'assurance soins agréée peut introduire auprès de l'agence une réclamation motivée contre l'intention visée à l'article 15, alinéa 2, du présent arrêté dans le délai de deux mois suivant la date d'envoi de l'intention.
  La réclamation est traitée conformément aux articles 6 à 22 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 juillet 2013 concernant la Commission consultative pour les Structures de l'Aide sociale, de la Santé publique et de la Famille et des (Candidats-) accueillants.
  Si la caisse d'assurance soins agréée n'introduit pas de réclamation recevable dans les deux mois de l'envoi de l'intention, la décision du fonctionnaire dirigeant de retirer l'agrément est communiquée à cette caisse d'assurance soins par lettre recommandée à l'expiration de ce délai.
Art. 17. Een erkende zorgkas kan de leidend ambtenaar met een aangetekende brief verzoeken om haar erkenning in te trekken. De beslissing wordt uiterlijk twee maanden na de ontvangst van het verzoek aan die zorgkas meegedeeld per aangetekende brief.
Art. 17. Une caisse d'assurance soins agréée peut demander au fonctionnaire dirigeant, par lettre recommandée, de retirer son agrément. La décision est communiquée à cette caisse d'assurance soins par lettre recommandée au plus tard deux mois après réception de la demande.
Art. 18. De erkenning van een erkende zorgkas wordt ambtshalve door de leidend ambtenaar ingetrokken in geval van ontbinding van die zorgkas. Deze beslissing wordt met een aangetekende brief aan de betrokken zorgkas meegedeeld uiterlijk vijftien dagen nadat ze werd genomen.
Art. 18. L'agrément d'une caisse d'assurance soins agréée est retiré d'office par le fonctionnaire dirigeant en cas de dissolution de cette caisse d'assurance soins. Cette décision est communiquée par lettre recommandée à la caisse d'assurance soins concernée au plus tard quinze jours après avoir été prise.
Art. 19. De beslissing waarbij de erkenning van een erkende zorgkas wordt ingetrokken, vermeldt de datum waarop de intrekking ingaat. Ze wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
Art. 19. La décision de retrait de l'agrément d'une caisse d'assurance soins agréée mentionne la date à laquelle le retrait prend cours Elle est publiée par extrait au Moniteur belge.
Art. 20. De intrekking van een erkenning heeft als gevolg dat de betrokken zorgkas geen nieuwe aansluitingen meer mag verrichten.
  Het agentschap zal zo nodig alle passende maatregelen opleggen om de rechten van de leden en gebruikers te vrijwaren.
  Een zorgkas waarvan de erkenning is ingetrokken, blijft tot aan het afsluiten van haar vereffening onderworpen aan de regels die bij of krachtens het decreet van 18 mei 2018 zijn vastgesteld.
Art. 20. Le retrait d'un agrément entraîne l'interdiction pour la caisse d'assurance soins de procéder à de nouvelles affiliations.
  L'agence imposera au besoin toutes les mesures appropriées afin de sauvegarder les droits des affiliés et usagers.
  Une caisse d'assurance soins dont l'agrément a été retiré reste assujettie aux règles fixées par ou en vertu du décret du 18 mai 2018, jusqu'à la clôture de sa liquidation.
Art. 21. In de gevallen, vermeld in artikel 15, eerste lid, 2°, kan de erkenning van een erkende zorgkas door de leidend ambtenaar of de minister worden geschorst. artikel 15, tweede lid, artikel 16 en 19 zijn van overeenkomstige toepassing.
  De schorsing van de erkenning heeft als gevolg dat de zorgkas geen nieuwe aansluitingen meer mag verrichten.
Art. 21. Dans les cas visés à l'article 15, alinéa 1er, 2°, le fonctionnaire dirigeant ou le ministre peut suspendre l'agrément d'une caisse d'assurance soins agréée. L'article 15, alinéa 2, les articles 16 et 19 s'appliquent par analogie.
  La suspension de l'agrément entraîne l'interdiction pour la caisse d'assurance soins de procéder à de nouvelles affiliations.
HOOFDSTUK 3. - Territoriale werking
Chapitre 3. - Fonctionnement territorial
Art. 22. De instanties, vermeld in artikel 18, eerste lid, 1° en 3°, van het decreet van 18 mei 2018, zijn actief in het hele territorium van het Nederlandse taalgebied en het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad als ze aan al de volgende voorwaarden voldoen:
  1° ze hebben minstens 140.000 leden of verzekerden, waarvan telkens minstens 8.000 in iedere provincie van het Nederlandse taalgebied en in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad;
  2° ze zijn niet alleen digitaal en telefonisch bereikbaar voor hun leden of verzekerden, maar ze hebben ook minstens één kantoor in iedere provincie van het Nederlandse taalgebied en in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, en hebben er een fysiek toegankelijke dienstverlening voor hun leden met het oog op informatie en advies in het kader van de Vlaamse sociale bescherming.
Art. 22. Les instances visées à l'article 18, alinéa 1er, 1° et 3°, du décret du 18 mai 2018, sont actives sur l'ensemble du territoire de la région de langue néerlandaise et de la région bilingue de Bruxelles-Capitale lorsqu'elles répondent à toutes les conditions suivantes :
  1° elles comptent au moins 140.000 membres ou assurés, dont à chaque fois au moins 8.000 dans chaque province de la région de langue néerlandaise et dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale ;
  2° elles sont non seulement joignables par téléphone et par voie numérique pour leurs membres ou assurés, mais elles possèdent également au moins une agence dans chaque province de la région de langue néerlandaise et dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale et y assurent un service accessible physiquement pour leurs membres en vue de fournir des informations et conseils dans le cadre de la protection sociale flamande.
HOOFDSTUK 4. - De organisatie, de werking, en het beheer van de zorgkassen
Chapitre 4. - Organisation, fonctionnement et gestion des caisses d'assurance soins
Art. 23. Een zorgkas beschikt over een beleidsstructuur, een administratieve en boekhoudkundige organisatie en een interne controle, die aan haar activiteiten aangepast zijn. De minister kan daarover nadere regels bepalen.
  De interne controle, vermeld in het eerste lid, heeft minstens betrekking op de geldigheid, de volledigheid en de juistheid waarmee de financiële verrichtingen worden verwerkt in de boekhoudkundige documenten en rekeningen.
Art. 23. Une caisse d'assurance soins dispose d'une structure de gestion, d'une organisation administrative et comptable et d'un contrôle interne adaptés à ses activités. Le ministre peut en arrêter les modalités.
  Le contrôle interne visé à l'alinéa 1er porte au moins sur la validité, l'exhaustivité et l'exactitude du traitement des opérations financières dans les documents comptables et les comptes.
Art. 24. De technische en financiële middelen van een zorgkas zijn aangepast aan haar activiteiten en waarborgen een goede uitvoering van haar verbintenissen.
Art. 24. Les moyens techniques et financiers d'une caisse d'assurance soins sont adaptés à ses activités et garantissent une bonne exécution de ses engagements.
Art. 25. De effectieve leiding van een zorgkas wordt toevertrouwd aan ten minste twee personen.
  De erkende zorgkas plaatst personen die 50% of meer van hun arbeidsregeling voor de zorgkas werken, op de loonlijst van de zorgkas.
Art. 25. La direction effective d'une caisse d'assurance soins est confiée à deux personnes au moins.
  La caisse d'assurance soins agréée inscrit sur la liste de son personnel salarié les personnes qui consacrent 50 % ou davantage de leur temps de travail à la caisse d'assurance soins.
Art. 26. Het maatschappelijk doel van de zorgkas, dat vermeld wordt in haar statuten, is beperkt tot de opdrachten, vermeld in artikel 22 van het decreet van 18 mei 2018.
  De statuten van de zorgkas bevatten een opgave van de rechten en de plichten van de leden en de gebruikers. Ze mogen niet in strijd zijn met de regels die bij of krachtens het decreet van 18 mei 2018 zijn vastgesteld.
Art. 26. L'objet social de la caisse d'assurance soins, énoncé dans ses statuts, se limite aux missions définies à l'article 22 du décret du 18 mai 2018.
  Les statuts de la caisse d'assurance soins énoncent les droits et devoirs des affiliés et des usagers. Ils ne peuvent être contraires aux règles fixées par le décret du 18 mai 2018 ou en vertu de celui-ci.
Art. 27. Artikel III.82, artikel III.83, eerste lid, artikel III.84, eerste tot en met vijfde lid, artikel III.86, eerste en vierde lid, artikel III.87, § 1 en § 2, eerste lid, artikel III.88 en artikel III.89 van het Wetboek van economisch recht zijn van overeenkomstige toepassing op een zorgkas.
Art. 27. L'article III.82, l'article III.83, alinéa 1er, l'article III.84, alinéas 1er à 5, l'article III.86, alinéas 1er et 4, l'article III.87, § 1er et § 2, alinéa 1er, l'article III.88 et l'article III.89 du Code de droit économique s'appliquent par analogie à une caisse d'assurance soins.
Art. 28. Een zorgkas verstrekt aan personen die zich willen aansluiten en aan de leden minimaal de informatie die de minister bepaalt.
  De documenten of gegevens die een zorgkas gebruikt of verspreidt, zijn in overeenstemming met de regels die bij of krachtens het decreet van 18 mei 2018 zijn vastgesteld.
  De documenten of formulieren van de zorgkas die ter kennis van het publiek gebracht worden, bevatten de vermeldingen die de minister bepaalt.
Art. 28. Une caisse d'assurance soins fournit aux personnes désireuses de s'affilier et à ses affiliés au moins les informations déterminées par le ministre.
  Les documents ou informations utilisés ou diffusés par une caisse d'assurance soins sont conformes aux règles fixées par le décret du 18 mai 2018 ou en vertu de celui-ci.
  Les documents ou formulaires que la caisse d'assurance soins porte à la connaissance du public contiennent les mentions déterminées par le ministre.
Art. 29. De minister bepaalt welke gegevens als vermeld in artikel 22, eerste lid, 4°, van het decreet van 18 mei 2018 worden geregistreerd, hoe ze worden geregistreerd en hoe ze aan het agentschap worden verstrekt.
Art. 29. Le ministre détermine les données, telles que visées à l'article 22, alinéa 1er, 4°, du décret du 18 mai 2018, à enregistrer, de même que leur mode d'enregistrement et leur mode de transmission à l'agence.
Art. 30. Een zorgkas onthoudt zich ervan:
  1° onder om het even welke vorm leningen toe te staan;
  2° met een ziekenfonds, een landsbond van ziekenfondsen, een maatschappij voor onderlinge bijstand, een verzekeringsonderneming of enige andere organisatie, waarmee ze financiële, commerciële of administratieve banden heeft, overeenkomsten af te sluiten of regelingen te maken die de verdeling van de kosten en inkomsten kunnen beïnvloeden, als daardoor de rekeningen zouden worden vervalst.
Art. 30. Une caisse d'assurance soins s'abstient :
  1° de consentir des prêts sous quelque forme que ce soit ;
  2° de conclure avec une mutualité, une union nationale de mutualités, une société mutualiste, une compagnie d'assurances ou toute autre organisation avec laquelle elle a des liens financiers, commerciaux ou administratifs, des accords ou de prendre des arrangements susceptibles d'influencer la répartition des coûts et des recettes dans la mesure où les comptes s'en trouveraient faussés.
HOOFDSTUK 5. - Toezicht en controle op de zorgkassen
Chapitre 5. - Surveillance et contrôle des caisses d'assurance soins
Art. 31. Een zorgkas brengt het agentschap met een aangetekende brief op de hoogte van de wijzigingen in haar statuten en in de lijst van haar beheerders binnen een maand na de goedkeuring ervan door de algemene vergadering. Tot uiterlijk een maand na die kennisgeving kan het agentschap zich met een aangetekende en gemotiveerde brief verzetten tegen een wijziging die in strijd is met de regels die bij of krachtens het decreet van 18 mei 2018 zijn vastgesteld.
  In het geval, vermeld in het eerste lid, zorgt de zorgkas ervoor dat de wijziging wordt ingetrokken of aangepast binnen twee maanden na de verzending van de brief van het agentschap.
Art. 31. Une caisse d'assurance soins informe l'agence par lettre recommandée des modifications de ses statuts et de la liste de ses administrateurs, dans le mois suivant leur approbation par l'assemblée générale. Au plus tard un mois après cette notification, l'agence peut s'opposer, par lettre recommandée et motivée, à toute modification contraire aux règles fixées par le décret du 18 mai 2018 ou en vertu d celui-ci.
  Dans le cas visé à l'alinéa 1er, la caisse d'assurance soins fait en sorte que la modification soit retirée ou adaptée dans les deux mois suivant l'envoi de la lettre de l'agence.
Art. 32. Een erkende zorgkas wijst een bedrijfsrevisor aan, die door de algemene vergadering wordt gekozen onder de leden van het Instituut van de Bedrijfsrevisoren. Als de erkende zorgkas de rechtsvorm van een maatschappij van onderlinge bijstand aanneemt als vermeld in artikel 43bis van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen, moet de bedrijfsrevisor erkend zijn door de Controledienst voor de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen. In de andere gevallen moet de bedrijfsrevisor erkend zijn door de Nationale Bank van België.
  De bedrijfsrevisor wordt aangewezen voor een hernieuwbare termijn van drie jaar. Hij kan alleen om wettige redenen worden ontslagen.
  De erkende zorgkas deelt aan het agentschap de voornamen, de familienaam en het adres van de bedrijfsrevisor mee binnen een maand na zijn aanwijzing.
  Buiten zijn bezoldiging mag de erkende zorgkas aan de bedrijfsrevisor geen enkel voordeel verschaffen, in welke vorm ook.
  Bijkomende opdrachten kunnen hem alleen worden toevertrouwd met de goedkeuring van de algemene vergadering.
  Als het mandaat van de bedrijfsrevisor, om welke reden ook, een einde neemt, wijst de erkende zorgkas binnen de drie maanden een opvolger aan.
Art. 32. Une caisse d'assurance soins désigne un réviseur d'entreprises, qui est choisi par l'assemblée générale parmi les membres de l'Institut des Réviseurs d'Entreprises. Si la caisse d'assurance soins prend la forme juridique d'une société mutualiste telle que visée à l'article 43bis de la loi du 6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions nationales de mutualités, le réviseur d'entreprises doit être agréé par l'Office de contrôle des mutualités et des unions nationales de mutualités. Dans les autres cas, le réviseur d'entreprises doit être agréé par la Banque nationale de Belgique.
  Le réviseur d'entreprises est désigné pour un terme de trois ans, renouvelable. Il ne peut être révoqué que pour des motifs légitimes.
  La caisse d'assurance soins agréée communique à l'agence les nom, prénoms et adresse du réviseur d'entreprises dans le mois qui suit sa désignation.
  Outre sa rémunération, la caisse d'assurance soins ne peut procurer au réviseur d'entreprise aucun avantage, sous quelque forme que ce soit.
  Des missions supplémentaires ne peuvent lui être confiées qu'avec l'approbation de l'assemblée générale.
  Lorsque le mandat du réviseur d'entreprises prend fin, pour quelque raison que ce soit, la caisse d'assurance soins agréée désigne un successeur dans les trois mois.
Art. 33. De door een erkende zorgkas aangewezen bedrijfsrevisor controleert met inachtneming van de algemene controlenormen van het Instituut van de Bedrijfsrevisoren:
  1° de nauwkeurigheid en de volledigheid van de boekhouding en van de jaarrekening;
  2° het aangepaste karakter en de werking van de administratieve en boekhoudkundige organisatie en van de interne controle.
  De bedrijfsrevisor kan op elk moment in de zetel van de erkende zorgkas inzage nemen van alle documenten die hij nodig acht voor de uitvoering van zijn opdracht. Hij kan van de beheerders en van de personen die met de effectieve leiding zijn belast, alle nodige ophelderingen en inlichtingen eisen en hij kan alle nodige verificaties verrichten.
  Hij brengt onmiddellijk elke inbreuk op de regels die bij of krachtens het decreet van 18 mei 2018 zijn vastgesteld, alsook alles wat volgens hem de financiële toestand van de erkende zorgkas in gevaar zou kunnen brengen, ter kennis van de beheerders van de erkende zorgkas.
  Hij viseert het boekhoudkundige verslag, vermeld in artikel 30 van het decreet van 18 mei 2018, en de sociale balans, vermeld in artikel 37, § 2, van dit besluit.
Art. 33. Le réviseur d'entreprises désigné par une caisse d'assurance soins contrôle, en respectant les normes générales de contrôle de l'Institut des Réviseurs d'Entreprises :
  1° le caractère fidèle et complet de la comptabilité et des comptes annuels ;
  2° le caractère adéquat et le fonctionnement de l'organisation administrative et comptable et du contrôle interne.
  Le réviseur d'entreprises peut à tout moment prendre connaissance, au siège de la caisse d'assurance soins agréée, de tous documents qu'il juge nécessaires à l'accomplissement de sa mission. Il peut exiger des administrateurs et des personnes chargées de la direction effective tous éclaircissements et informations et opérer toutes les vérifications nécessaires.
  Il porte sans tarder à la connaissance des administrateurs de la caisse d'assurance soins toute infraction aux règles fixées par le décret du 18 mai 2018 ou en vertu de celui-ci, ainsi que tout ce qui pourrait, à son avis, compromettre la situation financière de la caisse d'assurance soins agréée.
  Il vise le rapport comptable mentionné à l'article 30 du décret du 18 mai 2018, ainsi que le bilan social mentionné à l'article 37, § 2, du présent arrêté.
Art. 34. De bedrijfsrevisor stelt jaarlijks een verslag op over de resultaten van de door hem verrichte controles, met inachtneming van de algemene controlenormen van het Instituut van de Bedrijfsrevisoren. Dat verslag vermeldt meer in het bijzonder:
  1° hoe de controletaken zijn verricht en of alle gevraagde ophelderingen en documenten zijn verkregen;
  2° of de boekhouding is gevoerd en de jaarrekening is opgesteld conform de toepasselijke regels;
  3° of naar zijn oordeel de jaarrekening een getrouw beeld geeft van het vermogen, van de financiële toestand en van de resultaten van de erkende zorgkas.
  In het verslag vermeldt en rechtvaardigt de bedrijfsrevisor nauwkeurig en duidelijk het voorbehoud en de bezwaren die hij meent te moeten maken. In het andere geval vermeldt hij uitdrukkelijk geen bezwaar noch voorbehoud te maken.
  Het verslag wordt gevoegd bij de jaarrekening die ter goedkeuring aan de algemene vergadering wordt voorgelegd. De bedrijfsrevisor wordt uitgenodigd voor de algemene vergadering, als die zal beraadslagen over de jaarrekening en het door hem opgemaakte verslag. Hij heeft het recht op de algemene vergadering het woord te voeren als het gaat over de vervulling van zijn taak.
Art. 34. Le réviseur rédige annuellement un rapport sur les résultats de ses contrôles, en respectant les normes générales de contrôle de l'Institut des Réviseurs d'Entreprises. Ce rapport mentionne notamment :
  1° la manière dont les missions de contrôle ont été effectuées et si tous les éclaircissements et documents demandés ont été obtenus ;
  2° si la comptabilité est tenue et si les comptes annuels sont rédigés conformément aux prescriptions qui leur sont applicables ;
  3° si, de l'avis du réviseur, les comptes annuels donnent une image fidèle du patrimoine, de la situation financière et des résultats de la caisse d'assurance soins agréée.
  Dans ce rapport, le réviseur mentionne et justifie d'une manière claire et précise les réserves et les objections qu'il estime devoir exprimer. Dans l'autre cas, il mentionne explicitement qu'il n'a ni objection ni réserve à formuler.
  Le rapport est joint aux comptes annuels qui sont soumis à l'approbation de l'assemblée générale. Le réviseur est invité à assister à l'assemblée générale lorsqu'elle est amenée à délibérer sur les comptes annuels et sur le rapport qu'il a rédigé. Il a le droit de prendre la parole à l'assemblée générale au sujet de l'accomplissement de sa mission.
Art. 35. Een zorgkas bewaart gedurende een door de minister te bepalen termijn alle documenten over de door haar verrichte aansluitingen en tegemoetkomingen in haar zetel of op een andere plaats die vooraf door het agentschap is toegelaten.
Art. 35. Une caisse d'assurance soins conserve, à son siège ou dans un autre lieu autorisé préalablement par l'agence, pendant une période à déterminer par le ministre, tous les documents relatifs aux affiliations et interventions effectuées par elle.
Art. 36. Als een document niet voldoet aan de vereisten, vermeld in artikel 28, zorgt de zorgkas voor de intrekking of de aanpassing ervan binnen een maand nadat ze daartoe door het agentschap is aangemaand.
Art. 36. Lorsqu'un document ne remplit pas les conditions énoncées à l'article 28, la caisse d'assurance soins assure son retrait ou son adaptation dans le mois suivant la sommation signifiée par l'agence.
Art. 37. § 1. Een zorgkas bezorgt haar jaarrekening en het boekhoudkundige verslag, vermeld in artikel 33, over het vorige boekjaar vóór 30 april aan het agentschap. Het agentschap bepaalt de vormvereisten waaraan het voormelde boekhoudkundige verslag moet voldoen.
  § 2. Samen met de jaarrekening en het boekhoudkundige verslag bezorgt een erkende zorgkas aan het agentschap de sociale balans die opgenomen is in het "Volledig model van jaarrekening" of in het "Verkort model van jaarrekening", dat door de Nationale Bank van België is opgesteld met toepassing van artikel 174, § 2, van het koninklijk besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van het wetboek van vennootschappen.
  De sociale balans, vermeld in het eerste lid, bevat de volgende gegevens:
  1° het aantal tewerkgestelde personeelsleden, het aantal gepresteerde uren, het personeelsverloop en de gevolgde opleidingen door het personeelslid gedurende het afgelopen boekjaar. De erkende zorgkas bezorgt ook de personeelskosten, die gekoppeld zijn aan deze componenten voor het boekjaar in kwestie, overeenkomstig deel I.A, deel II en deel IV van de sociale balans, vermeld in het eerste lid;
  2° de kosten die aan de erkende zorgkas aangerekend worden voor tijdelijk tewerkgestelde personeelsleden, uitzendkrachten en personen die taken hebben uitgevoerd voor de zorgkas, maar die geen arbeidsovereenkomst met de zorgkas hebben. Die kosten worden gekoppeld aan het aantal tewerkgestelde personen en het aantal gepresteerde uren voor de zorgkas, overeenkomstig deel I.B van de sociale balans, vermeld in het eerste lid.
Art. 37. § 1er. Avant le 30 avril de chaque année, une caisse d'assurance soins transmet à l'agence ses comptes annuels et le rapport comptable, visés à l'article 33, relatifs à l'exercice précédent. L'agence détermine les exigences de forme auxquelles le rapport comptable précité doit satisfaire.
  § 2. Avec les comptes annuels et le rapport comptable, une caisse d'assurance soins agréée transmet à l'agence le bilan social inclus dans le " Modèle complet de comptes annuels " ou le " Modèle abrégé de comptes annuels ", établi par la Banque nationale de Belgique en application de l'article 174, § 2, de l'arrêté royal du 30 janvier 2001 portant exécution du Code des Sociétés.
  Le bilan social visé à l'alinéa 1er contient les informations suivantes :
  1° le nombre de personnes occupées, le nombre d'heures prestées, la rotation du personnel et les formations suivies par celui-ci durant l'exercice écoulé. La caisse d'assurance soins agréée transmet également les frais de personnel associés à ces composants pour l'exercice en question, conformément aux sections I.A, II et IV du bilan social visé à l'alinéa 1er ;
  2° les frais facturés à la caisse d'assurance soins agréée pour des temporaires, des intérimaires et des personnes qui ont exécuté des tâches pour la caisse d'assurance soins mais qui n'ont pas de contrat de travail avec la caisse d'assurance soins. Ces frais sont associés au nombre de personnes occupées et au nombre d'heures prestées pour la caisse d'assurance soins, conformément à la section I.B du bilan social visé à l'alinéa 1er.
HOOFDSTUK 6. - Ombudsfunctie
Chapitre 6. - Fonction de médiation
Art. 38. De zorgkas vertrouwt de leiding van de ombudsfunctie, vermeld in artikel 19, 8°, van het decreet van 18 mei 2018, toe aan een ombudspersoon. De ombudspersoon moet aan volgende voorwaarden voldoen:
  1° hij mag niet betrokken zijn of geweest zijn bij de feiten of de personen waarop de klacht betrekking heeft;
  2° hij respecteert de vertrouwelijkheid;
  3° stelt zich neutraal en onpartijdig op;
  hij neemt geen instructies aan over de wijze waarop de klacht inhoudelijk behandeld wordt.
Art. 38. La caisse d'assurance soins confie la direction de la fonction de médiation visée à l'article 19, 8°, du décret du 18 mai 2018 à un médiateur. Le médiateur doit remplir les conditions suivantes :
  1° il ne peut pas être ou avoir été associé aux faits ou aux personnes visés par la plainte ;
  2° il respecte la confidentialité ;
  3° il se montre neutre et impartial ;
  il n'accepte pas d'instructions sur la manière d'instruire la réclamation sur le fond.
Art. 39. Elke gebruiker heeft het recht om kosteloos schriftelijk een klacht in te dienen bij de ombudspersoon. Elke klacht wordt geregistreerd en krijgt een uniek nummer.
  De minister kan bepalen aan welke voorwaarden de klacht moet voldoen om ontvankelijk te zijn en welke gegevens in verband met de klacht minstens geregistreerd moeten worden.
Art. 39. Tout usager a le droit d'introduire sans frais et par écrit une plainte auprès du médiateur. Toute plainte est enregistrée et reçoit un numéro unique.
  Le ministre peut déterminer les conditions que doit remplir par la plainte pour être recevable et les données minimales relatives à la plainte qui doivent être enregistrées.
Art. 40. § 1. De ombudspersoon verstuurt binnen acht dagen na het ontvangen van de klacht een ontvangstbewijs naar de gebruiker of zijn vertegenwoordiger.
  § 2. De ombudspersoon verstuurt binnen 45 dagen een definitief antwoord naar de gebruiker of zijn vertegenwoordiger. Het definitief antwoord bestaat uit een schriftelijke uiteenzetting en motivering van de bevindingen van het onderzoek naar de klacht.
  Als de overschrijding van de termijn, vermeld in het eerste lid, wordt veroorzaakt door gedragingen van derden, dan kan de termijn verlengd worden op voorwaarde dat:
  1° de zorgkas minstens voor elke maand vertraging een herinneringsbrief heeft gestuurd naar de derden;
  2° de zorgkas geen antwoord ontvangen heeft op voormelde herinneringsbrief;
  3° de gebruiker of zijn vertegenwoordiger op de hoogte is gebracht van de stand van zaken van het dossier.
  In het tweede lid wordt verstaan onder derde: elke persoon die geen betrokken partij is bij de klacht.
  § 3. Als het definitieve antwoord, vermeld in paragraaf 2, binnen acht dagen verzonden wordt, dan is het versturen van een ontvangstbewijs, conform paragraaf 1, niet vereist.
Art. 40. § 1er. Dans les huit jours de la réception de la plainte, le médiateur envoie un accusé de réception à l'usager ou à son représentant.
  § 2. Le médiateur envoie une réponse définitive à l'usager ou à son représentant dans les 45 jours. La réponse définitive consiste en un exposé et une motivation écrits des conclusions de l'examen de la plainte.
  Si le dépassement du délai visé à l'alinéa 1er est occasionné par le comportement de tiers, le délai peut être prolongé à condition que :
  1° la caisse d'assurance soins ait au moins envoyé une lettre de rappel aux tiers pour chaque mois de retard ;
  2° la caisse d'assurance n'ait pas reçu de réponse à la lettre de rappel précitée ;
  3° l'usager ou son représentant ait été informé de l'état d'avancement du dossier.
  A l'alinéa 2, un " tiers " s'entend de toute personne qui n'est pas impliquée dans la plainte.
  § 3. Si la réponse définitive visée au paragraphe 2 est envoyée dans les huit jours, l'envoi d'un accusé de réception conformément au paragraphe 1er n'est pas requis.
Art. 41. § 1. De ombudspersoon stelt jaarlijks een verslag op. Dat jaarverslag bevat minstens de volgende gegevens van het voorbije kalenderjaar:
  1° een overzicht van het aantal klachten;
  2° het voorwerp van de klachten;
  3° het resultaat van de klachtenbehandeling;
  4° het gevolg dat is gegeven aan het actieplan, vermeld in paragraaf 2.
  De minister kan bijkomende gegevens bepalen die in het verslag moeten worden opgenomen.
  Het jaarverslag mag geen gegevens bevatten die ertoe kunnen leiden dat personen die betrokken zijn bij de afhandeling van de klacht, kunnen worden geïdentificeerd.
  § 2. De ombudspersoon stelt op basis van de gegevens, vermeld in paragraaf 1, minimaal eenmaal per jaar een actieplan op om terugkerende klachten te vermijden en de organisatie te verbeteren.
Art. 41. § 1er. Le médiateur rédige annuellement un rapport. Ce rapport annuel contient au moins les informations suivantes relatives à l'année calendrier écoulée :
  1° un aperçu du nombre de plaintes ;
  2° l'objet des plaintes ;
  3° le résultat du traitement des plaintes ;
  4° la suite donnée au plan d'action visé au paragraphe 2.
  Le ministre peut prévoir des informations additionnelles à faire figurer dans le rapport.
  Le rapport annuel ne peut pas contenir d'informations susceptibles de permettre l'identification de personnes impliquées dans le règlement de la plainte.
  § 2. Sur la base des informations visées au paragraphe 1er, le médiateur rédige au moins une fois par an un plan d'action afin d'éviter les plaintes récurrentes et d'améliorer l'organisation.
Art. 42. § 1. De zorgkas geeft in verband met de ombudsfunctie minstens de volgende informatie duidelijk weer op haar website:
  1° de naam en contactgegevens van de ombudspersoon;
  2° de wijze waarop men een klacht kan indienen;
  3° de interne procedure voor klachtenbehandeling conform dit besluit;
  4° de wettelijke termijnen met betrekking tot de klachtenbehandeling.
  § 2. De zorgkas wijst in al haar schriftelijke communicatie met haar leden op het bestaan van een klachtenprocedure en vermeldt de wijze waarop men deze procedure kan raadplegen.
Art. 42. § 1er. La caisse d'assurance soins affiche clairement sur son site web au moins les informations suivantes en rapport avec la fonction de médiation :
  1° les nom et coordonnées du médiateur ;
  2° la façon dont une plainte peut être introduite ;
  3° la procédure interne de traitement des plaintes conformément au présent arrêté ;
  4° les délais légaux relatifs au traitement des plaintes.
  § 2. Dans toutes ses communications écrites avec ses membres, la caisse d'assurance soins attire l'attention sur l'existence d'une procédure de plainte et mentionne la façon dont cette procédure peut être consultée.
HOOFDSTUK 7 - Administratieve geldboetes
Chapitre 7. Amendes administratives
Art. 42/1. [1 § 1. De leidend ambtenaar kan aan een zorgkas een administratieve geldboete opleggen in de gevallen, vermeld in artikel 28/1, § 1, eerste lid, van het decreet van 18 mei 2018.
   In artikel 28/1, § 1, eerste lid, 2°, van het voormelde decreet wordt onder niet tijdig voorleggen van het boekhoudkundig verslag verstaan: het boekhoudkundig verslag buiten de termijn, vermeld in artikel 37, § 1, van dit besluit, voorleggen.
   In artikel 28/1, § 1, eerste lid, 1°, van het voormelde decreet wordt onder niet tijdig rapporteren verstaan: rapporteren buiten de volgende termijnen:
   1° voor de bestanden van de dossiers zorgbudget voor zwaar zorgbehoevenden bezorgen zorgkassen de gegevens aan het agentschap telkens uiterlijk op de vijftiende van de tweede maand na de referentiedatums, vermeld in hoofdstuk II, onderafdeling II, van de bijlage bij het ministerieel besluit van 2 december 2009 betreffende het verstrekken van de gegevens over de aansluitingen, de aanvragen tot tenlasteneming en de tenlastenemingen in het kader van de zorgverzekering;
   2° voor het bestand met de registraties van de mantelzorgers van de zorgbehoevenden in het kader van het zorgbudget voor zwaar zorgbehoevenden bezorgen de zorgkassen de gegevens telkens uiterlijk op de vijftiende van de tweede maand na de referentiedatum, vermeld in hoofdstuk IV, onderafdeling II, van de bijlage bij het ministerieel besluit van 2 december 2009 betreffende het verstrekken van de gegevens over de aansluitingen, de aanvragen tot tenlasteneming en de tenlastenemingen in het kader van de zorgverzekering.
   De minister kan de termijnen vermeld in het derde lid verlengen.
   § 2. De zorgkas wordt met een aangetekende brief uitgenodigd om de administratieve geldboete, vermeld in paragraaf 1, te betalen binnen twee maanden na de dag van de verzending van de aangetekende brief.
   § 3. De leidend ambtenaar kan, conform artikel 28/1, § 2, derde lid, van het decreet van 18 mei 2018, een lagere administratieve geldboete opleggen.
   Naast een administratieve geldboete opleggen kan de leidend ambtenaar uitstel van betaling verlenen, conform artikel 28/1, § 2, vierde lid, van het voormelde decreet.]1

  
Art. 42/1. [1 § 1er. Le fonctionnaire dirigeant peut infliger une amende administrative à une caisse d'assurance soins dans les cas visés à l'article 28/1, § 1er, alinéa 1er du décret du 18 mai 2018.
   Dans l'article 28/1, § 1er, alinéa 1er, 2°, du décret précité, la remise tardive du rapport comptable s'entend comme la remise du rapport comptable en dehors du délai prévu à l'article 37, § 1er du présent arrêté.
   Dans l'article 28/1, § 1er, alinéa 1er, 1°, du décret précité, la déclaration tardive s'entend comme la déclaration en dehors des délais suivants :
   1° pour les fichiers des dossiers de budget de soins pour personnes nécessitant des soins lourds, les caisses d'assurance soins fournissent les données à l'agence chaque fois pour le quinze du deuxième mois après les dates de référence visées au chapitre II, sous-section II de l'annexe à l'arrêté ministériel du 2 décembre 2009 relatif à la fourniture de données sur les affiliations, les demandes de prise en charge et les prises en charge dans le cadre de l'assurance soins ;
   2° pour le fichier d'enregistrement des intervenants de proximité des personnes nécessitant des soins dans le cadre du budget de soins pour personnes nécessitant des soins lourds, les caisses d'assurance soins fournissent les données chaque fois pour le quinze du deuxième mois après la date de référence visée au chapitre IV, sous-section II de l'annexe à l'arrêté ministériel du 2 décembre 2009 relatif à la fourniture de données sur les affiliations, les demandes de prise en charge et les prises en charge dans le cadre de l'assurance soins.
   Le ministre peut prolonger les délais visés à l'alinéa 3.
   § 2. La caisse d'assurance soins est invitée par lettre recommandée à payer l'amende administrative visée au paragraphe 1er dans les deux mois suivant la date d'envoi de la lettre recommandée.
   § 3. Conformément à l'article 28/1, § 2, alinéa 3 du décret du 18 mai 2018, le fonctionnaire dirigeant peut infliger une amende administrative inférieure.
   Outre l'infliction d'une amende administrative, le fonctionnaire dirigeant peut accorder un sursis de paiement conformément à l'article 28/1, § 2, alinéa 4 du décret précité.]1

  
Art. 42/2. [1 Als een zorgkas niet betaalt binnen de termijn, vermeld in artikel 42/1, § 2, wordt de administratieve geldboete bij dwangbevel ingevorderd. De leidend ambtenaar viseert het dwangbevel en verklaart het uitvoerbaar.
   De gegevens van de zorgkas waarbij de administratieve geldboete, verhoogd met de invorderingskosten, bij dwangbevel moet worden ingevorderd, worden bezorgd aan de Vlaamse Belastingdienst.]1

  
Art. 42/2. [1 Si la caisse d'assurance soins ne paie pas dans le délai visé à l'article 42/1, § 2, l'amende administrative est perçue au moyen d'une contrainte. Le fonctionnaire dirigeant vise la contrainte et la déclare exécutoire.
   Les données de la caisse d'assurance soins auprès de laquelle l'amende administrative, majorée des frais de recouvrement, doit être recouvrée sous contrainte sont transmises au Service flamand des impôts.]1

  
Titel 3. - De Zorgkassencommissie
Titre 3. - La Commission des caisses d'assurance soins
Art. 43. De leden van de Zorgkassencommissie, opgericht conform artikel 33 van het decreet van 18 mei 2018, worden opgenomen in een lijst die door de zorgkassen aan het agentschap bezorgd wordt. Elke wijziging aan die lijst wordt binnen de 10 werkdagen aan het agentschap meegedeeld.
  [1 De minister bepaalt welke persoonsgegevens van de leden van de Zorgkassencommissie het agentschap verwerkt voor de aansturing van de leden van de Zorgkassencommissie bij de uitvoering van de taken van de Zorgkassencommissie, als vermeld in het decreet van 18 mei 2018 en dit besluit. Het gaat om identificatiegegevens en contactgegevens van de personen in kwestie. Deze persoonsgegevens worden door het agentschap bewaard tot maximaal één jaar na het eindigen van het lidmaatschap van de betrokkene bij de Zorgkassencommissie.]1
  Het agentschap kan aan de leden van de Zorgkassencommissie een jaarlijkse vorming opleggen, die erkend is door het agentschap.
  
Art. 43. Les membres de la Commission des caisses d'assurance soins créée conformément à l'article 33 du décret du 18 mai 2018 sont repris sur une liste qui est transmise par les caisses d'assurance soins à l'agence. Toute modification de cette liste est communiquée à l'agence dans les 10 jours ouvrables.
  [1 Le ministre détermine les données à caractère personnel des membres de la Commission des caisses d'assurance soins que traite l'agence pour guider les membres de la Commission des caisses d'assurance soins dans l'exécution des tâches de la Commission des caisses d'assurance soins, au sens du décret du 18 mai 2018 et du présent arrêté. Il s'agit des données d'identification et des coordonnées des personnes en question. L'agence conserve ces données à caractère personnel jusqu'à un an maximum après la fin de l'affiliation de l'intéressé à la Commission des caisses d'assurance soins.]1
  L'agence peut imposer aux membres de la Commission des caisses d'assurance soins une formation annuelle agréée par l'agence.
  
Art. 44. § 1. De leden van de Zorgkassencommissie worden ingedeeld in verschillende teams.
  Per Vlaamse provincie wordt er minstens één team aangeduid voor het uitvoeren van de taken, vermeld in artikel 260, 391 en 397, en in artikel 512 tot en met 519. In het team worden minstens de volgende deskundigen opgenomen:
  1° artsen;
  2° verpleegkundigen;
  3° ergotherapeuten of kinesitherapeuten.
  [3 controle van de revalidatievoorzieningen en de initiatieven beschut wonen conform artikel 24 en 25 van het decreet van 6 juli 2018 betreffende de overname van de sectoren psychiatrische verzorgingstehuizen, initiatieven van beschut wonen, revalidatieovereenkomsten, revalidatieziekenhuizen en multidisciplinaire begeleidingsequipes voor palliatieve verzorging en de controle van de revalidatieziekenhuizen, de revalidatievoorzieningen en de psychiatrische verzorgingstehuizen" vervangen door de zinsnede "de controle van de revalidatieziekenhuizen, de revalidatievoorzieningen, de psychiatrische verzorgingstehuizen, de initiatieven van beschut wonen en de rolstoeladviesteams en gespecialiseerde rolstoeladviesteams]3
  [1 Voor de uitvoering van de indicatiestellingen, vermeld in artikel 146, eerste en tweede lid, wordt een team aangeduid, dat bestaat uit deskundigen, vermeld in artikel 35, § 1, tweede lid, van het decreet van 18 mei 2018.]1
  § 2. Het is verboden voor de leden van de Zorgkassencommissie om in dienst te zijn van een zorgvoorziening, om op te treden in de hoedanigheid van verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen of om mandaten te vervullen binnen een zorgvoorziening of binnen een rechtspersoon die mobiliteitshulpmiddelen vervaardigt of levert.
  Een lid van de Zorgkassencommissie onthoudt zich bij elke adviesverstrekking over een controle als het een persoonlijk belang heeft bij het voorwerp van de controle of de beslissing, als het verwant is met de zorgbehoevende of als het rechtstreeks of onrechtstreeks bevoegd is voor de beslissing die het voorwerp vormt van de controle.
  
Art. 44. § 1er. Les membres de la Commission des caisses d'assurance soins sont répartis en plusieurs équipes.
  Par province flamande, au moins une équipe est désignée pour exécuter les tâches visées aux articles 260, 391 et 397 et aux articles 512 à 519. L'équipe comprend au moins les experts suivants :
  1° des médecins ;
  2° des infirmiers ;
  3° des ergothérapeutes ou des kinésithérapeutes.
   [2 Pour l'exécution du[3 contrôle des hôpitaux de revalidation, des structures de revalidation, des maisons de soins psychiatriques, des initiatives d'habitation protégée et des équipes d'avis et équipes d'avis spécialisées en matière de voiturette]3 conformément à l'article 34 du décret du 18 mai 2018, et des tâches de la Commission des caisses d'assurance soins dans le cadre de la subrogation, figurant à l'article 121, alinéa 2, deux équipes sont désignées sur l'ensemble des provinces flamandes]2. L'équipe comprend au moins les experts suivants :1° des médecins ;2° des logopèdes ;3° des ergothérapeutes ou des kinésithérapeutes ;4° des psychologues.
  [1 Pour la réalisation des indications visées à l'article 146, alinéas 1er et 2, une équipe est désignée, comprenant des experts, visés à l'article 35, § 1er, alinéa 2, du décret du 18 mai 2018.]1
  § 2. Il est interdit aux membres de la Commission des caisses d'assurance soins d'être employés par une structure de soins, d'agir en qualité de fournisseur d'aides à la mobilité ou d'assumer des mandats au sein d'une structure de soins ou d'une personne morale qui fabrique ou fournit des aides à la mobilité.
  Un membre de la Commission des caisses d'assurance soins s'abstient de formuler tout avis au sujet d'un contrôle s'il a un intérêt personnel à l'objet du contrôle ou à la décision, s'il est parent avec la personne dépendante ou s'il est directement ou indirectement compétent pour la décision qui fait l'objet du contrôle.
  
Art. 45. De Zorgkassencommissie regelt haar werking in een huishoudelijk reglement, dat ter goedkeuring moet worden voorgelegd aan de minister. Het huishoudelijk reglement wordt opgenomen op de website van het agentschap.
  Bij het agentschap wordt een secretariaat ingesteld dat instaat voor de administratieve ondersteuning en aansturing van de Zorgkassencommissie conform artikel 36 van het decreet van 18 mei 2018.
  Het agentschap bezorgt de Zorgkassencommissie een lijst van te controleren zorgvoorzieningen en aanvragen mobiliteitshulpmiddelen conform artikel 260, 391, 397 en artikel 512 tot en met 519.
Art. 45. La Commission des caisses d'assurance soins règle son fonctionnement dans un règlement d'ordre intérieur qui doit être soumis à l'approbation du ministre. Le règlement d'ordre intérieur est repris sur le site web de l'agence.
  Il est institué auprès de l'agence un secrétariat qui se charge du soutien administratif et de la gestion de la Commission des caisses d'assurance soins conformément à l'article 36 du décret du 18 mai 2018.
  L'agence transmet à la Commission des caisses d'assurance soins une liste des structures de soins à contrôler et des demandes d'aides à la mobilité conformément aux articles 260, 391 et 397 et aux articles 512 à 519.
Titel 4. - De sectorale adviescommissies
Titre 4. - Les commissions consultatives sectorielles
Art. 46. § 1. Er worden sectorale adviescommissies opgericht in de volgende sectoren:
  1° de residentiële ouderenzorg, bestaande uit een aantal vertegenwoordigers van de betrokken zorgvoorzieningen, te bepalen door de minister, een vertegenwoordiger van de gebruikersorganisaties en een vertegenwoordiger van de uitvoeringsorganisaties;
  2° de geestelijke gezondheidszorg, met inbegrip van de revalidatie die voornamelijk gericht is op de psychosociale aspecten, bestaande uit een aantal vertegenwoordigers van de betrokken zorgvoorzieningen, te bepalen door de minister, een vertegenwoordiger van de gebruikersorganisaties, een vertegenwoordiger van de mantelzorgorganisties in het kader van de geestelijke gezondheidszorg en een vertegenwoordiger van de uitvoeringsorganisaties;
  3° de revalidatie die voornamelijk gericht is op het herstel van de fysieke functies, bestaande uit een aantal vertegenwoordigers van de betrokken zorgvoorzieningen, te bepalen door de minister, een vertegenwoordiger van de gebruikersorganisaties en een vertegenwoordiger van de uitvoeringsorganisaties;
  4° de thuiszorg, bestaande uit een aantal vertegenwoordigers van de betrokken zorgvoorzieningen, te bepalen door de minister, een vertegenwoordiger van de gebruikersorganisaties en een vertegenwoordiger van het agentschap.
  De sectorale adviescommissies worden samengesteld door de [1 leidend ambtenaar van het agentschap]1. De leden van de sectorale adviescommissies worden benoemd voor een hernieuwbare termijn van vijf jaar.
  De minister kan bij de sectorale adviescommissies kamers instellen.
  § 2. Het lidmaatschap van een sectorale adviescommissie is niet verenigbaar met de uitoefening van een bovenlokaal politiek mandaat.
  § 3. Het voorzitterschap van de sectorale adviescommissies, of in voorkomend geval van de kamers, wordt waargenomen door een personeelslid van het agentschap.
  Het secretariaat van de sectorale adviescommissies wordt waargenomen door personeelsleden die ter beschikking gesteld worden door het agentschap.
  § 4. Voor alle leden en voorzitters van de sectorale adviescommissies zijn er plaatsvervangers.
  § 5. De sectorale adviescommissies regelen hun werking in een huishoudelijk reglement.
  
Art. 46. § 1er. Des commissions consultatives sectorielles sont créées dans les secteurs suivants :
  1° les soins résidentiels aux personnes âgées, comprenant un certain nombre de représentants des structures de soins concernées, à déterminer par le ministre, un représentant des organisations d'usagers et un représentant des organisations d'exécution ;
  2° les soins de santé mentale, y compris la revalidation essentiellement axée sur les aspects psychosociaux, comprenant un certain nombre de représentants des structures de soins concernées, à déterminer par le ministre, un représentant des organisations d'usagers, un représentant des organisations d'intervenants de proximité dans le cadre des soins de santé mentale et un représentant des organisations d'exécution ;
  3° la revalidation essentiellement axée sur le rétablissement de fonctions physiques, comprenant un certain nombre de représentants des structures de soins concernées, à déterminer par le ministre, un représentant des organisations d'usagers et un représentant des organisations d'exécution ;
  4° l'aide à domicile, comprenant un certain nombre de représentants des structures de soins concernées, à déterminer par le ministre, un représentant des organisations d'usagers et un représentant de l'agence.
  Les commissions consultatives sectorielles sont composées par le [1 fonctionnaire dirigeant de l'agence]1. Les membres des commissions consultatives sectorielles sont nommés pour un terme de cinq ans, renouvelable.
  Le ministre peut instituer des chambres auprès des commissions consultatives sectorielles.
  § 2. La qualité de membre d'une commission consultative sectorielle n'est pas compatible avec l'exercice d'un mandat politique supralocal.
  § 3. La présidence des commissions consultatives sectorielles ou, le cas échéant, des chambres est assurée par un membre du personnel de l'agence.
  Le secrétariat des commissions consultatives sectorielles est assuré par des membres du personnel mis à disposition par l'agence.
  § 4. Des suppléants sont désignés pour tous les membres et présidents des commissions consultatives.
  § 5. Les commissions consultatives sectorielles règlent leur fonctionnement dans un règlement d'ordre intérieur.
  
Art. 47. Met behoud van de toepassing van specifieke opdrachten waarmee de sectorale adviescommissies zijn belast, brengen ze advies uit op eigen initiatief of op verzoek van de minister. Bij de adviesverlening wordt gestreefd naar consensus.
  De adviezen van de sectorale adviescommissies van strategisch belang worden ook bezorgd aan de bevoegde raadgevende comités en aan de Vlaamse Raad Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.
Art. 47. Sous réserve de l'application de missions spécifiques dont sont chargées commissions consultatives sectorielles, elles émettent des avis d'initiative ou à la demande du ministre. Dans les avis rendus, on s'efforce de parvenir à un consensus.
  Les avis des commissions consultatives sectorielles d'importance stratégique sont également transmis aux comités consultatifs compétences et au Conseil flamand pour l'Aide sociale, la Santé publique et la Famille.
Titel 5. - De Expertencommissie gespecialiseerde zorg
Titre 5. - La Commission d'experts des soins spécialisés
Art. 48. § 1. De Expertencommissie is een interdisciplinaire commissie, minstens samengesteld uit drie artsen, twee psychologen, een kinesitherapeut en een logopedist. Zij moeten deskundigheid kunnen aantonen met betrekking tot de gespecialiseerde zorg.
  De minister kan, op advies van het agentschap, bepalen welke bijkomende expertises worden toegevoegd aan de samenstelling van de Expertencommissie, in functie van de deelopdracht in kwestie.
  De minister kan bij de Expertencommissie kamers instellen.
  Het voorzitterschap van de Expertencommissie, of in voorkomend geval van de kamers, wordt waargenomen door een personeelslid van het agentschap.
  Voor elk lid van de Expertencommissie en voor de voorzitter is er een plaatsvervanger.
  Het secretariaat van de Expertencommissie wordt waargenomen door personeelsleden die ter beschikking gesteld worden door het agentschap. Ze hebben geen stemrecht.
  § 2. De [1 leidend ambtenaar van het agentschap]1 benoemt de leden, de voorzitter en de plaatsvervangers van de Expertencommissie voor een hernieuwbare termijn van vijf jaar.
  
Art. 48. § 1er. La Commission d'experts est une commission interdisciplinaire, composée au moins de trois médecins, de deux psychologues, d'un kinésithérapeute et d'un logopède. Ils doivent pouvoir attester de leur compétence en matière de soins spécialisés.
  Sur avis de l'agence, le ministre peut déterminer quelles expertises supplémentaires sont adjointes à la composition de la Commission d'experts en fonction de la mission partielle concernée.
  Le ministre peut instituer des chambres auprès de la Commission d'experts.
  La présidence de la Commission d'experts ou, le cas échéant, des chambres est assurée par un membre du personnel de l'agence.
  Un suppléant est désigné pour chaque membre de la Commission d'experts et pour le président.
  Le secrétariat de la Commission d'experts est assuré par des membres du personnel mis à disposition par l'agence. Ils ne disposent pas du droit de vote.
  § 2. Le [1 fonctionnaire dirigeant de l'agence]1 nomme les membres, le président et les suppléants de la Commission d'experts pour un terme de cinq ans, renouvelable.
  
Art. 49. De Expertencommissie regelt haar werking in een door de minister goed te keuren huishoudelijk reglement.
Art. 49. La Commission d'experts règle son fonctionnement dans un règlement d'ordre intérieur à approuver par le ministre.
Art. 50. De Expertencommissie, of in voorkomend geval een kamer van de Expertencommissie, kan in individuele dossiers alleen een geldig advies uitbrengen als ten minste drie leden, of hun plaatsvervangers, aanwezig zijn. De Expertencommissie beslist bij gewone meerderheid. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter of zijn plaatsvervanger doorslaggevend.
Art. 50. La Commission d'experts ou, le cas échéant, une chambre de la Commission d'experts ne peut émettre un avis valable dans des dossiers individuels que lorsqu'au moins trois membres, ou leurs suppléants, sont présents. La Commission d'experts décide à la majorité simple. En cas de parité, la voix du président ou de son suppléant est prépondérante.
Art. 51. Met behoud van de toepassing van artikel 39, § 1, derde lid, van het decreet van 18 mei 2018, moet het lid dat een persoonlijk belang heeft bij het voorwerp van het advies of verwant is met de zorgbehoevende zich terugtrekken bij de bespreking en zich onthouden bij het advies.
  Het lidmaatschap van de Expertencommissie is niet verenigbaar met de uitoefening van een bovenlokaal politiek mandaat.
  In het huishoudelijk reglement van de Expertencommissie kunnen bijkomende regels worden vastgelegd over onverenigbaarheden.
Art. 51. Sous réserve de l'application de l'article 39, § 1er, alinéa 3, du décret du 18 mai 2018, le membre qui a un intérêt personnel à l'objet de l'avis ou qui est parent avec la personne dépendante doit se retirer de la discussion et s'abstenir d'avis.
  La qualité de membre de la Commission d'experts n'est pas compatible avec l'exercice d'un mandat politique supralocal.
  Le règlement d'ordre intérieur de la Commission d'experts peut arrêter des règles supplémentaires au sujet des incompatibilités.
Art. 52. § 1. De leden van de Expertencommissie en hun plaatsvervangers ontvangen voor hun werkzaamheden een presentiegeld per vergadering van de Expertencommissie waaraan ze deelnemen.
  Het presentiegeld per vergadering wordt door de minister vastgesteld. De minister kan een maximum aantal vergaderingen per jaar bepalen waarvoor een presentiegeld wordt toegekend en kan bepalen dat twee of meer vergaderingen van de Expertencommissie of van een kamer op dezelfde dag gelden als een vergadering.
  § 2. De minister kan bepalen dat de leden van de Expertencommissie en hun plaatsvervangers een vergoeding ontvangen voor de reiskosten die zijn verbonden aan de deelname aan de vergaderingen en legt de vergoeding in voorkomend geval vast.
  [1 § 3. De minister bepaalt welke persoonsgegevens van de leden van de Expertencommissie het agentschap verwerkt voor de uitbetaling van de presentiegelden en de vergoedingen, vermeld in paragraaf 1 en paragraaf 2. Het gaat om contactgegevens, identificatiegegevens, met inbegrip van het INSZ-nummer, en het rekeningnummer van de personen in kwestie. Deze persoonsgegevens worden door het agentschap bewaard tot maximaal één jaar na het eindigen van het lidmaatschap van de betrokkene bij de Expertencommissie.]1
  
Art. 52. § 1er. Les membres de la Commission d'experts et leurs suppléants reçoivent pour leurs travaux un jeton de présence par réunion de la Commission d'experts à laquelle ils assistent.
  Le jeton de présence par réunion est fixé par le ministre. Le ministre peut fixer un nombre maximum de réunions par an pour lesquelles un jeton de présence est alloué et peut décider que deux réunions ou plus de la Commission d'experts ou d'une chambre au cours d'une même journée sont considérées comme une seule réunion.
  § 2. Le ministre peut décider que les membres de la Commission d'experts et leurs suppléants reçoivent une indemnité pour les frais de déplacement liés à leur participation aux réunions et fixe, le cas échéant, l'indemnité.
  [1 § 3. Le ministre détermine les données à caractère personnel des membres de la Commission d'experts que traite l'agence pour le paiement des jetons de présence et des indemnités visés aux paragraphes 1er et 2. Il s'agit des coordonnées, des données d'identification, y compris le numéro NISS, et du numéro de compte des personnes en question. L'agence conserve ces données à caractère personnel jusqu'à un an maximum après la fin de l'affiliation de l'intéressé à la Commission d'experts.]1
  
Titel 6. Het raadgevend comité
Titre 6. - Le comité consultatif
Art. 53. De vertegenwoordigers, de onafhankelijke deskundigen en de plaatsvervangers van het raadgevend comité van het agentschap worden benoemd door de minister voor een hernieuwbare termijn van vijf jaar.
Art. 53. Les représentants, les experts indépendants et les suppléants du comité consultatif de l'agence sont nommés par le ministre pour un terme de cinq ans, renouvelable.
Deel 3. - Het lidmaatschap van de Vlaamse sociale bescherming
Partie 3. - Affiliation à la protection sociale flamande
Titel 1. - Aansluiting
Titre 1er. - Affiliation
HOOFDSTUK 1. - Algemeen
Chapitre 1er. -. Généralités
Art. 54. Een persoon als vermeld in artikel 42, § 2, tweede lid of vierde lid, van het decreet van 18 mei 2018, heeft gebruikgemaakt van zijn recht op vrij verkeer van werknemers of van de vrijheid van vestiging als hij aan een van de volgende voorwaarden voldoet:
  1° onmiddellijk voor zijn tewerkstelling in het Nederlandse taalgebied of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad gewerkt hebben in een andere EU-lidstaat, EER-lidstaat of in Zwitserland;
  2° onmiddellijk voor zijn tewerkstelling in het Nederlandse taalgebied of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad gewoond hebben in een andere EU-lidstaat, EER-lidstaat of in Zwitserland;
  3° tijdens zijn tewerkstelling in het Nederlandse taalgebied of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad verhuisd zijn van een andere EU-lidstaat, EER-lidstaat of van Zwitserland.
Art. 54. Une personne telle que visée à l'article 42, § 2, alinéa 2 ou alinéa 4, du décret du 18 mai 2018 a exercé son droit à la libre circulation des travailleurs ou à la liberté d'établissement si elle remplit une des conditions suivantes :
  1° avoir travaillé, immédiatement avant son emploi en région de langue néerlandaise ou en région bilingue de Bruxelles-Capitale, dans un autre Etat membre de l'UE, de l'EEE ou en Suisse ;
  2° avoir habité, immédiatement avant son emploi en région de langue néerlandaise ou en région bilingue de Bruxelles-Capitale, dans un autre Etat membre de l'UE, de l'EEE ou en Suisse ;
  3° avoir déménagé, pendant son emploi en région de langue néerlandaise ou en région bilingue de Bruxelles-Capitale, d'un autre Etat membre de l'UE, de l'EEE ou de la Suisse.
Art. 55. De minister kan de nadere regels bepalen voor de verplichte aansluiting, de vrijwillige aansluiting en de administratieve aansluiting.
Art. 55. Le ministre peut déterminer les modalités de l'affiliation obligatoire, de l'affiliation volontaire et de l'affiliation administrative.
HOOFDSTUK 2. - Aansluitingsplicht
Chapitre 2. - Obligation d'affiliation
Art. 56. § 1. Elke persoon, vermeld in artikel 42, § 1, eerste lid, van het decreet van 18 mei 2018, sluit zich vanaf het jaar waarin hij de leeftijd van 26 jaar bereikt, aan bij een zorgkas van zijn keuze. Als die persoon zich niet aansluit vóór 1 juli van het jaar waarin hij de leeftijd van 26 jaar bereikt, wordt hij automatisch aangesloten bij de Vlaamse Zorgkas met ingang van 1 januari van het jaar waarop hij zich had moeten aansluiten.
  De eerste en tweede premie kunnen worden betaald tot en met 31 december van het jaar na het jaar waarin de persoon de leeftijd van 26 jaar bereikt, zonder dat de jaren in aanmerking genomen worden voor de administratieve geldboete, vermeld in artikel 47 van het decreet van 18 mei 2018. De minister kan de nadere voorwaarden voor de betaling van de eerste en tweede premie bepalen.
  § 2. Elke persoon die in het Nederlandse taalgebied komt wonen en minstens de leeftijd van 26 jaar heeft bereikt, sluit zich aan bij een zorgkas van zijn keuze. De aansluiting is verplicht met ingang van 1 januari van het jaar waarin die persoon in het Nederlandse taalgebied komt wonen. Als die persoon zich niet aansluit bij een zorgkas van zijn keuze binnen zes maanden nadat hij in het Nederlandse taalgebied is komen wonen, wordt hij automatisch aangesloten bij de Vlaamse Zorgkas met ingang van 1 januari van het jaar waarin hij zich had moeten aansluiten.
  De personen die in de eerste jaarhelft van een kalenderjaar in het Nederlandse taalgebied komen wonen, kunnen de eerste en tweede premie betalen tot en met 31 december van het jaar na het jaar waarin ze er zijn komen wonen zonder dat de jaren in aanmerking genomen worden voor de administratieve geldboete, vermeld in artikel 47 van het decreet van 18 mei 2018. De minister kan de nadere voorwaarden voor de betaling van de eerste en tweede premie bepalen.
  De personen die in de tweede jaarhelft van een kalenderjaar in het Nederlandse taalgebied komen wonen, kunnen de eerste, tweede en derde premie betalen tot en met 31 december van het tweede jaar na het jaar waarin ze er zijn komen wonen zonder dat de jaren in aanmerking genomen worden voor de administratieve geldboete, vermeld in artikel 47 van het decreet van 18 mei 2018. De minister kan de nadere voorwaarden voor de betaling van de eerste, de tweede en derde premie bepalen.
  § 3. Elke persoon, vermeld in artikel 42, § 2, eerste en tweede lid, van het decreet van 18 mei 2018, die minstens de leeftijd van 26 jaar heeft bereikt, sluit zich aan bij een zorgkas van zijn keuze.
  De personen, vermeld in het eerste lid, kunnen de premies betalen tot en met 31 december van het tweede jaar na de datum waarop het agentschap het bestand heeft ontvangen van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, waarin die personen voor het eerst opgenomen zijn, zonder dat de jaren in aanmerking genomen worden voor de administratieve geldboete, vermeld in artikel 47 van het decreet van 18 mei 2018.
  De minister bepaalt de nadere regels voor de termijn van aansluiting, het begrip tewerkstelling en het bewijs van de hoedanigheid van Belgische sociaal verzekerde.
Art. 56. § 1er. Toute personne visée à l'article 42, § 1er, alinéa 1er, du décret du 18 mai 2018 doit s'affilier à une caisse d'assurance soins de son choix à partir de l'année au cours de laquelle elle atteint l'âge de 26 ans. Si cette personne ne s'affilie pas avant le 1er juillet de l'année au cours de laquelle elle atteint l'âge de 26 ans, elle est affiliée d'office à la Caisse flamande d'Assurance Soins à partir du 1er janvier de l'année au cours de laquelle elle aurait dû s'affilier.
  Les première et deuxième primes peuvent être payées jusqu'au 31 décembre de l'année suivant celle au cours de laquelle la personne a atteint l'âge de 26 ans, sans que les années entrent en ligne de compte pour l'amende administrative visée à l'article 47 du décret du 18 mai 2018. Le ministre peut fixer les modalités de paiement des première et deuxième primes.
  § 2. Toute personne qui s'installe dans la région de langue néerlandaise et qui a atteint l'âge de 26 ans au moins s'affilie à une caisse d'assurance soins de son choix. L'affiliation est obligatoire à partir du 1er janvier de l'année au cours de laquelle cette personne s'installe dans la région de langue néerlandaise. Si cette personne ne s'affilie pas à une caisse d'assurance soins de son choix dans les six mois de son installation en région de langue néerlandaise, elle est affiliée d'office à la Caisse flamande d'Assurance Soins à partir du 1er janvier de l'année au cours de laquelle elle aurait dû s'affilier.
  Les personnes qui s'installent dans la région de langue néerlandaise au cours du premier semestre d'une année calendrier peuvent payer les première et deuxième primes jusqu'au 31 décembre de l'année suivant celle au cours de laquelle elles s'y sont installées, sans que les années entrent en ligne de compte pour l'amende administrative visée à l'article 47 du décret du 18 mai 2018. Le ministre peut fixer les modalités de paiement des première et deuxième primes.
  Les personnes qui s'installent dans la région de langue néerlandaise au cours du second semestre d'une année calendrier peuvent payer les première, deuxième et troisième primes jusqu'au 31 décembre de la deuxième année suivant celle au cours de laquelle elles s'y sont installées, sans que les années entrent en ligne de compte pour l'amende administrative visée à l'article 47 du décret du 18 mai 2018. Le ministre peut fixer les modalités de paiement des première, deuxième et troisième primes.
  § 3. Toute personne, visée à l'article 42, § 2, alinéas 1er et 2, du décret du 18 mai 2018, qui a atteint l'âge de 26 ans au moins s'affilie à une caisse d'assurance soins de son choix.
  Les personnes visées à l'alinéa 1er peuvent payer les primes jusqu'au 31 décembre de la deuxième année suivant la date à laquelle l'agence a reçu de la Banque-Carrefour de la Sécurité sociale le fichier dans lequel ces personnes ont été reprises pour la première fois, sans que les années entrent en ligne de compte pour l'amende administrative visée à l'article 47 du décret du 18 mai 2018.
  Le ministre fixe les modalités du délai d'affiliation, la notion d'emploi et la preuve de la qualité d'assuré social belge.
HOOFDSTUK 3. - Vrijwillige aansluiting
Chapitre 3. - Affiliation volontaire
Art. 57. § 1. Elke persoon, vermeld in artikel 42, § 1, tweede lid, van het decreet van 18 mei 2018, kan zich met ingang van 1 januari van het jaar waarin hij de leeftijd van 26 jaar bereikt, aansluiten bij een zorgkas van zijn keuze.
  De eerste en tweede premie kunnen worden betaald tot en met 31 december van het jaar na het jaar waarin de persoon 26 jaar is geworden. De minister kan de nadere voorwaarden voor de betaling van de eerste en tweede premie bepalen.
  § 2. Elke persoon die in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad komt wonen en minstens de leeftijd van 26 jaar heeft bereikt, kan zich aansluiten bij een zorgkas van zijn keuze. De aansluiting is mogelijk met ingang van 1 januari van het jaar waarin die persoon in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad komt wonen.
  De personen die in de eerste jaarhelft van een kalenderjaar in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad komen wonen, kunnen de eerste en tweede premie betalen tot en met 31 december van het jaar na het jaar waarin zij er zijn komen wonen. De minister kan de nadere voorwaarden voor de betaling van de eerste en tweede premie bepalen.
  De personen die in de tweede jaarhelft van een kalenderjaar in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad komen wonen, kunnen de eerste, tweede en derde premie betalen tot en met 31 december van het tweede jaar na het jaar waarin ze er zijn komen wonen. De minister kan de nadere voorwaarden bepalen voor de betaling van de eerste, de tweede en de derde premie.
  § 3. Elke persoon, vermeld in artikel 42, § 2, derde en vierde lid van het decreet van 18 mei 2018, die minstens de leeftijd van 26 jaar heeft bereikt, kan zich aansluiten bij een zorgkas van zijn keuze.
  De personen, vermeld in het eerste lid, kunnen de premies betalen tot en met 31 december van het tweede jaar na de datum waarop het agentschap het bestand heeft ontvangen van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, waarin die personen voor het eerst opgenomen zijn.
  De minister bepaalt de nadere regels voor de aansluiting, het begrip tewerkstelling, en het bewijs van de hoedanigheid van Belgische sociaal verzekerde.
  § 4. Paragraaf 3 is van toepassing op Belgische militairen, of gepensioneerde Belgische militairen die wegens een buitenlandse missie in een andere EU- of EER-lidstaat of in Zwitserland verblijven.
  In het eerste lid wordt verstaan onder Belgische militair: een militair die betaald wordt door het Belgische Ministerie van Defensie, en zijn personen ten laste.
  § 5. Elke persoon, vermeld in paragraaf 1 tot en met 4, die zich buiten de periodes, vermeld in paragraaf 1 tot en met 4, aansluit, is te laat aangesloten. De te late aansluiting gaat in op 1 januari van het jaar waarin de eerste premie betaald is. In dat geval is de termijn van ononderbroken aansluiting, vermeld in artikel 41, § 1, tweede en derde lid, van het decreet van 18 mei 2018, van toepassing.
Art. 57. § 1er. Toute personne visée à l'article 42, § 1er, alinéa 2, du décret du 18 mai 2018 peut s'affilier à une caisse d'assurance soins de son choix à partir du 1er janvier de l'année au cours de laquelle elle atteint l'âge de 26 ans.
  Elle peut payer les première et deuxième primes jusqu'au 31 décembre de l'année suivant celle de son vingt-sixième anniversaire. Le ministre peut fixer les modalités de paiement des première et deuxième primes.
  § 2. Toute personne qui s'installe dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale et qui a atteint l'âge de 26 ans au moins peut s'affilier à une caisse d'assurance soins de son choix. L'affiliation est possible à partir du 1er janvier de l'année au cours de laquelle cette personne s'installe dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale.
  Les personnes qui s'installent dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale au cours du premier semestre d'une année calendrier peuvent payer les première et deuxième primes jusqu'au 31 décembre de l'année suivant celle au cours de laquelle elles s'y sont installées. Le ministre peut fixer les modalités de paiement des première et deuxième primes.
  Les personnes qui s'installent dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale au cours du second semestre d'une année calendrier peuvent payer les première, deuxième et troisième primes jusqu'au 31 décembre de la deuxième année suivant celle au cours de laquelle elles s'y sont installées. Le ministre peut fixer les modalités de paiement des première, deuxième et troisième primes.
  § 3. Toute personne, visée à l'article 42, § 2, alinéas 3 et 4, du décret du 18 mai 2018, qui a atteint l'âge de 26 ans au moins s'affilie à une caisse d'assurance soins de son choix.
  Les personnes visées à l'alinéa 1er peuvent payer les primes jusqu'au 31 décembre de la deuxième année suivant la date à laquelle l'agence a reçu de la Banque-Carrefour de la Sécurité sociale le fichier dans lequel ces personnes ont été reprises pour la première fois.
  Le ministre fixe les modalités de l'affiliation, la notion d'emploi et la preuve de la qualité d'assuré social belge.
  § 4. Le paragraphe 3 s'applique aux militaires belges ou aux militaires belges retraités résidant dans un autre Etat membre de l'UE ou de l'EEE ou en Suisse en raison d'une mission à l'étranger.
  A l'alinéa 1er, un militaire belge s'entend du militaire rémunéré par le Ministère belge de la Défense et les personnes à sa charge.
  § 5. Toute personne visée aux paragraphes 1er à 4 qui s'affilie en dehors des périodes visées aux paragraphes 1er à 4 est affiliée tardivement. L'affiliation tardive prend cours au 1er janvier de l'année du paiement de la première prime. Dans ce cas, la durée d'affiliation ininterrompue, visée à l'article 41, § 1er, alinéas 2 et 3, du décret du 18 mai 2018, s'applique.
Art. 58. § 1. Elke persoon, vermeld in artikel 42, § 1, derde lid, van het decreet van 18 mei 2018, kan zich met ingang van het jaar waarin hij de leeftijd van 26 jaar bereikt, aansluiten bij een zorgkas van zijn keuze.
  De eerste en tweede premie kunnen worden betaald tot en met 31 december van het jaar na het jaar waarin de persoon 26 jaar is geworden. De minister kan de nadere voorwaarden voor de betaling van de eerste en de tweede premie bepalen.
  § 2. Elke persoon die in het Nederlandse taalgebied of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad komt wonen en die bijgevolg kan worden beschouwd als een persoon, vermeld in artikel 42, § 1, derde lid, van het decreet van 18 mei 2018, kan zich aansluiten bij een zorgkas van zijn keuze als hij minstens de leeftijd van 26 jaar heeft bereikt. De aansluiting is mogelijk met ingang van 1 januari van het jaar waarin die persoon in het Nederlandse taalgebied of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad komt wonen.
  De personen die in de eerste jaarhelft van een kalenderjaar in het Nederlandse taalgebied of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad komen wonen, kunnen de eerste en tweede premie betalen tot en met 31 december van het jaar na het jaar waarin ze er zijn komen wonen. De minister kan de nadere voorwaarden voor de betaling van de eerste en tweede premie bepalen.
  De personen die in de tweede jaarhelft van een kalenderjaar in het Nederlandse taalgebied of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad komen wonen, kunnen de eerste, tweede en derde premie betalen tot en met 31 december van het tweede jaar na het jaar waarin ze er zijn komen wonen. De minister kan de nadere voorwaarden bepalen voor de betaling van de eerste, de tweede en de derde premie.
  § 3. Elke persoon, vermeld in paragraaf 1 en 2, die zich buiten de periodes, vermeld in paragraaf 1 en 2, aansluit, is te laat aangesloten. De te late aansluiting gaat in op 1 januari van het jaar waarin de eerste premie is betaald. In dat geval is de termijn van ononderbroken aansluiting, vermeld in artikel 41, § 1, tweede en derde lid, van het decreet van 18 mei 2018, van toepassing.
  § 4. Paragraaf 1 tot en met 3 is ook van toepassing op studenten die afkomstig zijn uit een andere lidstaat van de EU of de EER dan België, of uit Zwitserland, als ze niet Belgisch sociaal verzekerd zijn.
Art. 58. § 1er. Toute personne visée à l'article 42, § 1er, alinéa 3, du décret du 18 mai 2018 peut s'affilier à une caisse d'assurance soins de son choix à partir de l'année au cours de laquelle elle atteint l'âge de 26 ans.
  Elle peut payer les première et deuxième primes jusqu'au 31 décembre de l'année suivant celle de son vingt-sixième anniversaire. Le ministre peut fixer les modalités de paiement des première et deuxième primes.
  § 2. Toute personne qui s'installe dans la région de langue néerlandaise ou dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale et qui, par conséquent, peut être considérée comme une personne visée à l'article 42, § 1er, alinéa 3, du décret du 18 mai 2018 peut s'affilier à une caisse d'assurance soins de son choix si elle a atteint l'âge de 26 ans au moins. L'affiliation est possible à partir du 1er janvier de l'année au cours de laquelle cette personne s'installe dans la région de langue néerlandaise ou dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale.
  Les personnes qui s'installent dans la région de langue néerlandaise ou dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale au cours du premier semestre d'une année calendrier peuvent payer les première et deuxième primes jusqu'au 31 décembre de l'année suivant celle au cours de laquelle elles s'y sont installées. Le ministre peut fixer les modalités de paiement des première et deuxième primes.
  Les personnes qui s'installent dans la région de langue néerlandaise ou dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale au cours du second semestre d'une année calendrier peuvent payer les première, deuxième et troisième primes jusqu'au 31 décembre de la deuxième année suivant celle au cours de laquelle elles s'y sont installées. Le ministre peut fixer les modalités de paiement des première, deuxième et troisième primes.
  § 3. Toute personne visée aux paragraphes 1er et 2 qui s'affilie en dehors des périodes visées aux paragraphes 1er et 2 est affiliée tardivement. L'affiliation tardive prend cours au 1er janvier de l'année du paiement de la première prime. Dans ce cas, la durée d'affiliation ininterrompue, visée à l'article 41, § 1er, alinéas 2 et 3, du décret du 18 mai 2018, s'applique.
  § 4. Les paragraphes 1er à 3 s'appliquent également aux étudiants provenant d'un Etat membre de l'UE ou de l'EEE autre que la Belgique ou de la Suisse, lorsqu'ils n'ont pas la qualité d'assuré social belge.
HOOFDSTUK 4. - Administratieve aansluiting
Chapitre 4. - Affiliation administrative
Art. 59. § 1. Elke persoon, vermeld in artikel 43 en artikel 44 van het decreet van 18 mei 2018, sluit zich, voorafgaand aan de zorgverlening waarop hij een beroep doet in het kader van de Vlaamse sociale bescherming, administratief aan bij een zorgkas van zijn keuze.
  § 2. De personen, vermeld in artikel 44, § 1 of § 2, van het decreet van 18 mei 2018 dienen aan te tonen dat zij feitelijk verblijven in het Nederlandse taalgebied of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, aan de hand van bewijsstukken.
  De minister kan bewijsstukken bepalen aan de hand waarvan een feitelijk verblijf in het Nederlandse taalgebied of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad kan worden aangetoond.
  § 3. De minister kan bijkomende voorwaarden bepalen waaraan de personen, vermeld in artikel 44 van het decreet van 18 mei 2018, moeten voldoen.
Art. 59. § 1er. Toute personne visée à l'article 43 et à l'article 44 du décret du 18 mai 2018 s'affilie administrativement à une caisse d'assurance soins de son choix préalablement à la prestation de soins à laquelle il fait appel dans le cadre de la protection sociale flamande.
  § 2. Les personnes visées à l'article 44, § 1er ou § 2, du décret du 18 mai 2018 doivent démontrer qu'elles résident de fait dans la région de langue néerlandaise ou dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale, au moyen de pièces justificatives.
  Le ministre peut déterminer les pièces justificatives à l'aide desquelles une résidence de fait dans la région de langue néerlandaise ou dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale peut être démontrée.
  § 3. Le ministre peut définir des conditions supplémentaires auxquelles doivent satisfaire les personnes visées à l'article 44 du décret du 18 mai 2018.
Art. 60. Een persoon die zich conform artikel 59 administratief moet aansluiten bij een zorgkas, wordt door de zorgvoorziening [1 ,]1 door de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen [1 of door de overlegorganisator]1 tot dewelke hij zich heeft gewend, geïnformeerd over zijn aansluitingsplicht als vermeld in artikel 59, en over de keuzevrijheid die hij heeft met betrekking tot de zorgkas van aansluiting.
  
Art. 60. Une personne qui doit s'affilier administrativement à une caisse d'assurance soins conformément à l'article 59 est informée, par la structure de soins [1 ,]1 par le fournisseur d'aides à la mobilité [1 ou par l'organisateur de concertation]1 auxquels il s'est adressé, de son obligation d'obligation d'affiliation telle que visée à l'article 59 et de la liberté de choix dont il dispose quant à la caisse d'assurance soins d'affiliation.
  
HOOFDSTUK 5. - Verbod op aansluiting
Chapitre 5. - Interdiction d'affiliation
Art. 61. Personen op wie de Vlaamse sociale bescherming niet van toepassing is, mogen zich niet aansluiten bij een zorgkas, met uitzondering van de vrijwillige aansluiting conform artikel 58, en de administratieve aansluiting conform artikel 59.
  De minister kan de nadere regels bepalen voor het verbod op aansluiting en de terugbetaling van premies.
  De minister bepaalt ook hoe het bewijs geleverd kan worden dat een persoon de hoedanigheid heeft van sociaal verzekerde in een andere lidstaat.
Art. 61. Les personnes auxquelles la protection sociale flamande ne s'applique pas ne peuvent pas s'affilier à une caisse d'assurance soins, hormis l'affiliation volontaire conformément à l'article 58 et l'affiliation administrative conformément à l'article 59.
  Le ministre peut fixer les modalités de l'interdiction d'affiliation et du remboursement des primes.
  Le ministre détermine également la manière dont peut être apportée la preuve qu'une personne a la qualité d'assuré social dans un autre Etat membre.
Art. 62. Elke persoon, vermeld in artikel 61, die de hoedanigheid verwerft van een persoon als vermeld in artikel 56, 57 of 58, kan de eerste en de tweede premie betalen tot en met 31 december van het jaar na de datum van wijziging van zijn hoedanigheid, zonder dat de jaren in aanmerking genomen worden voor de administratieve geldboete, vermeld in artikel 47 van het decreet van 18 mei 2018, en zonder dat de termijn van ononderbroken aansluiting, vermeld in artikel 41, § 1, tweede en derde lid, van het decreet van 18 mei 2018, van toepassing is.
Art. 62. Toute personne visée à l'article 61 qui acquiert la qualité d'une personne telle que visée aux articles 56, 57 ou 58 peut payer les première et deuxième primes jusqu'au 31 décembre de l'année suivant la date du changement de sa qualité, sans que les années entrent en ligne de compte pour l'amende administrative visée à l'article 47 du décret du 18 mai 2018 et sans que la durée d'affiliation ininterrompue visée à l'article 41, § 1er, alinéas 2 et 3, du décret du 18 mai 2018 ne s'applique.
HOOFDSTUK 6. - Wijze van aansluiten
Chapitre 6. - Mode d'affiliation
Art. 63. Een persoon sluit zich aan bij de zorgkas waar hij de eerste premie betaalt. De aansluiting geldt per kalenderjaar.
Art. 63. Une personne s'affilie à la caisse d'assurance soins à laquelle elle paie la première prime. L'affiliation est valable par année calendrier.
Art. 64. Als een persoon door verschillende zorgkassen correct gemeld wordt als lid aan het agentschap, wordt hij lid van de zorgkas, die als eerste binnen de daarvoor bepaalde termijnen aan het agentschap de aansluiting meegedeeld heeft.
  De zorgkassen, vermeld in het eerste lid, kunnen, na onderling overleg afstand doen van het lidmaatschap van een persoon ten voordele van een andere zorgkas.
Art. 64. Si une personne a été correctement signalée à l'agence comme membre par plusieurs caisses d'assurance soins, elle devient membre de la première caisse d'assurance soins à avoir communiqué l'affiliation à l'agence dans les délais fixés à cet effet.
  Les caisses d'assurance soins visées à l'alinéa 1er peuvent, après concertation, renoncer à l'affiliation d'une personne au profit d'une autre caisse d'assurance soins.
HOOFDSTUK 7. - Mutatie van een zorgkas
Chapitre 7. - Changement de caisse d'assurance soins
Art. 65. Een lid kan muteren van zorgkas met ingang van 1 januari van het jaar dat volgt op het jaar waarin hij het voornemen tot mutatie heeft meegedeeld. Daarvoor vult hij het mutatieformulier in dat het agentschap ter beschikking stelt en hij bezorgt het aan de andere zorgkas uiterlijk op vijf december van het lopende jaar.
Art. 65. Un membre peut changer de caisse d'assurance soins à partir du 1er janvier de l'année suivant celle au cours de laquelle il en a communiqué l'intention. A cet effet, il remplit le formulaire de mutation mis à disposition par l'agence et le transmet à l'autre caisse d'assurance soins au plus tard le cinq décembre de l'année en cours.
Art. 66. Een persoon die aangesloten is bij een zorgkas, opgericht door ziekenfondsen, een landsbond of een maatschappij van onderlinge bijstand als vermeld in artikel 18, eerste lid, 1°, van het decreet van 18 mei 2018, en die tegelijk lid is van een ziekenfonds dat niet behoort tot die landsbond of maatschappij van onderlinge bijstand, kan alsnog van zorgkas muteren, in afwijking van de toepassing van artikel 65 van dit besluit.
Art. 66. Une personne qui est affiliée à une caisse d'assurance soins, créée par des mutualités, une union nationale ou une société mutualiste, telles que visées à l'article 18, alinéa 1er, 1°, du décret du 18 mai 2018, et qui est en même temps membre d'une mutualité n'appartenant pas à cette union nationale ou société mutualiste peut encore changer de caisse d'assurance soins par dérogation à l'application de l'article 65 du présent arrêté.
Art. 67. De minister bepaalt de nadere regels voor de mutatie van zorgkas.
Art. 67. Le ministre fixe les modalités de mutation de caisse d'assurance soins.
Titel 2. - Premies voor de Vlaamse sociale bescherming
Titre 2. - Primes pour la protection sociale flamande
HOOFDSTUK 1. - Bedrag en inning van de premies voor de Vlaamse sociale bescherming
Chapitre 1er. -. Montant et perception des primes pour la protection sociale flamande
Art. 68. In dit artikel wordt verstaan onder gezondheidsindexcijfer: het prijsindexcijfer dat berekend wordt voor de toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van `s lands concurrentievermogen.
  De jaarlijkse premie voor de Vlaamse sociale bescherming, vermeld in artikel 45, § 1, van het decreet van 18 mei 2018, bedraagt [2 100 euro]2
  [2 In afwijking van het tweede lid bedraagt de jaarlijkse premie voor de Vlaamse sociale bescherming 35 euro voor de gebruikers die op 1 januari van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarop de premie betrekking heeft, recht hebben op een verhoogde tegemoetkoming in de ziekteverzekering als vermeld in artikel 37, § 19, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 ]2.
  [2 De bedragen, vermeld in het tweede en derde lid, worden met ingang van het kalenderjaar 2027 ieder jaar op 1 januari aangepast aan de ontwikkeling van het afgevlakte gezondheidsindexcijfer van de consumptieprijzen van de maand april van het voorgaande jaar ten opzichte van het afgevlakte gezondheidsindexcijfer van de consumptieprijzen van de maand april in 2025]2.
  Na de jaarlijkse berekening, vermeld in het vierde lid, worden de bedragen naar beneden afgerond als het eerste cijfer na de komma minder dan vijf bedraagt. De bedragen worden naar boven afgerond, als het eerste cijfer na de komma vijf of meer bedraagt.
  
Art. 68. Dans le présent article, l'indice-santé s'entend de l'indice des prix calculé pour l'application de l'article 2 de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays.
  La prime annuelle pour la protection sociale flamande, visée à l'article 45, § 1er, du décret du 18 mai 2018, s'élève à [2 100 euros]2.
  [1 [2 Par dérogation à l'alinéa 2, la prime annuelle pour la protection sociale flamande s'élève à 35 euros pour les usagers qui, au 1er janvier de l'année civile précédant l'année civile à laquelle la prime se rapporte, ont droit à l'intervention majorée de l'assurance soins de santé telle que visée à l'article 37, § 19, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994]2].-1
  [2 A partir de l'année civile 2027, les montants visés aux alinéas 2 et 3 sont adaptés, chaque année au 1er janvier, à l'évolution de l'indice santé lissé des prix à la consommation du mois d'avril de l'année précédente par rapport à l'indice santé lissé des prix à la consommation du mois d'avril en 2025 ].-2
  Après le calcul annuel visé à l'alinéa 4, les montants sont arrondis à l'unité inférieure si la première décimale est inférieure à cinq. Les montants sont arrondis à l'unité supérieure si la première décimale est égale ou supérieure à cinq.
  
Art. 69. De zorgkas vraagt naast de jaarlijkse premie voor de Vlaamse sociale bescherming jaarlijks de verschuldigde premies voor de Vlaamse sociale bescherming voor de voorgaande jaren van haar leden op, behalve de premies die samen met de administratieve geldboete, vermeld in artikel 47 van het decreet van 18 mei 2018, door het agentschap zijn opgevraagd.
  De zorgkas kan de verschuldigde premies opvragen via een elektronisch bericht als het lid daarmee instemt.
  Het lid betaalt zijn jaarlijkse premie, vermeld in het eerste lid, uiterlijk op 30 april van het lopende jaar aan zijn zorgkas.
Art. 69. Outre la prime annuelle pour la protection sociale flamande, la caisse d'assurance soins réclame annuellement à ses membres les primes pour la protection sociale flamande dues pour les années précédentes, sauf les primes qui sont réclamées par l'agence en même temps que l'amende administrative visée à l'article 47 du décret du 18 mai 2018.
  Si le membre y consent, la caisse d'assurance soins peut réclamer les primes dues par le biais d'un message électronique.
  Le membre paie sa prime annuelle visée à l'alinéa 1er à sa caisse d'assurance soins au plus tard le 30 avril de l'année en cours.
Art. 70. [1 Het geïnde bedrag aan premies wordt toegekend aan het minst recente jaar waarvoor de verschuldigde premie voor de Vlaamse sociale bescherming niet of niet volledig is betaald. Jaren waarin premies niet volledig zijn betaald en waarvoor de achterstallen nog aanleiding kunnen geven tot een administratieve geldboete, krijgen daarbij voorrang.]1
  
Art. 70. [1 Le montant de primes perçu est imputé sur l'année la moins récente pour laquelle la prime due pour la protection sociale flamande n'a pas ou pas entièrement été payée. A cet égard, les années durant lesquelles des primes n'ont pas été entièrement payées et pour lesquelles les arriérés peuvent encore donner lieu à une amende administrative ont priorité.]1
  
Art. 71. De zorgkas trekt niet betaalde premies voor de gebruiker af van de zorgbudgetten die aan de gebruiker worden uitbetaald, behalve de premies die samen met de administratieve geldboete, vermeld in artikel 47 van het decreet van 18 mei 2018, door het agentschap zijn opgevraagd.
Art. 71. La caisse d'assurance soins déduit les primes non payées pour l'usager des budgets de soins versés à l'usager, sauf les primes qui sont réclamées par l'agence en même temps que l'amende administrative visée à l'article 47 du décret du 18 mai 2018.
Art. 72. De minister bepaalt de nadere regels voor de inning van de premies.
Art. 72. Le ministre fixe les modalités de perception des primes.
HOOFDSTUK 2. - Herinneringsbrief
Chapitre 2. - Lettre de rappel
Art. 73. Als een lid de jaarlijkse premie na de eerste uitnodiging niet betaalt, stuurt de zorgkas uiterlijk op 30 november van hetzelfde kalenderjaar een herinneringsbrief, behalve als de jaarlijkse premie met een aangetekende brief is opgevraagd.
Art. 73. Lorsqu'un membre ne paie pas la prime annuelle après la première invitation, la caisse d'assurance soins envoie une lettre de rappel au plus tard le 30 novembre de la même année calendrier, sauf si la prime annuelle a été réclamée par lettre recommandée.
HOOFDSTUK 3. - Aangetekende brief
Chapitre 3. - Lettre recommandée
Art. 74. Aan de leden die minstens twee, niet noodzakelijk opeenvolgende, premies niet of onvolledig betaald hebben, vraagt de zorgkas de verschuldigde premies uiterlijk op 1 september van het jaar van de tweede niet of onvolledig betaalde premie met een aangetekende brief op.
  Het lid betaalt de premies in het eerste lid uiterlijk op 5 oktober van het jaar van verzending van de aangetekende brief aan zijn zorgkas.
  Aan de leden, vermeld in het eerste lid, naar wie de zorgkas onmogelijk uiterlijk op 1 september de aangetekende brief, vermeld in het eerste lid, kon sturen, vraagt de zorgkas de verschuldigde premies alsnog op met een aangetekende brief, uiterlijk op 1 september van het volgende jaar.
  De minister kan bepalen in welke situaties het voor de zorgkas onmogelijk was om de aangetekende brief te versturen als vermeld in het derde lid.
  Met het oog op het opleggen van de administratieve geldboete, vermeld in artikel 47 van het decreet van 18 mei 2018, bezorgt elke zorgkas aan het agentschap en volgens de voorwaarden die het agentschap vastlegt, elektronisch de gegevens van de personen aan wie een aangetekende brief als vermeld in het eerste en tweede lid, verstuurd is. Dat gebeurt uiterlijk op 10 oktober van het jaar van verzending van de aangetekende brieven.
Art. 74. Aux membres qui n'ont pas ou pas entièrement payé au moins deux primes, pas nécessairement consécutives, la caisse d'assurance soins réclame les primes dues par lettre recommandée, au plus tard le 1er septembre de l'année de la deuxième prime impayée ou non entièrement payée.
  Le membre paie les primes visées à l'alinéa 1er à sa caisse d'assurance soins au plus tard le 5 octobre de l'année de l'envoi de la lettre recommandée.
  Aux membres visés à l'alinéa 1er auxquels il était impossible pour la caisse d'assurance soins d'envoyer la lettre recommandée visée à l'alinéa 1er au plus tard le 1er septembre, la caisse d'assurance soins réclame encore les primes dues par lettre recommandée, au plus tard le 1er septembre de l'année suivante.
  Le ministre peut déterminer les situations dans lesquelles il était impossible pour la caisse d'assurance soins d'envoyer la lettre recommandée visée au paragraphe 3.
  En vue d'infliger l'amende administrative visée à l'article 47 du décret du 18 mai 2018, chaque caisse d'assurance soins transmet par voie électronique à l'agence, suivant les conditions imposées par l'agence, les données des personnes auxquelles a été envoyée une lettre recommandée telle que visée aux alinéas 1er et 2. Cela se fait au plus tard le 10 octobre de l'année d'envoi des lettres recommandées.
Titel 3. - Beëindiging van de aansluiting
Titre 3. - Cessation de l'affiliation
Art. 75. Het lidmaatschap wordt beëindigd op 31 december van het jaar waarin de leden die zich verplicht hebben aangesloten, niet meer onder het toepassingsgebied van het decreet van 18 mei 2018, vermeld in artikel 3 van het voormelde decreet, vallen. De jaarlijkse premie blijft verschuldigd voor het lopende jaar.
Art. 75. L'affiliation prend fin le 31 décembre de l'année au cours de laquelle les membres qui se sont affiliés obligatoirement ne relèvent plus du champ d'application du décret du 18 mai 2018, visé à l'article 3 du décret précité. La prime annuelle reste due pour l'année en cours.
Art. 76. Het lidmaatschap wordt beëindigd op 31 december van het jaar waarin de leden die zich vrijwillig hebben aangesloten, niet meer onder het toepassingsgebied van het decreet van 18 mei 2018, vermeld in artikel 3 van het voormelde decreet, vallen. De jaarlijkse premie blijft verschuldigd voor het lopende jaar.
Art. 76. L'affiliation prend fin le 31 décembre de l'année au cours de laquelle les membres qui se sont affiliés volontairement ne relèvent plus du champ d'application du décret du 18 mai 2018, visé à l'article 3 du décret précité. La prime annuelle reste due pour l'année en cours.
Art. 77. Het lidmaatschap wordt met terugwerkende kracht en ambtshalve beëindigd bij de personen die zich vrijwillig hebben aangesloten, en die twee keer de jaarlijkse premie niet of maar gedeeltelijk hebben betaald. Het lidmaatschap wordt met terugwerkende kracht beëindigd op 31 december van het laatste jaar waarvoor de premie volledig is betaald.
  Het lid kan tegen de ambtshalve beëindiging van zijn aansluiting verzet aantekenen bij de zorgkas waarbij het is aangesloten. De minister bepaalt de nadere regels voor de wijze waarop de ambtshalve beëindiging of het aantekenen van verzet moet verlopen.
Art. 77. L'affiliation prend fin avec effet rétroactif et d'office pour les personnes qui se sont affiliées volontairement et n'ont pas payé ou n'ont payé que partiellement la prime annuelle à deux reprises. L'affiliation prend fin avec effet rétroactif le 31 décembre de la dernière année pour laquelle la prime a été entièrement payée.
  Le membre peut former opposition à cette cessation d'office de son affiliation auprès de la caisse d'assurance soins à laquelle il est affilié. Le ministre fixe les modalités selon lesquelles la cessation d'office ou l'opposition doit se dérouler.
Art. 78. Het lidmaatschap wordt met terugwerkende kracht beëindigd op 31 december van het laatste jaar waarvoor de premie volledig is betaald als de leden die zich vrijwillig hebben aangesloten, daarom verzoeken.
Art. 78. L'affiliation prend fin avec effet rétroactif le 31 décembre de la dernière année pour laquelle la prime a été entièrement payée lorsque les membres qui se sont affiliés volontairement en font la demande.
Art. 79. Als de persoon, vermeld in artikel 77 of 78, na de stopzetting met terugwerkende kracht van zijn lidmaatschap, zich opnieuw aansluit bij een zorgkas, blijven artikel 41, § 1, tweede en derde lid, van het decreet van 18 mei 2018 van toepassing.
Art. 79. Lorsque la personne visée à l'article 77 ou 78 s'affilie de nouveau à une caisse d'assurance soins après la cessation avec effet rétroactif de son affiliation, l'article 41, § 1er, alinéas 2 et 3, reste applicable.
Art. 80. De premies van een persoon die zich bij een zorgkas vrijwillig kan aansluiten, worden door de zorgkas alleen terugbetaald als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:
  1° de persoon toont aan dat hij er op het moment van de betaling van de premies niet van op de hoogte is dat de aansluiting vrijwillig is;
  2° de persoon dient een schriftelijk verzoek in.
Art. 80. Les primes d'une personne qui peut s'affilier volontairement à une caisse d'assurance soins sont uniquement remboursées par la caisse d'assurance soins lorsque toutes les conditions suivantes sont remplies :
  1° la personne démontre ne pas être informée, au moment du paiement des primes, du fait que l'affiliation est volontaire ;
  2° la personne introduit une demande écrite.
Deel 4. Sanctiebepalingen: de administratieve geldboete
Partie 4. - Dispositions de sanction : l'amende administrative
Titel 1. - .Gevallen waarin de administratieve geldboete wordt opgelegd
Titre 1er. - Cas dans lesquels l'amende administrative est infligée
Art. 81. Aan ieder lid, vermeld in artikel 56 van dit besluit, die, de premie vermeld in artikel 45 van het decreet van 18 mei 2018, twee, niet noodzakelijk opeenvolgende keren, niet of maar gedeeltelijk heeft betaald op uiterlijk 5 oktober van het jaar van de verzending van de aangetekende brief, vermeld in artikel 74 van dit besluit, wordt een administratieve geldboete opgelegd.
Art. 81. Une amende administrative est infligée à tout membre visé à l'article 56 du présent arrêté qui, à deux reprises, pas nécessairement consécutives, n'a pas ou n'a que partiellement payé la prime visée à l'article 45 du décret du 18 mai 2018 au plus tard le 5 octobre de l'année de l'envoi de la lettre recommandée visée à l'article 74 du présent arrêté.
Titel 2. - Vrijstellingsgronden voor de administratieve geldboete
Titre 2. - Motifs d'exemption de l'amende administrative
Art. 82. De niet-betaling van de premie of de gedeeltelijke betaling van de premie wordt in de volgende gevallen niet in aanmerking genomen om een administratieve geldboete op te leggen:
  1° het lid verblijft op het moment van de verzending van de aangetekende brief, vermeld in artikel 74, in een gevangenis of in een inrichting, een afdeling of een centrum als vermeld in artikel 61 van het decreet van 18 mei 2018. Het bewijs daarvan is een attest van de instelling in kwestie;
  2° het lid is op het moment van de verzending van de aangetekende brief, vermeld in artikel 74, vermist, afwezig verklaard of van ambtswege afgevoerd. Het bewijs daarvan is een afdruk van het elektronische rijksregisterbestand, een attest van aangifte of een kopie van het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg;
  3° het lid is op het moment van de verzending van de aangetekende brief, vermeld in artikel 74, het voorwerp van budgetbegeleiding of budgetbeheer door een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of door een door de Vlaamse Gemeenschap erkende instelling voor schuldbemiddeling of van een minnelijke schuldbemiddeling, vermeld in artikel 519, § 2, 10°, Ger.W.. Het bewijs daarvan is een attest van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of van de erkende instelling of van de gerechtsdeurwaarder;
  4° het niet of gedeeltelijk betalen van de premie is het gevolg van een fout van het agentschap, het Rijksregister of de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid;
  5° het niet of niet tijdig ontvangen van de aangetekende brief, vermeld in artikel 74, is het gevolg van een aantoonbare fout van de zorgkas. Het bewijs daarvan is een attest van de zorgkas;
  6° het lid is een buitenlandse sociaal verzekerde of een Belgische sociaal verzekerde met woonplaats buiten het Nederlandse taalgebied of het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad voor wie bij het agentschap een onderzoek loopt over de aansluitingsplicht;
  7° de premie wordt uiterlijk op 15 oktober van het jaar van de verzending van de aangetekende brief, vermeld in artikel 74, op de rekening van de zorgkas gestort;
  8° de zorgkas heeft een volledig betaalde premie van een lid ten onrechte teruggestort.
  De personen worden niet aangeschreven voor een administratieve geldboete als ze bij het agentschap bekend zijn als:
  1° van ambtswege afgevoerd;
  2° vermist.
Art. 82. Le non-paiement ou le paiement partiel de la prime n'est pas pris en compte dans les cas suivants pour infliger une amende administrative :
  1° au moment de l'envoi de la lettre recommandée visée à l'article 74, le membre réside dans un établissement pénitentiaire ou dans une institution, une section ou un centre tels que visés à l'article 61 du décret du 18 mai 2018. Une attestation de l'établissement en question en constitue la preuve ;
  2° au moment de l'envoi de la lettre recommandée visée à l'article 74, le membre est déclaré disparu, absent ou radié d'office. Une copie imprimée du fichier électronique du registre national, une attestation de déclaration ou une copie du jugement du tribunal de première instance en constitue la preuve ;
  3° au moment de l'envoi de la lettre recommandée visée à l'article 74, le membre fait l'objet d'une guidance ou d'une gestion budgétaire par un centre public d'action sociale ou par une institution de médiation de dettes agréée par la Communauté flamande ou d'une médiation de dettes à l'amiable telle que visée à l'article 519, § 2, 10°, C. jud. Une attestation du centre public d'action sociale ou de l'institution agréée ou de l'huissier de justice en constitue la preuve ;
  4° le non-paiement ou le paiement partiel de la prime résulte d'une faute de l'agence, du Registre national ou de la Banque-Carrefour de la Sécurité sociale ;
  5° la non-réception ou la réception tardive de la lettre recommandée visée à l'article 74 résulte d'une faute manifeste de la caisse d'assurance soins. Une attestation de la caisse d'assurance soins en constitue la preuve ;
  6° le membre est un assuré social étranger ou un assuré social belge ayant son domicile en dehors de la région de langue néerlandaise ou de la région bilingue de Bruxelles-Capitale, pour lequel une enquête sur l'obligation d'affiliation est en cours auprès de l'agence ;
  7° la prime est versée sur le compte de la caisse d'assurance soins au plus tard le 15 octobre de l'année de l'envoi de la lettre recommandée visée à l'article 74 ;
  8° la caisse d'assurance soins a indûment reversé une prime entièrement payée d'un membre.
  Il n'est pas infligé d'amende administrative aux personnes connues auprès de l'agence comme :
  1° radiées d'office ;
  2° disparues.
Titel 3. - Procedure
Titre 3. - Procédure
Art. 83. De zorgkassen delen aan het agentschap de gegevens mee van de personen die in aanmerking worden genomen voor een administratieve geldboete. De minister bepaalt daarvoor de nadere regels en specifieert de gegevens die moeten worden meegedeeld.
Art. 83. Les caisses d'assurance soins communiquent à l'agence les données des personnes prises en considération pour une amende administrative. Le ministre fixe les modalités à ce sujet et précise les données à communiquer.
Art. 84. De leidend ambtenaar legt de administratieve geldboete op.
  De betrokkene wordt met een aangetekende brief uitgenodigd de administratieve geldboete, in voorkomend geval verhoogd met de verschuldigde premies, te betalen binnen een termijn van twee maanden na de verzending van de aangetekende brief.
  Een gedeeltelijke betaling in het kader van de administratieve geldboete wordt eerst aan het openstaande bedrag van de administratieve geldboete toegekend. Zodra de administratieve geldboete is betaald, worden bijkomende betalingen in mindering gebracht van de verschuldigde premies.
Art. 84. Le fonctionnaire dirigeant inflige l'amende administrative.
  L'intéressé est invité, par lettre recommandée, à payer l'amende administrative, majorée, le cas échéant, des primes dues, dans le délai de deux mois suivant l'envoi de la lettre recommandée.
  Un paiement partiel dans le cadre de l'amende administrative est imputé en premier lieu sur le montant non réglé de l'amende administrative. Dès que l'amende administrative est payée, les paiements supplémentaires sont portés en déduction des primes dues.
Titel 4. - Administratief beroep tegen de administratieve geldboete
Titre 4. - Recours administratif contre l'amende administrative
Art. 85. De personen aan wie een administratieve geldboete wordt opgelegd, kunnen binnen een termijn van twee maanden na de verzending van de aangetekende brief, vermeld in artikel 84, tweede lid, administratief beroep aantekenen bij het agentschap. Het beroepschrift is alleen ontvankelijk als het gemotiveerd is en als alle relevante stukken erbij gevoegd zijn. Het beroepschrift is opschortend.
  De leidend ambtenaar neemt een beslissing na het advies van het agentschap. De minister bepaalt de nadere regels voor de administratieve beroepsprocedure.
Art. 85. Les personnes auxquelles une amende administrative est infligée peuvent former un recours administratif auprès de l'agence dans le délai de deux mois suivant l'envoi de la lettre recommandée visée à l'article 84, alinéa 2. Le recours n'est recevable que s'il est motivé et accompagné de toutes pièces pertinentes. Le recours est suspensif.
  Le fonctionnaire dirigeant prend une décision sur avis de l'agence. Le ministre fixe les modalités de la procédure de recours administratif.
Titel 5. - Invordering
Titre 5. - Recouvrement
Art. 86. Als een persoon niet betaalt binnen de termijn, vermeld in artikel 84, tweede lid, zal de administratieve geldboete, in voorkomend geval verhoogd met de verschuldigde premies, in het kader van de administratieve geldboete, bij dwangbevel worden ingevorderd.
  De gegevens van de personen bij wie de administratieve geldboete, in voorkomend geval verhoogd met de verschuldigde premies, bij dwangbevel moet worden ingevorderd, worden bezorgd aan de Vlaamse Belastingdienst.
Art. 86. Si une personne ne paie pas dans le délai visé à l'article 84, alinéa 2, l'amende administrative, majorée, le cas échéant, des primes dues, dans le cadre de l'amende administrative, sera recouvrée par voie de contrainte.
  Les données des personnes auprès desquelles l'amende administrative, majorée, le cas échéant, des primes dues, doit être recouvrée par contrainte sont transmises au Service flamand des Impôts.
Deel 5. Registratie, verwerking en uitwisseling van gegevens
Partie 5. - Enregistrement, traitement et échange de données
Titel 1. - Algemeen
Titre 1er. - Généralités
Art. 87. Het agentschap en de zorgkassen gebruiken het INSZ-nummer van gebruikers als uniek sleutelgegeven voor de creatie, de identificatie en het beheer van dossiers, voor de consultatie van de benodigde persoonsgegevens om dossiers te kunnen behandelen en beheren en voor het ontvangen van de mutaties voor de benodigde persoonsgegevens.
Art. 87. L'agence et les caisses d'assurance soins utilisent le numéro NISS des usagers comme donnée-clé unique pour la création, l'identification et la gestion de dossiers, pour la consultation des données à caractère personnel requises afin de pouvoir traiter et gérer des dossiers et pour la réception des mutations pour les données à caractère personnel requises.
Art. 88. Conform artikel 50 van het decreet van 18 mei 2018, [1 kunnen]1 door de zorgkassen aan de verzekeringsinstellingen [2 en aan de Brusselse verzekeringsinstellingen, vermeld in artikel 2, 7°, van de ordonnantie van 21 december 2018 betreffende de Brusselse verzekeringsinstellingen in het domein van de gezondheidszorg en de hulp aan personen,]2 de volgende gegevens [1 worden]1 overgemaakt:
  1° opnames en verblijfsgegevens in het kader van de residentiële ouderenzorg, met inbegrip van indicatiestellingen, en eventuele wijzigingen;
  2° aanvaarde, gefactureerde [2 en aangevraagde]2 prestaties in het kader van de pijlers mobiliteitshulpmiddelen en residentiële ouderenzorg en de supplementen [1 , revalidatie en multidisciplinair overleg]1.
  [1 3° opnames en verblijfsgegevens in het kader van de revalidatieziekenhuizen.]1
  [2 4° aanvaarde, gefactureerde en aangevraagde prestaties in het kader van de revalidatievoorzieningen, [4 ...]4.]2
  [3 5° aanvaarde, gefactureerde en aangevraagde zorg in het kader van de psychiatrische verzorgingstehuizen.]3
  [5 6° aanvaarde, gefactureerde en aangevraagde prestaties in het kader van de initiatieven van beschut wonen;]5
  [5 7° aanvaarde, gefactureerde en aangevraagde prestaties in het kader van de multidisciplinaire begeleidingsequipes voor palliatieve verzorging;]5
  [5 8° aanvaarde, gefactureerde en aangevraagde prestaties in het kader van de rolstoeladviesteams en gespecialiseerde rolstoeladviesteams.]5
  Conform artikel 50 van het decreet van 18 mei 2018, worden door de verzekeringsinstellingen [2 en de Brusselse verzekeringsinstellingen, vermeld in artikel 2, 7°, van de ordonnantie van 21 december 2018 betreffende de Brusselse verzekeringsinstellingen in het domein van de gezondheidszorg en de hulp aan personen]2 aan de zorgkassen de volgende gegevens overgemaakt:
  1° opnames en verblijfsgegevens, op voorwaarde dat er een opname in het kader van de residentiële ouderenzorg werd gemeld door de zorgkas;
  2° aanvaarde, gefactureerde prestaties, op voorwaarde dat er een opname in het kader van de residentiële ouderenzorg werd gemeld door de zorgkas;
  3° opnames en verblijfsgegevens in het kader van de residentiële ouderenzorg, in de Franse taalgebied, in het Duitse taalgebied en, wat betreft de bicommunautaire zorgvoorzieningen en de zorgvoorzieningen die wegens hun organisatie moeten worden beschouwd als behorende tot de Franse Gemeenschap, in het tweetalige gebied Brussel Hoofdstad;
  4° opnames en verblijfsgegevens en aanvaarde, gefactureerde prestaties in het kader van die opnames, op voorwaarde dat een aanvraag van een tegemoetkoming voor een mobiliteitshulpmiddel wordt gecontroleerd door de zorgkas.
  [1 5° opnames en verblijfsgegevens, op voorwaarde dat de zorgkas een opname in een revalidatieziekenhuis [2 of [4 een gebruik van of verblijf]4 in een revalidatievoorziening]2 heeft gemeld;
   6° aanvaarde, gefactureerde prestaties, op voorwaarde dat de zorgkas een opname in een revalidatieziekenhuis [2 of een gebruik van of verblijf in een revalidatievoorziening]2 heeft gemeld;
   7° gegevens over de hoedanigheid van de gebruikers of hun recht op de verhoogde tegemoetkoming, noodzakelijk voor de berekening van het persoonlijke aandeel in de revalidatieziekenhuizen, vermeld in artikel 534/53 [2 of in de revalidatievoorzieningen, vermeld in artikel 534/99]2 [3 , en noodzakelijk voor de berekening van de bijkomende forfaitaire tegemoetkoming in de psychiatrische verzorgingstehuizen, vermeld in artikel 534/147]3.]1

  [2 8° aanvaarde, gefactureerde prestaties en aangevraagde prestaties in het kader van de pijler mobiliteitshulpmiddelen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, op voorwaarde dat een aanvraag van een tegemoetkoming voor een mobiliteitshulpmiddel is ingediend bij de zorgkas]2
  [3 "9° aanvaarde, gefactureerde zorg en aangevraagde zorg, op voorwaarde dat de zorgkas zorg in een psychiatrisch verzorgingstehuis heeft gemeld;
   10° het feit of de gebruiker aanspraak maakt op de invaliditeitsuitkering, vermeld in artikel 93 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, op voorwaarde dat de zorgkas zorg in een psychiatrisch verzorgingstehuis heeft gemeld.]3

  
Art. 88. Conformément à l'article 50 du décret du 18 mai 2018, les caisses d'assurance soins [1 peuvent transmettre]1 les informations suivantes aux organismes assureurs [2 et aux organismes assureurs bruxellois, visés à l'article 2, 7°, de l'ordonnance du 21 décembre 2018 relative aux organismes assureurs bruxellois dans le domaine des soins de santé et de l'aide aux personnes]2:
  1° les admissions et les données relatives au séjour dans le cadre des soins résidentiels aux personnes âgées, y compris les indications, et les modifications éventuelles ;
  2° les prestations admises facturées [2 et demandées]2 dans le cadre des piliers aides à la mobilité et soins résidentiels aux personnes âgées et les suppléments [1 , revalidation et concertation multidisciplinaire]1.
  [1 3° les admissions et les données relatives au séjour dans le cadre des hôpitaux de revalidation.]1
  [2 4° les prestations admises, facturées et demandées dans le cadre des structures de revalidation, [4 ...]4]2
  [3 5° les soins acceptés, facturés et demandés dans le cadre des maisons de soins psychiatriques. ]3
  [5 6° les prestations admises, facturées et demandées dans le cadre des initiatives d'habitation protégée ;
  7° les prestations admises, facturées et demandées dans le cadre des équipes d'accompagnement multidisciplinaires de soins palliatifs ;
  8° les prestations admises, facturées et demandées dans le cadre des équipes d'avis et équipes d'avis spécialisées en matière de voiturette.]5

  Conformément à l'article 50 du décret du 18 mai 2018, les organismes assureurs [2 et les organismes assureurs bruxellois, visés à l'article 2, 7°, de l'ordonnance du 21 décembre 2018 relative aux organismes assureurs bruxellois dans le domaine des soins de santé et de l'aide aux personnes ]2 transmettent les informations suivantes aux caisses d'assurance soins :
  1° les admissions et les données relatives au séjour, à condition qu'une admission dans le cadre des soins résidentiels aux personnes âgées ait été notifiée par la caisse d'assurance soins ;
  2° les prestations admises facturées, à condition qu'une admission dans le cadre des soins résidentiels aux personnes âgées ait été notifiée par la caisse d'assurance soins ;
  3° les admissions et les données relatives au séjour dans le cadre des soins résidentiels aux personnes âgées, dans la région de langue française, dans la région de langue allemande et, en ce qui concerne les structures de soins bicommunautaires et les structures de soins qui, en raison de leur organisation, doivent être considérées comme relevant de la Communauté française, dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale;
  4° les admissions et les données relatives au séjour et les prestations admises facturées dans le cadre de ces admissions, à condition qu'une demande d'intervention pour une aide à la mobilité soit contrôlée par la caisse d'assurance soins.
  [1 5° les admissions et les données relatives au séjour, à condition que la caisse d'assurance soins ait notifié une admission dans un hôpital de revalidation [2 [4 ou une utilisation d'une structure de revalidation ou un séjour dans celle-ci]4]2 ;
   6° les prestations admises facturées, à condition que la caisse d'assurance soins ait notifié une admission dans un hôpital de revalidation [2 ou l'utilisation d'une structure de revalidation ou un séjour dans une telle structure]2 ;
   7° les données relatives à la qualité des usagers ou leur droit à l'intervention majorée, nécessaires au calcul de la quote-part personnelle dans les hôpitaux de revalidation visée à l'article 534/53 [2 , ou dans les structures de revalidation, visées à l'article 534/99 [3 , et nécessaires au calcul de l'intervention forfaitaire supplémentaire dans les maisons de soins psychiatriques, figurant à l'article 534/147 ]3 ]2.]1

  [2 8° les prestations admises et facturées et les prestations demandées dans le cadre du pilier aides à la mobilité dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale, à condition qu'une demande d'intervention pour une aide à la mobilité ait été introduite auprès de la caisse d'assurance soins.]2
  [3 9° les soins acceptés et facturés et les soins demandés, à condition que la caisse d'assurance soins ait déclaré des soins dans une maison de soins psychiatriques ;
   10° si l'usager a droit, ou non, à l'indemnité d'invalidité figurant à l'article 93 de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994, à condition que la caisse d'assurance soins ait déclaré des soins dans une maison de soins psychiatriques. ]3

  
Art. 89. Conform artikel 49, § 8, van het decreet van 18 mei 2018 bezorgen de zorgkassen aan het Intermutualistisch Agentschap alle gegevens met betrekking tot de prestaties, gefactureerd in het kader van de pijlers mobiliteitshulpmiddelen [1 , residentiële ouderenzorg, revalidatie [2 , multidisciplinair overleg en geestelijke gezondheidszorg"]2]1.
  Wat de nadere modaliteiten betreft van de gegevensbezorging, vermeld in het eerste lid, wordt, voor zover nodig en naar gelang het geval, een voorafgaande beraadslaging gevraagd van de bevoegde kamer van het informatieveiligheidscomité of een [1 machtiging gevraagd aan de minister van Binnenlandse Zaken]1.
  
Art. 89. Conformément à l'article 49, § 8, du décret du 18 mai 2018, les caisses d'assurance soins transmettent à l'Agence Intermutualiste toutes les données relatives aux prestations facturées dans le cadre des piliers aides à la mobilité et [1 , soins résidentiels aux personnes âgées, revalidation [2 , la concertation multidisciplinaire et les soins de santé mentale]2]1.
  En ce qui concerne les modalités de la transmission de données visée à l'alinéa 1er, il sera demandé, si besoin en est et selon le cas, une délibération préalable de la chambre compétente du comité de sécurité de l'information ou une [1 autorisation demandée au ministre de l'Intérieur]1.
  
Art. 90. Conform artikel 49, § 7, van het decreet van 18 mei 2018, worden aan het agentschap alle gegevens bezorgd die relevant zijn voor analyses op beleidsniveau en op managementniveau en voor de opmaak van operationele rapporten.
  Wat de nadere modaliteiten betreft van de gegevensbezorging, vermeld in het eerste lid, wordt, voor zover nodig en naar gelang het geval, een voorafgaande beraadslaging gevraagd van de bevoegde kamer van het informatieveiligheidscomité [1 ...]1.
  
Art. 90. Conformément à l'article 49, § 7, du décret du 18 mai 2018, toutes les données pertinentes sont transmises à l'agence pour analyses au niveau politique et du management et pour l'établissement de rapports opérationnels.
  En ce qui concerne les modalités de la transmission de données visée à l'alinéa 1er, il sera demandé, si besoin en est et selon le cas, une délibération préalable de la chambre compétente du comité de sécurité de l'information [1 ...]1.
  
Art. 91. Persoonsgegevens kunnen op elektronische wijze worden bewaard.
Art. 91. Les données à caractère personnel peuvent être conservées sous forme électronique.
Art. 92. [1 Van de verplichting, vermeld in artikel 54, eerste lid, van het decreet van 18 mei 2018, kan worden afgeweken in al de volgende gevallen:
   1° bij de personen, vermeld in artikel 44 van het voormelde decreet, bij wie gebruikgemaakt kan worden van een contactadres van de persoon in kwestie;
   2° op schriftelijk verzoek van de betrokkene.]1

  
Art. 92. [1 Il peut être dérogé à l'obligation visée à l'article 54, alinéa 1er, du décret du 18 mai 2018, dans tous les cas suivants :
   1° dans le cas des personnes visées à l'article 44 du décret précité pour lesquelles il peut être fait usage d'une adresse de contact de la personne en question ;
   2° à la demande de l'intéressé.]1

  
Titel 1/1. [1 Zorgbudgetten]1
Titre 1er/1. [1 Budgets de soins]1
Art. 92/1. [1 Voor de uitvoering van de indicatiestellingen, vermeld in artikel 146, eerste en tweede lid, van dit besluit, moet de Zorgkassencommissie, conform artikel 37, § 1, van het decreet van 18 mei 2018, toegang krijgen tot contactgegevens en identificatiegegevens, met inbegrip van het INSZ-nummer, van de gebruiker in kwestie.
   De minister specificeert de persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid.]1

  
Art. 92/1. [1 Pour l'exécution des indications visées à l'article 146, alinéas 1er et 2, du présent arrêté, la Commission des caisses d'assurance soins doit, conformément à l'article 37, § 1er, du décret du 18 mai 2018, avoir accès aux coordonnées et données d'identification, y compris le numéro NISS, de l'usager en question.
   Le ministre précise les données à caractère personnel visées à l'alinéa 1er.]1

  
Titel 2. - Mobiliteitshulpmiddelen
Titre 2. - Aides à la mobilité
Art. 93. § 1. Met het oog op de indiening van een aanvraag van een tegemoetkoming voor een mobiliteitshulpmiddel conform de bepalingen van dit besluit, bezorgt de gebruiker zijn INSZ-nummer aan de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen.
  De verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen moet zich op basis van het INSZ-nummer van de gebruiker toegang kunnen verschaffen tot informatie over:
  1° de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten;
  2° de verzekeringsstatus van de gebruiker;
  3° naam en voornaam;
  4° geboortedatum;
  5° geslacht;
  6° hoofdverblijfplaats;
  7° in voorkomend geval, datum van overlijden.
  § 2. Met het oog op de indiening van een aanvraag van een tegemoetkoming voor een mobiliteitshulpmiddel conform de bepalingen van dit besluit, wordt de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen, aan de hand van de prestatiecode van het betreffende mobiliteitshulpmiddel, in voorkomend geval geïnformeerd over de reden van het negatieve resultaat van de controle van de vergoedingsvoorwaarden, uitgevoerd door de zorgkas.
  Het negatieve resultaat, vermeld in het eerste lid, kan voortvloeien uit:
  1° de regels over de cumulatie van mobiliteitshulpmiddelen, vermeld in bijlage 3;
  2° de hernieuwingstermijnen, vermeld in bijlage 2;
  3° aanvragen van tegemoetkomingen voor mobiliteitshulpmiddelen die reeds werden ingediend en nog moeten worden behandeld;
  4° de opname van de gebruiker in een woonzorgcentrum, in een ziekenhuis of in een revalidatieziekenhuis;
  5° andere lopende huurovereenkomsten in het kader van toegekende tegemoetkomingen voor mobiliteitshulpmiddelen.
Art. 93. § 1er. En vue de l'introduction d'une demande d'intervention pour une aide à la mobilité conformément aux dispositions du présent arrêté, l'usager transmet son numéro NISS au fournisseur d'aides à la mobilité.
  Le fournisseur d'aides à la mobilité doit pouvoir accéder, sur la base du numéro NISS de l'usager, aux informations concernant :
  1° la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié ;
  2° le statut d'assurance de l'usager ;
  3° ses nom et prénom ;
  4° sa date de naissance ;
  5° son sexe ;
  6° sa résidence principale ;
  7° le cas échéant, la date de son décès.
  § 2. En vue de l'introduction d'une demande d'intervention pour une aide à la mobilité conformément aux dispositions du présent arrêté, le fournisseur d'aides à la mobilité est informé le cas échéant, au moyen du code de prestation de l'aide à la mobilité concernée, du motif du résultat négatif du contrôle des conditions de remboursement exécuté par la caisse d'assurance soins.
  Le résultat négatif visé à l'alinéa 1er peut découler :
  1° des règles de cumul d'aides à la mobilité, visées à l'annexe 3 ;
  2° des délais de renouvellement, visés à l'annexe 2 ;
  3° de demandes d'interventions pour des aides à la mobilité qui ont déjà été introduites et qui doivent encore être traitées ;
  4° de l'admission de l'usager dans un centre de soins résidentiels, un hôpital ou un hôpital de revalidation ;
  5° d'autres contrats de location en cours dans le cadre d'interventions octroyées pour des aides à la mobilité.
Art. 94. Aanvragen van tegemoetkomingen voor mobiliteitshulpmiddelen worden ingediend bij de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten conform artikel 376.
  Naast de raadpleging van de informatiegegevens, vermeld in artikel 52, [1 § 1,]1 eerste lid, en artikel 53, [1 § 1,]1 eerste lid, van het decreet van 18 mei 2018, moeten enerzijds de zorgkassen conform artikel 22, tweede lid, van voormeld decreet en anderzijds het agentschap in het kader van zijn toezichtsfunctie conform artikel 109, tweede lid, van voormeld decreet zich op basis van het INSZ-nummer van de gebruiker toegang kunnen verschaffen tot de volgende informatie:
  1° de verzekeringsstatus van de gebruiker;
  2° historiek van reeds aan de gebruiker verstrekte mobiliteitshulpmiddelen;
  3° in voorkomend geval, de opname van de gebruiker in een woonzorgcentrum of in een ziekenhuis;
  4° in voorkomend geval, andere lopende aanvragen voor mobiliteitshulpmiddelen;
  5° het bedrag voor onderhouds- en herstellingskosten dat ter beschikking staat van de gebruiker.
  De zorgkassen enerzijds en het agentschap in het kader van zijn toezichtsfunctie anderzijds moeten zich ook toegang kunnen verschaffen tot de inhoud van de documenten die conform dit besluit bij de aanvraag van een tegemoetkoming moeten worden gevoegd, van de huurovereenkomsten en van de afleveringsdocumenten. De documenten die bij de aanvraag van een tegemoetkoming moeten worden gevoegd, betreffen, afhankelijk van het mobiliteitshulpmiddel waarvoor een tegemoetkoming wordt aangevraagd:
  1° de aanvraag;
  2° het medisch voorschrift;
  3° het rolstoeladviesrapport;
  4° het motiveringsrapport;
  5° het bestek;
  6° het testrapport.
  
Art. 94. Les demandes d'interventions pour des aides à la mobilité sont introduites auprès de la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié, conformément à l'article 376.
  Outre la consultation des informations visées à l'article 52, [1 § 1er,]1 alinéa 1er, et à l'article 53, [1 § 1er,]1 alinéa 1er, du décret du 18 mai 2018, les caisses d'assurance soins, d'une part, conformément à l'article 22, alinéa 2, du décret précité, et l'agence dans le cadre de sa fonction de contrôle, d'autre part, conformément à l'article 109, alinéa 2, du décret précité, doivent pouvoir accéder aux informations suivantes sur la base du numéro NISS de l'usager :
  1° le statut d'assurance de l'usager ;
  2° l'historique des aides à la mobilité déjà fournies à l'usager ;
  3° le cas échéant, l'admission de l'usager dans un centre de soins résidentiels ou un hôpital ;
  4° le cas échéant, d'autres demandes en cours pour des aides à la mobilité ;
  5° le montant pour les frais d'entretien et de réparation qui est à la disposition de l'usager.
  Les caisses d'assurance soins, d'une part, et l'agence dans le cadre de sa fonction de contrôle, d'autre part, doivent également pouvoir accéder au contenu des documents à joindre à la demande d'intervention conformément au présent arrêté, des contrats de location et des documents de délivrance. Les documents à joindre à la demande d'intervention concernant, selon l'aide à la mobilité pour laquelle une intervention est demandée :
  1° la demande ;
  2° la prescription médicale ;
  3° le rapport d'avis en matière de voiturette ;
  4° le rapport de motivation ;
  5° le devis ;
  6° le rapport d'essai.
  
Art. 95. Het INSZ-nummer van de gebruiker wordt gebruikt in het kader van de facturatie door verstrekkers van mobiliteitshulpmiddelen van tegemoetkomingen aan de zorgkas conform boek 2, deel 2, titel 6, hoofdstuk 1.
Art. 95. Le numéro NISS de l'usager est utilisé dans le cadre de la facturation d'interventions par des fournisseurs d'aides à la mobilité à la caisse d'assurance soins, conformément au livre 2, partie 2, titre 6, chapitre 1er.
Art. 96. De verstrekkers van mobiliteitshulpmiddelen dienen aanvraagdocumenten, afleveringsdocumenten en facturen te bewaren gedurende een termijn van minimaal en maximaal tien jaar.
Art. 96. Les fournisseurs d'aides à la mobilité sont tenus de conserver les documents de demande, les documents de délivrance et les factures pendant une période minimale de dix ans.
Art. 97. De gegevens, vermeld in artikel 96, worden door het agentschap bewaard tot [1 vijf jaar na]1 het overlijden van de betreffende gebruiker.
  
Art. 97. Les données visées à l'article 96 sont conservées par l'agence [1 jusqu'à cinq ans après le]1 décès de l'usager concerné.
  
Art. 98. De documenten, vermeld in artikel 96 en 97, kunnen op elektronische wijze worden bewaard.
Art. 98. Les documents visés aux articles 96 et 97 peuvent être conservés sous forme électronique.
Art. 99. De Zorgkassencommissie en de Bijzondere Technische Commissie moeten, conform artikel 37, § 1, en artikel 133, 5, van het decreet van 18 mei 2018, in functie van de hen opgelegde taken, toegang krijgen tot de gegevens, vermeld in artikel 94.
Art. 99. La Commission des caisses d'assurance soins et la Commission technique spéciale doivent, conformément à l'article 37, § 1er, et à l'article 133, § 5, du décret du 18 mai 2018, en fonction des tâches leur imposées, avoir accès aux données visées à l'article 94.
Art. 100. De gegevens, vermeld in artikel 50, zesde lid, van het decreet van 18 mei 2018, waartoe het VAPH zich toegang moet kunnen verschaffen, zijn de volgende:
  1° de mobiliteitshulpmiddelen waarvoor de gebruiker een tegemoetkoming heeft aangevraagd;
  2° de mobiliteitshulpmiddelen waarvoor de door de gebruiker aangevraagde tegemoetkoming werd goedgekeurd en de datum van de goedkeuring;
  3° de hoofdgroep en de subgroep van de prestatielijst waartoe het mobiliteitshulpmiddel behoort.
  Het VAPH heeft slechts toegang tot de documenten die conform dit besluit bij een aanvraag van een tegemoetkoming voor een mobiliteitshulpmiddel worden gevoegd in de gevallen waarbij het gaat om een gebruiker met een snel degeneratieve aandoening of een daarmee gelijkgestelde aandoening die ook bij het VAPH een aanvraag wenst in te dienen van een tegemoetkoming voor een ander hulpmiddel.
Art. 100. Les données visées à l'article 50, alinéa 6, du décret du 18 mai 2018, auxquelles l'Agence flamande pour les Personnes handicapées (VAPH) doit pouvoir accéder sont les suivantes :
  1° les aides à la mobilité pour lesquelles l'usager a demandé une intervention ;
  2° les aides à la mobilité pour lesquelles l'intervention demandée par l'usager a été approuvée et la date de l'approbation ;
  3° le groupe principal et le sous-groupe de la liste des prestations auxquels l'aide à la mobilité appartient.
  La VAPH n'a accès aux documents joints à une demande d'intervention pour une aide à la mobilité conformément au présent arrêté que dans les cas où il s'agit d'un usager atteint d'une affection dégénérative rapide ou d'une affection assimilée qui souhaite également introduire auprès de la VAPH une demande d'intervention pour une autre aide.
Art. 101. De gegevens, vermeld in artikel 50, derde lid, van het decreet van 18 mei 2018, waartoe de adviserend-artsen zich toegang moeten kunnen verschaffen, zijn de volgende:
  1° de mobiliteitshulpmiddelen waarvoor de gebruiker een tegemoetkoming heeft aangevraagd;
  2° de mobiliteitshulpmiddelen waarvoor de door de gebruiker aangevraagde tegemoetkoming werd goedgekeurd en de datum van de goedkeuring;
  3° de hoofdgroep en de subgroep van de prestatielijst waartoe het mobiliteitshulpmiddel behoort;
  4° een of meer van de volgende documenten, afhankelijk van het mobiliteitshulpmiddel waarvoor een tegemoetkoming wordt aangevraagd of verleend:
  a) de aanvraag;
  b) medisch voorschrift;
  c) rolstoeladviesrapport;
  d) motiveringsrapport;
  e) bestek;
  f) testrapport;
  g) de huurovereenkomst;
  h) het afleveringsdocument.
Art. 101. Les données visées à l'article 50, alinéa 3, du décret du 18 mai 2018, auxquelles les médecins-conseils doivent pouvoir accéder sont les suivantes :
  1° les aides à la mobilité pour lesquelles l'usager a demandé une intervention ;
  2° les aides à la mobilité pour lesquelles l'intervention demandée par l'usager a été approuvée et la date de l'approbation ;
  3° le groupe principal et le sous-groupe de la liste des prestations auxquels l'aide à la mobilité appartient ;
  4° un ou plusieurs des documents suivants, en fonction de l'aide à la mobilité pour laquelle une intervention est demandée ou accordée :
  a) la demande ;
  b) la prescription médicale ;
  c) le rapport d'avis en matière de voiturette ;
  d) le rapport de motivation ;
  e) le devis ;
  f) le rapport d'essai ;
  g) le contrat de location ;
  h) le document de délivrance.
Art. 102. De gegevens, vermeld in artikel 50, vierde en vijfde lid, van het decreet van 18 mei 2018, waartoe de diensten voor maatschappelijk werk van de ziekenfondsen, de sociale dienst van de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, de sociale dienst van de Kas der geneeskundige verzorging van de N.M.B.S. Holding en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn zich toegang moeten kunnen verschaffen, zijn de volgende:
  1° de mobiliteitshulpmiddelen waarvoor de gebruiker een tegemoetkoming heeft aangevraagd;
  2° de mobiliteitshulpmiddelen waarvoor de door de gebruiker aangevraagde tegemoetkoming werd goedgekeurd en de datum van de goedkeuring;
  3° de hoofdgroep en de subgroep van de prestatielijst waartoe het mobiliteitshulpmiddel behoort.
Art. 102. Les données visées à l'article 50, alinéas 4 et 5, du décret du 18 mai 2018, auxquelles les services sociaux des mutualités, le service social de la Caisse auxiliaire d'assurance maladie-invalidité, le service social de la Caisse des Soins de santé de la SNCB Holding et les centres publics d'action sociale doivent pouvoir accéder sont les suivantes :
  1° les aides à la mobilité pour lesquelles l'usager a demandé une intervention ;
  2° les aides à la mobilité pour lesquelles l'intervention demandée par l'usager a été approuvée et la date de l'approbation ;
  3° le groupe principal et le sous-groupe de la liste des prestations auxquels l'aide à la mobilité appartient.
Titel 3. - Residentiële ouderenzorg
Titre 3. - Soins résidentiels aux personnes âgées
Art. 103. Met het oog op de aanmelding van een gebruiker, bezorgt de gebruiker zijn INSZ-nummer aan het woonzorgcentrum, centrum voor kortverblijf of [1 centrum voor dagverzorging]1.
  Het woonzorgcentrum, centrum voor kortverblijf of [1 centrum voor dagverzorging]1 moet zich op basis van het INSZ-nummer van de gebruiker toegang kunnen verschaffen tot informatie over:
  1° de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten;
  2° de verzekeringsstatus van de gebruiker;
  3° naam en voornaam;
  4° geboortedatum;
  5° geslacht;
  6° hoofdverblijfplaats;
  7° in voorkomend geval, datum van overlijden.
  
Art. 103. En vue de la déclaration d'un usager, l'usager transmet son numéro NISS au centre de soins résidentiels, centre de court séjour ou centre de soins de jour.
  Le centre de soins résidentiels, le centre de court séjour ou le centre de soins de jour doit pouvoir accéder, sur la base du numéro NISS de l'usager, aux informations concernant :
  1° la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié ;
  2° le statut d'assurance de l'usager ;
  3° ses nom et prénom ;
  4° sa date de naissance ;
  5° son sexe ;
  6° sa résidence principale ;
  7° le cas échéant, la date de son décès.
  

Änderungen

[1]pas en français
Art. 104. § 1. Met het oog op de aanmelding van de gebruiker worden door het woonzorgcentrum, centrum voor kortverblijf of [1 centrum voor dagverzorging]1 de volgende gegevens bezorgd aan de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten:
  1° opnames en verblijfsgegevens;
  2° indicatiestellingen, met name:
  a) de score van de gebruiker op de items als vermeld in artikel 424;
  b) de datum van de bijkomende attesten en verslagen als vermeld in artikel 450, 4° tot en met 6°.
  De minister kan nader bepalen wat onder verblijfsgegevens moet worden verstaan.
  § 2. Naast de raadpleging van de informatiegegevens, vermeld in artikel 52, [2 § 1,]2 eerste lid, en artikel 53, [2 § 1,]2 eerste lid, van het decreet van 18 mei 2018, moeten enerzijds de zorgkassen conform artikel 22, tweede lid, van voormeld decreet en anderzijds het agentschap conform artikel 145, § 2, derde lid, 148, § 2, derde lid, artikel 150, § 2, derde lid en artikel 152, § 2, derde lid, van voormeld decreet, in het kader van zijn toezichtsfunctie zich op basis van het INSZ-nummer van de gebruiker toegang kunnen verschaffen tot de gegevens, vermeld in paragraaf 1, eerste lid.
  
Art. 104. § 1er. En vue de la déclaration d'un usager, le centre de soins résidentiels, le centre de court séjour ou le centre de soins de jour transmet les informations suivantes à la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié :
  1° les admissions et les données relatives au séjour ;
  2° les indications, notamment :
  a) le score de l'usager sur les items visés à l'article 424 ;
  b) la date des attestations et rapports supplémentaires tels que visés à l'article 450, 4° à 6°.
  Le ministre peut préciser ce qu'il faut entendre par `données relatives au séjour'.
  § 2. Outre la consultation des informations visées à l'article 52, [1 § 1er,]1 alinéa 1er, et à l'article 53, [1 § 1er,]1 alinéa 1er, du décret du 18 mai 2018, les caisses d'assurance soins, d'une part, conformément à l'article 22, alinéa 2, du décret précité, et l'agence dans le cadre de sa fonction de contrôle, d'autre part, conformément à l'article 145, § 2, alinéa 3, à l'article 148, § 2, alinéa 3, à l'article 150, § 2, alinéa 3, et à l'article 152, § 2, alinéa 3, du décret précité, doivent pouvoir accéder aux informations visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, sur la base du numéro NISS de l'usager.
  
Art. 105. Het INSZ-nummer van de gebruiker wordt gebruikt in het kader van de facturatie door woonzorgcentra, centra voor kortverblijf en centra voor dagverzorging van tegemoetkomingen aan de zorgkas conform boek 3, deel 6.
Art. 105. Le numéro NISS de l'usager est utilisé dans le cadre de la facturation d'interventions par des centres de soins résidentiels, centres de court séjour et centres de soins de jour à la caisse d'assurance soins, conformément au livre 3, partie 6.
Art. 106. De woonzorgcentra, centra voor kortverblijf en [1 centra voor dagverzorging]1 dienen de documenten en gegevens die nodig zijn voor de uitvoering van dit besluit te bewaren gedurende een termijn van minimaal en maximaal tien jaar, tenzij andere wetgeving die van toepassing is, een langere bewaartermijn bepaalt.
  
Art. 106. Les centres de soins résidentiels, centres de court séjour et centres de soins de jour sont tenus de conserver les documents et informations nécessaires à l'exécution du présent arrêté pendant une période maximale de dix ans, à moins qu'un délai de conservation plus long ne soit prescrit par une autre législation applicable.
  

Änderungen

[1]pas en français
Art. 107. De gegevens, vermeld in artikel 106, worden door het agentschap bewaard tot aan het overlijden van de betreffende gebruiker.
Art. 107. Les données visées à l'article 106 sont conservées par l'agence jusqu'au décès de l'usager concerné.
Art. 108. De documenten, vermeld in artikel 106 en 107, kunnen op elektronische wijze worden bewaard.
Art. 108. Les documents visés aux articles 106 et 107 peuvent être conservés sous forme électronique.
Art. 109. Conform artikel 37, § 1, van het decreet van 18 mei 2018, moet de Zorgkassencommissie, in functie van de haar opgelegde taken, toegang krijgen tot de gegevens, vermeld in artikel 103 en 104, § 1, eerste lid, met uitzondering van gegevens betreffende de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten.
Art. 109. Conformément à l'article 37, § 1er, du décret du 18 mai 2018, la Commission des caisses d'assurance soins doit, en fonction des tâches lui imposées, avoir accès aux données visées aux articles 103 et 104, § 1er, alinéa 1er, à l'exception des données relatives à la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié.
Art. 110. De gegevens, vermeld in artikel 50, derde lid, van het decreet van 18 mei 2018, waartoe de adviserend-artsen zich toegang moeten kunnen verschaffen, zijn de volgende:
  1° opnames en verblijfsgegevens;
  2° indicatiestellingen, met name:
  a) de score van de gebruiker op de items als vermeld in artikel 424;
  b) de datum van de bijkomende attesten en verslagen als vermeld in artikel 450, 4° tot en met 6°.
Art. 110. Les données visées à l'article 50, alinéa 3, du décret du 18 mai 2018, auxquelles les médecins-conseils doivent pouvoir accéder sont les suivantes :
  1° les admissions et les données relatives au séjour ;
  2° les indications, notamment :
  a) le score de l'usager sur les items visés à l'article 424 ;
  b) la date des attestations et rapports supplémentaires tels que visés à l'article 450, 4° à 6°.
Art. 111. De gegevens, vermeld in artikel 50, vierde en vijfde lid, van het decreet van 18 mei 2018, waartoe de diensten voor maatschappelijk werk van de ziekenfondsen, de sociale dienst van de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, de sociale dienst van de Kas der geneeskundige verzorging van de N.M.B.S. Holding en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn zich toegang moeten kunnen verschaffen, zijn de gegevens, vermeld in artikel 110.
Art. 111. Les données visées à l'article 50, alinéas 4 et 5, du décret du 18 mai 2018, auxquelles les services sociaux des mutualités, le service social de la Caisse auxiliaire d'assurance maladie-invalidité, le service social de la Caisse des Soins de santé de la SNCB Holding et les centres publics d'action sociale doivent pouvoir accéder sont celles visées à l'article 110.
Titel 4. [1 Revalidatieziekenhuizen]1
Titre 4. [1 Hôpitaux de revalidation]1
Art. 111/1. [1 Met het oog op de meldingen, vermeld in artikel 534/59, over de gebruiker bezorgt de gebruiker zijn INSZ-nummer aan het revalidatieziekenhuis.
   Het revalidatieziekenhuis moet zich op basis van het INSZ-nummer van de gebruiker toegang kunnen verschaffen tot informatie over:
   1° de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten;
   2° de verzekeringsstatus van de gebruiker;
   3° de voor- en achternaam van de gebruiker;
   4° de geboortedatum van de gebruiker;
   5° het geslacht van de gebruiker;
   6° de hoofdverblijfplaats van de gebruiker;
   7° in voorkomend geval, de datum van overlijden van de gebruiker.]1

  
Art. 111/1. [1 En vue des notifications, visées à l'article 534/59, au sujet de l'usager, l'usager transmet son numéro NISS à l'hôpital de revalidation.
   L'hôpital de revalidation doit pouvoir accéder, sur la base du numéro NISS de l'usager, aux informations concernant :
   1° la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié ;
   2° le statut d'assurance de l'usager ;
   3° les nom et prénom de l'usager ;
   4° la date de naissance de l'usager ;
   5° le sexe de l'usager ;
   6° le résidence principale de l'usager ;
   7° le cas échéant, la date de décès de l'usager.]1

  
Art. 111/2. [1 § 1. Met het oog op de meldingen, vermeld in artikel 534/59, van de gebruiker bezorgt het revalidatieziekenhuis de volgende gegevens aan de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten:
   1° de melding of het gaat om een nieuwe opname, een ontslag, een wijziging of een verlenging van de opname, een tijdelijke afwezigheid, een annulatie of een correctie;
   2° opname- en verblijfsgegevens van de gebruiker. Hieronder zijn eveneens gegevens over de gezondheid inbegrepen, met name de hoofd- en bijkomende diagnose, de uitgevoerde tussenkomsten, de gegevens over het tijdstip van de opname van de gebruiker in het revalidatieziekenhuis en het ontslag van de gebruiker uit revalidatieziekenhuis en de dienst waarin de gebruiker is opgenomen.
   De minister kan nader bepalen wat onder opnamegegevens moet worden verstaan.
   § 2. Naast de raadpleging van de informatiegegevens, vermeld in artikel 52, § 1, eerste lid, en artikel 53, § 1, eerste lid, van het decreet van 18 mei 2018, moeten enerzijds de zorgkassen conform artikel 22, tweede lid, van het voormelde decreet en anderzijds het agentschap conform artikel 11, 2°, en artikel 36, eerste lid, van het voormelde decreet zich op basis van het INSZ-nummer van de gebruiker toegang kunnen verschaffen tot de gegevens, vermeld in paragraaf 1, eerste lid.]1

  
Art. 111/2. [1 § 1er. En vue des notifications, visées à l'article 534/59, au sujet de l'usager, l'hôpital de revalidation transmet les données suivantes à la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié :
   1° la notification selon laquelle il s'agit d'une nouvelle admission, d'une sortie, d'une modification ou d'une prolongation de l'admission, d'une absence temporaire, d'une annulation ou d'une correction ;
   2° les données relatives à l'admission et au séjour de l'usager. Sont également comprises les données relatives à la santé, notamment le diagnostic principal et secondaire, les interventions effectuées, les données sur l'heure de l'admission de l'usager à l'hôpital de revalidation et de sa sortie de l'hôpital de revalidation et le service dans lequel l'usager a été admis.
   Le ministre peut préciser ce qu'il faut entendre par " données relatives à l'admission ".
   § 2. Outre la consultation des informations visées à l'article 52, § 1er, alinéa 1er, et à l'article 53, § 1er, alinéa 1er, du décret du 18 mai 2018, les caisses d'assurance soins, d'une part, conformément à l'article 22, alinéa 2, du décret précité, et l'agence, d'autre part, conformément à l'article 11, 2°, et à l'article 36, alinéa 1er, du décret précité, doivent pouvoir accéder aux données visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, sur la base du numéro NISS de l'usager.]1

  
Art. 111/3. [1 Het INSZ-nummer van de gebruiker wordt gebruikt in het kader van de facturatie door de revalidatieziekenhuizen conform artikel 534/68.]1
  
Art. 111/3. [1 Le numéro NISS de l'usager est utilisé dans le cadre de la facturation par les hôpitaux de revalidation conformément à l'article 534/68.]1
  
Art. 111/4. [1 De revalidatieziekenhuizen moeten de documenten en gegevens die nodig zijn voor de uitvoering van dit besluit, bewaren gedurende een termijn van minimaal en maximaal tien jaar, tenzij dit besluit of een andere wetgeving die van toepassing is, een specifieke bewaartermijn bepaalt.]1
  
Art. 111/4. [1 Les hôpitaux de revalidation sont tenus de conserver les documents et données nécessaires à l'exécution du présent arrêté pendant une période minimale de dix ans, à moins que le présent arrêté ou une autre législation applicable ne prescrive un délai de conservation spécifique.]1
  
Art. 111/5. [1 Het agentschap bewaart de documenten en gegevens, vermeld in artikel 111/4, tot dertig jaar na het einde van de opname in kwestie of vijf jaar na het overlijden van de gebruiker.]1
  
Art. 111/5. [1 L'agence conserve les documents et données visés à l'article 111/4 jusqu'à trente ans après la fin de l'hospitalisation en question ou cinq ans après le décès de l'usager.]1
  
Art. 111/6. [1 De documenten en gegevens, vermeld in artikel 111/4 en artikel 111/5, kunnen op elektronische wijze worden bewaard.]1
  
Art. 111/6. [1 Les documents et données visés aux articles 111/4 et 111/5 peuvent être conservés sous forme électronique.]1
  
Art. 111/7. [1 Conform artikel 37, § 1, van het decreet van 18 mei 2018 moet de Zorgkassencommissie voor de taken die aan haar zijn opgelegd, toegang krijgen tot de gegevens, vermeld in artikel 111/1 en artikel 111/2, § 1, eerste lid, met uitzondering van gegevens over de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten.]1
  
Art. 111/7. [1 Conformément à l'article 37, § 1er, du décret du 18 mai 2018, la Commission des caisses d'assurance soins doit avoir accès, pour les tâches qui lui ont été dévolues, aux données visées aux articles 111/1 et 111/2, § 1er, alinéa 1er, à l'exception des données relatives à la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié.]1
  
Art. 111/8. [1 De gegevens, vermeld in artikel 50, vierde en vijfde lid, van het decreet van 18 mei 2018, waartoe de diensten voor maatschappelijk werk van de ziekenfondsen, de sociale dienst van de Hulpkas voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering, de sociale dienst van de Kas der Geneeskundige Verzorging van de NMBS Holding en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn zich toegang moeten kunnen verschaffen, zijn de gegevens, vermeld in artikel 111/2, § 1, eerste lid, 2°.]1
  
Art. 111/8. [1 Les données visées à l'article 50, alinéas 4 et 5, du décret du 18 mai 2018, auxquelles les services sociaux des mutualités, le service social de la Caisse auxiliaire d'assurance maladie-invalidité, le service social de la Caisse des Soins de santé de la SNCB et les centres publics d'action sociale doivent pouvoir accéder sont celles visées à l'article 111/2, § 1er, alinéa 1er, 2°.]1
  
Titel 5. [1 Multidisciplinair overleg]1
Titre 5. [1 Concertation multidisciplinaire]1
Art. 111/9. [1 Met het oog op de indiening van een aanvraag van een tegemoetkoming voor een multidisciplinair overleg, conform de bepalingen van dit besluit, bezorgt de gebruiker zijn INSZ-nummer aan de overlegorganisator.
   De overlegorganisator moet zich op basis van het INSZ-nummer van de gebruiker toegang kunnen verschaffen tot informatie over:
   1° de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten;
   2° de verzekeringsstatus van de gebruiker;
   3° de voor- en achternaam van de gebruiker;
   4° historiek van de vergoedingen die de betrokken overlegorganisator voor de gebruiker heeft ingegeven.]1

  
Art. 111/9. [1 En vue de l'introduction d'une demande d'intervention pour une concertation multidisciplinaire conformément aux dispositions du présent arrêté, l'usager transmet son numéro NISS à l'organisateur de concertation.
   L'organisateur de concertation doit pouvoir accéder, sur la base du numéro NISS de l'usager, aux informations concernant :
   1° la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié ;
   2° le statut d'assurance de l'usager ;
   3° les nom et prénom de l'usager ;
   4° l'historique des indemnités que l'organisateur de concertation concerné a entrées pour l'usager.]1

  
Art. 111/10. [1 Met het oog op de indiening van een aanvraag van een tegemoetkoming voor een multidisciplinair overleg, conform de bepalingen van dit besluit, verwerkt de overlegorganisator de volgende gegevens van de zorgaanbieders en, in voorkomend geval, van de zorgbemiddelaar:
   1° voor- en achternaam;
   2° in voorkomend geval, naam, adres en KBO-nummer van de organisatie waarbij de zorgaanbieder of zorgbemiddelaar werkt;
   3° als de zorgaanbieder of zorgbemiddelaar niet bij een organisatie werkt, het adres en, in voorkomend geval, het RIZIV-nummer;
   4° rekeningnummer van de financiële instelling;
   5° datum van het multidisciplinair overleg waaraan ze hebben deelgenomen.]1

  
Art. 111/10. [1 En vue de l'introduction d'une demande d'intervention pour une concertation multidisciplinaire conformément aux dispositions du présent arrêté, l'organisateur de concertation traite les données suivantes des prestataires de soins et, le cas échéant, du médiateur de soins :
   1° les nom et prénom ;
   2° le cas échéant, le nom, l'adresse et le numéro BCE de l'organisation auprès de laquelle le prestataire de soins ou le médiateur de soins travaille ;
   3° si le prestataire de soins ou le médiateur de soins ne travaille pas auprès d'une organisation, l'adresse et, le cas échéant, le numéro INAMI ;
   4° le numéro de compte de l'institution financière ;
   5° la date de la concertation multidisciplinaire à laquelle ils ont pris part.]1

  
Art. 111/11. [1 Aanvragen van een tegemoetkoming voor een multidisciplinair overleg worden ingediend bij de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten.
   Naast de raadpleging van de informatiegegevens, vermeld in artikel 52, § 1, eerste lid, en artikel 53, § 1, eerste lid, van het decreet van 18 mei 2018, moeten enerzijds de zorgkassen conform artikel 22, tweede lid, van het voormelde decreet en anderzijds het agentschap in het kader van zijn toezichtfunctie conform artikel 109, tweede lid, van het voormelde decreet zich op basis van het INSZ-nummer van de gebruiker toegang kunnen verschaffen tot de volgende informatie:
   1° de verzekeringsstatus van de gebruiker;
   2° historiek van de multidisciplinaire overleggen die vergoed zijn voor de gebruiker;
   3° in voorkomend geval, de opname van de gebruiker in een instelling en de duur van de opname in die instelling;
   4° in voorkomend geval, lopende aanvragen voor multidisciplinair overleg.
   De zorgkassen en het agentschap, in het kader van zijn toezichtfunctie, moeten ook toegang hebben tot de persoonsgegevens van de zorgaanbieders en, in voorkomend geval, van de zorgbemiddelaar, vermeld in artikel 111/10.]1

  
Art. 111/11. [1 Les demandes d'intervention pour une concertation multidisciplinaire sont introduites auprès de la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié.
   Outre la consultation des informations visées à l'article 52, § 1er, alinéa 1er, et à l'article 53, § 1er, alinéa 1er, du décret du 18 mai 2018, les caisses d'assurance soins, d'une part, conformément à l'article 22, alinéa 2, du décret précité, et l'agence dans le cadre de sa fonction de contrôle, d'autre part, conformément à l'article 109, alinéa 2, du décret précité, doivent pouvoir accéder aux informations suivantes sur la base du numéro NISS de l'usager :
   1° le statut d'assurance de l'usager ;
   2° l'historique des concertations multidisciplinaires qui ont été indemnisées pour l'usager ;
   3° le cas échéant, l'admission de l'usager dans un établissement et la durée du séjour dans cet établissement ;
   4° le cas échéant, les demandes de concertation multidisciplinaire en cours.
   Les caisses d'assurance soins et l'agence, dans le cadre de sa fonction de contrôle, doivent également avoir accès aux données à caractère personnel des prestataires de soins et, le cas échéant, du médiateur de soins visés à l'article 111/10.]1

  
Art. 111/12. [1 Het INSZ-nummer van de gebruiker wordt gebruikt in het kader van de aanvraag van een tegemoetkoming voor het multidisciplinair overleg door de overlegorganisator, vermeld in artikel 534/86, § 3.]1
  
Art. 111/12. [1 Le numéro NISS de l'usager est utilisé dans le cadre de la demande d'intervention pour la concertation multidisciplinaire par l'organisateur de concertation, visée à l'article 534/86, § 3.]1
  
Art. 111/13. [1 De overlegorganisatoren bewaren aanvraagdocumenten en het zorg- en begeleidingsplan voor een termijn van minimaal en maximaal tien jaar na het laatste vergoedbare multidisciplinair overleg over de gebruiker.]1
  
Art. 111/13. [1 Les organisateurs de concertation conservent les documents de demande et le plan de soins et d'accompagnement pendant une période minimale de dix ans suivant la dernière concertation multidisciplinaire remboursable concernant l'usager.]1
  
Art. 111/14. [1 Het agentschap bewaart de aanvraagdocumenten, vermeld in artikel 111/13, tot dertig jaar na het laatste vergoedbare multidisciplinair overleg over de gebruiker of vijf jaar na het overlijden van de gebruiker.]1
  
Art. 111/14. [1 L'agence conserve les documents de demande visés à l'article 111/13 jusqu'à trente jours après la dernière concertation multidisciplinaire remboursable concernant l'usager ou cinq ans après le décès de l'usager.]1
  
Art. 111/15. [1 De documenten, vermeld in artikel 111/13 en artikel 111/14, kunnen op elektronische wijze worden bewaard.]1
  
Art. 111/15. [1 Les documents visés aux articles 111/13 et 111/14 peuvent être conservés sous forme électronique.]1
  
Titel 6. [1 Revalidatievoorzieningen ]1
Titre 6. [1 Structures de revalidation ]1
Art. 111/16. [1 [2 Met het oog op de indiening van de aanvraag van de tegemoetkoming voor revalidatieverstrekkingen, vermeld in artikel 534/111, waarbij, in voorkomend geval, de aanvraag van de tegemoetkoming, vermeld in artikel 534/105/1, wordt gevoegd, bezorgt de gebruiker zijn INSZ-nummer aan de revalidatievoorziening]2. De revalidatievoorziening verschaft zich op basis van het INSZ-nummer van de gebruiker toegang tot informatie over al de volgende aspecten:
   1° de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten;
   2° de verzekeringsstatus van de gebruiker;
   3° de voor- en achternaam van de gebruiker;
   4° de geboortedatum van de gebruiker;
   5° het geslacht van de gebruiker;
   6° de hoofdverblijfplaats van de gebruiker;
   7° in voorkomend geval, de datum van overlijden van de gebruiker. ]1

  
Art. 111/16. [1 [2 En vue de l'introduction de la demande d'intervention pour des prestations de revalidation, visée à l'article 534/111, à laquelle est jointe, le cas échéant, la demande de l'intervention visée à l'article 534/105/1, l'usager transmet son numéro NISS à la structure de revalidation]2. La structure de revalidation accède aux informations relatives à l'ensemble des aspects suivants au moyen du numéro NISS de l'usager :
   1° la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié ;
   2° le statut d'assurance de l'usager ;
   3° les prénom et nom de l'usager ;
   4° la date de naissance de l'usager ;
   5° le sexe de l'usager ;
   6° la résidence principale de l'usager ;
   7° le cas échéant, la date du décès de l'usager. ]1

  
Art. 111/17. [1 [2 Met het oog op de indiening van de aanvraag van een tegemoetkoming voor een revalidatieverstrekking, vermeld in artikel 534/111, bezorgt de revalidatievoorziening de volgende gegevens aan de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten:" wordt vervangen door de zinsnede "Met het oog op de indiening van de aanvraag van de tegemoetkoming voor revalidatieverstrekkingen, vermeld in artikel 534/111, waarbij, in voorkomend geval, de aanvraag van de tegemoetkoming, vermeld in artikel 534/105/1, wordt gevoegd, bezorgt de revalidatievoorziening de volgende gegevens aan de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten]2:
   1° de gegevens van de revalidatievoorziening;
   2° de gegevens over de soort revalidatieverstrekking;
   3° de periode waarin de revalidatieverstrekkingen plaatsvinden;
   4° de geïnformeerde toestemming van de gebruiker conform artikel 534/111, 2° ;
   5° het medische verslag van de behandelende arts van de revalidatievoorziening conform artikel 534/111, 3° ;
  [2 5° /1 het medische verslag, vermeld in artikel 534/111, 4°]2
   6° de voor- en achternaam en het INSZ-nummer van de gebruiker.
   Naast de raadpleging van de informatiegegevens, vermeld in artikel 52, § 1, eerste lid, en artikel 53, § 1, eerste lid, van het decreet van 18 mei 2018, verschaffen enerzijds de zorgkassen voor de toepassing van artikel 22, tweede lid, van het voormelde decreet en anderzijds het agentschap voor de toepassing van artikel 11, 2°, en artikel 36, eerste lid, van het voormelde decreet zich op basis van het INSZ-nummer van de gebruiker toegang tot de gegevens, vermeld in het eerste lid. ]1

  
Art. 111/17. [1 [2 En vue de l'introduction de la demande d'intervention pour une prestation de revalidation visée à l'article 534/111, la structure de revalidation transmet les informations suivantes à la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié : " est remplacé par le membre de phrase " En vue de l'introduction de la demande d'intervention pour des prestations de revalidation, visée à l'article 534/111, à laquelle est jointe, le cas échéant, la demande de l'intervention visée à l'article 534/105/1, la structure de revalidation transmet à la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié les informations suivantes ]2 :
   1° les coordonnées de la structure de revalidation ;
   2° les informations relatives au type de prestation de revalidation ;
   3° la période au cours de laquelle les prestations de revalidation ont lieu ;
   4° le consentement éclairé de l'usager conformément à l'article 534/111, 2° ;
   5° le rapport médical du médecin traitant de la structure de revalidation conformément à l'article 534/111, 3° ;
  [2 5° /1 le rapport médical mentionné à l'article 534/111, 4° ; ]2
   6° les nom et prénom et le numéro NISS de l'usager.
   Outre la consultation des informations visées à l'article 52, § 1er, alinéa 1er, et à l'article 53, § 1er, alinéa 1er, du décret du 18 mai 2018, les caisses d'assurance soins, d'une part, pour l'application de l'article 22, alinéa 2, du décret précité, et l'agence, d'autre part, pour l'application de l'article 11, 2°, et de l'article 36, alinéa 1er, du décret susmentionné, accèdent aux informations visées à l'alinéa 1er, à l'aide du numéro NISS de l'usager : ]1

  
Art. 111/18. [1 Het INSZ-nummer van de gebruiker wordt gebruikt in het kader van de facturatie door de revalidatievoorzieningen conform artikel 534/119 tot en met 534/121. ]1
  
Art. 111/18. [1 Le numéro NISS de l'usager est utilisé dans le cadre de la facturation par les structures de revalidation conformément aux articles 534/119 à 534/121. ]1
  
Art. 111/19. [1 De revalidatievoorzieningen bewaren de documenten en gegevens die nodig zijn voor de uitvoering van dit besluit, gedurende minimaal en maximaal tien jaar, tenzij dit besluit of een andere wetgeving die van toepassing is, een specifieke bewaartermijn bepaalt. ]1
  
Art. 111/19. [1 Les structures de revalidation conservent les documents et les données nécessaires à l'exécution du présent arrêté pendant une durée minimale et maximale de 10 ans, à moins que le présent arrêté ou une autre législation applicable ne prévoie un délai de conservation spécifique. ]1
  
Art. 111/20. [1 Het agentschap bewaart de documenten en gegevens, vermeld in artikel 111/19, tot dertig jaar na het einde van de aanvraag in kwestie of tot vijf jaar na het overlijden van de gebruiker. ]1
  
Art. 111/20. [1 L'agence conserve les documents et données visés à l'article 111/19 jusqu'à trente ans après la fin de la demande en question ou jusqu'à cinq ans après le décès de l'usager. ]1
  
Art. 111/21. [1 De documenten en gegevens, vermeld in artikel 111/19 en 111/20, kunnen op elektronische wijze worden bewaard. ]1
  
Art. 111/21. [1 Les documents et données visés aux articles 111/19 et 111/20 peuvent être conservés sous forme électronique. ]1
  
Art. 111/22. [1 Conform artikel 37, § 1, van het decreet van 18 mei 2018 krijgt de Zorgkassencommissie voor de taken die aan haar zijn opgelegd, toegang tot de gegevens, vermeld in artikel 111/16 en artikel 111/17, eerste lid, van dit besluit, met uitzondering van gegevens over de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten. ]1
  
Art. 111/22. [1 Conformément à l'article 37, § 1er, du décret du 18 mai 2018, la Commission des caisses d'assurance soins a accès, pour les tâches qui lui sont imposées, aux données visées aux articles 111/16 et 111/17, alinéa 1er, du présent arrêté, à l'exception des données relatives à la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié. ]1
  
Art. 111/23. [1 De gegevens, vermeld in artikel 50, vierde en vijfde lid, van het decreet van 18 mei 2018, waartoe de diensten voor maatschappelijk werk van de ziekenfondsen, de sociale dienst van de Hulpkas voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering, de sociale dienst van de Kas der Geneeskundige Verzorging van de NMBS Holding en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn zich toegang moeten kunnen verschaffen, zijn de gegevens, vermeld in artikel 111/17, eerste lid, 2°, van dit besluit. ]1
  
Art. 111/23. [1 Les données, visées à l'article 50, alinéas 4 et 5, du décret du 18 mai 2018, auxquelles les services sociaux des mutualités, le service social de la Caisse auxiliaire d'assurance maladie-invalidité, le service social de la Caisse des Soins de santé de la SNCB Holding et les centres publics d'action sociale doivent pouvoir accéder, sont les données visées à l'article 111/17, alinéa 1er, 2°, du présent arrêté. ]1
  
Titel 7 [1 Psychiatrische verzorgingstehuizen ]1
Titre 7. [1 Maisons de soins psychiatriques ]1
Art. 111/24. [1 Om de aanvraag van een tegemoetkoming voor zorg, vermeld in artikel 534/156 van dit besluit, in te dienen, bezorgt de gebruiker zijn INSZ-nummer aan het psychiatrisch verzorgingstehuis. Het psychiatrisch verzorgingstehuis verschaft zich op basis van het INSZ-nummer van de gebruiker toegang tot informatie over al de volgende aspecten:
Art. 111/24 [1 Afin d'introduire une demande d'intervention pour soins, figurant à l'article 534/156 du présent arrêté, l'usager transmet son numéro NISS à la maison de soins psychiatriques. La maison de soins psychiatriques accède aux informations relatives à l'ensemble des aspects suivants au moyen du numéro NISS de l'usager :
Art. 111/25. [1 Om de aanvraag van een tegemoetkoming voor zorg en de bijkomende forfaitaire tegemoetkoming, vermeld in artikel 534/156, in te dienen, bezorgt het psychiatrisch verzorgingstehuis al de volgende gegevens aan de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten:
Art. 111/25 [1 Pour introduire la demande d'intervention pour soins et d'intervention forfaitaire supplémentaire, figurant à l'article 534/156, la maison de soins psychiatriques fournit l'ensemble des données suivantes à la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié :
Art. 111/26. [1 Het INSZ-nummer van de gebruiker wordt gebruikt in het kader van de facturatie door de psychiatrische verzorgingstehuizen conform artikel 534/162 tot en met 534/164. ]1
Art. 111/26 [1 Le numéro NISS de l'usager est utilisé dans le cadre de la facturation par les maisons de soins psychiatriques conformément aux articles 534/162 à 534/164. ]1
Art. 111/27. [1 De psychiatrische verzorgingstehuizen bewaren de documenten en gegevens die nodig zijn om dit besluit uit te voeren, gedurende een termijn van minimaal en maximaal tien jaar, tenzij dit besluit of een andere wetgeving die van toepassing is, een specifieke bewaartermijn bepaalt. ]1
Art. 111/27 [1 Les maisons de soins psychiatriques conservent les documents et les données nécessaires à l'exécution du présent arrêté pendant une durée minimum et maximum de dix ans, à moins que le présent arrêté ou une autre législation applicable ne prévoie un délai de conservation spécifique. ]1
Art. 111/28. [1 Het agentschap bewaart de documenten en de gegevens, vermeld in artikel 111/27, tot dertig jaar na het einde van de aanvraag in kwestie of vijf jaar na het overlijden van de gebruiker. ]1
Art. 111/28 [1 Les maisons de soins psychiatriques conservent les documents et les données nécessaires à l'exécution du présent arrêté pendant une durée minimum et maximum de dix ans, à moins que le présent arrêté ou une autre législation applicable ne prévoie un délai de conservation spécifique.]1
Art. 111/29. [1 De documenten en gegevens, vermeld in artikel 111/27 en 111/28, kunnen op elektronische wijze worden bewaard ]1
Art. 111/29 [1 Les documents et données figurant aux articles 111/27 et 111/28 peuvent être conservés sous forme électronique. ]1
Art. 111/30. [1 Conform artikel 37, § 1, van het decreet van 18 mei 2018 krijgt de Zorgkassencommissie voor de taken die aan haar zijn opgelegd, toegang tot de gegevens, vermeld in artikel 111/24 en 111/25, eerste lid, van dit besluit, met uitzondering van gegevens over de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten. ]1
Art. 111/30 [1 Conformément à l'article 37, § 1er du décret du 18 mai 2018, la Commission des caisses d'assurance soins a accès, pour les tâches qui lui sont imposées, aux données figurant aux articles 111/24 et 111/25, alinéa 1er du présent arrêté, à l'exception des données relatives à la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié. ]1
Art. 111/31. [1 De gegevens, vermeld in artikel 50, vierde en vijfde lid, van het decreet van 18 mei 2018, waartoe de diensten voor maatschappelijk werk van de ziekenfondsen, de sociale dienst van de Hulpkas voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering, de sociale dienst van de Kas der Geneeskundige Verzorging van de NMBS Holding en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn zich toegang moeten kunnen verschaffen, zijn de gegevens, {no_code}vermeld in artikel 111/25, eerste lid, 2°, van dit besluit. ]1
Art. 111/31 [1 . Les données figurant à l'article 50, alinéas 4 et 5 du décret du 18 mai 2018, auxquelles les services d'aide sociale des mutualités, le service social de la Caisse auxiliaire d'assurance maladie-invalidité, le service social de la Caisse des Soins de santé de la SNCB Holding et les centres publics d'action sociale doivent pouvoir accéder, sont les données figurant à l'article 111/25, alinéa 1er, 2° du présent arrêté.]1
Titel 8. [1 Initiatieven van beschut wonen]1
Titre 8. [1 Initiatives d'habitation protégée]1
Art. 111/32. [1 Om de aanvraag van een tegemoetkoming voor zorg, vermeld in artikel 534/179, in te dienen, bezorgt de gebruiker zijn INSZ-nummer aan het initiatief van beschut wonen. Het initiatief van beschut wonen verschaft zich op basis van het INSZ-nummer van de gebruiker toegang tot informatie over al de volgende aspecten:
  1° de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten;
  2° de verzekeringsstatus van de gebruiker;
  3° de voor- en achternaam van de gebruiker;
  4° de geboortedatum van de gebruiker;
  5° het geslacht van de gebruiker;
  6° de hoofdverblijfplaats van de gebruiker;
  7° in voorkomend geval, de datum van overlijden van de gebruiker.]1

  
Art. 111/32. [1 Afin d'introduire la demande d'intervention pour soins visée à l'article 534/179, l'usager transmet son numéro NISS à l'initiative d'habitation protégée. L'initiative d'habitation protégée accède aux informations relatives à l'ensemble des aspects suivants au moyen du numéro NISS de l'usager :
  1° la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié ;
   2° le statut d'assurance de l'usager ;
   3° les nom et prénom de l'usager ;
   4° la date de naissance de l'usager ;
   5° le sexe de l'usager ;
   6° la résidence principale de l'usager ;
   7° le cas échéant, la date de décès de l'usager.]1

  
Art. 111/33. [1 Om de aanvraag van een tegemoetkoming voor zorg, vermeld in artikel 534/156, in te dienen, bezorgt het initiatief van beschut wonen al de volgende gegevens aan de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten:
  1° de gegevens van het initiatief van beschut wonen;
  2° de periode van begeleiding in het initiatief van beschut wonen waarvoor de aanvraag wordt ingediend;
  3° de geïnformeerde toestemming van de gebruiker conform artikel 534/179, eerste lid, 2° ;
  4° het medisch verslag van de behandelende arts van de behandeling conform artikel 534/179, eerste lid, 3° ;
  5° de voor- en achternaam en het INSZ-nummer van de gebruiker.
  Naast de raadpleging van de informatiegegevens, vermeld in artikel 52, § 1, eerste lid, en artikel 53, § 1, eerste lid, van het decreet van 18 mei 2018, verschaffen de zorgkassen voor de toepassing van artikel 22, tweede lid, van het voormelde decreet en verschaft het agentschap voor de toepassing van artikel 11, 2°, en artikel 36, eerste lid, van het voormelde decreet zich toegang tot de gegevens, vermeld in het eerste lid, op basis van het INSZ-nummer van de gebruiker.]1

  
Art. 111/33. [1 Afin d'introduire la demande d'intervention pour soins visée à l'article 534/156, l'initiative d'habitation protégée transmet à la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié toutes les informations suivantes :
   1° les coordonnées de l'initiative d'habitation protégée ;
   2° la période d'accompagnement au sein de l'initiative d'habitation protégée pour laquelle la demande est introduite ;
   3° le consentement éclairé de l'usager conformément à l'article 534/179, alinéa 1er, 2° ;
   4° le rapport médical du médecin traitant conformément à l'article 534/179, alinéa 1er, 3° ;
   5° les nom et prénom et le numéro NISS de l'usager.
   Outre la consultation des informations visées à l'article 52, § 1er, alinéa 1er, et à l'article 53, § 1er, alinéa 1er, du décret du 18 mai 2018, les caisses d'assurance soins accèdent, pour l'application de l'article 22, alinéa 2, du décret précité, et l'agence accède, pour l'application de l'article 11, 2°, et de l'article 36, alinéa 1er, du décret précité, aux informations mentionnées à l'alinéa 1er, au moyen du numéro NISS de l'usager.]1

  
Art. 111/34. [1 Het INSZ-nummer van de gebruiker wordt gebruikt in het kader van de facturatie door de initiatieven van beschut wonen conform artikel 534/185 tot en met 534/188.]1
  
Art. 111/34. [1 Le numéro NISS de l'usager est utilisé dans le cadre de la facturation par les initiatives d'habitation protégée conformément aux articles 534/185 à 534/188.]1
  
Art. 111/35. [1 De initiatieven van beschut wonen bewaren de documenten en gegevens die nodig zijn om dit besluit uit te voeren, gedurende een termijn van minimaal en maximaal tien jaar, tenzij dit besluit of een andere wetgeving die van toepassing is, een specifieke bewaartermijn bepaalt.]1
  
Art. 111/35. [1 Les initiatives d'habitation protégée conservent les documents et données nécessaires à l'exécution du présent arrêté pendant une durée minimale et maximale de dix ans, à moins que le présent arrêté ou une autre législation applicable ne prescrive une durée de conservation spécifique.]1
  
Art. 111/36. [1 Het agentschap bewaart de documenten en de gegevens, vermeld in artikel 111/35, tot dertig jaar na het einde van de aanvraag in kwestie of vijf jaar na het overlijden van de gebruiker.]1
  
Art. 111/36. [1 L'agence conserve les documents et données visés à l'article 111/35 jusqu'à trente ans après la fin de la demande en question ou jusqu'à cinq ans après le décès de l'usager.]1
  
Art. 111/37. [1 De documenten en gegevens, vermeld in artikel 111/35 en 111/36, kunnen op elektronische wijze worden bewaard.]1
  
Art. 111/37. [1 Les documents et données visés aux articles 111/35 et 111/36 peuvent être conservés sous forme électronique.]1
  
Art. 111/38. [1 Conform artikel 37, § 1, van het decreet van 18 mei 2018 krijgt de Zorgkassencommissie voor de taken die aan haar zijn opgelegd, toegang tot de gegevens, vermeld in artikel 111/32 en 111/33, eerste lid, van dit besluit, met uitzondering van gegevens over de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten.]1
  
Art. 111/38. [1 Conformément à l'article 37, § 1er, du décret du 18 mai 2018, la Commission des caisses d'assurance soins a accès, pour les tâches qui lui ont été dévolues, aux données visées à l'article 111/32 et à l'article 111/33, alinéa 1er, du présent arrêté, à l'exception des données relatives à la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié.]1
  
Art. 111/39. [1 De gegevens, vermeld in artikel 50, vierde en vijfde lid, van het decreet van 18 mei 2018, waartoe de diensten voor maatschappelijk werk van de ziekenfondsen, de sociale dienst van de Hulpkas voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering, de sociale dienst van de Kas der Geneeskundige Verzorging van de NMBS Holding en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn zich toegang moeten kunnen verschaffen, zijn de gegevens, vermeld in artikel 111/32, 2°, van dit besluit.]1
  
Art. 111/39. [1 Les données visées à l'article 50, alinéas 4 et 5, du décret du 18 mai 2018, auxquelles les services sociaux des mutualités, le service social de la Caisse auxiliaire d'assurance maladie-invalidité, le service social de la Caisse des Soins de santé de la SNCB Holding et les centres publics d'action sociale doivent pouvoir accéder sont celles visées à l'article 111/32, 2°, du présent arrêté.]1
  
Titel 9. [1Multidisciplinaire begeleidingsequipes voor palliatieve verzorging]1
Titre 9. [1 Equipes d'accompagnement multidisciplinaires de soins palliatifs]1
111/40. [1 Met het oog op de indiening van de aanvraag van een tegemoetkoming voor begeleiding door een multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging, vermeld in artikel 534/212, bezorgt de gebruiker zijn INSZ-nummer aan de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging. De multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging verschaft zich op basis van het INSZ-nummer van de gebruiker toegang tot informatie over al de volgende aspecten:
Art. 111/40. [1 En vue d'introduire la demande d'intervention pour un accompagnement par une équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs, visée à l'article 534/212, l'usager transmet son numéro NISS à l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs. L'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs accède aux informations relatives à l'ensemble des aspects suivants au moyen du numéro NISS de l'usager :
111/41. [1 Met het oog op de indiening van de aanvraag van de eenmalige forfaitaire vergoeding, vermeld in artikel 534/212, bezorgt de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging de volgende gegevens aan de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten:
Art. 111/41. [1 En vue d'introduire la demande d'indemnité forfaitaire unique visée à l'article 534/212, l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs transmet à la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié les informations suivantes :
111/42. [1 Het INSZ-nummer van de gebruiker wordt gebruikt in het kader van de facturatie door de multidisciplinaire begeleidingsequipes voor palliatieve verzorging conform artikel 534/218 tot en met 534/220.]1
Art. 111/42. [1 Le numéro NISS de l'usager est utilisé dans le cadre de la facturation par les équipes d'accompagnement multidisciplinaires de soins palliatifs conformément aux articles 534/218 à 534/220.]1
111/43. [1 De multidisciplinaire begeleidingsequipes voor palliatieve verzorging bewaren de documenten en gegevens die nodig zijn voor de uitvoering van dit besluit, gedurende minimaal en maximaal tien jaar, tenzij dit besluit of een andere wetgeving die van toepassing is, een specifieke bewaartermijn bepaalt.]1
Art. 111/43. [1 Les équipes d'accompagnement multidisciplinaires de soins palliatifs conservent les documents et données nécessaires à l'exécution du présent arrêté pendant une durée minimale de dix ans, à moins que le présent arrêté ou une autre législation applicable ne prescrive une durée de conservation spécifique.]1
111/44. [1 Het agentschap bewaart de documenten en gegevens, vermeld in artikel 111/43, tot dertig jaar na het einde van de aanvraag in kwestie of tot vijf jaar na het overlijden van de gebruiker.]1
Art. 111/44. [1 L'agence conserve les documents et données visés à l'article 111/43 jusqu'à trente ans après la fin de la demande en question ou jusqu'à cinq ans après le décès de l'usager.]1
111/45. [1De documenten en gegevens, vermeld in artikel 111/43 en 111/44, kunnen op elektronische wijze worden bewaard.]1
Art. 111/45. [1 Les documents et données visés aux articles 111/43 et 111/44 peuvent être conservés sous forme électronique.]1
111/46. [1 Conform artikel 37, [1 §]1 1, van het decreet van 18 mei 2018 krijgt de Zorgkassencommissie voor de taken die aan haar zijn opgelegd, toegang tot de gegevens, vermeld in artikel 111/40 en artikel 111/41, eerste lid, van dit besluit, met uitzondering van gegevens over de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten.]1
Art. 111/46. [1 Conformément à l'article 37, § 1er, du décret du 18 mai 2018, la Commission des caisses d'assurance soins a accès, pour les tâches qui lui ont été dévolues, aux données visées à l'article 111/40 et à l'article 111/41, alinéa 1er, du présent arrêté, à l'exception des données relatives à la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié.]1
111/47. [1 De gegevens, vermeld in artikel 50, vierde en vijfde lid, van het decreet van 18 mei 2018, waartoe de diensten voor maatschappelijk werk van de ziekenfondsen, de sociale dienst van de Hulpkas voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering, de sociale dienst van de Kas der Geneeskundige Verzorging van de NMBS Holding en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn zich toegang moeten kunnen verschaffen, zijn de gegevens, vermeld in artikel 111/40, 2А, van dit besluit.]1
Art. 111/47. [1 Les données visées à l'article 50, alinéas 4 et 5, du décret du 18 mai 2018, auxquelles les services sociaux des mutualités, le service social de la Caisse auxiliaire d'assurance maladie-invalidité, le service social de la Caisse des Soins de santé de la SNCB Holding et les centres publics d'action sociale doivent pouvoir accéder sont celles visées à l'article 111/40, 2°, du présent arrêté.]1
Titel 10. [1 Rolstoeladviesteams en gespecialiseerde rolstoeladviesteams ]1
Titre 10. [1 Equipes d'avis et équipes d'avis spécialisées en matière de voiturette]1
111/48. [1 Met het oog op de indiening van de aanvraag van de tegemoetkoming voor de opmaak van het rolstoeladviesrapport, vermeld in artikel 534/237, waarbij, in voorkomend geval, de aanvraag wordt gevoegd van de tegemoetkoming in reiskosten voor vervoer in een voertuig dat is aangepast voor het vervoer in een rolstoel, vermeld in artikel 534/227, bezorgt de gebruiker zijn INSZ-nummer aan het rolstoeladviesteam of het gespecialiseerde rolstoeladviesteam. Het rolstoeladviesteam of het gespecialiseerde rolstoeladviesteam verschaft zich op basis van het INSZ-nummer van de gebruiker toegang tot informatie over al de volgende aspecten:
Art. 111/48. [1 En vue d'introduire la demande d'intervention pour l'établissement du rapport d'avis en matière de voiturette, visée à l'article 534/237, à laquelle est jointe, le cas échéant, la demande de l'intervention dans les frais de déplacement pour le transport dans un véhicule qui a été adapté au transport en voiturette, visée à l'article 534/227, l'usager transmet son numéro NISS à l'équipe d'avis ou à l'équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette. L'équipe d'avis ou l'équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette accède aux informations relatives à l'ensemble des aspects suivants au moyen du numéro NISS de l'usager :
111/49. [1 Met het oog op de indiening van de aanvraag van de tegemoetkoming voor de opmaak van het rolstoeladviesrapport, vermeld in artikel 534/237, waarbij, in voorkomend geval, de aanvraag wordt gevoegd van de tegemoetkoming in reiskosten voor vervoer in een voertuig dat is aangepast voor het vervoer in een rolstoel, vermeld in artikel 534/227, bezorgt het rolstoeladviesteam of het gespecialiseerde rolstoeladviesteam de volgende gegevens aan de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten:
Art. 111/49. [1En vue d'introduire la demande d'intervention pour l'établissement du rapport d'avis en matière de voiturette, visée à l'article 534/237, à laquelle est jointe, le cas échéant, la demande de l'intervention dans les frais de déplacement pour le transport dans un véhicule qui a été adapté au transport en voiturette, visée à l'article 534/227, l'équipe d'avis ou l'équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette transmet à la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié les informations suivantes :
111/50. [1 Het INSZ-nummer van de gebruiker wordt gebruikt in het kader van de facturatie door het rolstoeladviesteam of het gespecialiseerde rolstoeladviesteam conform artikel 534/242 en 534/243.]1
Art. 111/50. [1 Le numéro NISS de l'usager est utilisé dans le cadre de la facturation par l'équipe d'avis ou l'équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette conformément aux articles 534/242 et 534/243.]1
111/51. [1 Het rolstoeladviesteam of het gespecialiseerde rolstoeladviesteam bewaart de documenten en gegevens die nodig zijn voor de uitvoering van dit besluit, gedurende minimaal en maximaal tien jaar, tenzij dit besluit of een andere wetgeving die van toepassing is, een specifieke bewaartermijn bepaalt.]1
Art. 111/51. [1 L'équipe d'avis ou l'équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette conserve les documents et données nécessaires à l'exécution du présent arrêté pendant une durée minimale de dix ans, à moins que le présent arrêté ou une autre législation applicable ne prescrive une durée de conservation spécifique.]1
111/52. [1 Het agentschap bewaart de documenten en gegevens, vermeld in artikel 111/51, tot dertig jaar na het einde van de aanvraag in kwestie of tot vijf jaar na het overlijden van de gebruiker.]1
Art. 111/52. [1 L'agence conserve les documents et données visés à l'article 111/51 jusqu'à trente ans après la fin de la demande en question ou jusqu'à cinq ans après le décès de l'usager.]1
111/53. [1 De documenten en gegevens, vermeld in artikel 111/51 en 111/52, kunnen op elektronische wijze worden bewaard.]1
Art. 111/53. [1 Les documents et données visés aux articles 111/51 et 111/52 peuvent être conservés sous forme électronique.]1
111/54. [1 Conform artikel 37, [1 §]1 1, van het decreet van 18 mei 2018 krijgt de Zorgkassencommissie voor de taken die aan haar zijn opgelegd, toegang tot de gegevens, vermeld in artikel 111/48 en artikel 111/49, eerste lid, van dit besluit, met uitzondering van gegevens over de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten.]1
Art. 111/54. [1 Conformément à l'article 37, § 1er, du décret du 18 mai 2018, la Commission des caisses d'assurance soins a accès, pour les tâches qui lui ont été dévolues, aux données visées à l'article 111/48 et à l'article 111/49, alinéa 1er, du présent arrêté, à l'exception des données relatives à la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié.]1
111/55. [1 De gegevens, vermeld in artikel 50, vierde en vijfde lid, van het decreet van 18 mei 2018, waartoe de diensten voor maatschappelijk werk van de ziekenfondsen, de sociale dienst van de Hulpkas voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering, de sociale dienst van de Kas der Geneeskundige Verzorging van de NMBS Holding en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn zich toegang moeten kunnen verschaffen, zijn de gegevens, vermeld in artikel 111/48, eerste lid, 2А, van dit besluit.]1
Art. 111/55. [1 Les données visées à l'article 50, alinéas 4 et 5, du décret du 18 mai 2018, auxquelles les services sociaux des mutualités, le service social de la Caisse auxiliaire d'assurance maladie-invalidité, le service social de la Caisse des Soins de santé de la SNCB Holding et les centres publics d'action sociale doivent pouvoir accéder sont celles visées à l'article 111/48, alinéa 1er, 2°, du présent arrêté.]1
Deel 6. - Tegemoetkomingen
Partie 6. - Interventions
Titel 1. - Algemeen
Titre 1er. - Généralités
Art. 112. Om aanspraak te maken op tegemoetkomingen, moet de gebruiker alle verschuldigde premies voor de Vlaamse sociale bescherming voor de voorgaande jaren hebben betaald conform de artikel en artikel 68 tot en met 72.
Art. 112. Pour pouvoir prétendre à des interventions, l'usager doit avoir payé toutes les primes pour la protection sociale flamande dues pour les années précédentes conformément aux articles 68 à 72.
Art. 113. § 1. Een gebruiker die alleen wegens de leeftijdsvereiste geen premie kan betalen bij een zorgkas, kan aanspraak maken op een tegemoetkoming als hij voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 41 van het decreet van 18 mei 2018.
  Een gebruiker als vermeld in het eerste lid, wordt voor de duur van de beslissing tot tegemoetkoming geacht aangesloten te zijn bij een zorgkas van zijn keuze als vermeld in artikel 41, § 1, eerste lid, 1°, van het decreet van 18 mei 2018. Zolang hij niet voldoet aan de leeftijdsvereiste om een premie te betalen, hoeft hij die niet te betalen.
  De voorwaarde, vermeld in artikel 41, § 1, tweede lid, van het decreet van 18 mei 2018, is niet van toepassing op een gebruiker als vermeld in het eerste lid.
  § 2. Om aanspraak te kunnen maken op de rechten, vermeld in het decreet van 18 mei 2018, moet bij een gebruiker die jonger dan 18 jaar is, minstens één ouder of de wettelijke vertegenwoordiger van de gebruiker aangesloten zijn bij een zorgkas. Die voorwaarde geldt zodra een van de ouders of de wettelijke vertegenwoordiger minstens 27 jaar is.
  De voorwaarde, vermeld in het eerste lid, is niet van toepassing als en zolang geen van de ouders of de wettelijke vertegenwoordiger bij de Vlaamse sociale bescherming mag aansluiten.
  Van de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, kan bij beslissing van het agentschap worden afgeweken op basis van aangetoonde behartigenswaardigheid, na advies van de administratieve beroepscommissie, vermeld in artikel 144.
Art. 113. § 1er. L'usager qui ne peut pas payer de prime auprès d'une caisse d'assurance soins uniquement en raison de la condition d'âge peut prétendre à une intervention s'il remplit les conditions visées à l'article 41 du décret du 18 mai 2018.
  L'usager visé à l'alinéa 1er est réputé être affilié à une caisse d'assurance soins de son choix, telle que visée à l'article 41, § 1er, alinéa 1er, 1°, du décret du 18 mai 2018, pour la durée de la décision d'intervention. Tant qu'il ne remplit pas la condition d'âge pour payer une prime, il ne doit pas la payer.
  La condition visée à l'article 41, § 1er, alinéa 2, du décret du 18 mai 2018 ne s'applique pas à l'usager visé à l'alinéa 1er.
  § 2. Pour qu'un usager de moins de 18 ans puisse prétendre aux droits visés dans le décret du 18 mai 2018, au moins un de ses parents ou son représentant légal doit être affilié à une caisse d'assurance soins. Cette condition s'applique dès qu'un des parents ou le représentant légal est âgé d'au moins 27 ans.
  La condition visée à l'alinéa 1er ne s'applique pas si et aussi longtemps qu'un des parents ou le représentant légal est autorisé à s'affilier à la protection sociale flamande.
  Il peut être dérogé à la condition visée à l'alinéa 1er par une décision de l'agence, prise sur la base du caractère digne d'intérêt démontré, sur avis de la commission du recours administratif visée à l'article 144.
Art. 113/1. [1 Voor de vervulling van de voorwaarde, vermeld in artikel 41, § 1, eerste lid, 4°, van het decreet van 18 mei 2018, worden de volgende kalenderjaren als een jaar beschouwd:
   1° een kalenderjaar waarvan de gebruiker minstens een dag in het Nederlandse taalgebied of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad woont;
   2° een kalenderjaar waarin de gebruiker op 1 januari sociaal verzekerd is in een lidstaat van de Europese Unie, in een andere staat die partij is bij de Europese Economische Ruimte, of in Zwitserland.
   Voor de vervulling van de voorwaarde, vermeld in artikel 41, § 1, eerste lid, 5°, van het decreet van 18 mei 2018, moet de gebruiker aan de inburgeringsplicht voldoen op de datum van de opening van het recht op de tegemoetkoming.]1

  
Art. 113/1. [1 Pour remplir la condition visée à l'article 41, § 1er, alinéa 1er, 4°, du décret du 18 mai 2018, les années civiles suivantes sont considérées comme une année :
   1° une année civile au cours de laquelle l'usager habite au moins un jour dans la région de langue néerlandaise ou dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale ;
   2° une année civile au cours de laquelle l'usager a, au 1er janvier, la qualité d'assuré social dans un Etat membre de l'Union européenne, un autre Etat qui fait partie de l'Espace économique européen ou en Suisse.
   Pour remplir la condition visée à l'article 41, § 1er, alinéa 1er, 5°, du décret du 18 mai 2018, l'usager doit satisfaire à l'obligation d'intégration civique à la date de l'ouverture du droit à l'intervention.]1

  
Art. 114. Met behoud van de toepassing van de voorwaarden en de procedures voor de facturatie en de uitbetaling van tegemoetkomingen, kan de minister de regels bepalen voor de uitvoering van de uitbetaling.
Art. 114. Sous réserve de l'application des conditions et procédures pour la facturation et le paiement d'interventions, le ministre peut fixer les règles d'exécution du paiement.
Art. 115. De verjaringstermijn van twee jaar voor de betaling van de tegemoetkomingen, vermeld in artikel 62 van het decreet van 18 mei 2018, wordt gestuit bij aangetekende brief en in de gevallen, vermeld in artikel 2244 tot en met 2250 van het Burgerlijk Wetboek.
Art. 115. Le délai de prescription de deux ans pour le paiement des interventions, visé à l'article 62 du décret du 18 mai 2018, est interrompu par lettre recommandée et dans les visés aux articles 2244 à 2250 du Code civil.
Titel 2. - Vrijstelling van premies
Titre 2. - Dispense de primes
Art. 116. De zorgkas ontvangt een bericht via het digitaal platform Vlaamse Sociale Bescherming als een gebruiker die behoefte heeft aan zorg in het kader van de pijlers van de Vlaamse sociale bescherming vermeld in artikel 4, eerste lid, 4° tot en met 9° van het decreet van 18 mei 2018, zijn recht op een tegemoetkoming niet kan uitoefenen wegens niet-betaalde premies.
Art. 116. Lorsqu'un usager qui a besoin de soins dans le cadre des piliers de la protection sociale flamande visés à l'article 4, alinéa 1er, 4° à 9°, du décret du 18 mai 2018 ne peut pas exercer son droit à une intervention en raison de primes impayées, la caisse d'assurance soins reçoit un message via la plate-forme numérique de la Protection sociale flamande.
Art. 117. De zorgkas maant de voormelde gebruiker aan tot betaling van de niet betaalde premies, gaat na of de gebruiker zich bevindt in een behartigenswaardige situatie, vermeld in 46, § 2, eerste lid van het decreet van 18 mei 2018, en beslist of de gebruiker kan worden vrijgesteld van de betaling van niet tijdig betaalde premies dan wel of de premies kunnen worden verminderd conform artikel 46 van het decreet van 18 mei 2018.
Art. 117. La caisse d'assurance soins somme l'usager précité de payer les primes impayées, vérifie si l'usager se trouve dans une situation digne d'intérêt, visée à l'article 46, § 2, alinéa 1er, du décret du 18 mai 2018, et décide si l'usager peut être dispensé du paiement de primes en retard d'acquittement ou si les primes peuvent être diminuées conformément à l'article 46 du décret du 18 mai 2018.
Art. 118. Het OCMW attesteert de behartigenswaardige situatie, vermeld in artikel 46, § 2, eerste lid van het decreet van 18 mei 2018, als aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:
  1° het gezinsinkomen van de gebruiker bevindt zich onder de armoederisicodrempel, vermeld in de European Union - Statistics on Income and Living Conditions;
  2° de situatie wordt door het OCMW als behartigenswaardig beoordeeld om medische, sociale of financiële redenen.
  Het gezinsinkomen van gebruiker wordt van rechtswege geacht zich onder de armoederisicodrempel te bevinden conform het eerste lid, 1°, als aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:
  1° de gebruiker of een lid van zijn gezin heeft recht op een leefloon als vermeld in de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie;
  2° de gebruiker of een lid van zijn gezin heeft recht op een inkomensvervangende tegemoetkoming als vermeld in de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;
  3° de gebruiker of een lid van zijn gezin heeft recht op het minimumdagbedrag van de werkloosheidsuitkering als vermeld in het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering en het gezinsinkomen van de gebruiker bestaat alleen uit deze uitkering;
  4° de gebruiker of een lid van zijn gezin heeft recht op de inkomensgarantie voor ouderen als vermeld in de wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen.
  Het gezinsinkomen van de gebruiker, vermeld in het eerste en tweede lid, wordt berekend conform het Koninklijk Besluit van 15 januari 2014 betreffende de verhoogde verzekeringstegemoetkoming, vermeld in artikel 37, § 19, van de Ziekteverzekeringswet.
  Het OCMW stelt aan de hand van een sociaal onderzoek vast of de gebruiker zich in een behartigenswaardige situatie bevindt, die veroorzaakt werd door medische, sociale of financiële redenen als vermeld in het eerste lid, 2°. Het OCMW motiveert het al dan niet attesteren van de situatie en bezorgt deze motivatie aan de zorgkas.
Art. 118. Le CPAS atteste de la situation digne d'intérêt, visée à l'article 46, § 2, alinéa 1er, du décret du 18 mai 2018, si l'une des conditions suivantes est remplie :
  1° le revenu du ménage de l'usager se situe sous le seuil de pauvreté visé dans les Statistiques de l'Union européenne sur le revenu et les conditions de vie ;
  2° la situation est jugée digne d'intérêt par le CPAS pour des raisons médicales, sociales ou financières.
  Le revenu du ménage de l'usager est réputé de plein droit se situer sous le seuil de pauvreté conformément à l'alinéa 1er, 1°, si l'une des conditions suivantes est remplie :
  1° l'usager ou un membre de son ménage a droit à un revenu d'intégration tel que visé dans la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale ;
  2° l'usager ou un membre de son ménage a droit à une allocation de remplacement de revenus telle que visée dans la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux personnes handicapées ;
  3° l'usager ou un membre de son ménage a droit au montant journalier minimal de l'allocation de chômage tel que visé dans l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage et le revenu du ménage de l'usager consiste uniquement en cette allocation ;
  4° l'usager ou un membre de son ménage a droit la garantie de revenus aux personnes âgées telle que visée dans la loi du 22 mars 2001 instituant la garantie de revenus aux personnes âgées.
  Le revenu du ménage de l'usager visés aux alinéas 1er et 2 est calculé conformément à l'arrêté royal du 15 janvier 2014 relatif à l'intervention majorée de l'assurance visée à l'article 37, § 19, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994.
  Le CPAS constate, à l'aide d'une enquête sociale, si l'usager se trouve dans situation digne d'intérêt occasionnée par des raisons médicales, sociales ou financières, telle que visée à l'alinéa 1er, 2°. Le CPAS motive l'attestation ou non de la situation et transmet cette motivation à la caisse d'assurance soins.
Art. 119. § 1. Tegen de beslissing van de zorgkas over de vrijstelling van de betaling van niet tijdig betaalde premies of over de vermindering van de premies conform artikel 46, § 1, van het decreet van 18 mei 2018, kan door de gebruiker administratief beroep worden aangetekend bij het agentschap binnen drie maanden na de verzending van de beslissing. Het beroepschrift is alleen ontvankelijk als het gemotiveerd is en als alle relevante stukken erbij gevoegd zijn. Het beroepschrift is opschortend.
  De leidend ambtenaar neemt een beslissing na het advies van het agentschap. De minister bepaalt de nadere regels voor de administratieve beroepsprocedure.
  § 2. Na uitputting van de administratieve beroepsprocedure, vermeld in paragraaf 1, kan door de gebruiker beroep worden aangetekend bij de arbeidsrechtbank binnen een termijn van drie maanden na de ontvangst van de bestreden beslissing.
Art. 119. § 1er. L'usager peut former auprès de l'agence un recours administratif contre la décision de la caisse d'assurance soins quant à la dispense du paiement de primes en retard d'acquittement ou à la diminution des primes conformément à l'article 46, § 1er, du décret du 18 mai 2018, dans les trois mois de l'envoi de la décision. Le recours n'est recevable que s'il est motivé et accompagné de toutes pièces pertinentes. Le recours est suspensif.
  Le fonctionnaire dirigeant prend une décision sur avis de l'agence. Le ministre fixe les modalités de la procédure de recours administratif.
  § 2. Après épuisement de la procédure de recours administratif visée au paragraphe 1er, l'usager peut former recours devant le tribunal du travail dans le délai de trois mois suivant la réception de la décision contestée.
Art. 120. De zorgkas brengt jaarlijks verslag uit aan het agentschap over de toepassing van de behartigenswaardigheid volgens de modaliteiten die het agentschap bepaalt.
Art. 120. La caisse d'assurance soins rend compte annuellement à l'agence de l'application du caractère digne d'intérêt selon les modalités définies par l'agence.
Titel 3. - Subrogatie
Titre 3. - Subrogation
Art. 121. Voor de uitoefening van hun subrogatierecht conform artikel 75 van het decreet van 18 mei 2018, doen de zorgkassen een beroep op een externe dienstverlener.
  De zorgkas geeft aan de externe dienstverlener de opdracht om het subrogatierecht uit te oefenen, met inbegrip van de gerechtelijke procedures en het afsluiten van overeenkomsten over de schadeloosstelling, in naam en voor rekening van de zorgkas. De externe dienstverlener treedt op als een goede huisvader. De Zorgkassencommissie, vermeld in artikel 33 van het decreet van 18 mei 2018, heeft de mogelijkheid om het voorstel van de externe dienstverlener over het oorzakelijk verband tussen de kosten en het ongeval enerzijds en de omvang van de schadeloosstelling anderzijds, te beoordelen in de gevallen bepaald door de minister. Bij gebrek aan een beoordeling door de Zorgkassencommissie binnen een door de minister te bepalen termijn, wordt de beoordeling geacht positief te zijn.
  De minister duidt de externe dienstverleners aan en sluit samenwerkingsakkoorden met de externe dienstverleners en de zorgkassen waarbij ten minste de gegevensuitwisseling, de validatie van de omvang en het oorzakelijk verband, de rapportering en de controle worden geregeld.
Art. 121. Pour l'exercice de leur droit de subrogation conformément à l'article 75 du décret du 18 mai 2018, les caisses d'assurance soins font appel à un prestataire de services externe.
  La caisse d'assurance soins charge le prestataire de services externe d'exercer le droit de subrogation, y compris les procédures judiciaires et la conclusion d'accords sur l'indemnisation, au nom et pour le compte de la caisse d'assurance soins. Le prestataire de services externe agit en bon père de famille. La Commission des caisses d'assurance soins visée à l'article 33 du décret du 18 mai 2018 a la faculté d'évaluer la proposition du prestataire de services externe au sujet du lien de causalité entre les coûts et l'accident, d'une part, et l'étendue de l'indemnisation, d'autre part, dans les cas définis par le ministre. A défaut d'évaluation par la Commission des caisses d'assurance soins dans le délai fixé par le ministre, l'évaluation est réputée positive.
  Le ministre désigne les prestataires de services externes et conclut avec les prestataires de services externes et les caisses d'assurance soins des accords de coopération réglant au moins l'échange de données, la validation de l'étendue et le lien de causalité, l'établissement de rapports et le contrôle.
Art. 122. § 1. De toekenning van de tegemoetkomingen, vermeld in artikel 75, § 1 van het decreet van 18 mei 2018, is afhankelijk van de voorwaarde dat diegene die om de tegemoetkomingen verzoekt, zijn zorgkas in de mogelijkheid stelt om het in dat artikel vermelde subrogatierecht uit te oefenen. De gebruiker deelt zijn zorgkas of de externe dienstverlener de volgende informatie mee:
  1° of de schade waarvoor de tegemoetkoming wordt verkregen, kan worden gedekt door het gemeen recht of door een andere Belgische of buitenlandse wetgeving;
  2° alle informatie op basis waarvan kan worden uitgemaakt of de schadeloosstelling moet gebeuren krachtens het gemeen recht, een overeenkomst of een andere wetgeving, met inbegrip van eventuele gerechtelijke informatie of andere handelingen in verband met de schade;
  3° elke ingestelde vordering of andere procedure om de schadeloosstelling te verkrijgen krachtens gemeen recht of een andere wetgeving.
  § 2. De in paragraaf 1 bedoelde mededeling kan gebeuren op een formulier verstrekt door het agentschap, of op een formulier gebruikt door de externe dienstverlener, vermeld in artikel 121.
Art. 122. § 1er. L'octroi des interventions visées à l'article 75, § 1er, du décret du 18 mai 2018, est subordonné à la condition que quiconque sollicite les interventions donne la possibilité à sa caisse d'assurance soins d'exercer le droit de subrogation visée dans ledit article. L'usager communique à sa caisse d'assurance soins ou au prestataire de services externe les informations suivantes :
  1° si le dommage pour lequel l'intervention est obtenue peut être couvert par le droit commun ou par une autre législation belge ou étrangère ;
  2° toutes les informations permettant de déterminer si l'indemnisation doit avoir lieu en vertu du droit commun, d'un accord ou d'une autre législation, y compris les informations judiciaires éventuelles ou d'autres actes en rapport avec le dommage ;
  3° toute action intentée ou autre procédure engagée en vue d'obtenir l'indemnisation en vertu du droit commun ou d'une autre législation.
  § 2. La communication visée au paragraphe 1er peut avoir lieu sur un formulaire fourni par l'agence ou un formulaire utilisé par le prestataire de services externe visé à l'article 121.
Art. 123. § 1. Als de gebruiker nalaat de informatie, vermeld in artikel 122, § 1, aan zijn zorgkas of de externe dienstverlener mee te delen, dan kan de zorgkas beslissen om de tegemoetkomingen te verminderen, op te schorten of zelfs terug te vorderen van de gebruiker.
  § 2. Artikel 126 tot en met 130 en artikel 137 zijn van overeenkomstige toepassing.
  De beslissing van de zorgkas, vermeld in artikel 126, bevat bovendien minstens volgende gegevens:
  1° de vaststelling dat er onverschuldigde bedragen zijn betaald;
  2° het bedrag van de terugvordering en de berekening ervan;
  3° de mogelijkheid voor de gebruiker om bij zijn zorgkas een afbetalingsplan aan te vragen.
  De minister bepaalt welke vermeldingen de beslissing, vermeld in het tweede lid, nog moet bevatten.
Art. 123. § 1er. Si l'usager omet de communiquer les informations visées à l'article 122, § 1er, à sa caisse d'assurance soins ou au prestataire de services externe, la caisse d'assurance soins peut décider de diminuer, de suspendre, voire, de récupérer les interventions auprès de l'usager.
  § 2. Les articles 126 à 130 et l'article 137 s'appliquent par analogie.
  La décision de la caisse d'assurance soins, visée à l'article 126, contient en outre au moins les informations suivantes :
  1° la constatation que des montants indus ont été payés ;
  2° le montant de la récupération et son calcul ;
  3° la possibilité pour l'usager de demander un plan d'apurement auprès de sa caisse d'assurance soins.
  Le ministre détermine les autres mentions que doit contenir la décision visée à l'alinéa 2.
Art. 124. De zorgkassen ontvangen een percentage van de bedragen, gerecupereerd conform de bepalingen van deze titel, als werkingskosten ten behoeve van de externe dienstverlener, vermeld in artikel 121.
  Het percentage, vermeld in het eerste lid, wordt vastgesteld conform artikel 3 van het koninklijk besluit van 7 oktober 1993 tot vaststelling van het percentage waarmee de administratiekosten van de verzekeringsinstellingen worden vermeerderd in geval van terugvordering van betaalde sommen.
Art. 124. Les caisses d'assurance soins reçoivent un pourcentage des montants récupérés conformément aux dispositions du présent titre en guise de frais de fonctionnement au profit du prestataire de services externe visé à l'article 121.
  Le pourcentage visé à l'alinéa 1er est fixé conformément à l'article 3 de l'arrêté royal du 7 octobre 1993 fixant le pourcentage dont les frais d'administration des organismes assureurs sont majorés en cas de récupération de sommes payées.
Titel 4. - Terugvordering van ten onrechte uitbetaalde tegemoetkomingen
Titre 4. - Récupération d'interventions payées indûment
HOOFDSTUK 1. - Terugvordering van tegemoetkomingen ten onrechte uitbetaald aan de gebruiker
Chapitre 1er. - Récupération d'interventions payées indûment à l'usager
Art. 125. De gebruiker die ten onrechte een tegemoetkoming heeft ontvangen, is verplicht de waarde ervan terug te betalen. De waarde wordt, indien mogelijk, in mindering gebracht van toekomstige tegemoetkomingen van de Vlaamse sociale bescherming die aan de gebruiker worden uitbetaald [1 als de waarde op die manier binnen een termijn van maximaal 24 maanden in de toekomst volledig kan worden gerecupereerd]1.
  
Art. 125. L'usager qui a reçu indûment une intervention est tenu d'en rembourser la valeur. La valeur est, si possible, portée en déduction d'interventions futures de la protection sociale flamande payées à l'usager [1 si la valeur peut être entièrement récupérée de cette manière à l'avenir dans un délai de 24 mois maximum ]1.
  
Art. 126. § 1. De zorgkas deelt haar beslissing om de ten onrechte uitbetaalde tegemoetkoming terug te vorderen van of in mindering te brengen bij de gebruiker met een aangetekende brief aan een gebruiker of zijn vertegenwoordiger mee. De beslissing vermeldt minstens:
  1° dat de ten onrechte uitbetaalde tegemoetkomingen in mindering kunnen worden gebracht van toekomstige tegemoetkomingen van de Vlaamse sociale bescherming;
  2° de mogelijkheid voor de gebruiker of zijn vertegenwoordiger om bij het agentschap een administratief beroep tegen de terugvordering of het in mindering brengen in te dienen.
  De minister bepaalt welke vermeldingen de beslissing, vermeld in het eerste lid, nog moet bevatten.
  § 2. De zorgkas kan voor de verzending van de aangetekende brief, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, een brief naar de gebruiker of zijn vertegenwoordiger sturen met de vermeldingen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid. Als de gebruiker bij een terugvordering niet binnen een maand op de brief reageert, verstuurt de zorgkas een aangetekende brief als vermeld in paragraaf 1, eerste lid.
Art. 126. § 1er. La caisse d'assurance soins communique sa décision de récupérer l'intervention payée indûment auprès de l'usager ou de la déduire par une lettre recommandée adressée à l'usager ou à son représentant. La décision mentionne au moins :
  1° que les interventions payées indûment peuvent être déduites des interventions futures de la protection sociale flamande ;
  2° la possibilité pour l'usager ou son représentant d'introduire auprès de l'agence un recours administratif contre la récupération ou la déduction.
  Le ministre détermine les autres mentions que doit contenir la décision visée à l'alinéa 1er.
  § 2. Préalablement à l'envoi de la lettre recommandée visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, la caisse d'assurance soins peut envoyer à l'usager ou à son représentant une lettre contenant les mentions visées au paragraphe 1er, alinéa 1er. A défaut de réaction de l'usager à cette lettre dans le délai d'un mois, en cas de récupération, la caisse d'assurance soins envoie une lettre recommandée telle que visée au paragraphe 1er, alinéa 1er.
Art. 127. De gebruiker of zijn vertegenwoordiger kan met het oog op de terugbetaling van de ten onrechte uitbetaalde tegemoetkomingen, een afbetalingsplan aanvragen bij de zorgkas. De zorgkas beslist over dat afbetalingsplan. De zorgkas bezorgt een al of niet aangepast afbetalingsplan aan de gebruiker of deelt aan de gebruiker mee dat het afbetalingsplan niet aanvaard kan worden.
  Als de gebruiker overlijdt tijdens de uitvoering van het afbetalingsplan, dan wordt er niet verder teruggevorderd, behalve in geval van arglist of bedrog.
Art. 127. En vue du remboursement des interventions payées indûment, l'usager ou son représentant peut solliciter un plan d'apurement auprès de la caisse d'assurance soins. La caisse d'assurance statue sur ce plan d'apurement. La caisse d'assurance transmet à l'usager un plan d'apurement adapté ou non ou l'informe que le plan d'apurement ne peut être accepté.
  Si l'usager vient à décéder pendant l'exécution du plan d'apurement, la récupération n'est pas poursuivie, sauf en cas de fraude ou de dol.
Art. 128. De ten onrechte uitbetaalde tegemoetkomingen worden bij dwangbevel ingevorderd als:
  1° de gebruiker, als er geen afbetalingsplan van de zorgkas is, het bedrag van de ten onrechte uitbetaalde tegemoetkomingen niet heeft terugbetaald binnen de drie maanden na de verzending van de aangetekende brief, vermeld in artikel 126, § 1;
  2° de gebruiker het afbetalingsplan van de zorgkas niet strikt opvolgt;
  3° de zorgkas de ten onrechte uitbetaalde tegemoetkomingen niet in mindering kan brengen van toekomstige tegemoetkomingen van de Vlaamse sociale bescherming.
  De zorgkas bezorgt de gegevens van de personen bij wie de ten onrechte uitbetaalde tegemoetkomingen bij dwangbevel moeten worden ingevorderd, via het agentschap, aan de Vlaamse Belastingdienst. Het agentschap verzaakt ambtshalve aan de terugvordering als het bedrag kleiner is dan 200 euro.
Art. 128. Les interventions payées indûment sont recouvrées par voie de contrainte lorsque :
  1° à défaut de plan d'apurement de la caisse d'assurance soins, l'usager n'a pas remboursé le montant des interventions payées indûment dans les trois mois de l'envoi de la lettre recommandée visée à l'article 126, § 1er ;
  2° l'usager ne respecte pas scrupuleusement le plan d'apurement de la caisse d'assurance soins ;
  3° la caisse d'assurance soins ne peut déduire les interventions payées indûment d'interventions futures de la protection sociale flamande.
  La caisse d'assurance soins transmet au Service flamand des Impôts les données des personnes auprès desquelles les interventions payées indûment doivent être recouvrées par voie de contrainte via l'agence. L'agence renonce d'office à la récupération lorsque le montant est inférieur à 200 euros.
Art. 129. § 1. Aan de terugvordering van tegemoetkomingen, ten onrechte uitbetaald aan de gebruiker, wordt verzaakt als de ten onrechte uitbetaalde tegemoetkoming enkel het gevolg is van een vergissing van de zorgkas of van een administratieve dienst of instelling, waarvan de gebruiker zich normaal geen rekenschap kan geven en waarvan de zorgkas geen melding aan de gebruiker heeft gemaakt binnen de twee maanden.
  De zorgkas kan op eigen initiatief verzaken aan de terugvordering van tegemoetkomingen als het gaat om kleine bedragen.
  De zorgkas verzaakt ambtshalve aan de terugvordering van tegemoetkomingen, ten onrechte uitbetaald aan de gebruiker, bij het overlijden van de gebruiker.
  Als de gebruiker ten onrechte uitbetaalde tegemoetkomingen van het zorgbudget voor ouderen met een zorgnood heeft en hij in een woonzorgcentrum of in een psychiatrisch verzorgingstehuis verblijft, brengt de zorgkas de ten onrechte uitbetaalde tegemoetkomingen in mindering van het zorgbudget voor zwaar zorgbehoevenden. Tegelijk verzaakt de zorgkas ambtshalve aan de terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde tegemoetkomingen die niet in mindering worden gebracht van het zorgbudget voor zwaar zorgbehoevenden.
  § 2. In afwijking van artikel 128, tweede lid en van paragraaf 1, wordt er niet verzaakt:
  1° in geval van bedrog of arglist;
  2° als er bij het overlijden van de betrokkene ten onrechte uitbetaalde en nog niet uitbetaalde tegemoetkomingen bestaan. In dat geval worden de ten onrechte uitbetaalde tegemoetkomingen teruggevorderd door ze in mindering te brengen op de nog niet uitbetaalde tegemoetkomingen.
Art. 129. § 1er. Il est renoncé à la récupération d'interventions payées indûment à l'usager lorsque l'intervention payée indûment résulte uniquement d'une erreur de la caisse d'assurance soins ou d'un service administratif ou organisme dont l'usager ne peut normalement se rendre compte et que la caisse d'assurance soins n'a pas notifiée à l'usager dans les deux mois.
  La caisse d'assurance soins peut renoncer de sa propre initiative à la récupération d'interventions de faibles montants.
  La caisse d'assurance soins renonce d'office à la récupération d'interventions payées indûment à l'usager en cas de décès de l'usager.
  Si l'usager a perçu indûment des interventions du budget de soins pour personnes âgées présentant un besoin en soins et qu'il séjourne dans un centre de soins résidentiels ou dans une maison de soins psychiatriques, la caisse d'assurance soins déduit les interventions payées indûment du budget de soins pour personnes fortement dépendantes. Parallèlement, la caisse d'assurance soins renonce d'office à la récupération des interventions payées indûment qui ne sont pas déduites du budget de soins pour personnes fortement dépendantes.
  § 2. Par dérogation à l'article 128, alinéa 2, et au paragraphe 1er, cette renonciation n'a pas lieu :
  1° en cas de fraude ou de dol ;
  2° s'il existe des interventions payées indûment et non encore payées au décès de l'intéressé. Dans ce cas, les interventions payées indûment sont récupérées en les déduisant des interventions non encore payées.
Art. 130. § 1. Een gebruiker of zijn vertegenwoordiger kan tegen de beslissing tot terugvordering of het in mindering brengen conform artikel 125 van dit besluit, een administratief beroep als vermeld in artikel 76, § 5, van het decreet van 18 mei 2018 aantekenen bij het agentschap.
  Het administratief beroep, vermeld in het eerste lid, kan eveneens voor de gebruiker worden aangetekend door een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, een dienst maatschappelijk werk van het ziekenfonds, vermeld in [1 artikel 19 van het Woonzorgdecreet van 15 februari 2019]1, of andere instanties die in het belang van de gebruiker handelen.
  Als de gebruiker of zijn vertegenwoordiger voor het verstrijken van de termijn van drie maanden een administratief beroep als vermeld in het eerste lid, heeft aangetekend, wordt de terugvordering opgeschort tot de leidend ambtenaar over het administratief beroep uitspraak heeft gedaan.
  Als het administratief beroep wordt aangetekend na de termijn van drie maanden, wordt het administratief beroep onontvankelijk verklaard. De termijn van drie maanden begint te lopen vanaf de dag van de verzending van de aangetekende brief, vermeld in artikel 126, § 1.
  § 2. De leidend ambtenaar beslist over het administratief beroep na het advies van de administratieve beroepscommissie, vermeld in artikel 144, en met toepassing van de bepalingen van artikel 145, § 3, en artikel 146. De leidend ambtenaar heeft de mogelijkheid om de terugbetaling van de bedragen te verzaken of ze te beperken als het gezinsinkomen van de gebruiker ofwel zich door de toepassing van de terugvordering onder de armoederisicodrempel, vermeld in de European Union - Statistics on Income and Living Conditions, bevindt conform artikel 118, ofwel uitzonderlijke kosten ten gevolge van zijn verminderde zelfredzaamheid heeft.
  De minister bepaalt wat onder uitzonderlijke kosten als vermeld in het eerste lid, kan vallen.
  § 3. Als de gebruiker of zijn vertegenwoordiger voor het verstrijken van de termijn van drie maanden, vermeld in artikel 76, § 5, tweede lid, van het decreet van 18 mei 2018, bij de arbeidsrechtbank beroep aangetekend heeft tegen de beslissing na administratief beroep, wordt de terugvordering opnieuw opgeschort tot de gerechtelijke uitspraak definitief is geworden.
  
Art. 130. § 1er. Un usager ou son représentant peut former auprès de l'agence un recours administratif, tel que visé à l'article 76, § 5, du décret du 18 mai 2018, contre la décision de récupération ou de déduction conformément à l'article 125 du présent arrêté.
  Le recours administratif visé à l'alinéa 1er peut également être formé pour l'usager par un centre public d'action sociale, un service social de la mutualité, visé à [1 l'article 19 du décret sur les soins résidentiels du 15 février 2019]1, ou d'autres instances agissant dans l'intérêt de l'usager.
  Lorsque l'usager ou son représentant a formé un recours administratif tel que visé à l'alinéa 1er avant l'expiration du délai de trois mois, la récupération est suspendue jusqu'à ce que le fonctionnaire dirigeant ait statué sur le recours administratif.
  Si le recours administratif est formé après le délai de trois mois, il est déclaré irrecevable. Le délai de trois mois commence à courir à partir du jour de l'envoi de la lettre recommandée visée à l'article 126, § 1er.
  § 2. Le fonctionnaire dirigeant statue sur le recours administratif sur avis de la commission du recours administratif visée à l'article 144 et en application des dispositions de l'article 145, § 3, et de l'article 146. Le fonctionnaire dirigeant a la possibilité de renoncer au remboursement des montants ou de les réduire si, par l'application de la récupération, le revenu du ménage de l'usager tombe sous le seuil de pauvreté visé dans les Statistiques de l'Union européenne sur le revenu et les conditions de vie conformément à l'article 118, ou si l'usager est exposé à des frais exceptionnels consécutifs à la réduction de son autonomie.
  Le ministre détermine ce qu'il y a lieu de considérer comme frais exceptionnels tels que visés à l'alinéa 1er.
  § 3. Lorsque l'usager ou son représentant a formé, auprès du tribunal du travail, un recours contre la décision sur recours administratif avant l'expiration du délai de trois mois visé à l'article 76, § 5, alinéa 2, du décret du 18 mai 2018, la récupération est à nouveau suspendue jusqu'à ce que la décision judiciaire soit devenue définitive.
  
Art. 131. De zorgkas is financieel verantwoordelijk voor de ten onrechte uitbetaalde tegemoetkomingen aan de gebruiker, die het gevolg zijn van een fout van de zorgkas waarvan de gebruiker zich geen rekenschap kon geven en waarvan de zorgkas geen melding aan de gebruiker heeft gemaakt binnen de twee maanden. In geval van betwisting oordeelt het agentschap.
  De zorgkas is financieel verantwoordelijk voor de verzaking aan de terugvordering van ten onrechte uitbetaalde tegemoetkomingen conform artikel 129, § 1, tweede lid.
  Het agentschap is financieel verantwoordelijk voor andere ten onrechte uitbetaalde tegemoetkomingen dan de ten onrechte uitbetaalde tegemoetkomingen, vermeld in het eerste en het tweede lid, als die niet teruggevorderd kunnen worden bij de gebruiker of in mindering gebracht kunnen worden op een tegemoetkoming van de gebruiker.
Art. 131. La caisse d'assurance soins est financièrement responsable des interventions payées indûment à l'usager qui résultent d'une erreur de la caisse d'assurance soins dont l'usager ne pouvait normalement se rendre compte et que la caisse d'assurance soins n'a pas notifiée à l'usager dans les deux mois. En cas de contestation, l'agence tranche.
  La caisse d'assurance soins est financièrement responsable de la renonciation à la récupération d'interventions payées indûment conformément à l'article 129, § 1er, alinéa 2.
  L'agence est financièrement responsable d'interventions payées indûment autres que les interventions payées indûment visées aux alinéas 1et et 2 lorsque ces interventions ne peuvent être récupérées auprès de l'usager ou déduites d'une intervention allouée à l'usager.
HOOFDSTUK 2. [1 Terugvordering van tegemoetkomingen die ten onrechte uitbetaald zijn aan zorgvoorzieningen, verstrekkers van mobiliteitshulpmiddelen of deelnemers aan het multidisciplinair overleg]1
Chapitre 2. [1 Récupération d'interventions payées indûment à des structures de soins, des fournisseurs d'aides à la mobilité ou à des participants à la concertation multidisciplinaire]1
Art. 132. [1 Als zorgtickets, tegemoetkomingen voor mobiliteitshulpmiddelen of tegemoetkomingen aan deelnemers aan het multidisciplinair overleg ten onrechte uitbetaald zijn aan een zorgvoorziening, aan een verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen via een trekkingsrecht, [2 aan een deelnemer aan het multidisciplinair overleg of aan een vervoerder"]2, wordt de [2 tegemoetkomingen voor mobiliteitshulpmiddelen, tegemoetkomingen aan deelnemers aan het multidisciplinair overleg [2 "of de deelnemer aan het multidisciplinair overleg in kwestie]2.
   Als een natuurlijke persoon of een rechtspersoon de zorgtickets, de tegemoetkomingen voor mobiliteitshulpmiddelen [2 of de tegemoetkomingen aan deelnemers aan het multidisciplinair overleg" vervangen door de zinsnede ", de tegemoetkomingen aan deelnemers aan het multidisciplinair overleg of de tegemoetkomingen in reiskosten]2 voor eigen rekening heeft geïnd, is die samen met de zorgvoorziening, de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen [2 , de deelnemer aan het multidisciplinair overleg of de vervoerder]2 hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling.]1

  
Art. 132. [1 Lorsque des tickets de soins, [2 des interventions pour des aides à la mobilité, des interventions aux participants à la concertation multidisciplinaire ou des interventions dans les frais de déplacement ]2 ont été payés indûment à une structure de soins, à un fournisseur d'aides à la mobilité via un droit de tirage ou à un participant à la concertation multidisciplinaire, l'intervention est récupérée ou portée en déduction auprès de la structure de soins, du fournisseur d'aides à la mobilité [2 , du participant à la concertation multidisciplinaire ou du transporteur ]2.
   Si une personne physique ou une personne morale a perçu les tickets de soins, les interventions pour des aides à la mobilité [2 , les interventions aux participants à la concertation multidisciplinaire ou les interventions dans les frais de déplacement ]2 pour son propre compte, elle est solidairement tenue au remboursement avec la structure de soins, le fournisseur d'aides à la mobilité [2 , le participant à la concertation multidisciplinaire ou le transporteur ]2.]1

  
Art. 133. § 1. De beslissing van de zorgkas om tegemoetkomingen in mindering te brengen conform artikel 132, wordt gemeld aan de zorgvoorziening [1 ,]1 de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen [1 [2 , de deelnemer aan het multidisciplinair overleg of de vervoerder]2]1 in kwestie.
  § 2. Als het in mindering brengen van ten onrechte uitbetaalde zorgtickets [1 , tegemoetkomingen voor mobiliteitshulpmiddelen [2 , tegemoetkomingen aan deelnemers aan het multidisciplinair overleg of tegemoetkomingen in reiskosten]2]1 onmogelijk is, deelt de zorgkas haar beslissing om de tegemoetkomingen terug te vorderen als vermeld in artikel 132 met een aangetekende brief mee aan de zorgvoorziening [1 , de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen [2 , de deelnemer aan het multidisciplinair overleg of de vervoerder]2]1 in kwestie.
  De minister bepaalt welke vermeldingen de beslissing, vermeld in het eerste lid, moet bevatten.
  § 3. De zorgkas kan voor de verzending van de aangetekende brief, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, een brief naar de zorgvoorziening [1 ,]1 de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen [1 [2 , de deelnemer aan het multidisciplinair overleg of de vervoerder]2]1 sturen. Als de zorgvoorziening [1 ,]1 de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen [1 of de deelnemer aan het multidisciplinair overleg]1 niet binnen een maand op de brief reageert, verstuurt de zorgkas een aangetekende brief als vermeld in paragraaf 2, eerste lid.
  
Art. 133. § 1er. La décision de la caisse d'assurance soins de déduire les interventions conformément à l'article 132 est notifiée à la structure de soins [1 ,]1 au fournisseur d'aides à la mobilité [1 [2 , au participant à la concertation multidisciplinaire ou au transporteur ]2]1 en question.
  § 2. Si la déduction de tickets de soins [1 , d'interventions pour des aides à la mobilité [2 , d'interventions aux participants à la concertation multidisciplinaire ou d'interventions dans les frais de déplacement ]2]1 payés indûment est impossible, la caisse d'assurance soins communique sa décision de récupérer les interventions, comme visé à l'article 132, par lettre recommandée à la structure de soins ou [1 , au fournisseur d'aides à la mobilité [2 , au participant à la concertation multidisciplinaire ou au transporteur]2]1 en question.
  Le ministre détermine les mentions que doit contenir la décision visée à l'alinéa 1er.
  § 3. Préalablement à l'envoi de la lettre recommandée visée au paragraphe 2, alinéa 1er, la caisse d'assurance soins peut envoyer une lettre à la structure de soins ou au fournisseur d'aides à la mobilité [1 [2 , au participant à la concertation multidisciplinaire ou au transporteur ]2]1. A défaut de réaction de la structure de soins [1 ,]1 du fournisseur d'aides à la mobilité [1 [2 , du participant à la concertation multidisciplinaire ou du transporteur]2]1 à cette lettre dans le délai d'un mois, la caisse d'assurance soins envoie une lettre recommandée telle que visée au paragraphe 2, alinéa 1er.
  
Art. 133/1. [1 De zorgvoorziening, de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen [2 , de deelnemer aan het multidisciplinair overleg of de vervoerder]2 kan voor de terugbetaling van de ten onrechte uitbetaalde tegemoetkomingen een afbetalingsplan aanvragen bij de zorgkas. De zorgkas beslist over dat afbetalingsplan. De zorgkas bezorgt een al of niet aangepast afbetalingsplan aan de zorgvoorziening, de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen [2 , de deelnemer aan het multidisciplinair overleg of de vervoerder]2 of deelt aan de zorgvoorziening, de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen [2 , de deelnemer aan het multidisciplinair overleg of de vervoerder ]2 mee dat het afbetalingsplan niet aanvaard kan worden.]1
  
Art. 133/1. [1 En vue du remboursement des interventions payées indûment, la structure de soins, le fournisseur d'aides à la mobilité [2 , le participant à la concertation multidisciplinaire ou le transporteur]2 peut solliciter un plan d'apurement auprès de la caisse d'assurance soins. La caisse d'assurance statue sur ce plan d'apurement. La caisse d'assurance soins transmet à la structure de soins, au fournisseur d'aides à la mobilité [2 , au participant à la concertation multidisciplinaire ou au transporteur]2 un plan d'apurement adapté ou non ou les informe que le plan d'apurement ne peut pas être accepté.]1
  
Art. 134. De ten onrechte uitbetaalde tegemoetkomingen worden bij dwangbevel ingevorderd als:
  1° de zorgvoorziening [1 ,]1 de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen [1 [2 , de deelnemer aan het multidisciplinair overleg of de vervoerder]2, als er geen afbetalingsplan van de zorgkas is,]1 het bedrag van de ten onrechte uitbetaalde zorgtickets [1 ,]1 tegemoetkomingen voor mobiliteitshulpmiddelen [1 [2 , tegemoetkomingen voor deelnemers aan het multidisciplinair overleg of tegemoetkomingen in reiskosten]2]1 niet heeft terugbetaald binnen de drie maanden na de verzending van de aangetekende brief, vermeld in artikel 133, § 2;
  2° de zorgkas de ten onrechte uitbetaalde tegemoetkomingen niet in mindering kan brengen van toekomstige tegemoetkomingen van de Vlaamse sociale bescherming.
  [1 3° de zorgvoorziening, de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen of de deelnemer aan het multidisciplinair overleg het afbetalingsplan van de zorgkas niet strikt opvolgt]1
  De zorgkas bezorgt de gegevens van de zorgvoorzieningen [1 ,]1 de verstrekkers van mobiliteitshulpmiddelen [1 [2 , de deelnemer aan het multidisciplinair overleg of de vervoerder]2]1 bij wie de ten onrechte uitbetaalde tegemoetkomingen bij dwangbevel moeten worden ingevorderd, via het agentschap, aan de Vlaamse Belastingdienst. Het agentschap verzaakt ambtshalve aan de terugvordering als het bedrag kleiner is dan 200 euro.
  In afwijking van het tweede lid, wordt er niet verzaakt in geval van bedrog of arglist.
  
Art. 134. Les interventions payées indûment sont recouvrées par voie de contrainte lorsque :
  1° la structure de soins [1 ,]1 le fournisseur d'aides à la mobilité [1 [2 , le participant à la concertation multidisciplinaire ou le transporteur]2, à défaut de plan d'apurement de la caisse d'assurance soins,]1 n'a pas remboursé le montant des tickets de soins [1 ,]1 des interventions [1 pour des aides à la mobilité [2 , des interventions pour des participants à la concertation multidisciplinaire ou des interventions dans les frais de déplacement]2]1 payés indûment dans les trois mois de l'envoi de la lettre recommandée visée à l'article 133, § 2 ;
  2° la caisse d'assurance soins ne peut déduire les interventions payées indûment d'interventions futures de la protection sociale flamande.
  [1 3° la structure de soins, le fournisseur d'aides à la mobilité [2 , le participant à la concertation multidisciplinaire ou le transporteur ]2 ne respecte pas scrupuleusement le plan d'apurement de la caisse d'assurance soins.]1
  La caisse d'assurance soins transmet au Service flamand des Impôts les données des structures de soins [1 ,]1 des fournisseurs d'aides à la mobilité [1 ...]1 [1 [2 , des participants à la concertation multidisciplinaire ou des transporteurs]2]1 auprès desquels les interventions payées indûment doivent être recouvrées par voie de contrainte via l'agence. L'agence renonce d'office à la récupération lorsque le montant est inférieur à 200 euros.
  Par dérogation à l'alinéa 2, cette renonciation n'a pas lieu en cas de fraude ou de dol.
  
Art. 134/1. [1 § 1. Van de terugvordering van tegemoetkomingen die ten onrechte uitbetaald zijn aan de zorgvoorziening, de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen [2 , de deelnemer aan het multidisciplinair overleg of de vervoerder]2 wordt afgezien als de ten onrechte uitbetaalde tegemoetkoming louter het gevolg is van een vergissing van de zorgkas of van een administratieve dienst of instelling, waarvan de zorgvoorziening, de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen [2 [, de deelnemer aan het multidisciplinair overleg of de vervoerder]2 zich normaal geen rekenschap kan geven en waarvan de zorgkas geen melding aan de zorgvoorziening, de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen [2 , de deelnemer aan het multidisciplinair overleg of de vervoerder]2 heeft gemaakt binnen twee maanden.
   § 2. De zorgkas kan op eigen initiatief afzien van de terugvordering van tegemoetkomingen als het totaalbedrag van de ten onrechte uitbetaalde tegemoetkomingen lager dan 50 euro is.]1

  
Art. 134/1. [1 § 1er. Il est renoncé à la récupération d'interventions payées indûment à la structure de soins, au fournisseur d'aides à la mobilité [2 , au participant à la concertation multidisciplinaire ou au transporteur]2 lorsque l'intervention payée indûment résulte uniquement d'une erreur de la caisse d'assurance soins ou d'un service administratif ou organisme dont la structure de soins, le fournisseur d'aides à la mobilité [2 , le participant à la concertation multidisciplinaire ou le transporteur ]2 ne peut normalement pas se rendre compte et que la caisse d'assurance soins n'a pas notifiée à la structure de soins, au fournisseur d'aides à la mobilité ou au participant à la concertation multidisciplinaire dans les deux mois.
   § 2. La caisse d'assurance soins peut renoncer de sa propre initiative à la récupération d'interventions si le montant total des interventions payées indûment est inférieur à 50 euros.]1

  
Art. 134/2. [1 De zorgvoorziening, de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen [2 , de deelnemer aan het multidisciplinair overleg of de vervoerder]2 kan tegen de beslissing tot terugvordering of het in mindering brengen conform artikel 132 van dit besluit een administratief beroep als vermeld in artikel 76, § 5, van het decreet van 18 mei 2018, aantekenen bij het agentschap.
   Als de zorgvoorziening, de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen [2 , de deelnemer aan het multidisciplinair overleg of de vervoerder]2 voor het verstrijken van de termijn van drie maanden een administratief beroep als vermeld in het eerste lid, heeft aangetekend, wordt de terugvordering opgeschort tot de leidend ambtenaar over het administratief beroep uitspraak heeft gedaan.
   Als het administratief beroep wordt aangetekend na de termijn van drie maanden, wordt het administratief beroep onontvankelijk verklaard. De termijn van drie maanden begint te lopen vanaf de dag van de melding, vermeld in artikel 133, § 1, of vanaf de dag van de verzending van de aangetekende brief, vermeld in artikel 133, § 2, eerste lid.
   De leidend ambtenaar of een ambtenaar die hij aangewezen heeft, neemt een beslissing over het administratief beroep.]1

  
Art. 134/2. [1 La structure de soins, le fournisseur d'aides à la mobilité [2 , le participant à la concertation multidisciplinaire ou le transporteur ]2 peut former, auprès de l'agence, un recours administratif, tel que visé à l'article 76, § 5, du décret du 18 mai 2018, contre la décision de récupération ou de déduction conformément à l'article 132 du présent arrêté.
   Lorsque la structure de soins, le fournisseur d'aides à la mobilité [2 , le participant à la concertation multidisciplinaire ou le transporteur ]2 a formé un recours administratif tel que visé à l'alinéa 1er avant l'expiration du délai de trois mois, la récupération est suspendue jusqu'à ce que le fonctionnaire dirigeant ait statué sur le recours administratif.
   Si le recours administratif est formé après le délai de trois mois, il est déclaré irrecevable. Le délai de trois mois commence à courir à partir du jour de la notification visée à l'article 133, § 1er, ou à partir du jour de l'envoi de la lettre recommandée visée à l'article 133, § 2.
   Le fonctionnaire dirigeant ou le fonctionnaire qu'il a désigné prend une décision au sujet du recours administratif.]1

  
Art. 135. [1 ...]1
  Als de zorgvoorziening [1 , de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen [2 , de deelnemer aan het multidisciplinair overleg of de vervoerder]2 voor het verstrijken van de termijn van drie maanden, vermeld in artikel 76, § 5, tweede lid, van het decreet van 18 mei 2018, bij de arbeidsrechtbank beroep]1 heeft aangetekend, wordt de terugvordering opgeschort tot de gerechtelijke uitspraak definitief is geworden.
  
Art. 135. [1 , le participant à la concertation multidisciplinaire ou le transporteur ]1
  Lorsque la structure de soins [1 , le fournisseur d'aides à la mobilité [2 ]2 a formé un recours devant le tribunal du travail avant l'expiration du délai de trois mois visé à l'article 76, § 5, alinéa 2, du décret du 18 mai 2018,]1 la récupération est suspendue jusqu'à ce que la décision judiciaire soit devenue définitive.
  
Art. 136. [1 De zorgkas is financieel verantwoordelijk voor de ten onrechte uitbetaalde tegemoetkomingen aan zorgvoorzieningen, verstrekkers van mobiliteitshulpmiddelen, deelnemers aan het multidisciplinair overleg of vervoerders, die het gevolg zijn van een fout van de zorgkas waarvan de zorgvoorziening, de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen, de deelnemer aan het multidisciplinair overleg of de vervoerder zich geen rekenschap kon geven en waarvan de zorgkas geen melding aan de zorgvoorziening, de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen, de deelnemer aan het multidisciplinair overleg of de vervoerder heeft gemaakt binnen de twee maanden. In geval van betwisting oordeelt het agentschap.
   De zorgkas is financieel verantwoordelijk voor de verzaking aan de terugvordering van ten onrechte uitbetaalde tegemoetkomingen conform artikel 134/1, § 2.
   Het agentschap is financieel verantwoordelijk voor andere ten onrechte uitbetaalde tegemoetkomingen dan de ten onrechte uitbetaalde tegemoetkomingen, vermeld in het eerste en het tweede lid, als die niet teruggevorderd kunnen worden bij de zorgvoorziening, de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen, de deelnemer aan het multidisciplinair overleg of de vervoerder, of die niet in mindering gebracht kunnen worden van een tegemoetkoming van de zorgvoorziening, de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen, de deelnemer aan het multidisciplinair overleg of de vervoerder. ]1

  
Art. 136. [1 La caisse d'assurance soins est financièrement responsable d'interventions payées indûment à des structures de soins, des fournisseurs d'aides à la mobilité, des participants à la concertation multidisciplinaire ou des transporteurs, qui sont la conséquence d'une erreur de la caisse d'assurance soins dont la structure de soins, le fournisseur d'aides à la mobilité, le participant à la concertation multidisciplinaire ou le transporteur ne pouvait se rendre compte et dont la caisse d'assurance soins n'a pas fait mention à la structure de soins, au fournisseur d'aides à la mobilité, au participant à la concertation multidisciplinaire ou au transporteur dans les deux mois. En cas de contestation, l'agence tranche.
   La caisse d'assurance soins est financièrement responsable de la renonciation à la récupération d'interventions payées indûment conformément à l'article 134/1, § 2.
   L'agence est financièrement responsable d'interventions payées indûment autres que les interventions payées indûment visées aux alinéas 1er et 2 lorsque ces interventions ne peuvent être récupérées auprès de la structure de soins, du fournisseur d'aides à la mobilité, du participant à la concertation multidisciplinaire ou du transporteur, ou ne peuvent être déduites d'une intervention de la structure de soins, du fournisseur d'aides à la mobilité, du participant à la concertation multidisciplinaire ou du transporteur]1
.
  
HOOFDSTUK 3. - Gemeenschappelijke bepaling met betrekking tot de hoofdstukken 1 en 2
Chapitre 3. - Disposition commune relative aux chapitres 1er et 2
Art. 137. De zorgkas waarvan de gebruiker lid is op het moment van de prestatie die tot de terugvordering heeft geleid, vordert de ten onrechte uitbetaalde tegemoetkomingen terug. Als de gebruiker nadien van zorgkas verandert, blijft de zorgkas waarvan de gebruiker lid was op het moment van de prestatie die tot de terugvordering heeft geleid, met de terugvordering van de nog niet geïnde tegemoetkomingen belast.
  In geval van meervoudige betaling bij verschillende zorgkassen vorderen de zorgkassen waarvan de betrokkene geen lid is, de bedragen terug.
Art. 137. La caisse d'assurance soins auprès de laquelle l'usager est affilié au moment de la prestation qui a donné lieu à la récupération récupère les interventions payées indûment. Lorsque l'usager change ensuite de caisse d'assurance soins, la caisse d'assurance soins auprès de laquelle l'usager était affilié au moment de la prestation qui a donné lieu à la récupération reste chargée de la récupération des interventions non encore perçues.
  En cas de paiement multiple auprès de différentes caisses d'assurance soins, les caisses d'assurance soins auxquelles l'intéressé n'est pas affilié récupèrent les montants.
Titel 5. [1 Sancties ten laste van de zorgvoorzieningen, de verstrekkers van mobiliteitshulpmiddelen of de deelnemers aan het multidisciplinair overleg]1
Titre 5. [1 Sanctions à charge des structures de soins, des fournisseurs d'aides à la mobilité ou des participants à la concertation multidisciplinaire]1
HOOFDSTUK 1. [1 - Algemeen]1
CHAPITRE 1er. [1 - Généralités]1
Art. 137/1. [1 De documenten die de betaling van de tegemoetkomingen toestaan, vermeld in artikel 76/1, § 1, 1°, laatste lid, van het decreet van 18 mei 2018, zijn:
   1° de betalingsverbintenissen van de zorgkassen;
   2° de facturen van de zorgvoorzieningen, de verstrekkers van mobiliteitshulpmiddelen of de deelnemers aan het multidisciplinair overleg;
   3° de goedkeuring van de tegemoetkomingsaanvraag.]1

  
Art. 137/1. [1 Les documents autorisant le paiement des interventions, visés à l'article 76, § 1er, 1°, dernier alinéa, du décret du 18 mai 2018, sont :
   1° les engagements de paiement des caisses d'assurance soins ;
   2° les factures des structures de soins, des fournisseurs d'aides à la mobilité ou des participants à la concertation multidisciplinaire ;
   3° l'approbation de la demande d'intervention.]1

  
HOOFDSTUK 2. [1 - Bedrog]1
CHAPITRE 2. [1 - Fraude]1
Art. 137/2. [1 De zorgkas of de gebruiker kan de ernstige, nauwkeurige en met elkaar overeenstemmende aanwijzingen van bedrog bij de zorgvoorziening, de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen of de deelnemer aan het multidisciplinair overleg melden aan het agentschap.
   De leidend ambtenaar of de ambtenaar die hij aangewezen heeft, kan de zorgvoorziening, de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen of de deelnemer aan het multidisciplinair overleg met een aangetekende zending op de hoogte brengen van de feiten waarop de aanwijzingen berusten. De aangetekende zending wordt geacht ontvangen te zijn op de derde werkdag nadat de brief aan de postdiensten is overhandigd. Hij nodigt de zorgvoorziening, de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen of de deelnemer aan het multidisciplinair overleg uit hem zijn verweermiddelen mee te delen met een aangetekende zending binnen vijftien werkdagen.
   Na het onderzoek van de verweermiddelen, of als hij geen verweermiddelen ontvangen heeft binnen de termijn, vermeld in het vorige lid, bezorgt de leidend ambtenaar of de ambtenaar die hij aangewezen heeft, het dossier aan de zorginspectie. De zorginspectie onderzoekt alle nodige elementen, evalueert de verweermiddelen en rapporteert aan het agentschap. Het agentschap neemt de beslissing op basis van het rapport van de zorginspectie. Als het agentschap beslist de uitbetalingen te schorsen, bepaalt het de duur van de periode van de schorsing. Het agentschap bepaalt ook of de schorsing geheel of gedeeltelijk is.
   De zorgvoorziening, de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen of de deelnemer aan het multidisciplinair overleg wordt met een aangetekende zending op de hoogte gebracht van de beslissing, vermeld in het derde lid. De beslissing heeft uitwerking vanaf de kennisgeving, die wordt geacht ontvangen te zijn de derde werkdag nadat de brief aan de postdiensten is overhandigd, tenzij de geadresseerde kan bewijzen dat de kennisgeving hem pas later heeft bereikt. Een afschrift van de beslissing wordt gelijktijdig ter kennisgeving meegedeeld aan de zorgkassen.
   Een niet-schorsend beroep kan ingesteld worden bij de arbeidsrechtbank.
   De schorsing, vermeld in het derde lid, vervalt van rechtswege als binnen het jaar na de beslissing geen proces-verbaal van vaststelling is opgesteld.]1

  
Art. 137/2. [1 La caisse d'assurance soins ou l'usager peut notifier à l'agence les indices graves, précis et concordants de fraude dans le chef de la structure de soins, du fournisseur d'aides à la mobilité ou du participant à la concertation multidisciplinaire.
   Le fonctionnaire dirigeant ou le fonctionnaire qu'il a désigné peut informer la structure de soins, le fournisseur d'aides à la mobilité ou le participant à la concertation multidisciplinaire, par un envoi recommandé, des faits sur lesquels reposent les indices. L'envoi recommandé est réputé avoir été reçu le troisième jour ouvrable qui suit la remise de la lettre aux services de la Poste. Il invite la structure de soins, le fournisseur d'aides à la mobilité ou le participant à la concertation multidisciplinaire à lui transmettre ses moyens de défense par envoi recommandé dans les quinze jours ouvrables.
   Après l'examen des moyens de défense ou s'il n'a pas reçu de moyens de défense dans le délai visé à l'alinéa précédent, le fonctionnaire dirigeant ou le fonctionnaire qu'il a désigné transmet le dossier à l'Inspection des soins. L'Inspection des soins examine tous les éléments nécessaires, évalue les moyens de défense et fait rapport à l'agence. L'agence prend la décision sur la base du rapport de l'Inspection des soins. Si l'agence décide de suspendre les paiements, elle détermine la durée de la période de suspension. L'agence détermine également si la suspension est totale ou partielle.
   La décision visée à l'alinéa 3 est portée à la connaissance de la structure de soins, du fournisseur d'aides à la mobilité ou du participant à la concertation multidisciplinaire par envoi recommandé. La décision prend effet à partir de sa notification qui est réputée avoir été reçue le troisième jour ouvrable qui suit la remise de la lettre aux services de la Poste à moins que le destinataire ne puisse prouver que la notification ne lui est parvenue qu'ultérieurement. Copie de la décision est simultanément notifiée aux caisses d'assurance soins.
   Un recours non suspensif peut être formé devant le tribunal du travail.
   La suspension visée à l'alinéa 3 prend fin de plein droit si, dans l'année qui suit la décision, aucun procès-verbal de constat n'a été établi.]1

  
Boek 2. Zorggebonden financiering
Livre 2. - Financement lié aux soins
Deel 1. - Zorgbudget
Partie 1re. - Budget de soins
Titel 1. - Algemeen
Titre 1er. - Généralités
HOOFDSTUK 1. - Automatische toekenning en uitbetaling tegemoetkomingen
Chapitre 1er. - Octroi automatique et paiement des interventions
Art. 138. De tegemoetkomingen worden automatisch toegekend als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
  1° de gebruiker heeft een attest als vermeld in artikel 151 of 233;
  2° de zorgkas verkrijgt het attest via de bestandsmatige gegevens van het agentschap.
  Als aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, niet voldaan is, wordt de tegemoetkoming toegekend na een aanvraag.
Art. 138. Les interventions sont octroyées automatiquement lorsqu'il est satisfait aux conditions suivantes :
  1° l'usager a une attestation telle que visée à l'article 151 ou 233 ;
  2° la caisse d'assurance soins obtient l'attestation via les données provenant de fichiers de l'agence.
  S'il n'est pas satisfait aux conditions visées à l'alinéa 1er, l'intervention est octroyée sur demande.
Art. 139. De tegemoetkoming wordt uitbetaald uiterlijk voor het einde van de maand waarop ze betrekking heeft.
  In afwijking van het eerste lid wordt de tegemoetkoming voor residentiële zorg van het zorgbudget voor zwaar zorgbehoevenden uitbetaald na de laatste dag van de maand waarop ze betrekking heeft.
  Bij een gebruiker die in een bepaalde maand overlijdt, wordt de tegemoetkoming voor de maand in kwestie nog uitgevoerd.
  De minister bepaalt de modaliteiten van de betaling.
Art. 139. L'intervention est versée au plus tard à la fin du mois auquel elle se rapporte.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, l'intervention pour soins résidentiels du budget de soins pour personnes fortement dépendantes est versée après le dernier jour du mois auquel elle se rapporte.
  Pour l'usager qui décède au cours d'un mois donné, l'intervention pour le mois en question est encore exécutée.
  Le ministre fixe les modalités du paiement.
Art. 140. Het zorgbudget voor zwaar zorgbehoevenden, het basisondersteuningsbudget en het zorgbudget voor ouderen met een zorgnood zijn onderling cumuleerbaar.
Art. 140. Le budget de soins pour personnes fortement dépendantes, le budget d'assistance de base et le budget de soins pour personnes âgées présentant un besoin en soins sont cumulables entre eux.
HOOFDSTUK 2. - Wijziging in de toestand of de zorg
Chapitre 2. - Modification de la situation ou des soins
Art. 141. Om aanspraak te blijven maken op een tegemoetkoming, moet een gebruiker elke wijziging in de toestand of de zorg met een impact op de tegemoetkoming onmiddellijk aan de zorgkas meedelen.
  De gebruiker is evenwel niet verplicht de wijziging, vermeld in het eerste lid, mee te delen aan de zorgkas als:
  1° het gaat om wijzigingen van de informatiegegevens, vermeld in artikel 3, eerste lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, op voorwaarde dat die wijziging meegedeeld is aan de zorgkas;
  2° het een gegeven betreft dat al is meegedeeld aan een andere overheid in het kader van de daar geldende reglementering en als de minister dat gegeven heeft opgenomen in een specifiek daarvoor opgestelde lijst.
  De minister kan de nadere regels bepalen voor de mededeling van gegevens aan de zorgkas.
Art. 141. Afin de pouvoir continuer de prétendre à une intervention, l'usager doit communiquer immédiatement à la caisse d'assurance soins toute modification de la situation ou des soins ayant une incidence sur l'intervention.
  L'usager n'est cependant pas obligé de communiquer à la caisse d'assurance soins la modification visée à l'alinéa 1er s'il s'agit :
  1° de modifications des informations visées à l'article 3, alinéa 1er, de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques, pour autant cette modification ait été communiquée à la caisse d'assurance soins ;
  2° il s'agit d'un élément qui a déjà été communiqué à une autre autorité dans le cadre de la réglementation qui y est en vigueur et si le ministre a repris cet élément dans une liste spécifiquement rédigée à cet effet.
  Le ministre peut déterminer les règles de la communication d'informations à la caisse d'assurance soins.
HOOFDSTUK 3. - Schorsing van tegemoetkomingen bij detentie of opname
Chapitre 3. - Suspension des interventions en cas de détention ou d'admission
Art. 142. De zorgbudgetten worden geschorst voor de periode waarin een gebruiker opgesloten is in een gevangenis of opgenomen is in een inrichting, een afdeling of een centrum als vermeld in artikel 61 van het decreet van 18 mei 2018.
  De zorgbudgetten worden niet uitgevoerd vanaf de eerste dag van de maand na de start van de opsluiting of de opname, vermeld in het eerste lid, tot het einde van de maand waarin de opsluiting of opname beëindigd wordt.
Art. 142. Les budgets de soins sont suspendus pour la période durant laquelle l'usager est incarcéré dans un établissement pénitentiaire ou admis dans une institution, une section ou un centre tels que visés à l'article 61 du décret du 18 mai 2018.
  Les budgets de soins ne sont pas exécutés à partir du premier jour du mois qui suit le début de l'incarcération ou de l'admission visée à l'alinéa 1er jusqu'à la fin du mois au cours duquel l'incarcération ou l'admission prend fin.
HOOFDSTUK 4. - Administratief beroep
Chapitre 4. - Recours administratif
Art. 143. Een gebruiker of zijn vertegenwoordiger kan bij het agentschap administratief beroep aantekenen tegen elke beslissing van de zorgkas over een zorgbudget, binnen drie maanden na de verzending van de beslissing door de zorgkas.
  In afwijking van het eerste lid kan geen beroepschrift worden ingediend tegen de weigering van de erkenning van de handicap of de beslissing dat er geen duidelijk vast te stellen behoefte aan zorg en ondersteuning is, in geval van automatische toekenning van een basisondersteuningsbudget op basis van attesten.
Art. 143. Un usager ou son représentant peut former auprès de l'agence un recours administratif contre toute décision de la caisse d'assurance soins au sujet d'un budget de soins, dans les trois mois de l'envoi de la décision par la caisse d'assurance soins.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, aucun recours ne peut être introduit contre le refus de reconnaissance du handicap ou la décision selon laquelle il n'existe pas de besoin de soins et de soutien clairement constaté, en cas d'octroi automatique d'un budget d'assistance de base sur la base d'attestations.
Art. 144. § 1. De beroepschriften worden voor advies voorgelegd aan een door de minister samen te stellen administratieve beroepscommissie. De minister kan bij de administratieve beroepscommissie kamers instellen.
  § 2. [1 De administratieve beroepscommissie of, als er met toepassing van paragraaf 1 kamers zijn ingesteld, elke kamer van de administratieve beroepscommissie, is samengesteld uit vijf leden en hun plaatsvervangers. Onder de leden wordt een voorzitter aangewezen. Onder de leden zijn bovendien minstens de volgende kwalificaties aanwezig:
   1° doctor in de geneeskunde of bachelor in de verpleegkunde;
   2° bachelor of master in het sociaal werk of gelijkgesteld door ervaring.]1

  De voorzitter en de leden van de administratieve beroepscommissie worden door de minister benoemd voor een hernieuwbare termijn van vijf jaar.
  Het secretariaat van een kamer van de administratieve beroepscommissie wordt waargenomen door een personeelslid van het agentschap. Hij heeft geen stemrecht.
  Een kamer van de administratieve beroepscommissie is gemachtigd de ernst en de duur van de verminderde zelfredzaamheid van een gebruiker vast te stellen.
  De administratieve beroepscommissie regelt haar werking in een door de minister goed te keuren huishoudelijk reglement. Als binnen de administratieve beroepscommissie verschillende kamers zijn ingesteld, wordt het huishoudelijk reglement of de wijziging ervan in verenigde kamers besproken.
  Een kamer van de administratieve beroepscommissie kan alleen een geldig advies uitbrengen als de voorzitter en ten minste twee leden, of hun plaatsvervangers, aanwezig zijn. De administratieve beroepscommissie beslist bij gewone meerderheid. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter of zijn plaatsvervanger doorslaggevend.
  
Art. 144. § 1er. Les recours sont soumis à l'avis d'une commission du recours administratif à constituer par le ministre. Le ministre peut instituer des chambres auprès de la commission du recours administratif.
  § 2. [1 La commission du recours administratif ou, lorsque des chambres ont été instituées en application du paragraphe 1er, chaque chambre de la commission du recours administratif, se compose de cinq membres et leurs suppléants. Un président est désigné parmi les membres. En outre, au moins les qualifications suivantes sont requises parmi les membres :
   1° docteur en médecine ou bachelor en art infirmier ;
   2° bachelor ou master en travail social ou équivalents par expérience.]1

  Le président et les membres de la commission du recours administratif sont nommés par le ministre pour un terme de cinq ans, renouvelable.
  Le secrétariat d'une chambre de la commission du recours administratif est assuré par un membre du personnel de l'agence. Il ne dispose pas du droit de vote.
  Une chambre de la commission du recours administratif est habilitée à déterminer la gravité et la durée de la réduction de l'autonomie de l'usager.
  La commission du recours administratif règle son fonctionnement dans un règlement d'ordre intérieur à approuver par le ministre. Si plusieurs chambres ont été instituées au sein de la commission du recours administratif, le règlement d'ordre intérieur ou sa modification sont examinés au sein des chambres réunies.
  Une chambre de la commission du recours administratif ne peut émettre un avis valable que lorsqu'au moins deux membres, ou leurs suppléants, sont présents. La commission du recours administratif décide à la majorité simple. En cas de parité, la voix du président ou de son suppléant est prépondérante.
  
Art. 144/1. [1 § 1. De leden van de administratieve beroepscommissie en hun plaatsvervangers ontvangen voor hun werkzaamheden een presentiegeld per vergadering van de administratieve beroepscommissie waaraan ze deelnemen.
   Het presentiegeld per vergadering wordt door de minister vastgesteld. De minister kan een maximumaantal vergaderingen per jaar bepalen waarvoor een presentiegeld wordt toegekend en kan bepalen dat twee of meer vergaderingen van de administratieve beroepscommissie op dezelfde dag gelden als één vergadering.
   § 2. De minister kan bepalen dat de leden van de administratieve beroepscommissie en hun plaatsvervangers een vergoeding ontvangen voor de reiskosten die zijn verbonden aan de deelname aan de vergaderingen, en legt de vergoeding in voorkomend geval vast.
   § 3. De minister bepaalt welke persoonsgegevens van de leden van de administratieve beroepscommissie het agentschap verwerkt voor de uitbetaling van de presentiegelden en de vergoedingen, vermeld in paragraaf 1 en paragraaf 2. Het gaat om contactgegevens, identificatiegegevens, met inbegrip van het INSZ-nummer, en het rekeningnummer van de personen in kwestie. Deze persoonsgegevens worden door het agentschap bewaard tot maximaal één jaar na het eindigen van het lidmaatschap van de betrokkene bij de administratieve beroepscommissie.]1

  
Art. 144/1. [1 § 1er. Les membres de la commission du recours administratif et leurs suppléants reçoivent, pour leurs activités, un jeton de présence pour chaque réunion de la commission du recours administratif à laquelle ils participent.
   Le ministre fixe le jeton de présence par réunion. Le ministre peut fixer un nombre maximum de réunions par an pour lesquelles un jeton de présence est alloué et peut décider que deux réunions ou plus de la commission du recours administratif au cours d'une même journée sont considérées comme une seule réunion.
   § 2. Le ministre peut décider que les membres de la commission du recours administratif et leurs suppléants reçoivent une indemnité pour les frais de déplacement liés à leur participation aux réunions et fixe, le cas échéant, l'indemnité.
   § 3. Le ministre détermine les données à caractère personnel des membres de la commission du recours administratif que traite l'agence pour le paiement des jetons de présence et des indemnités visés aux paragraphes 1er et 2. Il s'agit des coordonnées, des données d'identification, y compris le numéro NISS, et du numéro de compte des personnes en question. L'agence conserve ces données à caractère personnel jusqu'à un an maximum après la fin de l'affiliation de l'intéressé à la commission du recours administratif.]1

  
Art. 145. § 1. Het beroepschrift is ontvankelijk als het aan al de volgende voorwaarden voldoet:
  1° het is gemotiveerd;
  2° alle relevante stukken zijn erbij gevoegd;
  3° het beroepschrift is binnen de vastgestelde termijn aan het agentschap bezorgd.
  Als een gebruiker of zijn vertegenwoordiger gehoord wil worden, wordt dat op straffe van verval gevraagd in het beroepschrift.
  Als er relevante stukken als vermeld in het eerste lid, 2°, bij de indiening van het beroepschrift ontbreken, vraagt het agentschap die stukken op bij de gebruiker of zijn vertegenwoordiger met een aangetekende brief . De voormelde brief vermeldt welke stukken moeten worden bezorgd en de termijn van een maand, waarbinnen ze moeten worden bezorgd. Als de relevante stukken niet binnen een maand na de verzending van de aangetekende brief aan het agentschap worden bezorgd, is het beroepschrift onontvankelijk. Die termijn wordt op verzoek van de gebruiker of zijn vertegenwoordiger, gevraagd binnen die termijn, met een maand verlengd.
  De minister bepaalt hoe het beroepschrift aan het agentschap wordt bezorgd.
  § 2. Als het administratief beroep onontvankelijk is, stuurt het agentschap de beslissing naar de gebruiker of zijn vertegenwoordiger. Het dossier wordt dan niet meegedeeld aan de administratieve beroepscommissie.
  § 3. Als het administratief beroep ontvankelijk is, bezorgt het agentschap het beroepschrift binnen vijftien dagen na ontvangst aan de administratieve beroepscommissie. Binnen dezelfde termijn deelt het agentschap aan de zorgkas mee dat een ontvankelijk beroep is ingediend. De zorgkas kan vragen om gehoord te worden.
Art. 145. § 1er. Le recours est recevable lorsqu'il remplit toutes les conditions suivantes :
  1° il est motivé ;
  2° toutes les pièces pertinentes y sont jointes ;
  3° le recours a été transmis à l'agence dans le délai fixé.
  Lorsque l'usager ou son représentant désire être entendu, la demande doit, à peine de nullité, en être faite dans le recours.
  Lorsque des pièces pertinentes, telles que visées à l'alinéa 1er, 2°, font défaut lors de l'introduction du recours, l'agence les réclame par lettre recommandée auprès de l'usager ou de son représentant. La lettre précitée mentionne les pièces à fournir et le délai d'un mois dans lequel elles doivent être transmises. Si les pièces pertinentes ne sont pas transmises à l'agence dans le mois qui suit l'envoi de la lettre recommandée, le recours est irrecevable. A la demande de l'usager ou de son représentant dans ce délai, ce délai est prolongé d'un mois.
  Le ministre détermine les modalités de la transmission du recours à l'agence.
  § 2. Si le recours administratif est irrecevable, l'agence envoie la décision à l'usager ou à son représentant. Le dossier n'est alors pas communiqué à la commission du recours administratif.
  § 3. Si le recours administratif est recevable, l'agence transmet le recours à la commission du recours administratif dans les quinze jours suivant la réception du recours. Dans le même délai, l'agence informe la caisse d'assurance soins de l'introduction d'un recours recevable. La caisse d'assurance soins peut demander à être entendue.
Art. 146. [1 Nadat ze het beroepschrift heeft ontvangen, geeft een kamer van de administratieve beroepscommissie de opdracht aan de Zorgkassencommissie om binnen een termijn van dertig dagen een nieuwe indicatiestelling uit te voeren. De resultaten van de nieuwe indicatiestelling gelden als het gemotiveerde advies van de administratieve beroepscommissie aan het agentschap.]1
  [1 In afwijking van de beroepsprocedure, vermeld in het eerste lid, worden beroepen tegen beslissingen die op basis van artikel 187 genomen zijn, behandeld door een kamer van de administratieve beroepscommissie, die haar gemotiveerd advies aan het agentschap verleent binnen drie maanden nadat ze het beroepschrift heeft ontvangen. Als de administratieve beroepscommissie op basis van de motivering van het administratief beroep oordeelt dat een bijkomende indicatiestelling wenselijk is, kan een bijkomende indicatiestelling worden uitgevoerd door de Zorgkassencommissie. De resultaten van de bijkomende indicatiestelling gelden in voorkomend geval als het gemotiveerde advies van de administratieve beroepscommissie aan het agentschap.]1
  De leidend ambtenaar neemt een beslissing binnen een maand nadat hij het advies [1 ...]1 heeft ontvangen.
  Het agentschap stuurt de beslissing van de leidend ambtenaar binnen acht dagen met een aangetekende brief naar de gebruiker of zijn vertegenwoordiger en naar de zorgkas in kwestie.
  De minister bepaalt de nadere regels voor de uitvoering van de behandeling van het administratief beroep.
  
Art. 146. [1 Après avoir reçu le recours, une chambre de la commission du recours administratif charge la Commission des caisses d'assurance soins d'effectuer une nouvelle indication dans un délai de trente jours. Les résultats de la nouvelle indication comptent pour l'avis motivé de la commission du recours administratif à l'agence.]1
  [1 Par dérogation à la procédure de recours, visée à l'alinéa 1er, les recours contre des décisions prises sur la base de l'article 187 sont traités par une chambre de la commission du recours administratif, qui rend son avis motivé à l'agence dans les trois mois de la réception du recours. Si la commission du recours administratif juge, sur la base de la motivation du recours administratif, qu'une indication supplémentaire est souhaitable, une indication supplémentaire peut être effectuée par la Commission des caisses d'assurance soins. Le cas échéant, les résultats de l'indication supplémentaire comptent pour l'avis motivé de la commission du recours administratif à l'agence.]1
  Le fonctionnaire dirigeant prend une décision dans le mois de la réception de l'avis [1 ...]1.
  L'agence envoie la décision du fonctionnaire dirigeant par lettre recommandée à l'usager ou à son représentant et à la caisse d'assurance soins en question.
  Le ministre fixe les modalités de l'exécution du traitement du recours administratif.
  
Art. 146/1. [1 De terugbetaling van de dossiertaks conform artikel 80, § 6, vijfde lid, artikel 88, § 4, vijfde lid, en artikel 92, § 6, vijfde lid, van het decreet van 18 mei 2018 gebeurt binnen twee maanden na de beslissing, vermeld in artikel 146, derde lid, van dit besluit.
   De minister kan nadere regels bepalen voor de dossiertaks, vermeld in artikel 80, § 6, artikel 88, § 4, en artikel 92, § 6, van het decreet van 18 mei 2018.]1

  
Art. 146/1. [1 Le remboursement de la taxe de dossier conformément à l'article 80, § 6, alinéa 5, l'article 88, § 4, alinéa 5, et l'article 92, § 6, alinéa 5, du décret du 18 mai 2018, se fait dans les deux mois suivant la décision visée à l'article 146, alinéa 3, du présent arrêté.
   Le ministre peut arrêter des modalités relatives à la taxe de dossier, visée à l'article 80, § 6, l'article 88, § 4, et l'article 92, § 6, du décret du 18 mai 2018.]1

  
Titel 2. - Zorgbudget voor zwaar zorgbehoevenden
Titre 2. - Budget de soins pour personnes fortement dépendantes
HOOFDSTUK 1. - Algemeen
Chapitre 1er. - Généralités
Art. 147. Titel 2 is van toepassing op het zorgbudget voor zwaar zorgbehoevenden, vermeld in artikel 4, eerste lid, 1°, van het decreet van 18 mei 2018.
Art. 147. Le titre 2 s'applique au budget de soins pour personnes fortement dépendantes, visé à l'article 4, alinéa 1er, 1°, du décret du 18 mai 2018.
HOOFDSTUK 2. - Voorwaarden
Chapitre 2. - Conditions
Afdeling 1. - Verblijfsvoorwaarden: residentiële zorg of mantel- en thuiszorg
Section 1re. - Conditions de résidence : soins résidentiels ou soins de proximité et à domicile
Art. 148. Om aanspraak te kunnen maken op een zorgbudget voor zwaar zorgbehoevenden in het kader van residentiële zorg als vermeld in artikel 149, moet de gebruiker in een van de volgende zorgvoorzieningen verblijven:
  1° in een door de Vlaamse Regering erkende of in een daarmee gelijkgestelde residentiële zorgvoorziening als vermeld in artikel 79, eerste lid, 2°, van het decreet van 18 mei 2018;
  2° in een zorgvoorziening die een aanvraag tot erkenning als residentiële zorgvoorziening bij de Vlaamse Gemeenschap heeft ingediend.
  De zorgkas voert de tegemoetkomingen voor de personen die in een zorgvoorziening als vermeld in het eerste lid, 2°, verblijven, met terugwerkende kracht uit vanaf het moment dat de zorgvoorziening een erkende residentiële zorgvoorziening is.
  Om aanspraak te blijven maken op een zorgbudget voor zwaar zorgbehoevenden in het kader van residentiële zorg, moet een persoon aan de volgende voorwaarden voldoen:
  1° hij heeft een verblijfsovereenkomst met de zorgvoorziening bij verblijf in een woonzorgcentrum;
  2° hij is opgenomen in een psychiatrisch verzorgingstehuis en is niet langer dan een volledige kalendermaand afwezig.
  Als de gebruiker niet meer aan de voorwaarden, vermeld in het derde lid, voldoet, wordt een verandering van zorgvorm naar mantel- en thuiszorg aangevraagd. Als de gebruiker geen verandering van zorgvorm aanvraagt, zet de zorgkas de beslissing stop vanaf de eerste dag van de volledige kalendermaand van zijn afwezigheid.
  De minister bepaalt de nadere regels voor de voorwaarden voor het zorgbudget voor zwaar zorgbehoevenden in het kader van residentiële zorg, vermeld in het eerste tot en met het vierde lid.
Art. 148. Pour pouvoir prétendre à un budget de soins pour personnes fortement dépendantes dans le cadre de soins résidentiels tels que visés à l'article 149, l'usager doit résider dans l'une des structures de soins suivantes :
  1° une structure de soins résidentiels agréée par le Gouvernement flamand ou assimilée, telle que visée à l'article 79, alinéa 1er, 2°, du décret du 18 mai 2018 ;
  2° une structure ayant introduit une demande d'agrément en tant que structure de soins résidentiels auprès de la Communauté flamande.
  La caisse d'assurance soins effectue les interventions pour les personnes résidant dans une structure de soins telle que visée à l'alinéa 1er, 2°, avec effet rétroactif à partir du moment où la structure de soins est une structure de soins résidentiels agréée.
  Pour pouvoir continuer à prétendre à un budget de soins pour personnes fortement dépendantes dans le cadre de soins résidentiels, une personne doit remplir les conditions suivantes :
  1° elle a une convention de résidence avec la structure de soins lorsqu'elle réside dans un centre de soins résidentiels ;
  2° elle a été admise dans une maison de soins psychiatriques et n'est pas absente plus d'un mois calendrier complet.
  Lorsque l'usager ne remplit plus les conditions visées à l'alinéa 3, un changement de la forme de soins en soins de proximité et à domicile est demandé. Lorsque l'usager ne demande pas de changement de forme des soins, la caisse d'assurance soins met fin à la décision à partir du premier jour du premier mois calendrier complet de son absence.
  Le ministre détermine les modalités des conditions pour le budget de soins pour personnes fortement dépendantes dans le cadre de soins résidentiels visé aux alinéas 1er à 4.
Art. 149. De volgende instellingen worden beschouwd als erkende of met erkenning gelijkgestelde residentiële zorgvoorzieningen:
  1° de woonzorgcentra, behalve wat betreft de personen van wie het zelfzorgvermogen niet is aangetast en die conform [1 artikel 47 van het Woonzorgdecreet van 15 februari 2019]1 zijn opgenomen buiten de erkende capaciteit;
  2° de psychiatrische verzorgingstehuizen;
  3° de in België maar niet in het Nederlandse taalgebied gevestigde zorgvoorzieningen, die een vergelijkbare hulp- en dienstverlening aanbieden als de zorgvoorzieningen, vermeld in punt 1° en 2°, en die hun activiteiten op rechtmatige wijze verrichten;
  4° de niet in België gevestigde zorgvoorzieningen en professionele zorgverleners die in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschap of van de Europese Economische Ruimte dan België of in Zwitserland gevestigd zijn, die een vergelijkbare hulp- en dienstverlening aanbieden als de voorzieningen, vermeld in punt 1° en 2°, en die hun activiteiten op rechtmatige wijze verrichten in de lidstaat van vestiging.
  
Art. 149. Les institutions suivantes sont considérées comme des structures de soins résidentiels agréées ou assimilées à un agrément :
  1° les centres de soins résidentiels, sauf en ce qui concerne les personnes dont l'autonomie n'est pas affectée et qui, conformément à [1 l'article 47 du décret sur les soins résidentiels du 15 février 2019]1 sont admises en dehors de la capacité agréée ;
  2° les maisons de soins psychiatriques ;
  3° les structures de soins établies en Belgique mais pas dans la région de langue néerlandaise, qui offrent une aide et des services similaires aux structures de soins visées aux points 1° et 2° et qui exercent leurs activités de manière légitime ;
  4° les structures de soins et les prestataires de soins professionnels non établis en Belgique, mais dans un Etat membre de la Communauté européenne ou de l'Espace économique européen autre que la Belgique ou en Suisse, qui offrent une aide et des services similaires aux structures visées aux points 1° et 2° et qui exercent leurs activités de manière légitime au sein de l'Etat membre d'établissement.
  
Art. 150. Om aanspraak te kunnen maken en te blijven maken op een zorgbudget voor zwaar zorgbehoevenden in het kader van mantel- en thuiszorg mag een gebruiker op de datum van de aanvraag niet verblijven in een ziekenhuis, tenzij de indicatiestelling plaatsvindt op een ogenblik waarop een gebruiker in het thuismilieu verblijft. Deze voorwaarde vervalt in het geval van een herziening of verlenging.
  Als een gebruiker op het ogenblik van de indicatiestelling in het ziekenhuis verblijft, kan hij toch aanspraak maken op een zorgbudget voor zwaar zorgbehoevenden in het kader van mantel- en thuiszorg als hij op de datum van de aanvraag in het thuismilieu verblijft.
Art. 150. Pour pouvoir prétendre et continuer à prétendre à un budget de soins pour personnes fortement dépendantes dans le cadre des soins de proximité et à domicile, l'usager ne peut séjourner à l'hôpital à la date de la demande, à moins que l'indication n'ait lieu à un moment où l'usager séjourne à domicile. Cette condition devient caduque en cas de révision ou de prolongation.
  Si un usager séjourne à l'hôpital au moment de l'indication, il peut tout de même prétendre à un budget de soins pour personnes fortement dépendantes dans le cadre des soins de proximité et à domicile lorsqu'il séjourne à domicile à la date de la demande.
Afdeling 2. - Voorwaarde voor langdurige ernstige verminderde zelfredzaamheid
Section 2. - Condition de l'autonomie réduite grave et de longue durée
Art. 151. § 1. Met een attest kan een gebruiker in aanmerking genomen worden voor een zorgbudget voor zwaar zorgbehoevenden in het kader van mantel- en thuiszorg als aan een van de volgende criteria is voldaan:
  1° [2 minstens score 13 op de BelRAI screener, of [4 minstens 5,5 punten]4 op de som van de modules IADL en ADL van de BelRAI screener, afgenomen door:
   a) een dienst voor gezinszorg op basis van artikel 6, § 2, tweede lid, van bijlage 2 bij het besluit van 28 juni 2019;
   b) een centrum voor dagverzorging op basis van artikel 22/1 van bijlage 7 bij het besluit van 28 juni 2019;
   c) een centrum voor kortverblijf type 1 op basis van artikel 8 van bijlage 8 bij het besluit van 28 juni 2019;
   d) een woonzorgcentrum op basis van artikel 27 van bijlage 11 bij het besluit van 28 juni 2019;
   e) een beoefenaar van een gezondheidszorgberoep als vermeld in de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, in het kader van regelgeving die op hem van toepassing is, waarbij de beoefenaar voldoet aan de opleidingsvereisten voor het gebruik van de BelRAI screener;]2

  2° [2 ...]2
  3° minstens score B op de Katz-schaal in de thuisverpleging;
  4° minstens score 15 op de medisch-sociale schaal die wordt gebruikt voor de evaluatie van de graad van zelfredzaamheid met het oog op het onderzoek naar het recht op de integratietegemoetkomingen, de tegemoetkoming hulp aan bejaarden of het zorgbudget voor ouderen met een zorgnood;
  5° [3 zorgtoeslag voor kinderen met een specifieke ondersteuningsbehoefte of]3 bijkomende kinderbijslag op basis van minstens 18 punten op de medisch-sociale schaal, samengesteld uit pijler P1, P2 en P3;
  6° minstens score C op de Katzschaal in een woonzorgcentrum, een [1 centrum voor dagverzorging]1 of een centrum voor kortverblijf;
  7° een kine-E-attest bij een verlenging op het moment dat een gebruiker minstens ononderbroken en gedurende drie jaar over een positieve beslissing voor mantel- en thuiszorg beschikt op basis van een indicatiestelling met de BEL-profielschaal [2 of de BelRAI screener]2. Een dergelijke positieve beslissing tot verlenging kan ook met een kine-E-attest telkens opnieuw verlengd worden.
  [3 8° de gebruiker heeft vóór de eerste dag van de vierde maand die volgt op de datum waarop het recht op een tegemoetkoming geopend wordt, recht op de forfaitaire tegemoetkoming, vermeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 2 december 1999 tot vaststelling van de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging voor geneesmiddelen, verzorgingsmiddelen en hulpmiddelen voor palliatieve thuispatiënten, bedoeld in artikel 34, 14°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994.]3
  [5 9° de gebruiker voldoet bij een verlenging aan een van de voorwaarden, vermeld in artikel 182, eerste lid, 1° en 2°, van dit besluit, en had geen recht op tegemoetkomingen tijdens de vorige beslissing.]5
  In het eerste lid wordt onder kine-E-attest verstaan: het attest in het kader van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, vermeld in het koninklijk besluit van 2 juni 1998 tot uitvoering van artikel 37, § 16bis, van de Ziekteverzekeringswet.
  [1 In het eerste lid wordt verstaan onder dienst voor gezinszorg: de dienst, vermeld in artikel 11 van het Woonzorgdecreet van 15 februari 2019, en erkend met toepassing [5 van artikel 38]5 van het voormelde decreet.]1
  § 2. Om een zorgbudget voor zwaar zorgbehoevenden in het kader van residentiële zorg te verkrijgen, bewijst een verblijfsattest dat een gebruiker getroffen is door een langdurig ernstig verminderde zelfredzaamheid.
  Het verblijfsattest is het attest dat het verblijf in een erkende of met erkenning gelijkgestelde residentiële zorgvoorziening bewijst. Dat is een van de volgende attesten:
  1° een attest van de zorgvoorziening waarop minstens de datum van opname wordt vermeld;
  2° een attest op basis van een score op de Katz-schaal in een woonzorgcentrum.
  § 3. De minister bepaalt de nadere regels voor het attest, vermeld in paragraaf 1 en 2.
  
Art. 151. § 1er. Au moyen d'une attestation, un usager peut entrer en considération pour un budget de soins pour personnes fortement dépendantes dans le cadre des soins de proximité et à domicile si l'un des critères suivants est rempli :
  1° [2 un score minimum de 13 au screener BelRAI, ou au [4 au minimum 5,5 points]4 pour la somme des modules AIVQ et AVQ du screener BelRAI, constaté par :
   a) un service d'aide aux familles sur la base de l'article 6, § 2, alinéa 2, de l'annexe 2 à l'arrêté du 28 juin 2019 ;
   b) un centre de soins de jour sur la base de l'article 22/1 de l'annexe 7 à l'arrêté du 28 juin 2019 ;
   c) un centre de court séjour de type 1 sur la base de l'article 8 de l'annexe 8 à l'arrêté du 28 juin 2019 ;
   d) un centre de soins résidentiels sur la base de l'article 27 de l'annexe 11 à l'arrêté du 28 juin 2019 ;
   e) un praticien d'une profession des soins de santé tel que visé à la loi coordonnée du 10 mai 2015 relative à l'exercice des professions des soins de santé, dans le cadre de la réglementation qui lui est applicable, où le praticien répond aux exigences de formation pour l'utilisation du screener BelRAI ;]2

  2° [2 ...]2
  3° un score minimum B sur l'échelle de Katz dans les soins infirmiers à domicile ;
  4° un score minimum de 15 sur l'échelle médico-sociale utilisée pour évaluer le degré d'autonomie en vue d'examiner le droit aux allocations d'intégration, à l'allocation pour l'aide aux personnes âgées ou au budget de soins pour personnes âgées présentant un besoin en soins ;
  5° [3 allocation de soins pour les enfants ayant un besoin de soutien spécifique ou]3 supplément d'allocations familiales basé sur 18 points minimum sur l'échelle médico-sociale, composée des piliers P1, P2 et P3 ;
  6° un score minimum C sur l'échelle de Katz dans un centre de soins résidentiels, un centre de soins de jour ou un centre de court séjour ;
  7° une attestation Kiné E en cas de prolongation au moment où un usager dispose, durant trois ans au moins sans interruption, d'une décision positive pour les soins de proximité et à domicile sur la base d'une indication à l'aide de l'échelle de profil BEL [2 ou du screener BelRAI]2. Une telle décision positive de prolongation peut également être reconduite au moyen d'une attestation Kiné E.
  [3 8° l'usager a droit, avant le premier jour du quatrième mois suivant la date d'ouverture du droit à une intervention, à l'intervention forfaitaire visée à l'article 2 de l'arrêté royal du 2 décembre 1999 déterminant l'intervention de l'assurance soins de santé obligatoire pour les médicaments, le matériel de soins et les auxiliaires pour les patients palliatifs à domicile visés à l'article 34, 14°, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994.]3
  [5 9° lors d'une prolongation, l'utilisateur remplit l'une des conditions, visées à l'article 182, alinéa 1er, 1° et 2°, du présent arrêté, et n'avait pas droit à des interventions pendant la décision précéde]5
  A l'alinéa 1er, l'attestation Kiné E s'entend de l'attestation dans le cadre de l'assurance obligatoire maladie-invalidité, visée à l'arrêté royal du 2 juin 1998 portant exécution de l'article 37, § 16bis, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994.
  [1 A l'alinéa 1er, le " service d'aide aux familles " s'entend du service visé à l'article 11 du décret sur les soins résidentiels du 15 février 2019 et agréé en application de l'article 38 du décret précité.]1
  § 2. Pour obtenir un budget de soins pour personnes fortement dépendantes dans le cadre de soins résidentiels, l'usager doit démontrer, au moyen d'une attestation de résidence, qu'il est frappé par réduction de l'autonomie grave et de longue durée.
  L'attestation de résidence prouve le séjour dans une structure de soins résidentiels agréée ou assimilée à un agrément. Il s'agit de l'une des attestations suivantes :
  1° une attestation de la structure de soins, qui mentionne au moins la date d'admission ;
  2° une attestation basée sur le score sur l'échelle de Katz dans un centre de soins résidentiels.
  § 3. Le ministre fixe les modalités de l'attestation visée aux paragraphes 1er et 2.
  
Art. 152. Bij gebrek aan het attest, vermeld in artikel 151, toont een indicatiestelling de graad van de verminderde zelfredzaamheid om een zorgbudget voor zwaar zorgbehoevenden in het kader van mantel- en thuiszorg te verkrijgen, bij gebruikers die ouder zijn dan vijf jaar.
Art. 152. A défaut de l'attestation visée à l'article 151, une indication montre le degré de réduction d'autonomie afin d'obtenir un budget de soins pour personnes fortement dépendantes dans le cadre des soins de proximité et à domicile pour les usagers de plus de cinq ans.
Art. 153. Bij een indicatiestelling kan een gebruiker in aanmerking genomen worden voor een zorgbudget voor zwaar zorgbehoevenden in het kader van mantel- en thuiszorg als aan een van de volgende criteria is voldaan:
  1° [1 ...]1
  2° minstens 10 punten op het blok lichamelijke A.D.L. van de BEL-profielschaal als een gebruiker tussen vijf en achttien jaar oud is;
  3° als een gebruiker achttien jaar of ouder is, minstens 13 punten op de BelRAI screener, of [2 minstens 5,5 punten ]2 op de som van de modules IADL en ADL van de BelRAI screener.
  [1 ...]1
  
Art. 153. Lors d'une indication, un usager peut entrer en considération pour un budget de soins pour personnes fortement dépendantes dans le cadre des soins de proximité et à domicile si l'un des critères suivants est rempli :
  1° [1 ...]1
  2° minimum 10 points sur le bloc AVQ physique de l'échelle de profil BEL lorsqu'un usager est âgé de cinq à dix-huit ans ;
  3° minimum 13 points au BelRAI screener ou [2 au minimum 5,5 points]2 pour la somme des modules AIVQ et AVQ du BelRAI screener lorsqu'un usager est âgé de dix-huit ans ou plus.
  [1 ...]1
  
Art. 154. De volgende zorgvoorzieningen zijn voor onbepaalde duur van rechtswege gemachtigd als [2 ...]2 indicatiesteller:
  1° de welzijnsverenigingen, vermeld in artikel 475 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
  2° [1 de diensten voor gezinszorg, vermeld in artikel 11 van het Woonzorgdecreet van 15 februari 2019]1;
  3° [1 de diensten maatschappelijk werk van het ziekenfonds, vermeld in artikel 19 van het Woonzorgdecreet van 15 februari 2019]1.
  
Art. 154. Les structures de soins suivantes sont habilitées de plein droit pour une durée indéterminée en tant qu'indicateur [2 ...]2 :
  1° les associations d'aide sociale visées à l'article 475 du décret du 22 décembre 2017 sur l'administration locale, et le centres publics d'action sociale ;
  2° [1 les services d'aide aux familles visés à l'article 11 du décret sur les soins résidentiels du 15 février 2019 ;]1
  3° [1 les services sociaux de la mutualité visés à l'article 19 du décret sur les soins résidentiels du 15 février 2019.]1
  
Art. 155. Een indicatiestelling die uitgevoerd wordt binnen een jaar na een eerdere indicatiestelling die niet voldoet aan de criteria, vermeld in artikel 153, eerste lid, [1 ...]1 2° of 3°, geldt niet als bewijs voor een langdurig ernstig verminderde zelfredzaamheid.
  In afwijking van het eerste lid kan de indicatiestelling toch als bewijs gelden als de herindicatiestelling wordt uitgevoerd door dezelfde persoon die de vorige indicatiestelling heeft uitgevoerd. Als die persoon in de onmogelijkheid verkeert om de indicatiestelling opnieuw uit te voeren, moet de indicatiestelling door een ander personeelslid van de betrokken gemachtigde indicatiesteller of het controleorgaan uitgevoerd worden. Als de betrokken gemachtigde indicatiesteller, door de verhuizing van de zorgbehoevende, in de onmogelijkheid verkeert om de indicatiestelling opnieuw uit te voeren, kan de indicatiestelling door een andere gemachtigde indicatiesteller uitgevoerd worden.
  De minister kan de nadere regels bepalen waaraan de indicatiestelling moet voldoen die, overeenkomstig het tweede lid, binnen het jaar wordt uitgevoerd.
  
Art. 155. Une indication effectuée dans l'année d'une indication antérieure qui ne remplit pas les critères visés à l'article 153, alinéa 1er, [1 ...]1 2° ou 3°, ne tient pas lieu de preuve d'une réduction de l'autonomie grave et de longue durée.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, l'indication peut tout de même tenir lieu de preuve lorsque la réindication est effectuée par la même personne que celle qui a effectué l'indication précédente. Si cette personne se trouve dans l'impossibilité d'effectuer à nouveau l'indication, l'indication doit être effectuée par un autre membre du personnel de l'indicateur mandaté concerné ou de l'organisme de contrôle. Si l'indicateur mandaté concerné se trouve dans l'impossibilité d'effectuer à nouveau l'indication, suite au déménagement de la personne dépendante, l'indication peut être effectuée par un autre indicateur mandaté.
  Le ministre peut préciser les modalités à remplir par l'indication effectuée dans l'année conformément à l'alinéa 2.
  
Art. 156. Een gebruiker of zijn vertegenwoordiger kiest een gemachtigde indicatiesteller. De indicatiestellingen worden [1 uitgevoerd, naar gelang het geval, conform artikel 153, eerste lid, met de BEL-profielschaal of de BelRAI-screener,]1 door de personen die in de zorgvoorzieningen werken, die als gemachtigde indicatiestellers optreden.
  De persoon die de indicatiestelling uitvoert met de BEL-profielschaal, heeft een van de volgende diploma's:
  1° bachelor in het studiegebied gezondheidszorg;
  2° bachelor in het studiegebied sociaal-agogisch werk;
  3° bachelor in de gezinswetenschappen;
  4° een diploma dat zowel naar inhoud als naar niveau door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming gelijkgesteld is met een diploma, als vermeld in punt 1°, 2° of 3°.
  De persoon die de indicatiestelling uitvoert met de BelRAI-screener, [1 is opgeleid conform de voorwaarden, vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 mei 2021 over de tenuitvoerlegging van BelRAI en tot wijziging van diverse besluiten van de Vlaamse Regering over het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin]1.
  De indicatiestelling [1 uitgevoerd met de BEL-profielschaal]1 wordt ondertekend door de persoon die de indicatiestelling heeft uitgevoerd.
  
Art. 156. Un usager ou son représentant choisit un indicateur mandaté. Les indications sont [1 effectuées, selon le cas, conformément à l'article 153, alinéa 1er, à l'aide de l'échelle de profil BEL ou du screener BelRAI,]1 par les personnes travaillant dans les structures de soins qui agissent en qualité d'indicateurs mandatés.
  La personne qui effectue l'indication est titulaire de l'un des diplômes suivants :
  1° bachelier dans la discipline des soins de santé ;
  2° bachelier dans la discipline du travail socio-éducatif ;
  3° bachelier en sciences familiales ;
  4° un diplôme qui, tant en termes de contenu que de niveau, est assimilé par le Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation à un diplôme, tel que visé aux points 1°, 2° ou 3°.
  La personne qui effectue l'indication avec le BelRAI screener [1 est formée conformément aux conditions visées à l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 mai 2021 relatif à a mise en oeuvre de BelRAI et modifiant divers arrêtés du Gouvernement flamand relatifs au domaine politique du Bien-être, de la Santé publique et de la Famille]1.
  L'indication [1 effectuée à l'aide de l'échelle de profil BEL]1 est signée par la personne qui l'a effectuée.
  
Art. 157. Bij een gebruiker die niet in het Nederlandse taalgebied of het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad woont en die niet over een attest beschikt, wordt de indicatiestelling uitgevoerd conform artikel 156.
Art. 157. Pour un usager qui n'habite pas dans la région de langue néerlandaise ou dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale et qui ne dispose pas d'une attestation, l'indication est effectuée conformément à l'article 156.
Art. 159. De minister bepaalt de nadere regels voor de uitvoering van de indicatiestelling.
Art. 159. Le ministre détermine les modalités de l'exécution de l'indication.
HOOFDSTUK 3. - Automatische toekenning en aanvraag
Chapitre 3. - Octroi automatique et demande
Art. 160. Bij gebrek aan een automatische toekenning als vermeld in artikel 138, eerste lid, dient de gebruiker een aanvraag van een tegemoetkoming in bij de zorgkas waarbij hij aangesloten is. Daarvoor vult hij het aanvraagformulier in dat het agentschap ter beschikking stelt. Een gebruiker ondertekent het formulier en de zorgkas dateert het aanvraagformulier.
  Een vertegenwoordiger kan in naam en voor rekening van een gebruiker optreden. De minister bepaalt de nadere regels voor het optreden van een vertegenwoordiger.
  Een ziekenfonds of de bij dit besluit erkende of gemachtigde zorgvoorzieningen of professionele zorgverleners kunnen een aanvraag voor een gebruiker indienen als ze daarvoor de toestemming van de gebruiker of zijn vertegenwoordiger hebben gekregen.
Art. 160. A défaut d'octroi automatique tel que visé à l'article 138, alinéa 1er, l'usager introduit une demande d'intervention auprès de la caisse d'assurance soins à laquelle il est affilié. A cet effet, il complète le formulaire de demande mis à disposition par l'agence. Un usager signe le formulaire et la caisse d'assurance soins date le formulaire de demande.
  Un représentant peut intervenir au nom et pour compte d'un usager. Le ministre détermine les modalités de l'intervention d'un représentant.
  Une mutualité ou les structures de soins ou prestataires de soins professionnels agréés ou mandatés par le présent arrêté peuvent introduire une demande pour l'usager s'ils y ont été autorisés par l'usager ou son représentant.
Art. 161. De personen, vermeld in artikel 3, § 2, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, van het decreet van 18 mei 2018, kunnen een aanvraag voor tegemoetkoming met terugwerkende kracht indienen tot op zijn vroegst de dag waarop zij zich hadden moeten of kunnen aansluiten. De voorwaarde daarvoor is dat een gebruiker of zijn vertegenwoordiger de aanvraag bij de zorgkas indient uiterlijk op 31 december van het tweede jaar na de datum waarop het agentschap het bestand heeft ontvangen van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, waarin een persoon voor het eerst opgenomen is.
  De minister kan de wijze waarop de aanvraag ingediend moet worden nader bepalen.
Art. 161. Les personnes visées à l'article 3, § 2, alinéas 1er, 3, 4 et 5, du décret du 18 mai 2018 peuvent introduire une demande d'intervention avec effet rétroactif au jour où elles auraient dû ou pu s'affilier au plus tôt. A cet effet, un usager ou son représentant doit introduire la demande auprès de la caisse d'assurance soins au plus tard le 31 décembre de la deuxième année qui suit la date à laquelle l'agence a reçu de la Banque-Carrefour de la Sécurité sociale le fichier dans lequel une personne a été reprise pour la première fois.
  Le ministre peut fixer les modalités d'introduction de la demande.
HOOFDSTUK 4. - Beslissing over de tegemoetkoming
Chapitre 4. - Décision quant à l'intervention
Afdeling 1. - Nemen van de beslissing
Section 1re. - Prise de la décision
Art. 162. De zorgkas deelt haar beslissing schriftelijk mee aan een gebruiker of zijn vertegenwoordiger.
  Een gebruiker of zijn vertegenwoordiger kan daartegen bij het agentschap conform de bepalingen van artikel 143 tot en met artikel 146, een beroepschrift indienen, binnen de drie maanden na de verzending van de beslissing door de zorgkas.
  Een vertegenwoordiger kan in naam en voor rekening van een gebruiker optreden. De minister bepaalt de nadere regels voor het optreden van een vertegenwoordiger.
Art. 162. La caisse d'assurance soins communique sa décision par écrit à l'usager ou à son représentant.
  Un usager ou son représentant peut introduire un recours contre cette décision auprès de l'agence, conformément aux dispositions des articles 143 à 146, dans les trois mois de l'envoi de la décision par la caisse d'assurance soins.
  Un représentant peut intervenir au nom et pour compte d'un usager. Le ministre détermine les modalités de l'intervention d'un représentant.
Art. 163. Als een zorgkas geen beslissing kan nemen binnen zestig dagen bij gebrek aan bewijs van een langdurig ernstig verminderde zelfredzaamheid, brengt ze de gebruiker of zijn vertegenwoordiger daarvan schriftelijk op de hoogte.
  In het geval, vermeld in het eerste lid, wordt de termijn van zestig dagen verlengd met dertig dagen.
Art. 163. Lorsqu'une caisse d'assurance soins ne peut prendre de décision dans les soixante jours à défaut de preuve d'une réduction de l'autonomie grave et de longue durée, elle en informe l'usager ou son représentant par écrit.
  Dans le cas visé à l'alinéa 1er, le délai de soixante jours est prorogé de trente jours.
Art. 164. De termijnen waarbinnen een zorgkas moet beslissen, vermeld in artikel 80, § 1, eerste lid, van het decreet van 18 mei 2018, en in artikel 163, tweede lid, zijn bij gebruikers die niet in het Nederlandse taalgebied of het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad wonen, niet van toepassing.
Art. 164. Les délais dans lesquels une caisse d'assurance soins doit prendre la décision visée à l'article 80, § 1er, alinéa 1er, du décret du 18 mai 2018 et à l'article 163, alinéa 2, ne s'appliquent pas aux usagers qui ne résident pas dans la région de langue néerlandaise ou dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale.
Art. 165. In afwijking van artikel 83, tweede lid, van het decreet van 18 mei 2018 is er geen carenztijd en gaat de uitvoering van de tegemoetkoming op zijn vroegste in vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de datum waarop het recht op een tegemoetkoming geopend wordt, als de gebruiker vóór de eerste dag van de vierde maand die volgt op de datum waarop het recht op een tegemoetkoming geopend wordt, recht heeft op de forfaitaire tegemoetkoming, vermeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 2 december 1999 tot vaststelling van de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging voor geneesmiddelen, verzorgingsmiddelen en hulpmiddelen voor palliatieve thuispatiënten, bedoeld in artikel 34, 14°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 9 mei 2008 en 12 februari 2009.
Art. 165. Par dérogation à l'article 83, alinéa 2, du décret du 18 mai 2018, il n'y a pas de délai de carence et l'exécution de l'intervention prend cours au plus tôt le premier jour du mois suivant la date d'ouverture du droit à une intervention, lorsque l'usager a droit, avant le premier jour du quatrième mois suivant la date d'ouverture du droit à une intervention, à l'intervention forfaitaire visée à l'article 2 de l'arrêté royal du 2 décembre 1999 déterminant l'intervention de l'assurance soins de santé obligatoire pour les médicaments, le matériel de soins et les auxiliaires pour les patients palliatifs à domicile visés à l'article 34, 14°, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, modifié par les arrêtés royaux des 9 mai 2008 et 12 février 2009.
Art. 166. De minister bepaalt de nadere regels voor de beslissing over de tegemoetkoming, vermeld in artikel 162 en 163.
Art. 166. Le ministre fixe les modalités de décision quant à l'intervention visée aux articles 162 et 163.
Afdeling 2. - Geldigheidsduur
Section 2. - Durée de validité
Art. 167. § 1. De zorgkas beslist over de duur van de geldigheid van een positieve beslissing.
  § 2. [1 De zorgkas beslist over de geldigheidsduur van een positieve beslissing over het zorgbudget voor zwaar zorgbehoevenden in het kader van mantel- en thuiszorg, rekening houdend met de duur van de langdurig ernstig verminderde zelfredzaamheid zoals die uit het attest of uit de indicatiestelling blijkt. De geldigheidsduur van een positieve beslissing bedraagt ten minste zes maanden en ten hoogste drie jaar.]1
  In afwijking van het eerste lid wordt de geldigheidsduur bij een positieve beslissing voor het zorgbudget voor zwaar zorgbehoevenden in het kader van mantel- en thuiszorg als volgt berekend:
  1° in geval van minstens een B-score op de Katz-schaal in de thuisverpleging bedraagt de geldigheidsduur van de beslissing zes maanden;
  2° in geval van een attest op basis van de medisch-sociale schaal die wordt gebruikt voor de graad van zelfredzaamheid met het oog op het onderzoek naar het recht op de integratietegemoetkoming en het zorgbudget voor ouderen met een zorgnood, loopt de beslissing tot het einde van de maand waarin het attest vervalt. De geldigheidsduur bedraagt minstens zes maanden. Als het attest van onbepaalde duur is, geldt de positieve beslissing ook voor onbepaalde duur;
  3° in geval van een attest op basis van bijkomende kinderbijslag [2 of zorgtoeslag voor kinderen met een specifieke ondersteuningsbehoefte]2 loopt de geldigheidsduur van de beslissing tot het einde van de maand waarin het attest vervalt. De geldigheidsduur bedraagt minstens zes maanden en loopt maximaal tot het einde van de maand waarin een gebruiker de leeftijd van 21 jaar bereikt. De tegemoetkomingen worden verder uitgevoerd na het einde van de maand waarin een gebruiker de leeftijd van 21 jaar bereikt heeft, als aangetoond wordt dat voor de gebruiker een aanvraag van een integratietegemoetkoming ingediend is. Het bewijs daarvan is een kopie van de aanvraag van een integratietegemoetkoming. Als de aanvraag voor een integratietegemoetkoming niet leidt tot een attest dat de ernst en de duur van het verminderde zelfzorgvermogen bewijst met het oog op een tegemoetkoming voor mantel- en thuiszorg, vordert de zorgkas de onterecht uitbetaalde tegemoetkomingen terug, als die uitgevoerd zijn na het einde van de maand waarin een gebruiker de leeftijd van 21 jaar bereikt heeft;
  4° in geval van een indicatiestelling als vermeld in artikel 152, met een duur van de langdurig ernstig verminderde zelfredzaamheid van minstens 36 maanden, geldt de beslissing voor onbepaalde duur, als de persoon op het moment van de indicatiestelling minstens 80 jaar oud is.
  [3 5° als een gebruiker aan een van de voorwaarden voldoet, vermeld in artikel 182, eerste lid, 1° en 2°, en de gebruiker geen recht had op tegemoetkomingen tijdens de vorige beslissing, loopt de geldigheidsduur van de beslissing tot en met de laatste dag van de maand waarin het budget, vermeld in artikel 182, eerste lid, 1° of 2°, beëindigd wordt.]3
  [1 § 2/1. Tijdens de geldigheidsduur ervan wordt een positieve beslissing over het zorgbudget voor zwaar zorgbehoevenden in het kader van mantel- en thuiszorg in voorkomend geval beëindigd en vervangen door:
   1° een negatieve beslissing die genomen is conform artikel 189, na een controle van de graad van zorgbehoevendheid door het controleorgaan;
   2° een negatieve beslissing die genomen is op basis van een nieuwe indicatiestelling uitgevoerd door dezelfde gemachtigde indicatiesteller of op basis van een nieuw attest als vermeld in artikel 151, § 1, eerste lid, opgesteld door dezelfde persoon, zorgvoorziening of organisatie;
   3° een positieve beslissing op basis van een nieuw attest of een nieuwe indicatiestelling, waarvan de geldigheidsduur de geldigheidsduur van de initiële positieve beslissing overschrijdt.
   Tijdens de geldigheidsduur ervan wordt een positieve beslissing over het zorgbudget voor zwaar zorgbehoevenden in het kader van mantel- en thuiszorg in voorkomend geval ook beëindigd en vervangen door een negatieve beslissing die genomen is op basis van een van de volgende documenten op voorwaarde dat die documenten dateren van op zijn vroegste zes maanden na de datum van de positieve beslissing:
   1° een nieuw attest als vermeld in artikel 151, § 1, eerste lid, opgesteld door een andere persoon, zorgvoorziening of organisatie, maar gebaseerd op dezelfde criteria als de criteria waarop het attest gebaseerd was dat tot de oorspronkelijke positieve beslissing heeft geleid;
   2° een nieuwe indicatiestelling uitgevoerd door een andere gemachtigde indicatiesteller.]1

  § 3. Een positieve beslissing voor het zorgbudget voor zwaar zorgbehoevenden in het kader van residentiële zorg geldt voor onbepaalde duur.
  
Art. 167. § 1er. La caisse d'assurance soins décide de la durée de validité d'une décision positive.
  § 2. [1 La caisse d'assurance soins décide de la durée de validité d'une décision positive sur le budget des soins pour personnes fortement dépendantes dans le cadre des soins de proximité et à domicile, en tenant compte de la durée de la réduction de l'autonomie grave et de longue durée, telle qu'elle ressort de l'attestation ou de l'indication. La durée de validité d'une décision positive est de six mois au minimum et de trois ans au maximum.]1
  Par dérogation à l'alinéa 1er, la durée de validité d'une décision positive pour le budget de soins pour personnes fortement dépendantes dans le cadre des soins de proximité et à domicile est calculée comme suit :
  1° dans le cas d'un score minimum B sur l'échelle de Katz dans les soins infirmiers à domicile, la durée de validité de la décision est de six mois ;
  2° dans le cas d'une attestation basée sur l'échelle médico-sociale utilisée pour évaluer le degré d'autonomie en vue d'examiner le droit à l'allocation d'intégration et au budget de soins pour personnes âgées présentant un besoin en soins, la décision court jusqu'à la fin du mois de l'expiration de l'attestation. La durée de validité est de six mois au moins. En cas d'attestation à durée indéterminée, la décision positive est également valable pour une durée indéterminée ;
  3° dans le cas d'une attestation basée sur le supplément d'allocations familiales [2 ou l'allocation de soins pour les enfants ayant un besoin de soutien spécifique]2 , la durée de validité de la décision court jusqu'à la fin du mois de l'expiration de l'attestation. La durée de validité est de six mois au mois et court au maximum jusqu'à la fin du mois du vingt et unième anniversaire de l'usager. Les interventions se poursuivent après la fin du mois du mois du vingt et unième anniversaire de l'usager s'il est démontré qu'une demande d'allocation d'intégration a été introduite pour l'usager. Une copie de la demande d'allocation d'intégration en constitue la preuve. Si la demande d'allocation d'intégration ne donne pas lieu à une attestation démontrant la gravité et la durée de la réduction de l'autonomie en vue d'une intervention pour les soins de proximité et à domicile, la caisse d'assurance soins récupère les interventions payées indûment, lorsque celles-ci ont été effectuées après la fin du mois du vingt et unième anniversaire de l'usager ;
  4° dans le cas d'une indication telle que visée à l'article 152, avec une durée de réduction de l'autonomie grave et de longue durée de 36 mois au moins, la décision est valable pour une durée indéterminée si la personne est âgée de 80 ans au moins moment de l'indication.
  [3 5° si un utilisateur remplit l'une des conditions, visées à l'article 182, alinéa 1er, 1° et 2°, et l'utilisateur n'avait pas droit à des interventions pendant la décision précédente, la durée de validité de la décision court jusqu'au dernier jour du mois où se termine le budget, visé à l'article 182, alinéa 1er, 1° ou 2°. ]3
  [1 § 2/1. Pendant sa durée de validité, une décision positive sur le budget des soins pour personnes fortement dépendantes dans le cadre des soins de proximité et à domicile est terminée le cas échéant et remplacée par :
   1° une décision négative prise conformément à l'article 189, après un contrôle du degré de nécessité de soins par l'organisme de contrôle ;
   2° une décision négative prise sur la base d'une nouvelle indication effectuée par le même indicateur mandaté ou sur la base d'une nouvelle attestation telle que visée à l'article 151, § 1er, alinéa 1er, rédigée par la même personne, structure de soins ou organisation ;
   3° une décision positive sur la base d'une nouvelle attestation ou d'une nouvelle indication, dont la durée de validité dépasse la durée de validité de la décision positive initiale.
   Pendant sa durée de validité, une décision positive sur le budget des soins pour personnes fortement dépendantes dans le cadre des soins de proximité et à domicile est également terminée le cas échéant et remplacée par une décision négative qui est prise sur la base d'un des documents suivants, à condition que ces documents datent au plus tôt de six mois après la date de la décision positive :
   1° une nouvelle attestation telle que visée à l'article 151, § 1er, alinéa 1er, rédigée par une autre personne, structure de soins ou organisation, mais basée sur les mêmes critères que ceux sur lesquels l'attestation était basée qui a abouti à la décision positive initiale ;
   2° une nouvelle indication effectuée par un autre indicateur mandaté.]1

  § 3. Un décision positive pour le budget de soins pour personnes fortement dépendantes dans le cadre de soins résidentiels est valable pour une durée indéterminée.
  
Afdeling 3. - Herziening
Section 3. - Révision
Art. 168. Een gebruiker of zijn vertegenwoordiger heeft het recht om op ieder ogenblik een herziening van de positieve beslissing over de tegemoetkoming te vragen aan de zorgkas. De procedure voor de aanvraag van een tegemoetkoming is van overeenkomstige toepassing.
  Als de herziening leidt tot een positieve beslissing over de tegemoetkoming, heeft die beslissing uitwerking met ingang van de eerste dag van de maand die volgt op de datum waarop de herziening gevraagd werd door een gebruiker of zijn vertegenwoordiger.
  De minister bepaalt de nadere regels voor de herziening.
Art. 168. Un usager ou son représentant a le droit de demander à tout moment à la caisse d'assurance soins une révision de la décision positive relative à l'intervention. La procédure de la demande d'intervention s'applique par analogie.
  Si la révision donne lieu à une décision positive quant à l'intervention, cette décision prend effet à partir du premier jour du mois qui suit la date à laquelle la révision a été demandée par l'usager ou par son représentant.
  Le ministre fixe les modalités de la révision.
Afdeling 4. - Verlenging
Section 4. - Prolongation
Art. 169. De zorgkas verwittigt een gebruiker of zijn vertegenwoordiger schriftelijk voor het einde van de geldigheidsduur van de beslissing tot tegemoetkoming, vermeld in artikel 167, § 2, dat de gebruiker de verlenging van de beslissing moet aanvragen, of de zorgkas brengt de gebruiker op de hoogte van een beslissing tot verlenging voor het einde van de geldigheidsduur van de beslissing.
Art. 169. Avant la fin de la durée de validité de la décision d'intervention visée à l'article 167, § 2, la caisse d'assurance soins avertit un usager ou son représentant par écrit de ce que l'usager doit demander la prolongation de la décision ou la caisse d'assurance soins informe à l'usager de la décision de prolongation avant la fin de la durée de validité de la décision.
Art. 170. De verlenging wordt automatisch toegekend als voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in artikel 151.
Art. 170. La prolongation est automatiquement accordée si les conditions visées à l'article 151 sont remplies.
Art. 171. § 1. Bij gebrek aan een automatische toekenning van de verlenging als vermeld in artikel 170, wordt de aanvraag tot verlenging van een beslissing die eerder op basis van een indicatiestelling is genomen, ingediend bij de zorgkas met een attest, een indicatiestelling of een aanvraagformulier.
  § 2. Als de automatische toekenning van de verlenging, vermeld in artikel 170, of de aanvraag tot verlenging, vermeld in paragraaf 1, is ingediend nadat de geldigheidsduur van de vorige beslissing is verstreken, kan de beslissing niet verlengd worden.
  § 3. Als de gebruiker of zijn vertegenwoordiger met het oog op de verlenging een aanvraagformulier bij de zorgkas indient, deelt de zorgkas schriftelijk haar beslissing over de verlenging mee binnen zestig dagen.
  Als een zorgkas geen beslissing kan nemen binnen zestig dagen bij gebrek aan een bewijs van de langdurig ernstig verminderde zelfredzaamheid, brengt ze de gebruiker of zijn vertegenwoordiger daarvan schriftelijk op de hoogte. In dat geval wordt de termijn van zestig dagen verlengd met dertig dagen.
  § 4. De procedures voor de automatische toekenning en de aanvraag van een tegemoetkoming zijn van overeenkomstige toepassing op de verlenging van een beslissing die eerder op basis van een indicatiestelling is genomen.
Art. 171. § 1er. A défaut d'octroi automatique de la prolongation tel que visé à l'article 170, la demande de prolongation d'une décision prise antérieurement sur la base d'une indication est introduite auprès de la caisse d'assurance soins au moyen d'une attestation, d'une indication ou d'un formulaire de demande.
  § 2. Si l'octroi automatique de la prolongation tel que visé à l'article 170 ou la demande de prolongation visée au paragraphe 1er intervient après l'expiration de la durée de validité de la décision précédente, la décision ne peut être prolongée.
  § 3. Si l'usager ou son représentant introduit un formulaire de demande auprès de la caisse d'assurance soins en vue de la prolongation, la caisse d'assurance soins communique par écrit sa décision quant à la prolongation dans les soixante jours.
  Lorsqu'une caisse d'assurance soins ne peut prendre de décision dans les soixante jours à défaut de preuve de la réduction de l'autonomie grave et de longue durée, elle en informe l'usager ou son représentant par écrit. Dans ce cas, le délai de soixante jours est prorogé de trente jours.
  § 4. Les procédures d'octroi automatique et de demande d'intervention s'appliquent par analogie à la prolongation d'une décision prise antérieurement sur la base d'une indication.
Art. 172. § 1. De aanvraag tot verlenging van een beslissing die eerder op basis van een attest is genomen, wordt ingediend bij de zorgkas met een attest of een indicatiestelling.
  § 2. De beslissing die eerder op basis van een attest is genomen, wordt verlengd als het attest of de indicatiestelling uiterlijk negentig dagen na het verstrijken van de geldigheidsduur aan de zorgkas bezorgd is.
  Als de zorgkas zestig dagen na het verstrijken van de geldigheidsduur van de vorige beslissing geen attest of indicatiestelling ontvangen heeft, brengt ze de gebruiker of zijn vertegenwoordiger daarvan schriftelijk op de hoogte.
  § 3. De procedure voor de aanvraag van een tegemoetkoming is van overeenkomstige toepassing op de verlenging van een beslissing die eerder op basis van een attest is genomen.
Art. 172. § 1er. La demande de prolongation d'une décision prise antérieurement sur la base d'une attestation est introduite auprès de la caisse d'assurance soins au moyen d'une attestation ou d'une indication.
  § 2. La décision prise antérieurement sur la base d'une attestation est prolongée lorsque l'attestation ou l'indication a été transmise à la caisse d'assurance soins au plus tard nonante jours après l'expiration de la durée de validité.
  Si la caisse d'assurance soins n'a pas reçu d'attestation ou d'indication soixante jours après l'expiration de la durée de validité de la décision précédente, elle en informe l'usager ou son représentant par écrit.
  § 3. La procédure de la demande d'intervention s'applique par analogie à la prolongation d'une décision prise antérieurement sur la base d'une attestation.
Art. 173. De positieve beslissing tot verlenging, vermeld in artikel 170, 171 en 172, treedt in werking op de eerste dag van de maand na de maand waarin de geldigheidsduur van de vorige beslissing is verstreken. Na afloop van de vorige beslissing worden er geen tegemoetkomingen uitbetaald, zolang de zorgkas geen positieve beslissing tot verlenging heeft genomen.
  De termijnen waarin een zorgkas over de verlenging moet beslissen, vermeld in artikel 171 en 172, zijn bij gebruikers die niet in het Nederlandse taalgebied of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad wonen, niet van toepassing.
  De termijnen, vermeld in artikel 171 en 172, gelden niet voor een verlenging van de beslissing op basis van een attest op basis van bijkomende kinderbijslag [1 of zorgtoeslag voor kinderen met een specifieke ondersteuningsbehoefte]1.
  
Art. 173. La décision positive de prolongation visée aux articles 170, 171 et 172 prend effet le premier jour du mois suivant celui de l'expiration de la durée de validité de la décision précédente. Après expiration de la décision précédente, aucune intervention ne peut être payée tant que la caisse d'assurance soins n'a pas pris de décision positive de prolongation.
  Les délais dans lesquels une caisse d'assurance soins doit prendre une décision sur la prolongation visée aux articles 171 et 172 ne s'appliquent pas aux usagers qui ne résident pas dans la région de langue néerlandaise ou dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale.
  Les délais visés aux articles 171 et 172 ne s'appliquent pas à la prolongation de la décision sur la base d'une attestation basée sur le supplément d'allocations familiales [1 ou l'allocation de soins pour les enfants ayant un besoin de soutien spécifique]1.
  
Art. 174. De minister bepaalt de nadere regels voor de verlenging.
Art. 174. Le ministre fixe les modalités de la prolongation.
Afdeling 5. - Stopzetting
Section 5. - Cessation
Art. 175. De zorgkas zet een beslissing stop als een gebruiker niet meer aan de voorwaarden voldoet.
  De beslissing tot stopzetting gaat in op de eerste dag van de maand die volgt op de dag waarop:
  1° een gebruiker met een zorgbudget voor zwaar zorgbehoevenden in het kader van residentiële zorg niet meer aan de verblijfsvoorwaarden, vermeld in artikel 151, paragraaf 2 van dit besluit, voldoet;
  2° een gebruiker niet meer aan de voorwaarden van administratieve aard, vermeld in artikel 41 van het decreet van 18 mei 2018 voldoet;
  3° de zorgkas de beslissing tot stopzetting neemt, als een gebruiker met een positieve beslissing voor mantel- en thuiszorg niet meer voldoet aan de voorwaarde van langdurig ernstig verminderde zelfredzaamheid, vermeld in artikel 78 van het decreet van 18 mei 2018.
  De zorgkas deelt haar beslissing schriftelijk mee aan de gebruiker of zijn vertegenwoordiger. De gebruiker of zijn vertegenwoordiger kan tegen de beslissing conform de bepalingen van artikel 143 tot en met 146 een administratief beroep aantekenen bij het agentschap binnen de drie maanden na de verzending van de beslissing door de zorgkas.
  De minister bepaalt de nadere regels voor de stopzetting van een beslissing.
Art. 175. La caisse d'assurance soins met fin à une décision lorsque l'usager ne remplit plus les conditions.
  La décision de cessation prend effet le premier jour du mois qui suit le jour où :
  1° un usager disposant d'un budget de soins pour personnes fortement dépendantes dans le cadre de soins résidentiels ne remplit plus les conditions de résidence visées à l'article 151, paragraphe 2, du présent arrêté ;
  2° un usager ne remplit plus les conditions à caractère administrative visées à l'article 41 du décret du 18 mai 2018 ;
  3° la caisse d'assurance soins prend la décision de cessation lorsqu'un usager qui fait l'objet d'une décision positive pour des soins de proximité et à domicile ne remplit plus la condition de réduction de l'autonomie grave et de longue durée visée à l'article 78 du décret du 18 mai 2018.
  La caisse d'assurance soins communique sa décision par écrit à l'usager ou à son représentant. L'usager ou son représentant peut former auprès de l'agence un recours administratif contre la décision, conformément aux dispositions des articles 143 à 146, dans les trois mois de l'envoi de la décision par la caisse d'assurance soins.
  Le ministre fixe les modalités de la cessation d'une décision.
Afdeling 6. - Verandering van zorgvorm
Section 6. - Changement de forme des soins
Art. 176. Een gebruiker die een tegemoetkoming krijgt en wil veranderen van zorgvorm, deelt dat zelf of via zijn vertegenwoordiger schriftelijk mee aan de zorgkas. De zorgkas deelt haar beslissing schriftelijk mee aan een gebruiker of zijn vertegenwoordiger. De zorgkas beslist conform artikel 167 over de duur en de geldigheid van de beslissing.
  Bij de verandering van mantel- en thuiszorg in residentiële zorg gaat het zorgbudget voor zwaar zorgbehoevenden in het kader van de nieuwe zorgvorm, eventueel met terugwerkende kracht, in vanaf de eerste dag van de eerste volle maand waarin een gebruiker in een erkende of met erkenning gelijkgestelde residentiële zorgvoorziening verblijft.
  Bij de verandering van residentiële zorg in mantel- en thuiszorg gaat het zorgbudget voor zwaar zorgbehoevenden in het kader van de nieuwe zorgvorm, eventueel met terugwerkende kracht, in vanaf de eerste dag van de maand na de maand waarin een gebruiker een erkende of met erkenning gelijkgestelde residentiële zorgvoorziening verlaten heeft.
Art. 176. L'usager qui bénéficie d'une intervention et souhaite changer de forme de soins en informe la caisse d'assurance soins par écrit, soit lui-même soit via son représentant La caisse d'assurance soins communique sa décision par écrit à l'usager ou à son représentant. La caisse d'assurance soins décide de la durée et de la validité de la décision, conformément à l'article 167.
  En cas de changement des soins de proximité et à domicile en soins résidentiels, le budget de soins pour personnes fortement dépendantes dans le cadre de la nouvelle forme de soins prend effet, le cas échéant avec effet rétroactif, à partir du premier jour du premier mois complet au cours duquel l'usager séjourne dans une structure de soins résidentiels agréée ou assimilée à un agrément.
  En cas de changement des soins résidentiels en soins de proximité et à domicile, le budget de soins pour personnes fortement dépendantes dans le cadre de la nouvelle forme de soins prend effet, le cas échéant avec effet rétroactif, à partir du premier jour du mois suivant celui au cours duquel l'usager a quitté une structure de soins résidentiels agréée ou assimilée à un agrément.
Art. 177. Als een aanvraag van de verandering van zorgvorm in residentiële zorg wordt ingediend voor er een beslissing is genomen over een voorafgaande aanvraag van mantel- en thuiszorg, dan kunnen beide aanvragen aanvaard worden. De voorwaarde is dat de betrokkene voor de eerste dag van de vierde maand na de aanvraag van mantel- en thuiszorg wordt opgenomen in een residentiële zorgvoorziening met minimaal een B-forfait op de Katz-schaal in een woonzorgcentrum, een [1 centrum voor dagverzorging]1 of een centrum voor kortverblijf.
  
Art. 177. Si une demande de changement de forme des soins en soins résidentiels est introduite avant qu'une décision au sujet d`une demande antérieure de soins de proximité et à domicile ne soit prise, les deux demandes peuvent être acceptées. A cet effet, l'intéressé doit être admis, avant le premier jour du quatrième mois qui suit la demande de soins de proximité et à domicile, dans une structure de soins résidentiels avec au minimum un forfait B sur l'échelle de Katz au sein d'un centre de soins résidentiels, d'un centre de soins de jour ou d'un centre de court séjour.
  

Änderungen

[1]pas en français
Art. 178. Als een gebruiker, bij de verandering van mantel- en thuiszorg in residentiële zorg, tijdens de eerste volle maand van zijn verblijf in de residentiële zorgvoorziening overlijdt, wordt het zorgbudget voor zwaar zorgbehoevenden in het kader van residentiële zorg voor de maand van overlijden alsnog uitbetaald.
  Als een gebruiker, bij de verandering van zorgvorm van mantel- en thuiszorg in residentiële zorg, in een zorgvoorziening verblijft die niet erkend is als een residentiële zorgvoorziening of niet met erkenning gelijkgesteld is, wordt de verandering van zorgvorm geweigerd. In dat geval loopt het zorgbudget voor zwaar zorgbehoevenden in het kader van mantel- en thuiszorg tot de eerste volle maand verblijf in de residentiële zorgvoorziening.
Art. 178. Si, lors du changement des soins de proximité et à domicile en soins résidentiels, un usager décède au cours du premier mois complet de son séjour dans la structure de soins résidentiels, le budget de soins pour personnes fortement dépendantes dans le cadre de soins résidentiels est encore versé pour le mois du décès.
  Si, lors du changement des soins de proximité et à domicile en soins résidentiels, l'usager séjourne dans une structure de soins non agréée en tant que structure de soins résidentiels ou non assimilée à un agrément, le changement de forme de soins est refusé. Dans ce cas, le budget de soins pour personnes fortement dépendantes dans le cadre des soins de proximité et à domicile court jusqu'au premier mois complet de séjour dans une structure de soins résidentiels.
Art. 179. De minister bepaalt de nadere regels voor de verandering van zorgvorm.
Art. 179. Le ministre fixe les modalités du changement de forme de soins.
Afdeling 7. - Uitvoering van de tegemoetkomingen
Section 7. - Exécution des interventions
Art. 180. Het zorgbudget voor zwaar zorgbehoevenden in het kader van mantel- en thuiszorg en het zorgbudget voor zwaar zorgbehoevenden in het kader van residentiële zorg zijn niet cumuleerbaar.
Art. 180. Le budget de soins pour personnes fortement dépendantes dans le cadre des soins de proximité et à domicile et le budget de soins pour personnes fortement dépendantes dans le cadre de soins résidentiels ne sont pas cumulables.
Art. 181. Retroactieve tegemoetkomingen als vermeld in artikel 60 van het decreet van 18 mei 2018 worden uitgevoerd onder de volgende voorwaarden:
  1° retroactieve tegemoetkomingen zijn beperkt tot maximaal zes maanden;
  2° de eerste maand retroactieve tegemoetkoming wordt niet uitgevoerd.
  Er is sprake van retroactieve tegemoetkomingen als de aanvraagdatum in een maand valt die volgt op de datum van het recht op de opening van een tegemoetkoming, vermeld in artikel 83, eerste lid, 1° en 2°, van het decreet van 18 mei 2018.
  De minister bepaalt de administratieve formaliteiten waaraan voldaan moet worden om het recht op tegemoetkomingen retroactief uit te voeren.
Art. 181. Les interventions rétroactives telles que visées à l'article 60 du décret du 18 mai 2018 sont effectuées aux conditions suivantes :
  1° les interventions rétroactives sont limitées à six mois maximum ;
  2° le premier mois, l'intervention rétroactive n'est pas exécutée.
  Une intervention est considérée comme rétroactive lorsque la date de la demande tombe au cours d'un mois qui suit la date du droit à l'ouverture d'une intervention visé à l'article 83, alinéa 1er, 1° et 2°, du décret du 18 mai 2018.
  Le ministre fixe les formalités administratives à remplir pour exercer le droit aux interventions rétroactivement.
Art. 182. De tegemoetkoming wordt geschorst, als de gebruiker aan één van de volgende voorwaarden voldoet:
  1° hij beschikt over een budget voor niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning als vermeld in het decreet houdende de persoonsvolgende financiering;
  2° hij doet een beroep op een persoonlijke assistentiebudget;
  3° hij verblijft volgens het protocol van verblijf voltijds in een multifunctioneel centrum voor minderjarige personen met een handicap, erkend door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap;
  4°[1 ...]1
  5° hij verblijft in een residentiële gehandicaptenvoorziening die in België door een andere overheid dan de Vlaamse overheid erkend is;
  6° hij verblijft in een niet in België gevestigde residentiële gehandicaptenvoorziening die een vergelijkbare hulp- en dienstverlening aanbiedt als een voorziening als vermeld in punt 5°.
  
Art. 182. L'intervention est suspendue si l'usager remplit l'une des conditions suivantes :
  1° il dispose d'un budget de soins et de soutien non directement accessibles tel que visé dans le décret portant le financement qui suit la personne;
  2° il fait appel à un budget d'assistance personnelle ;
  3° il séjourne à temps plein, conformément à un protocole de résidence, dans un centre multifonctionnel pour personnes handicapées, agréé par l'Agence flamande pour les personnes handicapées ;
  4° [1 ...]1
  5° il séjourne dans une structure résidentielle pour personnes handicapées agréée en Belgique par une autorité autre que l'Autorité flamande ;
  6° il séjourne dans une structure résidentielle pour personnes handicapées qui n'est pas établie en Belgique et qui offre une aide et des services similaires à la structure visée au point 5°.
  
Art. 183. De tegemoetkomingen worden geschorst conform artikel 182 vanaf de eerste dag van de maand na de start van het budget, de inschrijving of het verblijf, vermeld in het eerste lid, tot het einde van de maand van het budget, de inschrijving of het verblijf, als de melding aan de zorgkas voor of op de startdatum van het budget wordt gedaan.
Art. 183. Les interventions sont suspendues conformément à l'article 182 à partir du premier jour du mois qui suit le début du budget, de l'inscription ou du séjour visés à l'alinéa 1er jusqu'à la fin du mois du budget, de l'inscription ou du séjour, si la notification est faite à la caisse d'assurance soins avant ou à la date du début du budget.
Art. 184. Als de melding aan de zorgkas van de start van het budget, de inschrijving of het verblijf, vermeld in artikel 182, na de startdatum wordt gedaan, schorst de zorgkas de tegemoetkomingen vanaf de eerste dag van de maand van de melding.
Art. 184. Lorsque le début du budget, de l'inscription ou du séjour visés à l'article 182 est notifié à la caisse d'assurance soins après la date du début, la caisse d'assurance soins suspend les interventions à partir du premier jour du mois de la notification.
Art. 185. In afwijking van [1 artikel 182, 3°. ]1, en tot zolang hij niet beschikt over een budget voor niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning als vermeld in artikel 182, 1°, kan de tegemoetkoming voor mantel- en thuiszorg gedurende één maand uitgevoerd worden als de betrokkene aan al de volgende voorwaarden voldoet:
  1° hij is gedurende meer dan dertig dagen uit de zorgvoorziening afwezig in de periode van 1 september van het voorgaande jaar tot en met 31 augustus;
  2° hij had recht op de tegemoetkoming voor mantel- en thuiszorg op 31 augustus.
  In afwijking van [1 artikel 182, 3°.]1 en tot zolang hij niet beschikt over een budget voor niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning als vermeld in artikel 182, 1°, kan de tegemoetkoming voor mantel- en thuiszorg gedurende twee maanden uitgevoerd worden als de betrokkene aan al de volgende voorwaarden voldoet:
  1° hij is gedurende meer dan honderd dagen uit de zorgvoorziening afwezig in de periode van 1 september van het voorgaande jaar tot en met 31 augustus;
  2° hij had recht op de tegemoetkoming voor mantel- en thuiszorg op 31 augustus.
  
Art. 185. Par dérogation à l'[1 article 182, 3° ]1, et tant que l'intéressé ne dispose pas d'un budget de soins et de soutien non directement accessibles tel que visé à l'article 182, 1°, l'exécution de l'intervention pour soins de proximité et domicile peut avoir lieu pendant un mois lorsque l'intéressé remplit toutes les conditions suivantes :
  1° il est absent de la structure de soins pendant plus de trente jours au cours de la période du 1er septembre de l'année précédente au 31 août inclus ;
  2° il avait droit à l'intervention pour soins de proximité et à domicile au 31 août.
  Par dérogation à l'[1 article 182, 3°]1, et tant que l'intéressé ne dispose pas d'un budget de soins et de soutien non directement accessibles tel que visé à l'article 182, 1°, l'exécution de l'intervention pour soins de proximité et domicile peut avoir lieu pendant deux mois lorsque l'intéressé remplit toutes les conditions suivantes :
  1° il est absent de la structure de soins pendant plus de cent jours au cours de la période du 1er septembre de l'année précédente au 31 août inclus ;
  2° il avait droit à l'intervention pour soins de proximité et à domicile au 31 août.
  
Art. 186. De minister bepaalt de nadere regels voor de cumulatie van de tegemoetkomingen.
Art. 186. Le ministre détermine les modalités relatives au cumul des interventions.
HOOFDSTUK 5. - Controle op de indicatiestelling
Chapitre 5. - Contrôle de l'indication
Art. 187. Een controleorgaan kan bij een gebruiker met een positieve beslissing voor het zorgbudget voor zwaar zorgbehoevenden in het kader van mantel- en thuiszorg de graad van zorgbehoevendheid controleren.
  Het controleorgaan voert controles uit op eigen initiatief en op verzoek van het agentschap.
  [1 Het controleorgaan voert de controles uit aan de hand van hetzelfde indicatiestellingsinstrument als het indicatiestellingsinstrument waarmee de graad van zorgbehoevendheid initieel is vastgesteld.]1
  De minister stelt het controleorgaan aan.
  
Art. 187. Un organisme de contrôle peut contrôler le degré de besoin en matière de soins chez l'usager qui fait l'objet d'une décision positive pour le budget de soins pour personnes fortement dépendantes dans le cadre des soins de proximité et à domicile.
  L'organisme de contrôle procède à des contrôles d'initiative et à la demande de l'agence.
  [1 L'organisme de contrôle effectue les contrôles à l'aide du même instrument d'indication que l'instrument d'indication avec lequel le degré de nécessité de soins a initialement été établi.]1
  Le ministre désigne l'organisme de contrôle.
  
Art. 188. Voor de personen die de controles uitvoeren, gelden dezelfde [1 vereisten]1 als voor de personen die de indicatiestellingen uitvoeren.
  
Art. 188. Les personnes qui effectuent les contrôles sont soumises aux mêmes [1 exigences]1 que les personnes qui effectuent les indications.
  
Art. 189. Het controleorgaan bezorgt het resultaat van de indicatiestelling onmiddellijk aan de zorgkas [1 ...]1.
  
Art. 189. L'organisme de contrôle transmet le résultat de l'indication immédiatement à la caisse d'assurance soins [1 ...]1.
  
Art. 190. § 1. De zorgkas neemt een beslissing op basis van de indicatiestelling, vermeld in artikel 189.
  De bepalingen over het nemen van een beslissing door de zorgkas, vermeld in artikel 162 en 167, zijn van overeenkomstige toepassing.
  De zorgkas deelt haar beslissing onmiddellijk mee aan een gebruiker of zijn vertegenwoordiger. [1 [2 ...]2.]1
  De beslissing heeft uitwerking met ingang van de eerste dag van de maand die volgt op de datum van beslissing.
  Een gebruiker of zijn vertegenwoordiger kan tegen de beslissing een administratief beroep aantekenen bij het agentschap conform de bepalingen van artikel 143 tot en met 146, binnen de drie maanden na de verzending van de beslissing door de zorgkas.
  § 2. De beslissing heeft uitwerking met ingang van de eerste dag van de maand die volgt op de datum van de beslissing.
  § 3. Als een gebruiker twee keer zonder voorafgaande waarschuwing niet voor een controle beschikbaar is of twee keer zijn medewerking aan een controle weigert, zet de zorgkas de beslissing stop.
  In afwijking van paragraaf 1, vijfde lid, gaat de stopzetting van de beslissing door onbeschikbaarheid of weigering van medewerking aan een controle in op de eerste dag van de maand na de datum van de eerste controle.
  
Art. 190. § 1er. La caisse d'assurance soins prend une décision sur la base de l'indication visée à l'article 189.
  Les dispositions relatives à la prise d'une décision par la caisse d'assurance soins, visées aux articles 162 et 167, s'appliquent par analogie.
  La caisse d'assurance soins communique immédiatement sa décision à l'usager ou à son représentant. [1 [2 ...]2.]1
  La décision prend effet à partir du premier jour du mois suivant la date de la décision.
  Un usager ou son représentant peut former auprès de l'agence un recours administratif contre la décision, conformément aux dispositions des articles 143 à 146, dans les trois mois de l'envoi de la décision par la caisse d'assurance soins.
  § 2. La décision prend effet à partir du premier jour du mois qui suit la date de la décision.
  § 3. Si un usager n'est pas disponible pour un contrôle à deux reprises sans avertissement préalable ou refuse de collaborer au contrôle à deux reprises, la caisse d'assurance soins met fin à la décision.
  Par dérogation au paragraphe 1er, alinéa 5, la cessation de la décision pour indisponibilité ou refus de collaboration au contrôle prend effet le premier jour du mois suivant la date du premier contrôle.
  
Art. 191. De minister bepaalt de nadere regels voor de uitvoering van de controle, vermeld in artikel 187.
Art. 191. Le ministre fixe les modalités de l'exécution du contrôle visé à l'article 187.
Titel 3. - Zorgbudget voor ouderen met een zorgnood
Titre 3. - Budget de soins pour personnes âgées présentant un besoin en soins
HOOFDSTUK 1. - Algemeen
Chapitre 1er. - Généralités
Art. 192. Titel 3 is van toepassing op het zorgbudget voor ouderen met een zorgnood, vermeld in artikel 4, eerste lid, 2°, van het decreet van 18 mei 2018.
Art. 192. Le titre 3 s'applique au budget de soins pour personnes âgées présentant un besoin en soins, visé à l'article 4, alinéa 1er, 2°, du décret du 18 mai 2018.
HOOFDSTUK 2. - Voorwaarden
Chapitre 2. - Conditions
Afdeling 1. - Verminderde zelfredzaamheid
Section 1re. - Réduction de l'autonomie
Art. 193. § 1. De verminderde zelfredzaamheid wordt gemeten aan de hand van de medisch-sociale schaal en de handleiding daarbij, gevoegd bij het ministerieel besluit van 30 juli 1987 tot vaststelling van de categorieën en van de handleiding voor de evaluatie van de graad van zelfredzaamheid met het oog op het onderzoek naar het recht op de integratietegemoetkoming, en volgens welke rekening wordt gehouden met de volgende factoren:
  1° verplaatsingsmogelijkheden;
  2° mogelijkheden om zijn voedsel te nuttigen of te bereiden;
  3° mogelijkheid om voor zijn persoonlijke hygiëne in te staan en zich te kleden;
  4° mogelijkheid om zijn woning te onderhouden en huishoudelijk werk te verrichten;
  5° mogelijkheid om te leven zonder toezicht, bewust te zijn van gevaar en gevaar te kunnen vermijden;
  6° mogelijkheid tot communicatie en sociaal contact.
  De minister kan de handleiding voor de evaluatie van de graad van zelfredzaamheid, vermeld in het eerste lid, wijzigen.
  § 2. Voor ieder van de factoren, vermeld in paragraaf 1 eerste lid, wordt als volgt een aantal punten toegekend naar gelang van de graad van zelfredzaamheid van de persoon met een verminderd zelfzorgvermogen:
  1° geen moeilijkheden, geen bijzondere inspanning en geen bijzondere hulpmiddelen: 0 punten;
  2° beperkte moeilijkheden of beperkte bijkomende inspanning of beperkt beroep op bijzondere hulpmiddelen: 1 punt;
  3° grote moeilijkheden of een grote bijkomende inspanning of uitgebreid beroep op bijzondere hulpmiddelen: 2 punten;
  4° onmogelijk zonder hulp van derden, zonder opvang in een aangepaste zorgvoorziening of zonder volledig aangepaste omgeving: 3 punten.
  [1 De toegekende punten worden samengeteld en naargelang van dat totaal behoort de persoon met een verminderde zelfredzaamheid tot een van de volgende categorieën als vermeld in artikel 86 van het decreet van 18 mei 2018:
   1° de gebruiker van wie de graad van zelfredzaamheid op 7 of 8 punten wordt vastgesteld, behoort tot categorie 1;
   2° de gebruiker van wie de graad van zelfredzaamheid op 9 tot 11 punten wordt vastgesteld, behoort tot categorie 2;
   3° de gebruiker van wie de graad van zelfredzaamheid op 12 tot 14 punten wordt vastgesteld, behoort tot categorie 3;
   4° de gebruiker van wie de graad van zelfredzaamheid op 15 of 16 punten wordt vastgesteld, behoort tot categorie 4;
   5° de gebruiker van wie de graad van zelfredzaamheid op ten minste 17 punten wordt vastgesteld, behoort tot categorie 5.]1

  [1 § 3. In afwijking van paragraaf 1 en paragraaf 2, eerste lid, worden gebruikers bij wie de verminderde zelfredzaamheid al geëvalueerd is conform artikel 10/20 van het Waalse Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid of conform artikel 2 of 55 van het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 28 januari 2021 tot uitvoering van de ordonnantie van 10 december 2020 betreffende de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden, ingedeeld in een van de categorieën, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, op basis van het resultaat van de evaluatie die al uitgevoerd is, op voorwaarde dat die evaluatie nog geldig is.]1
  
Art. 193. § 1er. La réduction de l'autonomie est mesurée à l'aide de l'échelle médico-sociale et du guide qui l'accompagne, annexé à l'arrêté ministériel du 30 juillet 1987 fixant les catégories et le guide pour l'évaluation du degré d'autonomie en vue de l'examen du droit à l'allocation d'intégration, et selon lesquels il est tenu compte des facteurs suivants :
  1° possibilités de se déplacer ;
  2° possibilités d'absorber ou de préparer sa nourriture ;
  3° possibilités d'assurer son hygiène personnelle et de s'habiller ;
  4° possibilités d'entretenir son habitat et d'accomplir des tâches ménagères ;
  5° possibilités de vivre sans surveillance, d'être conscient des dangers et d'être en mesure d'éviter les dangers ;
  6° possibilités de communiquer et d'avoir des contacts sociaux.
  Le ministre peut modifier le guide pour l'évaluation du degré d'autonomie visé à l'alinéa 1er
  § 2. Pour chacun des facteurs mentionnés au paragraphe 1er, alinéa 1er, un nombre de points est attribué en fonction du degré d'autonomie de la personne à autonomie réduite, comme suit :
  1° pas de difficultés, pas d'effort spécial ni de moyens auxiliaires spéciaux : 0 point ;
  2° difficultés limitées ou effort supplémentaire limité ou usage limité de moyens auxiliaires spéciaux : 1 point ;
  3° difficultés importantes ou effort supplémentaire important ou usage important de moyens auxiliaires spéciaux : 2 points ;
  4° impossible sans l'aide d'une tierce personne, sans accueil dans une structure de soins approprié ou sans environnement entièrement adapté : 3 points.
  [1 Les points attribués sont totalisés et, selon ce total, la personne à autonomie réduite appartient à l'une des catégories suivantes, telles que visées à l'article 86 du décret du 18 mai 2018 :
   1° l'usager dont le degré d'autonomie est fixé à 7 ou 8 points appartient à la catégorie 1 ;
   2° l'usager dont le degré d'autonomie est fixé de 9 à 11 points appartient à la catégorie 2 ;
   3° l'usager dont le degré d'autonomie est fixé de 12 à 14 points appartient à la catégorie 3 ;
   4° l'usager dont le degré d'autonomie est fixé à 15 ou 16 points appartient à la catégorie 4 ;
   5° l'usager dont le degré d'autonomie est fixé à 17 points au moins appartient à la catégorie 5.]1

  [1 § 3. Par dérogation aux paragraphes 1er et 2, alinéa 1er, les usagers dont la réduction d'autonomie a déjà été évaluée conformément à l'article 10/20 du Code wallon de l'action sociale et de la santé ou conformément à l'article 2 ou 55 de l'arrêté du Collège réuni de la Commission communautaire commune du 28 janvier 2021 portant exécution de l'ordonnance du 10 décembre 2020 relative à l'allocation pour l'aide aux personnes âgées sont classés dans l'une des catégories visées au paragraphe 2, alinéa 2, sur la base du résultat de l'évaluation déjà réalisée à condition que cette évaluation soit encore valable.]1
  
Art. 193/1. [1 . § 1. In afwijking van artikel 193 worden de volgende gebruikers van rechtswege geacht getroffen te zijn door een verminderde zelfredzaamheid en worden ze ingedeeld in categorie 4 als vermeld in artikel 86 van het decreet van 18 mei 2018:
   1° de gebruikers die verblijven in de woonzorgcentra, met uitzondering van de personen van wie het zelfzorgvermogen niet is aangetast en die conform artikel 47 van het Woonzorgdecreet van 15 februari 2019 zijn opgenomen buiten de erkende capaciteit;
   2° de gebruikers die verblijven in de zorgvoorzieningen die gevestigd zijn in België maar niet onder punt 1° vallen, die een vergelijkbare hulp- en dienstverlening aanbieden als de woonzorgcentra, vermeld in punt 1°, en die hun activiteiten op rechtmatige wijze verrichten, met uitzondering van de personen van wie het zelfzorgvermogen niet is aangetast en die op basis van een vergelijkbare regeling als deze in artikel 47 van het Woonzorgdecreet van 15 februari 2019 zijn opgenomen buiten de erkende capaciteit;
   3° de gebruikers die verblijven in zorgvoorzieningen of bij professionele zorgverleners die in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschap of van de Europese Economische Ruimte dan België of in Zwitserland gevestigd zijn, die een vergelijkbare hulp- en dienstverlening aanbieden als de woonzorgcentra, vermeld in punt 1°, en die hun activiteiten op rechtmatige wijze verrichten in de lidstaat van vestiging, met uitzondering van de personen van wie het zelfzorgvermogen niet is aangetast en die op basis van een vergelijkbare regeling als deze in artikel 47 van het Woonzorgdecreet van 15 februari 2019 zijn opgenomen buiten de erkende capaciteit.
   De gebruikers, vermeld in het eerste lid, blijven ingedeeld in categorie 4 als vermeld in artikel 86 van het decreet van 18 mei 2018, zolang hun verblijfsovereenkomst met een van de voorzieningen, vermeld in het eerste lid, loopt.
   § 2. Een verblijfsattest bewijst dat een gebruiker in een van de voorzieningen, vermeld in paragraaf 1, verblijft.
   In afwijking van het eerste lid hoeft geen verblijfsattest te worden ingediend als de gebruiker verblijft in een woonzorgcentrum dat door de Vlaamse overheid erkend is. In dat geval beschikt de zorgkas over de gegevens, vermeld in artikel 104, § 1, op basis waarvan het verblijf van de gebruiker in het woonzorgcentrum is bewezen.
   De gebruiker vraagt het verblijfsattest, vermeld in het eerste lid, aan bij een van de voorzieningen, vermeld in paragraaf 1, waar hij verblijft.
   Het verblijfsattest bevat de volgende gegevens:
   1° de naam en voornaam, het adres, de geboortedatum en het INSZ-nummer van de gebruiker;
   2° de naam van de instantie die het attest heeft afgeleverd;
   3° de naam, het adres en het identificatienummer van de zorgvoorziening waar de gebruiker verblijft;
   4° de datum van opname in de desbetreffende voorziening.
   De zorgkas die een verblijfsattest ontvangt dat verstrekt is door een voorziening of door een professionele zorgverlener die in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschap of van de Europese Economische Ruimte of in Zwitserland gevestigd is, vraagt aan het agentschap of de voorziening voldoet aan de voorwaarden, vermeld in punt 3° van het eerste lid van paragraaf 1.
   De attesten op basis van een score op de Katz-schaal in een woonzorgcentrum gelden ook als verblijfsattest. Dit attest is in het bezit van de zorgkas of wordt afgeleverd door de verzekeringsinstelling en bevat de volgende gegevens:
   1° de naam en voornaam, het adres en het INSZ-nummer van de gebruiker bij wie de indicatiestelling afgenomen is;
   2° de naam van de instantie die het attest heeft afgeleverd;
   3° de naam van de schaal waarop het attest is gebaseerd;
   4° de datum van de start van de erkenning in het oorspronkelijke stelsel.
   § 3. In afwijking van paragraaf 1 blijven gebruikers ingedeeld in categorie 5 als vermeld in artikel 86 van het decreet van 18 mei 2018, als ze al op basis van artikel 193 tot die categorie behoorden op de eerste dag van de maand na hun opname in een van de voorzieningen, vermeld in paragraaf 1.
   De gebruikers, vermeld in het eerste lid, blijven ingedeeld in categorie 5 als vermeld in artikel 86 van het decreet van 18 mei 2018, zolang hun verblijfsovereenkomst met een van de voorzieningen, vermeld in paragraaf 1, loopt.
   § 4. In afwijking van paragraaf 1 worden gebruikers die verblijven in een van de voorzieningen, vermeld in paragraaf 1, van rechtswege ingedeeld in categorie 5 als vermeld in artikel 86 van het decreet van 18 mei 2018, als ze recht hebben op de inkomensgarantie voor ouderen, vermeld in de wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen, op de ingangsdatum van de uitvoering van de tegemoetkoming bij een aanvraag van een tegemoetkoming of een aanvraag tot herziening als vermeld in artikel 211 of 223 van dit besluit, of op de eerste dag van de kalendermaand die volgt op het feit dat aanleiding geeft tot de ambtshalve herziening, vermeld in artikel 225 en 226 van dit besluit.
   § 5. Als een gebruiker als vermeld in paragraaf 1, eerste lid, niet meer aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, voldoet, wordt hij ingedeeld in de categorie waarin hij ingedeeld was conform artikel 193 tijdens of onmiddellijk voorafgaand aan zijn verblijf in een van de voorzieningen, vermeld in paragraaf 1.
   Als de gebruiker nog niet ingedeeld was in een categorie conform artikel 193 tijdens of onmiddellijk voorafgaand aan zijn verblijf in een van de voorzieningen, vermeld in paragraaf 1, leidt dat tot een beslissing tot stopzetting van de tegemoetkoming.
   § 6. De minister kan nadere regels bepalen voor de toepassing van de voorwaarden, vermeld in dit artikel. ]1

  
Art. 19/1. [1 . § 1er. Par dérogation à l'article 193, les usagers suivants sont réputés affectés de plein droit par une autonomie réduite et sont classés dans la catégorie 4 telle que visée à l'article 86 du décret du 18 mai 2018 :
   1° les usagers qui séjournent dans les centres de soins résidentiels, à l'exception des personnes dont l'autonomie n'est pas affectée et qui, conformément à l'article 47 du décret sur les soins résidentiels du 15 février 2019, sont admis en dehors de la capacité agréée ;
   2° les usagers qui séjournent dans les structures de soins établies en Belgique mais qui ne tombent pas sous le champ d'application du point 1°, qui offrent une aide et des services similaires aux centres de soins résidentiels, visés au point 1°, et qui exercent leurs activités de manière légitime, à l'exception des personnes dont l'autonomie n'est pas affectée et qui sont admis en dehors de la capacité agréée sur la base d'un règlement comparable à celui prévu à l'article 47 du décret sur les soins résidentiels du 15 février 2019 ;
   3° les usagers qui séjournent dans des structures de soins ou auprès de prestataires de soins professionnels établis dans un Etat membre de la Communauté européenne ou de l'Espace économique européen autre que la Belgique ou en Suisse, qui offrent une aide et des services similaires aux centres de soins résidentiels, visés au point 1°, et qui exercent leurs activités de manière légitime dans l'Etat membre d'établissement, à l'exception des personnes dont l'autonomie n'est pas affectée et qui sont admis en dehors de la capacité agréée sur la base d'un règlement comparable à celui prévu à l'article 47 du décret sur les soins résidentiels du 15 février 2019.
   Les usagers visés à l'alinéa 1er, restent classés dans la catégorie 4 telle que visée à l'article 86 du décret du 18 mai 2018, aussi longtemps que court leur contrat de séjour avec l'une des structures visées à l'alinéa 1er.
   § 2. Une attestation de résidence prouve qu'un usager séjourne dans l'une des structures visées au paragraphe 1er.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, aucune attestation de résidence ne doit être remise si l'usager séjourne dans un centre de soins résidentiels agréé par le Gouvernement flamand. Dans ce cas la caisse d'assurance soins dispose des données visées à l'article 104, § 1er,sur la base desquelles le séjour de l'usager dans le centre de soins résidentiels est prouvé.
   L'usager demande l'attestation de résidence visée à l'alinéa 1er, auprès de l'une des structures visées au paragraphe 1er, dans laquelle il séjourne.
   L'attestation de résidence comprend les données suivantes :
   1° le nom et le prénom, l'adresse, la date de naissance et le numéro NISS de l'usager ;
   2° le nom de l'instance qui a délivré l'attestation ;
   3° le nom, l'adresse et le numéro d'identification de la structure de soins dans laquelle l'usager séjourne ;
   4° la date d'admission dans la structure concernée.
   La caisse d'assurance soins qui reçoit une attestation de résidence, délivrée par une structure ou par un prestataire de soins professionnel établi(e) dans un autre Etat membre de la Communauté européenne ou de l'Espace économique européen ou en Suisse, demande à l'agence si la structure remplit les conditions visées au point 3° de l'alinéa 1er du paragraphe 1er.
   Les attestations basées sur un score de l'échelle de Katz dans un centre de soins résidentiels tiennent également lieu d'attestation de résidence. Cette attestation est en possession de la caisse d'assurance soins ou est délivrée par l'organisme assureur et contient les informations suivantes :
   1° les nom et prénom, l'adresse et le numéro NISS de l'usager faisant l'objet de l'indication ;
   2° le nom de l'instance qui a délivré l'attestation ;
   3° le nom de l'échelle sur laquelle l'attestation est basée ;
   4° la date du début de la reconnaissance dans le régime d'origine.
   § 3. Par dérogation au paragraphe 1er, les usagers restent classés dans la catégorie 5 telle que visée à l'article 86 du décret du 18 mai 2018, s'ils appartenaient déjà à cette catégorie en vertu de l'article 193 le premier jour du mois suivant leur admission dans l'une des structures visées au paragraphe 1er.
   Les usagers visés à l'alinéa 1er, restent classés dans la catégorie 5 telle que visée à l'article 86 du décret du 18 mai 2018, aussi longtemps que court leur contrat de séjour avec l'une des structures visées paragraphe 1er.
   § 4. Par dérogation au paragraphe 1er, les usagers qui séjournent dans l'une des structures visées au paragraphe 1er, sont classés de plein droit dans la catégorie 5 telle que visée à l'article 86 du décret du 18 mai 2018, s'ils ont droit à la garantie de revenus aux personnes âgées, visée dans la loi du 22 mars 2001 instituant la garantie de revenus aux personnes âgées, à la date de prise de cours de l'exécution de l'intervention dans le cas d'une demande d'intervention ou d'une demande de révision telle que visée à l'article 211 ou 223 du présent arrêté, ou le premier jour du mois calendrier qui suit le fait donnant lieu à la révision d'office visée aux articles 225 et 226, du présent arrêté.
   § 5. Si un usager tel que visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, ne remplit plus les conditions visées au paragraphe 1er, il est classé dans la catégorie dans laquelle il était classé conformément à l'article 193 pendant ou immédiatement avant son séjour dans l'une des structures visées au paragraphe 1er.
   Si l'usager n'était pas encore classé dans une catégorie conformément à l'article 193 pendant ou immédiatement avant son séjour dans l'une des structures visées au paragraphe 1er, cela entraîne une décision de cessation de l'intervention.
   § 6. Le ministre peut fixer d'autres règles pour l'application des conditions visée ]1

  
Afdeling 2. - Inkomen en gezinssamenstelling
Section 2. - Revenus et composition du ménage
Art. 194. § 1. Voor de persoon met een verminderde zelfredzaamheid die behoort tot de categorie A, wordt een bedrag van 14.149,83 euro van het inkomen niet in aanmerking genomen. Voor de persoon met een verminderde zelfredzaamheid die behoort tot de categorie B, wordt een bedrag van 17.681,40 euro van het gezinsinkomen niet in aanmerking genomen.
  De bedragen, vermeld in het eerste lid, worden gekoppeld aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening gehouden moet worden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid van de werknemers, alsook de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen. Het besluit van de Vlaamse Regering van 17 juli 2015 houdende de indexering van subsidies, forfaits en tegemoetkomingen is van toepassing op die koppeling.
  Voor de toepassing van het eerste lid worden de geldende bedragen genomen op de ingangsdatum van de uitvoering van de tegemoetkoming bij een aanvraag of een aanvraag tot herziening als vermeld in artikel 211 of 223, of op de eerste dag van de kalendermaand die volgt op het feit dat aanleiding geeft tot ambtshalve herziening, vermeld in artikel 225 en 226.
  § 2. De volgende personen behoren tot de volgende categorieën:
  1° de categorie A: de personen met een verminderde zelfredzaamheid die niet behoren tot de categorie B;
  2° de categorie B: de personen met een verminderde zelfredzaamheid die zich in een van de volgende gevallen bevinden:
  a) ze vormen een gezin, met uitzondering van de personen die in een religieuze gemeenschap leven;
  b) ze hebben een of meer kinderen ten laste.
  Het tegenbewijs met betrekking tot de categorie, vermeld in het eerste lid, kan met alle mogelijke middelen door de gebruiker aan zijn zorgkas of door de zorgkas worden geleverd.
  § 3. Onder gezin als vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 2°, a), wordt verstaan elke vorm van samenwonen van twee personen die geen bloed- of aanverwant zijn in de eerste, tweede of derde graad. Deze personen hebben hun hoofdverblijfplaats op hetzelfde adres. Het tegenbewijs kan met alle mogelijke middelen door de gebruiker aan zijn zorgkas of door de zorgkas worden geleverd.
  De persoon die geplaatst is in een opvanggezin en de opvangouders worden als bloedverwant in de eerste graad beschouwd.
  Als een van de leden van het gezin opgesloten is in een gevangenis of opgenomen is in een inrichting, een afdeling of een centrum als vermeld in artikel 61 van het decreet van 18 mei 2018, dan houdt het gezin op te bestaan.
  § 4. Onder kind ten laste als vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 2°, b) wordt verstaan een persoon jonger dan 25 jaar:
  1° voor wie de gebruiker of de persoon met wie hij een gezin vormt kinderbijslag ontvangt;
  2° voor wie de gebruiker of de persoon met wie hij een gezin vormt onderhoudsgeld ontvangt, zoals vastgesteld bij een vonnis of bepaald in een overeenkomst in het kader van een procedure tot echtscheiding met onderlinge toestemming;
  3° voor wie de gebruiker of de persoon met wie hij een gezin vormt onderhoudsgeld betaalt, zoals vastgesteld bij een vonnis of bepaald in een overeenkomst in het kader van een procedure tot echtscheiding met onderlinge toestemming;
  4° op wie de gebruiker of de persoon met wie hij een gezin vormt, past, zoals vastgesteld bij een vonnis of bepaald in een overeenkomst in het kader van een procedure tot echtscheiding met onderlinge toestemming, terwijl de ex-partner de kinderbijslag ontvangt.
  De persoon die geplaatst is in een opvanggezin wordt gelijkgesteld met een kind ten laste als vermeld in paragraaf 3.
  § 5. Per gezin kan maar één persoon een vrijstelling krijgen die overeenstemt met de categorie B. Als twee personen met een verminderde zelfredzaamheid in een gezin tot de categorie B behoren, krijgt elk van hen een vrijstelling die gelijk is aan de helft van de vrijstelling die overeenstemt met categorie B.
Art. 194. § 1er. Pour la personne à autonomie réduite qui appartient à la catégorie A, un montant de 14.149,83 euros du revenu n'est pas pris en considération. Pour la personne à autonomie réduite qui appartient à la catégorie B, un montant de 17.681,40 euros du revenu du ménage n'est pas pris en considération.
  Les montants visés à l'alinéa 1er sont liés aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation, conformément aux dispositions de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants. L'arrêté du Gouvernement flamand du 17 juillet 2015 portant indexation de subventions, de forfaits et d'allocations, s'applique à cette liaison.
  Pour l'application de l'alinéa 1er, les montants en vigueur sont pris en considération à la date de prise de cours de l'exécution de l'intervention dans le cas d'une demande ou d'une demande de révision telle que visée à l'article 211 ou 223 ou le premier jour du mois calendrier qui suit le fait donnant lieu à la révision d'office visée aux articles 225 et 226.
  § 2. Les personnes ci-après appartiennent aux catégories suivantes :
  1° la catégorie A : les personnes à autonomie réduite qui n'appartiennent pas à la catégorie B ;
  2° la catégorie B : les personnes à autonomie réduite qui se trouvent dans l'une des situations suivantes :
  a) elles forment un ménage, à l'exception des personnes qui vivent au sein d'une communauté religieuse ;
  b) elles ont un ou plusieurs enfants à charge.
  La preuve contraire concernant la catégorie visée à l'alinéa 1er peut être fournie par tous les moyens possibles par l'usager à sa caisse d'assurance soins ou par la caisse d'assurance soins.
  § 3. Le ménage visé au paragraphe 2, alinéa 1er, 2°, a), s'entend de toute forme de cohabitation de deux personnes qui ne sont ni parentes ni alliées au premier, deuxième ou troisième degré. Ces personnes ont leur résidence principale à la même adresse. La preuve contraire peut être fournie par tous les moyens possibles par l'usager à sa caisse d'assurance soins ou par la caisse d'assurance soins.
  La personne placée dans une famille d'accueil et les parents d'accueil sont considérés comme parents au premier degré.
  Si l'un des membres du ménage est incarcéré dans un établissement pénitentiaire ou admis dans une institution, une section ou un centre tels que visés à l'article 61 du décret du 18 mai 2018, le ménage cesse d'exister.
  § 4. L'enfant à charge visé au paragraphe 2, alinéa 1er, 2°, b), s'entend de la personne âgée de moins de 25 ans :
  1° pour laquelle l'usager ou la personne avec laquelle il forme un ménage perçoit des allocations familiales ;
  2° pour laquelle l'usager ou la personne avec laquelle il forme un ménage perçoit une pension alimentaire fixée par jugement ou par une convention signée dans le cadre d'une procédure de divorce par consentement mutuel ;
  3° pour laquelle l'usager ou la personne avec laquelle il forme un ménage paie une pension alimentaire fixée par jugement ou par une convention signée dans le cadre d'une procédure de divorce par consentement mutuel ;
  4° dont l'usager ou la personne avec laquelle il forme un ménage s'occupe, comme prévu par jugement ou par une convention signée dans le cadre d'une procédure de divorce par consentement mutuel, tandis que l'ex-conjoint perçoit les allocations familiales ;
  La personne qui est placée dans une famille d'accueil est assimilée à un enfant à charge tel que visé au paragraphe 3.
  § 5. Par ménage, seule une personne peut bénéficier d'un abattement correspondant à la catégorie B. Si, dans un ménage, deux personnes à autonomie réduite appartiennent à la catégorie B, chacune d'entre elles bénéficie d'un abattement égal à la moitié de l'abattement correspondant à la catégorie B.
Art. 195. § 1. De tegemoetkoming wordt toegekend op basis van het resultaat van een onderzoek naar het inkomen. Met behoud van de toepassing van paragraaf 2, worden alle inkomsten, ongeacht de aard of de oorsprong ervan, waarover de persoon met een verminderde zelfredzaamheid en eventueel de persoon met wie hij een gezin vormt, beschikt, in aanmerking genomen.
  Als twee personen met een verminderde zelfredzaamheid in een gezin tot de categorie B behoren, wordt voor elk van beide personen rekening gehouden met de helft van het gezinsinkomen.
  § 2. Voor de berekening van het inkomen wordt er geen rekening gehouden met:
  1° de gezinsbijslagen;
  2° de onderhoudsgelden tussen ascendenten en descendenten;
  3° de frontstrepen- en gevangenschapsrenten, en evenmin met de renten die verbonden zijn aan een nationale orde op grond van een oorlogsfeit;
  4° de volgende tegemoetkomingen aan personen met een handicap die toegekend zijn aan de persoon met wie de persoon met een verminderde zelfredzaamheid een gezin vormt:
  a) een integratietegemoetkoming of een inkomensvervangende tegemoetkoming als vermeld in de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;
  b) een gewone tegemoetkoming of een bijzondere tegemoetkoming krachtens de wet van 27 juni 1969 betreffende de tegemoetkoming aan gehandicapten;
  c) een tegemoetkoming voor hulp aan derden, overeenkomstig artikel 2 van de wet van 27 juni 1969 betreffende de tegemoetkoming aan gehandicapten;
  d) een aanvullende tegemoetkoming of een tegemoetkoming ter aanvulling van het gewaarborgde inkomen voor bejaarden;
  5° het vakantiegeld en het aanvullende vakantiegeld dat betaald wordt ten laste van de pensioenregeling voor de werknemers, de bijzondere bijslag die betaald wordt ten laste van de pensioenregeling van zelfstandigen, en evenmin met het vakantiegeld ten laste van de pensioenregeling van de openbare sector;
  6° de vergoedingen die in het kader van de plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen toegekend worden aan de persoon met wie de persoon met een verminderde zelfredzaamheid een gezin vormt;
  7° het deel van het pensioen dat overeenstemt met het bedrag van het aan de echtgenoot of ex-echtgenoot betaalde onderhoudsgeld door de van tafel en bed gescheiden, de feitelijk of uit de echt gescheiden persoon met een verminderde zelfredzaamheid die een pensioen krijgt, als de verplichting tot het betalen van het onderhoudsgeld bij gerechtelijke beslissing is vastgesteld;
  8° de vergoedingen die door de Duitse overheid bij wijze van schadeloosstelling worden betaald voor de gevangenhouding tijdens de Tweede Wereldoorlog;
  9° de vergoedingen die worden toegekend met toepassing van de artikel en 10 en 11 van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers, voor zover die vergoedingen voldoen aan de voorwaarden vermeld in artikel 10, eerste en derde lid, en artikel 11 van voormelde wet;
  10° de tegemoetkomingen in het kader van de Vlaamse sociale bescherming.
  § 3. Voor de toepassing van dit artikel zijn de in aanmerking te nemen inkomsten de inkomsten waarop de gebruiker recht heeft op de ingangsdatum van de uitvoering van de tegemoetkoming bij een aanvraag of een aanvraag tot herziening als vermeld in artikel 211 of 223, of op de eerste dag van de kalendermaand die volgt op het feit dat aanleiding geeft tot de ambtshalve herziening, vermeld in artikel 225 en 226. Om die inkomsten het bedrag van de tegemoetkoming af te trekken, worden de bedragen van de inkomsten, vermeld in dit artikel , berekend op jaarbasis.
Art. 195. § 1er. L'intervention est octroyée sur la base du résultat d'une enquête sur les revenus. Sous réserve de l'application du paragraphe 2, tous les revenus, quelle qu'en soit la nature ou l'origine, dont disposent la personne à autonomie réduite et éventuellement la personne avec laquelle elle forme un ménage, sont pris en considération
  Si, dans un ménage, deux personnes à autonomie réduite appartiennent à la catégorie B, il est tenu compte pour chacune des deux personnes de la moitié du revenu du ménage.
  § 2. Pour le calcul du revenu, il n'est pas tenu compte :
  1° des prestations familiales ;
  2° des rentes alimentaires entre ascendants et descendants ;
  3° des rentes de chevrons de front et de captivité pas plus que des rentes attachées à un ordre national pour fait de guerre ;
  4° des interventions aux personnes handicapées, octroyées à la personne avec laquelle la personne à autonomie réduite forme un ménage :
  a) une allocation d'intégration ou une allocation de remplacement de revenus telle que visée dans la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux personnes handicapées ;
  b) une allocation ordinaire ou une allocation spéciale en vertu de la loi du 27 juin 1969 relative à l'octroi d'allocations aux handicapés ;
  c) une allocation pour aide de tiers, conformément à l'article 2 de la loi du 27 juin 1969 relative à l'octroi d'allocations aux handicapés ;
  d) une allocation complémentaire ou une allocation complémentaire du revenu garanti aux personnes âgées ;
  5° du pécule de vacances et du pécule complémentaire payés à charge du régime de pension des travailleurs salariés, de l'allocation spéciale payée à charge du régime de pension des travailleurs indépendants ainsi que du pécule de vacances à charge du régime de pension du secteur public ;
  6° des indemnités qui sont accordées dans le cadre des agences locales pour l'emploi à la personne avec laquelle la personne à autonomie réduite forme un ménage ;
  7° de la partie de la pension qui correspond au montant de la rente alimentaire payée au conjoint ou l'ex-conjoint par la personne à autonomie réduite séparée de corps, séparée de fait ou divorcée qui jouit d'une pension lorsque l'obligation de payer la rente alimentaire est fixée par décision judiciaire ;
  8° des indemnités payées par les autorités allemandes en dédommagement de la détention durant la Deuxième Guerre mondiale ;
  9° des indemnités qui sont octroyées en application des articles 10 et 11 de la loi du 3 juillet 2005 relative aux droits des volontaires, à condition que ces indemnités satisfassent aux conditions prévues à l'article 10, alinéas 1er et 3, et à l'article 11, de la loi précitée ;
  10° des allocations dans le cadre de la protection sociale flamande.
  § 3. Pour l'application du présent article, les revenus à prendre en considération sont les revenus auxquels l'usager a droit à la date de prise de cours de l'exécution de l'intervention dans le cas d'une demande ou d'une demande de révision telle que visée à l'article 211 ou 223 ou le premier jour du mois calendrier qui suit le fait donnant lieu à la révision d'office visée aux articles 225 et 226. En vue de leur déduction du montant de l'intervention, les montants des revenus visés au présent article sont sur une base annuelle.
Art. 196. § 1. In dit artikel wordt onder referentiejaar verstaan: het jaar-2, dat is het tweede kalenderjaar dat voorafgaat aan:
  1° de ingangsdatum van de uitvoering van de tegemoetkoming bij een aanvraag of een aanvraag tot herziening als vermeld in artikel 211 of 223;
  2° de kalendermaand die volgt op het feit dat aanleiding geeft tot de ambtshalve herziening, vermeld in artikel 225 en 226.
  § 2. Als de gebruiker of de persoon met wie hij een gezin vormt, een beroepsactiviteit als werknemer uitoefent, wordt bij de berekening van het inkomen rekening gehouden met het belastbare loon van het referentiejaar.
  § 3. Voor een zelfstandige is het in aanmerking te nemen beroepsinkomen het bedrag van het inkomen, vermeld in artikel 11 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende het sociaal statuut van de zelfstandigen, dat betrekking heeft op het referentiejaar.
  In geval van begin of hervatting van een beroepsactiviteit als zelfstandige, wordt, zolang het eerste lid niet kan worden toegepast, en in alle gevallen waarin er niet naar een door de Administratie der Directe Belastingen vastgesteld beroepsinkomen kan worden verwezen, het beroepsinkomen in rekening gebracht dat door de gebruiker of, in voorkomend geval, door de persoon met wie hij een gezin vormt, is aangegeven. Dat inkomen kan nagezien en, in voorkomend geval, verbeterd worden op grond van gegevens die bij de Administratie der Directe Belastingen verkregen zijn.
  Als de gebruiker de beroepsactiviteit als zelfstandige van de overleden persoon met wie hij een gezin vormde, voortzet, wordt het inkomen, dat deze laatste heeft verworven in de loop van het referentiejaar dat voor de vaststelling van het inkomen in aanmerking moet worden genomen, geacht door de gebruiker verworven te zijn.
  § 4. Als op de datum, vermeld in paragraaf 1, 1° of 2°, de gebruiker of de persoon met wie hij een gezin vormt, de beroepsactiviteit heeft stopgezet om een pensioen of een inkomensgarantie voor ouderen te verkrijgen, dan wordt er met geen enkel beroepsinkomen meer rekening gehouden.
  § 5. Als het beroepsinkomen van het referentiejaar voortkomt uit een activiteit uitgeoefend voordat de gebruiker of de persoon met wie hij een gezin vormt, gepensioneerd waren, terwijl op de datum, vermeld in paragraaf 1, 1° of 2°, die persoon of die personen een pensioen krijgen en ook een toegelaten beroepsactiviteit uitoefenen, is het bedrag van het beroepsinkomen waarmee rekening wordt gehouden, het bedrag van de toegelaten beroepsactiviteit, omgerekend op jaarbasis.
  § 6. Als de gebruiker of de persoon met wie hij een gezin vormt, op de datum, vermeld in paragraaf 1, 1° of 2°, een vervangingsinkomen, met uitzondering van de pensioeninkomens, vermeld in artikel 197, heeft, wordt bij de berekening van het inkomen rekening gehouden met het bedrag van het referentiejaar. Het belastbare bedrag wordt in rekening genomen.
  § 7. Het inkomen dat voortkomt uit een bedrijfsafstand wordt aangerekend met toepassing van de artikel 205 tot en met 210.
Art. 196. § 1er. Dans le présent article, l'année de référence s'entend de l'année -2, soit la deuxième année calendrier précédant :
  1° la date de prise de cours de l'exécution de l'intervention dans le cas d'une demande ou d'une demande de révision telle que visée à l'article 211 ou 223 ;
  2° le mois calendrier qui suit le fait donnant lieu à la révision d'office visée aux articles 225 et 226.
  § 2. Lorsque l'usager ou la personne avec laquelle il forme un ménage exerce une activité professionnelle en tant que travailleur salarié, il est tenu compte, pour le calcul du revenu, du salaire imposable de l'année de référence.
  § 3. Dans le cas d'un travailleur indépendant, le revenu professionnel à prendre en considération est le montant du revenu visé à l'article 11 de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants, afférent à l'année de référence.
  En cas de début ou de reprise d'une activité professionnelle en qualité de travailleur indépendant, aussi longtemps qu'il ne peut être fait application de l'alinéa 1er, et dans tous les cas où il ne peut être fait référence à des revenus professionnels déterminés par l'Administration des Contributions directes, il est tenu compte des revenus professionnels déclarés par l'usager ou, le cas échéant, par la personne avec laquelle il forme un ménage. Ces revenus peuvent être vérifiés et, le cas échéant, rectifiés sur la base d'éléments recueillis auprès de l'Administration des Contributions directes.
  Lorsque l'usager continue l'activité professionnelle de travailleur indépendant de la personne décédée avec laquelle il formait un ménage, les revenus acquis par cette dernière au cours de l'année de référence qui doit être retenue pour l'établissement des revenus sont censés acquis par l'usager.
  § 4. Lorsqu'à la date visée au paragraphe 1er, 1° ou 2°, l'usager ou la personne avec laquelle il forme un ménage a cessé l'activité professionnelle en vue d'obtenir une pension ou une garantie de revenus aux personnes âgées, il n'est plus tenu compte d'aucun revenu professionnel.
  § 5. Lorsque le revenu professionnel de l'année de référence provient d'une activité exercée alors que l'usager ou la personne avec laquelle il forme un ménage n'étaient pas encore pensionnés, tandis qu'à la date visée au paragraphe 1er, 1° ou 2°, cette personne ou ces personnes bénéficient d'une pension tout en exerçant une activité professionnelle autorisée, le montant du revenu professionnel à prendre en considération est le montant de l'activité professionnelle autorisée, calculé sur une base annuelle.
  § 6. Lorsqu'à la date visée au paragraphe 1er, 1° ou 2°, l'usager ou la personne avec laquelle il forme un ménage perçoit un revenu de remplacement, à l'exception des revenus de pensions visés à l'article 197, il est tenu compte, pour le calcul du revenu, du montant de l'année de référence. Le montant imposable est pris en compte.
  § 7. Les revenus provenant d'une cession d'entreprise sont portés en compte en application des articles 205 à 210.
Art. 197. Voor de berekening van het inkomen, wordt een bedrag dat gelijk is aan 90% van de pensioenen toegekend, aan de gebruiker of aan de persoon met wie hij een gezin vormt, in aanmerking genomen. De bedrijfsvoorheffing, de bijdrage voor de ziekte- en invaliditeitsverzekering en de solidariteitsbijdrage worden niet tot het pensioen gerekend.
  De volgende voordelen worden beschouwd als pensioen: de voordelen toegekend hetzij met toepassing van een Belgische verplichte pensioenregeling, ingesteld bij of krachtens een wet, een provinciaal reglement of door de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen, hetzij met toepassing van een buitenlandse verplichte pensioenregeling, hetzij met toepassing van een verplichte pensioenregeling voor het personeel van een volkenrechterlijke instelling, hetzij bij wijze van vergoedingen, bijslagen of pensioenen die tot herstel of als schadeloosstelling aan oorlogsslachtoffers of hun rechtverkrijgenden worden toegekend.
  Het bedrag, vermeld in het eerste lid, is het werkelijk uitgekeerde bedrag, in voorkomend geval vermeerderd met het bedrag dat overeenstemt met de vermindering in een van de volgende gevallen:
  1° terugvordering van een onverschuldigde betaling;
  2° schorsing ten titel van sanctie.
Art. 197. Pour le calcul des revenus, un montant égal à 90 % des pensions octroyées à l'usager ou à la personne avec laquelle il forme un ménage est pris en considération Le précompte professionnel, la cotisation pour l'assurance maladie-invalidité et la cotisation de solidarité ne sont pas pris en compte dans la pension.
  Les avantages suivants sont considérés comme pension : les avantages accordés soit en application d'un régime obligatoire belge de pension, institué par ou en vertu d'une loi, d'un règlement provincial ou par la Société nationale des Chemins de fer belges, soit en application d'un régime obligatoire étranger de pension, soit en application d'un régime obligatoire de pension du personnel d'une institution de droit international public, soit au titre d'indemnités, d'allocations ou pensions accordées à titre de réparation ou de dédommagement à des victimes de la guerre ou à leurs ayants droit.
  Le montant visé à l'alinéa 1er est le montant réellement versé augmenté, le cas échéant, du montant correspondant à la réduction dans l'un des cas suivants :
  1° récupération de l'indu ;
  2° suspension à titre de sanction.
Art. 198. Voor de berekening van het inkomen wordt van het totale kadastraal inkomen van de bebouwde onroerende goederen, die de gebruiker of de persoon met wie hij een gezin vormt, in volle eigendom of in vruchtgebruik bezitten, een bedrag van 1500 euro afgetrokken. Dat bedrag wordt verhoogd met 250 euro voor elk kind ten laste.
Art. 198. Pour le calcul du revenu, un montant de 1500 euros est déduit du revenu cadastral global des biens immeubles bâtis, dont l'usager ou la personne avec laquelle il forme un ménage ont la pleine propriété ou l'usufruit. Ce montant est majoré de 250 euros pour chaque enfant à charge.
Art. 199. Als de gebruiker of de persoon met wie hij een gezin vormt, alleen de volle eigendom of het vruchtgebruik bezitten van onbebouwde onroerende goederen, wordt voor de berekening van het inkomen, rekening gehouden met het bedrag van de kadastrale inkomens van die goederen, verminderd met 60 euro.
Art. 199. Si l'usager ou la personne avec laquelle il forme un ménage n'ont que la pleine propriété ou l'usufruit de biens immeubles non bâtis, il est tenu compte, pour le calcul du revenu, du montant des revenus cadastraux de ces biens, diminué de 60,00 euros.
Art. 200. Bij de berekening van het inkomen, wordt rekening gehouden met:
  1° voor de bebouwde onroerende goederen: het bedrag van het niet vrijgestelde kadastraal inkomen vermenigvuldigd met 3;
  2° voor de onbebouwde onroerende goederen: het bedrag van het niet vrijgestelde kadastraal inkomen vermenigvuldigd met 9.
Art. 200. Pour le calcul du revenu, il est tenu compte :
  1° en ce qui concerne les biens immeubles bâtis : du montant du revenu cadastral non exonéré multiplié par 3 ;
  2° en ce qui concerne les biens immeubles non bâtis : du montant du revenu cadastral non exonéré multiplié par 9.
Art. 201. De onroerende goederen in het buitenland worden in aanmerking genomen overeenkomstig de bepalingen die toepasselijk zijn op de gelegen onroerende goederen in België.
  In het eerste lid wordt verstaan onder kadastraal inkomen: elke soortgelijke grondslag van belasting waarin in de fiscale wetgeving van de plaats waar de goederen liggen, is voorzien.
Art. 201. Les biens immobiliers situés à l'étranger sont pris en considération conformément aux dispositions applicables aux biens immobiliers situés en Belgique.
  A l'alinéa 1er, le revenu cadastral s'entend de toute base d'imposition analogue prévue par la législation fiscale du lieu où se situent les biens.
Art. 202. Het kadastraal inkomen van een gedeelte van een onroerend goed is gelijk aan het kadastraal inkomen van het onroerend goed vermenigvuldigd met de breuk die het gedeelte van dat onroerend goed vertegenwoordigt.
  Als de gebruiker of de persoon met wie hij een gezin vormt, de hoedanigheid van eigenaar of van vruchtgebruiker in onverdeeldheid heeft, wordt vooraleer de artikel en artikel 198 tot en met 202 worden toegepast, het kadastraal inkomen vermenigvuldigd met de breuk die de belangrijkheid uitdrukt van de rechten, in volle eigendom of in vruchtgebruik, van de gebruiker of van de persoon met wie hij een gezin vormt.
Art. 202. Le revenu cadastral d'une partie d'un bien immeuble est égal au revenu cadastral du bien immeuble multiplié par la fraction représentant la partie de ce bien immeuble.
  Si l'usager ou la personne avec laquelle il forme un ménage ont la qualité de propriétaire ou d'usufruitier indivis, le revenu cadastral est multiplié, avant l'application des articles 198 à 202, par la fraction qui exprime l'importance des droits, en pleine propriété ou en usufruit, de l'usager ou de la personne avec laquelle il forme un ménage.
Art. 203. Als het onroerend goed met een hypotheek bezwaard is, mag het bedrag dat in aanmerking genomen is voor de vaststelling van het inkomen, verminderd worden met het jaarlijkse bedrag van de hypothecaire intresten, op voorwaarde dat:
  1° de schuld door de gebruiker of de persoon met wie hij een gezin vormt, voor eigen behoeften is aangegaan en de bestemming die aan het geleende kapitaal is gegeven, wordt bewezen;
  2° het bewijs wordt geleverd dat de hypothecaire intresten eisbaar waren en werkelijk zijn betaald voor het jaar dat voorafgaat aan het jaar van de ingangsdatum van de uitvoering van de tegemoetkoming.
  Het bedrag van de vermindering mag evenwel niet hoger zijn dan de helft van het in aanmerking te nemen bedrag.
  Als het onroerend goed tegen betaling van een lijfrente is verworven, wordt het bedrag, dat in aanmerking genomen is voor de vaststelling van het inkomen, verminderd met het bedrag van de lijfrente die door de gebruiker of door de persoon met wie hij een gezin vormt, werkelijk wordt betaald. Het tweede lid is van toepassing op voormelde vermindering.
Art. 203. Lorsque le bien immeuble est grevé d'hypothèque, le montant pris en compte pour l'établissement du revenu peut être diminué du montant annuel des intérêts hypothécaires, pour autant que :
  1° la dette ait été contractée par l'usager ou la personne avec laquelle il forme un ménage pour des besoins propres et que la destination donnée au capital emprunté soit prouvée ;
  2° que la preuve soit fournie que les intérêts hypothécaires étaient exigibles et ont été réellement acquittés pour l'année précédant celle de la prise de cours de l'exécution de l'intervention.
  Toutefois, le montant de la réduction ne peut être supérieur à la moitié du montant à prendre en considération.
  Si l'immeuble a été acquis moyennant le paiement d'une rente viagère, le montant pris en considération pour l'établissement du revenu est diminué du montant de la rente viagère payée effectivement par l'usager ou la personne avec laquelle il forme un ménage. L'alinéa 2 est applicable à la réduction précitée.
Art. 204. Voor de al dan niet belegde roerende kapitalen wordt rekening gehouden met een som die gelijk is aan 6% van de kapitalen.
Art. 204. Pour les capitaux mobiliers, placés ou non, il est porté en compte une somme égale à 6 % des capitaux.
Art. 205. Er wordt rekening gehouden met 6% van de verkoopwaarde van de goederen op het tijdstip van de afstand, als de gebruiker of de persoon met wie hij een gezin vormt, roerende of onroerende goederen om niet of onder bezwarende titel heeft afgestaan in de loop van de tien jaar vóór:
  1° de ingangsdatum van de uitvoering van de tegemoetkoming bij een aanvraag of een aanvraag tot herziening als vermeld in artikel 211 of 223;
  2° de eerste dag van de kalendermaand die volgt op het feit dat aanleiding geeft tot de ambtshalve herziening, vermeld in artikel 225 en 226.
Art. 205. Il est tenu compte de 6 % de la valeur vénale des biens au moment de la cession si l'usager ou la personne avec laquelle il forme un ménage ont cédé à titre gratuit ou à titre onéreux des biens immobiliers ou mobiliers au cours des dix années qui précèdent :
  1° la date de prise de cours de l'exécution de l'intervention dans le cas d'une demande ou d'une demande de révision telle que visée à l'article 211 ou 223 ;
  2° le premier jour du mois calendrier qui suit le fait donnant lieu à la révision d'office visée aux articles 225 et 226.
Art. 206. Voor de toepassing van artikel 205 wordt de verkoopwaarde van de afgestane roerende of onroerende goederen, waarvan de gebruiker of, de persoon met wie hij een gezin vormt, eigenaar of vruchtgebruiker in onverdeeldheid was, vermenigvuldigd met de breuk die de belangrijkheid van de rechten van de gebruiker of, de persoon met wie hij een gezin vormt, uitdrukt.
  Voor de toepassing van deze bepalingen zal de respectievelijke waarde van het vruchtgebruik en van de naakte eigendom geraamd worden zoals bepaald in het kader van de successierechten.
Art. 206. Pour l'application de l'article 205, la valeur vénale des biens meubles ou immeubles cédés, dont l'usager ou la personne avec laquelle il forme un ménage étaient propriétaires ou usufruitiers indivis, est multipliée par la fraction qui exprime l'importance des droits de l'usager ou de la personne avec laquelle il forme un ménage.
  Pour l'application de ces dispositions, la valeur respective de l'usufruit et de la nue-propriété sera évaluée comme en matière de droits de succession.
Art. 207. In geval van afstand onder bezwarende titel van roerende of onroerende goederen, worden de persoonlijke schulden van de gebruiker en de persoon met wie hij een gezin vormt, afgetrokken van de verkoopwaarde van de afgestane goederen, op het ogenblik van de afstand. De persoonlijke schulden moeten dateren van vóór de afstand en moeten met de opbrengst van de afstand afgelost zijn.
Art. 207. En cas de cession à titre onéreux de biens meubles ou immeubles, les dettes personnelles de l'usager ou de la personne avec laquelle il forme un ménage sont déduites de la valeur vénale des biens cédés au moment de la cession. Les dettes personnelles doivent être antérieures à la cession et éteintes à l'aide du produit de la cession.
Art. 208. In geval van afstand onder bezwarende titel van roerende of onroerende goederen en onverminderd de bepalingen van artikel 207 wordt, met het oog op de toepassing van artikel 205, van de verkoopwaarde van de goederen een jaarlijks abattement van 1500 euro afgetrokken.
  Het aftrekbare abattement wordt berekend in verhouding tot het aantal maanden begrepen tussen de eerste van de maand die volgt op de datum van de afstand en de ingangsdatum van de uitvoering van de tegemoetkoming.
  Als de gebruiker of de persoon met wie hij een gezin vormt, verschillende afstanden heeft gedaan, mag het abattement maar één keer voor dezelfde periode worden toegepast.
Art. 208. En cas de cession à titre onéreux de biens meubles ou immeubles, et sans préjudice des dispositions de l'article 207, il est déduit de la valeur vénale des biens, en vue de l'application de l'article 205, un abattement annuel de 1500 euros.
  L'abattement déductible est calculé proportionnellement au nombre de mois compris entre le premier du mois suivant la date de la cession et la date de prise de cours de l'exécution de l'intervention.
  Si l'usager ou la personne avec laquelle ont procédé à plusieurs cessions, l'abattement ne peut être appliqué qu'une seule fois pour une même période.
Art. 209. Artikel 205 tot en met 208 zijn niet van toepassing op de opbrengst van de afstand als die opbrengst geheel of gedeeltelijk nog in het in aanmerking te nemen vermogen wordt teruggevonden. Op de voormelde opbrengst zijn, naargelang van het geval, artikel 198 tot en met 204 van toepassing.
Art. 209. Les articles 205 à 208 ne s'appliquent pas au produit de la cession, dans la mesure où ce produit se retrouve encore entièrement ou en partie dans le patrimoine pris en considération. Les articles 198 à 204 s'appliquent, selon le cas, au produit précité.
Art. 210. Als een roerend of onroerend goed tegen lijfrente is afgestaan, wordt een bedrag in rekening gebracht dat, gedurende de eerste tien jaar die volgt op de afstand, berekend wordt conform de bepalingen van artikel 205 tot en met 209. Dat bedrag mag nochtans niet lager zijn dan het bedrag van de lijfrente. Na de voorvermelde periode van tien jaar, is dat bedrag gelijk aan het bedrag van de lijfrente.
Art. 210. Lorsqu'un bien mobilier ou immobilier est mis en rente viagère, il est porté en compte un montant qui, pendant les dix premières années qui suivent la cession, est calculé conformément aux dispositions des articles 205 à 208. Ce montant ne peut toutefois pas être inférieur à celui de la rente viagère. Après la période de dix ans susvisée, ce montant est égal au montant de la rente viagère.
HOOFDSTUK 3. - Onderzoek en beslissing
Chapitre 3. - Examen et décision
Afdeling 1. - De aanvraag
Section 1re. - La demande
Art. 211. Een gebruiker dient een aanvraag van een tegemoetkoming in bij de zorgkas waarbij hij aangesloten is. Een aanvraag kan alleen elektronisch ingediend worden.
  Een dienst maatschappelijk werk van het ziekenfonds, de sociale dienst van de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering of de sociale dienst van de Kas der geneeskundige verzorging van de N.M.B.S. Holding, de gemeente of het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn kan zonder speciale lastgeving een aanvraag voor de gebruiker indienen.
Art. 211. L'usager introduit une demande d'intervention auprès de la caisse d'assurance soins à laquelle il est affilié. Une demande ne peut être introduite que par voie électronique.
  Un service social de la mutualité, le service social de la Caisse auxiliaire d'assurance maladie-invalidité ou le service social de la Caisse des Soins de santé de la SNCB Holding, la commune ou le centre public d'action sociale peut introduire une demande pour l'usager sans mandat spécial.
Afdeling 2. - De vaststelling
Section 2. - La constatation
Art. 212. De vermindering van de zelfredzaamheid wordt [1 , vermeld in artikel 193,]1 vastgesteld door een daarvoor aangewezen arts of een multidisciplinair team onder toezicht van een dienst waarmee de minister een overeenkomst sluit. Als dat nodig is, worden aan de gebruiker of aan de persoon die de gebruiker daartoe gemachtigd heeft, bijkomende inlichtingen gevraagd.
  Als de bijkomende inlichtingen, vermeld in het eerste lid, niet binnen een maand worden verstrekt, wordt de gebruiker daarvan op de hoogte gebracht.
  Als dat nodig is, wordt de gebruiker opgeroepen voor een onderzoek.
  Als de gebruiker in de onmogelijkheid verkeert zich te verplaatsen, wordt het onderzoek ter plaatse verricht.
  Het onderzoek is onderworpen aan de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt, wat onder meer inhoudt dat de gebruiker het recht heeft om zich te laten bijstaan door een vertrouwenspersoon.
  Als de gebruiker nalaat om zich voor het onderzoek aan te melden, ontvangt hij een tweede oproeping. Als de gebruiker, ondanks de tweede oproeping, nalaat zich voor het onderzoek aan te melden, of als de bijkomende inlichtingen na het verstrijken van een maand die volgt op de kennisgeving, vermeld in het tweede lid, nog ontbreken, neemt de door de minister aangestelde dienst, vermeld in het eerste lid, een beslissing over de verminderde zelfredzaamheid op grond van de beschikbare elementen.
  
Art. 212. La réduction de l'autonomie [1 visée à l'alinéa 193]1 est constatée par un médecin désigné à cet effet ou par une équipe multidisciplinaire, sous le contrôle d'un service avec lequel le ministre signe une convention. Si nécessaire, des renseignements complémentaires sont demandés à l'usager ou à la personne que l'usager a habilitée à cet effet.
  Si les renseignements complémentaires visés à l'alinéa 1er ne sont pas fournis dans le mois, l'usager en est informé.
  Si nécessaire, l'usager est convoqué pour un examen.
  Si l'usager se trouve dans l'impossibilité de se déplacer, l'examen est pratiqué sur place.
  L'examen est soumis à la loi du 22 août 2002 relative aux droits du patient, ce qui implique entre autres que l'usager a le droit de se faire assister par une personne de confiance.
  Si l'usager omet de se présenter à l'examen, il reçoit une deuxième convocation. Si l'usager, malgré la deuxième convocation, omet de se présenter à l'examen, ou si les renseignements complémentaires font encore défaut après expiration d'un délai d'un mois suivant la notification visée à l'alinéa 2, le service désigné par le ministre, visé à l'alinéa 1er, prend une décision quant à la réduction de l'autonomie sur la base des éléments disponibles.
  
Art. 213. De dienst, vermeld in artikel 212, eerste lid, ontvangt een vergoeding voor de vaststellingen van de verminderde zelfredzaamheid. De bepaling van de vergoeding en de wijze waarop de vergoeding wordt uitbetaald, wordt geregeld in de overeenkomst die door de minister met de dienst wordt gesloten.
Art. 213. Le service visé à l'article 212, alinéa 1er, reçoit une indemnité pour les constatations de réduction de l'autonomie. La fixation de l'indemnité et les modalités de paiement de cette indemnité sont réglés dans la convention conclue par le ministre avec le service.
Afdeling 3. - De behandeling van de aanvraag
Section 3. - L'examen de la demande
Art. 214. De zorgkas is verplicht zich tot het Rijksregister van de natuurlijke personen te richten om de informatiegegevens, vermeld in artikel 3, eerste en tweede lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, te verkrijgen, of als hij de juistheid van deze informatiegegevens nagaat. Ze mag alleen een beroep doen op een andere bron als de nodige informatiegegevens niet bij het Rijksregister verkregen kunnen worden.
Art. 214. La caisse d'assurance soins est tenue de s'adresser au Registre national des personnes physiques pour obtenir les informations visées à l'article 3, alinéas 1er et 2, de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques ou lorsqu'elle vérifie l'exactitude de ces informations. Elle ne peut recourir à une autre source que si les informations nécessaires ne peuvent pas être obtenues auprès du Registre national.
Art. 215. De zorgkas onderzoekt de aanvraag, op basis van de inlichtingen die door de gebruiker worden verstrekt, en de inlichtingen die hij conform artikel 23, § 1, van het decreet van 18 mei 2018 rechtstreeks inzamelt bij de instantie of de persoon die over de inlichtingen beschikt. De inlichtingen, bescheiden en bewijsstukken die de gebruiker verstrekt, worden voor waar aangenomen, onverminderd de controlebevoegdheid die de zorgkas heeft.
  Voor het administratieve onderzoek verzamelt de zorgkas onder meer bij de instantie die over de inlichtingen beschikt, de volgende gegevens:
  1° de wettelijke identificatiegegevens opgenomen in het Rijksregister van de natuurlijke personen;
  2° het beroepsinkomen en het vervangingsinkomen van het jaar - 2, vermeld in artikel 196;
  3° het pensioeninkomen, vermeld in artikel 197;
  4° de gegevens over de onroerende goederen, vermeld in artikel 198 tot en met 203.
  Als de zorgkas genoodzaakt is om bijkomende inlichtingen in te winnen bij de gebruiker, is de gebruiker ertoe gehouden om die bijkomende inlichtingen te verstrekken binnen een maand. Als de bijkomende inlichtingen niet binnen een maand worden verstrekt, ontvangt de gebruiker van de zorgkas een herinnering met het verzoek om die bijkomende inlichtingen alsnog te verstrekken.
  Als de gebruiker, ondanks de herinnering, vermeld in het derde lid, gedurende meer dan een maand nalaat de gevraagde inlichtingen te verschaffen, beslist de zorgkas op grond van de elementen waarover ze beschikt. Als deze elementen niet toelaten een beslissing te nemen, vervalt het recht op de tegemoetkoming.
Art. 215. La caisse de soins examine la demande sur la base des renseignements fournis par l'usager et des renseignements qu'elle recueille, conformément à l'article 23, § 1er, du décret du 18 mai 2018, directement auprès de l'instance ou de la personne qui dispose des informations. Les renseignements, documents et pièces justificatives fournis par l'usager sont considérés comme authentiques, indépendamment de la compétence de contrôle de la caisse d'assurance soins.
  En vue de l'examen administratif, la caisse d'assurance soins recueille auprès de l'instance qui dispose des renseignements entre autres les données suivantes :
  1° les données d'identification légales, contenues dans le Registre national des personnes physiques ;
  2° le revenu professionnel et le revenu de remplacement de l'année -2, visée à l'article 196 ;
  3° le revenu de pensions visé à l'article 197 ;
  4° les informations relatives aux biens immobiliers visés aux articles 198 à 203.
  Si la caisse d'assurance soins est obligée de recueillir des renseignements complémentaires auprès de l'usager, l'usager est tenu de fournir ces informations complémentaires dans le mois. Si les renseignements complémentaires ne sont pas fournis dans le mois, l'usager reçoit de la caisse d'assurance soins un rappel l'invitant à nouveau à fournir les renseignements complémentaires.
  Si, malgré le rappel visé à l'alinéa 3, l'usager omet de fournir les renseignements demandés pendant plus d'un mois, la caisse d'assurance soins prend une décision sur la base des éléments dont elle dispose. Si ces éléments ne lui permettent pas de prendre une décision, le droit à l'allocation s'éteint.
Art. 216. De tegemoetkomingen mogen zonder nader onderzoek geweigerd worden als voldoende elementen voorhanden zijn waaruit blijkt dat de gebruiker niet voldoet aan de voorwaarden om de tegemoetkomingen te verkrijgen.
Art. 216. Les interventions peuvent être refusées sans examen complémentaire s'il apparaît, sur la base d'éléments suffisants, que l'usager ne remplit pas les conditions pour obtenir les interventions.
Art. 217. § 1. De termijn tussen enerzijds de datum van ontvangst van de aanvraag of de aanvraag tot herziening of de datum van de kennisname van het feit dat aanleiding geeft tot een herziening door de zorgkas en anderzijds de datum van de beslissing van de zorgkas, mag niet langer zijn dan zes maanden.
  Als de tegemoetkoming van een instelling van de sociale zekerheid vereist is om een beslissing te kunnen nemen, wordt die instelling door de zorgkas bevraagd.
  § 2. De termijn, vermeld in paragraaf 1, wordt geschorst zolang de gebruiker of een buitenlandse instelling de door de zorgkas gevraagde inlichtingen, die noodzakelijk zijn om een beslissing te nemen, niet volledig verstrekt heeft. Het opvragen van bijkomende inlichtingen, vermeld in artikel 215, derde lid, aan de gebruiker schorst de termijn evenwel niet, op voorwaarde dat de gebruiker de gevraagde gegevens aan de zorgkas bezorgt binnen een maand na de toezending ervan door de zorgkas.
  § 3. De tegemoetkomingen brengen van rechtswege verwijlintresten op vanaf de ingangsdatum van de uitvoering van de tegemoetkoming, maar op zijn vroegst vanaf het verstrijken van de termijn, vermeld in paragraaf 1.
  De intresten, vermeld in het eerste lid, worden tegen de wettelijke voet berekend. Ze hebben betrekking op de maandelijkse termijnen, alsmede op de eventuele achterstallige bedragen.
  In het tweede lid wordt verstaan onder achterstallige bedragen: de bedragen die aan de persoon met een verminderde zelfredzaamheid maandelijks betaald hadden moeten worden na het verstrijken van de termijn, vermeld in paragraaf 1.
  Het aantal dagen waarop intresten moet betaald worden, wordt als volgt bepaald:
  1° voor de maandelijkse termijnen: het aantal dagen tussen de einddatum van de termijn, vermeld in paragraaf 1, en de eerste dag van de maand na de beslissing van de zorgkas;
  2° voor de achterstallige bedragen: het aantal dagen tussen de vijftiende van de maand waarop de tegemoetkoming betrekking heeft en de eerste dag van de maand na de beslissing van de zorgkas.
  § 4. Er worden geen verwijlintresten betaald als vermeld in paragraaf 3, voor de periode waarvoor gerechtelijke intresten betaald moeten worden.
Art. 217. § 1er. Le délai entre, d'une part, la date de réception de la demande ou de la demande de révision ou la date de notification du fait donnant lieu à une révision par la caisse de soins, et, d'autre part, la date de la décision de la caisse d'assurance soins, ne peut être supérieur à six mois.
  Si la prise d'une décision nécessite l'intervention d'une institution de sécurité sociale, cette institution est interrogée par la caisse d'assurance soins.
  § 2. Le délai visé au paragraphe 1er est suspendu tant que l'usager ou une institution étrangère n'a pas fourni complètement les renseignements demandés par la caisse d'assurance soins, nécessaires pour prendre une décision La demande de renseignements complémentaires visés à l'article 215, alinéa 3, à l'usager ne suspend toutefois pas le délai, à condition que l'usager transmette les données demandées à la caisse d'assurance soins dans le mois qui suit l'envoi de la demande par la caisse d'assurance soins.
  § 3. Les interventions produisent de plein droit des intérêts moratoires à partir de leur exigibilité, mais au plus tôt à partir de l'expiration du délai visé au paragraphe 1er.
  Les intérêts visés à l'alinéa 1er sont calculés au taux légal. Ils s'appliquent aux mensualités ainsi qu'aux arriérés éventuels.
  A l'alinéa 2, les arriérés s'entendent des sommes qui auraient dû être liquidées à la personne à autonomie réduite à titre de mensualités après l'expiration du délai visé au paragraphe 1er.
  Le nombre de jours sur lequel des intérêts doivent être payés est déterminé comme suit :
  1° pour les mensualités : le nombre de jours entre la date de fin du délai visé au paragraphe 1er et le premier jour du mois qui suit la date de décision de la caisse d'assurance soins ;
  2° pour les arriérés : le nombre de jours entre le quinzième jour du mois auquel se rapporte l'intervention et le premier jour du mois qui suit la décision de la caisse d'assurance soins.
  § 4. Les intérêts moratoires visés au paragraphe 3 ne sont pas payés pour la période pour laquelle des intérêts judiciaires doivent être payés.
Afdeling 4. - De beslissing
Section 4. - La décision
Art. 218. De zorgkas neemt een beslissing over de tegemoetkoming op basis van het onderzoek naar het inkomen, naar de verminderde zelfredzaamheid en naar de andere voorwaarden, bepaald in of krachtens het decreet van 18 mei 2018. De zorgkas deelt haar beslissing schriftelijk mee aan de gebruiker of zijn vertegenwoordiger.
  Als de persoon van een ander taalgebied naar het Nederlandse taalgebied verhuisd is, en hij over een zorgbudget voor ouderen met een zorgnood of een equivalent daarvan beschikte op het moment van de verhuizing, dient de gebruiker opnieuw een aanvraag conform dit besluit in vanaf het moment dat hij in het Nederlandse taalgebied woont. Bij een positieve beslissing gaat de uitvoering van de tegemoetkoming in vanaf de eerste dag van de maand na de verhuizing, op voorwaarde dat de aanvraag binnen de drie maanden na de verhuizing ingediend is.
  De zorgkas gaat na welke tegemoetkoming het voordeligst is voor de gebruiker, als de persoon, op het moment van de aanvraag van een tegemoetkoming, nog over een van de volgende tegemoetkomingen beschikt:
  1° een integratietegemoetkoming of een inkomensvervangende tegemoetkoming als vermeld in de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;
  2° een gewone tegemoetkoming of een bijzondere tegemoetkoming krachtens de wet van 27 juni 1969 betreffende de tegemoetkoming aan gehandicapten;
  3° een tegemoetkoming voor hulp van derden, overeenkomstig artikel 2 van de wet van 27 juni 1969 betreffende de tegemoetkoming aan gehandicapten;
  4° een aanvullende tegemoetkoming of een tegemoetkoming ter aanvulling van het gewaarborgd inkomen voor bejaarden.
  Als het zorgbudget voor ouderen met een zorgnood voordeliger is voor de gebruiker dan de andere tegemoetkoming, vermeld in het derde lid, dan neemt de zorgkas een positieve beslissing over het zorgbudget voor ouderen met een zorgnood. De zorgkas betaalt tot en met de maand van haar beslissing alleen het extra bedrag bovenop het bedrag van de andere tegemoetkoming. Als het zorgbudget voor ouderen met een zorgnood niet voordeliger is, dan wordt het zorgbudget voor ouderen met een zorgnood niet toegekend.
Art. 218. La caisse d'assurance soins prend une décision au sujet de l'intervention sur la base de l'enquête sur les revenus, sur la réduction de l'autonomie et sur les autres conditions fixées dans le décret du 18 mai 2018 ou en vertu de celui-ci. La caisse d'assurance soins communique sa décision par écrit à l'usager ou à son représentant.
  Si la personne a déménagé d'une autre région linguistique pour s'installer dans la région de langue néerlandaise et qu'elle disposait d'un budget de soins pour personnes âgées présentant un besoin en soins ou équivalent au moment du déménagement, l'usager doit à nouveau introduire une demande conformément au présent arrêté à partir du moment où il est installé dans la région linguistique néerlandaise. En cas de décision positive, l'exécution de l'intervention prend cours à compter du premier jour du mois qui suit le déménagement, à condition que la demande ait été introduite dans les trois mois suivant le déménagement.
  La caisse d'assurance soins vérifie quelle est l'intervention la plus avantageuse pour l'usager, si au moment de la demande d'intervention, la personne dispose encore de l'une des interventions suivantes :
  1° une allocation d'intégration ou une allocation de remplacement de revenus telle que visée dans la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux personnes handicapées ;
  2° une allocation ordinaire ou une allocation spéciale en vertu de la loi du 27 juin 1969 relative à l'octroi d'allocations aux handicapés ;
  3° une allocation pour aide de tiers, conformément à l'article 2 de la loi du 27 juin 1969 relative à l'octroi d'allocations aux handicapés ;
  4° une allocation complémentaire ou une allocation complémentaire du revenu garanti aux personnes âgées.
  Si le budget de soins pour personnes âgées présentant un besoin en soins est plus avantageux pour l'usager que l'autre intervention visée à l'alinéa 3, la caisse d'assurance soins prend une décision positive quant au budget de soins pour personnes âgées présentant un besoin en soins. Jusqu'au mois de sa décision inclus, la caisse d'assurance soins ne paie que le montant supplémentaire au-delà du montant de l'autre intervention. Si le budget de soins pour personnes âgées présentant un besoin en soins n'est pas plus avantageux, il n'est pas octroyé.
Art. 219. Als de zorgkas een beslissing ter kennis brengt na de ingangsdatum van de uitvoering van de tegemoetkoming, houdt ze van rechtswege rekening met de feiten die zich hebben voorgedaan en de elementen die zijn voorgelegd tussen de ingangsdatum van de uitvoering van de tegemoetkoming en de datum waarop ze ter kennis gebracht is als de zorgkas vóór de datum van de kennisgeving van de beslissing op de hoogte is gebracht van deze elementen en feiten.
Art. 219. Si la caisse d'assurance soins notifie une décision après la date de prise de cours de l'exécution de l'intervention, elle tient compte de plein droit des faits survenus et des éléments présentés entre la date de prise de cours de l'exécution de l'intervention et la date de sa notification si ces faits et ces éléments ont été portés à la connaissance de la caisse d'assurance soins avant la date de la notification de la décision.
Art. 220. De zorgkas kan haar beslissing intrekken en een nieuwe beslissing nemen binnen de termijn voor het instellen van een beroep bij het bevoegde arbeidsgerecht of, als het beroep al is ingesteld, tot aan de sluiting van de debatten, als:
  1° op de datum waarop de uitvoering van de tegemoetkoming is ingegaan, het recht door een wettelijke of reglementaire bepaling is gewijzigd;
  2° een nieuw feit of nieuw bewijsmateriaal dat een weerslag heeft op de rechten van de verzoeker, tijdens het geding wordt ingeroepen;
  3° vastgesteld wordt dat de administratieve beslissing aangetast is door een onregelmatigheid of een materiële vergissing.
Art. 220. La caisse d'assurance soins peut rapporter sa décision et en prendre une nouvelle dans le délai d'introduction d'un recours devant la juridiction du travail compétente ou, si un recours a déjà été introduit, jusqu'à la clôture des débats lorsque :
  1° à la date de prise de cours de l'exécution de l'intervention, le droit a été modifié par une disposition légale ou réglementaire ;
  2° un fait nouveau ou des éléments de preuve nouveaux ayant une incidence sur les droits du demandeur sont invoqués en cours d'instance ;
  3° il est constaté que la décision administrative est entachée d'irrégularité ou d'erreur matérielle.
Art. 221. Met behoud van de toepassing van artikel 223 tot en met 226 geldt de beslissing van de zorgkas voor onbepaalde duur, behalve in de volgende gevallen:
  1° de zorgkas neemt een beslissing voor twaalf maanden als de beslissing op grond van voorlopige of evoluerende elementen wordt getroffen;
  de zorgkas neemt een beslissing die geldt tot de einddatum van de vermindering van de zelfredzaamheid, vermeld in artikel 212.
Art. 221. Sous réserve de l'application des articles 223 à 226, la décision de la caisse d'assurance soins est valable pour une durée indéterminée, sauf dans les cas suivants :
  1° la caisse d'assurance soins prend une décision pour douze mois si la décision est prise sur la base d'éléments à caractère provisoire ou évolutif ;
  2° la caisse d'assurance soins prend une décision valable jusqu'à la date de la fin de la réduction de l'autonomie visée à l'article 212.
Art. 222. De minister bepaalt de nadere regels voor de beslissing over de tegemoetkoming, vermeld in artikel 218 tot en met 221.
Art. 222. Le ministre fixe les modalités de la décision quant à l'intervention visée aux articles 218 à 221.
Afdeling 5. - Aanvraag tot herziening
Section 5. - Demande de révision
Art. 223. Een aanvraag tot herziening mag worden ingediend als zich volgens de aanvrager wijzigingen voordoen die de verhoging van de tegemoetkomingen rechtvaardigen.
  De aanvragen tot herziening worden conform artikel 211 ingediend bij de zorgkas.
  De aanvraag tot herziening wordt onderzocht conform artikel 214 tot en met 217. Alleen als de aanvraag tot herziening betrekking heeft op de beoordeling van de graad van zelfredzaamheid, wordt tot een nieuw medisch onderzoek overgegaan.
  De uitvoering van de tegemoetkoming gaat in vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de datum waarop de aanvraag tot herziening werd ingediend.
  In afwijking van het vierde lid kan, als de aanvraag tot herziening wordt ingediend binnen de drie maanden die volgen op de datum waarop zich een feit heeft voorgedaan dat de verhoging van de uitkering rechtvaardigt, of op de datum waarop de aanvrager daarvan kennis heeft gekregen, de uitvoering van de tegemoetkoming ten gevolge van de nieuwe beslissing ingaan vanaf de eerste dag van de maand die op de eerstgenoemde datum volgt en op zijn vroegst op dezelfde datum als de te wijzigen beslissing.
Art. 223. Une demande de révision peut être introduite si, selon le demandeur, des modifications justifiant la majoration des interventions se produisent.
  Les demandes de révision sont introduites auprès de la caisse d'assurance soins conformément à l'article 211.
  La demande de révision est examinée conformément aux articles 214 à 217. Il n'est procédé à un nouvel examen médical que si la demande de révision porte sur l'appréciation du degré d'autonomie.
  L'exécution de l'intervention prend cours à partir du premier jour du mois qui suit la date d'introduction de la demande de révision.
  Par dérogation à l'alinéa 4, si la demande de révision est introduite dans les trois mois suivant la date de survenance d'un fait justifiant la majoration de l'allocation ou la date à laquelle le demandeur en a eu connaissance, l'exécution de l'intervention consécutive à la nouvelle décision peut prendre cours le premier jour du mois suivant la date visée en premier lieu et au plus tôt à la même date que celle de la décision à modifier.
Afdeling 6. - De aangifte
Section 6. - La déclaration
Art. 224. De mededeling, vermeld in artikel 88 van het decreet van 18 mei 2018, wordt gericht aan de zorgkas. De gebruiker vermeldt daarin de nieuwe gegevens die aanleiding zouden kunnen geven tot een vermindering van het bedrag van de tegemoetkoming. Deze aangifte wordt gedaan binnen drie maanden na de datum van het feit of binnen drie maanden na de datum van de kennisgeving aan de gebruiker van het feit.
Art. 224. La communication visée à l'article 88 du décret du 18 mai 2018 est adressée à la caisse d'assurance soins. L'usager mentionne dans celle-ci les éléments nouveaux susceptibles de donner lieu à une réduction du montant de l'allocation. Cette déclaration est faite dans les trois mois qui suivent la date du fait ou de la notification du fait à l'usager.
Afdeling 7. - De ambtshalve herziening door de zorgkas van de beslissing
Section 7. - La révision d'office de la décision par la caisse d'assurance soins
Art. 225. Als door de zorgkas vastgesteld wordt dat de beslissing aangetast is door een juridische of materiële vergissing, neemt de zorgkas ambtshalve een nieuwe beslissing die uitwerking heeft op de datum waarop de verbeterde beslissing had moeten ingaan. Als de vergissing aan de zorgkas te wijten is en als het recht op de tegemoetkoming kleiner is dan het aanvankelijk toegekend recht, gaat de nieuwe beslissing in op de eerste dag van de maand die volgt op de kennisgeving ervan aan de gebruiker.
Art. 225. Si la caisse d'assurance soins constate que la décision est entachée d'une erreur juridique ou matérielle, elle prend d'office une nouvelle décision produisant ses effets à la date à laquelle la décision rectifiée aurait dû prendre effet. Si l'erreur est due à la caisse d'assurance soins et que le droit à l'intervention est inférieur à celui reconnu initialement, la nouvelle décision prend cours le premier jour du mois qui suit sa notification à l'usager.
Art. 226. § 1. Met behoud van de toepassing van artikel 225 voert de zorgkas een herziening van het recht op de tegemoetkoming uit :
  1° als de gebruiker niet meer beantwoordt aan de voorwaarden, vermeld in artikel 41 van het decreet van 18 mei 2018;
  2° als de gebruiker naar het Franse taalgebied of naar het Duitse taalgebied verhuist en hij daardoor niet meer onder het toepassingsgebied van de Vlaamse sociale bescherming valt, vermeld in artikel 3 van het decreet van 18 mei 2018;
  3° als de gebruiker naar het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, naar het Franse taalgebied of naar het Duitse taalgebied verhuist, daardoor blijft vallen onder het toepassingsgebied van de Vlaamse sociale bescherming, vermeld in artikel 3 van het decreet van 18 mei 2018, maar hij in dat taalgebied aanspraak kan maken op een vorm van zorgbudget voor ouderen met een zorgnood;
  4° als er een wijziging is in het aantal kinderen ten laste van de gebruiker die een weerslag heeft op het recht op de tegemoetkoming van de gebruiker;
  5° als aan de zorgkas is meegedeeld dat de inkomsten zijn gedaald ten opzichte van de vorige beslissing [1 of dat bij gebruikers die verblijven in een van de voorzieningen, vermeld in artikel 193/1, § 1, van dit besluit, er ten opzichte van de vorige beslissing een recht ontstaan is op de inkomensgarantie voor ouderen, vermeld in de wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen]1;
  6° als de zorgkas vaststelt dat de inkomsten met ten minste 10% zijn gestegen ten opzichte van de vorige beslissing [1 of dat bij gebruikers die verblijven in een van de voorzieningen, vermeld in artikel 193/1, § 1, van dit besluit, er ten opzichte van de vorige beslissing geen recht meer is op de inkomensgarantie voor ouderen, vermeld in de wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen]1;
  7° als er een wijziging is in de samenstelling van het gezin die een weerslag heeft op het recht op de tegemoetkomingen van de gebruiker;
  8° als er een wijziging is in de graad van zelfredzaamheid van de gebruiker [1 die wordt gemeten conform artikel 193]1;
  9° op de datum bepaald door een vorige beslissing als die werd genomen op grond van voorlopige of evoluerende elementen;
  [1 10° als een gebruiker aan wie al een zorgbudget voor ouderen met een zorgnood wordt uitbetaald, wordt opgenomen in een van de voorzieningen, vermeld in artikel 193/1, § 1, van dit besluit, en de zorgkas conform artikel 193/1, § 2, tweede lid, van dit besluit beschikt over de gegevens, vermeld in artikel 104, § 1, van dit besluit;
   11° als een gebruiker wordt opgenomen in een van de voorzieningen, vermeld in artikel 193/1, § 1, van dit besluit, en aan de zorgkas een mededeling is gericht als vermeld in artikel 88, § 1, eerste lid, van het decreet van 18 mei 2018;
   12° als een gebruiker aan wie al een zorgbudget voor ouderen met een zorgnood wordt uitbetaald, wordt ontslagen uit een van de voorzieningen, vermeld in artikel 193/1, § 1, van dit besluit, en de zorgkas conform artikel 193/1, § 2, tweede lid, van dit besluit beschikt over de gegevens, vermeld in artikel 104, § 1, van dit besluit;
   13° als een gebruiker wordt ontslagen uit een van de voorzieningen, vermeld in artikel 193/1, § 1, van dit besluit, en aan de zorgkas een mededeling is gericht als vermeld in artikel 88, § 1, eerste lid, van het decreet van 18 mei 2018. ]1

  § 2. De nieuwe beslissing door een geval als vermeld in paragraaf 1, 1°, 2° en 3°, heeft uitwerking met ingang van de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de gebruiker zich in dat geval bevindt.
  § 3. De nieuwe beslissing die leidt tot een vermindering of stopzetting van de tegemoetkoming:
  1° door een geval [1 als vermeld in paragraaf 1, 4°, 5°, 6°, 12° en 13° ]1 :
  a) gaat in op de eerste dag van de maand die volgt op de datum van kennisgeving van de beslissing door de zorgkas, op voorwaarde dat de aangifte tijdig is gedaan;
  b) heeft uitwerking met ingang van de eerste dag van de maand die volgt op die maand waarin de gebruiker zich in een van deze gevallen bevindt, als de gebruiker of zijn vertegenwoordiger niet tijdig aangifte heeft gedaan van dit feit.
  2° door een geval [1 als vermeld in paragraaf 1, 7° tot en met 11° ]1 treedt in werking op de eerste dag van de maand die volgt op de datum van kennisgeving van de beslissing. Als de gebruiker zich in een geval als vermeld in paragraaf 1, 9°, bevindt, treedt de nieuwe beslissing op zijn vroegste in werking op de eerste dag van de maand na afloop van de vorige beslissing.
  § 4. De nieuwe beslissing die leidt tot een verhoging van de tegemoetkoming:
  1° door een geval [1 als vermeld in paragraaf 1, 4° tot en met 8°, 10° en 12°]1, heeft uitwerking met ingang van de eerste dag van de maand die volgt op de melding aan de zorgkas van de toestand waarin de gebruiker zich bevindt;
  2° door een geval als vermeld in paragraaf 1, 9°, treedt in werking op de eerste dag van de maand na afloop van de vorige beslissing.
  In afwijking van het eerste lid, 1°, heeft de nieuwe beslissing uitwerking met ingang van de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de gebruiker zich in het geval, vermeld in paragraaf 1 bevindt, en op zijn vroegst op dezelfde datum als de te wijzigen beslissing, als:
  1° de gebruiker of zijn vertegenwoordiger de toestand aan de zorgkas heeft gemeld binnen drie maanden die volgen op de datum waarop het geval, vermeld in paragraaf 1, zich heeft voorgedaan of de datum waarop de aanvrager daarvan kennis heeft gekregen;
  2° de gebruiker niet verplicht is de wijziging mee te delen aan de zorgkas conform artikel 141, tweede lid.
  § 5. De nieuwe beslissing kan geen uitwerking hebben vóór de ingangsdatum van de beslissing waarbij voor de eerste keer een tegemoetkoming wordt toegekend.
  § 6. Artikel 218 tot en met 222 zijn van overeenkomstige toepassing op de beslissing bij een herziening door de zorgkas.
  
Art. 226. § 1er. Sous réserve de l'application de l'article 225, la caisse d'assurance soins procède à une révision du droit à l'intervention :
  1° si l'usager ne remplit plus les conditions visées à l'article 41 du décret du 18 mai 2018 ;
  2° si l'usager déménage dans la région de langue française ou de langue allemande et que, de ce fait, il n'entre plus dans le champ d'application de la protection sociale flamande, visé à l'article 3 du décret du 18 mai 2018 ;
  3° si l'usager déménage dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale, dans la région de langue française ou de langue allemande, continue à entrer dans le champ d'application de la protection sociale flamande, visé à l'article 3 du décret du 18 mai 2018, mais peut prétendre dans cette région linguistique à une forme de budget de soins pour personnes âgées présentant un besoin en soins ;
  4° en cas de modification du nombre d'enfants à charge de l'usager ayant une incidence sur le droit à l'intervention de l'usager ;
  5° s'il a été communiqué à la caisse d'assurance soins que les revenus ont baissé par rapport à la décision précédente [1 ou que des usagers qui séjournent dans l'une des structures visées à l'article 193/1, § 1er, du présent arrêté, ont acquis un droit par rapport à la décision précédente à la garantie de revenus aux personnes âgées visée dans la loi du 22 mars 2001 instituant la garantie de revenus aux personnes âgées]1 ;
  6° si la caisse d'assurance soins constate que les revenus ont augmenté de 10 % au moins par rapport à la décision précédente [1 ou que des usagers qui séjournent dans l'une des structures visées à l'article 193/1, § 1er, du présent arrêté, ont perdu le droit par rapport à la décision précédente à la garantie de revenus aux personnes âgées visée dans la loi du 22 mars 2001 instituant la garantie de revenus aux personnes âgées]1 ;
  7° en cas de modification de la composition de ménage ayant une incidence sur le droit aux interventions de l'usager ;
  8° en cas de modification du degré d'autonomie de l'usager [1 mesuré conformément à l'article 193]1 ;
  9° à la date fixée par une décision précédente, si celle-ci a été prise sur la base d'éléments à caractère provisoire ou évolutif.
  [1 10° si un usager auquel un budget de soins pour personnes âgées présentant un besoin en soins est déjà versé est admis dans l'une des structures visées à l'article 193/1, § 1er, du présent arrêté, et que la caisse d'assurance soins, conformément à l'article 193/1, § 2, alinéa 2, du présent arrêté, dispose des données visées à l'article 104, § 1er, du présent arrêté ;
   11° si un usager est admis dans une des structures visées à l'article 193/1, § 1er, du présent arrêté, et qu'une communication telle que visée à l'article 88, § 1er, alinéa 1er, du décret du 18 mai 2018, est adressée à la caisse d'assurance soins ;
   12° si un usager auquel un budget de soins pour personnes âgées présentant un besoin en soins est déjà versé sort de l'une des structures visées à l'article 193/1, § 1er, du présent arrêté, et que la caisse de soins, conformément à l'article 193/1, § 2, alinéa 2, du présent arrêté, dispose des données visées à l'article 104, § 1er, du présent arrêté ;
   13° si un usager sort de l'une des structures visées à l'article 193/1, § 1er, du présent arrêté, et qu'une communication telle que visée à l'article 88, § 1er, alinéa 1er, du décret du 18 mai 2018, est adressée à la caisse d'assurance soins.]1

  § 2. La nouvelle décision prise à la suite de l'un des cas visés au paragraphe 1er, 1°, 2° et 3°, produit ses effets à compter du premier jour du mois qui suit celui au cours duquel l'usager se trouve dans le cas visé.
  § 3. La nouvelle décision qui entraîne une diminution ou la cessation de l'intervention :
  1° à la suite de l'un des cas visés [1 au paragraphe 1er, 4°, 5°, 6°, 12° et 13°]1 :
  a) prend cours le premier jour du mois suivant la date de la notification de la décision par la caisse d'assurance soins, à condition que la déclaration ait été faite à temps ;
  b) produits ses effets à compter du premier jour du mois qui suit celui au cours duquel l'usager se trouve dans l'un de ces cas, si l'usager ou son représentant n'a pas déclaré le fait dans les délais.
  2° à la suite de l'un des cas visés [1 au paragraphe 1er, 7° à 11° ]1, prend cours le premier jour du mois suivant la date de la notification de la décision. Si l'usager se trouve dans le cas visé au paragraphe 1er, 9°, la nouvelle décision prend cours au plus tôt le premier jour du mois qui suit l'expiration de la décision précédente.
  § 4. La nouvelle décision qui entraîne une majoration de l'allocation :
  1° à la suite de l'un des cas visés [1 au paragraphe 1er, 4° à 8°, 10° et 12° ]1, produit ses effets à compter du premier jour du mois qui suit la notification à la caisse d'assurance soins de la situation dans laquelle l'usager se trouve ;
  2° à la suite du cas visé au paragraphe 1er, 9°, prend cours le premier jour du mois qui suit l'expiration de la décision précédente.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, 1°, la nouvelle décision produit ses effets à compter du premier jour du mois suivant celui au cours duquel l'usager se trouve dans le cas visé au paragraphe 1er et au plus tôt à la même date que celle de la décision à modifier, si:
  1° l'usager ou son représentant a notifié la situation à la caisse d'assurance soins dans les trois mois suivant la date de survenance du cas visé au paragraphe 1er ou la date à laquelle le demandeur en a eu connaissance ;
  2° l'usager n'est pas tenu de communiquer la modification à la caisse d'assurance soins conformément à l'article 141, alinéa 2.
  § 5. La nouvelle décision ne peut avoir effet avant la date de prise de cours de la décision qui attribue pour la première fois une intervention.
  § 6. Les articles 218 à 222 s'appliquent par analogie à la décision en cas de révision par la caisse d'assurance soins.
  
HOOFDSTUK 4. - Uitvoering van de tegemoetkomingen
Chapitre 4. - Exécution des interventions
Afdeling 1. - Betalingsmodaliteiten
Section 1re. - Modalités de paiement
Art. 227. De achterstallen worden samen met de eerste maandelijkse betaling uitbetaald.
  De persoon aan wie een tegemoetkoming wordt uitbetaald, gaat ermee akkoord dat bedragen die ten onrechte zijn uitbetaald door overlijden of vertrek naar het buitenland, teruggevorderd kunnen worden via de instelling die de financiële rekening beheert.
Art. 227. Les arriérés sont versés en même temps que la première mensualité.
  La personne à laquelle une intervention est versée accepte que les montants payés indûment en cas de décès ou de départ à l'étranger puissent être récupérés via l'organisme qui gère le compte financier.
Art. 228. Het bedrag van de uit te betalen tegemoetkomingen wordt naar beneden afgerond als het eerste cijfer na de komma minder dan vijf bedraagt. Het bedrag wordt naar boven afgerond, als het eerste cijfer na de komma vijf of meer bedraagt.
Art. 228. Le montant des interventions à payer est arrondi à l'unité inférieure si la première décimale est inférieure à cinq. Le montant est arrondi à l'unité supérieure si la première décimale est égale ou supérieure à cinq.
Afdeling 2. - De betaling van voorschotten
Section 2. - Le paiement d'avances
Art. 229. Als artikel 90, tweede lid, van het decreet van 18 mei 2018, wordt toegepast moet de aanvrager van het voorschot:
  1° aanduiden op welke uitkeringen of vergoedingen hij een voorschot wenst te verkrijgen, wie die uitkeringen of vergoedingen naar zijn mening verschuldigd is en voor welke periode;
  2° meedelen aan de zorgkas of de instanties die de uitkeringen of vergoedingen verschuldigd zijn, voorschotten hebben toegekend;
  3° de zorgkas verwittigen van zodra hij deze uitkeringen of vergoedingen verkrijgt.
  Het voorschot wordt niet toegekend voor periodes voorafgaand aan de aanvraag. Het wordt verleend voor de bedragen van de tegemoetkoming waarop de gebruiker aanspraak kan maken.
Art. 229. Si l'article 90, alinéa 2, du décret du 18 mai 2018 est appliqué, le demandeur de l'avance doit :
  1° indiquer sur quelles prestations ou indemnités il souhaite obtenir une avance, par qui celles-ci sont, selon son avis, dues et pour quelle période ;
  2° communiquer à la caisse d'assurance soins si les instances qui doivent les prestations ou indemnités ont accordé des avances ;
  3° avertir la caisse d'assurance soins dès qu'il obtient ces prestations ou indemnités.
  L'avance n'est pas accordée pour des périodes antérieures à la demande. Elle est accordée jusqu'à concurrence des montants de l'intervention à laquelle l'usager peut prétendre.
Afdeling 3. - Betalingsvoorwaarden
Section 3. - Conditions de paiement
Art. 230. In geval van overlijden van de gebruiker, worden de nog niet uitbetaalde tegemoetkomingen, met inbegrip van de tegemoetkoming voor de maand van overlijden, uitbetaald in de volgende orde:
  1° aan de echtgenoot of echtgenote, ingeschreven op hetzelfde adres als de gebruiker;
  2° aan de persoon met wie de gebruiker een gezin vormde als vermeld in artikel 194, § 3;
  3° aan de kinderen met wie de gebruiker leefde op het ogenblik van zijn overlijden;
  4° aan de vader en de moeder met wie de gebruiker leefde op het ogenblik van zijn overlijden;
  5° aan iedere persoon met wie de gebruiker leefde op het ogenblik van zijn overlijden;
  6° aan de natuurlijke persoon die in de verplegingskosten tegemoetkwam;
  7° aan de natuurlijke persoon die de begrafeniskosten betaalde;
  8° aan de echtgenoot die op het ogenblik van het overlijden feitelijk gescheiden leefde van de gebruiker.
  De rechthebbenden, vermeld in het eerste lid, 5° tot en met 8°, dienen een aanvraag bij de zorgkas in om de uitbetaling, vermeld in het eerste lid, te krijgen.
  De gedagtekende en ondertekende aanvraag wordt ingediend door middel van een formulier waarvan het model wordt vastgesteld door het agentschap.
  Op straffe van verval worden de aanvragen tot uitbetaling van termijnen ingediend binnen een termijn van zes maanden. Die termijn gaat in op de dag van het overlijden van de gebruiker of op de dag van de verzending van de kennisgeving van de beslissing, als die na het overlijden verzonden werd.
Art. 230. En cas de décès de l'usager, les interventions non encore payées, y compris l'intervention pour le mois du décès, sont payées dans l'ordre suivant :
  1° à l'époux ou l'épouse, inscrit(e) à la même adresse que l'usager ;
  2° à la personne avec laquelle l'usager formait un ménage, tel que visé à l'article 194, § 3 ;
  3° aux enfants avec lesquels l'usager vivait au moment de son décès ;
  4° aux père et mère avec lesquels le bénéficiaire vivait au moment de son décès ;
  5° à toute personne avec laquelle l'usager vivait au moment de son décès ;
  6° à la personne physique qui est intervenue dans les frais d'hospitalisation ;
  7° à la personne physique qui a acquitté les frais funéraires ;
  8° à l'époux qui vivait séparé de fait au moment du décès de l'usager.
  Les ayants droit visés à l'alinéa 1er, 5° à 8°, introduisent une demande auprès de la caisse d'assurance soins en vue d'obtenir le paiement visé à l'alinéa 1er.
  La demande datée et signée est introduite sur un formulaire dont le modèle est établi par l'agence.
  Sous peine de forclusion, les demandes de paiement d'arrérages sont introduites dans un délai de six mois. Ce délai prend cours le jour du décès de l'usager ou le jour de l'envoi de la notification de la décision, si celle-ci a été envoyée après le décès.
Afdeling 4. - Weigering of vermindering van de tegemoetkomingen ingeval van tegemoetkoming of schadeloosstelling voor dezelfde behoefte aan zorg en ondersteuning
Section 4. - Refus ou diminution des interventions en cas d'intervention ou d'indemnisation pour le même besoin de soins et de soutien
Art. 231. § 1. Met toepassing van artikel 74 en 75 van het decreet van 18 mei 2018 wordt er op het zorgbudget voor ouderen met een zorgnood een weigering of vermindering van de tegemoetkoming toegepast ingeval van een tegemoetkoming of een schadeloosstelling voor dezelfde behoefte aan zorg en ondersteuning.
  § 2. Een schadeloosstelling als vermeld in artikel 74 en 75 van het decreet van 18 mei 2018 kan worden uitbetaald onder de vorm van kapitalen of afkoopwaarden. In dat geval wordt voor de gebruiker hun tegenwaarde in periodieke uitkering in aanmerking genomen voor een bedrag van de lijfrente. Deze voormelde lijfrente wordt verkregen uit een omzetting. Het gaat om een omzetting tegen het procent dat in de tabel, opgenomen in bijlage 1 die bij dit besluit is gevoegd, is vermeld tegenover de volle leeftijd van de gebruiker op de datum van het feit dat aanleiding gegeven heeft tot de uitbetaling.
  In de gevallen waarin het vonnis of de minnelijke schikking het gedeelte van het kapitaal dat voor de vergoeding van de vermindering van de zelfredzaamheid is bestemd, niet nader bepaalt, gebeurt voor de gebruiker de omzetting in lijfrente op 30% van het kapitaal dat als vergoeding aan de gebruiker wordt toegekend voor de vermindering van de zelfredzaamheid.
  De toepassing van de weigering of de vermindering, vermeld in paragraaf 1:
  1° gaat in op de eerste dag van de maand die volgt op de datum van kennisgeving van de beslissing door de zorgkas, als de mededeling, vermeld in artikel 88 van het decreet van 18 mei 2018, tijdig is gedaan;
  2° heeft uitwerking met ingang van de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de gebruiker zich in dat geval bevindt, als de gebruiker of zijn vertegenwoordiger niet tijdig aangifte heeft gedaan van dat feit.
  Er worden op de verrekening geen vrijstellingen conform artikel 194, § 1, eerste lid, toegepast.
  § 3. Het zorgbudget voor ouderen met een zorgnood wordt in ieder geval geweigerd aan:
  1° de persoon die in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad woont en die aanspraakkan maken op een vergelijkbare vorm van zorgbudget voor ouderen met een zorgnood, ingesteld door de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad;
  2° de persoon die niet in België woont en voor wie, wegens tewerkstelling in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, het sociale zekerheidsstelsel van België van toepassing is, en die aanspraak kan maken op een vergelijkbare vorm van zorgbudget voor ouderen met een zorgnood, ingesteld door de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad;
  3° de persoon die in het Franse of Duitse taalgebied woont, die gebruik gemaakt heeft van het Europeesrechtelijk vrij verkeer, en voor wie, wegens tewerkstelling in het Nederlandse taalgebied, het sociale zekerheidsstelsel van België van toepassing is, en die aanspraak kan maken op een vergelijkbare vorm van zorgbudget voor ouderen met een zorgnood, ingesteld door de Franse Gemeenschap of de Duitstalige Gemeenschap;
  4° de persoon die in het Franse of Duitse taalgebied woont, die gebruik gemaakt heeft van het Europeesrechtelijk vrij verkeer, en voor wie, wegens tewerkstelling in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, het sociale zekerheidsstelsel van België van toepassing is, en die aanspraak kan maken op een vergelijkbare vorm van zorgbudget voor ouderen met een zorgnood, ingesteld door de Franse Gemeenschap of de Duitstalige Gemeenschap.
  § 4. De minister kan nadere regels voor de weigering of vermindering van de tegemoetkomingen ingeval van een tegemoetkoming of een schadeloosstelling voor dezelfde behoefte aan zorg en ondersteuning bepalen.
Art. 231. § 1er. En application des articles 74 et 75 du décret du 18 mai 2018, le budget de soins pour personnes âgées présentant un besoin en soins est refusé ou diminué en cas d'intervention ou d'indemnisation pour le même besoin de soins et de soutien.
  § 2. Une indemnisation telle que visée aux articles 74 et 75 du décret du 18 mai 2018 ne peut être liquidée que sous la forme de capitaux ou de valeurs de rachat. Dans ce cas, leur contre-valeur en prestation périodique est prise en compte pour l'usager à concurrence d'un montant de la rente viagère. Cette rente viagère précitée est le résultat d'une conversion. Il s'agit d'une conversion effectuée suivant le pourcentage indiqué au tableau repris à l'annexe 1 jointe au présent arrêté en regard de l'âge révolu de l'usager à la date du fait qui a donné lieu à la liquidation.
  Dans les cas où le jugement ou l'accord amiable ne précise pas la partie du capital affectée à l'indemnisation de la réduction d'autonomie, la conversion en rente viagère hypothétique se fait sur la base de 30 % du capital-indemnité alloué à l'usager en indemnisation de la réduction d'autonomie.
  L'application du refus ou de la diminution visés au paragraphe 1er :
  1° prend cours le premier jour du mois qui suit la date de notification de la décision par la caisse d'assurance soins, si la communication visée à l'article 88 du décret du 18 mai 2018 a été faite à temps ;
  2° produit ses effets à compter du premier jour du mois qui suit celui au cours duquel l'usager se trouve dans ce cas, si l'usager ou son représentant n'a pas déclaré ce fait à temps.
  Aucun abattement n'est appliqué à la compensation conformément à l'article 194, § 1er.
  § 3. le budget de soins pour personnes âgées présentant un besoin en soins est en tout cas refusé :
  1° à la personne qui habite dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale et qui peut prétendre à une forme comparable de budget de soins pour personnes âgées présentant un besoin en soins, organisée par la Commission communautaire commune dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale ;
  2° à la personne qui n'habite pas en Belgique et à laquelle s'applique, en raison d'un emploi dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale, le système de sécurité sociale belge, et qui peut prétendre à une forme comparable de budget de soins pour personnes âgées présentant un besoin en soins, organisée par la Commission communautaire commune dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale ;
  3° à la personne qui habite dans la région de langue française ou allemande, qui a fait usage du régime européen de libre circulation et à laquelle s'applique, en raison d'un emploi dans la région de langue néerlandaise, le système de sécurité sociale belge, et qui peut prétendre à une forme comparable de budget de soins pour personnes âgées présentant un besoin en soins, organisée par la Communauté française ou la Communauté germanophone ;
  4° à la personne qui habite dans la région de langue française ou allemande, qui a fait usage du régime européen de libre circulation et à laquelle s'applique, en raison d'un emploi dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale, le système de sécurité sociale belge, et qui peut prétendre à une forme comparable de budget de soins pour personnes âgées présentant un besoin en soins, organisée par la Communauté française ou la Communauté germanophone.
  § 4. Le ministre peut définir les modalités du refus ou de la diminution des interventions en cas d'intervention ou d'indemnisation pour le même besoin de soins et de soutien.
Titel 4. - Basisondersteuningsbudget
Titre 4. - Budget d'assistance de base
HOOFDSTUK 1. - Algemeen
Chapitre 1er. - Généralités
Art. 232. Titel 4 van dit besluit is van toepassing op het basisondersteuningsbudget, vermeld in artikel 4, eerste lid, 3°, van het decreet van 18 mei 2018.
Art. 232. Le titre 4 du présent arrêté s'applique au budget d'assistance de base visé à l'article 4, alinéa premier, 3°, du décret du 18 mai 2018.
HOOFDSTUK 2. - Voorwaarde van ernstig verminderde zelfredzaamheid
Chapitre 2. - Condition d'autonomie réduite grave
Art. 233. [1 § 1. [2 ...]2
   § 2. [3 ...]3
   § 3. Het recht op een basisondersteuningsbudget wordt [3 tot en met 31 december 2022]3 geopend voor personen die gebruikmaken van niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning en die ondersteuning vrijwillig stopzetten om een basisondersteuningsbudget te verkrijgen, als ze voldoen aan de volgende aanvullende cumulatieve voorwaarden:
   1° ze maken gebruik van niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning, met uitzondering van crisishulpverlening;
   2° ze zetten het gebruik van de niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning, vermeld in punt 1°, vrijwillig stop door de stopzetting en de datum van de stopzetting te melden aan het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap.
   Het recht op een basisondersteuningsbudget, vermeld in het eerste lid, wordt geopend op de datum van het einde van de opzegtermijn.]1

  
Art. 233. [1 § 1er. [2 ...]2
   § 2. [3 ...]3
   § 3. Le droit à un budget d'assistance de base est ouvert [3 jusqu'au 31 décembre 2022]3 [3 pour les personnes]3 pour les personnes qui utilisent des soins et du soutien non directement accessibles et qui mettent volontairement fin à l'assistance en vue de l'obtention d'un budget d'assistance de base, lorsqu'elles remplissent les conditions cumulatives complémentaires suivantes :
   1° elles utilisent des soins et du soutien non directement accessibles, à l'exception de l'aide de crise ;
   2° elles mettent volontairement fin aux soins et au soutien non directement accessibles visés au point 1°, en notifiant la cessation et la date de cessation à l'Agence flamande pour les personnes handicapées.
   Le droit au budget d'assistance de base visé à l'alinéa 1er est ouvert à la date de la fin du délai de préavis.]1

  
HOOFDSTUK 3. - Beslissing over de tegemoetkoming
Chapitre 3. - Décision quant à l'intervention
Afdeling 1. - Nemen van de beslissing
Section 1ère. - Prise de la décision
Art. 234. § 1. De zorgkas neemt een beslissing over de tegemoetkoming op basis van de bestandsmatige gegevens waaruit blijkt dat de gebruiker voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 233, of artikel 636 tot en met [1 641/1]1, en na onderzoek van de andere voorwaarden, bepaald in of krachtens het decreet van 18 mei 2018. Die beslissing wordt genomen binnen zestig dagen na de ontvangst van dat bestand.
  De termijn, vermeld in het eerste lid, is niet van toepassing bij gebruikers die niet in het Nederlandse taalgebied of het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad wonen.
  § 2. De zorgkas deelt haar beslissing schriftelijk mee aan de gebruiker of zijn vertegenwoordiger.
  De minister bepaalt de nadere regels voor de beslissingen over de tegemoetkoming, vermeld in paragraaf 1.
  
Art. 234. § 1er. La caisse d'assurance soins prend une décision sur l'intervention fondée sur les données provenant de fichiers dont il ressort que l'usager remplit les conditions énoncées à l'article 233 ou aux articles 636 à [1 641/1]1 inclus, et après examen des autres conditions, définies par le ou en vertu du décret du 18 mai 2018. Cette décision est prise dans les soixante jours qui suivent la réception dudit fichier.
  Le délai visé à l'alinéa premier ne s'applique pas aux usagers qui ne résident pas en région de langue néerlandaise ou dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale.
  § 2. La caisse d'assurance soins fait part de sa décision par écrit à l'usager ou à son représentant.
  Le Ministre définit les modalités relatives aux décisions d'intervention visées au paragraphe 1er.
  
Afdeling 2. - Geldigheidsduur
Section 2. - Durée de validité
Art. 235. De zorgkas neemt een toekenningsbeslissing voor onbepaalde duur.
  In afwijking van het eerste lid wordt de geldigheidsduur van de toekenningsbeslissing bij de attesten, vermeld in artikel 233, 636 en artikel 638 tot en met [1 641/1]1, met beperkte duur beperkt tot het einde van de maand waarin het attest vervalt.
  [2 ...]2
  
Art. 235. La caisse d'assurance soins prend une décision pour une durée indéterminée.
  Par dérogation à l'alinéa premier, la durée de validité de la décision d'attribution pour les attestations de durée limitée visées aux articles 233, 636 et 638 à [1 641/1]1 inclus, est limitée jusqu'à la fin du mois durant lequel l'attestation expire.
  [2 ...]2
  
Afdeling 3. - Verlenging en stopzetting
Section 3. - Prolongation et cessation
Art. 236. De zorgkas verlengt de beslissing op basis van een attest met beperkte duur, als er een ander attest met een aaneensluitende datum beschikbaar is, ongeacht wanneer dat attest aan de zorgkas bezorgd wordt.
Art. 236. La caisse d'assurance soins prolonge la décision sur la base d'une attestation de durée limitée lorsqu'une autre attestation avec une date consécutive est disponible, quelle que soit la date de remise de cette attestation à la caisse d'assurance soins.
Art. 237. De zorgkas zet een beslissing stop als de gebruiker niet meer aan de voorwaarden voldoet.
  De beslissing tot stopzetting, vermeld in het eerste lid, gaat in op de eerste dag van de maand die volgt op de dag waarop:
  1° de gebruiker niet meer aan de voorwaarden van administratieve aard voldoet;
  2° de zorgkas de beslissing tot stopzetting neemt, als de gebruiker niet meer voldoet aan de voorwaarde van erkenning als persoon met een handicap met een duidelijk vast te stellen behoefte aan zorg en ondersteuning;
  3° aan de gebruiker een budget voor niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning of een persoonlijk assistentiebudget ter beschikking gesteld wordt of de gebruiker ingeschreven is of verblijft in een voorziening als vermeld in artikel 238, als de melding aan de zorgkas voor of op de startdatum van het budget, de inschrijving of het verblijf wordt gedaan;
  [1 4° de gebruiker die jonger is dan 21 jaar, een inkomensvervangende tegemoetkoming of integratietegemoetkoming ontvangt, als vermeld in artikel 238, als de melding aan de zorgkas voor of op de startdatum van de tegemoetkoming wordt gedaan.]1
  Als de melding aan de zorgkas, vermeld in het tweede lid, 3°, wordt gedaan na de startdatum van het budget, de inschrijving of het verblijf, zet de zorgkas de beslissing stop op de eerste dag van de maand van de melding.
  [1 Als de melding aan de zorgkas, vermeld in het tweede lid, 4°, wordt gedaan na de startdatum van de tegemoetkoming, zet de zorgkas de beslissing stop op de eerste dag van de maand van de melding.]1
  De zorgkas deelt haar beslissing schriftelijk mee aan de gebruiker of zijn vertegenwoordiger.
  De minister bepaalt de nadere regels voor de stopzetting van een beslissing.
  
Art. 237. La caisse d'assurance soins met fin à sa décision lorsque l'usager ne remplit plus les conditions.
  La décision de cessation visée à l'alinéa premier prend effet le premier jour du mois qui suit le jour où :
  1° l'usager ne remplit plus les conditions de nature administrative ;
  2° la caisse d'assurance soins prend la décision d'arrêt lorsque l'usager ne remplit plus la condition d'agrément en tant que personne handicapée ayant un besoin de soins et de soutien clairement constaté ;
  3° un budget de soins et de soutien non directement accessibles est mis à la disposition de l'usager, ou un budget d'assistance personnelle est mis à disposition, ou l'usager est inscrit ou réside dans une structure telle que visée à l'article 238, lorsque la mention à la caisse d'assurance soins se fait avant ou à la date de début du budget, de l'inscription ou du séjour;
  [1 4° l'usager âgé de moins de 21 ans reçoit une allocation de remplacement de revenus ou une allocation d'intégration, telles que visées à l'article 238, si la déclaration est faite à la caisse d'assurance soins avant ou à la date de début de l'allocation.]1
  Lorsque la mention à la caisse d'assurance soins, visée à l'alinéa deux, 3°, est faite après la date de début du budget, de l'inscription ou du séjour, la caisse d'assurance soins met fin à la décision le premier jour du mois de la mention.
  [1 Si la déclaration à la caisse d'assurance soins, visée à l'alinéa 2, 4°, est faite après la date de début de l'allocation, la caisse d'assurance soins met fin à la décision le premier jour du mois de la déclaration.]1
  La caisse d'assurance soins fait part de sa décision par écrit à l'usager ou à son représentant.
  Le Ministre fixe les modalités relatives à la cessation d'une décision.
  
HOOFDSTUK 4. - Cumulatie van de tegemoetkoming met andere wettelijke of decretale bepalingen
Chapitre 4. - Cumul de l'allocation avec d'autres dispositions légales ou décrétales
Art. 238. De tegemoetkoming wordt niet uitgevoerd als de gebruiker aan een van de volgende voorwaarden voldoet:
  1° [2 ]2
  2° de gebruiker doet een beroep op een persoonlijk assistentiebudget;
  3° de gebruiker doet een beroep op een multifunctioneel centrum voor minderjarige personen met een handicap, erkend door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap;
  4° de gebruiker verblijft in een residentiële gehandicaptenvoorziening die in België door een andere overheid dan de Vlaamse overheid erkend is;
  5° de gebruiker verblijft in een niet in België gevestigde residentiële gehandicaptenvoorziening die een vergelijkbare hulp- en dienstverlening aanbiedt als een voorziening als vermeld in punt 4° ;
  6° de gebruiker verblijft in een psychiatrisch verzorgingstehuis;
  7° de gebruiker maakt gebruik van niet-rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp en verblijft in een organisatie voor bijzondere jeugdzorg;
  8° de gebruiker verblijft in een gemeenschapsinstelling;
  9° de gebruiker doet een beroep op een ambulante gehandicaptenvoorziening die een vergelijkbare hulp- en dienstverlening aanbiedt als de niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning als vermeld in artikel 6 van het decreet houdende de persoonsvolgende financiering en die:
  a) in België door een andere overheid dan de Vlaamse overheid erkend is;
  b) niet in België gevestigd is;
  10° de gebruiker maakt gebruik van niet-rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp en verblijft in een centrum voor kinderzorg en gezinsondersteuning;
  11° de gebruiker maakt gebruik van persoonsvolgende middelen voor minderjarige personen met een handicap met dringende noden, vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 maart 2017 over persoonsvolgende middelen voor minderjarige personen met een handicap met dringende noden;
  12° de gebruiker maakt gebruik van een unit voor geïnterneerden, vermeld in artikel 11 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 november 2017 over de erkenning en subsidiëring van voorzieningen die ondersteuning bieden aan personen met een handicap in de gevangenis, en van units voor geïnterneerden;
  13° de gebruiker maakt gebruik van een observatie-, diagnose- of behandelingsunit, vermeld in [2 het besluit van]2 van de Vlaamse Regering van 8 december 2017 over de erkenning en subsidiëring van observatie-, diagnose- en behandelingsunits;
  14° de gebruiker doet beroep op een budget voor niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning;
  [1 15° de gebruiker, die jonger is dan 21 jaar, ontvangt een inkomensvervangende tegemoetkoming of integratietegemoetkoming, als bedoeld in de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, met uitzondering van de personen voor wie het recht op een basisondersteuningsbudget wordt geopend conform artikel 233, § 3, eerste lid.]1
  De minister kan nadere regels voor de cumulatie van de tegemoetkomingen bepalen.
  
Art. 238. L'exécution de l'intervention n'a pas lieu lorsque l'usager remplit une des conditions suivantes :
  1° [2 ...]2
  2° l'usager recourt à un budget d'assistance personnelle ;
  3° l'usager recours à un centre multifonctionnel pour personnes handicapées mineures, agréé par l'Agence flamande pour les personnes handicapées ;
  4° l'usager réside dans une structure résidentielle pour personnes handicapées, agréée en Belgique par une autorité autre que l'Autorité flamande ;
  5° l'usager réside dans une structure résidentielle pour personnes handicapées non établie en Belgique et qui propose une assistance et des services comparables à ceux proposés par la structure visée au point 4° ;
  6° l'usager réside dans un établissement de soins psychiatriques ;
  7° l'usager recourt à une aide à la jeunesse non directement accessible et séjourne dans une organisation d'aide spéciale à la jeunesse ;
  8° l'usager séjourne dans une institution communautaire ;
  9° l'usager recourt à une structure ambulatoire pour personnes handicapées qui propose une assistance et des services comparables à ceux des soins et du soutien non directement accessibles tels que visés à l'article 6 du décret portant le financement qui suit la personne et qui :
  a) est agréée en Belgique par une autorité autre que l'Autorité flamande ;
  b) n'est pas établie en Belgique ;
  10° l'usager recourt à une aide à la jeunesse non directement accessible et séjourne dans un centre d'aide aux enfants et d'assistance des familles ;
  11° l'usager recourt au versement d'aides personnalisées aux personnes handicapées ayant des besoins urgents, telles que visées à l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 mars 2017 relatif au versement d'aides personnalisées aux personnes handicapées ayant des besoins urgents ;
  12° l'usager recourt à une unité pour internés visée à l'article 11 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 novembre 2017 relatif à l'agrément et au subventionnement de structures offrant du soutien aux personnes handicapées en prison, et d'unités pour internés ;
  13° l'usager recourt à une unité d'observation, de diagnostic ou de traitement visée dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 décembre 2017 relatif à l'agrément et au subventionnement d'unités d'observation, de diagnostic et de traitement ;
  14° l'usager recourt à un budget pour des soins et du soutien non directement accessibles;
  [1 15° l'usager âgé de moins de 21 ans reçoit une allocation de remplacement de revenus ou une allocation d'intégration, telles que visées dans la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux personnes handicapées, à l'exception des personnes pour lesquelles le droit à un budget d'assistance de base est ouvert conformément à l'article 233, § 3, alinéa 1er.]1
  Le Ministre peut définir les modalités relatives au cumul des allocations.
  
Deel 2. Tegemoetkoming voor mobiliteitshulpmiddelen
Partie 2. - Intervention pour les aides à la mobilité
Titel 1. - Voorwaarden
Titre 1er. - Conditions
Art. 239. Aan een gebruiker kan alleen een tegemoetkoming worden verleend voor een mobiliteitshulpmiddel als de gebruiker:
  1° op de datum van de indiening van de aanvraag van de tegemoetkoming voldoet aan de vergoedingsvoorwaarden van het mobiliteitshulpmiddel in kwestie;
  2° wat de huur van mobiliteitshulpmiddelen betreft, in de maand waarop de facturatie van het huurforfait betrekking heeft, voldoet aan de vergoedingsvoorwaarden van het mobiliteitshulpmiddel in kwestie;
  3° op de datum van de indiening van de aanvraag van de tegemoetkoming alle verschuldigde premies voor de Vlaamse sociale bescherming voor de voorgaande jaren heeft betaald, conform artikel 112.
  Als de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen vaststelt dat de gebruiker niet is aangesloten bij een zorgkas, bezorgt hij aan de gebruiker de nodige informatie over de aansluiting bij een zorgkas en over de stappen die daarvoor moeten worden ondernomen.
Art. 239. Une intervention pour une aide à la mobilité ne peut être octroyée à un usager que lorsque l'usager :
  1° remplit les conditions de remboursement de l'aide à la mobilité en question à la date d'introduction de la demande d'intervention ;
  2° remplit les conditions de remboursement de l'aide à la mobilité en question pour ce qui concerne la location d'aides à la mobilité durant le mois sur lequel porte la facturation du forfait de location ;
  3° a payé, à la date de l'introduction de la demande d'intervention, toutes les primes dues pour la protection sociale flamande pour les années qui précèdent, conformément à l'article 112.
  Lorsque le fournisseur d'aides à la mobilité constate que l'usager n'est pas affilié à une caisse d'assurance soins, il communique à l'usager les informations nécessaires en rapport avec l'affiliation à une caisse d'assurance soins ainsi qu'avec les différentes étapes de la procédure d'affiliation.
Art. 240. De prestatielijst wordt opgemaakt door de minister.
  Met behoud van de toepassing van de vergoedingsvoorwaarden die zijn opgenomen in de bepalingen van dit besluit zelf, bevat de prestatielijst in het kader van de aankoop en de huur van mobiliteitshulpmiddelen prestatiecodes en de volgende vergoedingsvoorwaarden:
  1° functionele indicaties voor de gebruiker;
  2° functionele specificaties van de mobiliteitshulpmiddelen;
  3° aanpassingen die kunnen worden voorzien voor de mobiliteitshulpmiddelen en de cumulregels van de aanpassingen.
  De mobiliteitshulpmiddelen die opgenomen zijn in de prestatielijst, worden ingedeeld in hoofdgroepen en subgroepen.
Art. 240. La liste des prestations est établie par le Ministre.
  Sans préjudice de l'application des conditions de remboursement incluses dans les dispositions du présent arrêté, la liste des prestations dans le cadre de l'achat et de la location d'aides à la mobilité mentionne les codes de prestations et conditions de remboursements suivants :
  1° les indications fonctionnelles pour l'usager ;
  2° les spécifications fonctionnelles des aides à la mobilité ;
  3° les adaptations pouvant être prévues pour les aides à la mobilité ainsi que les règles de cumul des adaptations.
  Les aides à la mobilité incluses dans la liste des prestations sont réparties en groupes principaux et sous-groupes.
Art. 241. § 1. De financiering voor mobiliteitshulpmiddelen neemt de vorm aan van tegemoetkomingen in het kader van de aankoop van mobiliteitshulpmiddelen dan wel van tegemoetkomingen in de vorm van periodieke huurforfaits.
  Gebruikers komen alleen in aanmerking voor een tegemoetkoming voor de aankoop van een mobiliteitshulpmiddel als ze niet onder het toepassingsgebied vallen van titel 3 of als met de huur van een mobiliteitshulpmiddel niet kan worden tegemoetgekomen aan hun bijzondere noden.
  § 2. Voorwaarden met betrekking tot de cumulatie van mobiliteitshulpmiddelen waarvoor tegemoetkomingen worden verleend, zijn opgenomen in bijlage 3 die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 241. § 1er. Le financement des aides à la mobilité prend la forme d'interventions dans le cadre de l'achat d'aides à la mobilité ou d'interventions sous forme de forfaits de location périodiques.
  Les usagers ne sont pris en compte pour une intervention pour l'achat d'une aide à la mobilité que lorsqu'ils n'entrent pas dans le champ d'application du titre 3 ou que la location d'une aide à la mobilité ne permet pas de répondre à leurs besoins particuliers.
  § 2. Les conditions relatives au cumul des aides à la mobilité pour lesquelles des interventions sont octroyées, sont reprises à l'annexe 3 jointe au présent arrêté.
Art. 242. De gebruiker kan geen aanvraag indienen voor een tegemoetkoming voor een mobiliteitshulpmiddel in het kader van dit besluit als hij verblijft in een ziekenhuis of in een revalidatieziekenhuis, met uitzondering van de gevallen waarin hij verblijft in een psychiatrisch ziekenhuis of in een een psychiatrische afdeling in een algemeen ziekenhuis.
  In afwijking van het eerste lid, komen gebruikers die verblijven in een ziekenhuis wel in aanmerking voor een tegemoetkoming in elk van de volgende gevallen:
  1° de ontslagregeling van de gebruiker is bekend;
  2° in het revalidatieplan van de gebruiker is sprake van een ontslagvoorbereiding.
  De vervulling van de voorwaarden, vermeld in het tweede lid, moet blijken uit de documenten die bij de aanvraag van de tegemoetkoming voor het mobiliteitshulpmiddel worden gevoegd.
Art. 242. L'usager ne peut introduire une demande d'intervention pour une aide à la mobilité dans le cadre du présent arrêté lorsqu'il séjourne dans un hôpital ou un hôpital de revalidation, à l'exception des cas dans lesquels il séjourne dans un hôpital psychiatrique ou dans le service psychiatrique d'un hôpital général.
  Par dérogation à l'alinéa premier, les usagers qui séjournent dans un hôpital sont pris en compte pour l'obtention d'une intervention dans chacun des cas suivants :
  1° le régime de licenciement de l'usager est connu ;
  2° il est question d'une préparation à la sortie dans le plan de revalidation de l'usager.
  La preuve qu'il a été satisfait aux conditions énoncées à l'alinéa deux doit ressortir des documents joints à la demande d'intervention pour une aide à la mobilité.
Art. 243. Mobiliteitshulpmiddelen kunnen niet worden afgeleverd zolang een gebruiker opgesloten is in een gevangenis of opgenomen is in een inrichting, een afdeling of een centrum als vermeld in artikel 61 van het decreet van 18 mei 2018.
Art. 243. Les aides à la mobilité ne peuvent être délivrées tant qu'un usager est enfermé dans un établissement pénitentiaire ou admis dans un établissement, une institution ou un centre tels que visés à l'article 61 du décret du 18 mai 2018.
Art. 244. § 1. De gebruiker die zich wendt tot een verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen in een andere lidstaat van de Europese Unie dan België, in een andere staat dan België die partij is bij de Europese Economische Ruimte of in Zwitserland, kan aanspraak maken op de terugbetaling van kosten voor een mobiliteitshulpmiddel op grond van artikel 121, § 2, 2°, van het decreet van 18 mei 2018, als aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:
  1° voor het mobiliteitshulpmiddel in kwestie voorziet dit besluit in een tegemoetkoming;
  2° de gebruiker voldoet aan de voorwaarden waaraan op basis van dit besluit moet zijn voldaan opdat een tegemoetkoming voor het mobiliteitshulpmiddel kan worden verleend;
  3° de gebruiker dient een aanvraag van vergoeding in bij de zorgkas waarbij hij is aangesloten. De procedures, vermeld in titel 4, zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de door de minister bepaalde modellen van de documenten die bij de aanvraag moeten worden gevoegd, niet moeten worden gebruikt als alle vereiste gegevens ook zijn opgenomen op de gebruikte documenten;
  4° het mobiliteitshulpmiddel wordt verstrekt door een verstrekker die door de regelgeving van het land in kwestie gemachtigd is om mobiliteitshulpmiddelen te verstrekken in het land van de verstrekking;
  5° op het ogenblik waarop de tegemoetkoming voor het mobiliteitshulpmiddel wordt aangevraagd, heeft de gebruiker de kosten van het mobiliteitshulpmiddel al betaald en levert hij daarvan het bewijs.
  De minister kan bepalen hoe het bewijs, vermeld in het eerste lid, 5°, moet worden geleverd.
  § 2. De gebruiker dient de aanvraag van terugbetaling van de kosten, vermeld in paragraaf 1, in bij de zorgkas waarbij hij is aangesloten.
  § 3. De kosten worden aan de gebruiker terugbetaald conform de tarieven die zijn vastgelegd conform de bepalingen van dit besluit, met dien verstande dat het terugbetaalde bedrag niet hoger mag zijn dan het bedrag van de werkelijk gemaakte kosten.
Art. 244. § 1er. L'usager qui s'adresse à un fournisseur d'aides à la mobilité dans un Etat membre de l'Union européenne autre que la Belgique, dans un Etat membre autre que la Belgique qui est partie à l'Espace économique européen, ou en Suisse, peut prétendre au remboursement des frais liés à une aide à la mobilité en vertu de l'article 121, § 2, 2°, du décret du 18 mai 2018, lorsqu'il a été satisfait à toutes les conditions suivantes :
  1° le présent arrêté prévoit une intervention pour l'aide à la mobilité en question ;
  2° l'usager remplit les conditions auxquelles il y a lieu de satisfaire en vertu du présent arrêté pour qu'une intervention pour une aide à la mobilité puisse être octroyée ;
  3° l'usager introduit une demande de remboursement auprès de la caisse d'assurance soins à laquelle il est affilié. Les procédures visées au titre 4 s'appliquent par analogie, étant entendu que les modèles de documents à joindre à la demande définis par le Ministre ne doivent pas être utilisés lorsque toutes les informations requises figurent également dans les documents utilisés ;
  4° l'aide à la mobilité est octroyée par un fournisseur autorisé par la législation du pays en question à fournir des aides à la mobilité dans le pays de l'octroi ;
  5° au moment où l'intervention pour une aide à la mobilité est demandée, l'usager a déjà payé les frais liés à l'aide à la mobilité et apporte la preuve du paiement en question.
  Le Ministre peut définir les modalités selon lesquelles la preuve visée à l'alinéa premier, 5°, doit être apportée.
  § 2. L'usager introduit la demande de remboursement des frais visés au paragraphe premier auprès de la caisse d'assurance soins à laquelle il est affilié.
  § 3. Les frais sont remboursés à l'usager conformément aux tarifs fixés conformément aux dispositions du présent arrêté, étant entendu que le montant remboursé ne peut excéder le montant des frais réellement exposés.
Art. 245. Gebruikers die in het verleden onderworpen waren aan de reglementering van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad of aan de reglementering van het Franse of het Duitse taalgebied en in dat kader een tegemoetkoming hebben ontvangen voor de aankoop van een mobiliteitshulpmiddel, kunnen alleen na het verstrijken van de hernieuwingstermijn van dat mobiliteitshulpmiddel een tegemoetkoming aanvragen voor een mobiliteitshulpmiddel in het kader van de Vlaamse sociale bescherming conform de bepalingen van dit besluit.
  De hernieuwingstermijn, vermeld in het eerste lid, is de hernieuwingstermijn vastgelegd in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd, voor het mobiliteitshulpmiddel waarmee het mobiliteitshulpmiddel van de gebruiker het sterkst kan worden benaderd.
  De regels voor de voortijdige hernieuwing en voortijdige aanpassingen, vermeld in artikel 271 en 284 en artikel 322 tot en met 327, zijn van overeenkomstige toepassing.
Art. 245. Les usagers qui, par le passé, ont été soumis à la réglementation de la Commission communautaire commune de la Région de Bruxelles-Capitale ou à la réglementation de la région linguistique française ou allemande et qui, dans ce cadre, ont bénéficié d'une intervention pour l'achat d'une aide à la mobilité, ne peuvent demander une intervention pour une aide à la mobilité dans le cadre de la protection sociale flamande conformément aux dispositions du présent arrêté qu'à l'expiration du délai de renouvellement de l'aide à la mobilité en question.
  Le délai de renouvellement visé à l'alinéa premier est le délai de renouvellement défini à l'annexe 2, jointe au présent arrêté, pour une aide à la mobilité dont l'aide à la mobilité de l'usager se rapproche le plus.
  Les règles de renouvellement anticipé et d'adaptations anticipées visées aux articles 271 et 284 ainsi qu'aux articles 322 à 327 inclus, s'appliquent par analogie.
Titel 2. - Procedures
Titre 2. - Procédures
HOOFDSTUK 1. - Vereenvoudigde aanvraagprocedure
Chapitre 1er. - Procédure de demande simplifiée
Art. 246. Dit hoofdstuk is van toepassing op de vereenvoudigde aanvraagprocedure.
Art. 246. Le présent chapitre s'applique à la procédure de demande simplifiée.
Art. 247. In het kader van de vereenvoudigde aanvraagprocedure wordt de tegemoetkoming voor een mobiliteitshulpmiddel toegekend op basis van een indicatiestelling, die de invulling betreft van een medisch voorschrift door een arts [1 en een aanvraagformulier, ondertekend door de verstrekker en de gebruiker]1.
  [1 De gebruiker wendt zich met het medisch voorschrift, vermeld in het eerste lid, tot een verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen van zijn keuze die, in overeenstemming met het medisch voorschrift, een evaluatie maakt van het mobiliteitshulpmiddel waarvoor de gebruiker in aanmerking komt.]1
  
Art. 247. Dans le cadre de la procédure de demande simplifiée, l'intervention pour une aide à la mobilité est octroyée sur la base d'une prescription médicale délivrée par un médecin [1 et d'un formulaire de demande signé par le fournisseur et l'usager]1.
  [1 L'usager s'adresse, muni de la prescription médicale visée à l'alinéa 1er, à un fournisseur d'aides à la mobilité de son choix, qui, conformément à la prescription médicale, procède à une évaluation de l'aide à la mobilité à laquelle l'usager est éligible.]1
  
Art. 248. § 1. De gebruiker dient de aanvraag van de tegemoetkoming voor het mobiliteitshulpmiddel in bij de zorgkas waarbij hij is aangesloten en voegt daarbij het medisch voorschrift, vermeld in artikel 247.
  § 2. De zorgkas is belast met een controle van de verzekeringsstatus van de gebruiker en van de vergoedingsvoorwaarden van het betreffende mobiliteitshulpmiddel.
  Een positief resultaat van de controle, vermeld in het eerste lid, leidt tot de beslissing tot een gehele of gedeeltelijke goedkeuring van de aanvraag van de tegemoetkoming voor het mobiliteitshulpmiddel.
  Een negatief resultaat van de controle, vermeld in het eerste lid, leidt tot de beslissing tot weigering van de aanvraag van de tegemoetkoming voor het mobiliteitshulpmiddel.
Art. 248. § 1er. L'usager introduit la demande d'intervention pour une aide à la mobilité auprès de la caisse d'assurance soins à laquelle il est affilié et joint à sa demande la prescription médicale visée à l'article 247.
  § 2. La caisse d'assurance soins est chargée de contrôler le statut d'assurance de l'usager ainsi que les conditions de remboursement de l'aide à la mobilité en question.
  Un résultat positif du contrôle visé à l'alinéa premier donne lieu à une décision d'acceptation totale ou partielle de la demande d'intervention pour une aide à la mobilité.
  Un résultat négatif du contrôle visé à l'alinéa premier donne lieu à une décision de refus de la demande d'intervention pour une aide à la mobilité.
Art. 249. De beslissing tot goedkeuring of weigering, vermeld in artikel 248, § 2, moet door de zorgkas worden genomen binnen vijftien werkdagen die volgen op de indiening van de aanvraag van de tegemoetkoming conform artikel 248, § 1.
Art. 249. La décision d'acceptation ou de refus visée à l'article 248, § 2, doit être prise par la caisse d'assurance soins dans les quinze jours ouvrables qui suivent la date à laquelle la demande d'intervention a été introduite conformément à l'article 248, § 1er.
Art. 250. De verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen wordt door de zorgkas op de hoogte gebracht van de beslissing tot goedkeuring of weigering, vermeld in artikel 248, § 2.
  De zorgkas brengt ook de gebruiker op de hoogte van de beslissing tot goedkeuring of weigering van de aangevraagde tegemoetkoming, in voorkomend geval van de reden van de weigering en van de beroepsmogelijkheden en de termijnen waarin het beroep moet worden aangetekend.
Art. 250. Le fournisseur d'aides à la mobilité est informé par la caisse d'assurance soins de la décision d'acceptation ou de refus visée à l'article 248, § 2.
  La caisse d'assurance soins informe également l'usager de la décision d'acceptation ou de refus de l'intervention demandée, et mentionne le cas échéant le motif du refus ainsi que les possibilités de recours et les délais dans lesquels le recours doit être formé.
HOOFDSTUK 2. - Basisprocedure
Chapitre 2. - Procédure de base
Art. 251. Dit hoofdstuk is van toepassing op de basisprocedure.
Art. 251. Le présent chapitre s'applique à la procédure de base.
Art. 252. In het kader van de basisprocedure wordt de tegemoetkoming voor een mobiliteitshulpmiddel toegekend op basis van een indicatiestelling, die de invulling betreft van een medisch voorschrift door een arts [1 en van een aanvraagformulier, ondertekend door de verstrekker en de gebruiker]1.
  De gebruiker wendt zich met het medisch voorschrift, vermeld in het eerste lid, tot een verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen van zijn keuze, die, in overeenstemming met het medisch voorschrift, een evaluatie maakt van het mobiliteitshulpmiddel waarvoor de gebruiker in aanmerking komt.
  
Art. 252. Dans le cadre de la procédure de base, l'intervention pour une aide à la mobilité est octroyée sur la base d'une indication relative au contenu d'une prescription médicale délivrée par un médecin [1 et d'un formulaire de demande signé par le fournisseur et l'usager]1.
  L'usager s'adresse, muni de la prescription médicale visée à l'alinéa premier, à un fournisseur d'aides à la mobilité de son choix, qui, conformément à la prescription médicale, procède à une évaluation de l'aide à la mobilité pour laquelle l'usager est pris en compte.
  
Art. 253. § 1. De gebruiker dient de aanvraag van de tegemoetkoming voor het mobiliteitshulpmiddel in bij de zorgkas waarbij hij is aangesloten en voegt daarbij het medisch voorschrift, vermeld in artikel 247.
  § 2. De zorgkas is belast met een controle van de verzekeringsstatus van de gebruiker en van de vergoedingsvoorwaarden van het betreffende mobiliteitshulpmiddel en vraagt, als dat nodig is, ontbrekende informatie op.
  § 3. Na de controle, vermeld in paragraaf 2, wordt de aanvraag van de tegemoetkoming onder de modaliteiten, bepaald door de minister, onderworpen aan een controle door de Zorgkassencommissie, die binnen tien werkdagen een eensluidend advies uitbrengt conform artikel 260. Die controle gebeurt monodisciplinair, door een expert, die een beroep kan doen op een arts bij vragen.
  § 4. De zorgkas neemt, rekening houdend met het resultaat van de controle en, in voorkomend geval, na eensluidend advies van de Zorgkassencommissie, een beslissing tot gehele of gedeeltelijke goedkeuring of weigering van de aangevraagde tegemoetkoming.
  Als de aanvraag onderworpen is aan de controle door de Zorgkassencommissie, neemt de zorgkas een beslissing binnen vijf werkdagen na de indiening van de aanvraag, met dien verstande dat die termijn wordt geschorst zolang de controle- en adviestermijn van de Zorgkassencommissie loopt.
  Als de aanvraag niet onderworpen is aan de controle door de Zorgkassencommissie, neemt de zorgkas een beslissing binnen vijftien werkdagen die volgen op de indiening van de aanvraag.
  De beslissingstermijn van de zorgkas, vermeld in het tweede en het derde lid, wordt ook geschorst als de zorgkas ontbrekende informatie opvraagt conform artikel 253, § 2, en begint opnieuw te lopen op de werkdag volgend op de dag van ontvangst van de opgevraagde informatie. De minister kan nader bepalen wat onder ontbrekende informatie moet worden verstaan.
Art. 253. § 1er. L'usager introduit la demande d'intervention pour une aide à la mobilité auprès de la caisse d'assurance soins auprès de laquelle il est affilié et joint à sa demande la prescription médicale visée à l'article 247.
  § 2. La caisse d'assurance soins est chargée de contrôler le statut d'assurance de l'usager ainsi que les conditions de remboursement de l'aide à la mobilité en question, et demande, si nécessaire, à obtenir les informations manquantes.
  § 3. A l'issue du contrôle visé au paragraphe 2, la demande d'intervention est soumise, selon les modalités définies par le Ministre, à un contrôle de la Commission des caisses d'assurance soins, qui rend un avis conforme dans les dix jours ouvrables, conformément à l'article 260. Le contrôle précité est effectué sur une base monodisciplinaire par un expert, qui peut faire appel à un médecin en cas de questions.
  § 4. La caisse d'assurance soins prend, compte tenu du résultat du contrôle et, le cas échéant, après avis conforme de la Commission des caisses d'assurance soins, la décision d'accepter totalement ou partiellement ou de refuser l'intervention demandée.
  Si la demande est soumise au contrôle par la Commission des caisses d'assurance soins, la caisse d'assurance soins prend une décision dans les cinq jours ouvrables qui suivent l'introduction de la demande, étant entendu que le délai est suspendu tant que le délai nécessaire au contrôle et à l'avis de la Commission des caisses d'assurance soins est en cours.
  Si la demande n'est pas soumise au contrôle de la Commission des caisses d'assurance soins, la caisse d'assurance soins prend une décision dans les quinze jours ouvrables qui suivent l'introduction de la demande.
  Le délai de décision de la caisse d'assurance soins visé aux alinéas deux et trois est également suspendu lorsque la caisse d'assurance soins demande à obtenir des informations manquantes conformément à l'article 253, § 2, et recommence à courir le jour ouvrable qui suit la date de réception des informations demandées. Le ministre peut définir ce qu'il y a lieu d'entendre par " informations manquantes ".
Art. 254. De verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen wordt door de zorgkas op de hoogte gebracht van de beslissing tot goedkeuring of weigering, vermeld in artikel 253, § 4.
  De zorgkas brengt ook de gebruiker op de hoogte van de beslissing tot goedkeuring of weigering van de aangevraagde tegemoetkoming, in voorkomend geval van de reden van de weigering en van de beroepsmogelijkheden en de termijnen waarin het beroep moet worden aangetekend.
Art. 254. Le fournisseur d'aides à la mobilité est informé par la caisse d'assurance soins de la décision d'acceptation ou de refus visée à l'article 253, § 4.
  La caisse d'assurance soins informe également l'usager de la décision d'acceptation ou de refus de l'intervention demandée, et mentionne le cas échéant le motif du refus ainsi que les possibilités de recours et les délais dans lesquels le recours doit être formé.
HOOFDSTUK 3. - Uitgebreide procedure
Chapitre 3. - Procédure étendue
Art. 255. Dit hoofdstuk is van toepassing op de uitgebreide procedure.
Art. 255. Le présent chapitre s'applique à la procédure étendue.
Art. 256. De bepalingen van hoofdstuk 2 zijn van overeenkomstige toepassing in het kader van de uitgebreide procedure, met dien verstande dat:
  1° de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen ook belast is met de opstelling van een motiveringsrapport;
  2° de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen conform artikel 311 ook belast is met de opstelling van een testrapport, waaruit blijkt dat de test heeft plaatsgevonden met het mobiliteitshulpmiddel waarop de aanvraag betrekking heeft, als de aanvraag van de tegemoetkoming betrekking heeft op een elektronische rolstoel of een elektronische scooter.
  Het model van het motiveringsrapport, vermeld in het eerste lid, wordt door de minister bepaald.
  De documenten, vermeld in het eerste lid, worden toegevoegd bij de indiening van de aanvraag.
Art. 256. Les dispositions du chapitre 2 s'appliquent par analogie dans le cadre de la procédure étendue, étant entendu que :
  1° le fournisseur d'aides à la mobilité est également chargé de l'établissement d'un rapport de motivation ;
  2° le fournisseur d'aides à la mobilité est également chargé, conformément à l'article 311, de l'établissement d'un rapport de test, dont il ressort que le test a eu lieu avec l'aide à la mobilité sur laquelle porte la demande, lorsque la demande d'intervention concerne une voiturette électronique ou un scooter électronique.
  Le Ministre définit le modèle de rapport de motivation visé à l'alinéa premier.
  Les documents visés à l'alinéa premier sont joints lors de l'introduction de la demande.
HOOFDSTUK 4. - Uitgebreide plus-procedure
Chapitre 4. - Procédure complémentaire étendue
Art. 257. Deze afdeling is van toepassing op de uitgebreide plus-procedure.
Art. 257. La présente section s'applique à la procédure complémentaire étendue.
Art. 258. De bepalingen van hoofdstuk 3 zijn van overeenkomstige toepassing in het kader van de uitgebreide plus-procedure, met dien verstande dat:
  1° de indicatiestelling de opmaak betreft van een rolstoeladviesrapport door een rolstoeladviesteam conform titel 7, hoofdstuk 2;
  2° de controle door de Zorgkassencommissie in voorkomend geval multidisciplinair gebeurt, door een arts en een expert.
  Bij de aanvraag van een tegemoetkoming voor de aankoop van een scooter, wordt de opmaak van een rolstoeladviesrapport, vermeld in het eerste lid, 1°, voorafgegaan door de invulling van een medisch voorschrift door een arts [1 ...]1
  
Art. 258. Les dispositions du chapitre 3 s'appliquent par analogie dans le cadre de la procédure complémentaire étendue, étant entendu que :
  1° l'indication concerne l'établissement d'un rapport d'avis " type de voiturette " par une équipe consultative " type de voiturette ", conformément au titre 7, chapitre 2 ;
  2° le contrôle par la Commission des caisses d'assurance soins est effectué, le cas échéant, de manière multidisciplinaire, par un médecin et un expert.
  Lors de la demande d'intervention pour l'achat d'un scooter, l'établissement d'un rapport d'avis " type de voiturette ", tel que visé à l'alinéa premier, 1°, est précédé de l'établissement d'une prescription médicale rédigée par un médecin [1 ...]1.
  
Art. 259. Naast de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen en de gebruiker, wordt ook het betrokken rolstoeladviesteam door de zorgkas op de hoogte gebracht van de beslissing tot weigering van de aangevraagde tegemoetkoming en van de motivering van die beslissing.
Art. 259. Outre le fournisseur d'aides à la mobilité et l'usager, l'équipe consultative " type de voiturette " concernée est également informée par la caisse d'assurance soins de la décision de refuser l'intervention demandée ainsi que de la motivation de ladite décision.
HOOFDSTUK 5. - Zorgkassencommissie
Chapitre 5. - Commission des caisses d'assurance soins
Art. 260. § 1. Als de aanvraag van de tegemoetkoming onderworpen is aan de controle van de Zorgkassencommissie als vermeld in artikel 253, § 3, of artikel 303, § 1, 1°, brengt de Zorgkassencommissie, binnen tien werkdagen na de dag van de ontvangst van de aanvraag, een advies uit aan de zorgkas over de indicatiestelling, waarbij de ICF typeringen richtinggevend zijn, en over de evaluatie door de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen van het mobiliteitshulpmiddel waarvoor de gebruiker in aanmerking komt.
  § 2. De Zorgkassencommissie kan binnen de termijn, vermeld in paragraaf 1, bijkomende informatie opvragen bij de gebruiker, bij de arts die het medisch voorschrift heeft ingevuld of bij de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen die de aanvraag heeft ingediend namens de gebruiker, als zij dat noodzakelijk acht in het kader van haar controle- en adviesopdracht. Als de Zorgkassencommissie bijkomende informatie opvraagt, heeft ze opnieuw tien werkdagen om haar advies te verlenen. Die termijn begint te lopen op de werkdag die volgt op de dag van de ontvangst van de bijkomende informatie.
  § 3. De Zorgkassencommissie kan binnen de termijn, vermeld in paragraaf 1, beslissen dat een fysiek onderzoek van de gebruiker tijdens een huisbezoek noodzakelijk is in het kader van haar controle- en adviesopdracht. De huisbezoeken kunnen ook plaatsvinden op verzoek van het agentschap.
  [1 ...]1
  De termijn, vermeld in paragraaf 1, wordt in de gevallen, vermeld in het eerste[1 ...]1 lid, verlengd met 25 werkdagen.
  
Art. 260. § 1er. Lorsque la demande d'intervention est soumise au contrôle de la Commission des caisses d'assurance soins tel que visé à l'article 253, § 3, ou à l'article 303, § 1er, 1°, la Commission des caisses d'assurance soins rend, dans les dix jours ouvrables qui suivent la date de réception de la demande, un avis à la caisse d'assurance soins en rapport avec l'indication, dans le cadre de laquelle les codes qualificatifs CIF sont fournis à titre indicatif, ainsi qu'avec l'évaluation par le fournisseur d'aides à la mobilité de l'aide à la mobilité pour laquelle l'usager est pris en compte.
  § 2. La Commission des caisses d'assurance soins peut, dans le délai visé au paragraphe premier, demander des informations complémentaires à l'usager, au médecin qui a rédigé la prescription médicale ou au fournisseur d'aides à la mobilité qui a introduit la demande au nom de l'usager, lorsqu'elle juge lesdites informations nécessaires dans le cadre de sa mission de contrôle et de consultance. Lorsque la Commission des caisses d'assurance soins demande des informations complémentaires, elle dispose d'un nouveau délai de dix jours ouvrables pour rendre son avis. Le délai précité commence à courir le jour ouvrable qui suit la date de réception des informations complémentaires.
  § 3. La Commission des caisses d'assurance soins peut, dans le délai visé au paragraphe premier, décider qu'un examen physique de l'usager lors d'une visite à domicile est nécessaire dans le cadre de sa mission de contrôle et de consultance. Les visites à domicile peuvent également avoir lieu à la demande de l'agence.
  [1 ...]1
  Dans les cas visés [1 à l'alinéa premier]1, le délai visé au paragraphe premier est prolongé de 25 jours ouvrables.
  
Titel 3. - Huur
Titre 3. - Location
HOOFDSTUK 1. - Woonzorgcentra - thuiszorg
Chapitre 1er. - Centres de services de soins et de logement - soins à domicile
Afdeling 1. - Toepassingsgebied
Section 1ère. - Champ d'application
Art. 261. Dit hoofdstuk is van toepassing op de volgende categorieën van gebruikers:
  1° gebruikers die verblijven in een door de Vlaamse Gemeenschap erkend woonzorgcentrum;
  2° gebruikers vanaf [2 85 jaar]2, die niet verblijven in een door de Vlaamse Gemeenschap erkend woonzorgcentrum.
  [1 3° gebruikers die niet verblijven in een woonzorgcentrum dat de Vlaamse Gemeenschap erkend heeft en waarvoor een forfait palliatieve thuiszorg is aangevraagd.]1
  
Art. 261. Le présent chapitre s'applique aux catégories d'usagers suivantes :
  1° les usagers qui séjournent dans un centre de services de soins et de logement agréé par la Communauté flamande ;
  2° les usagers âgés d'au moins [2 85 ans ]2 et qui ne séjournent pas dans un centre de services de soins et de logement agréé par la Communauté flamande ;
  [1 3° les usagers qui ne séjournent pas dans un centre de soins résidentiels agréé par la Communauté flamande et pour lesquels un forfait de soins palliatifs à domicile a été demandé.]1
  
Afdeling 2. [1 [2 Huur van een standaardrolstoel, een modulaire rolstoel, een verzorgingsrolstoel, een verzorgingsrolstoel met korrelzitsysteem, een actief rolstoel, een elektronische rolstoel of een elektronische scooter]2 ]1
Section 2. [1 [2 Location d'une voiturette standard, d'une voiturette modulaire, d'une voiturette de soins, d'une voiturette de soins avec système de siège à grains, d'une voiturette active, d'une voiturette électronique ou d'un scooter électronique]2 ]1
Art. 262. § 1. De tegemoetkomingen voor een [1 "standaardrolstoel, een modulaire rolstoel, een verzorgingsrolstoel of een verzorgingsrolstoel met korrelzitsysteem]1 die worden aangevraagd door gebruikers als vermeld in afdeling 1, [2 en de tegemoetkomingen voor een actief rolstoel, een elektronische rolstoel of een elektronische scooter die worden aangevraagd door gebruikers als vermeld in artikel 261, 3°, " ingevoegd.]2 worden toegekend in de vorm van periodieke huurforfaits. De huurforfaits dekken de maandelijkse huur van het mobiliteitshulpmiddel, met inbegrip van alle kosten die samengaan met de verstrekking, het onderhoud, de herstelling en de reconditionering van de rolstoel, alsook de vereiste aanpassingen, vermeld in de prestatielijst, en de verplaatsingskosten.
  § 2. In afwijking van paragraaf 1, kan de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen aan de gebruiker, vermeld in artikel 261, 2°, een vergoeding aanrekenen voor transportkosten als de hoofdverblijfplaats van de gebruiker gelegen is buiten een straal van 30 kilometer van de maatschappelijke zetel, de dichtstbijzijnde vestigingseenheid en de dichtstbijzijnde werkplaats van de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen of van de onderneming in opdracht waarvan de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen werkt.
  De vergoeding, vermeld in het eerste lid, wordt berekend overeenkomstig de op dat moment geldende regeling voor de kilometervergoeding van personeelsleden van de Vlaamse overheid en kan maar worden aangerekend ten belope van de afstand die de afstand van 30 kilometer overschrijdt en mits voorafgaandelijk schriftelijk akkoord van de gebruiker over deze kost.
  § 3. De omvang van de huurforfaits, vermeld in paragraaf 1, wordt bepaald door de minister.
  § 4. Er mogen geen supplementen worden aangerekend ten laste van de gebruiker voor kosten die worden gedekt door het huurforfait.
  
Art. 262. § 1er. Les interventions pour une [1 voiturette standard, une voiturette modulaire, une voiturette de maintien et de soins ou une voiturette de maintien et de soins avec système d'assise à granulés]1 demandées pour des usagers tels que visés à la section 1ère [2 et les interventions pour une voiturette active, une voiturette ou un scooter électronique demandées par les usagers tels que visés à l'article 261, 3°]2 sont octroyées sous la forme de forfaits de location périodiques. Les forfaits de location couvrent la location mensuelle de l'aide à la mobilité, en ce compris tous les frais liés à la remise, à l'entretien, à la réparation et au reconditionnement de la voiturette, ainsi qu'aux adaptations requises, telles que visées dans la liste des prestations, et les frais de déplacement.
  § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, le fournisseur d'aides à la mobilité est en droit de facturer une indemnité pour frais de transport à l'usager visé à l'article 261, 2°, lorsque le domicile de l'usager est situé en dehors d'un rayon de 30 kilomètres du siège social, de l'unité d'établissement la plus proche et du lieu de travail le plus proche du fournisseur d'aides à la mobilité ou de l'entreprise pour le compte de laquelle travaille le fournisseur d'aides à la mobilité.
  L'indemnité visée à l'alinéa premier est calculée conformément à la réglementation alors en vigueur pour ce qui concerne l'indemnité kilométrique octroyée aux membres du personnel de l'Autorité flamande, et ne peut être facturée qu'à concurrence de la distance qui excède la distance de 30 kilomètres, avec l'accord écrit préalable de l'usager quant au coût en question.
  § 3. Le Ministre détermine le montant des forfaits de location visés au paragraphe 1er.
  § 4. Il ne peut être facturé aucun supplément à charge de l'usager pour des frais qui sont couverts par le forfait de location.
  
Art. 263. De aanvraag van een tegemoetkoming voor een standaardrolstoel als vermeld in artikel 262, verloopt volgens de basisprocedure.
  De aanvraag van een tegemoetkoming voor [1 een modulaire rolstoel, een verzorgingsrolstoel of een verzorgingsrolstoel met korrelzitsysteem]1 als vermeld in artikel 262, verloopt volgens de uitgebreide procedure.
  [2 De aanvraag van een tegemoetkoming voor een actief rolstoel, een elektronische rolstoel of een elektronische scooter als vermeld in artikel 262, verloopt volgens de uitgebreide plus-procedure, met uitzondering van de aanvraag van een tegemoetkoming voor een elektronische binnenscooter, die verloopt volgens de uitgebreide procedure.]2
  
Art. 263. La demande d'intervention pour une voiturette standard telle que visée à l'article 262 est introduite conformément à la procédure de base.
  La demande d'intervention pour [1 une voiturette modulaire, une voiturette de maintien et de soins ou une voiturette de maintien et de soins avec système d'assise à granulés]1 telle que visée à l'article 262 est introduite conformément à la procédure étendue.
  [2 La demande d'une intervention pour une voiturette active, une voiturette électronique ou un scooter électronique telle que visée à l'article 262, se déroule selon la procédure `plus' étendue, à l'exception de la demande d'une intervention pour un scooter électronique pour l'intérieur, qui se déroule selon la procédure étendue.]2
  
Art. 264. § 1. Na de beslissing tot goedkeuring van de tegemoetkoming die is aangevraagd conform artikel 263, wordt het mobiliteitshulpmiddel in kwestie afgeleverd door de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen binnen vijftien werkdagen na de kennisgeving van de goedkeuring. Die termijn is alleen bij overmacht verlengbaar tot dertig werkdagen, waarbij de bewijslast rust op de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen, die aan de zorgkas de redenen van de overmacht meldt.
  Als er op het moment van de kennisgeving van de goedkeuring nog een opzeggingstermijn loopt ingevolge de opzegging van een huurovereenkomst met betrekking tot een ander mobiliteitshulpmiddel, begint de afleveringstermijn, in afwijking van het eerste lid, slechts te lopen na afloop van die opzeggingstermijn.
  § 2. Bij de aflevering van het mobiliteitshulpmiddel sluiten de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen en de gebruiker een huurovereenkomst van onbepaalde duur.
  Het model van de huurovereenkomst, vermeld in het eerste lid, wordt door de minister bepaald.
Art. 264. § 1er. Après la décision d'acceptation de l'intervention demandée conformément à l'article 263, l'aide à la mobilité en question est octroyée par le fournisseur d'aides à la mobilité dans les quinze jours ouvrables qui suivent la notification de l'acceptation. Le délai précité ne peut être prolongé à trente jours ouvrables qu'en cas de force majeure, auquel cas la charge de la preuve repose sur le fournisseur d'aides à la mobilité, qui est tenu de motiver le cas de force majeure auprès de la caisse d'assurance soins.
  Lorsque, au moment de la notification de l'acceptation, un délai de résiliation est toujours en cours à la suite de la résiliation d'un contrat de location relatif à une autre aide à la mobilité, le délai de remise ne commence qu'à courir, par dérogation à l'alinéa premier, qu'à l'expiration du délai de résiliation en question.
  § 2. Lors de la remise de l'aide à la mobilité, le fournisseur d'aides à la mobilité et l'usager signent un contrat de location à durée indéterminée.
  Le Ministre définit le modèle de contrat de location visé à l'alinéa premier.
Art. 265. § 1. De huurovereenkomst, vermeld in artikel 264, § 2, bevat in het kader van de aflevering van het mobiliteitshulpmiddel de volgende verplichtingen voor de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen:
  1° het onderhoud en de herstelling van een rolstoel gebeurt binnen de vijf werkdagen na de vraag van de gebruiker tenzij de vraag kennelijk onredelijk is. Bij betwisting meldt de [1 verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen]1 de vraag van de gebruiker aan de zorgkas, die kan bemiddelen;
  2° de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen stelt de gebruiker een adequate vervangrolstoel ter beschikking als het onderhoud of de herstelling van het mobiliteitshulpmiddel niet onmiddellijk kan worden uitgevoerd;
  3° de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen is verantwoordelijk voor de verhuur van alle rolstoelen die daarvoor zijn opgenomen in de prestatielijst. Hij moet komen tot de meest adequate oplossing die voldoet aan alle functionele behoeften van de gebruiker. Die verplichting is ook geldig als de situatie van de gebruiker wijzigt en een andere rolstoel vereist is, na melding door de gebruiker;
  4° de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen kan de schade die te wijten is aan de ernstige nalatigheid van de gebruiker, al dan niet gedeeltelijk, aanrekenen aan de gebruiker na aftrek van de waarborg, vermeld in artikel 266. Het aangerekende bedrag mag in geen geval hoger zijn dan de restwaarde van het mobiliteitshulpmiddel. Bij betwisting kan de gebruiker zich tot de zorgkas wenden, die de betwisting voor eensluidend advies voorlegt aan de Zorgkassencommissie. Als dat nodig is, wint de Zorgkassencommissie technisch advies in bij de Bijzondere Technische Commissie.
  De restwaarde van het mobiliteitshulpmiddel, vermeld in het eerste lid, 4°, is gelijk aan de vermenigvuldiging van de volgende factoren:
  1° de tegemoetkoming die voor het mobiliteitshulpmiddel zou zijn verleend in geval van aankoop van het mobiliteitshulpmiddel;
  2° een breuk waarvan de teller gelijk is aan 84 verminderd met het aantal maanden van de huur van het mobiliteitshulpmiddel dat al is verstreken en waarvan de noemer gelijk is aan 84.
  § 2. De huurovereenkomst bevat in het kader van de aflevering van het mobiliteitshulpmiddel de verplichting voor de gebruiker om:
  1° de rolstoel normaal te gebruiken;
  2° de rolstoel in propere staat te houden;
  3° de rolstoel niet te vervreemden;
  4° het onderhoud van de rolstoel toe te staan;
  5° alleen de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen die de huurovereenkomst heeft ondertekend, te contacteren voor aanpassingen, onderhoud of herstellingen, of terugname;
  6° de door de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen aangerekende schade die te wijten is aan de ernstige nalatigheid van de gebruiker, te vergoeden.
  
Art. 265. § 1er. Le contrat de location visé à l'article 264, § 2, comprend, dans le cadre de la remise de l'aide à la mobilité, les obligations suivantes dans le chef du fournisseur d'aides à la mobilité :
  1° l'entretien et la réparation d'une voiturette ont lieu dans les cinq jours ouvrables qui suivent la demande de l'usager, sauf si ladite demande est manifestement excessive. En cas de contestation, le [1 fournisseur d'aides à la mobilité ]1 communique la demande de l'usager à la caisse d'assurance soins, qui peut jouer un rôle de médiation ;
  2° le fournisseur d'aides à la mobilité met à la disposition de l'usager une voiturette de remplacement adéquate dans les cas où l'entretien ou la réparation de l'aide à la mobilité ne peut être effectué immédiatement ;
  3° le fournisseur d'aides à la mobilité est responsable de la location de toutes les voiturettes incluses à cet effet dans la liste des prestations. Il doit parvenir à la solution la plus adéquate, qui réponde à tous les besoins fonctionnels de l'usager. L'obligation précitée s'applique également lorsque la situation de l'usager change et qu'une autre voiturette est requise, après notification par l'usager ;
  4° le fournisseur d'aides à la mobilité peut facturer à l'usager, éventuellement en partie, les dommages imputables à une négligence grave de l'usager, et ce après déduction de la garantie visée à l'article 266. Le montant facturé ne peut en aucun cas être supérieur à la valeur résiduelle de l'aide à la mobilité. En cas de contestation, l'usager peut s'adresser à la caisse d'assurance soins, qui soumet alors la contestation à la Commission des caisses d'assurance soins pour avis conforme. Pour autant que de besoin, la Commission des caisses d'assurance soins recueille l'avis technique de la Commission technique spéciale.
  La valeur résiduelle de l'aide à la mobilité, visée à l'alinéa premier, 4°, est égale à la multiplication des facteurs suivants :
  1° l'intervention qui aurait été octroyée pour l'aide à la mobilité en cas d'achat de l'aide à la mobilité ;
  2° une fraction dont le numérateur est égal à 84, diminué du nombre de mois de location de l'aide à la mobilité déjà expiré, et dont le dénominateur est égal à 84.
  § 2. Le contrat de location comprend, dans le cadre de la remise de l'aide à la mobilité, l'obligation pour l'usager :
  1° de faire un usage normal de la voiturette ;
  2° de maintenir la voiturette propre ;
  3° de ne pas vendre la voiturette ;
  4° de prévoir l'entretien de la voiturette ;
  5° de contacter uniquement le fournisseur d'aides à la mobilité ayant signé le contrat de location pour ce qui concerne les adaptations, l'entretien, les réparations ou la reprise de la voiturette ;
  6° de rembourser au fournisseur d'aides à la mobilité le montant qui lui a été facturé en raison de dommages imputables à une négligence grave de l'usager.
  
Art. 266. § 1. Bij de ondertekening van de huurovereenkomst, vermeld in artikel 264, § 2, kan de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen een waarborg aanrekenen aan de gebruiker.
  Het bedrag van de waarborg, vermeld in het eerste lid, is gelijk aan de omvang van het maandelijks huurforfait dat voor het mobiliteitshulpmiddel in kwestie is voorzien maar mag in geen geval hoger zijn dan het maandelijks huurforfait dat is bepaald voor een verzorgingsrolstoel.
  § 2. In afwijking van paragraaf 1 kan de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen geen waarborg aanrekenen aan de volgende categorieën van gebruikers:
  1° gebruikers die recht hebben op de verhoogde verzekeringstegemoetkoming, vermeld in artikel 37, § 19, van de Ziekteverzekeringswet;
  2° gebruikers die zich bevinden in een behartigenswaardige situatie, vermeld in artikel 46 van het decreet van 18 mei 2018.
  § 3. De verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen kan de waarborg, vermeld in paragraaf 1, alleen aanwenden ingeval van ernstige nalatigheid van de gebruiker of in geval van vervreemding van het mobiliteitshulpmiddel door de gebruiker.
  § 4. Dit artikel is niet van toepassing in het kader van de verhuur van rolstoelen aan gebruikers, vermeld in artikel 261, 1°.
Art. 266. § 1er. Lors de la signature du contrat de location visé à l'article 264, § 2, le fournisseur d'aides à la mobilité peut facturer une garantie à l'usager.
  Le montant de la garantie visée à l'alinéa premier est égal au montant du forfait de location mensuel prévu pour l'aide à la mobilité en question, mais ne peut en aucun cas être supérieur au forfait de location mensuel d'une voiturette de soins.
  § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, le fournisseur d'aides à la mobilité ne peut facturer de garantie aux catégories d'usagers suivantes :
  1° les usagers qui ont droit à l'intervention majorée de l'assurance, telle que visée à l'article 37, § 19, de la Loi sur l'assurance maladie ;
  2° les usagers qui se trouvent dans une situation digne d'intérêt visée à l'article 46 du décret du 18 mai 2018.
  § 3. Le fournisseur d'aides à la mobilité ne peut utiliser la garantie visée au paragraphe 1er qu'en cas de négligence grave de l'usager ou d'aliénation de l'aide à la mobilité par l'usager.
  § 4. Le présent article ne s'applique pas dans le cadre de la location de voiturettes aux usagers visés à l'article 261, 1°.
Art. 267. § 1. Zowel de gebruiker als de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen kan op elk ogenblik met een aangetekende brief een einde maken aan de huurovereenkomst, vermeld in artikel 264, § 2, met een opzeggingstermijn van drie maanden, die ingaat op de eerste dag van de maand volgend op de ontvangst van de aangetekende brief.
  In afwijking van het eerste lid, kan de gebruiker met een aangetekende brief een einde maken aan de huurovereenkomst zonder opzeggingstermijn als de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen zijn verplichtingen op functioneel, hygiënisch en technisch vlak niet nakomt.
  De beëindiging van een huurovereenkomst conform het eerste en het tweede lid, wordt ook schriftelijk gemeld aan de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten door, naargelang het geval, de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen of de gebruiker.
  § 2. De verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen kan met een aangetekende brief een einde maken aan de huurovereenkomst zonder opzeggingstermijn als schade aan de rolstoel wordt vastgesteld, die te wijten is aan onvoldoende zorgzaamheid en onverantwoorde behandeling van de rolstoel door de gebruiker.
  De beëindiging van een huurovereenkomst conform het eerste lid, wordt ook schriftelijk gemeld aan de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten door de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen.
  § 3. De huurovereenkomst eindigt van rechtswege in de volgende gevallen:
  1° bij het overlijden van de gebruiker;
  2° als de behoefte van de gebruiker aan het mobiliteitshulpmiddel ophoudt te bestaan;
  3° als de gebruiker niet langer onder het toepassingsgebied valt van dit hoofdstuk, als vermeld in artikel 261;
  4° als de persoon in kwestie niet langer onder het toepassingsgebied valt van de Vlaamse sociale bescherming of niet langer is aangesloten bij een zorgkas;
  5° indien de activiteiten van de onderneming in opdracht waarvan de verstrekker van mobiliteitshulpmiddel werkt, worden stopgezet.
  § 4. In afwijking van paragraaf 3, 4°, vindt de beëindiging van de huurovereenkomst plaats maximaal drie maanden na de dag waarop de persoon in kwestie is gaan wonen in het Franse taalgebied, het Duitse taalgebied of het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad en niet langer onder het toepassingsgebied valt van de VSB of er in voorkomend geval voor kiest om niet langer aangesloten te zijn bij een zorgkas.
  Artikel 262, § 2, is van overeenkomstige toepassing in het kader van de ophaling van het mobiliteitshulpmiddel na afloop van de periode, vermeld in het eerste lid.
Art. 267. § 1er. L'usager comme le fournisseur d'aides à la mobilité peuvent à tout moment mettre fin par courrier recommandé au contrat de location visé à l'article 264, § 2, moyennant un délai de préavis de trois mois qui prend cours le premier jour du mois qui suit la date de réception du courrier recommandé.
  Par dérogation à l'alinéa premier, l'usager peut mettre fin au contrat de location par courrier recommandé, sans délai de préavis, lorsque le fournisseur d'aides à la mobilité ne respecte pas ses obligations sur les plans fonctionnel, hygiénique et technique.
  La résiliation du contrat de location conformément aux alinéas premier et deux est également notifiée par écrit à la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié, soit par le fournisseur d'aides à la mobilité, soit par l'usager, selon le cas.
  § 2. Le fournisseur d'aides à la mobilité peut mettre fin au contrat de location par courrier recommandé, sans délai de préavis, lorsqu'il est constaté des dommages à la voiturette qui sont imputables à des précautions insuffisantes ou à une manipulation inappropriée de la voiturette dans le chef de l'usager.
  La résiliation d'un contrat de location conformément à l'alinéa premier est également notifiée par écrit par le fournisseur d'aides à la mobilité à la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié.
  § 3. Le contrat de location prend fin de plein droit dans les cas suivants :
  1° lors du décès de l'usager ;
  2° lorsque le besoin de l'aide à la mobilité de l'usager cesse d'exister ;
  3° lorsque l'usager n'entre plus dans le champ d'application du présent chapitre, tel que visé à l'article 261 ;
  4° lorsque la personne en question n'entre plus dans le champ d'application de la protection sociale flamande ou n'est plus affiliée à une caisse d'assurance soins ;
  5° en cas de cessation des activités de l'entreprise pour le compte de laquelle travaille le fournisseur d'aides à la mobilité.
  § 4. Par dérogation au paragraphe 3, 4°, la résiliation du contrat de location a lieu au plus tard trois mois après la date à laquelle la personne en question est partie habiter dans la région linguistique française, dans la région linguistique allemande ou dans la région linguistique bilingue de Bruxelles-Capitale, et n'entre plus dans le champ d'application de la protection sociale flamande ou choisit, le cas échéant, de ne plus être affiliée à une caisse d'assurance soins.
  L'article 262, § 2, s'applique par analogie dans le cadre de l'enlèvement de l'aide à la mobilité à l'expiration de la période visée à l'alinéa premier.
Art. 268. Mobiliteitshulpmiddelen die verhuurd worden conform dit hoofdstuk, moeten [1 in onberispelijke staat]1 zijn op het ogenblik van de eerste ingebruikname van het mobiliteitshulpmiddel in het kader van het verhuursysteem. De productiedatum van het mobiliteitshulpmiddel mag op dat moment niet ouder zijn dan twaalf maanden.
  Een mobiliteitshulpmiddel dat ouder is dan zeven jaar, mag niet meer aan een nieuwe gebruiker worden verhuurd.
  De bewijslast met betrekking tot de in dit artikel opgenomen vereisten rust op de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen.
  [2 In afwijking van het eerste lid mag de productiedatum van een elektronische rolstoel die ingezet wordt in het kader van de verhuur aan gebruikers met snel degeneratieve aandoeningen conform hoofdstuk 2, op het ogenblik van de eerste ingebruikname in verhuur ouder dan twaalf maanden zijn als de elektronische rolstoel gezien zijn gebruiksgeschiedenis nog in onberispelijke staat bevonden wordt door het agentschap. De verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen vraagt hiervoor de toestemming aan het agentschap.
   De minister kan nadere regels bepalen voor de aanvraag en voor de behandeling van de aanvraag door het agentschap.]2

  
Art. 268. Les aides à la mobilité données en location conformément au présent chapitre doivent être [1 en parfait état]1 au moment de la première mise en service de l'aide à la mobilité dans le cadre du système de location. La date de production de l'aide à la mobilité ne peut alors être antérieure à douze mois.
  Une aide à la mobilité datant de plus de sept ans ne peut plus être donnée en location à un nouvel usager.
  La charge de la preuve relative aux exigences figurant dans le présent article repose sur le fournisseur d'aides à la mobilité.
  [2 Par dérogation à l'alinéa 1er, la date de production d'une voiturette électronique utilisée dans le cadre d'une location à des usagers souffrant de maladies dégénératives rapides conformément au chapitre 2 peut, au moment de la première mise en service en location, remonter à plus de douze mois si l'agence considère que la voiturette électronique, eu égard à son historique d'utilisation, est encore dans un état impeccable. Le fournisseur d'aides à la mobilité demande à cet effet l'autorisation de l'agence.
   Le ministre peut fixer les modalités de la demande et du traitement de la demande par l'agence.]2

  
Art. 269. De verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen houdt de volgende gegevens bij per mobiliteitshulpmiddel dat door hem wordt verhuurd en per gebruiker:
  1° de huurovereenkomst;
  2° het serienummer van het afgeleverde mobiliteitshulpmiddel;
  3° de productiedatum van het mobiliteitshulpmiddel;
  4° de datum van eerste ingebruikname van het mobiliteitshulpmiddel;
  5° de aanpassingen voorzien op het afgeleverde mobiliteitshulpmiddel;
  6° de data van de aflevering en van de onderhouds- en herstellingsbeurten van het mobiliteitshulpmiddel;
  7° de identificatie van de gebruiker;
  8° de identificatie van het woonzorgcentrum waar de gebruiker verblijft;
  9° de begin- en einddatum van verhuur van het mobiliteitshulpmiddel aan de gebruiker;
  10° de datum waarop het mobiliteitshulpmiddel uit het verhuursysteem wordt gehaald.
Art. 269. Le fournisseur d'aides à la mobilité conserve, pour chaque aide à la mobilité qu'il a donnée en location, et pour chaque usager, les données suivantes :
  1° le contrat de location ;
  2° le numéro de série de l'aide à la mobilité remise à l'usager ;
  3° la date de production de l'aide à la mobilité ;
  4° la date de la première mise en service de l'aide à la mobilité ;
  5° les adaptations prévues sur l'aide à la mobilité remise à l'usager ;
  6° les dates de remise, d'entretien et de réparation de l'aide à la mobilité;
  7° l'identification de l'usager ;
  8° l'identification du centre de services de soins et de logement où séjourne l'usager ;
  9° les dates de début et de fin de la location de l'aide à la mobilité louée à l'usager ;
  10° la date à laquelle l'aide à la mobilité sera supprimée du système de location.
Art. 270. [1 Voor de gebruiker die conform artikel 261, 1°, onder het toepassingsgebied van dit hoofdstuk valt, vervalt de ingediende aanvraag of de beslissing tot goedkeuring van de aangevraagde tegemoetkoming niet op het ogenblik dat hij niet langer voldoet aan de toepassingsvoorwaarde, vermeld in artikel 261, 1°, als hij onder het toepassingsgebied van dit hoofdstuk valt omdat hij voldoet aan de toepassingsvoorwaarde, vermeld in artikel 261, 2° of 3°.
   Voor de gebruiker die conform artikel 261, 2° of 3°, onder het toepassingsgebied van dit hoofdstuk valt, vervalt de ingediende aanvraag of de beslissing tot goedkeuring van de aangevraagde tegemoetkoming niet op het ogenblik dat hij niet langer voldoet aan de toepassingsvoorwaarde, vermeld in artikel 261, 2° of 3°, als hij onder het toepassingsgebied van dit hoofdstuk valt omdat hij voldoet aan de toepassingsvoorwaarde, vermeld in artikel 261, 1° ]1
.
  
Art. 270. [1 Dans le cas de l'usager qui entre dans le champ d'application du présent chapitre conformément à l'article 261, 1°, la demande introduite ou la décision d'approbation de l'intervention demandée ne devient pas caduque au moment où il ne remplit plus la condition d'application visée à l'article 261, 1°, s'il entre dans le champ d'application du présent chapitre parce qu'il remplit la condition d'application visée à l'article 261, 2° ou 3°.
   Dans le cas de l'usager qui entre dans le champ d'application du présent chapitre conformément à l'article 261, 2° ou 3°, la demande introduite ou la décision d'approbation de l'intervention demandée ne devient pas caduque au moment où il ne remplit plus la condition d'application visée à l'article 261, 2° ou 3°, s'il entre dans le champ d'application du présent chapitre parce qu'il remplit la condition d'application visée à l'article 261, 1° ]1
.
  
Art. 271. Voor een mobiliteitshulpmiddel waarvoor in het verleden aan de gebruiker een tegemoetkoming voor aankoop is toegekend, zijn de regels inzake hernieuwing, vermeld in artikel 322 tot en met 327, of in voorkomend geval de regels inzake hernieuwing opgelegd conform artikel 298, § 1, eerste lid, van toepassing. Vanaf het ogenblik van hernieuwing of voortijdige hernieuwing zijn de bepalingen van deze afdeling van toepassing voor de gebruikers, vermeld in afdeling 1.
Art. 271. Dans le cas d'une aide à la mobilité pour laquelle une intervention pour l'achat d'une aide à la mobilité a été octroyée, les règles en matière de renouvellement visées aux articles 322 à 327 inclus ou, le cas échéant, les règles en matière de renouvellement imposées conformément à l'article 298, § 1er, alinéa premier, s'appliquent. A partir du moment du renouvellement ou du renouvellement anticipé, les dispositions de la présente section s'appliquent aux usagers visés à la section 1ère.
Art. 272. Als de toestand van de gebruiker ongewijzigd is gebleven maar het mobiliteitshulpmiddel dat verhuurd is aan de gebruiker, moet worden vervangen omdat het mobiliteitshulpmiddel niet meer op een economisch verantwoorde wijze te herstellen is, brengt de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen dit ter kennis van de zorgkas. Die kennisgeving omvat een kopie van de huurovereenkomst en het serienummer van de nieuwe rolstoel.
Art. 272. Lorsque la situation de l'usager est restée inchangée mais que l'aide à la mobilité donnée en location à l'usager doit être remplacée parce qu'elle ne peut être réparée d'une manière économiquement justifiée, le fournisseur d'aides à la mobilité notifie la situation à la caisse d'assurance soins. La notification précitée comprend une copie du contrat de location et mentionne le numéro de série de la nouvelle voiturette.
Art. 273. Als de gebruiker aan wie een mobiliteitshulpmiddel wordt verhuurd conform deze afdeling, nood heeft aan een ander mobiliteitshulpmiddel waarop de bepalingen van deze afdeling van toepassing zijn, dient de hij een nieuwe aanvraag in conform artikel 263.
Art. 273. Lorsque l'usager auquel une aide à la mobilité est donnée en location conformément à la présente section a besoin d'une autre aide à la mobilité à laquelle s'appliquent les dispositions de la présente section, il introduit une nouvelle demande, conformément à l'article 263.
Afdeling 3. - Aankoop
Section 3. - Achat
Art. 274. In afwijking van artikel 262 kunnen de gebruikers, vermeld in artikel 261, 2°, met een erkenning als persoon met een handicap die is verleend door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, opteren voor de indiening van een aanvraag van een tegemoetkoming voor de aankoop van een [1 standaardrolstoel, een modulaire rolstoel, een verzorgingsrolstoel of een verzorgingsrolstoel met korrelzitsysteem]1.
  
Art. 274. Par dérogation à l'article 262, les usagers visés à l'article 261, 2°, qui bénéficient d'un agrément en tant que personne handicapée délivré par l'Agence flamande pour les personnes handicapées, peuvent opter pour l'introduction d'une demande d'intervention pour l'achat d'une [1 voiturette standard, d'une voiturette modulaire, d'une voiturette de maintien et de soins ou d'une voiturette de maintien et de soins avec système d'assise à granulés]1.
  
Art. 275. In afwijking van artikel 262 kunnen de gebruikers, [1 vermeld in artikel 261, 2° of 3°]1, die feitelijk verblijven in een andere deelstaat of in een andere lidstaat en die geen verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen vinden die bereid is een rolstoel te verhuren, opteren voor de indiening van een aanvraag van een tegemoetkoming voor de aankoop van een rolstoel.
  
Art. 275. Par dérogation à l'article 262, les usagers [1 visés à l'article 261, 2° ou 3°]1, qui résident de fait dans un autre Etat fédéré ou un autre Etat membre et qui ne trouvent pas de fournisseur d'aides à la mobilité qui soit disposé à leur donner une voiturette en location, peuvent opter pour l'introduction d'une demande d'intervention pour l'achat d'une voiturette.
  
Art. 276. Aanvragen van tegemoetkomingen voor de aankoop van mobiliteitshulpmiddelen als vermeld in artikel 274 of 275, en aanvragen van tegemoetkomingen voor de aankoop van andere mobiliteitshulpmiddelen dan een [1 standaardrolstoel, een modulaire rolstoel, [2 een verzorgingsrolstoel, een verzorgingsrolstoel met korrelzitsysteem, een actief rolstoel, een elektronische rolstoel of een elektronische scooter]2]1, worden ingediend en behandeld conform de voorwaarden en de procedures die gelden voor de mobiliteitshulpmiddelen in kwestie, vermeld in titel 4.
  
Art. 276. Les demandes d'interventions pour l'achat d'aides à la mobilité telles que visées à l'article 274 ou 275, de même que les demandes d'interventions pour l'achat d'aides à la mobilité autres qu'une [1 voiturette standard, une voiturette modulaire, [2 une voiturette de soins, une voiturette de soins avec système de siège à grains, une voiturette active, une voiturette électronique ou un scooter électronique]2]1 sont introduites et traitées conformément aux conditions et procédures qui s'appliquent aux aides à la mobilité en question, telles que visées au titre 4.
  
HOOFDSTUK 2. - Gebruikers met snel degeneratieve aandoeningen
Chapitre 2. - Usagers souffrant de maladies dégénératives progressives
Afdeling 1. - Toepassingsgebied
Section 1ère. - Champ d'application
Art. 277. § 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op gebruikers met een snel degeneratieve aandoening.
  De volgende aandoeningen worden van rechtswege beschouwd als snel degeneratieve aandoeningen:
  1° amyotrofe lateraal sclerose;
  2° primaire lateraal sclerose;
  3° progressieve spinale musculaire atrofie;
  4° multisysteem atrofie.
  § 2. Andere aandoeningen kunnen door het gespecialiseerd rolstoeladviesteam waartoe de gebruiker zich heeft gewend, gelijkgesteld worden met een snel degeneratieve aandoening als vermeld in paragraaf 1, als dat omstandig gemotiveerd wordt in het rolstoeladviesrapport.
  In de omstandige motivering, vermeld in het eerste lid, dient het gespecialiseerd rolstoeladviesteam aan te tonen dat aan de volgende voorwaarden is voldaan:
  1° er zijn een snelle negatieve prognose van het ziektebeeld of toenemende beperkingen te verwachten, wat betreft de mobiliteit en verplaatsing: van zelfstandig stappen naar de onmogelijkheid om zonder hulp van derden op te staan en zich te verplaatsen;
  2° door de snelle evolutie zal de gebruiker snel en opeenvolgend verschillende aangepaste oplossingen nodig hebben, waardoor de hulpmiddelen niet voor de voorziene levensduur van het hulpmiddel kunnen worden ingezet.
  In het tweede lid, 1°, wordt verstaan onder snel: een progressie van het ziektebeeld kan worden verwacht binnen een jaar of minder.
Art. 277. § 1er. Le présent chapitre s'applique aux usagers souffrant d'une maladie dégénérative progressive.
  Les maladies suivantes sont considérées de plein droit comme des maladies dégénératives progressives :
  1° sclérose latérale amyotrophique ;
  2° sclérose latérale primaire ;
  3° atrophie musculaire spinale progressive ;
  4° atrophie multisystémique.
  § 2. L'équipe consultative " type de voiturette " spécialisée à laquelle l'usager s'est adressé peuvent assimiler les autres maladies à une maladie dégénérative progressive telle que visée au paragraphe 1er, à la condition de motiver sa décision de manière circonstanciée dans le rapport d'avis " type de voiturette ".
  Dans la motivation circonstanciée visée à l'alinéa premier, l'équipe consultative " type de voiturette " spécialisée est tenue de démontrer qu'il a été satisfait aux conditions suivantes :
  1° un diagnostic négatif rapide de la pathologie ou des restrictions croissantes sont prévus en termes de mobilité et de déplacement : l'usager passe de l'autonomie à l'impossibilité de se lever ou de se mouvoir sans l'aide de tiers ;
  2° en raison de l'évolution rapide, l'usager aura rapidement et successivement besoin de différentes solutions adaptées, de sorte que les aides ne pourront être utilisées pendant toute la durée de vie prévue.
  A l'alinéa deux, 1°, il faut entendre par " rapide " : une progression de la pathologie peut être attendue dans un délai d'un an ou moins.
Afdeling 2. [1 [2 Huur van een standaardrolstoel, een modulaire rolstoel, een verzorgingsrolstoel, een verzorgingsrolstoel met korrelzitsysteem, een actief rolstoel, een elektronische rolstoel, een elektronische scooter, een elektronische hoepelondersteuning of een besturingssysteem ]2 ]1
Section 2. [1 [2 Location d'une voiturette standard, d'une voiturette modulaire, d'une voiturette de soins, d'une voiturette de soins avec système de siège à grains, d'une voiturette active, d'une voiturette électronique, d'un scooter électronique, d'une assistance électronique pour voiturette ou d'un système de commande ]2 ]1
Art. 278. De tegemoetkoming voor [1 een standaardrolstoel, een modulaire rolstoel, een verzorgingsrolstoel, een verzorgingsrolstoel met korrelzitsysteem, een actief rolstoel, [2 een elektronische rolstoel, een elektronische scooter, een elektronische hoepelondersteuning of een besturingssysteem]2 ]1 die wordt aangevraagd door een gebruiker als vermeld in afdeling 1, wordt toegekend in de vorm van periodieke huurforfaits. De huurforfaits dekken de maandelijkse huur van het mobiliteitshulpmiddel, met inbegrip van alle kosten die samengaan met het verstrekken, het onderhoud, de herstelling en de reconditionering van het mobiliteitshulpmiddel, alsook de vereiste aanpassingen en de verplaatsingskosten.
  De omvang van de huurforfaits, vermeld in het eerste lid, wordt bepaald door de minister.
  Er mogen geen supplementen worden aangerekend ten laste van de gebruiker voor kosten die worden gedekt door het huurforfait.
  [1 In afwijking van het eerste lid ontvangt de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen een opstartvergoeding, waarvan het bedrag is bepaald door de minister, per aanvraag voor de verhuur van een elektronische rolstoel aan een gebruiker als vermeld in afdeling 1, die de zorgkas heeft goedgekeurd]1.
  
Art. 278. L'intervention pour [1 une voiturette standard, une voiturette modulaire, une voiturette de maintien et de soins, une voiturette de maintien et de soins avec système d'assise à granulés, une voiturette active, [2 une voiturette électronique, un scooter électronique, une assistance électronique pour voiturette ou un système de commande]2]1 qui est demandée par un usager tel que visé à la section 1ère, est octroyée sous la forme de forfaits de location périodiques. Les forfaits de location couvrent la location mensuelle de l'aide à la mobilité, en ce compris tous les frais liés à la remise, à l'entretien, à la réparation et au reconditionnement de l'aide à la mobilité, ainsi qu'aux adaptations requises, et les frais de déplacement.
  Le Ministre détermine le montant des forfaits de location visés à l'alinéa premier.
  Il ne peut être facturé aucun supplément à charge de l'usager pour des frais qui sont couverts par le forfait de location.
  [1 Par dérogation à l'alinéa 1er, le fournisseur d'aides à la mobilité reçoit, par demande de location d'une voiturette électronique à un usager, tel que visé à la section 1ère, approuvée par la caisse d'assurance soins, une indemnité initiale dont le montant est fixé par le ministre.]1
  
Art. 279. [1 De tegemoetkoming voor een mobiliteitshulpmiddel als vermeld in artikel 278, eerste lid, wordt toegekend op basis van een indicatiestelling.
   Voor de aanvraag van een tegemoetkoming voor een standaardrolstoel, een modulaire rolstoel, een verzorgingsrolstoel, een verzorgingsrolstoel met korrelzitsysteem of een actief rolstoel is de voormelde indicatiestelling, naar keuze van de gebruiker, een medisch voorschrift snel degeneratieve aandoening van een neuroloog of een gespecialiseerd rolstoeladviesteam of een rolstoeladviesrapport van een gespecialiseerd rolstoeladviesteam]1

  Voor de aanvraag van een tegemoetkoming voor [2 een elektronische rolstoel, een elektronische scooter, een elektronische hoepelondersteuning of een besturingssysteem]2 betreft de indicatiestelling de opstelling van een rolstoeladviesrapport door een gespecialiseerd rolstoeladviesteam.
  In afwijking van het tweede lid, betreft de indicatiestelling in het kader van een aanvraag voor een gebruiker met een aandoening die is gelijkgesteld met een snel degeneratieve aandoening conform artikel 277, § 2, altijd de opstelling van een rolstoeladviesrapport door een gespecialiseerd rolstoeladviesteam.
  
Art. 279. [1 L'intervention pour une aide à la mobilité, telle que visée à l'article 278, alinéa 1er, est octroyée sur la base d'une indication.
   En ce qui concerne la demande d'intervention pour une voiturette standard, une voiturette modulaire, une voiturette de maintien et de soins, une voiturette de maintien et de soins avec système d'assise à granulés ou une voiturette active, l'indication précitée est, au choix de l'usager, une prescription médicale pour une maladie dégénérative rapide d'un neurologue ou d'une équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette ou un rapport d'avis en matière de voiturette d'une équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette.]1
.
  Pour la demande d'intervention pour [2 une voiturette électronique, un scooter électronique, une assistance électronique pour voiturette ou un système de commande ]2, l'indication porte sur l'établissement d'un rapport d'avis " type de voiturette " par une équipe consultative " type de voiturette " spécialisée.
  Par dérogation à l'alinéa deux, l'indication dans le cadre d'une demande pour un usager souffrant d'une affection assimilée à une maladie dégénérative progressive conformément à l'article 277, § 2, porte toujours sur l'établissement d'un rapport d'avis " type de voiturette " par une équipe consultative " type de voiturette " spécialisée.
  
Art. 280. De gebruiker wendt zich met het medisch voorschrift of met het rolstoeladviesrapport, vermeld in artikel 279, tot een verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen van zijn keuze die gemachtigd is om mobiliteitshulpmiddelen te verstrekken aan personen met snel degeneratieve aandoeningen, conform artikel 367 tot en met 371.
  De verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen, vermeld in het eerste lid, maakt in overeenstemming met het medisch voorschrift of met het rolstoeladviesrapport, een evaluatie van het mobiliteitshulpmiddel waarvoor de gebruiker in aanmerking komt.
Art. 280. L'usager s'adresse, muni de la prescription médicale ou du rapport d'avis " type de voiturette " visé à l'article 279, à un fournisseur d'aides à la mobilité de son choix, qui est habilité à fournir des aides à la mobilité aux personnes souffrant de maladies dégénératives progressives, conformément aux articles 367 à 371 inclus.
  Le fournisseur d'aides à la mobilité visé à l'alinéa premier procède, conformément à la prescription médicale ou au rapport d'avis " type de voiturette ", à une évaluation de l'aide à la mobilité pour laquelle l'usager est pris en compte.
Art. 281. De gebruiker dient de aanvraag van de tegemoetkoming voor het mobiliteitshulpmiddel in bij de zorgkas waarbij hij is aangesloten en voegt daarbij het medisch voorschrift of het rolstoeladviesrapport, vermeld in artikel 279 [1 , en een aanvraagformulier, ondertekend door de verstrekker en de gebruiker]1.
  De aanvraag van een tegemoetkoming voor een mobiliteitshulpmiddel, vermeld in het eerste lid, verloopt verder conform de vereenvoudigde aanvraagprocedure, met dien verstande dat naast de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen en de gebruiker, ook het betrokken rolstoeladviesteam door de zorgkas op de hoogte wordt gebracht van de beslissing tot weigering van de aangevraagde tegemoetkoming en van de motivering van die beslissing.
  
Art. 281. L'usager introduit la demande d'intervention pour une aide à la mobilité auprès de la caisse d'assurance soins à laquelle il est affilié et joint à sa demande la prescription médicale ou le rapport d'avis " type de voiturette " visé à l'article 279 [1 et un formulaire de demande signé par le fournisseur et l'usager]1.
  La demande d'intervention pour une aide à la mobilité visée à l'alinéa premier est introduite conformément à la procédure de demande simplifiée, étant entendu que, outre le fournisseur d'aides à la mobilité et l'usager, l'équipe consultative " type de voiturette " concernée est également informée par la caisse d'assurance soins de la décision de refuser l'intervention demandée ainsi que de la motivation de ladite décision.
  
Art. 282. § 1. Na de beslissing tot goedkeuring van de tegemoetkoming die is aangevraagd conform de bepalingen van dit hoofdstuk, wordt het mobiliteitshulpmiddel in kwestie afgeleverd door de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen binnen twintig werkdagen na de kennisgeving van de goedkeuring. Die termijn is alleen bij overmacht verlengbaar tot veertig werkdagen, waarbij de bewijslast rust op de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen. In voorkomend geval meldt de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen de redenen van de overmacht aan de zorgkas.
  Als er op het moment van de kennisgeving van de goedkeuring nog een opzeggingstermijn loopt ingevolge de opzegging van een huurovereenkomst met betrekking tot een ander mobiliteitshulpmiddel, begint de afleveringstermijn, in afwijking van het eerste lid, slechts te lopen na afloop van die opzeggingstermijn.
  § 2. Bij de aflevering van het mobiliteitshulpmiddel sluiten de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen en de gebruiker van een huurovereenkomst van onbepaalde duur.
  Het model van huurovereenkomst, vermeld in het eerste lid, wordt door de minister bepaald.
Art. 282. § 1er. Après la décision d'acceptation de l'intervention demandée conformément aux dispositions du présent chapitre, l'aide à la mobilité en question est octroyée par le fournisseur d'aides à la mobilité dans les vingt jours ouvrables qui suivent la notification de l'acceptation. Le délai précité ne peut être prolongé à quarante jours ouvrables qu'en cas de force majeure, auquel cas la charge de la preuve repose sur le fournisseur d'aides à la mobilité. Le cas échéant, le fournisseur d'aides à la mobilité notifie les motifs du cas de force majeure à la caisse d'assurance soins.
  Lorsque, au moment de la notification de l'acceptation, un délai de résiliation est toujours en cours à la suite de la résiliation d'un contrat de location relatif à une autre aide à la mobilité, le délai de remise ne commence qu'à courir, par dérogation à l'alinéa premier, qu'à l'expiration du délai de résiliation en question.
  § 2. Lors de la remise de l'aide à la mobilité, le fournisseur d'aides à la mobilité et l'usager signent un contrat de location à durée indéterminée.
  Le Ministre définit le modèle de contrat de location visé à l'alinéa premier.
Art. 283. Artikel 265 tot en met 269 en artikel 272 zijn van overeenkomstige toepassing op dit hoofdstuk.
Art. 283. Les articles 265 à 269 inclus et l'article 272 s'appliquent par analogie au présent chapitre.
Art. 284. De gebruiker aan wie een tegemoetkoming is toegekend voor de aankoop van een mobiliteitshulpmiddel opgenomen op de lijst, is niet langer gehouden door de voorwaarden voor hernieuwing, vermeld in artikel 322 en 323, vanaf het ogenblik dat hij onder het toepassingsgebied valt van dit hoofdstuk en een tegemoetkoming aanvraagt voor een mobiliteitshulpmiddel als vermeld in artikel 278.
Art. 284. L'usager auquel une intervention a été octroyée pour l'achat d'une aide à la mobilité figurant dans la liste n'est plus tenu de remplir les conditions de renouvellement énoncées aux articles 322 et 323 à partir du moment où il entre dans le champ d'application du présent chapitre et où il demande une intervention pour une aide à la mobilité telle que visée à l'article 278.
Art. 285. De gebruiker aan wie al een tegemoetkoming is verleend conform de bepalingen van dit hoofdstuk kan, afhankelijk van de wijzigende beperking van zijn mobiliteit een aanvraag indienen voor een tegemoetkoming voor een ander mobiliteitshulpmiddel, vermeld in artikel 278, zonder dat daarvoor een nieuwe indicatiestelling is vereist.
  De vraag tot overschakeling naar een ander mobiliteitshulpmiddel, vermeld in het eerste lid, wordt schriftelijk gemotiveerd ten aanzien van de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen, die de ingediende motivering bewaart. Met het oog op die motivering, kan de gebruiker een beroep doen op bijstand van een gebruikersorganisatie met deskundigheid in snel degeneratieve aandoeningen.
  In afwijking van het eerste lid, is bij de aanvraag van een tegemoetkoming voor [2 een elektronische rolstoel, een elektronische scooter, een elektronische hoepelondersteuning of een besturingssysteem]2 voor een gebruiker die beschikt over [1 een standaardrolstoel, een modulaire rolstoel, een verzorgingsrolstoel, een verzorgingsrolstoel met korrelzitsysteem of een actief rolstoel]1 wel een nieuwe indicatiestelling vereist in de vorm van een rolstoeladviesrapport dat is opgesteld conform artikel 279, derde lid.
  
Art. 285. L'usager auquel une intervention a été octroyée conformément aux dispositions du présent chapitre peut, en fonction du changement de la restriction de sa mobilité, introduire une demande d'intervention pour une autre aide à la mobilité, telle que visée à l'article 278, sans qu'une nouvelle indication ne soit requise à cet effet.
  La demande de passage à une autre aide à la mobilité visée à l'alinéa premier est motivée par écrit à l'égard du fournisseur d'aides à la mobilité, qui conserve la motivation introduite. En vue de la motivation précitée, l'usager peut recourir à l'assistance d'une association d'usagers spécialisée dans le domaine des maladies dégénératives progressives.
  Par dérogation à l'alinéa premier, toute demande d'intervention pour [2 ne voiturette électronique, un scooter électronique, une assistance électronique pour voiturette ou un système de commande]2 pour un usager qui dispose [1 d'une voiturette standard, d'une voiturette modulaire, d'une voiturette de maintien et de soins, d'une voiturette de maintien et de soins avec système d'assise à granulés ou d'une voiturette active ]1 doit impérativement être accompagnée d'une indication sous la forme d'un rapport d'avis " type de voiturette ", établi conformément à l'article 279, alinéa trois.
  
Afdeling 3. - Aankoop
Section 3. - Achat
Art. 286. In afwijking van artikel 278, kunnen gebruikers opteren voor de indiening van een aanvraag van een tegemoetkoming voor de aankoop van een standaardrolstoel, een modulaire rolstoel, een verzorgingsrolstoel, een actief rolstoel, [2 een elektronische rolstoel, een elektronische scooter, een elektronische hoepelondersteuning of een besturingssysteem]2, als met de huur van het mobiliteitshulpmiddel niet kan worden tegemoetgekomen aan de bijzondere noden van de gebruiker.
  Aanvragen, vermeld in het eerste lid, worden behandeld door de Bijzondere Technische Commissie conform de procedure, vermeld in titel 4, hoofdstuk 2, afdeling 1. De aanvragen worden behandeld met voorrang op de andere aanvragen die worden ingediend conform artikel 291 of 299.
  [1 Het mobiliteitshulpmiddel dat aan de gebruiker wordt verstrekt na goedkeuring van de aanvraag van een tegemoetkoming voor de aankoop van een mobiliteitshulpmiddel, is nieuw op het ogenblik dat het wordt afgeleverd.]1
  
Art. 286. Par dérogation à l'article 278, les usagers peuvent opter pour l'introduction d'une demande d'intervention pour l'achat d'une voiturette standard, d'une voiturette modulaire, d'une voiturette de soins, d'une voiturette active, [2 d'une voiturette électronique, d'un scooter électronique, d'une assistance électronique pour voiturette ou d'un système de commande ]2, lorsque la location de l'aide à la mobilité ne permet pas de répondre aux besoins particuliers de l'usager.
  Les demandes visées à l'alinéa premier sont traitées par la Commission technique spéciale, conformément à la procédure visée au titre 4, chapitre 2, section 1ère. Les demandes sont traitées en priorité par rapport aux autres demandes introduites conformément à l'article 291 ou 299.
  [1 L'aide à la mobilité qui est fournie à l'usager après approbation de la demande d'une intervention pour l'achat d'une aide à la mobilité est neuve au moment de sa livraison.]1
  
Art. 287. § 1. Aanvragen voor gebruikers met een snel degeneratieve aandoening van tegemoetkomingen voor de aankoop van andere mobiliteitshulpmiddelen dan de mobiliteitshulpmiddelen, vermeld in artikel 278, worden ingediend conform de vereenvoudigde aanvraagprocedure, als de mobiliteitshulpmiddelen in kwestie opgenomen zijn op de productlijst.
  [1 "In afwijking van het eerste lid worden aanvragen van tegemoetkomingen voor standaard drie- of vierwielfietsen ingediend conform de uitgebreide procedure en worden aanvragen van tegemoetkomingen voor zitdriewielfietsen, voor stasystemen, voor rolstoelonderstellen voor zitschelpen, voor modulair aanpasbare ziteenheden en voor [2 een aankoppelwiel of een elektronische aankoppeleenheid/trekeenheid]2ingediend conform de uitgebreide plus-procedure.]1.
  § 2. Aanvragen voor gebruikers met een snel degeneratieve aandoening van tegemoetkomingen voor andere mobiliteitshulpmiddelen dan de mobiliteitshulpmiddelen, vermeld in artikel 278, worden ingediend bij en behandeld door de Bijzondere Technische Commissie conform titel 4, hoofdstuk 2, afdeling 1, indien de mobiliteitshulpmiddelen in kwestie niet zijn opgenomen op de productlijst. De aanvragen worden behandeld met voorrang op de andere aanvragen die worden ingediend conform artikel 291 of 299.
  
Art. 287. § 1er. Les demandes d'intervention d'usagers souffrant d'une maladie dégénérative progressive en vue de l'achat d'aides à la mobilité autres que les aides à la mobilité visées à l'article 278 sont introduites conformément à la procédure de demande simplifiée, lorsque les aides à la mobilité en question figurent dans la liste des produits.
  [1 Par dérogation à l'alinéa 1er, les demandes d'intervention pour des tricycles ou quadricycles standard sont introduites conformément à la procédure étendue, et les demandes d'intervention pour des tricycles couchés, des systèmes de station debout, des châssis, des sièges-coquilles, des dossiers modulaires adaptables pour le soutien de la position assise, et [2 d'une roue d'accouplement ou d'une unité d'accouplement/unité de traction électronique ]2 sont introduites conformément à la procédure complémentaire étendue]1.
  § 2. Les demandes d'intervention d'usagers souffrant d'une maladie dégénérative progressive pour des aides à la mobilité autres que les aides à la mobilité visées à l'article 278 sont introduites et traitées auprès de la Commission technique spéciale, conformément au titre 4, chapitre 2, section 1ère, lorsque les aides à la mobilité en question figurent dans la liste des produits. Les demandes sont traitées en priorité par rapport aux autres demandes introduites conformément à l'article 291 ou 299.
  
Titel 4. - Aankoop
Titre 4. - Achat
HOOFDSTUK 1. - Binnen de productlijst
Chapitre 1er. - Dans la liste des produits
Art. 288. § 1. De vereenvoudigde aanvraagprocedure is van toepassing in het kader van de aanvraag van een tegemoetkoming voor de aankoop van een loophulpmiddel.
  De basisprocedure is van toepassing in het kader van de aanvraag van een tegemoetkoming voor de aankoop van een standaardrolstoel.
  De uitgebreide procedure is van toepassing in het kader van de aanvraag van een tegemoetkoming voor de aankoop van de volgende mobiliteitshulpmiddelen:
  1° een modulaire rolstoel;
  2° een verzorgingsrolstoel;
  3° een elektronische binnenscooter;
  4° een standaard drie- of vierwielfiets;
  5° een manuele kinderrolstoel.
  [1 6° een verzorgingsrolstoel met korrelzitsysteem.]1
  De uitgebreide plus-procedure is van toepassing in het kader van de aanvraag van een tegemoetkoming voor de aankoop van de volgende mobiliteitshulpmiddelen:
  1° een elektronische kinderrolstoel;
  2° een actief rolstoel;
  3° een actief rolstoel met individuele maatvoering;
  4° een elektronische rolstoel;
  5° een elektronische binnen- of buitenscooter;
  6° een elektronische buitenscooter;
  7° een rolstoelonderstel voor een zitschelp;
  8° een rolstoelonderstel voor een modulair aanpasbare ziteenheid;
  9° een statafel;
  10° een rolstoel met mechanische of elektronische sta-functie;
  11° een zitdriewielfiets.
  [2 12° een elektronische hoepelondersteuning.]2
  [3 13° een aankoppelwiel;
   14° een elektronische aankoppeleenheid/trekeenheid.]3

  § 2. De omvang van de tegemoetkomingen voor de aankoop van een mobiliteitshulpmiddel als vermeld in het eerste lid, wordt bepaald door de minister.
  
Art. 288. § 1er. La procédure de demande simplifiée s'applique dans le cadre de la demande d'intervention pour l'achat d'une aide à la mobilité.
  La procédure de base s'applique dans le cadre de la demande d'intervention pour l'achat d'une voiturette standard.
  La procédure étendue s'applique dans le cadre de la demande d'intervention pour l'achat d'une des aides à la mobilité suivantes :
  1° une voiturette modulaire ;
  2° une voiturette de soins ;
  3° un scooter électronique pour l'intérieur ;
  4° un tricycle ou quadricycle standard ;
  5° une voiturette manuelle pour enfants.
  [1 6° une voiturette de maintien et de soins avec système d'assise à granulés.]1
  La procédure complémentaire étendue s'applique dans le cadre de la demande d'intervention pour l'achat d'une des aides à la mobilité suivantes :
  1° une voiturette électronique pour enfants ;
  2° une voiturette active ;
  3° une voiturette active aux dimensions individualisées ;
  4° une voiturette électronique ;
  5° un scooter électronique pour l'intérieur ou l'extérieur ;
  6° un scooter électronique pour l'extérieur ;
  7° un châssis pour siège-coquille ;
  8° un dossier modulaire adaptable pour le soutien de la position assise ;
  9° un cadre de marche ;
  10° une voiturette avec fonction debout mécanique ou électronique ;
  11° un tricycle couché.
  [2 12° un système d'assistance électronique pour fauteuil roulant. ]2
  [3 13° une roue d'accouplement ;
   14° une unité d'accouplement/unité de traction électronique. ]3

  § 2. Le Ministre détermine le montant des interventions pour l'achat d'une aide à la mobilité telle que visée à l'alinéa premier.
  
Art. 289. Na de beslissing tot goedkeuring van de tegemoetkoming die is aangevraagd voor de aankoop van een mobiliteitshulpmiddel als vermeld in artikel 288, § 1, eerste of tweede lid, wordt het mobiliteitshulpmiddel in kwestie afgeleverd door de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen aan de gebruiker binnen vijftien werkdagen na de kennisgeving van de goedkeuring. Die termijn is alleen bij overmacht verlengbaar tot dertig werkdagen, waarbij de bewijslast rust op de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen, die de redenen van de overmacht meldt aan de zorgkas.
  Na de beslissing tot goedkeuring van de tegemoetkoming die is aangevraagd voor de aankoop van een mobiliteitshulpmiddel als vermeld in artikel 288, § 1, derde of vierde lid, wordt het mobiliteitshulpmiddel in kwestie afgeleverd door de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen aan de gebruiker binnen dertig werkdagen na de kennisgeving van de goedkeuring. Die termijn is alleen bij overmacht verlengbaar tot zestig werkdagen, waarbij de bewijslast rust op de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen, die de redenen van de overmacht meldt aan de zorgkas.
  Als er op het moment van de kennisgeving van de goedkeuring nog een opzeggingstermijn loopt ingevolge de opzegging van een huurovereenkomst met betrekking tot een ander mobiliteitshulpmiddel, begint de afleveringstermijn, in afwijking van het eerste en het tweede lid, slechts te lopen na afloop van die opzeggingstermijn.
  § 2. De aflevering van een mobiliteitshulpmiddel waarvoor slechts een gedeeltelijke goedkeuring werd verkregen, kan maar plaatsvinden na bevestiging van de aankoop door de gebruiker ten aanzien van de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen.
  [1 Het mobiliteitshulpmiddel dat aan de gebruiker wordt verstrekt na goedkeuring van de aanvraag van een tegemoetkoming voor de aankoop van een mobiliteitshulpmiddel, is nieuw op het ogenblik dat het wordt afgeleverd.]1
  
Art. 289. Après la décision d'acceptation de l'intervention demandée pour l'achat d'une aide à la mobilité telle que visée à l'article 288, alinéa premier ou deux, l'aide à la mobilité en question est remise à l'usager par le fournisseur d'aides à la mobilité dans les quinze jours ouvrables qui suivent la notification de l'acceptation. Le délai précité ne peut être prolongé à trente jours ouvrables qu'en cas de force majeure, auquel cas la charge de la preuve repose sur le fournisseur d'aides à la mobilité, qui notifie les motifs du cas de force majeure à la caisse d'assurance soins.
  Après la décision d'acceptation de l'intervention demandée pour l'achat d'une aide à la mobilité telle que visée à l'article 288, § 1er, alinéa trois ou quatre, l'aide à la mobilité en question est remise à l'usager par le fournisseur d'aides à la mobilité dans les trente jours ouvrables qui suivent la notification de l'acceptation. Le délai précité ne peut être prolongé à soixante jours ouvrables qu'en cas de force majeure, auquel cas la charge de la preuve repose sur le fournisseur d'aides à la mobilité, qui notifie les motifs du cas de force majeure à la caisse d'assurance soins.
  Lorsque, au moment de la notification de l'acceptation, un délai de résiliation est toujours en cours à la suite de la résiliation d'un contrat de location relatif à une autre aide à la mobilité, le délai de remise ne commence qu'à courir, par dérogation aux alinéas premier et deux, qu'à l'expiration du délai de résiliation en question.
  § 2. La remise d'une aide à la mobilité pour laquelle seule une acceptation partielle a été obtenue ne peut avoir lieu qu'après confirmation de l'achat par l'usager vis-à-vis du fournisseur d'aides à la mobilité.
  [1 § 3. L'aide à la mobilité qui est fournie à l'usager après approbation de la demande d'une intervention pour l'achat d'une aide à la mobilité est neuve au moment de sa livraison.]1
  
Art. 290. Bij de aflevering van een mobiliteitshulpmiddel conform de bepalingen van dit hoofdstuk ondertekenen de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen en de gebruiker een afleveringsdocument, waarvan het model door de minister wordt bepaald.
  De verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen bezorgt aan de gebruiker onmiddellijk een kopie van het ondertekende afleveringsdocument.
Art. 290. Lors de la remise d'une aide à la mobilité conformément aux dispositions du présent chapitre, le fournisseur d'aides à la mobilité et l'usager signent un document de remise, dont le modèle est défini par le Ministre.
  Le fournisseur d'aides à la mobilité remet immédiatement à l'usager une copie du document de remise signé.
HOOFDSTUK 2. - Buiten de productlijst - bijkomende tegemoetkoming
Chapitre 2. - En dehors de la liste des produits - intervention complémentaire
Afdeling 1. - Mobiliteitshulpmiddelen die niet zijn opgenomen op de productlijst
Section 1ère. - Aides à la mobilité ne figurant pas dans la liste des produits
Art. 291. Als het mobiliteitshulpmiddel waarvoor de gebruiker in aanmerking komt na evaluatie door de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen tot wie hij zich heeft gewend, niet is opgenomen op de productlijst, kan de gebruiker een aanvraag indienen voor een tegemoetkoming op basis van bijzondere noden.
Art. 291. Lorsque l'aide à la mobilité pour laquelle l'usager est pris en compte après évaluation par le fournisseur d'aides à la mobilité auquel il s'est adressé ne figure pas dans la liste des produits, l'usager peut introduire une demande d'intervention sur la base de besoins particuliers.
Art. 292. Bij de aanvraag, vermeld in artikel 291, worden de volgende documenten gevoegd:
  1° een indicatiestelling in de vorm van een rolstoeladviesrapport, opgemaakt door een rolstoeladviesteam conform titel 7, hoofdstuk 2;
  2° een motiveringsrapport, opgesteld door de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen, waarvan het model door de minister wordt bepaald;
  3° een testrapport, opgesteld door de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen conform artikel 311, waaruit blijkt dat de test heeft plaatsgevonden met het mobiliteitshulpmiddel waarop de aanvraag betrekking heeft, als het gaat om een aanvraag van een tegemoetkoming voor een elektronische rolstoel of een elektronische scooter.
  [1 4° een aanvraagformulier, ondertekend door de verstrekker en de gebruiker.]1
  
Art. 292. La demande visée à l'article 291 est accompagnée des documents suivants :
  1° une indication sous la forme d'un rapport d'avis " type de voiturette ", établi par une équipe consultative " type de voiturette ", conformément au titre 7, chapitre 2 ;
  2° un rapport de motivation, établi par le fournisseur d'aides à la mobilité, et dont le modèle est défini par le Ministre ;
  3° un rapport de test, établi par le fournisseur d'aides à la mobilité conformément à l'article 311, dont il ressort que le test a eu lieu avec l'aide à la mobilité sur laquelle porte la demande, lorsque la demande d'intervention concerne une voiturette électronique ou un scooter électronique.
  [1 4° un formulaire de demande signé par le fournisseur et l'usager.]1
  
Art. 293. De aanvraag van de tegemoetkoming, vermeld in artikel 291, moet ook een bestek bevatten van het mobiliteitshulpmiddel waarvoor een tegemoetkoming wordt aangevraagd. De minister kan bepalen welke gegevens het bestek minstens moet bevatten.
Art. 293. La demande d'intervention visée à l'article 291 doit également contenir un devis du coût de l'aide à la mobilité pour laquelle l'intervention est demandée. Le ministre peut déterminer les données essentielles à inclure dans le devis.
Art. 294. De gebruiker dient de aanvraag, vermeld in artikel 291, in bij de zorgkas waarbij hij is aangesloten en voegt daarbij [1 een aanvraagformulier, ondertekend door de verstrekker en de gebruiker,]1 het rolstoeladviesrapport, het motiveringsrapport, het bestek en, in voorkomend geval, het testrapport.
  De zorgkas is belast met een controle van de verzekeringsstatus van de gebruiker en van de vergoedingsvoorwaarden en vraagt, als dat nodig is, ontbrekende informatie op. De minister kan nader bepalen wat onder ontbrekende informatie moet worden verstaan.
  
Art. 294. L'usager introduit la demande visée à l'article 291 auprès de la caisse d'assurance soins à laquelle il est affilié et joint à sa demande [1 un formulaire de demande signé par le fournisseur et l'usager,]1 le rapport d'avis " type de voiturette ", le rapport de motivation, le devis et, le cas échéant, le rapport de test.
  La caisse d'assurance soins est chargée de contrôler le statut d'assurance de l'usager ainsi que les conditions de remboursement et demande, si nécessaire, à obtenir les informations manquantes. Le ministre peut définir ce qu'il y a lieu d'entendre par " informations manquantes ".
  
Art. 295. Bij een positief resultaat van de controle, vermeld in artikel 294, tweede lid, wordt de aanvraag bezorgd aan de Zorgkassencommissie, die binnen tien werkdagen na de dag van de ontvangst van de aanvraag, een advies uitbrengt aan de zorgkas over de ontvankelijkheid van de aanvraag. De adviesverlening door de Zorgkassencommissie gebeurt multidisciplinair, door een arts en een expert.
  Bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van de aanvraag houdt de Zorgkassencommissie rekening met de volgende elementen:
  1° het moet een aanvraag betreffen van een tegemoetkoming voor een mobiliteitshulpmiddel dat niet is opgenomen op de productlijst;
  2° de kosten ten laste van de gebruiker moeten ten minste 300 euro bedragen, inclusief btw;
  3° de vraag om de aanvraag voor te leggen aan de Bijzondere Technische Commissie moet gemotiveerd zijn;
  4° de beperking van de mobiliteit van de gebruiker moet van dezelfde aard zijn als vereist voor de tegemoetkoming van een gelijkaardig mobiliteitshulpmiddel, vermeld op de productlijst;
  5° de aanvraag moet voldoen aan de voorwaarden, vermeld in bijlage 5, die bij dit besluit is gevoegd.
  De voorwaarde, vermeld in het tweede lid, 2°, geldt niet voor gebruikers die zich bevinden in een behartigenswaardige situatie, vermeld in artikel 46 van het decreet van 18 mei 2018.
Art. 295. En cas de résultat positif du contrôle visé à l'article 294, alinéa deux, la demande est transmise à la Commission des caisses d'assurance soins, qui rend un avis à la caisse d'assurance soins en rapport avec la recevabilité de la demande dans les dix jours ouvrables qui suivent la réception de la demande. L'avis de la Commission des caisses d'assurance soins est rendu de manière multidisciplinaire par un médecin et un expert.
  Lors de l'appréciation de la recevabilité de la demande, la Commission des caisses d'assurance soins tient compte des éléments suivants :
  1° il doit s'agir d'une demande d'intervention pour une aide à la mobilité qui ne figure pas dans la liste des produits ;
  2° les frais à charge de l'usager doivent être d'au moins 300 euros, TVA incluse ;
  3° la demande qui vise à soumettre la demande à la Commission technique spéciale doit être motivée ;
  4° la restriction de la mobilité de l'usager doit être de nature identique à celle qui est requise pour l'intervention d'une aide à la mobilité similaire, mentionnée dans la liste des produits ;
  5° la demande doit remplir les conditions énoncées à l'annexe 5, jointe au présent arrêté.
  La condition visée à l'alinéa deux, 2°, ne s'applique pas aux usagers qui se trouvent dans une situation digne d'intérêt visée à l'article 46 du décret du 18 mai 2018.
Art. 296. § 1. De zorgkas neemt na eensluidend advies van de Zorgkassencommissie conform artikel 295, een beslissing tot ontvankelijkheid of niet-ontvankelijkheid van de aanvraag.
  De beslissing, vermeld in het eerste lid, wordt door de zorgkas genomen binnen vijf werkdagen die volgen op de indiening van de aanvraag, met dien verstande dat die termijn wordt geschorst zolang de adviestermijn van de Zorgkassencommissie loopt.
  De beslissingstermijn van de zorgkas, vermeld in het tweede lid, wordt ook geschorst als de zorgkas ontbrekende informatie opvraagt conform artikel 294, § 2, tweede lid, en begint opnieuw te lopen op de werkdag na de dag van de ontvangst van de opgevraagde informatie.
  § 2. De zorgkas brengt de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen op de hoogte van de beslissing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid.
  De zorgkas brengt ook de gebruiker op de hoogte van de beslissing tot niet-ontvankelijkheid, van de reden van de niet-ontvankelijkheid en van de beroepsmogelijkheden en de termijnen waarin het beroep moet worden aangetekend.
Art. 296. § 1er. Après avis conforme rendu par la Commission des caisses d'assurance soins conformément à l'article 295, la caisse d'assurance soins prend une décision de recevabilité ou d'irrecevabilité de la demande.
  La décision visée à l'alinéa premier est prise par la caisse d'assurance soins dans les cinq jours ouvrables qui suivent l'introduction de la demande, étant entendu que le délai est suspendu tant que le délai nécessaire à l'avis de la Commission des caisses d'assurance soins est en cours.
  Le délai de décision de la caisse d'assurance soins visé à l'alinéa deux est également suspendu lorsque la caisse d'assurance soins demande à obtenir des informations manquantes conformément à l'article 294, § 2, alinéa deux, et recommence à courir le jour ouvrable qui suit la date de réception des informations demandées.
  § 2. La caisse d'assurance soins informe le fournisseur d'aides à la mobilité de la décision visée au paragraphe 1er, alinéa premier.
  La caisse d'assurance soins informe également l'usager de la décision d'irrecevabilité, du motif de l'irrecevabilité ainsi que des possibilités de recours et des délais dans lesquels le recours doit être formé.
Art. 297. De beslissing tot ontvankelijkheid van de aanvraag wordt gevolgd door de agendering van de aanvraag voor advies op de bijeenkomst van de Bijzondere Technische Commissie.
  De Bijzondere Technische Commissie brengt, binnen 45 werkdagen na de beslissing tot ontvankelijkheid, een advies uit aan de zorgkas over de toekenning van de tegemoetkoming, geheel of gedeeltelijk, die is aangevraagd conform artikel 291, en over de toepasselijke regels voor de hernieuwing, de cumul en het onderhoud en de herstelling.
  De Bijzondere Technische Commissie kan bijkomende informatie opvragen bij de gebruiker, bij de arts die het medisch voorschrift heeft ingevuld, bij het rolstoeladviesteam dat het rolstoeladviesrapport heeft opgesteld of bij de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen die de aanvraag heeft ingediend namens de gebruiker, als zij dat noodzakelijk acht in het kader van haar adviesopdracht. Als de Bijzondere Technische Commissie bijkomende informatie opvraagt, wordt de termijn vermeld in het tweede lid, geschorst en begint die termijn opnieuw te lopen op de werkdag volgend op de dag van ontvangst van de opgevraagde informatie.
Art. 297. La décision de recevabilité de la demande est suivie de l'inscription de la demande d'avis à l'ordre du jour de l'assemblée de la Commission technique spéciale.
  Dans les 45 jours ouvrables qui suivent la décision de recevabilité, la Commission technique spéciale rend un avis à la caisse d'assurance soins en rapport avec l'octroi total ou partiel de l'intervention demandée conformément à l'article 291, et avec les règles applicables au renouvellement, au cumul, à l'entretien et à la réparation.
  La Commission technique spéciale peut demander des informations complémentaires à l'usager, au médecin qui a rédigé la prescription médicale, à l'équipe consultative " type de voiturette " qui a établi le rapport d'avis " type de voiturette " ou au fournisseur d'aides à la mobilité qui a introduit la demande au nom de l'usager, lorsqu'elle juge lesdites informations nécessaires dans le cadre de sa mission de consultance. Lorsque la Commission technique spéciale demande des informations complémentaires, le délai visé à l'alinéa deux est suspendu et recommence à courir le jour ouvrable qui suit la date de réception des informations demandées.
Art. 298. § 1. De zorgkas neemt, binnen vijf werkdagen na de ontvangst van het eensluidend advies van de Bijzondere Technische Commissie, een beslissing tot goedkeuring, al dan niet gedeeltelijk, of tot weigering van de aangevraagde tegemoetkoming en over de toepasselijke regels voor de hernieuwing, de cumul en het onderhoud en de herstelling.
  De zorgkas brengt de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen op de hoogte van de beslissing tot goedkeuring of weigering, vermeld in het eerste lid. De zorgkas brengt ook de gebruiker op de hoogte van de beslissing tot goedkeuring of weigering van de aangevraagde tegemoetkoming, in voorkomend geval van de reden van de weigering en van de beroepsmogelijkheden en de termijnen waarin het beroep moet worden aangetekend. De zorgkas brengt ook het betrokken rolstoeladviesteam op de hoogte van de beslissing tot weigering van de aangevraagde tegemoetkoming en van de motivering van die beslissing.
  § 2. Na de beslissing tot toekenning van de tegemoetkoming, wordt het mobiliteitshulpmiddel in kwestie afgeleverd door de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen aan de gebruiker.
  De aflevering van een mobiliteitshulpmiddel waarvoor slechts een gedeeltelijke goedkeuring werd verkregen, kan maar plaatsvinden na bevestiging van de aankoop door de gebruiker ten aanzien van de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen.
  [1 § 2/1. Het mobiliteitshulpmiddel dat aan de gebruiker wordt verstrekt na goedkeuring van de aanvraag van een tegemoetkoming voor de aankoop van een mobiliteitshulpmiddel, is nieuw op het ogenblik dat het wordt afgeleverd.]1
  § 3. Bij de aflevering van het mobiliteitshulpmiddel in kwestie ondertekenen de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen en de gebruiker een afleveringsdocument, waarvan het model door de minister wordt bepaald.
  De verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen bezorgt aan de gebruiker onmiddellijk een kopie van het ondertekende afleveringsdocument.
  
Art. 298. § 1er. Dans les cinq jours ouvrables qui suivent la réception de l'avis conforme de la Commission technique spéciale, la caisse d'assurance soins prend une décision d'acceptation totale ou partielle ou de refus de l'intervention demandée ainsi qu'en rapport avec les règles applicables au renouvellement, au cumul, à l'entretien et à la réparation.
  La caisse d'assurance soins informe le fournisseur d'aides à la mobilité de la décision d'acceptation ou de refus visée à l'alinéa premier. La caisse d'assurance soins informe également l'usager de la décision d'acceptation ou de refus de l'intervention demandée, et mentionne le cas échéant le motif du refus ainsi que les possibilités de recours et les délais dans lesquels le recours doit être formé. L'équipe consultative " type de voiturette " concernée est également informée par la caisse d'assurance soins de la décision de refuser l'intervention demandée ainsi que de la motivation de ladite décision.
  § 2. Après la décision d'octroi de l'intervention demandée, l'aide à la mobilité en question est remise à l'usager par le fournisseur d'aides à la mobilité.
  La remise d'une aide à la mobilité pour laquelle seule une acceptation partielle a été obtenue ne peut avoir lieu qu'après confirmation de l'achat par l'usager vis-à-vis du fournisseur d'aides à la mobilité.
  [1 § 2/1. L'aide à la mobilité qui est fournie à l'usager après approbation de la demande d'une intervention pour l'achat d'une aide à la mobilité est neuve au moment de sa livraison. ]1
  § 3. Lors de la remise de l'aide à la mobilité en question, le fournisseur d'aides à la mobilité et l'usager signent un document de remise, dont le modèle est défini par le Ministre.
  Le fournisseur d'aides à la mobilité remet immédiatement à l'usager une copie du document de remise signé.
  
Afdeling 2. - Bijkomende tegemoetkoming
Section 2. - Intervention complémentaire
Art. 299. Als de gebruiker belast is met de betaling van een supplement op het mobiliteitshulpmiddel waarvoor hij een tegemoetkoming aanvraagt en als op basis van de specificiteit van de noden van de gebruiker een bijkomende tegemoetkoming voor dat supplement verantwoord is, kan hij tezelfdertijd een bijkomende tegemoetkoming aanvragen.
Art. 299. Lorsque l'usager est chargé du paiement d'un supplément pour l'aide à la mobilité pour laquelle il demande une intervention, et qu'une intervention complémentaire pour le supplément en question est justifiée sur la base de la spécificité des besoins de l'usager, il peut en même temps demander une intervention complémentaire.
Art. 300. Artikel 292 is van overeenkomstige toepassing op aanvragen die worden ingediend in het kader van deze afdeling.
Art. 300. L'article 292 s'applique par analogie aux demandes introduites dans le cadre de la présente section.
Art. 301. De gebruiker dient de aanvraag, vermeld in artikel 299, in bij de zorgkas waarbij hij is aangesloten en voegt daarbij [1 een aanvraagformulier, ondertekend door de verstrekker en de gebruiker,]1 het rolstoeladviesrapport, het motiveringsrapport en, in voorkomend geval, het testrapport.
  
Art. 301. L'usager introduit la demande visée à l'article 299 auprès de la caisse d'assurance soins à laquelle il est affilié et joint à sa demande [1 un formulaire de demande signé par le fournisseur et l'usager,]1 le rapport d'avis " type de voiturette ", le rapport de motivation et, le cas échéant, le rapport de test.
  
Art. 302. De zorgkas is belast met een controle van de verzekeringsstatus van de gebruiker en van de vergoedingsvoorwaarden en vraagt, als dat nodig is, ontbrekende informatie op. De minister kan nader bepalen wat onder ontbrekende informatie moet worden verstaan.
Art. 302. La caisse d'assurance soins est chargée de contrôler le statut d'assurance de l'usager ainsi que les conditions de remboursement et demande, si nécessaire, à obtenir les informations manquantes. Le ministre peut définir ce qu'il y a lieu d'entendre par " informations manquantes ".
Art. 303. § 1. Bij een positief resultaat van de controle, vermeld in artikel 302, wordt de aanvraag bezorgd aan de Zorgkassencommissie, die binnen tien werkdagen na de dag van de ontvangst van de aanvraag, een advies uitbrengt aan de zorgkas over:
  1° de indicatiestelling en de evaluatie door de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen van het mobiliteitshulpmiddel waarvoor de gebruiker in aanmerking komt, conform artikel 260;
  2° de ontvankelijkheid van de aanvraag van de bijkomende tegemoetkoming.
  De adviesverlening door de Zorgkassencommissie gebeurt, afhankelijk van het mobiliteitshulpmiddel waarvoor een tegemoetkoming wordt aangevraagd, monodisciplinair of multidisciplinair.
  § 2. Bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van de aanvraag, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 2°, houdt de Zorgkassencommissie rekening met de volgende elementen:
  1° de kosten ten laste van de gebruiker moeten ten minste 300 euro bedragen, inclusief btw;
  2° de vraag om de aanvraag voor te leggen aan de Bijzondere Technische Commissie moet gemotiveerd zijn.
  De voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 1°, geldt niet voor gebruikers die zich bevinden in een behartigenswaardige situatie, vermeld in artikel 46 van het decreet van 18 mei 2018.
Art. 303. § 1er. En cas de résultat positif du contrôle visé à l'article 302, la demande est transmise à la Commission des caisses d'assurance soins, qui rend un avis à la caisse d'assurance soins dans les dix jours ouvrables qui suivent la réception de la demande. L'avis précité porte sur les éléments suivants :
  1° l'indication et l'évaluation par le fournisseur d'aides à la mobilité de l'aide à la mobilité pour laquelle l'usager est pris en compte, conformément à l'article 260 ;
  2° la recevabilité de la demande d'intervention complémentaire.
  L'avis de la Commission des caisses d'assurance soins est rendu de manière monodisciplinaire ou multidisciplinaire, en fonction de l'aide à la mobilité pour laquelle une intervention est demandée.
  § 2. Lors de l'appréciation de la recevabilité de la demande visée au paragraphe 1er, alinéa premier, 2°, la Commission des caisses d'assurance soins tient compte des éléments suivants :
  1° les frais à charge de l'usager doivent être d'au moins 300 euros, TVA incluse ;
  2° la demande qui vise à soumettre la demande à la Commission technique spéciale doit être motivée ;
  La condition visée à l'alinéa premier, 1°, ne s'applique pas aux usagers qui se trouvent dans une situation digne d'intérêt visée à l'article 46 du décret du 18 mai 2018.
Art. 304. § 1. De zorgkas neemt na eensluidend advies van de Zorgkassencommissie conform artikel 303, een beslissing tot:
  1° goedkeuring, al dan niet gedeeltelijk, of weigering van de aangevraagde tegemoetkoming;
  2° ontvankelijkheid of niet-ontvankelijkheid van de aanvraag van de bijkomende tegemoetkoming.
  De beslissing, vermeld in het eerste lid, wordt door de zorgkas genomen binnen vijf werkdagen die volgen op de indiening van de aanvraag, met dien verstande dat die termijn wordt geschorst zolang de adviestermijn van de Zorgkassencommissie loopt.
  De beslissingstermijn van de zorgkas, vermeld in het tweede lid, wordt ook geschorst als de zorgkas ontbrekende informatie opvraagt conform artikel 302, en begint opnieuw te lopen op de werkdag na de dag van ontvangst van de opgevraagde informatie.
  § 2. De zorgkas brengt de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen op de hoogte van de beslissing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid.
  De zorgkas brengt ook de gebruiker op de hoogte van de beslissing tot weigering van de aangevraagde tegemoetkoming of van de beslissing tot goedkeuring van de aangevraagde tegemoetkoming en tot niet-ontvankelijkheid van de aangevraagde bijkomende tegemoetkoming, van de redenen van de weigering of de niet-ontvankelijkheid en van de beroepsmogelijkheden en de termijnen waarin het beroep moet worden aangetekend.
  De zorgkas brengt ook het betrokken rolstoeladviesteam op de hoogte van de beslissing tot weigering van de aangevraagde tegemoetkoming en van de motivering van die beslissing.
Art. 304. § 1er. Après avis conforme rendu par la Commission des caisses d'assurance soins conformément à l'article 303, la caisse d'assurance soins prend une décision :
  1° d'acceptation, éventuellement partielle, ou de refus de l'intervention demandée ;
  2° de recevabilité ou d'irrecevabilité de la demande d'intervention complémentaire.
  La décision visée à l'alinéa premier est prise par la caisse d'assurance soins dans les cinq jours ouvrables qui suivent l'introduction de la demande, étant entendu que le délai est suspendu tant que le délai nécessaire à l'avis de la Commission des caisses d'assurance soins est en cours.
  Le délai de décision de la caisse d'assurance soins visé à l'alinéa deux est également suspendu lorsque la caisse d'assurance soins demande à obtenir des informations manquantes conformément à l'article 302, et recommence à courir le jour ouvrable qui suit la date de réception des informations demandées.
  § 2. La caisse d'assurance soins informe le fournisseur d'aides à la mobilité de la décision visée au paragraphe 1er, alinéa premier.
  La caisse d'assurance soins informe également l'usager de la décision d'acceptation ou de refus de l'intervention demandée, ou de la décision d'acceptation de l'intervention demandée et d'irrecevabilité de l'intervention complémentaire demandée, des motifs du refus ou de l'irrecevabilité ainsi que des possibilités de recours et des délais dans lesquels le recours doit être formé.
  L'équipe consultative " type de voiturette " concernée est également informée par la caisse d'assurance soins de la décision de refuser l'intervention demandée ainsi que de la motivation de ladite décision.
Art. 305. De beslissing tot goedkeuring van de aangevraagde tegemoetkoming en tot ontvankelijkheid van de aanvraag van de bijkomende tegemoetkoming wordt gevolgd door de agendering van de aanvraag voor advies op de bijeenkomst van de Bijzondere Technische Commissie.
  De Bijzondere Technische Commissie brengt, binnen 45 werkdagen die volgen op beslissing tot ontvankelijkheid, een advies uit aan de zorgkas over de toekenning van de bijkomende tegemoetkoming, geheel of gedeeltelijk, aangevraagd conform artikel 299.
  De Bijzondere Technische Commissie kan bijkomende informatie opvragen bij de gebruiker, bij de arts die het medisch voorschrift heeft ingevuld, bij het rolstoeladviesteam dat het rolstoeladviesrapport heeft opgesteld of bij de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelendie de aanvraag heeft ingediend namens de gebruiker, als zij dat noodzakelijk acht in het kader van haar adviesopdracht. Als de Bijzondere Technische Commissie bijkomende informatie opvraagt, wordt de termijn, vermeld in het tweede lid, geschorst en begint die termijn opnieuw te lopen op de werkdag na de dag van ontvangst van de opgevraagde informatie.
Art. 305. La décision d'acceptation de l'intervention demandée et de recevabilité de la demande d'intervention complémentaire est suivie de l'inscription de la demande d'avis à l'ordre du jour de l'assemblée de la Commission technique spéciale.
  Dans les 45 jours ouvrables qui suivent la décision de recevabilité, la Commission technique spéciale rend un avis à la caisse d'assurance soins en rapport avec l'octroi total ou partiel de l'intervention complémentaire demandée conformément à l'article 299.
  La Commission technique spéciale peut demander des informations complémentaires à l'usager, au médecin qui a rédigé la prescription médicale, à l'équipe consultative " type de voiturette " qui a établi le rapport d'avis " type de voiturette " ou au fournisseur d'aides à la mobilité qui a introduit la demande au nom de l'usager, lorsqu'elle juge lesdites informations nécessaires dans le cadre de sa mission de consultance. Lorsque la Commission technique spéciale demande des informations complémentaires, le délai visé à l'alinéa deux est suspendu et recommence à courir le jour ouvrable qui suit la date de réception des informations demandées.
Art. 306. De zorgkas neemt, binnen vijf werkdagen na de ontvangst van het eensluidend advies van de Bijzondere Technische Commissie, een beslissing tot goedkeuring, al dan niet gedeeltelijk, of tot weigering van de bijkomende tegemoetkoming.
  De zorgkas brengt de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen op de hoogte van de beslissing tot goedkeuring of weigering, vermeld in het eerste lid. De zorgkas brengt ook de gebruiker op de hoogte van de beslissing tot goedkeuring of weigering, in voorkomend geval van de reden van de weigering en van de beroepsmogelijkheden en de termijnen waarin het beroep moet worden aangetekend.
Art. 306. Dans les cinq jours ouvrables qui suivent la réception de l'avis conforme de la Commission technique spéciale, la caisse d'assurance soins prend une décision d'acceptation totale ou partielle ou de refus de l'intervention complémentaire demandée.
  La caisse d'assurance soins informe le fournisseur d'aides à la mobilité de la décision d'acceptation ou de refus visée à l'alinéa premier. La caisse d'assurance soins informe également l'usager de la décision d'acceptation ou de refus, le cas échéant du motif du refus ainsi que des possibilités de recours et des délais dans lesquels le recours doit être formé.
Art. 307. Na de beslissing tot goedkeuring van de aangevraagde tegemoetkoming en nadat een beslissing is genomen over de toekenning van de aangevraagde bijkomende tegemoetkoming, wordt het mobiliteitshulpmiddel in kwestie afgeleverd door de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen aan de gebruiker.
  De aflevering van een mobiliteitshulpmiddel waarvoor slechts een gedeeltelijke goedkeuring van de aangevraagde tegemoetkoming werd verkregen of waarvoor de aanvraag van de bijkomende tegemoetkoming niet of slechts gedeeltelijk is goedgekeurd, kan maar plaatsvinden nadat de gebruiker de aankoop heeft bevestigd ten aanzien van de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen.
  Bij de aflevering van het mobiliteitshulpmiddel, vermeld in het eerste lid, ondertekenen de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen en de gebruiker een afleveringsdocument, waarvan het model door de minister wordt bepaald.
  De verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen bezorgt aan de gebruiker onmiddellijk een kopie van het ondertekende afleveringsdocument.
  [1 Het mobiliteitshulpmiddel dat aan de gebruiker wordt verstrekt na goedkeuring van de aanvraag van een tegemoetkoming voor de aankoop van een mobiliteitshulpmiddel, is nieuw op het ogenblik dat het wordt afgeleverd.]1
  
Art. 307. Après la décision d'acceptation de l'intervention demandée et après qu'une décision a été prise quant à l'octroi de l'intervention complémentaire demandée, l'aide à la mobilité en question est remise à l'usager par le fournisseur d'aides à la mobilité.
  La remise d'une aide à la mobilité pour laquelle seule une acceptation partielle de l'intervention demandée a été obtenue, ou pour laquelle la demande d'intervention complémentaire n'a pas été acceptée ou n'a été acceptée que partiellement, ne peut avoir lieu qu'après confirmation de l'achat par l'usager vis-à-vis du fournisseur d'aides à la mobilité.
  Lors de la remise de l'aide à la mobilité visée à l'alinéa premier, le fournisseur d'aides à la mobilité et l'usager signent un document de remise, dont le modèle est défini par le Ministre.
  Le fournisseur d'aides à la mobilité remet immédiatement à l'usager une copie du document de remise signé.
  [1 L'aide à la mobilité qui est fournie à l'usager après approbation de la demande d'une intervention pour l'achat d'une aide à la mobilité est neuve au moment de sa livraison.]1
  
HOOFDSTUK 3. - Forfaitaire tegemoetkoming
Chapitre 3. - Intervention forfaitaire
Art. 308. Een forfaitaire tegemoetkoming kan worden toegekend aan de gebruiker als hij een tegemoetkoming aanvraagt voor een ander mobiliteitshulpmiddel dan datgene waarvoor hij in aanmerking komt.
  Voor de aanvraag, vermeld in het eerste lid, wordt de procedure gevolgd die is bepaald voor het mobiliteitshulpmiddel waarvoor een tegemoetkoming wordt aangevraagd.
  In afwijking van het tweede lid, wordt de procedure gevolgd die is bepaald voor het mobiliteitshulpmiddel waarvoor de gebruiker in aanmerking komt, als de gebruiker onmiddellijk kiest voor een forfaitaire tegemoetkoming.
Art. 308. Une intervention forfaitaire peut être octroyée à l'usager lorsqu'il demande une intervention pour une aide à la mobilité autre que celle pour laquelle il est pris en compte.
  La demande visée à l'alinéa premier est introduite conformément à la procédure définie pour l'aide à la mobilité pour laquelle une intervention a été demandée.
  Par dérogation à l'alinéa deux, la procédure suivie est la procédure définie l'aide à la mobilité pour laquelle l'usager est pris en compte, lorsque l'usager opte immédiatement pour une intervention forfaitaire.
Art. 309. De omvang van de forfaitaire tegemoetkomingen en de nadere regels voor de forfaitaire tegemoetkoming worden bepaald door de minister.
Art. 309. Le Ministre définit le montant des interventions forfaitaires ainsi que les modalités de l'intervention forfaitaire.
Art. 310. Voor mobiliteitshulpmiddelen waarvoor een forfaitaire tegemoetkoming is toegekend, zijn de cumulregels van toepassing die opgenomen zijn in bijlage 3, die bij dit besluit is gevoegd, bij de subgroep van het mobiliteitshulpmiddel waarvoor de gebruiker in aanmerking komt.
Art. 310. Dans le cas des aides à la mobilité pour lesquelles une intervention forfaitaire a été octroyée, il y a lieu d'appliquer les règles de cumul figurant à l'annexe 3, jointe au présent arrêté, au sous-groupe de l'aide à la mobilité pour laquelle l'usager est pris en compte.
HOOFDSTUK 4. - Testrapport bij aankoop
Chapitre 4. - Rapport de test lors de l'achat
Art. 311. § 1. Als de aanvraag van de tegemoetkoming betrekking heeft op een elektronische rolstoel of een elektronische scooter, dient de aanvraag te worden voorafgegaan door de uitvoering van een test die aantoont dat het mobiliteitshulpmiddel is aangepast aan de noden van de gebruiker en aan het gebruik ervan in zijn woon- en leefomgeving en dat de gebruiker bekwaam is om het mobiliteitshulpmiddel in kwestie zinvol en veilig te gebruiken zowel binnenshuis als, in voorkomend geval, buiten op de openbare weg.
  De test, vermeld in het eerste lid, wordt uitgevoerd in de woonplaats of de woonomgeving van de gebruiker als het gaat om een elektronische rolstoel met uitzondering van de gevallen waarin het een hernieuwing betreft.
  De verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen stelt een rapport op over de test en gebruikt daarvoor het document waarvan het model door de minister wordt bepaald. De minister kan de elementen bepalen die de rapporten minstens moet bevatten.
  § 2. De test, vermeld in paragraaf 1, heeft ten minste betrekking op twee verschillende mobiliteitshulpmiddelen die aangepast zijn aan de noden van de gebruiker.
  Bij een van de twee mobiliteitshulpmiddelen, vermeld in het eerste lid, moet het gaan om een mobiliteitshulpmiddel waarvoor er geen supplementen zijn ten laste van de gebruiker, tenzij zulke mobiliteitshulpmiddelen niet zijn opgenomen op de productlijst.
  § 3. Per rapport als vermeld in paragraaf 1, derde lid, dat wordt opgemaakt in het kader van de aanvraag van een tegemoetkoming voor een elektronische rolstoel, ontvangt de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen een vergoeding waarvan de omvang is bepaald door de minister, met dien verstande dat er per gebruiker maar één rapport kan worden vergoed en dat de vergoeding alleen wordt uitbetaald als het testrapport effectief gevolgd wordt door de aanvraag van een tegemoetkoming voor een elektronische rolstoel [1 die wordt goedgekeurd en afgeleverd]1.
  [1 In afwijking van het eerste lid kan er ook een testrapport worden vergoed als de gebruiker is overleden tussen de goedkeuring van de aanvraag van een tegemoetkoming voor een elektronische rolstoel en het tijdstip waarop de aflevering van de elektronische rolstoel had moeten plaatsvinden . ]1
  
Art. 311. § 1er. Lorsque la demande d'intervention porte sur une voiturette électronique ou un scooter électronique, la demande doit être précédée de la réalisation d'un test qui démontre que l'aide à la mobilité a été adaptée aux besoins de l'usager et à l'utilisation de l'aide dans l'environnement de vie de l'usager, et que l'usager est capable d'utiliser l'aide à la mobilité en question de manière réfléchie et sûre, tant à l'intérieur que, le cas échéant, sur la voie publique.
  Le test visé à l'alinéa premier est réalisé dans l'habitation ou l'environnement de vie de l'usager lorsqu'il s'agit d'une voiturette électronique, à l'exception des cas dans lesquels il s'agit d'un renouvellement.
  Le fournisseur d'aides à la mobilité établit un rapport sur le test réalisé et utilise à cet effet le document dont le modèle est défini par le Ministre. Le Ministre peut déterminer les informations essentielles à inclure dans le rapport.
  § 2. Le test visé au paragraphe 1er porte au moins sur deux différentes aides à la mobilité devant être adaptées aux besoins de l'usager.
  Une des deux aides à la mobilité visées à l'alinéa premier doit être une aide à la mobilité pour laquelle aucun supplément n'est à charge de l'usager, à moins que les aides à la mobilité en question ne figurent pas dans la liste des produits.
  § 3. Pour chaque rapport tel que visé au paragraphe premier, alinéa trois, établi dans le cadre d'une demande d'intervention pour une voiturette électronique, le fournisseur d'aides à la mobilité perçoit une rémunération dont le montant est déterminé par le Ministre, étant entendu que la rémunération ne peut porter que sur un seul rapport par usager et que la rémunération est payée lorsque le rapport de test est effectivement suivi de la demande d'intervention pour une voiturette électronique [1 qui est approuvée et remise]1.
  [1 Par dérogation à l'alinéa 1er, un rapport de test peut également être rémunéré si l'usager est décédé entre l'approbation de la demande d'une intervention pour une voiturette électronique et le moment auquel la remise de la voiturette électronique aurait dû avoir lieu.]1
  
Art. 312. Als een aanvraag wordt ingediend van een forfaitaire tegemoetkoming conform artikel 308 voor een elektronische rolstoel of een elektronische scooter, moet een testrapport worden opgemaakt conform de voorwaarden en de procedures, vermeld in dit hoofdstuk.
Art. 312. Lorsqu'une demande d'intervention forfaitaire est introduite conformément à l'article 308 pour une voiturette électronique ou un scooter électronique, il y a lieu d'établir un rapport de test conformément aux conditions et procédures visées dans le présent chapitre.
HOOFDSTUK 5. - Tijdelijke huur voorafgaand aan de aankoop
Chapitre 5. - Location temporaire préalablement à l'achat
Art. 313. Deze afdeling is van toepassing op meerderjarige gebruikers met een beperking van de mobiliteit die een beroep gedaan hebben op locomotorische of neurologische revalidatie.
Art. 313. La présente section s'applique aux usagers majeurs qui souffrent d'une restriction de leur mobilité et qui ont suivi un programme de revalidation locomotrice ou neurologique.
Art. 314. § 1. De aanvraag door een gebruiker als vermeld in artikel 313 van een tegemoetkoming voor de aankoop van een standaardrolstoel, een modulaire rolstoel, een verzorgingsrolstoel of een actief rolstoel moet worden voorafgegaan door de tijdelijke huur van een standaardrolstoel, een modulaire rolstoel, een verzorgingsrolstoel of een actief rolstoel.
  De aanvraag door een gebruiker als vermeld in artikel 313 van een tegemoetkoming voor de aankoop van een elektronische rolstoel of een elektronische scooter, kan worden voorafgegaan door de tijdelijke huur van een standaardrolstoel, een modulaire rolstoel, een verzorgingsrolstoel of een actief rolstoel.
  Deze paragraaf is niet van toepassing op de aanvraag van een tegemoetkoming in het kader van de hernieuwing van een mobiliteitshulpmiddel en op de aanvraag van een tegemoetkoming voor een tweede rolstoel.
  § 2. De totale duurtijd van de tijdelijke huur, die betrekking kan hebben op verschillende rolstoelen die achtereenvolgens worden gehuurd, al dan niet bij verschillende verstrekkers van mobiliteitshulpmiddelen, bedraagt maximum zes maanden.
  § 3. Na de periode van tijdelijke huur van minimum drie maanden, kan de gebruiker een tegemoetkoming aanvragen voor de aankoop van een mobiliteitshulpmiddel, naargelang het geval conform de basisprocedure, de uitgebreide procedure of de uitgebreide plus-procedure.
  Het mobiliteitshulpmiddel dat aan de gebruiker wordt verstrekt na goedkeuring van de aanvraag van een tegemoetkoming voor de aankoop van een mobiliteitshulpmiddel, die is ingediend conform het eerste lid, moet nieuw zijn op het ogenblik van de aflevering.
  In afwijking van het tweede lid mag de rolstoel die aan de gebruiker wordt verstrekt, ook de rolstoel zijn die eerder ter beschikking is gesteld aan de gebruiker in kwestie in het kader van de tijdelijke huur, op voorwaarde dat de rolstoel op dat ogenblik nieuw was en nog niet eerder is ingezet in verkoop of in verhuur. In voorkomend geval begint de hernieuwingstermijn van het mobiliteitshulpmiddel te lopen op het ogenblik van de datum van de ondertekening van het afleveringsdocument.
Art. 314. § 1er. La demande d'intervention introduite par un usager tel que visé à l'article 313 en vue de l'achat d'une voiturette standard, d'une voiturette modulaire, d'une voiturette de soins ou d'une voiturette active doit être précédée de la location temporaire d'une voiturette standard, d'une voiturette modulaire, d'une voiturette de soins ou d'une voiturette active.
  La demande d'intervention introduite par un usager tel que visé à l'article 313 en vue de l'achat d'une voiturette électronique ou d'un scooter électronique peut être précédée de la location temporaire d'une voiturette standard, d'une voiturette modulaire, d'une voiturette de soins ou d'une voiturette active.
  Le présent paragraphe ne s'applique pas aux demandes d'intervention dans le cadre du renouvellement d'une aide à la mobilité ou aux demandes d'intervention pour une seconde voiturette.
  § 2. La durée totale de la location temporaire, qui peut porter sur différentes voiturettes louées successivement, éventuellement auprès de différents fournisseurs d'aides à la mobilité, ne peut être supérieure à six mois.
  § 3. A l'expiration de la période de location temporaire d'au moins trois mois, l'usager peut demander une intervention pour l'achat d'une aide à la mobilité, conformément à la procédure de base, à la procédure étendue ou à la procédure complémentaire étendue, selon le cas.
  L'aide à la mobilité octroyée à l'usager après acceptation de la demande d'intervention pour l'achat d'une aide à la mobilité, introduite conformément aux dispositions de l'alinéa premier, doit être neuve au moment de la remise.
  Par dérogation à l'alinéa deux, la voiturette fournie à l'usager peut également être la voiturette mise à la disposition de l'usager précédemment dans le cadre de la location temporaire, à la condition que, à ce moment-là, la voiturette ait été neuve et n'ait pas encore été mise en vente ou donnée en location. Le cas échéant, le délai de renouvellement de l'aide à la mobilité commence à courir à la date de signature du document de remise.
Art. 315. Voor de tijdelijke huur van een mobiliteitshulpmiddel, vermeld in artikel 314, kan een tegemoetkoming worden toegekend.
  Artikel 262 is van overeenkomstige toepassing.
Art. 315. Une intervention peut être octroyée pour la location temporaire d'une aide à la mobilité visée à l'article 314.
  L'article 262 s'applique par analogie.
Art. 316. § 1. De tegemoetkoming voor de tijdelijke huur van een mobiliteitshulpmiddel, vermeld in artikel 315, wordt toegekend op basis van een indicatiestelling, die de invulling betreft van een medisch voorschrift door een arts [1 , en een aanvraagformulier, ondertekend door de verstrekker en de gebruiker]1.
  In het medisch voorschrift, vermeld in het eerste lid, maakt de arts melding van de revalidatie van de gebruiker, vermeld in artikel 313.
  § 2. De gebruiker wendt zich met het medisch voorschrift, vermeld in paragraaf 1, tot een verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen van zijn keuze, die, in overeenstemming met het medisch voorschrift, een evaluatie maakt van het mobiliteitshulpmiddel waarvoor de gebruiker in aanmerking komt.
  
Art. 316. § 1er. L'intervention pour la location temporaire d'une aide à la mobilité, telle que visée à l'article 315, est octroyée sur la base d'une indication relative au contenu d'une prescription médicale délivrée par un médecin [1 et d'un formulaire de demande signé par le fournisseur et l'usager]1.
  Dans la prescription médicale visée à l'alinéa premier, le médecin mentionne la revalidation de l'usager visé à l'article 313.
  § 2. L'usager s'adresse, muni de la prescription médicale visée au paragraphe premier, à un fournisseur d'aides à la mobilité de son choix, qui, conformément à la prescription médicale, procède à une évaluation de l'aide à la mobilité pour laquelle l'usager est pris en compte.
  
Art. 317. De aanvraag van een tegemoetkoming voor de tijdelijke huur van een mobiliteitshulpmiddel verloopt verder volgens de basisprocedure, met dien verstande dat:
  1° na de beslissing tot goedkeuring van de aangevraagde tegemoetkoming het mobiliteitshulpmiddel in kwestie wordt afgeleverd door de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen binnen vijftien werkdagen na de kennisgeving van de goedkeuring. Die termijn is alleen bij overmacht verlengbaar tot dertig werkdagen, waarbij de bewijslast rust op de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen, die de redenen van de overmacht meldt aan de zorgkas;
  2° bij de aflevering van het mobiliteitshulpmiddel de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen en de gebruiker een huurovereenkomst van zes maanden sluiten.
  Het model van de huurovereenkomst, vermeld in het eerste lid, 2°, wordt bepaald door de minister.
Art. 317. La demande d'intervention pour la location temporaire d'une aide à la mobilité est introduite conformément à la procédure de base, étant entendu que :
  1° après la décision d'acceptation de l'intervention demandée, l'aide à la mobilité en question est octroyée par le fournisseur d'aides à la mobilité dans les quinze jours ouvrables qui suivent la notification de l'acceptation. Le délai précité ne peut être prolongé à trente jours ouvrables qu'en cas de force majeure, auquel cas la charge de la preuve repose sur le fournisseur d'aides à la mobilité, qui notifie les motifs du cas de force majeure à la caisse d'assurance soins.
  2° lors de la remise de l'aide à la mobilité, le fournisseur d'aides à la mobilité et l'usager signent un contrat de location d'une durée de six mois.
  Le Ministre définit le modèle de contrat de location visé à l'alinéa premier, 2°.
Art. 318. Artikel 265, 266, 268, 269 en 272 zijn van overeenkomstige toepassing.
Art. 318. Les articles 265, 266, 268, 269 et 272 s'appliquent par analogie.
Art. 319. § 1. De gebruiker kan met een aangetekende brief voortijdig een einde maken aan de huurovereenkomst met het oog op de sluiting van een nieuwe huurovereenkomst bij een andere verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen conform de bepalingen van dit hoofdstuk, met een opzeggingstermijn van een maand, die ingaat op de eerste dag van de maand volgend op de ontvangst van de aangetekende brief.
  In afwijking van het eerste lid kan de gebruiker met een aangetekende brief een einde maken aan de huurovereenkomst zonder opzeggingstermijn als de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen zijn verplichtingen op functioneel, hygiënisch en technisch vlak niet nakomt.
  De beëindiging van een huurovereenkomst conform het eerste en het tweede lid wordt ook schriftelijk gemeld aan de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten door, naargelang het geval, de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen of de gebruiker.
  § 2. De verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen kan met een aangetekende brief een einde maken aan de huurovereenkomst zonder opzeggingstermijn als schade aan de rolstoel wordt vastgesteld, die te wijten is aan onvoldoende zorgzaamheid en onverantwoorde behandeling van de rolstoel door de gebruiker.
  De beëindiging van een huurovereenkomst conform het eerste lid wordt ook schriftelijk gemeld aan de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten door de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen.
  § 3. De huurovereenkomst eindigt van rechtswege in de gevallen, vermeld in artikel 267, § 3.
Art. 319. § 1er. L'usager peut à tout moment mettre fin de manière anticipée au contrat de location par courrier recommandé, en vue de la conclusion d'un nouveau contrat de location auprès d'un autre fournisseur d'aides à la mobilité conformément aux dispositions du présent chapitre, moyennant un délai de préavis d'un mois qui prend cours le premier jour du mois qui suit la date de réception du courrier recommandé.
  Par dérogation à l'alinéa premier, l'usager peut mettre fin au contrat de location par courrier recommandé, sans délai de préavis, lorsque le fournisseur d'aides à la mobilité ne respecte pas ses obligations sur les plans fonctionnel, hygiénique et technique.
  La résiliation du contrat de location conformément aux alinéas premier et deux est également notifiée par écrit à la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié, soit par le fournisseur d'aides à la mobilité, soit par l'usager, selon le cas.
  § 2. Le fournisseur d'aides à la mobilité peut mettre fin au contrat de location par courrier recommandé, sans délai de préavis, lorsqu'il est constaté des dommages à la voiturette qui sont imputables à des précautions insuffisantes ou à une manipulation inappropriée de la voiturette dans le chef de l'usager.
  La résiliation d'un contrat de location conformément à l'alinéa premier est également notifiée par écrit par le fournisseur d'aides à la mobilité à la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié.
  § 3. Le contrat de location prend fin de plein droit dans les cas visés à l'article 267, § 3.
Art. 320. De verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen kan gedurende de looptijd van de tijdelijke huur namens de gebruiker een aanvraag indienen conform artikel 317 voor een tegemoetkoming voor de tijdelijke huur van een andere standaardrolstoel, modulaire rolstoel, verzorgingsrolstoel of actief rolstoel.
  Met behoud van de toepassing van de opzeggingstermijn, vermeld in artikel 319, § 1, eerste lid, heeft de gebruiker gedurende de looptijd van de tijdelijke huur op elk moment de keuzevrijheid om zich te wenden tot een andere verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen, die in voorkomend geval een aanvraag kan indienen namens de gebruiker voor een tegemoetkoming voor de tijdelijke huur van een standaardrolstoel, een modulaire rolstoel, een verzorgingsrolstoel of een actief rolstoelrolstoel, conform artikel 317.
  De huurovereenkomst tussen de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen en de gebruiker na goedkeuring van de aanvraag die is ingediend conform het eerste of het tweede lid, wordt gesloten voor zes maanden, verminderd met de duurtijd van de huurovereenkomsten die de gebruiker in de maanden voordien sloot in het kader van de tijdelijke huur.
Art. 320. Pendant la durée de la location temporaire, le fournisseur d'aides à la mobilité peut introduire une demande d'intervention au nom de l'usager, conformément à l'article 317, en vue de la location temporaire d'une autre voiturette standard, voiturette modulaire, voiturette de soins ou voiturette active.
  Sans préjudice de l'application du délai de préavis visé à l'article 319, § 1er, alinéa premier, l'usager peut à tout moment, pendant toute la durée de la location temporaire, s'adresser à un autre fournisseur d'aides à la mobilité, qui, le cas échéant, peut introduire au nom de l'usager une demande d'intervention pour la location temporaire d'une voiturette standard, une voiturette modulaire, une voiturette de soins ou une voiturette active, conformément à l'article 317.
  Le contrat de location entre le fournisseur d'aides à la mobilité et l'usager après acceptation de la demande introduite conformément à l'alinéa premier ou deux, est conclu pour une durée de six mois, sans préjudice de la durée des contrats de location conclus par l'usager au cours des mois précédents dans le cadre de la location temporaire.
Art. 321. Als het mobiliteitshulpmiddel, dat wordt aangevraagd conform artikel 314, § 3, nog niet is afgeleverd op het ogenblik dat de maximale duurtijd van de tijdelijke huur is verstreken, moet de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen in kwestie het verhuurde mobiliteitshulpmiddel kosteloos ter beschikking blijven stellen van de gebruiker, tenzij de gebruiker zelf verantwoordelijk kan worden geacht voor de laattijdige aanvraag of tenzij de gebruiker een aanvraag heeft gedaan bij een andere verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen.
Art. 321. Lorsque l'aide à la mobilité demandée conformément à l'article 314, § 3, n'a pas encore été remise au moment où la durée maximale de la location temporaire a expiré, le fournisseur d'aides à la mobilité en question est tenu de continuer à mettre gratuitement à la disposition de l'usager l'aide à la mobilité louée, sauf si l'usager peut être considéré comme personnellement responsable de l'introduction tardive de la demande ou si l'usager a introduit une demande auprès d'un autre fournisseur d'aides à la mobilité.
HOOFDSTUK 6. - Hernieuwing, voortijdige hernieuwing en voortijdige aanpassingen bij aankoop
Chapitre 6. - Renouvellement, renouvellement anticipé et adaptations anticipées lors de l'achat
Afdeling 1. - Hernieuwing
Section 1ère. - Renouvellement
Art. 322. § 1. De hernieuwingstermijnen van de mobiliteitshulpmiddelen worden bepaald in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd, en beginnen telkens te lopen vanaf de datum van de aflevering van het mobiliteitshulpmiddel in kwestie.
  Voor mobiliteitshulpmiddelen waarvoor een forfaitaire tegemoetkoming is toegekend, zijn de hernieuwingstermijnen van toepassing die vermeld zijn in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd, voor het mobiliteitshulpmiddel waarvoor de gebruiker in aanmerking komt.
  De hernieuwingstermijnen van mobiliteitshulpmiddelen die niet zijn opgenomen op de productlijst en waarvoor een tegemoetkoming wordt verleend conform hoofdstuk 2, afdeling 1, worden vastgelegd door de zorgkas in haar beslissing als vermeld in artikel 298, § 1, eerste lid, na eensluidend advies van de Bijzondere Technische Commissie.
  De hernieuwingstermijnen voor tweede rolstoelen worden bepaald als volgt:
  1° wat de minderjarige gebruikers betreft, is de hernieuwingstermijn van toepassing zoals bepaald voor het mobiliteitshulpmiddel in kwestie in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd;
  2° wat de meerderjarige gebruikers betreft, wordt de hernieuwingstermijn zoals bepaald voor het mobiliteitshulpmiddel in kwestie in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd, vermenigvuldigd met anderhalf.
  § 2. De hernieuwingstermijnen, vermeld in paragraaf 1, worden bepaald op basis van de leeftijd van de gebruiker op het ogenblik van de indiening van de aanvraag in het kader van de hernieuwing.
  § 3. Zolang de hernieuwingstermijn loopt, kan geen nieuwe aanvraag worden ingediend voor een tegemoetkoming voor een mobiliteitshulpmiddel, met uitzondering van:
  1° de gevallen waarin de cumulatie van tegemoetkomingen voor mobiliteitshulpmiddelen is toegestaan conform de cumulregels, bepaald in bijlage 3, die bij dit besluit is gevoegd;
  2° de gevallen waarin de gebruiker recht heeft op een tegemoetkoming voor een tweede rolstoel, conform de bepalingen van titel 5.
Art. 322. § 1er. Les délais de renouvellement des aides à la mobilité sont définis à l'annexe 2, jointe au présent arrêté, et commencent toujours à courir à la date de la remise de l'aide à la mobilité en question.
  Dans le cas des aides à la mobilité pour lesquelles une intervention forfaitaire a été octroyée, les délais de renouvellement visés à l'annexe 2, jointe au présent arrêté, s'appliquent à l'aide à la mobilité pour laquelle l'usager est pris en compte.
  Les délais de renouvellement des aides à la mobilité qui ne figurent pas dans la liste des produits et pour lesquelles une intervention a été octroyée conformément au chapitre 2, section 1ère, sont définis par la caisse d'assurance soins dans sa décision telle que visée à l'article 298, § 1er, alinéa premier, après avis conforme de la Commission technique spéciale.
  Les délais de renouvellement relatifs aux deuxièmes voiturettes sont déterminés comme suit :
  1° en ce qui concerne les usagers mineurs, le délai de renouvellement applicable est le délai déterminé pour l'aide à la mobilité en question à l'annexe 2, jointe au présent arrêté ;
  2° en ce qui concerne les usagers majeurs, le délai de renouvellement applicable est le délai déterminé pour l'aide à la mobilité en question à l'annexe 2, jointe au présent arrêté, multiplié par un et demi.
  § 2. Les délais de renouvellement visés au paragraphe premier sont déterminés sur la base de l'âge de l'usager au moment de l'introduction de la demande dans le cadre du renouvellement.
  § 3. Tant que le délai de renouvellement est en cours, aucune nouvelle demande d'intervention pour une aide à la mobilité ne peut être introduite, sauf pour :
  1° les cas dans lesquels le cumul des interventions pour des aides à la mobilité est autorisé conformément aux règles de cumul définies à l'annexe 3, jointe au présent arrêté ;
  2° les cas dans lesquels l'usager a droit à une intervention pour une seconde voiturette, conformément aux dispositions du titre 5.
Art. 323. § 1. Als de gebruiker na afloop van de hernieuwingstermijn van het mobiliteitshulpmiddel waarvoor hij een tegemoetkoming heeft ontvangen, opnieuw een tegemoetkoming aanvraagt voor een ander mobiliteitshulpmiddel, volgt hij daarvoor de aanvraagprocedure die in dit besluit is vastgelegd voor het mobiliteitshulpmiddel in kwestie.
  § 2. Voor een mobiliteitshulpmiddel dat is opgenomen in dezelfde subgroep in de prestatielijst, kan de gebruiker, in afwijking van paragraaf 1, de basisprocedure volgen.
  Voor [1 zen elektronische rolstoel, een elektronische scooter, een elektronische hoepelondersteuning, een aankoppelwiel of een elektronische aankoppeleenheid/trekeenheid]1 die is opgenomen in een eenzelfde hoofdgroep maar in een andere subgroep in de prestatielijst, kan de gebruiker, in afwijking van paragraaf 1, de uitgebreide procedure volgen.
  
Art. 323. § 1er. Lorsque, à l'expiration du délai de renouvellement de l'aide à la mobilité pour laquelle il a reçu une intervention, l'usager introduit une nouvelle demande d'intervention pour une autre aide à la mobilité, il suit la procédure de demande définie dans le présent arrêté pour l'aide à la mobilité en question.
  § 2. Pour une aide à la mobilité qui figure dans le même sous-groupe de la liste des prestations, l'usager peut, par dérogation au paragraphe premier, suivre la procédure de base.
  Pour [1 une voiturette électronique, un scooter électronique, une assistance électronique pour voiturette, une roue d'accouplement ou une unité d'accouplement/unité de traction électronique]1 qui figure dans un même groupe principal mais dans un autre sous-groupe de la liste des prestations, l'usager peut, par dérogation au paragraphe premier, suivre la procédure étendue.
  
Art. 324. In het kader van de hernieuwing van een mobiliteitshulpmiddel waarvoor al een forfaitaire tegemoetkoming is toegekend, dient de uitgebreide procedure te worden gevolgd.
  Als de gebruiker slechts in aanmerking komt voor een standaardrolstoel, kan, in afwijking van het eerste lid, de basisprocedure worden gevolgd.
Art. 324. Dans le cadre de renouvellement d'une aide à la mobilité pour laquelle une intervention forfaitaire a déjà été octroyée, il y a lieu de suivre la procédure étendue.
  Lorsque l'usager n'est pris en compte que pour une voiturette standard, il est possible, par dérogation à l'alinéa premier, de suivre la procédure de base.
Art. 325. Met behoud van de toepassing van artikel 327, zijn [2 voor het zitkussen ter preventie van doorzitwonden, voor een elektronische hoepelondersteuning, voor een aankoppelwiel en voor een elektronische aankoppeleenheid/trekeenheid]2]1 ook afzonderlijke hernieuwingstermijnen bepaald in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd. De hernieuwingstermijnen worden bepaald op basis van de leeftijd van de gebruiker op het ogenblik van de indiening van de aanvraag in het kader van de hernieuwing.
  Ongeacht de hernieuwingstermijn die is bepaald voor zijn rolstoel conform artikel 322, kan de gebruiker na afloop van de hernieuwingstermijn als vermeld in het eerste lid, opnieuw een tegemoetkoming aanvragen [2 voor een zitkussen ter preventie van doorzitwonden, voor een elektronische hoepelondersteuning, voor een aankoppelwiel en voor een elektronische aankoppeleenheid/trekteenheid]2.
  [1 [2 Zolang de hernieuwingstermijn van de elektronische hoepelondersteuning, van het aankoppelwiel en van de elektronische aankoppeleenheid/trekeenheid niet is verstreken, kan er geen tegemoetkoming worden verleend voor de aankoop van een elektronische rolstoel, een elektronische scooter of een drie- of vierwielfiets, met uitzondering van de gevallen, vermeld in artikel 326, eerste lid, 1°]2.]1
  
Art. 325. Sans préjudice de l'application de l'article 327, des délais de renouvellement distincts sont prévus à l'annexe 2, jointe au présent arrêté, [2 pour les coussins anti-escarres, pour une assistance électronique pour fauteuil roulant, pour une roue d'accouplement et pour une unité d'accouplement/unité de traction électronique]2 ]1. Les délais de renouvellement sont déterminés sur la base de l'âge de l'usager au moment de l'introduction de la demande dans le cadre du renouvellement.
  Quel que soit le délai de renouvellement déterminé pour sa voiturette conformément à l'article 322, l'usager peut, à l'expiration du délai de renouvellement visé à l'alinéa premier, introduire une nouvelle demande d'intervention [2 pour un coussin anti-escarres, pour une assistance électronique pour fauteuil roulant, pour une roue d'accouplement et pour une unité d'accouplement/unité de traction électronique ]2]1.
  [1 [2 Tant que le délai de renouvellement de l'assistance électronique pour fauteuil roulant, de la roue d'accouplement et de l'unité d'accouplement/l'unité de traction électronique n'a pas expiré, aucune intervention ne peut être accordée pour l'achat d'une voiturette électronique, d'un scooter électronique ou d'un tricycle ou quadricycle, à l'exception des cas visés à l'article 326, alinéa 1er, 1°. ]2 ]1.
  
Afdeling 2. - Voortijdige hernieuwing
Section 2. - Renouvellement anticipé
Art. 326. In afwijking van artikel 322, kan voorafgaand aan het verstrijken van de hernieuwingstermijn een tegemoetkoming worden verleend voor een nieuw mobiliteitshulpmiddel in elk van de volgende gevallen:
  1° als er zich onvoorziene en belangrijke wijzigingen voordoen bij de gebruiker van de functies van het bewegingssysteem of veranderingen van de anatomische eigenschappen die een voortijdige hernieuwing noodzakelijk maken;
  2° als een voortijdige hernieuwing noodzakelijk is omdat het mobiliteitshulpmiddel onbruikbaar is geworden, met uitzondering van de gevallen van oneigenlijk gebruik van het mobiliteitshulpmiddel.
  [1 De aanvraag van de tegemoetkoming conform het eerste lid wordt ingediend conform de aanvraagprocedure die in dit besluit is vastgelegd voor de aankoop van het mobiliteitshulpmiddel in kwestie.]1
  De aanvraag van de tegemoetkoming conform het eerste lid, 2°, moet betrekking hebben op een mobiliteitshulpmiddel uit dezelfde subgroep in de prestatielijst als de subgroep van het mobiliteitshulpmiddel dat onbruikbaar is geworden [1 ...]1.
  [2 Dit artikel is niet van toepassing op de tegemoetkomingen voor loophulpmiddelen.]2
  
Art. 326. Par dérogation à l'article 322, une intervention pour une nouvelle aide à la mobilité peut être octroyée préalablement à l'expiration du délai de renouvellement dans chacun des cas suivants :
  1° lorsque surviennent chez l'usager des modifications imprévues et significatives des fonctions du système locomoteur ou des changements des propriétés anatomiques qui rendent indispensable un renouvellement anticipé ;
  2° lorsqu'un renouvellement anticipé est nécessaire parce que l'aide à la mobilité est devenue inutilisable, sauf dans les cas d'une utilisation inappropriée de l'aide à la mobilité.
  [1 La demande d'intervention conforme à l'alinéa 1er est introduite conformément à la procédure de demande établie dans le présent arrêté pour l'achat de l'aide à la mobilité concernée.]1
  La demande d'intervention conformément à l'alinéa premier, 2°, doit concerner une aide à la mobilité faisant partie du même sous-groupe de la liste des prestations que le sous-groupe de l'aide à la mobilité devenue inutilisable [1 ...]1.
  [2 Le présent article ne s'applique pas aux interventions pour des aides à la marche.]2
  
Afdeling 3. - Voortijdige aanpassingen
Section 3. - Adaptations anticipées
Art. 327. Als, door wijzigingen bij de gebruiker van de functies van het bewegingssysteem of stoornissen van de anatomische eigenschappen, aanpassingen nodig zijn aan een reeds afgeleverd mobiliteitshulpmiddel waarvoor een tegemoetkoming is verleend, kan de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen daarvoor namens de gebruiker een tegemoetkoming aanvragen conform de uitgebreide procedure.
  De aanpassingen waarvoor een aanvraag wordt ingediend conform het eerste lid, moeten voorzien zijn in de prestatielijst.
Art. 327. Lorsque, en raison de modifications chez l'usager des fonctions du système locomoteur ou de perturbations des propriétés anatomiques, il y a lieu d'apporter des adaptations à une aide à la mobilité déjà remise et pour laquelle une intervention a été octroyée, le fournisseur d'aides à la mobilité peut introduire à cet effet une demande d'intervention au nom de l'usager, conformément à la procédure étendue.
  Les adaptations pour lesquelles une demande est introduite conformément à l'alinéa premier, doivent être prévues dans la liste des prestations.
HOOFDSTUK 7. - Onderhoud en herstelling bij aankoop
Chapitre 7. - Entretien et réparation lors de l'achat
Art. 328. § 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op manuele rolstoelen, elektronische rolstoelen, elektronische scooters en drie- of vierwielfietsen.
  Wat de mobiliteitshulpmiddelen vermeld in het eerste lid, met uitzondering van elektronische scooters, betreft, waarvoor een tegemoetkoming is verleend conform hoofdstuk 1 van deze titel, wordt aan de gebruiker een bedrag ter beschikking gesteld voor de vergoeding van onderhouds- en herstellingskosten in de volgende gevallen:
  1° een uitgebreid forfait van 40% van de tegemoetkoming die is toegekend voor de aankoop van het mobiliteitshulpmiddel in kwestie, met inbegrip van de aanpassingen, [2 met uitzondering van [3 de elektronische hoepelondersteuning, het aankoppelwiel en de elektronische aankoppeleenheid/trekeenheid]3,]2 wordt toegekend aan de volgende categorieën van gebruikers:
  a) gebruikers met een bewezen en definitieve volledige verplaatsingsstoornis die niet kunnen staan of stappen binnenshuis en voor wie verplaatsingen buitenshuis zonder het mobiliteitshulpmiddel onmogelijk zijn;
  b)[1 gebruikers aan wie een tegemoetkoming wordt toegekend voor een verzorgingsrolstoel, een verzorgingsrolstoel met korrelzitsysteem, een actief rolstoel, een standaard drie- of -vierwielfiets of een zitdriewielfiets, een elektronische rolstoel, een manuele kinderrolstoel, een rolstoel met sta-functie of een rolstoelonderstel]1;
  2° een basisforfait van 150 euro wordt toegekend aan gebruikers aan wie een tegemoetkoming is verleend voor een standaardrolstoel of een modulaire rolstoel.
  Wat de elektronische scooters betreft waarvoor een tegemoetkoming werd verleend conform hoofdstuk 1 van deze titel, wordt aan de gebruiker een bedrag ter beschikking gesteld voor de vergoeding van onderhouds- en herstellingskosten in de volgende gevallen:
  1° een uitgebreid forfait van 40% van de tegemoetkoming die is toegekend voor de aankoop van de elektronische scooter in kwestie, met inbegrip van de aanpassingen, wordt toegekend aan de volgende categorieën van gebruikers:
  a) gebruikers met een bewezen en definitieve volledige verplaatsingsstoornis die niet kunnen staan of stappen binnenshuis en voor wie verplaatsingen buitenshuis zonder het mobiliteitshulpmiddel onmogelijk zijn en die de elektronische scooter gebruiken voor professionele doeleinden zoals het volgen van een opleiding, de uitoefening van een job of een daarmee gelijkgestelde dagbesteding;
  b) gebruikers die lijden aan een evolutieve neuromusculaire aandoening, een evolutieve myopathie, multiple sclerose, tetraparese, quadriparese of chronische auto-immune inflammatoire polyarthritis, namelijk reumatoïde artritis, spondyloartropathie, juveniele chronische artritis, systemische lupus en sclerodermie volgens de definitie die aanvaard is door de Koninklijke Belgische Vereniging voor Reumatologie, waarbij de elektronische scooter de enige aangewezen mobiliteitsoplossing is.
  2° een basisforfait van 250 euro wordt toegekend aan de gebruikers die niet in aanmerking komen voor het bedrag, vermeld in punt 1°.
  § 2. Als aan de gebruiker een forfaitaire tegemoetkoming wordt toegekend conform artikel 308, worden de regels, vermeld in paragraaf 1, toegepast in functie van het mobiliteitshulpmiddel waarvoor de gebruiker in aanmerking komt.
  § 3. De vergoedingen voor onderhouds- en herstellingskosten voor mobiliteitshulpmiddelen die niet zijn opgenomen op de productlijst en waarvoor een tegemoetkoming wordt verleend conform hoofdstuk 2, afdeling 1, worden vastgelegd door de zorgkas in haar beslissing als vermeld in artikel 298, § 1, eerste lid, na eensluidend advies van de Bijzondere Technische Commissie.
  § 4. Het bedrag voor onderhouds- en herstellingskosten wordt door de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen aangevraagd in het kader van de indiening van de aanvraag van de tegemoetkoming voor het mobiliteitshulpmiddel in kwestie.
  § 5. Het bedrag voor onderhouds- en herstellingskosten staat ter beschikking van de gebruiker vanaf de aflevering van het betreffende mobiliteitshulpmiddel tot op het moment van de aflevering van een nieuw mobiliteitshulpmiddel waarvoor een tegemoetkoming wordt verleend.
  
Art. 328. § 1er. Le présent chapitre s'applique aux voiturettes manuelles, aux voiturettes électroniques, aux scooters électroniques ainsi qu'aux tricycles et quadricycles.
  S'agissant des aides à la mobilité visées à l'alinéa premier, à l'exception des scooters électroniques, pour lesquelles une intervention a été octroyée conformément au chapitre 1er du présent titre, un montant est mis à la disposition de l'usager à titre d'indemnisation des frais d'entretien et de réparation dans les cas suivants :
  1° un forfait étendu de 40 % de l'intervention qui a été octroyée pour l'achat de l'aide à la mobilité en question, en ce compris les adaptations, [2 à l'exception[3 de l'assistance électronique pour fauteuil roulant, de la roue d'accouplement et de l'unité d'accouplement/unité de traction électroniqu]3]2 est octroyé aux catégories d'usagers suivantes :
  a) les usagers souffrant de difficultés de déplacement complètes prouvées et définitives, qui ne peuvent pas se mettre en station debout ou marcher à l'intérieur, et pour lesquels les déplacements à l'intérieur sont impossibles sans l'aide à la mobilité ;
  b) [1 les usagers auxquels est octroyée une intervention pour une voiturette de maintien et de soins, une voiturette de maintien et de soins avec système d'assise à granulés, une voiturette active, un tricycle ou quadricycle standard ou un tricycle avec siège, une voiturette électronique, une voiturette manuelle pour enfants, une voiturette de station debout ou un châssis de voiturette]1;
  2° un forfait de base de 150 euros est octroyé aux usagers auxquels une intervention a été octroyée pour une voiturette standard ou une voiturette modulaire.
  S'agissant des scooters électroniques pour lesquels une intervention a été octroyée conformément au chapitre 1er du présent titre, un montant est mis à la disposition de l'usager à titre d'indemnisation des frais d'entretien et de réparation dans les cas suivants :
  1° un forfait étendu de 40 % de l'intervention qui a été octroyée pour l'achat du scooter électronique en question, en ce compris les adaptations, est octroyé aux catégories d'usagers suivantes :
  a) les usagers souffrant de difficultés de déplacement complètes prouvées et définitives, qui ne peuvent pas se mettre en station debout ou marcher à l'intérieur, et pour lesquels les déplacements à l'intérieur sont impossibles sans l'aide à la mobilité, et qui utilisent le scooter électronique à des fins professionnelles telles que la participation à une formation, l'exercice d'un emploi ou une occupation y assimilée ;
  b) les usagers souffrant d'une maladie neuromusculaire évolutive, de myopathie évolutive, de sclérose en plaques, de tétraparésie, de quadriparésie ou de polyarthrite chronique inflammatoire d'origine immunitaire selon les définitions acceptées par la Société royale belge de Rhumatologie, à savoir l'arthrite rhumatoïde, la spondyloarthropathie, l'arthrite rhumatoïde juvénile, le lupus érythémateux et la sclérodermie, pour lesquels le scooter électronique est l'unique solution de mobilité indiquée.
  2° un forfait de base de 250 euros est octroyé aux usagers qui ne sont pas pris en compte pour le montant visé au point 1°.
  § 2. Lorsqu'il est octroyé à l'usager une intervention forfaitaire conformément à l'article 308, les règles visées au paragraphe 1er s'appliquent en fonction de l'aide à la mobilité pour laquelle l'usager est pris en compte.
  § 3. Les indemnités pour les frais d'entretien et de réparation d'aides à la mobilité qui ne figurent pas dans la liste des produits et pour lesquelles une intervention a été octroyée conformément au chapitre 2, section 1ère, sont définies par la caisse d'assurance soins dans sa décision telle que visée à l'article 298, § 1er, alinéa premier, après avis conforme de la Commission technique spéciale.
  § 4. Le montant des frais d'entretien et de réparation est demandé par le fournisseur d'aides à la mobilité dans le cadre de l'introduction de la demande d'intervention pour l'aide à la mobilité en question.
  § 5. Le montant des frais d'entretien et de réparation est à la disposition de l'usager depuis la date de remise de l'aide à la mobilité en question jusqu'à la date de remise d'une nouvelle aide à la mobilité pour laquelle une intervention est octroyée.
  
Art. 329. § 1. Het bedrag voor onderhouds- en herstellingskosten voor een mobiliteitshulpmiddel dat ter beschikking wordt gesteld aan de gebruiker conform artikel 328, mag alleen besteed worden aan onderhouds- en herstellingskosten die betrekking hebben op dat mobiliteitshulpmiddel.
  De onderhouds- en herstellingskosten, vermeld in het eerste lid, moeten vergoedbaar zijn conform de prestatielijst.
  Het bedrag voor onderhouds- en herstellingskosten mag in geen geval worden aangewend voor kosten die onder een garantieregeling vallen en bijgevolg niet ten laste mogen worden gelegd van de gebruiker of van de Vlaamse sociale bescherming.
  § 2. Voor het onderhoud of de herstelling van een mobiliteitshulpmiddel conform paragraaf 1 wendt de gebruiker zich tot een verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen van zijn keuze. Het onderhoud of de herstelling wordt uitgevoerd door de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen zelf of onder zijn verantwoordelijkheid en moet worden voorafgegaan door de ondertekening door de gebruiker van een offerte die de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen bewaart met het oog op a posteriori controles.
  De onderneming van de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen die het onderhoud of de herstelling uitvoert of onder de verantwoordelijkheid van wie het onderhoud of de herstelling wordt uitgevoerd, bezorgt de factuur aan de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten via een digitale applicatie, geattesteerd conform de bepalingen van titel 6, hoofdstuk 2.
  De terugbetaling van de factuur, vermeld in het tweede lid, door de zorgkas aan de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen, gaat gepaard met de aftrek van het factuurbedrag van het bedrag dat ter beschikking staat voor onderhouds- en herstellingskosten.
  § 3. Als het bedrag van de factuur die is ingediend door de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen conform paragraaf 2, tweede lid, meer bedraagt dan het bedrag dat ter beschikking staat voor onderhouds- en herstellingkosten, wordt die factuur terugbetaald ten belope van het bedrag dat ter beschikking staat.
  Vanaf het moment dat het ter beschikking gestelde bedrag voor onderhouds- en herstellingskosten is opgebruikt, worden de facturen niet meer terugbetaald.
Art. 329. § 1er. Le montant des frais d'entretien et de réparation pour une aide à la mobilité mise à la disposition de l'usager conformément à l'article 328 ne peut être consacré qu'aux frais d'entretien et de réparation qui portent sur l'aide à la mobilité en question.
  Les frais d'entretien et de réparation visés à l'alinéa premier doivent être remboursables conformément à la liste des prestations.
  Le montant des frais d'entretien et de réparation ne peut en aucun cas être consacré à des frais qui entrent dans le champ d'application d'une garantie et qui, partant, ne peuvent être portés à charge de l'usager ou de la Protection sociale flamande.
  § 2. En vue de l'entretien ou de la réparation d'une aide à la mobilité conformément au paragraphe premier, l'usager s'adresse à un fournisseur d'aides à la mobilité de son choix. L'entretien ou la réparation est effectué par le fournisseur d'aides à la mobilité proprement dit ou sous sa responsabilité et doit être précédé de la signature par l'usager d'une offre que le fournisseur d'aides à la mobilité conserve en vue de contrôles a posteriori.
  L'entreprise du fournisseur d'aides à la mobilité qui effectue l'entretien ou la réparation, ou sous la responsabilité de laquelle l'entretien ou la réparation est effectué, remet la facture à la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié par le biais d'une application numérique, certifiée conformément aux dispositions du titre 6, chapitre 2.
  Le remboursement de la facture visée à l'alinéa deux par la caisse d'assurance soins au fournisseur d'aides à la mobilité s'accompagne de la déduction du montant total de la facture du montant mis à disposition pour les frais d'entretien et de réparation.
  § 3. Lorsque le montant de la facture introduite par le fournisseur d'aides à la mobilité conformément au paragraphe 2, alinéa deux, est supérieur au montant mis à disposition pour les frais d'entretien et de réparation, la facture précitée est remboursée à concurrence du montant mis à disposition.
  A partir du moment où le montant mis à disposition pour couvrir les frais d'entretien et de réparation a été utilisé, les factures ne sont plus remboursées.
Art. 330. In afwijking van artikel 329, § 3, kan de gebruiker, als het ter beschikking gestelde bedrag voor onderhouds- en herstellingskosten is opgebruikt, toch een aanvraag indienen met het oog op de, al dan niet gedeeltelijke, terugbetaling van herstellingskosten als het te herstellen defect veroorzaakt is door uitzonderlijke omstandigheden en als de herstelling essentieel is opdat het mobiliteitshulpmiddel opnieuw bruikbaar wordt.
  De bepalingen van hoofdstuk 2, afdeling 1, zijn van overeenkomstige toepassing op de aanvragen die worden ingediend conform het eerste lid, met dien verstande dat:
  1° bij de aanvraag de volgende documenten moeten worden gevoegd:
  a) een motiveringsrapport, opgesteld door de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen, waarvan het model door de minister wordt bepaald;
  b) een bestek dat de herstellingskosten bevat waarvoor een tegemoetkoming wordt aangevraagd.
  2° de Zorgkassencommissie een negatief advies geeft in het kader van de beoordeling van de ontvankelijkheid van de aanvraag in elk van de volgende gevallen:
  a) de kosten ten laste van de gebruiker bedragen niet minstens 300 euro, inclusief btw, met uitzondering van de gevallen waarin de gebruiker zich bevindt in een behartigenswaardige situatie, vermeld in artikel 46 van het decreet van 18 mei 2018;
  b) de vraag om de aanvraag voor te leggen aan de Bijzondere Technische Commissie is niet gemotiveerd;
  c) uit de aanvraag blijkt manifest dat het niet gaat om uitzonderlijke omstandigheden;
  3° de zorgkas, in geval van niet-ontvankelijkheid van de aanvraag wegens de manifeste afwezigheid van uitzonderlijke omstandigheden, de gebruiker ook op de hoogte brengt van de redenen op basis waarvan de Zorgkassencommissie die manifeste afwezigheid heeft vastgesteld;
  4° de zorgkas, na eensluidend advies van de Bijzondere Technische Commissie, een van de volgende beslissingen neemt:
  a) de toekenning van een eenmalig, forfaitair bedrag voor de vergoeding van de herstellingskosten;
  b) de weigering van enige tegemoetkoming, al dan niet met het advies om een aanvraag in te dienen tot voortijdige hernieuwing conform artikel 326.
Art. 330. Par dérogation à l'article 329, § 3, l'usager peut, lorsque le montant mis à disposition pour couvrir les frais d'entretien et de réparation a été utilisé, introduire malgré tout une demande en vue d'obtenir le remboursement total ou partiel des frais de réparation, lorsque le défaut à réparer est la conséquence de circonstances exceptionnelles et que la réparation est essentielle pour que l'aide à la mobilité soit à nouveau utilisable.
  Les dispositions du chapitre 2, section 1ère, s'appliquent par analogie aux demandes introduites conformément à l'alinéa premier, étant entendu que :
  1° les documents suivants sont joints à la demande :
  a) un rapport de motivation, établi par le fournisseur d'aides à la mobilité, et dont le modèle est défini par le Ministre ;
  b) un devis mentionnant les frais de réparation pour lesquels une intervention est demandée.
  2° la Commission des caisses d'assurance soins rend un avis négatif dans le cadre de l'appréciation de la recevabilité de la demande dans chacun des cas suivants :
  a) les frais à charge de l'usager ne s'élèvent pas à moins de 300 euros, TVA incluse, à l'exception des cas dans lesquels l'usager se trouve dans une situation digne d'intérêt visée à l'article 46 du décret du 18 mai 2018 ;
  b) la demande qui vise à soumettre la demande à la Commission technique spéciale n'est pas motivée ;
  c) il ressort manifestement de la demande qu'il ne s'agit pas de circonstances exceptionnelles ;
  3° en cas d'irrecevabilité de la demande pour cause d'absence manifeste de circonstances exceptionnelles, la caisse d'assurance soins informe également l'usager des motifs sur la base desquels la Commission des caisses d'assurance soins a constaté l'absence manifeste en question ;
  4° la caisse d'assurance soins prend, après avis conforme de la Commission technique spéciale, une des décisions suivantes :
  a) l'octroi d'un montant forfaitaire unique à titre d'indemnisation des frais de réparation ;
  b) le refus d'octroyer une quelconque intervention, éventuellement avec l'avis d'introduire une demande de renouvellement anticipé conformément à l'article 326.
HOOFDSTUK 8. - Uitzonderlijke situaties
Chapitre 8. - Situations exceptionnelles
Art. 331. § 1. Als een gebruiker nood heeft aan een tegemoetkoming voor een mobiliteitshulpmiddel, zich in een uitzonderlijke situatie bevindt en geen tegemoetkoming voor een mobiliteitshulpmiddel kan verkrijgen op basis van de andere aanvraagprocedures waarin dit besluit voorziet, kan hij een aanvraag van een tegemoetkoming indienen bij de zorgkas waarbij hij is aangesloten, mits omstandige motivering van de aanvraag.
  De minister kan nader bepalen wat moet worden verstaan onder een uitzonderlijke situatie, vermeld in het eerste lid.
  De minister kan bepalen welke documenten de gebruiker bij de aanvraag moet voegen.
  § 2. De zorgkas bezorgt de aanvragen, ingediend conform paragraaf 1, binnen vijf werkdagen aan het agentschap, dat de ontvankelijkheid van de aanvraag beoordeelt binnen tien werkdagen. Een aanvraag is onontvankelijk als uit de aanvraag manifest blijkt dat niet is voldaan aan een van de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, of als de aanvraag niet de vereiste documenten bevat.
  § 3. De beslissing tot ontvankelijkheid van de aanvraag wordt gevolgd door de agendering van de aanvraag voor advies op de bijeenkomst van de Bijzondere Technische Commissie.
  De Bijzondere Technische Commissie brengt, binnen 45 werkdagen na de beslissing tot ontvankelijkheid, een advies uit aan de zorgkas over de toekenning, geheel of gedeeltelijk, van de tegemoetkoming, aangevraagd conform paragraaf 1.
  § 4. De zorgkas neemt, binnen vijf werkdagen na ontvangst van het eensluidend advies van de Bijzondere Technische Commissie, een beslissing tot goedkeuring, al dan niet gedeeltelijk, of tot weigering van de aangevraagde tegemoetkoming.
  § 5. De zorgkas brengt de gebruiker op de hoogte van de beslissing tot onontvankelijkheid, goedkeuring of weigering van de aangevraagde tegemoetkoming en in voorkomend geval van de reden van de onontvankelijkheid of de weigering en van de beroepsmogelijkheden en de termijnen waarin het beroep moet worden aangetekend. De zorgkas brengt ook de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen op de hoogte.
Art. 331. § 1er. Lorsqu'un usager a besoin d'une intervention pour une aide à la mobilité, qu'il se trouve dans une situation exceptionnelle et qu'il ne peut obtenir d'intervention pour une aide à la mobilité sur la base des autres procédures de demande prévues par le présent arrêté, il peut introduire une demande d'intervention auprès de la caisse d'assurance soins à laquelle il est affilié, à la condition de motiver sa demande de manière circonstanciée.
  Le Ministre peut définir ce qu'il y a lieu d'entendre par situation exceptionnelle au sens de l'alinéa premier.
  Le Ministre peut déterminer les documents que l'usager doit joindre à sa demande.
  § 2. Dans les cinq jours ouvrables, la caisse d'assurance soins transmet les demandes, introduites conformément au paragraphe premier, à l'agence, qui procède à l'appréciation de la recevabilité de la demande dans les dix jours ouvrables. Une demande est réputée irrecevable lorsqu'il ressort manifestement de la demande qu'une des conditions énoncées au paragraphe premier, alinéa premier, n'a pas été remplie, ou que la demande ne contient pas les documents requis.
  § 3. La décision de recevabilité de la demande est suivie de l'inscription de la demande d'avis à l'ordre du jour de l'assemblée de la Commission technique spéciale.
  Dans les 45 jours ouvrables qui suivent la décision de recevabilité, la Commission technique spéciale rend un avis à la caisse d'assurance soins en rapport avec l'octroi total ou partiel de l'intervention demandée conformément à l'article 1er.
  § 4. Dans les cinq jours ouvrables qui suivent la réception de l'avis conforme de la Commission technique spéciale, la caisse d'assurance soins prend une décision d'acceptation totale ou partielle ou de refus de l'intervention demandée.
  § 5. La caisse d'assurance soins informe l'usager de la décision de recevabilité, d'acceptation ou de refus de l'intervention demandée, et mentionne le cas échéant le motif de l'irrecevabilité ou du refus ainsi que les possibilités de recours et les délais dans lesquels le recours doit être formé. La caisse d'assurance soins informe également le fournisseur d'aides à la mobilité.
Art. 332. De beslissing tot toekenning van de tegemoetkoming, aangevraagd conform artikel 331, wordt gevolgd door de uitvoering van de beslissing.
  Bij de aflevering van een mobiliteitshulpmiddel ondertekenen de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen en de gebruiker een afleveringsdocument, waarvan het model door de minister wordt bepaald.
  De verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen bezorgt aan de gebruiker onmiddellijk een kopie van het ondertekende afleveringsdocument.
  De aflevering van een mobiliteitshulpmiddel waarvoor slechts een gedeeltelijke goedkeuring werd verkregen, kan maar plaatsvinden na bevestiging van de aankoop door de gebruiker ten aanzien van de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen.
Art. 332. La décision d'octroyer l'intervention demandée conformément à l'article 331 est suivie de l'exécution de la décision.
  Lors de la remise d'une aide à la mobilité, le fournisseur d'aides à la mobilité et l'usager signent un document de remise, dont le modèle est défini par le Ministre.
  Le fournisseur d'aides à la mobilité remet immédiatement à l'usager une copie du document de remise signé.
  La remise d'une aide à la mobilité pour laquelle seule une acceptation partielle a été obtenue ne peut avoir lieu qu'après confirmation de l'achat par l'usager vis-à-vis du fournisseur d'aides à la mobilité.
Titel 5. - Tegemoetkoming voor een tweede rolstoel
Titre 5. - Intervention pour une seconde voiturette
Art. 333. Dit hoofdstuk is van toepassing op gebruikers die een tegemoetkoming hebben ontvangen voor de aankoop of de huur van een manuele rolstoel, elektronische rolstoel of een elektronische scooter, met uitzondering van de gebruikers, vermeld in artikel 261, 1°, en artikel 277, en gebruikers die een tegemoetkoming ontvangen voor de tijdelijke huur van een rolstoel conform titel 4, hoofdstuk 5.
Art. 333. Le présent chapitre s'applique aux usagers qui ont reçu une intervention pour l'achat ou la location d'une voiturette manuelle, d'une voiturette électronique ou d'un scooter électronique, à l'exception des usagers visés à l'article 261, 1°, et à l'article 277, ainsi que des usagers qui reçoivent une intervention pour la location temporaire d'une voiturette conformément au titre 4, chapitre 5.
Art. 334. Met behoud van de toepassing van de cumulregels, opgenomen in bijlage 3, die bij dit besluit is gevoegd, en ongeacht de voorwaarden en de termijnen voor de hernieuwing die van toepassing zijn op het mobiliteitshulpmiddel waarvoor de gebruiker al een tegemoetkoming heeft gekregen, kan een gebruiker als vermeld in artikel 333, aanspraak maken op een tegemoetkoming voor de aankoop of de huur van een tweede rolstoel in elk van de volgende gevallen:
  1° de gebruiker verblijft in een semi-residentiële of residentiële voorziening, zijn rolstoel kan niet worden vervoerd en hij heeft ook thuis een rolstoel nodig;
  2° [2 de gebruiker is binnenshuis volledig beperkt voor alle verplaatsingen en moet thuis een verdieping kunnen overbruggen. De gebruiker beschikt daarvoor alleen over een traplift of een rolstoelontoegankelijke lift. Er zijn geen plannen om de gelijkvloerse verdieping van het huis op korte termijn volledig rolstoeltoegankelijk te maken]2;
  3° aan de gebruiker is al een tegemoetkoming verleend voor een elektronische rolstoel;
  4° [2 aan de gebruiker is al een tegemoetkoming verleend voor een elektronische binnen- of buitenscooter of een elektronische buitenscooter. De gebruiker is binnenshuis volledig beperkt voor alle verplaatsingen;]2.
  [2 5° de gebruiker heeft de rolstoel nodig in het kader van een opleiding, de uitoefening van een job of een daarmee gelijkgestelde dagbesteding. De gebruiker kan bij het besturen van de wagen zijn rolstoel niet zelfstandig meenemen.]2
  De tweede rolstoel, vermeld in het eerste lid, kan een standaardrolstoel, een modulaire rolstoel [1 , een actief rolstoel, een rolstoelonderstel voor een modulair aanpasbare ziteenheid]1 of een rolstoelonderstel voor een zitschelp zijn als het gaat om meerderjarige gebruikers en een standaard kinderrolstoel, een actief kinderrolstoel, een duwwandelwagen of een onderstel voor een zitschelp als het gaat om minderjarige gebruikers, waarbij de cumulregels gelden die zijn opgenomen in bijlage 4, die bij dit besluit is gevoegd.
  De tweede rolstoel moet in voorkomend geval worden uitgerust met de nodige aanpassingen.
  [3 Het mobiliteitshulpmiddel dat aan de gebruiker wordt verstrekt na goedkeuring van de aanvraag van een tegemoetkoming voor de aankoop van een mobiliteitshulpmiddel, moet nieuw zijn op het ogenblik dat het wordt afgeleverd.]3
  
Art. 334. Sans préjudice de l'application des règles de cumul énoncées à l'annexe 3, jointe au présent arrêté, et quels que soient les conditions et délais de renouvellement applicables à l'aide à la mobilité pour laquelle l'usager a reçu une intervention, un usager tel que visé à l'article 333 peut prétendre à une intervention pour l'achat ou la location d'une seconde voiturette dans chacun des cas suivants :
  1° l'usager réside dans une structure semi-résidentielle ou résidentielle, sa voiturette ne peut être transportée et il a également besoin d'une voiturette chez lui ;
  2° [2 l'usager est complètement limité à l'intérieur pour tous les déplacements et doit pouvoir passer chez lui d'un étage à l'autre. Il dispose uniquement d'un monte-escalier ou d'un ascenseur inaccessible en fauteuil roulant à cette fin. Aucun plan n'est prévu à court terme pour rendre la maison entièrement accessible en fauteuil roulant au rez-de-chaussée]2 ;
  3° une intervention pour voiturette électronique a déjà été octroyée à l'usager ;
  4° [2 4° l'usager a déjà bénéficié d'une intervention pour un scooter électronique pour l'intérieur ou l'extérieur ou un scooter électronique pour l'extérieur. L'usager est complètement limité à l'intérieur pour tous les déplacements ]2.
  [2 5° l'usager a besoin du fauteuil roulant dans le cadre d'une formation, de l'exécution d'un travail ou d'une activité de jour équivalente. L'usager ne peut pas emporter son fauteuil roulant de façon autonome lorsqu'il se déplace en voiture.]2
  La seconde voiturette visée à l'alinéa premier peut être une voiturette standard, une voiturette modulaire [1 , une voiturette active, châssis de voiturette pour une unité d'assise modulaire adaptable]1 ou un châssis pour siège-coquille lorsqu'il s'agit d'usagers majeurs, et d'une voiturette standard pour enfants, d'une voiturette active pour enfants, d'un déambulateur ou d'un châssis pour siège-coquille lorsqu'il s'agit d'usagers mineurs, auquel cas il y a lieu d'appliquer les règles de cumul énoncées à l'annexe 4, jointe au présent arrêté.
  La seconde voiturette doit, le cas échéant, être équipée des adaptations requises.
  [3 L'aide à la mobilité qui est fournie à l'usager après approbation de la demande d'une intervention pour l'achat d'une aide à la mobilité doit être neuve au moment de sa livraison. ]3
  
Art. 335. De aanvraag van een tegemoetkoming voor een tweede rolstoel verloopt volgens de [1 uitgebreide procedure]1.
  
Art. 335. La demande d'intervention pour une seconde voiturette est introduite conformément à la [1 procédure étendue]1.
  
Art. 336. De omvang van de tegemoetkomingen, vermeld in artikel 334, eerste lid, wordt bepaald door de minister.
Art. 336. Le Ministre définit le montant des interventions visées à l'article 334, alinéa premier.
Titel 6. - Toekenning van tegemoetkomingen
Titre 6. - Octroi des interventions
HOOFDSTUK 1. - Facturatie
Chapitre 1er. - Facturation
Art. 337. De tegemoetkoming voor mobiliteitshulpmiddelen die aan de gebruiker is toegekend conform de bepalingen van dit besluit, wordt door de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten uitbetaald aan de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen of in voorkomend geval aan de onderneming in opdracht waarvan de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen in kwestie werkt, via een trekkingsrecht.
  Dit hoofdstuk is van toepassing op de facturatie aan de zorgkas van de tegemoetkomingen, vermeld in het eerste lid.
  De facturatie aan de zorgkas van tegemoetkomingen voor mobiliteitshulpmiddelen dient steeds te worden voorafgegaan door de indiening, door de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen, van een afleveringsdocument of een huurovereenkomst, opgesteld en ondertekend conform artikel 264, 282, 290, 298, 307 of 317.
  [1 Als het afleveringsdocument of de huurovereenkomst, vermeld in het derde lid, niet wordt ingediend binnen zes maanden die volgen op de dag waarop de aanvraag van de tegemoetkoming van het mobiliteitshulpmiddel volledig of gedeeltelijk is goedgekeurd conform artikel 248, § 2, tweede lid, artikel 253, § 4, eerste lid, artikel 256, eerste lid, artikel 258, eerste lid, of artikel 298, § 1, wordt het dossier afgesloten en kan er in het kader van de voorliggende aanvraag geen tegemoetkoming meer worden verleend voor de aflevering van het mobiliteitshulpmiddel conform het eerste lid.]1
  
Art. 337. L'intervention pour les aides à la mobilité octroyée à l'usager conformément aux dispositions du présent arrêté est payée par la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié au fournisseur d'aides à la mobilité ou, le cas échéant, à l'entreprise pour laquelle travaille le fournisseur d'aides à la mobilité en question, via un droit de tirage.
  Le présent chapitre s'applique à la facturation à la caisse d'assurance soins des interventions visées à l'alinéa premier.
  La facturation à la caisse d'assurance soins d'interventions pour des aides à la mobilité doit toujours être précédée de l'introduction, par le fournisseur d'aides à la mobilité, d'un document de remise ou d'un contrat de location, établi et signé conformément aux articles 264, 282, 290, 298, 307 ou 317.
  [1 Si le document de remise ou le contrat de location visé à l'alinéa 3 n'est pas introduit dans les six mois qui suivent l'approbation partielle ou totale de la demande d'intervention pour l'aide à la mobilité conformément à l'article 248, § 2, alinéa 2, à l'article 253, § 4, alinéa 1er, à l'article 256, alinéa 1er, à l'article 258, alinéa 1er, ou à l'article 298, § 1er, le dossier est clôturé et plus aucune intervention ne peut être accordée dans le cadre de la présente demande pour la remise de l'aide à la mobilité conformément à l'alinéa 1er.]1
  
Art. 338. De verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen of, in voorkomend geval, de onderneming in opdracht waarvan de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen werkt op het ogenblik van de aflevering van het mobiliteitshulpmiddel, factureert de voor het mobiliteitshulpmiddel toegekende tegemoetkoming aan de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten op het ogenblik van de aflevering of, als het gaat over de facturatie van huurforfaits, aan de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten gedurende de maand waarop de gefactureerde tegemoetkoming betrekking heeft.
  Als de gebruiker niet meer is aangesloten bij een zorgkas op het ogenblik van de aflevering van het mobiliteitshulpmiddel, moet er worden gefactureerd aan de laatste zorgkas waarbij de gebruiker was aangesloten.
  De facturatie gebeurt op maandelijkse basis en per zorgkas, via een digitale applicatie die geattesteerd is conform de bepalingen van hoofdstuk 2.
Art. 338. Le fournisseur d'aides à la mobilité ou, le cas échéant, l'entreprise pour laquelle travaille le fournisseur d'aides à la mobilité au moment de la remise de l'aide à la mobilité, facture l'intervention octroyée pour l'aide à la mobilité à la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié au moment de la remise ou, s'il s'agit de la facturation de forfaits de location, à la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié pendant le mois sur lequel porte l'intervention facturée.
  Lorsque l'usager n'est plus affilié à une caisse d'assurance soins au moment de la remise de l'aide à la mobilité, la facturation doit se faire à la dernière caisse d'assurance soins à laquelle l'usager était affilié.
  La facturation est effectuée sur une base mensuelle et par caisse d'assurance soins, par le biais d'une application numérique certifiée conformément aux dispositions du chapitre 2.
Art. 339. § 1. In het kader van de verkoop aan een gebruiker van een mobiliteitshulpmiddel is het bedrag dat kan worden gefactureerd gelijk aan het bedrag van de tegemoetkoming voor het mobiliteitshulpmiddel, zoals van toepassing op datum van de aflevering van het mobiliteitshulpmiddel in kwestie.
  In afwijking van het eerste lid, is het bedrag dat kan worden gefactureerd gelijk aan de publieksprijs als de publieksprijs lager ligt dan het bedrag van de tegemoetkoming.
  [1 Als de publieksprijs conform artikel 359, § 1, tweede lid, 5°, hoger ligt dan het bedrag van de tegemoetkoming, kan het supplement dat de gebruiker moet betalen aan de verstrekker, nooit hoger zijn dan het verschil tussen de publieksprijs en het bedrag van de tegemoetkoming.
   Als de prijs in het bestek conform artikel 293 hoger ligt dan het bedrag van de tegemoetkoming, kan het supplement dat de gebruiker moet betalen aan de verstrekker, nooit hoger zijn dan het verschil tussen de prijs in het bestek en het bedrag van de tegemoetkoming.]1

  De datum van aflevering van een mobiliteitshulpmiddel is de datum van de ondertekening van het afleveringsdocument.
  § 2. De facturatie van een hogere tegemoetkoming dan de tegemoetkoming, vermeld in paragraaf 1, eerste of tweede lid, wordt niet aanvaard.
  § 3. Bij overlijden van de gebruiker tussen de goedkeuring van de aangevraagde tegemoetkoming en de aflevering van het mobiliteitshulpmiddel, kan aan de zorgkas nog een bedrag worden gefactureerd van 25% van de tegemoetkoming die op het mobiliteitshulpmiddel in kwestie van toepassing was op datum van de goedkeuring. Artikel 337, derde lid, is in voorkomend geval niet van toepassing.
  In afwijking van het eerste lid is het bedrag dat kan worden gefactureerd gelijk aan 25% de publieksprijs als de publieksprijs lager ligt dan het bedrag van de tegemoetkoming.
  Het eerste lid is niet van toepassing op tegemoetkomingen voor loophulpmiddelen.
  In afwijking van het eerste lid kan een bedrag van 40% worden gefactureerd als het gaat om maatwerk.
  In dit artikel wordt verstaan onder maatwerk: elke hulpmiddel dat speciaal is vervaardigd volgens het voorschrift van een gekwalificeerde arts waarin onder zijn verantwoordelijkheid de specifieke kenmerken van het ontwerp zijn aangegeven, en dat is bestemd om uitsluitend door één bepaalde gebruiker te worden gebruikt.
  [1 § 4. De verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen of de onderneming in opdracht waarvan de betreffende verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen werkt, mag geen kortingen toestaan op het deel van de publieksprijs dat betrekking heeft op het bedrag van de tegemoetkoming.]1]
  
Art. 339. § 1er. Dans le cadre de la vente d'une aide à la mobilité à un usager, le montant pouvant être facturé est égal au montant de l'intervention pour l'aide à la mobilité tel qu'applicable à la date de remise de l'aide à la mobilité en question.
  Par dérogation à l'alinéa premier, le montant pouvant être facturé est égal au prix public lorsque ce dernier est inférieur au montant de l'intervention.
  [1 Si le prix public selon l'article 359, § 1er, alinéa 2, 5°, est supérieur au montant de l'intervention, le supplément que l'usager doit payer au fournisseur ne peut jamais dépasser la différence entre le prix public et le montant de l'intervention.
   Si le prix du devis selon l'article 293 est supérieur au montant de l'intervention, le supplément que l'usager doit payer au fournisseur ne peut jamais dépasser la différence entre le prix du devis et le montant de l'intervention. ]1

  La date de remise d'une aide à la mobilité est la date de signature du document de remise.
  § 2. La facturation d'une intervention supérieure à l'intervention visée au paragraphe premier, alinéa premier ou deux, n'est pas acceptée.
  § 3. En cas de décès de l'usager entre l'acceptation de l'intervention demandée et la remise de l'aide à la mobilité, il peut être facturé à la caisse d'assurance soins un montant supplémentaire équivalant à 25 % du montant de l'intervention applicable à l'aide à la mobilité en question à la date de l'acceptation. L'article 337, alinéa trois, ne s'applique pas, le cas échéant.
  Par dérogation à l'alinéa premier, le montant pouvant être facturé est égal à 25 % du prix public lorsque ce dernier est inférieur au montant de l'intervention.
  L'alinéa premier ne s'applique pas aux interventions pour des cadres de marche.
  Par dérogation à l'alinéa premier, un montant de 40 % peut être facturé lorsqu'il s'agit de travail sur mesure.
  Dans le présent article, il faut entendre par " travail sur mesure " : toute aide fabriquée spécialement selon la prescription d'un médecin qualifié, dans laquelle sont indiquées, sous sa responsabilité, les caractéristiques spécifiques du modèle, et qui est destinée à être exclusivement utilisée par un usager donné.
  [1 § 4. Le fournisseur d'aides à la mobilité ou l'entreprise au service de laquelle le fournisseur d'aides à la mobilité travaille ne peut pas autoriser de réductions sur la partie du prix public ayant trait au montant de l'intervention. ]1
  
Art. 340. § 1. In het kader van de verhuur aan gebruikers van mobiliteitshulpmiddelen, nemen de te factureren tegemoetkomingen de vorm aan van maandelijkse huurforfaits,, zoals van toepassing in de maand waarop de gefactureerde tegemoetkoming betrekking heeft.
  De facturatie van een ander bedrag dan het bedrag, vermeld in het eerste lid, wordt niet aanvaard.
  § 2. Met behoud van de toepassing van artikel 262, § 2, is de betaling van een maandelijks huurforfait verschuldigd vanaf:
  1° de maand van de aflevering van het mobiliteitshulpmiddel, als de aflevering plaatsvindt van de eerste tot en met de vijftiende dag van die maand;
  2° de maand na de maand van de aflevering van het mobiliteitshulpmiddel, als de aflevering plaatsvindt na de vijftiende dag van die maand.
  Met behoud van de toepassing van artikel 262, § 2, is de betaling van een maandelijks huurforfait verschuldigd tot en met:
  1° de maand die voorafgaat aan de maand waarin de huurovereenkomst eindigt, als de beëindiging plaatsvindt van de eerste tot en met de vijftiende dag van de maand;
  2° de maand waarin de huurovereenkomst eindigt, als de beëindiging plaatsvindt na de vijftiende dag van de maand.
  De datum van de aflevering van een mobiliteitshulpmiddel is de datum van de ondertekening van de huurovereenkomst.
  § 3. Bij overlijden van de gebruiker tussen de goedkeuring van de aangevraagde tegemoetkoming en de aflevering van het mobiliteitshulpmiddel, kan aan de zorgkas nog een bedrag worden gefactureerd ter compensatie van de gemaakte administratieve kosten. De omvang van het bedrag wordt bepaald door de minister.
Art. 340. § 1er. Dans le cadre d'aides à la mobilité données en location aux usagers, les interventions à facturer prennent la forme de forfaits de location mensuels, tels qu'applicables dans le mois sur lequel porte l'intervention facturée.
  La facturation d'un montant autre que le montant visé à l'alinéa premier n'est pas acceptée.
  § 2. Sans préjudice de l'application de l'article 262, § 2, le paiement d'un forfait mensuel est dû à partir :
  1° du mois de la remise de l'aide à la mobilité, lorsque la remise a lieu entre le premier jour et le quinzième jour inclus du mois en question ;
  2° du mois qui suit la remise de l'aide à la mobilité, lorsque la remise a lieu après le quinzième jour du mois en question.
  Sans préjudice de l'application de l'article 262, § 2, le paiement d'un forfait mensuel est dû jusque et en ce compris :
  1° du mois qui précède le mois au cours duquel le contrat de location prend fin, lorsque l'expiration a lieu entre le premier jour et le quinzième jour inclus du mois en question ;
  2° du mois au cours duquel le contrat de location prend fin, lorsque l'expiration a lieu après le quinzième jour du mois en question.
  La date de remise d'une aide à la mobilité est la date de signature du contrat de location.
  § 3. En cas de décès de l'usager entre l'acceptation de l'intervention demandée et la remise de l'aide à la mobilité, il peut être facturé à la caisse d'assurance soins un montant supplémentaire en compensation des frais administratifs exposés. Le Ministre détermine le montant précité.
Art. 341. De bundel facturen die ingediend wordt door een verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen of een onderneming, dient een opsomming te bevatten van de mobiliteitshulpmiddelen waarvoor een tegemoetkoming wordt gefactureerd aan de zorgkas enerzijds en de aan de gebruiker aangerekende supplementen anderzijds.
  De minister bepaalt de elementen die de facturen minimaal moeten bevatten.
Art. 341. L'ensemble des factures introduites par un fournisseur d'aides à la mobilité ou une entreprise doit contenir une énumération, d'une part, des aides à la mobilité pour lesquelles une intervention est facturée à la caisse d'assurance soins et, d'autre part, des suppléments facturés à l'usager.
  Le Ministre détermine les informations essentielles à inclure dans les factures.
Art. 342. § 1. De facturen die ingediend worden conform artikel 338, moeten correct en volledig worden ingevuld. Als dat niet het geval is, worden ze geweigerd en teruggestuurd naar de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen in kwestie of in voorkomend geval de onderneming in kwestie.
  § 2. De factuur moet in overeenstemming zijn met de voorwaarden inzake de toekenning van de gefactureerde tegemoetkoming voor het mobiliteitshulpmiddel of de aanpassing in kwestie, die zijn opgenomen in het decreet van 18 mei 2018 en in dit besluit.
  De facturen of onderdelen van facturen die niet in overeenstemming zijn met de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, worden verworpen.
  Bundels facturen waarvan het aantal verworpen onderdelen een door de minister bepaald aandeel bereikt, worden in hun geheel geweigerd. Andere facturen worden uitbetaald door de zorgkas binnen zes weken vanaf de datum van de ontvangst van de correct en volledig ingevulde factuur, met uitzondering van de tegemoetkomingen waarop de verworpen onderdelen betrekking hebben.
Art. 342. § 1er. Les factures introduites conformément à l'article 338 doivent être dûment et entièrement complétées. Si tel n'est pas le cas, les factures en question seront refusées et renvoyées au fournisseur d'aides à la mobilité en question ou, le cas échéant, à l'entreprise en question.
  § 2. La facture doit être conforme aux conditions en matière d'octroi de l'intervention facturée pour l'aide à la mobilité ou l'adaptation en question incluses dans le décret du 18 mai 2018 ainsi que dans le présent arrêté.
  Les factures ou éléments de factures qui ne sont pas conformes aux conditions énoncées à l'alinéa premier sont rejetés.
  Les lots de factures dont le nombre d'éléments rejetés atteint un nombre déterminé par le Ministre sont intégralement refusés. Les autres factures sont payées par la caisse d'assurance soins dans les six semaines qui suivent la date de réception de la facture dûment et entièrement complétée, à l'exception des interventions sur lesquelles portent les éléments rejetés.
Art. 343. De toepassing van artikel 62 van het decreet van 18 mei 2018 op de facturatie door een onderneming aan de zorgkas conform de bepalingen van dit hoofdstuk, heeft tot gevolg dat:
  1° wat tegemoetkomingen voor de aankoop van mobiliteitshulpmiddelen betreft: de onderneming moet de tegemoetkoming factureren binnen uiterlijk twee jaar vanaf de datum van de aflevering van het betreffende mobiliteitshulpmiddel, met uitzondering van de gevallen waarin de verjaring wordt geschorst of gestuit;
  2° wat huurforfaits betreft: de onderneming moet de tegemoetkomingen factureren binnen uiterlijk twee jaar vanaf de maand waarop de factuur betrekking heeft, met uitzondering van de gevallen waarin de verjaring wordt geschorst of gestuit.
  Een aangetekende brief stuit de verjaring.
Art. 343. L'application de l'article 62 du décret du 18 mai 2018 sur la facturation par une entreprise à la caisse d'assurance soins, conformément aux dispositions du présent chapitre, a les conséquences suivantes :
  1° s'agissant des interventions pour l'achat d'aides à la mobilité : l'entreprise doit facturer l'intervention au plus tard deux ans à compter de la date de remise de l'aide à la mobilité en question, à l'exception des cas dans lesquels la prescription est suspendue ou interrompue ;
  2° s'agissant des forfaits de location : l'entreprise doit facturer les interventions au plus tard deux ans à compter du mois sur lequel porte la facture, à l'exception des cas dans lesquels la prescription est suspendue ou interrompue ;
  Un courrier recommandé interrompt la prescription.
HOOFDSTUK 2. - Software
Chapitre 2. - Logiciels
Art. 344. § 1. De digitale applicatie, vermeld in artikel 338, derde lid, en artikel 376, § 1, tweede lid, [1 voldoet aan de functionele en technische]1 vereisten en de vereisten van betrouwbaarheid en veiligheid die de minister bepaalt, na advies van een groep van onafhankelijke experten.
  Het agentschap staat in voor de attestering van de digitale applicaties die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid.
  § 2. Verstrekkers van mobiliteitshulpmiddelen en ondernemingen in opdracht waarvan verstrekkers van mobiliteitshulpmiddelen werken die geen gebruik maken van een digitale applicatie als vermeld in paragraaf 1, kunnen geen aanvragen indienen van tegemoetkomingen voor mobiliteitshulpmiddelen en kunnen niet factureren aan de zorgkassen.
  § 3. De experten, vermeld in paragraaf 1, worden [1 aangewezen door het agentschap in overleg met]1 de betrokken beroepsorganisaties. De minister kan nadere regels bepalen over de samenstelling en de werking van de groep van onafhankelijke experten.
  
Art. 344. § 1er. L'application numérique visée à l'article 338, alinéa trois, et à l'article 376, § 1er, alinéa deux, [1 satisfait aux exigences fonctionnelles et techniques ]1 ainsi qu'aux exigences de fiabilité et de sécurité fixées par le Ministre, après avis d'un groupe d'experts indépendants.
  L'agence est chargée de la certification des applications numériques qui satisfont aux conditions énoncées à l'alinéa premier.
  § 2. Les fournisseurs d'aides à la mobilité et les entreprises pour lesquelles travaillent les fournisseurs d'aides à la mobilité qui n'utilisent pas d'application numérique telle que visée au paragraphe premier ne peuvent introduire de demande d'interventions pour des aides à la mobilité et ne peuvent facturer aux caisses d'assurance soins.
  § 3. Les experts mentionnés au paragraphe premier [1 sont désignés par l'agence en concertation avec]1 les organisations professionnelles concernées. Le Ministre peut fixer les modalités relatives à la composition et au fonctionnement du groupe d'experts indépendants.
  
Art. 345. [1 § 1. De softwareontwikkelaars dienen de aanvragen tot attestering als vermeld in artikel 344, § 1, tweede lid in bij het agentschap.
   De gedagtekende en ondertekende aanvraag wordt ingediend met een formulier waarvan het agentschap het model vaststelt.
   Het formulier, vermeld in het tweede lid, bevat al de volgende gegevens:
   1° de identificatiegegevens van de aanvrager;
   2° de beschrijving van de maatregelen voor gegevensbescherming en informatieveiligheid;
   3° de beschrijving van de architecturale structuur van het pakket;
   4° de technische specificaties die toelaten de mogelijkheid tot koppeling met het digitale platform Vlaamse sociale bescherming te beoordelen.
   § 2. Het agentschap beoordeelt de aanvraag tot attestering, vermeld in paragraaf 1, en beslist tot de goedkeuring of weigering van de organisatie van het attesteringstraject. Het agentschap kan aan de groep van onafhankelijke experten, vermeld in artikel 344, § 3, advies vragen over de aanvraag.
   Het agentschap deelt zijn beslissing tot goedkeuring of weigering van de organisatie van het attesteringstraject mee uiterlijk binnen dertig dagen na de dag waarop het de aanvraag tot attestering, vermeld in paragraaf 1, heeft ontvangen.
   § 3. Bij wijzigingen aan een van de elementen, vermeld in paragraaf 1, derde lid, na de beslissing tot goedkeuring van de organisatie van het attesteringstraject, vervalt die beslissing tot goedkeuring van rechtswege en dient de softwareontwikkelaar in kwestie een nieuwe aanvraag tot attestering in.
   § 4. Na de goedkeuring van de organisatie van het attesteringstraject, kan de softwareontwikkelaar in kwestie bij het agentschap een verzoek indienen tot de organisatie van testen.
   De groep van onafhankelijke experten, vermeld in artikel 344, § 3, organiseert binnen negentig dagen na de dag waarop het agentschap het verzoek, vermeld in het eerste lid, heeft ontvangen, testen waarbij wordt nagegaan of de digitale applicatie waarvoor de attestering is aangevraagd, voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 344, § 1, eerste lid, en stelt een testrapport op.
   De minister kan nadere regels bepalen over de organisatie van de testen, vermeld in het tweede lid.
   § 5. De groep van onafhankelijke experten, vermeld in artikel 344, § 3, bezorgt het testrapport, vermeld in paragraaf 4, tweede lid, samen met een eensluidend advies aan het agentschap binnen honderdtwintig dagen na de dag waarop het agentschap het verzoek tot de organisatie van testen conform paragraaf 4, eerste lid, heeft ontvangen.
   Het agentschap attesteert de digitale applicatie of weigert de attestering van de digitale applicatie en brengt de aanvrager op de hoogte van die beslissing binnen vijftien dagen na de dag waarop het het advies van de groep van onafhankelijke experten heeft ontvangen conform het eerste lid.
   De attesten die toegekend worden conform het tweede lid, zijn geldig voor tien jaar, met behoud van de toepassing van artikel 346.
   § 6. De termijnen, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, paragraaf 4, tweede lid en paragraaf 5, eerste en tweede lid, worden geschorst als het agentschap of de groep van onafhankelijke experten, vermeld in artikel 344, § 3, bijkomende informatie vraagt aan de softwareontwikkelaar.
   De termijnen, vermeld in het eerste lid, lopen verder vanaf de dag na de dag waarop het agentschap of de voormelde groep van onafhankelijke experten de bijkomende informatie heeft ontvangen conform het eerste lid.
   § 7. De softwareontwikkelaars die een digitale applicatie ontwikkelen, kunnen altijd een nieuwe aanvraag tot attestering indienen bij het agentschap ]1
.
  
Art. 345. [1 § 1er. Les développeurs de logiciels soumettent à l'agence les demandes de certification visées à l'article 344, § 1er, alinéa 2.
   La demande datée et signée est introduite au moyen d'un formulaire dont l'agence détermine le modèle.
   Le formulaire visé à l'alinéa 2, comprend toutes les données suivantes :
   1° les données d'identification du demandeur ;
   2° la description des mesures de protection des données et de sécurité de l'information ;
   3° la description de la structure architecturale du progiciel ;
   4° les spécifications techniques permettant d'évaluer la possibilité de se connecter à la plate-forme informatique de la protection sociale flamande.
   § 2. L'agence évalue la demande de certification visée au paragraphe 1er, et décide d'approuver ou de refuser l'organisation du processus de certification. L'agence peut demander l'avis du groupe d'experts indépendants visé à l'article 344, § 3, sur la demande.
   L'agence communique sa décision d'approbation ou de refus de l'organisation du processus de certification dans un délai de trente jours à compter du jour de la réception de la demande de certification visée au paragraphe 1er.
   § 3. En cas de modification d'un des éléments visés au paragraphe 1er, alinéa 3, après la décision d'approbation de l'organisation du processus de certification, cette décision d'approbation est annulée de plein droit et le développeur de logiciels concerné doit introduire une nouvelle demande de certification.
   § 4. Après l'approbation de l'organisation du processus de certification, le développeur de logiciels en question peut soumettre une demande à l'agence pour l'organisation de tests.
   Le groupe d'experts indépendants visé à l'article 344, § 3, organise, dans un délai de nonante jours à compter de la date de réception par l'agence de la demande visée à l'alinéa 1er, des tests pour vérifier que l'application numérique pour laquelle la certification a été demandée remplit les conditions visées à l'article 344, § 1er, alinéa 2, et établit un rapport de test.
   Le ministre peut arrêter des modalités relatives à l'organisation des tests, visée à l'alinéa 2.
   § 5. Le groupe d'experts indépendants visé à l'article 344, § 3, soumet le rapport de tests visé au paragraphe 4, alinéa 2, ainsi que l'avis correspondant, à l'agence dans un délai de cent vingt jours à compter du jour où l'agence a reçu la demande d'organisation de tests conformément au paragraphe 4, alinéa 1er.
   L'agence certifie l'application numérique ou refuse de certifier l'application numérique et notifie sa décision au demandeur dans un délai de quinze jours à compter du jour où elle a reçu l'avis du groupe d'experts indépendants conformément à l'alinéa 1er.
   Les certifications délivrées conformément à l'alinéa 2 ont une validité de dix ans, sans préjudice de l'application de l'article 346.
   § 6. Les délais visés au paragraphe 2, alinéa 2, au paragraphe 4, alinéa 2, et au paragraphe 5, alinéas 1er et 2, sont suspendus si l'agence ou le groupe d'experts indépendants visé à l'article 344, § 3, demande des informations complémentaires au développeur de logiciels.
   Les délais visés à l'alinéa 1er, recommencent à courir à compter du jour suivant celui où l'Agence ou le groupe d'experts indépendants susmentionné a reçu les informations complémentaires conformément à l'alinéa 1er.
   § 7. Les développeurs de logiciels qui conçoivent une application numérique peuvent à tout moment introduire une nouvelle demande de certification auprès de l'agence ]1
.
  
Art. 346. [1 § 1. Zolang het uitgereikte attest geldig is, wordt de geattesteerde versie van de digitale applicatie en de evolutie ervan geacht te blijven voldoen aan de functionele en technische vereisten en de vereisten van betrouwbaarheid en veiligheid, vermeld in artikel 344, § 1, eerste lid.
   § 2. Een softwareontwikkelaar met een geattesteerde digitale applicatie implementeert alle wijzigingen aan de functionele en technische vereisten en de vereisten van betrouwbaarheid en veiligheid, vermeld in artikel 344, § 1, eerste lid, volgens het versiebeleid van het digitaal platform Vlaamse Sociale Bescherming.
   Een softwareontwikkelaar die op eigen initiatief wijzigingen aanbrengt aan de geattesteerde digitale applicatie met een impact op de functionele en technische vereisten en de vereisten van betrouwbaarheid en veiligheid, vermeld in artikel 344, § 1, eerste lid, brengt het agentschap daarvan op de hoogte. In die melding aan het agentschap geeft de softwareontwikkelaar een beschrijving van de wijzigingen aan de geattesteerde digitale applicatie.
   § 3. Als er wijzigingen worden aangebracht aan de geattesteerde digitale applicatie conform paragraaf 2, met een impact op de functionele en technische vereisten en de vereisten van betrouwbaarheid en veiligheid, vermeld in artikel 344, § 1, eerste lid, kan het agentschap, na eensluidend advies van de groep van onafhankelijke experten, vermeld in artikel 344, § 3, beslissen om bijkomende toelichtingen op te vragen over de gemelde wijzigingen of om nieuwe testen op te leggen voor de digitale applicatie.
   § 4. Als er aanwijzingen zijn dat een digitale applicatie niet meer zou voldoen aan de functionele vereisten en de vereisten van betrouwbaarheid en veiligheid, vermeld in artikel 344, § 1, eerste lid, kan het agentschap, na eensluidend advies van de groep van onafhankelijke experten, vermeld in artikel 344, § 3, beslissen om nieuwe testen te organiseren. Afhankelijk van het resultaat van de testen kan het agentschap, na eensluidend advies van de voormelde groep van onafhankelijke experten, beslissen om de attestering te bevestigen of in te trekken ]1
.
  
Art. 346. [1 § 1er. Tant que la certification délivrée est valable, la version certifiée de l'application numérique et son évolution sont réputées continuer à satisfaire aux exigences fonctionnelles et techniques et aux exigences de fiabilité et de sécurité visées à l'article 344, § 1er, alinéa 1er.
   § 2. Un développeur de logiciels disposant d'une application numérique certifiée met en oeuvre toutes les modifications des exigences fonctionnelles et techniques et des exigences de fiabilité et de sécurité, visées à l'article 344, § 1er, alinéa 1er, conformément à la version de politique de la plate-forme numérique de la protection sociale flamande.
   Le développeur de logiciels qui, de sa propre initiative, apporte à l'application numérique certifiée des modifications affectant les exigences fonctionnelles et techniques ainsi que les exigences de fiabilité et de sécurité visées à l'article 344, § 1er, alinéa 1er, en informe l'agence. Dans cette notification à l'agence, le développeur de logiciels décrit les modifications apportées à l'application numérique certifiée.
   § 3. Si des modifications sont apportées à l'application numérique certifiée conformément au paragraphe 2, entraînant un impact sur les exigences fonctionnelles et techniques et sur les exigences de fiabilité et de sécurité visées à l'article 344, § 1er, alinéa 1er, l'agence peut, après avoir reçu l'avis conforme du groupe d'experts indépendants visé à l'article 344, § 3, décider de demander des explications supplémentaires concernant les modifications signalées ou d'imposer de nouveaux tests à l'application numérique.
   § 4. S'il existe des indications selon lesquelles une application numérique ne répondrait plus aux exigences fonctionnelles et aux exigences de fiabilité et de sécurité visées à l'article 344, § 1, alinéa 1er, l'agence peut décider d'organiser de nouveaux tests après avoir reçu l'avis conforme du groupe d'experts indépendants visé à l'article 344, § 3. En fonction des résultats des tests, l'agence peut décider de confirmer ou de retirer la certification après avoir reçu l'avis conforme du groupe d'experts indépendants susmentionné ]1
.
  
Art. 347. De attesten die verleend zijn conform de bepalingen van dit hoofdstuk, worden [1 bekendgemaakt]1 op de website van het agentschap met vermelding van hun geldigheidstermijn.
  
Art. 347. Les attestations délivrées conformément aux dispositions du présent chapitre sont [1 rendues publiques]1 sur le site internet de l'agence, avec mention de leur délai de validité.
  
HOOFDSTUK 3. - Indexering
Chapitre 3. - Indexation
Art. 348. [1 Op 1 januari 2026 worden de bedragen van de tegemoetkomingen voor mobiliteitshulpmiddelen die van toepassing zijn op 31 december 2025, verhoogd met 2,14%.
   De geïndexeerde bedragen van de tegemoetkomingen voor mobiliteitshulpmiddelen worden met ingang van het kalenderjaar 2027 ieder jaar op 1 januari aangepast aan de ontwikkeling van het afgevlakte gezondheidsindexcijfer van de consumptieprijzen van de maand april van het voorgaande jaar ten opzichte van het afgevlakte gezondheidsindexcijfer van de consumptieprijzen van de maand april van het jaar vóór het voorgaande jaar.
   Het afgevlakte gezondheidsindexcijfer van de consumptieprijzen, vermeld in het tweede lid, wordt vastgesteld met toepassing van artikel 2, § 2, van het koninklijk besluit van 24 december 1993 tot uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van `s lands concurrentievermogen. Dat indexcijfer wordt berekend en toegepast conform artikel 2 tot en met 2quater van het voormelde besluit.]1

  
Art. 348. [1 Le 1er janvier 2026, les montants des interventions pour des aides à la mobilité applicables au 31 décembre 2025 sont majorés de 2,14 %.
   A partir de l'année civile 2027, les montants indexés des interventions pour des aides à la mobilité sont adaptés annuellement au 1er janvier à l'évolution de l'indice de santé lissé des prix à la consommation du mois d'avril de l'année précédente par rapport à l'indice de santé lissé des prix à la consommation du mois d'avril en de l'année précédant l'année précédente.
   L'indice de santé lissé des prix à la consommation, visé à l'alinéa 2, est établi en application de l'article 2, § 2, de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays. Cet indice est calculé et appliqué conformément aux articles 2 à 2quater de l'arrêté précité.]1

  
Titel 7. - Indicatiestelling
Titre 7. - Indication
HOOFDSTUK 1. - Medisch voorschrift
Chapitre 1er. - Prescription médicale
Art. 349. § 1. Een model van een medisch voorschrift als vermeld in artikel 247, 258 en 316, wordt bepaald door de minister.
  Documenten van andere deelstaten, andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, andere dan het model, vermeld in het eerste lid, worden enkel aanvaard als medisch voorschrift voor zover alle informatie die op basis van het model moet worden verstrekt, in de documenten aanwezig is.
  Het medisch voorschrift wordt ondertekend door de arts [1 ...]1 en mag op het ogenblik van de indiening van een aanvraag van een tegemoetkoming niet ouder zijn dan twaalf maanden.
  § 2. Een model van een medisch voorschrift snel degeneratieve aandoening als vermeld in artikel 279, tweede lid, wordt bepaald door de minister.
  Documenten van andere deelstaten, andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, andere dan het model, vermeld in het eerste lid, worden enkel aanvaard als medisch voorschrift snel degeneratieve aandoening voor zover alle informatie die op basis van het model moet worden verstrekt, in de documenten aanwezig is.
  Het medisch voorschrift snel degeneratieve aandoening wordt ondertekend door de neuroloog of het gespecialiseerd rolstoeladviesteam [1 ...]1 en mag op het ogenblik van de indiening van een aanvraag van een tegemoetkoming niet ouder zijn dan twaalf maanden.
  
Art. 349. § 1er. Le modèle de prescription médicale, telle que visée aux articles 247, 258 et 316, est déterminé par le Ministre.
  Les documents délivrés par d'autres Etats fédérés, d'autres Etats membres de l'Espace économique européen ou par la Suisse, autres que le modèle visé à l'alinéa premier, ne sont acceptés à titre de prescription médicale qu'à la condition que toutes les informations à communiquer sur la base du modèle soient mentionnées dans les documents.
  La prescription médicale est signée par le médecin [1 ...]1 et ne peut être datée de plus de douze mois au moment de l'introduction d'une demande d'intervention.
  § 2. Le modèle de prescription médicale pour maladie dégénérative progressive, telle que visée à l'article 279, alinéa deux, est déterminé par le Ministre.
  Les documents délivrés par d'autres Etats fédérés, d'autres Etats membres de l'Espace économique européen ou par la Suisse, autres que le modèle visé à l'alinéa premier, ne sont acceptés à titre de prescription médicale pour maladie dégénérative progressive qu'à la condition que toutes les informations à communiquer sur la base du modèle soient mentionnées dans les documents.
  La prescription médicale pour maladie dégénérative progressive est signée par le neurologue ou l'équipe consultative " type de voiturette " spécialisée [1 ...]1 et ne peut être datée de plus de douze mois au moment de l'introduction d'une demande d'intervention.
  
Art. 349/1. [1 Het rolstoeladviesrapport voldoet aan de volgende voorwaarden:
   1§ het wordt door een rolstoeladviesteam of een gespecialiseerd rolstoeladviesteam multidisciplinair opgesteld, met verplichte tussenkomsten van een arts-specialist voor fysische geneeskunde en revalidatie of een arts-specialist met een bijkomend getuigschrift in de revalidatie voor locomotorische en neurologische aandoeningen en een ergotherapeut of kinesitherapeut;
   2§ het wordt door een rolstoeladviesteam of gespecialiseerd rolstoeladviesteam opgesteld op basis van een medisch onderzoek tot indicatiestelling voor een mobiliteitshulpmiddel, waarbij de gebruiker persoonlijk aanwezig is.]1

  
Art. 349/1. [1 Le rapport d'avis en matière de voiturette satisfait aux conditions suivantes :
  1° il est rédigé de façon multidisciplinaire par une équipe d'avis ou une équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette avec interventions obligatoires d'un médecin spécialiste en médecine physique et revalidation ou d'un médecin spécialiste disposant d'un certificat complémentaire en revalidation pour les affections locomotrices et neurologiques et d'un ergothérapeute ou kinésithérapeute ;
  2° il est rédigé par une équipe d'avis ou une équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette sur la base d'un examen médical en vue de l'indication pour une aide à la mobilité, lors duquel l'usager est présent en personne.]1

  
Art. 349/2. [1 Het rolstoeladviesrapport bevat de volgende gegevens:
   1А de identificatiegegevens van de gebruiker;
   2А de reden van de verwijzing naar het rolstoeladviesteam of het gespecialiseerde rolstoeladviesteam;
   3А de identificatie van het rolstoeladviesteam of het gespecialiseerde rolstoeladviesteam;
   4А de diagnose en de huidige medische situatie van de gebruiker;
   5А het functioneringsrapport in relatie tot het gebruik van het mobiliteitshulpmiddel;
   6А het besluit en het voorstel van het rolstoeladviesteam of het gespecialiseerde rolstoeladviesteam. Als in het voorstel wordt afgeweken van de vastgestelde indicatie van de functionele beperking van de persoon met een zorgbehoefte aan de hand van ICF, wordt die afwijking bijkomend gemotiveerd;
   7А als het een aanvraag van een hulpmiddel bij het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap betreft, gegevens die noodzakelijk zijn in het kader van die aanvraag;
   8А de datum waarop de gebruiker het rolstoeladviesteam of het gespecialiseerde rolstoeladviesteam heeft gecontacteerd met het verzoek om een rolstoeladviesrapport op te maken;
   9А de datum van de onderzoeken voor de opmaak van het rolstoeladviesrapport;
   10А de datum van de aflevering van het rolstoeladviesrapport van het rolstoeladviesteam of het gespecialiseerde rolstoeladviesteam;
   11А de handtekening van de arts-specialist en de ergotherapeut of kinesitherapeut van het rolstoeladviesteam of het gespecialiseerde rolstoeladviesteam en van de gebruiker of zijn vertegenwoordiger.]1

  
Art. 349/2. [1 Le rapport d'avis en matière de voiturette contient les informations suivantes :
  1° les données d'identification de l'usager ;
  2° le motif du renvoi vers l'équipe d'avis ou l'équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette ;
  3° l'identification de l'équipe d'avis ou de l'équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette ;
  4° le diagnostic et la situation médicale actuelle de l'usager ;
  5° le rapport de fonctionnement relatif à l'utilisation d'une aide à la mobilité ;
  6° la conclusion et la proposition de l'équipe d'avis ou de l'équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette. Si la proposition déroge à l'indication de la limitation fonctionnelle de la personne ayant besoin de soins, établie au moyen de la CIF, cette dérogation fait l'objet d'une justification supplémentaire ;
  7° s'il s'agit de la demande d'une aide auprès de l'Agence flamande pour les Personnes handicapées (" Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap "), les données nécessaires dans le cadre de cette demande ;
  8° la date à laquelle l'usager a contacté l'équipe d'avis ou l'équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette en lui demandant d'établir un rapport d'avis en matière de voiturette ;
  9° la date des examens en vue de l'établissement du rapport d'avis en matière de voiturette ;
  10° la date de la remise du rapport d'avis en matière de voiturette de l'équipe d'avis ou de l'équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette ;
  11° la signature du médecin spécialiste et de l'ergothérapeute ou du kinésithérapeute de l'équipe d'avis ou de l'équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette et de l'usager ou de son représentant.]1

  
HOOFDSTUK 2. - Rolstoeladviesrapport
Chapitre 2. - Rapport d'avis " type de voiturette "
Art. 350. Een model van rolstoeladviesrapport als vermeld in [1 artikel 258, 279, 292, 349/1 en 349/2]1, wordt bepaald door de minister.
  Documenten van andere deelstaten, andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, andere dan het model, vermeld in het eerste lid, worden enkel aanvaard als rolstoeladviesrapport voor zover alle informatie die op basis van het model moet worden verstrekt, in de documenten aanwezig is.
  [1 Het rolstoeladviesrapport mag op het ogenblik van de indiening van een aanvraag van een tegemoetkoming voor een mobiliteitshulpmiddel niet ouder dan twaalf maanden zijn]1
  [1 Het rolstoeladviesrapport wordt getypt.]1
  
Art. 350. Le modèle de rapport d'avis " type de voiturette ", tel que visé aux [1 articles 258, 279, 292, 349/1 et 349/2]1, est déterminé par le Ministre.
  Les documents délivrés par d'autres Etats fédérés, d'autres Etats membres de l'Espace économique européen ou par la Suisse, autres que le modèle visé à l'alinéa premier, ne sont acceptés à titre de rapport d'avis " type de voiturette " qu'à la condition que toutes les informations à communiquer sur la base du modèle soient mentionnées dans les documents.
  [1 Au moment de l'introduction d'une demande d'intervention pour une aide à la mobilité, le rapport d'avis en matière de voiturette ne peut pas remonter à plus de douze mois.]1
  [1 Le rapport d'avis en matière de voiturette est dactylographié.]1
  
Art. 351. Het rolstoeladviesteam of het gespecialiseerde rolstoeladviesteam kan bijkomende informatie opvragen bij de gebruiker, bij de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen tot wie de gebruiker zich in voorkomend geval al heeft gewend of, met toestemming van de gebruiker, bij de behandelend arts[1 de verpleegkundige of de maatschappelijk werker]1, van de gebruiker, als het team dat noodzakelijk acht voor de opmaak van het rolstoeladviesrapport.
  
Art. 351. L'équipe consultative " type de voiturette " ou l'équipe consultative " type de voiturette " spécialisée peut demander des informations complémentaires à l'usager, au fournisseur d'aides à la mobilité auquel l'usager s'est, le cas échéant, déjà adressé, ou, avec le consentement de l'usager, au médecin traitent [1 , à l'infirmier ou à l'assistant social ]1 de l'usager, lorsque l'équipe considère que cela est nécessaire en vue de l'établissement du rapport d'avis " type de voiturette.
  
Art. 352. [1 Het rolstoeladviesteam of het gespecialiseerde rolstoeladviesteam levert een rolstoeladviesrapport af binnen vijftig werkdagen na de dag waarop de gebruiker het team heeft gecontacteerd met het verzoek om een rolstoeladviesrapport op te maken.
   Als de termijn, vermeld in het eerste lid, wordt overschreden, voorziet het rolstoeladviesteam of het gespecialiseerde rolstoeladviesteam in een duidelijke en expliciete motivering voor de afwijking, waarbij het aantoont of beschrijft welke specifieke omstandigheden de afwijking verantwoorden. Het rolstoeladviesteam of het gespecialiseerde rolstoeladviesteam bewaart de motivering gedurende een termijn van minimaal vijf jaar.]1

  [2 Een gespecialiseerd rolstoeladviesteam levert een rolstoeladviesrapport af binnen twintig werkdagen na de dag waarop de gebruiker het team heeft gecontacteerd met het verzoek om een rolstoeladviesrapport op te maken als het om een gebruiker met een snel degeneratieve aandoening gaat als vermeld in artikel 277.
   Als de termijn, vermeld in het derde lid, wordt overschreden, voorziet het gespecialiseerde rolstoeladviesteam in een duidelijke en expliciete motivering voor de afwijking. In de motivering toont het aan of beschrijft het welke specifieke omstandigheden de afwijking verantwoorden. Het gespecialiseerde rolstoeladviesteam bewaart de motivering gedurende een termijn van minimaal vijf jaar.]2

  
Art. 352. [1 L'équipe d'avis ou l'équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette remet un rapport d'avis en matière de voiturette dans les cinquante jours ouvrables qui suivent le jour où l'usager l'a contactée en lui demandant d'établir un rapport d'avis en matière de voiturette.
  En cas de dépassement du délai visé à l'alinéa 1er, l'équipe d'avis ou l'équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette fournit une motivation claire et explicite de cette dérogation, par laquelle elle démontre ou décrit les circonstances spécifiques qui la justifient. L'équipe d'avis ou l'équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette conserve la motivation pendant une durée minimale de cinq ans.]1

  [2 Une équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette remet un rapport d'avis en matière de voiturette dans les vingt jours ouvrables qui suivent le jour où l'usager l'a contactée en lui demandant d'établir un rapport d'avis en matière de voiturette, s'il s'agit d'un usager souffrant d'une maladie dégénérative progressive telle que visée à l'article 277.
   En cas de dépassement du délai visé à l'alinéa 3, l'équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette fournit une motivation claire et explicite de cette dérogation. La motivation démontre ou décrit les circonstances spécifiques qui justifient la dérogation. L'équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette conserve la motivation pendant une durée minimale de cinq ans. ]2

  
Art. 353. Het rolstoeladviesteam of het gespecialiseerde rolstoeladviesteam stelt aan de gebruiker een lijst ter beschikking van alle verstrekkers van mobiliteitshulpmiddelen tot wie de gebruiker zich naar eigen keuze kan wenden. De minister kan de nadere modaliteiten hiervan bepalen.
Art. 353. L'équipe consultative " type de voiturette " ou l'équipe consultative " type de voiturette " spécialisée met à la disposition de l'usager une liste de tous les fournisseurs d'aides à la mobilité auxquels l'usager peut librement s'adresser. Le Ministre peut en arrêter les modalités.
Art. 353/1. [1 De onderzoeken tot indicatiestelling worden uitgevoerd op de locatie waar het rolstoeladviesteam of het gespecialiseerde rolstoeladviesteam gevestigd is, tenzij de gebruiker zich onmogelijk naar die locatie kan begeven of als het rolstoeladviesteam of het gespecialiseerde rolstoeladviesteam een huisbezoek nodig acht.
   Tijdens het onderzoek tot indicatiestelling van een mobiliteitshulpmiddel worden de behoeften van de gebruikers voldoende bevraagd en kwalitatief in kaart gebracht. Dat onderzoek wordt in щщn zitting integraal afgewerkt.
   Als het rolstoeladviesteam of het gespecialiseerde rolstoeladviesteam, in afwijking van het tweede lid, de gebruiker uitnodigt voor een tweede zitting, zijn de reiskosten ten laste van het rolstoeladviesteam of het gespecialiseerde rolstoeladviesteam in kwestie.]1

  
Art. 353/1. [1 Les examens d'indication sont pratiqués sur le site d'établissement de l'équipe d'avis ou de l'équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette, à moins que l'usager ne soit dans l'impossibilité de s'y rendre ou que l'équipe d'avis ou l'équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette ne juge une visite à domicile nécessaire.
  Durant l'examen d'indication d'une aide à la mobilité, les besoins des usagers sont dûment sondés et répertoriés de manière qualitative. Cet examen est intégralement finalisé en une seule séance.
  Si, par dérogation à l'alinéa 2, l'équipe d'avis ou l'équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette invite l'usager pour une deuxième séance, les frais de déplacement sont à charge de l'équipe d'avis ou de l'équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette concernée.]1

  
HOOFDSTUK 3. - Erkenning indicatiestellers
Chapitre 3. - Agrément des indicateurs
Afdeling 1. [1 Algemeen]1
Section 1re. [1 Généralités]1
Art. 354. Alleen erkende indicatiestellers kunnen het medisch voorschrift of het rolstoeladviesrapport, vermeld in artikel 349 en 350, opmaken.
Art. 354. Seuls les indicateurs agréés peuvent établir la prescription médicale ou le rapport d'avis " type de voiturette " visé aux articles 349 et 350.
Afdeling 2. [1 Erkenning van indicatiestellers met het oog op de opmaak van medische voorschriften]1
Section 2. [1 Agrément d'indicateurs en vue de l'établissement de prescriptions médicales.]1
Art. 355. De artsen die gemachtigd zijn om de geneeskunde uit te oefenen conform artikel 25 van de wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, gecoördineerd op 10 mei 2015, worden van rechtswege erkend als indicatiesteller in het kader van de mobiliteitshulpmiddelen, met het oog op de opmaak van medische voorschriften en, met behoud van de toepassing van artikel 349, § 2, tweede lid, van dit besluit, medische voorschriften snel degeneratieve aandoening, vermeld in artikel 349 van dit besluit.
Art. 355. Les médecins autorisés à pratiquer la médecine conformément à l'article 25 de la loi relative à l'exercice des professions des soins de santé, coordonnée le 10 mai 2015, sont de plein droit agréés en qualité d'indicateur dans le cadre des aides à la mobilité, en vue de l'établissement de prescriptions médicales ainsi que, sans préjudice de l'application de l'article 349, § 2, alinéa deux, du présent arrêté, de prescriptions médicales pour maladies dégénératives progressives, telles que visées à l'article 349 du présent arrêté.
Art. 358. Artsen in andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte of in Zwitserland die door de regelgeving van het land in kwestie de geneeskunde mogen uitoefenen, worden gelijkgesteld met de [1 artsen, vermeld in]1 artikel 355.
  Diensten of equipes in andere deelstaten, in andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte of in Zwitserland die door de regelgeving van de deelstaat of van het land in kwestie rolstoeladviesrapporten mogen opstellen, worden gelijkgesteld met de [1 rolstoeladviesteams, erkend conform artikel 358/9]1.
  Diensten of equipes in andere deelstaten, in andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte of in Zwitserland die door de regelgeving van de deelstaat of van het betreffende land in kwestie medische voorschriften snel degeneratieve aandoening en rolstoeladviesrapporten mogen opstellen voor personen met snel degeneratieve aandoeningen, worden gelijkgesteld met de [1 gespecialiseerde rolstoeladviesteams, erkend conform artikel 358/9]1.
  
Art. 358. Les médecins dans d'autres Etats membres de l'Espace économique européen ou en Suisse qui sont autorisés à pratiquer la médecine par la réglementation du pays en question sont assimilés aux [1 médecins visés]1 à l'article 355.
  Les services ou équipes dans d'autres Etats fédérés, dans d'autres Etats membres de l'Espace économique européen ou en Suisse qui sont autorisés par la réglementation de l'Etat fédéré ou du pays en question à établir des rapports d'avis " type de voiturette ", sont assimilés aux [1 équipes d'avis en matière de voiturette agréées conformément à l'article 358/9]1.
  Les services ou équipes dans d'autres Etats fédérés, dans d'autres Etats membres de l'Espace économique européen ou en Suisse qui sont autorisés par la réglementation de l'Etat fédéré ou du pays en question à établir des prescriptions médicales pour maladies dégénératives progressives et des rapports d'avis " type de voiturette " pour des personnes souffrant de maladies dégénératives progressives, sont assimilés aux [1 équipes d'avis spécialisées en matière de voiturettes agréées conformément à l'article 358/9]1.
  
Afdeling 3. [1 Erkenning van rolstoeladviesteams en gespecialiseerde rolstoeladviesteams]1
Section 3. [1 Agrément d'équipes d'avis et d'équipes d'avis spécialisées en matière de voiturette]1
Onderafdeling 1. [1 Opdrachten en samenstelling]1
Subdivision 1. [1 Missions et composition]1
Art. 358/1. [1De rolstoeladviesteams en de gespecialiseerde rolstoeladviesteams hebben de volgende opdrachten:
Art. 358/1.[1 Les missions des équipes d'avis et équipes d'avis spécialisées en matière de voiturette sont les suivantes :
Art. 358/2. [1 De dienstverlening van het rolstoeladviesteam of het gespecialiseerde rolstoeladviesteam beantwoordt aan volgende voorwaarden:
Art. 358/2. [1 Le service de l'équipe d'avis ou de l'équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette répond aux conditions suivantes :
Art. 358/3. [1 Een rolstoeladviesteam bestaat uit:
Art. 358/3. [1 Une équipe d'avis en matière de voiturette se compose :
Art. 358/4. [1 Een gespecialiseerd rolstoeladviesteam bestaat uit:
Art. 358/4. [1 Une équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette se compose :
Art. 358/5. [1 De leden van het rolstoeladviesteam of het gespecialiseerde rolstoeladviesteam, respectievelijk vermeld in artikel 358/3 of 358/4, nemen deel aan vormingen die nuttig zijn in het kader van de opmaak van rolstoeladviesrapporten.
Art. 358/5. [1 Les membres de l'équipe d'avis ou de l'équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette, respectivement visées à l'article 358/3 ou 358/4, participant à des formations utiles dans le cadre de l'établissement de rapports d'avis en matière de voiturette.
Art. 358/6. [1 Naargelang van de vraag kan een rolstoeladviesteam of een gespecialiseerd rolstoeladviesteam een beroep doen op de disciplines logopedie en klinische psychologie.
Art. 358/6. [1 En fonction de la demande, une équipe d'avis ou une équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette peut faire appel aux disciplines de la logopédie et de la psychologie clinique.
Onderafdeling 2. [1 Erkenning]1
Sous-section 2. [1 Reconnaissance]1
Art. 358/7. [1 Een dienst kan erkend worden als rolstoeladviesteam of gespecialiseerd rolstoeladviesteam als hij voldoet aan al de volgende voorwaarden:
   1А de dienst beschikt over rechtspersoonlijkheid;
   2А de rechtspersoon heeft uitsluitend de uitbating van een of meer zorgvoorzieningen als statutair doel;
   3А de dienst verbindt zich ertoe de opdrachten, vermeld in artikel 358/1, uit te voeren;
   4А de dienst is bereid om de voorwaarden, vermeld in artikel 358/8, te vervullen.
   Om erkend te worden als gespecialiseerd rolstoeladviesteam, beschikt de dienst bijkomend over aantoonbare deskundigheid inzake snel degeneratieve aandoeningen.]1

  
Art. 358/7. [1 Un service peut être agréé en tant qu'équipe d'avis ou équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette s'il satisfait à l'ensemble des conditions suivantes :
  1° le service est doté de la personnalité juridique ;
  2° la personne morale a pour seul objet statutaire l'exploitation d'une ou de plusieurs structures de soins ;
  3° le service s'engage à accomplir les missions visées à l'article 358/1 ;
  4° le service est disposé à remplir les conditions visées à l'article 358/8.
  Pour être agréé en tant qu'équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette, le service possède en outre une expérience avérée en matière de maladies dégénératives à évolution rapide.]1

  
Art. 358/8. [1 Om erkend te blijven, moet het rolstoeladviesteam of het gespecialiseerde rolstoeladviesteam, voldoen aan al de volgende voorwaarden:
   1° het rolstoeladviesteam voldoet blijvend aan de voorwaarden, vermeld in artikel 358/7, eerste lid, 1А tot en met 3А. Het gespecialiseerd rolstoeladviesteam voldoet blijvend aan de voorwaarden, vermeld in artikel 358/7, eerste lid, 1А tot en met 3А, en tweede lid;
   2° het rolstoeladviesteam of het gespecialiseerde rolstoeladviesteam voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 352 en artikel 358/1 tot en met 358/5;
   3° de opgemaakte rolstoeladviesrapporten voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 349/1, 349/2 en 350.
   Als een rolstoeladviesteam of gespecialiseerd rolstoeladviesteam niet meer voldoet aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, meldt het rolstoeladviesteam of het gespecialiseerde rolstoeladviesteam dat onmiddellijk aan het agentschap.]1

  
Art. 358/8. [1 Pour conserver l'agrément, l'équipe d'avis ou l'équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette doit satisfaire à l'ensemble des conditions suivantes :
  1° l'équipe d'avis en matière de voiturette satisfait de manière permanente aux conditions énoncées à l'article 358/7, alinéa 1er, 1° à 3°. L'équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette satisfait de manière permanente aux conditions énoncées à l'article 358/7, alinéa 1er, 1° à 3°, et alinéa 2;
  2° l'équipe d'avis ou l'équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette satisfait aux conditions énoncées à l'article 352 et aux articles 358/1 à 358/5 ;
  3° les rapports d'avis en matière de voiturette établis satisfont aux conditions énoncées aux articles 349/1, 349/2 et 350.
  Si une équipe d'avis ou une équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette ne satisfait plus aux conditions visées à l'alinéa 1er, elle en avise immédiatement l'agence.]1

  
Art. 358/9. [1 De leidend ambtenaar kan diensten erkennen als rolstoeladviesteam of als gespecialiseerd rolstoeladviesteam.
   Een erkenning geldt voor een termijn van maximaal tien jaar, die kan worden verlengd.]1

  
Art. 358/9. [1 Le fonctionnaire dirigeant peut agréer des services en tant qu'équipe d'avis ou équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette.
  Un agrément est valable pour une durée maximale de dix ans, qui peut être prolongée.]1

  
Art. 358/10. [1 Een dienst die erkend wil worden als rolstoeladviesteam of gespecialiseerd rolstoeladviesteam, dient daarvoor een aanvraag in bij het agentschap met een aangetekende zending of op om het even welke andere manier die toelaat de ontvangstdatum met zekerheid vast te stellen.
   In zijn erkenningsaanvraag toont de dienst aan dat hij voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 358/7.]1

  
Art. 358/10. [1 Un service qui désire être agréé en tant qu'équipe d'avis ou équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette introduit à cet effet une demande auprès de l'agence par envoi recommandé ou de toute autre manière permettant d'établir la date de réception avec certitude.
  Dans sa demande d'agrément, le service démontre qu'il satisfait aux conditions énoncées à l'article 358/7.]1

  
Art. 358/11. [1 Een aanvraag tot erkenning is alleen ontvankelijk als ze volgende informatie bevat:
   1А de identificatiegegevens van de rechtspersoon van de aanvrager;
  [2 1° /1 de identificatiegegevens van de dienst waarop de aanvraag betrekking heeft;]2
   2А een verwijzing naar de publicatie van de statuten van de aanvrager of de statuten zelf als ze nog niet gepubliceerd zijn;
   3А een bewijs dat de aanvrager qua samenstelling voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 358/3 of 358/4, door middel van de opsomming van de RIZIV-erkenningsnummers van de leden van het team;
   4А een beschrijving van het profiel van de gebruikers van het toekomstige rolstoeladviesteam of het gespecialiseerde rolstoeladviesteam;
   5А een projectie van het verwachte aantal rolstoeladviesrapporten per jaar;
  [2 6° een beschrijving van de aantoonbare deskundigheid in snel degeneratieve aandoeningen in overeenstemming met de voorwaarde, vermeld in artikel 358/7, tweede lid, als het een aanvraag tot erkenning als gespecialiseerd rolstoeladviesteam betreft.2
   De minister bepaalt het formulier waarmee een erkenningsaanvraag wordt ingediend.]1

  
Art. 358/11. [1 Une demande d'agrément n'est recevable que si elle contient les informations suivantes :
  1° les données d'identification de la personne morale du demandeur ;
  [2 1° /1 les données d'identification du service auquel la demande a trait ; ]2
  2° un renvoi à la publication des statuts du demandeur ou aux statuts proprement dits s'ils n'ont pas encore été publiés ;
  3° une preuve que le demandeur satisfait aux conditions de composition énoncées à l'article 358/3 ou 358/4 au moyen de la liste des numéros d'agrément INAMI des membres de l'équipe ;
  4° une description du profil des usagers de la future équipe d'avis ou équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette ;
  5° une projection du nombre escompté de rapports d'avis en matière de voiturette par an;
  [2 6° une description de l'expérience avérée en matière de maladies dégénératives à évolution rapide conformément à la condition, visée à l'article 358/7, alinéa 2, s'il s'agit d'une demande d'agrément en tant qu'équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette.]2
  Le ministre détermine le formulaire à l'aide duquel une demande d'agrément est introduite.]1

  
Art. 358/12. [1 Het agentschap meldt de aanvrager binnen dertig dagen na de dag waarop het de erkenningsaanvraag heeft ontvangen, of de aanvraag ontvankelijk of onontvankelijk is.
  Het agentschap kan binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, ontbrekende informatie opvragen bij de aanvrager. In dat geval wordt de termijn geschorst. De termijn begint opnieuw te lopen op de werkdag na de dag waarop het agentschap de ontbrekende informatie heeft ontvangen.]1

  
Art. 358/12. [1 Dans les trente jours de la réception de la demande d'agrément, l'agence notifie au demandeur si la demande est ou non recevable.
  Dans le délai visé à l'alinéa 1er, l'agence peut réclamer des informations manquantes auprès du demandeur. Dans ce cas, le délai est suspendu. Le délai recommence à courir le jour ouvrable qui suit le jour de la réception des informations manquantes par l'agence.]1

  
Art. 358/13. [1 Binnen dertig dagen vanaf de dag van de melding, vermeld in artikel 358/12, eerste lid, vraagt het agentschap advies over de aanvraag aan de Adviescommissie Mobiliteitshulpmiddelen.
   De Adviescommissie Mobiliteitshulpmiddelen bezorgt haar advies aan het agentschap binnen vijfenveertig dagen na de dag waarop ze de adviesvraag van het agentschap heeft ontvangen.
   De leidend ambtenaar beslist binnen dertig dagen vanaf de dag van de ontvangst van het advies over de aanvraag.]1

  
Art. 358/13. [1 Dans les trente jours de la notification visée à l'article 358/12, alinéa 1er, l'agence sollicite l'avis de la Commission consultative Aides à la mobilité au sujet de la demande.
  La Commission consultative Aides à la mobilité transmet son avis à l'agence dans les quarante-cinq jours à compter du jour où elle a reçu la demande d'avis de l'agence.
  Le fonctionnaire dirigeant décide dans les trente jours de la réception de l'avis au sujet de la demande.]1

  
Art. 358/14. [1Het agentschap bezorgt de beslissing over de erkenning binnen vijftien dagen na de datum van de beslissing aan de aanvrager.
   § 2. Een voornemen tot weigering van de erkenning wordt met een aangetekende brief aan de aanvrager bezorgd. Het voornemen bevat:
   1° de motivering conform artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen;
   2° uitleg over de mogelijkheid, de voorwaarden en de procedure om een gemotiveerd bezwaarschrift in te dienen bij het agentschap.
   De aanvrager kan binnen twee maanden na de datum van de verzending van het voornemen tot weigering van de erkenning, vermeld in het eerste lid, een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij het agentschap.
   Het bezwaarschrift wordt behandeld conform artikel 6 tot en met 22 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 juli 2013 betreffende de Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en (Kandidaat-)pleegzorgers, waarbij het bezwaarschrift, in afwijking van artikel 8, § 1, eerste lid van het voormelde besluit, door de kamer voor gezondheidsvoorzieningen wordt behandeld.
   Als de aanvrager geen bezwaarschrift indient binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, wordt de beslissing van de leidend ambtenaar tot weigering van de erkenning met een aangetekende zending aan de aanvrager bezorgd.
   § 3. De beslissing waarbij de erkenning als rolstoeladviesteam of gespecialiseerd rolstoeladviesteam wordt verleend, bevat de volgende gegevens:
   1° de gegevens van het rolstoeladviesteam of het gespecialiseerde rolstoeladviesteam, namelijk:
   a) de naam;
   b) het RIZIV-nummer;
   c) het HCO-nummer;
   2° de ingangsdatum en de termijn van de erkenning.
   De lijst van de erkende rolstoeladviesteams en gespecialiseerde rolstoeladviesteams worden op de website van het agentschap bekendgemaakt.-1
  
Art. 358/14. [1 § 1er. L'agence transmet la décision au sujet de l'agrément au demandeur dans les quinze jours de la date de la décision.
  § 2. Une intention de refus de l'agrément est communiquée au demandeur par lettre recommandée. L'intention contient :
  1° la motivation, conformément à l'article 2 de la loi du 29 juillet 1991 relative à la motivation formelle des actes administratifs ;
  2° des explications sur la possibilité, les conditions et la procédure d'introduction d'une réclamation motivée auprès de l'agence.
  Dans les deux mois de la date d'envoi de l'intention de refus de l'agrément visée à l'alinéa 1er, le demandeur peut introduire une réclamation motivée auprès de l'agence.
  La réclamation est traitée conformément aux articles 6 à 22 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 juillet 2013 concernant la Commission consultative pour les Structures de l'Aide sociale, de la Santé publique et de la Famille et des (Candidats-)accueillants, la réclamation étant traitée, par dérogation à l'article 8, § 1er, alinéa 1er, de l'arrêté précité, par la chambre pour les structures de soins de santé.
  Si le demandeur n'introduit pas de réclamation dans le délai visé à l'alinéa 2, la décision du fonctionnaire dirigeant de refuser l'agrément est communiquée au demandeur par envoi recommandé.
  § 3. La décision par laquelle l'agrément en tant qu'équipe d'avis ou équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette est accordé contient les données suivantes :
  1° les coordonnées de l'équipe d'avis ou de l'équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette, à savoir :
  a) le nom ;
  b) le numéro INAMI ;
  c) le numéro HCO ;
  2° la date de prise d'effet et la durée de l'agrément.
  La liste des équipes d'avis et équipes d'avis spécialisées en matière de voiturette agréées est publiée sur le site web de l'agence.]1

  
Art. 358/15. [1 Het rolstoeladviesteam of het gespecialiseerde rolstoeladviesteam kan uiterlijk zes maanden voor een lopende erkenning verstrijkt, een aanvraag tot verlenging van zijn erkenning indienen bij het agentschap. De aanvraag tot verlenging van de erkenning bevat de informatie, vermeld in artikel 358/11, als er veranderingen zijn opgetreden.
   Als aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid en artikel 358/8, is voldaan, wordt de erkenning van het rolstoeladviesteam of het gespecialiseerde rolstoeladviesteam automatisch met tien jaar verlengd. Als niet aan die voorwaarden is voldaan, bezorgt het agentschap een voornemen tot weigering van de verlenging van de erkenning met een aangetekende brief aan het rolstoeladviesteam of het gespecialiseerde rolstoeladviesteam. Artikel 358/14, § 2, is van overeenkomstige toepassing ]1

  
Art. 358/15. [1 Au plus tard six mois avant l'expiration de l'agrément en cours, l'équipe d'avis ou l'équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette peut introduire une demande de prorogation de son agrément auprès de l'agence. La demande de prorogation de l'agrément contient les informations visées à l'article 358/11 si aucun changement n'est intervenu.
  S'il est satisfait aux conditions visées à l'alinéa 1er et à l'article 358/8, l'agrément de l'équipe d'avis ou de l'équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette est automatiquement prorogé de dix ans. Si ces conditions ne sont pas remplies, l'agence communique à l'équipe d'avis ou à l'équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette une intention de refus de prorogation de l'agrément par lettre recommandée. L'article 358/14, § 2, s'applique par analogie.]1
{XXXXXXXXXX}
Art. 358/16. [1 1. Het agentschap uit een voornemen tot schorsing of intrekking van de erkenning als het rolstoeladviesteam of het gespecialiseerde rolstoeladviesteam niet meer voldoet aan de voorwaarden om erkend te blijven, vermeld in artikel 358/8.
   § 2. Het voornemen tot schorsing of intrekking van de erkenning wordt met een aangetekende brief aan het rolstoeladviesteam of het gespecialiseerde rolstoeladviesteam bezorgd. Het voornemen bevat:
   1° de motivering conform artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen;
   2° uitleg over de mogelijkheid, de voorwaarden en de procedure om een gemotiveerd bezwaarschrift in te dienen bij het agentschap.
   Het rolstoeladviesteam of het gespecialiseerde rolstoeladviesteam kan binnen twee maanden na de datum van de verzending van het voornemen tot schorsing of intrekking van de erkenning, vermeld in het eerste lid, een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij het agentschap.
   Het bezwaarschrift wordt behandeld conform artikel 6 tot en met 22 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 juli 2013 betreffende de Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en (Kandidaat-)pleegzorgers, waarbij het bezwaarschrift, in afwijking van artikel 8, § 1, eerste lid van het voormelde besluit, door de kamer voor gezondheidsvoorzieningen wordt behandeld.
   Als het rolstoeladviesteam of het gespecialiseerde rolstoeladviesteam geen bezwaarschrift indient binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, wordt de beslissing van de leidend ambtenaar tot schorsing of intrekking van de erkenning met een aangetekende zending aan het rolstoeladviesteam of het gespecialiseerde rolstoeladviesteam bezorgd.
   § 3. De beslissing tot schorsing vermeldt de begindatum, de periode van de schorsing en de voorwaarden die vervuld moeten zijn om de schorsing ongedaan te maken.
   De leidend ambtenaar bepaalt de termijn van de schorsing. Die termijn mag niet meer bedragen dan drie maanden. Op gemotiveerd verzoek van het rolstoeladviesteam of het gespecialiseerde rolstoeladviesteam kan die termijn eenmalig maximaal drie maanden verlengd worden. Die aanvraag wordt door het rolstoeladviesteam of het gespecialiseerde rolstoeladviesteam minstens dertig dagen voor de afloop van de initiële schorsingstermijn met een aangetekende zending aan het agentschap bezorgd.
   § 4. Als bij het beëindigen van de schorsingstermijn nog niet aan alle erkenningsnormen is voldaan, wordt de procedure tot intrekking van de erkenning gestart.
   § 5. De beslissing tot intrekking van de erkenning heeft uitwerking op de datum, vermeld in die beslissing]1

  
Art. 358/16. [1 § 1er. L'agence exprime l'intention de suspendre ou de retirer l'agrément si l'équipe d'avis ou l'équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette ne satisfait plus aux conditions pour conserver l'agrément énoncées à l'article 358/8.
  § 2. L'intention de suspension ou de retrait de l'agrément est communiquée à l'équipe d'avis ou l'équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette par lettre recommandée. L'intention contient :
  1° la motivation, conformément à l'article 2 de la loi du 29 juillet 1991 relative à la motivation formelle des actes administratifs ;
  2° des explications sur la possibilité, les conditions et la procédure d'introduction d'une réclamation motivée auprès de l'agence.
  Dans les deux mois de la date d'envoi de l'intention de suspension ou de retrait de l'agrément visée à l'alinéa 1er, l'équipe d'avis ou l'équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette peut introduire une réclamation motivée auprès de l'agence.
  La réclamation est traitée conformément aux articles 6 à 22 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 juillet 2013 concernant la Commission consultative pour les Structures de l'Aide sociale, de la Santé publique et de la Famille et des (Candidats-)accueillants, la réclamation étant traitée, par dérogation à l'article 8, § 1er, alinéa 1er, de l'arrêté précité, par la chambre pour les structures de soins de santé.
  Si l'équipe d'avis ou l'équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette n'introduit pas de réclamation dans le délai visé à l'alinéa 2, la décision du fonctionnaire dirigeant de suspendre ou de retirer l'agrément est communiquée à l'équipe d'avis ou l'équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette par envoi recommandé.
  § 3. La décision de suspension mentionne la date de début, la période de la suspension et les conditions à remplir pour annuler la suspension.
  Le fonctionnaire dirigeant fixe la durée de la suspension. Cette durée ne peut pas excéder trois mois. A la demande motivée de l'équipe d'avis ou de l'équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette, cette durée peut être prolongée une seule fois de trois mois maximum. L'équipe d'avis ou l'équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette transmet cette demande à l'agence par envoi recommandé au moins trente jours avant l'expiration de la durée initiale de suspension.
  § 4. Si toutes les normes d'agrément n'ont pas encore été remplies à l'expiration de la durée de suspension, la procédure de retrait de l'agrément est engagée.
  § 5. La décision de retrait de l'agrément prend effet à la date indiquée dans la décision.]1

  
Art. 358/17. [1 De leidend ambtenaar kan de erkenning intrekken als het rolstoeladviesteam of het gespecialiseerde rolstoeladviesteam daar aangetekend of tegen ontvangstbewijs rechtsgeldig om verzoekt. De beslissing van de leidend ambtenaar wordt binnen drie maanden na de indiening van het verzoek aangetekend met kennisgeving van ontvangst aan het rolstoeladviesteam of het gespecialiseerde rolstoeladviesteam bezorgd.
   Het rolstoeladviesteam of het gespecialiseerde rolstoeladviesteam brengt het agentschap ten minste drie maanden voorafgaand aan zijn vrijwillige stopzetting op de hoogte van zijn voornemen om de activiteiten vrijwillig stop te zetten, met vermelding van de datum waarop die beslissing uitwerking heeft.]1

  
Art. 358/17. [1 Le fonctionnaire dirigeant peut retirer l'agrément si l'équipe d'avis ou l'équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette en fait valablement la demande par recommandé ou contre accusé de réception. La décision du fonctionnaire dirigeant est transmise à l'équipe d'avis ou l'équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette par recommandé avec accusé de réception dans les trois mois de l'introduction de la demande.
  L'équipe d'avis ou l'équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette informe l'agence de son intention de cesser volontairement ses activités, au moins trois mois avant sa cessation volontaire, en précisant la date de prise d'effet de cette décision.]1

  
Titel 8. - Productlijst
Titre 8. - Liste des produits
HOOFDSTUK 1. - Opmaak van de productlijst
Chapitre 1er. - Etablissement de la liste des produits
Art. 359. § 1. De productlijst, vermeld in artikel 113 van het decreet van 18 mei 2018, wordt opgemaakt door de leidend ambtenaar van het agentschap en kan worden gewijzigd conform de bepalingen van hoofdstuk 2, in voorkomend geval na advies van de Adviescommissie Mobiliteitshulpmiddelen.
  De producten op de productlijst, vermeld in het eerste lid, worden ingedeeld in een van de subgroepen als vermeld in artikel 240, derde lid, met vermelding van de volgende elementen:
  1° de fabrikant
  2° de aanvrager, vermeld in artikel 360, § 1;
  3° het merk;
  4° het type;
  5° de publieksprijs;
  6° de aangeboden aanpassingen, waaronder:
  a) de aangeboden aanpassingen in het basisproduct;
  b) de aangeboden aanpassingen ter vervanging van de aanpassingen in het basisproduct, met inbegrip van het door de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen aan te rekenen tarief;
  c) de aangeboden bijkomende aanpassingen, met inbegrip van het door de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen aan te rekenen tarief;
  7° de productcode.
  § 2. De mobiliteitshulpmiddelen, vermeld in artikel 262, artikel 278, eerste lid, artikel 288, artikel 308, eerste lid, artikel 314, § 1, eerste en tweede lid, artikel 326 en artikel 334, tweede lid, moeten opgenomen zijn op de productlijst.
  Voor de aanvraag van tegemoetkomingen voor producten die niet zijn opgenomen op de productlijst, moet de procedure, vermeld in titel 4, hoofdstuk 2, afdeling 1, worden gevolgd.
Art. 359. § 1er. La liste des produits visée à l'article 113 du décret du 18 mai 2018 est établie par le fonctionnaire dirigeant de l'agence et peut être modifiée conformément aux dispositions du chapitre 2, le cas échéant après avoir recueilli l'avis de la Commission consultative Aides à la mobilité.
  Les produits figurant dans la liste des produits visée à l'alinéa premier sont classés en sous-groupes tels que visés à l'article 240, alinéa trois, avec mention des éléments suivants :
  1° le fabricant
  2° le demandeur, visé à l'article 360, § 1er ;
  3° la marque ;
  4° le modèle ;
  5° le prix public ;
  6° les adaptations proposées, dont :
  a) les adaptations proposées dans le produit de base ;
  b) les adaptations proposées en remplacement des adaptations dans le produit de base, en ce compris le tarif à facturer par le fournisseur d'aides à la mobilité ;
  c) les adaptations complémentaires proposées, en ce compris le tarif à facturer par le fournisseur d'aides à la mobilité ;
  7° le code du produit.
  § 2. Les aides à la mobilité visées aux articles 262, 278, alinéa premier, 288, 308, alinéa premier, 314, § 1er, alinéa premier et deux, 326 et 334, alinéa deux, doivent être incluses dans la liste des produits.
  Dans le cas d'une demande d'intervention pour des produits n'ayant pas été inclus dans la liste des produits, il y a lieu de suivre la procédure visée au titre 4, chapitre 2, section 1ère.
HOOFDSTUK 2. - Opname van producten op de productlijst
Chapitre 2. - Enregistrement de produits dans la liste des produits
Art. 360. § 1. Een fabrikant van mobiliteitshulpmiddelen of een door de fabrikant gemandateerde aanvrager kan optreden als aanvrager voor de toepassing van dit hoofdstuk.
  De aanvrager, vermeld in het eerste lid, moet gevestigd zijn in de Europese Economische Ruimte en geregistreerd zijn bij het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten conform artikel 4 van het koninklijk besluit van 15 november 2017 betreffende de notificatie van een contactpunt materiovigilantie en de registratie van de distributeurs en uitvoerders van medische hulpmiddelen.
  § 2. Met het oog op de opname van mobiliteitshulpmiddelen op de productlijst, dient de aanvrager een volledig ingevulde en ondertekende verklaring in bij het agentschap.
  De verklaring bepaalt onder meer:
  1° de identificatiegegevens van de fabrikant en van de gemandateerde aanvrager;
  2° in voorkomend geval, de relatie tussen de fabrikant en de gemandateerde aanvrager;
  3° de identificatiegegevens van de natuurlijke personen voor wie toegang wordt aangevraagd tot de applicatie met de in te vullen productfiche.
  Het model van de verklaring, vermeld in het eerste lid, wordt bepaald door de minister.
Art. 360. § 1er. Un fabricant d'aides à la mobilité ou un demandeur mandaté par le fabricant peut intervenir en qualité de demandeur en vue de l'application du présent chapitre.
  Le demandeur visé à l'alinéa premier doit être établi dans l'Espace économique européen et être enregistré auprès de l'Agence fédérale des médicaments et des produits de santé, conformément à l'article 4 de l'arrêté royal du 15 novembre 2017 relatif à la notification d'un point de contact matériovigilance et à l'enregistrement des distributeurs et exportateurs de dispositifs médicaux.
  § 2. En vue de l'inscription d'aides à la mobilité dans la liste des produits, le demandeur introduit auprès de l'agence une déclaration dûment complétée et signée.
  La déclaration précise, entre autres :
  1° les données d'identification du fabricant et du demandeur mandaté ;
  2° le cas échéant, la relation entre le fabricant et le demandeur mandaté ;
  3° les données d'identification des personnes physiques pour lesquelles il est demandé un accès à l'application contenant la fiche produit à compléter.
  Le Ministre définit le modèle de la déclaration visée à l'alinéa premier.
Art. 361. § 1. Op basis van de verklaring die ingediend is conform artikel 360, wordt aan de aanvrager of aan de door hem aangewezen natuurlijke personen toegang verleend tot de applicatie met de in te vullen productfiche.
  De productfiche moet volledig zijn ingevuld en dient alle opgevraagde inlichtingen en documenten, vermeld in bijlage 5, te bevatten.
  Als de inhoud van de productfiche voldoet aan de voorwaarden die zijn opgenomen onder de betreffende subgroep in de prestatielijst, wordt de aanvraag door het agentschap geagendeerd voor advies op de bijeenkomst van de Adviescommissie Mobiliteitshulpmiddelen.
  Als de inhoud van de productfiche niet voldoet aan de voorwaarden die zijn opgenomen onder de betreffende subgroep in de prestatielijst, wordt de aanvraag door het agentschap geweigerd.
  § 2. De Adviescommissie Mobiliteitshulpmiddelen verleent een advies aan de leidend ambtenaar van het agentschap over de vraag of het mobiliteitshulpmiddel in kwestie of de aanpassingen kunnen worden opgenomen op de productlijst.
  De Adviescommissie Mobiliteitshulpmiddelen kan bijkomende informatie opvragen als ze dat wenselijk vindt voor de vervulling van haar opdracht, vermeld in het eerste lid.
  Op basis van het advies van de Adviescommissie Mobiliteitshulpmiddelen, verleend conform het tweede lid, kan de leidend ambtenaar van het agentschap de productlijst wijzigen.
Art. 361. § 1er. Sur la base de la déclaration introduite conformément à l'article 360, l'accès à l'application contenant la fiche produit à compléter est accordé au demandeur ou aux personnes physiques désignées par ce dernier.
  La fiche produit doit être dûment complétée et doit inclure tous les renseignements et documents demandés, tels que visés à l'annexe 5.
  Lorsque le contenu de la fiche produit satisfait aux conditions énoncées dans le sous-groupe en question dans la liste des prestations, l'agence inscrit la demande pour avis à l'ordre du jour de la réunion de la Commission consultative Aides à la mobilité.
  Lorsque le contenu de la fiche produit ne satisfait pas aux conditions énoncées dans le sous-groupe en question dans la liste des prestations, la demande est refusée par l'agence.
  § 2. La Commission consultative aides à la mobilité rend un avis au fonctionnaire dirigeant de l'agence quant à la question de savoir si l'aide à la mobilité en question ou les adaptations peuvent être incluses dans la liste des produits.
  La Commission consultative aides à la mobilité peut demander à obtenir les informations complémentaires qu'elle juge nécessaires à l'exécution de sa mission, telle que visée à l'alinéa premier.
  Sur la base de l'avis de la Commission consultative aides à la mobilité, rendu conformément à l'alinéa deux, le fonctionnaire dirigeant de l'agence peut apporter des modifications à la liste.
Art. 362. § 1. De aanvrager kan op elk moment een verzoek indienen tot actualisering van de productfiches van de producten waarvoor hij de opname op de productlijst heeft aangevraagd en verkregen.
  De minister kan voorwaarden en procedures bepalen voor de indiening en de afhandeling van de verzoeken, vermeld in het eerste lid.
  § 2. Periodiek verzoekt het agentschap de aanvrager om de productfiches van de producten waarvoor hij de opname op de productlijst heeft gevraagd en verkregen, te actualiseren binnen een daarvoor aangegeven termijn.
  Bij gebrek aan antwoord van de aanvrager op het verzoek tot actualisering van de productfiches binnen de daarvoor aangegeven termijn, wordt hij opnieuw herinnerd aan het verzoek tot actualisering. Bij ontstentenis van een antwoord op die herinnering binnen tien werkdagen worden zijn producten van de productlijst geschrapt. Het betreffende product blijft in voorkomend geval vergoedbaar tot zes maanden na de beslissing tot schrapping.
Art. 362. § 1er. Le demandeur peut à tout moment introduire une demande d'actualisation des fiches produit dont il a demandé et obtenu l'inscription dans la liste des produits.
  Le Ministre peut définir les conditions et procédures relatives à l'introduction et au traitement des demandes visées à l'alinéa premier.
  § 2. Périodiquement, l'agence demande au demandeur d'actualiser, dans un délai indiqué à cet effet, les fiches produit des produits dont il a demandé et obtenu l'inscription dans la liste des produits.
  A défaut de réponse du demandeur à la demande d'actualisation des fiches produit dans le délai indiqué à cet effet, la demande d'actualisation lui est réitérée. En l'absence de réponse au rappel précité dans les dix jours ouvrables, les produits du demandeur sont radiés de la liste des produits. Le produit en question reste, le cas échéant, remboursable jusqu'à six mois après la décision de radiation.
Art. 363. Als de prestatielijst wordt gewijzigd, moet de aanvrager binnen een termijn, bepaald door de minister, een actualisering van de betreffende productfiches indienen.
  Bij gebrek aan een actualisering conform het eerste lid, worden de producten in kwestie van de productlijst geschrapt door de leidend ambtenaar van het agentschap. Het betreffende product blijft in voorkomend geval vergoedbaar tot zes maanden na de beslissing tot schrapping.
Art. 363. En cas de modification de la liste des prestations, le demandeur est tenu d'introduire, dans un délai déterminé par le Ministre, une actualisation des fiches produit en question.
  A défaut d'actualisation conformément à l'alinéa premier, les produits en question sont radiés de la liste des produits par le fonctionnaire dirigeant de l'agence. Le produit en question reste, le cas échéant, remboursable jusqu'à six mois après la décision de radiation.
Art. 364. De aanvrager kan een aanvraag indienen met het oog op de schrapping van mobiliteitshulpmiddelen van de productlijst.
  Ingevolge het verzoek tot schrapping kan de leidend ambtenaar van het agentschap de productlijst wijzigen. Het betreffende product blijft in voorkomend geval vergoedbaar tot zes maanden na de beslissing tot schrapping.
Art. 364. Le demandeur peut introduire une demande en vue de la radiation d'aides à la mobilité de la liste des produits.
  A la suite de la demande de radiation, le fonctionnaire dirigeant peut modifier la liste des produits. Le produit en question reste, le cas échéant, remboursable jusqu'à six mois après la décision de radiation.
Titel 9. - Verstrekkers van mobiliteitshulpmiddelen
Titre 9. - Fournisseurs d'aides à la mobilité
HOOFDSTUK 1. - Machtiging
Chapitre 1er. - Autorisation
Art. 365. De gebruikers maken aanspraak op een tegemoetkoming voor mobiliteitshulpmiddelen conform de bepalingen van dit besluit als ze zich wenden tot verstrekkers van mobiliteitshulpmiddelen die conform de bepalingen van dit hoofdstuk gemachtigd zijn om mobiliteitshulpmiddelen te verkopen of te verhuren.
Art. 365. Les usagers prétendent à une intervention pour des aides à la mobilité conformément aux dispositions du présent arrêté lorsqu'ils s'adressent à des fournisseurs d'aides à la mobilité qui sont autorisés, conformément aux dispositions du présent chapitre, à vendre ou à donner en location des aides à la mobilité.
Art. 366. De verstrekkers van mobiliteitshulpmiddelen die aan één van de onderstaande voorwaarden voldoen, worden van rechtswege gemachtigd om mobiliteitshulpmiddelen te verkopen of te verhuren:
  1° ze beschikken over een erkenning als orthopedisch technoloog in de mobiliteitshulpmiddelen ter uitvoering van artikel 72 van de wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, gecoördineerd op 10 mei 2015;
  2° ze beschikken over een erkenning voor de verstrekking van mobiliteitshulpmiddelen en hun aanpassingen, afgeleverd conform artikel 215 van de Ziekteverzekeringswet.
Art. 366. Les fournisseurs d'aides à la mobilité qui remplissent une des conditions ci-dessous sont de plein droit autorisés à vendre ou à donner en location des aides à la mobilité :
  1° ils sont titulaires d'un agrément en tant que technicien orthopédique en matière d'aides à la mobilité, en exécution de l'article 72 de loi relative à l'exercice des professions de soins de santé, coordonnée le 10 mai 2015 ;
  2° ils sont titulaires d'un agrément pour la remise d'aides à la mobilité et leurs adaptations, délivré conformément à l'article 215 de la loi relative à l'assurance maladie.
Art. 367. Verstrekkers van mobiliteitshulpmiddelen zijn alleen gemachtigd om mobiliteitshulpmiddelen te verkopen of te verhuren aan gebruikers die aanspraak maken op een tegemoetkoming conform titel 3, hoofdstuk 2, als ze, naast de voorwaarden, vermeld in artikel 366, voldoen aan de volgende voorwaarden:
  1° ze hebben voldoende deskundigheid om een kwalitatieve dienstverlening te kunnen waarborgen aan de doelgroep in kwestie;
  2° ze hebben voldoende deskundigheid inzake hulpmiddelen voor communicatie, computer en omgevingsbediening;
  3° ze nemen maatregelen om de afleveringstermijnen, vermeld in artikel 282, § 1, te respecteren.
  De voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 3°, kunnen worden vervuld:
  1° door de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen zelf;
  2° door de onderneming in opdracht waarvan de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen werkt;
  3° binnen een samenwerkingsverband waarvan de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen deel uitmaakt en het bestaan aantoont.
  De minister kan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 3°, nader specifiëren.
Art. 367. Les fournisseurs d'aides à la mobilité ne sont autorisés à vendre ou à donner en location des aides à la mobilité aux usagers qui prétendent à une intervention conformément au titre 3, chapitre 2, que lorsqu'ils remplissent, outre les conditions énoncées à l'article 366, les conditions suivantes :
  1° ils possèdent suffisamment de compétences pour garantir une offre de services de qualité au groupe-cible en question ;
  2° ils possèdent suffisamment de compétences pour ce qui concerne les outils de communication, l'informatique et la commande d'environnement ;
  3° ils prennent des mesures visant à respecter les délais de remise visés à l'article 282, § 1er.
  Les conditions énoncées à l'alinéa premier, 1° à 3° inclus, peuvent être remplies :
  1° par le fournisseur d'aides à la mobilité proprement dit ;
  2° par l'entreprise pour le compte de laquelle travaille le fournisseur d'aides à la mobilité ;
  3° dans le cadre d'un accord de coopération dont fait partie le fournisseur d'aides à la mobilité et dont il démontre l'existence.
  Le Ministre peut définir les conditions énoncées à l'alinéa premier, 1° à 3° inclus.
Art. 368. Om een machtiging als vermeld in artikel 367 te krijgen, dient de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen een aanvraag van machtiging in bij het agentschap.
  De aanvraag, vermeld in het eerste lid, is alleen ontvankelijk als ze al de volgende stukken en gegevens bevat:
  1° de identitificatiegegevens van de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen;
  2° de identificatiegegevens, waaronder het KBO-nummer, van de onderneming in opdracht waarvan de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen werkt;
  3° het bewijs van de deskundigheid, vermeld in artikel 367, eerste lid, 1° en 2° ;
  4° een beschrijving van de maatregelen die worden genomen om de afleveringstermijnen, vermeld in in artikel 282, § 1, te respecteren.
Art. 368. Pour obtenir une autorisation telle que visée à l'article 367, le fournisseur d'aides à la mobilité introduit une demande d'autorisation auprès de l'agence.
  La demande visée à l'alinéa premier n'est recevable que lorsqu'elle contient les documents et informations suivants :
  1° les données d'identification du fournisseur d'aides à la mobilité ;
  2° les données d'identification, dont le numéro BCE, de l'entreprise pour le compte de laquelle travaille le fournisseur d'aides à la mobilité ;
  3° la preuve des compétences visées à l'article 367, alinéa premier, 1° et 2° ;
  4° une description des mesures prises en vue de respecter les délais de remise visés à l'article 282, § 1er.
Art. 369. Als de aanvraag van machtiging onontvankelijk is, meldt het agentschap dat aan de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen in kwestie binnen dertig dagen na de ontvangst van de aanvraag. Na het verstrijken van die termijn wordt de aanvraag geacht ontvankelijk te zijn.
  Het agentschap kan de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen om aanvullende inlichtingen verzoeken. De termijn, vermeld in het eerste lid, wordt in voorkomend geval geschorst en begint opnieuw te lopen op de dag na de ontvangst van de inlichtingen.
  Als het agentschap de inlichtingen, vermeld in het tweede lid, niet ontvangt binnen dertig dagen na de datum van de verzending van het verzoek, wordt de machtigingsaanvraag onontvankelijk verklaard.
Art. 369. Lorsque la demande d'autorisation est irrecevable, l'agence en informe le fournisseur d'aides à la mobilité en question dans les trente jours qui suivent la réception de la demande. A l'expiration du délai fixé, la demande est réputée recevable.
  L'agence peut demander des renseignements complémentaires au fournisseur d'aides à la mobilité. Le délai visé à l'alinéa premier est suspendu, le cas échéant, et recommence à courir le jour qui suit la date de réception des renseignements demandés.
  Si l'agence ne reçoit pas les renseignements visés à l'alinéa deux dans un délai de trente jours qui suivent la date d'envoi de la demande, la demande d'autorisation est déclarée irrecevable.
Art. 370. Als de aanvraag die is ingediend conform artikel 368, gegrond is, bezorgt de leidend ambtenaar van het agentschap de machtigingsbeslissing aan de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen in kwestie binnen drie maanden na de ontvangst van de ontvankelijke aanvraag.
  De machtigingsbeslissing, vermeld in het eerste lid, bevat minstens de volgende gegevens:
  1° de identificatiegegevens van de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen;
  2° de ingangsdatum van de machtiging;
  3° een machtigingsnummer.
Art. 370. Lorsque la demande introduite conformément à l'article 368 est fondée, le fonctionnaire dirigeant de l'agence notifie la décision d'autorisation au fournisseur d'aides à la mobilité en question dans les trois mois qui suivent la réception de la demande recevable.
  La décision d'autorisation visée à l'alinéa premier contient au moins les données suivantes :
  1° les données d'identification du fournisseur d'aides à la mobilité ;
  2° la date de prise d'effet l'autorisation ;
  3° un numéro d'autorisation.
Art. 371. Als de aanvraag die is ingediend conform artikel 368, ongegrond is, bezorgt de leidend ambtenaar van het agentschap het gemotiveerde voornemen tot weigering van de machtiging met een aangetekende brief aan de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen in kwestie binnen drie maanden na de ontvangst van de ontvankelijke aanvraag. De aangetekende brief, vermeld in het eerste lid, bevat ook de mogelijkheid om een gemotiveerd bezwaarschrift in te dienen bij het agentschap.
  De aanvrager kan binnen twee maanden na de datum van de verzending van het voornemen tot weigering van de machtiging conform het eerste lid, een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij het agentschap.
  Het bezwaarschrift, vermeld in het tweede lid, wordt behandeld conform de bepalingen van artikel 6 tot en met 22 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 juli 2013 betreffende de Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en (Kandidaat-)pleegzorgers, met dien verstande dat het bezwaarschrift, in afwijking van artikel 8, § 1, eerste lid van het voormelde besluit, wordt behandeld door de kamer voor gezondheidsvoorzieningen.
  Als de aanvrager geen bezwaarschrift indient binnen twee maanden na de verzending van het voornemen tot weigering van de machtiging, wordt de beslissing van de leidend ambtenaar van het agentschap tot weigering van de machtiging, na het verstrijken van die termijn, met een aangetekende brief bezorgd aan de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen in kwestie.
Art. 371. Lorsque la demande introduite conformément à l'article 368 est non fondée, le fonctionnaire dirigeant de l'agence notifie l'intention motivée de refuser l'autorisation au fournisseur d'aides à la mobilité en question, et ce par courrier recommandé adressé dans les trois mois qui suivent la réception de la demande recevable. Le courrier recommandé visé à l'alinéa premier inclut également la possibilité d'introduire un recours motivé auprès de l'agence.
  Dans les deux mois qui suivent la date d'envoi de l'intention de refuser l'autorisation conformément à l'alinéa premier, le demandeur peut introduire une réclamation motivée auprès de l'agence.
  La réclamation visée à l'alinéa deux est traitée conformément aux dispositions des articles 6 à 22 inclus de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 juillet 2013 concernant la Commission consultative pour les Structures de l'Aide sociale, de la Santé publique et de la Famille et des (Candidats-)accueillants, étant entendu que la réclamation est, par dérogation à l'article 8, § 1er, alinéa premier, de l'arrêté précité, traitée par la chambre pour les structures de soins de santé.
  Lorsque le demandeur n'introduit pas de réclamation dans les deux mois qui suivent l'envoi de l'intention de refuser l'autorisation, la décision du fonctionnaire dirigeant de l'agence de refuser l'autorisation est notifiée, à l'expiration dudit délai, par courrier recommandé au fournisseur d'aides à la mobilité en question.
Art. 372. De machtiging, verleend conform artikel 370, is maar geldig zolang aan de voorwaarden, vermeld in artikel 367, eerste lid, is voldaan, naargelang het geval, door de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen, door de onderneming of binnen het samenwerkingsverband, vermeld in artikel 367, tweede lid.
  Als de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen niet langer werkt voor de onderneming, vermeld in artikel 367, tweede lid, 2°, of als er wijzigingen plaatsvinden binnen het samenwerkingsverband, vermeld in artikel 367, tweede lid, 3°, meldt de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen dit onmiddellijk aan het agentschap.
Art. 372. L'autorisation accordée conformément à l'article 370 n'est valable que tant que les conditions énoncées à l'article 367, alinéa premier, sont remplies, selon le cas, par le fournisseur d'aides à la mobilité, par l'entreprise ou dans le cadre de l'accord de coopération visé à l'article 367, alinéa deux.
  Lorsque le fournisseur d'aides à la mobilité ne travaille plus pour le compte de l'entreprise visée à l'article 367, alinéa deux, 2°, ou que des modifications sont apportées à l'accord de coopération visé à l'article 367, alinéa deux, 3°, le fournisseur d'aides à la mobilité en informe immédiatement l'agence.
HOOFDSTUK 2. - Voorwaarden in het kader van de verstrekking, de aanpassing, het onderhoud en de herstelling van mobiliteitshulpmiddelen
Chapitre 2. - Conditions dans le cadre de la remise, de l'adaptation, de l'entretien et de la réparation d'aides à la mobilité
Art. 373. De verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen moet, in het kader van de verstrekking, de aanpassing, het onderhoud en de herstelling van een mobiliteitshulpmiddel voldoen aan de volgende voorwaarden:
  1° in het kader van de verhuur en de verkoop van mobiliteitshulpmiddelen:
  a) hij beschikt op elk moment over voldoende mobiliteitshulpmiddelen, onderdelen, aanpassingen, installaties en gereedschap om de verstrekkingen, de aanpassingen, het onderhoud en de herstellingen uit te voeren;
  b) hij zorgt ervoor dat een mobiliteitshulpmiddel bij elke aflevering technisch en hygiënisch in orde is;
  c) hij verstrekt alle aanwijzingen voor het gebruik en het onderhoud van het afgeleverde mobiliteitshulpmiddel aan de gebruiker en, in voorkomend geval, aan het woonzorgcentrum waar de gebruiker verblijft;
  d) hij voert de maatname bij de gebruiker persoonlijk uit;
  2° in het kader van de verhuur van mobiliteitshulpmiddelen:
  a) de ophaling, de reconditionering en het onderhoud en de herstellingen van mobiliteitshulpmiddelen kunnen worden uitgevoerd onder zijn verantwoordelijkheid. De maatname en de aanpassing van de mobiliteitshulpmiddelen voert hij zelf uit;
  b) hij past het mobiliteitshulpmiddel, dat volledig moet aangepast zijn in functie van de gebruiker, aan op verzoek van de gebruiker overeenkomstig het medisch voorschrift, binnen twintig werkdagen na de vraag tot aanpassing;
  c) hij garandeert de omwisselbaarheid van het mobiliteitshulpmiddel in functie van wijzigingen van de beperking van de mobiliteit van de gebruiker;
  d) hij sluit een verzekering af voor de aansprakelijkheden die voortvloeien uit de huurovereenkomst;
  e) hij haalt het mobiliteitshulpmiddel op binnen twee maanden na het einde van de huurovereenkomst;
  f) als hij inschat dat hij niet de gepaste rolstoel kan afleveren of de continuïteit van de service niet kan garanderen of als hij inschat dat hij het betreffende mobiliteitshulpmiddel niet zal kunnen afleveren binnen de daarvoor bepaalde afleveringstermijnen, verbindt hij zich ertoe de gebruiker daarvan te verwittigen en biedt hij de gebruiker de mogelijkheid aan tot doorverwijzing naar een andere verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen die zich engageert om de rolstoel af te leveren of aan te passen;
  g) hij of de onderneming in opdracht waarvan hij werkt, heeft geen afspraken met een door de Vlaamse Gemeenschap erkend woonzorgcentrum of met een andere zorgvoorziening waardoor de vrije keuze van de gebruiker bij het kiezen van de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen op enigerlei wijze zou kunnen worden beïnvloed.
Art. 373. Le fournisseur d'aides à la mobilité doit, dans le cadre de la remise, de l'adaptation, de l'entretien et de la réparation d'aides à la mobilité, remplir les conditions suivantes :
  1° dans le cadre de la location et de la vente d'aides à la mobilité :
  a) il dispose à tout moment d'un nombre suffisant d'aides à la mobilité, éléments, adaptations, installations et outils pour effectuer les remises, les ajustements, l'entretien et les réparations ;
  b) il veille, à chaque remise, à ce que l'aide à la mobilité soit en règle sur les plans technique et hygiénique ;
  c) il communique toutes les indications relatives à l'utilisation et à l'entretien de l'aide à la mobilité remise à l'usager et, le cas échéant, au centre de services de soins et de logement où séjourne l'usager ;
  d) il prend personnellement les mesures chez l'usager ;
  2° dans le cadre de la location d'aides à la mobilité :
  a) l'enlèvement, le reconditionnement et les réparations d'aides à la mobilité peuvent être effectués sous sa responsabilité. Il prend lui-même les mesures et procède lui-même à l'ajustement des aides à la mobilité ;
  b) à la demande de l'usager, il adapte l'aide à la mobilité, qui doit être parfaitement adaptée à l'usager, conformément à la prescription médicale, et ce dans les vingt jours ouvrables qui suivent la demande d'adaptation ;
  c) il garantit la convertibilité de l'aide à la mobilité en fonction des changements dans la restriction de la mobilité de l'usager ;
  d) il souscrit une assurance couvrant les responsabilités qui découlent du contrat de location ;
  e) il procède à l'enlèvement de l'aide à la mobilité dans les deux mois qui suivent l'expiration du contrat de location ;
  f) s'il estime qu'il ne peut délivrer la voiturette adaptée, qu'il ne peut garantir la continuité du service ou qu'il ne pourra pas fournir l'aide à la mobilité en question dans les délais de remise définis à cet effet, il s'engage à en avertir l'usager et à lui offrir la possibilité de s'adresser à un autre fournisseur d'aides à la mobilité, qui s'engagera à délivrer ou à adapter la voiturette ;
  g) le fournisseur ou l'entreprise pour laquelle il travaille n'a pas conclu avec un centre de services de soins et de logement agréé par la Communauté flamande ou avec un autre centre de services et de soins, des accords susceptibles d'influencer d'une quelconque manière la liberté de choix de l'usager lors du choix du fournisseur d'aides à la mobilité.
Art. 374. De minister kan bepalen welke elementen de factuur van de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen aan de gebruiker minimaal moet bevatten en kan in dat kader een model van gebruikersfactuur vastleggen.
Art. 374. Le Ministre peut déterminer les informations essentielles que doit contenir la facture adressée par le fournisseur d'aides à la mobilité à l'usager et peut, dans ce cadre, définir un modèle de facture usager.
Art. 375. De verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen meldt zijn KBO-nummer of de KBO-nummers van de ondernemingen in opdracht waarvan hij werkt, aan het agentschap. Hij brengt het agentschap bovendien onverwijld op de hoogte van elke wijziging in dat kader.
Art. 375. Le fournisseur d'aides à la mobilité communique à l'agence son numéro BCE ou les numéros BCE des entreprises pour lesquelles il travaille. En outre, il informe immédiatement l'agence de toute modification dans ce cadre.
HOOFDSTUK 3. - Indiening aanvragen
Chapitre 3. - Introduction des demandes
Art. 376. § 1. Een aanvraag van een tegemoetkoming voor een mobiliteitshulpmiddel conform dit besluit wordt namens de gebruiker bij de zorgkas ingediend door de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen tot wie de gebruiker zich heeft gewend.
  De aanvragen, vermeld in het eerste lid, kunnen alleen worden ingediend via een digitale applicatie die geattesteerd is conform de bepalingen van titel 6, hoofdstuk 2.
  § 2. Een aanvraag van een tegemoetkoming voor een mobiliteitshulpmiddel kan alleen worden ingediend na ondertekening van de aanvraag door de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen en door de gebruiker, die in voorkomend geval akkoord gaat met de aflevering van het betreffende mobiliteitshulpmiddel onder voorbehoud van een positieve beslissing over de aangevraagde tegemoetkoming.
  § 3. De verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen bezorgt aan de gebruiker onmiddellijk een kopie van de ondertekende aanvraag.
Art. 376. § 1er. Une demande d'intervention pour une aide à la mobilité conformément au présent arrêté est introduite auprès de la caisse d'assurance soins au nom de l'usager par le fournisseur d'aides à la mobilité auquel l'usager s'est adressé.
  Les demandes visées à l'alinéa premier ne peuvent être introduites que par le biais d'une application numérique certifiée conformément aux dispositions du titre 6, chapitre 2.
  § 2. Une demande d'intervention pour une aide à la mobilité ne peut être introduite qu'après la signature de la demande par le fournisseur d'aides à la mobilité et par l'usager, qui, le cas échéant, marque son accord sur la remise de l'aide à la mobilité en question sous réserve de décision positive en rapport avec l'intervention demandée.
  § 3. Le fournisseur d'aides à la mobilité remet immédiatement à l'usager une copie de la demande signée.
Titel 10. - Adviescommissie Mobiliteitshulpmiddelen
Titre 10. - Commission consultative Aides à la mobilité
HOOFDSTUK 1. - Samenstelling van de Adviescommissie Mobiliteitshulpmiddelen
Chapitre 1er. - Composition de la Commission consultative Aides à la mobilité
Art. 377. § 1. De Adviescommissie Mobiliteitshulpmiddelen, vermeld in artikel 132 van het decreet van 18 mei 2018, bestaat uit een voorzitter en 22 leden.
  Voor elk lid van de Adviescommissie Mobiliteitshulpmiddelen en voor de voorzitter is er een plaatsvervanger.
  Het secretariaat van de Adviescommissie Mobiliteitshulpmiddelen wordt waargenomen door personeelsleden die ter beschikking gesteld worden door het agentschap. Die personeelsleden hebben geen stemrecht.
  § 2. Het voorzitterschap van de Adviescommissie Mobiliteitshulpmiddelen wordt waargenomen door een personeelslid van het agentschap.
  De leden van de Adviescommissie Mobiliteitshulpmiddelen hebben de volgende profielen:
  1° vijf vertegenwoordigers van de gebruikers, waaronder twee vertegenwoordigers van gebruikersorganisaties van personen met een handicap, een vertegenwoordiger van het Vlaams Patiëntenplatform en twee vertegenwoordigers van de Vlaamse Ouderenraad;
  2° vijf vertegenwoordigers van de zorgkassen;
  3° vier vertegenwoordigers van de verstrekkers van mobiliteitshulpmiddelen onder wie drie vertegenwoordigers van de Belgische Beroepsverening voor Orthopedische Technologieën;
  4° twee vertegenwoordigers van de fabrikanten en de distributeurs van mobiliteitshulpmiddelen;
  5° zes deskundigen, onder wie een arts met expertise inzake mobiliteitshulpmiddelen, een deskundige met expertise inzake controle op indicatiestellingen van mobiliteitshulpmiddelen, een sociaal werker met ervaring inzake mobiliteitshulpmiddelen, een onafhankelijk deskundige met bewezen expertise inzake mobiliteitshulpmiddelen en twee vertegenwoordigers van verschillende rolstoeladviesteams, waarvan minstens een gespecialiseerd rolstoeladviesteam.
  § 3. De minister benoemt de leden, de voorzitter en de plaatsvervangers van de Adviescommissie Mobiliteitshulpmiddelen voor een hernieuwbare termijn van vijf jaar.
Art. 377. § 1er. La Commission consultative Aides à la mobilité visée à l'article 132 du décret du 18 mai 2018 se compose d'un président et de 22 membres.
  Il existe un suppléant pour chaque membre de la Commission consultative aides à la mobilité ainsi que pour le président.
  Le secrétariat de la Commission consultative aides à la mobilité est assuré par des membres du personnel mis à disposition par l'agence. Les membres du personnel précité ne disposent pas du droit de vote.
  § 2. La présidence de la Commission consultative Aides à la mobilité est assurée par un membre du personnel de l'agence.
  Les membres de la Commission consultative aides à la mobilité présentent les profils suivants :
  1° cinq représentant des usagers, dont deux représentants d'associations d'usagers de personnes handicapées, un représentant de la Plate-forme flamande des patients et deux représentants du Conseil flamand des personnes âgées ;
  2° cinq représentants des caisses d'assurance soins ;
  3° quatre représentants des fournisseurs d'aides à la mobilité, parmi lesquels trois représentants de l'Union professionnelle belge des technologies orthopédiques ;
  4° deux représentants des fabricants et distributeurs d'aides à la mobilité ;
  5° six experts, parmi lesquels un médecin possédant des compétences en matière d'aides à la mobilité, un expert possédant des compétences en matière de contrôle des indications des aides à la mobilité, un travailleur social possédant de l'expérience en matière d'aides à la mobilité, un expert indépendant possédant des compétences prouvées en matière d'aides à la mobilité, et deux représentants de différentes équipes consultatives " type de voiturette ", dont au moins une équipe consultative " type de voiturette " spécialisée.
  § 3. Le Ministre nomme les membres, le président et les suppléants de la Commission consultative aides à la mobilité pour un délai renouvelable de cinq ans.
Art. 378. Aan de Adviescommissie Mobiliteitshulpmiddelen kunnen waarnemers worden toegevoegd. Die waarnemers hebben geen stemrecht.
Art. 378. Des observateurs peuvent être ajoutés à la Commission consultative Aides à la mobilité. Les observateurs précités ne disposent pas du droit de vote.
HOOFDSTUK 2. - Organisatie en werkingsregels van de Adviescommissie Mobiliteitshulpmiddelen
Chapitre 2. - Organisation et règles de fonctionnement de la Commission consultative Aides à la mobilité
Art. 379. De Adviescommissie Mobiliteitshulpmiddelen regelt haar werking in een door de minister goed te keuren huishoudelijk reglement.
Art. 379. La Commission consultative Aides à la mobilité règle son fonctionnement dans un règlement d'ordre intérieur à approuver par le Ministre.
Art. 380. De Adviescommissie Mobiliteitshulpmiddelen kan alleen geldig advies uitbrengen als de voorzitter en ten minste tien leden, of hun plaatsvervangers, aanwezig zijn. De Adviescommissie Mobiliteitshulpmiddelen beslist bij gewone meerderheid. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter of zijn plaatsvervanger doorslaggevend.
Art. 380. La Commission consultative Aides à la mobilité ne peut émettre un avis valable que lorsque le président et au moins dix membres, ou leurs suppléants, sont présents. La Commission consultative Aides à la mobilité prend ses décisions à la majorité simple. En cas de partage des voix, la voix du président ou de son suppléant est prépondérante.
HOOFDSTUK 3. - Taken
Chapitre 3. - Tâches
Art. 381. Met behoud van de toepassing van artikel 132, § 2, van het decreet van 18 mei 2018, worden verzoeken tot opname van mobiliteitshulpmiddelen op de productlijst voorafgaandelijk voor advies voorgelegd aan de Adviescommissie Mobiliteitshulpmiddelen conform artikel 361, § 2.
  Elke aanpassing van de bedragen van de tegemoetkomingen voor mobiliteitshulpmiddelen en de voorwaarden waaraan voldaan moet zijn om een tegemoetkoming voor een mobiliteitshulpmiddel te kunnen verlenen, wordt voorafgaandelijk voor advies voorgelegd aan de Adviescommissie Mobiliteitshulpmiddelen.
Art. 381. Sans préjudice de l'application de l'article 132, § 2, du décret du 18 mai 2018, les demandes d'inscription d'aides à la mobilité dans la liste des produits sont préalablement soumises à l'avis de la Commission consultative aides à la mobilité, conformément à l'article 361, § 2.
  Toute adaptation des montants des interventions pour des aides à la mobilité ainsi que des conditions qu'il y a lieu de remplir pour pouvoir octroyer une intervention pour une aide à la mobilité, est préalablement soumise pour avis à la Commission consultative aides à la mobilité.
Art. 381/1. [1 De Adviescommissie Mobiliteitshulpmiddelen brengt op verzoek van de leidend ambtenaar advies uit over de erkenningsaanvragen, vermeld in artikel 358/10.]1
  
Art. 381/1. [1 A la demande du fonctionnaire dirigeant, la Commission consultative Aides à la mobilité rend un avis sur les demandes d'agrément visées à l'article 358/10.]1
  
Art. 382. De Adviescommissie Mobiliteitshulpmiddelen brengt, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van de minister, advies uit over de noodzakelijke aanpassingen van het mobiliteitshulpmiddelenbeleid aan de evoluerende context. Zij houdt daarbij rekening met de evoluties op de hulpmiddelenmarkt, de maatschappelijke evoluties en de tevredenheid van de gebruikers.
  De Adviescommissie Mobiliteitshulpmiddelen brengt, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van de minister, advies uit over de prioriteiten binnen het beschikbare budget.
  De adviezen van de Adviescommissie Mobiliteitshulpmiddelen die beleidsmatig van belang zijn, worden ook bezorgd aan het raadgevend comité Vlaamse sociale bescherming en aan de Vlaamse Raad Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.
Art. 382. La Commission consultative aides à la mobilité rend, soit de sa propre initiative, soit à la demande du Ministre, un avis relatif aux adaptations indispensables de la politique en matière d'aides à la mobilité à l'évolution du contexte. A cet égard, elle tient compte des évolutions sur le marché des aides, des évolutions sociales ainsi que de la satisfaction des usagers.
  La Commission consultative aides à la mobilité rend, soit de sa propre initiative, soit à la demande du Ministre, un avis relatif aux priorités dans le respect du budget disponible.
  Les avis de la Commission consultative aides à la mobilité qui ont une importance sur le plan politique sont également transmis au comité consultatif Protection sociale flamande ainsi qu'au Conseil flamand pour l'aide sociale, la santé publique et la famille.
HOOFDSTUK 4. - Vergoeding
Chapitre 4. - Rémunération
Art. 383. § 1. De leden van de Adviescommissie Mobiliteitshulpmiddelen en hun plaatsvervangers ontvangen voor hun werkzaamheden een presentiegeld per vergadering van de Adviescommissie Mobiliteitshulpmiddelen waaraan ze deelnemen.
  Het presentiegeld per vergadering wordt door de minister vastgesteld. De minister kan een maximum aantal vergaderingen per jaar bepalen waarvoor een presentiegeld wordt toegekend en kan bepalen dat twee of meer vergaderingen van de Adviescommissie Mobiliteitshulpmiddelen op dezelfde dag gelden als een vergadering.
  § 2. De minister kan bepalen dat de leden van de Adviescommissie Mobiliteitshulpmiddelen en hun plaatsvervangers een vergoeding ontvangen voor de reiskosten die zijn verbonden aan de deelname aan de vergaderingen en legt de vergoeding in voorkomend geval vast.
  [1 § 3. De minister bepaalt welke persoonsgegevens van de leden van de Adviescommissie Mobiliteitshulpmiddelen het agentschap verwerkt voor de uitbetaling van de presentiegelden en de vergoedingen, vermeld in paragraaf 1 en paragraaf 2. Het gaat om contactgegevens, identificatiegegevens, met inbegrip van het INSZ-nummer, en het rekeningnummer van de personen in kwestie. Deze persoonsgegevens worden door het agentschap bewaard tot maximaal één jaar na het eindigen van het lidmaatschap van de betrokkene bij de Adviescommissie Mobiliteitshulpmiddelen.]1
  
Art. 383. § 1er. Les membres de la Commission consultative aides à la mobilité et leurs suppléants reçoivent, dans le cadre de leurs activités, un jeton de présence pour chaque réunion de la Commission consultative Aides à la mobilité à laquelle ils participent.
  Le Ministre détermine le montant du jeton de présence par réunion . Le Ministre peut définir un nombre maximum de réunions par an pour lesquelles un jeton de présence est octroyé et peut décider que deux ou plusieurs réunions de la Commission consultative Aides à la mobilité organisées un même jour soient considérées comme une seule réunion.
  § 2. Le Ministre peut décider que les membres de la Commission consultative aides à la mobilité et leurs suppléants reçoivent une indemnité pour les frais de déplacement liés à leur participation aux réunions, et détermine le montant de ladite indemnité, le cas échéant.
  [1 § 3. Le ministre détermine les données à caractère personnel des membres de la Commission consultative Aides à la mobilité que traite l'agence pour le paiement des jetons de présence et des indemnités visés aux paragraphes 1er et 2. Il s'agit des coordonnées, des données d'identification, y compris le numéro NISS, et du numéro de compte des personnes en question. L'agence conserve ces données à caractère personnel jusqu'à un an maximum après la fin de l'affiliation de l'intéressé à la Commission consultative Aides à la mobilité.]1
  
Titel 11. - Bijzondere Technische Commissie
Titre 11. - Commission technique spéciale
HOOFDSTUK 1. - Samenstelling van de Bijzondere Technische Commissie
Chapitre 1er. - Composition de la Commission technique spéciale
Art. 384. § 1. De minister kan bij de Bijzondere Technische Commissie, vermeld in artikel 133 van het decreet van 18 mei 2018, kamers instellen.
  Voor elk lid van de Bijzondere Technische Commissie en voor de voorzitter is er een plaatsvervanger.
  Het secretariaat van de Bijzondere Technische Commissie wordt waargenomen door personeelsleden die ter beschikking worden gesteld door het agentschap. Die personeelsleden hebben geen stemrecht.
  § 2. De leden van de Bijzondere Technische Commissie en hun plaatsvervangers zijn deskundig in de medische of de technische aspecten van mobiliteitshulpmiddelen of in het gebruik van mobiliteitshulpmiddelen. Daarbij moeten de volgende profielen aanwezig zijn:
  1° een arts;
  2° een ergotherapeut, kinesitherapeut of verpleegkundige met ervaring inzake mobiliteitshulpmiddelen;
  3° drie productspecialisten;
  4° twee vertegenwoordigers van de gebruikers.
  De samenstelling van de Bijzondere Technische Commissie wordt aangevuld met een vertegenwoordiger van een gebruikersorganisatie met deskundigheid in snel degeneratieve aandoeningen en een vertegenwoordiger van de gespecialiseerde rolstoeladviesteams voor de behandeling van dossiers over snel degeneratieve aandoeningen.
  De deskundigheid in de medische of de technische aspecten van mobiliteitshulpmiddelen kan blijken uit praktijkervaring die is opgedaan in die aangelegenheden.
  § 3. De minister benoemt de leden, de voorzitter en de plaatsvervangers van de Bijzondere Technische Commissie voor een hernieuwbare termijn van vijf jaar.
Art. 384. § 1er. Le Ministre peut constituer des chambres au sein de la Commission technique spéciale visée à l'article 133 du décret du 18 mai 2018.
  Il existe un suppléant pour chaque membre de la Commission technique spéciale ainsi que pour le président.
  Le secrétariat de la Commission technique spéciale est assuré par des membres du personnel mis à disposition par l'agence. Les membres du personnel précité ne disposent pas du droit de vote.
  § 2. Les membres de la Commission technique spéciale et leurs suppléants sont spécialisés dans les aspects médicaux ou techniques des aides à la mobilité ou experts en utilisation des aides à la mobilité. A cet égard, les profils suivants doivent être présents :
  1° un médecin ;
  2° un ergothérapeute, kinésithérapeute ou infirmer possédant de l'expérience dans le domaine des aides à la mobilité ;
  3° trois spécialistes produits ;
  4° deux représentants des usagers.
  La composition de la Commission technique spéciale est complétée par un représentant d'une association d'usagers qui possède des compétences dans le domaine des maladies dégénératives progressives et un représentant de l'équipe consultative " type de voiturette " spécialisée pour le traitement des dossiers qui traitent des maladies dégénératives progressives.
  La spécialisation dans les aspects médicaux ou techniques des aides à la mobilité peut ressortir de l'expérience pratique acquise dans lesdites matières.
  § 3. Le Ministre nomme les membres, le président et les suppléants de la Commission technique spéciale pour un délai renouvelable de cinq ans.
HOOFDSTUK 2. - Organisatie en werkingsregels van de Bijzondere Technische Commissie
Chapitre 2. - Organisation et règles de fonctionnement de la Commission technique spéciale
Art. 385. De Bijzondere Technische Commissie regelt haar werking in een door de minister goed te keuren huishoudelijk reglement.
Art. 385. La Commission technique spéciale régit son fonctionnement dans un règlement d'ordre intérieur à approuver par le Ministre.
Art. 386. De Bijzondere Technische Commissie, of in voorkomend geval een kamer van de Bijzondere Technische Commissie, kan alleen geldig advies uitbrengen als de voorzitter en ten minste drie leden, of hun plaatsvervangers, aanwezig zijn. De Bijzondere Technische Commissie beslist bij gewone meerderheid. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter of zijn plaatsvervanger doorslaggevend.
Art. 386. La Commission technique spéciale ou, le cas échéant, une chambre de la Commission technique spéciale, ne peut émettre un avis valable que lorsqu'au moins trois membres ou leurs suppléants sont présents. La Commission technique spéciale prend ses décisions à la majorité simple. En cas de partage des voix, la voix du président ou de son suppléant est prépondérante.
Art. 387. Dossiers worden geagendeerd op de bijeenkomsten van de Bijzondere Technische Commissie in chronologische volgorde, met uitzondering van de dossiers die met voorrang worden geagendeerd en behandeld conform artikel 286, tweede lid, en artikel 287, § 2.
Art. 387. Les dossiers sont inscrits à l'ordre du jour des réunions de la Commission technique spéciale dans un ordre chronologique, à l'exception des dossiers inscrits et traités en priorité conformément aux articles 286, alinéa deux, et 287, § 2.
HOOFDSTUK 3. - Statuut en vergoeding
Chapitre 3. - Statut et rémunération
Art. 388. Leden van de Bijzondere Technische Commissie die op enige andere wijze of in enige andere hoedanigheid al betrokken zijn geweest bij een aanvraag, onthouden zich bij de adviesverlening door de Bijzondere Technische Commissie over de aanvraag in kwestie.
  In het huishoudelijk reglement van de Bijzondere Technische Commissie kunnen bijkomende regels worden vastgelegd inzake onverenigbaarheden.
Art. 388. Les membres de la Commission technique spéciale qui ont déjà, d'une quelconque autre manière ou en une quelconque autre qualité, été concernés par une demande, s'abstiennent de s'exprimer sur la demande en question lorsque la Commission technique spéciale rend son avis.
  Des règles complémentaires en matière d'incompatibilités peuvent être définies dans le règlement d'ordre intérieur de la Commission technique spéciale.
Art. 389. § 1. De leden van de Bijzondere Technische Commissie en hun plaatsvervangers ontvangen voor hun werkzaamheden een presentiegeld per vergadering van de Bijzondere Technische Commissie waaraan ze deelnemen.
  Het presentiegeld per vergadering wordt door de minister vastgesteld. De minister kan een maximum aantal vergaderingen per jaar bepalen waarvoor een presentiegeld wordt toegekend en kan bepalen dat twee of meer vergaderingen van de Bijzondere Technische Commissie of van een kamer op dezelfde dag gelden als een vergadering.
  § 2. De minister kan bepalen dat de leden van de Bijzondere Technische Commissie en hun plaatsvervangers een vergoeding ontvangen voor de reiskosten die zijn verbonden aan de deelname aan de vergaderingen en legt de vergoeding in voorkomend geval vast.
  [1 § 3. De minister bepaalt welke persoonsgegevens van de leden van de Bijzondere Technische Commissie het agentschap verwerkt voor de uitbetaling van de presentiegelden en de vergoedingen, vermeld in paragraaf 1 en paragraaf 2. Het gaat om contactgegevens, identificatiegegevens, met inbegrip van het INSZ-nummer, en het rekeningnummer van de personen in kwestie. Deze persoonsgegevens worden door het agentschap bewaard tot maximaal één jaar na het eindigen van het lidmaatschap van de betrokkene bij de Bijzondere Technische Commissie.]1
  
Art. 389. § 1er. Les membres de la Commission technique spéciale et leurs suppléants reçoivent, dans le cadre de leurs activités, un jeton de présence pour chaque réunion de la Commission technique spéciale à laquelle ils participent.
  Le Ministre détermine le montant du jeton de présence par réunion. Le Ministre peut définir un nombre maximum de réunions par an pour lesquelles un jeton de présence est octroyé et peut décider que deux ou plusieurs réunions de la Commission technique spéciale organisées un même jour soient considérées comme une seule réunion.
  § 2. Le Ministre peut décider que les membres de la Commission technique spéciale et leurs suppléants reçoivent une indemnité pour les frais de déplacement liés à leur participation aux réunions, et détermine le montant de ladite indemnité, le cas échéant.
  [1 § 3. Le ministre détermine les données à caractère personnel des membres de la Commission technique spéciale que traite l'agence pour le paiement des jetons de présence et des indemnités visés aux paragraphes 1er et 2. Il s'agit des coordonnées, des données d'identification, y compris le numéro NISS, et du numéro de compte des personnes en question. L'agence conserve ces données à caractère personnel jusqu'à un an maximum après la fin de l'affiliation de l'intéressé à la Commission technique spéciale.]1
  
HOOFDSTUK 4. - Rapportering aan de Adviescommissie Mobiliteitshulpmiddelen
Chapitre 4. - Rapport à la Commission consultative aides à la mobilité
Art. 390. Met toepassing van artikel 133, § 3, van het decreet van 18 mei 2018, brengt de Bijzondere Technische Commissie twee keer per jaar schriftelijk verslag uit aan de Adviescommissie mobiliteitshulpmiddelen, die op haar beurt rekening houdt met de verslagen bij het formuleren van haar voorstellen, vermeld in artikel 381 en 382 van dit besluit.
Art. 390. En application de l'article 133, § 3, du décret du 18 mai 2018, la Commission technique spéciale fait, deux fois par an, rapport écrit à la Commission consultative aides à la mobilité qui, à son tour, tient compte des rapports lorsqu'elle formule ses propositions, visées aux articles 381 et 382 du présent arrêté.
Titel 12. - Handhaving
Titre 12. - Maintien
HOOFDSTUK 1. - Indicatiestelling
Chapitre 1er. - Indication
Art. 391. § 1.De Zorgkassencommissie controleert of de indicatiestellers de indicatiestellingen juist toepassen.
  Een indicatiesteller past de indicatiestelling verkeerd toe als de indicatiestelling of het geïndiceerde mobiliteitshulpmiddel niet overeenstemt met de werkelijke beperking van de mobiliteit van de aanvrager.
  § 2. [1 § 2. Het agentschap controleert of de indicatiestellingen tijdig worden afgeleverd aan de gebruiker.
   Een indicatiesteller levert de indicatiestelling niet tijdig af in de volgende gevallen:
   1° de indicatiestelling gebeurt niet binnen de termijn, vermeld in artikel 352, eerste lid;
   2° de termijn, vermeld in artikel 352, eerste lid, is overschreden en de indicatiesteller heeft daarvoor niet in een motivering voorzien conform artikel 352, tweede lid, of de motivering toont onvoldoende aan welke specifieke omstandigheden de afwijking verantwoorden.]1

  § 3. De minister [1 kan de modaliteiten bepalen]1 voor de controle van de aanvragen door de Zorgkassencommissie.
  
Art. 391. § 1er. La Commission des caisses d'assurance soins vérifie si les indicateurs appliquent correctement les indications.
  Un indicateur est considéré comme ayant adapté l'indication de manière erronée lorsque l'indication ou l'aide à la mobilité indiquée ne correspond pas à la restriction réelle de la mobilité du demandeur.
  § 2. [1 L'agence vérifie si les indications sont délivrées en temps utile à l'usager.
  Un indicateur ne délivre pas l'indication en temps utile dans les cas suivants :
  1° l'indication n'intervient pas dans le délai visé à l'article 352, alinéa 1er ;
  2° le délai visé à l'article 352, alinéa 1er, a été dépassé et l'indicateur n'a pas fourni de motivation de cette dérogation conformément à l'article 352, alinéa 2, ou la motivation ne démontre pas à suffisance les circonstances spécifiques qui la justifient.]1
.
  § 3. Le Ministre [1 peut arrêter les modalités ]1 relatives au contrôle des demandes par la Commission des caisses d'assurance soins.
  
Art. 392. [1 Als uit de controles, vermeld in artikel 391, § 1, of uit klachten van gebruikers blijkt dat een indicatiesteller de indicatiestelling verkeerd toepast, of als wordt vastgesteld dat een indicatiesteller herhaaldelijk de indicatiestelling verkeerd toepast, meldt de Zorgkassencommissie of de zorgkas dat aan het agentschap.]1
  
Art. 392. [1 S'il ressort des contrôles visés à l'article 391, § 1er, ou des plaintes d'usagers qu'un indicateur applique incorrectement l'indication ou s'il est établi qu'un indicateur applique incorrectement l'indication de façon récurrente, la Commission des caisses d'assurance soins ou la caisse d'assurance soins en avise l'agence.]1
  
Art. 393. [1 Als het agentschap zelf of op basis van klachten van gebruikers of zorgkassen vaststelt dat een indicatiesteller in een kalenderjaar en bij een minimum van twintig indicatiestellingen in dat kalenderjaar bij meer dan 10% van de gecontroleerde dossiers de indicatiestelling verkeerd toepast of bij meer dan 10% van de gecontroleerde dossiers de indicatiestellingen niet tijdig aflevert, of als tijdens het jaar wordt vastgesteld dat een indicatiesteller herhaaldelijk of kennelijk de indicatiestelling verkeerd toepast, brengt de leidend ambtenaar de indicatiesteller met een aangetekende brief op de hoogte van die vaststellingen en vraagt bij de indicatiesteller een remediëringsplan op.
   De leidend ambtenaar bepaalt de termijn waarin het remediëringsplan ingediend en uitgevoerd moet worden, en kan daarbij, aangepast aan de concrete omstandigheden, bepalen welke maatregelen het remediëringsplan minimaal moet bevatten.]1

  
Art. 393. [1 Si l'agence constate par elle-même ou à la suite de plaintes d'usagers ou de caisses d'assurance soins que, durant une année civile et pour au moins vingt indications durant cette année civile, un indicateur applique incorrectement l'indication dans plus de 10 % des dossiers contrôlés ou ne délivre pas les indications en temps utile dans plus de 10 % des dossiers contrôlés ou s'il est établi durant l'année qu'un indicateur applique incorrectement l'indication de façon récurrente ou manifeste, le fonctionnaire dirigeant informe l'indicateur de ces constatations par lettre recommandée et lui demande un plan de remédiation.
  Le fonctionnaire dirigeant fixe le délai dans lequel le plan de remédiation doit être déposé et mis en oeuvre et peut, en fonction des circonstances concrètes, déterminer les mesures minimales que doit inclure le plan de remédiation]1

  
Art. 394. § 1.[1 Als het remediëringsplan, vermeld in artikel 393, niet tijdig wordt voorgelegd of uitgevoerd, of als binnen twee jaar na de uitvoering van het remediëringsplan blijkt dat de indicatiesteller de indicatiestellingen herhaaldelijk of kennelijk verkeerd toepast of niet tijdig aflevert, kan de leidend ambtenaar van het agentschap met een aangetekende brief een administratieve geldboete opleggen.]1.
  § 2. Als de indicatiesteller de administratieve geldboete niet betaalt binnen [1 een maand]1 na de verzending van de aangetekende brief vordert de leidend ambtenaar van het agentschap de administratieve geldboete bij dwangbevel in.
  In voorkomend geval bezorgt de leidend ambtenaar van het agentschap de gegevens van de indicatiesteller bij wie de administratieve geldboete, verhoogd met de invorderingskosten, bij dwangbevel moet worden ingevorderd, aan de Vlaamse Belastingdienst.
  [1 § 3. In geval van ernstige nalatigheid van de indicatiesteller kan de beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete gepaard gaan met een voornemen tot schorsing of intrekking van de erkenning van de indicatiesteller. De leidend ambtenaar uit het voornemen tot schorsing of intrekking van de erkenning van de indicatiesteller met een aangetekende brief.
   De aangetekende brief, vermeld in het eerste lid, bevat ook de mogelijkheid om een gemotiveerd bezwaarschrift in te dienen bij het agentschap conform artikel 396.]1

  
Art. 394. § [1 1er. Si le plan de remédiation visé à l'article 393 n'est pas soumis ou mis en oeuvre dans les délais ou s'il apparaît, dans les deux ans de la mise en oeuvre du plan de remédiation, que l'indicateur applique incorrectement les indications de façon récurrente ou manifeste ou ne les délivre pas en temps utile, le fonctionnaire dirigeant de l'agence peut infliger une amende administrative par lettre recommandée. ]1
  § 2. Lorsque l'indicateur ne paie pas l'amende administrative [1 dans le mois de]1 qui suivent l'envoi du courrier recommandé, le fonctionnaire dirigeant de l'agence procède au recouvrement de l'amende administrative par injonction.
  Le cas échéant, le fonctionnaire dirigeant de l'agence remet à l'administration fiscale flamande les données de l'indicateur auprès duquel l'amende administrative, majorée des frais de recouvrement, doit être recouvrée par injonction.
  [1 § 3. En cas de négligence grave de l'indicateur, la décision d'infliger une amende administrative peut s'accompagner de l'intention de suspendre ou de retirer l'agrément de l'indicateur. Le fonctionnaire dirigeant exprime l'intention de suspendre ou de retirer l'agrément de l'indicateur par lettre recommandée.
  La lettre recommandée visée à l'alinéa 1er contient également la possibilité d'introduire une réclamation motivée auprès de l'agence conformément à l'article 396.]1

  
Art. 395. [1 Als binnen twee jaar na de oplegging van een administratieve geldboete, vermeld in artikel 394, [1 §]1 1, blijkt dat de indicatiesteller in kwestie indicatiestellingen herhaaldelijk of kennelijk verkeerd toepast of niet tijdig aflevert, kan de leidend ambtenaar van het agentschap met een aangetekende brief het voornemen uiten tot schorsing of intrekking van de erkenning van de indicatiesteller.]1.
  De aangetekende brief, vermeld in het eerste lid, bevat ook de mogelijkheid om een gemotiveerd bezwaarschrift in te dienen bij het agentschap conform artikel 396.
  
Art. 395. [1 S'il apparaît, dans les deux ans de l'imposition d'une amende administrative visée à l'article 394, § 1er, que l'indicateur concerné applique incorrectement les indications de façon récurrente ou manifeste ou ne les délivre pas en temps utile, le fonctionnaire dirigeant de l'agence peut exprimer par lettre recommandée l'intention de suspendre ou de retirer l'agrément de l'indicateur.]1
  Le courrier recommandé visé à l'alinéa premier inclut également la possibilité d'introduire un recours motivé auprès de l'agence, conformément à l'article 396.
  
Art. 396. § 1. De indicatiesteller kan binnen twee maanden na de datum van de verzending van het voornemen tot schorsing of intrekking van de erkenning conform [1 artikel 394, § 3, en]1 artikel 395, een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij het agentschap.
  Het bezwaarschrift wordt behandeld conform artikel 6 tot en met 22 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 juli 2013 betreffende de Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en (Kandidaat-)pleegzorgers, met dien verstande dat het bezwaarschrift, in afwijking van artikel 8, § 1, eerste lid van het voormelde besluit, wordt behandeld door de kamer voor gezondheidsvoorzieningen.
  Als de indicatiesteller geen bezwaarschrift indient binnen twee maanden na de verzending van het voornemen tot schorsing of intrekking van de erkenning, wordt de beslissing van de leidend ambtenaar van het agentschap tot schorsing of intrekking van de erkenning na het verstrijken van die termijn met een aangetekende brief bezorgd aan de indicatiesteller.
  § 2. De schorsing wordt opgelegd voor minimaal een maand tot maximaal zes maanden.
  Tijdens de schorsing mag de indicatiesteller geen nieuwe aanvragen van indicatiestelling aanvaarden.
  
Art. 396. § 1er. Dans les deux mois qui suivent la date d'envoi de l'intention de suspendre ou de retirer l'agrément conformément [1 à l'article 394, § 3, et ]1 à l'article 395, l'indicateur peut introduire une réclamation motivée auprès de l'agence.
  La réclamation est traitée conformément aux articles 6 à 22 inclus de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 juillet 2013 concernant la Commission consultative pour les Structures de l'Aide sociale, de la Santé publique et de la Famille et des (Candidats-)accueillants, étant entendu que la réclamation est, par dérogation à l'article 8, § 1er, alinéa premier, de l'arrêté précité, traitée par la chambre pour les structures de soins de santé.
  Lorsque l'indicateur n'introduit pas de réclamation dans les deux mois qui suivent l'envoi de l'intention de suspendre ou de retirer l'agrément, la décision du fonctionnaire dirigeant de l'agence de suspendre ou de refuser l'agrément est notifiée par courrier recommandé à l'indicateur à l'expiration dudit délai.
  § 2. La suspension est imposée pour une période minimale d'un mois et pour une période maximale de six mois.
  Pendant la période de suspension, l'indicateur [1 ne peut pas réaliser de nouvelles indications]1.
  
HOOFDSTUK 2. - Evaluatie van mobiliteitshulpmiddelen waarvoor gebruikers in aanmerking komen
Chapitre 2. - Evaluation des aides à la mobilité pour lesquelles les usagers sont pris en compte
Art. 397. De Zorgkassencommissie controleert of de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen de mobiliteitshulpmiddelen waarvoor gebruikers in aanmerking komen, juist evalueert.
  De minister bepaalt de modaliteiten voor de controle van de aanvragen door de Zorgkassencommissie.
Art. 397. La Commission des caisses d'assurance soins vérifie si le fournisseur d'aides à la mobilité évalue correctement les aides à la mobilité pour lesquelles les usagers sont pris en compte.
  Le Ministre fixe les modalités relatives au contrôle des demandes par la Commission des caisses d'assurance soins.
Art. 398. Als uit de controles, vermeld in artikel 397, blijkt dat een verstrekker in een kalenderjaar en bij een minimum van twintig aanvragen in dat kalenderjaar bij meer dan 10% van de gecontroleerde dossiers de mobiliteitshulpmiddelen waarvoor gebruikers in aanmerking komen verkeerd evalueert, of als tijdens het jaar wordt vastgesteld dat een verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen herhaaldelijk verkeerd evalueert, meldt de Zorgkassencommissie dat aan het agentschap.
Art. 398. Lorsqu'il ressort des contrôles visés à l'article 397 que, au cours d'une année civile et pour au moins vingt demandes au cours de l'année civile en question, un fournisseur se trompe dans l'évaluation des aides à la mobilité pour lesquelles les usagers sont pris en compte, et ce pour plus de 10 % des dossiers contrôlés, ou s'il est constaté au cours de l'année qu'un fournisseur se trompe de façon répétée dans l'évaluation des aides à la mobilité pour lesquelles les usagers sont pris en compte, la Commission des caisses d'assurance soins en informe l'agence.
Art. 399. De leidend ambtenaar van het agentschap brengt met een aangetekende brief de verstrekker op de hoogte van de vaststellingen, vermeld in artikel 398, en vraagt bij de verstrekker een remediëringsplan op.
  De leidend ambtenaar van het agentschap bepaalt de termijn waarin het remediëringsplan moet zijn ingediend en uitgevoerd en kan daarbij, aangepast aan de concrete omstandigheden, bepalen welke maatregelen het remediëringsplan minimaal moet bevatten.
Art. 399. Le fonctionnaire dirigeant de l'agence informe le dispensateur, par lettre recommandée, des constatations visées à l'article 398, et demande un plan de remédiation au dispensateur.
  Le fonctionnaire dirigeant de l'agence fixe le délai dans lequel le plan de remédiation doit avoir été introduit et exécuté et peut, en fonction des circonstances concrètes, déterminer les mesures que le plan de remédiation doit au minimum comporter.
Art. 400. § 1. Als het remediëringsplan, vermeld in artikel 399, niet tijdig wordt voorgelegd of uitgevoerd, of als binnen twee jaar na de uitvoering van het remediëringsplan blijkt dat de verstrekker gedurende een periode van drie maanden bij meer dan 10% van de gecontroleerde dossiers de mobiliteitshulpmiddelen waarvoor gebruikers in aanmerking komen, verkeerd evalueert, kan de leidend ambtenaar van het agentschap met een aangetekende brief een administratieve geldboete opleggen.
  § 2. Als de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen de administratieve geldboete niet betaalt binnen twee maanden na de verzending van de aangetekende brief, vordert de leidend ambtenaar van het agentschap de administratieve geldboete bij dwangbevel in.
  In voorkomend geval bezorgt de leidend ambtenaar van het agentschap de gegevens van de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen bij wie de administratieve geldboete, verhoogd met de invorderingskosten, bij dwangbevel moet worden ingevorderd, aan de Vlaamse Belastingdienst.
Art. 400. § 1er. Si le plan de remédiation visé à l'article 399 n'est pas présenté ou exécuté dans le délai imparti, ou si dans les deux ans suivant l'exécution du plan de remédiation, il apparaît, pendant une période de trois mois, que le dispensateur évalue de manière incorrecte les dispositifs de mobilité pour lesquels les utilisateurs entrent en ligne de compte dans plus de 10% des dossiers contrôlés, le fonctionnaire dirigeant de l'agence peut infliger une amende administrative par lettre recommandée.
  § 2. Si le dispensateur de dispositifs de mobilité ne paie pas l'amende administrative dans les deux mois suivant l'envoi de la lettre recommandée, le fonctionnaire dirigeant de l'agence réclamera l'amende administrative par voie de contrainte.
  Le cas échéant, le fonctionnaire dirigeant de l'agence fournira, au Service flamand des Impôts, les coordonnées du dispensateur de dispositifs de mobilité auprès duquel l'amende administrative, majorée des frais de recouvrement, doit être réclamée par voie de contrainte.
Art. 401. Als binnen twee jaar na op de oplegging van een administratieve geldboete, vermeld in artikel 400, blijkt dat de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen in kwestie gedurende een periode van drie maanden bij meer dan 10% van de gecontroleerde dossiers de mobiliteitshulpmiddelen waarvoor gebruikers in aanmerking komen verkeerd evalueert, kan de leidend ambtenaar van het agentschap met een aangetekende brief het voornemen uiten tot schorsing of intrekking van de machtiging van de verstrekker.
  De aangetekende brief, vermeld in het eerste lid, bevat ook de mogelijkheid om een gemotiveerd bezwaarschrift in te dienen bij het agentschap conform artikel 402.
Art. 401. Si dans les deux ans suivant une amende administrative infligée, visée à l'article 400, il apparaît que le dispensateur de dispositifs de mobilité en question évalue de manière incorrecte, pendant une période de trois mois, les dispositifs de mobilité pour lesquels les utilisateurs entrent en ligne de compte dans plus de 10% des dossiers contrôlés, le fonctionnaire dirigeant de l'agence peut exprimer son intention de suspendre ou retirer l'habilitation du dispensateur par lettre recommandée.
  La lettre recommandée visée à l'alinéa premier contiendra également la possibilité d'introduire une réclamation motivée auprès de l'agence, conformément à l'article 401.
Art. 402. § 1. De verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen kan binnen twee maanden na de datum van de verzending van het voornemen tot schorsing of intrekking van de machtiging conform artikel 401, een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij het agentschap.
  Het bezwaarschrift wordt behandeld conform artikel 6 tot en met 22 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 juli 2013 betreffende de Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en (Kandidaat-)pleegzorgers, met dien verstande dat het bezwaarschrift, in afwijking van artikel 8, § 1, eerste lid van het voormelde besluit, wordt behandeld door de kamer voor gezondheidsvoorzieningen.
  Als de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen geen bezwaarschrift indient binnen twee maanden na de verzending van het voornemen tot schorsing of intrekking van de machtiging, wordt de beslissing van de leidend ambtenaar van het agentschap tot schorsing of intrekking van de machtiging na het verstrijken van die termijn met een aangetekende brief bezorgd aan de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen.
  § 2. De schorsing wordt opgelegd voor minimaal een maand tot maximaal zes maanden.
  Tijdens de schorsing mag de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen geen nieuwe aanvragen voor mobiliteitshulpmiddelen indienen.
Art. 402. § 1er. Le dispensateur de dispositifs de mobilité peut, dans les deux mois suivant la date d'envoi de l'intention de suspension ou retrait de l'habilitation, conformément à l'article 401, introduire une réclamation motivée auprès de l'agence.
  La réclamation sera traitée conformément aux articles 6 à 22 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 juillet 2013 concernant la Commission consultative pour les Structures de l'Aide sociale, de la Santé publique et de la Famille et des (Candidats-)accueillants, étant entendu que la réclamation, par dérogation à l'article 8, § 1er, alinéa premier, de l'arrêté précité, sera traité par la chambre pour les structures de santé.
  Si le dispensateur de dispositifs de mobilité n'introduit pas de réclamation dans les deux mois suivant l'envoi de l'intention de suspension ou retrait de l'habilitation, la décision du fonctionnaire dirigeant de l'agence concernant la suspension ou le retrait de l'habilitation sera communiquée par lettre recommandée au dispensateur de dispositifs de mobilité à l'expiration de ce délai.
  § 2. La suspension est infligée pour minimum un mois et maximum six mois.
  Pendant la suspension, le dispensateur de dispositifs de mobilité ne peut pas introduire de nouvelle demande de dispositifs de mobilité.
HOOFDSTUK 3. - Aanrekening tegemoetkoming en supplementen
Chapitre 3. - Imputation de l'intervention et des suppléments
Art. 403. De zorgkassen controleren of de verstrekker of in voorkomend geval de onderneming in opdracht waarvan de verstrekker werkt, de tegemoetkomingen en supplementen correct aanrekent.
  Als een zorgkas meerdere keren opeenvolgend de bundel facturen van een verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen of een onderneming in opdracht waarvan een verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen werkt, in zijn geheel heeft verworpen conform artikel 342, § 2, bezorgt de zorgkas aan de verstrekker of de onderneming in kwestie informatie over de verwerping van de factuur.
  Als daaropvolgend een bundel facturen opnieuw wordt verworpen binnen een periode van zes maanden na contactname door de zorgkas conform het eerste lid, meldt de zorgkas dat aan het agentschap.
Art. 403. Les caisses d'assurance soins contrôlent si le dispensateur ou le cas échéant l'entreprise pour le compte de la laquelle le dispensateur travaille, impute correctement les interventions et suppléments.
  Si une caisse d'assurance soins a déjà rejeté totalement, à plusieurs reprises consécutives, l'ensemble de factures d'un dispensateur de dispositifs de mobilité ou d'une entreprise pour le compte de laquelle un dispensateur de dispositifs de mobilité travaille, conformément à l'article 342, § 2, la caisse d'assurance soins fournira des informations relatives au rejet de la facture au dispensateur ou à l'entreprise en question.
  Si un ensemble de factures est à nouveau rejeté par la suite, durant une période de six mois suivant le contact pris par la caisse d'assurance soins conformément à l'alinéa premier, la caisse d'assurance soins le signalera à l'agence.
Art. 404. De leidend ambtenaar van het agentschap brengt met een aangetekende brief de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen en de onderneming in opdracht waarvan de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen werkt op de hoogte van de vaststellingen, vermeld in artikel 403, derde lid, en vraagt een remediëringsplan op.
  De leidend ambtenaar van het agentschap bepaalt de termijn waarin het remediëringsplan moet zijn ingediend en uitgevoerd en kan daarbij, aangepast aan de concrete omstandigheden, bepalen welke maatregelen het remediëringsplan minimaal moet bevatten.
Art. 404. Le fonctionnaire dirigeant de l'agence informe, par lettre recommandée, le dispensateur de dispositifs de mobilité et l'entreprise pour le compte de laquelle le dispensateur de dispositifs de mobilité travaille, des constatations visées à l'article 403, troisième alinéa, et demande un plan de remédiation.
  Le fonctionnaire dirigeant de l'agence fixe le délai dans lequel le plan de remédiation doit avoir été introduit et exécuté et peut, en fonction des circonstances concrètes, déterminer les mesures que le plan de remédiation doit au minimum comporter.
Art. 405. § 1. Als het remediëringsplan, vermeld in artikel 404, niet tijdig wordt voorgelegd of uitgevoerd of als binnen twee jaar na de uitvoering van het remediëringsplan een zorgkas conform artikel 403 aan het agentschap meldt dat meerdere bundels facturen van de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen of de onderneming in kwestie geheel zijn verworpen, kan de leidend ambtenaar van het agentschap met een aangetekende brief een administratieve geldboete opleggen aan de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen of de onderneming.
  § 2. Als de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen of de onderneming de administratieve geldboete niet betaalt binnen twee maanden na de verzending van de aangetekende brief, vordert de leidend ambtenaar van het agentschap de administratieve geldboete bij dwangbevel in.
  In voorkomend geval bezorgt de leidend ambtenaar van het agentschap de gegevens van de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen of van de onderneming bij wie de administratieve geldboete, verhoogd met de invorderingskosten, bij dwangbevel moet worden ingevorderd, aan de Vlaamse Belastingdienst.
Art. 405. § 1er. Si le plan de remédiation visé à l'article 404, n'est pas présenté ou exécuté dans le délai imparti, ou si dans les deux ans suivant l'exécution du plan de remédiation, une caisse d'assurance soins signale à l'agence, conformément à l'article 403, que plusieurs ensembles de factures du dispensateur de dispositifs de mobilité ou de l'entreprise en question ont été rejetés, le fonctionnaire dirigeant de l'agence peut infliger au dispensateur de dispositifs de mobilité une amende administrative, par lettre recommandée.
  § 2. Si le dispensateur de dispositifs de mobilité ou l'entreprise ne paie pas l'amende administrative dans les deux mois suivant l'envoi de la lettre recommandée, le fonctionnaire dirigeant de l'agence réclamera l'amende administrative par voie de contrainte.
  Le cas échéant, le fonctionnaire dirigeant de l'agence fournira au Service flamand des Impôts les coordonnées du dispensateur de dispositifs de mobilité ou l'entreprise auprès duquel l'amende administrative, majorée des frais de recouvrement, doit être réclamée par voie de contrainte.
Art. 406. Als binnen twee jaar na de oplegging van een administratieve geldboete, vermeld in artikel 405, een zorgkas conform artikel 403 aan het agentschap meldt dat meerdere facturen van de betreffende verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen of van de onderneming in kwestie geheel zijn verworpen, kan de leidend ambtenaar van het agentschap met een aangetekende brief het voornemen uiten tot schorsing of intrekking van de machtiging van de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen.
  De aangetekende brief, vermeld in het eerste lid, bevat ook de mogelijkheid om een gemotiveerd bezwaarschrift in te dienen bij het agentschap conform artikel 407.
Art. 406. Si dans les deux ans suivant une amende administrative infligée, visée à l'article 405, une caisse d'assurance soins signale à l'agence, conformément à l'article 403, que plusieurs factures du dispensateur de dispositifs de mobilité concerné ou de l'entreprise en question ont été rejetées, le fonctionnaire dirigeant de l'agence peut exprimer son intention de suspendre ou retirer l'habilitation du dispensateur de dispositifs de mobilité, par lettre recommandée.
  La lettre recommandée visée à l'alinéa premier comportera également la possibilité d'introduire une réclamation motivée auprès de l'agence, conformément à l'article 407.
Art. 407. De verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen kan binnen twee maanden na de datum van de verzending van het voornemen tot schorsing of intrekking van de machtiging een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij het agentschap.
  Het bezwaarschrift wordt behandeld conform artikel 6 tot en met 22 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 juli 2013 betreffende de Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en (Kandidaat-)pleegzorgers, met dien verstande dat het bezwaarschrift, in afwijking van artikel 8, § 1, eerste lid van het voormelde besluit, wordt behandeld door de kamer voor gezondheidsvoorzieningen.
  Als de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen geen bezwaarschrift indient binnen twee maanden na de verzending van het voornemen tot schorsing of intrekking van de machtiging, wordt de beslissing van de leidend ambtenaar van het agentschap tot schorsing of intrekking van de machtiging na het verstrijken van die termijn met een aangetekende brief bezorgd aan de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen.
  § 2. De schorsing wordt opgelegd voor minimaal een maand tot maximaal zes maanden.
  Tijdens de schorsing mag de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen geen nieuwe aanvragen voor mobiliteitshulpmiddelen indienen.
Art. 407. Le dispensateur de dispositifs de mobilité peut, dans les deux mois suivant la date d'envoi de l'intention de suspension ou retrait de l'habilitation, introduire une réclamation motivée auprès de l'agence.
  La réclamation sera traitée conformément aux articles 6 à 22 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 juillet 2013 concernant la Commission consultative pour les Structures de l'Aide sociale, de la Santé publique et de la Famille et des (Candidats-)accueillants, étant entendu que la réclamation, par dérogation à l'article 8, § 1er, alinéa premier, de l'arrêté précité, sera traité par la chambre pour les structures de santé.
  Si le dispensateur de dispositifs de mobilité n'introduit pas de réclamation dans les deux mois suivant l'envoi de l'intention de suspension ou retrait de l'habilitation, la décision du fonctionnaire dirigeant de l'agence concernant la suspension ou le retrait de l'habilitation sera communiquée par lettre recommandée au dispensateur de dispositifs de mobilité à l'expiration de ce délai.
  § 2. La suspension est infligée pour minimum un mois et maximum six mois.
  Pendant la suspension, le dispensateur de dispositifs de mobilité ne peut pas introduire de nouvelle demande de dispositifs de mobilité.
Art. 408. Bij fraude kan de leidend ambtenaar van het agentschap, naast de terugvordering van de frauduleus gefactureerde prestaties, onmiddellijk overgaan tot de oplegging van een administratieve geldboete of onmiddellijk een voornemen uiten tot schorsing of intrekking van de machtiging van de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen.
  Artikel 405, § 2, en artikel 407 zijn in voorkomend geval van overeenkomstige toepassing.
Art. 408. En cas de fraude, le fonctionnaire dirigeant de l'agence peut, outre le recouvrement des prestations facturées de manière frauduleuse, infliger immédiatement une amende administrative ou exprimer immédiatement son intention de suspendre ou retirer l'habilitation du dispensateur de dispositifs de mobilité.
  Les articles 405, § 2, et 407 s'appliquent le cas échéant par analogie.
HOOFDSTUK 4. - Naleving voorwaarden en procedures
Chapitre 4. - Respect des conditions et procédures
Art. 409. De zorgkassen controleren of de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen en de onderneming in opdracht waarvan de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen werkt, de procedures en de voorwaarden,[1 vermeld in boek 2, deel 2]1 vervullen.
  
Art. 409. Les caisses d'assurance soins contrôlent si le dispensateur de dispositifs de mobilité et l'entreprise pour le compte de laquelle le dispensateur de dispositifs de mobilité travaille satisfont aux procédures et conditions [1 visées au livre 2, partie 2]1.
  
Art. 410. Als uit de controles, vermeld in artikel 409, blijkt dat een verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen of de onderneming in opdracht waarvan de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen werkt, in meerdere dossiers de procedures en de voorwaarden [1 , vermeld in boek 2, deel 2,]1 niet vervult, bezorgt de zorgkas aan de verstrekker of de onderneming in opdracht waarvan de verstrekker werkt informatie over de niet gerespecteerde procedures en voorwaarden.
  Als de zorgkas daarna vaststelt dat de verstrekker of de onderneming in opdracht waarvan de verstrekker werkt, opnieuw in meerdere dossiers de procedures en de voorwaarden,[1 "vermeld in boek 2, deel 2,]1 niet vervult, meldt de zorgkas dat aan het agentschap.
  
Art. 410. S'il ressort des contrôles visés à l'article 409 qu'un dispensateur de dispositifs de mobilité ou l'entreprise pour le compte de laquelle le dispensateur de dispositifs de mobilité travaille, ne satisfait pas, dans plusieurs dossiers, aux procédures et conditions [1 visées au livre 2, partie 2]1, la caisse d'assurance soins fournira des informations relatives aux procédures et conditions non respectées au dispensateur ou à l'entreprise pour le compte de laquelle le dispensateur travaille.
  Par la suite, si la caisse d'assurance soins constate que le dispensateur ou l'entreprise pour le compte de laquelle le dispensateur travaille ne satisfait pas à nouveau, dans plusieurs dossiers, aux procédures et conditions [1 visées au livre 2, partie 2]1, la caisse d'assurance soins le signalera à l'agence.
  
Art. 411. De leidend ambtenaar van het agentschap brengt met een aangetekende brief de verstrekker en de onderneming in opdracht waarvan de verstrekker werkt op de hoogte van de vaststellingen, vermeld in artikel 410, tweede lid, en vraagt een remediëringsplan op.
  De leidend ambtenaar van het agentschap bepaalt de termijn waarin het remediëringsplan moet zijn ingediend en uitgevoerd en kan daarbij, aangepast aan de concrete omstandigheden, bepalen welke maatregelen het remediëringsplan minimaal moet bevatten.
Art. 411. Le fonctionnaire dirigeant de l'agence informe le dispensateur et l'entreprise pour le compte de laquelle le dispensateur travaille, par lettre recommandée, des constatations visées à l'article 410, deuxième alinéa, et demande un plan de remédiation au dispensateur.
  Le fonctionnaire dirigeant de l'agence fixe le délai dans lequel le plan de remédiation doit avoir été introduit et exécuté et peut, en fonction des circonstances concrètes, déterminer les mesures que le plan de remédiation doit au minimum comporter.
Art. 412. § 1. Als het remediëringsplan, vermeld in artikel 411, niet tijdig wordt voorgelegd of uitgevoerd of als binnen twee jaar na de uitvoering van het remediëringsplan blijkt dat de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen of de onderneming opnieuw in meerdere dossiers de procedures en de voorwaarden, [1 vermeld in boek 2, deel 2,]1 niet vervult, kan de leidend ambtenaar van het agentschap met een aangetekende brief een administratieve geldboete opleggen aan de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen of de onderneming.
  § 2. Als de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen of de onderneming de administratieve geldboete niet betaalt binnen twee maanden na de verzending van de aangetekende brief, vordert de leidend ambtenaar van het agentschap de administratieve geldboete bij dwangbevel in.
  In voorkomend geval bezorgt de leidend ambtenaar van het agentschap de gegevens van de verstrekker of de onderneming bij wie de administratieve geldboete, verhoogd met de invorderingskosten, bij dwangbevel moet worden ingevorderd, aan de Vlaamse Belastingdienst.
  
Art. 412. § 1er. Si le plan de remédiation visé à l'article 411 n'est pas présenté ou exécuté dans le délai imparti, ou si dans les deux ans suivant l'exécution du plan de remédiation, il apparaît que le dispensateur de dispositifs de mobilité ou l'entreprise ne satisfont pas à nouveau, dans plusieurs dossiers, aux procédures et conditions [1 visées au livre 2, partie 2]1, le fonctionnaire dirigeant de l'agence pourra infliger une amende administrative par lettre recommandée au dispensateur de dispositifs de mobilité ou à l'entreprise.
  § 2. Si le dispensateur de dispositifs de mobilité ou l'entreprise ne paie pas l'amende administrative dans les deux mois suivant l'envoi de la lettre recommandée, le fonctionnaire dirigeant de l'agence réclamera l'amende administrative par voie de contrainte.
  Le cas échéant, le fonctionnaire dirigeant de l'agence fournira au Service flamand des Impôts les coordonnées du dispensateur ou de l'entreprise mobilité auprès duquel l'amende administrative, majorée des frais de recouvrement, doit être réclamée par voie de contrainte.
  
Art. 413. Als binnen twee jaar na op de oplegging van een administratieve geldboete, vermeld in artikel 412, blijkt dat de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen of de onderneming in opdracht waarvan de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen werkt, opnieuw in meerdere dossiers de procedures en de voorwaarden,[1 vermeld in boek 2, deel 2,]1niet vervult, kan de leidend ambtenaar van het agentschap met een aangetekende brief het voornemen uiten tot schorsing of intrekking van de machtiging van de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen.
  De aangetekende brief, vermeld in het eerste lid, bevat ook de mogelijkheid om een gemotiveerd bezwaarschrift in te dienen bij het agentschap conform artikel 414.
  
Art. 413. Si dans les deux ans suivant une amende administrative infligée, visée à l'article 412, il apparaît que le dispensateur de dispositifs de mobilité ou l'entreprise pour le compte de laquelle le dispensateur travaille ne satisfait pas à nouveau, dans plusieurs dossiers, aux procédures et conditions [1 visées au livre 2, partie 2 ]1, le fonctionnaire dirigeant de l'agence pourra exprimer son intention de suspendre ou retirer l'habilitation du dispensateur de dispositifs de mobilité par lettre recommandée.
  La lettre recommandée visée à l'alinéa premier comportera également la possibilité d'introduire une réclamation motivée auprès de l'agence, conformément à l'article 414.
  
Art. 414. § 1. De verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen kan binnen twee maanden na de datum van de verzending van het voornemen tot schorsing of intrekking van de machtiging een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij het agentschap.
  Het bezwaarschrift wordt behandeld conform artikel 6 tot en met 22 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 juli 2013 betreffende de Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en (Kandidaat-)pleegzorgers, met dien verstande dat het bezwaarschrift, in afwijking van artikel 8, § 1, eerste lid van het voormelde besluit, wordt behandeld door de kamer voor gezondheidsvoorzieningen.
  Als de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen geen bezwaarschrift indient binnen twee maanden na de verzending van het voornemen tot schorsing of intrekking van de machtiging, wordt na het verstrijken van die termijn met een aangetekende brief de beslissing van de leidend ambtenaar van het agentschap tot schorsing of intrekking van de machtiging bezorgd aan de verstrekker.
  § 2. De schorsing wordt opgelegd voor minimaal een maand tot maximaal zes maanden.
  Tijdens de schorsing mag de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen geen nieuwe aanvragen voor mobiliteitshulpmiddelen indienen.
Art. 414. § 1er. Le dispensateur de dispositifs de mobilité peut introduire une réclamation motivée auprès de l'agence dans les deux mois suivant la date d'envoi de l'intention de suspension ou retrait de l'habilitation.
  La réclamation sera traitée conformément aux articles 6 à 22 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 juillet 2013 concernant la Commission consultative pour les Structures de l'Aide sociale, de la Santé publique et de la Famille et des (Candidats-)accueillants, étant entendu que la réclamation, par dérogation à l'article 8, § 1er, alinéa premier de l'arrêté précité, sera traité par la chambre pour les structures de santé.
  Si le dispensateur de dispositifs de mobilité n'introduit pas de réclamation dans les deux mois suivant l'envoi de l'intention de suspension ou retrait de l'habilitation, la décision du fonctionnaire dirigeant de l'agence concernant la suspension ou le retrait de l'habilitation sera communiquée par lettre recommandée au dispensateur de dispositifs de mobilité à l'expiration de ce délai.
  § 2. La suspension est infligée pour un mois minimum et six mois maximum.
  Pendant la suspension, le dispensateur de dispositifs de mobilité ne peut pas introduire de nouvelle demande de dispositifs de mobilité.
Art. 415. Als een verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen of de onderneming in opdracht waarvan hij werkt, de voorwaarde, vermeld in artikel 373, 2°, g), niet naleeft, kan de leidend ambtenaar, in afwijking van artikel 410, artikel 411, artikel 412, § 1, en artikel 413, eerste lid, onmiddellijk met een aangetekende brief een administratieve geldboete opleggen aan de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen of de onderneming in kwestie of met een aangetekende brief het voornemen uiten tot schorsing of intrekking van de machtiging van de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen.
  Artikel 412, § 2, artikel 413, tweede lid, en artikel 414 zijn in voorkomend geval van overeenkomstige toepassing.
Art. 415. Si un dispensateur de dispositifs de mobilité ou l'entreprise pour le compte de laquelle il travaille ne respecte pas la condition visée à l'article 373, 2°, g), le fonctionnaire dirigeant, par dérogation à l'article 410, l'article 411, l'article 412, § 1er, et l'article 413, alinéa premier, pourra infliger immédiatement, par lettre recommandée, une amende administrative au dispensateur de dispositifs de mobilité ou à l'entreprise en question, ou exprimer, par lettre recommandée, son intention de suspendre ou retirer l'habilitation du dispensateur de dispositifs de mobilité.
  L'article 412, § 2, l'article 413, deuxième alinéa, et l'article 414 s'appliquent le cas échéant par analogie.
Art. 415/1. [1 Als meerdere vestigingen als één woonzorgcentrum, al dan niet met bijbehorend centrum voor kortverblijf of centrum voor kortverblijf met een bijkomende erkenning, zijn erkend met toepassing van [2 artikel 28 of 29 van het besluit van 19 juli 2024]2, wordt elk van die vestigingen als een afzonderlijk woonzorgcentrum, al dan niet met bijbehorend centrum voor kortverblijf of centrum voor kortverblijf met een bijkomende erkenning, beschouwd voor de toepassing van dit boek.
   Als meerdere verschillende vestigingen als één centrum voor dagverzorging, één centrum voor dagverzorging voor personen met een ernstige ziekte of één centrum voor dagverzorging voor zorgafhankelijke personen zijn erkend met toepassing van [2 artikel 37 en 38 van het besluit van 19 juli 2024"]2, wordt elk van die vestigingen als een afzonderlijk centrum voor dagverzorging, centrum voor dagverzorging voor personen met een ernstige ziekte of centrum voor dagverzorging voor zorgafhankelijke personen beschouwd voor de toepassing van dit boek. ]1

  
Art. 415/1. [1 . Si plusieurs implantations ont été agréées comme un seul centre de soins résidentiels, avec ou sans centre de court séjour associé ou centre de court séjour disposant d'un agrément supplémentaire, en application de [2 l'article 28 de l'arrêté du 19 juillet 2024]2 chacune de ces implantations est considérée comme un centre de soins résidentiels distinct, avec ou sans centre de court séjour associé ou centre de court séjour disposant d'un agrément supplémentaire pour l'application du présent livre.
   Si plusieurs implantations différentes ont été agréées comme un seul centre de soins de jour, un seul centre de soins de jour pour personnes souffrant d'une maladie grave ou un seul centre de soins de jour pour personnes dépendantes en application des articles 5/1 et 5/2 de l'arrêté du 9 mai 2014, chacune de ces implantations est considérée comme un centre de soins de jour distinct, un centre de soins de jour pour personnes souffrant d'une maladie grave ou un centre de soins de jour pour personnes dépendantes pour l'application du présent livre. ]1

  
Boek 3. [1 Tegemoetkomingen voor zorg in woonzorgcentra, centra voor kortverblijf of centra voor dagverzorging]1
Livre 3. [1 - Interventions pour les soins dans des centres de soins résidentiels, des centres de court séjour ou des centres de soins de jour ]1
Deel 1. - Voorwaarden
Partie 1ère. - Conditions
Titel 1. - Algemeen
Titre 1er. - Généralités
Art. 416. Opdat de gebruiker aanspraak kan maken op de tegemoetkoming voor zorg in een woonzorgcentrum, een centrum voor kortverblijf of een [1 centrum voor dagverzorging]1 moet de gebruiker:
  1° voldoen aan de voorwaarden, vermeld in titel 2;
  2° respectievelijk:
  a) verblijven in een woonzorgcentrum of centrum voor kortverblijf erkend door de bevoegde overheid;
  b) gebruik maken van een dagverzorgingscentrum erkend door de bevoegde overheid.
  
Art. 416. Afin que l'utilisateur puisse prétendre à l'intervention pour soins dans un centre de soins résidentiels, un centre de court séjour ou un centre de soins de jour, il doit :
  1° remplir les conditions visées au titre 2 :
  2° respectivement :
  a) séjourner dans un centre de soins résidentiels ou un centre de court séjour agréé par l'autorité compétente ;
  b) avoir recours à un centre de soins de jour agréé par l'autorité compétente.
  

Änderungen

[1]pas en français
Art. 417. De tegemoetkoming van de gebruiker voor zorg in een woonzorgcentrum of een centrum voor kortverblijf kan alleen aan een woonzorgcentrum of een centrum voor kortverblijf worden verleend, conform artikel 520, als het woonzorgcentrum of het centrum voor kortverblijf voldoet aan al de volgende voorwaarden:
  1° erkend zijn door de bevoegde overheid;
  2° voldoen aan de voorwaarden met betrekking tot het personeel, vermeld in titel 3, hoofdstuk 1 en 2;
  3° voldoen aan de voorwaarden voor de aanmelding conform titel 4;
  4° een individueel verzorgingsdossier bijhouden conform titel 5;
  5° voldoen aan de administratieve verplichtingen, vermeld in titel 6, hoofdstuk 1 en 2.
  Het eerste lid geldt onder voorbehoud van de sancties bepaald in titel 3, hoofdstuk 1 en 2 en titel 4 tot en met titel 6.
Art. 417. L'intervention de l'utilisateur pour soins dans un centre de soins résidentiels ou un centre de court séjour peut être accordée à un centre de soins résidentiels ou un centre de court séjour, conformément à l'article 520, uniquement si le centre de soins résidentiels ou le centre de court séjour répond aux conditions suivantes :
  1° être agréé par l'autorité compétente ;
  2° répondre aux conditions relatives au personnel, visées au titre 3, chapitres 1er et 2 ;
  3° répondre aux conditions de l'inscription, conformément au titre 4 ;
  4° tenir à jour un dossier individuel de soins, conformément au titre 5 ;
  5° répondre aux obligations administratives visées au titre 6, chapitres 1er et 2.
  L'alinéa premier s'applique sans restriction aux sanctions visées au titre 3, chapitres 1er et 2, et aux titres 4 à 6.
Art. 418. De tegemoetkoming van de gebruiker voor zorg in een [1 centrum voor dagverzorging]1 kan alleen aan een [1 centrum voor dagverzorging]1 worden verleend, conform artikel 520, indien het [1 centrum voor dagverzorging]1 voldoet aan al de volgende voorwaarden:
  1° erkend zijn door de bevoegde overheid;
  2° voldoen aan de voorwaarden met betrekking tot het personeel, vermeld in titel 3, [2 hoofdstuk 1 en 3]2;
  3° voldoen aan de voorwaarden met voor de aanmelding conform titel 4;
  4° een individueel verzorgingsdossier bijhouden conform titel 5;
  5° voldoen aan de administratieve verplichtingen, vermeld in titel 6, hoofdstuk 1 en 3.
  Het eerste lid geldt onder voorbehoud van de sancties bepaald in titel 3, hoofdstuk 1 en 2 en titel 4 tot en met titel 6.
  
Art. 418. L'intervention de l'utilisateur pour soins dans un centre de soins résidentiels peut être accordée à un centre de soins résidentiels, conformément à l'article 520, uniquement si le centre de soins résidentiels répond aux conditions suivantes :
  1° être agréé par l'autorité compétente ;
  2° répondre aux conditions relatives au personnel, visées au titre 3, [2 chapitres 1er et 3]2;
  3° répondre aux conditions de l'inscription, conformément au titre 4 ;
  4° tenir à jour un dossier de soins individuel, conformément au titre 5 ;
  5° répondre aux obligations administratives visées au titre 6, chapitres 1er et 3.
  L'alinéa premier s'applique sans restriction aux sanctions visées au titre 3, chapitres 1er et 2, et aux titres 4 à 6.
  
Titel 2. - Gebruiker
Titre 2. - Utilisateur
HOOFDSTUK 1. - Algemeen
Chapitre 1er. - Généralités
Art. 419. De tegemoetkoming voor zorg in woonzorgcentra [1 ...]1 wordt toegekend aan de gebruiker die aan al de volgende voorwaarden voldoet:
  1° geen dagelijks medisch toezicht en geen permanente specialistische medische verzorging nodig hebben, maar anderzijds in sterke mate aangewezen zijn op zowel verzorging als op ondersteuning van derde personen bij de essentiële handelingen van het dagelijks leven;
  2° beantwoorden aan de criteria van de afhankelijkheidscategorie O, A, B, C, Cd of D, vermeld in artikel 425;
  3° op de datum van de aanmelding en op de datum van de verblijfsdag de verschuldigde premies voor de Vlaamse sociale bescherming voor de voorgaande jaren betaald hebben, conform artikel 112.
  
Art. 419. L'intervention pour soins dans des centres de soins résidentiels [1 ...]1 est accordée à l'utilisateur qui satisfait à toutes les conditions suivantes :
  1° ne pas avoir besoin d'une surveillance médicale quotidienne ni de soins médicaux spécialisés permanents, mais être fortement tributaire, par ailleurs, de soins et d'un soutien de tiers pour les actes essentiels de la vie de tous les jours ;
  2° répondre aux critères des catégories de dépendance O, A, B, C, Cd ou D, visées à l'article 425 ;
  3° à la date de l'inscription et à la date du jour de séjour, avoir payé les primes dues en matière de protection sociale flamande pour les années précédentes, conformément à l'article 112.
  
Art. 421. De tegemoetkoming voor zorg in centra voor kortverblijf wordt toegekend aan de gebruiker die aan al de volgende voorwaarden voldoet:
  1° geen dagelijks medisch toezicht en geen permanente specialistische medische verzorging nodig hebben, maar anderzijds in sterke mate aangewezen zijn op zowel verzorging als op ondersteuning van derde personen bij de essentiële handelingen van het dagelijks leven;
  2° beantwoorden aan de criteria van de afhankelijkheidscategorieën O, A, B, C, Cd of D, vermeld in artikel 425;
  3° op de datum van de aanmelding en op de datum van de verblijfsdag de verschuldigde premies voor de Vlaamse sociale bescherming voor de voorgaande jaren betaald hebben, conform artikel 112.
Art. 421. L'intervention pour soins dans des centres de court séjour est accordée à l'utilisateur qui satisfait à toutes les conditions suivantes :
  1° ne pas avoir besoin d'une surveillance médicale quotidienne ni de soins médicaux spécialisés permanents, mais être fortement tributaire, par ailleurs, de soins et d'un soutien de tiers pour les actes essentiels de la vie de tous les jours ;
  2° répondre aux critères des catégories de dépendance O, A, B, C, Cd ou D, visées à l'article 425 ;
  3° à la date de l'inscription et à la date du jour de séjour, avoir payé les primes dues en matière de protection sociale flamande pour les années précédentes, conformément à l'article 112.
Art. 422. De tegemoetkoming voor zorg in [1 centra voor dagverzorging]1 voor zorgafhankelijke personen wordt toegekend aan de gebruiker die aan al de volgende voorwaarden voldoet:
  1° geen dagelijks medisch toezicht en geen permanente specialistische medische verzorging nodig hebben, maar anderzijds voor sommige handelingen van het dagelijks leven afhankelijk zijn van zowel de verzorging als van de ondersteuning door derden;
  2° beantwoorden aan de criteria van de afhankelijkheidscategorieën F, Fd, D, vermeld in artikel 426;
  3° die op de datum van de aanmelding en op de datum van de verblijfsdag de verschuldigde premies voor de Vlaamse sociale bescherming voor de voorgaande jaren betaald hebben, conform artikel 112.
  
Art. 422. L'intervention pour soins dans des centres de soins de jour pour personnes dépendantes est accordée à l'utilisateur qui satisfait à toutes les conditions suivantes :
  1° ne pas avoir besoin d'une surveillance médicale ni de soins médicaux spécialisés permanents, mais être par ailleurs dépendant des soins et du soutien de tiers pour certains actes de la vie de tous les jours ;
  2° répondre aux critères des catégories de dépendance F, Fd, D, visées à l'article 426 ;
  3° la date de l'inscription et à la date du jour de séjour, avoir payé les primes dues en matière de protection sociale flamande pour les années précédentes, conformément à l'article 112.
  

Änderungen

[1]pas en français
Art. 423. De tegemoetkoming voor zorg in [1 centra voor dagverzorging]1 voor personen met een ernstige ziekte wordt toegekend aan de gebruiker die beantwoordt aan de criteria van de afhankelijkheidscategorieën Fp, vermeld in artikel 427, en die op de datum van de aanmelding en op de datum van de verblijfsdag de verschuldigde premies voor de Vlaamse sociale bescherming voor de voorgaande jaren betaald heeft conform artikel 112.
  
Art. 423. L'intervention pour soins dans des centres de soins de jour pour personnes ayant une maladie grave est accordée à l'utilisateur qui satisfait aux critères des catégories de dépendance Fp, visées à l'article 427, et qui, à la date de l'inscription et à la date du jour de séjour, a payé les primes dues en matière de protection sociale flamande pour les années précédentes, conformément à l'article 112.
  

Änderungen

[1]pas en français
HOOFDSTUK 2. - Afhankelijkheidscategorieën
Chapitre 2. - Catégories de dépendance
Afdeling 1. - Algemeen
Section 1ère. - Généralités
Art. 424. § 1. Voor de toepassing van artikel 425 en 426 wordt een persoon als fysiek afhankelijk beschouwd als hij 3 of 4 scoort voor een of meer van de criteria, vermeld in deze paragraaf. De score wordt als volgt voor elk criterium toegekend:
  1° zich wassen:
  a) score 1: de persoon kan zichzelf helemaal wassen zonder enige hulp;
  b) score 2: de persoon heeft gedeeltelijke hulp nodig om zich te wassen boven of onder de gordel;
  c) score 3: de persoon heeft gedeeltelijke hulp nodig om zich te wassen zowel boven als onder de gordel;
  d) score 4: de persoon moet volledig worden geholpen om zich te wassen zowel boven als onder de gordel;
  2° zich kleden:
  a) score 1: de persoon kan zich helemaal aan- en uitkleden zonder enige hulp;
  b) score 2: de persoon heeft gedeeltelijke hulp nodig om zich te kleden boven of onder de gordel, zonder rekening te houden met de veters;
  c) score 3: de persoon heeft gedeeltelijke hulp nodig om zich te kleden zowel boven als onder de gordel;
  d) score 4: de persoon moet volledig worden geholpen om zich te kleden zowel boven als onder de gordel;
  3° transfer en verplaatsingen:
  a) score 1: de persoon is zelfstandig voor de transfer en kan zich volledig zelfstandig verplaatsen zonder mechanisch(e) hulpmiddel(en) of hulp van derden;
  b) score 2: de persoon is zelfstandig voor de transfer en voor zijn verplaatsingen, mits het gebruik van mechanisch(e) hulpmiddel(en) (kruk(ken), rolstoel ...);
  c) score 3: de persoon heeft volstrekte hulp van derden nodig voor minstens één van de transfers of zijn verplaatsingen;
  d) score 4: de persoon is bedlegerig of zit in een rolstoel en is volledig afhankelijk van anderen om zich te verplaatsen;
  4° toiletbezoek:
  a) score 1: de persoon kan alleen naar het toilet gaan, zich kleden en zich reinigen;
  b) score 2: de persoon heeft hulp nodig voor één van de drie items: zich verplaatsen of zich kleden of zich reinigen;
  c) score 3: de persoon heeft hulp nodig voor twee van de drie items: zich verplaatsen of zich kleden of zich reinigen;
  d) score 4: de persoon heeft hulp nodig voor de drie items: zich verplaatsen en zich kleden en zich reinigen;
  5° continentie:
  a) score 1: de persoon is continent voor urine en faeces;
  b) score 2: de persoon is accidenteel incontinent voor urine of faeces, inclusief blaassonde of kunstaars;
  c) score 3: de persoon is incontinent voor urine, inclusief mictietraining, of voor faeces;
  d) score 4: de persoon is incontinent voor urine en faeces;
  6° eten:
  a) score 1: de persoon kan alleen eten en drinken;
  b) score 2: de persoon heeft vooraf hulp nodig om te eten of te drinken;
  c) score 3: de persoon heeft gedeeltelijk hulp nodig tijdens het eten of drinken;
  d) score 4: de persoon is volledig afhankelijk om te eten of te drinken.
  § 2. Voor de toepassing van artikel 425 wordt een persoon als psychisch afhankelijk beschouwd als hij voor de volgende criteria 3 of 4 scoort. De score wordt als volgt voor elk criterium toegekend:
  1° oriëntatie in de tijd:
  a) score 1: geen probleem;
  b) score 2: nu en dan, zelden probleem;
  c) score 3: bijna elke dag probleem;
  d) score 4: volledig gedesoriënteerd of onmogelijk te evalueren;
  2° oriëntatie van plaats:
  a) score 1: geen probleem;
  b) score 2: nu en dan, zelden probleem;
  c) score 3: bijna elke dag probleem;
  d) score 4: volledig gedesoriënteerd of onmogelijk te evalueren.
  [1 § 3. De minister bepaalt de regels om de scores, vermeld in paragraaf 1 en 2, te bepalen.]1
  
Art. 424. § 1er. Pour l'application des articles 425 et 426, une personne est considérée comme physiquement dépendante si elle obtient un score de 3 ou 4 à un ou plusieurs des critères visés dans ce paragraphe. Le score est attribué comme suit pour chaque critère :
  1° se laver :
  a) score 1 : la personne peut totalement se laver sans aucune aide ;
  b) score 2 : la personne a en partie besoin d'aide pour se laver au-dessus ou en dessous de la taille ;
  c) score 3 : la personne a en partie besoin d'aide pour se laver au-dessus et en dessous de la taille ;
  d) score 4 : la personne a entièrement besoin d'aide pour se laver au-dessus ou en dessous de la taille ;
  2° s'habiller :
  a) score 1 : la personne peut entièrement s'habiller et se déshabiller sans aucune aide ;
  b) score 2 : la personne a en partie besoin d'aide pour s'habiller au-dessus ou en dessous de la taille, sans tenir compte des lacets ;
  c) score 3 : la personne a en partie besoin d'aide pour s'habiller au-dessus et en dessous de la taille ;
  d) score 4 : la personne a entièrement besoin d'aide pour s'habiller au-dessus ou en dessous de la taille ;
  3° transfert et déplacements :
  a) score 1 : la personne est indépendante pour le transfert et peut se déplacer de manière totalement indépendante sans dispositif(s) mécanique(s) ni l'aide de tiers ;
  b) score 2 : la personne est indépendante pour le transfert et pour ses déplacements, à condition d'utiliser un (des) dispositif(s) mécanique(s) (béquille(s), chaise roulante, ...) ;
  c) score 3 : la personne a entièrement besoin de l'aide de tiers pour au moins un des transferts ou ses déplacements ;
  d) score 4 : la personne est confinée au lit ou à la chaise roulante et est entièrement dépendante d'autres personnes pour se déplacer ;
  4° visite à la toilette :
  a) score 1 : la personne peut se rendre seule à la toilette, s'habiller et s'essuyer ;
  b) score 2 : la personne a besoin d'aide pour l'un des trois aspects : se déplacer ou s'habiller ou s'essuyer ;
  c) score 3 : la personne a besoin d'aide pour deux des trois aspects : se déplacer ou s'habiller ou s'essuyer ;
  d) score 4 : la personne a besoin d'aide pour les trois aspects : se déplacer et s'habiller et s'essuyer ;
  5° continence :
  a) score 1 : la personne est continente pour les urines et les selles ;
  b) score 2 : la personne est accidentellement incontinente pour les urines ou les selles, y compris les sondes vésicales ou anus artificiels ;
  c) score 3 : la personne est incontinente pour les urines, y compris exercices de miction, ou pour les selles ;
  d) score 4 : la personne est incontinente pour les urines et les selles ;
  6° manger :
  a) score 1 : la personne peut manger et boire seule ;
  b) score 2 : la personne a besoin d'une aide préalable pour manger ou boire ;
  c) score 3 : la personne a partiellement besoin d'aide lorsqu'elle mange ou bois ;
  d) score 4 : la personne est totalement dépendante pour manger ou boire.
  § 2. Pour l'application de l'article 425, une personne est considérée comme psychiquement dépendante si elle obtient un score de 3 ou 4 aux critères suivants. Le score est attribué comme suit pour chaque critère :
  1° orientation temporelle :
  a) score 1 : pas de problème ;
  b) score 2 : de temps à autre, rarement un problème ;
  c) score 3 : presque chaque jour un problème ;
  d) score 4 : totalement désorientée ou impossible à évaluer ;
  2° orientation spatiale :
  a) score 1 : pas de problème ;
  b) score 2 : de temps à autre, rarement un problème ;
  c) score 3 : presque quotidiennement un problème ;
  d) score 4 : totalement désorientée ou impossible à évaluer.
  [1 § 3. Le ministre fixe les règles pour déterminer les scores visés aux paragraphes 1er et 2. ]1
  
Afdeling 2. - Woonzorgcentra en centra voor kortverblijf
Section 2. - Centre de soins résidentiels et centres de court séjour
Art. 425. De bewoners van een woonzorgcentrum of een centrum voor kortverblijf, worden, rekening houdend met hun fysieke of psychische afhankelijkheid, ingedeeld in de afhankelijkheidscategorieën O, A, B, C, Cd of D.
  Voor de toepassing van dit boek wordt verstaan onder:
  1° categorie O: categorie waarin de bewoners zijn gerangschikt die fysiek en psychisch volledig onafhankelijk zijn;
  2° categorie A: categorie waarin de bewoners zijn gerangschikt die:
  a) fysiek afhankelijk zijn: ze zijn afhankelijk om zich te wassen of te kleden;
  b) psychisch afhankelijk zijn: ze zijn gedesoriënteerd in tijd en ruimte, en zijn fysiek volledig onafhankelijk;
  3° categorie B: categorie waarin de bewoners zijn gerangschikt die:
  a) fysiek afhankelijk zijn: ze zijn afhankelijk om zich te wassen en te kleden, en ze zijn afhankelijk voor transfer en verplaatsingen of om naar het toilet te gaan;
  b) psychisch afhankelijk zijn: ze zijn gedesoriënteerd in tijd en ruimte, en ze zijn afhankelijk om zich te wassen of te kleden;
  4° categorie C: categorie waarin de bewoners zijn gerangschikt die fysiek afhankelijk zijn: ze zijn afhankelijk om zich te wassen en te kleden, en ze zijn afhankelijk voor transfer en verplaatsingen en naar het toilet te gaan, en ze zijn afhankelijk wegens incontinentie of om te eten;
  5° categorie Cd: categorie waarin de bewoners zijn gerangschikt die:
  a) psychisch afhankelijk zijn: ze zijn gedesoriënteerd in tijd en ruimte, en ze zijn afhankelijk om zich te wassen en te kleden, en ze zijn afhankelijk wegens incontinentie, en ze zijn afhankelijk voor transfer en verplaatsingen of om naar het toilet te gaan of om te eten;
  b) de bewoners voor wie de diagnose van dementie is vastgesteld of bevestigd op basis van een gespecialiseerd diagnostisch bilan voor dementie dat is uitgevoerd door een [1 arts-specialist]1 in de neurologie, in de psychiatrie of in de geriatrie, met schriftelijk verslag, en die afhankelijk zijn om zich te wassen en te kleden, en afhankelijk zijn wegens incontinentie, en afhankelijk zijn voor transfer en verplaatsingen of om naar het toilet te gaan of om te eten;
  6° categorie D: categorie waarin de bewoners zijn gerangschikt voor wie de diagnose van dementie is vastgesteld [1 ...]1 op basis van een gespecialiseerd diagnostisch bilan voor dementie dat is uitgevoerd door een [1 arts-specialist ]1 in de neurologie, in de psychiatrie of in de geriatrie, met schriftelijk verslag.
  
Art. 425. Les résidents d'un centre de soins résidentiels ou d'un centre de court séjour sont répartis en catégories de dépendance O, A, B, C, Cd ou D en fonction de leur dépendance physique ou psychique.
  Pour l'application de ce livre, on entend par :
  1° catégorie O : catégorie dans laquelle sont classés les résidents qui sont totalement indépendants sur le plan physique et psychique ;
  2° catégorie A : catégorie dans laquelle sont classés les résidents qui :
  a) sont dépendants physiquement : ils sont dépendants pour se laver ou s'habiller ;
  b) sont dépendants psychiquement : ils sont désorientés dans le temps et dans l'espace, et ils sont totalement indépendants sur le plan physique ;
  3° catégorie B : catégorie dans laquelle sont classés les résidents qui :
  a) sont dépendants physiquement : ils sont dépendants pour se laver et s'habiller, et ils sont dépendants pour le transfert et les déplacements ou pour se rendre à la toilette ;
  b) sont dépendants psychiquement : ils sont désorientés dans le temps et l'espace, et ils sont dépendants pour se laver ou s'habiller ;
  4° catégorie C : catégorie dans laquelle sont classés les résidents qui sont dépendants physiquement : ils sont dépendants pour se laver et s'habiller, et ils sont dépendants pour le transfert et les déplacements et pour se rendre à la toilette, et ils sont dépendants pour cause d'incontinence ou pour manger ;
  5° catégorie Cd : catégorie dans laquelle sont classés les résidents qui :
  a) sont dépendants psychiquement : ils sont désorientés dans le temps et l'espace, et sont dépendants pour se laver et s'habiller, et ils sont dépendants pour cause d'incontinence, et ils sont dépendants pour le transfert et les déplacements ou pour se rendre à la toilette ou pour manger ;
  b) les résidents pour lesquels le diagnostic de démence est établi ou confirmé sur la base d'un bilan diagnostique spécialisé pour la démence, qui est réalisé par un médecin spécialiste en neurologie, en psychiatrie ou en gériatrie, avec rapport écrit, et qui sont dépendants pour se laver et s'habiller, et dépendants pour cause d'incontinence, et dépendants pour le transfert et les déplacements ou pour aller à la toilette ou pour manger ;
  6° catégorie D : catégorie dans laquelle sont classés les résidents pour lesquels le diagnostic de démence est établi [1 ...]1 sur la base d'un bilan diagnostique spécialisé pour la démence, qui est réalisé par un médecin spécialiste en neurologie psychiatrie ou en gériatrie, avec rapport écrit.
  
Afdeling 3. [1 - Centra voor dagverzorging]1
Section 3. - Centres de soins de jour
Art. 426. De personen die gebruik maken van een [1 centrum voor dagverzorging]1 voor zorgafhankelijke personen worden, rekening houdend met hun fysieke of psychische afhankelijkheid, ingedeeld in de afhankelijkheidscategorieën F, Fd of D.
  Voor de toepassing van dit boek wordt verstaan onder:
  1° categorie F: categorie waarin de personen zijn gerangschikt die fysiek afhankelijk zijn: ze zijn afhankelijk om zich te wassen en te kleden, en ze zijn afhankelijk voor transfer en verplaatsingen of om naar het toilet te gaan;
  2° categorie Fd: categorie waarin de personen zijn gerangschikt die psychisch afhankelijk zijn: ze zijn gedesoriënteerd in tijd en ruimte en afhankelijk om zich te wassen of te kleden;
  3° categorie D: categorie waarin de personen zijn gerangschikt voor wie de diagnose van dementie is vastgesteld [2 ...]2 op basis van een gespecialiseerd diagnostisch bilan voor dementie uitgevoerd door een [2 arts-specialist]2 in de neurologie, in de psychiatrie of in de geriatrie, met schriftelijk verslag.
  
Art. 426. Les personnes qui ont recours à un centre de soins de jour pour personne dépendantes, sont répartis en catégories de dépendance F, Fd ou D en fonction de leur dépendance physique ou psychique.
  Pour l'application de ce livre, on entend par :
  1° Catégorie F : catégorie dans laquelle sont classées les personnes dépendantes physiquement : elles sont dépendantes pour se laver et s'habiller, et elles sont dépendantes pour le transfert et les déplacements ou pour se rendre à la toilette ;
  2° catégorie Fd : catégorie dans laquelle sont classées les personnes dépendantes psychiquement : elles sont désorientées dans le temps et l'espace et elles sont dépendantes pour se laver ou s'habiller ;
  3° catégorie D : catégorie dans laquelle sont classés les personnes pour lesquelles le diagnostic de démence est établi [2 ...]2 sur la base d'un bilan diagnostique spécialisé pour la démence, réalisé par un médecin spécialiste en neurologie psychiatrie ou en gériatrie, avec rapport écrit.
  
Art. 427. De personen die gebruik maken van een [1 centrum voor dagverzorging]1 met een bijkomende erkenning voor personen met een ernstige ziekte, worden ingedeeld in de afhankelijkheidscategorie Fp.
  Voor de toepassing van dit boek wordt verstaan onder categorie Fp: de categorie waarin de personen, zonder leeftijdsbeperking, zijn gerangschikt:
  1° die zich in een vergevorderde of terminale fase van een ernstige, progressieve en levensbedreigende ziekte bevinden, ongeacht zijn of haar levensverwachting;
  2° met ernstige fysieke, psychische, sociale en geestelijke noden die een belangrijke tijdsintensieve en volgehouden inzet vergen en die reguliere thuiszorg rechtvaardigen;
  3° die thuis verblijven en de intentie hebben om verder thuis te verblijven;
  4° die gemotiveerd door hun irreversibele aandoening(en) tijdens de laatste drie maanden het voorwerp hebben uitgemaakt van:
  a) of minstens één ziekenhuisverblijf (klassieke hospitalisatie of daghospitalisatie);
  b) of verzorging door een dienst voor thuisverpleging, door een kinesitherapeut, en/of een tenlasteneming door een multidisciplinaire begeleidingsequipe;
  5° die naar het centrum verwezen worden door de behandelend arts of die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 3 van het koninklijk besluit van 2 december 1999 tot vaststelling van de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging voor geneesmiddelen, verzorgingsmiddelen en hulpmiddelen voor palliatieve thuispatiënten, vermeld in artikel 34, 14°, van de Ziekteverzekeringswet.
  
Art. 427. Les personnes qui ont recours à un centre de soins de jour disposant d'un agrément supplémentaire pour personne ayant une maladie grave, sont classées dans la catégorie de dépendance Fp.
  Aux fins du présent chapitre, on entend par " catégorie Fp " : la catégorie dans laquelle sont classées les personnes, sans limite d'âge :
  1° qui se trouvent dans une phase avancée ou terminale d'une maladie grave, progressive et potentiellement mortelle, quelle que soit leur espérance de vie ;
  2° ayant des besoins physiques, psychiques, sociaux et spirituels importants nécessitant un engagement soutenu et long, et qui justifient des soins à domicile réguliers ;
  3° qui séjournent à leur domicile et ont l'intention d'y rester ;
  4° qui, motivés par leur(s) affection(s) irréversibles, ont fait l'objet, au cours de trois derniers mois :
  a) d'au moins un séjour hospitalier (hospitalisation classique ou hospitalisation de jour) ;
  b) ou de soins prodigués par un service de soins à domicile, par un kinésithérapeute, et/ou d'une prise en charge par une équipe d'accompagnement multidisciplinaire ;
  5° qui sont renvoyés vers le centre par leur médecin traitant ou qui répondent aux conditions visées à l'article 3 de l'arrêté royal du 2 décembre 1999 déterminant l'intervention de l'assurance obligatoire soins de santé pour les médicaments, le matériel de soins et les auxiliaires pour les patients palliatifs à domicile visés à l'article 34, 14°, de la loi relative à l'assurance.
  

Änderungen

[1]pas en version française
Titel 3. - Personeel
Titre 3. - Personnel
HOOFDSTUK 1. - Algemeen
Chapitre 1er. - Généralités
Art. 428. [1 De woonzorgcentra, centra voor kortverblijf en centra voor dagverzorging leven voor het personeel alle arbeidsvoorwaarden (met inbegrip van loon- en tewerkstellingsvoorwaarden) na die bepaald zijn in wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen, in collectieve arbeidsovereenkomsten en in de protocollen zoals voorzien in de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel in de publieke sector. ]1
  
Art. 428. [1 Les centres de soins résidentiels, les centres de court séjour et les centres de soins de jour respectent, à l'égard du personnel, toutes les conditions de travail (y compris les conditions de rémunération et d'emploi) stipulées dans des dispositions légales, décrétales et réglementaires, dans des conventions collectives de travail et dans les protocoles prévus par la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités. ]1
  
HOOFDSTUK 2. - Woonzorgcentra en centra voor kortverblijf
Chapitre 2. - Centre de soins résidentiels et centres de court séjour
Afdeling 1. - Financieringsnormen volgens het aantal en de afhankelijkheidscategorie
Section 1ère. - Normes de financement en fonction du nombre et de la catégorie de dépendance
Art. 429. § 1. [2 De woonzorgcentra en de centra voor kortverblijf beschikken over hun eigen loontrekkende of statutaire verpleegkundigen, zorgkundigen en [5 zij-instroomzorgkundigen]5]2 en[1 ...]1 over personeel voor reactivering, loontrekkend, statutair of met de zorgvoorziening verbonden door een ondernemingscontract. Bij de samenstelling van dat personeel wordt rekening gehouden met het aantal bewoners die zijn gerangschikt in elk van de afhankelijkheidscategorieën, vermeld in artikel 425 [1 en met de voorwaarden vermeld in artikel 29, 2° en 3°, van bijlage 11 bij het besluit van 28 juni 2019]1.[3 ...]3
  [1 ...]1
  § 2. Bij een exploitatietransfer vanuit een openbare dienst, wordt het gedetacheerd statutair personeel dat op het moment van de overdracht van de exploitatie opgenomen is in een lijst, gelijkgesteld aan eigen loontrekkend of statutair personeel, conform paragraaf 1, als de volgende lijst en informatie aan het agentschap wordt bezorgd:
  1° de exhaustieve lijst met namen van de betrokken statutaire personeelsleden, hun kwalificatie en hun wekelijkse arbeidsduur, en vergezeld van een kopie van de beslissing van hun benoeming;
  2° als het agentschap erom vraagt, alle andere bijkomende informatie met betrekking tot de exploitatietransfer en de rol van de openbare dienst.
  De lijst, vermeld in het eerste lid, 1°, moet worden ondertekend door de openbare dienst en door de verantwoordelijke van het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, en aan het agentschap worden overgemaakt binnen een maand na de exploitatietransfer. Aan die lijst kunnen nadien geen personen worden toegevoegd. De wekelijkse arbeidsduur van de personen kan wel worden verhoogd en hun kwalificatie kan worden aangepast. De voormelde wijzigingen hebben voor de berekening van de tegemoetkoming pas uitwerking op de dag van de wijziging.
  [2 § 3. Een woonzorgcentrum, in voorkomend geval het bijbehorende centrum voor kortverblijf, kan ook over [5 zij-instroomzorgkundigen]5 beschikken. De zijinstroomzorgkundige wordt in aanmerking genomen voor de berekening van de tegemoetkomingen, vermeld in artikel 484, 487 en 488, onder de volgende voorwaarden:
   1° het personeelslid is niet voldoende gekwalificeerd om als zorgkundige tewerkgesteld te worden, en:
   a) is een personeelslid dat al in loondienst is of statutair bij de voorziening werkt in een andere functie en een opleidingstraject volgt in een kwalificerende opleiding tot zorgkundige van maximaal anderhalf jaar voltijds;
   b) of is een nieuwe tewerkstelling die uiterlijk binnen zes maanden na de datum van aanwerving start in een kwalificerende opleiding tot zorgkundige van maximaal anderhalf jaar voltijds;
   het opleidingstraject in het kader van het structureel instroomkanaal, vermeld in a) en b) kan in onderling akkoord tussen werkgever en werknemer en op vraag van de werknemer bij uitzondering ook op deeltijdse basis worden opgenomen;
   2° het personeelslid is aangeworven met een contract van onbepaalde duur;
   3° het personeelslid ontvangt tijdens het opleidingstraject een loon van het woonzorgcentrum, in voorkomend geval van het bijbehorende centrum voor kortverblijf, volgens de voorwaarden die bepaald zijn in de toepasselijke sectorale collectieve arbeidsovereenkomsten of volgens de geldende loonvoorwaarden die van toepassing zijn bij de lokale besturen;
   4° het personeelslid heeft het recht om tijdens het opleidingstraject afwezig te zijn op het werk op lesdagen, stagedagen, en tijdens de examenperiode met behoud van het loon, dat het woonzorgcentrum op de gewone tijdstippen uitbetaalt;
   5° de tijd dat het personeelslid afwezig is om lessen te volgen, examens af te leggen en stages te lopen, komt in aanmerking als gelijkgestelde dagen of uren;
   6° het personeelslid krijgt van het woonzorgcentrum, in voorkomend geval van het bijbehorende centrum voor kortverblijf, coaching en begeleiding op de werkvloer;
   7° het personeelslid wordt door het woonzorgcentrum, in voorkomend geval door het bijbehorende centrum voor kortverblijf, aangesteld als zorgkundige zodra de kwalificerende opleiding met vrucht is voltooid en het personeelslid als zorgkundige geregistreerd is. Het personeelslid is vanaf dat ogenblik niet langer een zijinstroomzorgkundige;
   8° Volgende prestaties komen in aanmerking:
   a) de prestaties als zijinstroomzorgkundige van een personeelslid dat al in loondienst is of statutair bij de voorziening werkt in een andere functie, komen in aanmerking vanaf de datum dat de kwalificerende opleiding als zijinstroomzorgkundige begint;
   b) of de prestaties als zijinstroomzorgkundige van het personeelslid dat als nieuwe tewerkstelling wordt aangeworven, kunnen tot maximaal zes maanden voor de aanvang van de kwalificerende opleiding tot zorgkundige in aanmerking komen.
   Onder "nieuwe tewerkstelling" in de zin van punt 1° en 8° wordt begrepen: de medewerker werkte, ongeacht de functie, gedurende de voorgaande drie maanden voorafgaand aan de aanwerving niet in loondienst of statutair in de voorziening in kwestie;]2

  [4 § 4. Het zorgpersoneel dat vanuit een openbare dienst ter beschikking wordt gesteld aan een woonzorgcentrum, in voorkomend geval met bijbehorend centrum voor kortverblijf, wordt gelijkgesteld aan het eigen loontrekkende of statutaire zorgpersoneel, vermeld in paragraaf 1, op voorwaarde dat er een overeenkomst is gesloten tussen enerzijds het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met bijbehorend centrum voor kortverblijf, waaraan het personeel ter beschikking gesteld wordt, en anderzijds de openbare dienst.]4
  
Art. 429. § 1er. [2 Les centres de soins résidentiels et les centres de court séjour disposent de leurs propres infirmiers, aides-soignants ou aides-soignants pour l'afflux indirect salariés ou statutaires]2 et, [1 ...]1, de personnel de réactivation, salarié, statutaire ou lié à la structure de soins par un contrat d'entreprise. Lors de la composition de ce personnel, il est tenu compte du nombre de résidents classés dans chacune des catégories de dépendance visées à l'article 425 [1 et avec les conditions visées à l'article 29, 2° et 3°, de l'annexe 11 à l'arrêté du 28 juin 2019]1.[3 ...]3
  [1 ...]1
  § 2. Lors d'un transfert d'exploitation à partir d'un service public, le personnel statutaire détaché qui est repris dans une liste au moment du transfert d'exploitation, est assimilé au propre personnel salarié ou statutaire, conformément au paragraphe 1er, si la liste et les informations suivantes sont fournies à l'agence :
  1° la liste exhaustive des noms des membres du personnel statutaire concernés, leur qualification et leur durée de travail hebdomadaire, et accompagnée d'une copie de la décision de leur nomination ;
  2° si l'agence en fait la demande, toutes les autres informations supplémentaires relatives au transfert d'exploitation et au rôle du service public.
  La liste visée à l'alinéa premier, 1°, doit être signée par le service public et par le responsable du centre de soins résidentiels, le cas échéant avec le centre de court séjour correspondant, et transmise à l'agence dans le mois suivant le transfert d'exploitation. Aucune personne ne pourra être ajoutée par la suite à cette liste. La durée de travail hebdomadaire des personnes peut toutefois être augmentée et leurs qualifications adaptées. Les modifications précitées ne produiront leurs effets que le jour de la modification pour le calcul de l'intervention.
  [2 § 3. Un centre de soins résidentiels, le cas échéant le centre de court séjour correspondant, peut également disposer d'aides-soignants pour l'afflux indirect. L'aide-soignant pour l'afflux indirect est pris en considération pour le calcul des interventions visées aux articles 484, 487 et 488, selon les conditions suivantes :
   1° le membre du personnel n'est pas suffisamment qualifié pour être employé en tant qu'aide-soignant, et :
   a) est un membre du personnel qui est déjà un travailleur salarié ou statutaire de la structure dans une autre fonction et suit un parcours de formation dans une formation qualifiante d'aide-soignant à temps plein d'une durée maximale d'un an et demi ;
   b) ou est un nouvel emploi qui entame une formation qualifiante d'aide-soignant à temps plein d'une durée maximale d'un an et demi au plus tard dans un délai de six mois suivant la date de recrutement ;
   le parcours de formation dans le cadre du canal d'afflux structurel, visé aux points a) et b) peut exceptionnellement, de commun accord entre l'employeur et l'employé et à la demande de l'employé, également être intégré à temps partiel ;
   2° le membre du personnel est recruté dans les liens d'un contrat à durée indéterminée ;
   3° pendant le parcours de formation, le membre du personnel reçoit une rémunération du centre de soins résidentiels, le cas échéant du centre de court séjour correspondant, conformément aux conditions fixées dans les conventions collectives de travail sectorielles applicables, ou conformément aux conditions de rémunération en vigueur dans les administrations locales ;
   4° pendant le parcours de formation, le membre du personnel a le droit de s'absenter de son travail les jours de cours, les jours de placement et pendant la période d'examens, avec maintien de la rémunération payée par le centre de soins résidentiels en temps normal ;
   5° la période durant laquelle le membre du personnel est absent pour suivre des cours, passer des examens et effectuer des placements est pris en considération comme journées ou heures assimilées ;
   6° le centre de soins résidentiels, le cas échéant le centre de court séjour correspondant, fournit au membre du personnel du coaching et de l'accompagnement sur le lieu du travail ;
   7° le membre du personnel est désigné par le centre de soins résidentiels, le cas échéant par le centre de court séjour correspondant, en tant qu'aide-soignant dès que la formation qualifiante a été achevée avec fruit et que le membre du personnel est enregistré en tant qu'aide-soignant. A partir de ce moment, le membre du personnel cesse d'être un aide-soignant pour l'afflux indirect ;
   8° Les prestations suivantes entrent en considération :
   a) les prestations en tant qu'aide-soignant pour l'afflux indirect d'un membre du personnel qui est déjà un travailleur salarié ou statutaire de la structure dans une autre fonction, entrent en considération à partir de la date de début de la formation qualifiante d'aide-soignant pour l'afflux indirect ;
   b) ou les prestations en tant qu'aide-soignant pour l'afflux indirect du membre du personnel recruté en tant que nouvel emploi peuvent être admissibles jusqu'à un maximum de six mois avant le début de la formation qualifiante d'aide-soignant.
   Par " nouvel emploi " au sens des points 1° et 8°, on entend : le collaborateur n'était pas occupé, quelle que soit la fonction, en tant que travailleur salarié ou statutaire dans la structure concernée au cours des trois mois précédant le recrutement ; ]2

  [3 §4. Le personnel soignant qui est mis à partir d'un service public à la disposition d'un centre de soins résidentiels, le cas échéant avec un centre de court séjour correspondant, est assimilé au personnel soignant salarié ou statutaire propre, mentionné au paragraphe 1er, à condition qu'un contrat soit conclu entre d'une part le centre de soins résidentiels, le cas échéant avec centre de court séjour correspondant, auquel le personnel est mis à disposition, et d'autre part le service public. ]3
  
Art. 430. [1 § 1. In de entiteiten woonzorgcentrum gelden de volgende financieringsnormen van het personeel per kwalificatie, uitgedrukt in voltijds equivalenten en per dertig bewoners:
   1° voor de afhankelijkheidscategorie O: 0,25 verpleegkundigen;
   2° voor de afhankelijkheidscategorie A:
   a) 1,20 verpleegkundigen;
   b) 1,05 [2 zorgkundigen of [3 zij-instroomzorgkundigen]3]2;
   3° voor de afhankelijkheidscategorie B:
   a) 5 verpleegkundigen;
   b) 5,2 [2 zorgkundigen of zijinstroomzorgkundigen]2;
   c) 1 personeelslid voor reactivering;
   d) bijkomend 0,1 lid van het personeel voor reactivering dat een bekwaming in palliatieve zorg heeft, ter ondersteuning van de verzorging van de terminale bewoners;
   4° voor de afhankelijkheidscategorie C:
   a) 5 verpleegkundigen;
   b) 6,2 [2 zorgkundigen of zijinstroomzorgkundigen]2;
   c) 1,5 personeelsleden voor reactivering;
   d) bijkomend 0,1 lid van het personeel voor reactivering dat een bekwaming in palliatieve zorg heeft, ter ondersteuning van de verzorging van de terminale bewoners;
   5° voor de afhankelijkheidscategorie Cd:
   a) 5 verpleegkundigen;
   b) 6,7 [2 zorgkundigen of zijinstroomzorgkundigen]2;
   c) 1,5 personeelsleden voor reactivering;
   d) bijkomend 0,1 lid van het personeel voor reactivering dat een bekwaming in palliatieve zorg heeft, ter ondersteuning van de verzorging van de terminale bewoners;
   6° voor de afhankelijkheidscategorie D:
   a) 1,2 verpleegkundigen;
   b) 5,2 [2 zorgkundigen of zijinstroomzorgkundigen]2;
   c) 2,6 personeelsleden voor reactivering.
   § 2. In entiteiten die erkend zijn als centrum voor kortverblijf, gelden de volgende financieringsnormen van het personeel per kwalificatie, uitgedrukt in voltijds equivalenten en per dertig bewoners:
   1° de personeelsnormen, vermeld in paragraaf 1;
   2° 1,4 personeelsleden voor reactivering per dertig bewoners die verblijven in een erkende entiteit voor kortverblijf voor de afhankelijkheidscategorie O en A.
   De centra voor kortverblijf met een bijkomende erkenning voldoen naast de personeelsnormen, vermeld in het eerste lid, ook aan de personeelsnormen, vermeld in artikel 504.
   § 3. In afwijking van paragraaf 1 en 2 gelden voor de factureringsperiode 2021 en de factureringsperiode 2022 voor het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, waarop artikel 486 van toepassing is, de financieringsnormen van het personeel per kwalificatie, uitgedrukt in voltijds equivalenten en per dertig bewoners, vermeld in het tweede tot en met het vierde lid.
   In de entiteiten woonzorgcentrum zonder bijkomende erkenning:
   1° voor de afhankelijkheidscategorie O: 0,25 verpleegkundigen;
   2° voor de afhankelijkheidscategorie A:
   a) 1,20 verpleegkundigen;
   b) 1,05 zorgkundigen;
   3° voor de afhankelijkheidscategorie B:
   a) 2,10 verpleegkundigen;
   b) 4 zorgkundigen;
   c) 0,35 personeelsleden voor reactivering;
   4° voor de afhankelijkheidscategorie C:
   a) 4,10 verpleegkundigen;
   b) 5,06 zorgkundigen;
   c) 0,385 personeelsleden voor reactivering;
   5° voor de afhankelijkheidscategorie Cd:
   a) 4,10 verpleegkundigen;
   b) 6,06 zorgkundigen;
   c) 0,385 personeelsleden voor reactivering;
   6° voor de afhankelijkheidscategorie D:
   a) 1,2 verpleegkundigen;
   b) 4 zorgkundigen;
   c) 1,25 personeelsleden voor reactivering.
   In de entiteiten woonzorgcentrum met een bijkomende erkenning:
   1° voor de afhankelijkheidscategorie B:
   a) 5 verpleegkundigen;
   b) 5,2 zorgkundigen;
   c) 1 kinesitherapeut, ergotherapeut of logopedist, of een combinatie van twee of drie van die kwalificaties met een totaal van 1 voltijds equivalent;
   d) 0,10 leden van het personeel voor reactivering dat een bekwaming in palliatieve zorg heeft, ter ondersteuning van de verzorging van de terminale bewoners;
   2° voor de afhankelijkheidscategorie C:
   a) 5 verpleegkundigen;
   b) 6,2 zorgkundigen;
   c) 1 kinesitherapeut, ergotherapeut of logopedist, of een combinatie van twee of drie van die kwalificaties met een totaal van 1 voltijds equivalent;
   d) 0,5 personeelsleden voor reactivering;
   e) bijkomend 0,10 leden van het personeel voor reactivering dat een bekwaming in palliatieve zorg heeft, ter ondersteuning van de verzorging van de terminale bewoners;
   3° voor de afhankelijkheidscategorie Cd:
   a) 5 verpleegkundigen;
   b) 6,7 zorgkundigen;
   c) 1 kinesitherapeut, ergotherapeut of logopedist, of een combinatie van twee of drie van die kwalificaties met een totaal van 1 voltijds equivalent;
   d) 0,5 personeelsleden voor reactivering;
   e) bijkomend 0,10 leden van het personeel voor reactivering dat een bekwaming in palliatieve zorg heeft, ter ondersteuning van de verzorging van de terminale bewoners.
   In de entiteiten die erkend zijn als centrum voor kortverblijf:
   1° de personeelsnormen, vermeld in het tweede en derde lid;
   2° bijkomend 1,4 personeelsleden voor reactivering per dertig bewoners die verblijven in een erkende entiteit voor kortverblijf ]1
.
  
Art. 430. [1 § 1er. Dans les entités maison de repos et de soins, les normes de financement du personnel suivantes s'appliquent par qualification, exprimées en équivalents temps plein et par trente résidents :
   1° pour la catégorie de dépendance O : 0,25 infirmier ;
   2° pour la catégorie de dépendance A :
   a) 1,20 infirmier ;
   b) 1,05 [2 aides-soignants ou aides-soignants pour l'afflux indirec]2 ;
   3° pour la catégorie de dépendance B :
   a) 5 infirmier ;
   b) 5,2 [2 aides-soignants ou aides-soignants pour l'afflux indirec]2 ;
   c) 1 membre du personnel de réactivation ;
   d) 0,1 membre du personnel supplémentaire de réactivation disposant d'une qualification en soins palliatifs pour soutenir les soins des résidents en phase terminale ;
   4° pour la catégorie de dépendance C :
   a) 5 infirmier ;
   b) 6,2 [2 aides-soignants ou aides-soignants pour l'afflux indirec]2 ;
   c) 1,5 membre du personnel de réactivation ;
   d) 0,1 membre du personnel supplémentaire de réactivation disposant d'une qualification en soins palliatifs pour soutenir les soins des résidents en phase terminale ;
   5° pour la catégorie de dépendance Cd :
   a) 5 infirmier ;
   b) 6,7 [2 aides-soignants ou aides-soignants pour l'afflux indirec]2t ;
   c) 1,5 membre du personnel de réactivation ;
   d) 0,1 membre du personnel supplémentaire de réactivation disposant d'une qualification en soins palliatifs pour soutenir les soins des résidents en phase terminale ;
   6° pour la catégorie de dépendance D :
   a) 1,2 infirmier ;
   b) 5,2 [2 aides-soignants ou aides-soignants pour l'afflux indirec]2 ;
   c) 2,6 membres du personnel de réactivation.
   § 2. Dans les entités agréées comme centre de court séjour, les normes de financement du personnel suivantes s'appliquent par qualification, exprimées en équivalents temps plein et par trente résidents :
   1° les normes de personnel visées au paragraphe 1er ;
   2° 1,4 membre du personnel de réactivation par trente résidents séjournant dans une entité de court séjour agréée pour les catégories de dépendance O et A.
   Les centres de court séjour bénéficiant d'un agrément supplémentaire satisfont, outre aux normes de personnel visées à l'alinéa premier, aux normes de personnel visées à l'article 504.
   § 3. Par dérogation aux paragraphes 1er et 2, pour la période de facturation 2021 et la période de facturation 2022 pour la maison de repos et de soins, le cas échéant avec le centre de court séjour correspondant, pour laquelle l'article 486 s'applique, les normes de financement du personnel s'appliquent par qualification, exprimées en équivalents temps plein et par trente résidents, visées aux deuxième au quatrième alinéas.
   Dans les entités maison de repos et de soins sans agrément supplémentaire :
   1° pour la catégorie de dépendance O : 0,25 infirmier ;
   2° pour la catégorie de dépendance A :
   a) 1,20 infirmier ;
   b) 1,05 aide-soignant ;
   3° pour la catégorie de dépendance B :
   a) 2,10 infirmier ;
   b) 4 aide-soignant ;
   c) 0,35 membre du personnel de réactivation ;
   4° pour la catégorie de dépendance C :
   a) 4,10 infirmier ;
   b) 5,06 aide-soignant ;
   c) 0,385 membre du personnel de réactivation ;
   5° pour la catégorie de dépendance Cd :
   a) 4,10 infirmier ;
   b) 6,06 aide-soignant ;
   c) 0,385 membre du personnel de réactivation ;
   6° pour la catégorie de dépendance D :
   a) 1,2 infirmier ;
   b) 4 aide-soignant ;
   c) 1,25 membres du personnel de réactivation.
   Dans les entités maison de repos et de soins avec un agrément supplémentaire :
   1° pour la catégorie de dépendance B :
   a) 5 infirmier ;
   b) 5,2 aide-soignant ;
   c) 1 kinésithérapeute, ergothérapeute ou logopède, ou une combinaison de deux ou trois de ces qualifications avec un total de 1 équivalent temps plein ;
   d) 0,10 membre du personnel de réactivation disposant d'une qualification en soins palliatifs pour soutenir les soins des résidents en phase terminale ;
   2° pour la catégorie de dépendance C :
   a) 5 infirmier ;
   b) 6,2 aide-soignant ;
   c) 1 kinésithérapeute, ergothérapeute ou logopède, ou une combinaison de deux ou trois de ces qualifications avec un total de 1 équivalent temps plein ;
   d) 0,5 membre du personnel de réactivation ;
   e) 0,10 membre supplémentaire du personnel de réactivation disposant d'une qualification en soins palliatifs pour soutenir les soins des résidents en phase terminale ;
   3° pour la catégorie de dépendance Cd :
   a) 5 infirmier ;
   b) 6,7 aide-soignant ;
   c) 1 kinésithérapeute, ergothérapeute ou logopède, ou une combinaison de deux ou trois de ces qualifications avec un total de 1 équivalent temps plein ;
   d) 0,5 membre du personnel de réactivation ;
   e) 0,10 membre supplémentaire du personnel de réactivation disposant d'une qualification en soins palliatifs pour soutenir les soins des résidents en phase terminale.
   Dans les entités agréées comme centre de court séjour :
   1° les normes de personnel visées aux deuxième et troisième alinéas ;
   2° 1,4 membre du personnel supplémentaire de réactivation par trente résidents résidant dans une entité de court séjour agréée.]1

  
Afdeling 2. - Financieringsnormen zorgkundigen en het personeel voor reactivering
Section 2. - Normes de financement aides-soignants et personnel de réactivation
Art. 431. Zorgkundigen moeten als zorgkundige geregistreerd zijn. [7 ...]7. [6 De voormelde verplichting is niet van toepassing op [9 zij-instroomzorgkundigen]9.]6
  [5 De personeelsleden voor reactivering beschikken over ten minste een van de volgende kwalificaties of over een kwalificatie die daarmee gelijkgesteld is door de bevoegde overheid:
   1° master of science in de revalidatiewetenschappen en kinesitherapie;
   2° gegradueerde in de kinesitherapie, op voorwaarde dat dit diploma is behaald vóór 1 november 2002 en de erkenning als kinesitherapeut is aangevraagd vóór 1 september 2019;
   3° bachelor in de logopedie en de audiologie;
   4° master of science in de logopedische en de audiologische wetenschappen;
   5° bachelor in de ergotherapie;
   6° master of science in de ergotherapeutische wetenschap;
   7° bachelor in de sociale readaptatiewetenschappen;
   8° bachelor in de voedings- en dieetkunde;
   9° gegradueerde in de orthopedagogie;
   10° gegradueerde in de orthopedagogische begeleiding;
   11° bachelor in de orthopedagogie;
   12° bachelor in de orthopedie;
   13° bachelor in de pedagogie van het jonge kind;
   14° master of science in de pedagogische wetenschappen;
   15° master of science in de psychologie;
   16° bachelor in de toegepaste psychologie;
   17° gegradueerde in het maatschappelijk werk;
   18° gegradueerde in het sociaal-cultureel werk;
   19° bachelor in het sociaal werk;
   20° master of science in het sociaal werk;
   21° master of science in het sociaal werk en het sociaal beleid;
   22° bachelor in de gezinswetenschappen;
   23° master of science in het management, zorg en beleid in de gerontologie;
   24° bachelor in de psychosociale gerontologie na het volgen van een bachelor-na-bacheloropleiding;
   25° bachelor in de mondzorg;
   26° master of arts in de muziek, afstudeerrichting muziektherapie;
   27° master of arts in de dans;
   28° master of arts in het drama;
   29° bachelor in de creatieve therapie na het volgen van een bachelor-na-bacheloropleiding;
   30° master of arts in de theologie en de religiewetenschappen;
   31° master of arts in de protestantse theologie en religiestudies;
   32° master of arts in de wereldreligies;
   33° master of arts in samenleving, recht en religie;
   34° master of arts in de moraalwetenschappen;
   35° master of arts in de wijsbegeerte en de moraalwetenschappen;
   36° master of arts in de wijsbegeerte;
   37° bachelor in de zorgtechnologie;
   38° bachelor in wellbeing- en vitaliteitsmanagement;
   39° bachelor in de toegepaste gezondheidswetenschappen;
   40° bachelor in sport en bewegen;
   41° master of science in de lichamelijke opvoeding en de bewegingswetenschappen;
   42° bachelor in de podologie.";
  [5 In het tweede lid wordt verstaan onder bachelor: een bachelor na een professioneel gerichte bacheloropleiding. Een academische bacheloropleiding komt niet in aanmerking.]5

  [8 In afwijking van het tweede lid komen alle professioneel gerichte of academische bacheloropleidingen, of de opleidingen die de bevoegde overheid daarmee heeft gelijkgesteld, in aanmerking als kwalificatie voor de personeelsleden voor reactivering als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:
   1° het personeelslid voor reactivering is effectief en aantoonbaar tewerkgesteld in de rechtstreekse zorg en ondersteuning van de bewoners;
   2° de IFIC-code voor het personeelslid voor reactivering in kwestie stemt overeen met:
   a) een beschikbare IFIC-code in de functiewijzer onder de departementen `Paramedisch' of `Psycho-Sociaal';
   b) IFIC code 6271: Begeleider beschut wonen;
   c) IFIC code 6273: Opvoeder/begeleider in een psychiatrische eenheid/centrum;
   d) een nieuwe IFIC-code in de functiewijzer onder de departementen `Paramedisch' of `Psycho-Sociaal', vanaf het moment van validering van het onderhoud van de ontbrekende functie(s) in een sectorale collectieve arbeidsovereenkomst of protocol.
   De tewerkstelling van bachelors als personeel voor reactivering wordt geëvalueerd door het agentschap tegen uiterlijk 1 januari 2027.]8

  
Art. 431. Les aides-soignants doivent être enregistrés comme tels. [7 ...]7 [6 L'obligation précitée ne s'applique pas aux aides-soignants pour l'afflux indirect.]6.
  [5 Les membres du personnel de réactivation doivent disposer au moins de l'une des qualifications suivantes ou d'une qualification y étant assimilée par l'autorité compétente :
   1° master of science en sciences de réadaptation motrice et en kinésithérapie ;
   2° graduat en kinésithérapie, à condition que ce diplôme a été obtenu avant le 1er novembre 2002 et que l'agrément en qualité de kinésithérapeute a été demandé avant le 1er septembre 2019 ;
   3° bachelier en logopédie et en audiologie ;
   4° master of science en sciences de l'orthophonie et de l'audiologie ;
   5° bachelier en ergothérapie ;
   6° master of science en sciences ergothérapeutiques ;
   7° bachelier en sciences de la réadaptation sociale ;
   8° bachelier en sciences de la nutrition et de la diététique ;
   9° graduat en orthopédagogie ;
   10° graduat en accompagnement orthopédagogique ;
   11° bachelier en orthopédagogie ;
   12° bachelier en orthopédie ;
   13° bachelier en pédagogie du jeune enfant ;
   14° master of science en sciences pédagogiques ;
   15° master of science en psychologie ;
   16° bachelier en psychologie appliquée ;
   17° graduat en travail social ;
   18° graduat en travail socioculturel ;
   19° bachelier en travail social ;
   20° master of science en travail social ;
   21° master of science en travail social et en politique sociale ;
   22° bachelier en sciences familiales ;
   23° master of science en gestion, soins et politique en gérontologie ;
   24° bachelier en gérontologie psychosociale après avoir suivi une formation de bachelier de spécialisation ;
   25° bachelier en soins buccaux ;
   26° master of arts en musique, orientation diplômante musicothérapie ;
   27° master of arts en danse ;
   28° master of arts en drame ;
   29° bachelier en thérapie créative après avoir suivi une formation de bachelier de spécialisation ;
   30° master of arts en théologie et sciences religieuses ;
   31° master of arts en théologie protestante et études religieuses ;
   32° master of arts en religions du monde ;
   33° master of arts en société, droit et religion ;
   34° master of arts en sciences morales ;
   35° master of arts en philosophie et sciences morales ;
   36° master of arts en philosophie ;
   37° bachelier en technologie des soins ;
   38° bachelier en gestion du bien-être et de la vitalité ;
   39° bachelier en sciences de santé appliquées ;
   40° bachelier en sports et exercice ;
   41° master of science en éducation physique et en sciences du mouvement ;
   42° bachelier en podologie.]5
.
  [5 Dans l'alinéa 2, on entend par bachelier : un bachelier après une formation de bachelier à orientation professionnelle. Une formation académique de bachelier n'est pas éligible. ]5
  [8 Contrairement à l'alinéa 2, toutes les formations de bachelier à orientation professionnelle ou académique, ou les formations que l'autorité compétente y a assimilées, entrent en considération en tant que qualification pour les membres du personnel de réactivation si toutes les conditions suivantes sont remplies :
   1° le membre du personnel de réactivation est employé de manière effective et démontrable dans les soins et le soutien directs aux résidents ;
   2° le code IFIC pour le membre du personnel de réactivation en question correspond :
   a) à un code IFIC disponible dans l'éventail de fonctions sous les départements " Paramédical " ou " Psychosocial " ;
   b) au code IFIC 6271 : Accompagnateur habitations protégées
   c) au code IFIC 6273 : Educateur/accompagnateur dans une unité/un centre psychiatrique
   d) à un nouveau code IFIC dans l'éventail de fonctions sous les départements " Paramédical " ou " Psychosocial ", à partir du moment de la validation du maintien de la (des) fonction(s) manquante(s) dans une convention collective de travail ou un protocole sectoriel.
   L'emploi de bacheliers en tant que personnel de réactivation sera évalué par l'agence au plus tard le 1er janvier 2027.]8

  
Afdeling 3. - De continuïteit van de verzorging
Section 3. - La continuité des soins
Art. 432. De woonzorgcentra, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, verzekeren de continuïteit van de verzorging, zowel overdag als 's nachts, door de aanwezigheid van voldoende verpleegkundig personeel, [3 zorgkundigen, in voorkomend geval bijgestaan door [4 zij-instroomzorgkundigen]4]3 of personeel voor reactivering.
  In elk woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, is altijd een verpleegkundig personeelslid, [3 een zorgkundige, in voorkomend geval bijgestaan door zijinstroomzorgkundigen]3 of een personeelslid voor reactivering aanwezig.
  In woonzorgcentra [1 met minstens 25 bewoners die ingedeeld zijn in de afhankelijkheidscategorie B, C of Cd]1 is zowel overdag als `s nachts een verpleegkundige aanwezig.
  [3 Woonzorgcentra, in voorkomend geval met de bijbehorende centra voor kortverblijf, die in de referentieperiode gemiddeld tien bewoners in de afhankelijkheidscategorieën B, C, Cd of D, vermeld in [4 artikel]4 425, huisvesten en die minstens ten opzichte van het gemiddelde aantal erkende entiteiten gemiddeld 40% bewoners huisvesten in de afhankelijkheidscategorieën B, C, Cd of D, vermeld in 425, beschikken tijdens de referentieperiode gemiddeld over minstens vijf voltijdsequivalenten van loontrekkend of statutair personeel, verpleegkundigen, zorgkundigen, zijinstroomzorgkundigen of personeel voor reactivering, waarvan minstens twee voltijdsequivalenten verpleegkundigen. De verpleegkundige uitzendkrachten, vermeld in artikel 475, § 3, eerste lid, worden ook in aanmerking genomen. Voor de factureringsperiode van 1 januari 2023 tot en met 31 december [4 2027]4 worden ook het zelfstandig verpleegkundig personeel, vermeld in artikel 475, § 3, tweede lid, 1°, het verpleegkundig personeel, vermeld in artikel 475, § 3, tweede lid, 2°, de zorgkundige uitzendkrachten, vermeld in artikel 475, § 3, derde lid, 1°, en het zelfstandig zorgkundig personeel, vermeld in artikel 475, § 3, derde lid, 2°, in aanmerking genomen. Voor de factureringsperiode van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2026 wordt ook het zorgkundig personeel, vermeld in artikel 475, § 3, derde lid, 3°, in aanmerking genomen]3.]2
  
Art. 432. Les centres de soins résidentiels, le cas échéant avec le centre de court séjour correspondant, assurent la continuité des soins, de jour comme de nuit, par la présence d'un personnel infirmier, [3 d'aides-soignants, assistés le cas échéant par des aides-soignants pour l'afflux indirect,]3ou de personnel de réactivation en suffisance.
  Un membre du personnel infirmier, un [3 d'aides-soignants, assistés le cas échéant par des aides-soignants pour l'afflux indirect,]3 ou un membre du personnel de réactivation sera toujours présent dans tout centre de soins résidentiels, le cas échéant avec le centre de court séjour correspondant.
  Un infirmier sera présent de jour comme de nuit dans les centres de soins résidentiels [1 avec au moins 25 résidents classés dans la catégorie de dépendance B, C ou Cd]1.
  [3 Les centres de soins résidentiels, le cas échéant avec les centres de court séjour correspondants, qui accueillent en moyenne, pendant la période de référence, dix résidents des catégories de dépendance B, C, Cd ou D visées à l'article 425 et qui accueillent en moyenne, par rapport au nombre moyen d'entités agréées, au moins 40 % de résidents des catégories de dépendance B, C, Cd ou D visées à l'article 425, disposent en moyenne, pendant la période de référence, d'au moins cinq équivalents temps plein de personnel salarié ou statutaire, infirmiers, aides-soignants, aides-soignants pour l'afflux indirect ou personnel de réactivation, dont au moins deux équivalents temps plein infirmiers. Les intérimaires infirmiers visés à l'article 475, § 3, alinéa 1er, sont également pris en considération. Pour la période de facturation du 1er janvier 2023 au 31 décembre [4 2027]4, le personnel infirmier indépendant, visé à l'article 475, § 3, alinéa 2, 1°, le personnel infirmier, visé à l'article 475, § 3, alinéa 2, 2°, les aides-soignants intérimaires, visés à l'article 475, § 3, alinéa 3, 1°, et les aides-soignants indépendants, visés à l'article 475, § 3, alinéa 3, 2°, sont également pris en considération. Pour la période de facturation du 1er janvier 2024 au 31 décembre 2026, les aides-soignants, visés à l'article 475, § 3, alinéa 3, 3°, sont également pris en considération]3.]2
  
Art. 432 TOEKOMSTIG RECHT.    De woonzorgcentra, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, verzekeren de continuïteit van de verzorging, zowel overdag als 's nachts, door de aanwezigheid van voldoende verpleegkundig personeel, zorgkundigen of personeel voor reactivering.
  In elk woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, is altijd een verpleegkundig personeelslid, [4 een zorgkundige]4 of een personeelslid voor reactivering aanwezig.
  In woonzorgcentra [1 met minstens 25 bewoners die ingedeeld zijn in de afhankelijkheidscategorie B, C of Cd]1 is zowel overdag als `s nachts een verpleegkundige aanwezig.
  Woonzorgcentra, in voorkomend geval met de bijbehorende centra voor kortverblijf, die in de referentieperiode gemiddeld minstens tien bewoners in de afhankelijkheidscategorieën B, C, Cd of D huisvesten en die minstens ten opzichte van het gemiddelde aantal erkende entiteiten gemiddeld 40% bewoners huisvesten in de afhankelijkheidscategorieën B, C, Cd of D, moeten tijdens de referentieperiode gemiddeld beschikken over minstens vijf voltijdse equivalenten van loontrekkend of statutair personeel, verpleegkundigen, zorgkundigen of personeel voor reactivering, waarvan minstens twee voltijds equivalenten verpleegkundigen. [2 De verpleegkundige uitzendkrachten, vermeld in artikel 475, § 3, eerste lid, worden ook in aanmerking genomen.]2.[2 [3 ...]3]2
Art. 432 DROIT FUTUR.    Les centres de soins résidentiels, le cas échéant avec le centre de court séjour correspondant, assurent la continuité des soins, de jour comme de nuit, par la présence d'un personnel infirmier, [4 d'aides-soignants, assistés le cas échéant par des aides-soignants pour l'afflux indirect, ]4 ou de personnel de réactivation en suffisance.
  Un membre du personnel infirmier, un [4 un aide-soignant, assisté le cas échéant par des aides-soignants pour l'afflux indirect, ]4 ou un membre du personnel de réactivation sera toujours présent dans tout centre de soins résidentiels, le cas échéant avec le centre de court séjour correspondant.
  Un infirmier sera présent de jour comme de nuit dans les centres de soins résidentiels [1 avec au moins 25 résidents classés dans la catégorie de dépendance B, C ou Cd]1.
   Les centres de soins résidentiels, le cas échéant avec les centres de court séjour correspondants, qui accueillent en moyenne, pendant la période de référence, au moins dix résidents des catégories de dépendance B, C, Cd ou D et qui accueillent en moyenne, par rapport au nombre moyen d'entités agréées, 40% de résidents des catégories de dépendance B, C, Cd ou D, doivent disposer en moyenne, pendant la période de référence, d'au moins cinq équivalents temps plein de personnel salarié ou statutaire, infirmiers, aides-soignants ou personnel de réactivation, dont au moins deux équivalents temps plein infirmiers. [2 Les intérimaires infirmiers visés à l'article 475, § 3, alinéa 1er, sont également pris en considération]2. [2 [3 ...]3]2
HOOFDSTUK 3. - [1 Centrum voor dagverzorging]1
Chapitre 3. - Centre de soins de jour
Art. 432/1. [1 In dit hoofdstuk wordt onder meervoudig werkgeverschap verstaan: de situatie waarbij een werknemer werkt als loontrekkende of statutair, in verschillende zorgvoorzieningen, in het kader van een globale arbeidsovereenkomst of binnen een werkgeversgroepering . ]1
Art. 432/1. [1 Dans le présent chapitre, on entend par employeur multiple : la situation dans laquelle un travailleur travaille comme salarié ou statutaire, dans différentes infrastructures de soins, dans le cadre d'un contrat de travail global ou dans un groupement d'employeurs. ]1
Art. 433. § 1. [1 Centra voor dagverzorging]1 voor zorgafhankelijke personen moeten beschikken over hun eigen loontrekkende of statutaire verpleegkundigen en zorgkundigen, over hun eigen loontrekkende of statutaire kinesitherapeuten of ergotherapeuten en over voldoende aanvullend gekwalificeerd personeel voor reactivering.
  § 2. Bij een exploitatietransfer vanuit een openbare dienst, wordt het gedetacheerd statutair personeel dat op het moment van de overdracht van de exploitatie opgenomen is in een lijst, gelijkgesteld aan eigen loontrekkend of statutair personeel, conform paragraaf 1, als de volgende lijst en informatie aan het agentschap wordt bezorgd:
  1° de exhaustieve lijst met namen van de betrokken statutaire personeelsleden, hun kwalificatie en hun wekelijkse arbeidsduur, en vergezeld van een kopie van de beslissing van hun benoeming;
  2° als het agentschap erom vraagt, alle andere bijkomende informatie met betrekking tot de exploitatietransfer en de rol van de openbare dienst.
  De lijst, vermeld in het eerste lid, 1°, moet worden ondertekend door de openbare dienst en door de verantwoordelijke van het [1 centrum voor dagverzorging]1 en aan het agentschap worden bezorgd binnen een maand na de exploitatietransfer. Aan die lijst kunnen nadien geen personen worden toegevoegd. De wekelijkse arbeidsduur van de personen kan wel worden verhoogd en hun kwalificatie kan worden aangepast. De voormelde wijzigingen hebben voor de berekening van de tegemoetkoming pas uitwerking op de dag van de wijziging.
  § 3. Het personeelsbestand, uitgedrukt in voltijds equivalent en voor vijftien personen die gebruik maken van het [1 centrum voor dagverzorging]1 bedraagt:
  1° 0,75 verpleegkundige;
  2° 2,03 zorgkundigen;
  3° 0,35 kinesitherapeut, ergotherapeut of logopedist, of een combinatie van twee of drie van deze kwalificaties met een totaal van 0,35 vte;
  4° 0,60 personeelslid voor reactivering.
  Tijdens de openingsuren moet door ten minste één lid van dat personeel een permanentie worden verzekerd.
  Voor elk [1 centrum voor dagverzorging]1 bedraagt de personeelsnorm voor de referentieperiode het gemiddeld aantal personen die gebruik maken van het [1 centrum voor dagverzorging]1 (N) vermenigvuldigd met de normen, vermeld in het eerste lid, gedeeld door 15, waarbij N wordt berekend door het aantal gefactureerde dagen van de basistegemoetkoming voor zorg in een [1 centrum voor dagverzorging]1 te delen door 250 [2 of door het werkelijke aantal weekdagen tussen de datum van erkenning en het einde van de referentieperiode]2.
  § 4. [1 Centra voor dagverzorging]1 voor personen met een ernstige ziekte moeten beschikken over hun eigen loontrekkende of statutaire verpleegkundigen en zorgkundigen, en over voldoende aanvullend gekwalificeerd personeel voor reactivering. Het personeelsbestand, uitgedrukt in voltijds equivalent en voor vijftien personen die gebruik maken van het [1 centrum voor dagverzorging]1, bedraagt:
  1° 2,5 verpleegkundigen;
  2° 2 zorgkundigen;
  3° 0,5 loontrekkend klinisch psycholoog;
  4° 1 ander personeelslid voor reactivering.
  Tijdens de openingsuren moet door ten minste één lid van dat personeel een permanentie worden verzekerd.
  Bovendien moeten de [1 centra voor dagverzorging]1, vermeld in deze paragraaf, naar rata van minstens vijf uur per week voor vijftien personen die gebruik maken van het [1 centrum voor dagverzorging]1, beschikken over de diensten van een arts die belast is met de coördinatie van de activiteiten. Die arts moet op zijn minst de opleiding hebben gevolgd die geëist wordt van de arts die verantwoordelijk is voor een Sp-dienst voor palliatieve zorg.
  De personeelsnorm voor de referentieperiode stemt overeen met het gemiddelde aantal personen die gebruik maken van het [1 centrum voor dagverzorging]1 (N), vermenigvuldigd met de normen, vermeld in het eerste lid, gedeeld door 15, waarbij N wordt berekend door het aantal gefactureerde dagen van de basistegemoetkoming voor zorg in een [1 centrum voor dagverzorging]1 te delen door 250 [2 of door het werkelijke aantal weekdagen tussen de datum van erkenning en het einde van de referentieperiode]2.
  § 5. Alle zorgkundigen die door het [1 centrum voor dagverzorging]1 worden aangeworven, moeten door de bevoegde overheid geregistreerd zijn en in het bezit zijn van een visum uitgereikt door de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid.
  Voor de toepassing van dit hoofdstuk moeten de leden van het aanvullend gekwalificeerd personeel dat taken vervult inzake reactivatie, revalidatie en sociale re-integratie een van de kwalificaties bezitten als vermeld in artikel 431, tweede lid.
  § 6. Om aan te tonen dat ze over eigen loontrekkende of statutaire verpleegkundigen en zorgkundigen beschikken, moeten de [1 centra voor dagverzorging]1 op verzoek van het agentschap een afschrift van de RSZ-aangifte met het personeelsbestand bezorgen, alsook een afschrift van de arbeidsovereenkomst die eigen is aan het [1 centrum voor dagverzorging]1, of een afschrift van de beraadslaging van de inrichtende macht als het om een openbare dienst gaat.
  De [1 centra voor dagverzorging]1 die te kampen hebben met een tekort aan verpleegkundig personeel en die in de onmogelijkheid zijn om onmiddellijk loontrekkend of statutair verpleegkundig personeel aan te werven, kunnen een beroep doen op de diensten van een door de bevoegde overheid [3 erkend uitzendbureau]3. In dat geval dient dit beroep aan het agentschap te worden gemotiveerd aan de hand van personeelsadvertenties en aanvragen bij [3 het uitzendbureau]3 in kwestie. Aan het agentschap dient eveneens een exemplaar ter beschikking gesteld te worden van het contract dat werd gesloten met [3 het uitzendbureau]3, alsook een kopie van de facturen waarop het aantal in het [1 centrum voor dagverzorging]1 gepresteerde uren van [3 de uitzendkrachten]3 staat vermeld.
  [3 De uitzendkracht die via het voormelde uitzendbureau wordt tewerkgesteld bij het centrum voor dagverzorging, werkt onder het gezag van het centrum voor dagverzorging. Een tewerkstelling in het kader van projectsourcing of projectstaffing als verpleegkundige valt niet onder het toepassingsgebied van dit artikel.]3
  Het personeel dat is aangeworven conform de bepalingen van het koninklijk besluit van 18 juli 2002 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profitsector, met toepassing van ofwel collectieve arbeidsovereenkomsten gesloten voor de privésector, ofwel raamovereenkomsten gesloten voor de openbare sector, ofwel gemengd privé/openbaar protocolakkoorden komt niet in aanmerking voor het bereiken van de personeelsnormen, vermeld in paragraaf 3 van dit artikel .
  
Art. 433. § 1er. Les centres de soins de jour pour personnes dépendantes doivent disposer de leurs propres infirmiers et aides-soignants salariés ou statutaires, de leurs propres kinésithérapeutes ou ergothérapeutes salariés ou statutaires et de personnel de réactivation qualifié complémentaire en suffisance.
  § 2. Lors d'un transfert d'exploitation à partir d'un service public, le personnel statutaire détaché qui est repris dans une liste au moment du transfert d'exploitation, est assimilé au propre personnel salarié ou statutaire, conformément au paragraphe 1er, si la liste et les informations suivantes sont fournies à l'agence :
  1° la liste exhaustive des noms des membres du personnel statutaire concernés, leur qualification et leur durée de travail hebdomadaire, et accompagnée d'une copie de la décision de leur nomination ;
  2° si l'agence en fait la demande, toutes les autres informations supplémentaires relative au transfert d'exploitation et au rôle du service public.
  La liste visée à l'alinéa premier, 1°, doit être signée par le service public et par le responsable du centre de soins de jour et transmise à l'agence dans le mois suivant le transfert d'exploitation. Aucune personne ne pourra être ajoutée par la suite à cette liste. La durée de travail hebdomadaire des personnes peut toutefois être augmentée et leurs qualifications adaptées. Les modifications précitées ne produiront leurs effets que le jour de la modification pour le calcul de l'intervention.
  § 3. L'effectif du personnel, exprimé en équivalent temps plein et pour quinze personnes qui ont recours au centre de soins de jour, représente :
  1° 0,75 infirmier ;
  2° 2,03 aides-soignants ;
  3° 0,35 kinésithérapeute, ergothérapeute ou logopède, ou une combinaison de deux ou trois de ces qualifications pour un total de 0,35 ETP ;
  4° 0,60 membre du personnel de réactivation.
  Pendant les heures d'ouvertures, au moins un membre de ce personnel assurera une permanence.
  Pour chaque centre de soins de jour, la norme de personnel pour la période de référence est le nombre moyen de personnes qui ont recours au centre de soins de jour (N) multiplié par les normes visées à l'alinéa premier, divisé par 15, N étant calculé [2 en divisant le nombre de jours facturés de l'intervention de base pour soins dans un centre de soins de jour par 250 ou par le nombre réel de jours de semaine entre la date d'agrément et la fin de la période de référence]2.
  § 4. Les centres de soins de jour pour personnes gravement malades doivent disposer de leur propres infirmiers et aides-soignants salariés ou statutaires, et de personnel de réactivation qualifié complémentaire en suffisance. L'effectif du personnel, exprimé en équivalent temps plein et pour quinze personnes qui ont recours au centre de soins de jour représente :
  1° 2,5 infirmiers ;
  2° 2 aides-soignants ;
  3° 0,5 psychologue clinique salarié ;
  4° 1 autre membre du personnel de réactivation.
  Pendant les heures d'ouvertures, au moins un membre de ce personnel assurera une permanence.
  En outre, les centres de soins de jours visés dans le présent paragraphe doivent, au pro rata d'au moins cinq heures par semaine pour quinze personnes qui ont recours au centre de soins de jour, disposer des services d'un médecin chargé de la coordination des activités. Ce médecin aura au moins suivi la formation exigée du médecin responsable d'un service Sp de soins palliatifs.
  La norme de personnel pour la période de référence correspond au nombre moyen de personnes qui ont recours au centre de soins de jour (N) multiplié par les normes visées à l'alinéa premier, divisé par 15, N étant calculé [1 en divisant le nombre de jours facturés de l'intervention de base pour soins dans un centre de soins de jour par 250 ou par le nombre réel de jours de semaine entre la date d'agrément et la fin de la période de référence]1.
  § 5. Tous les aides-soignants engagés par le centre de soins de jour doivent être enregistrés par l'autorité compétente et posséder un visa délivré par le Service public fédéral Santé publique.
  Pour l'application de ce chapitre, les membres du personnel qualifié complémentaire qui accomplissent des tâches en matière de réactivation, revalidation et réintégration sociale doivent posséder l'une des qualifications visées à l'article 431, deuxième alinéa.
  § 6. Pour prouver qu'ils disposent de leurs propres infirmiers ou aides-soignants salariés ou statutaires, les centres de soins de jour doivent, à la demande de l'agence, fournir une copie de la déclaration ONSS de l'effectif du personnel, ainsi qu'une copie du contrat de travail propre au centre de soins de jour, ou une copie de la délibération du pouvoir organisateur s'il s'agit d'un service public.
  Les centres de soins de jour confrontés à un manque de personnel infirmier et qui se trouvent dans l'impossibilité d'engager immédiatement du personnel infirmier salarié ou statutaire peuvent faire appel aux services d'[3 une agence de travail intérimaire agréée]3 par l'autorité compétente. Dans ce cas, cet appel à l'agence doit être motivé au moyen d'offres d'emploi et de demandes auprès de l'[4 agence de travail intérimaire ]4en question. Un exemplaire du contrat conclu avec l'[4 agence de travail intérimaire ]4 doit également être mis à la disposition de l'agence, ainsi qu'une copie des factures mentionnant le nombre d'heures prestées dans le centre des soins de jour par[5 les travailleurs intérimaires ]5.
  [6 Le travailleur intérimaire employé au centre de soins de jour par l'intermédiaire de l'agence de travail intérimaire précitée travaille sous l'autorité du centre de soins de jour. Un emploi dans le cadre d'externalisation de projet ou de promotion de projet en tant qu'infirmier ne relève pas du champ d'application du présent article.]6
  Le personnel engagé conformément aux dispositions de l'arrêté royal du 18 juillet 2002 portant des mesures visant à promouvoir l'emploi dans le secteur non marchand, en application soit de conventions collectives de travail conclues pour le secteur privé, soit de contrats-cadres conclus pour le secteur public, soit de protocoles d'accord mixtes privé/public, n'entre pas en ligne de compte pour atteindre les normes de personnel visées au paragraphe 3 du présent article.
  
Art. 434. § 1. Als het [1 centrum voor dagverzorging]1 tijdens de referentieperiode voor een of meer personeelskwalificaties niet voldoet aan de norm, vermeld in artikel 433, § 3 of § 4, kan dat tekort per kwalificatie in een aantal gevallen worden gecompenseerd door een overschot aan loontrekkende personeelsleden met een andere kwalificatie. [5 ...]5]1.
  Daarbij geldt de volgende hiërarchie:
  1° als er een teveel is aan bachelors in de verpleegkunde, moet men dat eerst toewijzen aan het tekort aan personeelsleden voor reactivering;
  2° als er nog een teveel is aan verpleegkundigen, met inbegrip van het resterend aantal bachelors in de verpleegkunde, dit toewijzen aan het tekort aan zorgkundigen;
  3° als er een teveel is aan personeel voor reactivering, moet men dit toewijzen aan het tekort aan verpleegkundigen;
  4° als er nog een teveel is aan personeel voor reactivering, moet men dit toewijzen aan het resterend tekort aan zorgkundigen.
  De compensatie, vermeld in het eerste lid, wordt toegepast volgens de volgende regels:
  1° het tekort aan personeelsleden voor reactivering kan voor maximum 20 % [2 van de norm]2 worden gecompenseerd door een teveel aan bachelors in de verpleegkunde;
  2° het tekort aan verpleegkundigen kan voor maximum 20 %[ -2 van de norm ]2 worden gecompenseerd door een teveel aan personeelsleden voor reactivering;
  3° het tekort aan zorgkundigen kan onbeperkt worden gecompenseerd door een teveel aan verpleegkundigen of personeelsleden voor reactivering.
  [5 Er is geen compensatie mogelijk als vermeld in het eerste lid, als het gaat om een tekort voor de norm van 0,5 klinisch psycholoog voor vijftien personen die gebruikmaken van het centrum voor dagverzorging voor personen met een ernstige ziekte, vermeld in artikel 433, § 4.]5
  § 2. Als er na de toepassing van paragraaf 1 nog altijd een tekort is aan personeel met een bepaalde kwalificatie, wordt daarvoor de volgende vermindering bepaald:
  1° als voor een bepaalde personeelscategorie het [1 centrum voor dagverzorging]1 gemiddeld voldoet aan een norm die lager ligt dan 100 %, maar gelijk is aan of hoger ligt dan 90 % van de normen, vermeld in [2 artikel 433, § 3 of § 4]2, wordt de tegemoetkoming, vermeld in artikel 506, 1° of 2°, met 20 % verminderd;
  2° als voor een bepaalde personeelscategorie het [1 centrum voor dagverzorging]1 gemiddeld voldoet aan een norm die lager ligt dan 90 %, maar gelijk is aan of hoger ligt dan 75 % van de normen, vermeld in [2 ]2, wordt de tegemoetkoming, vermeld in artikel 506, 1° of 2°, met 50 % verminderd;
  3° als voor een bepaalde personeelscategorie het [1 centrum voor dagverzorging]1 niet beantwoordt aan 75 % van de normen, vermeld in [2 artikel 433, § 3 of § 4]2, kan geen enkele tegemoetkoming worden toegekend.
  § 3.[4 Als een centrum voor dagverzorging voor het eerst erkend wordt na de referentieperiode, dus na 30 juni van het jaar J, heeft het centrum voor dagverzorging vanaf de dag van de erkenning tot de laatste dag van de maand die erop volgt, conform artikel 520 recht op de volledige tegemoetkoming van 49,59 euro (F-forfait) of 93,47 euro (Fp-forfait), vermeld in artikel 506.
  Voor de periode vanaf de eerste dag van de tweede maand die volgt op de maand waarin het centrum voor dagverzorging is erkend, tot en met 31 december van het jaar J + 1 worden voor de bepaling van de tegemoetkoming de contracten of statutaire tewerkstellingen van het personeel en het aantal personen die gebruik maken van het centrum voor dagverzorging, zoals meegedeeld door het centrum voor dagverzorging conform van artikel 456, § 1, in aanmerking genomen op de laatste dag van de maand die volgt op de erkenning.
  Als er op de laatste dag van de maand die volgt op de erkenning geen gebruikers aanwezig zijn, wordt de basistegemoetkoming voor zorg berekend conform het aantal gebruikers op de voorafgaande of eerstvolgende dag waarop wel gebruikers aanwezig zijn.
  Als het centrum voor dagverzorging op de laatste dag van de maand die volgt op de erkenning, of als er op die dag geen personen het centrum voor dagverzorging gebruikten, op de eerste dag voorafgaand of volgend op de laatste dag van de maand die volgt op de erkenning, waarop er wel personen waren die het centrum voor dagverzorging gebruikten, niet voldoet aan de normen, vermeld in artikel 433, § 3 of § 4, worden de regels, vermeld in paragraaf 1 en 2, toegepast vanaf de eerste dag van de tweede maand die volgt op de maand waarin het centrum voor dagverzorging is erkend.]4

  [2 § 4. Paragraaf 2 is niet van toepassing op de verplichting om te beschikken over de diensten van een arts, vermeld in artikel 433, § 4, derde lid.
   Als het centrum voor dagverzorging tijdens de referentieperiode niet voldoet aan de verplichting, vermeld in het eerste lid, wordt, vooraleer paragraaf 2 wordt toegepast, de tegemoetkoming, vermeld in artikel 506, 2°, verminderd met een bedrag dat gelijk is aan: [3 5,46 euro * ((aantal aanwezige uren per week tijdens de referentieperiode - minimumaantal uren per week als vermeld in artikel 433, § 4, derde lid)/(minimumaantal uren per week als vermeld in artikel 433, § 4, derde lid))]3.]2

  
Art. 434. § 1er. Si pendant la période de référence, le centre de soins de jour ne satisfait pas, pour une ou plusieurs qualifications de personnel, à la norme visée à l'article 433, § 3 ou § 4, cette pénurie par qualification peut, dans un certain nombre de cas, être compensée par un excédent de membres du personnel salariés ayant une autre qualification. [5 ...]5.
   La hiérarchie suivant est d'application dans ce cas :
  1° en cas d'excédent de bacheliers en soins infirmiers, on doit d'abord les affecter à la pénurie de membres du personnel de réactivation ;
  2° s'il y a encore un excédent d'infirmiers, y compris le nombre restant de bacheliers en soins infirmiers, l'affecter à la pénurie d'aides-soignants ;
  3° s'il y a un excédent de personnel de réactivation, il faut l'affecter à la pénurie d'infirmiers ;
  4° s'il y a encore un excédent de personnel de réactivation, il faut l'affecter à la pénurie restante d'aides-soignants.
  La compensation visée à l'alinéa premier est appliquée selon les règles suivantes :
  1° la pénurie de membres du personnel de réactivation peut être compensée à maximum 20% [2 de la norme ]2 par un excédent de bacheliers en soins infirmiers ;
  2° la pénurie d'infirmiers peut être compensée à maximum 20% [2 de la norme ]2 par un excédent de membres du personnel de réactivation ;
  3° la pénurie d'aides-soignants peut être compensée de manière illimitée par un excédent d'infirmiers ou de membres du personnel de réactivation.
  [5 Aucune compensation n'est possible comme mentionné à l'alinéa 1er s'il s'agit d'une pénurie pour la norme de 0,5 psychologue clinique pour quinze personnes qui ont recours au centre de soins de jour pour personnes gravement malades, mentionnées à l'article 433, § 4. ]5
  § 2. Si après l'application du paragraphe 1er, il subsiste une pénurie de personnel ayant une qualification donnée, la réduction suivante est appliquée :
  1° si pour une catégorie de personnel précise, le centre de soins de jour satisfait en moyenne à une norme inférieure à 100%, mais égale ou supérieure à 90% des normes visées à [2 l'article 433, § 3 ou § 4 ]2, l'intervention visée à l'article 506, 1° ou 2°, est réduite de 20% ;
  2° si pour une catégorie de personnel précise, le centre de soins de jour satisfait en moyenne à une norme inférieure à 90%, mais égale ou supérieure à 75% des normes visées à [2 l'article 433, § 3 ou § 4 ]2, l'intervention visée à l'article 506, 1° ou 2°, est réduite de 50% ;
  3° si pour une catégorie de personnel précise, le centre de soins de jour ne satisfait pas à 75% des normes visées à [2 l'article 433, § 3 ou § 4 ]2, aucune intervention ne peut être accordée.
  § 3. [4 Si le centre de soins de jour est agréé pour la première fois après la période de référence, c'est-à-dire après le 30 juin de l'année J, il a droit à l'intervention intégrale de 49,59 euros (forfait F) ou 93,47 euros (forfait Fp) visée à l'article 506, à partir du jour de l'agrément jusqu'au dernier jour du mois suivant, conformément à l'article 520.
  Pour la détermination de l'intervention portant sur la période allant du premier jour du deuxième mois suivant le mois de l'agrément du centre de soins de jour jusqu'au 31 décembre de l'année J + 1, sont pris en compte les contrats ou les emplois statutaires du personnel et le nombre d'usagers du centre de soins de jour, tels que communiqués par le centre de soins de jour conformément à l'article 456, § 1er, au dernier jour du mois suivant l'agrément.
  Si aucun usager n'est présent le dernier jour du mois qui suit l'agrément, l'intervention de base pour les soins est calculée sur la base du nombre d'usagers effectivement présents le jour qui précède ou le premier jour qui suit.
  Si, le dernier jour du mois suivant l'agrément, ou dans le cas où le centre de soins de jour ne comptait aucun usager ce jour-là, le premier jour précédant ou suivant le dernier jour du mois suivant l'agrément, au cours duquel le centre de soins de jour comptait des usagers, le centre de soins de jour ne répond pas aux normes énoncées à l'article 433, §§ 3 ou 4, les règles énoncées aux paragraphes 1er et 2 s'appliquent à partir du premier jour du deuxième mois suivant le mois au cours duquel le centre de soins de jour a été agréé.]4
.
  [1 § 4. Le paragraphe 2 ne s'applique pas à l'obligation de disposer des services d'un médecin, visés à l'article 433, § 4, alinéa 3.
   Si, durant la période de référence, le centre de soins de jour ne satisfait pas à l'obligation visée à l'alinéa 1er, l'intervention visée à l'article 506, 2°, sera diminuée, avant l'application du paragraphe 2, d'un montant égal à : [3 5,46 euros * ((nombre d'heures de présence par semaine durant la période de référence - nombre minimum d'heures par semaine tel que visé à l'article 433, § 4, alinéa 3)/(nombre minimum d'heures par semaine tel que visé à l'article 433, § 4, alinéa 3)]3.]1

  
Titel 4. - Aanmelding
Titre 4. - Inscription
HOOFDSTUK 1. - Algemeen
Chapitre 1er. - Généralités
Art. 435. § 1. De woonzorgcentra, centra voor kortverblijf en [1 centra voor dagverzorging]1 melden elke opname van een gebruiker aan de zorgkas aan via een digitale applicatie met het oog op het verkrijgen van de tegemoetkoming voor zorg in een woonzorgcentrum, een centrum voor kortverblijf of een [1 centrum voor dagverzorging]1. De aanmelding kan plaatsvinden vanaf het moment van de opname en dient te gebeuren binnen [3 tien]3 werkdagen volgend op de datum van de opname.
  De tijdsaanduiding, via een tijdstempel, in het elektronisch bericht geldt als bewijs voor het tijdstip van de aanmelding van de opname.
  Woonzorgcentra, centra voor kortverblijf en [1 centra voor dagverzorging]1 die geen gebruik maken van een digitale applicatie als vermeld in het eerste lid, kunnen de opname van de gebruiker niet aanmelden bij de zorgkassen. Artikel 531 tot en met 534 zijn van toepassing in het kader van de aanmelding door de woonzorgcentra, centra voor kortverblijf en [1 centra voor dagverzorging]1.
  De minister kan de vorm en de inhoud van de aanmelding verder bepalen.
  § 2. De aanmelding, vermeld in paragraaf 1, dient vergezeld te zijn van een indicatiestelling waarvan de minister de vorm en de inhoud verder kan bepalen. De indicatiestelling moet ingevuld zijn door de verpleegkundige die de mogelijkheid heeft gehad om de gebruiker te observeren bij het uitoefenen van de handelingen van het dagelijks leven, of door de behandelend arts.
  Er moet eveneens een indicatiestelling in het verzorgingsdossier bewaard worden. De indicatiestelling die in het verzorgingsdossier bewaard wordt, moet voorzien zijn van de handtekening van de persoon die de indicatiestelling conform het eerste lid ingevuld heeft.
  Voor de toepassing van dit boek heeft een digitale handtekening dezelfde bewijswaarde als een handtekening op papier, tenzij het tegendeel bewezen wordt.
  Voor de toepassing van dit boek bestaat de indicatiestelling uit de volgende twee elementen:
  1° de toepassing van de evaluatieschaal conform artikel 424;
  2° de attesten en verslagen die aantonen dat de bewoner en persoon die gebruik maakt van een [1 centrum voor dagverzorging]1 voldoet aan de voorwaarden om ingedeeld te worden in de toegewezen afhankelijkheidscategorie.
  Voor de toepassing van dit boek wordt de indicatiestelling gelijkgesteld met het evaluatie-instrument, vermeld in artikel 145, § 2, artikel 148, § 2, artikel 150, § 2, en artikel 152, § 2 van het decreet van 18 mei 2018.
  § 3. De indicatiestelling voor een gebruiker die is ingedeeld in de afhankelijkheidscategorie D of Cd op basis van een gespecialiseerd diagnostisch bilan dementie, kan pas ingediend worden op voorwaarde dat in het verzorgingsdossier, vermeld in artikel 450, de datum is vermeld van het gespecialiseerd diagnostisch bilan voor dementie uitgevoerd door een [2 arts-specialist ]2 in de neurologie, in de psychiatrie of in de geriatrie. In dat geval is de handtekening van de behandelend arts vereist. [3 Als de behandelend arts verklaart dat er een diagnostisch bilan dementie is voor een persoon en de eerste indicatiestelling met de verwijzing naar de datum van het diagnostisch bilan dementie een handtekening van de behandelend arts bevat, hoeft de behandelend arts een volgende indicatiestelling die de datum van het diagnostisch bilan dementie bevat niet opnieuw te ondertekenen]3.
  
Art. 435. § 1er. Les centres de soins résidentiels, les centres de court séjour et les centres de soins de jour annoncent toute admission d'un utilisateur à la caisse d'assurance soins par le biais d'une application numérique en vue d'obtenir l'intervention pour soins dans un centre de soins résidentiels, un centre de court séjour ou un centre de soins de jour. L'annonce peut se faire à partir du moment de l'admission et doit intervenir dans les [3 dix]3 jours ouvrables suivant la date de cette admission.
  L'indication temporelle, via un sceau temporel, dans le message électronique vaut pour preuve du moment de l'annonce de l'admission.
  Les centres de soins résidentiels, centres de court séjour et centres de soins de jour qui n'utilisent pas une application numérique telle que visée à l'alinéa premier, ne peuvent pas annoncer l'admission de l'utilisateur aux caisses d'assurance soins. Les articles 531 à 534 sont d'application dans le cadre de l'annonce par les centres de soins résidentiels, centres de court séjour et centres de soins de jour.
  Le ministre peut préciser la forme et le contenu de l'annonce.
  § 2. L'annonce visée au paragraphe 1er, doit être accompagnée d'une évaluation des besoins permettant au ministre d'en préciser le forme et le contenu. L'évaluation des besoins doit être complétée par l'infirmier qui a eu la possibilité d'observer l'utilisateur dans la réalisation des actes de la vie de tous les jours, ou par le médecin traitant.
  Une évaluation des besoins doit également être conservée dans le dossier de soins. L'évaluation des besoins conservée dans le dossier de soins doit comporter la signature de la personne qui l'a complétée conformément à l'alinéa premier.
  Pour l'application de ce livre, une signature numérique a la même valeur de preuve qu'une signature sur papier, à moins que l'inverse ne soit prouvé.
  Pour l'application de ce livre, l'évaluation des besoins se compose des deux éléments suivants :
  1° l'application de la l'échelle d'évaluation conformément à l'article 424 ;
  2° les attestations et rapports qui montrent que le résident et personne qui a recours à un centre de soins de jour répond aux conditions de classement dans la catégorie de dépendance attribuée.
  Pour l'application de ce livre, l'évaluation des besoins est assimilée à l'instrument d'évaluation visé à l'article 145, § 2, l'article 148, § 2, l'article 150, § 2, et l'article 152, § 2 du décret du 18 mai 2018.
  § 3. L'évaluation des besoins d'un utilisateur qui est classé en catégorie de dépendance D ou Cd sur la base d'un bilan diagnostic spécialisé de démence, ne peut être introduite qu'à condition que soit mentionnée dans le dossier de soins visé à l'article 450, la date visée du bilan diagnostic spécialisé de démence réalisé par un médecin spécialiste en neurologie, psychiatrie ou gériatrie. Dans ce cas, la signature du médecin traitant est requise.[3 Si le médecin traitant certifie qu'il existe un bilan de diagnostic de démence pour une personne et que la première indication avec la référence à la date du bilan de diagnostic de démence comporte une signature du médecin traitant, le médecin traitant n'a pas besoin de signer à nouveau une indication ultérieure qui comporte la date du bilan de diagnostic de démence]3.
  

Änderungen

[1]pas en version française
[2]pas en version française
Art. 436. De woonzorgcentra, centra voor kortverblijf en [1 centra voor dagverzorging]1 melden elke wijziging van een opname aan de zorgkas, binnen [2 tien]2 werkdagen volgend op de wijziging. Het wijzigen van verblijfsgegevens heeft onder meer betrekking op het aanvullen, het corrigeren en het verwijderen van verblijfsgegevens.
  De tijdsaanduiding, via een tijdstempel, in het elektronisch bericht geldt als bewijs voor het tijdstip van de wijziging van de verblijfsgegevens.
  De minister kan verder bepalen welke wijzigingen doorgegeven moeten worden binnen de termijn, vermeld in het eerste lid.
  
Art. 436. Les centres de soins résidentiels, centres de court séjour et centres de soins de jour signalent toute modification relative à une admission à la caisse d'assurance soins dans le [2 dix]2 jours ouvrables suivant la modification. La modification de données de séjour peut notamment consister à compléter, corriger et supprimer des données de séjour.
  L'indication temporelle, via un sceau temporel, dans le message électronique vaut pour preuve du moment de la modification des données de séjour.
  Le ministre peut préciser les modifications qui doivent être transmises dans le délai visé à l'alinéa premier.
  

Änderungen

Art. 437. Als het woonzorgcentrum, centrum voor kortverblijf of [1 centrum voor dagverzorging]1 door overmacht de aanmelding van een gebruiker niet binnen de voorgeschreven termijnen heeft kunnen indienen, kan ze bij de zorgkas een aanvraag indienen van afwijking van de termijn, vermeld in artikel 435, § 1. Als de zorgvoorziening voldoende bewijzen aanvoert om haar aanvraag van afwijking te ondersteunen, dan kan de zorgkas alsnog de aanmelding van opname goedkeuren met ingang van de dag van opname. De personeelsproblemen of de organisatorische problemen van de zorgvoorziening kunnen niet als gevallen van overmacht worden aangemerkt, als die problemen niet voortvloeien uit uitzonderlijke en onvoorziene omstandigheden.
  
Art. 437. Si le centre de soins résidentiels, le centre de court séjour ou le centre de soins de jour n'a pas pu introduire l'inscription d'un utilisateur dans les délais impartis pour cause de force majeure, il peut introduire, auprès de la caisse d'assurance soins, une demande de dérogation au délai visé à l'article 435, § 1er. Si l'infrastructure de soins apporte suffisamment de preuves pour soutenir sa demande de dérogation, la caisse d'assurance soins peut malgré tout approuver l'inscription d'admission avec prise d'effet le jour de l'admission. Les problèmes de personnel ou organisationnels de l'infrastructure de soins ne peuvent pas être considérés comme des cas de force majeure si ces problèmes ne découlent pas de circonstances exceptionnelles et imprévues.
  

Änderungen

[1]pas version française
Art.437/1. [1 Een woonzorgcentrum, een centrum voor kortverblijf of een centrum voor dagverzorging kan bij een administratieve vergissing de zorgkas verzoeken om een afwijking van de termijn, vermeld in artikel 435, § 1.
   Het woonzorgcentrum, het centrum voor kortverblijf of het centrum voor dagverzorging waarvoor een afwijking van de termijn, vermeld in artikel 435, § 1, wordt toegepast, ontvangt een elektronisch bericht. Dit elektronisch bericht vermeldt de datum waarop de periode ingaat waarvoor recht is op een tegemoetkoming voor zorg. Deze datum valt op de dag die wordt bepaald door 25% van het aantal kalenderdagen vanaf de begindatum van de opname tot en met de dag voor de dag van de goedgekeurde aanmelding van de opname toe te voegen aan de begindatum van de opname.
   De vermeerdering met 25%, vermeld in het tweede lid, wordt afgerond naar onder, waarbij kalenderdagen worden uitgedrukt in gehele getallen.]1

  
Art. 437/1. [1 En cas d'erreur administrative, un centre de soins résidentiels, un centre de court séjour ou un centre de soins de jour peut demander une dérogation au délai visé à l'article 435, § 1er, à la caisse d'assurance soins.
   Le centre de soins résidentiels, le centre de court séjour ou le centre de soins de jour pour lequel une dérogation au délai visé à l'article 435, § 1er, est appliquée, reçoit un message électronique. Ce message électronique mentionne la date de début de la période pour laquelle un droit à une intervention pour les soins est accordé. Cette date tombe le jour déterminé en ajoutant à la date de début de l'admission 25 % du nombre de jours civils à partir de la date de début de l'admission jusqu'au jour précédant le jour de la notification approuvée de l'admission.
   La majoration de 25 %, visée à l'alinéa 2, est arrondie vers le bas, les jours civils étant exprimés en nombres entiers.]1

  
Art. 438. De zorgkas verstuurt binnen vijf werkdagen na de aanmelding van de opname van een gebruiker een elektronisch bericht naar de zorgvoorziening, vermeld in artikel 435. Met dat bericht wordt hetzij de aanmelding goedgekeurd, hetzij om aanvullende inlichtingen verzocht, hetzij toegelicht waarom de aanmelding wordt geweigerd.
  De goedkeuring van de aanmelding gaat ten vroegste in op de dag van opname als de aanmelding wordt ingediend binnen de [1 tien]1 werkdagen die volgen op de dag van opname, of de dag van de melding van opname in het andere geval, [1 behalve in de gevallen vermeld in [2 artikel 437, 437/1 en 439]2]1.
  De tijdsaanduiding, via een tijdstempel, in het elektronisch bericht geldt als bewijs voor het tijdstip van het bericht.
  
Art. 438. La caisse d'assurance soins envoie, dans les cinq jours ouvrables suivant l'inscription de l'admission d'un utilisateur, un message électronique à l'infrastructure de soins visé à l'article 435. Ce message soit approuve la notification, soit demande des informations complémentaires, soit explique pourquoi l'inscription est refusée.
  L'approbation de l'inscription prend effet au plus tôt le jour de l'admission si l'inscription est introduite dans les [1 dix]1 jours ouvrables qui suivent le jour de l'admission, ou le jour de l'annonce de l'admission dans l'autre cas, [1 sauf dans les cas visés [2 aux articles 437, 437/1 et 439]21.
  L'indication temporelle, via un sceau temporel, dans le message électronique vaut pour preuve du moment auquel le message a été envoyé.
  
Art. 439. In afwijking van artikel 438 kan de zorgkas de periode waarvoor de opname is goedgekeurd, met terugwerkende kracht doen ingaan als de verzekeringsstatus van de gebruiker wijzigt of als er sprake is van een uitzonderlijk geval, vermeld in artikel 462, tweede lid, en artikel 466, tweede lid.
Art. 439. Par dérogation à l'article 438, la caisse d'assurance soins peut faire débuter avec effet rétroactif la période pour laquelle l'admission est approuvée en cas de changement de statut d'assurance de l'utilisateur ou s'il est question d'un cas exceptionnel visé à l'article 462, deuxième alinéa, et à l'article 466, deuxième alinéa.
Art. 440. Als de situatie van de gebruiker zo evolueert dat een andere afhankelijkheidscategorie in overweging zou kunnen worden genomen, dan dienen de woonzorgcentra, centra voor kortverblijf en [1 centra voor dagverzorging]1 een nieuwe indicatiestelling, die overeenstemt met de afhankelijkheid van die gebruiker, op te stellen en te melden aan de zorgkas.
  De zorgvoorziening, vermeld in het eerste lid, meldt een verandering van de afhankelijkheidscategorie binnen [2 tien]2 werkdagen na de dag die volgt op de verandering van de afhankelijkheidscategorie.
  De tijdsaanduiding, via een tijdstempel, in het elektronisch bericht geldt als bewijs voor het tijdstip van de indicatiestelling.
  
Art. 440. Si la situation de l'utilisateur évolue de manière telle qu'une autre catégorie de dépendance puisse être envisagée, les centres de soins résidentiels, centres de court séjour et centres de soins de jour doivent réaliser une nouvelle évaluation des besoins correspondant à la dépendance de cet utilisateur et le signaler à la caisse d'assurance soins.
  L'infrastructure de soins visée à l'alinéa premier annoncera tout changement de catégorie de dépendance dans les [1 dix]1 jours ouvrables suivant le jour qui suit le changement de catégorie de dépendance.
  L'indication temporelle, via un sceau temporel, dans le message électronique vaut pour preuve du moment de l'évaluation des besoins.
  

Änderungen

Art. 441. Als de afhankelijkheidscategorie verandert en het woonzorgcentrum, centrum voor kortverblijf of [1 centrum voor dagverzorging]1 daarom een nieuwe indicatiestelling indient, moet de indicatiestelling altijd berusten op een medische of verpleegkundige indicatie die gestaafd is met een omstandig verslag waarvan de minister het model kan bepalen. Het omstandig verslag dient bewaard te worden in het verzorgingsdossier van de gebruiker.
  Het omstandig verslag, vermeld in het eerste lid, moet worden ondertekend door:
  1° een arts als de wijziging wordt ingediend binnen zes maanden volgend op de beslissing tot aanpassing na controle door de Zorgkassencommissie als vermeld in deel 5, titel 1;
  2° een arts of een verpleegkundige die de mogelijkheid heeft gehad om de gebruiker te observeren in de uitvoering van de handelingen van het dagelijks leven: als de wijziging wordt ingediend na een vorige aanmelding of meer dan zes maanden na de beslissing, vermeld in punt 1°.
  
Art. 441. En cas de changement de catégorie de dépendance et que le centre de soins résidentiels, le centre de court séjour ou le centre de soins de jour introduit pour cela une nouvelle évaluation des besoins, cette évaluation des besoins doit toujours reposer sur une indication médicale ou infirmière étayée par un rapport circonstancié dont le ministre peut déterminer le modèle. Le rapport circonstancié doit être conservé dans le dossier de soins de l'utilisateur.
  Le rapport circonstancié visé à l'alinéa premier, doit être signé par :
  1° un médecin si le changement est introduit dans les six mois suivant la décision d'adaptation après contrôle par la Commission des caisses d'assurance soins visée à la partie 5, titre 1er ;
  2° un médecin ou un infirmier qui a eu la possibilité d'observer l'utilisateur dans la réalisation des actes de la vie quotidienne : si le changement est introduit après une inscription précédente ou plus de six mois après la décision visée au point 1°.
  

Änderungen

[1]pas version française
Art. 442. Als het gaat om een gebruiker die is gerangschikt in de afhankelijkheidscategorie D, en telkens als hij alleen op basis van de fysieke criteria in de evaluatieschaal van afhankelijkheidscategorie zou wijzigen, dienen de woonzorgcentra, centra voor kortverblijf en [1 centra voor dagverzorging]1 een aangepaste indicatiestelling aan de zorgkas over te maken. Het meedelen van die informatie aan de zorgkas doet geen afbreuk aan het feit dat de gebruiker, op basis van een gespecialiseerd diagnostisch bilan voor dementie uitgevoerd door een [2 arts-specialist]2 in de neurologie, in de psychiatrie of in de geriatrie, gerangschikt blijft in de afhankelijkheidscategorie D, tenzij het gaat om een gebruiker die daardoor gerangschikt wordt in de afhankelijkheidscategorie [3 B, C of Cd]3.
  
Art. 442. S'il s'agit d'un utilisateur qui est classé dans la catégorie de dépendance D, et chaque fois qu'il changerait de catégorie de dépendance sur la seule base des critères physiques dans l'échelle d'évaluation, les centres de soins résidentiels, centres de court séjour et centres de soins de jour doivent transmettre une évaluation des besoins adaptée à la caisse d'assurance soins. La communication de ces informations à la caisse d'assurance soins ne porte pas préjudice au fait que l'utilisateur, sur la base d'un bilan diagnostic spécialisé pour démence réalisé par un médecin spécialiste en neurologie, psychiatrie ou gériatrie, reste classé dans la catégorie de dépendance D, à moins qu'il s'agisse d'un utilisateur qui soit de ce fait classé dans la catégorie de dépendance [3 B, C ou Cd]3.
  

Änderungen

[1]pas en frnaçais
[2]pas en français
HOOFDSTUK 2. - Woonzorgcentra en centra voor kortverblijf
Chapitre 2. - Centre de soins résidentiels et centres de court séjour
Art. 443. De woonzorgcentra en centra voor kortverblijf melden binnen [1 tien]1werkdagen aan de zorgkas het einde van het verblijf, hetzij door het overlijden van een gebruiker, hetzij door het vertrek van een gebruiker uit het woonzorgcentrum of het centrum voor kortverblijf.
  
Art. 443. Les centre de soins résidentiels et centres de court séjour signaleront la fin du séjour dans les [1 dix]1 jours ouvrables à la caisse d'assurance soins, soit suite au décès d'un utilisateur, soit suite au départ de l'utilisateur du centre de soins résidentiels ou du centre de court séjour.
  
Art. 444. De woonzorgcentra en centra voor kortverblijf verwittigen binnen de drie werkdagen de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen die een rolstoel verhuurt aan een bewoner van het overlijden van die laatste.
Art. 444. Les centre de soins résidentiels et centres de court séjour préviendront, dans les trois jours ouvrables, le dispensateur de dispositifs de mobilité qui loue une chaise roulante à un résident du décès de ce dernier.
Art. 445. De woonzorgcentra en centra voor kortverblijf verwittigen de kinesitherapeut van wie verstrekkingen in het verzorgingsdossier zijn opgenomen, van de [1 wijziging van de afhankelijkheidscategorie O of A van de bewoner naar de afhankelijkheidscategorie B, C, Cd of D]1. De bewijslast berust bij de woonzorgcentra en centra voor kortverblijf.
  
Art. 445. Les centres de soins résidentiels et centres de court séjour préviendront le kinésithérapeute dont des prestations sont reprises dans le dossier de soins, du [1 modification de la catégorie de dépendance O ou A du résidant en catégorie de dépendance B, C, Cd ou D]1. La charge de la preuve incombe aux centres de soins résidentiels et centres de court séjour.
  
Art. 446. Als een gebruiker opnieuw wordt opgenomen in een woonzorgcentrum of een centrum voor kortverblijf binnen dertig dagen na het einde van het verblijf, vermeld in artikel 443, moet de aanmelding, vermeld in artikel 435, niet worden vergezeld van de indicatiestelling, vermeld in hetzelfde artikel , als de gebruiker in dezelfde afhankelijkheidscategorie als voor zijn vertrek ingedeeld blijft.
Art. 446. Si un utilisateur est à nouveau admis dans un centre de soins résidentiels ou un centre de court séjour dans les trente jours suivant la fin de son séjour visé à l'article 443, l'inscription visée à l'article 435 ne doit pas être accompagnée d'une évaluation des besoins visée dans le même article si l'utilisateur est resté classé dans la même catégorie de dépendance qu'avant son départ.
HOOFDSTUK 3. [1 - Centra voor dagverzorging]1
Chapitre 3. - Centres de soins de jour
Art. 447. De [1 centra voor dagverzorging]1 moeten een aanwezigheidsregister bijhouden waarin voor elke dag waarop het [2 centrum voor dagverzorging]2 open is, de naam van de aanwezige gebruiker en het uur van zijn aankomst en vertrek is vermeld.
  Het register moet elke dag om 13 uur worden afgesloten wat het aantal gebruikers en hun uur van aankomst betreft, en moet aan het eind van de dag worden vervolledigd met het uur van vertrek.
  Als aanwezigheidsregisters op papier worden bijgehouden, mogen er in die aanwezigheidsregisters geen losse bladen, blanco stukken, doorhalingen of verbeteringen voorkomen. Ze moeten op elk ogenblik kunnen worden geraadpleegd door de Zorgkassencommissie en moeten in het [1 centrum voor dagverzorging]1 worden bewaard gedurende vijf jaar na de afsluiting ervan.
  
Art. 447. Les centres de soins de jour doivent tenir à jour un registre de présences dans lequel est mentionné, pour chaque jour d'ouverture du [2 centre de soins de jour]2, le nom de l'utilisateur présent ainsi que l'heure de son arrivée et de son départ.
  Le registre doit être clôturé tous les jours à 13 heures en ce qui concerne le nombre d'utilisateurs et leur heure d'arrivée et doit être complété avec leur heure de départ à la fin de la journée.
  Si des registres de présence sur papier sont tenus à jour, ils ne peuvent pas comporter de feuilles volantes, de pièces vierges, de ratures ni de corrections. Ils doivent pouvoir être consultés à tout moment par la Commission des caisses d'assurance soins et doivent être conservés dans le centre de soins de jour pendant cinq ans suivant leur clôture.
  
Art. 448. De [1 centra voor dagverzorging]1 melden aan de zorgkas binnen [2 tien ]2werkdagen het einde van het verblijf van een gebruiker, hetzij door het overlijden van de gebruiker, hetzij door het vertrek van de gebruiker uit de voorziening.
  
Art. 448. Les centres de soins résidentiels signaleront la fin du séjour d'un utilisateur dans les [2 dix]2 jours ouvrables à la caisse d'assurance soins, soit suite au décès d'un utilisateur, soit suite au départ de l'utilisateur de la structure.
  
Art. 449. Als een gebruiker opnieuw wordt opgenomen in het [1 centrum voor dagverzorging]1 binnen dertig dagen na het einde van het verblijf, vermeld in artikel 448, moet de aanmelding, vermeld in artikel 435, niet worden vergezeld van de indicatiestelling, vermeld in hetzelfde artikel , als de gebruiker in dezelfde afhankelijkheidscategorie als voor zijn vertrek ingedeeld blijft.
  
Art. 449. Si un utilisateur est à nouveau admis dans un centre de soins de jour dans les trente jours suivant la fin de son séjour visé à l'article 448, l'inscription visée à l'article 435 ne doit pas être accompagnée d'une évaluation des besoins visée dans le même article si l'utilisateur est resté classé dans la même catégorie de dépendance qu'avant son départ.
  

Änderungen

[1]pas en frnaçais
Titel 5. - Verzorgingsdossier
Titre 5. - Dossier de soins
Art. 450. § 1. De woonzorgcentra, centra voor kortverblijf en [1 centra voor dagverzorging]1 moeten per bewoner of persoon die gebruik maakt van het [1 centrum voor dagverzorging]1 een verzorgingsdossier bijhouden. Het individueel verzorgingsdossier moet minstens de volgende gegevens bevatten:
  1° een beschrijving van de bijdrage van de verschillende personeelscategorieën die voorzien zijn in de tegemoetkoming, die is opgemaakt door de persoon die in de zorgvoorziening verantwoordelijk is voor de verzorging;
  2° als het gaat om bewoners in een woonzorgcentrum of een centrum voor kortverblijf die gedesoriënteerd zijn in tijd en ruimte: een precieze opsomming van de verwarrende gedragsstoornissen, met inbegrip van:
  a) uitdrukkingsmoeilijkheden;
  b) verbaal storend gedrag;
  c) onwelvoeglijk gedrag;
  d) rusteloos gedrag;
  e) destructief gedrag;
  f) verstoord nachtelijk gedrag;
  3° voor de technische handelingen die worden verricht door het verpleegkundig en paramedisch personeel dat voorzien is in de tegemoetkoming: de geneeskundige voorschriften, de aard en de frequentie van de technische handelingen en de identiteit van degene die ze heeft toegediend;
  4° als de bewoner of persoon die gebruik maakt van het [1 centrum voor dagverzorging]1 in de afhankelijkheidscategorie D of Cd is ingedeeld op basis van een gespecialiseerd diagnostisch bilan dementie, de datum van het gespecialiseerd diagnostisch bilan voor dementie dat is uitgevoerd door een [2 arts-specialist]2 in de neurologie, in de psychiatrie of in de geriatrie;
  5° als de bewoner of persoon die gebruik maakt van het [1 centrum voor dagverzorging]1 in de afhankelijkheidscategorie Fp is ingedeeld: een attest dat aantoont dat die gebruiker voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 427, waarvan de minister het model bepaalt;
  6° als het woonzorgcentrum, centrum voor kortverblijf of [1 centrum voor dagverzorging]1 een indicatiestelling opmaakt wegens een verandering van de afhankelijkheidscategorie: een omstandig verslag ondertekend door:
  a) een arts als de aanvraag van herziening wordt ingediend binnen de zes maanden volgend op de beslissing tot aanpassing na controle door de Zorgkassencommissie;
  b) een arts of door een verpleegkundige die de mogelijkheid heeft gehad om de bewoner of persoon die gebruik maakt van het [1 centrum voor dagverzorging]1 te observeren in de uitvoering van de handelingen van het dagelijks leven, als de aanvraag van herziening wordt ingediend na een vorige aanvraag of meer dan zes maanden na de beslissing, vermeld in punt a).
  De beschrijving, vermeld in het eerste lid, 1°, wordt op een gestructureerde en systematische wijze geëvalueerd en aangepast in functie van de ontwikkeling van de zorgafhankelijkheid. Als een persoon die gebruik maakt van een [1 centrum voor dagverzorging]1 wordt verzorgd in het kader van de thuisverpleging, moet deze beschrijving worden opgemaakt na raadpleging van de verpleegkundige die deze persoon thuis verzorgt.
  De minister bepaalt het model van het omstandig verslag, vermeld in het eerste lid, 6°, b).
  Als het in het verzorgingsdossier, vermeld in het eerste lid, het verzorgingsdossier van een bewoner van een woonzorgcentrum betreft, dan maakt het verzorgingsdossier deel uit van het woonzorgleefplan van die bewoner.
  In het vierde lid wordt verstaan onder woonzorgleefplan: het plan dat door het woonzorgcentrum in samenspraak met de bewoner wordt opgemaakt en de noden, de verwachtingen en de voorkeuren van de bewoner op het vlak van het wonen, de zorg en het leven in het woonzorgcentrum bepaalt, de interventies daarvoor beschrijft en op regelmatige wijze evalueert.
  § 2. Als aan een gebruiker die verblijft in een woonzorgcentrum een mobiliteitshulpmiddel wordt verhuurd conform boek 2, deel 2, titel 3, hoofdstuk 1, dient het individueel verzorgingsdossier van die gebruiker, naast de gegevens, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, ook de volgende gegevens te bevatten:
  1° de huurovereenkomst;
  2° het serienummer van het afgeleverde mobiliteitshulpmiddel;
  3° de aanpassingen voorzien op het afgeleverde mobiliteitshulpmiddel;
  4° de data van de eerste ingebruikname door de gebruiker, de aflevering, het onderhoud en de herstelling van het mobiliteitshulpmiddel.
  
Art. 450. § 1er. Les centres de soins résidentiels, centres de court séjour et centres de soins de jour doivent tenir à jour un dossier de soins par résident ou personne qui a recours au centre de soins de jour. Le dossier individuel de soins devra comprendre au moins les données suivantes :
  1° une description de la contribution des différentes catégories de personnel prévues dans l'intervention, qui est établie par la personne responsable des soins au sein de l'infrastructure de soins ;
  2° s'il s'agit de résidents dans un centre de soins résidentiels ou un centre de court séjour qui sont désorientés dans le temps et dans l'espace : une énumération précise des troubles du comportement, y compris :
  a) difficultés d'expression ;
  b) comportement verbal dérangeant ;
  c) comportement importun ;
  d) comportement agité ;
  e) comportement destructeur ;
  f) comportement nocturne perturbé ;
  3° pour les actes techniques qui sont réalisés par le personnel infirmier et paramédical qui est prévu dans l'intervention : les prescriptions médicales, la nature et la fréquence des actes techniques et l'identité de celui qui les a administrés ;
  4° si le résident ou la personne qui a recours au centre de soins de jour est classé dans la catégorie de dépendance D ou Cd sur la base d'un bilan diagnostic spécialisé de démence, la date du bilan diagnostic spécialisé pour démence qui a été réalisé par un médecin spécialiste en neurologie, psychiatrie ou gériatrie ;
  5° si le résident ou la personne qui a recours au centre de soins de jour est classé dans la catégorie de dépendance Fp : une attestation qui montre que cet utilisateur répond aux conditions visées à l'article 427, dont le ministre détermine le modèle ;
  6° si le centre de soins résidentiels, le centre de court séjour ou le centre de soins de jour établit une évaluation des besoins pour cause de changement de catégorie de dépendance : un rapport circonstancié signé par :
  a) un médecin si la demande de révision a été introduite dans les six mois suivant la décision d'adaptation après contrôle par la Commission des caisses d'assurance soins ;
  b) un médecin ou un infirmier qui a eu la possibilité d'observer le résident ou la personne qui a recours au centre de soins de jour dans la réalisation des actes de la vie quotidienne, si la demande de révision est introduite après une demande précédente ou plus de six mois après la décision visée au point a).
  La description visée à l'alinéa premier, 1°, est évaluée de manière structurée et systématique, et adaptée en fonction de l'évolution de la dépendance aux soins. Si une personne qui a recours à un centre de soins de jour est soignée dans le cadre des soins à domicile, cette description doit être établie après consultation de l'infirmier qui soigne cette personne à domicile.
  Le ministre détermine le modèle du rapport circonstancié visé à l'alinéa premier, 6°, b).
  S'il s'agit, dans le dossier de soins visé à l'alinéa premier, du dossier de soins d'un centre de soins résidentiels, le dossier de soins fait partie du projet de vie en soins résidentiels de ce résident.
  Au quatrième alinéa, il faut entendre par projet de vie en soins résidentiels : le plan établi par le centre de soins résidentiels en concertation avec le résident, et qui détermine les besoins, les attentes et les préférences du résident en matière de logement, de soins et de vie dans le centre de soins résidentiels, décrit les interventions s'y rapportant et les évalue de manière régulière.
  § 2. Si un dispositif de mobilité est loué à utilisateur qui séjourne dans un centre de soins résidentiels conformément au livre 2, partie 2, titre 3, chapitre 1er, le dossier individuel de soins de cet utilisateur doit également, outre les données visées au paragraphe 1er, alinéa premier, comporter les données suivantes :
  1° le contrat de location ;
  2° le numéro de série du dispositif de mobilité livré ;
  3° les adaptations prévues sur le dispositif de mobilité livré ;
  4° les dates de première mise en service par l'utilisateur, de réception, d'entretien et de réparation du dispositif de mobilité.
  

Änderungen

----------
----------
Titel 6. - Administratieve verplichtingen
Titre 6. - Obligations administratives
HOOFDSTUK 1. - Algemeen
Chapitre 1er. - Généralités
Art. 451. De woonzorgcentra, in voorkomend geval met de bijbehorende centra voor kortverblijf, en de [1 centra voor dagverzorging]1:
  1° bezorgen de zorgkassen de documenten die ze nodig hebben voor de vergoeding van de aangerekende tegemoetkomingen en voor de controle op de wettelijke en reglementaire bepalingen ter zake;
  2° stellen de Zorgkassencommissie in staat de bezoeken af te leggen die ze voor het vervullen van hun opdracht nuttig achten;
  3° stellen het agentschap in staat de bezoeken af te leggen en verstrekken hun de inlichtingen opdat ze de gegevens kunnen controleren die de zorgvoorziening ter uitvoering van dit besluit moet overmaken aan het agentschap, wat in geen geval gepaard mag gaan met het verplaatsen van de stukken die nodig zijn voor de uitoefening van die opdracht.
  
Art. 451. Les centres de soins résidentiels, le cas échéant avec les centres de court séjour correspondants, et les centre de soins de jour :
  1° fourniront aux caisse d'assurance soins les documents dont elles ont besoin pour rembourser les interventions portées en compte et pour le contrôle des dispositions légales et réglementaires en la matière ;
  2° permettront à la Commission des caisses d'assurance soins de procéder aux visites qu'elle juge utiles pour la réalisation de leur mission ;
  3° permettront à l'agence de procéder aux visites et lui fourniront les renseignements afin de lui permettre de contrôler les données que l'infrastructure de soins doit transmettre à l'agence en exécution du présent arrêté, ce qui ne peut en aucun cas aller de pair avec le déplacement des pièces nécessaires à l'exécution de cette mission.
  

Änderungen

[1]pas en frnaçais
Art. 451/1. [1 In deze titel wordt voor de berekening van de tegemoetkomingen onder gefactureerde dagen begrepen
   1° het aantal aan de zorgkassen gefactureerde dagen per prestatiecode die betrekking hebben op een afhankelijkheidscategorie, vermeld in artikel 47 en de bijlage 2 van het ministerieel besluit van 15 mei 2019 betreffende de uitvoering van de Vlaamse sociale bescherming, wat betreft de tegemoetkoming voor zorg in een woonzorgcentrum, centrum voor kortverblijf of dagverzorgingscentrum, zoals die beschikbaar zijn bij het agentschap op het moment van berekening na de periode van eventuele wijzigingen van de gegevens door de voorzieningen zoals bepaald in artikel 454, derde lid en artikel 456, § 2, derde lid;
   2° de dagen, vermeld in [2 artikel 453, § 1, eerste lid, 1°, e)]2, en artikel 456/1, § 1, eerste lid, 1°, d), van dit besluit]1

  
Art. 451/1. [1 Dans le présent titre, aux fins du calcul des interventions, on entend par jours facturés :
  1° le nombre de jours facturés aux caisses d'assurance soins par code de prestation, qui portent sur une catégorie de dépendance visée à l'article 47 et à l'annexe 2 de l'arrêté ministériel du 15 mai 2019 portant exécution de la protection sociale flamande, en ce qui concerne l'intervention de soins dans un centre de soins résidentiels, un centre de court séjour ou un centre de soins de jour, tels que disponibles auprès de l'agence au moment du calcul après la période de modification éventuelle des données par les structures, comme prévu à l'article 454, alinéa 3, et à l'article 456, § 2, alinéa 3 ;
  2° les jours visés à [2 l'article 453, § 1er, alinéa 1er, 1°, e)]2, et à l'article 456/1, § 1er, alinéa 1er, 1°, d) du présent arrêté.]1

  
HOOFDSTUK 2. - Woonzorgcentra en centra voor kortverblijf
Chapitre 2. - Centre de soins résidentiels et centres de court séjour
Art. 452. De woonzorgcentra, in voorkomend geval met de bijbehorende centra voor kortverblijf, bezorgen aan het agentschap ieder trimester, een elektronisch ingevulde vragenlijst waarvan het model wordt bepaald door het agentschap. Daarnaast bezorgen die zorgvoorzieningen de volgende documenten aan het agentschap op eerste verzoek:
  1° een kopie van de RSZ-aangifte, waarin het personeelsbestand is opgenomen, en een kopie van de arbeidsovereenkomsten die eigen zijn aan de zorgvoorziening of een kopie van de beslissing van de organiserende instantie als het gaat om een overheidsdienst;
  2° een kopie van de ondernemingscontracten die gesloten zijn met het zelfstandig personeel, vermeld in artikel 475, § 6, een kopie van de facturen met het aantal gepresteerde uren van dat personeel, alsook de betalingsbewijzen;
  [2 2° /1 een kopie van de contracten die gesloten zijn met de uitzendbureaus, vermeld in artikel 475, § 3, eerste lid en derde lid, 1°, een kopie van de facturen waarop het aantal uren vermeld staat dat de personeelsleden, vermeld in artikel 475, § 3, eerste lid en derde lid, 1°, in de zorgvoorziening gepresteerd hebben en ook de betalingsbewijzen. Het agentschap kan ook de nodige documenten vragen waaruit blijkt dat het om gekwalificeerd zorgpersoneel gaat;
   2° /2 [4 een kopie van de ondernemingscontracten die gesloten zijn met het zelfstandig personeel, vermeld in artikel 475, § 3, tweede lid, 1°, en derde lid, 2°, of de uitleenovereenkomst voor personeel in loondienst bij een andere zorgvoorziening, vermeld in artikel 475, § 3, tweede lid, 2°, en derde lid, 3°, een kopie van de facturen waarop het aantal uren vermeld staat dat de personeelsleden, vermeld in artikel 475, § 3, tweede lid, 1° en 2°, en derde lid, 2° en 3°, in de zorgvoorzieningen gepresteerd hebben, en de betalingsbewijzen. Het agentschap kan ook de nodige documenten vragen waaruit blijkt dat het om gekwalificeerd zorgpersoneel gaat]4;]2

  3° een verklaring waaruit blijkt dat de voordelen zoals, vermeld in artikel 428, worden toegepast;
  4° [3 ...]3
  5° de gegevens met betrekking tot het gebruik, conform de interne richtlijnen van de zorgvoorziening, van de producten en de materialen die leiden tot betere hygiëne, ter voorkoming van nosocomiale ziekten;
  6° een kopie van de overeenkomst die werd gesloten met de persoon die als referentiepersoon dementie is aangewezen;
  7° alle andere gegevens met betrekking tot de financiering van enig onderdeel van de tegemoetkoming.
  [3 Het agentschap haalt de informatie over de verdeling van de bewoners over de afhankelijkheidscategorieën op een bepaalde datum zelf op uit de digitale applicatie, vermeld in artikel 521, § 1.]3
  [3 Wat het zorgpersoneel betreft, vraagt het agentschap jaarlijks aan de overheidsdienst die bevoegd is om het visum te verlenen, of dat personeel effectief beschikt over een visum om het beroep uit te oefenen of vraagt het agentschap aan het Departement Zorg of de betrokkene een erkenning heeft voor het zorgberoep in kwestie en als dat het geval is, vanaf welke datum het visum of de erkenning is verleend. Als het agentschap dat nodig acht, kan het een kopie van de diploma's en de functie-omschrijving van het personeel opvragen bij de zorgvoorziening.]3
  [1 Het agentschap kan jaarlijks de gegevens meegedeeld in de elektronisch ingevulde vragenlijst, vermeld in het eerste lid, controleren [5 tot en met 31 december van het tweede kalenderjaar dat volgt op de laatste dag van de referentieperiode waarvoor de gegevens zijn doorgegeven,]5 door de gegevens te vergelijken met de daartoe beschikbare authentieke bronnen van de bevoegde overheidsdiensten. Als ze dat nodig acht kan het agentschap bijkomende informatie opvragen bij de zorgvoorziening.
   In het geval het agentschap in het kader van de controles, vermeld in het [5 derde en vierde lid]5, vaststelt dat er foutieve gegevens werden meegedeeld in de laatst afgelopen referentieperiode, kan het agentschap de gegevens die door het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, via de elektronische vragenlijst bezorgd zijn, na informatie ingewonnen te hebben bij de voorziening, aanpassen op basis van de reële gegevens voor de referentieperiode. Op basis van de reële gegevens zal de tegemoetkoming voor zorg herberekend worden. Het agentschap recupereert het onterecht betaalde bedrag door de basistegemoetkoming voor zorg te verminderen. Die tegemoetkoming wordt verminderd met het verschil tussen de tegemoetkoming waarop de zorgvoorziening op basis van de foutieve gegevens recht zou hebben en de tegemoetkoming waarop de zorgvoorziening op basis van de reële gegevens recht heeft. Deze vermindering wordt vanaf de dag waarop de herberekende tegemoetkoming gecommuniceerd wordt, toegepast gedurende een even lange periode als de periode waarin de zorgvoorziening in het verleden onterecht de foutieve tegemoetkoming ontving. Als het agentschap het onterecht betaalde bedrag niet kan recupereren door de basistegemoetkoming voor zorg te verminderen wordt het onterecht betaalde bedrag van de zorgvoorziening teruggevorderd.]1

  
Art. 452. Les centres de soins résidentiels, le cas échéant avec les centres de court séjour correspondants, fourniront chaque trimestre à l'agence un question complété électroniquement dont le modèle est déterminé par l'agence. Par ailleurs, ces infrastructures de soins fourniront les documents suivants à l'agence, à sa première demande :
  1° une copie de la déclaration ONSS reprenant l'effectif du personnel, et une copie des contrats de travail propres à l'infrastructure de soins ou une copie de la décision de l'instance organisatrice s'il s'agit d'un service public ;
  2° une copie des contrats d'entreprise conclus avec le personnel indépendant visé à l'article 475, § 6, une copie des factures avec le nombre d'heures prestées de ce personnel, ainsi que les preuves de paiement ;
  [2 2° /1 une copie des contrats conclus avec les agences de travail intérimaire visées à l'article 475, § 3, alinéas 1er et 3, 1°, une copie des factures indiquant le nombre d'heures prestées par les membres du personnel visés à l'article 475, § 3, alinéas 1er et 3, 1°, dans la structure de soins ainsi que les preuves de paiement. L'agence peut également demander les documents nécessaires démontrant qu'il s'agit de personnel soignant qualifié ;]2
  [2 2° /2 [4 une copie des contrats d'entreprise conclus avec le personnel indépendant visé à l'article 475, § 3, alinéa 2, 1° et alinéa 3, 2°, ou de la convention de prêt de personnel salarié auprès d'une autre structure de soins, visée à l'article 475, § 3, alinéa 2, 2°, et alinéa 3, 3°, une copie des factures sur lesquelles figurent le nombre d'heures prestées par les membres du personnel visés à l'article 475, § 3, alinéa 2, 1° et 2° et alinéa 3, 2° et 3°, dans les structures de soins ainsi que les preuves de paiement. L'agence peut également demander les documents nécessaires démontrant qu'il s'agit de personnel soignant qualifié]4 ; ]2
  3° une déclaration attestant que les avantages visés à l'article 428 sont appliqués ;
  4° [3 ...]3;
  5° les données relatives à l'utilisation, conformément aux directives internes de l'infrastructure de soins, des produits et du matériel permettant d'améliorer l'hygiène, afin de prévenir les maladies nosocomiales ;
  6° une copie du contrat qui a été conclu avec la personne désignée comme personne de référence démence ;
  7° toutes les autres données relatives au financement d'une quelconque donnée de l'intervention.
  [3 L'agence récupère elle-même les informations relatives à la répartition des résidents entre les catégories de dépendance à une date donnée, à partir de l'application numérique visée à l'article 521, § 1er.]3
  [3 En ce qui concerne le personnel soignant, l'agence demande chaque année au service public compétent pour délivrer le visa si ce personnel dispose effectivement d'un visa pour exercer la profession, ou l'agence demande au Département Soins si la personne concernée dispose d'un agrément pour la profession de soins en question et, le cas échéant, à partir de quelle date le visa ou l'agrément a été délivré. Si elle l'estime nécessaire, l'agence peut demander une copie des diplômes et une description de fonction du personnel auprès de la structure de soins.]3.
  [1 L'agence peut vérifier chaque année les données fournies dans le questionnaire électronique visé à l'alinéa 1er [5 jusqu'au 31 décembre de la deuxième année calendaire qui suit le dernier jour de la période de référence pour laquelle les données ont été fournies,]5 en les comparant avec les sources authentiques dont elle dispose auprès des services publics compétents. Si nécessaire, l'agence peut demander des informations supplémentaires auprès de la structure de soins.
   Si, à la suite des contrôles visés aux [5 alinéas 3 et 4]5, l'agence constate que des données inexactes ont été fournies au cours de la dernière période de référence, elle peut adapter les données fournies au moyen du questionnaire électronique par le centre de soins résidentiels et, le cas échéant, son centre de court séjour. Pour ce faire, elle se base sur les données réelles pour cette période, qu'elle obtient auprès de la structure. L'intervention de soins sera recalculée sur la base des données réelles. L'agence récupère le montant indûment payé en réduisant l'intervention de soins de base. Cette intervention est réduite de la différence entre l'intervention à laquelle la structure de soins aurait droit sur la base des données erronées et l'intervention à laquelle elle a droit sur la base des données réelles. Cette réduction est appliquée à partir du jour de la notification de l'intervention recalculée, pour une période égale à la période pendant laquelle la structure de soins a reçu de manière injustifiée l'intervention erronée dans le passé. Si l'agence n'est pas en mesure de recouvrer le montant indûment payé en réduisant l'intervention de soins de base, le montant indûment payé doit être recouvré auprès de la structure de soins.]1

  
Art. 452 TOEKOMSTIG RECHT.    De woonzorgcentra, in voorkomend geval met de bijbehorende centra voor kortverblijf, bezorgen aan het agentschap [5 over]5 ieder trimester, een elektronisch ingevulde vragenlijst waarvan het model wordt bepaald door het agentschap. Daarnaast bezorgen die zorgvoorzieningen de volgende documenten aan het agentschap op eerste verzoek:
  1° een kopie van de RSZ-aangifte, waarin het personeelsbestand is opgenomen, en een kopie van de arbeidsovereenkomsten die eigen zijn aan de zorgvoorziening of een kopie van de beslissing van de organiserende instantie als het gaat om een overheidsdienst;
  2° een kopie van de ondernemingscontracten die gesloten zijn met het zelfstandig personeel, vermeld in artikel 475, § 6, een kopie van de facturen met het aantal gepresteerde uren van dat personeel, alsook de betalingsbewijzen;
  [2 2° /1 een kopie van de contracten die gesloten zijn met [3 de uitzendbureaus, vermeld in artikel 475, § 3, eerste lid, een kopie van de facturen waarop het aantal uren vermeld staat dat de personeelsleden, vermeld in artikel 475, § 3, eerste lid, in de zorgvoorziening]3 gepresteerd hebben en ook de betalingsbewijzen. Het agentschap kan ook de nodige documenten vragen waaruit blijkt dat het om gekwalificeerd zorgpersoneel gaat;
   2° /2 [3 ...]3;]2

  3° een verklaring waaruit blijkt dat de voordelen zoals, vermeld in artikel 428, worden toegepast;
  4° [4 ...]4
  5° de gegevens met betrekking tot het gebruik, conform de interne richtlijnen van de zorgvoorziening, van de producten en de materialen die leiden tot betere hygiëne, ter voorkoming van nosocomiale ziekten;
  6° een kopie van de overeenkomst die werd gesloten met de persoon die als referentiepersoon dementie is aangewezen;
  7° alle andere gegevens met betrekking tot de financiering van enig onderdeel van de tegemoetkoming.
  [4 Het agentschap haalt de informatie over de verdeling van de bewoners over de afhankelijkheidscategorieën op een bepaalde datum zelf op uit de digitale applicatie, vermeld in artikel 521, § 1.]4
  [4 Wat het zorgpersoneel betreft, vraagt het agentschap jaarlijks aan de overheidsdienst die bevoegd is om het visum te verlenen, of dat personeel effectief beschikt over een visum om het beroep uit te oefenen of vraagt het agentschap aan het Departement Zorg of de betrokkene een erkenning heeft voor het zorgberoep in kwestie en als dat het geval is, vanaf welke datum het visum of de erkenning is verleend. Als het agentschap dat nodig acht, kan het een kopie van de diploma's en de functie-omschrijving van het personeel opvragen bij de zorgvoorziening.]4
  [1 Het agentschap kan jaarlijks de gegevens meegedeeld in de elektronisch ingevulde vragenlijst, vermeld in het eerste lid, controleren door de gegevens te vergelijken met de daartoe beschikbare authentieke bronnen van de bevoegde overheidsdiensten. Als ze dat nodig acht kan het agentschap bijkomende informatie opvragen bij de zorgvoorziening.
   In het geval het agentschap in het kader van de controles, vermeld in het tweede en derde lid, vaststelt dat er foutieve gegevens werden meegedeeld in de laatst afgelopen referentieperiode, kan het agentschap de gegevens die door het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, via de elektronische vragenlijst bezorgd zijn, na informatie ingewonnen te hebben bij de voorziening, aanpassen op basis van de reële gegevens voor de referentieperiode. Op basis van de reële gegevens zal de tegemoetkoming voor zorg herberekend worden. Het agentschap recupereert het onterecht betaalde bedrag door de basistegemoetkoming voor zorg te verminderen. Die tegemoetkoming wordt verminderd met het verschil tussen de tegemoetkoming waarop de zorgvoorziening op basis van de foutieve gegevens recht zou hebben en de tegemoetkoming waarop de zorgvoorziening op basis van de reële gegevens recht heeft. Deze vermindering wordt vanaf de dag waarop de herberekende tegemoetkoming gecommuniceerd wordt, toegepast gedurende een even lange periode als de periode waarin de zorgvoorziening in het verleden onterecht de foutieve tegemoetkoming ontving. Als het agentschap het onterecht betaalde bedrag niet kan recupereren door de basistegemoetkoming voor zorg te verminderen wordt het onterecht betaalde bedrag van de zorgvoorziening teruggevorderd.]1
Art. 452 DROIT FUTUR.    Les centres de soins résidentiels, le cas échéant avec les centres de court séjour correspondants, fourniront [5 à propos de]5 chaque trimestre à l'agence un question complété électroniquement dont le modèle est déterminé par l'agence. Par ailleurs, ces infrastructures de soins fourniront les documents suivants à l'agence, à sa première demande :
  1° une copie de la déclaration ONSS reprenant l'effectif du personnel, et une copie des contrats de travail propres à l'infrastructure de soins ou une copie de la décision de l'instance organisatrice s'il s'agit d'un service public ;
  2° une copie des contrats d'entreprise conclus avec le personnel indépendant visé à l'article 475, § 6, une copie des factures avec le nombre d'heures prestées de ce personnel, ainsi que les preuves de paiement ;
  [2 2° /1 une copie des contrats conclus avec [3 les agences de travail intérimaire visées à l'article 475, § 3, alinéa 1er, une copie des factures mentionnant le nombre d'heures de travail des membres du personnel visés à l'article 475, § 3, alinéa 1er, dans la structure de soins ]3 ainsi que les preuves de paiement. L'agence peut également demander les documents nécessaires démontrant qu'il s'agit de personnel soignant qualifié ;]2
  [2 [3 ...]3; ]2
  3° une déclaration attestant que les avantages visés à l'article 428 sont appliqués ;
  4° [4 ...]4 ;
  5° les données relatives à l'utilisation, conformément aux directives internes de l'infrastructure de soins, des produits et du matériel permettant d'améliorer l'hygiène, afin de prévenir les maladies nosocomiales ;
  6° une copie du contrat qui a été conclu avec la personne désignée comme personne de référence démence ;
  7° toutes les autres données relatives au financement d'une quelconque donnée de l'intervention.
  [4 L'agence récupère elle-même les informations relatives à la répartition des résidents entre les catégories de dépendance à une date donnée, à partir de l'application numérique visée à l'article 521, § 1er.]4
  [4 En ce qui concerne le personnel soignant, l'agence demande chaque année au service public compétent pour délivrer le visa si ce personnel dispose effectivement d'un visa pour exercer la profession, ou l'agence demande au Département Soins si la personne concernée dispose d'un agrément pour la profession de soins en question et, le cas échéant, à partir de quelle date le visa ou l'agrément a été délivré. Si elle l'estime nécessaire, l'agence peut demander une copie des diplômes et une description de fonction du personnel auprès de la structure de soins. ]4
  [1 L'agence peut vérifier chaque année les données fournies dans le questionnaire électronique visé à l'alinéa 1er en les comparant avec les sources authentiques dont elle dispose auprès des services publics compétents. Si nécessaire, l'agence peut demander des informations supplémentaires auprès de la structure de soins.
   Si, à la suite des contrôles visés aux alinéas 2 et 3, l'agence constate que des données inexactes ont été fournies au cours de la dernière période de référence, elle peut adapter les données fournies au moyen du questionnaire électronique par le centre de soins résidentiels et, le cas échéant, son centre de court séjour. Pour ce faire, elle se base sur les données réelles pour cette période, qu'elle obtient auprès de la structure. L'intervention de soins sera recalculée sur la base des données réelles. L'agence récupère le montant indûment payé en réduisant l'intervention de soins de base. Cette intervention est réduite de la différence entre l'intervention à laquelle la structure de soins aurait droit sur la base des données erronées et l'intervention à laquelle elle a droit sur la base des données réelles. Cette réduction est appliquée à partir du jour de la notification de l'intervention recalculée, pour une période égale à la période pendant laquelle la structure de soins a reçu de manière injustifiée l'intervention erronée dans le passé. Si l'agence n'est pas en mesure de recouvrer le montant indûment payé en réduisant l'intervention de soins de base, le montant indûment payé doit être recouvré auprès de la structure de soins.]1
Art. 453. § 1. In de elektronische vragenlijst, vermeld in artikel 452, worden onder meer de volgende gegevens opgenomen per trimester:
  1° de volgende gegevens met betrekking tot het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf:
  a) het RSZ-nummer;
  b) het statuut;
  c) de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur voor voltijdse prestaties;
  d) [4 ...]4;
  e) het aantal gefactureerde dagen per afhankelijkheidscategorie voor de bewoners die niet zijn opgenomen in[4 451/1, 1°]4;
  f)[4 ...]4;
  g) [4 per subsidiestroom het bankrekeningnummer waarop de zorgvoorziening de betalingen wil ontvangen;]4;
  [4 h) het vestigingeenheidsnummer van de Kruispuntbank van Ondernemingen;]4
  2° gegevens voor alle verpleegkundigen, personeel voor reactivering en [5 zorgkundigen en [7 zij-instroomzorgkundigen]7]5: per persoon:
  a) [6 de voor- en achternaam;]6;
  b) het INSZ-nummer;
  c) het aantal gepresteerde en/of gelijkgestelde dagen als vermeld in artikel 475, § 2, eerste lid, 1°, van dit besluit;
  d) het aantal niet-gelijkgestelde dagen als vermeld in artikel 475, § 2, eerste lid, 1°, van dit besluit;
  e) het aantal gepresteerde en/of geassimileerde uren als vermeld in artikel 475, § 2, 1°, van dit besluit;
  f) het aantal gepresteerde uren als vermeld in artikel 475, § 3, [3 elfde en twaalfde lid ]3 § 4 en § 6, van dit besluit;
  g) de beroepskwalificatie;
  h) het statuut: loontrekkende of statutair; [3 uitzendkracht]3; zelfstandige; zelfstandig, statutair of loontrekkend directeur; vervanger, en de inlichtingen met betrekking tot artikel 475, § 3, van dit besluit;
  i) als het gaat om een nieuw personeelslid of als een einde is gesteld aan de tewerkstelling: de begindatum en in voorkomend geval de einddatum;
  j) de baremieke anciënniteit, vermeld in artikel 480 van dit besluit;
  [4 k) de melding of het personeelslid in kwestie via meervoudig werkgeverschap in verschillende voorzieningen werkt;]4
  [3 2° /1 de volgende gegevens voor alle begeleiders wonen en leven per persoon:
   a) [6 de voor- en achternaam;]6
   b) het INSZ-nummer;
   c) het aantal gepresteerde en/of gelijkgestelde dagen, vermeld in artikel 473, § 4, tweede lid, van dit besluit;
   d) het aantal niet-gelijkgestelde dagen, vermeld in artikel 473, § 4, tweede lid, van dit besluit;
   e) het aantal gepresteerde en/of geassimileerde uren, vermeld in artikel 473, § 4, tweede lid, van dit besluit;
   f) de beroepskwalificatie;
   g) het statuut: loontrekkende of statutair;
   h) als het gaat om een nieuw personeelslid of als een einde is gesteld aan de tewerkstelling: de begindatum en, in voorkomend geval, de einddatum;
   2° /2 de volgende gegevens voor alle logistiek medewerkers in de zorg [5 de zinsnede "en voor alle BelRAI-coördinatoren,]5 per persoon:
   a) [6 de voor- en achternaam;]6
   b) het INSZ-nummer;
   c) het aantal gepresteerde en/of gelijkgestelde dagen, vermeld in [5 artikel 487, § 2, zesde lid, van dit besluit"5
   d) het aantal niet-gelijkgestelde dagen, vermeld in [5 artikel 487, § 2, zesde lid, van dit besluit"]5
;
   e) het aantal gepresteerde en/of geassimileerde uren, vermeld in [5 artikel 487, § 2, zesde lid, van dit besluit]5;
   f) de beroepskwalificatie;
   g) het statuut: loontrekkende of statutair;
   h) als het gaat om een nieuw personeelslid of als een einde is gesteld aan de tewerkstelling: de begindatum en, in voorkomend geval, de einddatum;]3

  [4 2° /3 de volgende gegevens voor de medewerkers die ingezet worden in de zorgvoorzieningen en van de zelfstandigen die met een ondernemingscontract aan de zorgvoorziening verbonden zijn en die worden ingeschakeld in de werking van de zorgvoorzieningen én die geen personen zijn als vermeld in punt 2°, 2° /1 en 2° /2:
  a) het INSZ-nummer;
  b) het aantal gepresteerde en/of gelijkgestelde dagen;
  c) het aantal niet-gelijkgestelde dagen;
  d) het aantal gepresteerde en/of geassimileerde uren;
  e) de beroepskwalificatie;
  f) het statuut: loontrekkende, statutair of zelfstandig met een ondernemingscontract verbonden aan de zorgvoorziening;
  g) als het gaat om een nieuw personeelslid of als een einde is gesteld aan de tewerkstelling: de begindatum en, in voorkomend geval, de einddatum;]4

  [6 h) de voor- en achternaam;]6
  3° [7 de gegevens over het functiecomplement voor hoofdverpleegkundigen, teamverantwoordelijken die in het bezit zijn van ten minste een bachelordiploma in een zorg- of welzijnsdomein, hoofdparamedici en kinesitherapeuten die dienstverantwoordelijke zijn als vermeld in artikel 497 van dit besluit;]7
  4° de gegevens over de referentiepersoon dementie, vermeld in artikel 498 van dit besluit;
  5° [4 e volgende gegevens over de coördinerend arts, vermeld in artikel 500 van dit besluit,:
  a) het INSZ-nummer;
  b) het telefoonnummer;
  c) het e-mailadres;
  d) de begin- en einddatum van het contract [7 of de overeenkomst]7;]4

  [6 e) de voor- en achternaam;]6
  6° de gegevens over de bijkomende vorming van het personeel op het vlak van dementie, vermeld in artikel 502, § 3, van dit besluit;
  7° de bevestiging van de volgende certificaten:
  a) een attest eindeloopbaan als de zorgvoorziening aan een van de volgende voorwaarden voldoet:
  1) voor de private en non-profit sector: onder de toepassing vallen van een collectieve arbeidsovereenkomst die is gesloten in het bevoegde paritair comité, in uitvoering van het akkoord voor de gezondheidssector van 26 april 2005, dat afgesloten is tussen de federale regering en de representatieve organisaties van de private non-profit sector;
  2) voor de openbare sector: onder toepassing vallen van een protocol van akkoord dat is gesloten in het bevoegde onderhandelingscomité als vermeld in de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, in uitvoering van het protocol nr. 148/2 van het Gemeenschappelijk Comité voor alle Overheidsdiensten van 29 juni, 5 juli en 18 juli 2005;
  b) een attest sociaal akkoord als de zorgvoorziening voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 428 van dit besluit;
  c) een attest nosocomiaal als de zorgvoorziening voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 490 van dit besluit;
  d) een attest palliatieve functie als de zorgvoorziening voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 491 tot en met 494 van dit besluit;
  e) attest functie dementie als de zorgvoorziening voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 502 van dit besluit;
  8° de vermelding van een van de volgende conventies als in de zorgvoorziening bewoners verblijven die onder de toepassing van een van de volgende conventies vallen:
  a) alternatieve zorgen;
  b) Huntington;
  c) MS/ALS;
  9° [4 de naam, het INSZ-nummer, het [7 telefoonnummer]7 en het e-mailadres van de directeur;]4;
  10° [4 per thema of subsidie minstens één contactpersoon waarvan de volgende gegevens worden meegedeeld:.
  a) de voor- en achternaam;
  b) het telefoonnummer;
  c) het e-mailadres;]4

  [1 De zorgvoorzieningen die binnen het toepassingsgebied van artikel 663/4, vallen nemen in de elektronische vragenlijst, vermeld in artikel 452, naast de gegevens vermeld in het eerste lid, voor elk lid van het ondersteunend personeel per trimester de volgende gegevens op":
   1° [6 de voor- en achternaam]6;
   2° het INSZ-nummer;
   3° het aantal gepresteerde of gelijkgestelde dagen, vermeld in artikel 475, § 2, eerste lid, 1° ;
   4° het aantal niet-gelijkgestelde dagen, vermeld in artikel 475, § 2, eerste lid, 1° ;
   5° het aantal gepresteerde en/of geassimileerde uren, vermeld in artikel 475, § 2, 1° ;
   6° het aantal gepresteerde uren, vermeld in artikel 475, § 3, § 4 en § 6;
   7° bij een nieuw personeelslid of als een einde is gesteld aan de tewerkstelling: de begindatum en, in voorkomend geval, de einddatum.
   Met behoud van de toepassing van artikel 16/2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2018 tot financiering van sommige sociale akkoorden in bepaalde gezondheidsinrichtingen en -diensten, wordt het personeel dat gefinancierd wordt door een Fonds Sociale Maribel niet beschouwd als ondersteunend personeel als vermeld in het tweede lid.]1

  [4 Op basis van het INSZ-nummer dat is meegedeeld op basis van deze paragraaf, haalt het agentschap de volgende gegevens zelf op uit het Rijksregister of uit de Kruispuntbankregisters, vermeld in artikel 4 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid;
  1° de voor- en achternaam;
  2° de geboortedatum.]4

  § 2. De gegevens, vermeld in paragraaf 1, kunnen in de woonzorgcentra, in voorkomend geval in de bijbehorende centra voor kortverblijf, en bij de zorgkas gecontroleerd worden door het agentschap. Het agentschap controleert jaarlijks een steekproef van woonzorgcentra, in voorkomend geval met de bijbehorende centra voor kortverblijf.
  [2 De leidend ambtenaar kan een administratieve geldboete opleggen als vermeld in artikel 146/1, 148/1 en 152/1 van het decreet van 18 mei 2018]2 als het agentschap vaststelt dat een woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorend centrum voor kortverblijf, de elektronische vragenlijst opzettelijk verkeerd heeft ingevuld met als doel het bekomen van een hogere tegemoetkoming dan de tegemoetkoming waarop men op basis van de reële gegevens recht heeft. De bewijslast daarvan ligt bij het agentschap.
  [2 De leidend ambtenaar maakt met een aangetekende brief]2 een gemotiveerde vaststelling over aan het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorend centrum voor kortverblijf. Het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met bijbehorend centrum voor kortverblijf, betaalt de geldboete binnen 3 maanden na ontvangst van de gemotiveerde vaststelling.
  [2 Als het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, niet betaalt binnen de termijn, vermeld in het derde lid, wordt de administratieve geldboete bij dwangbevel ingevorderd. De leidend ambtenaar viseert het dwangbevel en verklaart het uitvoerbaar. De gegevens van het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, waarbij de administratieve geldboete, verhoogd met de invorderingskosten, bij dwangbevel moet worden ingevorderd, worden bezorgd aan de Vlaamse Belastingdienst.]2
  Het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorend centrum voor kortverblijf, past binnen de termijn, vermeld in het derde lid, de elektronische vragenlijst aan op basis van de reële gegevens voor de referentieperiode die het laatst bevestigd werd. Op basis van de reële gegevens zal de tegemoetkoming herberekend worden en in voorkomend geval wordt het bedrag dat te veel betaald is, teruggevorderd.
  Het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met bijbehorend centrum voor kortverblijf, kan binnen een maand na de datum van de ontvangst van de gemotiveerde vaststelling beroep aantekenen bij de arbeidsrechtbank. Het beroep bij de arbeidsrechtbank schorst de termijn van 3 maanden, vermeld in het derde en [2 vijfde]2 lid.
  
Art. 453. § 1er. Le questionnaire électronique visé à l'article 452 reprend notamment les données suivantes par trimestre :
   1° les données suivantes relatives au centre de soins résidentiels, le cas échéant avec le centre de court séjour correspondant :
   a) le numéro ONSS ;
   b) le statut ;
   c) la durée de travail hebdomadaire moyenne pour prestations complètes ;
   d) [4 ...]4;
   e) le nombre de journées facturées par catégorie de dépendance pour les résidents qui ne sont pas repris au[4 451/1, 1°]4) ;
   f) [4 ...]4;
   g) [4 pour chaque flux de subventions, le numéro du compte bancaire sur lequel la structure de soins souhaite recevoir les paiements]4;
   [4 h) le numéro d'unité d'établissement de la Banque-Carrefour des Entreprises ;-]4
   2° données de tous les infirmiers, du personnel de réactivation et des [5 des aides-soignants ou aides-soignants pour l'afflux indirect ]5 : par personne :
   a) [6 les prénom et nom]6 ;
   b) le numéro NISS ;
   c) le nombre de journées prestées et/ou de journées assimilées telles que visées à l'article 475, § 2, alinéa premier, 1°, du présent arrêté ;
   d) le nombre de journées non assimilées telles que visées à l'article 475, § 2, alinéa premier, 1°, du présent arrêté
   e) le nombre d'heures prestées et/ou d'heures assimilées telles que visées à l'article 475, § 2, 1°, du présent arrêté ;
   f) le nombre d'heures prestées telles que visées à l'article 475, § 3,[3 alinéas 11 et 12]3 § 4 et § 6, du présent arrêté ;
   g) la qualification professionnelle ;
   h) le statut : salarié ou statutaire ; [3 travailleur intérimaire]3 ; indépendant ; directeur, indépendant, statutaire ou salarié ; remplaçant, et les renseignements relatifs à l'article 475, § 3, du présent arrêté ;
   i) s'il s'agit d'un nouveau membre du personnel ou s'il est mis fin à l'emploi : la date de début et le cas échéant la date de fin ;
   j) l'ancienneté barémique visée à l'article 480 du présent arrêté ;
   [4 k) l'indication si le membre du personnel en question travaille dans plusieurs structures pour plusieurs employeurs ;]4
   [3 2° /1 les données suivantes pour l'ensemble des accompagnateurs habitat et vie par personne :
   a) [6 les prénom et nom]6;
   b) le numéro NISS ;
   c) le nombre de jours prestés et/ou assimilés visés à l'article 473, § 4, alinéa 2, du présent arrêté ;
   d) le nombre de jours non assimilés visés à l'article 473, § 4, alinéa 2, du présent arrêté ;
   e) le nombre d'heures prestées et/ou assimilées visées à l'article 473, § 4, alinéa 2, du présent arrêté ;
   f) la qualification professionnelle ;
   g) le statut : salarié ou statutaire ;
   h) s'il s'agit d'un nouveau membre du personnel ou si l'emploi a pris fin : la date de début et, le cas échéant, la date de fin ;
   2° /2 les données suivantes pour l'ensemble des collaborateurs logistiques dans les soins [5 collaborateurs logistiques dans les soins ]5 par personne :
   a) [6 les prénom et nom]6 ;
   b) le numéro NISS ;
   c) le nombre de jours prestés et/ou assimilés visés à l'[5 article 487, § 2, alinéa 6, du présent arrêté ]5 ;
   d) les jours non assimilés visés à l'[5 article 487, § 2, alinéa 6, du présent arrêté ]5 ;
   e) le nombre d'heures prestées et/ou assimilées visées à l'[5 article 487, § 2, alinéa 6, du présent arrêté ]5;
   [4 2° /3 les données suivantes des collaborateurs déployés dans les structures de soin et des travailleurs indépendants liés à la structure de soins par un contrat d'entreprise et déployés dans le fonctionnement des structures de soins et qui ne sont pas des personnes telles que visées aux points 2°, 2° /1 et 2° /2 :
   a) le numéro NISS ;
   b) le nombre de jours prestés et/ou assimilés ;
   c) le nombre de jours non assimilés ;
   d) le nombre d'heures prestées et/ou assimilées ;
   e) la qualification professionnelle ;
   f) le statut : salarié, statutaire ou indépendant lié à la structure de soins par un contrat d'entreprise ;
   g) s'il s'agit d'un nouveau membre du personnel ou s'il est mis fin à l'emploi : la date de début et, le cas échéant, la date de fin ; " ;
  [6 h) les prénom et nom]6;
   3° [7 les données relatives au complément de fonction pour les infirmiers en chef, les responsables d'équipe titulaires au minimum d'un diplôme de bachelier dans le domaine des soins ou du bien-être, les responsables de l'équipe paramédicale et les kinésithérapeutes qui sont chef de service tels que visés à l'article 497 du présent arrêté ;]7
   4° les données relatives à la personne de référence démence visée à l'article 498 du présent arrêté ;
   5° les données suivantes du médecin coordinateur visé à l'article 500 du présent arrêté ;
   a) le numéro NISS ;
   b) le numéro de téléphone ;
   c) l'adresse e-mail ;
   d) les dates de début et de fin du contrat [7 ou de la convention]7 ;]4

  [6 e) les prénom et nom ;]6
   f) la qualification professionnelle ;
   g) le statut : salarié ou statutaire ;
   h) s'il s'agit d'un nouveau membre du personnel ou si l'emploi a pris fin : la date de début et, le cas échéant, la date de fin ;]3

   6° les données relatives à la formation complémentaire du personnel en matière de démence, visées à l'article 502, § 3, du présent arrêté ;
   7° la confirmation des certificats suivants :
   a) une attestation de fin de carrière si l'infrastructure de soins répond à l'une des conditions suivantes :
   1) pour le secteur privé et le secteur non marchand : relever de l'application d'un contrat de travail collectif conclu au sein de la commission paritaire compétente, en exécution de l'accord pour le secteur non marchand du 26 avril 2005, qui a été conclu entre le gouvernement fédéral et les organisations représentatives du secteur privé non marchand ;
   2) pour le secteur public : relever de l'application d'un protocole d'accord conclu au sein du comité de négociation compétent tel que visé dans la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités, en exécution du protocole n° 148/2 du Comité commun à l'ensemble des services publics des 29 juin, 5 juillet et 18 juillet 2005 ;
   b) une attestation accord social si l'infrastructure de soins remplit les conditions visées à l'article 428 du présent arrêté ;
   c) une attestation nosocomiale si l'infrastructure de soins remplit les conditions visées à l'article 490 du présent arrêté ;
   d) une attestation fonction palliative si l'infrastructure de soins remplit les conditions visées aux articles 491 à 494 du présent arrêté ;
   e) attestation fonction démence si l'infrastructure de soins remplit les conditions visées à l'article 502 du présent arrêté ;
   8° la mention de l'une des conventions suivantes si des résidents qui séjournent dans l'infrastructure de soins relèvent de l'application de l'une des conventions suivantes :
   a) soins alternatifs ;
   b) Huntington ;
   c) MS/ALS ;
   9° [4 le nom, le numéro NISS, le numéro de téléphone et l'adresse e-mail du directeur ]4;
   10° [4 10° pour chaque thème ou subvention, au moins une personne de contact dont les données suivantes sont communiquées :
   a) les prénom et nom ;
   b) le numéro de téléphone ;
   c) l'adresse e-mail ;]4
.
   [1 Les structures de soins relevant du champ d'application de l'article 663/4 incluent dans le questionnaire électronique visé à l'article 452, en plus des données visées à l'alinéa 1er, les données suivantes pour chaque membre du personnel d'appui par trimestre " :
   1° [6 les prénom et nom]6 ;
   2° le numéro NISS ;
   3° le nombre de jours prestés ou assimilés, visé à l'article 475, § 2, alinéa 1er, 1° ;
   4° le nombre de jours non assimilés, visé à l'article 475, § 2, alinéa 1er, 1° ;
   5° le nombre d'heures prestées et/ou assimilées, visé à l'article 475, § 2, 1° ;
   6° le nombre d'heures prestées, visé à l'article 475, § 3, § 4 et § 6 ;
   7° en cas d'un nouveau membre du personnel ou lorsqu'il est mis fin à l'occupation : la date de début et, le cas échéant, la date de fin.
   Sans préjudice de l'application de l'article 16/2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 décembre 2018 portant financement de certains accords sociaux dans certains établissements et services de santé, le personnel financé par un Fonds Maribel social n'est pas considéré comme du personnel d'appui visé à l'alinéa 2.]1

   [4 Sur la base du numéro NISS communiqué en vertu du présent paragraphe, l'agence récupère elle-même les données suivantes du Registre national ou des registres de la Banque-Carrefour, figurant à l'article 4 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale :
   1° les prénom et nom ;
   2° la date de naissance.]4

   § 2. Les données visées au paragraphe 1er peuvent être contrôlées par l'agence dans les centres de soins résidentiels, le cas échéant dans les centres de court séjour correspondants, et auprès de la caisse d'assurance soins. Chaque année, l'agence contrôle un échantillon de centres de soins résidentiels, le cas échéant avec les centres de court séjour correspondants.
   [2 Le fonctionnaire dirigeant peut infliger une amende administrative telle que visée aux articles 146/1, 148/1 et 152/1 du décret du 18 mai 2018]2 si l'agence constate qu'un centre de soins résidentiels, le cas échéant avec le centre de court séjour correspondant, a délibérément complété erronément le questionnaire électronique dans le but d'obtenir une intervention plus élevée que celle à laquelle il a droit sur la base des données réelles. La charge de la preuve en incombe à l'agence.
   [2 Le fonctionnaire dirigeant transmet par lettre recommandée]2 un constat motivé au centre de soins résidentiels, le cas échéant avec le centre de court séjour correspondant. Le centre de soins résidentiels, le cas échéant avec le centre de court séjour correspondant, paiera l'amende dans les 3 mois suivant la réception de la constatation motivée.
   [2 Si le centre de soins résidentiels et, le cas échéant, son centre de court séjour, ne paient pas dans le délai visé à l'alinéa 3, l'amende administrative est perçue au moyen d'une contrainte. Le fonctionnaire dirigeant vise la contrainte et la déclare exécutoire. Les données du centre de soins résidentiels et, le cas échéant, de son centre de court séjour, auprès desquels l'amende administrative, majorée des frais de recouvrement, doit être recouvrée sous contrainte sont transmises au Service flamand des impôts.]2
   Le centre de soins résidentiels, le cas échéant avec le centre de court séjour correspondant, adaptera dans le délai visé au troisième alinéa, le questionnaire électronique sur la base des données réelles pour la période de référence confirmée en dernier lieu. Sur la base des données réelles, l'intervention sera recalculée et le cas échéant le montant payé en trop sera réclamé.
   Le centre de soins résidentiels, le cas échéant avec le centre de court séjour correspondant, pourra interjeter appel auprès du tribunal du travail dans un délai d'un mois suivant la date de la réception du constat motivé. L'appel auprès du tribunal du travail suspend le délai de 3 mois visé aux troisième et [2 cinquième]2 alinéas.
  
Art. 453 TOEKOMSTIG RECHT.    § 1. In de elektronische vragenlijst, vermeld in artikel 452, worden [6 ...]6r de volgende gegevens opgenomen per trimester:
  1° de volgende gegevens met betrekking tot het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf:
  a) het RSZ-nummer;
  b) het statuut;
  c) de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur voor voltijdse prestaties;
  d) [5 ...]5;
  e) het aantal gefactureerde dagen per afhankelijkheidscategorie voor de bewoners die niet zijn opgenomen in[5 artikel 451/1, 1°]5;
  f) [5 ...]5
  g) [5 g) per subsidiestroom het bankrekeningnummer waarop de zorgvoorziening de betalingen wil ontvangen]5;
  [5 h) het vestigingeenheidsnummer van de Kruispuntbank van Ondernemingen;]5
  2° gegevens voor alle verpleegkundigen, personeel voor reactivering en zorgkundigen: per persoon:
  a) [5 ...]5;
  b) het INSZ-nummer;
  c) het aantal gepresteerde en/of gelijkgestelde dagen als vermeld in artikel 475, § 2, eerste lid, 1°, van dit besluit;
  d) het aantal niet-gelijkgestelde dagen als vermeld in artikel 475, § 2, eerste lid, 1°, van dit besluit;
  e) het aantal gepresteerde en/of geassimileerde uren als vermeld in artikel 475, § 2, 1°, van dit besluit;
  f) het aantal gepresteerde uren als vermeld in artikel 475, § 3, [3 [4 achtste en negende lid]4,]3 § 4 en § 6, van dit besluit;
  g) de beroepskwalificatie;
  h) het statuut: loontrekkende of statutair; [3 uitzendkracht]3; zelfstandige; zelfstandig, statutair of loontrekkend directeur; vervanger, en de inlichtingen met betrekking tot artikel 475, § 3, van dit besluit;
  i) als het gaat om een nieuw personeelslid of als een einde is gesteld aan de tewerkstelling: de begindatum en in voorkomend geval de einddatum;
  j) de baremieke anciënniteit, vermeld in artikel 480 van dit besluit;
  [5 k) de melding of het personeelslid in kwestie via meervoudig werkgeverschap in verschillende voorzieningen werkt]5
  [6 l) de IFIC-code en de IFIC-categorie;]6
  [3 2° /1 de volgende gegevens voor alle begeleiders wonen en leven per persoon:
   a) [5 ...]5
   b) het INSZ-nummer;
   c) het aantal gepresteerde en/of gelijkgestelde dagen, vermeld in artikel 473, § 4, tweede lid, van dit besluit;
   d) het aantal niet-gelijkgestelde dagen, vermeld in artikel 473, § 4, tweede lid, van dit besluit;
   e) het aantal gepresteerde en/of geassimileerde uren, vermeld in artikel 473, § 4, tweede lid, van dit besluit;
   f) de beroepskwalificatie;
   g) het statuut: loontrekkende of statutair;
   h) als het gaat om een nieuw personeelslid of als een einde is gesteld aan de tewerkstelling: de begindatum en, in voorkomend geval, de einddatum;
  [6 i) de IFIC-code en de IFIC-categorie;]6
   2° /2 de volgende gegevens voor alle logistiek medewerkers in de zorg per persoon:
   a) [5 ...]5;
   b) het INSZ-nummer;
   c) het aantal gepresteerde en/of gelijkgestelde dagen, vermeld in artikel 487, § 1, derde lid, van dit besluit;
   d) het aantal niet-gelijkgestelde dagen, vermeld in artikel 487, § 1, derde lid, van dit besluit;
   e) het aantal gepresteerde en/of geassimileerde uren, vermeld in artikel 487, § 1, derde lid, van dit besluit;
   f) de beroepskwalificatie;
   g) het statuut: loontrekkende of statutair;
   h) als het gaat om een nieuw personeelslid of als een einde is gesteld aan de tewerkstelling: de begindatum en, in voorkomend geval, de einddatum;]3

  [6 i) de IFIC-code en de IFIC-categorie;]6
  [5 2° /3 de volgende gegevens voor de medewerkers die ingezet worden in de zorgvoorzieningen en van de zelfstandigen die met een ondernemingscontract aan de zorgvoorziening verbonden zijn en die worden ingeschakeld in de werking van de zorgvoorzieningen én die geen personen zijn als vermeld in punt 2°, 2° /1 en 2° /2:
  a) het INSZ-nummer;
  b) het aantal gepresteerde en/of gelijkgestelde dagen;
  c) het aantal niet-gelijkgestelde dagen;
  d) het aantal gepresteerde en/of geassimileerde uren;
  e) de beroepskwalificatie;
  f) het statuut: loontrekkende, statutair of zelfstandig met een ondernemingscontract verbonden aan de zorgvoorziening;
  g) als het gaat om een nieuw personeelslid of als een einde is gesteld aan de tewerkstelling: de begindatum en, in voorkomend geval, de einddatum;]5

  [6 h) de IFIC-code en IFIC-categorie;]6
  3° de gegevens over het functiecomplement voor hoofdverpleegkundigen, hoofdparamedici en verpleegkundig coördinatoren, vermeld in artikel 497 van dit besluit;
  4° de gegevens over de referentiepersoon dementie, vermeld in artikel 498 van dit besluit;
  5°[5 de volgende gegevens over de coördinerend arts, vermeld in artikel 500 van dit besluit,:
  a) het INSZ-nummer;
  b) het telefoonnummer;
  c) het e-mailadres;
  d) de begin- en einddatum van het contract;]5
;
  6° de gegevens over de bijkomende vorming van het personeel op het vlak van dementie, vermeld in artikel 502, § 3, van dit besluit;
  7° de bevestiging van de volgende certificaten:
  a) een attest eindeloopbaan als de zorgvoorziening aan een van de volgende voorwaarden voldoet:
  1) voor de private en non-profit sector: onder de toepassing vallen van een collectieve arbeidsovereenkomst die is gesloten in het bevoegde paritair comité, in uitvoering van het akkoord voor de gezondheidssector van 26 april 2005, dat afgesloten is tussen de federale regering en de representatieve organisaties van de private non-profit sector;
  2) voor de openbare sector: onder toepassing vallen van een protocol van akkoord dat is gesloten in het bevoegde onderhandelingscomité als vermeld in de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, in uitvoering van het protocol nr. 148/2 van het Gemeenschappelijk Comité voor alle Overheidsdiensten van 29 juni, 5 juli en 18 juli 2005;
  b) een attest sociaal akkoord als de zorgvoorziening voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 428 van dit besluit;
  c) een attest nosocomiaal als de zorgvoorziening voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 490 van dit besluit;
  d) een attest palliatieve functie als de zorgvoorziening voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 491 tot en met 494 van dit besluit;
  e) attest functie dementie als de zorgvoorziening voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 502 van dit besluit;
  8° de vermelding van een van de volgende conventies als in de zorgvoorziening bewoners verblijven die onder de toepassing van een van de volgende conventies vallen:
  a) alternatieve zorgen;
  b) Huntington;
  c) MS/ALS;
  9° [5 de naam, het INSZ-nummer, het telefoonummer en het e-mailadres van de directeur;]5;
  10° [5 per thema of subsidie minstens één contactpersoon waarvan de volgende gegevens worden meegedeeld:
  a) de voor- en achternaam;
  b) het telefoonnummer;
  c) het e-mailadres;]5

  [1 De zorgvoorzieningen die binnen het toepassingsgebied van artikel 663/4, vallen nemen in de elektronische vragenlijst, vermeld in artikel 452, naast de gegevens vermeld in het eerste lid, voor elk lid van het ondersteunend personeel per trimester de volgende gegevens op:
   1° de voor- en achternaam;
   2° het INSZ-nummer;
   3° het aantal gepresteerde of gelijkgestelde dagen, vermeld in artikel 475, § 2, eerste lid, 1° ;
   4° het aantal niet-gelijkgestelde dagen, vermeld in artikel 475, § 2, eerste lid, 1° ;
   5° het aantal gepresteerde en/of geassimileerde uren, vermeld in artikel 475, § 2, 1° ;
   6° het aantal gepresteerde uren, vermeld in artikel 475, § 3, § 4 en § 6;
   7° bij een nieuw personeelslid of als een einde is gesteld aan de tewerkstelling: de begindatum en, in voorkomend geval, de einddatum.
   Met behoud van de toepassing van artikel 16/2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2018 tot financiering van sommige sociale akkoorden in bepaalde gezondheidsinrichtingen en -diensten, wordt het personeel dat gefinancierd wordt door een Fonds Sociale Maribel niet beschouwd als ondersteunend personeel als vermeld in het tweede lid.]1

  [5 Op basis van het INSZ-nummer dat is meegedeeld op basis van deze paragraaf, haalt het agentschap de volgende gegevens zelf op uit het Rijksregister of uit de Kruispuntbankregisters, vermeld in artikel 4 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid:
  1° de voor- en achternaam;
  2° de geboortedatum.]5

  § 2. De gegevens, vermeld in paragraaf 1, kunnen in de woonzorgcentra, in voorkomend geval in de bijbehorende centra voor kortverblijf, en bij de zorgkas gecontroleerd worden door het agentschap. Het agentschap controleert jaarlijks een steekproef van woonzorgcentra, in voorkomend geval met de bijbehorende centra voor kortverblijf.
  [2 De leidend ambtenaar kan een administratieve geldboete opleggen als vermeld in artikel 146/1, 148/1 en 152/1 van het decreet van 18 mei 2018]2 als het agentschap vaststelt dat een woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorend centrum voor kortverblijf, de elektronische vragenlijst opzettelijk verkeerd heeft ingevuld met als doel het bekomen van een hogere tegemoetkoming dan de tegemoetkoming waarop men op basis van de reële gegevens recht heeft. De bewijslast daarvan ligt bij het agentschap.
  [2 De leidend ambtenaar maakt met een aangetekende brief]2 een gemotiveerde vaststelling over aan het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorend centrum voor kortverblijf. Het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met bijbehorend centrum voor kortverblijf, betaalt de geldboete binnen 3 maanden na ontvangst van de gemotiveerde vaststelling.
  [2 Als het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, niet betaalt binnen de termijn, vermeld in het derde lid, wordt de administratieve geldboete bij dwangbevel ingevorderd. De leidend ambtenaar viseert het dwangbevel en verklaart het uitvoerbaar. De gegevens van het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, waarbij de administratieve geldboete, verhoogd met de invorderingskosten, bij dwangbevel moet worden ingevorderd, worden bezorgd aan de Vlaamse Belastingdienst.]2
  Het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorend centrum voor kortverblijf, past binnen de termijn, vermeld in het derde lid, de elektronische vragenlijst aan op basis van de reële gegevens voor de referentieperiode die het laatst bevestigd werd. Op basis van de reële gegevens zal de tegemoetkoming herberekend worden en in voorkomend geval wordt het bedrag dat te veel betaald is, teruggevorderd.
  Het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met bijbehorend centrum voor kortverblijf, kan binnen een maand na de datum van de ontvangst van de gemotiveerde vaststelling beroep aantekenen bij de arbeidsrechtbank. Het beroep bij de arbeidsrechtbank schorst de termijn van 3 maanden, vermeld in het derde en [2 vijfde]2 lid.
Art. 453 DROIT FUTUR.    § 1er. Le questionnaire électronique visé à l'article 452 reprend [6 ...]6 les données suivantes par trimestre :
   1° les données suivantes relatives au centre de soins résidentiels, le cas échéant avec le centre de court séjour correspondant :
   a) le numéro ONSS ;
   b) le statut ;
   c) la durée de travail hebdomadaire moyenne pour prestations complètes ;
   d) [5 ...]5;
   e) le nombre de journées facturées par catégorie de dépendance pour les résidents qui ne sont pas repris au[5 451/1, 1° ]5 ;
   f) [5 ...]5;
   g) [5 pour chaque flux de subventions, le numéro du compte bancaire sur lequel la structure de soins souhaite recevoir les paiements ; ]5;
   [5 h) le numéro d'unité d'établissement de la Banque-Carrefour des Entreprises ;]5
  [6 l) le code IFIC et la catégorie IFIC ; ]6
   2° données de tous les infirmiers, du personnel de réactivation et des aides-soignants : par personne :
   a)[5 ...]5;
   b) le numéro NISS ;
   c) le nombre de journées prestées et/ou de journées assimilées telles que visées à l'article 475, § 2, alinéa premier, 1°, du présent arrêté ;
   d) le nombre de journées non assimilées telles que visées à l'article 475, § 2, alinéa premier, 1°, du présent arrêté
   e) le nombre d'heures prestées et/ou d'heures assimilées telles que visées à l'article 475, § 2, 1°, du présent arrêté ;
   f) le nombre d'heures prestées telles que visées à l'article 475, § 3,[3 [4 alinéas 8 et 9 ]4]3 § 4 et § 6, du présent arrêté ;
   g) la qualification professionnelle ;
   h) le statut : salarié ou statutaire ; [3 travailleur intérimaire]3 ; indépendant ; directeur, indépendant, statutaire ou salarié ; remplaçant, et les renseignements relatifs à l'article 475, § 3, du présent arrêté ;
   i) s'il s'agit d'un nouveau membre du personnel ou s'il est mis fin à l'emploi : la date de début et le cas échéant la date de fin ;
   j) l'ancienneté barémique visée à l'article 480 du présent arrêté ;
   [5 k) l'indication si le membre du personnel en question travaille dans plusieurs structures pour plusieurs employeurs ;]5
   [3 2° /1 les données suivantes pour l'ensemble des accompagnateurs habitat et vie par personne :
   a) [5 ...]5;
   b) le numéro NISS ;
   c) le nombre de jours prestés et/ou assimilés visés à l'article 473, § 4, alinéa 2, du présent arrêté ;
   d) le nombre de jours non assimilés visés à l'article 473, § 4, alinéa 2, du présent arrêté ;
   e) le nombre d'heures prestées et/ou assimilées visées à l'article 473, § 4, alinéa 2, du présent arrêté ;
   f) la qualification professionnelle ;
   g) le statut : salarié ou statutaire ;
   h) s'il s'agit d'un nouveau membre du personnel ou si l'emploi a pris fin : la date de début et, le cas échéant, la date de fin ;
  [6 i) le code IFIC et la catégorie IFIC]6
   2° /2 les données suivantes pour l'ensemble des collaborateurs logistiques dans les soins par personne :
   a) [5 ...]5;
   b) le numéro NISS ;
   c) le nombre de jours prestés et/ou assimilés visés à l'article 487, § 1er, alinéa 3, du présent arrêté ;
   d) les jours non assimilés visés à l'article 487, § 1er, alinéa 3, du présent arrêté ;
   e) le nombre d'heures prestées et/ou assimilées visées à l'article 487, § 1er, alinéa 3, du présent arrêté ;
   f) la qualification professionnelle ;
   g) le statut : salarié ou statutaire ;
   h) s'il s'agit d'un nouveau membre du personnel ou si l'emploi a pris fin : la date de début et, le cas échéant, la date de fin ;]3

  [6 . i) le code IFIC et la catégorie IFIC ]6
   [5 2° /3 les données suivantes des collaborateurs déployés dans les structures de soin et des travailleurs indépendants liés à la structure de soins par un contrat d'entreprise et déployés dans le fonctionnement des structures de soins et qui ne sont pas des personnes telles que visées aux points 2°, 2° /1 et 2° /2 :
   a) le numéro NISS ;
   b) le nombre de jours prestés et/ou assimilés ;
   c) le nombre de jours non assimilés ;
   d) le nombre d'heures prestées et/ou assimilées ;
   e) la qualification professionnelle ;
   f) le statut : salarié, statutaire ou indépendant lié à la structure de soins par un contrat d'entreprise ;
   g) s'il s'agit d'un nouveau membre du personnel ou s'il est mis fin à l'emploi : la date de début et, le cas échéant, la date de fin ;]5

  [6 h) le code IFIC et la catégorie IFIC ; ]6
   3° les données relatives au complément de fonction pour les infirmiers-chefs, les paramédicaux-chefs et les coordinateurs infirmiers, visés à l'article 497 du présent arrêté ;
   4° les données relatives à la personne de référence démence visée à l'article 498 du présent arrêté ;
   5° [5 les données suivantes du médecin coordinateur visé à l'article 500 du présent arrêté ;
   a) le numéro NISS ;
   b) le numéro de téléphone ;
   c) l'adresse e-mail ;
   d) les dates de début et de fin du contrat;]5

   6° les données relatives à la formation complémentaire du personnel en matière de démence, visées à l'article 502, § 3, du présent arrêté ;
   7° la confirmation des certificats suivants :
   a) une attestation de fin de carrière si l'infrastructure de soins répond à l'une des conditions suivantes :
   1) pour le secteur privé et le secteur non marchand : relever de l'application d'un contrat de travail collectif conclu au sein de la commission paritaire compétente, en exécution de l'accord pour le secteur non marchand du 26 avril 2005, qui a été conclu entre le gouvernement fédéral et les organisations représentatives du secteur privé non marchand ;
   2) pour le secteur public : relever de l'application d'un protocole d'accord conclu au sein du comité de négociation compétent tel que visé dans la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités, en exécution du protocole n° 148/2 du Comité commun à l'ensemble des services publics des 29 juin, 5 juillet et 18 juillet 2005 ;
   b) une attestation accord social si l'infrastructure de soins remplit les conditions visées à l'article 428 du présent arrêté ;
   c) une attestation nosocomiale si l'infrastructure de soins remplit les conditions visées à l'article 490 du présent arrêté ;
   d) une attestation fonction palliative si l'infrastructure de soins remplit les conditions visées aux articles 491 à 494 du présent arrêté ;
   e) attestation fonction démence si l'infrastructure de soins remplit les conditions visées à l'article 502 du présent arrêté ;
   8° la mention de l'une des conventions suivantes si des résidents qui séjournent dans l'infrastructure de soins relèvent de l'application de l'une des conventions suivantes :
   a) d'autres préoccupationsb) Huntington ;
   c) MS/ALS ;
   9° le nom et le numéro de registre national du directeur ;
   10° [5 pour chaque thème ou subvention, au moins une personne de contact dont les données suivantes sont communiquées :
   a) les prénom et nom ;
   b) le numéro de téléphone ;
   c) l'adresse e-mail ;]5

   Les structures de soins relevant du champ d'application de l'article 663/4 incluent dans le questionnaire électronique visé à l'article 452, en plus des données visées à l'alinéa 1er, les données suivantes pour chaque membre du personnel d'appui par trimestre " :
   1° le prénom et le nom ;
   2° le numéro NISS ;
   3° le nombre de jours prestés ou assimilés, visé à l'article 475, § 2, alinéa 1er, 1° ;
   4° le nombre de jours non assimilés, visé à l'article 475, § 2, alinéa 1er, 1° ;
   5° le nombre d'heures prestées et/ou assimilées, visé à l'article 475, § 2, 1° ;
   6° le nombre d'heures prestées, visé à l'article 475, § 3, § 4 et § 6 ;
   7° en cas d'un nouveau membre du personnel ou lorsqu'il est mis fin à l'occupation : la date de début et, le cas échéant, la date de fin.
   Sans préjudice de l'application de l'article 16/2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 décembre 2018 portant financement de certains accords sociaux dans certains établissements et services de santé, le personnel financé par un Fonds Maribel social n'est pas considéré comme du personnel d'appui visé à l'alinéa 2.-]1
   [5 Sur la base du numéro NISS communiqué en vertu du présent paragraphe, l'agence récupère elle-même les données suivantes du Registre national ou des registres de la Banque-Carrefour, figurant à l'article 4 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale :
   1° les prénom et nom ;
   2° la date de naissance]5

   §2. Les données visées au paragraphe 1er peuvent être contrôlées par lagence dans les centres de soins résidentiels,le cas échéant dans les centres de court séjour correspondants, et auprès de la caisse dassurance soins. Chaque année,
   lagence contrôle un échantillon de centres de soins résidentiels, le cas échéant avec les centres de court séjourcorrespondants.
   Une amende de maximum 50.000 euros peut être infligée si lagence constate quun centre de soins résidentiels,
   le cas échéant avec le centre de court séjour correspondant, a délibérément complété erronément le questionnaireélectronique dans le but dobtenir une intervention plus élevée que celle à laquelle il a droit sur la base des donnéesréelles. La charge de la preuve en incombe à lagence.
   Lagence transmet un constat motivé au centre de soins résidentiels, le cas échéant avec le centre de court séjourcorrespondant. Le centre de soins résidentiels, le cas échéant avec le centre de court séjour correspondant, paieralamende dans les 3 mois suivant la réception de la constatation motivée.
   Le centre de soins résidentiels, le cas échéant avec le centre de court séjour correspondant, adaptera dans le délaivisé au troisième alinéa, le questionnaire électronique sur la base des données réelles pour la période de référenceconfirmée en dernier lieu. Sur la base des données réelles, lintervention sera recalculée et le cas échéant le montantpayé en trop sera réclamé.
   Le centre de soins résidentiels, le cas échéant avec le centre de court séjour correspondant, pourra interjeter appelauprès du tribunal du travail dans un délai dun mois suivant la date de la réception du constat motivé. Lappel auprèsdu tribunal du travail suspend le délai de 3 mois visé aux troisième et cinquième alinéas
Art. 454. [1 Op 30 september volgend op de referentieperiode gaat het agentschap na of voor alle trimesters de elektronische vragenlijst, vermeld in artikel 452, is ingediend. Uiterlijk op 7 oktober volgend op de referentieperiode verstuurt het agentschap een laatste herinnering aan de woonzorgcentra, in voorkomend geval met bijbehorend centrum voor kortverblijf, die geen elektronische vragenlijst, vermeld in artikel 452, voor een of meer trimesters hebben ingediend.
   Als het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met bijbehorend centrum voor kortverblijf de elektronische vragenlijst, vermeld in artikel 452, niet uiterlijk op 15 oktober die volgt op de referentieperiode, heeft ingediend, wordt het bedrag van de definitieve berekening van de basistegemoetkoming voor zorg, vermeld in het zevende lid, verminderd met 25%. Het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met bijbehorend centrum voor kortverblijf, kan de volledige basistegemoetkoming voor zorg verkrijgen vanaf de eerste dag van het trimester dat volgt op het trimester waarin de zorgvoorziening de elektronische vragenlijst, vermeld in artikel 452, heeft ingediend. Dat kan ten vroegste vanaf 1 april van de factureringsperiode.
   Het agentschap dient de elektronische vragenlijst, vermeld in artikel 452, in voor de trimesters waarvoor op 16 oktober die volgt op de referentieperiode, geen elektronische vragenlijst is ingediend.
   Het agentschap maakt jaarlijks twee voorlopige berekeningen en een definitieve berekening van de basistegemoetkoming voor zorg.
   Vanaf 16 oktober die volgt op de referentieperiode, bezorgt het agentschap de eerste voorlopige berekening van de voorlopige berekeningen van de basistegemoetkoming voor zorg, vermeld in het vierde lid. De zorgvoorziening kan aansluitend de gegevens wijzigen tot en met dertig dagen na de dag waarop ze de eerste voorlopige berekening heeft ontvangen van het agentschap. Het agentschap heropent daarvoor alle trimesters van de referentieperiode in kwestie voor alle zorgvoorzieningen. Het agentschap dient de elektronische vragenlijst in voor de trimesters waarvoor de elektronische vragenlijst na de voormelde periode van dertig dagen niet opnieuw zijn ingediend.
   Vanaf de eenendertigste dag die volgt op de eerste voorlopige berekening, vermeld in het vijfde lid, bezorgt het agentschap de tweede voorlopige berekening van de voorlopige berekeningen van de basistegemoetkoming voor zorg, vermeld in het vierde lid. De zorgvoorziening kan aansluitend de gegevens een laatste keer wijzigen tot veertien dagen na de dag waarop ze de tweede voorlopige berekening heeft ontvangen van het agentschap. De te wijzigen trimesters in kwestie worden heropend na het bezorgen van een motivering aan het agentschap. Het agentschap dient de elektronische vragenlijst in voor de trimesters waarvoor de elektronische vragenlijst na de voormelde periode van veertien dagen niet opnieuw zijn ingediend. De elektronische vragenlijst wordt als afgesloten beschouwd.
   De definitieve berekening van de basistegemoetkoming voor zorg wordt door het agentschap bezorgd vanaf de vijftiende dag die volgt op de tweede voorlopige berekening, vermeld in het zesde lid.
   Een woonzorgcentrum, in voorkomend geval met bijbehorend centrum voor kortverblijf, kan tot en met de twintigste na de dag waarop het de definitieve berekening, vermeld in het zevende lid, heeft ontvangen, het agentschap verzoeken om uitzonderlijk en eenmalig de gegevens te laten wijzigen met het oog op een wijziging van de basistegemoetkoming voor zorg door het agentschap. Het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met bijbehorend centrum voor kortverblijf dient daarvoor een gemotiveerd verzoek in. Een zorgvoorziening die voldoet aan al de volgende voorwaarden, komt in aanmerking voor een wijziging van de gegevens:
   1° een motivering bezorgen over de noodzaak en doelstelling tot aanpassing van de gegevens. De zorgvoorziening deelt daarbij mee in het kader van welke berekening de aanpassing beoogd wordt, welke aanpassing er beoogd wordt en de reden waarom;
   2° een zelfevaluatie bezorgen van de reden waarom de aanpassing van de gegevens noodzakelijk is en niet eerder is meegedeeld;
   3° een actieplan bezorgen met de manier waarop in de toekomst een soortgelijke laattijdige vaststelling van incorrect of onvolledig meegedeelde gegevens zal worden vermeden;
   4° aantonen dat de beoogde aanpassing, verminderd met de vermindering vermeld in het tiende lid, een financiële meerwaarde heeft ten opzichte van de definitieve berekening, vermeld in het zevende lid, die de zorgvoorziening heeft ontvangen.
   Het agentschap beoordeelt of voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in het achtste lid. Als de voorwaarden niet zijn vervuld, bezorgt de leidend ambtenaar een weigeringsbeslissing aan het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, met een aangetekende zending of op om het even welke andere manier die toelaat de ontvangstdatum met zekerheid vast te stellen. Het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met bijbehorend centrum voor kortverblijf, kan binnen drie maanden na de datum waarop het de weigeringsbeslissing heeft ontvangen, beroep aantekenen bij de arbeidsrechtbank.
   Het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, waarvoor conform het achtste lid, uitzonderlijk en eenmalig de gegevens worden gewijzigd met het oog op een wijziging van de basistegemoetkoming voor zorg, ontvangt een uitzonderlijke eenmalige herberekening. Op het bedrag van de basistegemoetkoming voor zorg wordt een vermindering toegepast van 25% op het eerste trimester van het facturatiejaar, met uitzondering van die gevallen waar de basistegemoetkoming voor zorg met toepassing van het tweede lid al met 25% werd verminderd.
   Als een woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, de gegevens uitzonderlijk en eenmalig laat wijzigen conform het achtste lid, met het oog op een wijziging van de basistegemoetkoming voor zorg én een wijziging van de financiële tegemoetkoming voor de vergoeding van de maatregelen voor de vrijstelling van arbeidsprestaties en eindeloopbaan conform artikel 5/1, zevende lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2018 tot financiering van sommige sociale akkoorden in bepaalde gezondheidsinrichtingen en -diensten, wordt alleen een vermindering als vermeld in het tiende lid, toegepast op de basistegemoetkoming voor zorg. Het bedrag voor de financiële tegemoetkoming ter vergoeding van de maatregelen inzake vrijstelling van arbeidsprestaties wordt in dat geval niet verminderd. ]1

  [2 Na afloop van de termijn, vermeld in het zesde lid, kan het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, de gegevens niet meer aanpassen. Het agentschap kan de gegevens aanpassen naar aanleiding van een gemotiveerd verzoek, conform het achtste lid, een vaststelling in het kader van een controle, conform artikel 452, derde lid, vierde en vijfde lid, en artikel 453, § 2, of in geval van een vergissing van het agentschap.]2
  
Art. 454. [1 Le 30 septembre qui suit la période de référence, l'agence vérifie si le questionnaire électronique, mentionné à l'article 452, a été introduit pour tous les trimestres. Au plus tard le 7 octobre suivant la période de référence, l'agence envoie un dernier rappel aux centres de soins résidentiels, le cas échéant avec le centre de court séjour correspondant, qui n'ont pas introduit de questionnaire électronique, mentionné à l'article 452, pour un ou plusieurs trimestres.
   Si le centre de soins résidentiels, le cas échéant avec centre de court séjour correspondant, n'a pas introduit le questionnaire électronique, mentionné à l'article 452, au plus tard le 15 octobre qui suit la période de référence, le montant du calcul définitif de l'intervention de base pour les soins, mentionné à l'alinéa 7, est réduit de 25 %. Le centre de soins résidentiels, le cas échéant avec centre de court séjour correspondant, peut obtenir l'intervention de base complète pour les soins à partir du premier jour du trimestre qui suit le trimestre au cours duquel l'infrastructure de soins a introduit le questionnaire électronique, mentionné à l'article 452. Cela est possible au plus tôt à partir du 1er avril de la période de facturation.
   L'agence introduit le questionnaire électronique, mentionné à l'article 452, pour les trimestres pour lesquels aucun questionnaire électronique n'a été introduit au 16 octobre qui suit la période de référence.
   L'agence réalise chaque année deux calculs provisoires et un calcul définitif de l'intervention de base pour les soins.
   A partir du 16 octobre qui suit la période de référence, l'agence remet le premier calcul provisoire des calculs provisoires de l'intervention de base pour les soins, mentionné à l'alinéa 4. L'infrastructure de soins peut ensuite modifier les données jusqu'à trente jours après le jour où elle a reçu le premier calcul provisoire de l'agence. L'agence rouvre pour cela tous les trimestres de la période de référence en question pour toutes les infrastructures de soins. L'agence introduit le questionnaire électronique pour les trimestres pour lesquels le questionnaire électronique n'a pas été à nouveau introduit après la période de trente jours mentionnée.
   A partir du trente-et-unième jour qui suit le premier calcul provisoire, mentionné à l'alinéa 5, l'agence remet le deuxième calcul provisoire des calculs provisoires de l'intervention de base pour les soins, mentionné à l'alinéa 4. L'infrastructure de soins peut ensuite modifier les données une dernière fois jusqu'à quatorze jours après le jour où elle a reçu le deuxième calcul provisoire de l'agence. Les trimestres en question à modifier sont rouverts après remise d'une motivation à l'agence. L'agence introduit le questionnaire électronique pour les trimestres pour lesquels le questionnaire électronique n'a pas été à nouveau introduit après la période de quatorze jours mentionnée. Le questionnaire électronique est considéré comme clôturé.
   Le calcul définitif de l'intervention de base pour les soins est remis par l'agence à partir du quinzième jour qui suit le deuxième calcul provisoire, mentionné à l'alinéa 6.
   Un centre de soins résidentiels, le cas échéant avec centre de court séjour correspondant, peut demander à l'agence de faire modifier les données exceptionnellement et une seule fois, jusqu'au vingtième jour après le jour où il a reçu le calcul définitif, mentionné à l'alinéa 7, en vue d'une modification de l'intervention de base pour les soins par l'agence. Le centre de soins résidentiels, le cas échéant avec centre de court séjour correspondant, introduit pour cela une requête motivée. Une infrastructure de soins qui satisfait à toutes les conditions suivantes entre en considération pour une modification des données :
   1° fournir une motivation quant à la nécessité et l'objectif de l'adaptation des données. L'infrastructure de soins communique à ce niveau dans le cadre de quel calcul l'adaptation est visée, quelle adaptation est visée et pour quelle raison ;
   2° remettre une auto-évaluation de la raison pour laquelle l'adaptation des données est nécessaire et n'a pas été communiquée plus tôt ;
   3° remettre un plan d'action reprenant la manière dont, à l'avenir, un tel constat tardif de l'inexactitude ou du caractère incomplet des données communiquées sera évité ;
   4° démontrer que l'adaptation visée, diminuée de la réduction mentionnée à l'alinéa 10, présente une plus-value financière par rapport au calcul définitif, mentionné à l'alinéa 7, que l'infrastructure de soins a reçu.
   L'agence évalue si les conditions, mentionnées à l'alinéa 8, sont satisfaites. Si les conditions ne sont pas remplies, le fonctionnaire dirigeant remet une décision de refus au centre de soins résidentiels, le cas échéant avec le centre de court séjour correspondant, au moyen d'un envoi recommandé ou de toute autre manière permettant de constater la date de réception avec certitude. Le centre de soins résidentiels peut, le cas échéant avec le centre de court séjour correspondant, introduire un recours auprès du tribunal du travail dans les trois mois suivant la date à laquelle il a reçu la décision de refus.
   Le centre de soins résidentiels, le cas échéant avec le centre de court séjour correspondant, pour lequel, conformément à l'alinéa 8, les données sont modifiées à titre exceptionnel et unique en vue d'une modification de l'intervention de base pour les soins, reçoit un recalcul unique exceptionnel. Sur le montant de l'intervention de base pour les soins, une réduction de 25 % est appliquée sur le premier trimestre de l'année de facturation, à l'exception des cas dans lesquels l'intervention de base pour les soins a déjà été réduite de 25 % en application de l'alinéa 2.
   Si un centre de soins résidentiels, le cas échéant avec le centre de court séjour correspondant, fait modifier exceptionnellement et une seule fois les données, conformément à l'alinéa 8, en vue d'une modification de l'intervention de base pour les soins et d'une modification de l'intervention financière pour l'indemnisation des mesures de dispense de prestations de travail et de fin de carrière conformément à l'article 5/1, alinéa 7, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 décembre 2018 portant financement de certains accords sociaux dans certains établissements et services de santé, seule une réduction telle que mentionnée à l'alinéa 10 est appliquée sur l'intervention de base pour les soins. Le montant pour l'intervention financière d'indemnisation des mesures liées à la dispense de prestations de travail n'est dans ce cas pas réduit ]1
.
  [2 A l'issue du délai visé à l'alinéa 6, le centre de soins résidentiels, le cas échéant avec le centre de court séjour correspondant, ne peut plus adapter les données. L'agence peut adapter les données à l'occasion d'une demande motivée, conformément à l'alinéa 8, d'une constatation dans le cadre d'un contrôle, conformément à l'article 452, alinéas 3, 4 et 5, et à l'article 453, § 2, ou dans le cas d'une erreur commise par l'agence.]2
  
Art.454/1. [1 Tijdens de facturatieperiode die loopt tot en met 31 december 2025, op basis van de referentieperiode die loopt van 1 juli 2023 tot en met 30 juni 2024, wordt geen financiële vermindering toegepast als de zorgvoorziening na de definitieve berekening uitzonderlijk en eenmalig de gegevens in de elektronische vragenlijst vermeld in artikel 452, laat wijzigen.]1
  
Art. 454/1. [1 Pendant la période de facturation s'étendant jusqu'au 31 décembre 2025, sur la base de la période de référence s'étendant du 1er juillet 2023 au 30 juin 2024, aucune réduction financière n'est appliquée si, après le calcul définitif, la structure de soins fait modifier exceptionnellement et une seule fois les données dans le questionnaire électronique visé à l'article 452.]1
  
Art. 455. Het agentschap deelt aan de zorgkassen het bedrag van de tegemoetkoming voor zorg in een woonzorgcentrum of een centrum voor kortverblijf mee dat de zorgvoorziening kan factureren conform deel 6 en dit op hetzelfde tijdstip waarop het agentschap die tegemoetkoming aan de zorgvoorziening communiceert.
Art. 455. L'agence communique aux caisses d'assurance soins le montant de l'intervention pour soins dans un centre de soins résidentiels ou un centre de court séjour que l'infrastructure de soins peut facturer conformément à la partie 6, et ce, au même moment où l'agence communique cette intervention à l'infrastructure de soins.
HOOFDSTUK 3. - Dagverzorgingscentra
Chapitre 3. - Centres de soins de jour
Art. 456. § 1. De [3 centra voor dagverzorging]3 bezorgen aan het agentschap [6 over]6 ieder trimester, een elektronisch ingevulde vragenlijst waarvan het model wordt bepaald door het agentschap. Daarnaast bezorgen de [3 centra voor dagverzorging]3 de volgende documenten aan het agentschap op eerste verzoek:
  1° een kopie van de RSZ-aangifte, waarin het personeelsbestand is opgenomen, en een kopie van de arbeidsovereenkomsten die eigen zijn aan het [3 centrum voor dagverzorging]3 of een kopie van de beslissing van de organiserende instantie als het gaat om een overheidsdienst;
  2° een verklaring waaruit blijkt dat de voordelen, vermeld in artikel 428, effectief worden toegepast.
  Wat het personeel dat tewerkgesteld is in de functie van verpleegkundige, zorgkundige, kinesitherapeut, ergotherapeut, logopedist of personeel voor reactivering betreft, toetst het agentschap jaarlijks bij de overheidsdienst die bevoegd is voor het verlenen van het visum en de dienst zorgberoepen van het agentschap, of dat personeel effectief het visum heeft gekregen of erkend is in het betreffende zorgberoep en zo ja, vanaf welke datum. Als ze dat nodig acht kan het agentschap een kopie van de diploma's en de functieomschrijving van het personeel opvragen bij de [3 centra voor dagverzorging]3.
  [2 Het agentschap kan jaarlijks de gegevens meegedeeld in de elektronisch ingevulde vragenlijst, vermeld in het eerste lid, controleren [7 tot en met 31 december van het tweede kalenderjaar dat volgt op de laatste dag van de referentieperiode waarvoor de gegevens zijn doorgegeven,]7 door de gegevens te vergelijken met de daartoe beschikbare authentieke bronnen van de bevoegde overheidsdiensten. Als ze dat nodig acht kan het agentschap bijkomende informatie opvragen bij de zorgvoorziening.
   In het geval het agentschap in het kader van de controles [6 vermeld in het tweede en derde lid,]6 vaststelt dat er foutieve gegevens werden meegedeeld, kan het agentschap de gegevens die door het [3 centrum voor dagverzorging]3 via de elektronische vragenlijst bezorgd zijn, [7 na informatie in te winnen bij de zorgvoorziening]7 aanpassen op basis van de reële gegevens voor de referentieperiode. Op basis van de reële gegevens zal de basistegemoetkoming voor zorg herberekend worden. Het agentschap recupereert het onterecht betaalde bedrag voor de afgelopen facturatieperiode door de basistegemoetkoming voor zorg voor te verminderen. Die tegemoetkoming wordt verminderd met het verschil tussen de tegemoetkoming waarop de zorgvoorziening op basis van de foutieve gegevens recht zou hebben en de tegemoetkoming waarop de zorgvoorziening op basis van de reële gegevens recht heeft. Deze vermindering wordt vanaf de dag waarop de herberekende tegemoetkoming gecommuniceerd wordt, toegepast gedurende een even lange periode als de periode waarin de zorgvoorziening in het verleden onterecht de foutieve tegemoetkoming ontving. Als het agentschap het onterecht betaalde bedrag niet kan recupereren door de basistegemoetkoming voor zorg te verminderen wordt het onterecht betaalde bedrag van de zorgvoorziening teruggevorderd.]2

  Op grond van de informatie, vermeld in het [2 eerste tot en met vierde lid]2, gaat het agentschap na of het [3 [4 centrum voor dagverzorging]4]3 gedurende de referentieperiode heeft voldaan aan de normen, vermeld in artikel 433, § 1 of § 2, en wordt de tegemoetkoming bepaald die het [3 centrum voor dagverzorging]3 in rekening kan brengen gedurende de factureringsperiode. Het agentschap stelt de [3 [4 centrum voor dagverzorging]4]3 en de zorgkassen daarvan ten gepaste tijde in kennis.
  [1 De zorgvoorzieningen die binnen het toepassingsgebied van artikel 663/4 vallen, nemen in de elektronische vragenlijst, vermeld in het eerste lid, voor elk lid van het ondersteunend personeel per trimester de volgende gegevens op:
   1° de voor- en achternaam;
   2° het INSZ-nummer;
   3° het aantal gepresteerde of gelijkgestelde dagen;
   4° het aantal niet-gelijkgestelde dagen;
   5° het aantal gepresteerde of geassimileerde uren;
   6° het aantal gepresteerde uren;
   7° bij een nieuw personeelslid of als een einde is gesteld aan de tewerkstelling: de begindatum en, in voorkomend geval, de einddatum.
   Met behoud van de toepassing van artikel 16/2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2018 tot financiering van sommige sociale akkoorden in bepaalde gezondheidsinrichtingen en -diensten wordt het personeel dat gefinancierd wordt door een Fonds Sociale Maribel, niet beschouwd als ondersteunend personeel als vermeld in het tweede lid.]1

  § 2. Op 30 september volgend op de referentieperiode gaat het agentschap na of voor alle trimesters de elektronische vragenlijst vermeld in paragraaf 1, werd overgemaakt.
   Als het agentschap de informatie, vermeld in paragraaf 1, niet op 16 oktober die volgt op de referentieperiode heeft ontvangen, wordt het bedrag van de tegemoetkoming verminderd met 25 %. Het [3 centrum voor dagverzorging]3 kan de volledige tegemoetkoming verkrijgen vanaf de eerste dag van het trimester dat volgt op het trimester waarin het de informatie, vermeld in paragraaf 1, heeft meegedeeld en dat ten vroegste vanaf 1 april van de factureringsperiode.
   Zodra het [3 centrum voor dagverzorging]3 de gegevens heeft meegedeeld, kan het die nog wijzigen tot dertig dagen na de dag waarop het de berekening heeft ontvangen van het agentschap. Het agentschap bezorgt het bedrag van de tegemoetkoming en de berekening van de tegemoetkoming aan het [3 centrum voor dagverzorging]3 tussen 16 oktober en 31 oktober.
   [5 In afwijking van het derde lid bezorgt het agentschap het bedrag en de berekening van de tegemoetkoming voor zorg in een centrum voor dagverzorging voor de facturatieperiode 2024 aan de zorgvoorziening tussen 16 oktober 2023 en 31 december 2023.]5
  [7 Na afloop van de termijn, vermeld in het zesde lid, kan het centrum voor dagverzorging de gegevens niet meer aanpassen. Het agentschap kan de gegevens aanpassen naar aanleiding van een gemotiveerd verzoek, conform het achtste lid, een vaststelling in het kader van een controle, conform paragraaf 1, tweede, derde en vierde lid, paragraaf 3 en artikel 456/1, § 2, of in geval van een vergissing van het agentschap.]7
  § 3. De informatie, vermeld in paragraaf 1, kan in de [3 centra voor dagverzorging]3 en bij de zorgkas gecontroleerd worden door het agentschap. Het agentschap controleert een steekproef van [3 centra voor dagverzorging]3.
  [2 De leidend ambtenaar kan een administratieve geldboete als vermeld in artikel 150/1 van het decreet van 18 mei 2018, opleggen]2 als het agentschap vaststelt dat een [3 [7 Het centrum voor dagverzorging]7]3 de elektronische vragenlijst opzettelijk verkeerd heeft ingevuld met als doel het bekomen van een hogere tegemoetkoming dan de tegemoetkoming waarop men op basis van de reële gegevens recht heeft. De bewijslast daarvan ligt bij het agentschap.
  [2 De leidend ambtenaar maakt met een aangetekende brief]2 een gemotiveerde vaststelling over aan het [3 centrum voor dagverzorging]3. Het [3 centrum voor dagverzorging]3 betaalt de geldboete binnen 3 maanden na ontvangst van de gemotiveerde vaststelling.
  [2 Als het [3 centrum voor dagverzorging]3 niet betaalt binnen de termijn, vermeld in het derde lid, wordt de administratieve geldboete bij dwangbevel ingevorderd. De leidend ambtenaar viseert het dwangbevel en verklaart het uitvoerbaar. De gegevens van het [3 centrum voor dagverzorging]3 waarbij de administratieve geldboete, verhoogd met de invorderingskosten, bij dwangbevel moet worden ingevorderd, worden bezorgd aan de Vlaamse Belastingdienst.]2
  Het [3 centrum voor dagverzorging]3 past binnen de termijn, vermeld in het derde lid, de elektronische vragenlijst aan op basis van de reële gegevens voor de referentieperiode die het laatst bevestigd werd. Op basis van de reële gegevens zal de tegemoetkoming herberekend worden en in voorkomend geval wordt het bedrag dat te veel betaald is, teruggevorderd.
  Het [3 centrum voor dagverzorging]3 kan binnen een maand na de datum van de ontvangst van de gemotiveerde vaststelling beroep aantekenen bij de arbeidsrechtbank. Het beroep bij de arbeidsrechtbank schorst de termijn van 3 maanden, vermeld in het derde en [2 vijfde]2 lid.
  
Art. 456. § 1. [6 A propos de tous les trimestres ]6, les centres de soins de jour transmettent à l'agence un questionnaire complété électroniquement dont le modèle est déterminé par l'agence. De plus, les centres de soins de jour sont tenus de remettre à l'agence les documents suivants et ce, dès la première demande :
  1° une copie de la déclaration ONSS dans laquelle le personnel apparaît, et une copie des contrats de travail propres au centre de soins de jour ou une copie de la décision de l'instance organisatrice s'il s'agit d'un service public ;
  2° une déclaration attestant de l'application effective des avantages visés à l'article 428.
  En ce qui concerne le personnel employé au poste d'infirmier, aide-soignant, kinésithérapeute, ergothérapeute, logopède ou membre du personnel de réactivation, l'agence contrôle chaque année auprès du service public compétent en matière de délivrance du visa et du service des professions des soins de santé de l'agence si ce personnel a effectivement reçu le visa ou s'il est reconnu dans la profession des soins de santé en question et, si tel est le cas, la date d'agrément. Si elle l'estime nécessaire, l'agence peut réclamer aux centres de soins de jour une copie des diplômes et la description de fonction du personnel.
  [2 L'agence peut vérifier chaque année les données fournies dans le questionnaire électronique visé à l'alinéa 1er [7 jusqu'au 31 décembre de la deuxième année calendaire qui suit le dernier jour de la période de référence pour laquelle les données ont été fournies,]7 en les comparant avec les sources authentiques dont elle dispose auprès des services publics compétents. Si nécessaire, l'agence peut demander des informations supplémentaires auprès de la structure de soins.
   Si, dans le cadre des contrôles visés [6 , comme mentionné aux alinéas 2 et 3 ]6, l'agence constate que des données inexactes ont été fournies, elle peut adapter [7 , après avoir demandé des informations à la structure de soins,]7 les données fournies par le centre de soins de jour au moyen du questionnaire électronique, sur la base des données réelles pour la période de référence. L'intervention de soins de base sera recalculée sur la base des données réelles. L'agence récupère le montant indûment payé pour la période de facturation écoulée en réduisant l'intervention de soins de base. Cette intervention est réduite de la différence entre l'intervention à laquelle la structure de soins aurait droit sur la base des données erronées et l'intervention à laquelle elle a droit sur la base des données réelles. Cette réduction est appliquée à partir du jour de la notification de l'intervention recalculée, pour une période égale à la période pendant laquelle la structure de soins a reçu de manière injustifiée l'intervention erronée dans le passé. Si l'agence n'est pas en mesure de recouvrer le montant indûment payé en réduisant l'intervention de soins de base, le montant indûment payé doit être recouvré auprès de la structure de soins.]2

  Sur la base des informations mentionnées aux [2 alinéas un à quatre]2, l'agence vérifie si au cours de la période de référence le centre de soins de jour a respecté les normes, visées à l'article 433, § 1 ou § 2, et fixe l'allocation que le centre de soins de jour peut facturer au cours de la période de facturation. L'agence en informe en temps opportun les centres de soins de jour et les caisses d'assurance soins.
  [1 Les structures de soins qui relèvent du champ d'application de l'article 663/4 incluent dans le questionnaire électronique visé à l'alinéa 1er, pour chaque membre du personnel d'appui et par trimestre, les données suivantes :
   1° les prénom et nom ;
   2° le numéro NISS ;
   3° le nombre de jours prestés ou assimilés ;
   4° le nombre de jours non assimilés ;
   5° le nombre d'heures prestées ou assimilées ;
   6° le nombre d'heures prestées ;
   7° dans le cas d'un nouveau membre du personnel ou d'une cessation d'emploi : la date de début et, le cas échéant, la date de fin.
   Sans préjudice de l'application de l'article 16/2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 décembre 2018 portant financement de certains accords sociaux dans certains établissements et services de santé, le personnel financé par un Fonds Maribel social n'est pas considéré comme personnel d'appui tel que visé à l'alinéa 2.]1

  § 2 Le 30 septembre suivant la période de référence, l'agence vérifie si le questionnaire électronique, visé au paragraphe premier, a été transmis pour l'ensemble des trimestres.
   Si l'agence n'a pas reçu l'information, visée au paragraphe premier, au 16 octobre suivant la période de référence, le montant de l'allocation est diminué de 25%. Le centre de soins de jour peut recevoir l'allocation complète à partir du premier jour du trimestre suivant celui au cours duquel il a transmis l'information, visée paragraphe premier, et ce, au plus tôt à partir du 1er avril de la période de facturation.
   Après avoir transmis les données, le centre de soins de jour dispose encore de trente jours suivant la date à laquelle l'agence a reçu le calcul pour les modifier. L'agence transmet au centre de soins de jour l'allocation et le calcul de l'allocation entre le 16 octobre et le 31 octobre.
   [5 Par dérogation à l'alinéa 3, l'agence remet à la structure de soins, entre le 16 octobre 2023 et le 31 décembre 2023, le montant et le calcul de l'intervention pour les soins dans un centre de soins de jour pour la période de factuturation 2024. ]5
  [7 A l'issue du délai visé à l'alinéa 6, le centre de soins de jour ne peut plus adapter les données. L'agence peut adapter les données à l'occasion d'une demande motivée, conformément à l'alinéa 8, d'une constatation dans le cadre d'un contrôle, conformément au paragraphe 1er, alinéas 2, 3 et 4, et à l'article 456/1, § 2, ou dans le cas d'une erreur commise par l'agence.]7
  § 3. L'information, mentionnée paragraphe premier, peut être contrôlée par l'agence dans les centres de soins de jour et à la caisse d'assurance soins. L'agence contrôle un échantillon de centres de soins de jour.
  [2 Le fonctionnaire dirigeant peut infliger une amende administrative telle que visée à l'article 150/1 du décret du 18 mai 2018]2 si l'agence constate qu'un centre de soins de jour a volontairement complété le questionnaire électronique de manière erronée dans le but d'obtenir une allocation plus élevée que celle à laquelle il a droit sur la base des données réelles. La charge de la preuve incombe à l'agence.
  [2 Le fonctionnaire dirigeant transmet par lettre recommandée]2 un constat motivé au centre de soins de jour. Le centre de soins de jour paie l'amende dans les 3 mois suivant la réception du constat motivé.
  [2 Si le centre de soins de jour ne paie pas dans le délai visé à l'alinéa 3, l'amende administrative est perçue au moyen d'une contrainte. Le fonctionnaire dirigeant vise la contrainte et la déclare exécutoire. Les données du centre de soins de jour auprès duquel l'amende administrative, majorée des frais de recouvrement, doit être recouvrée sous contrainte sont transmises au Service flamand des impôts.]2
  Dans ce délai, visé à l'alinéa 3, le centre de soins de jour adapte le questionnaire électronique sur la base des données réelles pour la dernière période de référence confirmée. L'allocation sera à nouveau calculée sur la base des données réelles et, le cas échéant, le montant trop perçu sera recouvré.
  Le centre de soins de jour peut introduire un appel auprès du tribunal du travail dans un délai d'un mois suivant la date de réception du constat motivé. Cet appel suspend le délai de 3 mois, visé aux alinéas trois et cinq.
  
Art. 456/1. [1 § 1. In de elektronische vragenlijst, vermeld in artikel 456, worden onder meer de volgende gegevens opgenomen per trimester:
   1° de volgende gegevens over het centrum voor dagverzorging:
   a) het RSZ-nummer;
   b) het statuut;
   c) de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur voor voltijdse prestaties;
   d) het aantal gefactureerde dagen per afhankelijkheidscategorie voor de bewoners die niet zijn opgenomen in artikel 451/1, 1°, van dit besluit;
   e) per subsidiestroom het bankrekeningnummer waarop de zorgvoorziening de betalingen wil ontvangen;
   f) het vestigingeenheidsnummer van de Kruispuntbank van Ondernemingen;
   2° gegevens voor alle verpleegkundigen, personeel voor reactivering en zorgkundigen: per persoon:
   a) het INSZ-nummer;
   b) het aantal gepresteerde en/of gelijkgestelde dagen;
   c) het aantal niet-gelijkgestelde dagen;
   d) het aantal gepresteerde en/of geassimileerde uren;
   e) het aantal gepresteerde uren;
   f) de beroepskwalificatie;
   g) het statuut: loontrekkende of statutair; uitzendkracht; zelfstandige; zelfstandig, statutair of loontrekkend directeur; vervanger;
   h) als het gaat om een nieuw personeelslid of als een einde is gesteld aan de tewerkstelling: de begindatum en in voorkomend geval de einddatum;
   i) de baremieke anciënniteit, vermeld in artikel 480 van dit besluit;
   j) de melding of het personeelslid in kwestie via meervoudig werkgeverschap in verschillende voorzieningen werkt;
  [2 k) de voor- en achternaam;]2
   3° de volgende gegevens voor de medewerkers die ingezet worden in de centra voor dagverzorging en van de zelfstandigen die met een ondernemingscontract aan de centra voor dagverzorging verbonden zijn en die worden ingeschakeld in de werking van centra voor dagverzorging én die geen personen zijn als vermeld in punt 2° :
   a) het INSZ-nummer;
   b) het aantal gepresteerde en/of gelijkgestelde dagen;
   c) het aantal niet-gelijkgestelde dagen;
   d) het aantal gepresteerde en/of geassimileerde uren;
   e) de beroepskwalificatie;
   f) het statuut: loontrekkende, statutair of zelfstandig met een ondernemingscontract verbonden aan het centrum voor dagverzorging;
   g) als het gaat om een nieuw personeelslid of als een einde is gesteld aan de tewerkstelling: de begindatum en, in voorkomend geval, de einddatum;
  [2 h) de voor- en achternaam;]2
   4° de bevestiging van de volgende certificaten:
   a) een attest eindeloopbaan als de zorgvoorziening aan een van de volgende voorwaarden voldoet:
   1) voor de private en non-profit sector: onder de toepassing vallen van een collectieve arbeidsovereenkomst die is gesloten in het bevoegde paritair comité, ter uitvoering van het akkoord voor de gezondheidssector van 26 april 2005, dat is gesloten tussen de federale regering en de representatieve organisaties van de private non-profit sector;
   2) voor de openbare sector: onder de toepassing vallen van een protocol van akkoord dat is gesloten in het bevoegde onderhandelingscomité als vermeld in de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, ter uitvoering van het protocol nr. 148/2 van het Gemeenschappelijk Comité voor alle Overheidsdiensten van 29 juni, 5 juli en 18 juli 2005;
   b) een attest sociaal akkoord als de zorgvoorziening voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 428 van dit besluit;
   c) [3 ...]3
   d) [3 ...]3
   e) [3 ...]3
   5° de voor- en achternaam, het rijksregisternummer, het [3 telefoonnummer]3 en het e-mailadres van de directeur;
   6° per thema of subsidie minstens één contactpersoon van wie de volgende gegevens worden meegedeeld:
   a) de voor- en achternaam;
   b) het telefoonnummer;
   c) het e-mailadres.
   Op basis van het INSZ-nummer dat is meegedeeld op basis van deze paragraaf, haalt het agentschap de volgende gegevens zelf op uit het Rijksregister of uit de Kruispuntbankregisters, vermeld in artikel 4 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid:
   1° de voor- en achternaam;
   2° de geboortedatum.
   § 2. De gegevens, vermeld in paragraaf 1, kunnen in de centra voor dagverzorging en bij de zorgkas gecontroleerd worden door het agentschap. Het agentschap controleert jaarlijks een steekproef van centra voor dagverzorging.
   De leidend ambtenaar kan een administratieve geldboete opleggen als vermeld in artikel 150/1 van het decreet van 18 mei 2018, als het agentschap vaststelt dat een centrum voor dagverzorging de elektronische vragenlijst, vermeld in artikel 456, opzettelijk verkeerd heeft ingevuld met als doel om een hogere tegemoetkoming te verkrijgen dan de tegemoetkoming waarop het centrum op basis van de reële gegevens recht heeft. De bewijslast daarvan ligt bij het agentschap.
   De leidend ambtenaar maakt met een aangetekende brief een gemotiveerde vaststelling over aan het centrum voor dagverzorging. Het centrum voor dagverzorging betaalt de administratieve geldboete, vermeld in het tweede lid, binnen drie maanden na de dag waarop het de voormelde gemotiveerde vaststelling heeft ontvangen.
   Als het centrum voor dagverzorging niet betaalt binnen de termijn, vermeld in het derde lid, wordt de administratieve geldboete, vermeld in het tweede lid, bij dwangbevel ingevorderd. De leidend ambtenaar viseert het voormelde dwangbevel en verklaart het uitvoerbaar. De gegevens van het centrum voor dagverzorging waarbij de voormelde administratieve geldboete, verhoogd met de invorderingskosten, bij dwangbevel moet worden ingevorderd, worden bezorgd aan de Vlaamse Belastingdienst.
   Het centrum voor dagverzorging past binnen de termijn, vermeld in het derde lid, de elektronische vragenlijst, vermeld in artikel 456, aan op basis van de reële gegevens voor de referentieperiode die het laatst is bevestigd. Op basis van de voormelde reële gegevens wordt de tegemoetkoming herberekend en in voorkomend geval wordt het bedrag dat te veel betaald is, teruggevorderd.
   Het centrum voor dagverzorging kan binnen dertig dagen na de datum waarop het de gemotiveerde vaststelling, vermeld in het derde lid, heeft ontvangen, beroep aantekenen bij de arbeidsrechtbank. Het beroep bij de arbeidsrechtbank schorst de termijn van drie maanden, vermeld in het derde en vijfde lid.]1

  
Art. 456/1. [1 § 1er. Le questionnaire électronique visé à l'article 456 reprend notamment les données suivantes par trimestre :
   1° les données suivantes du centre de soins de jour :
   a) le numéro ONSS ;
   b) le statut ;
   c) la durée de travail hebdomadaire moyenne pour prestations complètes ;
   d) le nombre de journées facturées par catégorie de dépendance pour les résidents non repris à l'article 451/1, 1°, du présent arrêté ;
   e) pour chaque flux de subventions, le numéro du compte bancaire sur lequel la structure de soins souhaite recevoir les paiements ;
   f) le numéro d'unité d'établissement de la Banque-Carrefour des Entreprises ;
   2° les données de tous les infirmiers, du personnel de réactivation et des aides-soignants : par personne:
   a) le numéro NISS ;
   b) le nombre de jours prestés et/ou assimilés ;
   c) le nombre de jours non assimilés ;
   d) le nombre d'heures prestées et/ou assimilées ;
   e) le nombre d'heures prestées ;
   f) la qualification professionnelle ;
   g) le statut : salarié ou statutaire ; travailleur intérimaire ; travailleur indépendant ; indépendant, statutaire ou directeur salarié ; remplaçant ;
   h) s'il s'agit d'un nouveau membre du personnel ou s'il est mis fin à l'emploi : la date de début et, le cas échéant, la date de fin ;
   i) l'ancienneté barémique visée à l'article 480 du présent arrêté ;
   j) l'indication si le membre du personnel en question travaille dans plusieurs structures pour plusieurs employeurs ;
  [2 k) les prénom et nom ;]2
   3° les données suivantes des collaborateurs déployés dans les centres de soins de jour et des travailleurs indépendants liés aux centres de soins de jour par un contrat d'entreprise et déployés dans le fonctionnement des centres de soins de jour et qui ne sont pas des personnes telles que visées au point 2° :
   a) le numéro NISS ;
   b) le nombre de jours prestés et/ou assimilés ;
   c) le nombre de jours non assimilés ;
   d) le nombre d'heures prestées et/ou assimilées ;
   e) la qualification professionnelle ;
   f) le statut : salarié, statutaire ou indépendant lié au centre de soins de jour par un contrat d'entreprise ;
   g) s'il s'agit d'un nouveau membre du personnel ou s'il est mis fin à l'emploi : la date de début et, le cas échéant, la date de fin ;
  [2 h) les prénom et nom ;]2
   4° la confirmation des certificats suivants :
   a) une attestation de fin de carrière si la structure de soins répond à l'une des conditions suivantes :
   1) pour les secteurs privé et non marchand : relever de l'application d'une convention collective de travail conclue au sein de la commission paritaire compétente, en exécution de l'accord pour le secteur des soins de santé du 26 avril 2005, conclu entre le gouvernement fédéral et les organisations représentatives du secteur privé non marchand ;
   2) pour le secteur public : relever de l'application d'un protocole d'accord conclu au sein du comité de négociation compétent, au sens de la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités, en exécution du protocole n° 148/2 du Comité commun à l'ensemble des services publics des 29 juin, 5 juillet et 18 juillet 2005 ;
   b) une attestation accord social si la structure de soins remplit les conditions énoncées à l'article 428 du présent arrêté ;
   c) [3 ...]3
   d) [3 ...]3
   e) [3 ...]3
   5° les prénom et nom, le numéro de registre national, le numéro de téléphone et l'adresse e-mail du directeur ;
   6° pour chaque thème ou subvention, au moins une personne de contact dont les données suivantes sont communiquées :
   a) les prénom et nom ;
   b) le numéro de téléphone ;
   c) l'adresse e-mail.
   Sur la base du numéro NISS communiqué en vertu du présent paragraphe, l'agence récupère elle-même les données suivantes du Registre national ou des registres de la Banque-Carrefour, figurant à l'article 4 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale :
   1° les prénom et nom ;
   2° la date de naissance.
   § 2. Les données énumérées au paragraphe 1er peuvent être vérifiées par l'agence dans les centres de soins de jour et auprès de la caisse d'assurance soins. L'agence contrôle chaque année un échantillon de centres de soins de jour.
   Le fonctionnaire dirigeant peut imposer une amende administrative telle que visée à l'article 150/1 du décret du 18 mai 2018, si l'agence constate qu'un centre de soins de jour a délibérément rempli de manière non véridique le questionnaire électronique visé à l'article 456 dans le but d'obtenir une intervention plus élevée que celle à laquelle il a droit sur la base des données réelles. La charge de la preuve incombe à l'agence.
   Le fonctionnaire dirigeant transmet par lettre recommandée un constat motivé au centre de soins de jour. Le centre de soins de jour paie l'amende administrative visée à l'alinéa 2 dans un délai de trois mois à compter du jour où il a reçu le constat motivé précité.
   Si le centre de soins de jour ne paie pas dans le délai visé à l'alinéa 3, l'amende administrative visée à l'alinéa 2 est perçue au moyen d'une contrainte. Le fonctionnaire dirigeant vise la contrainte précitée et la déclare exécutoire. Les données du centre de soins de jour auprès duquel l'amende administrative précitée, majorée des frais de recouvrement, doit être recouvrée sous contrainte sont transmises au Service flamand des impôts.
   Le centre de soins de jour adapte, dans le délai visé à l'alinéa 3, le questionnaire électronique visé à l'article 456 sur la base des données réelles pour la dernière période de référence confirmée. L'intervention est à nouveau calculée sur la base des données réelles précitées et, le cas échéant, le montant trop perçu est recouvré.
   Le centre de soins de jour peut introduire un recours auprès du tribunal du travail dans un délai de trente jours à compter de la date à laquelle il a reçu le constat motivé, visé à l'alinéa 3. Le recours devant le tribunal du travail suspend le délai de trois mois, visé aux alinéas 3 et 5. ]1

  
Art.456/2. [1 Tijdens de facturatieperiode die loopt tot en met 31 december 2025, op basis van de referentieperiode die loopt van 1 juli 2023 tot en met 30 juni 2024, wordt geen financiële vermindering toegepast als de voorziening na de definitieve berekening uitzonderlijk en eenmalig de gegevens in de elektronische vragenlijst vermeld in artikel 456 laat wijzigen.]1
  
Art. 456/2. [1 Pendant la période de facturation s'étendant jusqu'au 31 décembre 2025, sur la base de la période de référence s'étendant du 1er juillet 2023 au 30 juin 2024, aucune réduction financière n'est appliquée si, après le calcul définitif, la structure fait modifier exceptionnellement et une seule fois les données dans le questionnaire électronique visé à l'article 456.]1
  
Art. 457. Het agentschap deelt aan de zorgkassen het bedrag van de tegemoetkoming voor zorg in een [1 centrum voor dagverzorging]1 mee dat de zorgvoorziening kan factureren conform deel 6 en dit op hetzelfde tijdstip waarop het agentschap die tegemoetkoming aan de zorgvoorziening communiceert.
  
Art. 457. Au moment où elle communique l'allocation à la structure de soins, l'agence communique aux caisses d'assurance soins le montant de l'allocation de soin dans un centre de soins de jour que la structure de soins peut facturer conformément à la partie 6.
  

Änderungen

[1]pas en frnaçaise
HOOFDSTUK 4. [1 Gemeenschappelijke bepaling met betrekking tot hoofdstuk 2 en 3]1
CHAPITRE 4. [1 Disposition commune relative aux chapitres 2 et 3 ]1
Art. 457/1. [1 Het agentschap bewaart de persoonsgegevens, vermeld in artikel 452, 453, 456 en 456/1, gedurende maximaal tien jaar nadat de voorziening de gegevens in kwestie heeft bezorgd.]1
  
Art. 457/1. [1 L'agence conserve les données à caractère personnel visées aux articles 452, 453, 456 et 456/1 pendant une période maximale de dix ans après que la structure a fourni les données en question.]1
  
Deel 2. - Toekenning van tegemoetkomingen
Partie 2. - Octroi des allocations
Titel 1. - Tegemoetkomingen
Titre 1. - Allocations
HOOFDSTUK 1. - Algemeen
Chapitre 1er. - Général
Art. 458. De tegemoetkoming voor zorg in een woonzorgcentrum of een centrum voor kortverblijf bestaat uit:
  1° de basistegemoetkoming voor zorg in een woonzorgcentrum of een centrum voor kortverblijf, vermeld in titel 3, hoofdstuk 1, afdeling 1;
  2° de tegemoetkoming in de gesolidariseerde kost van het incontinentiemateriaal in een woonzorgcentrum en centrum voor kortverblijf, vermeld in artikel 505;
  [1 3° de tegemoetkoming voor de opvang van personen in een centrum voor kortverblijf met een bijkomende erkenning, vermeld in artikel 505/1.]1
  
Art. 458. L'allocation de soins dans un centre de soins résidentiels ou un centre de court séjour se compose de :
  1° l'allocation de soins de base pour des soins dans un centre de soins résidentiels ou un centre de court séjour, visée au titre 3, chapitre premier, section 1 ;
  2° l'allocation de frais consolidés pour le matériel d'incontinence dans un centre de soins résidentiels ou un centre de court séjour, visée à l'article 505;
  [1 3° l'allocation pour l'accueil des personnes dans un centre de court séjour titulaire d'un agrément supplémentaire, visé à l'article 505/1.]1
  
Art. 459. De tegemoetkoming voor zorg in een [1 centrum voor dagverzorging]1 bestaat uit:
  1° de basistegemoetkoming voor zorg in een [1 centrum voor dagverzorging]1, vermeld in artikel 506;
  2° de tegemoetkoming in de reiskosten [1 centrum voor dagverzorging]1, vermeld in artikel 507.
  
Art. 459. L'allocation de soins dans un centre de soins de jour se compose de :
  1° l'allocation de base pour soins dans un centre de soins de jour, visée à l'article 506 :
  2° l'intervention dans les frais de déplacement vers le centre de soins de jour, visée à l'article 507.
  

Änderungen

[1]pas en frnaçais
Art. 460. Een woonzorgcentrum, een centrum voor kortverblijf en een dagverzorgingscentrum hebben geen recht op een tegemoetkoming conform artikel 520, voor meer dan het aantal entiteiten waarvoor ze erkend zijn.
  In afwijking op het eerste lid gelden voor de tegemoetkoming in de reiskosten dagverzorgingscentrum, vermeld in artikel 459, 2°, de volgende uitzonderingen:
  1° dagverzorgingscentra voor zorgafhankelijke personen hebben conform artikel 520 recht op een tegemoetkoming in de reiskosten dagverzorging voor elke verblijfsdag van een gebruiker die aan de voorwaarden, vermeld in artikel 422 voldoet;
  2° de dagverzorgingscentra voor personen met een ernstige ziekte hebben conform artikel 520 recht op een tegemoetkoming in de reiskosten dagverzorging voor elke verblijfsdag van een gebruiker die aan de voorwaarden, vermeld in artikel 423, voldoet.
Art. 460. Un centre de soins résidentiels, un centre de court séjour et un centre de soins de jour n'ont pas droit à une allocation visée à l'article 520 pour un nombre supérieur d'entités pour lesquelles ils sont agréés.
  Par dérogation à l'alinéa premier, les exceptions suivantes s'appliquent à l'intervention dans les frais de déplacement vers le centre de soins de jour, visée à l'article 459, 2° :
  1° conformément à l'article 520, les centres de soins de jour pour personnes nécessitant des soins ont droit à une intervention dans les frais de déplacement pour soins de jour pour chaque journée de séjour d'un patient répondant aux conditions visées à l'article 422 ;
  2° conformément à l'article 520, les centres de soins de jour pour personnes gravement malades ont droit à une intervention dans les frais de déplacement pour soins de jour pour chaque journée de séjour d'un patient répondant aux conditions visées à l'article 423 ;
Art. 461. De tegemoetkoming voor zorg in een woonzorgcentrum, de tegemoetkoming voor zorg in een centrum voor kortverblijf en de tegemoetkoming voor zorg in een [1 centrum voor dagverzorging]1 zijn onderling niet cumuleerbaar.
  
Art. 461. Il n'est pas permis de cumuler l'allocation de soins dans un centre de soins résidentiels, l'allocation de soins dans un centre de court séjour et l'allocation de soins dans un centre de soins de jour.
  

Änderungen

[1]pas en frnaçais
HOOFDSTUK 2. - Woonzorgcentra en centra voor kortverblijf
Chapitre 2. - Centres de soins résidentiels et centres de court séjour
Art. 462. De tegemoetkoming voor zorg in een woonzorgcentrum of een centrum voor kortverblijf wordt toegekend vanaf de datum van de bezorging aan het woonzorgcentrum of het centrum voor kortverblijf van de beslissing tot verlening van de erkenning, vermeld in artikel 7 en artikel 12 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 betreffende de procedures voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen van gebruikers en mantelzorgers en artikel 33 en artikel 37 van het besluit van Vlaamse Regering van 25 april 2014 tot vaststelling van de procedures voor de gezondheidszorgvoorzieningen.
  In uitzonderlijke gevallen kan de minister beslissen de tegemoetkoming toe te kennen vanaf de ingangsdatum van de erkenning.
  Als de ingangsdatum van de erkenning volgt op die van de bezorging aan het woonzorgcentrum of het centrum voor kortverblijf van de beslissing tot verlening van de erkenning, wordt de tegemoetkoming toegekend vanaf de ingangsdatum van de erkenning zoals vermeld in de beslissing.
Art. 462. L'allocation pour soins dans un centre de soins résidentiels ou un centre de court séjour est accordée à compter de la date de transmission au centre de soins résidentiels ou au centre de court séjour de la décision d'octroi de l'agrément, conformément aux articles 7 et 12 relatif aux procédures pour les structures de services de soins et de logement et les associations d'usagers et intervenants de proximité et aux articles 33 et 37 de l'Arrêté du Gouvernement flamand du 25 avril 2014 fixant les procédures pour les structures de soins de santé.
  Dans des cas exceptionnels, le ministre peut décider d'octroyer l'allocation à partir de la date d'entrée en vigueur de l'agrément.
  Si la date d'entrée en vigueur de l'agrément suit la date à laquelle la décision d'octroi de l'agrément est transmise au centre de soins résidentiels ou au centre de court séjour, l'allocation est octroyée à partir de la date d'entrée en vigueur de l'agrément comme mentionné dans la décision.
Art. 463. De gebruiker die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in deel 1, en die verblijft in een woonzorgcentrum of een centrum voor kortverblijf heeft recht op een tegemoetkoming voor zorg in een woonzorgcentrum of een centrum voor kortverblijf voor elk verblijf dat minstens één nacht behelst. Dat houdt in dat de opname begint vóór middernacht en eindigt na 8 uur 's anderendaags.
  De dag van opname en de dag van ontslag worden samen voor één verblijfsdag gerekend, behalve in de gevallen waarin de volgende voorwaarden cumulatief vervuld zijn:
  1° de opname van de gebruiker vindt plaats vóór 12 uur op de dag van zijn opname;
  2° het vertrek van de gebruiker vindt plaats na 14 uur op de dag van zijn ontslag.
  Met uitzondering van de gevallen, vermeld in het tweede lid, worden de verblijfsdagen van de gebruiker als volgt berekend:
  1° bij opname vóór 12 uur op de dag van zijn opname en vertrek vóór 14 uur op de dag van zijn ontslag, wordt de dag van opname in rekening gebracht;
  2° bij opname na 12 uur op de dag van zijn opname, ongeacht het uur van vertrek op de dag van zijn ontslag, wordt de dag van ontslag in rekening gebracht.
  [1 Als door het overlijden van de gebruiker niet wordt voldaan aan de minimale verblijfsduur van één nacht, wordt de tegemoetkoming, vermeld in het eerste lid, betaald ]1.
  Het overbrengen binnen eenzelfde woonzorgcentrum, van een bewoner van een entiteit woonzorgcentrum zonder bijkomende erkenning naar een entiteit woonzorgcentrum met bijkomende erkenning of omgekeerd, wordt niet beschouwd als een onderbreking van het verblijf, maar, in voorkomend geval, als een wijziging van afhankelijkheidscategorie als vermeld in artikel 440.
  Het overbrengen van een gebruiker van een centrum voor kortverblijf naar een woonzorgcentrum en omgekeerd wordt beschouwd als een onderbreking van het verblijf en een wijziging van zorgvoorziening.
  
Art. 463. L'utilisateur satisfaisant aux conditions, visées à la partie 1, et résidant dans un centre de soins résidentiels ou un centre de court séjour a droit à une allocation pour soins dans un centre de soins résidentiels ou un centre de court séjour pour tout séjour comprenant au moins une nuit. Cela implique que l'admission débute avant minuit et se termine après 8 heures le lendemain.
   Le jour d'admission et le jour de sortie sont comptabilisés pour une seule journée de séjour, hormis dans les cas où toutes les conditions suivantes sont réunies :
   1° admission du patient avant 12 heures le jour de son admission ;
   2° départ du patient après 14 heures le jour de sa sortie.
   A l'exception des cas visés à l'alinéa deux, les journées de séjour du patient sont comptabilisées comme suit :
   1° en cas d'admission avant 12 heures le jour de l'admission et de départ avant 14 heures le jour de sortie : comptabilisation du jour d'admission ;
   2° en cas d'admission après 12 heures le jour de l'admission, quelle que soit l'heure de départ le jour de sortie : comptabilisation de la journée de sortie.
   [1 Si la durée minimale de séjour d'une nuit n'est pas respectée en raison du décès de l'usager, l'intervention visée à l'alinéa 1er sera payée-]1.
  Le transfert dans un même centre de soins résidentiels du résident d'une entité centre de soins résidentiels sans agrément supplémentaire dans une entité centre de soins résidentiels avec agrément supplémentaire ou inversement, n'est pas considéré comme une interruption du séjour, mais, le cas échéant, comme une modification de la catégorie de dépendance, visée à l'article 440.
   Le transfert d'un patient d'un centre de court séjour vers un centre de soins résidentiels et inversement est considéré comme une interruption du séjour et une modification d'établissement de soins.
  
Art. 463 TOEKOMSTIG RECHT.    De gebruiker die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in deel 1, en die verblijft in een woonzorgcentrum of een centrum voor kortverblijf heeft recht op een tegemoetkoming voor zorg in een woonzorgcentrum of een centrum voor kortverblijf voor elk verblijf dat minstens één nacht behelst. Dat houdt in dat de opname begint vóór middernacht en eindigt na 8 uur 's anderendaags.
  De dag van opname en de dag van ontslag worden samen voor één verblijfsdag gerekend, behalve in de gevallen waarin de volgende voorwaarden cumulatief vervuld zijn:
  1° de opname van de gebruiker vindt plaats vóór 12 uur op de dag van zijn opname;
  2° het vertrek van de gebruiker vindt plaats na 14 uur op de dag van zijn ontslag.
  Met uitzondering van de gevallen, vermeld in het tweede lid, worden de verblijfsdagen van de gebruiker als volgt berekend:
  1° bij opname vóór 12 uur op de dag van zijn opname en vertrek vóór 14 uur op de dag van zijn ontslag, wordt de dag van opname in rekening gebracht;
  2° bij opname na 12 uur op de dag van zijn opname, ongeacht het uur van vertrek op de dag van zijn ontslag, wordt de dag van ontslag in rekening gebracht.
  [1 Als door het overlijden van de gebruiker niet wordt voldaan aan de minimale verblijfsduur van één nacht, wordt de tegemoetkoming, vermeld in het eerste lid, betaald ]1.
  [2 ...]2
  Het overbrengen van een gebruiker van een centrum voor kortverblijf naar een woonzorgcentrum en omgekeerd wordt beschouwd als een onderbreking van het verblijf en een wijziging van zorgvoorziening.
Art. 463 DROIT FUTUR.    L'utilisateur satisfaisant aux conditions, visées à la partie 1, et résidant dans un centre de soins résidentiels ou un centre de court séjour a droit à une allocation pour soins dans un centre de soins résidentiels ou un centre de court séjour pour tout séjour comprenant au moins une nuit. Cela implique que l'admission débute avant minuit et se termine après 8 heures le lendemain.
   Le jour d'admission et le jour de sortie sont comptabilisés pour une seule journée de séjour, hormis dans les cas où toutes les conditions suivantes sont réunies :
   1° admission du patient avant 12 heures le jour de son admission ;
   2° départ du patient après 14 heures le jour de sa sortie.
   A l'exception des cas visés à l'alinéa deux, les journées de séjour du patient sont comptabilisées comme suit :
   1° en cas d'admission avant 12 heures le jour de l'admission et de départ avant 14 heures le jour de sortie : comptabilisation du jour d'admission ;
   2° en cas d'admission après 12 heures le jour de l'admission, quelle que soit l'heure de départ le jour de sortie : comptabilisation de la journée de sortie.
   [1 Si la durée minimale de séjour d'une nuit n'est pas respectée en raison du décès de l'usager, l'intervention visée à l'alinéa 1er sera payée-]1.
  [2 ...]2
   Le transfert d'un patient d'un centre de court séjour vers un centre de soins résidentiels et inversement est considéré comme une interruption du séjour et une modification d'établissement de soins.
Art. 464. § 1. Er is geen recht op een tegemoetkoming voor zorg in een woonzorgcentrum of een centrum voor kortverblijf bij een tijdelijke afwezigheid van de gebruiker uit het woonzorgcentrum of het centrum voor kortverblijf.
  In het eerste lid wordt verstaan onder tijdelijke afwezigheid: de afwezigheid van een gebruiker gedurende minstens één nacht, die loopt van voor middernacht tot 8 uur 's anderendaags. Artikel 463, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing als er sprake is van een tijdelijke afwezigheid.
  Als een gebruiker wordt opgenomen in het ziekenhuis of revalidatieziekenhuis gedurende minstens één nacht, wordt dat niet als een tijdelijke afwezigheid beschouwd, maar als een vertrek uit de zorgvoorziening, als vermeld in artikel 443. Als een gebruiker langer dan 72 uur afwezig is, wordt dat beschouwd als het vertrek uit de zorgvoorziening, vermeld in artikel 443.
  § 2. De woonzorgcentra en centra voor kortverblijf melden elke tijdelijke afwezigheid van een gebruiker, vermeld in paragraaf 1, aan de zorgkas.
Art. 464. § 1. L'absence temporaire du patient d'un centre de soins résidentiels ou d'un centre de court séjour ne donne pas droit à une allocation de soins dans un centre de soins résidentiels ou un centre de court séjour.
  A l'alinéa premier, il convient de comprendre par absence temporaire : l'absence d'un patient durant au moins une nuit comprise avant minuit jusque 8 heures le lendemain. L'article 463, alinéa deux à quatre inclus, est applicable en cas d'absence temporaire.
  L'admission d'un patient dans un hôpital ou un hôpital de revalidation pendant au moins une nuit n'est pas considérée comme absence temporaire mais comme un départ de l'établissement de soins, visé à l'article 443. Toute absence du patient supérieure à 72 heures est considérée comme un départ de l'établissement de soins, visé à l'article 443.
  § 2. Les centres de soins résidentiels et les centres de court séjour sont tenus de signaler à la caisse d'assurance soins toute absence temporaire d'un patient, visé au paragraphe 1.
Art. 465. Aan de gebruikers die zijn opgenomen in een woonzorgcentrum of een centrum voor kortverblijf, mogen collectieve vakantieverblijven worden toegestaan die worden georganiseerd en geleid door, en onder de verantwoordelijkheid van die zorgvoorziening. Een collectief vakantieverblijf wordt niet beschouwd als een tijdelijke afwezigheid conform artikel 464, § 1.
  Tijdens de periode van een collectief vakantieverblijf kan voor de gebruiker de tegemoetkoming voor zorg in een woonzorgcentrum of een centrum voor kortverblijf worden aangerekend aan de zorgkas van de gebruiker. Het maximum aantal dagen van een collectief vakantieverblijf, bedraagt veertien dagen per kalenderjaar.
  Als een gebruiker van een woonzorgcentrum of een centrum voor kortverblijf deelneemt aan een collectief vakantieverblijf, dan moeten de data, de duur en de plaats van het verblijf in het verzorgingsdossier van de gebruiker opgenomen worden.
Art. 465. Des séjours de vacances collectifs organisés et dirigés par l'établissement de soins, et placés sous sa responsabilité, peuvent être accordés aux patients admis dans un centre de soins résidentiels ou un centre de court séjour. Un séjour de vacances collectif n'est pas considéré comme absence temporaire, visée à l'article 464, § 1.
  Au cours de la période de séjour de vacances collectif, l'allocation de soins dans un centre de soins résidentiels ou un centre de court séjour peut être facturée pour le patient à sa caisse d'assurance soins. Le nombre maximum de jours d'un séjour de vacances collectif est fixé à quatorze jours par année civile.
  Si le patient d'un centre de soins résidentiels ou un centre de court séjour participe à un séjour de vacances collectif, les dates, la durée et le lieu du séjour devront alors être mentionnés dans le dossier de soins du patient.
HOOFDSTUK 3. [1 - Centra voor dagverzorging]1
Chapitre 3. - Centres de soins de jour
Art. 466. De tegemoetkoming voor zorg in een [1 centrum voor dagverzorging]1 wordt toegekend vanaf de datum van ontvangst door het [1 centrum voor dagverzorging]1 van de beslissing tot verlening van de erkenning op de wijze vermeld in artikel 6 van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juni 2000 tot vaststelling van de procedure voor de [2 bijkomende erkenning]2 van een [1 centrum voor dagverzorging]1.
  In uitzonderlijke gevallen kan de minister beslissen de tegemoetkoming toekennen vanaf de ingangsdatum van de erkenning.
  Als de ingangsdatum van de erkenning volgt op die van de ontvangst door het [1 centrum voor dagverzorging]1 van de beslissing tot verlening van de erkenning, wordt de tegemoetkoming toegekend vanaf de ingangsdatum van de erkenning zoals vermeld in de beslissing.
  
Art. 466. L'allocation de soins dans un centre de soins de jour est octroyée à partir de la date de réception par le centre de soins de jour de la décision d'octroi de l'agrément de la façon visée à l'article 6 de l'Arrêté du Gouvernement flamand du 23 juin 2000 fixant la procédure d'[2 agrément supplémentaire ]2 d'un centre de soins de jour.
  Dans certains cas exceptionnels, le ministre peut décider d'octroyer l'allocation à compter de la date d'entrée en vigueur de l'agrément.
  Si la date d'entrée en vigueur de l'agrément suit celle de la date de réception par le centre de soins de jour de la décision d'octroi de l'agrément, l'allocation sera accordée à partir de la date d'entrée en vigueur de l'agrément telle que mentionnée dans la décision.
  
Art. 467. Een gebruiker die een beroep doet op een [1 centrum voor dagverzorging]1 heeft recht op een tegemoetkoming voor zorg in een [1 centrum voor dagverzorging]1 voor elk verblijf dat minstens zes uur behelst. De opname moet uiterlijk om 12 uur plaatshebben.
  Als de gebruiker evenwel tijdens een verblijfsdag overlijdt of moet worden opgenomen in een ziekenhuis of revalidatieziekenhuis, is de betaling van de tegemoetkoming, vermeld in het eerste lid, verschuldigd.
  
Art. 467. Un patient qui fait appel à un centre de soins de jour a droit à une allocation de soins dans un centre de soins de jour pour chaque séjour d'au moins six heures. L'admission doit avoir lieu au plus tard à 12 heures.
  [1 Si la durée minimale de séjour de six heures n'est pas respectée en raison du décès de l'usager ou de son admission à l'hôpital ou dans hôpital de revalidation, l'intervention visée à l'alinéa 1er sera payée. ]1.
  
Titel 2. - Gedekte zorg
Titre 2. - Soins couverts
HOOFDSTUK 1. - Woonzorgcentra en centra voor kortverblijf
Chapitre 1er. - Centres de soins résidentiels et centres de court séjour
Art. 468. De basistegemoetkoming voor zorg in woonzorgcentra [2 zonder een bijkomende erkenning]2 is alleen bestemd voor de financiering van de volgende diensten, producten en premies:
  1° de zorg en ondersteuning in de handelingen van het dagelijks leven;
  2° de verzorging verleend door verpleegkundigen;
  3° de logopedieverstrekkingen verleend door de zorgverleners die daarvoor bevoegd zijn;
  4° elke handeling tot reactivatie en sociale re-integratie, inclusief de ergotherapie;
  5° een tegemoetkoming om de inzet van bijkomende zorginspanningen te stimuleren;
  6° de producten en de materialen ter preventie van nosocomiale ziekten, alsook de volgende producten:
  a) de ontsmettingsmiddelen die niet terugbetaalbaar zijn in het kader van de verplichte ziekteverzekering, met uitzondering van de ontsmettingsmiddelen voor gynaecologie, mond- en oogverzorging;
  b) de niet-geïmpregneerde verbanden;
  c) de steriele kompressen die niet terugbetaalbaar zijn in het kader van de verplichte ziekteverzekering;
  d) het onderhuids en/of intramusculair injectiemateriaal, uitgezonderd insulinespuiten;
  7° de opleiding en de sensibilisering van het personeel voor de palliatieve verzorging[5 ...]5
  8° een partiële tegemoetkoming in de beheerskosten en de kosten voor de gegevensoverdracht;
  9° [7 het functiecomplement voor hoofdverpleegkundigen, teamverantwoordelijken die in het bezit zijn van ten minste een bachelordiploma in een zorg- of welzijnsdomein, hoofdparamedici en kinesitherapeuten die dienstverantwoordelijke zijn met minstens achttien jaar anciënniteit;]7
  10° de financiering van een referentiepersoon voor dementie in de desbetreffende zorgvoorzieningen waarin gemiddeld 25 bewoners verblijven die zijn gerangschikt in de afhankelijkheidscategorie Cd, vermeld in artikel 425 van dit besluit, wegens hun psychische afhankelijkheid;
  11° de titels en de beroepskwalificaties, vermeld in artikel 1 tot en met 3 van het koninklijk besluit van 28 december 2011;
  12° de aanvullende opleiding van het personeel op het vlak van dementie [6 ...]6.
  [1 13° [4 ...]4]1
  [3 14° de taken van de coördinerende en raadgevende arts, vermeld in [7 artikel 33/1 tot en met 33/4]7 van bijlage 11 bij het besluit van 28 juni 2019;
   15° de taken van een hoofdverpleegkundige [4 of teamverantwoordelijke die in het bezit is van ten minste een bachelordiploma in een zorg- of welzijnsdomein]4;
   16° de kinesitherapieverstrekkingen, verleend aan bewoners in de afhankelijkheidscategorie B,C Cd en D door de zorgverstrekkers die daarvoor bevoegd zijn.]3

  De minister stelt een lijst samen van producten die beschouwd worden als producten of materialen als vermeld in het eerste lid, 6°.
  
Art. 468. L'allocation de base pour soins dans des centres de soins résidentiels [2 ...]2 sans agrément supplémentaire est uniquement destinée au financement des services, produits et primes suivants :
  1° les soins et l'assistance dans les actes de la vie journalière ;
  2° les soins donnés par du personnel infirmier ;
  3° les prestations de logopédie effectuées par les dispensateurs de soins qualifiés à cet effet ;
  4° tout acte de réactivation et de réintégration sociale, y compris l'ergothérapie ;
  5° une intervention destinée à stimuler l'implication d'efforts de soins supplémentaires ;
  6° les produits et le matériel destinés à prévenir les maladies nosocomiales, ainsi que les produits suivants :
  a) les désinfectants, à l'exception des désinfectants à usage gynécologique, à usage buccal et à usage ophtalmique, qui ne sont pas remboursables dans le cadre de l'assurance obligatoire soins de santé
  b) les pansements non imprégnés ;
  c) les compresses stériles qui ne sont pas remboursables dans le cadre de l'assurance obligatoire soins de santé ;
  d) le matériel d'injection sous-cutanée et/ou intramusculaire à l'exception des seringues à insuline ;
  7° la formation et la sensibilisation du personnel aux soins palliatifs [5 ...]5 ;
  8° une intervention partielle dans le coût de la gestion et de la transmission des données ;
  9° [7 le complément de fonction pour les infirmiers en chef, les responsables d'équipe titulaires au minimum d'un diplôme de bachelier dans le domaine des soins ou du bien-être, les responsables de l'équipe paramédicale et les kinésithérapeutes qui sont chef de service et ont au moins 18 ans d'ancienneté ;]7
  10° le financement d'une personne de référence pour la démence dans les établissements de soins concernés dans lesquels résident en moyenne 25 résidents classés dans la catégorie de dépendance Cd, visée à l'article 425 du présent arrêté, en raison de leur dépendance psychique ;
  11° les titres et qualifications professionnelles, visés à l'article 1 à 3 inclus de l'arrêté royal du 28 décembre 2011 ;
  12° la formation complémentaire du personnel en matière de démence dans les établissements de soins concernés avec agrément supplémentaire et [6 ...]6;
  [1 13° [4 ...]4.]1
  [3 14° les tâches du médecin coordinateur et conseil, visées à [7 les articles 33/1 à 33/4,]7 de l'annexe 11 à l'arrêté du 28 juin 2019 ;
   15° les tâches d'un infirmier en chef [4 ou d'un responsable d'équipe, titulaire d'au moins un diplôme de bachelier dans un domaine des soins ou de l'aide sociale]4;
   16° les prestations de kinésithérapie dispensées aux résidents des catégories de dépendance B, C, Cd et D par les dispensateurs de soins compétents à cet effet.]3

  Le ministre établit une liste de produits considérés comme produits ou matériaux visés à l'alinéa premier, 6°.
  
Art. 470. De basistegemoetkoming voor zorg in centra voor kortverblijf is alleen bestemd voor de financiering van de producten, diensten en premies, vermeld in artikel 468, eerste lid, 1° [2 tot en met 16°]2]1, voor een bijkomende financiering voor het kortverblijf, voor de werkingsmiddelen van het centrum voor kortverblijf en voor in voorkomend geval de financiering voor het personeel in een centrum voor kortverblijf met een bijkomende erkenning.
  
Art. 470. L'allocation de base pour des soins prodigués dans des centres de court séjour est uniquement destinée au financement des produits, services et primes, visés à l'article 468, alinéa premier, 1° jusqu'à [1 1[2 16°]2]1 inclus, pour un financement supplémentaire du court séjour, pour les moyens de fonctionnement du centre de court séjour et pour, le cas échéant, le financement du personnel dans un centre de court séjour avec agrément supplémentaire.
  
HOOFDSTUK 2. [1 - Centra voor dagverzorging]1
Chapitre 2. - Centres de soins de jour
Art. 471. De basistegemoetkoming voor zorg in [1 centra voor dagverzorging]1 is alleen bestemd voor de financiering van de volgende diensten en producten:
  1° de zorg en ondersteuning in de handelingen van het dagelijks leven;
  2° de verzorging verleend door verpleegkundigen;
  3° de kinesitherapieverstrekkingen verleend door de zorgverstrekkers die daarvoor bevoegd zijn;
  4° de logopedieverstrekkingen verleend door de zorgverstrekkers die daarvoor bevoegd zijn;
  5° elke handeling tot reactivatie en sociale re-integratie, inclusief de ergotherapie;
  6° de producten en de materialen ter preventie van nosocomiale ziekten, alsook de volgende producten:
  a) de ontsmettingsmiddelen die niet terugbetaalbaar zijn in het kader van de verplichte ziekteverzekering, met uitzondering van de ontsmettingsmiddelen voor gynaecologie, mond- en oogverzorging;
  b) de niet-geïmpregneerde verbanden;
  c) de steriele kompressen die niet terugbetaalbaar zijn in het kader van de verplichte ziekteverzekering;
  d) het onderhuids en/of intramusculair injectiemateriaal, uitgezonderd insulinespuiten.
  De minister stelt een lijst samen van producten die beschouwd worden als producten of materialen als vermeld in het eerste lid, 6°.
  
Art. 471. L'allocation de base pour soins prodigués dans des centres de soins de jour est uniquement destinée au financement des services et produits suivants :
  1° les soins et l'assistance dans les actes de la vie journalière ;
  2° les soins donnés par du personnel infirmier ;
  3° les prestations de kinésithérapie dispensées par des dispensateurs de soins qualifiés à cet effet ;
  4° les prestations de logopédie dispensées par des dispensateurs de soins qualifiés à cet effet ;
  5° tout acte de réactivation et de réintégration sociale, y compris l'ergothérapie ;
  6° les produits et le matériel destinés à prévenir les maladies nosocomiales, ainsi que les produits suivants :
  a) les désinfectants, à l'exception des désinfectants à usage gynécologique, à usage buccal et à usage ophtalmique, qui ne sont pas remboursables dans le cadre de l'assurance obligatoire soins de santé
  b) les pansements non imprégnés ;
  c) les compresses stériles qui ne sont pas remboursables dans le cadre de l'assurance obligatoire soins de santé ;
  d) le matériel d'injection sous-cutanée et/ou intramusculaire à l'exception des seringues à insuline.
  Le ministre établit une liste de produits considérés comme produits ou matériaux visés à l'alinéa premier, 6°.
  

Änderungen

[1]pas en francais
Titel 3. - Berekening van de tegemoetkomingen
Titre 3. - Calcul de l'allocation
HOOFDSTUK 1. - Tegemoetkoming voor zorg in een woonzorgcentrum of een centrum voor kortverblijf
Chapitre 1er. - Allocation de soins dans un centre de soins résidentiels ou un centre de court séjour
Afdeling 1. - Basistegemoetkoming voor zorg in een woonzorgcentrum of een centrum voor kortverblijf
Section 1ère. - Allocation de base pour soins dans un centre de soins résidentiels ou un centre de court séjour
Onderafdeling 1. - Algemeen
Sous-section 1ère. - Généralités
Art. 472. Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder:
  1° bewoner O: een bewoner ingedeeld in afhankelijkheidscategorie O, conform artikel 425;
  2° bewoner A: een bewoner ingedeeld in afhankelijkheidscategorie A, conform artikel 425;
  3° bewoner B: een bewoner ingedeeld in afhankelijkheidscategorie B, conform artikel 425;
  4° bewoner C: een bewoner ingedeeld in afhankelijkheidscategorie C, conform artikel 425;
  5° bewoner Cd: een bewoner ingedeeld in afhankelijkheidscategorie Cd, conform artikel 425;
  6° bewoner D: een bewoner ingedeeld in afhankelijkheidscategorie D, conform artikel 425.
Art. 472. Pour l'application du présent titre, on entend par :
  1° résident O : un résident classé dans la catégorie de dépendance O, visée à l'article 425 ;
  2° résident A : un résident classé dans la catégorie de dépendance A, visée à l'article 425 ;
  3° résident B : un résident classé dans la catégorie de dépendance B, visée à l'article 425 ;
  4° résident C : un résident classé dans la catégorie de dépendance C, visée à l'article 425 ;
  5° résident Cd : un résident classé dans la catégorie de dépendance Cd, visée à l'article 425 ;
  6° résident D : un résident classé dans la catégorie de dépendance D, visée à l'article 425.
Art. 473. § 1. De basistegemoetkoming voor zorg in woonzorgcentra, in voorkomend geval met de bijbehorende centra voor kortverblijf, bevat de volgende onderdelen:
  1° Deel A1: de financiering van het genormeerde personeel conform artikel 429 tot en met 432;
  2° Deel A2: een tegemoetkoming als aanmoediging voor bijkomende zorginspanningen;
  3° Deel A3: een tegemoetkoming bedoeld om de harmonisering van de barema's te dekken voor alle leden van het zorgpersoneel die beschikken over de kwalificatie van zorgkundige;
  4° Deel B1: de financiering van het verzorgingsmateriaal, vermeld in artikel 468;
  5° Deel B2: de financiering van producten en materialen ter voorkoming van nosocomiale ziekten;
  6° Deel C: de financiering van de palliatieve functie;
  7° Deel D: een partiële tegemoetkoming in de beheerskosten en in de kosten voor de gegevensoverdracht;
  8° Deel E1: [17 de financiering van de functie van de hoofdverpleegkundige of teamverantwoordelijke die in het bezit is van ten minste een bachelordiploma in een zorg- of welzijnsdomein ]17;
  9°[26 deel E2: het functiecomplement voor hoofdverpleegkundigen, teamverantwoordelijken die in het bezit zijn van ten minste een bachelordiploma in een zorg- of welzijnsdomein, hoofdparamedici en kinesitherapeuten die dienstverantwoordelijke zijn;]26
  10° Deel E3: de financiering van een referentiepersoon dementie;
  11° Deel E4: de financiering van de titels en de beroepskwalificaties, vermeld in artikel 468;
  12° Deel F: de [7 financiering]7 voor de coördinerend en raadgevend arts in woonzorgcentra met een bijkomende erkenning;
  13° Deel G: de bijkomende financiering van het kortverblijf;
  14° Deel H: de financiering van de bijkomende vorming van het personeel op het vlak van dementie;
  15° Deel I: de werkingssubsidie centrum voor kortverblijf;
  16°[18 ...]18
  [1 17° deel K: de financiering van ondersteunend personeel; ]1
  [3 19° [14 ...]14]3
  [8 20° [21 ...]21;
   21° [21 ]21.]8

  § 2. Bij de berekening van de onderdelen, vermeld in paragraaf 1, gelden de volgende afrondingsregels, waarbij geen rekening wordt gehouden met het cijfer dat volgt op de af te ronden decimaal als het lager is dan vijf en de af te ronden decimaal met een eenheid wordt verhoogd als dat cijfer gelijk is aan of hoger is dan vijf:
  1° voor de berekening van het aantal voltijdse equivalent (VTE): alle (tussen)berekeningen worden per kwalificatie afgerond tot drie cijfers na de komma, zowel het VTE per trimester als het VTE tijdens de referentieperiode, als het totaal aantal VTE per kwalificatie;
  2° voor de berekening van bedragen uitgedrukt in euro: alle berekeningen worden afgerond tot twee cijfers na de komma;
  3° voor de berekening van de anciënniteit, vermeld in artikel 480: alle berekeningen worden afgerond tot drie cijfers na de komma;
  4° voor de berekening van het gemiddelde aantal bewoners: alle berekeningen worden afgerond tot drie cijfers na de komma.
  § 3. De basistegemoetkoming voor zorg in een woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, wordt per verblijfsdag en per gebruiker berekend op basis van de volgende formule:
  [1 [6 ((A1+A2+A3+B1+B2+C+D+E1+E2+E3+F+G+H) * [22 ...]22 * 1,022318) + E4 + [25 I+K]25[15 ...]15]6]1 [9 [21 ...]21]9, waarbij:
  1° 1,022318 de verhoging inhoudt van de onderdelen van deze bewerking, vermeld in punt 2° tot en met 14°, met 2,2318% voor de subsidiëring van de [4 begeleiding wonen en leven]4;
  2° A1 = de tegemoetkoming per verblijfsdag per gebruiker conform de bepalingen van onderafdeling 2;
  3° A2 = de tegemoetkoming per verblijfsdag per gebruiker conform de bepalingen van onderafdeling 3;
  4° A3 = de tegemoetkoming per verblijfsdag per gebruiker conform de bepalingen van onderafdeling 4;
  5° B1 = de tegemoetkoming per verblijfsdag per gebruiker conform de bepalingen van onderafdeling 5;
  6° B2 = de tegemoetkoming per verblijfsdag per gebruiker conform de bepalingen van onderafdeling 6;
  7° C = de tegemoetkoming per verblijfsdag per gebruiker conform de bepalingen van onderafdeling 7;
  8° D = de tegemoetkoming per verblijfsdag per gebruiker conform de bepalingen van onderafdeling 8;
  9° E1 = de tegemoetkoming per verblijfsdag per gebruiker conform de bepalingen van onderafdeling 9;
  10° E2 = de tegemoetkoming per verblijfsdag per gebruiker conform de bepalingen van onderafdeling 10;
  11° E3 = de tegemoetkoming per verblijfsdag per gebruiker conform de bepalingen van onderafdeling 11;
  12° F = de tegemoetkoming per verblijfsdag per gebruiker conform de bepalingen van onderafdeling 13;
  13° G = de tegemoetkoming per verblijfsdag per gebruiker conform de bepalingen van onderafdeling 14;
  14° H = de tegemoetkoming per verblijfsdag per gebruiker conform de bepalingen van onderafdeling 15;
  15° E4 = de tegemoetkoming per verblijfsdag per gebruiker conform de bepalingen van onderafdeling 12;
  16° I = de tegemoetkoming per verblijfsdag per gebruiker conform de bepalingen van onderafdeling 16;
  17° [25 ...]25
  [1 18° K = de financiering conform de bepalingen van onderafdeling 18.]1
  19° [8 ...]8
  [3 20°[10 ...]10
  [6 21° [22 [23 ...]23.]22]6
  [11 22° [21 ...]21;
   23° [21 ...]21 ]11

  § 4. [4 Voor een woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, dat minder begeleiders wonen en leven tewerkgesteld heeft in de referentieperiode dan vereist volgens de erkenningsvoorwaarde, [13 vermeld in [24 45, § 1, 3°]24]13, van de bijlage 11 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juni 2019, wordt de coëfficiënt begeleiding wonen en leven, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, 1°, als volgt aangepast: 1 + (0,022318 * VTE begeleiders wonen en leven tewerkgesteld in de referentieperiode/VTE begeleiders wonen en leven norm)]4.
  [21 Voor de toepassing van het eerste lid wordt in afwijking van artikel 45, § 4, 6°, van bijlage 11 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juni 2019, het minimale aantal vereiste personeelsleden berekend op basis van het aantal gefactureerde dagen van de bewoners tijdens de referentieperiode.]21
  [19 Het aantal voltijdsequivalenten begeleiders wonen en leven, vermeld in het eerste lid, wordt op de volgende wijze bepaald:
   1° voor de periode van voltijdse tewerkstelling: het voltijdsequivalent per trimester tx = ((P/(P+NP)) x (d1/d2)), waarbij:
   a) P: het aantal gepresteerde en het aantal gelijkgestelde dagen in trimester tx;
   b) NP: het aantal niet-gelijkgestelde dagen in trimester tx;
   c) d1: het aantal dagen van voltijdse tewerkstelling;
   d) d2: het aantal dagen in het trimester;
   2° het voltijdsequivalent voor deeltijds werkende personeelsleden: het voltijdsequivalent per trimester tx = (P/H), waarbij:
   a) P: het aantal gepresteerde en/of geassimileerde uren tijdens het trimester, met uitsluiting van het aantal uren van voltijdse tewerkstelling;
   b) H: het aantal dagen van maandag tot vrijdag, gedurende het trimester, vermenigvuldigd met 7,6 uur per dag;
   3° het voltijdsequivalent tijdens de referentieperiode wordt bepaald aan de hand van de resultaten van de berekening, vermeld in punt 1° en 2°, en is gelijk aan de som van de voltijdsequivalenten per trimester tx in de referentieperiode gedeeld door het aantal trimesters in de referentieperiode. ]19

  

Änderungen

Art. 473. § 1. L'allocation de base pour soins prodigués dans des centres de soins résidentiels, le cas échéant avec les centres de court séjour y afférents, est composée des parties suivantes :
  1° Partie A1 : le financement du personnel normé visé à l'article 429 à 432 inclus ;
  2° Partie A2 : une intervention destinée à encourager l'utilisation de moyens de soins supplémentaires ;
  3° Partie A3 : intervention destinée à couvrir l'harmonisation des barèmes de tous les membres du personnel soignant disposant de la qualification d'aide-soignant ;
  4° Partie B1: le financement du matériel de soins visé à l'article 468 ;
  5° Partie B2 : le financement de produits et de matériel destinés à prévenir les maladies nosocomiales ;
  6° Partie C : le financement de la fonction palliative ;
  7° Partie D: une intervention partielle dans le coût de gestion et de transmission des données ;
  8° Partie E1: [17 le financement de la fonction d'infirmier en chef ou de responsable d'équipe, titulaire d'au moins un diplôme de bachelier dans un domaine des soins ou de l'aide sociale]17 ;
  9° [26 Partie E2 : le complément de fonction pour les infirmiers en chef, les responsables d'équipe titulaires au minimum d'un diplôme de bachelier dans le domaine des soins ou du bien-être, les responsables de l'équipe paramédicale et les kinésithérapeutes qui sont chef de service ;]26
  10° Partie E3 : le financement d'une personne de référence pour la démence ;
  11° Partie E4 : le financement des titres et qualifications professionnelles, visés à l'article 468 ;
  12° Partie F: le financement du médecin coordinateur et du médecin conseil dans les centres de soins résidentiels [7 avec ou sans centre de court séjour correspondant ]7 ;
  13° Partie G : le financement supplémentaire du court séjour ;
  14° Partie H : le financement de la formation complémentaire du personnel dans le domaine de la démence ;
  15° Partie I : le subside de fonctionnement du centre de court séjour ;
  16° [18 ...]18
  [1 17° partie K : le financement du personnel d'appui; ]1
  [3 19° [14 ...]14.]3
  [8 20° [21 ...]21;
   21° [21 ]21]8

  § 2. Pour le calcul des parties, conformément au paragraphe 1, les règles suivantes sont appliquées pour les arrondis, en négligeant le chiffre suivant la décimale à arrondir s'il est inférieur à cinq et en portant la décimale à arrondir à l'unité supérieure si ce chiffre est égal ou supérieur à cinq :
  1° pour le calcul du nombre d'équivalents temps plein (ETP) : tous les calculs par qualification, y compris les calculs intermédiaires, sont arrondis à trois décimales, tant pour le nombre d'ETP par trimestre que pour le nombre d'ETP pendant la période de référence ou le nombre total d'ETP ;
  2° pour le calcul des montants exprimés en euros : tous les calculs sont arrondis à deux décimales ;
  3° pour le calcul de l'ancienneté, mentionné à l'article 480 : tous les calculs sont arrondis à trois décimales ;
  4° pour le calcul du nombre moyen de résidents : tous les calculs sont arrondis à trois décimales.
  § 3. L'allocation de base pour soins prodigués dans un centre de soins résidentiels, le cas échéant avec le centre de court séjour y afférent, est calculée sur la base de la formule suivante par journée de séjour et par patient :
  [1 [6 ((A1+A2+A3+B1+B2+C+D+E1+E2+E3+F+G+H) * [22 ...]22 * 1,022318) + E4 +[25 I + K,]25-15 ...]15]6 [9 [21 ...]21 ]9, où :
  1° 1,022318 comprend l'augmentation des parties de l'opération, conformément au point 2° à 14° inclus, avec 2,2318% pour le subventionnement [4 de l'accompagnement habitat et vie]4 ;
  2° A1 = l'allocation par journée de séjour et par patient conformément aux dispositions de la sous-section 2 ;
  3° A2 = l'allocation par journée de séjour et par patient conformément aux dispositions de la sous-section 3 ;
  4° A3 = l'allocation par journée de séjour et par patient conformément aux dispositions de la sous-section 4 ;
  5° B1 = l'allocation par journée de séjour et par patient conformément aux dispositions de la sous-section 5 ;
  6° B2 = l'allocation par journée de séjour et par patient conformément aux dispositions de la sous-section 6 ;
  7° C = l'allocation par journée de séjour et par patient conformément aux dispositions de la sous-section 7 ;
  8° D = l'allocation par journée de séjour et par patient conformément aux dispositions de la sous-section 8 ;
  9° E1 = l'allocation par journée de séjour et par patient conformément aux dispositions de la sous-section 9 ;
  10° E2 = l'allocation par journée de séjour et par patient conformément aux dispositions de la sous-section 10 ;
  11° E3 = l'allocation par journée de séjour et par patient conformément aux dispositions de la sous-section 11 ;
  12° F = l'allocation par journée de séjour et par patient conformément aux dispositions de la sous-section 13 ;
  13° G = l'allocation par journée de séjour et par patient conformément aux dispositions de la sous-section 14 ;
  14° H = l'allocation par journée de séjour et par patient conformément aux dispositions de la sous-section 15 ;
  15° E4 = l'allocation par journée de séjour et par patient conformément aux dispositions de la sous-section 12 ;
  16° I = l'allocation par journée de séjour et par patient conformément aux dispositions de la sous-section 16 ;
  17°[25 ...]25
  [1 18° K = le financement conformément aux dispositions de la sous-section 18. ]1
  19° [8 ...]1
  [3 20° [10 ...]10
  [6 21° [22 [23 ...]23]22.
  [11 22° V[21 ...]21t à la sous-sect ;
   23° [21 ...]21]11

  § 4. [4 Pour un centre de soins résidentiels, le cas échéant avec le centre de court séjour y afférent, qui a occupé au cours de la période de référence moins d'accompagnateurs habitat et vie que le nombre exigé par la condition d'agrément [1 3 visé à l'article[24 article 45, § 1er, 3°]24]1, de l'annexe 11 à l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 juin 2019, le coefficient d'accompagnement habitat et vie visé au paragraphe 3, alinéa 1er, est adapté comme suit : 1 + (0,022318 * accompagnateurs habitat et vie ETP occupés au cours de la période de référence/norme accompagnateurs habitat et vie ETP).]4
  [21 Pour l'application de l'alinéa 1er, par dérogation à l'article 45, § 4, 6°, de l'annexe 11 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 juin 2019, le nombre de membres du personnel minimal requis est calculé sur la base du nombre de jours facturés des résidents au cours de la période de référence. ]21
  [19 Le nombre d'accompagnateurs habitat et vie ETP visés à l'alinéa 1er est déterminé de la manière suivante :
   1° pour la période d'emploi à temps plein : l'équivalent temps plein par trimestre tx = ((P/(P+NP)) x (d1/d2)), où :
   a) P : le nombre de jours prestés et le nombre de jours assimilés dans le trimestre tx ;
   b) NP : le nombre de jours non assimilés dans le trimestre tx ;
   c) d1 : le nombre de jours d'emploi à temps plein ;
   d) d2 : le nombre de jours dans le trimestre ;
   2° l'équivalent temps plein pour les membres du personnel employés à temps partiel : l'équivalent temps plein par trimestre tx = (P/H), où :
   a) P : le nombre d'heures prestées et/ou assimilées au cours du trimestre, à l'exclusion du nombre d'heures d'emploi à temps plein ;
   b) H : le nombre de jours du lundi au vendredi, au cours du trimestre, multiplié par 7,6 heures par jour ;
   3° l'équivalent temps plein pendant la période de référence est déterminé à l'aide des résultats du calcul visé aux points 1° et 2°, et est égal à la somme des équivalents temps plein par trimestre tx pendant la période de référence divisée par le nombre de trimestres pendant la période de référence. ]19

  

Änderungen

Art. 473/1. [1 Als een foutieve basistegemoetkoming voor zorg is bepaald voor een bepaalde factureringsperiode, herberekent het agentschap de basistegemoetkoming voor zorg.
   Het agentschap recupereert het onterecht betaalde bedrag door de basistegemoetkoming voor zorg te verminderen, of het woonzorgcentrum recupereert, in voorkomend geval met bijbehorend centrum voor kortverblijf, het te weinig betaalde bedrag door de basistegemoetkoming voor zorg te verhogen. Die vermindering of verhoging wordt vanaf de dag waarop de herberekende tegemoetkoming gecommuniceerd wordt, toegepast gedurende een even lange periode als de periode waarin het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met bijbehorend centrum voor kortverblijf, in het verleden onterecht de foutieve tegemoetkoming heeft ontvangen.
   Als het agentschap het onterecht betaalde bedrag niet kan recupereren door de basistegemoetkoming voor zorg te verminderen, wordt het onterecht betaalde bedrag van het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met bijbehorend centrum voor kortverblijf, teruggevorderd. Als het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met bijbehorend centrum voor kortverblijf, het onterecht betaalde bedrag niet kan recupereren door de basistegemoetkoming voor zorg te verhogen, betaalt het agentschap het te weinig betaalde bedrag rechtstreeks aan het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met bijbehorend centrum voor kortverblijf. ]1

  
Art. 473/1. [1 Si une intervention de base pour les soins incorrecte a été déterminée pour une période de facturation donnée, l'agence recalcule l'intervention de base pour les soins.
   L'agence récupère le montant payé indûment par diminution de l'intervention de base pour les soins ou bien le centre de soins résidentiels, le cas échéant avec centre de court séjour associé, récupère le montant trop peu perçu par augmentation de l'intervention de base pour les soins. Cette diminution ou augmentation est appliquée, à partir du jour où l'intervention recalculée est communiquée, pendant une période d'une durée égale à celle durant laquelle le centre de soins résidentiels, le cas échéant avec centre de court séjour associé, a indûment reçu par le passé l'intervention incorrecte.
   Si l'agence ne peut pas récupérer le montant payé indûment par diminution de l'intervention de base pour les soins, le montant payé indûment sera recouvré auprès du centre de soins résidentiels, le cas échéant avec centre de court séjour associé. Si le centre de soins résidentiels, le cas échéant avec centre de court séjour associé, ne peut pas récupérer le montant trop peu perçu par augmentation de l'intervention de base pour les soins, l'agence paie le montant trop peu perçu directement au centre de soins résidentiels, le cas échéant avec centre de court séjour associé. ]1

  
Onderafdeling 2. - Deel A1: financiering van de personeelsnormen
Sous-section 2. - Partie A1: financement du personnel normé
Art. 474. De financiering van het genormeerde personeel, vermeld in artikel 430 en 432, is bestemd voor de financiering van de loonkosten die voor elke personeelskwalificatie samengesteld zijn uit:
  1° het bruto maandloon;
  2° [1 de onregelmatige prestaties en de ongemakkelijke prestaties van de verpleegkundigen, de zorgkundigen en de [2 zij-instroomzorgkundigen]2]1 (13,74% op het brutomaandloon) en de onregelmatige prestaties en de ongemakkelijke prestaties van de kinesitherapeuten, de ergotherapeuten, de logopedisten en de leden van het personeel voor reactivering (0,79% van het brutomaandloon);
  3° het dubbel vakantiegeld (92% van het brutomaandloon, inclusief de onregelmatige prestaties en de haard- en standplaatstoelage);
  4° de eindejaarspremie (vast bedrag + 2,5% op brutomaandloon, verhoogd met haard- en standplaatstoelage);
  5° de patronale lasten volgens de bedragen die van toepassing zijn in de private sector (forfaitair 34,67 %);
  6° de jaarlijkse premies van 184,92 en 15,75 euro;
  7° de jaarlijkse attractiviteitspremie van 619,19 euro;
  8° twee bijkomende dagen verlof;
  9° een tussenkomst in de arbeidsongevallenverzekering (0,91% van het brutojaarsalaris);
  10° een tussenkomst in de kosten voor het sociaal secretariaat (241,59 euro per jaar per voltijds equivalent);
  11° een tussenkomst in de kosten voor de interbedrijfsgeneeskundige dienst (120,60 euro per jaar per voltijds equivalent);
  12° een tussenkomst in de kosten voor de verplaatsing van en naar het werk (341,30 euro per jaar per voltijds equivalent);
  13° een tussenkomst in de kosten voor beroepskledij (310,81 euro per jaar per voltijds equivalent);
  14° de haard- en standplaatstoelage.
  
Art. 474. Le financement du personnel normé, visé aux articles 430 et 432, couvre le salaire qui, quelle que soit la qualification de ce personnel, est composé des éléments suivants
  1° le salaire mensuel brut ;
  2° [1 les prestations irrégulières et les prestations inconfortables des praticiens de l'art infirmier, des aides-soignants et des aides-soignants pour l'afflux indirect]1 (13,74 % du salaire mensuel brut) et les prestations irrégulières et les prestations inconfortables des kinésithérapeutes, ergothérapeutes, logopèdes et des membres du personnel de réactivation (0,79 % du salaire mensuel brut) ;
  3° le double pécule de vacances (92 % du salaire mensuel brut, y compris les prestations irrégulières et l'allocation de foyer et de résidence) ;
  4° la prime de fin d'année (montant fixe + 2,5 % du salaire mensuel brut, augmenté de l'allocation de foyer et de résidence) ;
  5° les charges patronales suivant les montants qui sont d'application dans le secteur privé (forfaitairement 34,67 %) ;
  6° les primes annuelles de 184,92 et 15,75 euros ;
  7° la prime annuelle d'attractivité de 619,19 euros ;
  8° deux jours de congé supplémentaires ;
  9° une intervention dans l'assurance contre les accidents du travail (0,91 % du salaire annuel brut) ;
  10° une intervention dans le coût du secrétariat social (241,59 euros par an par équivalent temps plein) ;
  11° une intervention dans le coût de la médecine du travail (120,60 euros par an par équivalent temps plein) ;
  12° une intervention dans les frais de déplacement vers et à partir du lieu de travail (341,30 euros par an par équivalent temps plein) ;
  13° une intervention dans le coût des vêtements de travail (310,81 euros par an par équivalent temps plein) ;
  l'allocation de foyer et de résidence.
  
Art. 475.1. Het agentschap berekent het aantal voltijds equivalenten per kwalificatie dat in het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf aanwezig is tijdens de referentieperiode. Daarbij worden de volgende regels toegepast:
   1° een fysiek persoon die voltijds bij dezelfde initiatiefnemer is tewerkgesteld, wordt in aanmerking genomen voor een gemiddelde arbeidsduur van maximum 38 uur per week, met inbegrip van zijn prestaties als [5 verpleegkundige of zorgkundige uitzendkracht]5;
   2° het maximum aantal gepresteerde uren per dag is beperkt tot 11 uur;
   3° het maximum aantal uren per trimester tx wordt bepaald conform de volgende formule: het aantal dagen van maandag tot vrijdag in het trimester tx * 7,6 uur/dag;
   4° voor het minimum aantal te presteren dagen per trimester, inclusief de gelijkgestelde dagen, voor een voltijdse equivalent geldt de volgende regel:
   [(P * 11) + (NP * 7,6)] >= H * (d1/d2)
   waarbij:
   a) P = het aantal gepresteerde en het aantal gelijkgestelde dagen in trimester tx;
   b) NP = het aantal niet-gelijkgestelde dagen in trimester tx;
   c) H = het aantal dagen van maandag tot vrijdag, gedurende het trimester, vermenigvuldigd met 7,6 uur per dag;
   d) d1 = het aantal dagen van voltijdse tewerkstelling;
   e) d2 = het aantal dagen in het trimester;
   5° de dagen waarop de werknemer met disponibiliteit is, worden niet in aanmerking genomen;
   6° bij ontslag wordt de compenserende opzeggingsvergoeding niet in aanmerking genomen;
   7° als de prestaties van een personeelslid worden gespreid over verschillende activiteiten, worden de gepresteerde uren of dagen in de volgende volgorde toegewezen aan:
   a) de prestaties van de personeelsleden, vermeld in paragraaf 2, 2°, f), g), l) en o);
   b) de prestaties van de personeelsleden, vermeld in paragraaf 2, 2°, b);
   c) de prestaties van de personeelsleden, vermeld in paragraaf 2, 2°, j) en k);
   d) de prestaties die het voorwerp uitmaken van de forfaitaire tegemoetkoming, vermeld in artikel 484.
   Voor de berekening, vermeld in het eerste lid, 3° en 4°, wordt rekening gehouden met alle gepresteerde en/of gelijkgestelde dagen of uren in de loop van het trimester, ook al zijn die dagen of uren gepresteerd in meerdere woonzorgcentra, centra voor kortverblijf of [3 centra voor dagverzorging]3 van dezelfde initiatiefnemer.
   Als het agentschap vaststelt dat de maxima vermeld in het eerste lid, 2° of 3° overschreden zijn, zal het die dagen of uren beperken tot het aanvaarde maximum. Het toegelaten maximum aan prestaties wordt dan proportioneel verdeeld over de verschillende voorzieningen op basis van het aantal uren van het contract van de persoon in iedere voorziening.
   § 2. Bij de berekening, vermeld in paragraaf 1, gelden de volgende regels:
   1° het voltijds equivalent van het loontrekkend of statutair personeelslid wordt als volgt bepaald:
   a) voor de periode van voltijdse tewerkstelling:
   het voltijds equivalent per trimester tx = ((P/(P+NP)) x (d1/d2))
   waarbij:
   1) P = het aantal gepresteerde en het aantal gelijkgestelde dagen in trimester tx;
   2) NP = het aantal niet gelijkgestelde dagen in trimester tx;
   3) d1 = het aantal dagen van voltijdse tewerkstelling;
   4) d2 = het aantal dagen in het trimester;
   b) het voltijds equivalent voor deeltijds werkende personeelsleden:
   het voltijds equivalent per trimester tx = (P/H)
   waarbij:
   1) P = het aantal gepresteerde en/of geassimileerde uren tijdens het trimester, met uitsluiting van het aantal uren van voltijdse tewerkstelling zoals bedoeld onder a);
   2) H = het aantal dagen van maandag tot vrijdag, gedurende het trimester, vermenigvuldigd met 7,6 uur per dag;
   c) het voltijds equivalent tijdens de referentieperiode wordt bepaald aan de hand van de resultaten van de berekening, vermeld in punt a) en b), en is gelijk aan de som van de voltijds equivalenten per trimester tx in de referentieperiode gedeeld door het aantal trimesters in de referentieperiode;
   2° de VTE's van de volgende personeelsleden worden niet in aanmerking genomen voor de berekening van de tegemoetkoming, vermeld in artikel 484 van dit besluit:
   a) de personeelsleden die onder de toepassing vallen van het koninklijk besluit van 18 juli 2002 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector;
   b) de personeelsleden die onder de toepassing vallen van [2 artikel 5, § 1, 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2018 tot financiering van sommige sociale akkoorden in bepaalde gezondheidsinrichtingen en -diensten]2, wat de maatregelen inzake vrijstelling van arbeidsprestaties en eindeloopbaan betreft;
   c) de vervangers van de werknemers van minstens vijftig jaar, die de maatregelen inzake vrijstelling van arbeidsprestaties en eindeloopbaan niet genieten, maar die een bijkomend verlof genieten in het kader van het sociaal akkoord dat betrekking heeft op de sector van de geneeskundige verzorging en dat in 2005 door de Federale Regering is gesloten met de betrokken representatieve organisaties van de werkgevers en werknemers;
   d) de personeelsleden die onder de toepassing vallen van artikel 6 van de bijlage bij het koninklijk besluit van 15 februari 2012 waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 11 april 2011, gesloten in het Paritair Comité voor de gezondheidsinrichtingen en -diensten, betreffende het vormingsproject tot verpleegkundigen;
   e) de personeelsleden die onder de toepassing vallen van artikel 17 van het protocol van raamakkoord van 26 juli 2000 betreffende het opleidingsproject tot verpleegkundige in de federale Gezondheidssector;
   f) de personeelsleden die gefinancierd worden in het kader van het koninklijk besluit van 2 juli 2009 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder het Verzekeringscomité met toepassing van artikel 56, § 2, eerste lid, 3°, van de Ziekteverzekeringswet, overeenkomsten kan sluiten voor de financiering van alternatieve en ondersteunende zorg voor kwetsbare ouderen;
   g) de personeelsleden die gefinancierd worden in het kader van de overeenkomsten die gesloten zijn met toepassing van artikel 22 van de Ziekteverzekeringswet;
   h) de personeelsleden die gefinancierd worden in het kader van het koninklijk besluit van 27 april 2007 houdende de algemene uitvoeringsbepalingen van de maatregelen ten gunste van de tewerkstelling van jongeren in de sociale profitsector voortspruitend uit de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact;
   i) [3 de personeelsleden om te voldoen aan de erkenningsvoorwaarde, vermeld in artikel 50, 4°, van bijlage 11 bij het besluit van 28 juni 2019]3;
   j) de referentiepersoon voor dementie die in deel E3, als vermeld in onderafdeling 11, wordt gefinancierd;
   k)[1 de personeelsleden die gefinancierd worden ter uitvoering van de sociale akkoorden van 2011 en 2013 met betrekking tot jobcreatie]1;
   l) de personeelsleden die gefinancierd worden met toepassing van artikel 506;
   m) de personeelsleden die gefinancierd worden in het kader van artikel 60, § 7, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
   n) de personeelsleden die werken onder het statuut van een leercontract of een overeenkomst inzake inschakeling in het maatschappelijk en beroepsleven, vermeld in het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 28 juli 1998 betreffende de overeenkomst inzake inschakeling in het maatschappelijk en beroepsleven van de centra voor alternerende opleiding en onderwijs;
   o) het aandeel VTE gedurende hetwelk de prestaties van de loontrekkende kinesitherapeut via de nomenclatuur worden gefactureerd;
   p) de personeelsleden die gefinancierd worden in kader van een subsidieovereenkomst.
   [4 q) de personeelsleden die gefinancierd worden krachtens andere wetten, decreten, ordonnanties, reglementaire bepalingen of krachtens een individueel of collectief gesloten overeenkomst.]4
   In afwijking van het eerste lid, 2°, moet het aantal uren van vrijstelling van arbeidsprestaties dat is toegekend met toepassing van [2 hoofdstuk 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2018 tot financiering van sommige sociale akkoorden in bepaalde gezondheidsinrichtingen en -diensten]2, wat de maatregelen inzake vrijstelling van arbeidsprestaties en eindeloopbaan betreft, begrepen zijn in het voltijds equivalent, vermeld in het eerste lid, 1°.
   § 3.[5 § 3. De woonzorgcentra, in voorkomend geval met de bijbehorende centra voor kortverblijf die te kampen hebben met een tekort aan verpleegkundig personeel en die onmogelijk onmiddellijk loontrekkend of statutair verpleegkundig personeel kunnen aanwerven, kunnen tijdelijk een beroep doen op de diensten van verpleegkundige uitzendkrachten die ter beschikking worden gesteld door een uitzendbureau dat de bevoegde overheid heeft erkend.
  [7 Voor de factureringsperiode van 1 januari 2023 tot en met 31 december [8 2027]8]7 kunnen de woonzorgcentra, in voorkomend geval met de bijbehorende centra voor kortverblijf die te kampen hebben met een tekort aan verpleegkundig personeel en die onmogelijk onmiddellijk loontrekkend of statutair verpleegkundig personeel kunnen aanwerven, tijdelijk een beroep doen op het volgende personeel:
   1° zelfstandig verpleegkundig personeel dat door een ondernemingscontract aan de zorgvoorziening verbonden is;
   2° verpleegkundig personeel dat in loondienst is bij een andere zorgvoorziening op basis van een uitleningsovereenkomst tussen het woonzorgcentrum en de zorgvoorziening waar de verpleegkundige in loondienst is.
  [7 Voor de factureringsperiode van 1 januari 2023 tot en met 31 december 2026]7 kunnen de woonzorgcentra, in voorkomend geval met de bijbehorende centra voor kortverblijf die te kampen hebben met een tekort aan zorgkundigen en die onmogelijk onmiddellijk loontrekkend of statutair zorgkundig personeel kunnen aanwerven, tijdelijk een beroep doen op:
   1° de diensten van zorgkundige uitzendkrachten die ter beschikking worden gesteld door een uitzendbureau dat de bevoegde overheid heeft erkend;
   2° zelfstandig zorgkundig personeel dat door een ondernemingscontract aan de zorgvoorziening verbonden is.
  [7 3° zorgkundig personeel dat in loondienst is bij een andere zorgvoorziening op basis van een uitleenovereenkomst tussen het woonzorgcentrum en de zorgvoorziening waar de zorgkundige in loondienst is.]7
   Een tijdelijke maatregel als vermeld in het eerste tot en met derde lid, ontslaat de zorgvoorziening niet van haar verplichting om binnen de kortst mogelijke termijn eigen loontrekkend en statutair personeel te voorzien.
   Het aanwerven van zorgpersoneel via een uitzendbureau dat de bevoegde overheid heeft erkend gebeurt binnen het wettelijk kader met betrekking op het sociaal overleg.
   De uitzendkracht die met toepassing van het [6 eerste lid en]6 derde lid, 1°, via een uitzendbureau, dat de bevoegde overheid heeft erkend, ter beschikking wordt gesteld van het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, werkt onder het gezag van het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf. Een tewerkstelling in het kader van projectsourcing of projectstaffing valt niet onder het toepassingsgebied van dit artikel.
   Het inzetten van verpleegkundigen [7 of zorgkundigen]7 verbonden door een ondernemingscontract of via een uitleningsovereenkomst met een andere zorgvoorziening gebeurt binnen het wettelijk kader van de afspraken tussen de sociale partners.
   De voorziening bewijst op eerste verzoek van het agentschap dat het voor haar onmogelijk was om onmiddellijk loontrekkend of statutair personeel aan te werven en dat ze de zoektocht naar eigen loontrekkend en statutair personeel actief voortzet.
   Het agentschap kan de nodige documenten vragen waaruit blijkt dat het om gekwalificeerd zorgpersoneel gaat.
   Een verpleegkundige of zorgkundige als vermeld in het eerste tot en met derde lid, kan voor een gemiddelde van maximaal 38 uur per week in aanmerking worden genomen.
   Het voltijdsequivalent per trimester tx is in de gevallen, vermeld in het eerste tot en met derde lid, gelijk aan U/D, waarbij:
   1° U: het aantal gepresteerde uren tijdens het trimester;
   2° D: het aantal dagen van maandag tot vrijdag, gedurende het trimester, vermenigvuldigd met 7,6 uur per dag.
   Het voltijdsequivalent tijdens de referentieperiode wordt bepaald aan de hand van de resultaten van de formule, vermeld in het elfde lid, en is gelijk aan de som van de voltijdsequivalenten per trimester tx in de referentieperiode, gedeeld door het aantal trimesters in de referentieperiode]5
.
  [6 Onder uitzendkracht, vermeld in het eerste, derde en zesde lid moet een uitzendkracht worden begrepen zoals bedoeld in hoofdstuk II van de wet van 27 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers. Het werkgeversgezag over de uitzendkracht wordt overgedragen van het uitzendbureau aan het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf.
   Onder projectsourcing of projectstaffing, vermeld in het zesde lid, moet een tewerkstelling worden begrepen waarbij een werknemer van een projectsourcingbureau of uitzendbureau dat de projectsourcing organiseert tijdelijk van korte of lange duur ter beschikking wordt gesteld aan een woonzorgcentrum, in voorkomend geval met bijbehorende centrum voor kortverblijf, en waarbij het gezag dat normaal aan de werkgever toekomt, zoals bedoeld in artikel 31 van de wet van 27 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, niet aan het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, wordt overgedragen maar verder wordt uitgeoefend door het projectsourcingbureau of uitzendbureau dat de projectsourcing organiseert.]6

   § 4. Om de vermindering, vermeld in artikel 479, of de verminderingen, vermeld in artikel 483, § 2 en § 3, gedeeltelijk of volledig te vermijden, kunnen de effectief in zijn kwalificatie gepresteerde uren van de zelfstandige directeur van een woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, een tekort in die kwalificatie compenseren voor maximum 19 uur per week voor de toepassing van artikel 479, en voor maximum 38 uur per week voor de toepassing van artikel 483, § 2 of § 3. Het aantal gepresteerde uren per trimester en in de kwalificatie van die directeur wordt door de zelfstandige directeur zelf bepaald, met een verklaring op erewoord.
   Een zelfstandig directeur kan de uren, vermeld in het eerste lid, alleen laten gelden in maximum één woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf. Als het agentschap vaststelt dat een zelfstandig directeur die uren meedeelt in meerdere woonzorgcentra, in voorkomend geval met de bijbehorende centra voor kortverblijf, en waarbij het totaal van 19 uur of 38 uur wordt overschreden, zal in geen enkel geval met die uren rekening worden gehouden.
   In een woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, kan maximum en tegelijkertijd één fysiek persoon de functie van zelfstandig directeur uitoefenen. Het voltijds equivalent per trimester tx is in dat geval gelijk aan U/D, waarbij:
   1° U = het aantal gepresteerde uren tijdens het trimester;
   2° D = het aantal dagen van maandag tot vrijdag gedurende het trimester, vermenigvuldigd met 7,6 uur per dag.
   Het voltijds equivalent tijdens de referentieperiode wordt bepaald aan de hand van de resultaten van de formule, vermeld in het derde lid, en is gelijk aan de som van de voltijds equivalenten per trimester tx in de referentieperiode, gedeeld door het aantal trimesters in de referentieperiode.
   § 5. Voor de gekwalificeerde loontrekkende of statutaire directeur van een woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, wordt het voltijds equivalent bepaald conform paragraaf 2, eerste lid, 1°. De effectief in zijn kwalificatie gepresteerde uren van die loontrekkende of statutaire directeur worden in aanmerking genomen voor maximum 50% van zijn totaal voltijds equivalent voor het naleven van de normen, vermeld in de artikel 430 of 432, en voor gemiddeld maximum 38 uur per week, om de verminderingen, vermeld in artikel 483, § § 2 of 3, te vermijden. In een woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, kan maximum en tegelijkertijd één fysieke persoon de functie van directeur uitoefenen.
   Het aantal uren, vermeld in het eerste lid, wordt bepaald conform paragraaf 2, eerste lid, 1° en 2°. Een loontrekkende of statutaire directeur van een woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, kan in die functie maar één keer in aanmerking worden genomen. Als het agentschap vaststelt dat een persoon als directeur wordt meegedeeld in meerdere woonzorgcentra, in voorkomend geval met de bijbehorende centra voor kortverblijf, zal in geen enkel geval met die dagen of uren rekening worden gehouden.
   § 6. Het voltijds equivalent per trimester tx van een zelfstandig lid van het personeel voor reactivering, dat door een ondernemingscontract is gebonden aan het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, is gelijk aan P/D, waarbij:
   1° P = het aantal gepresteerde uren tijdens het trimester;
   2° D = het aantal dagen van maandag tot vrijdag, met uitsluiting van de wettelijke feestdagen, gedurende het trimester, vermenigvuldigd met 7,6 uur per dag.
   Het voltijds equivalent tijdens de referentieperiode wordt bepaald aan de hand van de resultaten van de formule, vermeld in het eerste lid, en is gelijk aan de som van de voltijds equivalenten per trimester tx in de referentieperiode, gedeeld door aantal trimesters in de referentieperiode.
  
Art. 475. § 1. L'agence calcule le nombre d'équivalents temps plein par qualification présents dans le centre de soins résiduels, le cas échéant avec le centre de court séjour y afférent, au cours de la période de référence. Pour ce faire, les règles suivantes sont appliquées :
   1° une personne physique occupée à temps plein chez le même initiateur est prise en considération pour une durée de travail moyenne de 38 heures par semaine au maximum, y compris ses prestations [5 comme infirmier ou aide-soignant en tant qu'intérimaire ]5 ;
   2° le nombre maximum d'heures prestées par jour est limité à 11 ;
   3° le nombre maximum d'heures par trimestre tx est calculé sur la base de la formule suivante : nombre de jours du lundi au vendredi pendant le trimestre tx * 7,6 heures par jour ;
   4° pour un équivalent temps plein, le nombre minimum de jours à prester par trimestre, y compris les jours assimilés, est déterminé au moyen de la règle suivante :
   [(P * 11) + (NP * 7,6)] >= H * (d1/d2)
   où :
   a) P = nombre de journées prestées et nombre de journées assimilées dans le trimestre tx ;
   b) NP = nombre de jours non assimilés dans le trimestre tx ;
   c) H = nombre de jours du lundi au vendredi, au cours du trimestre, multiplié par 7,6 heures par jour ;
   d) d1 = nombre de jours d'occupation à temps plein ;
   e) d2 = nombre de jours au cours du trimestre ;
   5° les journées pendant lesquelles le travailleur est mis en disponibilité ne sont pas prises en considération ;
   6° en cas de licenciement, l'indemnité compensatoire de préavis n'est pas prise en considération ;
   7° si les prestations d'un membre du personnel sont réparties entre plusieurs activités, ces heures/jours prestés sont attribués dans l'ordre suivant pour :
   a) les prestations des membres du personnel visées au paragraphe 2, 2°, f), g), l) et o) ;
   b) les prestations des membres du personnel visées au paragraphe 2, 2°, b) ;
   c) les prestations des membres du personnel visées au paragraphe 2, 2°, j) et k) ;
   d) les prestations faisant l'objet de l'allocation forfaitaire, conformément à l'article 484.
   Pour le calcul, visé à l'alinéa premier, 3° et 4°, il est tenu compte de l'ensemble des jours ou heures prestés et/ou assimilés au cours du trimestre, même si ces jours ou heures ont été prestés dans plusieurs centres de soins résidentiels, centres de court séjour ou centres de soins de jour du même initiateur.
   Si l'agence constate que les maxima visés à l'alinéa premier, 2° ou 3° sont dépassés, elle limitera ces jours ou ces heures au maximum autorisé. Le maximum de prestations admis est alors réparti proportionnellement entre les différents établissements, en fonction du nombre d'heures du contrat de la personne dans chaque établissement.
   § 2. Lors du calcul, visé au paragraphe 1, les règles suivantes s'appliquent :
   1° l'équivalent temps plein du personnel salarié ou statutaire est déterminé comme suit :
   a) Pour la période d'occupation à temps plein :
   l'équivalent temps plein par trimestre tx = ((P/(P+NP)) x (d1/d2))
   où :
   1) P = nombre de journées prestées et nombre de journées assimilées dans le trimestre tx ;
   2) NP = nombre de jours non assimilés dans le trimestre tx ;
   3) d1 = nombre de jours d'occupation à temps plein ;
   4) d2 = nombre de jours au cours du trimestre ;
   b) l'équivalent temps plein pour les membres du personnel occupés à temps partiel :
   l'équivalent temps plein par trimestre tx = (P/H)
   où :
   1) P = le nombre d'heures prestées et/ou assimilées au cours du trimestre, à l'exception du nombre d'heures d'occupation à temps plein comme visé au point a);
   2) H = nombre de jours du lundi au vendredi, au cours du trimestre, multiplié par 7,6 heures par jour ;
   c) L'équivalent temps plein au cours de la période de référence est déterminé à l'aide des résultats du calcul, visé aux points a) et b), et est égal à la somme des équivalents temps plein par trimestre tx pendant la période de référence/nombre de trimestres pendant la période de référence ;
   2° les ETP des membres du personnel suivants ne sont pas pris en considération pour le calcul de l'allocation visée à l'article 484 du présent arrêté :
   a) les membres du personnel qui tombent sous l'application de l'arrêté royal du 18 juillet 2002 portant des mesures visant à promouvoir l'emploi dans le secteur non marchand ;
   b) les membres du personnel qui tombent sous l'application des dispositions [2 de l'article 5, § 1er, 3°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 décembre 2018 portant financement de certains accords sociaux dans certains établissements et services de santé]2, en ce qui concerne les mesures de dispense des prestations de travail et de fin de carrière ;
   c) les remplaçants des travailleurs d'au moins 50 ans, qui ne bénéficient pas des mesures de dispense des prestations de travail et de fin de carrière, mais qui bénéficient d'un congé supplémentaire dans le cadre de l'accord social qui a trait au secteur des soins de santé, conclu par le gouvernement fédéral en 2005 avec les organisations représentatives concernées des employeurs et des travailleurs ;
   d) les membres du personnel qui tombent sous l'application des dispositions de l'article 6 de l'annexe à l'arrêté royal du 15 février 2012 rendant obligatoire la convention collective de travail du 11 avril 2011, conclue au sein de la Commission paritaire des établissements et des services de santé, relative au projet de formation en art infirmier ;
   e) les membres du personnel qui tombent sous l'application de l'article 17 du protocole d'accord cadre du 26 juillet 2000 relatif au projet de formation en vue de l'obtention du titre d'infirmier dans les secteurs fédéraux de la Santé ;
   f) les membres du personnel qui sont financés dans le cadre de l'arrêté royal du 2 juillet 2009 fixant les conditions dans lesquelles le Comité de l'Assurance peut conclure des conventions en application de l'article 56, § 2, alinéa 1er, 3°, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités pour le financement de soins alternatifs et de soutien aux soins à des personnes âgées fragiles ;
   g) les membres du personnel qui sont financés dans le cadre des conventions conclues en application de l'article 22 de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités ;
   h) les membres du personnel qui sont financés dans le cadre de l'arrêté royal du 27 avril 2007 portant les dispositions générales d'exécution des mesures en faveur de l'emploi des jeunes dans le secteur non marchand résultant de la loi du 23 décembre 2005 relative au pacte de solidarité entre les générations ;
   i) [3 les membres du personnel afin de satisfaire à la condition d'agrément, visée à [4 l'article 45]4, de l'annexe 11 à l'arrêté du 28 juin 2019 ;]3
   j) la personne de référence pour la démence financée dans la partie E3, visée à la sous-section 11 ;
   k) [1 les membres du personnel financés en exécution des accords sociaux de 2011 et 2013 relatifs à la création d'emplois ;]1;
   l) les membres du personnel financés en application de l'article 506 ;
   m) les membres du personnel financés dans le cadre de l'article 60, § 7, de la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'aide sociale ;
   n) les membres du personnel qui bénéficient d'un contrat d'apprentissage ou d'une convention d'insertion socio-professionnelle visée dans l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 28 juillet 1998 relatif à la convention d'insertion socioprofessionnelle des centres d'éducation et de formation en alternance ;
   o) les parties d'ETP pendant lesquelles les prestations du kinésithérapeute salarié sont facturées via la nomenclature ;
   p) les membres du personnel financés dans le cadre d'une convention de subventionnement.
   [4 q) les membres du personnel financés en vertu d'autres lois, décrets, ordonnances, dispositions réglementaires ou en vertu d'un contrat conclu individuellement ou collectivement.]4
   Par dérogation à l'alinéa premier, 2°, le nombre d'heures de dispense de prestations de travail, accordé en exécution de [2 le chapitre 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 décembre 2018 portant financement de certains accords sociaux dans certains établissements et services de santé]2, en ce qui concerne les mesures de dispense des prestations de travail et de fin de carrière, doit être compris dans l'équivalent temps plein visé à l'alinéa premier, 1°.
   § 3.[5 § 3. Les centres de soins résidentiels, avec, le cas échéant, les centres de court séjour associés, qui sont confrontés à un manque de personnel infirmier et ne pouvant engager immédiatement du personnel infirmier salarié ou statutaire, peuvent utiliser temporairement les services de praticiens de l'art infirmier en tant qu'intérimaires fournis par une agence de travail intérimaire reconnue par l'autorité compétente.
   [7 Pour la période de facturation du 1er janvier 2023 au 31 décembre [8 2027]8 ]7, les centres de soins résidentiels, le cas échéant avec les centres de court séjour associés, qui sont confrontés à un manque de personnel infirmier et ne pouvant recruter immédiatement du personnel infirmier salarié ou statutaire, peuvent utiliser temporairement le personnel suivant :
   1° personnel infirmier indépendant lié à la structure de soins par un contrat d'entreprise ;
   2° le personnel infirmier travaillant comme salarié dans une autre structure de soins sur la base d'un contrat de prêt entre le centre de soins résidentiels et la structure de soins où l'infirmier travaille comme salarié.
  [7 Pour la période de facturation du 1er janvier 2023 au 31 décembre [8 2027]8 ]7, les centres de soins résidentiels, le cas échéant avec les centres de court séjour associés, qui sont confrontés à un manque d'aides-soignants et ne pouvant recruter immédiatement d'aides-soignants salariés ou statutaires, peuvent utiliser temporairement :
   1° les services d'aides-soignants intérimaires fournis par une agence de travail intérimaire reconnue par l'autorité compétente ;
   2° les aides-soignants indépendants liés à la structure de soins par un contrat d'entreprise.
  [7 3° le personnel soignant salarié auprès d'une autre structure de soins sur la base d'une convention de prêt entre le centre de soins résidentiels et la structure de soins auprès de laquelle l'aide-soignant est salarié.]7
   Une mesure temporaire telle que visée aux alinéas 1er à 3 ne dispense pas la structure de soins de son obligation de mettre à disposition son propre personnel salarié et statutaire dans les plus brefs délais.
   L'embauche de personnel soignant par l'intermédiaire d'une agence de travail intérimaire reconnue par l'autorité compétente se fait dans les limites du cadre légal relatif au dialogue social.
   Le travailleur intérimaire qui est mis à la disposition du centre de soins résidentiels, le cas échéant avec le centre de court séjour associé, par l'intermédiaire d'une agence de travail intérimaire reconnue par l'autorité compétente, en application de [6 l'alinéa 1er et ]6 paragraphe 3, 1°, travaille sous l'autorité du centre de soins résidentiels, le cas échéant avec le centre de court séjour associé. Un emploi dans le cadre d'externalisation de projet ou de promotion de projet ne relève pas du champ d'application du présent article.
   Le déploiement de praticiens de l'art infirmier [7 ou membres du personnel soignant ]7 liés par un contrat d'entreprise ou par un accord de prêt avec un autre structure de soins se fait dans les limites du cadre légal des accords entre les partenaires sociaux.
   La structure prouve à la première demande de l'agence qu'il lui était impossible de recruter immédiatement du personnel salarié ou statutaire et qu'elle poursuit activement la recherche de son propre personnel salarié et statutaire.
   L'agence peut demander les documents nécessaires démontrant qu'il s'agit de personnel soignant qualifié.
   Un praticien de l'art infirmier ou un aide-soignant tel que visé aux alinéas 1er à 3 peut être pris en compte pour une moyenne de 38 heures par semaine au maximum.
   L'équivalent temps plein par trimestre tx dans les cas mentionnés aux alinéas 1er à 3 est égal à U/D, où :
   1° U : le nombre d'heures prestées au cours du trimestre ;
   2° D : le nombre de jours du lundi au vendredi, au cours du trimestre, multiplié par 7,6 heures par jour.
   L'équivalent temps plein pendant la période de référence est déterminé à l'aide des résultats de la formule visée à l'alinéa 11, et est égal à la somme des équivalents temps plein par trimestre tx au cours de la période de référence, divisée par le nombre de trimestres au cours de la période de référence. ]5

  [6 Par travailleur intérimaire visé aux alinéas 1er, 3 et 6, il faut entendre un travailleur intérimaire tel que visé au chapitre II de la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs. L'autorité de l'employeur sur le travailleur temporaire est transférée de l'agence de travail intérimaire au centre de soins résidentiels, le cas échéant avec le centre de court séjour associé.
   Par externalisation de projet ou promotion de projet visée à l'alinéa 6, il faut entendre un emploi dans lequel un travailleur d'une agence d'externalisation de projet ou d'une agence de travail intérimaire organisant l'externalisation de projet est mis temporairement à la disposition d'un centre de soins résidentiels, le cas échéant d'un centre de court séjour associé, pour une courte ou longue durée, et dans lequel l'autorité qui revient normalement à l'employeur, telle que visée à l'article 31 de la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs, n'est pas transférée au centre de soins résidentiels, le cas échéant avec le centre de court séjour associé, mais continue d'être exercée par l'agence d'externalisation de projet ou l'agence de travail intérimaire organisant l'externalisation de projet.]6

   § 4. Afin d'éviter partiellement ou totalement la réduction prévue à l'article 479 ou les réductions prévues à l'article 483, § 2 et § 3, les heures effectivement prestées dans sa qualification par le directeur indépendant d'un centre de soins résidentiels, le cas échéant avec le centre de court séjour y afférent, peuvent compenser un manque dans cette qualification, pour un maximum de 19 heures par semaine en ce qui concerne l'application de l'article 479, et pour un maximum de 38 heures par semaine en ce qui concerne l'application de l'article 483, § 2 ou § 3. La fixation du nombre d'heures prestées par trimestre et dans la qualification de ce directeur est effectuée par le directeur indépendant lui-même dans une déclaration sur l'honneur.
   Un directeur indépendant ne peut faire valoir ces heures, visées à l'alinéa premier, que dans un seul centre de soins résidentiels, le cas échéant avec le centre de court séjour y afférent, au maximum. Si l'agence constate qu'un directeur indépendant communique ces heures dans plusieurs centres de soins résidentiels, le cas échéant avec les centres de court séjour y afférents, et que le total de 19 heures ou de 38 heures est ainsi dépassé, il ne sera en aucun cas tenu compte de ces heures.
   Dans un centre de soins résidentiels, le cas échéant avec le centre de court séjour y afférent, une seule personne physique au maximum peut exercer au même moment la fonction de directeur indépendant. L'équivalent temps plein par trimestre tx est dans ce cas-ci égal à U/D, où :
   1° U = le nombre d'heures prestées au cours du trimestre ;
   2° D = le nombre de jours du lundi au vendredi au cours du trimestre, multiplié par 7,6 heures par jour.
   L'équivalent temps plein au cours de la période de référence est déterminé au moyen des résultats de la formule, visée à l'alinéa trois, et est égal à la somme des équivalents temps plein par trimestre tx au cours de la période de référence/le nombre de trimestres au cours de la période de référence.
   § 5. Pour le directeur qualifié salarié ou statutaire d'un centre de soins résidentiels, le cas échéant avec le centre de court séjour y afférent, l'équivalent temps plein est déterminé selon les règles visées au paragraphe 2, alinéa premier, 1°. Les heures effectivement prestées dans sa qualification par ce directeur salarié ou statutaire sont prises en considération pour un maximum de 50 % de son ETP total en ce qui concerne le respect des normes, visées à l'article 430 ou 432, et pour un maximum de 38 heures par semaine en moyenne, afin d'éviter les réductions visées à l'article 483, §§ 2 ou 3. Dans un centre de soins résidentiels, le cas échéant avec le centre de court séjour y afférent, une seule personne physique au maximum peut exercer au même moment la fonction de directeur.
   Le nombre d'heures, visé à l'alinéa premier, est déterminé conformément aux règles visées au paragraphe 2, alinéa premier, 1° et 2°. Un travailleur salarié ou un directeur statutaire d'un centre de soins résidentiels, le cas échéant avec le centre de court séjour y afférent, ne peut être pris en considération pour cette fonction qu'une seule fois. Si l'agence constate qu'une personne est communiquée comme directeur dans plusieurs centres de soins résidentiels, le cas échéant avec les centres de court séjour y afférents, il ne sera en aucun cas tenu compte de ces jours ou heures.
   § 6. L'équivalent temps plein par trimestre tx d'un membre du personnel de réactivation indépendant lié au centre de soins résidentiels, le cas échéant avec le centre de court séjour y afférent, par un contrat d'entreprise est égal à P/D, où :
   1° P = nombre d'heures prestées au cours du trimestre ;
   2° D = nombre de jours du lundi au vendredi, à l'exclusion des jours fériés légaux, au cours du trimestre, multiplié par 7,6 heures par jour.
   L'équivalent temps plein au cours de la période de référence est déterminé au moyen des résultats de la formule, conformément à l'alinéa premier, et est égal à la somme des équivalents temps plein par trimestre tx au cours de la période de référence/le nombre de trimestres au cours de la période de référence.
  
Art. 475 TOEKOMSTIG RECHT.    1. Het agentschap berekent het aantal voltijds equivalenten per kwalificatie dat in het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf aanwezig is tijdens de referentieperiode. Daarbij worden de volgende regels toegepast:
   1° een fysiek persoon die voltijds bij dezelfde initiatiefnemer is tewerkgesteld, wordt in aanmerking genomen voor een gemiddelde arbeidsduur van maximum 38 uur per week, met inbegrip van zijn prestaties als [5 verpleegkundige [7 ...]7 uitzendkracht]5;
   2° het maximum aantal gepresteerde uren per dag is beperkt tot 11 uur;
   3° het maximum aantal uren per trimester tx wordt bepaald conform de volgende formule: het aantal dagen van maandag tot vrijdag in het trimester tx * 7,6 uur/dag;
   4° voor het minimum aantal te presteren dagen per trimester, inclusief de gelijkgestelde dagen, voor een voltijdse equivalent geldt de volgende regel:
   [(P * 11) + (NP * 7,6)] >= H * (d1/d2)
   waarbij:
   a) P = het aantal gepresteerde en het aantal gelijkgestelde dagen in trimester tx;
   b) NP = het aantal niet-gelijkgestelde dagen in trimester tx;
   c) H = het aantal dagen van maandag tot vrijdag, gedurende het trimester, vermenigvuldigd met 7,6 uur per dag;
   d) d1 = het aantal dagen van voltijdse tewerkstelling;
   e) d2 = het aantal dagen in het trimester;
   5° de dagen waarop de werknemer met disponibiliteit is, worden niet in aanmerking genomen;
   6° bij ontslag wordt de compenserende opzeggingsvergoeding niet in aanmerking genomen;
   7° als de prestaties van een personeelslid worden gespreid over verschillende activiteiten, worden de gepresteerde uren of dagen in de volgende volgorde toegewezen aan:
   a) de prestaties van de personeelsleden, vermeld in paragraaf 2, 2°, f), g), l) en o);
   b) de prestaties van de personeelsleden, vermeld in paragraaf 2, 2°, b);
   c) de prestaties van de personeelsleden, vermeld in paragraaf 2, 2°, j) en k);
   d) de prestaties die het voorwerp uitmaken van de forfaitaire tegemoetkoming, vermeld in artikel 484.
   Voor de berekening, vermeld in het eerste lid, 3° en 4°, wordt rekening gehouden met alle gepresteerde en/of gelijkgestelde dagen of uren in de loop van het trimester, ook al zijn die dagen of uren gepresteerd in meerdere woonzorgcentra, centra voor kortverblijf of [3 centra voor dagverzorging]3 van dezelfde initiatiefnemer.
   Als het agentschap vaststelt dat de maxima vermeld in het eerste lid, 2° of 3° overschreden zijn, zal het die dagen of uren beperken tot het aanvaarde maximum. Het toegelaten maximum aan prestaties wordt dan proportioneel verdeeld over de verschillende voorzieningen op basis van het aantal uren van het contract van de persoon in iedere voorziening.
   § 2. Bij de berekening, vermeld in paragraaf 1, gelden de volgende regels:
   1° het voltijds equivalent van het loontrekkend of statutair personeelslid wordt als volgt bepaald:
   a) voor de periode van voltijdse tewerkstelling:
   het voltijds equivalent per trimester tx = ((P/(P+NP)) x (d1/d2))
   waarbij:
   1) P = het aantal gepresteerde en het aantal gelijkgestelde dagen in trimester tx;
   2) NP = het aantal niet gelijkgestelde dagen in trimester tx;
   3) d1 = het aantal dagen van voltijdse tewerkstelling;
   4) d2 = het aantal dagen in het trimester;
   b) het voltijds equivalent voor deeltijds werkende personeelsleden:
   het voltijds equivalent per trimester tx = (P/H)
   waarbij:
   1) P = het aantal gepresteerde en/of geassimileerde uren tijdens het trimester, met uitsluiting van het aantal uren van voltijdse tewerkstelling zoals bedoeld onder a);
   2) H = het aantal dagen van maandag tot vrijdag, gedurende het trimester, vermenigvuldigd met 7,6 uur per dag;
   c) het voltijds equivalent tijdens de referentieperiode wordt bepaald aan de hand van de resultaten van de berekening, vermeld in punt a) en b), en is gelijk aan de som van de voltijds equivalenten per trimester tx in de referentieperiode gedeeld door het aantal trimesters in de referentieperiode;
   2° de VTE's van de volgende personeelsleden worden niet in aanmerking genomen voor de berekening van de tegemoetkoming, vermeld in artikel 484 van dit besluit:
   a) de personeelsleden die onder de toepassing vallen van het koninklijk besluit van 18 juli 2002 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector;
   b) de personeelsleden die onder de toepassing vallen van [2 artikel 5, § 1, 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2018 tot financiering van sommige sociale akkoorden in bepaalde gezondheidsinrichtingen en -diensten]2, wat de maatregelen inzake vrijstelling van arbeidsprestaties en eindeloopbaan betreft;
   c) de vervangers van de werknemers van minstens vijftig jaar, die de maatregelen inzake vrijstelling van arbeidsprestaties en eindeloopbaan niet genieten, maar die een bijkomend verlof genieten in het kader van het sociaal akkoord dat betrekking heeft op de sector van de geneeskundige verzorging en dat in 2005 door de Federale Regering is gesloten met de betrokken representatieve organisaties van de werkgevers en werknemers;
   d) de personeelsleden die onder de toepassing vallen van artikel 6 van de bijlage bij het koninklijk besluit van 15 februari 2012 waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 11 april 2011, gesloten in het Paritair Comité voor de gezondheidsinrichtingen en -diensten, betreffende het vormingsproject tot verpleegkundigen;
   e) de personeelsleden die onder de toepassing vallen van artikel 17 van het protocol van raamakkoord van 26 juli 2000 betreffende het opleidingsproject tot verpleegkundige in de federale Gezondheidssector;
   f) de personeelsleden die gefinancierd worden in het kader van het koninklijk besluit van 2 juli 2009 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder het Verzekeringscomité met toepassing van artikel 56, § 2, eerste lid, 3°, van de Ziekteverzekeringswet, overeenkomsten kan sluiten voor de financiering van alternatieve en ondersteunende zorg voor kwetsbare ouderen;
   g) de personeelsleden die gefinancierd worden in het kader van de overeenkomsten die gesloten zijn met toepassing van artikel 22 van de Ziekteverzekeringswet;
   h) de personeelsleden die gefinancierd worden in het kader van het koninklijk besluit van 27 april 2007 houdende de algemene uitvoeringsbepalingen van de maatregelen ten gunste van de tewerkstelling van jongeren in de sociale profitsector voortspruitend uit de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact;
   i) [3 de personeelsleden om te voldoen aan de erkenningsvoorwaarde, vermeld in [8 artikel 45, § 1, 3°]8 van bijlage 11 bij het besluit van 28 juni 2019]3;
   j) de referentiepersoon voor dementie die in deel E3, als vermeld in onderafdeling 11, wordt gefinancierd;
   k)[1 de personeelsleden die gefinancierd worden ter uitvoering van de sociale akkoorden van 2011 en 2013 met betrekking tot jobcreatie]1;
   l) de personeelsleden die gefinancierd worden met toepassing van artikel 506;
   m) de personeelsleden die gefinancierd worden in het kader van artikel 60, § 7, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
   n) de personeelsleden die werken onder het statuut van een leercontract of een overeenkomst inzake inschakeling in het maatschappelijk en beroepsleven, vermeld in het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 28 juli 1998 betreffende de overeenkomst inzake inschakeling in het maatschappelijk en beroepsleven van de centra voor alternerende opleiding en onderwijs;
   o) het aandeel VTE gedurende hetwelk de prestaties van de loontrekkende kinesitherapeut via de nomenclatuur worden gefactureerd;
   p) de personeelsleden die gefinancierd worden in kader van een subsidieovereenkomst.
   [4 q) de personeelsleden die gefinancierd worden krachtens andere wetten, decreten, ordonnanties, reglementaire bepalingen of krachtens een individueel of collectief gesloten overeenkomst.]4
   In afwijking van het eerste lid, 2°, moet het aantal uren van vrijstelling van arbeidsprestaties dat is toegekend met toepassing van [2 hoofdstuk 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2018 tot financiering van sommige sociale akkoorden in bepaalde gezondheidsinrichtingen en -diensten]2, wat de maatregelen inzake vrijstelling van arbeidsprestaties en eindeloopbaan betreft, begrepen zijn in het voltijds equivalent, vermeld in het eerste lid, 1°.
   § 3.[5 § 3. De woonzorgcentra, in voorkomend geval met de bijbehorende centra voor kortverblijf die te kampen hebben met een tekort aan verpleegkundig personeel en die onmogelijk onmiddellijk loontrekkend of statutair verpleegkundig personeel kunnen aanwerven, kunnen tijdelijk een beroep doen op de diensten van verpleegkundige uitzendkrachten die ter beschikking worden gesteld door een uitzendbureau dat de bevoegde overheid heeft erkend.
   [7 ...]7
   [7 ...]7
   Een tijdelijke maatregel als vermeld in het eerste tot en met derde lid, ontslaat de zorgvoorziening niet van haar verplichting om binnen de kortst mogelijke termijn eigen loontrekkend en statutair personeel te voorzien.
   Het aanwerven van zorgpersoneel via een uitzendbureau dat de bevoegde overheid heeft erkend gebeurt binnen het wettelijk kader met betrekking op het sociaal overleg.
   De uitzendkracht die met toepassing van het [6 eerste lid [7 ...]7, via een uitzendbureau, dat de bevoegde overheid heeft erkend, ter beschikking wordt gesteld van het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, werkt onder het gezag van het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf. Een tewerkstelling in het kader van projectsourcing of projectstaffing valt niet onder het toepassingsgebied van dit artikel.
   [7 ...]7
   De voorziening bewijst op eerste verzoek van het agentschap dat het voor haar onmogelijk was om onmiddellijk loontrekkend of statutair personeel aan te werven en dat ze de zoektocht naar eigen loontrekkend en statutair personeel actief voortzet.
   Het agentschap kan de nodige documenten vragen waaruit blijkt dat het om gekwalificeerd zorgpersoneel gaat.
   Een verpleegkundige [7 ...]7 als vermeld in het eerste tot en met derde lid, kan voor een gemiddelde van maximaal 38 uur per week in aanmerking worden genomen.
   Het voltijdsequivalent per trimester tx is in de gevallen, vermeld in het eerste tot en met derde lid, gelijk aan U/D, waarbij:
   1° U: het aantal gepresteerde uren tijdens het trimester;
   2° D: het aantal dagen van maandag tot vrijdag, gedurende het trimester, vermenigvuldigd met 7,6 uur per dag.
   Het voltijdsequivalent tijdens de referentieperiode wordt bepaald aan de hand van de resultaten van de formule, vermeld in het [7 achtste]7 lid, en is gelijk aan de som van de voltijdsequivalenten per trimester tx in de referentieperiode, gedeeld door het aantal trimesters in de referentieperiode]5
.
  [6 Onder uitzendkracht, [7 vermeld in het eerste en vierde lid]7 moet een uitzendkracht worden begrepen zoals bedoeld in hoofdstuk II van de wet van 27 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers. Het werkgeversgezag over de uitzendkracht wordt overgedragen van het uitzendbureau aan het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf.
   Onder projectsourcing of projectstaffing, vermeld in [7 het vierde lid]7, moet een tewerkstelling worden begrepen waarbij een werknemer van een projectsourcingbureau of uitzendbureau dat de projectsourcing organiseert tijdelijk van korte of lange duur ter beschikking wordt gesteld aan een woonzorgcentrum, in voorkomend geval met bijbehorende centrum voor kortverblijf, en waarbij het gezag dat normaal aan de werkgever toekomt, zoals bedoeld in artikel 31 van de wet van 27 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, niet aan het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, wordt overgedragen maar verder wordt uitgeoefend door het projectsourcingbureau of uitzendbureau dat de projectsourcing organiseert.]6

   § 4. Om de vermindering, vermeld in artikel 479, of de verminderingen, vermeld in artikel 483, § 2 en § 3, gedeeltelijk of volledig te vermijden, kunnen de effectief in zijn kwalificatie gepresteerde uren van de zelfstandige directeur van een woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, een tekort in die kwalificatie compenseren voor maximum 19 uur per week voor de toepassing van artikel 479, en voor maximum 38 uur per week voor de toepassing van artikel 483, § 2 of § 3. Het aantal gepresteerde uren per trimester en in de kwalificatie van die directeur wordt door de zelfstandige directeur zelf bepaald, met een verklaring op erewoord.
   Een zelfstandig directeur kan de uren, vermeld in het eerste lid, alleen laten gelden in maximum één woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf. Als het agentschap vaststelt dat een zelfstandig directeur die uren meedeelt in meerdere woonzorgcentra, in voorkomend geval met de bijbehorende centra voor kortverblijf, en waarbij het totaal van 19 uur of 38 uur wordt overschreden, zal in geen enkel geval met die uren rekening worden gehouden.
   In een woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, kan maximum en tegelijkertijd één fysiek persoon de functie van zelfstandig directeur uitoefenen. Het voltijds equivalent per trimester tx is in dat geval gelijk aan U/D, waarbij:
   1° U = het aantal gepresteerde uren tijdens het trimester;
   2° D = het aantal dagen van maandag tot vrijdag gedurende het trimester, vermenigvuldigd met 7,6 uur per dag.
   Het voltijds equivalent tijdens de referentieperiode wordt bepaald aan de hand van de resultaten van de formule, vermeld in het derde lid, en is gelijk aan de som van de voltijds equivalenten per trimester tx in de referentieperiode, gedeeld door het aantal trimesters in de referentieperiode.
   § 5. Voor de gekwalificeerde loontrekkende of statutaire directeur van een woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, wordt het voltijds equivalent bepaald conform paragraaf 2, eerste lid, 1°. De effectief in zijn kwalificatie gepresteerde uren van die loontrekkende of statutaire directeur worden in aanmerking genomen voor maximum 50% van zijn totaal voltijds equivalent voor het naleven van de normen, vermeld in de artikel 430 of 432, en voor gemiddeld maximum 38 uur per week, om de verminderingen, vermeld in artikel 483, § § 2 of 3, te vermijden. In een woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, kan maximum en tegelijkertijd één fysieke persoon de functie van directeur uitoefenen.
   Het aantal uren, vermeld in het eerste lid, wordt bepaald conform paragraaf 2, eerste lid, 1° en 2°. Een loontrekkende of statutaire directeur van een woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, kan in die functie maar één keer in aanmerking worden genomen. Als het agentschap vaststelt dat een persoon als directeur wordt meegedeeld in meerdere woonzorgcentra, in voorkomend geval met de bijbehorende centra voor kortverblijf, zal in geen enkel geval met die dagen of uren rekening worden gehouden.
   § 6. Het voltijds equivalent per trimester tx van een zelfstandig lid van het personeel voor reactivering, dat door een ondernemingscontract is gebonden aan het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, is gelijk aan P/D, waarbij:
   1° P = het aantal gepresteerde uren tijdens het trimester;
   2° D = het aantal dagen van maandag tot vrijdag, met uitsluiting van de wettelijke feestdagen, gedurende het trimester, vermenigvuldigd met 7,6 uur per dag.
   Het voltijds equivalent tijdens de referentieperiode wordt bepaald aan de hand van de resultaten van de formule, vermeld in het eerste lid, en is gelijk aan de som van de voltijds equivalenten per trimester tx in de referentieperiode, gedeeld door aantal trimesters in de referentieperiode.
Art. 475 DROIT FUTUR.    § 1. L'agence calcule le nombre d'équivalents temps plein par qualification présents dans le centre de soins résiduels, le cas échéant avec le centre de court séjour y afférent, au cours de la période de référence. Pour ce faire, les règles suivantes sont appliquées :
   1° une personne physique occupée à temps plein chez le même initiateur est prise en considération pour une durée de travail moyenne de 38 heures par semaine au maximum, y compris ses prestations [5 comme infirmier [7 ...]7 en tant qu'intérimaire ]5 ;
   2° le nombre maximum d'heures prestées par jour est limité à 11 ;
   3° le nombre maximum d'heures par trimestre tx est calculé sur la base de la formule suivante : nombre de jours du lundi au vendredi pendant le trimestre tx * 7,6 heures par jour ;
   4° pour un équivalent temps plein, le nombre minimum de jours à prester par trimestre, y compris les jours assimilés, est déterminé au moyen de la règle suivante :
   [(P * 11) + (NP * 7,6)] >= H * (d1/d2)
   où :
   a) P = nombre de journées prestées et nombre de journées assimilées dans le trimestre tx ;
   b) NP = nombre de jours non assimilés dans le trimestre tx ;
   c) H = nombre de jours du lundi au vendredi, au cours du trimestre, multiplié par 7,6 heures par jour ;
   d) d1 = nombre de jours d'occupation à temps plein ;
   e) d2 = nombre de jours au cours du trimestre ;
   5° les journées pendant lesquelles le travailleur est mis en disponibilité ne sont pas prises en considération ;
   6° en cas de licenciement, l'indemnité compensatoire de préavis n'est pas prise en considération ;
   7° si les prestations d'un membre du personnel sont réparties entre plusieurs activités, ces heures/jours prestés sont attribués dans l'ordre suivant pour :
   a) les prestations des membres du personnel visées au paragraphe 2, 2°, f), g), l) et o) ;
   b) les prestations des membres du personnel visées au paragraphe 2, 2°, b) ;
   c) les prestations des membres du personnel visées au paragraphe 2, 2°, j) et k) ;
   d) les prestations faisant l'objet de l'allocation forfaitaire, conformément à l'article 484.
   Pour le calcul, visé à l'alinéa premier, 3° et 4°, il est tenu compte de l'ensemble des jours ou heures prestés et/ou assimilés au cours du trimestre, même si ces jours ou heures ont été prestés dans plusieurs centres de soins résidentiels, centres de court séjour ou centres de soins de jour du même initiateur.
   Si l'agence constate que les maxima visés à l'alinéa premier, 2° ou 3° sont dépassés, elle limitera ces jours ou ces heures au maximum autorisé. Le maximum de prestations admis est alors réparti proportionnellement entre les différents établissements, en fonction du nombre d'heures du contrat de la personne dans chaque établissement.
   § 2. Lors du calcul, visé au paragraphe 1, les règles suivantes s'appliquent :
   1° l'équivalent temps plein du personnel salarié ou statutaire est déterminé comme suit :
   a) Pour la période d'occupation à temps plein :
   l'équivalent temps plein par trimestre tx = ((P/(P+NP)) x (d1/d2))
   où :
   1) P = nombre de journées prestées et nombre de journées assimilées dans le trimestre tx ;
   2) NP = nombre de jours non assimilés dans le trimestre tx ;
   3) d1 = nombre de jours d'occupation à temps plein ;
   4) d2 = nombre de jours au cours du trimestre ;
   b) l'équivalent temps plein pour les membres du personnel occupés à temps partiel :
   l'équivalent temps plein par trimestre tx = (P/H)
   où :
   1) P = le nombre d'heures prestées et/ou assimilées au cours du trimestre, à l'exception du nombre d'heures d'occupation à temps plein comme visé au point a);
   2) H = nombre de jours du lundi au vendredi, au cours du trimestre, multiplié par 7,6 heures par jour ;
   c) L'équivalent temps plein au cours de la période de référence est déterminé à l'aide des résultats du calcul, visé aux points a) et b), et est égal à la somme des équivalents temps plein par trimestre tx pendant la période de référence/nombre de trimestres pendant la période de référence ;
   2° les ETP des membres du personnel suivants ne sont pas pris en considération pour le calcul de l'allocation visée à l'article 484 du présent arrêté :
   a) les membres du personnel qui tombent sous l'application de l'arrêté royal du 18 juillet 2002 portant des mesures visant à promouvoir l'emploi dans le secteur non marchand ;
   b) les membres du personnel qui tombent sous l'application des dispositions [2 de l'article 5, § 1er, 3°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 décembre 2018 portant financement de certains accords sociaux dans certains établissements et services de santé]2, en ce qui concerne les mesures de dispense des prestations de travail et de fin de carrière ;
   c) les remplaçants des travailleurs d'au moins 50 ans, qui ne bénéficient pas des mesures de dispense des prestations de travail et de fin de carrière, mais qui bénéficient d'un congé supplémentaire dans le cadre de l'accord social qui a trait au secteur des soins de santé, conclu par le gouvernement fédéral en 2005 avec les organisations représentatives concernées des employeurs et des travailleurs ;
   d) les membres du personnel qui tombent sous l'application des dispositions de l'article 6 de l'annexe à l'arrêté royal du 15 février 2012 rendant obligatoire la convention collective de travail du 11 avril 2011, conclue au sein de la Commission paritaire des établissements et des services de santé, relative au projet de formation en art infirmier ;
   e) les membres du personnel qui tombent sous l'application de l'article 17 du protocole d'accord cadre du 26 juillet 2000 relatif au projet de formation en vue de l'obtention du titre d'infirmier dans les secteurs fédéraux de la Santé ;
   f) les membres du personnel qui sont financés dans le cadre de l'arrêté royal du 2 juillet 2009 fixant les conditions dans lesquelles le Comité de l'Assurance peut conclure des conventions en application de l'article 56, § 2, alinéa 1er, 3°, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités pour le financement de soins alternatifs et de soutien aux soins à des personnes âgées fragiles ;
   g) les membres du personnel qui sont financés dans le cadre des conventions conclues en application de l'article 22 de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités ;
   h) les membres du personnel qui sont financés dans le cadre de l'arrêté royal du 27 avril 2007 portant les dispositions générales d'exécution des mesures en faveur de l'emploi des jeunes dans le secteur non marchand résultant de la loi du 23 décembre 2005 relative au pacte de solidarité entre les générations ;
   i) [3 les membres du personnel afin de satisfaire à la condition d'agrément, visée à [4 l'[8 article 45, § 1er, 3°]8]4, de l'annexe 11 à l'arrêté du 28 juin 2019 ;]3
   j) la personne de référence pour la démence financée dans la partie E3, visée à la sous-section 11 ;
   k) [1 les membres du personnel financés en exécution des accords sociaux de 2011 et 2013 relatifs à la création d'emplois ;]1;
   l) les membres du personnel financés en application de l'article 506 ;
   m) les membres du personnel financés dans le cadre de l'article 60, § 7, de la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'aide sociale ;
   n) les membres du personnel qui bénéficient d'un contrat d'apprentissage ou d'une convention d'insertion socio-professionnelle visée dans l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 28 juillet 1998 relatif à la convention d'insertion socioprofessionnelle des centres d'éducation et de formation en alternance ;
   o) les parties d'ETP pendant lesquelles les prestations du kinésithérapeute salarié sont facturées via la nomenclature ;
   p) les membres du personnel financés dans le cadre d'une convention de subventionnement.
   [4 q) les membres du personnel financés en vertu d'autres lois, décrets, ordonnances, dispositions réglementaires ou en vertu d'un contrat conclu individuellement ou collectivement.]4
   Par dérogation à l'alinéa premier, 2°, le nombre d'heures de dispense de prestations de travail, accordé en exécution de [2 le chapitre 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 décembre 2018 portant financement de certains accords sociaux dans certains établissements et services de santé]2, en ce qui concerne les mesures de dispense des prestations de travail et de fin de carrière, doit être compris dans l'équivalent temps plein visé à l'alinéa premier, 1°.
   § 3.[5 § 3. Les centres de soins résidentiels, avec, le cas échéant, les centres de court séjour associés, qui sont confrontés à un manque de personnel infirmier et ne pouvant engager immédiatement du personnel infirmier salarié ou statutaire, peuvent utiliser temporairement les services de praticiens de l'art infirmier en tant qu'intérimaires fournis par une agence de travail intérimaire reconnue par l'autorité compétente.
   [7 ...]7
   [7 ...]7
   Une mesure temporaire telle que visée aux alinéas 1er à 3 ne dispense pas la structure de soins de son obligation de mettre à disposition son propre personnel salarié et statutaire dans les plus brefs délais.
   L'embauche de personnel soignant par l'intermédiaire d'une agence de travail intérimaire reconnue par l'autorité compétente se fait dans les limites du cadre légal relatif au dialogue social.
   Le travailleur intérimaire qui est mis à la disposition du centre de soins résidentiels, le cas échéant avec le centre de court séjour associé, par l'intermédiaire d'une agence de travail intérimaire reconnue par l'autorité compétente, en application de [6 l'alinéa 1er et ]6 [7 ...]7, travaille sous l'autorité du centre de soins résidentiels, le cas échéant avec le centre de court séjour associé. Un emploi dans le cadre d'externalisation de projet ou de promotion de projet ne relève pas du champ d'application du présent article.
   [7 ...]7
   La structure prouve à la première demande de l'agence qu'il lui était impossible de recruter immédiatement du personnel salarié ou statutaire et qu'elle poursuit activement la recherche de son propre personnel salarié et statutaire.
   L'agence peut demander les documents nécessaires démontrant qu'il s'agit de personnel soignant qualifié.
   Un praticien de l'art infirmier [7 ...]7 tel que visé aux alinéas 1er à 3 peut être pris en compte pour une moyenne de 38 heures par semaine au maximum.
   L'équivalent temps plein par trimestre tx dans les cas mentionnés aux alinéas 1er à 3 est égal à U/D, où :
   1° U : le nombre d'heures prestées au cours du trimestre ;
   2° D : le nombre de jours du lundi au vendredi, au cours du trimestre, multiplié par 7,6 heures par jour.
   L'équivalent temps plein pendant la période de référence est déterminé à l'aide des résultats de la formule visée à l'alinéa [7 huitièùe]7, et est égal à la somme des équivalents temps plein par trimestre tx au cours de la période de référence, divisée par le nombre de trimestres au cours de la période de référence. ]5

  [6 Par travailleur intérimaire [7 mentionnés aux alinéas 1er et 4 ]7, il faut entendre un travailleur intérimaire tel que visé au chapitre II de la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs. L'autorité de l'employeur sur le travailleur temporaire est transférée de l'agence de travail intérimaire au centre de soins résidentiels, le cas échéant avec le centre de court séjour associé.
   Par externalisation de projet ou promotion de projet visée à [7 l'alinéa 4 ]7, il faut entendre un emploi dans lequel un travailleur d'une agence d'externalisation de projet ou d'une agence de travail intérimaire organisant l'externalisation de projet est mis temporairement à la disposition d'un centre de soins résidentiels, le cas échéant d'un centre de court séjour associé, pour une courte ou longue durée, et dans lequel l'autorité qui revient normalement à l'employeur, telle que visée à l'article 31 de la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs, n'est pas transférée au centre de soins résidentiels, le cas échéant avec le centre de court séjour associé, mais continue d'être exercée par l'agence d'externalisation de projet ou l'agence de travail intérimaire organisant l'externalisation de projet.]6

   § 4. Afin d'éviter partiellement ou totalement la réduction prévue à l'article 479 ou les réductions prévues à l'article 483, § 2 et § 3, les heures effectivement prestées dans sa qualification par le directeur indépendant d'un centre de soins résidentiels, le cas échéant avec le centre de court séjour y afférent, peuvent compenser un manque dans cette qualification, pour un maximum de 19 heures par semaine en ce qui concerne l'application de l'article 479, et pour un maximum de 38 heures par semaine en ce qui concerne l'application de l'article 483, § 2 ou § 3. La fixation du nombre d'heures prestées par trimestre et dans la qualification de ce directeur est effectuée par le directeur indépendant lui-même dans une déclaration sur l'honneur.
   Un directeur indépendant ne peut faire valoir ces heures, visées à l'alinéa premier, que dans un seul centre de soins résidentiels, le cas échéant avec le centre de court séjour y afférent, au maximum. Si l'agence constate qu'un directeur indépendant communique ces heures dans plusieurs centres de soins résidentiels, le cas échéant avec les centres de court séjour y afférents, et que le total de 19 heures ou de 38 heures est ainsi dépassé, il ne sera en aucun cas tenu compte de ces heures.
   Dans un centre de soins résidentiels, le cas échéant avec le centre de court séjour y afférent, une seule personne physique au maximum peut exercer au même moment la fonction de directeur indépendant. L'équivalent temps plein par trimestre tx est dans ce cas-ci égal à U/D, où :
   1° U = le nombre d'heures prestées au cours du trimestre ;
   2° D = le nombre de jours du lundi au vendredi au cours du trimestre, multiplié par 7,6 heures par jour.
   L'équivalent temps plein au cours de la période de référence est déterminé au moyen des résultats de la formule, visée à l'alinéa trois, et est égal à la somme des équivalents temps plein par trimestre tx au cours de la période de référence/le nombre de trimestres au cours de la période de référence.
   § 5. Pour le directeur qualifié salarié ou statutaire d'un centre de soins résidentiels, le cas échéant avec le centre de court séjour y afférent, l'équivalent temps plein est déterminé selon les règles visées au paragraphe 2, alinéa premier, 1°. Les heures effectivement prestées dans sa qualification par ce directeur salarié ou statutaire sont prises en considération pour un maximum de 50 % de son ETP total en ce qui concerne le respect des normes, visées à l'article 430 ou 432, et pour un maximum de 38 heures par semaine en moyenne, afin d'éviter les réductions visées à l'article 483, §§ 2 ou 3. Dans un centre de soins résidentiels, le cas échéant avec le centre de court séjour y afférent, une seule personne physique au maximum peut exercer au même moment la fonction de directeur.
   Le nombre d'heures, visé à l'alinéa premier, est déterminé conformément aux règles visées au paragraphe 2, alinéa premier, 1° et 2°. Un travailleur salarié ou un directeur statutaire d'un centre de soins résidentiels, le cas échéant avec le centre de court séjour y afférent, ne peut être pris en considération pour cette fonction qu'une seule fois. Si l'agence constate qu'une personne est communiquée comme directeur dans plusieurs centres de soins résidentiels, le cas échéant avec les centres de court séjour y afférents, il ne sera en aucun cas tenu compte de ces jours ou heures.
   § 6. L'équivalent temps plein par trimestre tx d'un membre du personnel de réactivation indépendant lié au centre de soins résidentiels, le cas échéant avec le centre de court séjour y afférent, par un contrat d'entreprise est égal à P/D, où :
   1° P = nombre d'heures prestées au cours du trimestre ;
   2° D = nombre de jours du lundi au vendredi, à l'exclusion des jours fériés légaux, au cours du trimestre, multiplié par 7,6 heures par jour.
   L'équivalent temps plein au cours de la période de référence est déterminé au moyen des résultats de la formule, conformément à l'alinéa premier, et est égal à la somme des équivalents temps plein par trimestre tx au cours de la période de référence/le nombre de trimestres au cours de la période de référence.
Art. 476. § 1. Het agentschap berekent, in voltijds equivalenten, het personeelseffectief, per kwalificatie, waarover het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, moest beschikken tijdens de referentieperiode (theoretische norm) volgens de normen, vermeld in artikel 430.
  § 2. Bij de berekening, vermeld in paragraaf 1, gelden de volgende regels:
  1° het gemiddeld aantal bewoners per afhankelijkheidscategorie is gelijk aan het aantal verblijfsdagen van de bewoners per afhankelijkheidscategorie in de referentieperiode, gedeeld door het aantal dagen in de referentieperiode;
  2° de theoretische norm wordt verkregen door het aantal bewoners per afhankelijkheidscategorie te vermenigvuldigen met de financieringsnormen van het personeel die in artikel 430 zijn uitgedrukt per dertig bewoners.
Art. 476. § 1. L'agence calcule le niveau d'encadrement, en équivalents temps plein et par qualification, dont devait disposer le centre de soins résidentiels, le cas échéant avec le centre de court séjour y afférent, pendant la période de référence (norme théorique), et cela suivant les normes visées à l'article 430.
  § 2. Lors du calcul, visé au paragraphe 1, les règles suivantes s'appliquent :
  1° le nombre moyen de résidents par catégorie de dépendance est égal au nombre de journées d'hébergement des résidents par catégorie de dépendance au cours de la période de référence/le nombre de jours calendrier au cours de la période de référence ;
  la norme théorique est obtenue en multipliant le nombre de résidents par catégorie de dépendance par les normes de financement du personnel exprimé dans l'article 430 par trente résidents.
Art. 477. Als het aanwezige personeel per kwalificatie, dat wordt bepaald conform artikel 475, groter of gelijk is aan de theoretische norm per kwalificatie, vermeld in artikel 476, is de financiering per voltijds equivalent in een bepaalde kwalificatie gelijk aan de loonkosten, vermeld in artikel 480.
Art. 477. Si le personnel présent par qualification, déterminé selon les dispositions de l'article 475, est supérieur ou égal à la norme théorique par qualification comme prévu dans l'article 476, le financement par équivalent temps plein dans une certaine qualification est égal au coût salarial visé à l'article 480.
Art. 478. § 1. Als het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, tijdens de referentieperiode in een of meer personeelskwalificaties niet voldoet aan de theoretische norm, vermeld in artikel 476, kan dat tekort per kwalificatie in een aantal gevallen worden gecompenseerd door een overschot aan loontrekkende personeelsleden in een andere kwalificatie. [2 Tot en met de factureringsperiode 2022 is er]2 geen compensatie mogelijk als het gaat om een tekort in de norm van één kinesitherapeut en/of ergotherapeut en/of logopedist per dertig bewoners in entiteiten woonzorgcentrum met een bijkomende erkenning.
  § 2. Voor de compensatie, vermeld in paragraaf 1, geldt de volgende hiërarchie:
  1° als er een teveel is aan bachelors in de verpleegkunde of gegradueerden in de verpleegkunde, moet eerst het teveel aan bachelors in de verpleegkunde en vervolgens het teveel aan gegradueerden in de verpleegkunde worden toegewezen aan het tekort aan personeelsleden voor reactivering;
  2° als er nog een teveel is aan verpleegkundigen, met inbegrip van het resterend aantal bachelors in de verpleegkunde of gegradueerden in de verpleegkunde, moet dat worden toegewezen aan het tekort aan [4 zorgkundige en [6 zij-instroomzorgkundige]6]4;
  3° als er nog een tekort is aan personeelsleden voor reactivering kunnen een aantal bachelors in de verpleegkunde of gegradueerden in de verpleegkunde vooraleer ze worden toegewezen aan de norm voor verpleegkundigen, onder voorwaarden eerst toegewezen worden aan dat tekort aan personeelsleden voor reactivering;
  4° als er een teveel is aan personeel voor reactivering, moet dat worden toegewezen aan het tekort aan verpleegkundigen;
  5° als er nog een teveel is aan personeel voor reactivering, moet dat worden toegewezen aan het resterend tekort aan [4 zorgkundige en [6 zij-instroomzorgkundige]6]4;
  6° als er een teveel is aan [4 zorgkundige en [6 zij-instroomzorgkundige]6]4, moet dat worden toegewezen aan het resterend tekort aan verpleegkundigen. [2 In het kader van die toewijzing wordt 1,2 voltijds equivalenten van [4 zorgkundige en [6 zij-instroomzorgkundige]6]4 gelijkgesteld met 1 voltijds equivalent van verpleegkundige.]2
  Voor de toepassing van het eerste lid, 3°, geldt als voorwaarde dat het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, beschikt over voldoende personeelsleden om de globale norm op te vullen. Alleen de bachelors [3 of gegradueerden]3 in de verpleegkunde die aanwezig zijn bovenop 80 % van de norm van de verpleegkundigen, kunnen voor die maatregel in aanmerking komen. Het tekort dat op die manier ontstaat bij de verpleegkundigen kan dan gecompenseerd worden conform het eerste lid, 6°.
  § 3. De compensatie, vermeld in paragraaf 1, wordt toegepast conform de volgende regels:
  1° het tekort aan personeelsleden voor reactivering kan alleen worden gecompenseerd door een teveel aan bachelors in de verpleegkunde of gegradueerden in de verpleegkunde, met voorrang voor de bachelors in de verpleegkunde;
  2° het tekort aan verpleegkundigen kan voor maximum 20% [1 van de norm]1 worden gecompenseerd door een teveel aan personeelsleden voor reactivering en/of van [4 zorgkundige en [6 zij-instroomzorgkundige]6]4;
  3° het tekort aan [4 zorgkundige en [6 zij-instroomzorgkundige]6]4 kan onbeperkt worden gecompenseerd door een teveel aan verpleegkundigen en/of personeelsleden voor reactivering.
  Het percentage van 20%, vermeld in het eerste lid, 2°, kan verhoogd worden tot 30% voor de woonzorgcentra, in voorkomend geval met de bijbehorende centra voor kortverblijf, die minstens zeven VTE verpleegkundigen tewerkstellen.
  § 4. In de situatie, vermeld in paragraaf 1, wordt het te financieren bedrag als volgt bepaald:
  1° voor het personeel dat de theoretische norm, vermeld in artikel 476, opvult in zijn eigen kwalificatie, is de financiering per voltijds equivalent in een bepaalde kwalificatie gelijk aan de loonkosten, vermeld in artikel 480;
  2° voor het personeel dat met toepassing van dit artikel in aanmerking komt voor het compenseren van een tekort aan personeel in een andere kwalificatie, gelden de volgende regels:
  a) de bachelors in de verpleegkunde of gegradueerden in de verpleegkunde die een tekort aan personeel voor reactivering compenseert, wordt vergoed volgens de loonkosten van een bachelor in de verpleegkunde of gegradueerde in de verpleegkunde;
  b) het personeel voor reactivering dat een tekort aan verpleegkundigen compenseert, wordt vergoed volgens de loonkosten van een [2 gegradueerde in de verpleegkunde, waarbij voor de anciënniteit die van het personeel voor reactivering in aanmerking wordt genomen]2;
  c) de zorgkundige die een tekort aan verpleegkundigen[5 ...]5 compenseert, wordt vergoed volgens de loonkosten van een [4 zorgkundige en [6 zij-instroomzorgkundige]6]4;
  d) het personeelslid dat een tekort aan zorgkundigen compenseert, wordt vergoed volgens de loonkosten van een [4 zorgkundige en [6 zij-instroomzorgkundige]6]4.
  § 5. De financiering per voltijds equivalent is gelijk aan de loonkosten, vermeld in artikel 480.
  [2 § 6. In afwijking van paragraaf 2, eerste lid, 6°, geldt tot en met de factureringsperiode 2022 dat, als er een teveel aan zorgkundigen is, dat teveel wordt toegewezen aan het resterende tekort aan verpleegkundigen, waarbij in het kader van die toewijzing 1 voltijds equivalent van zorgkundige gelijkgesteld wordt met 1 voltijds equivalent van verpleegkundige.
   In afwijking van paragraaf 4, 2°, b), geldt tot en met de factureringsperiode 2022 dat het personeel voor reactivering dat een tekort aan verpleegkundigen compenseert, wordt vergoed volgens de loonkosten van een personeelslid voor reactivering.]2

  
Art. 478. § 1. Si le centre de soins résidentiels, le cas échéant avec le centre de court séjour y afférent, au cours de la période de référence, ne satisfait pas à la norme théorique pour une ou plusieurs qualifications de personnel visées à l'article 476, ce déficit par qualification peut dans certains cas être compensé par un excédent de personnel salarié dans une autre qualification. [2 Jusqu'à la période de facturation 2022]2, cette compensation n'est pas possible lorsqu'il s'agit d'un déficit relatif à la norme d'un kinésithérapeute et/ou ergothérapeute et/ou logopède par 30 résidents dans des entités centre de soins résidentiels avec agrément supplémentaire.
  § 2. La hiérarchie suivante est alors d'application pour la compensation, visée au paragraphe premier :
  1° s'il y a un excédent de praticiens de l'art infirmier bacheliers ou gradués, il faut d'abord affecter l'excédent de praticiens de l'art infirmier bacheliers, puis l'excédent de praticiens de l'art infirmier gradués au déficit de personnel de réactivation ;
  2° s'il y a encore un excédent de praticiens de l'art infirmier, y compris le nombre restant de praticiens de l'art infirmier bacheliers ou gradués, il faut l'affecter au déficit de [3 aides-soignants et aides-soignants pour l'afflux indirect]3 ;
  3° s'il y a encore un déficit de personnel de réactivation, un certain nombre de praticiens de l'art infirmier bacheliers ou gradués peuvent d'abord combler, sous conditions, ce déficit de personnel de réactivation, avant d'être affectés à la norme pour le personnel infirmier ;
  4° s'il y a un excédent de personnel de réactivation, il faut l'affecter au déficit de praticiens de l'art infirmier ;
  5° s'il y a encore un excédent de personnel de réactivation, il faut l'affecter au déficit restant de [3 aides-soignants et aides-soignants pour l'afflux indirect]3 ;
  6° s'il y a un excédent de [3 aides-soignants et aides-soignants pour l'afflux indirect]3, il faut l'affecter au déficit restant de praticiens de l'art infirmier. [2 Dans le cadre de cette attribution, 1,2 équivalent temps plein d'[3 aide-soignant et aide-soignant pour l'afflux indirect ]3 est assimilé à 1 équivalent temps plein d'infirmier]2
  En vue de l'application de l'alinéa premier, 3°, le centre de soins résidentiels, le cas échéant avec le centre de court séjour y afférent, doit disposer de membres du personnel suffisant afin de répondre à la norme globale. Seuls les praticiens de l'art infirmier bacheliers présents au-delà de 80% de la norme de l'art infirmier peuvent entrer en considération pour cette norme. Le déficit créé de cette manière au sein des praticiens de l'art infirmier peut alors être compensé conformément à l'alinéa premier, 6°.
  § 3. La compensation, visée au paragraphe premier, est appliquée selon les règles suivantes :
  1° le déficit de membres du personnel de réactivation ne peut être compensé que par un excédent de membres du personnel infirmier bacheliers ou gradués, avec priorité pour les bacheliers.
  2° le déficit de praticiens de l'art infirmier peut être compensé pour 20 % [1 de la norme ]1 au maximum par un excédent de membres du personnel de réactivation et/ou du [3 aides-soignants et aides-soignants pour l'afflux indirect]3 ;
  3° le déficit de membres du [3 aides-soignants et aides-soignants pour l'afflux indirect]3 peut être compensé de manière illimitée par un excédent de praticiens de l'art infirmier et/ou de membres du personnel de réactivation.
  Le pourcentage de 20 %, visé à l'alinéa premier, 2°, peut être augmenté jusqu'à 30 % pour les centres de soins résidentiels, le cas échéant avec le centre de court séjour y afférent, qui occupent au moins 7 ETP praticiens de l'art infirmier
  § 4. Dans la situation visée au paragraphe premier le montant à financer est déterminé comme suit :
  1° pour le personnel qui remplit la norme théorique, visée à l'article 476, dans sa propre qualification, le financement par équivalent temps plein pour une certaine qualification est égal au coût salarial visé à l'article 480 ;
  2° les règles suivantes sont d'application pour le personnel qui, en application du présent article, est pris en considération pour la compensation d'un déficit de personnel dans une autre qualification :
  a) le praticien de l'art infirmier bachelier ou gradué qui compense un déficit de personnel de réactivation, est indemnisé selon le coût salarial d'un praticien de l'art infirmier bachelier ou gradué ;
  b) le [2 gradué en soins infirmiers, l'ancienneté prise en compte étant celle du personnel de réactivation]2 qui compense un déficit de praticiens de l'art infirmier est indemnisé selon le coût salarial d'un membre du personnel de réactivation ;
  c) le personnel soignant qui compense un déficit de praticiens de l'art infirmier [4 ...]4 est indemnisé selon le coût salarial d'un membre du personnel soignant ;
  d) le membre du personnel qui compense un déficit de membres du personnel soignant est indemnisé selon le coût salarial d'un membre du [3 aides-soignants et aides-soignants pour l'afflux indirect]3.
  § 5. Le financement par équivalent temps plein est égal au coût salarial visé à l'article 480.
  [2 § 6. Par dérogation au paragraphe 2, premier alinéa, 6°, jusqu'à la période de facturation 2022, s'il y a trop d'aides-soignants, ce trop-plein est attribué au déficit restant d'infirmiers, 1 équivalent temps plein d'aide-soignant étant assimilé à 1 équivalent temps plein d'infirmier dans le cadre de cette attribution.
   Par dérogation au paragraphe 4, 2°, b), jusqu'à la période de facturation 2022, le personnel de réactivation compensant un déficit d'infirmiers est indemnisé selon le coût salarial d'un membre du personnel de réactivation.]2

  
Art. 479. Als er na toepassing van artikel 475, § 4 en § 5, en artikel 478, nog altijd een tekort is aan personeel met een bepaalde kwalificatie wordt hiervoor de volgende vermindering bepaald: het overblijvend procentuele tekort in die kwalificatie x de loonkosten per VTE, vermeld in artikel 478, x het aantal VTE tekort.
  De vermindering, vermeld in het eerste lid, wordt toegepast op het bedrag dat conform artikel 484 wordt berekend.
  [1 Dit artikel is niet van toepassing op tegemoetkomingen die betrekking hebben op de factureringsperiode van 1 januari 2023 tot en met [2 "31 december 2024]2.]1
  
Art. 479. Si après l'application de l'article 475, § 4 et § 5, et de l'article 478, il subsiste encore un déficit dans une certaine qualification, la réduction suivante est déterminée comme suit : le déficit en pourcentage restant dans cette qualification x le coût salarial par ETP, visé à l'article 478, x le déficit d'ETP.
  Cette réduction, visée à l'alinéa premier, est appliquée au montant calculé conformément à l'article 484.
  [1 Le présent article ne s'applique pas aux interventions relatives à la période de facturation du 1er janvier 2023 au [2 31 décembre 2024 ]2.]1
  
Art. 479 TOEKOMSTIG RECHT.    Als er na toepassing van artikel 475, § 4 en § 5, en artikel 478, nog altijd een tekort is aan personeel met een bepaalde kwalificatie wordt hiervoor de volgende vermindering bepaald: het overblijvend procentuele tekort in die kwalificatie x de loonkosten per VTE, vermeld in artikel 478, x het aantal VTE tekort.
  De vermindering, vermeld in het eerste lid, wordt toegepast op het bedrag dat conform artikel 484 wordt berekend.
  [2 ...]2
Art. 479 DROIT FUTUR.    Si après l'application de l'article 475, § 4 et § 5, et de l'article 478, il subsiste encore un déficit dans une certaine qualification, la réduction suivante est déterminée comme suit : le déficit en pourcentage restant dans cette qualification x le coût salarial par ETP, visé à l'article 478, x le déficit d'ETP.
  Cette réduction, visée à l'alinéa premier, est appliquée au montant calculé conformément à l'article 484.
  [1 [2 ]2.]1
Art. 480. § 1. De loonkosten zijn afhankelijk van de gemiddelde anciënniteit per kwalificatie van het zorgpersoneel in het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, met uitzondering van de personeelsleden, vermeld in artikel 475, § 2, 2°, met uitzondering van de referentiepersoon dementie, vermeld in artikel 475, § 2, 2°, j), die ook in aanmerking wordt genomen. Die gemiddelde anciënniteit wordt per kwalificatie bepaald door de anciënniteit van het personeelslid x VTE van dat personeelslid/ totale aantal VTE's in die kwalificatie.
  In het eerste lid wordt verstaan onder anciënniteit: de baremieke anciënniteit bedoeld op de laatste dag van de referentieperiode, of voor de personeelsleden die het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, hebben verlaten of die een andere kwalificatie hebben gekregen, de baremieke anciënniteit zoals die van toepassing is op de einddatum van het contract. De baremieke anciënniteit van een personeelslid is maximum gelijk aan zijn leeftijd - 18.
  [2 In het eerste lid wordt verstaan onder zorgpersoneel: de verpleegkundigen, de zorgkundigen, de [10 zij-instroomzorgkundigen]10[3 ...]3 en het personeel voor reactivering.]2
  De anciënniteit wordt per individu en per kwalificatie berekend. Als een persoon meerdere contracten heeft tijdens de referentieperiode, wordt rekening gehouden met zijn anciënniteit op de laatste dag van de referentieperiode of op het einde van zijn contract.
  Bij deze berekening wordt geen rekening gehouden met de personeelsleden die in het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, werkzaam zijn met een uitzendcontract [1 vanuit een uitzendbureau dat de bevoegde overheid heeft erkend]1, of die werkzaam zijn als directeur met een statuut van zelfstandige. De personen die er werkzaam zijn op zelfstandige basis, worden meegeteld met een anciënniteit van nul jaar.
  Voor een correcte berekening van de gemiddelde anciënniteit per kwalificatie delen de woonzorgcentra, in voorkomend geval met de bijbehorende centra voor kortverblijf, aan het agentschap de baremieke anciënniteit, het aantal gepresteerde dagen of uren mee voor alle personen (loontrekkers, statutairen, zelfstandigen, uitzendpersoneel) die tijdens de referentieperiode werkzaam waren in de woonzorgcentra, in voorkomend geval met de bijbehorende centra voor kortverblijf, als verpleegkundige, personeelslid voor reactivering of als [2 zorgkundige of [10 zij-instroomzorgkundige]10"]2.
  § 2. De loonkosten voor een voltijds equivalent bachelor in de verpleegkunde bedragen, indien de gemiddelde anciënniteit van alle verpleegkundigen in het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf:
  1° kleiner is dan 4 jaar: 55.055,28 euro;
  2° vanaf 4 jaar en kleiner dan 6 jaar: 59.387,85 euro;
  3° vanaf 6 jaar en kleiner dan 8 jaar: 63.787,32 euro;
  4° vanaf 8 jaar en kleiner dan 12 jaar: 65.539,70 euro;
  5° vanaf 12 jaar en kleiner dan 14 jaar: 67.814,90 euro;
  6° vanaf 14 jaar en kleiner dan 16 jaar: 69.330,24 euro;
  7° vanaf 16 jaar: 75.364,55 euro.
  § 3. De loonkosten voor een voltijds equivalent gegradueerde in de verpleegkunde of ziekenhuisassistent bedragen, indien de gemiddelde anciënniteit van alle verpleegkundigen en ziekenhuisassistenten in het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf:
  1° kleiner is dan 4 jaar: 50.659,58 euro;
  2° vanaf 4 jaar en kleiner dan 6 jaar: 54.188,32 euro;
  3° vanaf 6 jaar en kleiner dan 8 jaar: 58.081,37 euro;
  4° vanaf 8 jaar en kleiner dan 12 jaar: 59.801,15 euro;
  5° vanaf 12 jaar en kleiner dan 14 jaar: 62.054,04 euro;
  6° vanaf 14 jaar en kleiner dan 16 jaar: 63.553,34 euro;
  7° vanaf 16 jaar: 65.060,83 euro.
  § 4. De loonkosten voor een voltijds equivalent [2 zorgkundige of [10 zij-instroomzorgkundige]10"]2 bedragen, indien de gemiddelde anciënniteit van alle zorgkundigen in het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf:
  1° kleiner is dan 4 jaar: 48.260,29 euro;
  2° vanaf 4 jaar en kleiner dan 6 jaar: 48.831,67 euro;
  3° vanaf 6 jaar en kleiner dan 10 jaar: 49.583,31 euro;
  4° vanaf 10 jaar en kleiner dan 12 jaar: 51.358,54 euro;
  5° [4 vanaf 12 jaar en kleiner dan 14 jaar: 52.165,03 euro]4;
  [5 6° vanaf 14 jaar en kleiner dan 16 jaar: 52.402,65 euro;
   7° vanaf 16 jaar: 53.330,71 euro.]5

  § 5. De loonkosten voor een voltijds equivalent personeelslid voor reactivering [6 ...]6 bedragen, indien de gemiddelde anciënniteit van alle leden van dat personeel in het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf:
  1° minder is dan 4 jaar: 49.304,85 euro;
  2° vanaf 4 jaar en minder dan 6 jaar: 53.147,20 euro;
  3° vanaf 6 jaar en minder dan 10 jaar: 57.054,80 euro;
  4° vanaf 10 jaar en minder dan 12 jaar: 58.609,83 euro;
  5° [7 vanaf 12 jaar en kleiner dan 14 jaar: 60.631,27 euro;]7.
  [8 6° vanaf 14 jaar en kleiner dan 16 jaar: 60.920,93 euro;
   7° vanaf 16 jaar: 66.874,48 euro]8

  § 6. Onverminderd de toepassing van artikel 482 worden de verpleegkundigen die beantwoorden aan de in de normen voor verpleegkundigen, vermeld in artikel 430 en 432, gefinancierd volgens de loonkosten van een gegradueerde in de verpleegkunde.
  [9 § 7. Voor de facturatieperiode van 1 juli 2024 tot en met 31 december 2024 wordt de compensatie aan een woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, voorzien via een rechtstreekse subsidie die, conform de bepalingen vermeld in artikel 474 tot en met 487, berekend als volgt: De subsidie is gelijk aan (A1 + A2) x 1,022318 x het gewogen gemiddelde aantal erkende woongelegenheden van het woonzorgcentrum en het centrum voor kortverblijf in kwestie in de maand mei 2024 x de gemiddelde bezettingsgraad in de referentieperiode van 1 juli 2022 tot en met 30 juni 2023, waarbij:
   1° A1 wordt berekend als volgt: (A-B)/C, waarbij
   a) A= de totale loonkost voor het te financieren VTE zorgkundigen, [10 zij-instroomzorgkundigen]10 en personeel voor reactivering berekend met toepassing van aangepaste anciënniteitstrappen, vermeld in paragraaf 4 en 5;
   b) B = de totale loonkost voor het te financieren VTE zorgkundigen, [10 zij-instroomzorgkundigen]10 en personeel voor reactivering zoals berekend in de berekening van de basistegemoetkoming voor zorg geldig op 1 juli 2024;
   c) C = het aantal verblijfsdagen in de referentieperiode van 1 juli 2022 tot en met 30 juni 2023.
   2° A2 wordt berekend als volgt: (D-E), waarbij
   a) D= het bedrag van het deel A2, berekend conform artikel 487, waarbij de "kostprijs aanwezig personeel", vermeld in artikel 487, § 1, 2°, a) en de "kostprijs gefinancierd personeel", vermeld in artikel 487, § 1, 2°, a) zijn berekend met toepassing van aangepaste anciënniteitstrappen, vermeld in paragraaf 4 en 5;
   b) E = het bedrag van het deel A2 zoals berekend in de berekening van de basistegemoetkoming voor zorg geldig op 1 juli 2024;
   3° de gemiddelde bezettingsgraad in de referentieperiode van 1 juli 2022 tot en met 30 juni 2023 = het aantal ligdagen zoals meegedeeld voor de referentieperiode gedeeld door het gewogen gemiddelde aantal erkende woongelegenheden van het woonzorgcentrum en het centrum voor kortverblijf in de referentieperiode.]9

  
Art. 480. § 1. Le coût salarial dépend de l'ancienneté moyenne par qualification du personnel de soins dans le centre de soins résidentiels, le cas échéant avec le centre de court séjour y afférent, à l'exclusion des membres du personnel visés à l'article 475, § 2, 2°, à l'exception de la personne de référence pour la démence visée à l'article 475, § 2, 2°, j), qui est également prise en considération. Cette ancienneté moyenne est déterminée par qualification comme suit : l'ancienneté du membre du personnel x ETP de ce membre du personnel/nombre total ETP dans cette qualification.
  Dans l'alinéa premier, on entend par ancienneté l'ancienneté barémique le dernier jour de la période de référence ou, pour les membres du personnel qui ont quitté le centre de soins résidentiels, le cas échéant avec le centre de court séjour y afférent, ou qui ont changé de qualification, l'ancienneté barémique telle qu'elle est d'application à la date de la fin du contrat. L'ancienneté barémique d'un membre du personnel est au maximum égale à son âge - 18 ans.
  [2 A l'alinéa 1er, on entend par personnel de soins les praticiens de l'art infirmier, les aides-soignants, les aides-soignants pour l'afflux indirect, [3 ...]3 et le personnel de réactivation.]2
  L'ancienneté est calculée par individu et par qualification. Si une personne est liée par plusieurs contrats pendant la période de référence, son ancienneté est prise en considération le dernier jour de la période de référence ou à la fin de son contrat.
  Pour ce calcul, il n'est pas tenu compte des membres du personnel qui travaillent dans le centre de soins résidentiels, le cas échéant avec le centre de court séjour y afférent, avec un contrat d'intérimaire [1 provenant d'une agence de travail intérimaire reconnue par l'autorité compétente ]1 ou comme directeur avec un statut de travailleur indépendant. Les personnes qui y travaillent en qualité de travailleur indépendant sont comptées avec une ancienneté de zéro année.
  Pour un calcul correct de l'ancienneté moyenne par qualification, les centres de soins résidentiels, le cas échéant avec les centres de court séjour y afférents, communiquent à l'agence l'ancienneté barémique, le nombre de journées et/ou d'heures prestées pour toutes les personnes (salariées, statutaires, travailleurs indépendants, intérimaires) qui travaillaient dans les centres de soins résidentiels, le cas échéant avec les centres de court séjour y afférents, en tant que praticiens de l'art infirmier, membres du personnel de réactivation ou [2 aide-soignant ou aide-soignant pour l'afflux indirect]2 au cours de la période de référence.
  § 2. Le coût salarial pour un équivalent temps plein praticien de l'art infirmier bachelier s'élève à, si l'ancienneté moyenne dans le centre de soins résidentiels, le cas échéant avec le centre de court séjour y afférent, pour tous les praticiens de l'art infirmier :
  1° est inférieure à 4 ans : 55.055,28 euros ;
  2° à partir de 4 ans et moins de 6 ans : 59.387,85 euros ;
  3° à partir de 6 ans et moins de 8 ans : 63.787,32 euros ;
  4° à partir de 8 ans et moins de 12 ans : 65.539,70 euros ;
  5° à partir de 12 ans et moins de 14 ans : 67.814,90 euros ;
  6° à partir de 14 ans et moins de 16 ans : 69.330,24 euros ;
  7° à partir de 16 ans : 75.364,55 euros.
  § 3. Le coût salarial pour un équivalent temps plein praticien de l'art infirmier gradué ou assistant en soins hospitaliers s'élève à, si l'ancienneté moyenne dans le centre de soins résidentiels, le cas échéant avec le centre de court séjour y afférent, pour tous les praticiens de l'art infirmier et assistants en soins hospitaliers :
  1° est inférieure à 4 ans : 50.659,58 euros ;
  2° à partir de 4 ans et moins de 6 ans : 54.188,32 euros ;
  3° à partir de 6 ans et moins de 8 ans : 58.081,37 euros ;
  4° à partir de 8 ans et moins de 12 ans : 59.801,15 euros ;
  5° à partir de 12 ans et moins de 14 ans : 62.054,04 euros ;
  6° à partir de 14 ans et moins de 16 ans : 63.553,34 euros ;
  7° à partir de 16 ans : 65.060,83 euros.
  § 4. Le coût salarial pour un équivalent temps plein [2 aides-soignants ou aides-soignants pour l'afflux indirect]2 s'élève à, si l'ancienneté moyenne dans le centre de soins résidentiels, le cas échéant avec le centre de court séjour y afférent, pour tous les aides-soignants :
  1° est inférieure à 4 ans : 48.260,29 euros ;
  2° à partir de 4 ans et moins de 6 ans : 48.831,67 euros ;
  3° à partir de 6 ans et moins de 10 ans : 49.583,31 euros ;
  4° à partir de 10 ans et moins de 12 ans : 51.358,54 euros ;
  5° [4 à partir de 12 ans et moins de 14 ans : 52 165,03 euros ]4.
  [5 6° à partir de 14 ans et moins de 16 ans : 52 402,65 euros ;
   7° à partir de 16 ans : 53 330,71 euro]5

  § 5. Le coût salarial pour un équivalent temps plein membre du personnel de réactivation [6 ...]6 s'élève à, si l'ancienneté moyenne dans le centre de soins résidentiels, le cas échéant avec le centre de court séjour y afférent, pour tous les membres de ce personnel :
  1° est inférieure à 4 ans : 49.304,85 euros ;
  2° à partir de 4 ans et moins de 6 ans : 53.147,20 euros ;
  3° à partir de 6 ans et moins de 10 ans : 57.054,80 euros ;
  4° à partir de 10 ans et moins de 12 ans : 58.609,83 euros ;
  5° [7 à partir de 12 ans et moins de 14 ans : 60 631,27 euros ]7.
  [8 à partir de 14 ans et moins de 16 ans : 60 920,93 euros ;
   7° à partir de 16 ans : 66 874,48 euros. ]8

  § 6. Sans préjudice de l'application de l'article 482, les praticiens de l'art infirmier qui remplissent les normes pour praticiens de l'art infirmier visées aux articles 430 et 432, sont financés suivant les coûts salariaux d'un praticien de l'art infirmier.
  [9 § 7. Pour la période de facturation du 1er juillet 2024 au 31 décembre 2024, la compensation à un centre de soins résidentiels, le cas échéant avec le centre de court séjour correspondant, est prévue via une subvention directe qui est calculée comme suit, conformément aux dispositions mentionnées aux articles 474 à 487 : La subvention équivaut à (A1 + A2) x 1,022 318 x le nombre moyen pondéré de logements agréés du centre de soins résidentiels et du centre de court séjour en question durant le mois de mai 2024 x le taux d'occupation moyen durant la période de référence du 1er juillet 2022 au 30 juin 2023, où :
   1° A1 est calculé comme suit : (A-B)/C, où
   a) A = le coût salarial total pour les aides-soignants ETP, les entrants directs et le personnel de réactivation à financier, calculé avec l'application des paliers d'ancienneté adaptés, mentionnés aux paragraphes 4 et 5 ;
   b) B = le coût salarial total pour les aides-soignants ETP, les entrants directs et le personnel de réactivation à financer, comme calculé dans le calcul de l'intervention de base pour les soins valable au 1er juillet 2024 ;
   c) C = le nombre de jours de séjour durant la période de référence du 1er juillet 2022 au 30 juin 2023.
   2° A2 est calculé comme suit : (D-E), où
   a) D= le montant de la partie A2, calculé conformément à l'article 487, où le " coût du personnel présent ", mentionné à l'article 487, § 1er, 2°, a) et le " coût du personnel financé ", mentionné à l'article 487, § 1er, 2°, a) sont calculés en application des paliers d'ancienneté adaptés, mentionnés aux paragraphes 4 et 5 ;
   b) E = le montant de la partie A2, tel que calculé dans le calcul de l'intervention de base pour les soins valable au 1er juillet 2024 ;
   3° le taux d'occupation moyen durant la période de référence du 1er juillet 2022 au 30 juin 2023 = le nombre de jours-lits tel que communiqué pour la période de référence divisé par le nombre moyen pondéré de logements agréés du centre de soins résidentiels et du centre de court séjour durant la période de référence. ]9

  
Art. 481. § 1. In de woonzorgcentra, in voorkomend geval met de bijbehorende centra voor kortverblijf, die na de toepassing van de artikel 475, 476 en 478 nog een reserve aan personeelsleden voor reactivering hebben, wordt bij de bepaling van het te financieren bedrag voor de personeelsnorm, vermeld in artikel 484, bijkomend rekening gehouden met een aantal voltijds equivalenten dat maximum gelijk is aan: ((gemiddeld aantal bewoners O x 0,10 voltijds equivalent personeelslid voor reactivering) + (gemiddeld aantal bewoners A x 0,20 voltijds equivalent personeelslid voor reactivering))/30 bewoners. Het gemiddelde aantal bewoners O en A stemt overeen met het aantal dat berekend wordt ter uitvoering van artikel 476).
  Als de reserve zoals, vermeld in het eerste lid, onvoldoende is om het voltijds equivalent van 0,10 of 0,20/30 bewoners, vermeld in het eerste lid, op te vullen, kan het verschil worden gecompenseerd door een teveel aan bachelors in de verpleegkunde.
  § 2. [1 § 2. In de woonzorgcentra, in voorkomend geval met de bijbehorende centra voor kortverblijf, die na de toepassing van paragraaf 1 nog een reserve aan personeelsleden voor reactivering hebben, of als dat niet het geval is, nog een reserve aan [2 zorgkundigen of zijinstroomzorgkundigen"]2 hebben, wordt bij de bepaling van het te financieren bedrag voor de personeelsnorm, vermeld in artikel 484, bijkomend rekening gehouden met het aantal voltijds equivalenten dat maximaal gelijk is aan: aantal bewoners die behoren tot de afhankelijkheidscategorie A, die effectief aanwezig zijn in het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, tijdens de referentieperiode en die minstens een 2 scoren voor oriëntatie in tijd en voor oriëntatie van plaats als vermeld in artikel 424, § 2, x 0.8 voltijdsequivalent personeelslid voor reactivering of verzorgend personeel/het aantal dagen tijdens de referentieperiode/30 bewoners.]1.
  
Art. 481. § 1. Dans les centres de soins résidentiels, le cas échéant avec les centres de court séjour y afférents, qui après l'application des articles 475, 476 et 478 disposent encore d'une réserve en personnel de réactivation, il est tenu compte, lors de la fixation du montant à financer pour la norme de personnel visée à l'article 484, d'un certain nombre d'équivalents temps plein qui s'élève au maximum à : ((nombre moyen de résidents O x 0,10 équivalent temps plein membre du personnel de réactivation) + (nombre moyen de résidents A x 0,20 équivalent temps plein membre du personnel de réactivation))/30 résidants. Le nombre moyen de résidents O et A correspond au nombre calculé en exécution de l'article 476.
  Lorsque la réserve visée au premier alinéa est insuffisante pour remplir cet équivalent temps plein de 0,10 ou 0,20/30 résidants, la différence peut être compensée par un excédent de praticiens de l'art infirmier bacheliers.
  § 2.[1 § 2. Dans les centres de soins résidentiels, le cas échéant y compris les centres de court séjour y afférents, qui après l'application du paragraphe premier, disposent encore d'une réserve en personnel de réactivation ou, à défaut, de [2 aides-soignants ou aides-soignants pour l'afflux indirect]2, il est tenu compte, lors de la fixation du montant à financer pour la norme de personnel visée à l'article 484, du nombre d'équivalents temps plein qui s'élève au maximum à : nombre de résidents classés dans la catégorie de dépendance A, effectivement présents dans le centre de soins résidentiels, le cas échéant y compris dans le centre de court séjour y afférent, au cours de la période de référence, et qui ont un score égal au moins à 2 pour l'orientation dans le temps et pour l'orientation spatiale, au sens de l'article 424, § 2, x 0,8 équivalent temps plein membre du personnel de réactivation ou du personnel soignant/nombre de jours au cours de la période de référence/30 résidents.]1.
  
Art. 482. In de woonzorgcentra, in voorkomend geval met de bijbehorende centra voor kortverblijf, die niet onder de toepassing vallen van artikel 479 of artikel 483, § 2, worden een aantal van bachelors in de verpleegkunde die de norm voor verpleegkundigen, vermeld in artikel 429 en 430, opvullen, gefinancierd volgens de loonkosten van een bachelor in de verpleegkunde. [2 een aantal bachelors]2 in de[1 verpleegkunde dat]1 aldus wordt gefinancierd, bedraagt maximum 30 % van de theoretische norm voor verpleegkundigen, vermeld in artikel 476.
  [2 In afwijking van het eerste lid wordt voor de factureringsperiode van 1 januari 2023 tot en met [3 31 december 2024]3, een aantal bachelors in de verpleegkunde die de norm voor verpleegkundigen, vermeld in artikel 429 en 430, opvullen, gefinancierd volgens de loonkosten van een bachelor in de verpleegkunde, in de factureringsperiode van 1 januari 2023 tot en met 31 december 2023, ongeacht of er een personeelstekort is als vermeld in artikel 479 of artikel 483, § 2. Het aantal bachelors in de verpleegkunde dat op die wijze wordt gefinancierd, bedraagt maximaal 30% van de theoretische norm voor verpleegkundigen, vermeld in artikel 476, § 1.]2
  
Art. 482. Dans les centres de soins résidentiels, avec le cas échéant les centres de court séjour associés, qui ne relèvent pas de l'application de l'article 479 ou de l'article 483, plusieurs bachelors en art infirmier - qui répondent à la norme pour infirmiers visée aux articles 429 et 430, sont financés conformément aux coûts salariaux d'un bachelor en art infirmier. Dès lors, le nombre de bachelors en art infirmier financé s'élève à 30 % au maximum de la norme théorique pour les infirmiers, visée à l'article 476.
  [2 Par dérogation à l'alinéa 1er, pour la période de facturation du 1er janvier 2023 au 31 décembre 2023 inclus, un certain nombre de bacheliers en art infirmier qui remplissent la norme pour les infirmiers mentionnée aux articles 429 et 430 est financé selon les coûts salariaux d'un bachelier en art infirmier, dans la période de facturation du 1er janvier 2023 au [3 31 décembre 2024 ]3 inclus, indépendamment de l'existence d'un manque de personnel tel que mentionné à l'article 479 ou à l'article 483, § 2. Le nombre de bacheliers en art infirmier ainsi financés s'élève au maximum à 30 % de la norme théorique pour les praticiens de l'art infirmier visée à l'article 476, § 1er. ]2
  
Art. 482 TOEKOMSTIG RECHT.    In de woonzorgcentra, in voorkomend geval met de bijbehorende centra voor kortverblijf, [4 ...]4, worden een aantal van bachelors in de verpleegkunde die de norm voor verpleegkundigen, vermeld in artikel 429 en 430, opvullen, gefinancierd volgens de loonkosten van een bachelor in de verpleegkunde. [2 een aantal bachelors]2 in de[1 verpleegkunde dat]1 aldus wordt gefinancierd, bedraagt maximum 30 % van de theoretische norm voor verpleegkundigen, vermeld in artikel 476.
  [2 [3 ...]3]2
Art. 482 DROIT FUTUR.    Dans les centres de soins résidentiels, avec le cas échéant les centres de court séjour associés,[4 ...]4, plusieurs bachelors en art infirmier - qui répondent à la norme pour infirmiers visée aux articles 429 et 430, sont financés conformément aux coûts salariaux d'un bachelor en art infirmier. Dès lors, le nombre de bachelors en art infirmier financé s'élève à 30 % au maximum de la norme théorique pour les infirmiers, visée à l'article 476.
  [2 [3 ...]3 ]2
Art. 483. § 1. In de woonzorgcentra, in voorkomend geval met de bijbehorende centra voor kortverblijf, die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 432, vierde lid, en waar de norm, vermeld in artikel 430, kleiner is dan vijf voltijdse equivalenten waarvan twee verpleegkundigen, wordt bij de bepaling van het te financieren bedrag voor het genormeerde personeel, vermeld in artikel 484, uitgegaan van twee voltijds equivalenten verpleegkundigen en drie voltijds equivalenten [1 zorgkundigen of [2 zij-instroomzorgkundigen]2]1, behalve als het niet toepassen van die regel voordeliger is voor die zorgvoorziening.
  Het eerste lid is niet van toepassing op de woonzorgcentra, in voorkomend geval met de bijbehorende centra voor kortverblijf, vermeld in artikel 486, § 1 tot en met § 4.
  § 2. Voor de woonzorgcentra, in voorkomend geval met de bijbehorende centra voor kortverblijf, die tijdens de referentieperiode gemiddeld minstens tien bewoners in de afhankelijkheidscategorie B, C, Cd of D huisvesten en die minstens ten opzichte van het gemiddelde aantal erkende entiteiten gemiddeld 40% bewoners huisvesten in de afhankelijkheidscategorie B, C, Cd of D en die tijdens de referentieperiode niet beschikken over minstens vijf voltijdse equivalenten van loontrekkend of statutair personeel, verpleegkundigen, [1 zorgkundigen of [2 zij-instroomzorgkundigen]2]1of personeel voor reactivering, waarvan minstens twee voltijds equivalenten verpleegkundigen, wordt de financiering van het genormeerde personeel, vermeld in artikel 484, verminderd met 50%.
  § 3. Voor de woonzorgcentra, in voorkomend geval met de bijbehorende centra voor kortverblijf, die tijdens de referentieperiode gemiddeld geen tien bewoners in de afhankelijkheidscategorie B, C, Cd of D huisvesten of die minstens ten opzichte van het gemiddelde aantal erkende entiteiten gemiddeld geen 40% bewoners huisvesten in de afhankelijkheidscategorie B, C, Cd of D en die tijdens de referentieperiode niet beschikken over minstens vijf voltijdse equivalenten van loontrekkend of statutair personeel, verpleegkundigen, [1 zorgkundigen of [2 zij-instroomzorgkundige]2]1 of personeel voor reactivering, waarvan minstens twee voltijds equivalenten verpleegkundigen, wordt de financiering van het genormeerde personeel, vermeld in artikel 484, bepaald rekening houdend met de helft van de financiering van de norm, vermeld in artikel 430, voor de afhankelijkheidscategorieën B, C, Cd en D.
  
Art. 483. § 1. Dans les centres de soins résidentiels, avec le cas échéant les centres de court séjour associés, qui répondent aux conditions visées à l'article 432, alinéa 4 et où la norme, mentionnée à l'article 430, est inférieure à cinq équivalents à temps plein, dont deux infirmiers, on se base, lors de la définition du montant à financer pour le personnel normé visé à l'article 484, sur deux équivalents à temps plein infirmiers et trois équivalents à temps plein aide-infirmier, sauf si la non-application de cette règle est plus avantageuse pour cette infrastructure de soins.
  Le premier alinéa ne s'applique pas aux centres de soins résidentiels, avec le cas échéant les centres de court séjour associés, repris à l'article 486, § 1 à § 4 inclus.
  § 2. Pour les centres de soins résidentiels, avec le cas échéant les centres de court séjour associés, qui au cours de la période de référence hébergent en moyenne dix résidents au moins qui s'inscrivent dans la catégorie de dépendance B, C, Cd ou D et qui, par rapport au nombre moyen d'entités agréées hébergent au moins 40 % de résidents en moyenne relevant de ces catégories de dépendance et qui, durant cette même période, emploient au minimum cinq équivalents à temps plein pour des travailleurs salariés ou statutaires, des infirmiers, des [1 des aides-soignants ou des aides-soignants pour l'afflux indirect]1, dont au moins deux équivalents à temps plein infirmiers, le financement du personnel normé, visé à l'article 484, est diminué de moitié.
  § 3. Pour les centres de soins résidentiels, avec le cas échéant les centres de court séjour associés, qui au cours de la période de référence hébergent en moyenne moins de dix résidents qui s'inscrivent dans la catégorie de dépendance B, C, Cd ou D ou qui, par rapport au nombre moyen d'entités agréées hébergent moins de 40 % de résidents en moyenne relevant de ces catégories de dépendance et qui, durant cette même période, emploient moins de cinq équivalents à temps plein pour des travailleurs salariés ou statutaires, des infirmiers, des [1 des aides-soignants ou des aides-soignants pour l'afflux indirect]1, dont au moins deux équivalents à temps plein infirmiers, le financement du personnel normé, visé à l'article 484, est défini en tenant compte de la moitié du financement de la norme, mentionné à l'article 430, pour les catégories de dépendance B, C, Cd et D.
  
Art. 484. § 1. Het basisbedrag van de financiering van het genormeerde personeel is gelijk aan de som van het aantal voltijds equivalenten in een bepaalde kwalificatie, vermenigvuldigd met de [1 loonkosten]1 van die kwalificatie, waarbij:
  1° het aantal voltijds equivalenten wordt bepaald conform artikel 475, 476, 478, 481, 482 en 483;
  2° de loonkosten worden bepaald met toepassing van artikel 480 en 483, § 2.
  Het bedrag, vermeld in het eerste lid, wordt in voorkomend geval verminderd conform artikel 479, tenzij bij de toepassing van artikel 483, § 2 of § 3.
  Het bedrag van de financiering van het genormeerde personeel per verblijfsdag en per gebruiker wordt bepaald door het basisbedrag van de financiering van het genormeerde personeel te delen door het aantal verblijfsdagen voor de bewoners in de referentieperiode.
  § 2. In afwijking van paragraaf 1 bedraagt het bedrag per verblijfsdag en per gebruiker van de financiering van het genormeerde personeel voor de woonzorgcentra, in voorkomend geval met de bijbehorende centra voor kortverblijf, waarop artikel 486 van toepassing is: ((basisbedrag van de financiering van het genormeerde personeel/ het aantal verblijfsdagen voor de bewoners in de referentieperiode, vermeld in artikel 486) x (het aantal dagen in de referentieperiode, vermeld in artikel 486 / het aantal dagen in de referentieperiode)).
  
Art. 484. § 1. Le montant de base du financement du personnel normé est égal à la somme du nombre d'équivalents à temps plein dans une qualification déterminée, multipliée par les coûts salariaux de cette qualification, étant entendu que :
  1° le nombre d'équivalents temps plein est défini conformément aux articles 475, 476, 478, 481, 482 en 483 ;
  2° les frais salariaux sont déterminés en application des articles 480 et 483, § 2.
  Le montant, visé à l'alinéa premier, est le cas échéant minoré conformément à l'article 479, sauf en cas d'application de l'article 483, § 2 ou § 3.
  Le montant du financement du personnel normé par journée de séjour et par utilisateur est déterminé par le montant de base du financement du personnel normé à diviser par le nombre de journées de séjour pour les résidents durant la période de référence.
  § 2. Par dérogation au paragraphe 1, le montant par journée de séjour et par utilisateur du financement du personnel normé pour le centre de soins résidentiels, avec le cas échéant les centres de court séjour associés, auxquels s'applique l'article 486, s'élève à : ((Montant de base pour le financement du personnel normé / le nombre de journées de séjour pour les résidents durant la période de référence, mentionné à l'article 486) x (le nombre de jours durant la période de référence, mentionné à l'article 486 / le nombre de jours durant la période de référence).
  

Änderungen

----------
Art. 485. § 1. [2 ...]2.
  § 2.[2 ...]2.
  § 3. Bij een overname, een fusie, een splitsing of een exploitatietransfer op een andere locatie, levert het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf de nodige gegevens via de webapplicatie aan het agentschap aan, opdat het agentschap het bedrag per verblijfsdag en per gebruiker, vermeld in artikel 473, kan berekenen.
  
Art. 485. § 1. [2 ...]2
  § 2. [2 ...]2
  § 3. En cas de reprise, de fusion, de scission ou de transfert d'exploitation sur un autre site, le centre de soins résidentiels, avec le cas échéant le centre de court séjour associé, fournit, par le biais de l'application Web, les informations nécessaires à l'Agence afin qu'elle soit en mesure de calculer le montant par journée de séjour et par utilisateur, mentionné à l'article 473.
  
Art. 486. § 1. Het bedrag van de tegemoetkoming per gebruiker en per verblijfsdag voor een nieuw woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, dat erkend wordt tussen 1 juli en 30 september wordt als volgt bepaald:
  1° voor de periode van de erkenningsdatum tot 31 maart van het jaar dat daarop volgt bedraagt dat bedrag [1 22,77 euro]1;
  2° voor de rest van de factureringsperiode, van 1 april van het jaar dat daarop volgt tot 31 december, wordt dat bedrag berekend conform artikel 475 tot en met 483, waarbij de referentieperiode overeenstemt met het vierde trimester;
  3° het bedrag van de daarop volgende factureringsperiode wordt berekend conform artikel 475 tot 483, waarbij de referentieperiode overeenstemt met het vierde trimester en het eerste en tweede trimester van het jaar dat daarop volgt.
  § 2. Het bedrag van de tegemoetkoming per gebruiker en per verblijfsdag voor een nieuw woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, dat erkend wordt tussen 1 oktober en 31 december wordt als volgt bepaald:
  1° voor de periode van de erkenningsdatum tot 30 juni van het jaar dat daarop volgt, bedraagt dat bedrag [1 22,77 euro]1;
  2° voor de rest van de factureringsperiode, van 1 juli van het jaar dat daarop volgt, tot 31 december, wordt dat bedrag berekend conform artikel 475 tot en met 483, waarbij de referentieperiode overeenstemt met het eerste trimester;
  3° het bedrag van de daarop volgende factureringsperiode wordt berekend conform artikel 475 tot en met 483, waarbij de referentieperiode overeenstemt met het eerste en het tweede trimester van het jaar dat volgt op dat van de erkenning.
  § 3. Het bedrag van de tegemoetkoming per gebruiker en per verblijfsdag voor een nieuw woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, dat erkend wordt tussen 1 januari en 31 maart, wordt als volgt bepaald:
  1° voor de periode van de erkenningsdatum tot 30 september bedraagt dat bedrag [1 22,77 euro]1;
  2° voor de rest van de factureringsperiode van 1 oktober tot 31 december wordt dat bedrag berekend conform artikel 475 tot en met 483, waarbij de referentieperiode overeenstemt met het tweede trimester (dat is het trimester dat volgt op dat van de erkenning);
  3° het bedrag van de daarop volgende factureringsperiode wordt berekend conform artikel 475 tot en met 483, waarbij de referentieperiode overeenstemt met het tweede trimester (dat is het trimester dat volgt op dat van de erkenning).
  § 4. Het bedrag van de tegemoetkoming per gebruiker en per verblijfsdag voor een nieuw woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, dat erkend wordt tussen 1 april en 30 juni, wordt als volgt bepaald:
  1° voor de periode van de erkenningsdatum tot het einde van de lopende factureringsperiode (31 december) bedraagt dat bedrag [1 22,77 euro]1;
  2° het bedrag van de daarop volgende factureringsperiode wordt berekend conform artikel 475 tot en met 483, waarbij de referentieperiode overeenstemt met het derde trimester (dat is het trimester dat volgt op dat van de erkenning).
  § 5. [2 Het bedrag voor de financiële regularisatie wordt berekend conform artikel 475 tot en met 483, waarbij de referentieperiode overeenstemt met het kwartaal van de erkenning en de twee kwartalen die volgen op het kwartaal van de erkenning.
   Vervolgens crediteert het nieuwe woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, voor de periode van de erkenningsdatum tot en met het tweede kwartaal dat volgt op het kwartaal van de erkenning, het bedrag, vermeld in punt 1° van paragraaf 1 tot en met 4, en factureert voor die periode de financiële regularisatie, vermeld in het eerste lid.]2

  [2 § 6. Het bedrag, vermeld in punt 1° van paragraaf 1 tot en met 4, kan pas berekend en gecommuniceerd worden als het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, verklaart dat het beschikt over de attesten, vermeld in artikel 453, § 1, 7°, a) en b).]2
  
Art. 486. § 1. Le montant de l'intervention par utilisateur et par journée de séjour pour un nouveau centre de soins résidentiels, avec le cas échéant le centre de court séjour associé, agréé entre le 1er juillet et le 30 septembre est défini comme suit :
  1° pour la période entre la date d'agrément et le 31 mars de l'année suivante, ce montant s'élève à [1 22,77 euros]1 ;
  2° pour la période de facturation résiduelle, du 1er avril de l'année suivante au 31 décembre, le montant est calculé conformé aux articles 475 à 483, sachant que la période de référence correspond au quatrième trimestre ;
  3° le montant de la période de facturation suivante est calculé conformément aux articles 475 à 483, sachant que la période de référence correspond au quatrième trimestre ainsi qu'aux deux premiers trimestres de l'année suivante.
  § 2. Le montant de l'intervention par utilisateur et par journée de séjour pour un nouveau centre de soins résidentiels, avec le cas échéant le centre de court séjour associé, agréé entre le 1er octobre et le 31 décembre est défini comme suit :
  1° pour la période entre la date d'agrément et le 30 juin de l'année suivante, ce montant s'élève à [1 22,77 euros ]1 ;
  2° pour la période de facturation résiduelle, du 1er juillet de l'année suivante au 31 décembre, le montant est calculé conformément aux articles 475 à 483, sachant que la période de référence correspond au premier trimestre ;
  3° le montant de la période de facturation suivante est calculé conformément aux articles 475 à 483 inclus, sachant que la période de référence correspond aux deux premiers trimestres de l'année qui suit celle de l'agrément.
  § 3. Le montant de l'intervention par utilisateur et par journée de séjour pour un nouveau centre de soins résidentiels, avec le cas échéant le centre de court séjour associé, agréé entre le 1er janvier et le 31 mars, est défini comme suit :
  1° pour la période entre la date d'agrément et le 30 septembre de l'année suivante, ce montant s'élève à [1 22,77 euros]1 ;
  2° pour la période de facturation résiduelle du 1er octobre au 31 décembre, le montant est calculé conformément aux articles 475 à 483 inclus, sachant que la période de référence correspond au deuxième trimestre (soit celui qui suit celui de l'agrément) ;
  3° le montant de la période de facturation suivante est calculé conformément aux articles 475 à 483 inclus, sachant que la période de référence correspond au deuxième trimestre (l'année qui suit celle de l'agrément).
  § 4. Le montant de l'intervention par utilisateur et par journée de séjour pour un nouveau centre de soins résidentiels, avec le cas échéant le centre de court séjour associé, agréé entre le 1er avril et le 30 juin, est défini comme suit :
  1° pour la période entre la date d'agrément et la fin de la période de facturation en cours (31 décembre), ce montant s'élève à [1 22,77 euros]1 ;
  2° le montant de la période de facturation suivante est calculé conformément aux articles 475 à 483 inclus, sachant que la période de référence correspond au troisième trimestre (le trimestre qui suit celui de l'agrément).
  § 5. [2 Le montant de la régularisation financière est calculé conformément aux articles 475 à 483, la période de référence correspondant au trimestre d'agrément ainsi qu'aux deux trimestres suivants celui-ci.
   Ensuite, le nouveau centre de soins résidentiels, le cas échéant avec le centre de court séjour correspondant, crédite le montant visé au point 1° des paragraphes 1er à 4, pour la période de la date d'agrément jusqu'au deuxième trimestre qui suit le trimestre d'agrément, et il facture la régularisation financière visée à l'alinéa 1er, pour cette période.]2

  [2 § 6. Le montant visé au point 1° des paragraphes 1er à 4 ne peut être calculé et communiqué que si le centre de soins résidentiels, le cas échéant avec le centre de court séjour correspondant, déclare qu'il dispose des attestations visées à l'article 453, § 1er, 7°, a) et b).]2
  
Onderafdeling 3. - Deel A2: tegemoetkoming als aanmoediging voor bijkomende zorginspanningen
Sous-section 3. - Partie A2 : intervention au titre d'encouragement pour des efforts de soins supplémentaires
Art. 487. § 1. Als een woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, geen personeelstekort, als vermeld in artikel 479 of artikel 483, § 2, vertoont, en als de totale loonkosten van de verpleegkundigen, het personeel voor reactivering en de zorgkundigen, berekend volgens de kosten zoals bedoeld in artikel 480, hoger is dan het basisbedrag voor de financiering van het genormeerde personeel, vermeld in artikel 484 of artikel 486, wordt een bijkomende tegemoetkoming bepaald als aanmoediging voor bijkomende zorginspanningen, op voorwaarde dat aan de volgende cumulatieve voorwaarden voldaan is:
   1° (kostprijs aanwezig personeel - kostprijs gefinancierd personeel) is groter dan of gelijk aan 51.742,35 euro;
   2° ((kostprijs aanwezig personeel - kostprijs gefinancierd personeel)/kostprijs gefinancierd personeel) is groter dan of gelijk aan 4 % waarbij:
   a) de kostprijs van het aanwezige personeel overeenstemt met de loonkosten per kwalificatie, vermeld in artikel 480, vermenigvuldigd met het aantal voltijds equivalenten per kwalificatie;
   b) de kostprijs van het gefinancierd personeel overeenstemt met het basisbedrag voor de financiering van het genormeerde personeel, vermeld in artikel 484 of 486.
   [3 In afwijking van het eerste lid wordt voor de factureringsperiode van 1 januari 2023 tot en met 31 december 2023 de bijkomende tegemoetkoming als aanmoediging voor bijkomende zorginspanningen bepaald, ongeacht of er een personeelstekort is als vermeld in artikel 479 of 483, § 2. Alle andere bepalingen van het eerste lid blijven van toepassing.]3
   § 2. De tegemoetkoming bedraagt in de situatie, vermeld in paragraaf 1, [1 100 %]1 van [3 de kostprijs van aanwezig personeel + (de loonkosten voor een voltijdsequivalent logistieke medewerker in de zorg, vermenigvuldigd met het aantal voltijdsequivalenten logistiek medewerker in de zorg)]3 - kostprijs van gefinancierd personeel), met een maximum van [1 [2 15]2 %]1 van de kostprijs van het gefinancierd personeel.
   Het bedrag van de tegemoetkoming per verblijfsdag en per gebruiker bedraagt: (totaal bedrag van de tegemoetkoming/aantal verblijfsdagen voor de bewoners in de referentieperiode).
   In afwijking van het tweede lid, bedraagt het bedrag per verblijfsdag en per gebruiker voor de zorgvoorzieningen waarop artikel 486 van toepassing is:
   ((totaal bedrag van de tegemoetkoming / het aantal verblijfsdagen voor de bewoners in de referentieperiode, vermeld in artikel 486) x (het aantal dagen in de referentieperiode, vermeld in artikel 486, / het aantal dagen in de referentieperiode)).
   [3 De loonkosten voor een voltijdsequivalent logistiek medewerker in de zorg, vermeld in het eerste lid, bedragen 44.638,94 euro.
   Het aantal voltijdsequivalenten logistieke medewerkers in de zorg, vermeld in het eerste lid, wordt op de volgende wijze bepaald:
   1° voor de periode van voltijdse tewerkstelling: het voltijdsequivalent per trimester tx = ((P/(P+NP)) x (d1/d2)), waarbij:
   a) P: het aantal gepresteerde en het aantal gelijkgestelde dagen in trimester tx;
   b) NP: het aantal niet-gelijkgestelde dagen in trimester tx;
   c) d1: het aantal dagen van voltijdse tewerkstelling;
   d) d2: het aantal dagen in het trimester;
   2° het voltijdsequivalent voor deeltijds werkende personeelsleden: het voltijdsequivalent per trimester tx = (P/H), waarbij:
   a) P: het aantal gepresteerde en/of geassimileerde uren tijdens het trimester, met uitsluiting van het aantal uren van voltijdse tewerkstelling;
   b) H: het aantal dagen van maandag tot vrijdag, gedurende het trimester, vermenigvuldigd met 7,6 uur per dag;
   3° het voltijdsequivalent tijdens de referentieperiode wordt bepaald aan de hand van de resultaten van de berekening, vermeld in punt 1° en 2°, en is gelijk aan de som van de voltijdsequivalenten per trimester tx in de referentieperiode gedeeld door het aantal trimesters in de referentieperiode.
  [4 De logistiek medewerker in de zorg komt in aanmerking voor de tegemoetkoming, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, als die voldoet aan al de volgende voorwaarden:
   1° de logistiek medewerker in de zorg wordt niet tewerkgesteld als vervanger eindeloopbaan en wordt op zijn vroegst vanaf 1 juli 2021 tewerkgesteld;
   2° de logistiek medewerker in de zorg wordt tewerkgesteld met een van de volgende contracten:
   a) een contract van onbepaalde duur volgens de loonkostenvergoeding die past bij de functie-inhoud, zoals overeengekomen in de collectieve arbeidsovereenkomsten en de protocollen tussen vakbonden en werkgevers in de private en publieke sector, vermeld in artikel 428;
   b) een contract van bepaalde duur tot tijdelijke vervanging van een andere logistiek medewerker in de zorg. De vervanging moet blijken uit een afschrift van het contract.]4

   De voorziening bewijst op eerste verzoek van het agentschap dat aan de voorwaarden, vermeld in het vierde lid, is voldaan en levert de nodige bewijsstukken om dat te staven.]3

  
Art. 487. § 1. Si un centre de soins résidentiels, avec le cas échéant le centre de court séjour associé, ne manque pas de personnel, comme mentionné à l'article 479 ou à l'article 483, § 2, et si le total des frais de personnel des infirmiers, du personnel en charge de la réactivation et des aides-infirmiers, calculés conformément aux frais tels que visés à l'article 480, est supérieur au montant de base pour le financement du personnel normé, mentionné à l'article 484 ou 486, une intervention supplémentaire est définie au titre d'encouragement pour les efforts de de soins supplémentaires, pour autant que les conditions cumulatives suivantes soient remplies :
   1° (coût du personnel présent - coût du personnel financé) est supérieur ou égal à 51 742,35 euros ;
   2° ((coût du personnel présent - coût du personnel financé)/coût du personnel financé) est supérieur ou égal à 4 %, sachant que :
   a) le coût du personnel présent correspond aux frais de personnel par qualification, visés à l'article 480, multipliés par le nombre d'équivalents à temps plein par qualification ;
   b) le coût du personnel financé correspond au montant de base du financement du personnel normé, mentionné à l'article 484 ou 486.
   [3 Par dérogation à l'alinéa 1er, pour la période de facturation du 1er janvier 2023 au 31 décembre 2023 inclus, l'intervention supplémentaire est déterminée comme une incitation à des efforts de soins supplémentaires, indépendamment de l'existence d'un manque de personnel tel que mentionné à l'article 479 ou 483, § 2. Toutes les autres dispositions de l'alinéa 1er restent applicables.]3
   § 2. Dans la situation visée au paragraphe 1, l'intervention s'élève à [1 100 %]1 [3 de (coût du personnel présent + (du coût salarial d'un équivalent temps plein d'un collaborateur logistique dans les soins, multiplié par le nombre d'équivalents temps plein de collaborateurs logistiques dans les soins]3- coût du personnel financé), avec un maximum de[1 [2 15]2]1 du coût du personnel financé.
   Le montant de l'intervention par journée de séjour et par utilisateur s'élève à : (montant total de l'intervention/nombre de jours de séjour pour les résidents durant la période de référence).
   Par dérogation à l'alinéa 2, le montant par jour de séjour et par utilisateur pour les offres de soins auxquelles s'applique l'article 486 s'élève à :
   ((montant total de l'intervention / le nombre de jours de séjour pour les résidents durant la période de référence, mentionné à l'article 486) x (le nombre de jours de la période de référence, mentionné à l'article 486,/ le nombre de jours de la période de référence)).
   [3 Les coûts salariaux d'un équivalent temps plein collaborateur logistique dans les soins, visé à l'alinéa 1er, est de 44 638,94 euros.
   Le nombre d'équivalents temps plein collaborateurs logistiques dans les soins, visés à l'alinéa 1er est déterminé de la manière suivante :
   1° pour la période d'emploi à temps plein : l'équivalent temps plein par trimestre tx = ((P/(P+NP)) x (d1/d2)), où :
   a) P : le nombre de jours prestés et le nombre de jours assimilés dans le trimestre tx ;
   b) NP : le nombre de jours non assimilés dans le trimestre tx ;
   c) d1 : le nombre de jours d'emploi à temps plein ;
   d) d2 : le nombre de jours dans le trimestre ;
   2° l'équivalent temps plein pour les membres du personnel employés à temps partiel : l'équivalent temps plein par trimestre tx = (P/H), où :
   a) P : le nombre d'heures prestées et/ou assimilées au cours du trimestre, à l'exclusion du nombre d'heures d'emploi à temps plein ;
   b) H : le nombre de jours du lundi au vendredi, au cours du trimestre, multiplié par 7,6 heures par jour ;
   3° l'équivalent temps plein pendant la période de référence est déterminé à l'aide des résultats du calcul visé aux points 1° et 2°, et est égal à la somme des équivalents temps plein par trimestre tx dans la période de référence divisée par le nombre de trimestres dans la période de référence.
   [4 Le collaborateur logistique dans les soins peut bénéficier de l'intervention visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, s'il remplit toutes les conditions suivantes :
   1° le collaborateur logistique dans les soins n'est pas employé en tant que remplaçant de fin de carrière et est employé au plus tôt à partir du 1er juillet 2021 ;
   2° le collaborateur logistique dans les soins est employé sous un des contrats suivants :
   a) un contrat à durée indéterminée selon l'indemnité de coût salarial qui correspond au contenu de la fonction tel que convenu dans les conventions collectives de travail et les protocoles entre syndicats et employeurs dans les secteurs privé et public, visés à l'article 428 ;
   b) un contrat à durée déterminée pour le remplacement temporaire d'un autre collaborateur logistique dans les soins. Le remplacement doit ressortir d'une copie du contrat.]4

   La structure prouve, à la première demande de l'agence, qu'il est satisfait aux conditions visées à l'alinéa 4 et fournit les pièces justificatives nécessaires pour le justifier.]3

  
Art. 487 TOEKOMSTIG RECHT.   § 1. Als [5 een]5 een woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, geen personeelstekort, [6 ...]6 de totale loonkosten van de verpleegkundigen, het personeel voor reactivering en de zorgkundigen, berekend volgens de kosten zoals bedoeld in artikel 480,[7 hoger zijn]7 dan het basisbedrag voor de financiering van het genormeerde personeel, vermeld in artikel 484 of artikel 486, wordt een bijkomende tegemoetkoming bepaald als aanmoediging voor bijkomende zorginspanningen, op voorwaarde dat aan de volgende cumulatieve voorwaarden voldaan is:
   1° (kostprijs aanwezig personeel - kostprijs gefinancierd personeel) is groter dan of gelijk aan 51.742,35 euro;
   2° ((kostprijs aanwezig personeel - kostprijs gefinancierd personeel)/kostprijs gefinancierd personeel) is groter dan of gelijk aan 4 % waarbij:
   a) de kostprijs van het aanwezige personeel overeenstemt met de loonkosten per kwalificatie, vermeld in artikel 480, vermenigvuldigd met het aantal voltijds equivalenten per kwalificatie;
   b) de kostprijs van het gefinancierd personeel overeenstemt met het basisbedrag voor de financiering van het genormeerde personeel, vermeld in artikel 484 of 486.
   [3 [4 ...]4.]3
  [8 3° er is geen personeelstekort als vermeld in artikel 483, § 2;
   4° er is geen personeelstekort, als vermeld in artikel 479, op de norm zorgkundigen;
   5° er is geen personeelstekort, als vermeld in artikel 479, of een personeelstekort, als vermeld in artikel 479, op maximaal één van de volgende kwalificaties:
   a) de kwalificatie verpleegkundigen;
   b) de kwalificatie personeel voor reactivering.]8

   § 2. De tegemoe-tkoming bedraagt in de situatie, vermeld in paragraaf 1, [1 100 %]1 van [3 de kostprijs van aanwezig personeel + (de loonkosten voor een voltijdsequivalent logistieke medewerker in de zorg, vermenigvuldigd met het aantal voltijdsequivalenten logistiek medewerker in de zorg)]3 - kostprijs van gefinancierd personeel), met een maximum van [1 [2 [9 15,75 %]9]2]1 van de kostprijs van het gefinancierd personeel.
   Het bedrag van de tegemoetkoming per verblijfsdag en per gebruiker bedraagt: (totaal bedrag van de tegemoetkoming/aantal verblijfsdagen voor de bewoners in de referentieperiode).
   In afwijking van het tweede lid, bedraagt het bedrag per verblijfsdag en per gebruiker voor de zorgvoorzieningen waarop artikel 486 van toepassing is:
   ((totaal bedrag van de tegemoetkoming / het aantal verblijfsdagen voor de bewoners in de referentieperiode, vermeld in artikel 486) x (het aantal dagen in de referentieperiode, vermeld in artikel 486, / het aantal dagen in de referentieperiode)).
  [10 Als er een personeelstekort, als vermeld in artikel 479, is op maximaal een van de volgende kwalificaties wordt het bedrag van de tegemoetkoming, vermeld in het tweede en derde lid, verminderd op de wijze, vermeld in het vijfde lid:
   1° de kwalificatie verpleegkundigen;
   2° de kwalificatie personeel voor reactivering.
   De vermindering, vermeld in het vierde lid, gebeurt op de volgende wijze:
   1° bij een personeelstekort op de kwalificatie verpleegkundigen geldt:
   a) bij een tekort van ≤ 5% wordt het bedrag verminderd met 10%;
   b) bij een tekort van > 5% en ≤ 10% wordt het bedrag verminderd met 15%;
   c) bij een tekort van > 10% en ≤ 15% wordt het bedrag verminderd met 30%;
   d) bij een tekort van > 15% en ≤ 20% wordt het bedrag verminderd met 50%;
   e) bij een tekort van > 20% wordt het bedrag herleid naar 0 euro;
   2° bij een personeelstekort op de kwalificatie personeel voor reactivering geldt:
   a) bij een tekort van ≤ 5% wordt het bedrag verminderd met 10%;
   b) bij een tekort van > 5% en ≤ 10% wordt het bedrag verminderd met 25%;
   c) bij een tekort van > 10% en ≤ 15% wordt het bedrag verminderd met 50%;
   d) bij een tekort van > 15% wordt het bedrag herleid naar 0 euro.]10

   [3 De loonkosten voor een voltijdsequivalent logistiek medewerker in de zorg, vermeld in het eerste lid, bedragen 44.638,94 euro.
   Het aantal voltijdsequivalenten logistieke medewerkers in de zorg, vermeld in het eerste lid, wordt op de volgende wijze bepaald:
   1° voor de periode van voltijdse tewerkstelling: het voltijdsequivalent per trimester tx = ((P/(P+NP)) x (d1/d2)), waarbij:
   a) P: het aantal gepresteerde en het aantal gelijkgestelde dagen in trimester tx;
   b) NP: het aantal niet-gelijkgestelde dagen in trimester tx;
   c) d1: het aantal dagen van voltijdse tewerkstelling;
   d) d2: het aantal dagen in het trimester;
   2° het voltijdsequivalent voor deeltijds werkende personeelsleden: het voltijdsequivalent per trimester tx = (P/H), waarbij:
   a) P: het aantal gepresteerde en/of geassimileerde uren tijdens het trimester, met uitsluiting van het aantal uren van voltijdse tewerkstelling;
   b) H: het aantal dagen van maandag tot vrijdag, gedurende het trimester, vermenigvuldigd met 7,6 uur per dag;
   3° het voltijdsequivalent tijdens de referentieperiode wordt bepaald aan de hand van de resultaten van de berekening, vermeld in punt 1° en 2°, en is gelijk aan de som van de voltijdsequivalenten per trimester tx in de referentieperiode gedeeld door het aantal trimesters in de referentieperiode.
   De logistieke medewerkers in de zorg komen in aanmerking voor de tegemoetkoming, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, als ze voldoen aan al de volgende voorwaarden:
   1° [10 e logistiek medewerker in de zorg wordt niet tewerkgesteld als vervanger eindeloopbaan en wordt op zijn vroegst vanaf 1 juli 2021 bijkomend tewerkgesteld. Onder die bijkomende tewerkstelling wordt een van de volgende gevallen verstaan:
   a) de logistiek medewerker in de zorg is bijkomend tewerkgesteld als nieuwe tewerkstelling of met een contractuitbreiding. Een tewerkstelling binnen negentig dagen na de laatste dag van een vorige tewerkstelling wordt niet als een nieuwe tewerkstelling beschouwd;
   b) een bestaande werknemer vormt zich om tot logistiek medewerker in de zorg en er wordt een compenserende tewerkstelling gerealiseerd waarbij de compenserende tewerkstelling voldoet aan al de volgende voorwaarden:
   1) het gaat om de tewerkstelling van een of meerdere andere werknemers van wie de arbeidstijd en de looptijd van het contract van de compenserende tewerkstelling in totaal minstens gelijk zijn aan die van de voormalige functie van de werknemer die zich omvormt;
   2) de compenserende tewerkstelling begint negentig dagen voor of na de start van de omvorming van de werknemer naar de functie van logistiek medewerker in de zorg;]10
;
   2° de logistiek medewerker in de zorg is tewerkgesteld met een contract van onbepaalde duur volgens de loonkostenvergoeding die past bij de functie-inhoud zoals overeengekomen in de collectieve arbeidsovereenkomsten en de protocollen tussen vakbonden en werkgevers in de private en publieke sector, vermeld in artikel 428;
   3° de logistiek medewerker voldoet aan één van volgende opleidingsvoorwaarden:
   a) de opleidingen die in aanmerking komen en die door de minister worden bepaald met toepassing van volgende criteria: de logistiek medewerker voltooide de opleiding en verwierf een diploma, getuigschrift, certificaat of bewijs van beroepskwalificatie in de door de minister te bepalen opleidingen in het domein of studiegebied personenzorg, gezondheidszorg of welzijn bij een door de Vlaamse overheid erkende onderwijsinstelling of opleidingsinstelling;
   b) de opleidingen die in aanmerking komen en die door de minister worden bepaald met toepassing van volgende criteria: de logistiek medewerker is actief ingeschreven voor een van de door de minister te bepalen opleidingen in het domein of studiegebied personenzorg, gezondheidszorg of welzijn bij een door de Vlaamse overheid erkende onderwijsinstelling of opleidingsinstelling;
   c) de logistiek medewerker in de zorg heeft minstens 60 studiepunten behaald op niveau van een professioneel gerichte bacheloropleiding in de studiegebieden gezondheidszorg of sociaal-agogisch werk of minstens 60 studiepunten behaald op het niveau van een graduaatsopleiding in het sociaal-agogisch werk of 2 modules van de opleiding verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs;
   d) de logistiek medewerker is actief ingeschreven in een opleiding tot verpleegkundige of zorgkundige;
   e) de logistiek medewerker heeft met succes een EVC-traject doorlopen dat competenties bevat van logistiek assistent in de zorg of ermee verwant is in een door de Vlaamse overheid erkend EVC-testcentrum, zoals bepaald in artikel 6 van het decreet van 26 april 2019 betreffende een geïntegreerd beleid voor de erkenning van verworven competenties en verwierf een bewijs van beroepskwalificatie. De minister bepaalt de bewijzen van beroepskwalificatie die recht geven op een tewerkstelling als logistiek medewerker in de zorg.
   De voorziening bewijst op eerste verzoek van het agentschap dat aan de voorwaarden, vermeld in het vierde lid, is voldaan en levert de nodige bewijsstukken om dat te staven.]3
Art. 487 DROIT FUTUR.   § 1. Si [5 dans]5 un centre de soins résidentiels, avec le cas échéant le centre de court séjour associé, [6 ...]6 le total des frais de personnel des infirmiers, du personnel en charge de la réactivation et des aides-infirmiers, calculés conformément aux frais tels que visés à l'article 480, [7 sont supérieurs]7 au montant de base pour le financement du personnel normé, mentionné à l'article 484 ou 486, une intervention supplémentaire est définie au titre d'encouragement pour les efforts de de soins supplémentaires, pour autant que les conditions cumulatives suivantes soient remplies :
   1° (coût du personnel présent - coût du personnel financé) est supérieur ou égal à 51 742,35 euros ;
   2° ((coût du personnel présent - coût du personnel financé)/coût du personnel financé) est supérieur ou égal à 4 %, sachant que :
   a) le coût du personnel présent correspond aux frais de personnel par qualification, visés à l'article 480, multipliés par le nombre d'équivalents à temps plein par qualification ;
   b) le coût du personnel financé correspond au montant de base du financement du personnel normé, mentionné à l'article 484 ou 486.
   [3 [4 ...]4.]3
  [8 3° il n'y a pas de manque de personnel comme mentionné à l'article 483, § 2 ;
   4° il n'y a pas de manque de personnel, comme mentionné à l'article 479, par rapport à la norme aides-soignants ;
   5° il n'y a pas de manque de personnel, comme mentionné à l'article 479, ou il y a un manque de personnel, comme mentionné à l'article 479, par rapport à maximum une des qualifications suivantes :
   a) la qualification infirmiers ;
   b) la qualification personnel de réactivation.]8

   § 2. Dans la situation visée au paragraphe 1, l'intervention s'élève à [1 100 %]1 [3 de (coût du personnel présent + (du coût salarial d'un équivalent temps plein d'un collaborateur logistique dans les soins, multiplié par le nombre d'équivalents temps plein de collaborateurs logistiques dans les soin]3- coût du personnel financé), avec un maximum de [1 [2 [9 15,75 % ]9] %]2]1 du coût du personnel financé.
   Le montant de l'intervention par journée de séjour et par utilisateur s'élève à : (montant total de l'intervention/nombre de jours de séjour pour les résidents durant la période de référence).
   Par dérogation à l'alinéa 2, le montant par jour de séjour et par utilisateur pour les offres de soins auxquelles s'applique l'article 486 s'élève à :
   ((montant total de l'intervention / le nombre de jours de séjour pour les résidents durant la période de référence, mentionné à l'article 486) x (le nombre de jours de la période de référence, mentionné à l'article 486,/ le nombre de jours de la période de référence)).
  [10 S'il y a un manque de personnel, comme mentionné à l'article 479, pour maximum une des qualifications suivantes, le montant de l'intervention, mentionné aux alinéas 2 et 3, est réduit de la manière mentionnée à l'alinéa 5 :
   1° la qualification infirmiers ;
   2° la qualification personnel de réactivation.
   La réduction, mentionnée à l'alinéa 4, est assurée de la manière suivante :
   1° en cas de manque de personnel à la qualification infirmiers, les dispositions suivantes s'appliquent :
   a) en cas de manque ≤ 5 %, le montant est réduit de 10 % ;
   b) en cas de manque > 5 % et ≤ 10 %, le montant est réduit de 15 % ;
   c) en cas de manque > 10 % et ≤ 15 %, le montant est réduit de 30 % ;
   d) en cas de manque > 15 % et ≤ 20 %, le montant est réduit de 50 % ;
   e) en cas de manque > 20 %, le montant est ramené à 0 euro ;
   2° en cas de manque de personnel à la qualification personnel de réactivation, les dispositions suivantes s'appliquent :
   a) en cas de manque ≤ 5 %, le montant est réduit de 10 % ;
   b) en cas de manque > 5 % et ≤ 10 %, le montant est réduit de 25 % ;
   c) en cas de manque > 10 % et ≤ 15 %, le montant est réduit de 50 % ;
   d) en cas de manque > 15 %, le montant est ramené à 0 euro. ]10

   [3 Les coûts salariaux d'un équivalent temps plein collaborateur logistique dans les soins, visé à l'alinéa 1er, est de 44 638,94 euros.
   Le nombre d'équivalents temps plein collaborateurs logistiques dans les soins, visés à l'alinéa 1er est déterminé de la manière suivante :
   1° pour la période d'emploi à temps plein : l'équivalent temps plein par trimestre tx = ((P/(P+NP)) x (d1/d2)), où :
   a) P : le nombre de jours prestés et le nombre de jours assimilés dans le trimestre tx ;
   b) NP : le nombre de jours non assimilés dans le trimestre tx ;
   c) d1 : le nombre de jours d'emploi à temps plein ;
   d) d2 : le nombre de jours dans le trimestre ;
   2° l'équivalent temps plein pour les membres du personnel employés à temps partiel : l'équivalent temps plein par trimestre tx = (P/H), où :
   a) P : le nombre d'heures prestées et/ou assimilées au cours du trimestre, à l'exclusion du nombre d'heures d'emploi à temps plein ;
   b) H : le nombre de jours du lundi au vendredi, au cours du trimestre, multiplié par 7,6 heures par jour ;
   3° l'équivalent temps plein pendant la période de référence est déterminé à l'aide des résultats du calcul visé aux points 1° et 2°, et est égal à la somme des équivalents temps plein par trimestre tx dans la période de référence divisée par le nombre de trimestres dans la période de référence.
   Les collaborateurs logistiques dans les soins peuvent bénéficier de l'intervention visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, s'ils remplissent toutes les conditions suivantes :
   1° [10 le collaborateur logistique dans les soins n'est pas employé en tant que remplaçant de fin de carrière et est employé en supplément au plus tôt à partir du 1er juillet 2021. On entend par cet emploi supplémentaire l'un des cas suivants :
   a) le collaborateur logistique dans les soins est employé en supplément en tant que nouvel emploi ou avec une prolongation de contrat. Un emploi dans les nonante jours suivant le dernier jour d'un emploi précédent n'est pas considéré comme un nouvel emploi ;
   b) un travailleur existant devient un collaborateur logistique dans les soins un emploi compensatoire est créé, ce dernier satisfaisant à toutes les conditions suivantes :
   1) il s'agit de l'emploi d'un ou plusieurs autres travailleurs dont le temps de travail et la durée du contrat de l'emploi compensatoire équivalent au moins au total à ceux de l'ancienne fonction du travailleur qui se convertit ;
   2) l'emploi compensatoire commence nonante jours avant ou après le début de la conversion du travailleur vers la fonction de collaborateur logistique dans les soins ]10
;
   2° le collaborateur logistique dans les soins est occupé dans le cadre d'un contrat à durée indéterminée selon l'indemnité de coût salarial qui correspond au contenu de la fonction tel que convenu dans les conventions collectives de travail et les protocoles entre syndicats et employeurs dans le secteur privé et public, visés à l'article 428 ;
   3° le collaborateur logistique répond à l'une des conditions de formation suivantes :
   a) les formations admissibles et déterminées par le ministre en appliquant les critères suivants, sont les suivantes : le collaborateur logistique a complété la formation et a acquis un diplôme, un certificat, une attestation ou une certification professionnelle dans les formations à déterminer par le ministre dans le domaine ou la discipline des soins aux personnes, des soins de santé ou du bien-être dans un établissement d'enseignement ou de formation reconnu par l'Autorité flamande ;
   b) les formations admissibles et déterminées par le ministre en appliquant les critères suivants, sont les suivantes : le collaborateur logistique est activement inscrit à l'une des formations à déterminer par le ministre dans le domaine ou la discipline des soins aux personnes, des soins de santé ou du bien-être dans un établissement d'enseignement ou de formation reconnu par l'Autorité flamande ;
   c) le collaborateur logistique dans les soins a obtenu au moins 60 crédits au niveau d'une formation de bachelier à orientation professionnelle dans les disciplines des soins de santé ou du travail socio-éducatif ou a obtenu au moins 60 crédits au niveau d'une formation de graduat en travail socio-éducatif ou 2 modules de la formation art infirmier de l'enseignement professionnel supérieur ;
   d) le collaborateur logistique est activement inscrit à une formation d'infirmier ou d'aide-soignant ;
   e) le collaborateur logistique a réussi un parcours EVC contenant des compétences d'assistant logistique en soins ou s'y rapportant dans un centre de test EVC reconnu par l'Autorité flamande, tel que stipulé à l'article 6 du décret du 26 avril 2019 relatif à une politique intégrée de reconnaissance des compétences acquises et a acquis une certification professionnelle. Le ministre détermine la preuve de qualification professionnelle donnant droit à l'emploi de collaborateur logistique dans les soins.
   La structure prouve, à la première demande de l'agence, qu'il est satisfait aux conditions visées à l'alinéa 4 et fournit les pièces justificatives nécessaires pour le justifier.]3
Onderafdeling 4. - Deel A3: tegemoetkoming bedoeld om de harmonisering van de barema's te dekken voor alle leden van het zorgpersoneel die beschikken over de kwalificatie van zorgkundige
Sous-section 4. - Partie A3 : intervention destinée à couvrir l'harmonisation des barèmes pour tous les membres du personnel soignant qui disposent de la qualification d'aide-infirmier
Art. 488. De tegemoetkoming per verblijfsdag en per gebruiker wordt bepaald conform de volgende formule: [(141,81 euro x gemiddeld totaal aantal loontrekkend of statutair VTE [1 zorgkundigen en [2 zij-instroomzorgkundigen]2 ]1 aanwezig in het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, tijdens de referentieperiode)/aantal verblijfsdagen van de bewoners gedurende de referentieperiode].
  
Art. 488. L'intervention par journée de séjour et par utilisateur est définie selon la formule suivante : [(141,81 euros x nombre total moyen d'ETP [1 aides-soignants et aides-soignants pour l'afflux indirect ]1 salariés ou statutaires présents dans le centre de soins résidentiels, avec le cas échéant le centre de court séjour associé, pendant la période de référence)/nombre de journées de séjour des résidents pendant la période de référence].
  
Onderafdeling 5. - Deel B1: financiering voor het verzorgingsmateriaal
Sous-section 5. - Partie B1 : financement du matériel de soins
Art. 489. De tegemoetkoming per verblijfsdag en per gebruiker voor het verzorgingsmateriaal, vermeld in artikel 468, wordt bepaald conform de volgende formule: [(0,17 euro x aantal bewoners O) + (0,34 euro x aantal bewoners A) + (0,50 euro x aantal bewoners B) + (0,69 euro x aantal bewoners C en Cd) + (0,50 euro x aantal bewoners D)] / het totale aantal bewoners.
Art. 489. L'intervention par journée de séjour et par utilisateur pour le matériel de soins, visé à l'article 468, est définir conformément à la formule suivante : [(0,17 euro x nombre de résidents O) + (0,34 euro x nombres de résidents A) + (0,50 euro x nombre de résidents B) + (0,69 euro x nombre de résidents C et Cd) + (0,50 euro x nombre d'habitants D)] / nombre total de résidents.
Onderafdeling 6. - Deel B2: financiering voor producten en materiaal ter voorkoming van nosocomiale ziekten
Sous-section 6. - Partie B2 : financement des produits et du matériel visant à prévenir les maladies nosocomiales
Art. 490. De tegemoetkoming per verblijfsdag en per gebruiker voor producten en materialen ter voorkoming van nosocomiale ziekten bedraagt 0,07 euro.
  Het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, moet het bewijs kunnen geven dat het interne richtlijnen hanteert en dat er regelmatig gebruik is van producten en materialen die leiden tot een betere hygiëne, in het bijzonder van de handen, ter voorkoming van nosocomiale ziekten. Het correcte gebruik, overeenkomstig de richtlijnen, van die producten en die materialen is een voorwaarde voor de toekenning van de basistegemoetkoming voor zorg in een woonzorgcentrum of een centrum voor kortverblijf.
  Het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, heeft recht op de tegemoetkoming, vermeld in het eerste lid, conform artikel 520,[1 vanaf de eerste dag van de maand waarin de voorziening voldoet aan de voorwaarden, vermeld in het tweede lid, en mits het voldoen aan deze voorwaarden uiterlijk diezelfde maand gemeld wordt via de elektronische vragenlijst, vermeld in artikel 452]1. [1 Als die melding op een later tijdstip wordt gedaan, heeft het woonzorgcentrum recht op de tegemoetkoming vanaf de eerste dag van de maand waarin het voldoen aan de voorwaarden is gemeld.]1
  
Art. 490. L'intervention par journée de séjour et par utilisateur pour les produits et le matériel visant à prévenir les maladies nosocomiales s'élève à 0,07 euro.
  Le centre de soins résidentiels, avec le cas échéant le centre de court séjour associé, doit apporter la preuve qu'il applique les directives internes et utilise régulièrement des produits et du matériel permettant de renforcer le degré d'hygiène, en particulier celle des mains, afin de prévenir les maladies nosocomiales. L'utilisation correcte, conformément aux directives, de ces produits et de ce matériel, constitue une garantie pour l'octroi de l'intervention de base pour les soins dans un centre de soins résidentiels ou un centre de court séjour.
  Le centre de soins résidentiels, et le cas échéant le centre de court séjour associé, a droit à l'intervention visée à l'alinéa premier, conformément à l'article 520, [1 à partir du premier jour du mois au cours duquel la structure remplit les conditions visées à l'alinéa 2 et pour autant que le respect de ces conditions soit notifié au plus tard le même mois par le biais du questionnaire électronique visé à l'article 452]1. [1 Si cette notification a lieu ultérieurement, le centre de soins résidentiels a droit à l'intervention à partir du premier jour du mois au cours duquel le respect de ces conditions a été notifié.]1
  
Onderafdeling 7. - Deel C: financiering van de palliatieve functie
Sous-section 7. - Partie C : financement de la fonction palliative
Art. 491. De tegemoetkoming die bestemd is voor de financiering van de opleiding en de sensibilisatie voor de palliatieve verzorging, wordt verleend per gebruiker die verblijft in een van de volgende woonzorgcentra:
  1° een woonzorgcentrum met een bijkomende erkenning;
  2° een woonzorgcentrum zonder bijkomende erkenning, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, dat tijdens de referentieperiode gemiddeld minstens 25 bewoners in de afhankelijkheidscategorieën B, C of Cd, vermeld in artikel 425, huisvest, en ten opzichte van het totaal aantal erkende entiteiten minstens 40% bewoners in de afhankelijkheidscategorieën B, C of Cd vermeld in artikel 425, telt.
  De tegemoetkoming per verblijfsdag en per gebruiker wordt bepaald conform de volgende formules: [(0,35 euro x aantal bewoners B, C, Cd) / totaal aantal bewoners].
Art. 491. L'intervention destinée au financement de la formation et à la sensibilisation du personnel aux soins palliatifs, est accordée par utilisateur résidant dans l'un des centres de soins résidentiels suivants :
   1° un centre de soins résidentiels doté d'un agrément supplémentaire ;
   2° un centre de soins résidentiels sans agrément supplémentaire avec le cas échéant le centre de court séjour associé, qui accueille en moyenne 25 résidents au minimum de la catégorie de dépendance B, C ou Cd, visée à l'article 425, et par rapport au nombre total d'entités agréées, compte au minimum 40 % de résidents relevant des catégories de dépendance B, C ou Cd, mentionnés à l'article 425.
   L'intervention par journée de séjour et par utilisateur est définie selon les formules suivantes : [(0,35 euro x nombre de résidents B, C, Cd) / nombre total de résidents.
Art. 491 TOEKOMSTIG RECHT.    [1 ...]1
  De tegemoetkoming [1 voor de financiering van de opleiding en de sensibilisatie voor palliatieve verzorging]1 per verblijfsdag en per gebruiker wordt bepaald conform de volgende formules: [(0,35 euro x aantal bewoners B, C, Cd) / totaal aantal bewoners].
  
Art. 491 DROIT FUTUR.    [1 ...]1
   L'intervention [1 pour le financement de la formation et de la sensibilisation aux soins palliatifs ]1 par journée de séjour et par utilisateur est définie selon les formules suivantes : [(0,35 euro x nombre de résidents B, C, Cd) / nombre total de résidents.
  
Art. 492. Met de tegemoetkoming, vermeld in artikel 491, organiseren de woonzorgcentra, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, een continue opleiding voor hun personeel, waarvan het totale aantal uren over een kalenderjaar minstens gelijk is aan het aantal bewoners B, C of Cd die op 30 juni van het vorige kalenderjaar in de zorgvoorziening waren opgenomen.
  Rekening houdend met de prioriteiten die ze zelf vaststellen, organiseren de voormelde zorgvoorzieningen die opleiding bij voorkeur voor al hun personeel, maar minstens voor het zorgpersoneel. Ze zien er in het bijzonder op toe dat die opleiding wordt gegeven door personen die een specifieke opleiding hebben gevolgd op het vlak van palliatieve verzorging en in het bezit zijn van een bachelordiploma.
  Als verschillende personeelsleden van eenzelfde woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, tegelijkertijd dezelfde opleiding volgen, wordt bij de eindafrekening het aantal uren bepaald op basis van het aantal personeelsleden dat die vorming heeft gevolgd, met een maximum van twintig personeelsleden per uur vorming.
Art. 492. Grâce à l'intervention visée à l'article 491, les centres de soins résidentiels, avec le cas échéant le centre de court séjour associé, organisent une formation continue pour leur personnel dont le nombre total d'heures par année civile est au moins égal au nombre de résidents B, C ou Cd admis dans l'infrastructure de soins au 30 juin de l'année civile précédente.
  Compte tenu des priorités qu'ils se sont fixées, les centres de soins résidentiels susmentionnés organisent cette formation de préférence pour l'ensemble de leur personnel et au moins pour le personnel soignant. Ils veillent en particulier à ce que cette formation soit dispensée par des personnes hautement qualifiées qui ont suivi une formation spécifique dans le domaine des soins palliatifs et qui sont titulaires d'un diplôme de bachelor.
  Lorsque plusieurs membres du personnel d'un même centre de soins résidentiels, avec le cas échéant le centre de court séjour associé, suivent simultanément la même formation, le nombre d'heures est déterminé, lors du décompte final, sur la base du nombre de membres du personnel ayant suivi cette formation, à concurrence de 20 membres du personnel maximum par heure de formation.
Art. 493. Om de tegemoetkoming, vermeld in artikel 491, eerste lid, te ontvangen, moeten de woonzorgcentra, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, de volgende voorwaarden vervullen:
  1° een intentieverklaring opstellen waarin het beleid wordt beschreven dat de zorgvoorziening van plan is te volgen op het vlak van vroegtijdige zorgplanning, de palliatieve verzorging en levenseindezorg;
  2° binnen het woonzorgcentrum of het centrum voor kortverblijf een verantwoordelijke aanwijzen, die een specifieke opleiding heeft gevolgd op het vlak van vroegtijdige zorgplanning, de palliatieve verzorging en levenseindezorg [2 ...]2;
  3° voor de woonzorgcentra zonder bijkomende erkenning: een overeenkomst sluiten die minstens voorziet in een periodiek overleg, met een regionale vereniging die zich met vroegtijdige zorgplanning, de palliatieve verzorging en levenseindezorg bezighoudt, binnen zes maanden na hun erkenning.
  De verklaring, vermeld in het eerste lid, 1°, wordt op grote schaal verspreid en wordt bezorgd aan elk personeelslid, als ook aan de bewoners van het woonzorgcentrum of het centrum voor kortverblijf. Op vraag van het agentschap wordt die verklaring aan het agentschap bezorgd. De nieuwe woonzorgcentra stellen die verklaring op en verspreiden ze binnen zes maanden na hun erkenning. De verklaring dient eveneens opgenomen te worden op de website of op de onthaalbrochure van het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf.
  Het woonzorgcentrum heeft recht op de tegemoetkoming, vermeld in artikel 491, [1 vanaf de eerste dag van de maand waarin de voorziening voldoet aan de voorwaarden, vermeld in dit artikel, en mits het voldoen aan die voorwaarden uiterlijk diezelfde maand gemeld wordt via de elektronische vragenlijst, vermeld in artikel 452 ]1 . [1 Als die melding op een later tijdstip wordt gedaan, heeft het woonzorgcentrum recht op de tegemoetkoming vanaf de eerste dag van de maand waarin het voldoen aan de voorwaarden is gemeld.]1
  
Art. 493. Pour bénéficier de l'intervention visée à l'article 491, les centres de soins résidentiels, avec le cas échéant le centre de court séjour associé, doivent remplir les conditions suivantes :
  1° rédiger une déclaration d'intention qui décrit la politique que le centre de soins résidentiels entend suivre eu égard à la planification anticipée des soins, aux soins palliatifs ainsi qu'aux soins de fin de vie ;
  2° désigner un responsable dans le centre de soins résidentiels ou le centre de court séjour qui a suivi une formation dans le domaine de la planification anticipée des soins, des soins palliatifs et des soins de fin de vie [2 ...]2 ;
  3° pour les centres de soins résidentiels sans agrément supplémentaire : conclure une convention qui prévoit au minimum une concertation périodique avec une association régionale qui se charge de la planification anticipée des soins, des soins palliatifs et des soins de fin de vie, dans les six mois après l'obtention de leur agrément.
  La déclaration visée à l'alinéa premier, 1°, est largement diffusée et remise à chaque membre du personnel, ainsi qu'aux résidents du centre de soins résidentiels ou du centre de court séjour. Cette déclaration est transmise à l'agence à sa propre demande. Les nouveaux centres de soins résidentiels établiront cette déclaration et la distribueront dans les six mois suivant leur agrément. La déclaration doit également figurer sur le site Internet ou dans la brochure d'accueil du centre de soins résidentiels, avec le cas échéant le centre de court séjour associé.
  Le centre de soins résidentiels a droit à l'intervention visée à l'article 491, [1 à partir du premier jour du mois au cours duquel la structure remplit les conditions visées dans cet article et pour autant que le respect de ces conditions soit notifié au plus tard le même mois par le biais du questionnaire électronique visé à l'article 452]1. [1 Si cette notification a lieu ultérieurement, le centre de soins résidentiels a droit à l'intervention à partir du premier jour du mois au cours duquel le respect de ces conditions a été notifié.]1
  
Art. 493 TOEKOMSTIG RECHT.    Om de tegemoetkoming, vermeld in artikel 491, eerste lid, te ontvangen, moeten de woonzorgcentra, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, de volgende voorwaarden vervullen:
  1° een intentieverklaring opstellen waarin het beleid wordt beschreven dat de zorgvoorziening van plan is te volgen op het vlak van vroegtijdige zorgplanning, de palliatieve verzorging en levenseindezorg;
  2° binnen het woonzorgcentrum of het centrum voor kortverblijf een verantwoordelijke aanwijzen, die een specifieke opleiding heeft gevolgd op het vlak van vroegtijdige zorgplanning, de palliatieve verzorging en levenseindezorg en in het bezit is van een bachelordiploma;
  3° [2 een schriftelijke samenwerkingsovereenkomst sluiten met een palliatief netwerk of een erkende dienst voor palliatieve zorgen]2.
  De verklaring, vermeld in het eerste lid, 1°, wordt op grote schaal verspreid en wordt bezorgd aan elk personeelslid, als ook aan de bewoners van het woonzorgcentrum of het centrum voor kortverblijf. Op vraag van het agentschap wordt die verklaring aan het agentschap bezorgd. De nieuwe woonzorgcentra stellen die verklaring op en verspreiden ze binnen zes maanden na hun erkenning. De verklaring dient eveneens opgenomen te worden op de website of [3 in de onthaalbrochure]3van het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf.
  Het woonzorgcentrum heeft recht op de tegemoetkoming, vermeld in artikel 491, [1 vanaf de eerste dag van de maand waarin de voorziening voldoet aan de voorwaarden, vermeld in dit artikel, en mits het voldoen aan die voorwaarden uiterlijk diezelfde maand gemeld wordt via de elektronische vragenlijst, vermeld in artikel 452 ]1 . [1 Als die melding op een later tijdstip wordt gedaan, heeft het woonzorgcentrum recht op de tegemoetkoming vanaf de eerste dag van de maand waarin het voldoen aan de voorwaarden is gemeld.]1
Art. 493 DROIT FUTUR.    Pour bénéficier de l'intervention visée à l'article 491, les centres de soins résidentiels, avec le cas échéant le centre de court séjour associé, doivent remplir les conditions suivantes :
  1° rédiger une déclaration d'intention qui décrit la politique que le centre de soins résidentiels entend suivre eu égard à la planification anticipée des soins, aux soins palliatifs ainsi qu'aux soins de fin de vie ;
  2° désigner un responsable dans le centre de soins résidentiels ou le centre de court séjour qui a suivi une formation dans le domaine de la planification anticipée des soins, des soins palliatifs et des soins de fin de vie et qui est titulaire d'un diplôme de bachelier ;
  3° [2 conclure une convention de coopération écrite avec un réseau palliatif ou un service de soins palliatifs agréé.]2.
  La déclaration visée à l'alinéa premier, 1°, est largement diffusée et remise à chaque membre du personnel, ainsi qu'aux résidents du centre de soins résidentiels ou du centre de court séjour. Cette déclaration est transmise à l'agence à sa propre demande. Les nouveaux centres de soins résidentiels établiront cette déclaration et la distribueront dans les six mois suivant leur agrément. La déclaration doit également figurer sur le site Internet ou dans la brochure d'accueil du centre de soins résidentiels, avec le cas échéant le centre de court séjour associé.
  Le centre de soins résidentiels a droit à l'intervention visée à l'article 491, [1 à partir du premier jour du mois au cours duquel la structure remplit les conditions visées dans cet article et pour autant que le respect de ces conditions soit notifié au plus tard le même mois par le biais du questionnaire électronique visé à l'article 452]1. [1 Si cette notification a lieu ultérieurement, le centre de soins résidentiels a droit à l'intervention à partir du premier jour du mois au cours duquel le respect de ces conditions a été notifié.]1
Art. 494. Voor de nieuwe woonzorgcentra, in voorkomend geval met de bijbehorende centra voor kortverblijf, past het agentschap de volgende regels toe:
  1° voor de woonzorgcentra, in voorkomend geval met de bijbehorende centra voor kortverblijf, die de laatste dag van de maand die volgt op die van de erkenning de voorwaarden vervullen als vermeld in artikel 491, eerste lid, wordt het aantal uren opleiding dat moet worden georganiseerd door de zorgvoorziening vastgesteld conform volgende formule: H = P x M/12, waarbij:
  a) H = het aantal uren opleiding dat moet worden georganiseerd (afgerond tot de naast hogere eenheid als de eerste twee decimalen hoger zijn dan of gelijk zijn aan 50);
  b) P = het aantal bewoners B, C of Cd dat de laatste dag van de maand die volgt op die van de erkenning in de zorgvoorziening zijn opgenomen;
  c) M = het aantal maanden tussen de eerste dag van de maand die volgt op die van de erkenning en het einde van het lopende kalenderjaar;
  2° voor de woonzorgcentra, in voorkomend geval met de bijbehorende centra voor kortverblijf, zonder bijkomende erkenning die de laatste dag van de maand die volgt op die van de erkenning niet voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 491, eerste lid, wordt de tegemoetkoming, vermeld in artikel 491, tweede lid, toegekend vanaf de eerste factureringsperiode die volgt op de eerste referentieperiode waarin die voorwaarden zijn vervuld.
Art. 494. L'agence applique les règles suivantes aux nouveaux centres de soins résidentiels, en ce compris, le cas échéant, les centres de court séjour associés :
   1° eu égard aux centres de soins résidentiels et, le cas échéant, aux centres de court séjour associés, qui remplissent les conditions le dernier jour du mois suivant l'agrément visé à l'article 491, alinéa premier, le nombre d'heures de formation à organiser par l'infrastructure de soins est déterminé selon la formule suivante : H = P x M / 12, où :
   a) H = le nombre d'heures de formation à organiser (arrondi à l'unité supérieure la plus proche si les deux premières décimales sont supérieures ou égales à 50) ;
   b) P = le nombre de résidents B, C ou Cd admis dans le centre de soins résidentiels le dernier jour du mois suivant le mois de l'agrément ;
   c) M = le nombre de mois compris entre le premier jour du mois suivant celui de l'agrément et la fin de l'année civile en cours ;
   2° pour les centres de soins résidentiels avec, le cas échéant, les centres de court séjour associés, dépourvus d'un agrément complémentaire qui ne remplissent pas les conditions prévues à l'article 491, alinéa premier le dernier jour du mois suivant celui de l'agrément, l'intervention visée à l'article 491, deuxième alinéa, est octroyée à compter de la première période de facturation suivant la première période de référence pendant laquelle ces conditions sont remplies.
Art. 494 TOEKOMSTIG RECHT.    [1 Voor de nieuwe woonzorgcentra, in voorkomend geval met de bijbehorende centra voor kortverblijf, wordt het aantal uren opleiding dat moet worden georganiseerd door de zorgvoorziening, vastgesteld conform de volgende formule: H = P x M/12, waarbij:
   1° H = het aantal uren opleiding dat moet worden georganiseerd, afgerond tot de naaste hogere eenheid als de eerste twee decimalen hoger zijn dan of gelijk zijn aan 50;
   2° P = het aantal bewoners B, C of Cd dat de laatste dag van de maand die volgt op die van de erkenning, in het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met inbegrip van het bijbehorende centrum voor kortverblijf, is opgenomen;
   3° M = het aantal maanden tussen de eerste dag van de maand die volgt op die van de erkenning, en het einde van het lopende kalenderjaar ]1
.
  
Art. 494 DROIT FUTUR.    [1 Pour les nouveaux centres de soins résidentiels, le cas échéant avec les centres de court séjour associés, le nombre d'heures de formation à organiser par la structure de soins est déterminé selon la formule suivante : H = P x M/12, où :
   1° H = le nombre d'heures de formation à organiser, arrondi à l'unité supérieure la plus proche si les deux premières décimales sont supérieures ou égales à 50 ;
   2° P = le nombre de résidents B, C ou Cd admis dans le centre de soins résidentiels, en ce compris, le cas échéant, le centre de court séjour associé, le dernier jour du mois suivant le mois de l'agrément ;
   3° M = le nombre de mois compris entre le premier jour du mois suivant celui de l'agrément et la fin de l'année civile en cours]1
.
  
Onderafdeling 8. - Deel D: partiële tegemoetkoming in de beheerskosten en in de kosten voor de gegevensoverdracht
Sous-section 8. - Partie D : intervention partielle dans les frais de gestion et les frais de transfert de données
Art. 495. De tegemoetkoming per verblijfsdag en per gebruiker voor de dekking van de beheerskosten en de kosten voor de gegevensoverdracht bedraagt 0,13 euro.
Art. 495. L'intervention par journée de séjour et par utilisateur pour la couverture des frais de gestion et des frais de transfert de données s'élève à 0,13 euro.
Onderafdeling 9. - Deel E1: financiering van het functiecomplement voor hoofdverpleegkundige in woonzorgcentra met bijkomende erkenning
Sous-section 9. Partie E1 : financement du complément de fonction pour l'infirmier en chef dans les centres de soins résidentiels doté d'un agrément supplémentaire
Onderafdeling 9. TOEKOMSTIG_RECHT. - [1 Deel E1: financiering van de functie van hoofdverpleegkundige of teamverantwoordelijke die in het bezit is van ten minste een bachelordiploma in een zorg- of welzijnsdomein]1
Sous-section 9. DROIT_FUTUR. [1 Partie E1 : financement de la fonction d'infirmier en chef ou de responsable d'équipe, titulaire d'au moins un diplôme de bachelier dans un domaine des soins ou de l'aide sociale ]1
Art. 496. De tegemoetkoming per verblijfsdag en per gebruiker voor de functie van hoofdverpleegkundige in woonzorgcentra met een bijkomende erkenning wordt bepaald conform de volgende formule: ((0,71 euro x aantal bewoners in entiteiten woonzorgcentrum met een bijkomende erkenning) / totaal aantal bewoners in het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf).
Art. 496. L'intervention par journée de séjour et par utilisateur pour la fonction d'infirmier en chef dans les centres de soins résidentiels dotés d'un agrément supplémentaire est défini conformément à la formule suivante : ((0,71 euro x nombre de résidents dans les centres de soins résidentiels dotés d'un agrément supplémentaire) / nombre total de résidents dans le centre de soins résidentiels, avec le cas échéant un centre de court séjour associé).
Art. 496 TOEKOMSTIG RECHT.    [1 De tegemoetkoming per verblijfsdag en per gebruiker voor de functie van hoofdverpleegkundige of teamverantwoordelijke die in het bezit is van ten minste een bachelordiploma in een zorg- of welzijnsdomein, wordt bepaald conform de volgende formule: ((0,71 euro x aantal bewoners, B, C, Cd)/totaal aantal bewoners)]1.
  
Art. 496 DROIT FUTUR.    [L'intervention par journée de séjour et par usager pour la fonction d'infirmier en chef ou de responsable d'équipe, titulaire d'au moins un diplôme de bachelier dans un domaine des soins ou de l'aide sociale, est déterminée selon la formule suivante : ((0,71 euro x nombre de résidents B, C, Cd)/nombre total de résidents]1 .
  
Onderafdeling 10. [1 Deel E2: financiering van het functiecomplement voor hoofdverpleegkundigen, teamverantwoordelijken die in het bezit zijn van ten minste een bachelordiploma in een zorg- of welzijnsdomein, hoofdparamedici en kinesitherapeuten die dienstverantwoordelijke zijn]1
Sous-section 10. [1 Partie E2 : financement du complément de fonction pour les infirmiers en chef, les responsables d'équipe titulaires au minimum d'un diplôme de bachelier dans le domaine des soins ou du bien-être, les responsables de l'équipe paramédicale et les kinésithérapeutes qui sont chef de service]1
Art. 497. § 1. De tegemoetkoming per verblijfsdag en per gebruiker voor het functiecomplement in woonzorgcentra, in voorkomend geval met de bijbehorende centra voor kortverblijf, voor de hoofdverpleegkundigen, [4 teamverantwoordelijken die in het bezit zijn van ten minste een bachelordiploma in een zorg- of welzijnsdomein, hoofdparamedici en kinesitherapeuten die dienstverantwoordelijke zijn]4, wordt bepaald conform de volgende formule:
  (1.367,65 euro x het aantal te financieren voltijds equivalent [4 hoofdverpleegkundigen, teamverantwoordelijken die in het bezit zijn van ten minste een bachelordiploma in een zorg- of welzijnsdomein, hoofdparamedici en kinesitherapeuten die dienstverantwoordelijke zijn]4 in het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf / totaal aantal bewoners) / aantal dagen van de referentieperiode.
  Voor de hoofdverpleegkundigen in woonzorgcentra met een bijkomende erkenning, mag het bedrag dat wordt berekend conform het eerste lid, worden gecumuleerd met het bedrag dat wordt berekend conform artikel 496.
  § 2. Voor de financiering van het functiecomplement komen de [4 hoofdverpleegkundigen, teamverantwoordelijken die in het bezit zijn van ten minste een bachelordiploma in een zorg- of welzijnsdomein, hoofdparamedici en kinesitherapeuten die dienstverantwoordelijke zijn]4 in aanmerking die aan de volgende voorwaarden beantwoorden:
  1° een contract hebben waarin de rol van [4 hoofdverpleegkundige, teamverantwoordelijke met ten minste een bachelordiploma in een zorg- of welzijnsdomein, hoofdparamedicus of kinesitherapeut die dienstverantwoordelijke is, voorzien;]4
  2° op de laatste dag van de referentieperiode, voldoen aan een baremieke anciënniteit van minstens zeventien jaar;
  3° op de laatste dag van de referentieperiode geslaagd zijn in een van volgende aanvullende basisopleidingen:
  a) kaderopleiding;
  b) universitaire opleiding: master in de verpleegkunde of verloskunde, of master in het beleid en management van de gezondheidszorg, of master in de gezondheidszorg (alle opties inbegrepen);
  c) opleiding die toegang geeft tot de functie van directeur ;
  d) of een aanvullende opleiding van minimum 24 uren, die erkend is door het [2 ...]2 agentschap Zorg en Gezondheid, aangaande: het beheer van uurroosters, de arbeidsduur en de collectieve arbeidsovereenkomsten, welzijn op het werk en het managen van een team;
  4° jaarlijks een permanente vorming van minimum acht uren volgen, die erkend is door het [2 ...]2 agentschap Zorg en Gezondheid, over een of meer van de domeinen, vermeld in punt 3°, d).
  Voor de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 1°, geldt dat voor het statutair personeel de rol van [4 hoofdverpleegkundige, teamverantwoordelijke die in het bezit is van ten minste een bachelordiploma in een zorg- of welzijnsdomein, hoofdparamedici of kinesitherapeut die dienstverantwoordelijke is]4 moet blijken uit de benoemingsbeslissing of de beslissing tot aanstelling.
  De minister bepaalt de procedure voor het bekomen van de erkenning van de opleiding en de permanente vorming en de regels voor de evaluatie van de opleiding en de permanente vorming, vermeld in het eerste lid, 3°, d), en 4°, en kan de onderdelen vermeld in het eerste lid, 3°, d), nader bepalen.
  De aanvullende opleiding en permanente vorming, vermeld in het eerste lid, 3°, d), en 4°, behandelt de organisatie van een Vlaams woonzorgcentrum en de zorg binnen een Vlaams woonzorgcentrum, met verwijzing naar de regelgeving die van toepassing is op het woonzorgcentrum in kwestie. De minister kan bijkomende kwaliteitscriteria bepalen voor de opleiding en permanente vorming. [1 De minister kan ook bijkomende regels vaststellen over de duur van de erkenning en de weigering, wijziging of intrekking van de erkenning.]1
  Het toezicht op de kwaliteit van de opleiding, vermeld in het eerste lid, 3°, d), en van de permanente vorming, vermeld in het eerste lid, 4°, wordt uitgeoefend met inachtneming van het decreet van 19 januari 2018 houdende het overheidstoezicht in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid waarbij de opleidingsinstantie wordt behandeld als een actor in de zorg.
  § 3. Het functiecomplement kan, voor maximum een voltijds equivalent [4 verpleegkundige, teamverantwoordelijke die in het bezit is van ten minste een bachelordiploma in een zorg- of welzijnsdomein, kinesitherapeut of paramedicus]4, worden gefinancierd in elk woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, dat tijdens de referentieperiode over een zorgequipe beschikt van minstens twaalf loontrekkende of statutaire voltijds equivalenten (verpleegkundig, verzorgend en personeel voor reactivering). Telkens als het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf de helft van een nieuwe schijf van twaalf voltijds equivalenten bereikt, kan het functiecomplement voor maximum een bijkomend voltijds equivalent verpleegkundige of paramedicus worden gefinancierd.
  De personeelsleden, vermeld in artikel 475, § 2, eerste lid, 2°,[3 eerste lid en derde lid, 1°]3, die in het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, aanwezig zijn, worden ook meegeteld in de samenstelling van de zorgequipe.
  
Art. 497. § 1. L'intervention par journée de séjour et par utilisateur pour le complément de fonction dans les centres de soins résidentiels, avec le cas échéant des centres de court séjour associés, pour les infirmiers en chef,[4 les responsables d'équipe titulaires au minimum d'un diplôme de bachelier dans le domaine des soins ou du bien-être, les responsables de l'équipe paramédicale et les kinésithérapeutes qui sont chef de service]4, est défini à l'aide de la formule suivante :
  (1 367,65 euros x le nombre d'équivalents à temps plein [4 des infirmiers en chef, des responsables d'équipe titulaires au minimum d'un diplôme de bachelier dans le domaine des soins ou du bien-être, des responsables de l'équipe paramédicale et des kinésithérapeutes qui sont chef de service]4 dans les centres de soins résidentiels, avec le cas échéant des centres de court séjour associés / nombre total de résidents) / nombre de jours de la période de référence.
  Pour les infirmiers en chef dans les centres de soins résidentiels dotés d'un agrément supplémentaire, le montant calculé conformément aux directives de l'alinéa premier, peut être cumulé avec le montant calculé conformément à l'article 496.
  § 2. Pour le financement du complément de fonction, [4 les infirmiers en chef, les responsables d'équipe titulaires au minimum d'un diplôme de bachelier dans le domaine des soins ou du bien-être, les responsables de l'équipe paramédicale et les kinésithérapeutes qui sont chef de service]4 répondent aux conditions suivantes sont éligibles :
  1° disposer d'un contrat définissant le rôle de [4 d'infirmier en chef, de responsable d'équipe titulaire au minimum d'un diplôme de bachelier dans le domaine des soins ou du bien-être, de responsable de l'équipe paramédicale ou de kinésithérapeute qui est chef de service ;]4 ;
  2° répondre à une ancienneté barémique de dix-sept ans au minimum le dernier jour de la période de référence ;
  3° avoir réussi l'une des formations de base complémentaires suivantes le dernier jour de la période de référence :
  a) formation de cadre ;
  b) formation universitaire : maîtrise en art infirmier ou en sage-femme, ou maîtrise en politique et en gestion des soins de santé, ou maîtrise en soins de santé (toutes options incluses) ;
  c) formation donnant accès à la fonction de directeur ;
  d) ou une formation complémentaire de 24 heures au minimum agréée par l'agence [2 ...]2 " Zorg en Gezondheid " et concernant : la gestion des horaires, la durée du travail et les conventions collectives de travail, le bien-être sur le lieu de travail et la gestion d'une équipe ;
  4° suivre chaque année une formation permanente de huit heures agréée par l'agence [2 ...]2 " Zorg en Gezondheid ", concernant un ou plusieurs domaines mentionnés au point 3°, d).
  S'agissant de la condition visée à l'alinéa premier, 1°, le personnel statutaire est tenu de prouver le rôle [4 d'infirmier en chef, de responsable d'équipe titulaire au minimum d'un diplôme de bachelier dans le domaine des soins ou du bien-être, de responsable de l'équipe paramédicale ou de kinésithérapeute qui est chef de service]4 à l'aide de la décision de nomination ou de la décision de désignation.
  Le ministre détermine la procédure pour l'obtention de l'agrément de la formation et de la formation permanente ainsi que les règles inhérentes à celles-ci, visées à l'alinéa premier, 3°, d), et 4°, et définit plus avant les parties visées à l'alinéa premier, 3°, d).
  La formation complémentaire et la formation permanente, visées à l'alinéa premier, 3°, d), et 4°, évoquent l'organisation d'un centre de soins résidentiels flamand et les soins qui y sont dispensés, avec une référence à la législation applicable dans le centre de soins résidentiels concerné. Le ministre peut définir des critères de qualité supplémentaires pour la formation et la formation permanente. [1 Le ministre peut également définir des règles supplémentaires concernant la durée de l'agrément et le refus, la modification ou le retrait de l'agrément. ]1
  La surveillance de la qualité de la formation, visée à l'alinéa premier, 3°, d), et de la formation permanente, mentionnée à l'alinéa premier, 4°, est exercée en tenant compte du décret du 19 janvier 2018 relatif au contrôle public dans le cadre de la politique de la santé et de l'aide sociale, dans lequel l'instance de formation est considérée comme un acteur des soins de santé.
  § 3. Le complément de fonction peut, pour un équivalent à temps plein [4 infirmier, responsable d'équipe titulaire au minimum d'un diplôme de bachelier dans le domaine des soins ou du bien-être, kinésithérapeute ou membre de l'équipe paramédicale]4 au maximum, être financé dans chaque centre de soins résidentiels, avec le cas échéant un centre de court séjour associé, qui dispose pendant la période de référence d'une équipe de soins de minimum 12 ETP salariés ou statutaires (infirmiers, personnel soignant et personnel de réactivation). Chaque fois que le centre de soins résidentiels, le cas échéant avec le centre de court séjour associé, atteint la moitié d'une nouvelle tranche de douze équivalents à temps plein, le complément de fonction pour un équivalent à temps plein supplémentaire [4 infirmier, responsable d'équipe titulaire au minimum d'un diplôme de bachelier dans le domaine des soins ou du bien-être, kinésithérapeute ou membre de l'équipe paramédicale]4 au maximum peut être financé.
  Les membres du personnel, mentionnés à l'article 475, § 2, alinéa premier 2°, et § 3,[3 alinéas 1er et 3, 1° ]3 présents dans le centre de soins résidentiels et, le cas échéant, avec le centre de court séjour associé, comptent également dans la composition de l'équipe de soins.
  
Art. 497 TOEKOMSTIG RECHT.    § 1. De tegemoetkoming per verblijfsdag en per gebruiker voor het functiecomplement in woonzorgcentra, in voorkomend geval met de bijbehorende centra voor kortverblijf, voor de hoofdverpleegkundigen, de hoofdparamedici en de verpleegkundig coördinatoren, wordt bepaald conform de volgende formule:
  (1.367,65 euro x het aantal te financieren voltijds equivalent verpleegkundig coördinatoren, hoofdparamedici en hoofdverpleegkundigen in het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrumvoor kortverblijf / totaal aantal bewoners) / aantal dagen van de referentieperiode.
  Voor de hoofdverpleegkundigen [3 ...]3, mag het bedrag dat wordt berekend conform het eerste lid, worden gecumuleerd met het bedrag dat wordt berekend conform artikel 496.
  § 2. Voor de financiering van het functiecomplement komen de verpleegkundig coördinatoren, hoofdparamedici en hoofdverpleegkundigen in aanmerking die aan de volgende voorwaarden beantwoorden:
  1° een contract hebben waarin de rol van verpleegkundig coördinator of van hoofdparamedicus is voorzien, of een contract hebben als hoofdverpleegkundige;
  2° op de laatste dag van de referentieperiode, voldoen aan een baremieke anciënniteit van minstens zeventien jaar;
  3° op de laatste dag van de referentieperiode geslaagd zijn in een van volgende aanvullende basisopleidingen:
  a) kaderopleiding;
  b) universitaire opleiding: master in de verpleegkunde of verloskunde, of master in het beleid en management van de gezondheidszorg, of master in de gezondheidszorg (alle opties inbegrepen);
  c) opleiding die toegang geeft tot de functie van directeur ;
  d) of een aanvullende opleiding van minimum 24 uren, die erkend is door het [2 ...]2 [5 Departement Zorg]5, aangaande: het beheer van uurroosters, de arbeidsduur en de collectieve arbeidsovereenkomsten, welzijn op het werk en het managen van een team;
  4° jaarlijks een permanente vorming van minimum acht uren volgen, die erkend is door het [2 ...]2 [5 Departement Zorg]5, over een of meer van de domeinen, vermeld in punt 3°, d).
  Voor de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 1°, geldt dat voor het statutair personeel de rol van verpleegkundig coördinator of van hoofdparamedicus moet blijken uit de benoemingsbeslissing of de beslissing tot aanstelling.
  De minister bepaalt de procedure voor het bekomen van de erkenning van de opleiding en de permanente vorming en de regels voor de evaluatie van de opleiding en de permanente vorming, vermeld in het eerste lid, 3°, d), en 4°, en kan de onderdelen vermeld in het eerste lid, 3°, d), nader bepalen.
  De aanvullende opleiding en permanente vorming, vermeld in het eerste lid, 3°, d), en 4°, behandelt de organisatie van een Vlaams woonzorgcentrum en de zorg binnen een Vlaams woonzorgcentrum, met verwijzing naar de regelgeving die van toepassing is op het woonzorgcentrum in kwestie. De minister kan bijkomende kwaliteitscriteria bepalen voor de opleiding en permanente vorming. [1 De minister kan ook bijkomende regels vaststellen over de duur van de erkenning en de weigering, wijziging of intrekking van de erkenning.]1
  Het toezicht op de kwaliteit van de opleiding, vermeld in het eerste lid, 3°, d), en van de permanente vorming, vermeld in het eerste lid, 4°, wordt uitgeoefend met inachtneming van het decreet van 19 januari 2018 houdende het overheidstoezicht in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid waarbij de opleidingsinstantie wordt behandeld als een actor in de zorg.
  § 3. Het functiecomplement kan, voor maximum een voltijds equivalent verpleegkundige of paramedicus, worden gefinancierd in elk woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, dat tijdens de referentieperiode over een zorgequipe beschikt van minstens twaalf loontrekkende of statutaire voltijds equivalenten (verpleegkundig, verzorgend en personeel voor reactivering). Telkens als het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf de helft van een nieuwe schijf van twaalf voltijds equivalenten bereikt, kan het functiecomplement voor maximum een bijkomend voltijds equivalent verpleegkundige of paramedicus worden gefinancierd.
  De personeelsleden, vermeld in artikel 475, § 2, eerste lid, 2°, [3 [4 ...]4]3, die in het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, aanwezig zijn, worden ook meegeteld in de samenstelling van de zorgequipe.
Art. 497 DROIT FUTUR.    § 1. L'intervention par journée de séjour et par utilisateur pour le complément de fonction dans les centres de soins résidentiels, avec le cas échéant des centres de court séjour associés, pour les infirmiers en chef, les responsables du personnel paramédical et les coordinateurs des infirmiers, est défini à l'aide de la formule suivante :
  (1 367,65 euros x le nombre d'équivalents à temps plein coordinateurs du personnel infirmier, des responsables de l'équipe paramédicale et des responsables des infirmiers dans les centres de soins résidentiels, avec le cas échéant des centres de court séjour associés / nombre total de résidents) / nombre de jours de la période de référence.
  Pour les infirmiers en chef [3 ...]3 le montant calculé conformément aux directives de l'alinéa premier, peut être cumulé avec le montant calculé conformément à l'article 496.
  § 2. Pour le financement du complément de fonction, les coordinateurs des infirmiers, les responsables de l'équipe paramédicale et les infirmiers en chef répondent aux conditions suivantes sont éligibles :
  1° disposer d'un contrat définissant le rôle de coordinateur des infirmiers ou de responsable de l'équipe paramédicale, ou un contrat d'infirmier en chef ;
  2° répondre à une ancienneté barémique de dix-sept ans au minimum le dernier jour de la période de référence ;
  3° avoir réussi l'une des formations de base complémentaires suivantes le dernier jour de la période de référence :
  a) formation de cadre ;
  b) formation universitaire : maîtrise en art infirmier ou en sage-femme, ou maîtrise en politique et en gestion des soins de santé, ou maîtrise en soins de santé (toutes options incluses) ;
  c) formation donnant accès à la fonction de directeur ;
  d) ou une formation complémentaire de 24 heures au minimum agréée par [5 le Département Soins ]5 et concernant : la gestion des horaires, la durée du travail et les conventions collectives de travail, le bien-être sur le lieu de travail et la gestion d'une équipe ;
  4° suivre chaque année une formation permanente de huit heures agréée par [5 le Département Soins ]5, concernant un ou plusieurs domaines mentionnés au point 3°, d).
  S'agissant de la condition visée à l'alinéa premier, 1°, le personnel statutaire est tenu de prouver le rôle de coordinateur des infirmiers ou de responsable de l'équipe paramédicale à l'aide de la décision de nomination ou de la décision de désignation.
  Le ministre détermine la procédure pour l'obtention de l'agrément de la formation et de la formation permanente ainsi que les règles inhérentes à celles-ci, visées à l'alinéa premier, 3°, d), et 4°, et définit plus avant les parties visées à l'alinéa premier, 3°, d).
  La formation complémentaire et la formation permanente, visées à l'alinéa premier, 3°, d), et 4°, évoquent l'organisation d'un centre de soins résidentiels flamand et les soins qui y sont dispensés, avec une référence à la législation applicable dans le centre de soins résidentiels concerné. Le ministre peut définir des critères de qualité supplémentaires pour la formation et la formation permanente. [1 Le ministre peut également définir des règles supplémentaires concernant la durée de l'agrément et le refus, la modification ou le retrait de l'agrément. ]1
  La surveillance de la qualité de la formation, visée à l'alinéa premier, 3°, d), et de la formation permanente, mentionnée à l'alinéa premier, 4°, est exercée en tenant compte du décret du 19 janvier 2018 relatif au contrôle public dans le cadre de la politique de la santé et de l'aide sociale, dans lequel l'instance de formation est considérée comme un acteur des soins de santé.
  § 3. Le complément de fonction peut, pour un équivalent à temps plein infirmier ou assistant médical au maximum, être financé dans chaque centre de soins résidentiels, avec le cas échéant un centre de court séjour associé, qui dispose pendant la période de référence d'une équipe de soins de minimum 12 ETP salariés ou statutaires (infirmiers, personnel soignant et personnel de réactivation). Chaque fois que le centre de soins résidentiels, le cas échéant avec le centre de court séjour associé, atteint la moitié d'une nouvelle tranche de douze équivalents à temps plein, le complément de fonction pour un équivalent à temps plein supplémentaire infirmier ou assistant médical au maximum peut être financé.
  Les membres du personnel, mentionnés à 'article 475, § 2, alinéa premier 2°, et § 3, [3 [4 ... ]4]3 présents dans le centre de soins résidentiels et, le cas échéant, avec le centre de court séjour associé, comptent également dans la composition de l'équipe de soins.
Onderafdeling 11. - Deel E3: financiering van een referentiepersoon dementie
Sous-section 11. - Partie E3 : financement d'une personne de référence démence
Art. 498. § 1. De tegemoetkoming per verblijfsdag en per gebruiker voor de referentiepersoon dementie wordt bepaald aan de hand van de volgende criteria:
  1° het voltijds equivalent van de referentiepersoon dementie tijdens de referentieperiode wordt berekend conform artikel 475;
  2° gedurende eenzelfde periode wordt maximum één referentiepersoon dementie in aanmerking genomen en in die periode waarin een personeelslid de functie van referentiepersoon dementie uitoefent, wordt rekening gehouden met maximum negentien uur per week;
  3° de tegemoetkoming wordt berekend conform de volgende formule:
  ((VTE van de referentiepersoon dementie tijdens de referentieperiode x jaarlijkse loonkosten volgens de gemiddelde anciënniteit van de kwalificatie van die persoon) / gemiddeld aantal bewoners tijdens de referentieperiode) / aantal dagen van de referentieperiode;
  4° het is mogelijk dat tijdens de referentieperiode meerdere opeenvolgende referentiepersonen worden aangeduid.
  § 2. Om in aanmerking te kunnen komen voor die financiering moet het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, de volgende voorwaarden vervullen:
  1° gedurende de referentieperiode gemiddeld minstens 25 bewoners in de afhankelijkheidscategorie Cd hebben gehuisvest;
  2° aan het agentschap de volgende stukken overmaken die aantonen dat een personeelslid voor minstens 19 uur per week een contract heeft of benoemd is, als referentiepersoon dementie
  a) het basisdiploma of brevet van de functiehouder;
  b) het getuigschrift afgeleverd door de opleidingsverstrekker;
  c) de arbeidsovereenkomst en functie-omschrijving waarbij het mandaat van de referentiepersoon dementie verduidelijkt wordt en de wijze waarop in navorming wordt voorzien;
  3° [2 geen financiering hebben ontvangen voor een referentiepersoon dementie op basis van de sociale akkoorden van 2011 en 2013 met betrekking tot de jobcreatie voor de referentieperiode van 1 juli 2016 tot en met 30 juni 2017]2;
  4° die functie van referentiepersoon dementie kan tegelijkertijd worden uitgeoefend door maximum één personeelslid, behalve in geval van afwezigheid in welk geval die functie uitgeoefend kan worden door een ander personeelslid dat beantwoordt aan dezelfde voorwaarden als de voorwaarden, vermeld in paragraaf 4.
  Zodra gedurende een referentieperiode, en dat ten vroegste vanaf de referentieperiode die begon op 1 juli 2010, is voldaan aan de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 1°, is ze nadien niet meer van toepassing. Als vastgesteld wordt dat het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, gedurende een volledige referentieperiode niet beschikt over een referentiepersoon dementie, is die voorwaarde opnieuw van toepassing gedurende minstens een referentieperiode.
  § 3. De functie van referentiepersoon dementie kan als volgt omschreven worden:
  1° zich kenbaar maken als referentiepersoon binnen de setting waarin men tewerkgesteld is;
  2° als raadgever optreden over vragen van de persoon met dementie en zijn omgeving in verband met leven, wonen en zorg;
  3° zijn kennis aanscherpen over de wetgeving en de wetenschappelijke evoluties en ontwikkelingen op het vlak van dementie;
  4° de directie adviseren over vormingsnoden van het personeel in verband met dementie en op zoek gaan naar een gepast vormingsaanbod;
  5° de medewerkers sensibiliseren over het niet pluis-gevoel en de tekenen van beginnende dementie en op basis daarvan in samenspraak met alle noodzakelijke betrokkenen de behandelend arts of de raadgevend en coördinerend arts daarover informeren;
  6° het vakinhoudelijk mentorschap realiseren en stimuleren tegenover mantelzorgers, medewerkers en alle betrokkenen in functie van het behouden of verhogen van de levenskwaliteit van de persoon met dementie en zijn omgeving;
  7° meewerken aan het ontwikkelen van een kwaliteitspolitiek, waaronder procedures en multidisciplinair overleg, in verband met de omkadering van en de zorg voor personen met dementie, die afgestemd is op het referentiekader dementie dat ontwikkeld is door het Expertisecentrum Dementie Vlaanderen vzw;
  8° de contactname met en deelname aan lokale en bovenlokale initiatieven faciliteren, zoals een regionaal expertisecentrum dementie Vlaanderen, praatcafé dementie, zorgpad, overlegplatform dementie, de projecten `Dementievriendelijke Gemeente', Familiegroepen (Jong)dementie van de Alzheimer Liga Vlaanderen vzw en het aanbod psycho-educatie Dementie en (n)u;
  9° inhoudelijk in gesprek gaan met de CRA over goede dementiezorg;
  10° sensibiliseren over de supervisie en de opleiding van het personeel op het vlak van dementie.
  Bij de sensibilisering, vermeld in het eerste lid, 10°, houdt de referentiepersoon dementie zich bij voorrang bezig met de psychosociale en zorgethische aspecten van dementie, alsook met communicatievaardigheden. Het is meer bepaald de bedoeling om een effect te hebben op het onbegrepen gedrag van de bewoners en het gebruik van zowel chemische als fysieke fixatie te vermijden.
  § 4. Personeelsleden komen in aanmerking om de functie van referentiepersoon dementie uit te voeren, als ze bachelors in de verpleegkunde of gegradueerden in de verpleegkunde zijn of houder zijn van een van de kwalificaties, vermeld in artikel 431, tweede lid, en als ze:
  1° bij een erkende opleidingsinstantie een opleiding gevolgd hebben van minstens zestig uren die de volgende onderwerpen behandelt:
  a) de medische aspecten van dementie inclusief preventie en medicatiebeleid;
  b) de psychosociale aspecten van dementie;
  c) de geestelijke gezondheidsaspecten van dementie;
  d) de zorgethische aspecten bij dementie;
  e) de juridische aspecten bij dementie;
  f) de organisatorische aspecten en kwaliteitsbewaking van de begeleiding en zorg;
  g) methodieken en communicatievaardigheden;
  h) aspecten inzake mantelzorgondersteuning bij dementie;
  i) aspecten inzake het invullen van de rol als referentiepersoon in de praktijk;
  2° om de twee jaar een bijscholing volgen van minstens acht uur met betrekking tot de zorg voor personen met dementie;
  3° loontrekkende of statutair zijn.
  Als bijkomende voorwaarde bij de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 1°, geldt dat door een evaluatie van de leerstof aangetoond wordt dat het personeelslid, vermeld in het eerste lid, voldoende inzicht in de desbetreffende leerstof heeft verworven. De minister kan de modaliteiten van die evaluatie bepalen.
  Een loontrekkende of statutaire directeur, een hoofdverpleegkundige, [3 een teamverantwoordelijke die in het bezit is van ten minste een bachelordiploma in een zorg- of welzijnsdomein, een hoofdparamedicus of een kinesitherapeut die dienstverantwoordelijke is]3 mag niet tegelijkertijd de functie van referentiepersoon dementie uitoefenen. De functie van referentiepersoon is evenwel ondeelbaar. Dat betekent dat die functie van referentiepersoon niet mag worden gecombineerd in de werktijd van een eventueel andere functie.
  De lijst van de erkende opleidingsinstanties, vermeld in het eerste lid, 1°, wordt op de website van het agentschap bekendgemaakt.
  De minister bepaalt de minimumvereisten voor de opleidingsinstanties, vermeld in het eerste lid, 1°, en de modaliteiten voor de erkenning van de opleidingsinstanties, vermeld in het eerste lid, 1°.
  Het toezicht op opleidingsinstanties, vermeld in het eerste lid, 1°, wordt uitgeoefend met inachtneming van het decreet van 19 januari 2018 houdende het overheidstoezicht in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid waarbij de opleidingsinstantie wordt behandeld als een actor in de zorg.
  § 5. De volgende personen worden vrijgesteld van de opleiding, vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 1° :
  1° de verpleegkundigen (bachelor of gelijkgesteld) die beschikken over een titel van verpleegkundige gespecialiseerd in de geestelijke gezondheidszorg of de geriatrie, of een licentiaat of een master in gerontologie of geriatrie, of een bachelor na bachelor opleiding psychosociale gerontologie;
  2° de kandidaten voor de functie van referentiepersoon dementie die, na 1 januari 2005 en voor 31 december 2011, een opleiding gevolgd hebben van minstens 90 uren, betreffende de onderwerpen, vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 1° ;
  3° de kandidaten voor de functie van referentiepersoon dementie die, na 1 januari 2005 en voor 31 december 2011, een opleiding gevolgd hebben van minstens 60 uren, betreffende de onderwerpen, vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 1°, en die al minstens drie jaar werkzaam zijn in de sector van de ouderenzorg.
  
Art. 498. § 1. L'intervention par journée de séjour et par utilisateur pour la personne de référence démence est définie à l'aide des critères suivants :
  1° l'équivalent à temps plein de la personne de référence démence pendant la période de référence est calculée conformément à l'article 475 ;
  2° pendant une même période, une seule personne de référence démence est prise en compte et durant la période au cours de laquelle un membre du personnel assure cette fonction, un maximum de 19 heures par semaine est pris en compte ;
  3° l'intervention est calculée conformément à la formule suivante :
   ((ETP de la personne de référence démence pendant la période de référence x coûts salariaux annuels selon l'ancienneté moyenne de la qualification de cette personne) / nombre moyen de résidents pendant la période de référence) / nombre de jours de la période de référence ;
  4° il est possible que pendant la période de référence plusieurs personnes de référence soient désignées successivement.
  § 2. Pour être éligible à ce financement, le centre de soins résidentiels, le cas échéant avec le centre de court séjour associé, doit remplir les conditions suivantes :
  1° héberger au minimum 25 résidents en moyenne relevant de la catégorie de dépendance Cd pendant la période de référence ;
  2° transmettre à l'agence les pièces suivantes qui démontrent qu'un membre du personnel a signé un contrat pour 19 heures par semaine au minimum ou a été nommé en tant que personne de référence démence ;
  a) être titulaire du diplôme de base ou du brevet de titulaire de fonction ;
  b) le certificat délivré par le dispensateur de formation ;
  c) le contrat de travail et la description de fonction dans lesquels le mandat de personne de référence démence est précisé et la manière dont le recyclage est prévu ;
  3° ne pas avoir reçu de financement pour une personne de référence démence sur la base de [1 es accords sociaux de 2011 et 2013 relatifs à la création d'emplois ]1 ;
  4° cette fonction de personne de référence peut être exercée simultanément par un seul membre du personnel au maximum, sauf en cas d'absence où il peut être remplacé par un autre membre du personnel qui répond aux mêmes conditions que celles qui sont visées au paragraphe 4.
  Dès que la condition visée à l'alinéa premier, 1°, est remplie durant la période de référence, et au plus tôt à partir de la période de référence qui a commencé le 1er juillet 2010, elle ne s'applique plus par la suite. Si l'on constate que le centre de soins résidentiels, avec le cas échéant le centre de court séjour associé, ne dispose pas d'une personne de référence démence pendant une période de référence complète, cette condition entrera à nouveau en vigueur pendant une période de référence au minimum.
  § 3. Cette fonction de personne de référence démence peut être décrite comme suit :
  1° se présenter comme personne de référence au sein de l'institution où la personne concernée est employée ;
  2° intervenir en tant que conseiller au sujet des questions de la personne atteinte de démence et de son entourage concernant la vie, les soins et la résidence ;
  3° affûter ses connaissances relatives à la législation et aux évolutions et développements scientifiques en matière de démence ;
  4° conseiller la direction au sujet des besoins en formation du personnel dans le cadre de la démence et chercher une offre de formation appropriée ;
  5° sensibiliser les collaborateurs au sentiment d'insécurité et aux symptômes d'un début de démence et en informer sur cette base, en concertation avec tous les intéressés concernés, le médecin traitant, le médecin-conseil ou le médecin coordinateur ;
  6° réaliser le tutorat spécialisé et le promouvoir vis-à-vis des intervenants de proximité, des collaborateurs et de toutes les personnes concernées en fonction du maintien ou du renforcement de la qualité de vie de la personne atteinte de démence et de son entourage ;
  7° participer à la mise en place d'une politique de qualité, incluant notamment des procédures et une concertation pluridisciplinaire, liée à l'encadrement de et aux soins des personnes atteintes de démence, adaptées au cadre de référence démence développé par le centre d'expertise Dementie Vlaanderen vzw ;
  8° Faciliter la prise de contact avec et la participation aux initiatives locales et supralocales, comme un centre d'expertise régional démence Vlaanderen, un café-débat démence, des trajets de soins, une plateforme de concertation démence, les projets " Dementievriendelijke Gemeente ", les groupes familiaux démence (jeune) de la ligue flamande Alzheimer (Alzheimer Liga Vlaanderen vzw) et l'offre psychoéducative " Dementie en (n)u " ;
  9° interpeller le CRA au sujet du contenu du traitement adéquat de la démence ;
  10° sensibiliser au sujet de la supervision et de la formation du personnel en matière de démence.
  Dans le cadre de la sensibilisation, visée à l'alinéa premier, 10°, la personne de référence démence se concentre avant tout sur les aspects psychosociaux et éthiques des soins de cette maladie, ainsi que sur les aptitudes en communication. L'objectif consiste en particulier à avoir un impact sur le comportement incompris des résidents et à éviter autant que possible la contention physique et chimique.
  § 4. Les membres du personnel sont éligibles à la fonction de personne de référence démence pour autant qu'ils disposent d'un diplôme de bachelier en art infirmier ou soient gradués en art infirmier ou ait aient suivi l'une des qualifications reprises à l'article 431, alinéa deux, et si :
  1° Ils ont suivi une formation de soixante heures au minimum auprès d'un organisme de formation agréé et portant sur les sujets suivants :
  a) les aspects médicaux de la démence, en ce compris la prévention et la politique en matière de médication ;
  b) les aspects psychosociaux de la démence ;
  c) les aspects de santé mentale de la démence ;
  d) les aspects esthétiques de soins en cas de démence ;
  e) les aspects juridiques en cas de démence ;
  f) les aspects organisationnels et la surveillance de la qualité de l'encadrement et des soins ;
  g) les méthodologies et les aptitudes en communication ;
  h) les aspects relatifs à l'encadrement des soins de proximité en cas de démence ;
  i) les aspects liés au rôle de personne de référence en pratique ;
  2° suivre tous les deux ans un recyclage de huit heures au minimum consacré au soin des personnes atteintes de démence ;
  3° être salarié ou statutaire.
  Une première condition supplémentaire à la condition, visée à l'alinéa premier, 1°, est qu'une évaluation de la matière démontre que le membre du personnel, mentionnée à l'alinéa premier, a acquis les connaissances suffisantes dans ladite matière. Le ministre peut définir les modalités de cette évaluation.
  Un directeur, un infirmier en chef, [3 un responsable d'équipe titulaire au minimum d'un diplôme de bachelier dans le domaine des soins ou du bien-être, un responsable de l'équipe paramédicale ou un kinésithérapeute qui est chef de service]3 salarié ou statutaire ne peut pas assurer simultanément la fonction de personne de référence. Toutefois, cette fonction est indivisible. En d'autres termes, elle ne peut pas être combinée avec une autre fonction éventuelle durant le temps de travail.
  La liste des instances de formation agréées, mentionnée à l'alinéa premier, 1°, est publiée sur le site Internet de l'agence.
  Le ministre définit les exigences minimales pour les instances de formation, mentionnées à l'alinéa premier, 1°, et les modalités pour l'agrément de ces instances, mentionnées à ce même alinéa.
  La surveillance de ces instances de formation, visées à l'alinéa premier, 1°, est exercée en tenant compte du décret du 19 janvier 2018 relatif au contrôle public dans le cadre de la politique de la santé et de l'aide sociale, dans lequel l'instance de formation est considérée comme un acteur des soins de santé.
  § 5. Les personnes suivantes sont exemptées de la formation visée au paragraphe 4, alinéa premier, 1° :
  1° les infirmiers (bachelors ou assimilés) qui disposent du titre d'infirmier spécialisé en soins de santé mentale ou en gériatrie, ou sont titulaires d'une licence ou d'une maîtrise en gérontologie ou gériatrie, un d'un post-baccalauréat en gérontologie psychosociale ;
  2° les candidats à la fonction de personne de référence démence qui, entre le 1er janvier 2005 et le 31 décembre 2011, ont suivi une formation de 90 heures au minimum concernant les thèmes abordés au paragraphe 4, alinéa premier, 1° ;
  3° Les candidats à la fonction de personne de référence démence qui, entre le 1er janvier 2005 et le 31 décembre 2011, ont suivi une formation de 60 heures au minimum concernant les thèmes abordés au paragraphe 4, alinéa premier, 1° et qui ont déjà acquis 3 ans d'expérience au minimum dans le secteur des soins aux personnes âgées.
  
Onderafdeling 12. - Deel E4: financiering van titels en beroepskwalificaties zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 28 december 2011
Sous-section 12. - Partie E4 : financement de titres et de qualifications professionnelles tels que visés dans l'arrêté royal du 28 décembre 2011
Art. 499. § 1. De tegemoetkoming per verblijfsdag en per gebruiker wordt als volgt berekend:
  1° voor de rechthebbende op de premie, vermeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 28 december 2011, conform de volgende formule: (1.656,02 euro x het aantal te financieren voltijdse equivalenten van verpleegkundigen in de voorziening die beschikken over een beroepsbekwaamheid van geriatrisch verpleegkundige of een beroepsbekwaamheid van verpleegkundige met een bijzondere deskundigheid in de palliatieve zorg) / totaal aantal bewoners in de referentieperiode / aantal dagen in de referentieperiode;
  2° voor de rechthebbende voor de premie, vermeld in artikel 1, § 2, van het koninklijk besluit van 28 december 2011, conform de volgende formule: (4.968,07 euro x het aantal te financieren voltijdse equivalenten van verpleegkundigen in de voorziening die beschikken over een beroepstitel van geriatrisch verpleegkundige) / totaal aantal bewoners in de referentieperiode / aantal dagen in de referentieperiode.
  [1 § 2. Voor de berekening van de tegemoetkoming, vermeld in paragraaf 1, wordt de verpleegkundige in een woonzorgcentrum die op 31 maart 2021 recht had op een premie als vermeld in paragraaf 1, eveneens beschouwd als de rechthebbende op die premie.]1
  
Art. 499. § 1. L'intervention par journée de séjour et par utilisateur est calculée comme suit :
  1° pour les ayants droit à la prime, visés à l'article 1, § 1, de l'arrêté royal du 28 décembre 2011, conformément à la formule suivante : (1 656,02 euros x le nombre d'équivalents à temps plein d'infirmiers à financer dans la structure qui disposent d'une aptitude professionnelle d'infirmier en gériatrie ou d'infirmier spécialisé dans les soins palliatifs) / nombre total de résidents durant la période de référence / nombre de jours de la période de référence ;
  2° pour les ayants droit à la prime, visés à l'article 1, § 2, de l'arrêté royal du 28 décembre 2011, conformément à la formule suivante : (4 968,07 euros x le nombre d'équivalents à temps plein d'infirmiers à financer dans la structure qui disposent d'un titre professionnel d'infirmier en gériatrie) / nombre total de résidents durant la période de référence / nombre de jours de la période de référence.
  [1 § 2. Pour le calcul de l'intervention visée au paragraphe 1er, l'infirmier dans un centre de soins résidentiels qui avait droit à la prime visée au paragraphe 1er au 31 mars 2021, est également considéré comme ayant droit à cette prime.]1
  
Onderafdeling 13. [1 Deel F: financiering van de coördinerend en raadgevend arts in woonzorgcentra al dan niet met bijbehorend centrum voor kortverblijf ]1
Sous-section 13. [1 Partie F : financement du médecin coordinateur et conseiller dans des centres de soins résidentiels avec ou sans centre de court séjour associé ]1
Art. 500. [1 § 1. De tegemoetkoming per verblijfsdag en per gebruiker voor de functie van coördinerend en raadgevend arts bedraagt 0,61 euro.
   Die financiering is bestemd voor de vergoeding van de coördinerend en raadgevend arts.
   Om in aanmerking te komen voor de tegemoetkoming vermeld in het eerste lid moeten al de volgende voorwaarden vervuld te zijn:
   1° de gegevens van de coördinerend en raadgevend arts zijn doorgegeven via de elektronische vragenlijst, vermeld in artikel 452;
   2° de voorwaarden vermeld in [2 artikel 33/1 tot en met artikel 33/4]2 van de bijlage 11 bij het besluit van de Vlaamse Regering 28 juni 2019 betreffende de programmatie, de erkenningsvoorwaarden en de subsidieregeling voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen voor mantelzorgers en gebruikers, worden nageleefd.
   § 2. Het woonzorgcentrum al dan niet met bijbehorend centrum voor kortverblijf heeft recht op de tegemoetkoming, vermeld in paragraaf 1, vanaf de begindatum vermeld in het ondernemingscontract waarmee de coördinerend en raadgevend arts verbonden is aan het woonzorgcentrum al dan niet met bijbehorend centrum voor [3 kortverblijf of in de overeenkomst die de functionele relatie tussen de coördinerend en raadgevend arts en de initiatiefnemer bepaalt,]3 op voorwaarde dat de gegevens van de coördinerend en raadgevend arts uiterlijk in de maand van de begindatum doorgegeven zijn via de elektronische vragenlijst, vermeld in artikel 452. Als de gegevens van de coördinerend en raadgevend arts via de elektronische vragenlijst, vermeld in artikel 452, op een later tijdstip worden doorgegeven, heeft het woonzorgcentrum al dan niet met bijbehorend centrum voor kortverblijf recht op de tegemoetkoming vanaf de eerste dag van de maand waarin de gegevens zijn doorgegeven.
   Het woonzorgcentrum al dan niet met bijbehorend centrum voor kortverblijf heeft geen recht meer op de tegemoetkoming, vermeld in het eerste lid, vanaf de dag die volgt op de einddatum vermeld in het ondernemingscontract, bij de stopzetting van het ondernemingscontract vanaf de dag die volgt op de stopzetting, of vanaf de dag waarop de voorwaarden, vermeld in § 1 derde lid, niet meer worden nageleefd ]1
.
  
Art. 500. [1 § 1er. L'intervention par journée de séjour et par usager pour la fonction de médecin coordinateur et conseiller s'élève à 0,61 euro.
   Ce financement est destiné à la rémunération du médecin coordinateur et conseiller.
   Pour pouvoir bénéficier de l'intervention visée à l'alinéa 1er, l'ensemble des conditions suivantes doivent être remplies :
   1° les coordonnées du médecin coordinateur et conseiller sont notifiées par le biais du questionnaire électronique visé à l'article 452 ;
   2° les conditions visées à [2 l'article 33/1 à l'article 33/4 ]2 de l'annexe 11 à l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 juin 2019 relatif à la programmation, aux conditions d'agrément et au régime de subventionnement de structures de soins résidentiels et d'associations d'intervenants de proximité et d'usagers, sont respectées.
   § 2. Le centre de soins résidentiels avec ou sans centre de court séjour associé a droit à l'intervention visée au paragraphe 1er à partir de la date de début mentionnée dans le contrat d'entreprise par lequel le médecin coordinateur et conseiller est lié au centre de soins résidentiels avec ou sans [3 centre de court séjour associé ou dans la convention qui définit la relation fonctionnelle entre le médecin coordinateur et conseiller et l'initiateur,]3 à condition que les coordonnées du médecin coordinateur et conseiller soient notifiées au plus tard au cours du mois de la date de début par le biais du questionnaire électronique visé à l'article 452. Si les coordonnées du médecin coordinateur et conseiller sont notifiées à une date ultérieure par le biais du questionnaire électronique visé à l'article 452, le centre de soins résidentiels avec ou sans centre de court séjour associé a droit à l'intervention à partir du premier jour du mois au cours duquel les coordonnées sont notifiées.
   Le centre de soins résidentiels avec ou sans centre de court séjour associé n'a plus droit à l'intervention, visée à l'alinéa 1er, à partir du jour suivant la date de fin mentionnée dans le contrat d'entreprise, à la cessation du contrat d'entreprise, à partir du jour qui suit la cessation, ou à partir du jour au cours duquel les conditions, visées au § 1er, alinéa 3, ne sont plus respectées ]1
.
  
Onderafdeling 14. - Deel G: bijkomende financiering van het kortverblijf
Sous-section 14. - Partie G : financement supplémentaire du court-séjour
Art. 501. De tegemoetkoming van de bijkomende financiering voor het kortverblijf per verblijfsdag en per gebruiker in een woonzorgcentrum met tevens een erkenning als centrum voor kortverblijf wordt berekend conform de volgende formule: (1,82 euro x gemiddeld aantal erkende entiteiten als centrum voor kortverblijf tijdens de referentieperiode) / gemiddeld totaal aantal erkende entiteiten woonzorgcentrum en centrum voor kortverblijf tijdens de referentieperiode.
Art. 501. L'intervention du financement supplémentaire pour le court séjour par journée de séjour et par utilisateur dans un centre de soins résidentiels également doté d'un agrément en tant que centre de court séjour est calculée selon la formule suivante : (1,82 euro x nombre moyen d'entités agréées en tant que centres de court séjour au cours de la période de référence) / nombre total moyen d'entités agréées en tant que centres de soins résidentiels et centres de court séjour au cours de la période de référence.
Onderafdeling 15. - Deel H: financiering van de bijkomende vorming van het personeel op het vlak van dementie
Sous-section 15. - Partie H : financement de la formation supplémentaire du personnel en matière de démence
Art. 502. § 1. De tegemoetkoming die bestemd is voor de financiering van de opleiding en de sensibilisering van het personeel op het vlak van dementie, wordt verleend per gebruiker die verblijft in:
  1° een woonzorgcentrum met een bijkomende erkenning;
  2° een woonzorgcentrum zonder bijkomende erkenning, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, dat tijdens de referentieperiode gemiddeld minstens vijftien bewoners in de afhankelijkheidscategorie Cd huisvest.
  De tegemoetkoming per verblijfsdag en per gebruiker wordt berekend conform de volgende formule: (0,35 euro x aantal bewoners Cd) / totaal aantal bewoners.
  § 2. Met de tegemoetkoming, vermeld in paragraaf 1, organiseren de woonzorgcentra, vermeld in paragraaf 1, een continue opleiding voor hun personeel, waarvan het totale aantal uren over een kalenderjaar minstens gelijk is aan het aantal bewoners Cd die op 30 juni van het vorige kalenderjaar in de zorgvoorziening waren opgenomen.
  Rekening houdend met de prioriteiten die ze zelf vaststellen, organiseren de woonzorgcentra die opleiding bij voorkeur voor al hun personeel, maar minstens voor het zorgpersoneel. Ze zien er in het bijzonder op toe dat die opleiding wordt gegeven door personen die hooggeschoold zijn op het vlak van de aanpak rond dementie.
  Als verscheidene personeelsleden van hetzelfde woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, tegelijkertijd dezelfde opleiding volgen, wordt bij de eindafrekening het aantal uren opleiding, te organiseren door de zorgvoorziening, bepaald, rekening houdend met het aantal personeelsleden dat die opleiding heeft gevolgd, met een maximum van twintig personeelsleden per uur opleiding.
  Het agentschap kan op elk ogenblik aan de zorgvoorziening vragen om een overzicht te krijgen van de opleidingen die hebben plaatsgevonden, om op die wijze te kunnen nagaan of voldaan werd aan het minimum aantal uren opleiding.
  § 3. Om de tegemoetkoming, vermeld in paragraaf 1, te genieten, moeten de woonzorgcentra, vermeld in paragraaf 1, de volgende voorwaarden vervullen:
  1° een intentieverklaring opstellen die aan al de volgende voorwaarden voldoet:
  a) in de verklaring wordt het beleid beschreven dat het woonzorgcentrum van plan is te volgen op het vlak van personen met dementie;
  b) de verklaring wordt op grote schaal verspreid en wordt bezorgd aan elk personeelslid, alsook aan de opgenomen bewoners;
  c) de verklaring wordt ter beschikking gehouden in de voorziening;
  2° een verantwoordelijke aanstellen voor de tenlasteneming binnen het woonzorgcentrum van de problematiek inzake dementie en van de opleiding van het personeel.
  De verklaring, vermeld in het eerste lid, 1°, wordt op grote schaal verspreid en aan elk personeelslid, als ook aan de bewoners van het woonzorgcentrum of centrum voor kortverblijf bezorgd. Op vraag van het agentschap wordt deze verklaring aan het agentschap bezorgd. De nieuwe woonzorgcentra stellen die verklaring op en verspreiden ze binnen zes maanden na hun erkenning. De verklaring dient eveneens opgenomen te worden op de website of op de onthaalbrochure van het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf.
  De verantwoordelijke, vermeld in het eerste lid, 2°, is in principe de referentiepersoon dementie, vermeld in artikel 498. Als het woonzorgcentrum niet over een dergelijke referentiepersoon beschikt, dan is die verantwoordelijke een personeelslid dat een zekere ervaring op dat vlak bezit of een specifieke scholing gevolgd heeft.
  § 4. Voor de nieuwe woonzorgcentra, in voorkomend geval met de bijbehorende centra voor kortverblijf, past het agentschap de volgende regels toe:
  1° voor de woonzorgcentra, in voorkomend geval met de bijbehorende centra voor kortverblijf, die de laatste dag van de maand volgend op de erkenning de voorwaarden vervullen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, wordt het aantal uren opleiding dat moet worden georganiseerd door de zorgvoorziening vastgesteld conform de volgende formule: H = P x M / 12, waarbij:
  a) H = het aantal uren opleiding dat moet worden georganiseerd (afgerond tot de naaste hogere eenheid als de eerste twee decimalen hoger zijn dan of gelijk zijn aan 50);
  b) P = het aantal bewoners Cd dat de laatste dag van de maand die volgt op die van de erkenning in het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, zijn opgenomen;
  c) M = het aantal maanden tussen de eerste dag van de maand die volgt op die van de erkenning en het einde van het lopende kalenderjaar;
  2° voor de woonzorgcentra, in voorkomend geval met de bijbehorende centra voor kortverblijf, zonder bijkomende erkenning die de laatste dag van de maand die volgt op die van de erkenning niet voldoen aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, wordt de tegemoetkoming, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, toegekend vanaf de eerste factureringsperiode die volgt op de eerste referentieperiode waarin die voorwaarden zijn vervuld.
  § 5. Het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, heeft recht op de tegemoetkoming, vermeld in paragraaf 1, [1 vanaf de eerste dag van de maand waarin de voorziening voldoet aan de voorwaarden, vermeld in dit paragraaf 3 en mits het voldoen aan die voorwaarden uiterlijk diezelfde maand gemeld wordt via de elektronische vragenlijst, vermeld in artikel 452 ]1.[1 Als die melding op een later tijdstip wordt gedaan, heeft het woonzorgcentrum recht op de tegemoetkoming vanaf de eerste dag van de maand waarin het voldoen aan de voorwaarden is gemeld.]1
  
Art. 502. § 1. L'intervention destinée au financement de la formation et à la sensibilisation du personnel à la démence est accordée par utilisateur résidant dans :
   1° un centre de soins résidentiels doté d'un agrément supplémentaire ;
   2° un centre de soins résidentiels sans agrément supplémentaire et, le cas échéant, le centre de court séjour associé, qui accueille en moyenne 15 résidents au minimum de la catégorie de dépendance Cd pendant la période de référence.
   L'intervention par journée de séjour et par utilisateur est calculée selon la formule suivante : 0,35 euro x nombre de résidents Cd) / nombre total de résidents.
   § 2. Avec l'intervention visée au paragraphe 1, les centres de soins résidentiels, mentionnés au paragraphe 1 organisent une formation continue pour leur personnel dont le nombre total d'heures par année civile est au moins égal au nombre de résidents Cd admis dans l'infrastructure de soins au 30 juin de l'année civile précédente.
   Compte tenu des priorités qu'ils se sont fixées, les centres de soins résidentiels organisent cette formation de préférence pour l'ensemble de leur personnel et au moins pour le personnel soignant. Ils veillent en particulier à ce que cette formation soit dispensée par des personnes hautement qualifiées dans le domaine du traitement de la démence.
   Lorsque plusieurs membres du personnel d'un même centre de soins résidentiels avec, le cas échéant, le centre de court séjour associé, suivent simultanément la même formation, le décompte final indique le nombre d'heures de formation à organiser par l'infrastructure de soins, compte tenu du nombre de membres du personnel ayant suivi cette formation, à concurrence de 20 membres du personnel maximum par heure de formation.
   L'agence peut à tout moment demander à l'infrastructure de soins de fournir un aperçu des formations dispensées, en vue de pouvoir vérifier le respect du nombre d'heures de formation minimal.
   § 3. Pour bénéficier de l'intervention visée au paragraphe 1, les centres de soins résidentiels visés au paragraphe 1 doivent remplir les conditions suivantes :
   1° préparer une déclaration d'intention qui répond à toutes les conditions suivantes :
   a) la déclaration décrit la politique que le centre de soins résidentiels entend suivre eu égard aux personnes atteintes de démence ;
   b) la déclaration est largement diffusée et remise à chaque membre du personnel, ainsi qu'aux résidents admis ;
   c) le certificat reste à disposition au sein de l'infrastructure ;
   2° désignation d'une personne responsable de la prise en charge de la problématique de la démence et de la formation du personnel au sein du centre de soins résidentiels.
   La déclaration visée à l'alinéa premier, 1°, est largement diffusée et remise à chaque membre du personnel, ainsi qu'aux résidents du centre de soins résidentiels ou de court séjour. Cette déclaration est transmise à l'agence à sa propre demande. Les nouveaux centres de soins résidentiels établiront cette déclaration et la distribueront dans les six mois suivant leur agrément. La déclaration doit également figurer sur le site Internet ou sur la brochure d'accueil du centre de soins résidentiels avec, le cas échéant, le centre de court séjour associé.
   La personne responsable, visée à l'alinéa premier, 2°, est en principe la personne de référence en matière de démence, visée à l'article 498. Si le centre de soins résidentiels ne dispose pas d'une telle personne de référence, la personne responsable est alors un membre du personnel qui possède une certaine expertise ou une formation spécifique en la matière.
   § 4. L'agence applique les règles suivantes aux nouveaux centres de soins résidentiels, en ce compris, le cas échéant, les centres de court séjour associés :
   1° eu égard aux centres de soins résidentiels avec, le cas échéant, les centres de court séjour associés, qui remplissent les conditions le dernier jour du mois suivant l'agrément visé au paragraphe 1, alinéa premier), le nombre d'heures de formation à organiser par l'infrastructure de soins est déterminé selon la formule suivante : H = P x M/12, où :
   a) H = le nombre d'heures de formation à organiser (arrondi à l'unité supérieure la plus proche si les deux premières décimales sont supérieures ou égales à 50) ;
   b) P = le nombre de résidents Cd admis dans le centre de soins résidentiels avec, le cas échéant, le centre de court séjour associé, le dernier jour du mois suivant le mois de l'agrément ;
   c) M = le nombre de mois compris entre le premier jour du mois suivant celui de l'agrément et la fin de l'année civile en cours ;
   2° pour les centres de soins résidentiels avec, le cas échéant, les centres de court séjour associés, dépourvus d'un agrément complémentaire qui ne remplissent pas les conditions prévues au paragraphe 1, alinéa premier le dernier jour du mois suivant celui de l'agrément, l'intervention visée au paragraphe 1, deuxième alinéa, est octroyée à compter de la première période de facturation suivant la première période de référence pendant laquelle ces conditions sont remplies.
   § 5. Le centre de soins résidentiels avec, le cas échéant, le centre de court séjour associé, a droit à l'intervention visée au paragraphe 1, [1 à partir du premier jour du mois au cours duquel la structure remplit les conditions visées dans ce paragraphe 3 et pour autant que le respect de ces conditions soit notifié au plus tard le même mois par le biais du questionnaire électronique visé à l'article 452]1. [1 Si cette notification a lieu ultérieurement, le centre de soins résidentiels a droit à l'intervention à partir du premier jour du mois au cours duquel le respect de ces conditions a été notifié. ]1
  
Art. 502 TOEKOMSTIG RECHT.    § 1. [2 ...]2
  De tegemoetkoming [2 "die bestemd is voor de financiering van de opleiding en de sensibilisering van het personeel op het vlak van dementie]2 per verblijfsdag en per gebruiker wordt berekend conform de volgende formule: (0,35 euro x aantal bewoners Cd) / totaal aantal bewoners.
  § 2. Met de tegemoetkoming, vermeld in paragraaf 1, organiseren de woonzorgcentra, vermeld in paragraaf 1, een continue opleiding voor hun personeel, waarvan het totale aantal uren over een kalenderjaar minstens gelijk is aan het aantal bewoners Cd die op 30 juni van het vorige kalenderjaar in de zorgvoorziening waren opgenomen.
  Rekening houdend met de prioriteiten die ze zelf vaststellen, organiseren de woonzorgcentra die opleiding bij voorkeur voor al hun personeel, maar minstens voor het zorgpersoneel. Ze zien er in het bijzonder op toe dat die opleiding wordt gegeven door personen die hooggeschoold zijn op het vlak van de aanpak rond dementie.
  Als verscheidene personeelsleden van hetzelfde woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, tegelijkertijd dezelfde opleiding volgen, wordt bij de eindafrekening het aantal uren opleiding, te organiseren door de zorgvoorziening, bepaald, rekening houdend met het aantal personeelsleden dat die opleiding heeft gevolgd, met een maximum van twintig personeelsleden per uur opleiding.
  Het agentschap kan op elk ogenblik aan de zorgvoorziening vragen om een overzicht te krijgen van de opleidingen die hebben plaatsgevonden, om op die wijze te kunnen nagaan of voldaan werd aan het minimum aantal uren opleiding.
  § 3. Om de tegemoetkoming, vermeld in paragraaf 1, te genieten, moeten de woonzorgcentra, vermeld in paragraaf 1, de volgende voorwaarden vervullen:
  1° een intentieverklaring opstellen die aan al de volgende voorwaarden voldoet:
  a) in de verklaring wordt het beleid beschreven dat het woonzorgcentrum van plan is te volgen op het vlak van personen met dementie;
  b) de verklaring wordt op grote schaal verspreid en wordt bezorgd aan elk personeelslid, alsook aan de opgenomen bewoners;
  c) de verklaring wordt ter beschikking gehouden in de voorziening;
  2° een verantwoordelijke aanstellen voor de tenlasteneming binnen het woonzorgcentrum van de problematiek inzake dementie en van de opleiding van het personeel.
  De verklaring, vermeld in het eerste lid, 1°, wordt op grote schaal verspreid en aan elk personeelslid, als ook aan de bewoners van het woonzorgcentrum of centrum voor kortverblijf bezorgd. Op vraag van het agentschap wordt deze verklaring aan het agentschap bezorgd. De nieuwe woonzorgcentra stellen die verklaring op en verspreiden ze binnen zes maanden na hun erkenning. De verklaring dient eveneens opgenomen te worden op de website of [3 in de onthaalbrochure]3 van het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf.
  De verantwoordelijke, vermeld in het eerste lid, 2°, is in principe de referentiepersoon dementie, vermeld in artikel 498. Als het woonzorgcentrum niet over een dergelijke referentiepersoon beschikt, dan is die verantwoordelijke een personeelslid dat een zekere ervaring op dat vlak bezit of een specifieke scholing gevolgd heeft.
  § 4. [2 Voor de nieuwe woonzorgcentra, in voorkomend geval met de bijbehorende centra voor kortverblijf, wordt het aantal uren opleiding dat moet worden georganiseerd door de zorgvoorziening, vastgesteld conform de volgende formule: H = P x M/12, waarbij:
   1° H = het aantal uren opleiding dat moet worden georganiseerd, afgerond tot de naaste hogere eenheid als de eerste twee decimalen hoger zijn dan of gelijk zijn aan 50;
   2° P = het aantal bewoners Cd dat de laatste dag van de maand die volgt op die van de erkenning, in het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met inbegrip van het bijbehorende centrum voor kortverblijf, is opgenomen;
   3° M = het aantal maanden tussen de eerste dag van de maand die volgt op die van de erkenning, en het einde van het lopende kalenderjaar]2

  § 5. Het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, heeft recht op de tegemoetkoming, vermeld in paragraaf 1, [1 vanaf de eerste dag van de maand waarin de voorziening voldoet aan de voorwaarden, vermeld in dit paragraaf 3 en mits het voldoen aan die voorwaarden uiterlijk diezelfde maand gemeld wordt via de elektronische vragenlijst, vermeld in artikel 452 ]1.[1 Als die melding op een later tijdstip wordt gedaan, heeft het woonzorgcentrum recht op de tegemoetkoming vanaf de eerste dag van de maand waarin het voldoen aan de voorwaarden is gemeld.]1
Art. 502 DROIT FUTUR.    § 1. [2 ...]2
   L'intervention [2 destinée au financement de la formation et de la sensibilisation du personnel dans le domaine de la démence]2 par journée de séjour et par utilisateur est calculée selon la formule suivante : 0,35 euro x nombre de résidents Cd) / nombre total de résidents.
   § 2. Avec l'intervention visée au paragraphe 1, les centres de soins résidentiels, mentionnés au paragraphe 1 organisent une formation continue pour leur personnel dont le nombre total d'heures par année civile est au moins égal au nombre de résidents Cd admis dans l'infrastructure de soins au 30 juin de l'année civile précédente.
   Compte tenu des priorités qu'ils se sont fixées, les centres de soins résidentiels organisent cette formation de préférence pour l'ensemble de leur personnel et au moins pour le personnel soignant. Ils veillent en particulier à ce que cette formation soit dispensée par des personnes hautement qualifiées dans le domaine du traitement de la démence.
   Lorsque plusieurs membres du personnel d'un même centre de soins résidentiels avec, le cas échéant, le centre de court séjour associé, suivent simultanément la même formation, le décompte final indique le nombre d'heures de formation à organiser par l'infrastructure de soins, compte tenu du nombre de membres du personnel ayant suivi cette formation, à concurrence de 20 membres du personnel maximum par heure de formation.
   L'agence peut à tout moment demander à l'infrastructure de soins de fournir un aperçu des formations dispensées, en vue de pouvoir vérifier le respect du nombre d'heures de formation minimal.
   § 3. Pour bénéficier de l'intervention visée au paragraphe 1, les centres de soins résidentiels visés au paragraphe 1 doivent remplir les conditions suivantes :
   1° préparer une déclaration d'intention qui répond à toutes les conditions suivantes :
   a) la déclaration décrit la politique que le centre de soins résidentiels entend suivre eu égard aux personnes atteintes de démence ;
   b) la déclaration est largement diffusée et remise à chaque membre du personnel, ainsi qu'aux résidents admis ;
   c) le certificat reste à disposition au sein de l'infrastructure ;
   2° désignation d'une personne responsable de la prise en charge de la problématique de la démence et de la formation du personnel au sein du centre de soins résidentiels.
   La déclaration visée à l'alinéa premier, 1°, est largement diffusée et remise à chaque membre du personnel, ainsi qu'aux résidents du centre de soins résidentiels ou de court séjour. Cette déclaration est transmise à l'agence à sa propre demande. Les nouveaux centres de soins résidentiels établiront cette déclaration et la distribueront dans les six mois suivant leur agrément. La déclaration doit également figurer sur le site Internet ou [2 dans la brochure d'accueil]2 du centre de soins résidentiels avec, le cas échéant, le centre de court séjour associé.
   La personne responsable, visée à l'alinéa premier, 2°, est en principe la personne de référence en matière de démence, visée à l'article 498. Si le centre de soins résidentiels ne dispose pas d'une telle personne de référence, la personne responsable est alors un membre du personnel qui possède une certaine expertise ou une formation spécifique en la matière.
   § 4. [2 Pour les nouveaux centres de soins résidentiels, le cas échéant avec les centres de court séjour associés, le nombre d'heures de formation à organiser par la structure de soins est déterminé selon la formule suivante : H = P x M/12, où :
   1° H = le nombre d'heures de formation à organiser, arrondi à l'unité supérieure la plus proche si les deux premières décimales sont supérieures ou égales à 50 ;
   2° P = le nombre de résidents Cd admis dans le centre de soins résidentiels, en ce compris, le cas échéant, le centre de court séjour associé, le dernier jour du mois suivant le mois de l'agrément ;
   3° M = le nombre de mois compris entre le premier jour du mois suivant celui de l'agrément et la fin de l'année civile en cours.]2
.
   § 5. Le centre de soins résidentiels avec, le cas échéant, le centre de court séjour associé, a droit à l'intervention visée au paragraphe 1, [1 à partir du premier jour du mois au cours duquel la structure remplit les conditions visées dans ce paragraphe 3 et pour autant que le respect de ces conditions soit notifié au plus tard le même mois par le biais du questionnaire électronique visé à l'article 452]1. [1 Si cette notification a lieu ultérieurement, le centre de soins résidentiels a droit à l'intervention à partir du premier jour du mois au cours duquel le respect de ces conditions a été notifié. ]1
Onderafdeling 16. - Deel I: werkingssubsidie centrum voor kortverblijf
Sous-section 16. - Partie I : subvention de fonctionnement pour les centres de court séjour
Art. 503. De tegemoetkoming per verblijfsdag en per gebruiker voor de werkingsmiddelen van het centrum voor kortverblijf, die ingaat op 1 januari van het jaar volgend op de erkenning, wordt berekend conform de volgende formule: (2.543,78 euro x het aantal erkende entiteiten centrum voor kortverblijf op 31 december voorafgaand aan de factureringsperiode / [1 gemiddeld aantal bewoners in het woonzorgcentrum, in voorkomend geval samen met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, in de referentieperiode]1 / aantal dagen in de factureringsperiode).
  De tegemoetkoming, vermeld in het eerste lid, wordt in het vierde jaar volgend op de erkenning tot nul herleid als de gemiddelde bezetting tijdens de referentieperiode in het centrum voor kortverblijf minder bedraagt dan een vierde van het gemiddeld aantal erkende entiteiten centrum voor kortverblijf tijdens de referentieperiode.
  De tegemoetkoming, vermeld in het eerste lid, wordt vanaf het vijfde jaar volgend op de erkenning tot nul herleid als de gemiddelde bezetting tijdens de referentieperiode in het centrum voor kortverblijf minder bedraagt dan de helft van het gemiddeld aantal erkende entiteiten centrum voor kortverblijf tijdens de referentieperiode.
  [2 ...]2.
  
Art. 503. L'intervention par journée de séjour et par utilisateur pour les moyens de fonctionnement du centre de court séjour, qui prend court le 1er janvier de l'année suivant l'agrément, est calculée selon la formule suivante : (2 543,78euros x le nombre de centres de court séjour agréés au 31 décembre précédant la période de facturation / [1 nombre moyen de résidents du centre de soins résidentiels, le cas échéant y compris du centre de court séjour correspondant, pendant la période de référence]1 / nombre de jours dans la période de facturation).
  L'intervention visée à l'alinéa premier est ramenée à zéro au cours de la quatrième année suivant la reconnaissance si l'occupation moyenne au sein du centre de court séjour au cours de la période de référence est inférieure au quart du nombre moyen de centres de court séjour agréés pendant la période de référence.
  L'intervention visée à l'alinéa premier est ramenée à zéro à partir de la cinquième année suivant l'agrément si l'occupation moyenne au sein du centre de court séjour au cours de la période de référence est inférieure à la moitié du nombre moyen de centres de court séjour agréés pendant la période de référence.
  [2 ...]2.
  
Onderafdeling 17.
Sous-section 17.
Onderafdeling 18. [1 Deel K: Financiering van ondersteunend personeel ]1
Sous-section 18. [1 Partie K : Financement du personnel d'appui ]1
Art. 504/1. [1 De tegemoetkoming per verblijfsdag en per gebruiker voor de financiering van ondersteunend personeel bedraagt 3,92 euro. ]1
  
Art. 504/1. [1 L'intervention par jour de séjour et par utilisateur pour le financement du personnel d'appui s'élève à 3,92 euros. ]1
  
Onderafdeling 20.
Sous-section 20.
Onderafdeling 21.
Sous-section 21
Art. 504/4.
Art. 504/4.
Onderafdeling 22.
Sous-section 2 2
Afdeling 2. - De tegemoetkoming in de gesolidariseerde kosten van het incontinentiemateriaal
Division 2. L'intervention dans les frais solidarisés du matériel d'incontinence
Art. 505. De tegemoetkoming in de gesolidariseerde kosten van het incontinentiemateriaal bedraagt per verblijfsdag en per gebruiker 0,33 euro.
Art. 505. L'intervention dans les frais solidarisés du matériel d'incontinence s'élève à 0,33 euro par journée de séjour et par utilisateur.
Afdeling 3. [1 - De tegemoetkoming voor de opvang van personen in een centrum voor kortverblijf met een bijkomende erkenning]1
Section 3. [1 - L'allocation pour l'accueil des personnes dans un centre de court séjour titulaire d'un agrément supplémentaire]1
Art. 505/1. [1 De tegemoetkoming voor de opvang van personen in een centrum voor kortverblijf met een bijkomende erkenning bedraagt per verblijfsdag en per gebruiker 49,59 euro.]1
  
Art. 505/1. [1 L'allocation pour l'accueil des personnes dans un centre de court séjour titulaire d'un agrément supplémentaire s'élève à 49,59 euros par journée de séjour et par usager.]1
  
HOOFDSTUK 2. [1 - Tegemoetkoming voor zorg in een centrum voor dagverzorging]1
Chapitre 2. [1 - Intervention pour les soins dans un centre de soins de jour]1
Afdeling 1. [1 - Basistegemoetkoming voor zorg in een centrum voor dagverzorging]1
Division 1. [1 - Intervention de base pour les soins dans un centre de soins de jour]1
Art. 506. De basistegemoetkoming voor zorg in de [1 centra voor dagverzorging]1 wordt als volgt vastgesteld:
  1° voor de erkende [1 centra voor dagverzorging]1 voor zorgafhankelijke personen, per verblijfsdag en per gebruiker: 49,59 euro (F-forfait);
  2° voor de erkende [1 centra voor dagverzorging]1 voor personen met een ernstige ziekte, per verblijfsdag en per gebruiker: 93,47 euro (Fp-forfait).
  
Art. 506. L'intervention de base dans les soins dispensés dans le centre de soins de jour est déterminée comme suit :
  1° pour les centres de soins de jour agréés pour personnes dépendantes, par journée de séjour et par utilisateur : 49,59 euros (forfait F) ;
  2° pour les centres de soins de jour agréés pour personnes gravement malades, par journée de séjour et par utilisateur : 93,47 euros (forfait Fp).
  

Änderungen

[1]pas en français
Art. 506/1. [1 Als voor een bepaalde factureringsperiode een foutieve basistegemoetkoming voor zorg is bepaald, herberekent het agentschap de basistegemoetkoming voor zorg.
   Het agentschap recupereert het onterecht betaalde bedrag door de basistegemoetkoming voor zorg te verminderen, of het centrum voor dagverzorging recupereert het te weinig betaalde bedrag door de basistegemoetkoming voor zorg te verhogen. Die vermindering of verhoging wordt vanaf de dag waarop de herberekende tegemoetkoming gecommuniceerd wordt, toegepast gedurende een even lange periode als de periode waarin het centrum voor dagverzorging in het verleden onterecht de foutieve tegemoetkoming heeft ontvangen.
   Als het agentschap het onterecht betaalde bedrag niet kan recupereren door de basistegemoetkoming voor zorg te verminderen, wordt het onterecht betaalde bedrag van het centrum voor dagverzorging teruggevorderd. Als het centrum voor dagverzorging het onterecht betaalde bedrag niet kan recupereren door de basistegemoetkoming voor zorg te verhogen, betaalt het agentschap het te weinig betaalde bedrag rechtstreeks aan het centrum voor dagverzorging. ]1

  
Art. 506/1. [1 Si une intervention de base pour les soins incorrecte a été déterminée pour une période de facturation donnée, l'agence recalcule l'intervention de base pour les soins.
   L'agence récupère le montant payé indûment par diminution de l'intervention de base pour les soins ou bien le centre de soins de jour récupère le montant trop peu perçu par augmentation de l'intervention de base pour les soins. Cette diminution ou augmentation est appliquée, à partir du jour où l'intervention recalculée est communiquée, pendant une période d'une durée égale à celle durant laquelle le centre de soins de jour a indûment reçu par le passé l'intervention incorrecte.
   Si l'agence ne peut pas récupérer le montant payé indûment par diminution de l'intervention de base pour les soins, le montant payé indûment sera recouvré auprès du centre de soins de jour. Si le centre de soins de jour ne peut pas récupérer le montant trop peu perçu par augmentation de l'intervention de base pour les soins, l'agence paie le montant trop peu perçu directement au centre de soins de jour. ]1

  
Afdeling 2. [1 - De tegemoetkoming in de reiskosten centrum voor dagverzorging]1
Section 2. [1 - L'intervention dans les frais de déplacement d'un centre de soins de jour ]1
Art. 507. De tegemoetkoming in de reiskosten bedraagt per verblijfsdag en per gebruiker 0,34 euro per kilometer op grond van de werkelijke afstand tussen de hoofdverblijfplaats van de gebruiker en het [1 centrum voor dagverzorging]1 waar hij verblijft. De afstand tussen de hoofdverblijfplaats van de gebruiker en het [1 centrum voor dagverzorging]1 waar hij verblijft, wordt voor de toepassing van dit artikel beperkt tot maximum 15 kilometer.
  De tegemoetkoming, vermeld in het eerste lid, wordt toegekend zowel voor de verplaatsing van de verblijfplaats naar het [1 centrum voor dagverzorging]1 als voor de verplaatsing van het dagverzorgingscentrum naar de verblijfplaats.
  [2 De minister bepaalt de volgende regels:
   1° de wijze waarop de afstand, vermeld in het eerste lid, bepaald, bewaard en doorgegeven wordt;
   2° de wijze waarop en de situaties waarin de afstand, vermeld in het eerste lid, gewijzigd wordt;
   3° de afrondingsregels van de tegemoetkoming, vermeld in het eerste lid.]2

  
Art. 507. L'intervention dans les frais de déplacement par journée de séjour et par utilisateur s'élève à 0,34 euro par kilomètre en fonction de la distance réelle entre la résidence principale de l'utilisateur et le centre de soins de jour où il réside. Aux fins du présent article, la distance entre la résidence principale de l'utilisateur et le centre de soins de jour où il réside est limitée à un maximum de 15 kilomètres.
  L'intervention visée à l'alinéa premier est octroyée tant pour le transfert du lieu de résidence au centre de soins de jour que pour le transfert du centre de soins de jour au lieu de résidence.
  [1 Le ministre arrête les règles suivantes :
   1° la façon dont la distance visée à l'alinéa 1er est enregistrée et transférée;
   2° la façon dont et les situations dans lesquelles la distance visée à l'alinéa 1er est modifiée;
   3° les règles d'arrondi de l'intervention visée à l'alinéa 1er.]1

  
Deel 3. - Dagprijs en extra vergoedingen en voorschotten ten gunste van derden
Partie 3. - Prix journalier et indemnités et avances supplémentaires pour les tiers
Art. 508. De minister bepaalt welke kostprijselementen minimaal deel moeten uitmaken van de dagprijs en dus niet afzonderlijk mogen worden gefactureerd.
  De minister bepaalt eveneens:
  1° voor welke extra diensten en leveringen er een extra vergoeding aangerekend kan worden en, in voorkomend geval, onder welke voorwaarden die aangerekend mag worden;
  2° welke uitgaven als voorschotten ten gunste van derden beschouwd moeten worden.
  Voorschotten ten gunste van derden moeten gerechtvaardigd kunnen worden door een bewijsstuk.
Art. 508. Le ministre détermine les éléments de coût que le prix journalier doit inclure au minimum qui ne peuvent donc pas être facturés séparément.
  Il détermine également :
  1° les services et fournitures supplémentaires pour lesquels des indemnités supplémentaires peuvent être facturées et, le cas échéant, à quelles conditions ;
  2° les dépenses qui doivent être considérées comme des avances à des tiers.
  Les avances à des tiers seront justifiées à l'aide de pièces justificatives.
Art. 509. Extra vergoedingen moeten in de schriftelijke [1 opnameovereenkomst]1 met de bewoner uitdrukkelijk vermeld worden en behoren niet tot de minimale kostprijselementen van de dagprijs. De initiatiefnemer van het woonzorgcentrum, centrum voor kortverblijf of [1 centrum voor dagverzorging]1 moet op eenvoudig verzoek de bewijsstukken kunnen voorleggen die die uitgaven rechtvaardigen. De extra vergoeding mag alleen tegen marktconforme prijzen aangerekend worden. [1 De extra vergoeding is gebaseerd op een reële aantoonbare kostenberekening.]1
  
Art. 509. Les indemnités supplémentaires doivent être explicitement mentionnées dans [1 la convention d'admission écrite]1 avec le résident et ne font pas partie des éléments de coût minimaux du prix journalier. L'initiateur du centre de soins résidentiels, du centre de court séjour ou du centre de soins de jour doit être en mesure de fournir, sur simple demande, les documents justificatifs de ces dépenses. Les indemnités supplémentaires ne peuvent être facturées qu'aux prix du marché. [1 Les indemnités supplémentaires sont basées sur un calcul des frais réels démontrables.]1
  
Art. 509/1. [1 § 1. De dagprijzen en extra vergoedingen die in het woonzorgcentrum of centrum voor kortverblijf worden gehanteerd, alsook de regeling van de voorschotten ten gunste van derden, worden duidelijk geafficheerd op een centrale plaats die toegankelijk is voor alle bewoners, bezoekers en personeelsleden en wordt vermeld in een onthaalbrochure of op de website van de zorgvoorziening.
   § 2. Bij afwezigheid van de bewoner worden de door hem niet-gebruikte diensten en leveringen in mindering gebracht op de factuur en dit met een dagbedrag dat minstens 10% van de laagste dagprijs in het woonzorgcentrum bedraagt, exclusief de kortingen die op de dagprijs toegepast worden. De terugbetaling gaat in vanaf de eerste volledige dag dat een bewoner afwezig is.
   § 3. De zorgvoorziening moet kiezen tussen waarborg of borgstelling.
   Het bedrag van de waarborgsom, vermeld in het eerste lid, mag niet hoger zijn dan dertigmaal de dagprijs. Dat bedrag wordt op een geblokkeerde en gepersonaliseerde rekening geplaatst en de opbrengst ervan is voor de bewoner. Het gereserveerde bedrag wordt alleen gebruikt ter uitvoering van de bepalingen van de schriftelijke opnameovereenkomst of om een eventuele schadevergoeding voor opzettelijk veroorzaakte schade te betalen.
   Als er geopteerd wordt voor een borgstelling in het kader van artikel 2011 van het Burgerlijk Wetboek, dan kan dit alleen een kosteloze borgstelling door een privépersoon zijn als vermeld in artikel 2043bis tot en met 2043octies van het Burgerlijk Wetboek.
   § 4. De volgende bijkomende voorwaarden gelden voor een opname in een centrum voor kortverblijf:
   1° het bedrag van de waarborgsom mag niet hoger zijn dan zevenmaal de dagprijs;
   2° bewoners die alleen tijdens de nacht in het centrum voor kortverblijf worden opgenomen, betalen een aangepaste verblijfsvergoeding die lager ligt dan de dagprijs voor een aanwezigheid de klok rond.]1

  
Art. 509/1. [1 § 1er. Les prix à la journée et les indemnités supplémentaires appliqués dans le centre de soins résidentiels ou le centre de court séjour de même que le régime des avances en faveur de tiers sont clairement affichés à un endroit central accessible à tous les résidents, visiteurs et membres du personnel et sont mentionnés dans une brochure d'accueil ou sur le site web de la structure de soins.
   § 2. En cas d'absence du résident, les services et fournitures non utilisés par lui sont déduits de la facture, et ce, à concurrence d'un montant par jour d'au moins 10 % du prix à la journée le plus bas pratiqué dans le centre de soins résidentiels, à l'exclusion des ristournes appliquées sur le prix à la journée. Le remboursement prend cours à partir de la première journée complète d'absence d'un résident.
   § 3. La structure de soins doit choisir entre une garantie ou un cautionnement.
   Le montant de la caution visée à l'alinéa 1er ne peut pas excéder trente fois le prix à la journée. Ce montant est versé sur un compte bloqué et personnalisé et le produit en revient au résident. Le montant réservé sert uniquement à l'exécution des dispositions de la convention d'admission écrite ou à payer une indemnisation éventuelle pour dégâts volontairement causés.
   Si l'on opte pour un cautionnement dans le cadre de l'article 2011 du Code civil, il ne peut s'agir que d'un cautionnement à titre gratuit par une personne privée au sens des articles 2043bis à 2043octies du Code civil.
   § 4. Les conditions supplémentaires suivantes s'appliquent à une admission dans un centre de court séjour :
   1° le montant de la caution ne peut pas excéder sept fois le prix à la journée ;
   2° les résidents qui ne sont admis que la nuit au centre de court séjour paient une indemnité d'hébergement adaptée, qui est inférieure au prix à la journée pour une présence 24 heures sur 24.]1

  
Art. 509/2. [1 § 1. De dagprijzen en extra vergoedingen die in het centrum voor dagverzorging worden gehanteerd, alsook de regeling van de voorschotten ten gunste van derden, worden duidelijk geafficheerd op een centrale plaats die toegankelijk is voor alle personen die gebruik maken van het centrum voor dagverzorging, bezoekers en personeelsleden en wordt vermeld in een onthaalbrochure of op de website van de zorgvoorziening.
   Het overzicht van de dagprijzen voor een volledige en een halve dag, eventueel opgesplitst per kostensoort, en van de aangerekende extra vergoedingen die in het centrum voor dagverzorging worden gehanteerd, is beschikbaar in het centrum en wordt op eenvoudig verzoek aan het agentschap bezorgd.
   § 2. Voor het centrum voor dagverzorging geldt dat elk oproepsysteem inbegrepen is in de dagprijs. Als er zowel een vast oproepsysteem als een draagbaar oproepsysteem is, zijn beide inbegrepen in de dagprijs.
   Personen die gebruik maken van een centrum voor dagverzorging aan wie alleen tijdens de nacht in het centrum voor dagverzorging zorg en ondersteuning worden verstrekt, betalen een aangepaste dagprijs die lager is dan de dagprijs in een centrum voor kortverblijf, een centrum voor herstelverblijf of een centrum voor dagverzorging.
   § 3. Voor afwezigheden die uiterlijk de dag voordien worden gemeld, en voor perioden van opname in een ziekenhuis, een centrum voor herstelverblijf of in centrum voor kortverblijf mogen door het centrum voor dagverzorging geen dagprijs of extra vergoedingen gefactureerd worden.
   Voor afwezigheden die uiterlijk 48 uur voordien worden gemeld, en voor perioden van opname in een ziekenhuis, een centrum voor herstelverblijf of een centrum voor kortverblijf mag door het centrum voor dagverzorging geen annulatievergoeding gefactureerd worden. Evenmin mogen een dagprijs en extra vergoedingen worden aangerekend vanaf de dag die volgt op het overlijden van de gebruiker.
   Een reservatievergoeding kan niet worden aangerekend.
   § 4. Het centrum voor dagverzorging kan aan de gebruiker geen waarborgsom vragen.]1

  
Art. 509/2. [1 § 1er. Les prix à la journée et les indemnités supplémentaires appliqués dans le centre de soins de jour de même que le régime des avances en faveur de tiers sont clairement affichés à un endroit central accessible à toutes les personnes qui utilisent le centre de soins de jour, aux visiteurs et aux membres du personnel et sont mentionnés dans une brochure d'accueil ou sur le site web de la structure de soins.
   Le récapitulatif des prix à la journée pour une journée complète et une demi-journée, éventuellement ventilés par type de frais, et des indemnités supplémentaires facturées qui sont appliqués dans le centre de soins de jour est disponible au centre et est transmis à l'agence sur simple demande.
   § 2. En ce qui concerne le centre de soins de jour, chaque système d'appel est compris dans le prix à la journée. Si un système d'appel fixe et un système d'appel portable sont présents, tous deux sont compris dans le prix à la journée.
   Les personnes qui utilisent un centre de soins de jour auxquelles les soins et le soutien ne sont dispensés que la nuit dans le centre de soins de jour paient un prix à la journée adapté qui est inférieur au prix à la journée pratiqué dans un centre de court séjour, un centre de convalescence ou un centre de soins de jour.
   § 3. Pour les absences notifiées au plus tard la veille et pour les périodes d'hospitalisation ou d'admission dans un centre de convalescence ou dans un centre de court séjour, le centre de soins de jour ne peut pas facturer le prix à la journée ou des indemnités supplémentaires.
   Pour les absences notifiées au plus tard 48 heures d'avance et pour les périodes d'hospitalisation ou d'admission dans un centre de convalescence ou dans un centre de court séjour, le centre de soins de jour ne peut pas facturer d'indemnité d'annulation. Le prix à journée et des indemnités supplémentaires ne peuvent pas non plus être facturés à partir du lendemain du décès de l'usager.
   Une indemnité de réservation ne peut pas être facturée.
   § 4. Le centre de soins de jour ne peut pas réclamer de caution à l'usager.]1

  
Art. 510. De diensten, producten en premies die [2 kunnen]2 vergoed worden door de tegemoetkoming voor zorg in een woonzorgcentrum, centrum voor kortverblijf of [1 centrum voor dagverzorging]1 kunnen geen onderdeel zijn in de dagprijs van de woonzorgcentra, centra voor kortverblijf en [1 centra voor dagverzorging]1 en kunnen geen aanleiding geven tot een extra vergoeding of voorschot ten gunste van derden [2 , ongeacht of de voormelde voorzieningen de tegemoetkoming voor zorg factureren aan de zorgkassen of niet]2.
  Medische, verpleegkundige, [3 verzorgende en paramedische activiteiten]3 die voorzien zijn in de tegemoetkoming voor zorg in een woonzorgcentrum, centrum voor kortverblijf of [1 centrum voor dagverzorging]1 kunnen voor het bedrag dat niet gedekt wordt door die tegemoetkoming, onderdeel zijn van de dagprijs.
  
Art. 510. Les services, produits et primes [1 qui peuvent être couverts]1 par l'intervention dans les soins dispensés dans un centre de soins résidentiels, un centre de court séjour ou un centre de soins de jour ne peuvent faire partie du prix journalier des centres de soins résidentiels, des centres de court séjour et des centres de soins de jour ni donner lieu à une intervention supplémentaire ou à une avance en faveur de tiers [1 que les structures précitées facturent ou non l'intervention pour les soins aux caisses d'assurance soins]1.
  Les [2 activités de soins et paramédicales ]2 visées dans l'intervention dans les soins dispensés dans un centre de soins résidentiels, un centre de court séjour ou un centre de soins de jour peuvent faire partie du prix journalier à hauteur du montant non couvert par cette intervention.
  
Art. 510/1. [1 Als wordt vastgesteld dat de zorgvoorziening ten onrechte bepaalde kosten aanrekent, herziet de zorgvoorziening alle facturen tot minimaal een jaar voorafgaand aan de vaststelling en stort de eventueel ten onrechte aangerekende bedragen terug. De zorgvoorziening brengt het agentschap op de hoogte van het resultaat van de voormelde herziening en levert het bewijs dat de eventueel ten onrechte aangerekende bedragen zijn teruggestort.]1
  
Art. 510/1. [1 S'il est établi que la structure de soins facture certains frais indûment, la structure de soins revoit toutes les factures jusqu'à un an minimum avant le constat et rembourse les montants éventuellement facturés indûment. La structure de soins informe l'agence du résultat de la révision précitée et produit la preuve du remboursement des montants éventuellement facturés indûment.]1
  
Deel 4. - Indexering
Partie 4. - Indexation
Art. 511. De bedragen vermeld in dit boek worden geïndexeerd overeenkomstig de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld, waarbij de verhoging of de vermindering wordt toegepast vanaf de eerste maand die volgt op de maand waarvan het indexcijfer het cijfer bereikt dat een wijziging rechtvaardigt.
  Die koppeling aan het indexcijfer wordt berekend en toegepast conform artikel 2 [1 , § 2,]1 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen.
  De bedragen vermeld in dit boek zijn gekoppeld aan het spilindexcijfer 103,04 (1 juni 2017; basis 2013=100).
  
Art. 511. Les montants mentionnés dans le présent document sont indexés conformément à la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public, et dont l'augmentation ou la diminution est appliquée dès le premier mois suivant celui au cours duquel l'indice atteint le chiffre justifiant la variation.
  Cette liaison à l'indice est appliquée conformément à l'article 2 [1 , § 2,]1 de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays.
  Les montants mentionnés dans le présent document sont liés à l'indice pivot 103.04 (1er juin 2017 ; base 2013=100).
  
Deel 5. - Zorgkassencommissie
Partie 5. - Commission des caisses d'assurance soins
Titel 1. - Woonzorgcentrum en centrum voor kortverblijf
Titre 1. - Centre de soins résidentiels et centre de court séjour
Art. 512. Het agentschap kan elke maand een willekeurige selectie maken van 10 % van de woonzorgcentra, in voorkomend geval met de bijbehorende centra voor kortverblijf, die binnen het toepassingsgebied van dit besluit vallen. In de loop van die maand worden die zorgvoorzieningen daarvan in kennis gesteld. Een aantal ervan worden door het agentschap willekeurig gekozen. Daarbij wordt rekening gehouden met de geografische spreiding en het aantal entiteiten waarvoor die zorgvoorzieningen zijn erkend. In die woonzorgcentra, in voorkomend geval met de bijbehorende centra voor kortverblijf, stelt de Zorgkassencommissie in de maand die daarop volgt, de afhankelijkheidscategorie van de bewoners vast. De datum van het bezoek wordt vooraf via een aangetekende brief meegedeeld.
  Het eerste lid doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de Zorgkassencommissie om in de door [1 de administratie]1 geselecteerde woonzorgcentra, in voorkomend geval met de bijbehorende centra voor kortverblijf, zonder voorafgaande aankondiging gerichte controles te verrichten. [1 De datum van het bezoek wordt in dat geval vooraf met een aangetekende brief meegedeeld.]1 Voor zover de procedure, vermeld in de artikel 513 tot en met 516, nageleefd wordt, kunnen die controles uitmonden in dezelfde maatregelen als de maatregelen, vermeld in artikel 517 en 518.
  De leden van de Zorgkassencommissie kunnen op elk moment de afhankelijkheidscategorie van een bewoner wijzigen, na een lichamelijk onderzoek.
  
Art. 512. L'agence peut procéder chaque mois à une sélection aléatoire de 10 % des centres de soins résidentiels avec, le cas échéant, les centres de court séjour associés, relevant du champ d'application de la présente décision. Au cours de ce mois, ces institutions de soins en sont informées. Certaines d'entre elles seront choisies au hasard par l'agence. Dans ce cadre, la répartition géographique et le nombre d'entités pour lesquelles ces institutions de soins sont reconnues sont pris en compte. La Commission des caisses d'assurance soins détermine dans ces centres de soins résidentiels avec, le cas échéant, les centres de court séjour associés, la catégorie de dépendance des résidents au cours du mois suivant. La date de la visite est communiquée au préalable par lettre recommandée.
  Le premier alinéa ne porte aucunement préjudice à la compétence de la Commission des caisses d'assurance soins d'effectuer des contrôles ciblés sans préavis dans les centres de soins résidentiels et, le cas échéant, les centres de court séjour associés, qu'elle sélectionne. [1 Le cas échéant, la date de la visite est communiquée au préalable par lettre recommandée.]1 Sous réserve du respect de la procédure visée aux articles 513 à 516 inclus, ces contrôles peuvent aboutir aux mêmes mesures que celles visées aux articles 517 et 518.
  La Commission des caisses d'assurance soins peut changer à tout moment la catégorie de dépendance d'un résident au terme d'un examen médical.
  
Art. 513. § 1. In de woonzorgcentra, in voorkomend geval met de bijbehorende centra voor kortverblijf, met in totaal vijftig of minder bewoners, worden alle bewoners onderzocht. In de woonzorgcentra, in voorkomend geval met de bijbehorende centra voor kortverblijf, met meer dan vijftig bewoners wordt minstens 20% van alle bewoners onderzocht, met een minimum van vijftig bewoners. Die bewoners worden willekeurig gekozen door de Zorgkassencommissie. Dat gebeurt aan de hand van een lijst die ter beschikking wordt gesteld door de desbetreffende zorgvoorziening en waarop alle bewoners vermeld staan in alfabetische volgorde, zonder vermelding van de afhankelijkheidscategorie en van de zorgkas van de bewoner. De afhankelijkheidscategorie van de bewoner wordt bij uitzondering wel vermeld, als hij tot de afhankelijkheidscategorie D behoort. De woonzorgcentra, in voorkomend geval met de bijbehorende centra voor kortverblijf, stellen ook de volgende lijsten ter beschikking van de Zorgkassencommissie:
  1° een lijst met de samenstelling van het contractueel of statutair personeel op de dag van het bezoek;
  2° onder gesloten omslag, een lijst van alle bewoners die aanwezig zijn op de dag van het bezoek, met vermelding van hun afhankelijkheidscategorie op de datum van de aangetekende brief, vermeld in artikel 512, eerste lid, ofwel op de dag van het bezoek, in geval artikel 512, tweede lid, van toepassing is.
  § 2. [2 ...]2
  Voor de bewoners die zijn ingedeeld in de afhankelijkheidscategorie D of Cd op basis van een gespecialiseerd diagnostisch bilan dementie, zal de Zorgkassencommissie nagaan of de datum van het gespecialiseerd diagnostisch bilan voor dementie dat is opgesteld door een [1 arts-specialist]1 in de neurologie, geriatrie of psychiatrie, wel degelijk is vermeld in het verzorgingsdossier vermeld in artikel 450. Als dat niet het geval is, worden die patiënten opnieuw ondergebracht in de afhankelijkheidscategorie die overeenstemt met hun fysieke en psychische afhankelijkheid tijdens het bezoek.
  [2 ...]2
  
Art. 513. § 1er. Dans les centres de soins résidentiels, y compris, le cas échéant, les centres de court séjour associés, comptant au total 50 résidents ou moins, tous les résidents doivent être examinés. Dans des centres de soins résidentiels, y compris, le cas échéant, les centres de court séjour associés, comptant plus de 50 résidents, au moins 20% de tous les résidents, avec un minimum de 50 résidents, doivent être examinés. Ces résidents sont choisis au hasard par la Zorgkassencommissie (Commission des caisses d'assurance soins). Ce choix a lieu sur la base d'une liste mise à disposition par la structure de soins concernée et sur laquelle tous les résidents sont classés par ordre alphabétique, sans mentionner la catégorie de dépendance et la caisse d'assurance du résident. La catégorie de dépendance du résident est exceptionnellement mentionnée s'il appartient à la catégorie de dépendance D. Les centres de soins résidentiels, y compris, le cas échéant, les centres de court séjour associés, mettent également les listes suivantes à la disposition de la Zorgkassencommissie :
  1° une liste indiquant la composition du personnel contractuel ou statutaire au jour de la visite ;
  2° sous pli fermé, une liste de tous les résidents présents le jour de la visite, indiquant leur catégorie de dépendance par rapport à la date de la lettre recommandée visée à l'article 512, alinéa 1er, ou le jour de la visite, dans le cas où l'article 512, alinéa 2, est applicable.
  § 2. [1 ...]1
  Pour les résidents classés dans la catégorie de dépendance D ou Cd sur la base d'un bilan diagnostique spécialisé pour la démence, la Zorgkassencommissie vérifiera si la date du bilan diagnostique spécialisé pour la démence établi par un médecin spécialiste en neurologie, gériatrie ou psychiatrie est bien mentionnée dans le dossier de soins visé à l'article 450. Dans le cas contraire, ces patients sont réaffectés à la catégorie de dépendance correspondant à leur dépendance physique et psychologique pendant la visite.
  [2 ...]2
  
Art. 514. De leden van de Zorgkassencommissie kunnen voor de uitvoering van hun opdracht het individueel verzorgingsdossier van de bewoner raadplegen. De leden van de Zorgkassencommissie kunnen eveneens de behandelend arts vragen hem alle medische informatie te verstrekken die hij nodig acht.
Art. 514. Les membres de la Zorgkassencommissie peuvent consulter le dossier individuel de soins du résident pour l'exécution de leur mission. Les membres de la Zorgkassencommissie peuvent également demander au médecin traitant de leur fournir toutes les informations médicales qu'il juge nécessaires.
Art. 515. De beslissingen van de Zorgkassencommissie worden meegedeeld aan de desbetreffende zorgvoorziening, de zorgkas, de verzekeringsinstelling en aan het agentschap. De minister bepaalt de nadere modaliteiten met betrekking tot de inwerkingtreding van de beslissing van de Zorgkassencommissie.[1 De zorgvoorziening past binnen tien werkdagen na de beslissing van de Zorgkassencommissie de afhankelijkheidscategorieën aan die beslissing aan, conform artikel 436, eerste lid. De Zorgkassencommissie gaat na of de zorgvoorziening de nodige aanpassingen heeft aangebracht. Als de zorgvoorziening gebruikmaakt van de procedure, vermeld in het derde lid, past de zorgvoorziening de afhankelijkheidscategorieën pas aan na afloop van die procedure.]1
  Tegelijkertijd wordt aan het agentschap de afhankelijkheidscategorie meegedeeld waarin de bewoner was gerangschikt vóór het onderzoek, op basis van de indicatiestelling die ingediend is ter uitvoering van artikel 435, 440, 441 of 442. Het gaat om de afhankelijkheidscategorie op de datum van de aangetekende brief waarin de datum van het bezoek wordt aangekondigd[1 ...]1.
  Als het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, niet akkoord kan gaan met de beslissing, vermeld in het eerste lid, beschikt het over een termijn van vijftien werkdagen vanaf de datum van de ontvangst van de beslissing om via een aangetekende brief aan het secretariaat van de Zorgkassencommissie zijn argumenten mee te delen ter attentie van het team van de Zorgkassencommissie dat die beslissing heeft genomen. Dat team kan zijn beslissing herzien met terugwerkende kracht tot de datum van de inwerkingtreding van de herziene beslissing, eventueel na een nieuw bezoek in het woonzorgcentrum of het centrum voor kortverblijf. Het resultaat daarvan wordt meegedeeld binnen twee maanden die volgen op de datum van de eerste controle. Bij gebrek daaraan worden de aanvragen tot herziening als aanvaard beschouwd, met terugwerkende kracht tot de datum van de inwerkingtreding van de herziene beslissing.
  Als gebruik wordt gemaakt van de procedure, vermeld in het derde lid, begint de termijn van drie maanden waarbinnen het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf een gerechtelijke handeling kan ondernemen op basis van 146, § 4 [1 artikel]1 van het decreet van 18 mei 2018, te lopen vanaf de datum waarop de definitieve beslissing van de Zorgkassencommissie aan de zorgvoorziening meegedeeld werd. Die procedure werkt niet schorsend voor de inwerkingtreding van de beslissing van de Zorgkassencommissie als vermeld in het eerste lid.
  [1 De Zorgkassencommissie bezorgt binnen 25 werkdagen na het bezoek alle informatie die nodig is in het kader van artikel 516 en artikel 517, aan het agentschap. Als de Zorgkassencommissie die informatie laattijdig bezorgt aan het agentschap, doet dat geen afbreuk aan haar beslissingen. Als de zorgvoorziening zich beroept op de procedure, vermeld in het derde lid, brengt de Zorgkassencommissie het agentschap daarvan onmiddellijk op de hoogte.]1
  
Art. 515. Les décisions de la Zorgkassencommissie sont communiquées à la structure de soins concernée, à la caisse d'assurance soins, à l'entreprise d'assurance et à l'Agence. Le Ministre fixe les modalités relatives à l'entrée en vigueur de la décision de la Zorgkassencommissie.[1 Dans les dix jours ouvrables suivant la décision de la Commission des caisses d'assurance soins, la structure de soins adapte les catégories de dépendance à cette décision, conformément à l'article 436, alinéa 1er. La Commission des caisses d'assurance soins vérifie si la structure de soins a procédé aux adaptations nécessaires. Si la structure de soins utilise la procédure visée à l'alinéa 3, elle n'adapte les catégories de dépendance qu'à l'issue de cette procédure. ]1
  Simultanément, l'Agence est informée de la catégorie de dépendance dans laquelle le résident était classé avant l'examen, sur la base de l'indication fournie conformément aux articles 435, 440, 441 ou 442. Il s'agit de la catégorie de dépendance à la date de la lettre recommandée annonçant la date de la visite[1 ...]1.
  Si le centre de soins résidentiels et, le cas échéant, le centre de court séjour associé n'approuve pas la décision visée au paragraphe 1, il dispose d'un délai de quinze jours ouvrables à compter de la date de réception de la décision pour communiquer, par lettre recommandée adressée au secrétariat de la Zorgkassencommissie, ses arguments à l'équipe de la Zorgkassencommissie qui a pris cette décision. Cette équipe peut réexaminer sa décision avec effet rétroactif à compter de la date d'entrée en vigueur de la décision révisée, éventuellement après une nouvelle visite dans le centre de soins résidentiels ou le centre de court séjour. Le résultat est communiqué dans les deux mois suivant la date du premier contrôle. A défaut, les demandes de révision sont considérées comme acceptées avec effet rétroactif à compter de la date d'entrée en vigueur de la décision révisée.
  En cas de recours à la procédure visée au troisième alinéa, le délai de trois mois dans lequel le centre de soins résidentiels, le cas échéant avec son centre de court séjour, peut engager une action en justice sur la base de l'article 146, § 4 du décret du 18 mai 2018, commence à courir à compter de la date à laquelle la décision définitive de la Zorgkassencommissie lui a été communiquée. Cette procédure ne suspend pas l'entrée en vigueur de la décision de la Zorgkassencommissie visée au premier alinéa.
  [1 La Commission des caisses d'assurance soins fournit à l'agence, dans les 25 jours ouvrables suivant la visite, toutes les informations nécessaires dans le cadre des articles 516 et 517. Si la Commission des caisses d'assurance soins fournit ces informations à l'agence au-delà du délai fixé, cela ne porte pas préjudice à ses décisions. Si la structure de soins recourt à la procédure, visée à l'alinéa 3, la Commission des caisses d'assurance soins en informe immédiatement l'agence.]1
  
Art. 516. Het agentschap vergelijkt de afhankelijkheidscategorieën van de onderzochte bewoner voor en na het onderzoek aan de hand van het volgende schema:
Art. 516. L'agence compare les catégories de dépendance du résident examiné avant et après l'enquête selon le schéma suivant :
Categorie vóór Onderzoek Li 0 A B C Cd D Totaal
0 LiCi (00) OA OB OC OCd OD Li
A AO LiCi (AA) AB AC ACd AD Li
B BO BA LiCi (BB) BC BCd BD Li
C CO CA CB LiCi (CC) CCd CD Li
Cd Cd0 CdA CdB CdC LiCi (CdCd) CdD Li
D DO DA DB DC DCd L° iCi (DD) Li
Totaal Ci Ci Ci Ci Ci Ci N
Categorie vóór Onderzoek Li 0 A B C Cd D Totaal0 LiCi (00) OA OB OC OCd OD LiA AO LiCi (AA) AB AC ACd AD LiB BO BA LiCi (BB) BC BCd BD LiC CO CA CB LiCi (CC) CCd CD LiCd Cd0 CdA CdB CdC LiCi (CdCd) CdD LiD DO DA DB DC DCd L° iCi (DD) LiTotaal CiCiCiCiCiCiN
Li = totaal lijn Li
  Ci = totaal kolom Ci
  LiCi = akkoord in de categorie
  N = totaal observaties
  Het concordantiepercentage (Kappa) tussen de twee evaluaties wordt gemeten aan de hand van de volgende formule : Kappa = (Po - Pe)/(1 - Pe); concordantiecoëfficiënt, waarbij: Po = (sigmaLiCi)/N; geobserveerde populatie en Pe = (sigmaLi x Ci)/N2; verwachte populatie.
  Het resultaat wordt afgerond op twee cijfers na de komma.
  Als Kappa kleiner is dan 0,55, wordt in het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, de indicatiestelling op problematische wijze toegepast. Als Kappa kleiner is dan 0,40, wordt in het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, de indicatiestelling op significante wijze verkeerd toegepast.
Catégorie avant examen Li 0 A B C Cd D Total
0 LiCi (00) OA OB OC OCd OD Li
A AO LiCi (AA) AB AC ACd AD Li
B BO BA LiCi (BB) BC BCd BD Li
C CO CA CB LiCi (CC) CCd CD Li
Cd Cd0 CdA CdB CdC LiCi (CdCd) CdD Li
D DO DA DB DC DCd L° iCi (DD) Li
Total Ci Ci Ci Ci Ci Ci N
Catégorie avant examen Li 0 A B C Cd D Total0 LiCi (00) OA OB OC OCd OD LiA AO LiCi (AA) AB AC ACd AD LiB BO BA LiCi (BB) BC BCd BD LiC CO CA CB LiCi (CC) CCd CD LiCd Cd0 CdA CdB CdC LiCi (CdCd) CdD LiD DO DA DB DC DCd L° iCi (DD) LiTotal CiCiCiCiCiCiN
Li = total ligne Li
  Ci = total colonne Ci
  LiCi = accord dans la catégorie
  N = total observations
  Le taux de concordance (Kappa) entre les deux évaluations est mesuré à l'aide de la formule suivante : Kappa = (Po - Pe)/(1 - Pe); coefficient de concordance, où : Po = (sigmaLiCi)/N ; population observée et Pe = (sigmaLi x Ci)/N2 ; population prévue.
  Le résultat est arrondi à deux chiffres après la virgule.
  Si Kappa est inférieur à 0,55, l'indication est appliquée de manière problématique dans le centre de soins pour résidentiels, le cas échéant avec le centre de soins de courte durée correspondant. Si Kappa est inférieur à 0,40, l'indication est significativement mal appliquée dans le centre de soins résidentiels, ainsi que le centre de court séjour associé le cas échéant.
Art. 517. In geval het gaat om een woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, dat, na een eventuele aanpassing als vermeld in artikel 515, derde lid, in toepassing van artikel 516 de indicatiestelling op problematische wijze of op significante wijze verkeerd toegepast, berekent het agentschap de financiële weerslag van de discordantie.
  De discordantie, vermeld in het eerste lid, komt overeen met het verschil tussen de financiering F1 en de financiering F2, waarbij:
  1° F1 = de financiering van het deel A1 van de basistegemoetkoming voor zorg in een woonzorgcentrum en in voorkomend geval in een centrum voor kortverblijf, berekend conform artikel 474 tot en met 486, op basis van het aantal bewoners per afhankelijkheidscategorie op de datum van het bezoek, vóór de beslissingen van de Zorgkassencommissie, en van het personeelseffectief op de datum van het bezoek;
  2° F2 = de financiering van het deel A1 van de basistegemoetkoming voor zorg in een woonzorgcentrum en in voorkomend geval in een centrum voor kortverblijf berekend conform artikel 474 tot en met 486, op basis van het aantal bewoners per afhankelijkheidscategorie na de beslissingen van de Zorgkassencommissie, en op basis van het personeelseffectief op de datum van het bezoek.
  Bij de berekening van de financiering, vermeld in het tweede lid, 1° en 2°, wordt uitgegaan van de loonkosten, vermeld in artikel 480;
  Bij de vergelijking van F1 met F2 bestaan de volgende situaties :
  1° als Kappa kleiner is dan 0,55 maar gelijk is aan of groter dan 0,4 :
  a) is het verschil tussen F1 en F2 kleiner dan of gelijk aan 5%, dan wordt dat resultaat aan het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf meegedeeld en geldt dat als een waarschuwing, die een nieuwe onaangekondigde controle van de bewoners tot gevolg kan hebben binnen een termijn van een jaar na de eerste controle;
  b) is F1 groter dan F2 met een percentage groter dan 5 %, dan wordt het bedrag van het deel A1 van de basistegemoetkoming voor zorg in een woonzorgcentrum en in voorkomend geval in [1 een centrum]1 voor kortverblijf, verminderd met dat percentage gedurende een periode van zes maanden;
  c) is F1 kleiner dan F2 met een percentage groter dan 5%, dan wordt het bedrag van het deel A1 van de basistegemoetkoming voor zorg in een woonzorgcentrum en in voorkomend geval in een centrum voor kortverblijf verminderd met 5% gedurende een periode van zes maanden, als blijkt dat het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, op de dag van de beslissingen van de Zorgkassencommissie, niet beschikte over voldoende personeel om te beantwoorden aan de normen, vermeld in artikel 429 tot en met 432, en titel 3, ingevolge de beslissingen van de Zorgkassencommissie;
  2° als Kappa kleiner is dan 0,4 :
  a) als F1 kleiner is dan F2, wordt het bedrag van het deel A1 van de basistegemoetkoming voor zorg in een woonzorgcentrum en in voorkomend geval in een centrum voor kortverblijf gedurende een periode van zes maanden met 5% verminderd, als gebleken is dat het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, op de dag waarop de Zorgkassencommissie de beslissingen heeft genomen, niet beschikte over voldoende personeel om te beantwoorden aan de normen, vermeld in artikel 429 tot en met 432, en titel 3, ten gevolge van de beslissing van de Zorgkassencommissie;
  b) als F1 groter is dan F2 met een percentage van 5% of minder, wordt het bedrag van deel A1 van de basistegemoetkoming voor zorg in een woonzorgcentrum en in voorkomend geval in een centrum voor kortverblijf gedurende een periode van zes maanden verminderd met dat percentage, dat vermenigvuldigd wordt met 1,01;
  c) als F1 groter is dan F2 met een percentage van meer dan 5%, wordt het bedrag van het deel A1 van de basistegemoetkoming voor zorg in een woonzorgcentrum en in voorkomend geval in een centrum voor kortverblijf gedurende een periode van zes maanden verminderd met dat percentage dat vermenigvuldigd wordt met 1,5.
  
Art. 517. Dans le cas d'un centre de soins résidentiels et, le cas échéant, du centre de court séjour associé qui, après une adaptation éventuelle visée à l'article 515, paragraphe 3, applique en application de l'article 516 l'indication de manière problématique ou significativement erronée, l'Agence calcule l'incidence financière de la discordance.
  La discordance visée au premier alinéa correspond à la différence entre le financement F1 et le financement F2, où :
  1° F1 = le financement de la partie A1 de l'intervention de base pour les soins dans un centre de soins résidentiels et, le cas échéant, dans un centre de court séjour, calculé conformément aux articles 474 à 486 inclus, sur la base du nombre de résidents par catégorie de dépendance à la date de la visite, avant les décisions de la Zorgkassencommissie, et sur l'efficacité du personnel à la date de la visite ;
  2° F2 = le financement de la partie A1 de l'intervention de base pour les soins dans un centre de soins résidentiels et, le cas échéant, dans un centre de court séjour, calculé conformément aux articles 474 à 486 inclus, sur la base du nombre de résidents par catégorie de dépendance, conformément aux décisions de la Zorgkassencommissie, et sur la base de l'effectif à la date du séjour.
  Le calcul du financement visé au deuxième alinéa, 1° et 2°, est basé sur les coûts salariaux visés à l'article 480 ;
  En comparant F1 avec F2, les situations suivantes existent :
  1° si Kappa est inférieur à 0,55 mais égal ou supérieur à 0,4 :
  a) si la différence entre F1 et F2 est inférieure ou égale à 5%, ce résultat est communiqué au centre de soins résidentiels, ainsi le cas échéant qu'au centre de court séjour associé, et est considéré comme un avertissement qui peut entraîner un nouveau contrôle inopiné des résidents dans un délai d'un an après le premier contrôle ;
  b) si F1 est supérieur à F2 avec un pourcentage supérieur à 5%, le montant de la partie A1 de l'intervention de base pour les soins dans un centre de soins résidentiels et, le cas échéant, dans un centre de court séjour est réduit de ce pourcentage pendant une période de six mois ;
  c) si F1 est inférieur à F2 avec un pourcentage supérieur à 5%, le montant de la partie A1 de l'intervention de base pour les soins dans un centre de soins résidentiels et, le cas échéant, dans un centre de court séjour est réduit de 5% pendant une période de six mois s'il est établi que ce centre avec, le cas échéant, le centre de court séjour associé, ne disposait pas, au jour des décisions de la Zorgkassencommissie, d'effectifs suffisants pour répondre aux normes visées aux articles 429 à 432 inclus, et au titre 3, suite aux décisions de la Zorgkassencommissie ;
  2° si Kappa est inférieur à 0,4 :
  a) si F1 est inférieur à F2, le montant de la partie A1 de l'intervention de base pour les soins dans un centre de soins résidentiels et, le cas échéant, un centre de court séjour est réduit de 5% pendant une période de six mois s'il est établi que le centre de soins résidentiels et, le cas échéant, le centre de court séjour associé ne disposait pas, au jour des décisions de la Zorgkassencommissie, d'effectifs suffisants pour satisfaire aux normes visées aux articles 429 à 432 et au titre 3 suite à la décision de la Zorgkassencommissie ;
  b) si F1 est supérieur à F2 avec un pourcentage de 5% ou moins, le montant de la partie A1 de l'intervention de base pour les soins dans un centre de soins résidentiels et, le cas échéant, dans un centre de court séjour est réduit de ce pourcentage, multiplié par 1,01, pendant une période de six mois ;
  c) si F1 est supérieur à F2 avec un pourcentage supérieur à 5%, le montant de la partie A1 de l'intervention de base pour les soins dans un centre de soins résidentiels et, le cas échéant, dans un centre de court séjour est réduit de ce pourcentage, multiplié par 1,5, pendant une période de six mois ;
  

Änderungen

----------
Art. 518. Het schema, vermeld in artikel 516, en het Kappa worden door het agentschap overgemaakt aan het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf. Als artikel 517 wordt toegepast, deelt het agentschap het percentage van de vermindering van het deel A1 van de basistegemoetkoming voor zorg in een woonzorgcentrum en in voorkomend geval in een centrum voor kortverblijf mee aan de zorgkassen en het woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, alsook het aangepaste bedrag van het deel A1. Die vermindering gaat in op de eerste dag van de maand die volgt op de datum van kennisgeving en geldt voor een periode van zes maanden.
Art. 518. L'agence transfère le schéma visé à l'article 516 et le Kappa au centre de soins résidentiels et, le cas échéant, au centre de court séjour correspondant. En cas d'application de l'article 517, l'Agence communique le pourcentage de réduction de la partie A1 de l'intervention de base pour les soins dans un centre de soins résidentiels et, le cas échéant, dans un centre de court séjour, aux caisses d'assurance soins et au centre de soins résidentiels, ainsi que, le cas échéant, au centre de court séjour correspondant, ainsi que le montant modifié de la partie A1. Cette réduction prend effet le premier jour du mois qui suit la date de l'avis et court pour une période de six mois.
Titel 2. - [1 Centrum voor dagverzorging]1
Titre 2. - Centre de soins de jour
Art. 519. Artikel 512 tot en met 515 zijn van overeenkomstige toepassing op de controle op de indicatiestellingen van personen die gebruik maken van een [1 centrum voor dagverzorging]1 die aanwezig zijn in het desbetreffende dagverzorgingscentrum.
  
Art. 519. Les articles 512 à 515 s'appliquent mutatis mutandis au contrôle des indications des personnes fréquentant un centre de soins de jour qui sont présentes dans le centre de soins de jour en question.
  

Änderungen

----------
Deel 6. - Facturatie
Partie 6. - Facturation
Art. 520. De tegemoetkoming voor zorg in een woonzorgcentrum, een centrum voor kortverblijf of een [1 centrum voor dagverzorging]1, die toegekend is aan de gebruiker conform de bepalingen van dit besluit, wordt via een trekkingsrecht van de gebruiker uitbetaald door de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten, aan het woonzorgcentrum, het centrum voor kortverblijf of het [1 centrum voor dagverzorging]1 waarop de gebruiker beroep doet, overeenkomstig de bepalingen van dit deel.
  De facturatie aan de zorgkas van de tegemoetkoming, vermeld in het eerste lid, dient steeds te worden voorafgegaan door de goedkeuring van de aanmelding van de gebruiker door de zorgkas conform artikel 438.
  
Art. 520. L'intervention de prise en charge dans un centre de soins résidentiels, un centre court séjour ou un centre de soins de jour accordée à l'usager conformément aux dispositions du présent arrêté est versée au centre de soins résidentiels ou au centre de soins de jour auquel il a accès par un droit de tirage de l'usager, par la caisse d'assurance soins auquel il est affilié, conformément aux dispositions de la présente partie.
  La facturation à la caisse d'assurance soins de l'intervention visée au premier alinéa doit toujours être précédée de l'approbation de l'inscription de l'usager par la caisse d'assurance soins conformément à l'article 438.
  

Änderungen

----------
Art. 521. § 1. De woonzorgcentra, de centra voor kortverblijf en de [2 centra voor dagverzorging]2 factureren de tegemoetkoming voor zorg in een woonzorgcentrum, een centrum voor kortverblijf of een [2 centrum voor dagverzorging]2 aan de zorgkas waarbij de gebruiker, die recht heeft op een tegemoetkoming, is aangesloten. De facturatie door die zorgvoorzieningen gebeurt op maandelijkse basis en per zorgkas, via een digitale applicatie.
  Woonzorgcentra, centra voor kortverblijf en [2 centra voor dagverzorging]2 die geen gebruik maken van een digitale applicatie als vermeld in het eerste lid, kunnen niet factureren aan de zorgkassen. Artikel 531 tot en met 534 zijn van toepassing in het kader van de facturatie door de woonzorgcentra, de centra voor kortverblijf en de [2 centra voor dagverzorging]2.
  [3 De minister bepaalt de instructies voor de digitale facturatie die betrekking hebben op de algemene procedure, de recordtekening en de beschrijving van de velden. ]3
  § 2. [2 De zorgvoorziening maakt, voor de facturatie, vermeld in paragraaf 1, maandelijks een digitale [4 factuur]4 op per gebruiker en per zorgkas.
   De digitale [4 factuur]4 bevat al de volgende rubrieken:
   1° de gegevens van de gebruiker;
   2° de gegevens van de zorgvoorziening;
   3° de gegevens van de zorgkas;
   4° een overzicht van de verblijfsduur;
   5° een overzicht van de aangerekende dagprijs;
   6° een overzicht van de toegestane kortingen op de dagprijs;
   7° een overzicht van de aangerekende extra vergoedingen die boven op de dagprijs in rekening zijn gebracht;
   8° in voorkomend geval een overzicht van de voorschotten ten gunste van derden;
   9° in voorkomend geval een overzicht van de in mindering gebrachte bedragen voor niet-gebruikte diensten en leveringen, in het bijzonder bij tijdelijke afwezigheid of bij overlijden;
   10° in voorkomend geval een overzicht van de al betaalde bedragen voor de afgelopen verblijfsperiode en de te betalen bedragen voor de volgende maand;
   11° het totale verschuldigde nettobedrag, dat de bewoner of zijn vertegenwoordiger moet betalen;
   12° het bedrag van de tegemoetkoming voor zorg in een woonzorgcentrum, centrum voor kortverblijf of centrum voor dagverzorging.
   De gegevens, vermeld in het eerste lid, 1°, worden beperkt tot de gegevens die noodzakelijk zijn voor het opstellen en verwerken van de digitale [4 factuur]4.
   De minister kan nadere regels bepalen over de structuur en de prestatiecodes van de digitale [4 factuur]4]2
.
  § 3. Het bedrag van de [4 facturen]4 die aan de zorgkassen worden voorgelegd, is verschuldigd zodra ze zijn ontvangen, onder voorbehoud van latere rechtzettingen.
  § 4. De maandelijkse [4 facturen]4 moeten correct en volledig worden ingevuld, bij gebreke waarvan ze worden geweigerd en teruggestuurd naar de betreffende zorgvoorziening.
  De [4 facturen]4 moeten in overeenstemming zijn met de voorwaarden inzake de toekenning van de gefactureerde tegemoetkomingen, vermeld in het decreet van 18 mei 2018 en in dit besluit.
  De onderdelen van de [4 factuur]4die niet in overeenstemming zijn met de voorwaarden, vermeld in het tweede lid, worden verworpen. Bundels van [4 facturen]4 waarvan het aantal verworpen onderdelen een door de minister bepaald aandeel bereikt, worden in hun geheel geweigerd.
  § 5. [4 facturen]4 die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1 tot en met 4, worden ten laatste uitbetaald door de zorgkas binnen een termijn van zes weken vanaf de datum van de ontvangst van de correct en volledig ingevulde [4 factuur]4, met uitzondering van de onderdelen die niet in overeenstemming zijn met de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1 tot en met 4.
  § 6. Conform artikel 486, § 5, ontvangt een nieuwe zorgvoorziening tijdens het kwartaal van de erkenning en de twee daarop volgende kwartalen een financiële regularisatie van de tegemoetkoming.
  De [4 facturen]4 voor de financiële regularisatie, vermeld in het eerste lid, die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1 tot en met 4, worden ten laatste uitbetaald door de zorgkas binnen een termijn van zes weken vanaf de datum van de ontvangst van de correct en volledig ingevulde [4 factuur]4, met uitzondering van de onderdelen die niet in overeenstemming zijn met de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1 tot en met 4.
  § 7. Ingeval de maandelijkse [4 facturen]4 niet zijn betaald binnen een termijn van zes weken na de ontvangst ervan, is zonder ingebrekestelling een verwijlinterest verschuldigd vanaf de eerste dag na die termijn. De hoegrootheid van die interest stemt overeen met het rentetarief van de depositofaciliteit van de Europese Centrale Bank die is vastgesteld op de datum dat de betalingstermijn verstrijkt, verhoogd met 1,75%.
  De verwijlinteresten, vermeld in het eerste lid, zijn evenwel niet verschuldigd als de zorgkas de betaling door overmacht niet heeft kunnen uitvoeren binnen de voorgeschreven termijnen, op voorwaarde dat de zorgkas voldoende bewijzen aanvoert om het geval van overmacht te staven ten aanzien van de zorgvoorziening. Bij betwisting beslist het agentschap over het al dan niet bestaan van overmacht. De personeelsproblemen of de organisatorische problemen van de zorgkas kunnen niet als gevallen van overmacht worden aanvaard, als die problemen niet voortvloeien uit uitzonderlijke en onvoorziene omstandigheden.
  Als het agentschap verantwoordelijk is voor de laattijdige betaling, dan wordt dit niet aanvaard als een geval van overmacht, vermeld in het tweede lid. In dat geval is een verwijlinterest verschuldigd ten laste van het agentschap.
  Opdat de verwijlinterest, vermeld in het eerste lid, verschuldigd is in geval van laattijdige betaling door de zorgkas, zijn de woonzorgcentra, de centra voor kortverblijf en de [2 centra voor dagverzorging]2 ertoe gehouden de [4 facturen]4 in te dienen voor het einde van de maand na de maand waarop de[4 factuur]4 betrekking heeft.
  
Art. 521. § 1er. Les centres de soins résidentiels, les centres de court séjour et les centres de soins de jour facturent l'intervention pour les soins dans un centre de soins résidentiels, un centre de court séjour ou un centre de soins de jour à la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager, qui a droit à une allocation, est affilié. La facturation par ces structures de soins a lieu sur une base mensuelle et par caisse d'assurance soins, via une application numérique.
  Les centres de soins résidentiels, les centres de court séjour et les centres de soins de jour qui n'utilisent pas une application numérique au sens du premier alinéa ne peuvent facturer aux caisses d'assurance soins. Les articles 531 à 534 s'appliquent dans le cadre de la facturation par les centres de soins résidentiels, les centres de court séjour et les centres de soin de jour.
  [3 Le ministre définit les instructions de facturation numérique concernant la procédure générale, le dessin d'enregistrement et la description des champs.]3
  § 2. [2 Pour la facturation visée au paragraphe 1er, la structure de soins établit une [4 facture]4 numérique par usager et par caisse d'assurance soins.
   La [4 facture ]4 numérique contient toutes les rubriques suivantes :
   1° les coordonnées de l'usager ;
   2° les coordonnées de la structure de soins ;
   3° les coordonnées de la caisse d'assurance soins ;
   4° un récapitulatif de la durée du séjour ;
   5° un récapitulatif du prix à la journée facturé ;
   6° un récapitulatif des ristournes accordées sur le prix à la journée ;
   7° un récapitulatif des indemnités supplémentaires facturées, portées en compte en sus du prix à la journée ;
   8° le cas échéant, un récapitulatif des avances en faveur de tiers ;
   9° le cas échéant, un récapitulatif des montants déduits pour les services et fournitures non utilisés, en particulier en cas d'absence temporaire ou de décès ;
   10° le cas échéant, un récapitulatif des montants déjà acquittés pour la période de séjour écoulée et des montants dus pour le mois suivant ;
   11° le montant net total dû que le résident ou son représentant doit payer ;
   12° le montant de l'intervention pour les soins dans un centre de soins résidentiels, un centre de court séjour ou un centre de soins de jour.
   Les données visées à l'alinéa 1er, 1°, se limitent à celles nécessaires à l'établissement et au traitement de la [4 facture]4 numérique.
   Le ministre peut préciser les règles relatives à la structure et aux codes de prestation de la [4 facture]4 numérique.]2

  § 3. Le montant des [4 factures soumises]4 aux caisses d'assurance soins est dû dès leur réception, sous réserve de rectifications ultérieures.
  § 4. Les [4 factures ]4 mensuels doivent être remplis correctement et complètement, faute de quoi ils seront refusés et renvoyés à la structure de soins concernée.
  Les [4 factures ]4doivent respecter les conditions d'octroi des interventions facturées prévues par le décret du 18 mai 2018 et le présent arrêté.
  Les éléments du relevé des coûts individuel qui ne remplissent pas les conditions énoncées au paragraphe 2 sont rejetés. Les liasses de [4 factures ]4 dont le nombre d'éléments rejetés atteint une part déterminée par le ministre seront refusées dans leur intégralité.
  § 5.Les [4 factures ]4 qui remplissent les conditions visées aux paragraphes 1 à 4 sont payés par la caisse d'assurance soins au plus tard dans un délai de six semaines à compter de la date de réception du relevé des coûts individuel correctement et entièrement rempli, à l'exception des éléments qui ne remplissent pas les conditions visées aux paragraphes 1 à 4.
  § 6. Conformément à l'article 486, § 5, une nouvelle structure de soins reçoit une régularisation financière de l'intervention pendant le trimestre de l'agrément et les deux trimestres suivants.
  Les [4 factures]4 pour la régularisation financière visée au premier alinéa qui remplissent les conditions visées aux paragraphes 1 à 4 sont payées par la caisse d'assurance soins au plus tard dans un délai de six semaines à compter de la date de réception du relevé des coûts individuel correctement et entièrement rempli, à l'exception des éléments qui ne remplissent pas les conditions visées aux paragraphes 1 à 4.
  § 7. Si [4 factures ]4 mensuels ne sont pas payés dans les six semaines suivant leur réception, des intérêts de retard sont dus sans mise en demeure à compter du premier jour suivant cette date. Le montant de ces intérêts correspond au taux d'intérêt de la facilité de dépôt de la Banque centrale européenne fixé à l'échéance, majoré de 1,75 %.
  Toutefois, les intérêts de retard visés au premier alinéa ne sont pas dus si la caisse d'assurance soins n'a pas été en mesure d'effectuer le paiement pour cause de force majeure dans les délais prescrits, à condition que la caisse d'assurance soins fournisse des preuves suffisantes pour justifier le cas de force majeure vis-à-vis de la structure de soins. En cas de contestation, l'Agence décide s'il y a ou non force majeure. Les problèmes de personnel ou d'organisation de la caisse d'assurance soins ne peuvent être acceptés comme cas de force majeure s'ils ne résultent pas de circonstances exceptionnelles et imprévues.
  Si le retard de paiement est imputable à l'Agence, il n'est pas considéré comme un cas de force majeure visé au paragraphe 2. Dans ce cas, des intérêts de retard sont dus, à la charge de l'Agence.
  Pour que les intérêts visés au paragraphe 1 soient exigibles en cas de retard de paiement de la part de la caisse d'assurance soins, les centres de soins résidentiels, les centres de court séjour et les centres de soins de jour sont tenus de présenter des [4 factures soumises]4 avant la fin du mois suivant celui auquel se rapporte le relevé individuel.
  
Art. 522. Als de zorgkas aan de zijde van het woonzorgcentrum, centrum voor kortverblijf of het [1 centrum voor dagverzorging]1 herhaalde tekortkomingen vaststelt in het opmaken en verzenden van de [2 facturen]2, conform artikel 521, § § 1-4, of van de aanmeldingen van de opname of de indicatiestellingen, vermeld in deel 1, titel 4, geeft de zorgkas daarvan melding aan de desbetreffende zorgvoorziening.
  Als de zorgvoorziening, vermeld in het eerste lid, binnen dertig dagen geen maatregelen heeft genomen om de vastgestelde tekortkomingen te verhelpen, deelt de zorgkas dat mee aan het agentschap. Het agentschap beraadslaagt vervolgens over de maatregelen die ten aanzien van die zorgvoorziening moeten worden genomen.
  
Art. 522. Si la caisse d'assurance soins du centre de soins résidentiels, du centre de soins de courte durée ou du centre de soins de jour constate des lacunes répétées dans la préparation et l'envoi des [2 factures]2, conformément à l'article 521, §§ 1-4, ou des demandes d'admission ou des indications visées à la partie 1, titre 4, la caisse d'assurance soins en informe la structure de soins concernée.
  Si la structure de soins visée au premier alinéa n'a pas pris de mesures pour remédier aux lacunes constatées dans les trente jours, la caisse d'assurance soins en informe l'Agence. L'Agence évalue ensuite des mesures à prendre à l'égard de cette structure de soins.
  
Art. 523. De woonzorgcentra, de centra voor kortverblijf en de [1 centra voor dagverzorging]1 mogen aan de zorgkassen voor de diensten, de producten en de premies, vermeld in deel 2, titel 2, geen ander bedrag factureren dan het bedrag van de tegemoetkoming voor zorg in een woonzorgcentrum, een centrum voor kortverblijf of een [1 centrum voor dagverzorging]1, zoals meegedeeld door het agentschap conform artikel 454, derde lid, en artikel 456, § 2, derde lid.
  De woonzorgcentra, de centra voor kortverblijf en de [1 centra voor dagverzorging]1 mogen op de gebruikersfactuur voor de diensten, de producten en de premies, vermeld in deel 2, titel 2, geen ander bedrag weergeven dan het bedrag van de tegemoetkoming voor zorg in een woonzorgcentrum, een centrum voor kortverblijf of een [1 centrum voor dagverzorging]1, zoals meegedeeld door het agentschap conform artikel 454, derde lid, en artikel 456, § 2, derde lid.
  
Art. 523. Les centres de soins résidentiels, les centres de court séjour et les centres de soins de jour ne peuvent facturer aux caisses d'assurance soins les services, produits et primes visés à la partie 2, titre 2, qu'à concurrence du montant de l'intervention pour soins dans un centre de soins résidentiels, un centre de court séjour ou un centre de soins de jour, tel que notifié par l'Agence conformément aux articles 454, paragraphe 3, et 456, § 2, point 3).
  Les centres de soins résidentiels, les centres de court séjour et les centres de soins de jour ne peuvent inclure sur la facture de l'usager des services, produits et primes visés à la partie 2, titre 2, aucun montant autre que le montant de l'intervention pour les soins dans un centre de soins résidentiels, un centre de court séjour ou un centre de soins de jour, tel que notifié par l'Agence conformément à l'article 454, paragraphe 3, de l'article 456, § 2, troisième alinéa.
  

Änderungen

----------
Art. 524. De eventuele terbeschikkingstelling van rolstoelen (manuele standaardrolstoelen), krukken of loophulpmiddelen (looprekken voor volwassenen met vier vaste steunen en met twee vaste steunen en twee wielen zonder zit) voor personen die zich moeilijk autonoom kunnen verplaatsen, kan niet afzonderlijk worden aangerekend aan de gebruiker.
Art. 524. L'éventuelle mise à disposition de fauteuils roulants (fauteuils roulants manuels standard), de béquilles ou d'aides à la marche (cadres de marche pour adultes avec quatre supports fixes et deux supports fixes et deux roues sans siège) pour les personnes ayant des difficultés à se déplacer de manière autonome ne peut être facturée séparément à l'usager.
Art. 525. De woonzorgcentra, de centra voor kortverblijf en de [1 centra voor dagverzorging]1 maken op het einde van elke maand per gebruiker een gebruikersfactuur op. Een exemplaar van de gebruikersfactuur wordt bezorgd aan de gebruiker of elke natuurlijke of rechtspersoon die geheel of gedeeltelijk belast is met de betaling van de maandelijkse gebruikersfactuur.
  [1 In afwijking van het eerste lid wordt voor een bewoner van een centrum voor kortverblijf de factuur opgemaakt bij het einde van het verblijf of, als het verblijf langer dan een maand duurt, telkens op het einde van de maand. Het is niet toegestaan om een voorschot aan te rekenen.]1
  
Art. 525. A la fin de chaque mois, les centres de soins résidentiels, les centres de court séjour et les centres de soins de jour établissent une facture usager pour chaque usager. Une copie de la facture usager est envoyée à l'usager ou à toute personne physique ou morale qui est entièrement ou partiellement responsable du paiement de la facture usager mensuelle.
  [1 Par dérogation à l'alinéa 1er, dans le cas d'un résident d'un centre de court séjour, la facture est établie à la fin du séjour ou, si le séjour dure plus d'un mois, chaque fois à la fin du mois. La facturation d'un acompte n'est pas autorisée.]1
  
Art. 526. [1 De gebruikersfactuur, vermeld in artikel 525, bevat de volgende rubrieken waarbij de aangerekende eenheden, bedragen en overige informatie op de gebruikersfactuur volledig overeenstemmen met de informatie in de digitale [2 factuur]2, vermeld in artikel 521:
   1° de gegevens van de bewoner of de persoon die gebruik maakt van het centrum voor dagverzorging;
   2° de gegevens van de zorgvoorziening;
   3° in voorkomend geval, de gegevens van de zorgkas;
   4° een overzicht van de verblijfsduur, met vermelding van het aantal dagen dat de persoon in de zorgvoorziening verbleven heeft, met opgave van de begin- en einddatum van het verblijf waarop de factuur betrekking heeft;
   5° een overzicht van de aangerekende dagprijs;
   6° de toegestane kortingen op de dagprijs;
   7° een overzicht van de aangerekende extra vergoedingen die boven op de dagprijs in rekening zijn gebracht met vermelding van de aard, het aantal en het bedrag;
   8° eventuele voorschotten ten gunste van derden, die worden gerechtvaardigd door bijgevoegde bewijsstukken;
   9° in voorkomend geval, de in mindering gebrachte bedragen voor niet-gebruikte diensten en leveringen, in het bijzonder bij tijdelijke afwezigheid of bij overlijden;
   10° in voorkomend geval, de al betaalde bedragen voor de afgelopen verblijfsperiode en de te betalen bedragen voor de volgende maand;
   11° het totale verschuldigde nettobedrag, dat de bewoner of de persoon die gebruik maakt van het centrum voor dagverzorging of zijn vertegenwoordiger moet betalen;
   12° het bedrag van de tegemoetkoming voor zorg in een woonzorgcentrum, centrum voor kortverblijf of centrum voor dagverzorging.
   De gegevens, vermeld in het eerste lid, 1°, worden beperkt tot de gegevens die noodzakelijk zijn voor het opstellen en verwerken van de gebruikersfactuur.
   De gebruikersfactuur, vermeld in artikel 525, stemt overeen met de schriftelijke opnameovereenkomst, vermeld in bijlage 7, 8 en 11 van het besluit van 28 juni 2019.
   De minister kan bepalen welke aanvullende elementen de gebruikersfactuur moet bevatten en kan een model van gebruikersfactuur opleggen.]1

  
Art. 526. [1 La facture usager visée à l'article 525 contient les rubriques suivantes, les unités facturées, les montants et autres informations figurant sur la facture usager correspondant exactement aux informations contenues dans la [2 facture]2 numérique, visée à l'article 521 :
   1° les coordonnées du résident ou de la personne qui utilise le centre de soins de jour ;
   2° les coordonnées de la structure de soins ;
   3° le cas échéant, les coordonnées de la caisse d'assurance soins ;
   4° un récapitulatif de la durée du séjour précisant le nombre de jours durant lesquels la personne a séjourné dans la structure de soins ainsi que la date de début et de fin du séjour auquel la facture se rapporte ;
   5° un récapitulatif du prix à la journée facturé ;
   6° les ristournes accordées sur le prix à la journée ;
   7° un récapitulatif des indemnités supplémentaires facturées, portées en compte en sus du prix à la journée, précisant la nature, la quantité et le montant ;
   8° les éventuelles avances en faveur de tiers, justifiées par les justificatifs annexés ;
   9° le cas échéant, les montants déduits pour les services et fournitures non utilisés, en particulier en cas d'absence temporaire ou de décès ;
   10° le cas échéant, les montants déjà acquittés pour la période de séjour écoulée et les montants dus pour le mois suivant ;
   11° le montant net total dû que le résident ou la personne qui utilise le centre de soins de jour doit payer ;
   12° le montant de l'intervention pour les soins dans un centre de soins résidentiels, un centre de court séjour ou un centre de soins de jour.
   Les données visées à l'alinéa 1er, 1°, se limitent à celles nécessaires à l'établissement et au traitement de la facture usager.
   La facture usager visée à l'article 525 correspond à la convention d'admission écrite visée aux annexes 7, 8 et 11 de l'arrêté du 28 juin 2019.
   Le ministre peut définir les éléments additionnels à inclure dans la facture usager et peut imposer un modèle de facture usager.]1

  
Art. 526/1. [1 Centra voor dagverzorging kunnen de eerste factuur pas opmaken op het einde van de maand waarin de gebruiker voor het eerst gebruik maakt van de zorg en ondersteuning in het centrum. De prestaties worden altijd achteraf verrekend. Het is niet toegestaan een voorschot aan te rekenen voor de maand die volgt.]1
  
Art. 526/1. [1 Les centres de soins de jour ne peuvent établir la première facture qu'à la fin du mois au cours duquel l'usager a recours pour la première fois aux soins et au soutien dans le centre. Les prestations sont toujours réglées à terme échu. La facturation d'un acompte pour le mois suivant n'est pas autorisée.]1
  
Art. 527. De woonzorgcentra en centra voor kortverblijf verminderen op de gebruikersfactuur de dagprijs met de tegemoetkoming in de gesolidariseerde kost van het incontinentiemateriaal. In voorkomend geval wordt ook het maximaal te verkrijgen subsidiebedrag, verkregen in toepassing van de infrastructuursubsidie, vermeld in [2 artikel 16 van het besluit van 28 juni 2019]2, in mindering gebracht op de dagprijs. Op de gebruikersfactuur worden deze bedragen uitdrukkelijk vermeld als een onderdeel van de tegemoetkomingen in het kader van de Vlaamse sociale bescherming.
  De [2 centra voor dagverzorging]2 verminderen op de gebruikersfactuur de dagprijs met de tegemoetkoming in de reiskosten [2 centrum voor dagverzorging]2.
  [1 De woonzorgcentra met een [4 bijkomende]4 erkenning voor personen met jongdementie, verminderen op de gebruikersfactuur van de gebruikers met jongdementie, die verblijven in een entiteit met een [4 bijkomende]4erkenning voor de zorg en ondersteuning van personen met jongdementie, de dagprijs met [3 24,51 euro]3 als tegemoetkoming voor de zorg en ondersteuning van personen met jongdementie.]1
  Op de gebruikersfactuur wordt dat bedrag uitdrukkelijk vermeld als een onderdeel van de tegemoetkomingen in het kader van de Vlaamse Sociale Bescherming.
  
Art. 527. Les centres de soins résidentiels et les centres de court séjour déduisent du prix journalier sur la facture de l'usager l'intervention au coût consolidé du matériel d'incontinence. Le cas échéant, le montant maximal de la subvention obtenu par application de la subvention d'infrastructure visée à [2 l'article 11 de l'arrêté du 28 juin 2019]2 est également déduit du prix journalier. Ces montants sont explicitement mentionnés sur la facture usager comme faisant partie des interventions de la protection sociale flamande.
  Les centres de soins de jour déduisent l'intervention pour les frais de déplacement pour les centres de soins de jour du prix journalier sur la facture usager.
  [1 Les centres de soins résidentiels disposant d'un agrément [4 supplémentaire]4pour des personnes atteintes de démence précoce diminuent, sur la facture usager des usagers atteints de démence précoce, qui séjournent dans une entité disposant d'un agrément [4 supplémentaire]4 pour les soins et le soutien de personnes atteintes de démence précoce, le prix journalier de [3 24,51 euros ]3 à titre d'intervention dans les soins et le soutien de personnes atteintes de démence précoce.]1
  Ce montant est explicitement mentionné sur la facture usager comme faisant partie des interventions de la protection sociale flamande.
  
Art. 527/1. [1 De termijn voor het betalen van de maandelijkse factuur van de bewoner of persoon die gebruik maakt van een centrum voor dagverzorging aan de zorgvoorziening bedraagt dertig dagen.
   Bij niet-betaling of laattijdige betaling van de factuur kunnen interesten worden aangerekend. De percentages en procedure daarvoor zijn bepaald in de schriftelijke opnameovereenkomst, vermeld in bijlage 7, 8 en 11 van het besluit van 28 juni 2019.
   Bij niet-betaling van de factuur stelt de beheersinstantie de bewoner, de persoon die gebruik maakt van het centrum voor dagverzorging of zijn vertegenwoordiger in gebreke en leidt deze toe naar een van de kernactoren van het geïntegreerd breed onthaal voor onderzoek van mogelijkheden tot financiële ondersteuning en volgt dit op. De procedure en de ontvankelijkheidsvereisten zijn bepaald in de schriftelijke opnameovereenkomst, vermeld in bijlage 7, 8 en 11 van het besluit van 28 juni 2019. Onder kernactor van het geïntegreerd breed onthaal wordt verstaan: een kernactor als vermeld in artikel 1, 5°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 november 2018 betreffende het lokaal sociaal beleid, vermeld in artikels 2, 9 tot en met 11, 17, 19 en 26 van het decreet van 9 februari 2018 betreffende het lokaal sociaal beleid.
   Als de facturen gedurende drie maanden niet betaald worden ondanks de verzonden ingebrekestellingen, en de aantoonbare toeleiding en opvolging, kan de beheersinstantie de schriftelijke opnameovereenkomst met de bewoner van een woonzorgcentrum of de persoon die gebruik maakt van het centrum voor dagverzorging beëindigen conform de modaliteiten, vermeld in bijlage 7 en 11 van het besluit van 28 juni 2019.]1

  
Art. 527/1. [1 Le délai de paiement de la facture mensuelle du résident ou de la personne qui utilise le centre de soins de jour à la structure de soins s'élève à trente jours.
   En cas de défaut ou de retard de paiement de la facture, des intérêts peuvent être facturés. Les pourcentages et la procédure à cet effet ont été fixés dans la convention d'admission écrite visée aux annexes 7, 8 et 11 de l'arrêté du 28 juin 2019.
   En cas de défaut de paiement de la facture, l'instance de gestion met le résident, la personne qui utilise le centre de soins de jour ou son représentant en demeure et l'oriente vers l'un des acteurs principaux de l'accueil large intégré en vue d'examiner les possibilités de soutien financier et en assure le suivi. La procédure et les conditions de recevabilité ont été fixées dans la convention d'admission écrite visée aux annexes 7, 8 et 11 de l'arrêté du 28 juni 2019. Par " acteur principal de l'accueil large intégré ", on entend un acteur principal tel que visé à l'article 1er, 5°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 30 novembre 2018 relatif à la politique sociale locale, visée aux articles 2, 9 à 11, 17, 19 et 26 du décret du 9 février 2018 relatif à la politique sociale.
   Si les factures ne sont pas payées durant trois mois en dépit des mises en demeure envoyées et de l'orientation et du suivi démontrables, l'instance de gestion peut mettre fin à la convention d'admission écrite avec le résident d'un centre de soins résidentiels ou la personne qui utilise le centre de soins de jour conformément aux modalités visées aux annexes 7 et 11 de l'arrêté du 28 juin 2019.]1

  
Art. 528. De woonzorgcentra en [1 centra voor dagverzorging]1 die een digitale applicatie gebruiken die is geattesteerd conform de procedure, vermeld in artikel 531 tot en met 534, ontvangen van het agentschap een eenmalige informaticapremie van 800 euro als ze hun facturatiegegevens digitaal bezorgen aan de zorgkassen.
  
Art. 528. L'agence verse aux centres de soins résidentiels et aux centres de soins de jour utilisant une application numérique certifiée conformément à la procédure visée aux articles 531 à 534 une prime informatique unique de 800 euros s'ils envoient leurs données de facturation aux caisses d'assurance soins sous forme numérique.
  

Änderungen

----------
Art. 529. § 1. Woonzorgcentra mogen per trimester niet meer dagen factureren dan het maximaal aantal dagen rekening houdend met hun erkende capaciteit.
  Centra voor kortverblijf en [2 centra voor dagverzorging]2 mogen per jaar niet meer dagen factureren dan het maximale aantal dagen rekening houdend met hun erkende capaciteit.
  In afwijking van het eerste en tweede lid geldt dat voor de tegemoetkoming in de reiskosten [2 centrum voor dagverzorging]2, vermeld in artikel 459, 2° :
  1° [2 centra voor dagverzorging]2 voor zorgafhankelijke personen voor elke dag waarop een gebruiker, die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 422, aanwezig is in het [2 centrum voor dagverzorging]2 een tegemoetkoming in de reiskosten dagverzorging mogen factureren;
  2° de [2 centra voor dagverzorging]2 voor personen met een ernstige ziekte voor elke dag waarop een gebruiker, die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel [1 423]1, aanwezig is in het [2 centrum voor dagverzorging]2 een tegemoetkoming in de reiskosten dagverzorging mogen factureren.
  § 2. Bij overschrijding van het maximale aantal te factureren dagen, conform paragraaf 1, houdt de zorgkas geen rekening met de gefactureerde dagen, in volgorde van ontvangst, die het maximale aantal te factureren dagen overschrijden.
  Als een woonzorgcentrum, een centrum voor kortverblijf of een [2 centrum voor dagverzorging]2 te veel dagen gefactureerd heeft, dan moet die zorgvoorziening het aantal gefactureerde dagen reduceren tot de maximaal toegestane hoeveelheid.
  
Art. 529. § 1er. Les centres de soins résidentiels ne peuvent facturer plus de jours par trimestre que le nombre maximal de jours correspondant de leur capacité agréée.
  Les centres de court séjour et les centres de soins de jour ne peuvent facturer plus de jours par an que le nombre maximal de jours correspondant à leur capacité agréée.
  En dérogation aux premier et deuxième alinéas, ce qui précède s'applique à l'intervention pour frais de déplacement du centre de soins de jour visé à l'article 459, 2° :
  1° les centres de soins de jour pour personnes dépendantes peuvent facturer une indemnité pour les frais de déplacement pour la garde de jour pour chaque jour où un usager qui remplit les conditions visées à l'article 422 est présent au centre de soins de jour ;
  2° les centres de soins de jour pour personnes atteintes d'une maladie grave peuvent facturer une participation aux frais de déplacement pour le centre de soins de jour pour chaque jour où un usager qui remplit les conditions visées à l'article [1 423]1 est présent dans le centre de soins de jour.
  § 2. Si le nombre maximum de jours à facturer conformément au paragraphe 1 est dépassé, la caisse d'assurance soins ne tiendra pas compte, dans l'ordre de réception, des jours facturés qui excèdent le nombre maximum de jours à facturer.
  Si un centre de soins résidentiels, un centre de court séjour ou un centre de soins de jour a facturé trop de jours, la structure de soins doit ramener le nombre de jours facturés à la quantité maximale autorisée.
  
Art. 530. De toepassing van artikel 62 van het decreet van 18 mei 2018 op de facturatie door een woonzorgcentrum, een centrum voor kortverblijf of een [1 centrum voor dagverzorging]1 aan de zorgkas conform de bepalingen onder deze titel, heeft tot gevolg dat de zorgvoorziening de tegemoetkoming voor zorg in een woonzorgcentrum, een centrum voor kortverblijf of een [1 centrum voor dagverzorging]1 moet factureren binnen een termijn van uiterlijk twee jaar vanaf [2 de laatste dag van de kalendermaand van]2 de verblijfsdag waarop de tegemoetkoming betrekking heeft, met uitzondering van de gevallen waarin de verjaring wordt geschorst of gestuit. [2 Een aangetekende brief stuit de verjaring]2.
  
Art. 530. L'application de l'article 62 du décret du 18 mai 2018 à la facturation par un centre de soins résidentiels, un centre de court séjour ou un centre de soins de jour à la caisse d'assurance soins conformément aux dispositions du présent titre a pour conséquence que la structure de soins doit facturer l'allocation pour soins dans un centre de soins résidentiels, un centre de court séjour ou un centre de soins de jour dans un délai ne dépassant pas deux ans à compter [2 du dernier jour du mois civil ]1 du jour du séjour auquel l'intervention est liée, sauf en cas d'interruption ou de suspension de la période de prescription. [1 Une lettre recommandée interrompt la prescription ]2.
  
Art. 530/1. [1 Voor gebruikers die geen aanspraak maken op de basistegemoetkoming voor zorg in een woonzorgcentrum, een centrum voor kortverblijf of een centrum voor dagverzorging doordat ze niet voldoen aan de verplichtingen, vermeld in deel 1, titel 6, van het decreet van 18 mei 2018, kan de voorziening per dag voor die gebruiker maximaal het bedrag van de basistegemoetkoming voor zorg voor die voorziening, zoals bepaald conform de bepalingen van dit besluit, factureren aan de gebruiker zelf, of aan de instelling die optreedt als verzekeringsinstelling voor de gebruiker in kwestie. ]1
  
Art. 530/1. [1 En ce qui concerne les usagers qui n'ont pas droit à l'intervention de base pour les soins dans un centre de soins résidentiels, un centre de court séjour ou un centre de soins de jour du fait qu'ils ne remplissent pas les obligations visées dans la partie 1ère, titre 6, du décret du 18 mai 2018, la structure peut facturer par jour, pour cet usager, au maximum le montant de l'intervention de base pour les soins pour cette structure, tel que déterminé conformément aux dispositions du présent arrêter, à l'usager même ou à l'organisme qui agit en tant qu'organisme assureur de l'usager en question. ]1
  
Deel 7. - Software
Partie 7. - Logiciels
Art. 531. § 1. De digitale applicatie, vermeld in de artikel en 435, § 1 en 521, § 1, [2 voldoet aan de functionele en technische]2 vereisten en de vereisten van betrouwbaarheid en veiligheid die de minister bepaalt, na advies van een groep van onafhankelijke experten.
  Het agentschap staat in voor de attestering van de digitale applicaties die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid.
  § 2. Woonzorgcentra, centra voor kortverblijf en [1 centra voor dagverzorging]1 die geen gebruik maken van een digitale applicatie als vermeld in paragraaf 1, kunnen de opname niet aanmelden conform deel 1, titel 4 met oog op het verkrijgen van tegemoetkomingen voor zorg in een woonzorgcentrum, centrum voor kortverblijf of [1 centrum voor dagverzorging]1 en kunnen niet factureren aan de zorgkassen.
  § 3. De experten, vermeld in paragraaf 1, worden [2 aangewezen door het agentschap in overleg met]2 de betrokken beroepsorganisaties. De minister kan nadere regels bepalen met betrekking tot de samenstelling en de werking van de groep van onafhankelijke experten.
  
Art. 531. § 1er. L'application numérique visée aux articles 435, § 1 et 521, § 1, [2 satisfait aux exigences fonctionnelles et techniques]2 et aux exigences de fiabilité et de sécurité déterminées par le ministre, après avis d'un groupe d'experts indépendants.
  L'agence est chargée de certifier les applications numériques qui remplissent les conditions visées au paragraphe 1.
  § 2. Les centres de soins résidentiels, les centres de court séjour et les centres de soins de jour qui n'utilisent pas l'application numérique visée au paragraphe 1 ne peuvent pas notifier l'admission conformément à la partie 1, titre 4, en vue d'obtenir des interventions pour soins dans un centre de soins résidentiels, un centre de court séjour ou un centre de soins de jour et ne peuvent facturer aux caisses d'assurance soins.
  § 3. Les experts mentionnées au paragraphe 1 [1 sont désignés par l'agence en concertation avec]1 les organisations professionnelles concernées. Le ministre peut fixer d'autres règles en rapport avec la composition et le fonctionnement du groupe d'experts indépendants.
  
Art. 532. [1 § 1. De softwareontwikkelaars dienen de aanvragen tot attestering als vermeld in artikel 531, § 1, tweede lid, in bij het agentschap.
   De gedagtekende en ondertekende aanvraag wordt ingediend met een formulier waarvan het agentschap het model vaststelt.
   Het formulier, vermeld in het tweede lid, bevat al de volgende gegevens:
   1° de identificatiegegevens van de aanvrager;
   2° de beschrijving van de maatregelen voor gegevensbescherming en informatieveiligheid;
   3° de beschrijving van de architecturale structuur van het pakket;
   4° de technische specificaties die toelaten de mogelijkheid tot koppeling met het digitaal platform Vlaamse sociale bescherming te beoordelen.
   § 2. Het agentschap beoordeelt de aanvraag tot attestering, vermeld in paragraaf 1, en beslist tot de goedkeuring of weigering van de organisatie van het attesteringstraject. Het agentschap kan aan de groep van onafhankelijke experten, vermeld in artikel 531, § 3, advies vragen over de aanvraag.
   Het agentschap deelt zijn beslissing tot goedkeuring of weigering van de organisatie van het attesteringstraject mee uiterlijk binnen dertig dagen na de dag waarop het de aanvraag tot attestering, vermeld in paragraaf 1, heeft ontvangen.
   § 3. Bij wijzigingen aan een van de elementen, vermeld in paragraaf 1, derde lid, na de beslissing tot goedkeuring van de organisatie van het attesteringstraject, vervalt die beslissing tot goedkeuring van rechtswege en dient de softwareontwikkelaar in kwestie een nieuwe aanvraag tot attestering in.
   § 4. Na de goedkeuring van de organisatie van het attesteringstraject, kan de softwareontwikkelaar in kwestie bij het agentschap een verzoek indienen tot organisatie van testen.
   De groep van onafhankelijke experten, vermeld in artikel 531, § 3, organiseert binnen negentig dagen na de dag waarop het agentschap het verzoek, vermeld in het eerste lid, heeft ontvangen, testen waarbij wordt nagegaan of de digitale applicatie waarvoor de attestering is aangevraagd, voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 531, § 1, eerste lid, en stelt een testrapport op.
   De minister kan nadere regels bepalen over de organisatie van de testen, vermeld in het tweede lid.
   § 5. De groep van onafhankelijke experten, vermeld in artikel 531, § 3, bezorgt het testrapport, vermeld in paragraaf 4, tweede lid, samen met een overeenstemmend advies aan het agentschap binnen honderdtwintig dagen na de dag waarop het agentschap het verzoek tot de organisatie van testen, conform paragraaf 4, eerste lid, heeft ontvangen conform het eerste lid.
   Het agentschap attesteert de digitale applicatie of weigert de attestering van de digitale applicatie en brengt de aanvrager op de hoogte van die beslissing binnen vijftien dagen na de dag waarop het het advies van de groep van onafhankelijke experten heeft ontvangen.
   De attesten die toegekend worden conform het tweede lid, zijn geldig voor tien jaar, met behoud van de toepassing van artikel 533.
   § 6. De termijnen, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, paragraaf 4, tweede lid en paragraaf 5, eerste en tweede lid, worden geschorst als het agentschap of de groep van onafhankelijke experten, vermeld in artikel 531, § 3, bijkomende informatie vragen aan de softwareontwikkelaar.
   De termijnen, vermeld in het eerste lid, lopen verder vanaf de dag na de dag waarop het agentschap of de groep van onafhankelijke experten de bijkomende informatie heeft ontvangen conform het eerste lid.
   § 7. De softwareontwikkelaars die een digitale applicatie ontwikkelen, kunnen altijd een nieuwe aanvraag tot attestering indienen bij het agentscha ]1
.
  
Art. 532. [1 § 1er. Les développeurs de logiciels soumettent à l'agence les demandes de certification visées à l'article 531, § 1er, alinéa 2.
   La demande datée et signée est introduite au moyen d'un formulaire dont l'agence détermine le modèle.
   Le formulaire visé à l'alinéa 2, comprend les données suivantes :
   1° les données d'identification du demandeur ;
   2° la description des mesures de protection des données et de sécurité de l'information ;
   3° la description de la structure architecturale du progiciel ;
   4° les spécifications techniques permettant d'évaluer la possibilité de se connecter à la plate-forme numérique de la protection sociale flamande.
   § 2. L'agence évalue la demande de certification visée au paragraphe 1er, et décide d'approuver ou de refuser l'organisation du processus de certification. L'agence peut demander l'avis du groupe d'experts indépendants visé à l'article 531, § 3, sur la demande.
   L'agence communique sa décision d'approbation ou de refus de l'organisation du processus de certification dans un délai de trente jours suivant le jour de la réception de la demande de certification visée au paragraphe 1er.
   § 3. En cas de modification d'un des éléments visés au paragraphe 1er, alinéa 3, après la décision d'approbation de l'organisation du processus de certification, cette décision d'approbation est annulée de plein droit et le développeur de logiciels concerné doit introduire une nouvelle demande de certification.
   § 4. Après l'approbation de l'organisation du processus de certification, le développeur de logiciels en question peut soumettre une demande à l'agence pour l'organisation de tests.
   Le groupe d'experts indépendants visé à l'article 531, § 3, organise, dans un délai de nonante jours à compter de la date de réception par l'agence de la demande visée à l'alinéa 1er, des tests pour vérifier que l'application numérique pour laquelle la certification a été demandée remplit les conditions visées à l'article 531, § 1er, alinéa 2, et établit un rapport de test.
   Le ministre peut arrêter des modalités relatives à l'organisation des tests, visée à l'alinéa 2.
   § 5. Le groupe d'experts indépendants visé à l'article 531, § 3, soumet le rapport de tests visé au paragraphe 4, alinéa 2, ainsi que l'avis correspondant, à l'agence dans un délai de cent vingt jours à compter du jour où l'agence a reçu, conformément à l'alinéa 1er, la demande d'organisation de tests conformément au paragraphe 4, alinéa 1er.
   L'agence certifie l'application numérique ou refuse de certifier l'application numérique et notifie sa décision au demandeur dans un délai de quinze jours à compter du jour où elle a reçu l'avis du groupe d'experts indépendants.
   Les certificats délivrés conformément à l'alinéa 2, ont une validité de dix ans, sans préjudice de l'application de l'article 533.
   § 6. Les délais visés au paragraphe 2, alinéa 2, au paragraphe 4, alinéa 2, et au paragraphe 5, alinéas 1er et 2, sont suspendus si l'agence ou le groupe d'experts indépendants visé à l'article 531, § 3, demande des informations complémentaires au développeur de logiciels.
   Les délais visés à l'alinéa 1er, recommencent à courir à compter du jour suivant celui où l'agence ou le groupe d'experts indépendants a reçu les informations complémentaires conformément à l'alinéa 1er.
   § 7. Les développeurs de logiciels qui conçoivent une application numérique peuvent à tout moment soumettre une nouvelle demande de certification à l'agence ]1
.
  
Art. 533. [1 § 1. Zolang het uitgereikte attest geldig is, wordt de geattesteerde versie van de digitale applicatie en de evolutie ervan geacht te blijven voldoen aan de functionele en technische vereisten en de vereisten van betrouwbaarheid en veiligheid, vermeld in artikel 531, § 1, eerste lid.
   § 2. Een softwareontwikkelaar met een geattesteerde digitale applicatie implementeert alle wijzigingen aan de functionele en technische vereisten en de vereisten van betrouwbaarheid en veiligheid, vermeld in artikel 531, § 1, eerste lid, volgens het versiebeleid van het digitaal platform Vlaamse sociale bescherming.
   Een softwareontwikkelaar die op eigen initiatief wijzigingen aanbrengt aan de geattesteerde digitale applicatie met een impact op de functionele en technische vereisten en de vereisten van betrouwbaarheid en veiligheid als vermeld in artikel 531, § 1, eerste lid, brengt het agentschap daarvan op de hoogte. In die melding aan het agentschap geeft de softwareontwikkelaar een beschrijving van de wijzigingen aan de geattesteerde digitale applicatie.
   § 3. Als er wijzigingen worden aangebracht aan de geattesteerde digitale applicatie conform paragraaf 2, met een impact op de functionele en technische vereisten en de vereisten van betrouwbaarheid en veiligheid, vermeld in artikel 531, § 1, eerste lid, kan het agentschap, na eensluidend advies van de groep van onafhankelijke experten, vermeld in artikel 531, § 3, beslissen om bijkomende toelichtingen op te vragen over de gemelde wijzigingen of om nieuwe testen op te leggen voor de digitale applicatie.
   § 4. Als er aanwijzingen zijn dat een digitale applicatie niet meer zou voldoen aan de functionele vereisten en de vereisten van betrouwbaarheid en veiligheid, vermeld in artikel 531, § 1, eerste lid, kan het agentschap, na eensluidend advies van de groep van onafhankelijke experten, vermeld in artikel 531, § 3, beslissen om nieuwe testen te organiseren. Afhankelijk van het resultaat van de testen kan het agentschap, na eensluidend advies van de voormelde groep van onafhankelijke experten, beslissen om de attestering te bevestigen of in te trekken ]1
.
  
Art. 533. [1 § 1er. Tant que le certificat délivré est valable, la version certifiée de l'application numérique et son évolution sont réputées continuer à satisfaire aux exigences fonctionnelles et techniques et aux exigences de fiabilité et de sécurité visées à l'article 531, § 1er, alinéa 1er.
   § 2. Un développeur de logiciels disposant d'une application numérique certifiée met en oeuvre toutes les modifications des exigences fonctionnelles et techniques et des exigences de fiabilité et de sécurité, visées à l'article 531, § 1er, alinéa 1er, conformément à la version de politique de la plate-forme numérique de la protection sociale flamande.
   Le développeur de logiciels qui, de sa propre initiative, apporte à l'application numérique certifiée des modifications affectant les exigences fonctionnelles et techniques ainsi que les exigences de fiabilité et de sécurité, telles que visées à l'article 531, § 1er, alinéa 1er, en informe l'agence. Dans cette notification à l'agence, le développeur de logiciels décrit les modifications apportées à l'application numérique certifiée.
   § 3. Si des modifications sont apportées à l'application numérique certifiée conformément au paragraphe 2, entraînant un impact sur les exigences fonctionnelles et techniques et sur les exigences de fiabilité et de sécurité visées à l'article 531, § 1er, alinéa 1er, l'agence peut, après avoir reçu l'avis conforme du groupe d'experts indépendants visé à l'article 531, § 3, décider de demander des explications supplémentaires concernant les modifications signalées ou d'imposer de nouveaux tests à l'application numérique.
   § 4. S'il existe des indications selon lesquelles une application numérique ne répondrait plus aux exigences fonctionnelles et aux exigences de fiabilité et de sécurité visées à l'article 531, § 1er, alinéa 1er, l'agence peut décider d'organiser de nouveaux tests après avoir reçu l'avis conforme du groupe d'experts indépendants visé à l'article 531, § 3. En fonction des résultats des tests, l'agence peut décider de confirmer ou de retirer la certification après avoir reçu l'avis conforme du groupe d'experts indépendants susmentionné ]1
.
  
Art. 534. De attesten, verleend conform de bepalingen van dit deel, worden [1 bekendgemaakt]1 op de website van het agentschap met vermelding van hun geldigheidstermijn.
  
Art. 534. Les certificats délivrés conformément aux dispositions de la présente partie sont [1 rendues publiques]1 sur le site internet de l'Agence avec mention de leur durée de validité.
  
Boek 3/1. [1 - Subsidiëring van het pilootproject [2 bijkomende]2 erkenning jongdementie]1
Livre 3/1. [1 - Subventionnement du projet pilote agrément [2 supplémentaire]2 démence précoce]1
Art. 534/0. [1 Als meerdere vestigingen als één woonzorgcentrum zijn erkend met toepassing van [2 artikel 28 van het besluit van 19 juli 2024]2, wordt elk van die vestigingen als een afzonderlijk woonzorgcentrum beschouwd voor de toepassing van dit boek. ]1
Art. 534/0.[1 Si plusieurs implantations sont agréées comme un seul centre de soins résidentiels, en application [2 28 de l'arrêté du 19 juillet 2024]2, chacune de ces implantations est considérée comme un centre de soins résidentiels distinct pour l'application du présent livre. ]1
Art. 534/1. [1 In dit boek wordt verstaan onder bijkomende erkenning: een bijkomende erkenning voor de zorg en ondersteuning van personen met jongdementie als vermeld in artikel 66,1°, van bijlage 11 bij het besluit van 28 juni 2019]1
  
Art. 534/1. [1 Dans le présent livre, on entend par agrément supplémentaire : un agrément supplémentaire pour les soins et le soutien de personnes atteintes de démence précoce telles que visées à l'article 66, 1°, de l'annexe 11 de l'arrêté du 28 juin 2019 ]1.
  
Art. 534/2. [1 Binnen de beschikbare begrotingskredieten kan de [2 leidend ambtenaar]2 aan woonzorgcentra die een [2 bijkomende]2 erkenning hebben, subsidies toekennen.]1
  
Art. 534/2. [1 Dans les limites des crédits budgétaires disponibles, [2 le fonctionnaire dirigeant ]2 peut accorder des subventions aux centres de soins résidentiels qui disposent d'un agrément [2 supplémentaire ]2.]1
  
Art. 534/3. [1 De subsidie die aan de woonzorgcentra die een [2 bijkomende]2 erkenning hebben, wordt toegekend, wordt geïndexeerd conform de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld.
   De koppeling aan het indexcijfer, vermeld in het eerste lid, wordt berekend en toegepast conform artikel 2 [3 , § 2]3 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen. De basisindex is de index die van toepassing is op 1 januari 2019. De koppeling aan het prijsindexcijfer gebeurt op 1 januari van het jaar dat op de indexsprong volgt.]1

  
Art. 534/3. [1 La subvention accordée aux centres de soins résidentiels disposant d'un agrément [2 supplémentaire]2, est indexée conformément à la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public.
   La liaison à l'indice, visée à l'alinéa 1er, est calculée et appliquée conformément à l'article 2 [3 , § 2,]3 de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays. L'indice de base est l'indice en vigueur le 1er janvier 2019. La liaison à l'indice des prix s'effectue le 1er janvier de l'année qui suit le saut de l'index.]1

  
Art. 534/4. [1 § 1. De jaarlijkse subsidie wordt als volgt berekend: 15.625 euro x het aantal entiteiten woonzorgcentrum met een bijzondere erkenning x de gemiddelde bezettingsgraad. Om voor subsidiëring in aanmerking te komen, heeft de capaciteit met een [3 bijkomende]3 erkenning een gemiddelde bezettingsgraad van minstens 50 %.
   In afwijking van het eerste lid, wordt de subsidie voor [2 de periode vanaf de ingangsdatum van de eerste bijzondere erkenning tot en met 31 december van het tweede jaar dat volgt op die ingangsdatum]2 als volgt berekend: 15.625 euro x het aantal entiteiten woonzorgcentrum met een bijzondere erkenning. Om voor subsidiëring in aanmerking te komen, heeft de capaciteit met een bijzondere erkenning een gemiddelde bezettingsgraad van minstens 50%.
   De subsidie, vermeld in het eerste lid, wordt bepaald op basis van de capaciteit waarvoor uiterlijk op 1 januari van het betreffende jaar de erkenningsbeslissing is verleend. Voor de capaciteit waarvoor de erkenningsbeslissing uiterlijk op 1 januari van het betreffende jaar is verleend, maar waarvan de erkenning ingaat na 1 januari en uiterlijk op 31 december van het betreffende jaar, wordt de subsidie herrekend op basis van het aantal dagen waarvoor de entiteiten met een bijzondere erkenning erkend zijn gedurende het betreffende jaar.
   Bij een eerste bijzondere erkenning wordt de subsidie, vermeld in het eerste lid, bepaald op basis van de eerst erkende capaciteit in de periode van 1 januari tot en met 31 december van het betreffende jaar. Dat geldt ook als de erkenningsbeslissing na 1 januari van het betreffende jaar wordt verleend. Als de erkenningsbeslissing na 1 januari van het betreffende jaar wordt verleend wordt de subsidie herrekend op basis van het aantal dagen waarvoor die eerst erkende capaciteit verleend is gedurende het betreffende jaar.
   § 2. De [3 leidend ambtenaar]3 bepaalt jaarlijks de woonzorgcentra en het aantal entiteiten per woonzorgcentrum met een [3 bijkomende]3 erkenning die in aanmerking komen voor de subsidiëring, vermeld in paragraaf 1, en het maximale subsidiebedrag per woonzorgcentrum.]1

  
Art. 534/4. [1 § 1er. La subvention annuelle est calculée comme suit : 15.625 euros x le nombre d'entités centre de soins résidentiels disposant d'un agrément [3 supplémentaire ]3x le taux moyen d'occupation. Pour être éligible au subventionnement, la capacité disposant d'un agrément [3 supplémentaire ]3 a un taux moyen d'occupation d'au moins 50 %.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, la subvention pour [2 la période à partir de la date de début du premier agrément spécial au 31 décembre de la deuxième année suivant cette date de début]2, est calculée comme suit : 15.625 euros x le nombre d'entités centre de soins résidentiels disposant d'un agrément [3 supplémentaire ]3. Pour être éligible au subventionnement, la capacité disposant d'un agrément spécial a un taux moyen d'occupation d'au moins 50 %.
   La subvention visée à l'alinéa 1er est déterminée sur la base de la capacité pour laquelle la décision d'agrément est octroyée au plus tard le 1er janvier de l'année concernée. Pour la capacité pour laquelle la décision d'agrément est octroyée au plus tard le 1er janvier de l'année concernée, mais dont l'agrément prend cours après le 1er janvier et au plus tard le 31 décembre de l'année concernée, la subvention est recalculée sur la base du nombre de jours pour lesquels les entités disposant d'un agrément [3 supplémentaire ]3 sont agréées pendant l'année concernée.
   En cas d'un premier agrément [3 supplémentaire ]3, la subvention visée à l'alinéa 1er est déterminée sur la base de la première capacité agréée dans la période du 1er janvier au 31 décembre de l'année concernée. Ce règlement s'applique également si la décision d'agrément est octroyée après le 1er janvier de l'année concernée. Dans ce cas, la subvention est recalculée sur la base du nombre de jours pour lesquels cette première capacité agréée est accordée pendant l'année concernée.
   § 2. L'administrateur général de l'agence détermine annuellement les centres de soins résidentiels et le nombre d'entités par centre de soins résidentiels disposant d'un agrément [3 supplémentaire ]3qui sont éligibles au subventionnement, visé au paragraphe 1er, et le montant de subvention maximal par centre de soins résidentiels.]1

  
Art. 534/5. [1 De initiatiefnemer van het woonzorgcentrum met dat een bijzondere erkenning, bezorgt vóór 1 april van het jaar dat volgt op het jaar dat in aanmerking genomen wordt voor de subsidiëring, aan het agentschap de bezettingsgegevens van de capaciteit met een [2 bijkomende]2 erkenning.
   De minister kan de vorm, de inhoud en de organisatie van de bewijsvoering conform het eerste lid bepalen.]1

  
Art. 534/5. [1 L'initiateur du centre de soins résidentiels disposant d'un agrément [2 supplémentaire ]2 transmet à l'agence, avant le 1er avril de l'année suivant l'année qui est prise en compte pour le subventionnement, les données d'occupation de la capacité disposant d'un agrément [2 supplémentaire ]2.
   Le Ministre peut déterminer la forme, le contenu et l'organisation des preuves conformément à l'alinéa 1er.]1

  
Art. 534/6. [1 Vóór 1 juli wordt een voorschot uitgekeerd dat 90% bedraagt van het subsidiebedrag, vermeld in artikel 534/4, § 2.
   Bij een eerste erkenning als vermeld in artikel 534/4, § 1, vierde lid, die ingaat na 1 juli van het betreffende jaar, wordt dat voorschot uitgekeerd voor 31 december van het betreffende jaar.]1

  
Art. 534/6. [1 Avant le 1er juillet, une avance de 90% du montant de subvention, visé à l'article 534/4, § 2, est payée.
   En cas d'un premier agrément tel que visé à l'article 534/4, § 1er, alinéa 4, qui prend cours après le 1er juillet de l'année concernée, cette avance est payée avant le 31 décembre de l'année concernée.]1

  
Art. 534/7. [1 Het definitieve subsidiebedrag wordt berekend, toegekend en gesaldeerd op basis van de gegevens die bezorgd worden conform artikel 534/5.
   Als blijkt dat het woonzorgcentrum met een [2 bijkomende]2 erkenning, te veel voorschotten heeft ontvangen, wordt het teveel aan subsidie dat conform artikel 534/6 is uitbetaald, teruggevorderd. [3 Bij een gemiddelde bezettingsgraad van minder dan 50% van de capaciteit met een bijkomende erkenning wordt het totaal aan verminderingen dat het woonzorgcentrum voor het betreffende jaar met toepassing van artikel 527, derde lid, heeft toegekend op de gebruikersfactuur van de gebruikers binnen de bijkomende erkenning voor de zorg en ondersteuning van personen met jongdementie, verminderd met het bedrag dat wordt teruggevorderd.]3
   Als op het moment van de uitkering van de voorschotten, vermeld in artikel 534/6, het teruggevorderde bedrag van het voorgaande jaar nog niet is betaald, wordt dat bedrag in mindering gebracht van de uit te betalen voorschotten.
   De initiatiefnemer van het woonzorgcentrum met een [2 bijkomende]2 erkenning, wordt op de hoogte gebracht van de berekening van het definitieve subsidiebedrag en het uit te betalen saldo, vermeld in het eerste lid, of van de terug te vorderen voorschotten, vermeld in het tweede lid.]1

  
Art. 534/7. [1 Le montant de subvention définitif est calculé, accordé et soldé sur la base de données qui sont transmises conformément à l'article 534/5.
   Lorsqu'il s'avère que le centre de soins résidentiels disposant d'un agrément [2 supplémentaire ]2 a reçu trop d'avances, l'excédent de subvention payé conformément à l'article 534/6, est recouvré. [3 Dans le cas d'un taux d'occupation moyen inférieur à 50 % de la capacité avec un agrément supplémentaire, le total des réductions que le centre de soins résidentiels a accordées pour l'année en question avec l'application de l'article 527, alinéa 3, sur la facture utilisateur des utilisateurs dans l'agrément supplémentaire pour les soins et le soutien des personnes atteintes de démence précoce, est réduit du montant qui est récupéré.]3
   Si, au moment du paiement des avances visées à l'article 534/6, le montant recouvré de l'année précédente n'a pas encore été payé, ce montant est déduit des avances à payer.
   L'initiateur du centre de soins résidentiel disposant d'un agrément spécial est informé du calcul du montant définitif de la subvention et du solde à régler, visés à l'alinéa 1er, ou des avances à recouvrer, visées à l'alinéa 2.]1

  
Art. 534/8. [1 In afwijking van artikel 534/4, § 1, eerste lid, bedraagt de subsidie per entiteit woonzorgcentrum met een [2 bijkomende]2 erkenning voor het jaar 2019, 7812,5 euro.
   In afwijking van artikel 534/4, § 1, derde lid, wordt voor het jaar 2019 de subsidie bepaald op basis van de capaciteit waarvoor uiterlijk op 1 juli 2019 de erkenningsbeslissing is verleend. Voor de capaciteit waarvoor de erkenningsbeslissing uiterlijk op 1 juli 2019 is verleend, maar waarvan de erkenning ingaat na 1 juli 2019 en uiterlijk op 31 december 2019, wordt de subsidie herrekend op basis van het aantal dagen waarvoor de entiteiten met een [2 bijkomende]2 erkenning woonzorgcentrum erkend waren gedurende 2019.
   In afwijking van artikel 534/4, § 1, vierde lid, wordt voor het jaar 2019 bij een eerste [2 bijkomende]2 erkenning de subsidie bepaald op basis van de eerst erkende capaciteit in de periode van 1 juli tot en met 31 december 2019. Die regeling geldt ook als de erkenningsbeslissing na 1 juli 2019 is verleend. In dat geval wordt de subsidie herrekend op basis van het aantal dagen waarvoor die eerst erkende capaciteit verleend is gedurende het betreffende jaar.]1

  
Art. 534/8. [1 Par dérogation à l'article 534/4, § 1er, alinéa 1er, la subvention par entité centre de soins résidentiels disposant d'un agrément [2 supplémentaire ]2 s'élève à 7812,5 euros pour l'année 2019.
   Par dérogation à l'article 534/4, § 1er, alinéa 3, la subvention pour l'année 2019 est déterminée sur la base de la capacité pour laquelle la décision d'agrément est octroyée au plus tard le 1er juillet 2019. Pour la capacité pour laquelle la décision d'agrément est octroyée au plus tard le 1er juillet 2019, mais dont l'agrément prend cours après le 1er juillet 2019 et au plus tard le 31 décembre 2019, la subvention est recalculée sur la base du nombre de jours pour lesquels les entités disposant d'un agrément [2 supplémentaire ]2 centre de soins résidentiels étaient agréées pendant 2019.
   Par dérogation à l'article 534/4, § 1er, alinéa 4, en cas d'un premier agrément [2 supplémentaire ]2 la subvention pour l'année 2019 est déterminée sur la base de la première capacité agréée dans la période du 1er juillet au 31 décembre 2019. Ce règlement s'applique également si la décision d'agrément est octroyée après le 1er juillet 2019. Dans ce cas, la subvention est recalculée sur la base du nombre de jours pour lesquels cette première capacité agréée est accordée pendant l'année concernée.]1

  
Boek 3/2.
Livre 3/2.
Boek 3/3. [1 Subsidiëring van de coördinerend en raadgevend arts voor woongelegenheden woonzorgcentrum zonder bijkomende erkenning en woongelegenheden centrum voor kortverblijf tijdens de periode van 1 januari 2021 tot en met 30 juni 2021 ]1
Livre 3/3. [1 Subventionnement du médecin coordinateur et conseiller pour logements centre de soins résidentiels sans agrément supplémentaire et logements centre de court séjour au cours de la période du 1er janvier 2021 au 30 juin 2021 ]1
Art. 534/12. [1 . § 1. Aan de woonzorgcentra en centra voor kortverblijf wordt voor de periode van 1 januari 2021 tot en met 30 juni 2021 een subsidie toegekend die bestemd is voor de vergoeding van de coördinerend en raadgevend arts.
   De subsidie, vermeld in het eerste lid, wordt voor de periode van 1 januari 2021 tot en met 30 juni 2021 als volgt berekend: (0,63 euro x (aantal erkende woongelegenheden woonzorgcentrum zonder bijkomende erkenning op 31 maart 2021 + aantal erkende woongelegenheden centrum voor kortverblijf op 31 maart 2021) x referentiebezetting x 181 dagen).
   Voor nieuwe woonzorgcentra, al dan niet met bijbehorend centrum voor kortverblijf, waarvan de eerste erkenning ingaat na 1 januari 2021 en voor 1 april 2021 wordt de subsidie vermeld in het eerste lid als volgt berekend: (0,63 euro x (aantal erkende woongelegenheden woonzorgcentrum zonder bijkomende erkenning op 31 maart 2021 + aantal erkende woongelegenheden centrum voor kortverblijf op 31 maart 2021) x referentiebezetting x aantal dagen vanaf de begindatum erkenning tot en met 30 juni 2021).
   De referentiebezetting vermeld in het tweede en derde lid is gelijk aan de individuele gemiddelde bezettingsgraad van een woonzorgcentrum, al dan niet met bijbehorend centrum voor kortverblijf, in de referentieperiode van 1 juli 2018 tot en met 30 juni 2019 waarbij het aantal gefactureerde ligdagen tijdens de periode van 1 juli 2018 tot en met 30 juni 2019, zoals doorgegeven via de elektronische vragenlijst, vermeld in artikel 452 van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 november 2018 houdende de uitvoering van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming, voor de berekening van de basistegemoetkoming voor zorg gedeeld wordt door "het gemiddelde aantal erkende woongelegenheden tijdens de periode van 1 juli 2018 tot en met 30 juni 2019 vermenigvuldigd met 365". De individuele bezettingsgraad bedraagt maximaal 1. Voor nieuwe woonzorgcentra, al dan niet met bijbehorend centrum voor kortverblijf, waarvan de eerste erkenning ingaat na 30 juni 2018, is de referentiebezetting gelijk aan de sectorale gemiddelde bezettingsgraad van 0,9419.
   § 2. Om in aanmerking te komen voor de subsidies vermeld in paragraaf 1 moeten al de volgende voorwaarden vervuld zijn:
   1° er is een ondernemingscontract gesloten met een coördinerend en raadgevend arts dat uiterlijk op 31 mei 2021 start;
   2° de prestaties van de coördinerend en raadgevend arts bedragen gemiddeld minstens twee uur en twintig minuten per week per dertig bewoners.
   3° de gegevens van de coördinerend en raadgevend arts zijn ten laatste op 31 mei 2021 doorgegeven via de elektronische vragenlijst, vermeld in artikel 452.
   Het ondernemingscontract vermeldt de rechten en plichten van beide partijen, waaronder minstens de te leveren prestaties en de vergoeding. De te leveren prestaties omvatten minstens de bepaling dat er prestaties geleverd worden ten belope van gemiddeld 2u20 per week per 30 bewoners. De vergoeding is minstens gelijk aan 0,63 euro per bewoner en per dag.
   Het agentschap kan een exemplaar opvragen van het contract waarmee de coördinerend en raadgevend arts verbonden is aan het woonzorgcentrum al dan niet met bijbehorend centrum voor kortverblijf.
   § 3. Het woonzorgcentrum al dan niet met bijbehorend centrum voor kortverblijf stort de subsidies, vermeld in paragraaf 1, door aan de coördinerend en raadgevend arts. ]1

  
Art. 534/12. [1 § 1er. Les centres de soins résidentiels et les centres de court séjour se voient octroyer, pour la période du 1er janvier 2021 au 30 juin 2021, une subvention destinée à la rémunération du médecin coordinateur et conseiller.
   La subvention visée à l'alinéa 1er est calculée comme suit pour la période du 1er janvier 2021 au 30 juin 2021 : (0,63 euro x (nombre de logements agréés centre de soins résidentiels sans agrément supplémentaire au 31 mars 2021 + nombre de logements agréés centre de court séjour au 31 mars 2021) x occupation de référence x 181 jours).
   En ce qui concerne les nouveaux centres de soins résidentiels, avec ou sans centre de court séjour associé, dont le premier agrément prend cours après le 1er janvier 2021 et avant le 1er avril 2021, la subvention visée à l'alinéa 1er est calculée comme suit : (0,63 euro x (nombre de logements agréés centre de soins résidentiels sans agrément supplémentaire au 31 mars 2021 + nombre de logements agréés centre de court séjour au 31 mars 2021) x occupation de référence x nombre de jours à partir de la date de début de l'agrément jusqu'au 30 juin 2021 inclus).
   L'occupation de référence visée à l'alinéa 2 et 3 est égale au taux moyen d'occupation individuel d'un centre de soins résidentiels, avec ou sans centre de court séjour associé, au cours de la période de référence du 1er juillet 2018 au 30 juin 2019, le nombre de journées d'entretien facturées durant la période du 1er juillet 2018 au 30 juin 2019, tel qu'indiqué dans le questionnaire électronique visé à l'article 452 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 30 novembre 2018 portant exécution du décret du 18 mai 2018 relatif à la protection sociale flamande, étant divisé, pour le calcul de l'intervention de base pour les soins, par " le nombre moyen de logements agréés durant la période du 1er juillet 2018 au 30 juin 2019 multiplié par 365 ". Le taux d'occupation individuel s'élève à 1 maximum. En ce qui concerne les nouveaux centres de soins résidentiels, avec ou sans centre de court séjour associé, dont le premier agrément prend cours après le 30 juin 2018, l'occupation de référence est égale au taux moyen d'occupation sectoriel de 0,9419.
   § 2. Pour pouvoir bénéficier des subventions visées au paragraphe 1er, l'ensemble des conditions suivantes doivent être remplies :
   1° un contrat d'entreprise a été conclu avec un médecin coordinateur et conseiller qui débute au plus tard le 31 mai 2021 ;
   2° les prestations du médecin coordinateur et conseiller s'élèvent, en moyenne, à au moins 2 heures et 20 minutes par semaine et pour trente résidents ;
   3° les coordonnées du médecin coordinateur et conseiller sont notifiées par le biais du questionnaire électronique visé à l'article 452 au plus tard le 31 mai 2021.
   Le contrat d'entreprise mentionne les droits et les devoirs des deux parties, dont au moins les prestations à fournir et la rémunération. Les prestations à fournir comprennent au moins la disposition selon laquelle des prestations représentant une moyenne de 2h20 par semaine pour 30 résidents doivent être fournies. La rémunération est au moins égale à 0,63 euro par résident et par jour.
   L'agence peut demander un exemplaire du contrat liant le médecin coordinateur et conseiller au centre de soins résidentiels avec ou sans centre de court séjour associé.
   § 3. Le centre de soins résidentiels avec ou sans centre de court séjour associé reverse les subventions, visées au paragraphe 1er, au médecin coordinateur et conseiller. ]1

  
Boek 3/4. [1 Revalidatieziekenhuizen]1
Livre 3/4. [1 Hôpitaux de revalidation]1
DEEL 1. [1 - Definities]1
Partie 1re. [1 - Définitions]1
Art. 534/13. [1 In dit boek wordt verstaan onder:
   1° BMUC: Belgian Meaningful Use Criteria;
   2° budget: het budget, vermeld in artikel 95 van de gecoördineerde wet van 10 juli 2008, dat voor ieder revalidatieziekenhuis afzonderlijk wordt vastgesteld en vereffend;
   3° dienstjaar: de periode die begint op 1 januari van een jaar en die op 31 december van hetzelfde jaar eindigt voor de revalidatieziekenhuizen;
   4° gecoördineerde wet van 10 juli 2008: de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen;
   5° kostenplaats: een kostenplaats als vermeld in bijlage 2 bij het koninklijk besluit van 14 augustus 1987 tot bepaling van de minimumindeling van het algemeen rekeningenstelsel voor de ziekenhuizen;
   6° koninklijk besluit van 25 april 2002: het koninklijk besluit van 25 april 2002 betreffende de vaststelling en de vereffening van het budget van financiële middelen van de ziekenhuizen;
   7° patiënt: een gebruiker aan wie gezondheidszorg wordt verstrekt of zal worden verstrekt in een revalidatieziekenhuis;
   8° vzw IF.IC: het Instituut voor Functieclassificatie vzw - l'Institut de Classification de Fonctions asbl;
   9° tijdelijke afwezigheid: de periode waarin de patiënt die in een revalidatieziekenhuis opgenomen is, het revalidatieziekenhuis verlaat zonder dat een einde wordt gesteld aan de zorg door een kennisgeving aan de zorgkas als vermeld in artikel 534/65, en zonder dat hij naar een ander revalidatieziekenhuis of ziekenhuis wordt overgebracht.]1

  
Art. 534/13. [1 Dans le présent livre, on entend par :
   1° BMUC : Belgian Meaningful Use Criteria ;
   2° budget : le budget visé à l'article 95 de la loi coordonnée du 10 juillet 2008, qui est fixé et liquidé séparément pour chaque hôpital de revalidation ;
   3° exercice : la période qui débute le 1er janvier d'une année et se termine le 31 décembre de la même année pour les hôpitaux de revalidation ;
   4° loi coordonnée du 10 juillet 2008 : la loi coordonnée du 10 juillet 2008 sur les hôpitaux et autres établissements de soins ;
   5° centre de frais : un centre de frais tel que visé à l'annexe 2 à l'arrêté royal du 14 août 1987 relatif au plan comptable minimum normalisé des hôpitaux ;
   6° arrêté royal du 25 avril 2002 : l'arrêté royal du 25 avril 2002 relatif à la fixation et à la liquidation du budget des moyens financiers des hôpitaux ;
   7° patient : un usager auquel des soins de santé sont ou seront dispensés dans un hôpital de revalidation ;
   8° IF.IC asbl : l'Institut de Classification de Fonctions asbl - het Instituut voor Functieclassificatie vzw ;
   9° absence temporaire : la période durant laquelle le patient, admis dans un hôpital de revalidation, quitte l'hôpital de revalidation sans qu'il soit mis fin aux soins par une notification à la caisse d'assurance soins, telle que visée à l'article 534/65, et sans qu'il soit transféré dans un autre hôpital (de revalidation).]1

  
DEEL 2. [1 - Vaststelling van het budget]1
Partie 2. [1 - Fixation du budget]1
TITEL 1. [1 - Algemene bepalingen]1
TITRE 1er. [1 - Dispositions générales]1
Art. 534/14. [1 De minister bepaalt jaarlijks het budget voor elk revalidatieziekenhuis voor een dienstjaar. Met behoud van de toepassing van andersluidende bepalingen in dit besluit wordt dat budget op 1 januari van elk jaar vastgesteld.
   In afwijking van het eerste lid wordt het budget verhoogd vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de spilindex is overschreden, conform artikel 534/34.]1

  [2 In afwijking van het eerste lid wordt het budget voor het dienstjaar 2025 op 1 januari 2025 en op 1 juli 2025 vastgesteld.]2
  
Art. 534/14. [1 Le ministre détermine annuellement le budget de chaque hôpital de revalidation pour un exercice. Sans préjudice de l'application de dispositions contraires du présent arrêté, ce budget est fixé le 1er janvier de chaque année.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, le budget est augmenté à partir du premier jour du mois qui suit celui durant lequel l'indice-pivot est dépassé conformément à l'article 534/34]1

  [2 Par dérogation à l'alinéa 1er, le budget pour l'exercice 2025 est fixé le 1er janvier 2025 et le 1er juillet 2025.]2
  
Art. 534/15. [1 Het budget is samengesteld uit de volgende delen:
   1° het basisbudget;
   2° het voorwaardelijke budget;
   3° het jaarlijks herrekende budget;
   4° het corrigerende budget.]1

  
Art. 534/15. [1 Le budget se compose des parties suivantes :
   1° le budget de base ;
   2° le budget conditionnel ;
   3° le budget recalculé annuellement ;
   4° le budget correctif.]1

  
TITEL 2. [1 - Het basisbudget, vermeld in artikel 534/15, 1°]1
TITRE 2. [1 - Le budget de base visé à l'article 534/15, 1°]1
Art. 534/16. [1 Het basisbudget dekt de kosten van de bestanddelen, vermeld in bijlage 6, die bij dit besluit is gevoegd, die niet worden gedekt door het voorwaardelijke, jaarlijks herrekende of corrigerende budget, vermeld in artikel 534/18, 534/24 en 534/28.
  [2 Het basisbudget wordt aangevuld met een budget om het structureel tekort aan ontvangsten voor de dienstjaren 2015 tot en met 2018 te financieren]2.]1

  [3 Vanaf het dienstjaar 2025 wordt het basisbudget aangevuld met een bedrag voor hr-versterking.]3
  
Art. 534/16. [1 Le budget de base couvre les coûts des éléments constitutifs, visés à l'annexe 6 jointe au présent arrêté, qui ne sont pas couverts par le budget conditionnel, le budget recalculé annuellement ou le budget correctif visés aux articles 534/18, 534/24 et 534/28.
   [2 Le budget de base est complété par un budget destiné à financer le déficit structurel des recettes pour les exercices 2015 à 2018. ]2]1

  [3 A partir de l'exercice 2025, le budget de base est complété par un montant destiné au renforcement des ressources humaines. ]3
  
Art. 534/17. [1 Het basisbudget voor het dienstjaar dat op 1 januari 2022 begint, bestaat uit het bedrag van het basisbudget voor het dienstjaar dat begint op 1 januari 2021, berekend conform artikel 242 van het besluit van 7 december 2018, zoals van kracht op 31 december 2021, en toegekend op 1 juli 2021.
  [2 ...]2
   Het basisbudget voor het dienstjaar dat op 1 januari 2023 begint, en voor elk van de daaropvolgende dienstjaren bestaat uit het basisbudget voor het dienstjaar dat begint op 1 januari 2022, zoals geïndexeerd conform artikel 534/34.]1
[3 Bij een gemiddelde bezettingsgraad van minder dan 50% van de capaciteit met een bijkomende erkenning wordt het totaal aan verminderingen dat het woonzorgcentrum voor het betreffende jaar met toepassing van artikel 527, derde lid, heeft toegekend op de gebruikersfactuur van de gebruikers binnen de bijkomende erkenning voor de zorg en ondersteuning van personen met jongdementie, verminderd met het bedrag dat wordt teruggevorderd.]3
  [2 Het budget om het structureel tekort aan ontvangsten voor de dienstjaren 2015 tot en met 2018 te financieren, vermeld in artikel 534/16, tweede lid, van dit besluit, wordt berekend conform de bepalingen van het koninklijk besluit van 25 april 2002, zoals dit van kracht was op datum van 31 december 2018.]2
  [4 Vanaf het dienstjaar 2025 wordt aan het basisbudget een bedrag van 296.749 euro toegekend met het oog op hr-versterking door de introductie van een nieuwe medewerker of bijkomende arbeidstijd om de uitvoering van bijkomende administratie te ondersteunen in het kader van de IFIC.
   Het bedrag, vermeld in het vierde lid, wordt verdeeld over de revalidatieziekenhuizen op basis van de volgende toewijzingen:
   1° minder dan 90 vte: 0 vte;
   2° minimaal 90 vte en maximaal 300 vte: 0,5 vte;
   3° meer dan 300 vte en maximaal 900 vte: 0,75 vte;
   4° meer dan 900 vte: 1 vte.
   Het bedrag per revalidatieziekenhuis, vermeld in het vijfde lid, wordt berekend op basis van al de volgende gegevens:
   1° de waardering van één vte tegen een bedrag van 91.309,33 euro. Dat komt overeen met de IFIC-categorie 16 met tien jaar ervaring;
   2° het aantal vte zoals gerapporteerd voor de berekening van de IFIC-meerkosten voor het budget dat wordt vastgelegd op 1 januari 2025.
   De bedragen, vermeld in het vierde lid en zesde lid, 1°, worden gekoppeld aan het spilindexcijfer 130,67 (1 februari 2025; basis 2013=100)]4

  
Art. 534/17. [1 Le budget de base pour l'exercice débutant le 1er janvier 2022 se compose du budget de base pour l'exercice débutant 1er janvier 2021, calculé conformément à l'article 242 de l'arrêté du 7 décembre 2018, tel qu'en vigueur au 31 décembre 2021, et octroyé le 1er juillet 2021.
  [2 ...]2
   Le budget de base pour l'exercice débutant le 1er janvier 2023 et pour chacun des exercices suivants se compose du budget de base pour l'exercice débutant le 1er janvier 2022, tel qu'indexé conformément à l'article 534/34.]1
[3 Dans le cas d'un taux d'occupation moyen inférieur à 50 % de la capacité avec un agrément supplémentaire, le total des réductions que le centre de soins résidentiels a accordées pour l'année en question avec l'application de l'article 527, alinéa 3, sur la facture utilisateur des utilisateurs dans l'agrément supplémentaire pour les soins et le soutien des personnes atteintes de démence précoce, est réduit du montant qui est récupéré.]3
  [2 Le budget pour le financement du déficit structurel des recettes pour les exercices 2015 à 2018, figurant à l'article 534/16, alinéa 2, du présent arrêté, est calculé conformément aux dispositions de l'arrêté royal du 25 avril 2002, tel qu'il était en vigueur au 31 décembre 2018]2
  [4 A partir de l'exercice 2025, un montant de 296 749 euros est attribué au budget de base en vue du renforcement des ressources humaines par l'introduction d'un nouveau collaborateur ou d'un temps de travail supplémentaire afin de soutenir l'exécution d'une administration supplémentaire dans le cadre de l'IFIC.
   Le montant visé à l'alinéa 4, est réparti entre les hôpitaux de revalidation sur la base des attributions suivantes :
   1° moins de 90 ETP : 0 ETP ;
   2° au minimum 90 ETP et au maximum 300 ETP : 0,5 ETP ;
   3° plus de 300 ETP et au maximum 900 ETP : 0,75 ETP ;
   4° plus de 900 ETP : 1 ETP.
   Le montant par hôpital de revalidation visé à l'alinéa 5, est calculé sur la base de toutes les données suivantes :
   1° l'évaluation d'un ETP à un montant de 91 309,33 euros.Cela correspond à la catégorie IFIC 16 avec dix années d'expérience ;
   2° le nombre d'ETP tel que rapporté pour le calcul des surcoûts IFIC pour le budget fixé au 1er janvier 2025.
   Les montants visés à l'alinéa 4 et à l'alinéa 6, 1°, sont liés à l'indice pivot 130,67 (1er février 2025 ; base 2013=100). ]4

  
Art. 534/17/1. [1 Om de uitvoering van de kwaliteitsmaatregelen voor de publieke revalidatieziekenhuizen, zoals bepaald in het Zesde Vlaams Intersectoraal Akkoord van 30 maart 2021 en geconcretiseerd in de aanvullende afspraak op het eindverslag van het protocol 2022/7 van 13 mei 2022, te financieren, wordt vanaf het dienstjaar 2024 een budget toegevoegd aan het basisbudget van de publieke revalidatieziekenhuizen.
   Het budget, vermeld in het eerste lid, bedraagt 52.207,52 euro. Het voormelde bedrag wordt gekoppeld aan het spilindexcijfer 120,73 (1 november 2022; basis=2013) en worden aangepast conform de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.
   Het budget, vermeld in het eerste lid, wordt toegekend aan het enige publieke revalidatieziekenhuis.
   In het eerste lid wordt verstaan onder protocol 2022/7 van 13 mei 2022: protocol nr. 2022/7 van 13 mei 2022 over het akkoord tussen de sociale partners in comité C1 over de toewijzing van de middelen koopkracht, vastgelegd in het VIA6 akkoord van 22 december 2020, luik koopkracht publieke sector, aan de geregionaliseerde publieke instellingen die niet behoren tot de geregionaliseerde ouderenzorg, in het bijzonder aan de publieke revalidatieziekenhuizen en de ambulante revalidatievoorzieningen (met inbegrip van de MSOC's) en aan de publieke initiatieven voor beschut wonen.]1

  
Art. 534/17/1. [1 Pour financer l'exécution des mesures de qualité pour les hôpitaux publics de revalidation, telles que déterminées dans le Sixième Accord intersectoriel flamand du 30 mars 2021, et concrétisées dans l'accord complémentaire sur le rapport final du protocole 2022/7 du 13 mai 2022, un budget est ajouté au budget de base des hôpitaux publics de revalidation à partir de l'exercice 2024.
   Le budget visé à l'alinéa 1er s'élève à 52 207,52 euros. Le montant précité est lié à l'indice pivot 120,73 (1 novembre 2022 ; base=2013) et est adapté conformément à la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
   Le budget visé à l'alinéa 1er est accordé au seul hôpital public de revalidation.
   Dans l'alinéa 1er, on entend par protocole 2022/7 du 13 mai 2022 : protocole n° 2022/7 du 13 mai 2022 relatif à l'accord entre les partenaires sociaux du comité C1 sur l'utilisation des ressources du pouvoir d'achat prévues par l'accord VIA6 du 22 décembre 2020, section pouvoir d'achat du secteur public, aux établissements publics régionalisés qui ne relèvent pas des soins régionalisés pour personnes âgées, notamment aux hôpitaux publics de revalidation et aux structures de revalidation ambulatoires (y compris les MSOC) ainsi qu'aux initiatives publiques d'habitation protégée.]1

  
TITEL 3. [1 - Het voorwaardelijke budget, vermeld in artikel 534/15, 2°]1
TITRE 3.. [1 - Le budget conditionnel visé à l'article 534/15, 2°]1
HOOFDSTUK 1. [1 - Onderdelen]1
CHAPITRE 1er. [1 - Sous-parties]1
Art. 534/18. [1 Het voorwaardelijke budget bestaat uit de volgende onderdelen:
   1° het bedrag om de kwaliteitsbewaking te bevorderen;
   2° het bedrag om de implementatie van het elektronisch patiëntendossier te bevorderen.]1

  [2 3° een eenmalig bedrag in het budget voor het dienstjaar 2025 om de arbeidsomstandigheden van het zorgpersoneel te bevorderen.]2
  
Art. 534/18. [1 Le budget conditionnel comporte les sous-parties suivantes :
   1° le montant en vue de promouvoir le contrôle qualité ;
   2° le montant en vue de promouvoir la mise en oeuvre du dossier patient informatisé.]1

  [2 3° un montant unique dans le budget pour l'année de service 2025 afin de promouvoir les conditions de travail du personnel soignant. ]2
  
HOOFDSTUK 2 [1 - Bedrag om de kwaliteitsbewaking te bevorderen]1
CHAPITRE 2. [1 - Montant en vue de promouvoir le contrôle qualité]1
Art. 534/19. [1 In dit artikel wordt verstaan onder VIP2: het Vlaams Indicatorenproject voor Patiënten en Professionals, dat wordt gecoördineerd door het Vlaams Instituut voor Kwaliteit van Zorg, waarin ziekenhuizen worden aangespoord om de manier waarop ze zorg verlenen en de resultaten van hun zorgverlening aan de hand van kwaliteitsindicatoren te meten en te evalueren.
   Om de kwaliteitsbewaking te bevorderen, wordt een bedrag van 124.377,49 euro verdeeld over de revalidatieziekenhuizen die een overeenkomst hebben gesloten met het [2 Departement Zorg]2 over de deelname aan het project VIP2.
   Dit onderdeel van het voorwaardelijke budget bestaat uit een forfaitair bedrag (X), dat wordt berekend op basis van de volgende formule: X = A x B/C, waarbij:
   1° A: het beschikbare bedrag, vermeld in het tweede lid;
   2° B: het aantal erkende bedden van het revalidatieziekenhuis in kwestie;
   3° C: het totale aantal erkende bedden van de revalidatieziekenhuizen in kwestie.
   Als het bedrag (X), berekend conform het derde lid, lager dan 10.200 euro is, wordt het bedrag (X) geacht 10.200 euro te zijn.
   Voor de vaststelling van het aantal erkende bedden wordt rekening gehouden met het aantal erkende bedden, zoals dat bij het [2 Departement Zorg]2 bekend is op 31 augustus van het jaar dat voorafgaat aan het dienstjaar waarop het budget betrekking heeft.
   Om dit onderdeel van het voorwaardelijke budget te behouden, bezorgen de revalidatieziekenhuizen de registratiegegevens tijdig conform de afgesproken data, bepaald in de protocollen van de indicatoren van het project VIP2, aan het [2 Departement Zorg ]2, conform de regels, bepaald in de overeenkomst die gesloten is met het agentschap Zorg en Gezondheid over de deelname aan het project VIP2.]1

  
Art. 534/19. [1 Dans le présent article, on entend par VIP2 : le Projet flamand d'indicateurs pour patients et professionnels, coordonné par l'Institut flamand pour la Qualité des soins, dans le cadre duquel les hôpitaux sont encouragés à mesurer et à évaluer la façon dont ils dispensent des soins et les résultats des soins qu'ils dispensent au moyen d'indicateurs de qualité.
   Afin de promouvoir le contrôle qualité, un montant de 124.377,49 euros est réparti entre les hôpitaux de revalidation qui ont conclu avec [2 le Département Soins]2 un accord sur la participation au projet VIP2.
   Cette sous-partie du budget conditionnel consiste en un montant forfaitaire (X) qui est calculé selon la formule suivante : X = A x B/C, où :
   1° A : le montant disponible visé à l'alinéa 2 ;
   2° B : le nombre de lits agréés de l'hôpital de revalidation concerné ;
   3° C : le nombre total de lits agréés des hôpitaux de revalidation concernés.
   Si le montant (X), calculé conformément à l'alinéa 3, est inférieur à 10.200 euros, le montant (X) est réputé égal à 10.200 euros.
   Pour la fixation du nombre de lits agréés, il est tenu compte du nombre de lits agréés tel qu'il est connu de [2 le Département Soins ]2 au 31 août de l'année qui précède l'exercice auquel le budget se rapporte.
   Afin de conserver cette sous-partie du budget conditionnel, les hôpitaux de revalidation transmettent à l'agence des Soins et de la Santé, en temps utile, suivant les dates convenues, les données d'enregistrement définies dans les protocoles des indicateurs du projet VIP2, conformément aux règles fixées dans l'accord conclu avec l'agence des Soins et de la Santé sur la participation au projet VIP2.]1

  
HOOFDSTUK 3. [1 - Bedrag om de implementatie van het elektronisch patiëntendossier te bevorderen]1
CHAPITRE 3. [1 - Montant en vue de promouvoir la mise en oeuvre du dossier patient informatisé]1
Art. 534/20. [1 Met het oog op de realisatie van het elektronisch patiëntendossier, bepaald in actiepunt 2 van de Roadmap 2.0 van het e-gezondheidsplan, waarvan de inhoud is gedefinieerd in de BMUC, die zijn opgenomen in bijlage 7, die bij dit besluit is gevoegd, wordt in een forfaitaire financiering voorzien onder de voorwaarden, vermeld in artikel 534/21 tot en met 534/23 van dit besluit.
   Dit onderdeel van het voorwaardelijke budget bestaat uit een bedrag van 680.638,83 euro, dat als volgt wordt verdeeld in de vorm van forfaits:
   1° een sokkel per revalidatieziekenhuis;
   2° een sokkel per erkend bed;
   3° een acceleratorbudget;
   4° een 'early adopter'-budget.]1

  
Art. 534/20. [1 En vue de la réalisation du dossier patient informatisé prévu par le point d'action 2 de la Feuille de route 2.0 du Plan e-Santé, dont le contenu est défini dans les BMUC, repris à l'annexe 7 jointe au présent arrêté, un financement forfaitaire est prévu selon les conditions énoncées aux articles 534/21 à 534/23 du présent arrêté.
   Cette sous-partie du budget conditionnel consiste en un montant de 680.638,83 euros, qui est réparti comme suit sous la forme de forfaits :
   1° un socle par hôpital de revalidation ;
   2° un socle par lit agréé ;
   3° un budget `accélérateur' ;
   4° un budget `early adopter'.]1

  
Art. 534/21. [1 ]1De sokkel per revalidatieziekenhuis, vermeld in artikel 534/20, tweede lid, 1°, wordt elk jaar berekend en is identiek voor alle revalidatieziekenhuizen. Die sokkel bedraagt 5% van het beschikbare bedrag, vermeld in artikel 534/20, tweede lid, per dienstjaar.
   Om voor de financiering, vermeld in het eerste lid, in aanmerking te komen, moet het revalidatieziekenhuis jaarlijks voldoen aan de voorwaarden voor de mededeling van de gegevens, vermeld in deel 6.
   Als een revalidatieziekenhuis de voorwaarden voor de mededeling van de gegevens, vermeld in deel 6, niet respecteert, wordt het toegekende bedrag voor het jaar in kwestie gerecupereerd in het volgende budget. Het gerecupereerde bedrag wordt conform dezelfde modaliteiten herverdeeld onder de andere revalidatieziekenhuizen op het moment dat het volgende budget wordt toegekend.
   De sokkel per erkend bed, vermeld in artikel 534/20, tweede lid, 2°, wordt elk jaar berekend. Voor de vastlegging van het aantal erkende bedden wordt rekening gehouden met de erkende bedden, zoals bekend bij het [2 Departement Zorg]2d op het ogenblik van de berekening van het budget. Die sokkel bedraagt 10% van het beschikbare bedrag, vermeld in artikel 534/20, tweede lid, per dienstjaar.
   Om voor de financiering, vermeld in het eerste lid, in aanmerking te komen, moet het revalidatieziekenhuis jaarlijks voldoen aan de voorwaarden voor de mededeling van de gegevens, vermeld in deel 6.
   Als een revalidatieziekenhuis de voorwaarden voor de mededeling van de gegevens, vermeld in deel 6, niet respecteert, wordt het toegekende bedrag voor het jaar in kwestie gerecupereerd in het volgende budget. Het gerecupereerde bedrag wordt conform dezelfde modaliteiten herverdeeld onder de andere revalidatieziekenhuizen op het moment dat het volgende budget wordt toegekend.
  
Art. 534/21. [1 Le socle par hôpital de revalidation visé à l'article 534/20, alinéa 2, 1°, est calculé chaque année et est identique pour tous les hôpitaux de revalidation. Ce socle représente 5 % du montant disponible visé à l'article 534/20, alinéa 2, par exercice.
   Pour pouvoir bénéficier du financement visé à l'alinéa 1er, l'hôpital de revalidation doit satisfaire annuellement aux conditions de communication des données visées dans la partie 6.
   Si un hôpital de revalidation ne respecte pas les conditions de communication des données visées dans la partie 6, le montant octroyé pour l'année concernée est récupéré dans le budget suivant. Le montant récupéré est redistribué, selon les mêmes modalités, entre les autres hôpitaux de revalidation lors de l'octroi du budget suivant.
   Le socle par lit agréé visé à l'article 534/20, alinéa 2, 2°, est calculé chaque année. Pour la fixation du nombre de lits agréés, il est tenu compte du nombre de lits agréés tel qu'il est connu de [2 le Département Soins ]2 au moment du calcul du budget. Ce socle représente 10 % du montant disponible visé à l'article 534/20, alinéa 2, par exercice.
   Pour pouvoir bénéficier du financement visé à l'alinéa 1er, l'hôpital de revalidation doit satisfaire annuellement aux conditions de communication des données visées dans la partie 6.
   Si un hôpital de revalidation ne respecte pas les conditions de communication des données visées dans la partie 6, le montant octroyé pour l'année concernée est récupéré dans le budget suivant. Le montant récupéré est redistribué, selon les mêmes modalités, entre les autres hôpitaux de revalidation lors de l'octroi du budget suivant.]1

  
Art. 534/22. [1 § 1. Het acceleratorbudget, vermeld in artikel 534/20, tweede lid, 3°, is een bijkomend bedrag dat wordt toegekend aan de revalidatieziekenhuizen als stimulans om het proces te accelereren. Het acceleratorbudget wordt elk jaar berekend per revalidatieziekenhuis. Het acceleratorbudget bedraagt:
   1° voor de dienstjaren 2022 en 2023: 70% van het beschikbare bedrag, vermeld in artikel 534/20, tweede lid;
   2° voor elk dienstjaar vanaf het dienstjaar 2024: 85% van het beschikbare bedrag, vermeld in artikel 534/20, tweede lid.
   § 2. Om voor het dienstjaar 2022 voor de financiering, vermeld in paragraaf 1, 1°, in aanmerking te komen, moet het revalidatieziekenhuis conform artikel 248, § 5, van het besluit van 7 december 2018, zoals van kracht op 31 december 2021, stap 2 van de BMUC, opgenomen in bijlage 4 die bij dat besluit is gevoegd, voor alle functionaliteiten gerealiseerd hebben op 31 juli 2021. Het revalidatieziekenhuis meldt via een verklaring op erewoord uiterlijk op 31 augustus 2021 voor elk van de functionaliteiten van de BMUC het gerealiseerde percentage. Het bedrag wordt verdeeld naar rata van het aantal erkende bedden, zoals bekend bij het agentschap Zorg en Gezondheid op het ogenblik van de berekening van het budget.
   § 3. Om voor het dienstjaar 2023 voor de financiering, vermeld in paragraaf 1, 1°, in aanmerking te komen, moet het revalidatieziekenhuis stap 3 van de BMUC, opgenomen in bijlage 7, die bij dit besluit is gevoegd, voor alle functionaliteiten gerealiseerd hebben op 31 juli 2022. Het revalidatieziekenhuis meldt via een verklaring op erewoord uiterlijk op 31 augustus 2022 voor elk van de functionaliteiten van de BMUC het gerealiseerde percentage. Het bedrag wordt verdeeld naar rata van het aantal erkende bedden, zoals bekend bij het [2 Departement Zorg]2 op het ogenblik van de berekening van het budget.
   § 4. Om vanaf het dienstjaar 2024 voor de financiering, vermeld in paragraaf 1, 2°, in aanmerking te komen, moet het revalidatieziekenhuis stap 4 van de BMUC, opgenomen in bijlage 7, die bij dit besluit is gevoegd, voor alle functionaliteiten gerealiseerd hebben op 31 juli 2023. Het revalidatieziekenhuis meldt via een verklaring op erewoord uiterlijk op 31 augustus 2023 voor elk van de functionaliteiten van de BMUC het gerealiseerde percentage. Het bedrag wordt verdeeld naar rata van het aantal erkende bedden, zoals bekend bij het [2 Departement Zorg]2 op het ogenblik van de berekening van het budget.]1

  
Art. 534/22. [1 § 1er. Le budget `accélérateur' visé à l'article 534/20, alinéa 2, 3°, est un budget supplémentaire octroyé aux hôpitaux de revalidation comme incitant à l'accélération du processus. Le budget `accélérateur' est calculé chaque année par hôpital de revalidation. Le budget `accélérateur' représente :
   1° pour les exercices 2022 et 2023 : 70 % du montant disponible visé à l'article 534/20, alinéa 2 ;
   2° pour chaque exercice à partir de l'exercice 2024 : 85 % du montant disponible visé à l'article 534/20, alinéa 2.
   § 2. Pour pouvoir bénéficier du financement visé au paragraphe 1er, 1°, pour l'exercice 2022, l'hôpital de revalidation doit, conformément à l'article 248, § 5, de l'arrêté du 7 décembre 2018, tel qu'en vigueur au 31 décembre 2021, avoir réalisé, au 31 juillet 2021, le stade 2 des BMUC, repris à l'annexe 4 jointe au présent arrêté, pour toutes les fonctionnalités. L'hôpital de revalidation notifie, au plus tard le 31 août 2021, le pourcentage réalisé pour chacune des fonctionnalités des BMUC au moyen d'une déclaration sur l'honneur. Le montant est réparti proportionnellement au nombre de lits agréés tel qu'il est connu de l'agence des Soins et de la Santé au moment du calcul du budget.
   § 3. Pour pouvoir bénéficier du financement visé au paragraphe 1er, 1°, pour l'exercice 2023, l'hôpital de revalidation doit avoir réalisé, au 31 juillet 2022, le stade 3 des BMUC, repris à l'annexe 7 jointe au présent arrêté, pour toutes les fonctionnalités. L'hôpital de revalidation notifie, au plus tard le 31 août 2022, le pourcentage réalisé pour chacune des fonctionnalités des BMUC au moyen d'une déclaration sur l'honneur. Le montant est réparti proportionnellement au nombre de lits agréés tel qu'il est connu de [2 le Département Soins ]2 au moment du calcul du budget.
   § 4. Pour pouvoir bénéficier du financement visé au paragraphe 1er, 2°, à partir de l'exercice 2024, l'hôpital de revalidation doit avoir réalisé, au 31 juillet 2023, le stade 4 des BMUC, repris à l'annexe 7 jointe au présent arrêté, pour toutes les fonctionnalités. L'hôpital de revalidation notifie, au plus tard le 31 août 2023, le pourcentage réalisé pour chacune des fonctionnalités des BMUC au moyen d'une déclaration sur l'honneur. Le montant est réparti proportionnellement au nombre de lits agréés tel qu'il est connu de [2 le Département Soins ]2 au moment du calcul du budget.]1

  
Art. 534/23. [1 § 1. Het 'early adopter'-budget, vermeld in artikel 534/20, tweede lid, 4°, is een bijkomend bedrag dat wordt toegekend aan de revalidatieziekenhuizen als stimulans om de functionaliteiten van de BMUC sneller dan de timing, vermeld in artikel 534/22, te implementeren. Het 'early adopter'-budget wordt jaarlijks voor elk revalidatieziekenhuis berekend. Het 'early adopter'-budget bedraagt 15% van het beschikbare bedrag, vermeld in artikel 534/20, tweede lid.
   Het 'early adopter'-budget wordt verdeeld onder de revalidatieziekenhuizen die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 2 en 3, naar rata van het aantal erkende bedden, zoals bekend bij het agentschap op het moment van de berekening van het budget.
   De voorwaarden, vermeld in paragraaf 2 en 3, zijn gebaseerd op een puntensysteem. Voor elke behaalde stap, vermeld in bijlage 1 van de BMUC, opgenomen in bijlage 7, die bij dit besluit is gevoegd, wordt per functionaliteit van de BMUC één punt toegekend.
   § 2. Om voor het dienstjaar 2022 voor de financiering, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, in aanmerking te komen, moet het revalidatieziekenhuis conform artikel 249, § 5, van het besluit van 7 december 2018, zoals van kracht op 31 december 2021, minstens eenentwintig punten hebben behaald op 31 juli 2021. Het revalidatieziekenhuis meldt via een verklaring op erewoord uiterlijk op 31 augustus 2021 hoeveel punten het heeft behaald.
   § 3. Om voor het dienstjaar 2023 voor de financiering, vermeld paragraaf 1, eerste lid, in aanmerking te komen, moet het revalidatieziekenhuis achtentwintig punten hebben behaald op 31 juli 2022. Het revalidatieziekenhuis meldt via een verklaring op erewoord uiterlijk op 31 augustus 2022 hoeveel punten het heeft behaald.]1

  
Art. 534/23. [1 § 1er. Le budget `early adopter' visé à l'article 534/20, alinéa 2, 4°, est un budget supplémentaire octroyé aux hôpitaux de revalidation comme incitant à mettre en oeuvre les fonctionnalités des BMUC plus rapidement que le timing prévu à l'article 534/22. Le budget `early adopter' est calculé annuellement pour chaque hôpital de revalidation. Le budget `early adopter' représente 15 % du montant disponible visé à l'article 534/20, alinéa 2.
   Le budget `early adopter' est réparti entre les hôpitaux de revalidation qui satisfont aux conditions visées aux paragraphes 2 et 3 proportionnellement au nombre de lits agréés tel qu'il est connu de l'agence au moment du calcul du budget.
   Les conditions visées aux paragraphes 2 et 3 sont basées sur un système de points. Pour chaque stade atteint mentionné à l'annexe 1re des BMUC, repris à l'annexe 7 jointe au présent arrêté, un point est octroyé par fonctionnalité des BMUC.
   § 2. Pour pouvoir bénéficier du financement visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, pour l'exercice 2022, l'hôpital de revalidation doit, conformément à l'article 249, § 5, de l'arrêté du 7 décembre 2018, tel qu'en vigueur au 31 décembre 2021, avoir obtenu au moins vingt et un points au 31 juillet 2021. L'hôpital de revalidation notifie, au plus tard le 31 août 2021, le nombre de points obtenus au moyen d'une déclaration sur l'honneur.
   § 3. Pour pouvoir bénéficier du financement visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, pour l'exercice 2023, l'hôpital de revalidation doit avoir obtenu vingt-huit points au 31 juillet 2022. L'hôpital de revalidation notifie au plus tard le 31 août 2022 le nombre de points obtenus au moyen d'une déclaration sur l'honneur]1

  
HOOFDSTUK 4. [1 . Een eenmalig bedrag in het budget voor het dienstjaar 2025 om de arbeidsomstandigheden van het zorgpersoneel te bevorde ]1
CHAPITRE 4. [1 Un montant unique dans le budget pour l'exercice 2025 afin de promouvoir les conditions de travail du personnel soignant. ]1
Art.534/23/1. [1 Om de arbeidsomstandigheden van het zorgpersoneel te verbeteren met het oog op het verhogen van de aantrekkelijkheid van de sector wordt voor het dienstjaar 2025 een eenmalige provisionele financiering van 432.000 euro toegekend.
   Het bedrag, vermeld in het eerste lid, wordt gekoppeld aan het spilindexcijfer 130,67 (1 februari 2025; basis=2013).
   Het bedrag, vermeld in het eerste lid, wordt verdeeld over de revalidatieziekenhuizen op basis van het aantal erkende bedden dat bekend is bij het Departement Zorg op 1 januari 2025.
   De eenmalige provisionele financiering, vermeld in het eerste lid, dekt alle aankopen die bedoeld zijn om het zorgpersoneel te helpen en te ontlasten.
   Een revalidatieziekenhuis komt in aanmerking voor een bedrag als vermeld in het derde lid, als al de volgende voorwaarden zijn vervuld:
   1° het revalidatieziekenhuis draagt bij in de helft van de kosten van daadwerkelijk gedane aankopen;
   2° het revalidatieziekenhuis legt aan het Departement Zorg een aankoopfactuur voor die gedateerd is tussen 1 juli 2025 en 31 december 2026;
   3° het revalidatieziekenhuis stelt een samenvattend verslag op met een overzicht van de daadwerkelijk gedane uitgaven. Het samenvattende verslag wordt uiterlijk op 31 maart 2027 ingediend bij het Departement Zorg op de wijze die het Departement Zorg bepaalt.
   De eenmalige provisionele financiering, vermeld in het eerste lid, wordt afgerekend op basis van de voorwaarden, vermeld in het vijfde lid, in het budget voor het dienstjaar 2028. ]1

  
Art. 534/23/1. [1 Afin d'améliorer les conditions de travail du personnel soignant en vue d'accroître l'attractivité du secteur, un financement provisoire unique de 432 000 euros est attribué pour l'exercice 2025.
   Le montant visé à l'alinéa 1er, est lié à l'indice pivot 130,67 (1er février 2025 ; base=2013).
   Le montant visé à l'alinéa 1er, est réparti entre les hôpitaux de revalidation sur la base du nombre de lits agréés connu auprès du Département Soins au 1er janvier 2025.
   Le financement provisoire unique visé à l'alinéa 1er, couvre tous les achats destinés à aider et à soulager le personnel soignant.
   Un hôpital de revalidation est éligible à un montant tel que visé à l'alinéa 3, si toutes les conditions suivantes sont remplies :
   1° l'hôpital de revalidation contribue à la moitié des coûts des achats effectivement réalisés ;
   2° l'hôpital de revalidation soumet au Département Soins une facture d'achat datée entre le 1er juillet 2025 et le 31 décembre 2026 ;
   3° l'hôpital de revalidation établit un rapport de synthèse accompagné d'une vue d'ensemble des dépenses effectivement réalisées. Le rapport de synthèse est introduit au plus tard le 31 mars 2027 auprès du Département Soins, selon les modalités fixées par le Département Soins.
   Le financement provisoire unique visé à l'alinéa 1er, est liquidé sur la base des conditions visées à l'alinéa 5, dans le budget pour l'année de service 2028. ]1

  
TITEL 4. [1 - Het jaarlijks herrekende budget, vermeld in artikel 534/15, 3°]1
TITRE 4. [1 - Le budget recalculé annuellement visé à l'article 534/15, 3°]1
HOOFDSTUK 1. [1 - Onderdelen]1
CHAPITRE 1er. [1 - Sous-parties]1
Art. 534/24. [1 Het jaarlijks herrekende budget bestaat uit de volgende onderdelen:
   1° het bedrag ter compensatie van de eindeloopbaanmaatregelen;
   2° het bedrag ter compensatie van het complement van de attractiviteitspremie;
   3° het bedrag ter compensatie van de functieclassificatie ter uitvoering van het Vijfde Vlaams Intersectoraal Akkoord van 8 juni 2018 en het Zesde Vlaams Intersectoraal Akkoord van 30 maart 2021 voor de social/non-profitsectoren voor het dienstjaar 2022.]1

  
Art. 534/24. [1 Le budget recalculé annuellement se compose des sous-parties suivantes :
   1° le montant compensatoire des mesures de fin de carrière ;
   2° le montant compensatoire du complément de la prime d'attractivité ;
   3° le montant compensatoire de la classification de fonctions en exécution du cinquième Accord intersectoriel flamand du 8 juin 2018 et du sixième Accord intersectoriel flamand du 30 mars 2021 en faveur des secteurs sociaux/non-marchands pour l'exercice 2022.]1

  
HOOFDSTUK 2. [1 - Het bedrag ter compensatie van de eindeloopbaanmaatregelen]1
CHAPITRE 2. [1 - Le montant compensatoire des mesures de fin de carrière]1
Art. 534/25. [1 § 1. In dit artikel wordt verstaan onder:
   1° eindeloopbaanmaatregelen: de maatregelen, genomen in het akkoord van 26 april 2005 betreffende de federale gezondheidssectoren, gesloten tussen de federale regering en de representatieve organisaties van de private non-profitsector, en het protocol nr. 148/2 van 29 juni 2005, 5 juli 2005 en 18 juli 2005 van het Gemeenschappelijk Comité voor het geheel van de openbare diensten;
   2° personeelsleden:
   a) het verplegend en verzorgend personeel, vermeld in artikel 8, 5° en 8°, van de gecoördineerde wet van 10 juli 2008. Onder verzorgend personeel worden ook de werknemers verstaan die vallen onder een loonschaal die ermee overeenstemt;
   b) de sociaal verpleegkundigen;
   c) de kinesitherapeuten, de ergotherapeuten, de logopedisten en de diëtisten;
   d) de opvoeders-begeleiders die in de zorgteams geïntegreerd zijn;
   e) de maatschappelijke assistenten en de psychologische assistenten in de zorgunits of die in het therapeutische programma geïntegreerd zijn;
   f) de psychologen, de orthopedagogen en de pedagogen in de zorgunits of die in het therapeutische programma geïntegreerd zijn;
   g) de laboratoriumtechnologen;
   h) de technologen van de medische beeldvorming;
   i) de technici van medisch materiaal, in het bijzonder in de sterilisatiediensten;
   j) het patiëntenvervoer;
   k) de logistieke assistenten;
   l) de assistenten in de ziekenhuisverzorging;
   m) de personen, vermeld in artikel 152 en 153 van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen;
   3° verantwoorde afwezigheidsperiode: de niet-gepresteerde dagen of uren die gelijkgesteld worden met werkdagen of werkuren, als ze aanleiding gegeven hebben tot het betalen van een vergoeding door de instelling. Daarin zitten ook de dagen waarop het personeelslid wegens ziekte of invaliditeit op disponibiliteit is gesteld.
   De omschrijving van de beroepen, vermeld in het eerste lid, verwijst naar de reëel uitgeoefende functie.
   § 2. Om de eindeloopbaanmaatregelen te financieren, wordt in het jaarlijks herrekende budget een bedrag vastgelegd.
   De revalidatieziekenhuizen hebben recht op een jaarlijks bedrag ter compensatie van de maatregelen voor de vrijstelling van arbeidsprestaties in het kader van de eindeloopbaanproblematiek, op voorwaarde dat ze onderworpen zijn aan de toepassing van het akkoord van 26 april 2005 betreffende de federale gezondheidssectoren, gesloten tussen de federale regering en de representatieve organisaties van de private non-profitsector, en het protocol nr. 148/2 van 29 juni 2005, 5 juli 2005 en 18 juli 2005 van het Gemeenschappelijk Comité voor het geheel van de openbare diensten.
   Het bedrag dekt alleen de voordelen, vermeld in dit besluit, en is alleen mogelijk als de voormelde collectieve arbeidsovereenkomst of het voormelde protocolakkoord voorziet in de volgende voordelen en als de betrokken personeelsleden die voordelen ook daadwerkelijk krijgen:
   1° de voltijdse personeelsleden die de leeftijd van 45, 50 of 55 jaar bereikt hebben, hebben recht op een vrijstelling van hun arbeidsprestaties met respectievelijk 96 uur, 192 uur of 288 uur per jaar. Die vrijstelling treedt in werking vanaf de eerste dag van de maand waarin de bovenvermelde respectieve leeftijdsgrenzen bereikt worden. De beoefenaars van de verpleegkunde kunnen ook opteren voor het behoud van de prestaties met een premie van respectievelijk 5,26%, 10,52% of 15,78%, berekend op hun voltijdse wedde. Bij combinatie van opties vanaf de leeftijd van 50 jaar wordt de tegemoetkoming toegekend op basis van een opsplitsing in volledige schijven van 2 uur. De personeelsleden werken binnen het revalidatieziekenhuis. Het personeel dat werkt in de diensten die beschouwd worden als niet-ziekenhuisactiviteiten, valt buiten beschouwing als vermeld in punt 3.3 van bijlage 2 bij het koninklijk besluit van 14 augustus 1987 tot bepaling van de minimumindeling van het algemeen rekeningenstelsel voor de ziekenhuizen, met uitzondering van de personen die onder kostenplaats 900 tot en met 909 vallen;
   2° het personeelslid dat deeltijds werkt, heeft recht op een gelijk aantal uren van vrijstelling van prestaties of, voor de beoefenaars van de verpleegkunde, een equivalente premie die gelijk is aan de proportionele toepassing van de vrijstelling van arbeidsprestaties of de premie. Aan de werknemers van de privésector die deeltijds tewerkgesteld zijn, zal, rekening houdend met de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 35 van 27 februari 1981 betreffende sommige bepalingen van het arbeidsrecht ten aanzien van de deeltijdse arbeid, voorgesteld worden om binnen de voorwaarden, vermeld in artikel 4 van de bovenvermelde collectieve arbeidsovereenkomst nr. 35, de wekelijkse arbeidsduur die ingeschreven is in hun arbeidsovereenkomst, automatisch te verhogen. Ze krijgen eventueel een vrijstelling van de prestaties op basis van hun nieuwe contract. Bij de werknemers van de publieke sector die deeltijds tewerkgesteld zijn en voor wie de eindeloopbaanmaatregelen gelden, is de werkgever ertoe gehouden hen drie maanden vóór de datum van intrede in het stelsel van de eindeloopbaan of van hun toegang tot een hoger recht in het kader voor te stellen dat de wekelijkse arbeidsduur, ingeschreven in hun arbeidsovereenkomst, verhoogd wordt naar rato van het aantal uren van vrijstelling van prestaties dat bepaald is voor de leeftijdscategorie waartoe ze behoren. De werknemer is ertoe gehouden uiterlijk één maand vóór zijn intrede in het stelsel of zijn hoger recht in het kader van de eindeloopbaan aan de werkgever ofwel zijn akkoord met die verhoging van zijn wekelijkse arbeidsduur te betekenen ofwel zijn weigering mee te delen. In dat laatste geval geldt voor de werknemer de vermindering van de wekelijkse arbeidsduur van zijn arbeidsprestaties die is bepaald voor de leeftijdscategorie waartoe hij behoort, in verhouding tot zijn wekelijkse arbeidsduur ten opzichte van een voltijds tewerkgestelde werknemer;
   3° de werknemers die gedurende een referentieperiode van 24 maanden voorafgaand aan de maand waarin ze de leeftijd van respectievelijk 45, 50 of 55 jaar bereiken, minstens 200 uur bij dezelfde werkgever verricht hebben in een of meer functies, waardoor ze het supplement voor onregelmatige prestaties, namelijk prestaties op zaterdag, zondag, feestdag, nachtdienst of onderbroken diensten, of elke andere vergoeding die valt onder een collectieve arbeidsovereenkomst of een protocolakkoord, ontvangen hebben, of die een compensatierust door die prestaties gekregen hebben, worden gelijkgesteld met personeelsleden. De verantwoorde afwezigheidsperioden komen in aanmerking op basis van het gemiddelde van de rest van de referentieperiode. De werknemer die niet meer aan die voorwaarde van 200 uur onregelmatige prestaties over een referentieperiode van maximaal 24 maanden voldoet, behoudt de verkregen vrijstelling van prestatie, maar kan bij de overgang naar een hogere leeftijdscategorie een bijkomende vrijstelling van arbeidsprestaties krijgen. De deeltijdse werknemers bewijzen een aantal uren van onregelmatige prestaties dat overeenstemt met 200 uur, berekend naar verhouding van de arbeidsduur over een referentieperiode van maximaal 24 maanden. De werknemer die, op het moment dat hij de leeftijd van 45, 50 of 55 jaar bereikt, geen 200 uur onregelmatige prestaties bij dezelfde werkgever gewerkt heeft of die vanaf 50 jaar niet meer aan die voorwaarde voldoet, treedt toe tot het statuut van geassimileerd personeel, en dus tot het recht op vrijstelling van arbeidsprestaties op het moment dat hij die 200 uur in de loop van een periode van maximaal 24 achtereenvolgende maanden heeft uitgevoerd. De vrijstelling van arbeidsprestaties gaat dan in op de dag die in de collectieve arbeidsovereenkomst of het protocolakkoord dat van toepassing is, wordt bepaald;
   4° voor de begunstigde personen van de eindeloopbaanmaatregelen vóór 1 oktober 2005 blijven die eindeloopbaanmaatregelen gelden. De begunstigde personen van de eindeloopbaanmaatregelen die vóór 1 oktober 2005 worden ingesteld, die de keuze van loonpremie hebben gemaakt, blijven de loopbaanpremie krijgen;
   5° de werknemers die vrijgesteld zijn van prestaties, worden nog altijd beschouwd als werknemers die hun contractuele of statutaire arbeidsduur behouden;
   6° de optie van vrijstelling is altijd definitief. Het behoud van de prestaties met premie kan daarentegen op elk ogenblik in een vrijstelling van arbeidsprestaties worden omgezet.
   § 3. Het bedrag, vermeld in paragraaf 2, wordt vastgesteld voor de personeelscategorieën, vermeld in het tweede lid, conform de regels, vermeld in het derde lid.
   De volgende personeelscategorieën gelden:
   1° personeelscategorie a: de verpleegkundigen, de sociaal verpleegkundigen en de assistenten in de ziekenhuisverzorging;
   2° personeelscategorie b: de kinesitherapeuten, de ergotherapeuten, de logopedisten, de diëtisten, de opvoeders-begeleiders, geïntegreerd in zorgteams, de maatschappelijke assistenten en de psychologische assistenten in zorgteams of geïntegreerd in het therapeutische programma, de psychologen, de orthopedagogen en de pedagogen in de zorgteams of geïntegreerd in het therapeutische programma, de laboratoriumtechnologen en de technologen van de medische beeldvorming;
   3° personeelscategorie c: de verzorgenden en de werknemers, vermeld in artikel 152 en 153 van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen;
   4° personeelscategorie d: het gelijkgestelde personeel, de technici van medisch materiaal, inzonderheid in sterilisatiediensten, de medewerkers patiëntenvervoer en de logistiek assistenten.
   Het bedrag (F), vermeld in paragraaf 2, wordt berekend volgens de formule F = F1 + F2, waarbij:
   1° F1: het verschuldigde bedrag voor de compenserende indienstneming van personeelsleden die voor de vrijstelling van de wekelijkse arbeidsprestaties opteren. F1 wordt berekend volgens de formule F1 = Ai * T1/S * N/Y, waarbij:
   a) Aa: 52.601,64 euro voor categorie a;
   b) Ab: 52.601,64 euro voor categorie b;
   c) Ac: 42.867,02 euro voor categorie c;
   d) Ad: 42.826,30 euro voor categorie d;
   e) T1: het wekelijkse aantal vrijgestelde uren dat de werknemer die ter compensatie in dienst genomen is, of de werknemer die zijn arbeidsduur verhoogt, compenseert;
   f) S: de wekelijkse arbeidsregeling die toegepast wordt in het revalidatieziekenhuis;
   g) N: het jaarlijkse aantal werkuren dat de werkgever moet bezoldigen ter compensatie van de vrijgestelde uren van de begunstigde werknemers voor het jaar in kwestie in het kader van de eindeloopbaanmaatregelen;
   h) Y: het theoretische aantal jaarlijkse werkuren dat de werknemer die ter compensatie in dienst genomen is, ten opzichte van zijn arbeidsovereenkomst, zijn daad van individuele benoeming of het aanhangsel bij zijn arbeidsovereenkomst, in geval van verhoging van de werktijd, moet presteren;
   2° F2: het bedrag voor de premie. F2 wordt berekend volgens de formule F2 = Ai * H/38 * T2/S * N/Y, waarbij:
   a) Aa: 72.569,30 euro voor categorie a;
   b) Ab: 72.569,30 euro voor categorie b;
   c) Ac: 54.048,80 euro voor categorie c;
   d) Ad: 48.836,69 euro voor categorie d;
   e) H: het equivalent van het wekelijkse aantal uren van vrijstelling van arbeidsprestaties in het kader van de toekenning van een premie voor een voltijdse werknemer ten opzichte van zijn leeftijd;
   f) T2: het aantal per week te presteren uren dat voortvloeit uit de arbeidsovereenkomst of de individuele benoemingsakte, die in voorkomend geval uitgeoefend zijn in de functie waarvoor de maatregel geldt;
   g) S: de wekelijkse arbeidsregeling, toegepast in het revalidatieziekenhuis;
   h) N: het jaarlijkse aantal werkuren dat de werkgever bezoldigt in het kader van de eindeloopbaanmaatregelen voor het jaar in kwestie;
   i) Y: het theoretische jaarlijkse aantal werkuren dat de begunstigde moet presteren volgens zijn arbeidsovereenkomst of zijn individuele benoeming.
   § 4. De revalidatieziekenhuizen verstrekken de volgende gegevens voor de uitwerking van het bedrag, vermeld in paragraaf 2:
   1° een uniek identificatienummer per personeelslid;
   2° de geboortedatum;
   3° de functie;
   4° de gekozen optie tussen de vrijstelling van arbeidsprestaties en de premie voor elk van de schijven;
   5° de kostenplaats waar de lasten in rekening worden gebracht;
   6° het aantal uren van vrijstelling van arbeidsprestaties dat het personeelslid kan verkrijgen ten opzichte van zijn leeftijd;
   7° de wekelijkse uurregeling in het revalidatieziekenhuis;
   8° het aantal uren dat het personeel moet presteren, zoals blijkt uit het arbeidscontract of de individuele benoemingsakte, in voorkomend geval verminderd naar verhouding van de prestaties die het personeelslid verricht heeft in de functie die het voordeel van de maatregel, vermeld in deze paragraaf, verantwoordt;
   9° de datum van de aanwerving;
   10° de eventuele vertrekdatum;
   11° in geval van gelijkgesteld personeel, het aantal uren onregelmatige prestaties, met een minimum van 200 uren in 24 maanden;
   12° de door de werkgever niet-bezoldigde periodes van afwezigheid, alsook de aard ervan. Dit zijn niet-gelijkgestelde dagen of uren.
   De revalidatieziekenhuizen verstrekken de gegevens, vermeld in het eerste lid, aan het [2 Departement Zorg]2 conform de voorwaarden, vermeld in artikel 534/46 en 534/47, 3°.
   Als de ziekenhuisbeheerder de gegevens, vermeld in het eerste lid, niet binnen de termijn, vermeld in artikel 534/46, aan het [2 Departement Zorg]2 verstrekt, worden de bedragen, vermeld in paragraaf 5, teruggevorderd.
   § 5. Het bedrag, vermeld in paragraaf 2, wordt jaarlijks berekend conform paragraaf 3. Het bedrag voor het dienstjaar n wordt berekend op basis van de verstrekte gegevens van het dienstjaar n-2.
   Voor de dienstjaren tot en met 2016, waarvoor het bedrag wordt berekend conform artikel 79, § 3, van het koninklijk besluit van 25 april 2002, zoals van kracht op 31 december 2018, wordt een inhaalbedrag vereffend conform artikel 534/30, § 1.
  [3 Om de impact te dekken van de implementatie van de IFIC op het bedrag van de gefinancierde premie aan de revalidatieziekenhuizen die beschikken over personeel dat valt onder het paritair comité 330, worden de bedragen voor Aa, Ab, Ac en Ad, vermeld in paragraaf 3, derde lid, 1°, a) tot en met d), en 2°, a) tot en met d), verhoogd met 1,06% vanaf 1 januari 2018 tot en met 31 december 2020.
   Om de impact te dekken van de implementatie van de IFIC op het bedrag van de gefinancierde premie aan de revalidatieziekenhuizen, worden de bedragen voor Aa, Ab, Ac en Ad, vermeld in paragraaf 3, derde lid, 1°, a) tot en met d), en 2°, a) tot en met d), vanaf 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021 verhoogd met 3,44% voor de revalidatieziekenhuizen die beschikken over personeel dat valt onder het paritair comité 330, en met 2,91% voor de openbare revalidatieziekenhuizen.
   Vanaf 1 januari 2022 worden de bedragen voor Aa, Ab, Ac en Ad, vermeld in paragraaf 3, derde lid, 1°, a) tot en met d), en 2°, a) tot en met d), verhoogd met 5,81% voor alle revalidatieziekenhuizen.
   De verhoging voor de dienstjaren 2018 tot en met 2023, vermeld in het derde tot en met het vijfde lid, wordt vereffend via een herziening op het budget voor het dienstjaar 2025. De percentages die worden berekend vanaf het dienstjaar 2024, worden gebruikt bij de berekening vanaf de toekenning van het budget vanaf het dienstjaar 2026.]3

   § 6. Voor de personeelsleden die hebben geopteerd voor de wekelijkse vrijstelling van arbeidsprestaties, bewijst de ziekenhuisbeheerder dat de vrijgemaakte arbeidstijd en de toegekende financiering gecompenseerd zijn door nieuwe aanwervingen of door een verhoging van de wekelijkse arbeidsduur door de personeelsleden. De volgende werknemers komen niet in aanmerking: de voltijdse werknemers voor wie de eindeloopbaanmaatregelen gelden, en de werknemers voor wie het revalidatieziekenhuis al een financiering van een overheidsinstantie krijgt in het kader van het arbeidsbeleid.
   De totale hoeveelheid per personeelscategorie, vermeld in paragraaf 3, tweede lid, te compenseren uren van het personeel wordt prioritair door dezelfde personeelscategorie van het personeel gecompenseerd.
   De toegekende financiering wordt, in voorkomend geval, begrensd tot het werkelijke totale aantal vervangingen. Daarvoor bezorgt de ziekenhuisbeheerder tegelijk met de gegevens, vermeld in paragraaf 4, eerste lid, de volgende gegevens:
   1° een uniek identificatienummer per personeelslid;
   2° de geboortedatum;
   3° de datum van in- en uitdiensttreding;
   4° de functie;
   5° de wekelijkse compensatiewerktijd van de nieuwe werknemer of de verhoging van de uurprestaties van de werknemer in functie die zijn werktijd verhoogt;
   6° de perioden van afwezigheid die de werkgever niet bezoldigt, en de aard ervan. Dit zijn niet-gelijkgestelde dagen of uren;
   7° de kostenplaats voor imputatie;
   8° de datum van de start van het bijvoegsel bij de overeenkomst van de werknemer die de werktijd verhoogt, of de overeenkomst van de nieuwe werknemer;
   9° de einddatum van de overeenkomst.
   § 7. De ziekenhuisbeheerder bezorgt de ondernemingsraad of het plaatselijke overlegcomité een jaarlijkse inventaris van de eindeloopbaanmaatregelen.]1

  
Art. 534/25. [1 § 1er. Dans le présent article, on entend par :
   1° mesures de fin de carrière : les mesures prises dans l'accord relatif aux secteurs fédéraux de la santé du 26 avril 2005 conclu entre le gouvernement fédéral et les organisations représentatives du secteur privé non marchand et dans le protocole n° 148/2 du Comité commun à l'ensemble des services publics des 29 juin 2005, 5 juillet 2005 et 18 juillet 2005 ;
   2° membres du personnel :
   a) le personnel infirmier et le personnel soignant visé à l'article 8, 5° et 8°, de la loi coordonnée du 10 juillet 2008. Par personnel soignant, on entend également les travailleurs qui relèvent d'un barème qui y correspond ;
   b) les infirmiers sociaux ;
   c) les kinésithérapeutes, les ergothérapeutes, les logopèdes et les diététiciens ;
   d) les éducateurs accompagnants intégrés dans les équipes de soins ;
   e) les assistants sociaux et les assistants en psychologie occupés dans les unités de soins ou intégrés dans le plan thérapeutique ;
   f) les psychologues, orthopédagogues et pédagogues occupés dans les unités de soins ou intégrés dans le plan thérapeutique ;
   g) les technologues en laboratoire ;
   h) les technologues en imagerie médicale ;
   i) les techniciens du matériel médical, notamment dans les services de stérilisation ;
   j) les brancardiers ;
   k) les assistants en logistique ;
   l) les assistants en soins hospitaliers ;
   m) les personnes visées par les articles 152 et 153 de la loi coordonnée du 10 mai 2015 relative à l'exercice des professions des soins de santé.
   3° période d'absence justifiée : les journées ou les heures non prestées mais assimilées à des journées ou des heures de travail si elles ont donné lieu au paiement d'une rémunération par l'institution. Il faut également y inclure les journées où le membre du personnel est en disponibilité pour cause de maladie ou d'invalidité.
   La description des professions visées à l'alinéa 1er fait référence à la fonction réellement exercée.
   § 2. En vue de financer les mesures de fin de carrière, un montant est fixé dans le budget recalculé annuellement.
   Les hôpitaux de revalidation ont droit à un montant annuel en compensation des mesures de dispense de prestations de travail dans le cadre de la problématique de fin de carrière, pour autant qu'ils soient soumis à l'application de l'accord relatif aux secteurs fédéraux de la santé du 26 avril 2005 conclu entre le gouvernement fédéral et les organisations représentatives du secteur privé non marchand et du protocole n° 148/2 du Comité commun à l'ensemble des services publics des 29 juin 2005, 5 juillet 2005 et 18 juillet 2005.
   Le montant couvre uniquement les avantages prévus dans le présent arrêté et n'est possible que si la convention collective de travail précitée ou le protocole d'accord précité prévoit les avantages suivants et si les membres du personnel concernés bénéficient effectivement de ces avantages :
   1° les membres du personnel à temps plein qui ont atteint l'âge de 45, 50 ou 55 ans ont droit respectivement à une dispense de prestations de leur temps de travail de 96 heures, 192 heures ou 288 heures par an. Cette dispense entre en vigueur à partir du premier jour du mois au cours duquel les âges respectifs précités sont atteints. Les praticiens de l'art infirmier peuvent également opter pour le maintien des prestations assorti d'une prime de respectivement 5,26 %, 10,52 % ou 15,78 %, calculée sur leur salaire à temps plein. En cas de combinaison d'options à partir de l'âge de 50 ans, l'intervention est accordée sur la base d'une répartition en tranches complètes de 2 heures. Les membres du personnel travaillent au sein de l'hôpital de revalidation. N'est pas pris en considération le personnel qui travaille dans des services considérés comme activités non hospitalières tels que visés au point 3.3, de l'annexe 2 à l'arrêté royal du 14 août 1987 relatif au plan comptable minimum normalisé des hôpitaux, à l'exception des personnes relevant des centres de frais 900 à 909 ;
   2° le membre du personnel qui travaille à temps partiel a droit à un nombre d'heures de dispense de prestations égal, ou, pour les praticiens de l'art infirmier, à une prime équivalente égale à l'application proportionnelle de la dispense des prestations de travail ou de la prime. Les travailleurs du secteur privé occupés à temps partiel se verront proposer, compte tenu de la convention collective de travail n° 35 du 27 février 1981 concernant certaines dispositions du droit du travail en matière de travail à temps partiel, dans les conditions prévues par l'article 4 de la convention collective de travail n° 35 précitée, d'augmenter d'office la durée hebdomadaire de travail inscrite dans leur contrat. Ils bénéficient éventuellement d'une dispense de prestations sur la base de leur nouveau contrat. Pour les travailleurs du secteur public occupés à temps partiel et auxquels s'appliquent des mesures de fin de carrière, l'employeur est tenu de leur proposer, trois mois avant la date d'entrée dans le régime des fins de carrière ou de l'accès à un droit plus élevé dans ce cadre, une augmentation de leur durée hebdomadaire de travail inscrite dans leur contrat de travail à concurrence du nombre d'heures de dispense de prestations prévu pour la catégorie d'âge à laquelle ils appartiennent. Le travailleur est tenu, au plus tard un mois avant son entrée dans le régime des fins de carrière ou son accès à un droit plus élevé dans ce cadre, de notifier à son employeur soit son accord sur cette augmentation de sa durée hebdomadaire de travail soit son refus. Dans ce dernier cas, le travailleur bénéficie de la réduction de la durée hebdomadaire de ses prestations prévue pour la catégorie d'âge à laquelle il appartient, au prorata de sa durée hebdomadaire de travail par rapport à celle d'un travailleur à temps plein ;
   3° les travailleurs qui, pendant une période de référence de 24 mois précédant le mois au cours duquel ils atteignent l'âge de 45, 50 ou 55 ans respectivement, ont presté au moins 200 heures chez le même employeur, dans une seule ou plusieurs fonctions, pour lesquelles ils ont perçu le supplément pour prestations irrégulières des samedi, dimanche, jour férié, service de nuit ou services interrompus ou toute autre indemnité relevant d'une convention collective de travail ou d'un protocole d'accord, ou ont bénéficié d'un repos compensatoire suite à ces prestations sont assimilés à des membres du personnel. Les périodes d'absences justifiées sont prises en compte sur la base de la moyenne du reste de la période de référence. Le travailleur qui ne satisfait plus à cette condition de 200 heures de prestations irrégulières sur une période de référence de maximum 24 mois conserve la dispense de prestations acquise mais ne peut pas bénéficier d'une dispense supplémentaire de prestations de travail lors du saut à une catégorie d'âge supérieure. Les travailleurs à temps partiel doivent prouver un nombre d'heures de prestations irrégulières correspondant à 200 heures calculées au prorata de la durée de travail sur une période de référence de maximum 24 mois. Le travailleur qui, au moment où il atteint l'âge de 45, 50 ou 55 ans, n'a pas effectué 200 heures de prestations irrégulières chez le même employeur ou qui, à partir de 50 ans, ne satisfait plus à cette condition accède au statut de membre du personnel assimilé et donc au droit à la dispense de prestations de travail, au moment où il a effectué ces 200 heures au cours d'une période de maximum 24 mois consécutifs. La dispense de prestations de travail prend alors cours le jour déterminé dans la convention collective de travail ou dans le protocole d'accord applicable ;
   4° pour les personnes bénéficiaires des mesures de fin de carrière avant le 1er octobre 2005, ces mesures demeurent applicables. Les personnes bénéficiaires des mesures de fin de carrière instaurées avant le 1er octobre 2005, qui ont fait le choix de la prime salariale, continuent à recevoir la prime de carrière ;
   5° les travailleurs dispensés de prestations sont toujours considérés comme des travailleurs qui conservent leur durée contractuelle ou statutaire de travail ;
   6° l'option de la dispense est toujours définitive. En revanche, le maintien des prestations assorti d'une prime peut être converti à tout moment en dispense de prestations de travail.
   § 3. Le montant visé au paragraphe 2 est fixé pour les catégories de personnel visées à l'alinéa 2 conformément aux règles énoncées à l'alinéa 3.
   Les catégories de personnel sont les suivantes :
   1° catégorie de personnel a : les infirmiers, les infirmiers sociaux et les assistants en soins hospitaliers ;
   2° catégorie de personnel b : les kinésithérapeutes, les ergothérapeutes, les logopèdes, les diététiciens, les éducateurs accompagnants intégrés dans les équipes de soins, les assistants sociaux et les assistants en psychologie occupés dans les équipes de soins ou intégrés dans le plan thérapeutique, les psychologues, les orthopédagogues et les pédagogues occupés dans les équipes de soins ou intégrés dans le plan thérapeutique, les technologues en laboratoire et les technologues en imagerie médicale ;
   3° catégorie de personnel c : les soignants et les travailleurs visés par les articles 152 et 153 de la loi coordonnée du 10 mai 2015 relative à l'exercice des professions des soins de santé ;
   4° catégorie de personnel d : le personnel assimilé, les techniciens du matériel médical, notamment dans les services de stérilisation, les brancardiers et les assistants en logistique.
   Le montant (F) visé au paragraphe 2 est calculé selon la formule F = F1 + F2, où :
   1° F1 : le montant dû pour l'embauche compensatoire des membres du personnel qui optent pour la dispense de prestations hebdomadaires de travail. F1 est calculé selon la formule F1 = Ai * T1/S * N/Y, où :
   a) Aa : 52.601,64 euros pour la catégorie a ;
   b) Ab : 52.601,64 euros pour la catégorie b ;
   c) Ac : 42.867,02 euros pour la catégorie c ;
   d) Ad : 42.826,30 euros pour la catégorie d ;
   e) T1 : le nombre hebdomadaire d'heures de dispense que le travailleur embauché en compensation ou le travailleur qui augmente sa durée de travail compense ;
   f) S : le régime hebdomadaire de travail appliqué dans l'hôpital de revalidation ;
   g) N : le nombre annuel d'heures de travail à rémunérer par l'employeur pour compenser les heures de dispense des travailleurs bénéficiaires des mesures de fin de carrière pour l'année concernée ;
   h) Y : le nombre théorique annuel d'heures de travail à prester par le travailleur embauché en compensation par rapport à son contrat de travail, à son acte de nomination individuelle ou à l'avenant à son contrat de travail en cas d'augmentation du temps de travail; ;
   2° F2 : le montant pour la prime. F2 est calculé selon la formule F2 = Ai * H/38 * T2/S * N/Y, où :
   a) Aa : 72.569,30 euros pour la catégorie a ;
   b) Ab : 72.569,30 euros pour la catégorie b ;
   c) Ac : 54.048,80 euros pour la catégorie c ;
   d) Ad : 48.836,69 euros pour la catégorie d ;
   e) H : le nombre équivalent d'heures hebdomadaires de dispense de prestations de travail dans le cadre de l'octroi d'une prime pour un travailleur à temps plein par rapport à son âge ;
   f) T2 : le nombre d'heures à prester par semaine qui résulte du contrat de travail ou de l'acte de nomination individuelle, effectué, le cas échéant, dans la fonction à laquelle s'applique la mesure ;
   g) S : le régime hebdomadaire de travail appliqué dans l'hôpital de revalidation ;
   h) N : le nombre annuel d'heures de travail rémunérées par l'employeur pour l'année concernée dans le cadre des mesures de fin de carrière ;
   i) Y : le nombre théorique annuel d'heures de travail à prester par le bénéficiaire en vertu de son contrat de travail ou de son acte de nomination individuelle.
   § 4. Les hôpitaux de revalidation fournissent les données suivantes pour l'élaboration du montant visé au paragraphe 2 :
   1° un numéro d'identification unique par membre du personnel ;
   2° la date de naissance ;
   3° la fonction ;
   4° l'option choisie entre la dispense de prestations de travail et la prime pour chacune des tranches ;
   5° le centre de frais dans lequel les charges sont imputées ;
   6° le nombre d'heures de dispense de prestations de travail que le membre du personnel peut obtenir par rapport à son âge ;
   7° le régime horaire hebdomadaire en vigueur dans l'hôpital de revalidation;
   8° le nombre d'heures à prester par le membre du personnel, tel qu'il résulte du contrat de travail ou de l'acte de nomination individuelle, réduit le cas échéant au prorata des prestations effectuées par le membre du personnel dans la fonction justifiant le bénéfice de la mesure visée au présent paragraphe ;
   9° la date de l'engagement ;
   10° la date éventuelle de départ ;
   11° en cas de personnel assimilé, le nombre d'heures de prestations irrégulières, avec un minimum de 200 heures sur 24 mois ;
   12° les périodes d'absence non rémunérées par l'employeur ainsi que leur nature. Il s'agit de journées ou d'heures non assimilées.
   Les hôpitaux de revalidation communiquent les données visées à l'alinéa 1er [2 au Département Soins ]2 conformément aux conditions visées à l'article 534/46 et à l'article 534/47, 3°.
   Si le gestionnaire de l'hôpital ne communique pas à l'agence des Soins et de la Santé les données visées à l'alinéa 1er dans le délai visé à l'article 534/46, les montants visés au paragraphe 5 sont récupérés.
   § 5. Le montant visé au paragraphe 2 est calculé annuellement conformément au paragraphe 3. Le montant pour l'exercice n est calculé sur la base des données communiquées de l'exercice n-2.
   Concernant les exercices jusqu'à 2016 pour lesquels le montant est calculé conformément à l'article 79, § 3, de l'arrêté royal du 25 avril 2002, tel qu'en vigueur au 31 décembre 2018, un montant de rattrapage est liquidé conformément à l'article 534/30, § 1er.
  [3 Afin de couvrir l'impact de la mise en oeuvre de l'IFIC sur le montant de la prime financée aux hôpitaux de revalidation disposant de personnel relevant de la commission paritaire 330, les montants pour Aa, Ab, Ac et Ad, visés au paragraphe 3, alinéa 3, 1°, a) à d), et 2°, a) à d), sont augmentés de 1,06 % du 1er janvier 2018 au 31 décembre 2020.
   Afin de couvrir l'impact de la mise en oeuvre de l'IFIC sur le montant de la prime financée aux hôpitaux de rééducation, les montants pour Aa, Ab, Ac et Ad visés au paragraphe 3, alinéa 3, 1°, a) à d), et 2°, a) à d), sont augmentés, du 1er janvier 2021 au 31 décembre 2021, de 3,44 % pour les hôpitaux de revalidation disposant de personnel relevant de la commission paritaire 330 et de 2,91 % pour les hôpitaux publics de revalidation.
   A partir du 1er janvier 2022, les montants pour Aa, Ab, Ac et Ad visés au paragraphe 3, alinéa 3, 1°, a) à d), et 2°, a) à d), sont augmentés de 5,81 % pour tous les hôpitaux de revalidation.
   L'augmentation pour les exercices 2018 à 2023 visée aux alinéas 3 jusqu'à 5, est liquidée par une révision du budget pour l'exercice 2025. Les pourcentages calculés à partir de l'exercice 2024 sont utilisés lors du calcul à partir de l'attribution du budget de l'exercice 2026]3

   § 6. Pour les membres du personnel qui ont opté pour la dispense de leurs prestations hebdomadaires de travail, le gestionnaire de l'hôpital apporte la preuve que ce temps de travail libéré et le financement octroyé ont été compensés par de nouveaux engagements ou par une augmentation de la durée hebdomadaire de travail des membres du personnel. Les travailleurs suivants ne sont pas pris en considération : les travailleurs à temps plein auxquels s'appliquent les mesures de fin de carrière et les travailleurs pour lesquels l'hôpital de revalidation reçoit déjà un financement d'une instance publique dans le cadre de la politique de l'emploi.
   Le volume total d'heures à compenser par catégorie du personnel, visée au paragraphe 3, alinéa 2, est prioritairement compensé par la même catégorie de personnel.
   Le cas échéant, le financement octroyé est plafonné au volume total réel de remplacements. A cet effet, le gestionnaire de l'hôpital transmet, en même temps que les données visées au paragraphe 4, alinéa 1er, les données suivantes :
   1° un numéro d'identification unique par membre du personnel ;
   2° la date de naissance ;
   3° la date d'entrée en fonction et de sortie ;
   4° la fonction ;
   5° la durée de travail hebdomadaire de compensation du nouveau travailleur ou l'augmentation de l'horaire de travail du travailleur en fonction qui augmente sa durée de travail ;
   6° les périodes d'absence non rémunérées par l'employeur ainsi que leur nature. Il s'agit de journées ou d'heures non assimilées ;
   7° le centre de frais d'imputation ;
   8° la date de début de l'avenant au contrat du travailleur qui augmente sa durée de travail ou du contrat du nouveau travailleur ;
   9° la date de fin du contrat.
   § 7. Le gestionnaire de l'hôpital transmet un état des lieux annuel des mesures de fin de carrière au conseil d'entreprise ou au comité de concertation local.]1

  
HOOFDSTUK 3. [1 - Het bedrag ter compensatie van het complement van de attractiviteitspremie]1
CHAPITRE 3.. [1 - Le montant compensatoire du complément de la prime d'attractivité]1
Art. 534/26. [1 In dit artikel wordt onder toegelaten voltijds equivalenten verstaan: de werknemers, vermeld in de collectieve arbeidsovereenkomst van 30 juni 2006, gesloten in het Paritair Comité voor de gezondheidsdiensten, tot uitvoering van punt 10 van het akkoord van 26 april 2005 betreffende de federale gezondheidssectoren voor de privésector.
   Om het complement van de attractiviteitspremie, vermeld in punt 10 van het akkoord van 26 april 2005 betreffende de federale gezondheidssectoren, gesloten tussen de federale regering en de representatieve organisaties van de private non-profitsector, en in punt 13 van het protocol nr. 148/2 van 29 juni 2005, 5 juli 2005 en 18 juli 2005 van het Gemeenschappelijk Comité voor het geheel van de openbare diensten, te financieren, wordt in het jaarlijks herrekende budget in een budget voorzien conform het derde en vierde lid.
   Voor het complement van de attractiviteitspremie die aan alle werknemers van de openbare revalidatieziekenhuizen wordt toegekend, wordt aan elk revalidatieziekenhuis een bedrag toegekend dat wordt berekend door het aantal toegelaten voltijds equivalenten van het revalidatieziekenhuis te vermenigvuldigen met 836,22 euro. Die 836,22 euro omvat 620,93 euro, verhoogd met de werkgeversbijdrage.
   Voor het complement van de attractiviteitspremie die aan alle werknemers van de private revalidatieziekenhuizen wordt toegekend, wordt aan elk revalidatieziekenhuis een bedrag toegekend dat wordt berekend door het aantal toegelaten voltijds equivalenten van het revalidatieziekenhuis te vermenigvuldigen met 867,60 euro. Die 867,60 euro omvat 644,21 euro, verhoogd met de werkgeversbijdrage.
   De revalidatieziekenhuizen verstrekken de volgende gegevens voor de uitwerking van de bedragen, vermeld in het derde en het vierde lid:
   1° een uniek identificatienummer per personeelslid;
   2° de functie;
   3° het aantal uren dat het personeel moet presteren, zoals vastgelegd in het arbeidscontract of de individuele benoemingsakte.
   Het bedrag ter compensatie van het complement van de attractiviteitspremie wordt elk dienstjaar opnieuw berekend. Het bedrag voor het dienstjaar n wordt berekend op basis van de verstrekte gegevens, vermeld in het vijfde lid, van het dienstjaar n-2.
   Voor de dienstjaren tot en met 2016, waarvoor het bedrag ter compensatie van het complement van de attractiviteitspremie wordt berekend conform artikel 79bis van het koninklijk besluit van 25 april 2002, zoals van kracht op 31 december 2018, wordt een inhaalbedrag vereffend conform artikel 534/30, § 2, van dit besluit.]1

  
Art. 534/26. [1 Dans le présent article, on entend par équivalents temps plein admissibles : les travailleurs visés dans la convention collective de travail du 30 juin 2006, conclue au sein de la Commission paritaire des services de santé, en exécution du point 10 de l'accord relatif aux secteurs fédéraux de la santé (secteur privé) du 26 avril 2005.
   En vue de financer le complément de la prime d'attractivité visée au point 10 de l'accord relatif aux secteurs fédéraux de la santé du 26 avril 2005 conclu entre le gouvernement fédéral et les organisations représentatives du secteur privé non marchand et au point 13 du protocole n° 148/2 du Comité commun à l'ensemble des services publics des 29 juin 2005, 5 juillet 2005 et 18 juillet 2005, un budget est prévu dans le budget recalculé annuellement, conformément aux alinéas 3 et 4.
   Pour le complément de la prime d'attractivité octroyée à tous les travailleurs des hôpitaux publics de revalidation, il est octroyé à chaque hôpital de revalidation un montant qui est calculé en multipliant le nombre d'équivalents temps plein admissibles de l'hôpital de revalidation par 836,22 euros. Ces 836,22 euros comprennent 620,93 euros, majorés des cotisations patronales.
   Pour le complément de la prime d'attractivité octroyée à tous les travailleurs des hôpitaux privés de revalidation, il est octroyé à chaque hôpital de revalidation un montant qui est calculé en multipliant le nombre d'équivalents temps plein admissibles de l'hôpital de revalidation par 867,60 euros. Ces 867,60 euros comprennent 644,21 euros, majorés des cotisations patronales.
   Les hôpitaux de revalidation fournissent les données suivantes pour l'élaboration des montants visés aux alinéas 3 et 4 :
   1° un numéro d'identification unique par membre du personnel ;
   2° la fonction ;
   3° le nombre d'heures à prester par le membre du personnel, tel qu'établi dans le contrat de travail ou l'acte de nomination individuelle.
   Le montant compensatoire du complément de la prime d'attractivité est à nouveau calculé chaque exercice. Le montant pour l'exercice n est calculé sur la base des données communiquées, visées à l'alinéa 5, de l'exercice n-2.
   Concernant les exercices jusqu'à 2016 pour lesquels le montant compensatoire du complément de la prime d'attractivité est calculé conformément à l'article 79bis de l'arrêté royal du 25 avril 2002, tel qu'en vigueur au 31 décembre 2018, un montant de rattrapage est liquidé conformément à l'article 534/30, § 2, du présent arrêté.]1

  
HOOFDSTUK 4. [1 - Het bedrag ter compensatie van de functieclassificatie ter uitvoering van het Vijfde Vlaams Intersectoraal Akkoord van 8 juni 2018 en het Zesde Vlaams Intersectoraal Akkoord van 30 maart 2021 voor de social/non-profitsectoren [3 ...]3]1
CHAPITRE 4. [1 - Le montant compensatoire de la classification de fonctions en exécution du cinquième Accord intersectoriel flamand du 8 juin 2018 et du sixième Accord intersectoriel flamand du 30 mars 2021 en faveur des secteurs sociaux/non-marchands [3 ...]3 ]1.
Art. 534/27. [1 Om de loonsverhoging ter uitvoering van het Vijfde Vlaams Intersectoraal Akkoord van 8 juni 2018 en het Zesde Vlaams Intersectoraal Akkoord van 30 maart 2021 voor de social/non-profitsectoren voor het dienstjaar 2022 [2 en het dienstjaar 2023]2 te financieren, wordt in het jaarlijks herrekende budget in een budget voorzien.
   Het budget, vermeld in het eerste lid, bedraagt [2 5.422.075 euro]2 voor de private revalidatieziekenhuizen en 268.834,52 euro voor de publieke revalidatieziekenhuizen. Dat budget wordt enerzijds verhoogd met een factor die de stijging van de loonkosten uitdrukt op basis van de evolutie van de index, van de anciënniteit en van het aantal voltijds equivalenten. Anderzijds wordt dat budget verminderd met de voorafname in het kader van de versterking van de tweede pensioenpijler, zoals bepaald in het Vijfde Vlaams Intersectoraal Akkoord van 8 juni 2018 en het Zesde Vlaams Intersectoraal Akkoord van 30 maart 2021.
   Het budget, vermeld in het eerste lid, wordt provisioneel verdeeld over de private revalidatieziekenhuizen, rekening houdend met het aantal voltijds equivalenten van personeelsleden per revalidatieziekenhuis dat conform artikel 534/26 in aanmerking komt voor de berekening van het complement van de attractiviteitspremie.
   De definitieve verdeling van het budget, vermeld in het eerste lid, wordt bepaald op basis van de berekening die de vzw IF.IC in [2 respectievelijk]2 maart 2023 [2 en maart 2024]2 aan het [3 Departement Zorg]3 meedeelt. Daarbij wordt er rekening mee gehouden dat het bedrag, vermeld in het tweede lid, niet mag worden overschreden. Daartoe wordt conform artikel 534/30, § 5, voorzien in een corrigerend bedrag voor [2 respectievelijk]2 het dienstjaar 2024 [2 en het dienstjaar 2025]2.]1

  
Art. 534/27. [1 En vue de financer l'augmentation des salaires en exécution du cinquième Accord intersectoriel flamand du 8 juin 2018 et du sixième Accord intersectoriel flamand du 30 mars 2021 en faveur des secteurs sociaux/non-marchands pour l'exercice 2022 [2 et l'exercice 2023]2, un budget est prévu dans le budget recalculé annuellement.
   Le budget visé à l'alinéa 1er s'élève à [2 5 422 075]2 euros pour les hôpitaux privés de revalidation et à 268.834,52 euros pour les hôpitaux publics de revalidation. D'une part, ce budget est augmenté d'un facteur exprimant la hausse des coûts salariaux sur la base de l'évolution de l'index, de l'ancienneté et du nombre d'équivalents temps plein. D'autre part, il est diminué du prélèvement dans le cadre du renforcement du deuxième pilier des pensions, tel que prévu par le cinquième Accord intersectoriel flamand du 8 juin 2018 et le sixième Accord intersectoriel flamand du 30 mars 2021.
   Le budget visé à l'alinéa 1er est réparti provisoirement entre les hôpitaux privés de revalidation, en tenant compte du nombre d'équivalents temps plein par hôpital de revalidation qui, conformément à l'article 534/26, entre en considération pour le calcul du complément de la prime d'attractivité.
   La répartition définitive du budget visé à l'alinéa 1er est déterminée sur la base du calcul communiqué par l'IF.IC asbl [2 respectivement en mars 2023 et en mars 2024 ]2 à [3 le Département Soins ]3. A cet égard, il est compte tenu du fait que le montant visé à l'alinéa 2 ne peut pas être dépassé. A cet effet, un montant correcteur est prévu [2 pour respectivement l'exercice 2024 et l'exercice 2025 ]2 conformément à l'article 534/30, § 5.]1

  
Art. 534/27/1. [1 Om de loonsverhoging ter uitvoering van het Vijfde Vlaams Intersectoraal Akkoord van 8 juni 2018 en het Zesde Vlaams Intersectoraal Akkoord van 30 maart 2021 voor de social/non-profitsectoren vanaf het dienstjaar 2024 te financieren, wordt in het jaarlijks herrekende budget in een budget voorzien.
   Het budget, vermeld in het eerste lid, bedraagt maximaal 5.075.450 euro voor de private revalidatieziekenhuizen en maximaal 225.326,35 euro voor de publieke revalidatieziekenhuizen. De voormelde bedragen worden gekoppeld aan het spilindexcijfer 123,14 (1 december 2022; basis=2013) en worden aangepast conform de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.
   De budgetten, vermeld in het eerste lid, worden jaarlijks berekend conform de modaliteiten, vermeld in bijlage 12, die bij dit besluit is gevoegd, waarbij de budgetten, vermeld in het tweede lid, niet mogen worden overschreden.]1

  
Art. 534/27/1. [1 Afin de financer l'augmentation de salaire en exécution du cinquième Accord intersectoriel du 8 juin 2018 et du sixième Accord intersectoriel flamand du 30 mars 2021 pour les secteurs à profit social/non marchands à partir de l'exercice 2024, un budget est prévu dans le budget recalculé annuellement.
   Le budget, visé à l'alinéa 1er, s'élève à un maximum de 5 075 450 euros pour les hôpitaux privés de revalidation et à un maximum de 225 326,35 euros pour les hôpitaux publics de revalidation. Les montants précités sont liés à l'indice pivot 123,14 (1 décembre 2022 ; base=2013) et sont adaptés conformément à la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
   Les budgets visés à l'alinéa 1er sont calculés annuellement conformément aux modalités mentionnées à l'annexe 12, jointe au présent décret, sans que les budgets visés à l'alinéa 2 puissent être dépassés.]1

  
TITEL 5. [1 - Het corrigerende budget, vermeld in artikel 534/15, 4°]1
TITRE 5. [1 - Le budget correctif visé à l'article 534/15, 4°]1
Art. 534/28. [1 Het corrigerende budget bestaat uit de volgende onderdelen:
   1° de correcties voor de voorbije dienstjaren, vastgesteld conform artikel 534/29;
   2° de inhaalbedragen voor een tekort of een teveel aan ontvangsten ten opzichte van het budget voor het lopende dienstjaar of het budget dat vastgesteld is voor een of meer van de vorige dienstjaren, namelijk:
   a) de bedragen, vastgesteld conform artikel 534/30;
   b) de bedragen, vastgesteld conform artikel 534/31;
  [2 c) de bedragen, vastgesteld conform artikel 534/31/1;]2
   3° de bedragen in geval van sluiting of opening van ziekenhuisbedden, vastgesteld conform artikel 534/32;
   4° de bedragen voor de afrekening van de provisionele bedragen die conform artikel 534/33 zijn vastgesteld.]1

  
Art. 534/28. [1 Le budget correctif comporte les sous-parties suivantes :
   1° les corrections pour les exercices précédents, fixées conformément à l'article 534/29 ;
   2° les montants de rattrapage pour un manque ou un surplus de recettes par rapport au budget fixé pour l'exercice en cours ou pour un ou plusieurs exercices antérieurs, à savoir :
   a) les montants fixés conformément à l'article 534/30 ;
   b) les montants fixés conformément à l'article 534/31 ;
  [2 c) les montants fixés conformément à l'article 534/31/1 ;]2
   3° les montants en cas de fermeture ou d'ouverture de lits hospitaliers, fixés conformément à l'article 534/32 ;
   4° les montants destinés au règlement des montants provisionnels fixés conformément à l'article 534/33.]1

  
Art. 534/29. [1 Een tekort of een teveel aan ontvangsten voor de voorbije dienstjaren wordt verrekend in het corrigerende budget van het dienstjaar dat volgt op het jaar waarin de fout is vastgesteld. De correcties voor de dienstjaren tot en met 2018 worden berekend conform de bepalingen van het koninklijk besluit van 25 april 2002, zoals van kracht op 31 december 2018.]1
  
Art. 534/29. [1 Un manque ou un surplus de recettes pour les exercices antérieurs est imputé sur le budget correctif de l'exercice qui suit l'année durant laquelle l'erreur a été constatée. Les corrections pour les exercices jusqu'à 2018 sont calculées conformément aux dispositions de l'arrêté royal du 25 avril 2002, tel qu'en vigueur au 31 décembre 2018.]1
  
Art. 534/30. [1 § 1. Om de eindeloopbaanmaatregelen, vermeld in artikel 534/25, te financieren, wordt voor de dienstjaren tot en met 2016 in een inhaalbedrag voorzien in het corrigerende budget.
   Het bedrag, vermeld in het eerste lid, is het verschil tussen het definitieve en het provisionele bedrag, berekend conform artikel 79, § 3, 3°, van het koninklijk besluit van 25 april 2002, zoals van kracht op 31 december 2018.
  [4 Om de procentuele verhoging van de premies, vermeld in artikel 534/25, § 5, derde en vierde lid, te financieren, wordt voor de dienstjaren 2018 tot en met 2023 in een corrigerend budget voorzien in het budget dat wordt vastgelegd op 1 juli 2025]4
   § 2. Om het complement van de attractiviteitspremie, vermeld in artikel 534/26, te financieren, wordt, voor de dienstjaren tot en met 2016 in een inhaalbedrag voorzien in het corrigerende budget.
   Het bedrag, vermeld in het eerste lid, is het verschil tussen het bedrag dat inbegrepen is in het budget van financiële middelen voor de jaren, vermeld in het eerste lid, en het bedrag dat voor die jaren wordt berekend conform artikel 79bis van het koninklijk besluit van 25 april 2002, zoals van kracht op 31 december 2018, en op basis van de verstrekte gegevens voor dat jaar.
   § 3. Om de loonsverhoging door de functieclassificatie, vermeld in artikel 252/1 van het besluit van 7 december 2018, zoals van kracht op 31 december 2021, te financieren voor de dienstjaren 2020 en 2021, wordt een corrigerend bedrag vastgesteld in respectievelijk het corrigerende budget voor de dienstjaren 2022 en 2023.
   Het bedrag, vermeld in het eerste lid, is het verschil tussen het provisionele bedrag dat het revalidatieziekenhuis conform artikel 252/1, vierde lid, van het besluit van 7 december 2018, zoals van kracht op 31 december 2021, ontvangt en het bedrag dat de vzw IF.IC voor dat revalidatieziekenhuis conform artikel 252/1, vijfde lid, van het besluit van 7 december 2018, zoals van kracht op 31 december 2021, meedeelt.
   § 4. Om de loonsverhoging door de functieclassificatie, vermeld in artikel 252/2 van het besluit van 7 december 2018, zoals van kracht op 31 december 2021, te financieren voor het dienstjaar 2021, wordt een corrigerend bedrag vastgesteld in het corrigerende budget voor het dienstjaar 2023.
   Het bedrag, vermeld in het eerste lid, is het verschil tussen het provisionele bedrag dat het revalidatieziekenhuis conform artikel 252/2, derde lid, van het besluit van 7 december 2018, zoals van kracht op 31 december 2021, ontvangt, en het bedrag dat de vzw IF.IC voor dat revalidatieziekenhuis conform artikel 252/2, vierde lid, van het besluit van 7 december 2018, zoals van kracht op 31 december 2021, meedeelt.
   § 5. Om de loonsverhoging door de functieclassificatie, vermeld in artikel 534/27, te financieren voor het dienstjaar 2022 [2 en het dienstjaar 2023]2, wordt een corrigerend bedrag vastgesteld in het corrigerende budget voor [2 respectievelijk]2 het dienstjaar 2024 [2 en het dienstjaar 2025]2.
   Het bedrag, vermeld in het eerste lid, is het verschil tussen het provisionele bedrag dat het revalidatieziekenhuis conform artikel 534/27, derde lid, ontvangt, en het bedrag dat de vzw IF.IC voor dat revalidatieziekenhuis conform artikel 534/27, vierde lid, meedeelt.
   § 6. [2 De middelen die in het basisbudget en het corrigerend budget van het dienstjaar 2022 zijn toegekend om de recurrente koopkrachtverhoging door middel van de verhoging van de eindejaarstoelage voor de dienstjaren 2021 en 2022 te financieren in de publieke revalidatieziekenhuizen ter uitvoering van het Zesde Vlaams Intersectoraal Akkoord van 30 maart 2021 voor de social/non-profitsector, worden teruggevorderd in het corrigerend budget voor het dienstjaar 2023.]2.]1

  [2 § 7. Ter uitvoering van de collectieve arbeidsovereenkomst van 12 juli 2021 betreffende de toekenning van een IF.IC-opstap in uitvoering van het zesde Vlaams Intersectoraal akkoord van 30 maart 2021 voor de social/non profitsectoren voor de periode 2021-2025, wordt een budget van 926.842,42 euro toegevoegd aan het corrigerend budget van de private revalidatieziekenhuizen voor het dienstjaar 2023. Dat budget vertegenwoordigt het bedrag van maximaal 900,00 euro bruto voor een voltijds tewerkgestelde werknemer in de periode van 1 april 2021 tot en met 30 juni 2021.
   Het budget van 926.842,42 euro, vermeld in het eerste lid, wordt verdeeld over de private revalidatieziekenhuizen conform de berekening die de vzw IF.IC in juni 2022 aan het agentschap Zorg en Gezondheid heeft meegedeeld.]2

  [3 § 8. Ter uitvoering van de collectieve arbeidsovereenkomst van 12 december 2022 inzake de toekenning van de VIA 6 toeslag 2022, ter uitvoering van het zesde Vlaams Intersectoraal akkoord van 30 maart 2021, Luik III, Deel III, 1.1. PC 330 geregionaliseerd en van Luik III, Algemene Principes, 1. Actualisatie en besteding budget wat betreft de aanwending van de onbenutte middelen, wordt een budget van maximaal 823.000 euro toegevoegd aan het corrigerende budget van de private revalidatieziekenhuizen voor het dienstjaar 2024. Het voormelde corrigerend budget van de private revalidatieziekenhuizen voor het dienstjaar 2024 vertegenwoordigt het bedrag van maximaal 445,00 euro bruto voor voltijds tewerkgestelde werknemers in 2022.
   De vzw IF.IC berekent het budget per revalidatieziekenhuis.]3

  [3 § 9. Ter uitvoering van het protocolakkoord nr. 2022/7 van 13 mei 2022, vermeld in artikel 534/17/1, eerste lid, voor het dienstjaar 2023, wordt in het corrigerende budget van de publieke revalidatieziekenhuizen voor het dienstjaar 2024, een budget van 52.207,52 euro toegevoegd. Het voormelde bedrag wordt gekoppeld aan het spilindexcijfer 120,73 (1 november 2022; basis=2013) en wordt aangepast conform de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.
   Het budget, vermeld in het eerste lid, wordt toegekend aan het enige publieke revalidatieziekenhuis.]3

  [4 § 10. Ter uitvoering van de collectieve arbeidsovereenkomst van 19 december 2023 inzake de toekenning van de VIA 6 toeslag 2023, ter uitvoering van het zesde Vlaams intersectoraal akkoord van 30 maart 2021, luik III, deel III, 1.1. PC330 geregionaliseerd en luik III, Algemene principes, 1. Actualisatie en besteding budget, wat betreft de aanwending van de onbenutte middelen, wordt een bedrag van maximaal 887.840 euro toegevoegd aan het corrigerende budget van de private revalidatieziekenhuizen voor het dienstjaar 2025.
   Het bedrag, vermeld in het eerste lid, wordt gekoppeld aan het spilindexcijfer 128,11 (1 mei 2024; basis 2013=100).
   Het corrigerende budget van de private revalidatieziekenhuizen voor het dienstjaar 2025, vermeld in het eerste lid, vertegenwoordigt een bedrag van maximaal 454,75 euro bruto voor voltijds tewerkgestelde werknemers in 2023.
   De vzw IF.IC berekent het budget per revalidatieziekenhuis.]4

  
Art. 534/30. [1 § 1er. En vue de financer les mesures de fin de carrière visées à l'article 534/25, un montant de rattrapage est prévu dans le budget correctif pour les exercices jusqu'à 2016.
   Le montant visé à l'alinéa 1er est la différence entre le montant définitif et le montant provisionnel, calculée conformément à l'article 79, § 3, 3°, de l'arrêté royal du 25 avril 2002, tel qu'en vigueur au 31 décembre 2018.
  [4 Afin de financer l'augmentation en pourcentage des primes, visée à l'article 534/25, § 5, alinéas 3 et 4, un budget correctif est prévu pour les exercices 2018 à 2023 dans le budget fixé au 1er juillet 2025.]4
   § 2. En vue de financer le complément de la prime d'attractivité visé à l'article 534/26, un montant de rattrapage est prévu dans le budget correctif pour les exercices jusqu'à 2016.
   Le montant visé à l'alinéa 1er est la différence entre le montant compris dans le budget des moyens financiers pour les années visées à l'alinéa 1er et le montant calculé pour ces années conformément à l'article 79bis de l'arrêté royal du 25 avril 2002, tel qu'en vigueur au 31 décembre 2018, et sur la base des données communiquées pour cette année.
   § 3. En vue de financer l'augmentation des salaires due à la classification de fonctions visée à l'article 252/1 de l'arrêté du 7 décembre 2018, tel qu'en vigueur au 31 décembre 2021, pour les exercices 2020 et 2021, un montant correcteur est fixé dans le budget correctif pour les exercices 2022 et 2023 respectivement.
   Le montant visé à l'alinéa 1er est la différence entre le montant provisionnel que l'hôpital de revalidation reçoit conformément à l'article 252/1, alinéa 4, de l'arrêté du 7 décembre 2018, tel qu'en vigueur au 31 décembre 2021, et le montant que l'IF.IC asbl communique pour cet hôpital de revalidation conformément à l'article 252/1, alinéa 5, de l'arrêté du 7 décembre 2018, tel qu'en vigueur au 31 décembre 2021.
   § 4. En vue de financer l'augmentation des salaires due à la classification de fonctions visée à l'article 252/2 de l'arrêté du 7 décembre 2018, tel qu'en vigueur au 31 décembre 2021, pour l'exercice 2021, un montant correcteur est fixé dans le budget correctif pour l'exercice 2023.
   Le montant visé à l'alinéa 1er est la différence entre le montant provisionnel que l'hôpital de revalidation reçoit conformément à l'article 252/2, alinéa 3, de l'arrêté du 7 décembre 2018, tel qu'en vigueur au 31 décembre 2021, et le montant que l'IF.IC asbl communique pour cet hôpital de revalidation conformément à l'article 252/2, alinéa 4, de l'arrêté du 7 décembre 2018, tel qu'en vigueur au 31 décembre 2021.
   § 5. En vue de financer l'augmentation des salaires due à la classification de fonctions visée à l'article 534/27 pour l'exercice 2022 [2 et l'exercice 2023]2, un montant correcteur est fixé dans le budget correctif [2 pour respectivement l'exercice 2024 et l'exercice 2025]2.
   Le montant visé à l'alinéa 1er est la différence entre le montant provisionnel que l'hôpital de revalidation reçoit conformément à l'article 534/27, alinéa 3, et le montant que l'IF.IC asbl communique pour cet hôpital de revalidation conformément à l'article 534/27, alinéa 4.
   § 6. [2 Les moyens alloués dans le budget de base et le budget correctif de l'exercice 2022 pour financer l'augmentation récurrente du pouvoir d'achat par l'augmentation de l'allocation de fin d'année pour les exercices 2021 et 2022 dans les hôpitaux publics de revalidation en exécution du sixième Accord intersectoriel flamand du 30 mars 2021 pour le secteur social/non marchand sont récupérés dans le budget correctif de l'exercice 2023.]2.]1

  [2 § 7. En exécution de la convention collective du travail du 12 juillet 2021 relatif à l'attribution d'une prime IF.IC en exécution du sixième Accord intersectoriel flamand du 30 mars 2021 pour le secteur social/non marchand pour la période 2021-2025, un budget de 926 842,42 euros est ajouté au budget correctif des hôpitaux de revalidation privés pour l'exercice 2023. Ce budget représente le montant de 900,00 euros maximum brut pour un employé à temps plein pendant la période du 1er avril 2021 au 30 juin 2021.
   Le budget de 926 842,42 euros, figurant à l'alinéa 1er, est réparti entre les hôpitaux de revalidation privés conformément au calcul communiqué par l'asbl IF.IC à l'Agence Soins et Santé en juin 2022.]2

  [3 § 8. En exécution de la convention collective de travail du 12 décembre 2022 relative à l'attribution du complément VIA 6 2022, en exécution du sixième Accord intersectoriel du 30 mars 2021, volet III, partie III, 1.1, PC 330 régionalisé, et du volet III, Principes généraux, 1. Actualisation et affectation du budget en ce qui concerne l'affectation des moyens inutilisés, un budget maximum de 823 000 euros est ajouté au budget correctif des hôpitaux privés de revalidation pour l'exercice 2024. Le budget correctif précité des hôpitaux privés de revalidation pour l'exercice 2024 représente le montant de 445,00 euros maximum brut pour des employés à temps plein en 2022.
   L'asbl IF.IC calcule le budget par hôpital de revalidation.]3

  [3 § 9. En exécution du protocole d'accord n° 2022/7 du 13 mai 2022, visé à l'article 534/17/1, alinéa 1er, pour l'exercice 2023, un budget de 52 207,52 euros est ajouté au budget correctif des hôpitaux publics de revalidation pour l'exercice 2024. Le montant précité est lié à l'indice pivot 120,73 (1 novembre 2022 ; base=2013) et est adapté conformément à la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
   Le budget visé à l'alinéa 1er est accordé au seul hôpital public de revalidation.]3

  [4 § 10. En exécution de la CCT du 19 décembre 2023 relative à l'attribution du supplément VIA 6 2023, en exécution du sixième accord intersectoriel flamand du 30 mars 2021, volet III, partie III, 1.1. CP330 régionalisée et volet III, Principes généraux, 1. Actualisation et dépense du budget en termes d'affectation des fonds non utilisés, un montant maximum de 887 840 euros est ajouté au budget correctif des hôpitaux privés de revalidation pour l'exercice 2025.
   Le montant, visé à l'alinéa 1er, est lié à l'indice pivot 128,11 (1er mai 2024 ; base 2013=100).
   Le budget correctif des hôpitaux privés de revalidation pour l'exercice 2025, visé à l'alinéa 1er, représente un montant maximum de 454,75 euros brut pour les travailleurs occupés à temps plein en 2023.
   L'ASBL IF.IC calcule le budget par hôpital de revalidation. ]4

  
Art. 534/31. [1 Voor de herziening van de opsplitsing van het vaste en variabele gedeelte van het budget dat conform artikel 534/36, § 2, bij de beëindiging van elk dienstjaar wordt berekend, wordt in een inhaalbedrag voorzien in het corrigerende budget.]1
  
Art. 534/31. [1 Pour la révision de la scission des parties fixe et variable du budget calculé conformément à l'article 534/36, § 2, à la fin de chaque exercice, un montant de rattrapage est prévu dans le budget correctif.]1
  
Art.534/31/1. [1 De eenmalige provisionele financiering, vermeld in artikel 534/23/1, wordt in het corrigerende budget voor het dienstjaar 2028 afgerekend.
   De afrekening, vermeld in het eerste lid, is het verschil tussen het bedrag dat conform artikel 534/23/1 wordt toegekend, en de helft van de kosten van de daadwerkelijk gedane en aanvaarde aankopen om de arbeidsomstandigheden van het zorgpersoneel te verbeteren. ]1

  
Art. 534/31/1. [1 Le financement provisoire unique, visé à l'article 534/23/1, est liquidé dans le budget correctif pour l'année de service 2028.
   La liquidation, visée à l'alinéa 1er, est la différence entre le montant attribué conformément à l'article 534/23/1 et la moitié des coûts des achats effectivement réalisés et acceptés en vue d'améliorer les conditions de travail du personnel soignant. ]1

  
Art. 534/32. [1 Bij een vermindering van het aantal erkende ziekenhuisbedden in een revalidatieziekenhuis wordt 80% van het basisbudget proportioneel verminderd in verhouding tot de vermindering van de bedcapaciteit.
   Bij een vermeerdering van het aantal erkende ziekenhuisbedden in een revalidatieziekenhuis:
   1° door de vermindering van het aantal ziekenhuisbedden in een ander revalidatieziekenhuis wordt het basisbudget vermeerderd met het bedrag waarmee het basisbudget van het andere revalidatieziekenhuis is verminderd;
   2° door de vermindering van het aantal ziekenhuisbedden in een ziekenhuis, die voortvloeit uit een samenwerkingsakkoord dat gesloten is tussen de Vlaamse Gemeenschap en de federale overheid conform artikel 47/9, § 5, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, wordt het basisbudget vermeerderd met een bedrag dat wordt bepaald door de Vlaamse Regering;
   3° wordt in alle andere gevallen dan de gevallen, vermeld in punt 1° en 2°, 80% van het basisbudget proportioneel vermeerderd in verhouding tot de vermeerdering van de bedcapaciteit.]1

  
Art. 534/32. [1 En cas de diminution du nombre de lits hospitaliers agréés dans un hôpital de revalidation, 80 % du budget de base sont réduits proportionnellement à la diminution de la capacité en lits.
   En cas d'augmentation du nombre de lits hospitaliers agréés dans un hôpital de revalidation :
   1° par la réduction du nombre de lits hospitaliers dans un autre hôpital de revalidation, le budget de base est augmenté du montant dont le budget de base de l'autre hôpital de revalidation a été diminué ;
   2° par la réduction du nombre de lits hospitaliers dans un hôpital, qui résulte d'un accord de coopération conclu entre la Communauté flamande et l'autorité fédérale conformément à l'article 47/9, § 5, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des Communautés et des Régions, le budget de base est augmenté d'un montant fixé par le Gouvernement flamand ;
   3° dans tous les autres cas que ceux visés aux points 1° et 2°, 80 % du budget de base sont augmentés proportionnellement à l'augmentation de la capacité en lits.]1

  
Art. 534/33. [1 Er wordt een bedrag ter beschikking gesteld in het corrigerende budget voor de afrekening van provisioneel toegekende bedragen.
   Voor het dienstjaar 2022 wordt een bedrag ter beschikking gesteld dat berekend wordt als het verschil tussen het provisioneel toegekende bedrag, vermeld in artikel 249/1 van het besluit van 7 december 2018, zoals van kracht op 31 december 2021, en de werkelijke kosten van het ziekenvervoer om de COVID-19-pandemie te beheersen. De minister bepaalt de manier waarop het revalidatieziekenhuis de werkelijke kosten moet staven in de overeenkomst, vermeld in artikel 249/1 van het besluit van 7 december 2018, zoals van kracht op 31 december 2021.]1

  
Art. 534/33. [1 Un montant est mis à disposition dans le budget correctif pour le règlement des montants octroyés à titre provisionnel.
   Pour l'exercice 2022, un montant, calculé comme la différence entre le montant octroyé à titre provisionnel visé à l'article 249/1 de l'arrêté du 7 décembre 2018, tel qu'en vigueur au 31 décembre 2021, et les coûts réels du transport de patients en vue de contrôler la pandémie de COVID-19, est mis à disposition. Le ministre détermine les modalités selon lesquelles l'hôpital de revalidation doit justifier les coûts réels dans l'accord visé à l'article 249/1 de l'arrêté du 7 décembre 2018, tel qu'en vigueur au 31 décembre 2021.]1

  
TITEL 6. [1 - Indexering van het budget]1
TITRE 6. [1 - Indexation du budget]1
Art. 534/34. [1 De volgende delen van het budget, vermeld in artikel 534/15, worden geïndexeerd conform het derde lid:
   1° 97% van het basisbudget;
   2° 100% van het voorwaardelijke budget;
   3° 100% van het jaarlijks herrekende budget.
   Het corrigerende budget wordt niet geïndexeerd.
   De delen van het budget, vermeld in het eerste lid, en de bedragen, vermeld in dit besluit, zijn, tenzij het anders is vermeld, gekoppeld aan het spilindexcijfer 107,20 (basis=2013) en worden aangepast conform de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.]1

  
Art. 534/34. [1 Les parties suivantes du budget, visées à l'article 534/15, sont indexées conformément à l'alinéa 3 :
   1° 97 % du budget de base ;
   2° 100 % du budget conditionnel ;
   3° 100 % du budget recalculé annuellement.
   Le budget correctif n'est pas indexé.
   Sauf stipulation contraire, les parties du budget visées à l'alinéa 1er et les montants visés dans le présent arrêté sont liés à l'indice-pivot 107,20 (base 2013=100) et sont adaptés conformément à la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.]1

  
DEEL 3. [1 - Kennisgeving van de beslissing]1
Partie 3. [1 - Notification de la décision]1
Art. 534/35. [1 De beslissing van de minister over de vaststelling van het budget, vermeld in artikel 534/14 en 534/40, wordt aan de ziekenhuisbeheerder meegedeeld door het [2 Departement Zorg]2.
   Als de ziekenhuisbeheerder niet akkoord gaat met de berekening van het budget, kan hij binnen dertig dagen nadat hij de beslissing over de vaststelling van het budget heeft ontvangen, bezwaar aantekenen bij de minister met een aangetekende zending die gericht is aan de leidend ambtenaar.
   De beslissing van de minister over het bezwaar wordt binnen dertig dagen nadat hij het bezwaar heeft ontvangen, aan de ziekenhuisbeheerder meegedeeld.
   Als de ziekenhuisbeheerder geen bezwaar heeft ingediend conform het tweede lid, wordt hij van rechtswege geacht akkoord te gaan met de vaststelling van het budget.]1

  
Art. 534/35. [1 [2 Le Département Soins ]2 communique au gestionnaire de l'hôpital la décision du ministre quant à la fixation du budget, visée aux articles 534/14 et 534/40.
   Si le gestionnaire de l'hôpital n'est pas d'accord avec le calcul du budget, il peut introduire, dans les trente jours de la réception de la décision quant à la fixation du budget, une réclamation auprès du ministre par un envoi recommandé adressé au fonctionnaire dirigeant.
   La décision du ministre au sujet de la réclamation est communiquée au gestionnaire de l'hôpital dans les trente jours suivant la réception de la réclamation.
   Si le gestionnaire de l'hôpital n'a pas introduit de réclamation conformément à l'alinéa 2, il est réputé de plein droit être d'accord avec la fixation du budget.]1

  
DEEL 4. [1 - Vereffening van het budget]1
Partie 4. [1 - Liquidation du budget]1
TITEL 1. [1 - Vaststelling van het vaste en het variabele gedeelte van het budget]1
TITRE 1. [1 - Fixation des parties fixe et variable du budget]1
Art. 534/36. [1 § 1. Het vaste gedeelte van het budget wordt gevormd door 80% van het basisbudget, vermeld in artikel 534/16, vermeerderd met het voorwaardelijke budget, het jaarlijks herrekende budget en het corrigerende budget, vermeld in artikel 534/18, 534/24 en 534/28.
   Het variabele gedeelte van het budget wordt gevormd door 20% van het basisbudget.
   § 2. Zowel het vaste als het variabele gedeelte wordt in twee gedeelten opgesplitst. Het ene gedeelte wordt berekend op basis van het aantal verpleegdagen van het laatst bekende dienstjaar voor de patiënten, vermeld in artikel 115 van de gecoördineerde wet van 10 juli 2008. Het andere gedeelte wordt berekend op basis van het aantal verpleegdagen van het laatst bekende dienstjaar voor de patiënten, vermeld in artikel 116 van de voormelde wet.
   Zodra het dienstjaar is beëindigd, wordt de opsplitsing van het vaste en variabele gedeelte op basis van de specifieke gegevens van dat dienstjaar herzien om de opsplitsing, vermeld in het eerste lid, in overeenstemming te brengen met de reële verhouding tussen het aantal patiënten, vermeld in artikel 115 van de gecoördineerde wet van 10 juli 2008, enerzijds, en artikel 116 van de gecoördineerde wet van 10 juli 2008, anderzijds. Die herziening wordt verrekend in het corrigerende budget conform artikel 534/31.]1

  
Art. 534/36. [1 § 1er. La partie fixe du budget est constituée de 80 % du budget de base, visé à l'article 534/16, augmenté du budget conditionnel, du budget recalculé annuellement et du budget correctif, visés aux articles 534/18, 534/24 et 534/28.
   La partie variable du budget est constituée de 20 % du budget de base.
   § 2. Les parties fixe et variable sont scindées en deux parties. L'une est calculée sur la base du nombre de journées d'hospitalisation du dernier exercice connu pour les patients visés à l'article 115 de la loi coordonnée du 10 juillet 2008. L'autre est calculée sur la base du nombre de journées d'hospitalisation du dernier exercice connu pour les patients visés à l'article 116 de la loi précitée.
   L'exercice considéré terminé, la scission des parties fixe et variable est revue sur la base des données propres à cet exercice afin de faire correspondre la scission visée à l'alinéa 1er au rapport réel entre le nombre de patients visés à l'article 115 de la loi coordonnée du 10 juillet 2008, d'une part, et à l'article 116 de la loi coordonnée du 10 juillet 2008, d'autre part. Cette révision est imputée sur le budget correctif conformément à l'article 534/31.]1

  
TITEL 2. [1 - Vereffening van het budget voor de patiënten, vermeld in artikel 115 van de gecoördineerde wet van 10 juli 2008]1
TITRE 2. [1 Liquidation du budget pour les patients visés à l'article 115 de la loi coordonnée du 10 juillet 2008]1
Art. 534/37. [1 Voor de patiënten, vermeld in artikel 115 van de gecoördineerde wet van 10 juli 2008, wordt het vaste gedeelte, vermeld in artikel 534/36, § 1, eerste lid, van dit besluit, door de zorgkassen in twaalfden vereffend, in evenredigheid met hun respectieve aandeel in de gerealiseerde verpleegdagen in de loop van het laatst bekende dienstjaar voor het revalidatieziekenhuis in kwestie.
   Voor de patiënten, vermeld in het eerste lid, wordt het variabele gedeelte, vermeld in artikel 534/36, § 1, tweede lid, volledig vereffend volgens een prijs per verpleegdag. De prijs per verpleegdag wordt bepaald door het variabele gedeelte te delen door de verpleegdagen die tijdens het laatst bekende dienstjaar gerealiseerd zijn voor patiënten die onder deze titel vallen.
   De zorgkassen betalen het vaste gedeelte van het budget, vermeld in artikel 534/36, § 1, eerste lid, uiterlijk op de [2 vijftiende]2 dag van iedere maand aan de revalidatieziekenhuizen. De minister kan de modaliteiten van de betaling bepalen.]1

  
Art. 534/37. [1 Pour les patients visés à l'article 115 de la loi coordonnée du 10 juillet 2008, la partie fixe visée à l'article 534/36, § 1er, alinéa 1er, du présent arrêté est liquidée en douzièmes par les caisses d'assurance soins, en proportion de leur part respective dans les journées d'hospitalisation réalisées au cours du dernier exercice connu pour l'hôpital de revalidation concerné.
   Pour les patients visés à l'alinéa 1er, la partie variable visée à l'article 534/36, § 1er, alinéa 2, est entièrement liquidée selon un prix par journée d'hospitalisation. Le prix par journée d'hospitalisation est déterminé en divisant la partie variable par les journées d'hospitalisation réalisées au cours du dernier exercice connu pour les patients qui relèvent du présent titre.
   Les caisses d'assurance soins paient la partie fixe du budget, visée à l'article 534/36, § 1er, alinéa 1er, aux hôpitaux de revalidation au plus tard le [2 quinzième]2 jour de chaque mois. Le ministre peut déterminer les modalités du paiement.]1

  
TITEL 3. [1 - Vereffening van het budget voor de patiënten, vermeld in artikel 116 van de gecoördineerde wet van 10 juli 2008]1
TITRE 3. [1 - Liquidation du budget pour les patients visés à l'article 116 de la loi coordonnée du 10 juillet 2008]1
Art. 534/38. [1 Voor de patiënten waarvoor de ziekenhuisverpleging geen aanleiding geeft tot een tegemoetkoming in het kader van de Vlaamse sociale bescherming, vermeld in artikel 116 van de gecoördineerde wet van 10 juli 2008, stelt de minister een prijs per verpleegdag vast. Het vaste en het variabele gedeelte van het budget, vermeld in artikel 534/36, § 1, worden opgeteld en gedeeld door de verpleegdagen die tijdens het laatst bekende dienstjaar gerealiseerd zijn.]1
  
Art. 534/38. [1 Concernant les patients dont l'hospitalisation ne donne pas lieu à une intervention dans le cadre de la protection sociale flamande, visée à l'article 116 de la loi coordonnée du 10 juillet 2008, le ministre fixe un prix par journée d'hospitalisation. Les parties fixe et variable du budget, visées à l'article 534/36, § 1er, sont additionnées et divisées par les journées d'hospitalisation réalisées au cours du dernier exercice connu.]1
  
TITEL 4. [1 - Gevolgen van de niet-naleving van voorwaarden]1
TITRE 4. [1 - Conséquences du non-respect des conditions]1
Art. 534/39. [1 § 1. Als een revalidatieziekenhuis de voorwaarden, vermeld in deel 5, niet naleeft, stuurt het [2 Departement Zorg]2 het revalidatieziekenhuis elektronisch een herinnering die een termijn van dertig dagen vaststelt om te voldoen aan de voorwaarden.
   Als het [2 Departement Zorg]2 bij het verstrijken van de termijn, vermeld in het eerste lid, vaststelt dat de ziekenhuisbeheerder niet het gewenste gevolg heeft gegeven, vermindert de minister het budget van het revalidatieziekenhuis met maximaal 30% vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de termijn is verstreken, tot het revalidatieziekenhuis aan de voorwaarden voldoet. Om de duur van die sanctie vast te stellen, wordt elke begonnen maand als een volledige maand beschouwd. De hoogte van het percentage staat in verhouding tot de zwaarwichtigheid van de inbreuk en de herhaling ervan.
   § 2. Als een revalidatieziekenhuis de voorwaarden, vermeld in deel 6, niet naleeft, stuurt het [2 Departement Zorg]2 het revalidatieziekenhuis elektronisch een herinnering die een nieuwe termijn van dertig dagen vaststelt om de gegevens, vermeld in deel 6, mee te delen.
   Als het [2 Departement Zorg]2 bij het verstrijken van de termijn, vermeld in het eerste lid, vaststelt dat de ziekenhuisbeheerder niet het gewenste gevolg heeft gegeven, vermindert de minister het budget van het revalidatieziekenhuis met 10% vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de termijn is verstreken, tot de gevraagde gegevens in het bezit zijn van het [2 Departement Zorg]2. Om de duur van die sanctie vast te stellen, wordt elke begonnen maand als een volledige maand beschouwd.
   Als het [2 Departement Zorg]2 zes maanden na het verstrijken van de termijn, vermeld in het eerste lid, vaststelt dat de ziekenhuisbeheerder niet het gewenste gevolg heeft gegeven, wordt het gedeelte van het budget dat betrekking heeft op de ontbrekende gegevens bij de eerstvolgende vaststelling van het budget, gelijkgesteld aan nul.]1

  
Art. 534/39. [1 § 1er. Si un hôpital de revalidation ne respecte pas les conditions visées dans la partie 5, [2 le Département Soins ]2lui envoie un rappel par voie électronique, fixant un délai de trente jours pour y satisfaire.
   Si [2 le Département Soins ]2 constate, à l'expiration du délai visé à l'alinéa 1er, que le gestionnaire de l'hôpital n'a pas réservé la suite souhaitée, le ministre diminue le budget de l'hôpital de revalidation de 30 % maximum à partir du premier jour du mois suivant celui de l'expiration du délai jusqu'à ce que l'hôpital de revalidation satisfasse aux conditions. En vue de la fixation de la durée de cette sanction, tout mois entamé est considéré comme un mois complet. Le pourcentage est proportionnel à la gravité de l'infraction et à sa récidive.
   § 2. Si un hôpital de revalidation ne respecte pas les conditions visées dans la partie 6, [2 le Département Soins ]2 lui envoie un rappel par voie électronique, fixant un nouveau délai de trente jours pour communiquer les données visées dans la partie 6.
   Si [2 le Département Soins ]2é constate, à l'expiration du délai visé à l'alinéa 1er, que le gestionnaire de l'hôpital n'a pas réservé la suite souhaitée, le ministre diminue le budget de l'hôpital de revalidation de 10 % à partir du premier jour du mois suivant celui de l'expiration du délai jusqu'à ce que [2 le Département Soins ]2 soit en possession des données demandées. En vue de la fixation de la durée de cette sanction, tout mois entamé est considéré comme un mois complet.
   Si [2 le Département Soins ]2 constate, six mois après l'expiration du délai visé à l'alinéa 1er, que le gestionnaire de l'hôpital n'a pas réservé la suite souhaitée, la partie du budget se rapportant aux données manquantes est considérée comme égale à zéro lors de la fixation suivante du budget.]1

  
Art. 534/40. [1 De minister kan de toekenning van het budget of een gedeelte ervan stopzetten als het revalidatieziekenhuis niet beschikt over de vereiste erkenning, vermeld in artikel 58, 66 en 67 van de gecoördineerde wet van 10 juli 2008, de vergunning, vermeld in artikel 39 van de voormelde wet, of de toelating, vermeld in artikel 54 en 57 van de voormelde wet. Die stopzetting geldt voor het budget of het gedeelte ervan dat betrekking heeft op die erkenning, vergunning of toelating.
   De minister kan een beslissing als vermeld in het eerste lid, pas nemen nadat het [2 Departement Zorg]2 aan het revalidatieziekenhuis elektronisch een herinnering heeft gestuurd om zijn verplichtingen na te komen binnen een termijn die [2 Departement Zorg]2 heeft bepaald, en het revalidatieziekenhuishuis daaraan geen gevolg heeft gegeven.]1

  
Art. 534/40. [1 Le ministre peut supprimer l'octroi du budget ou d'une partie de celui-ci si l'hôpital ne dispose pas de l'agrément requis, visé aux articles 58, 66 et 67 de la loi coordonnée du 10 juillet 2008, de l'autorisation visée à l'article 39 de la loi précitée ou de l'autorisation visée aux articles 54 et 57 de la loi précitée. Cette suppression s'applique au budget ou à la partie de celui-ci qui se rapporte à cet agrément ou à cette autorisation.
   Le ministre ne peut prendre une décision telle que visée à l'alinéa 1er que lorsque [2 le Département Soins ]2 a envoyé un rappel par voie électronique à l'hôpital de revalidation afin qu'il remplisse ses obligations dans un délai fixé par [2 le Département Soins ]2 et que l'hôpital de revalidation n'y a pas donné suite.]1

  
DEEL 5. [1 - Verklaring bij opname]1
Partie 5. [1 - Déclaration d'admission]1
Art. 534/41. [1 § 1. Uiterlijk bij de aanvang van een opname wordt aan de patiënt of aan de persoon die, conform artikel 12 tot en met 14 van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt, een patiënt kan vertegenwoordigen, hierna "de vertegenwoordiger" te noemen, een bundel documenten ter ondertekening aangeboden.
   Die bundel documenten bevat:
   1° een opnameverklaring, opgemaakt conform het model dat opgenomen is in bijlage 8 of 9, die bij dit besluit zijn gevoegd, al naargelang het gaat om een klassieke opname in een revalidatieziekenhuis of een daghospitalisatie in een revalidatieziekenhuis;
   2° een document met de nodige toelichting bij de opnameverklaring volgens het model dat opgenomen is in bijlage 10, die bij dit besluit is gevoegd.
   De bundel documenten informeert de patiënt over de financiële implicaties van een opname in het revalidatieziekenhuis. Het revalidatieziekenhuis besteedt er, bij voorkeur voorafgaand aan de opname en uiterlijk op het moment van de opname zelf, de nodige tijd aan om de inhoud van de opnameverklaring en de financiële implicaties van een opname in het revalidatieziekenhuis aan de hand van het toelichtingsdocument, vermeld in het tweede lid, 2°, mondeling toe te lichten.
   § 2. Een overzichtslijst met de actuele prijzen van de goederen en diensten die in het revalidatieziekenhuis aangeboden worden, wordt in het revalidatieziekenhuis ter beschikking gesteld van de patiënt. Het revalidatieziekenhuis informeert de patiënt duidelijk en uitdrukkelijk waar de overzichtslijst in het revalidatieziekenhuis geconsulteerd kan worden. Daarnaast publiceert het revalidatieziekenhuis de overzichtslijst op zijn website.
   § 3. In paragraaf 1, tweede lid, 1°, wordt verstaan onder daghospitalisatie: het geheel van geplande diagnostische of therapeutische verrichtingen in de verschillende medische disciplines, waarbij de patiënt op dezelfde dag als die waarop hij is opgenomen, uit het revalidatieziekenhuis ontslagen wordt. Die verrichtingen vereisen de daadwerkelijke inzet van medisch, verpleegkundig of paramedisch personeel van het revalidatieziekenhuis vanwege de medische toestand van de patiënt die behoefte heeft aan een verlengd medisch of verpleegkundig toezicht of door de medisch-technische complexiteit van de procedure en de veiligheid van de patiënt.
   § 4. De cursieve tekst in de modellen die opgenomen zijn in bijlage 8, 9 en 10, die bij dit besluit zijn gevoegd, geven de passages aan die het revalidatieziekenhuis kan weglaten als ze niet van toepassing zijn in het revalidatieziekenhuis in kwestie. Als de titel van een rubriek in de modellen cursief gedrukt staat, kan die hele rubriek weggelaten worden als de inhoud van die rubriek in het revalidatieziekenhuis of bij een specifieke opname niet van toepassing is. Elke andere wijziging, weglating of toevoeging in de modellen die opgenomen zijn in bijlage 8, 9 en 10, die bij dit besluit zijn gevoegd, is niet toegelaten.
   De ziekenhuisbeheerder van het revalidatieziekenhuis ziet er in het bijzonder op toe dat alle elementen die in de opnameverklaring in procent uitgedrukt zijn, behoorlijk zijn ingevuld en geactualiseerd, en dat alle andere gevraagde informatie wordt verstrekt.
   In afwijking van het eerste lid mogen revalidatieziekenhuizen die noch kamersupplementen, noch ereloonsupplementen aanrekenen, ook afwijken van de niet-cursief gedrukte tekst van de modellen die opgenomen zijn in bijlage 8, 9 en 10, die bij dit besluit zijn gevoegd. Ze mogen de patiënt op een vereenvoudigde manier informeren over de financiële implicaties van een opname in het revalidatieziekenhuis.
   § 5. De opnameverklaring wordt volledig ingevuld.
   De opnameverklaring wordt in twee exemplaren opgemaakt en ondertekend, waarvan de ziekenhuisbeheerder en de patiënt of zijn vertegenwoordiger ieder één exemplaar ontvangen. Het gebruik van doorslagpapier of een elektronische handtekening is daarbij toegestaan. De patiënt ontvangt altijd een papieren versie van de ondertekende opnameverklaring, ook als de opnameverklaring elektronisch ondertekend is.
   Het revalidatieziekenhuis bewaart de ondertekende opnameverklaring minstens gedurende een periode van twee jaar nadat de laatste factuur verstuurd is die betrekking heeft op de opname die aanleiding heeft gegeven tot de ondertekening van de opnameverklaring in kwestie.]1

  
Art. 534/41. [1 § 1er. Au plus tard au début de l'admission, une série de documents sont soumis à la signature du patient ou de la personne qui, conformément aux articles 12 à 14 de la loi du 22 août 2002 relative aux droits du patient, peut le représenter, ci-après dénommée " le représentant ".
   Cette série comporte les documents suivants :
   1° une déclaration d'admission établie conformément au modèle figurant à l'annexe 8 ou à l'annexe 9 jointes au présent arrêté, selon qu'il s'agit d'une admission classique en hôpital de revalidation ou d'une hospitalisation de jour en hôpital de revalidation ;
   2° un document contenant les explications nécessaires relatives à la déclaration d'admission, selon le modèle repris à l'annexe 10 jointe au présent arrêté.
   Cette série de documents informe le patient sur les implications financières d'une admission à l'hôpital de revalidation. De préférence avant l'admission et au plus tard au moment de l'admission même, l'hôpital de revalidation consacre le temps nécessaire pour expliquer oralement le contenu de la déclaration d'admission et les implications financières d'une admission à l'hôpital de revalidation au moyen du document d'explication visé à l'alinéa 2, 2°.
   § 2. Une liste récapitulant les prix actuels des biens et services offerts à l'hôpital de revalidation est mise à la disposition du patient à l'hôpital de revalidation. L'hôpital de revalidation informe le patient, de manière claire et explicite, de l'endroit où la liste récapitulative peut être consultée à l'hôpital de revalidation. L'hôpital de revalidation publie également la liste récapitulative sur son site internet.
   § 3. Au paragraphe 1er, alinéa 2, 1°, l'hospitalisation de jour s'entend de l'ensemble des actes diagnostiques ou thérapeutiques planifiés relevant des différentes disciplines médicales et pour lesquels le patient quitte l'hôpital de revalidation le jour même de son admission. Ces actes requièrent l'intervention effective du personnel médical, infirmier ou paramédical de l'hôpital de revalidation en raison de l'état médical du patient nécessitant une surveillance médicale ou infirmière prolongée ou en raison de la complexité médico-technique de la procédure et de la sécurité du patient.
   § 4. Le texte en italique dans les modèles repris aux annexes 8, 9 et 10 jointes au présent arrêté indique les passages que l'hôpital de revalidation peut omettre dans les documents s'ils ne s'appliquent pas à l'hôpital de revalidation concerné. Si le titre d'une rubrique est imprimé en italique dans les modèles, toute la rubrique peut être omise si le contenu de cette rubrique ne s'applique pas à l'hôpital de revalidation ou à une admission spécifique. Toute autre modification, omission ou tout autre ajout dans les modèles repris aux annexes 8, 9 et 10 jointes au présent arrêté sont interdits.
   Le gestionnaire de l'hôpital de revalidation veille en particulier à ce que tous les éléments exprimés en pourcentage dans la déclaration d'admission soient dûment complétés et actualisés et à ce que les autres informations y mentionnées soient fournies.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, les hôpitaux de revalidation, qui ne facturent ni suppléments de chambre, ni suppléments d'honoraires, peuvent également déroger au texte non italique des modèles repris aux annexes 8, 9 et 10 jointes au présent arrêté. Ils peuvent informer le patient de manière simplifiée sur les implications financières d'une admission à l'hôpital de revalidation.
   § 5. La déclaration d'admission est dûment remplie.
   La déclaration d'admission est établie et signée en deux exemplaires, dont le gestionnaire de l'hôpital et le patient ou son représentant reçoivent chacun un exemplaire. L'utilisation de papier carbone ou de la signature électronique est autorisée. Le patient reçoit toujours une version papier de la déclaration d'admission signée, également si la déclaration d'admission a été signée de manière électronique.
   L'hôpital de revalidation conserve la déclaration d'admission signée au moins pendant une période de deux ans après l'envoi de la dernière facture relative à l'admission à l'origine de la signature de la déclaration d'admission concernée.]1

  
Art. 534/42. [1 De overzichtslijst, vermeld in artikel 534/41, § 2, met de actuele prijzen van de goederen en diensten die in het revalidatieziekenhuis aangeboden worden, maakt een onderscheid tussen de kosten die verbonden zijn aan het comfort van de kamer, de kosten voor eten en drinken, de kosten voor hygiënische producten, de kosten voor de was, de kosten voor de begeleider van de patiënt en de kosten voor andere diverse goederen en diensten.
   Als een forfaitair bedrag wordt toegepast om het gebruik van de verschillende voormelde goederen en diensten te dekken, worden de goederen en diensten gespecificeerd die door dat forfait worden gedekt.]1

  
Art. 534/42. [1 La liste, visée à l'article 534/441, § 2, récapitulant les prix actuels des biens et services offerts à l'hôpital de revalidation fait une distinction entre les frais liés au confort de la chambre, les frais de nourriture et de boissons, les frais liés aux produits d'hygiène, les frais de lessive, les frais relatifs à l'accompagnateur du patient et les frais liés à d'autres biens et services divers.
   Si un montant forfaitaire est appliqué pour couvrir l'utilisation des divers biens et services précités, les biens et services couverts par ce forfait sont précisés.]1

  
Art. 534/43. [1 Ongeacht de regeling die van toepassing is voor de inning van de erelonen, vermeldt de ziekenhuisbeheerder van het revalidatieziekenhuis in de opnameverklaring welk percentage de artsen van het revalidatieziekenhuis ten opzichte van de verbintenistarieven hanteren bij de bepaling van de supplementen. In de gevallen waarin dat niet bij wet is opgelegd, kan de ziekenhuisbeheerder verduidelijken dat het om maximumpercentages gaat.]1
  
Art. 534/43. [1 Indépendamment de la réglementation en vigueur en ce qui concerne la perception des honoraires, le gestionnaire de l'hôpital de revalidation indique, dans la déclaration d'admission, le pourcentage par rapport aux tarifs de la convention appliqué par les médecins de l'hôpital de revalidation lors de la fixation des suppléments. Le gestionnaire de l'hôpital peut préciser, dans les cas où cela n'est pas imposé légalement, qu'il s'agit d'un pourcentage maximum.]1
  
Art. 534/44. [1 De ziekenhuisbeheerder van het revalidatieziekenhuis stelt aan iedereen die zich vooraf wil informeren, een exemplaar ter beschikking van de opnameverklaring met daarin de geldende tarieven, waaronder de tarieven die specifiek voor het revalidatieziekenhuis zijn vastgesteld.
   Elk revalidatieziekenhuis moet, op eenvoudig verzoek van het [2 Departement Zorg]2 verklaringen die in het revalidatieziekenhuis gebruikt worden, kunnen voorleggen. Op de opnameverklaringen zijn de tarieven ingevuld die in het revalidatieziekenhuis gelden. Als dat van toepassing is, zijn ze aangepast volgens de mogelijkheden, vermeld in artikel 534/41, § 4.]1

  
Art. 534/44. [1 Le gestionnaire de l'hôpital de revalidation met à la disposition de toute personne désireuse de s'informer au préalable un exemplaire de la déclaration d'admission comprenant les tarifs applicables, dont ceux spécifiquement fixés pour l'hôpital de revalidation.
   Tout hôpital de revalidation doit pouvoir présenter, à la simple demande de [2 le Département Soins ]2, un exemplaire des déclarations d'admission utilisées au sein de l'hôpital de revalidation. Les tarifs en vigueur au sein de l'hôpital de revalidation sont complétés sur les déclarations d'admission. Le cas échéant, elles sont adaptées suivant les possibilités visées à l'article 534/41, § 4.]1

  
DEEL 6. [1 - Melding van gegevens]1
Partie 6. [1 - Communication de données]1
Art. 534/45. [1 De gegevens over de financiële toestand en de bedrijfsuitkomsten omvatten:
   1° de eindbalans;
   2° de resultatenrekening, opgesplitst per activiteitencentrum;
   3° een tabel waarin de samenstellende elementen van de verdeelsleutels, toegepast in de beheersboekhouding, overzichtelijk worden weergegeven;
   4° het verslag van de bedrijfsrevisor, vermeld in artikel 88 van de gecoördineerde wet van 10 juli 2008.
   De gegevens die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van het budget, omvatten:
   1° het jaaroverzicht van het aantal verpleegdagen dat gerealiseerd is gedurende het dienstjaar in kwestie, alsook de uitsplitsing van die dagen per betalingsinstelling;
   2° de gegevens over de eindeloopbaanmaatregelen, vermeld in artikel 534/25, § 4, eerste lid, en § 6, derde lid;
   3° de gegevens over het complement van de attractiviteitspremie, vermeld in artikel 534/26, vijfde lid.
   De gegevens over de activiteiten en de kwaliteitsopvolging omvatten:
   1° het maandoverzicht van de volgende gegevens voor de maand in kwestie, enerzijds voor alle patiënten en anderzijds voor de patiënten voor wie de zorgkassen, vermeld in artikel 534/37, een financiële tegemoetkoming hebben verleend:
   a) de verpleegdagen;
   b) de opnamen in het revalidatieziekenhuis;
   2° de ontslagen uit het revalidatieziekenhuis;
   3° de door de Vlaamse Regering nader te bepalen gegevens over de activiteiten en de kwaliteitsopvolging van het revalidatieziekenhuis.
   De gegevens die verband houden met de medische activiteiten, mogen geen gegevens bevatten die de natuurlijke persoon waarop ze betrekking hebben, rechtstreeks identificeren. Er mogen geen handelingen worden verricht die erop gericht zijn om die gegevens in verband te brengen met de geïdentificeerde natuurlijke persoon waarop ze betrekking hebben, tenzij die handelingen nodig zijn om ambtenaren, aangestelden of adviserende artsen die aangewezen zijn als vermeld in artikel 127 van de gecoördineerde wet van 10 juli 2008, de waarachtigheid van de meegedeelde gegevens te laten nagaan.]1

  
Art. 534/45. [1 Les données relatives à la situation financière et aux résultats d'exploitation recouvrent :
   1° le bilan de clôture ;
   2° le compte de résultats, ventilé par centre d'activités ;
   3° un tableau récapitulatif des composantes relatives aux clés de répartition appliquées dans la comptabilité de gestion ;
   4° le rapport du réviseur d'entreprise, visé à l'article 88 de la loi coordonnée du 10 juillet 2008.
   Les données nécessaires à la fixation du budget recouvrent :
   1° le relevé annuel du nombre de journées d'hospitalisation réalisé durant l'exercice concerné, ainsi que la ventilation de ces journées par organisme de paiement ;
   2° les données relatives aux mesures de fin de carrière visées à l'article 534/25, § 4, alinéa 1er, et § 6, alinéa 3 ;
   3° les données relatives au complément de la prime d'attractivité visé à l'article 534/26, alinéa 5.
   Les données relatives aux activités et au suivi de la qualité recouvrent :
   1° le relevé mensuel des données suivantes pour le mois concerné, d'une part, pour l'ensemble des patients et, d'autre part, pour les patients pour lesquels les caisses d'assurance soins visées à l'article 534/37 ont accordé une intervention financière :
   a) les journées d'hospitalisation ;
   b) les admissions à l'hôpital de revalidation ;
   2° les sorties de l'hôpital de revalidation ;
   3° les données, à préciser par le Gouvernement flamand, relatives aux activités et au suivi de la qualité de l'hôpital de revalidation.
   Les données se rapportant aux activités médicales ne peuvent pas comprendre d'éléments qui identifient directement la personne physique sur laquelle elles portent. Aucun acte ne peut être posé qui viserait à établir un lien entre ces données et la personne physique identifiée à laquelle elles se rapportent, à moins que celui-ci soit nécessaire pour faire vérifier par les fonctionnaires, les préposés ou les médecins-conseils désignés tels que visés à l'article 127 de la loi coordonnée du 10 juillet 2008 la véracité des données communiquées.]1

  
Art. 534/46. [1 De gegevens, vermeld in artikel 534/45, worden uiterlijk op 31 augustus van het jaar dat volgt op het jaar waarop ze betrekking hebben, meegedeeld aan het [2 Departement Zorg]2.]1
  
Art. 534/46. [1 Les données visées à l'article 534/45 sont communiquées [2 au Département Soins ]2 au plus tard le 31 août de l'année qui suit celle à laquelle elles se rapportent.]1
  
Art. 534/47. [1 De gegevens, vermeld in artikel 534/45, worden als volgt meegedeeld:
   1° de gegevens, vermeld in artikel 534/45, eerste lid, 1°, 2° en 4°, conform de bepalingen van het koninklijk besluit van 19 juni 2007 betreffende de jaarrekeningen van de ziekenhuizen;
   2° de gegevens, vermeld in artikel 534/45, eerste lid, 3°, conform de modaliteiten die de minister bepaalt;
   3° de gegevens, vermeld in artikel 534/45, tweede lid, conform de modaliteiten die het [2 Departement Zorg]2 bepaalt;
   4° de gegevens, vermeld in artikel 534/45, derde lid, 1°, conform de modaliteiten die het [2 Departement Zorg ]2 bepaalt;
   5° de gegevens, vermeld in artikel 534/45, derde lid, 2°, conform de voorwaarden die de Vlaamse Regering bepaalt.]1

  
Art. 534/47. [1 Les données visées à l'article 534/45 sont communiquées comme suit :
   1° les données visées à l'article 534/45, alinéa 1er, 1°, 2° et 4°, conformément aux dispositions de l'arrêté royal du 19 juin 2007 relatif aux comptes annuels des hôpitaux ;
   2° les données visées à l'article 534/45, alinéa 1er, 3°, selon les modalités prévues par le ministre ;
   3° les données visées à l'article 534/45, alinéa 2, selon les modalités prévues par [2 le Département Soins ]2 ;
   4° les données visées à l'article 534/45, alinéa 3, 1°, selon les conditions prévues par [2 le Département Soins ]2 ;
   5° les données visées à l'article 534/45, alinéa 3, 2°, selon les conditions prévues par le Gouvernement flamand.]1

  
Art. 534/48. [1 De stukken tot staving van de gegevens, vermeld in artikel 534/45, eerste lid, worden gedurende tien jaar bewaard door het revalidatieziekenhuis.
   De stukken tot staving van de gegevens, vermeld in artikel 534/45, tweede lid en derde lid, worden gedurende vijf jaar bewaard door het revalidatieziekenhuis.]1

  
Art. 534/48. [1 L'hôpital de revalidation conserve pendant dix ans les documents à l'appui des données visées à l'article 534/45, alinéa 1er.
   L'hôpital de revalidation conserve pendant cinq ans les documents à l'appui des données visées à l'article 534/45, alinéas 2 et 3.]1

  
Art. 534/49. [1 De revalidatieziekenhuizen houden de voor- en achternaam, het professionele adres, het telefoonnummer en het e-mailadres van de volgende personen ter beschikking van het [2 Departement Zorg ]2 :
   1° de directeur, de hoofdarts en het hoofd van het verpleegkundig departement van het revalidatieziekenhuis;
   2° de personen die ervoor verantwoordelijk zijn de gegevens, vermeld in artikel 534/45, eerste lid, van het revalidatieziekenhuis mee te delen;
   3° de persoon of personen die ervoor verantwoordelijk zijn de statistische gegevens, vermeld in artikel 534/45, van het revalidatieziekenhuis mee te delen;
   4° de functionaris voor gegevensbescherming, vermeld in punt 9° quater, e), van deel I, punt III van de bijlage bij het koninklijk besluit van 23 oktober 1964 tot bepaling van de normen die door de ziekenhuizen en hun diensten moeten worden nageleefd.
   De persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid, worden verwerkt om snel een communicatie met het revalidatieziekenhuis, zowel een algemene communicatie als communicatie met betrekking tot het bekomen van de gegevens nodig voor het vaststellen van budget, te kunnen voeren.
   Het revalidatieziekenhuis bewaart de persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid, tot één jaar na vertrek van de betrokkene.]1

  

Änderungen

[2]<XX XX-XX-XX/XX, art. 1, 047; Inwerkingtreding : XX-XX-XXXX>
Art. 534/49. [1 Les hôpitaux de revalidation tiennent les nom et prénom, l'adresse professionnelle, le numéro de téléphone et l'adresse de courrier électronique des personnes suivantes à la disposition de [2 le Département Soins ]2 :
   1° le directeur, le médecin en chef et le chef du département infirmier de l'hôpital de revalidation ;
   2° les personnes chargées de la communication des données visées à l'article 534/45, alinéa 1er, de l'hôpital de revalidation ;
   3° la personne ou les personnes chargées de la communication des données statistiques, visées à l'article 534/45, de l'hôpital de revalidation ;
   4° le délégué à la protection des données visé au point 9° quater, e), de la partie Ire>, point III, de l'annexe à l'arrêté royal du 23 octobre 1964 portant fixation des normes auxquelles les hôpitaux et leurs services doivent répondre.
   Les données à caractère personnel visées à l'alinéa 1er sont traitées afin de pouvoir engager rapidement une communication avec l'hôpital de revalidation, aussi bien une communication générale qu'une communication concernant l'obtention des données nécessaires à la fixation du budget.
   L'hôpital de revalidation conserve les données à caractère personnel visées à l'alinéa 1er jusqu'à un an après le départ de l'intéressé.]1

  
Art. 534/50. [1 De minister of het [2 Departement Zorg]2 kan bij de ziekenhuisbeheerder van het revalidatieziekenhuis alle gegevens opvragen die nuttig zijn voor de vaststelling van het budget.]1
  
Art. 534/50. [1 Le ministre ou [2 le Département Soins ]2 peut réclamer au gestionnaire de l'hôpital de revalidation toutes les données utiles à la fixation du budget.]1
  
DEEL 7. [1 - Tegemoetkomingen voor de verpleegdagen]1
Partie 7. [1 - Interventions pour les journées d'hospitalisation]1
TITEL 1. [1 - Algemeen]1
TITRE 1er. [1 - Généralités]1
Art. 534/51. [1 Een tegemoetkoming voor een verpleegdag als vermeld in artikel 534/37, tweede lid, is verschuldigd voor elke verpleegdag die ten minste één nacht behelst. Dat wil zeggen een opname die begint vóór middernacht en eindigt na acht uur de volgende dag.
   De dag van opname en de dag van ontslag worden samen als één verpleegdag beschouwd en aangerekend als volgt:
   1° de verpleegdag wordt aangerekend op de dag van opname als de opname vóór 12 uur en het ontslag vóór 14 uur plaatsvond;
   2° de verpleegdag wordt aangerekend op de dag van ontslag als de opname na 12 uur plaatsvond, ongeacht het uur van vertrek op de dag van ontslag.
   In afwijking van het tweede lid worden de dag van opname en de dag van ontslag als twee hospitalisatiedagen beschouwd als de opname van de patiënt op de dag van opname vóór 12 uur plaatsvond en als het vertrek van de patiënt op de dag van zijn ontslag uit het revalidatieziekenhuis na 14 uur plaatsvond. In dat geval mogen er twee verpleegdagen worden aangerekend.
   Als een patiënt op de dag van zijn opname overlijdt, is de betaling van één verpleegdag verschuldigd.
   Bij tijdelijke afwezigheid van de patiënt mag de dag van vertrek alleen worden aangerekend als de patiënt het revalidatieziekenhuis verlaat na 14 uur en mag de dag van terugkeer alleen worden aangerekend als de patiënt vóór 12 uur naar het revalidatieziekenhuis terugkeert.
   De duur van de tijdelijke afwezigheid mag niet meer dan vijf dagen bedragen. De datum van terugkeer van de patiënt naar het revalidatieziekenhuis wordt vastgesteld bij het begin van de tijdelijke afwezigheid.]1

  
Art. 534/51. [1 Une intervention pour une journée d'hospitalisation telle que visée à l'article 534/37, alinéa 2, est due pour chaque journée d'hospitalisation qui comporte au moins une nuit, c'est-à-dire une admission qui commence avant minuit et se termine après huit heures le lendemain.
   Le jour d'admission et le jour de sortie sont considérés ensemble comme une seule journée d'hospitalisation et portés en compte comme suit :
   1° la journée d'hospitalisation est portée en compte pour le jour d'admission si l'admission a eu lieu avant 12 heures et la sortie avant 14 heures ;
   2° la journée d'hospitalisation est portée en compte pour le jour de sortie si l'admission a eu lieu après 12 heures, quelle que soit l'heure de départ le jour de sortie.
   Par dérogation à l'alinéa 2, le jour d'admission et le jour de sortie sont considérés comme deux journées d'hospitalisation si l'admission du patient a eu lieu avant 12 heures le jour d'admission et son départ a eu lieu après 14 heures le jour de sa sortie de l'hôpital de revalidation. Dans ce cas, deux journées d'hospitalisation peuvent être portées en compte.
   Si un patient décède le jour de son admission, le paiement d'une journée d'hospitalisation est dû.
   En cas d'absence temporaire du patient, le jour de départ ne peut être porté en compte que si le patient quitte l'hôpital de revalidation après 14 heures et le jour du retour ne peut être porté en compte que si le patient regagne l'hôpital de revalidation avant 12 heures.
   La durée de l'absence temporaire ne peut pas excéder cinq jours. La date de retour du patient à l'hôpital de revalidation est fixée dès le début de l'absence temporaire.]1

  
Art. 534/52. [1 Een tegemoetkoming voor een verpleegdag mag niet gecumuleerd worden met:
   1° een tegemoetkoming voor een verblijf in een ander revalidatieziekenhuis tijdens dezelfde periode;
   2° een tegemoetkoming voor [2 het gebruik van of het verblijf in]2 een revalidatievoorziening tijdens dezelfde periode, tenzij die revalidatievoorziening zich bevindt in het revalidatieziekenhuis waar de patiënt is opgenomen;
   3° een tegemoetkoming voor het gebruik van een multidisciplinair begeleidingsequipe als het gebruik dezelfde periode bestrijkt;
   4° een tegemoetkoming voor het gebruik van of het verblijf in een woonzorgcentrum, een centrum voor dagverzorging of een centrum voor kortverblijf tijdens dezelfde periode;
   5° een tegemoetkoming voor een verblijf in een psychiatrisch verzorgingstehuis tijdens dezelfde periode;
   6° een vergoeding voor een ziekenhuisopname met minstens één overnachting op grond van de federale ziekte- en invaliditeitsverzekering als het verblijf plaatsvindt op dezelfde dag.]1

  
Art. 534/52. [1 Une intervention pour une journée d'hospitalisation ne peut pas être cumulée avec :
   1° une intervention pour [2 pour l'utilisation d'une structure de revalidation ou pour un séjour dans celle-ci ]2 durant la même période ;
   2° une intervention pour un séjour dans une structure de revalidation durant la même période, à moins que cette structure de revalidation ne se trouve au sein de l'hôpital de revalidation où le patient a été admis ;
   3° une intervention pour l'utilisation d'une équipe d'accompagnement multidisciplinaire si l'utilisation couvre la même période ;
   4° une intervention pour l'utilisation d'un centre de soins résidentiels, d'un centre de soins de jour ou d'un centre de court séjour ou pour un séjour dans ceux-ci durant la même période ;
   5° une intervention pour un séjour dans une maison de soins psychiatriques durant la même période ;
   6° une indemnité pour une hospitalisation d'au moins une nuitée sur la base de l'assurance maladie-invalidité fédérale si le séjour a lieu le même jour.]1

  
TITEL 2. [1 - Persoonlijk aandeel en extra vergoedingen]1
TITRE 2. [1 - Quote-part personnelle et indemnités supplémentaires]1
Art. 534/53. [1 In de revalidatieziekenhuizen kan een persoonlijk aandeel worden aangerekend aan de patiënt. Het persoonlijke aandeel is een financiële bijdrage van de patiënt in de zorgkosten.
   Een persoonlijk aandeel kan alleen worden aangerekend als aan de patiënt een tegemoetkoming voor de verpleegdagen wordt toegekend.]1

  
Art. 534/53. [1 Dans les hôpitaux de revalidation, une quote-part personnelle peut être portée en compte au patient. La quote-part personnelle est une intervention financière du patient dans le coût des soins.
   Une quote-part personnelle ne peut être portée en compte que si une intervention pour les journées d'hospitalisation est octroyée au patient.]1

  
Art. 534/54. [1 In de revalidatieziekenhuizen kunnen extra vergoedingen worden aangerekend aan de patiënt. Extra vergoedingen zijn kosten voor de patiënt voor diensten en goederen die verricht of geleverd worden door het revalidatieziekenhuis, en die niet worden vergoed door de tegemoetkoming voor de verpleegdagen, noch door het persoonlijke aandeel.
   Extra vergoedingen kunnen alleen worden aangerekend aan de patiënt aan wie een tegemoetkoming voor de verpleegdagen wordt toegekend, voor zover die extra vergoedingen limitatief vermeld worden in de toelichting die conform artikel 534/41 aan de patiënt wordt gegeven.]1

  
Art. 534/54. [1 Dans les hôpitaux de revalidation, des indemnités supplémentaires peuvent être portées en compte au patient. Les indemnités supplémentaires sont les coûts à charge du patient pour les services et les biens qui sont fournis par l'hôpital de revalidation et qui ne sont pas remboursés par l'intervention pour les journées d'hospitalisation ni par la quote-part personnelle.
   Des indemnités supplémentaires ne peuvent être portées en compte au patient auquel une intervention pour les journées d'hospitalisation est octroyée que dans la mesure où ces indemnités supplémentaires sont énoncées de manière limitative dans les explications fournies au patient conformément à l'article 534/41.]1

  
Art. 534/55. [1 Voor een verblijf in een revalidatieziekenhuis bedraagt het persoonlijke aandeel voor de eerste dag van het verblijf 43,84 euro. Vanaf de tweede dag van het verblijf bedraagt het persoonlijke aandeel 16,57 euro per dag
   In afwijking van het eerste lid bedraagt het persoonlijke aandeel vanaf de eerste dag 16,57 euro per dag in de volgende gevallen:
   1° het verblijf begint binnen negentig dagen na de dag van ontslag uit een ziekenhuis als vermeld in artikel 2 van de gecoördineerde wet van 10 juli 2008;
   2° het verblijf begint binnen negentig dagen na de dag van ontslag uit een revalidatieziekenhuis;
   3° het verblijf begint binnen zes maanden na ontslag uit een psychiatrisch ziekenhuis als vermeld in artikel 3 van de gecoördineerde wet van 10 juli 2008;
   4° het verblijf begint binnen negentig dagen na de dag waarop een opname voor residentiële revalidatie in een revalidatievoorziening is beëindigd.]1

  
Art. 534/55. [1 Pour un séjour dans un hôpital de revalidation, la quote-part personnelle pour le premier jour du séjour s'élève à 43,84 euros. A partir du deuxième jour du séjour, la quote-part personnelle s'élève à 16,57 euros par jour.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, la quote-part personnelle s'élève à 16,57 euros par jour à partir du premier jour dans les cas suivants :
   1° le séjour débute dans les nonante jours suivant la sortie d'un hôpital tel que visé à l'article 2 de la loi coordonnée du 10 juillet 2008 ;
   2° le séjour débute dans les nonante jours suivant la sortie d'un hôpital de revalidation ;
   3° le séjour débute dans les six mois suivant la sortie d'un hôpital psychiatrique tel que visé à l'article 3 de la loi coordonnée du 10 juillet 2008 ;
   4° le séjour débute dans les nonante jours suivant la fin d'une admission pour revalidation résidentielle dans une structure de revalidation.]1

  
Art. 534/56. [1 In afwijking van artikel 534/55 bedraagt het persoonlijke aandeel voor een verblijf in een revalidatieziekenhuis de eerste dag van het verblijf 33,16 euro en vanaf de tweede dag van het verblijf 5,89 euro per dag voor de volgende categorieën van patiënten:
   1° kinderen die de hoedanigheid hebben van persoon ten laste, conform artikel 32, eerste lid, 20° en 23°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994;
   2° patiënten die minstens twaalf maanden de hoedanigheid hebben van volledig uitkeringsgerechtigde werkloze, alleenstaande of met een gezin ten laste, of ten laste zijn van een persoon die aan de voormelde voorwaarden voldoet, conform artikel 32, eerste lid, 3°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994.
   In afwijking van het eerste lid bedraagt het persoonlijke aandeel voor de categorieën van patiënten, vermeld in het eerste lid, vanaf de eerste dag 5,89 euro per dag in de volgende gevallen:
   1° het verblijf begint binnen negentig dagen na de dag van ontslag uit een ziekenhuis als vermeld in artikel 2 van de gecoördineerde wet van 10 juli 2008;
   2° het verblijf begint binnen negentig dagen na de dag van ontslag uit een revalidatieziekenhuis;
   3° het verblijf begint binnen zes maanden na een ontslag uit een psychiatrisch ziekenhuis als vermeld in artikel 3 van de gecoördineerde wet van 10 juli 2008;
   4° het verblijf begint binnen negentig dagen na de dag waarop een opname voor residentiële revalidatie in een revalidatievoorziening is beëindigd.]1

  
Art. 534/56. [1 Par dérogation à l'article 534/55, la quote-part personnelle pour un séjour dans un hôpital de revalidation s'élève à 33,16 euros le premier jour du séjour et à 5,89 euros par jour à partir du deuxième jour du séjour pour les catégories suivantes de patients :
   1° les enfants qui ont la qualité de personne à charge, conformément à l'article 32, alinéa 1er, 20° et 23°, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994 ;
   2° les patients qui, durant douze mois au moins, ont la qualité de chômeur complet indemnisé, isolé ou avec famille à charge, ou qui sont à charge d'une personne qui répond aux conditions précitées, conformément à l'article 32, alinéa 1er, 3°, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, la quote-part personnelle pour les catégories de patients visées à l'alinéa 1er s'élève à 5,89 euros par jour à partir du premier jour dans les cas suivants :
   1° le séjour débute dans les nonante jours suivant la sortie d'un hôpital tel que visé à l'article 2 de la loi coordonnée du 10 juillet 2008 ;
   2° le séjour débute dans les nonante jours suivant la sortie d'un hôpital de revalidation ;
   3° le séjour débute dans les six mois suivant la sortie d'un hôpital psychiatrique tel que visé à l'article 3 de la loi coordonnée du 10 juillet 2008 ;
   4° le séjour débute dans les nonante jours suivant la fin d'une admission pour revalidation résidentielle dans une structure de revalidation.]1

  
Art. 534/57. [1 In afwijking van artikel 534/55 bedraagt het persoonlijke aandeel van de patiënten met recht op een verhoogde tegemoetkoming voor een verblijf in een revalidatieziekenhuis vanaf de eerste dag 5,89 euro per dag.]1
  
Art. 534/57. [1 Par dérogation à l'article 534/55, la quote-part personnelle des patients ayant droit à l'intervention majorée s'élève à 5,89 euros par jour à partir du premier jour pour un séjour dans un hôpital de revalidation.]1
  
Art. 534/57/1. [1 In afwijking van artikel 534/55 is de gebruiker geen persoonlijk aandeel voor een verblijf in een revalidatieziekenhuis verschuldigd als het maximumbedrag van de persoonlijke aandelen op basis van de interfederale teller is bereikt conform artikel 2 van het samenwerkingsakkoord tussen de Federale Overheid, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de maximumfactuur, de forfaitaire toelage voor chronisch zieken en het statuut van persoon met een chronische aandoening. ]1
  
Art. 534/57/1. [1 Par dérogation à l'article 534/55, l'usager ne doit pas verser d'intervention personnelle pour un séjour dans un hôpital de revalidation si le montant maximum des interventions personnelles est atteint sur la base du compteur interfédéral conformément à l'article 2 du partenariat entre l'administration fédérale, la Communauté flamande, la Communauté française, la Communauté germanophone, la Commission communautaire commune, la Région wallonne et la Commission communautaire française concernant le maximum à facturer, l'allocation forfaitaire pour les personnes souffrant d'une maladie chronique et le statut d'une personne souffrant d'une maladie chronique. ]1
  
Art. 534/58. [1 De bedragen, vermeld in artikel 534/55 tot en met 534/57, worden gekoppeld aan het spilindexcijfer 107,20 (basis 2013=100) en aangepast aan de evolutie van het indexcijfer, vermeld in het tweede lid.
   De aanpassing van de bedragen in functie van de evolutie van het indexcijfer, vermeld in het eerste lid, wordt berekend en toegepast conform artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen. Bij overschrijding van de spilindex wordt de verhoging toegepast vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op het moment dat het indexcijfer het cijfer bereikt dat een wijziging rechtvaardigt.]1

  
Art. 534/58. [1 Les montants visés aux articles 534/55 à 534/57 sont liés à l'indice-pivot 107,20 (base 2013=100) et adaptés à l'évolution de l'indice visé à l'alinéa 2.
   L'adaptation des montants en fonction de l'évolution de l'indice visée à l'alinéa 1er est calculée et appliquée conformément à l'article 2 de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays. En cas de dépassement de l'indice-pivot, l'augmentation est appliquée à partir du 1er janvier de l'année qui suit le moment où l'indice atteint le chiffre qui justifie une modification.]1

  
TITEL 3. [1 - Opname]1
TITRE 3. [1 - Admission]1
Art. 534/59. [1 Bij elke opname van een patiënt in een revalidatieziekenhuis stuurt het revalidatieziekenhuis binnen drie werkdagen na de dag van de opname de zorgkas een kennisgeving van de opname via een digitale applicatie met het oog op het verkrijgen van een tegemoetkoming voor de verpleegdagen.
   Als de opname langer dan vijftien dagen duurt en telkens als de opname langer duurt dan de periode, vermeld in artikel 534/63, derde lid, die de zorgkas heeft vastgesteld, stuurt het revalidatieziekenhuis via een digitale applicatie uiterlijk de vijftiende dag van de opname, respectievelijk uiterlijk de laatste dag van de goedgekeurde periode, vermeld in artikel 534/63, derde lid, een aanvraag tot verlenging van de opname naar de zorgkas.
   Voor het tijdstip van de kennisgeving van de opname en het tijdstip van de aanvraag tot verlenging van de opname geldt de tijdsaanduiding, via een tijdstempel, in de elektronische berichten als bewijs.
   Artikel 534/75 tot en met artikel 534/78 zijn van toepassing in het kader van het versturen van de meldingen, vermeld in het eerste en tweede lid.]1

  
Art. 534/59. [1 chaque admission d'un patient dans un hôpital de revalidation, l'hôpital de revalidation envoie une notification de l'admission à la caisse d'assurance soins, dans les trois jours ouvrables suivant le jour de l'admission, par le biais d'une application numérique en vue d'obtenir une intervention pour les journées d'hospitalisation.
   Si l'hospitalisation dure plus de quinze jours et chaque fois que l'hospitalisation dure plus longtemps que la période, visée à l'article 534/63, alinéa 3, que la caisse d'assurance soins a fixée, l'hôpital de revalidation envoie une demande de prolongation de l'hospitalisation à la caisse d'assurance soins, par le biais d'une application numérique, au plus tard le quinzième jour de l'hospitalisation ou au plus tard le dernier jour de la période approuvée visée à l'article 534/63, alinéa 3.
   L'horodatage, sous forme de timbre horodateur, des messages électroniques fait foi du moment de la notification de l'admission et du moment de la demande de prolongation de l'hospitalisation.
   Les articles 534/75 à 534/78 s'appliquent dans le cadre de l'envoi des notifications visées aux alinéas 1er et 2.]1

  
Art. 534/60. [1 Bij elke aanvraag tot verlenging, vermeld in artikel 534/59, tweede lid, wordt een geneeskundig verslag toegevoegd. Dat geneeskundig verslag wordt voor eensluidend advies voorgelegd aan de Zorgkassencommissie in de gevallen die de minister bepaalt.]1
  
Art. 534/60. [1 Chaque demande de prolongation visée à l'article 534/59, alinéa 2, est accompagnée d'un rapport médical. Ce rapport médical est soumis pour avis conforme à la Commission des caisses d'assurance soins dans les cas définis par le ministre.]1
  
Art. 534/61. [1 Bij elke tijdelijke afwezigheid en bij elke verhuizing van ziekenhuisdienst stuurt het revalidatieziekenhuis binnen drie werkdagen na de dag van de aanvang van de tijdelijke afwezigheid, respectievelijk na de dag van de verhuizing, de zorgkas een kennisgeving via een digitale applicatie.]1
  
Art. 534/61. [1 A chaque absence temporaire et à chaque déménagement d'un service hospitalier, l'hôpital de revalidation envoie une notification à la caisse d'assurance soins, par le biais d'une application numérique, dans les trois jours ouvrables suivant le jour du début de l'absence temporaire ou suivant le jour du déménagement.]1
  
Art. 534/62. [1 De zorgkas is belast met de controle van de verzekeringsstatus van de patiënt en van de voorwaarden, vermeld in artikel 534/52, om een tegemoetkoming te krijgen voor de verpleegdagen, en vraagt, als dat nodig is, ontbrekende informatie op.]1
  
Art. 534/62. [1 La caisse d'assurance soins est chargée de contrôler le statut d'assurance du patient et les conditions visées à l'article 534/52 afin de recevoir une intervention pour les jours d'hospitalisation et demande, si nécessaire, les informations manquantes.]1
  
Art. 534/63. [1 Nadat de zorgkas de controles, vermeld in artikel 534/62, heeft uitgevoerd, stuurt ze binnen drie werkdagen nadat ze de kennisgeving van de opname of van de aanvraag tot verlenging ervan ontvangen heeft, via een digitale applicatie het revalidatieziekenhuis ofwel de aanvaarding van de tegemoetkoming voor de verpleegdagen, ofwel een weigering van de tegemoetkoming voor de verpleegdagen. In een weigering van de tegemoetkoming voor de verpleegdagen wordt de reden van de weigering vermeld.
   De aanvaarding of de weigering van de tegemoetkoming voor de verpleegdagen geldt vanaf het begin van de opname in het revalidatieziekenhuis, voor zover de kennisgeving van de opname wordt gedaan conform de voorwaarden, vermeld in artikel 534/59.
   De aanvaarding van de tegemoetkoming voor de verpleegdagen geldt voor een periode van maximaal vijftien dagen, bij een kennisgeving van de opname, of voor een periode die de zorgkas bepaalt, bij een aanvraag tot verlenging van de opname. De periode waarvoor de aanvaarding van de tegemoetkoming voor de verpleegdagen geldig is, wordt vermeld in het antwoord van de zorgkas aan het revalidatieziekenhuis.
   Als het revalidatieziekenhuis de vormen en termijnen, vermeld in artikel 534/59, naleeft, wordt de aanvaarding van de tegemoetkoming voor de verpleegdagen als verworven beschouwd als de zorgkas de formaliteiten, vermeld in het eerste lid, niet binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, vervult.]1

  
Art. 534/63. [1 Une fois que la caisse d'assurance soins a effectué les contrôles visés à l'article 534/62, elle envoie à l'hôpital de revalidation, dans les trois jours ouvrables de la réception de la notification de l'admission ou de la demande de sa prolongation, soit l'acceptation de l'intervention pour les journées d'hospitalisation, soit un refus de l'intervention pour les journées d'hospitalisation par le biais d'une application numérique. Un refus d'intervention pour les journées d'hospitalisation est motivé.
   L'acceptation ou le refus de l'intervention pour les journées d'hospitalisation est valable à partir du début de l'admission à l'hôpital de revalidation pour autant que la notification de l'admission soit conforme aux conditions visées à l'article 534/59.
   L'acceptation de l'intervention pour les journées d'hospitalisation est valable pour une période de quinze jours maximum dans le cas d'une notification de l'admission ou pour une période fixée par la caisse d'assurance soins dans le cas d'une demande de prolongation de l'hospitalisation. La période pour laquelle l'acceptation de l'intervention pour les journées d'hospitalisation est valable est précisée dans la réponse adressée par la caisse d'assurance soins à l'hôpital de revalidation.
   Si l'hôpital de revalidation respecte les formes et les délais visés à l'article 534/59, § 1er, l'acceptation de l'intervention pour les journées d'hospitalisation est considérée comme acquise si la caisse d'assurance soins ne remplit pas les formalités visées à l'alinéa 1er dans le délai visé à l'alinéa 1er.]1

  
Art. 534/64. [1 Als het revalidatieziekenhuis herhaaldelijk te laat is met de meldingen, vermeld in artikel 534/59, brengt de zorgkas het revalidatieziekenhuis daarvan op elektronische wijze op de hoogte. Als het revalidatieziekenhuis binnen dertig dagen geen enkele maatregel heeft genomen om de meldingen, vermeld in artikel 534/59, tijdig te versturen, kan de zorgkas bij elke laattijdige melding de tegemoetkoming voor de verpleegdagen weigeren gedurende de dagen van de vertraging.
   Het revalidatieziekenhuis mag de weigering, vermeld in het eerste lid, niet doorrekenen aan de patiënt.]1

  
Art. 534/64. [1 En cas de retard répétitif, dans le chef de l'hôpital de revalidation, des notifications visées à l'article 534/59, la caisse d'assurance soins l'en informe par voie électronique. Si l'hôpital de revalidation n'a pris, dans les trente jours, aucune mesure afin d'envoyer les notifications visées à l'article 534/59 dans les délais, la caisse d'assurance soins peut refuser, à chaque notification tardive, l'intervention pour les journées d'hospitalisation correspondant aux jours de retard.
   L'hôpital de revalidation n'est pas autorisé à répercuter le refus visé à l'alinéa 1er sur le patient.]1

  
Art. 534/65. [1 Als een patiënt ontslagen wordt uit het revalidatieziekenhuis stuurt het revalidatieziekenhuis binnen twee werkdagen na de laatste dag van zorg via een digitale applicatie een kennisgeving van het ontslag uit het revalidatieziekenhuis aan de zorgkas.
   De mededeling, vermeld in het eerste lid, wordt uiterlijk binnen dertig dagen na het ontslag van de patiënt via een digitale applicatie door het revalidatieziekenhuis vervolledigd met een geneeskundig verslag ter verantwoording van de zorg.]1

  
Art. 534/65. [1 Lorsqu'un patient sort de l'hôpital de revalidation, ce dernier envoie une notification de la sortie à la caisse d'assurance soins, dans les deux jours ouvrables qui suivent le dernier jour de soins, par le biais d'une application numérique.
   Au plus tard dans les trente jours suivant la sortie du patient, l'hôpital de revalidation complète la notification visée à l'alinéa 1er d'un rapport médical justifiant les soins, par le biais d'une application numérique.]1

  
Art. 534/66. [1 De Zorgkassencommissie voert op aansturing van het [2 Departement Zorg]2 controles uit op de conformiteit van de verleende zorg. De Zorgkassencommissie kan voor die controles de gegevens, vermeld in artikel 111/7, opvragen bij de patiënten, de zorgkassen en de revalidatieziekenhuizen. De patiënten, de zorgkassen en de revalidatieziekenhuizen bezorgen die informatie aan de Zorgkassencommissie.
   De Zorgkassencommissie brengt aan het [2 Departement Zorg]2 verslag uit over de a-prioricontroles, vermeld in artikel 534/62, en de a-posterioricontroles, vermeld in het eerste lid. De minister kan daarvoor de nadere modaliteiten bepalen.]1

  
Art. 534/66. [1 La Commission des caisses d'assurance soins effectue, à l'instigation [2 du Département Soins ]2, des contrôles de la conformité des soins dispensés. Aux fins de ces contrôles, la Commission des caisses d'assurance soins peut demander les données visées à l'article 111/7 auprès des patients, des caisses d'assurance soins et des hôpitaux de revalidation. Les patients, les caisses d'assurance soins et les hôpitaux de revalidation transmettent ces informations à la Commission des caisses d'assurance soins.
   La Commission des caisses d'assurance soins rend compte à [2 le Département Soins ]2 des contrôles a priori visés à l'article 534/62 et des contrôles a posteriori visés l'alinéa 1er. Le ministre peut en préciser les modalités.]1

  
TITEL 4. [1 - Facturatie]1
TITRE 4. [1 - Facturation]1
HOOFDSTUK 1. [1 - Facturatie van verpleegdagen]1
CHAPITRE 1er. [1 - Facturation de journées d'hospitalisation]1
Art. 534/67. [1 De facturatie aan de zorgkas van de tegemoetkoming, vermeld in artikel 534/68, moet altijd worden voorafgegaan door de aanvaarding van de tegemoetkoming voor de verpleegdagen door de zorgkas conform artikel 534/63.]1
  
Art. 534/67. [1 La facturation de l'intervention visée à l'article 534/68 à la caisse d'assurance soins doit toujours être précédée de l'acceptation de l'intervention pour les journées d'hospitalisation par la caisse d'assurance soins conformément à l'article 534/63.]1
  
Art. 534/68. [1 § 1. Het revalidatieziekenhuis factureert de tegemoetkoming voor de verpleegdagen aan de zorgkas, waarbij de patiënt die recht heeft op een tegemoetkoming, is aangesloten. De revalidatieziekenhuizen factureren via een digitale applicatie maandelijks per zorgkas.
   Artikel 534/75 tot en met artikel 534/78 zijn van toepassing in het kader van de facturatie door de revalidatieziekenhuizen.
   § 2. Het revalidatieziekenhuis maakt voor de facturatie, vermeld in paragraaf 1, maandelijks een digitale individuele kostennota op per patiënt. De digitale individuele kostennota's van patiënten die bij dezelfde zorgkas zijn aangesloten, worden gebundeld in één facturatiebestand.
   Er wordt maar één facturatiebestand per maand per zorgkas en per revalidatieziekenhuis aanvaard. Geweigerde tegemoetkomingen kunnen na correctie via een volgend facturatiebestand in dezelfde maand worden aangeboden.
   In dit artikel wordt verstaan onder individuele kostennota: de lijst van de prestaties die voor een individuele patiënt in een bepaalde periode zijn gepresteerd en waarvoor een tegemoetkoming door de zorgkas wordt gevraagd.
   De digitale individuele kostennota bevat de volgende rubrieken:
   1° de gegevens van de patiënt;
   2° de gegevens van het revalidatieziekenhuis;
   3° de gegevens van de zorgkas;
   4° een lijst van de verpleegdagen waarop de patiënt in de periode in kwestie in het revalidatieziekenhuis is opgenomen;
   5° de aangerekende prijs per verpleegdag;
   6° de aangerekende extra vergoedingen die boven op de prijs per verpleegdag in rekening zijn gebracht;
   7° het totale verschuldigde nettobedrag dat de patiënt of zijn vertegenwoordiger moet betalen;
   8° het bedrag van de tegemoetkoming voor de verpleegdagen dat de zorgkas moet betalen;
   9° het persoonlijk aandeel van de patiënt.
   De gegevens, vermeld in het vierde lid, 1°, worden beperkt tot de gegevens die noodzakelijk zijn om de digitale individuele kostennota op te stellen en te verwerken.
   De digitale individuele kostennota's en de facturatiebestanden worden opgesteld conform de facturatie-instructies die het agentschap heeft bepaald.
   § 3. Het bedrag van de digitale individuele kostennota's die aan de zorgkassen worden voorgelegd, is verschuldigd zodra ze zijn ontvangen, onder voorbehoud van latere rechtzettingen.
   § 4. De digitale individuele kostennota's moeten correct en volledig worden ingevuld. Als dat niet het geval is, worden ze geweigerd en teruggestuurd naar het revalidatieziekenhuis in kwestie.
   De digitale individuele kostennota's moeten in overeenstemming zijn met de voorwaarden voor de toekenning van de gefactureerde tegemoetkomingen, vermeld in het decreet van 18 mei 2018 en in dit besluit.
   De onderdelen van de digitale individuele kostennota's die niet in overeenstemming zijn met de voorwaarden, vermeld in het tweede lid, worden verworpen. Het facturatiebestand waarvan het aantal verworpen onderdelen van de digitale individuele kostennota's een door de minister bepaald aandeel bereikt, worden in hun geheel geweigerd.
   § 5. Digitale individuele kostennota's die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1 tot en met 4, worden uiterlijk uitbetaald door de zorgkas binnen een termijn van zes weken vanaf de datum van de ontvangst van de correct en volledig ingevulde digitale individuele kostennota, met uitzondering van de onderdelen die niet in overeenstemming zijn met de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1 tot en met 4.
   § 6. Als de digitale individuele kostennota's niet zijn betaald binnen de termijn, vermeld in paragraaf 5, is zonder ingebrekestelling een verwijlinterest verschuldigd vanaf de eerste dag na die termijn. De hoegrootheid van die interest stemt overeen met het rentetarief van de depositofaciliteit van de Europese Centrale Bank die is vastgesteld op de datum dat de betalingstermijn verstrijkt, verhoogd met 1,75%.
   De verwijlinteresten, vermeld in het eerste lid, zijn evenwel niet verschuldigd als de zorgkas de betaling door overmacht niet heeft kunnen uitvoeren binnen de voorgeschreven termijnen, op voorwaarde dat de zorgkas voldoende bewijzen aanvoert om het geval van overmacht te staven ten aanzien van het revalidatieziekenhuis. Bij betwisting beslist het agentschap over het al dan niet bestaan van overmacht. De personeelsproblemen of de organisatorische problemen van de zorgkas kunnen niet als gevallen van overmacht worden aanvaard als die problemen niet voortvloeien uit uitzonderlijke en onvoorziene omstandigheden.
   Als het agentschap verantwoordelijk is voor de laattijdige betaling, wordt dat niet aanvaard als een geval van overmacht als vermeld in het tweede lid. In dat geval is een verwijlinterest verschuldigd ten laste van het agentschap.
   Opdat de verwijlinterest, vermeld in het eerste lid, verschuldigd is in geval van laattijdige betaling door de zorgkas, zijn de revalidatieziekenhuizen ertoe gehouden de digitale individuele kostennota's in te dienen voor het einde van de maand na de maand waarop de digitale individuele kostennota betrekking heeft.]1

  
Art. 534/68. [1 § 1er. L'hôpital de revalidation facture l'intervention pour les journées d'hospitalisation à la caisse d'assurance soins à laquelle est affilié le patient ayant droit à une intervention. Les hôpitaux de revalidation facturent chaque mois par caisse d'assurance soins par le biais d'une application numérique.
   Les articles 534/75 à 534/78 sont applicables dans le cadre de la facturation par les hôpitaux de revalidation.
   § 2. Pour la facturation visée au paragraphe 1er, l'hôpital de revalidation établit une note de frais individuelle numérique par patient. Les notes de frais individuelles numériques de patients affiliés auprès de la même caisse d'assurance soins sont regroupées dans un seul fichier de facturation.
   Seul un fichier de facturation par mois, par caisse d'assurance soins et par hôpital de revalidation est accepté. Les interventions refusées peuvent être présentées le même mois, après correction, par le biais d'un fichier de facturation suivant.
   Dans le présent article, on entend par " note de frais individuelle " : la liste des prestations dispensées pour un patient individuel au cours d'une période donnée et pour lesquelles une intervention de la caisse d'assurance soins est demandée.
   La note de frais individuelle numérique contient les rubriques suivantes :
   1° les données du patient ;
   2° les données de l'hôpital de revalidation ;
   3° les données de la caisse d'assurance soins ;
   4° une liste des journées d'hospitalisation durant lesquelles le patient a été admis dans l'hôpital de revalidation concerné ;
   5° le prix facturé par journée d'hospitalisation ;
   6° les indemnités supplémentaires facturées, portées en compte en sus du prix à la journée d'hospitalisation ;
   7° le montant net total dû que le patient ou son représentant doit payer ;
   8° le montant de l'intervention pour les journées d'hospitalisation que la caisse d'assurance soins doit payer ;
   9° la quote-part personnelle du patient.
   Les données visées à l'alinéa 4, 1°, se limitent à celles nécessaires à l'établissement et au traitement de la note de frais individuelle numérique.
   Les notes de frais individuelles numériques et les fichiers de facturation sont établis conformément aux instructions de facturation définies par l'agence.
   § 3. Le montant des notes de frais individuelles numériques soumises aux caisses d'assurance soins est dû dès leur réception, sous réserve de rectifications ultérieures.
   § 4. Les notes de frais individuelles numériques doivent être remplies correctement et complètement. Si tel n'est pas le cas, elles seront refusées et renvoyées à l'hôpital de revalidation concerné.
   Les notes de frais individuelles numériques doivent être conformes aux conditions d'octroi des interventions facturées prévues par le décret du 18 mai 2018 et le présent arrêté.
   Les éléments des notes de frais individuelles numériques qui ne sont pas conformes aux conditions énoncées à l'alinéa 2 sont rejetés. Le fichier de facturation dont le nombre d'éléments rejetés des notes de frais individuelles numériques atteint un nombre déterminé par le ministre est refusé dans son intégralité.
   § 5. La caisse d'assurance soins paie les notes de frais individuelles numériques qui remplissent les conditions visées aux paragraphes 1er à 4 au plus tard dans un délai de six semaines à compter de la date de réception de la note de frais individuelle numérique remplie correctement et complètement, à l'exception des éléments qui ne sont pas conformes aux conditions visées aux paragraphes 1er à 4.
   § 6. Si les notes de frais individuelles numériques n'ont pas été payées dans le délai visé au paragraphe 5, un intérêt de retard sera dû sans mise en demeure à partir du premier jour suivant ce délai. Le montant de cet intérêt correspond au taux d'intérêt de la facilité de dépôt de la Banque centrale européenne fixé à l'échéance du délai de paiement, majoré de 1,75 %.
   Toutefois, les intérêts de retard visés à l'alinéa 1er ne sont pas dus si la caisse d'assurance soins n'a pas été en mesure d'effectuer le paiement dans les délais prescrits pour cause de force majeure, à condition que la caisse d'assurance soins apporte des éléments de preuve suffisants à l'appui du cas de force majeure vis-à-vis de l'hôpital de revalidation. En cas de contestation, l'agence statue sur l'existence ou non de la force majeure. Les problèmes de personnel ou d'organisation rencontrés par la caisse d'assurance soins ne peuvent pas être acceptés comme cas de force majeure s'ils ne résultent pas de circonstances exceptionnelles et imprévues.
   Si le retard de paiement est imputable à l'agence, il n'est pas considéré comme un cas de force majeure tel que visé à l'alinéa 2. Dans ce cas, un intérêt de retard, à charge de l'agence, est dû.
   Pour que l'intérêt de retard visé à l'alinéa 1er soit dû en cas de retard de paiement dans le chef de la caisse d'assurance soins, les hôpitaux de revalidation sont tenus d'introduire les notes de frais individuelles numériques avant la fin du mois suivant celui auquel la note de frais individuelle numérique se rapporte.]1

  
Art. 534/69. [1 Als de zorgkas bij het revalidatieziekenhuis herhaalde tekortkomingen vaststelt in de opmaak en verzending van de facturatiebestanden conform artikel 534/68, § 1 tot en met § 4, of van de meldingen, vermeld in artikel 534/59, meldt de zorgkas dat aan het revalidatieziekenhuis in kwestie.
   Als het revalidatieziekenhuis, vermeld in het eerste lid, binnen dertig dagen geen maatregelen heeft genomen om de vastgestelde tekortkomingen te verhelpen, deelt de zorgkas dat mee aan het agentschap. Het agentschap beraadslaagt vervolgens over de maatregelen die voor dat revalidatieziekenhuis moeten worden genomen.]1

  
Art. 534/69. [1 Si la caisse d'assurance soins constate des manquements répétés, commis par l'hôpital de revalidation au niveau de l'établissement et de l'envoi des fichiers de facturation, conformément à l'article 534/68, §§ 1er à 4, ou des notifications visées à l'article 534/59, la caisse d'assurance soins le signale à l'hôpital de revalidation concerné.
   Si l'hôpital de revalidation visé à l'alinéa 1er n'a pas pris de mesures dans les trente jours pour remédier aux manquements constatés, la caisse d'assurance soins en informe l'agence. L'agence délibère ensuite sur les mesures à prendre à l'égard de cet hôpital de revalidation.]1

  
Art. 534/70. [1 De revalidatieziekenhuizen mogen aan de zorgkassen voor verpleegdagen geen ander bedrag factureren dan het bedrag van de tegemoetkoming voor de verpleegdagen, zoals meegedeeld door het [2 Departement Zorg]2 conform artikel 534/35.]1
  
Art. 534/70. [1 Les hôpitaux de revalidation ne sont pas autorisés à facturer aux caisses d'assurance soins d'autre montant pour les journées d'hospitalisation que le montant de l'intervention pour les journées d'hospitalisation, tel que communiqué par [2 le Département Soins ]2 conformément à l'article 534/35.]1
  
Art. 534/71. [1 De toepassing van artikel 62 van het decreet van 18 mei 2018 op de facturatie door een revalidatieziekenhuis aan de zorgkas conform de bepalingen van deze titel, heeft tot gevolg dat het revalidatieziekenhuis moet factureren binnen een termijn van uiterlijk twee jaar vanaf de verpleegdag waarop de tegemoetkoming betrekking heeft, met uitzondering van de gevallen waarin de verjaring wordt geschorst of gestuit. Het recht op stuiten van de verjaring wordt aangetoond met een aangetekende brief die het revalidatieziekenhuis richt aan de zorgkas.]1
  
Art. 534/71. [1 L'application de l'article 62 du décret du 18 mai 2018 à la facturation par un hôpital de revalidation à la caisse d'assurance soins conformément aux dispositions du présent titre a pour effet que l'hôpital de revalidation doit facturer dans un délai maximal de deux ans à compter de la journée d'hospitalisation à laquelle l'intervention se rapporte, sauf dans les cas où la prescription est suspendue ou interrompue. Le droit d'interrompre la prescription est établi par une lettre recommandée que l'hôpital de revalidation adresse à la caisse d'assurance soins.]1
  
HOOFDSTUK 2. [1 - Patiëntenfactuur]1
CHAPITRE 2. [1 - Facture du patient]1
Art. 534/72. [1 De revalidatieziekenhuizen maken op het moment van het ontslag van de patiënt uit het revalidatieziekenhuis of, als de opname langer dan een maand duurt, op het einde van elke maand per patiënt een patiëntenfactuur op.
   Een exemplaar van de patiëntenfactuur wordt bezorgd aan de patiënt of elke natuurlijke of rechtspersoon die geheel of gedeeltelijk belast is met de betaling van de patiëntenfactuur.
   De patiëntenfactuur mag elektronisch naar de patiënt verstuurd worden als die daar expliciet voor gekozen heeft.]1

  
Art. 534/72. [1 Les hôpitaux de revalidation établissent, par patient, une facture du patient au moment de la sortie du patient de l'hôpital de revalidation ou, si l'hospitalisation dure plus d'un mois, à la fin de chaque mois.
   Un exemplaire de la facture du patient est transmis au patient ou à toute personne physique ou morale chargée du paiement, en tout ou en partie, de la facture du patient.
   La facture du patient peut être envoyée au patient par voie électronique s'il a explicitement opté pour ce mode.]1

  
Art. 534/73. [1 De revalidatieziekenhuizen mogen op de patiëntenfactuur voor de verpleegdagen geen ander bedrag weergeven dan het bedrag van de tegemoetkoming voor de verpleegdag, zoals meegedeeld door het [2 Departement Zorg]2 conform artikel 534/35.
   Op de patiëntenfactuur wordt, als het revalidatieziekenhuis van de informatie over het recht op de maximumfactuur op de hoogte is gebracht conform de bepalingen van het koninklijk besluit van 8 juni 2007 tot uitvoering van artikel 3, derde lid, van de wet van 5 juni 2002 betreffende de maximumfactuur in de verzekering voor geneeskundige verzorging, de vermelding "recht op de maximumfactuur in" afgedrukt en wordt het jaartal ingevuld waarin de patiënt recht heeft op de maximumfactuur.
   Als persoonlijke aandelen en supplementen op basis van een contractuele of wettelijke bepaling rechtstreeks ten laste worden genomen door een derde, moeten die op de patiëntenfactuur worden vermeld. Het revalidatieziekenhuis moet onderaan op de patiëntenfactuur vermelden dat het bedrag ten laste van de patiënt door het ziekenhuis rechtstreeks aan die derde gefactureerd wordt.]1

  
Art. 534/73. [1 Les hôpitaux de revalidation ne sont pas autorisés à indiquer sur la facture du patient d'autre montant pour les journées d'hospitalisation que le montant de l'intervention pour la journée d'hospitalisation, tel que communiqué par [2 le Département Soins ]2 conformément à l'article 534/35.
   La mention " droit au maximum à facturer en " est apposée sur la facture du patient, de même que l'année au cours de laquelle le patient a droit au maximum à facturer, si l'hôpital de revalidation a reçu les informations concernant le droit au maximum à facturer conformément à l'arrêté royal du 8 juin 2007 portant exécution de l'article 3, alinéa 3, de la loi du 5 juin 2002 relative au maximum à facturer dans l'assurance soins de santé.
   Lorsque des interventions personnelles et des suppléments sont directement pris en charge par un tiers en vertu d'une disposition contractuelle ou légale, ils doivent figurer sur la facture du patient. L'hôpital de revalidation doit mentionner au bas de la facture du patient que le montant à charge du patient est directement facturé par l'hôpital à ce tiers.]1

  
Art. 534/74. [1 De patiëntenfactuur wordt opgemaakt volgens het model, vermeld in bijlage 11, die bij dit besluit is gevoegd.
   De patiëntenfactuur, vermeld in artikel 534/72, stemt overeen met de schriftelijke opnameverklaring, opgemaakt conform de modellen die opgenomen zijn in bijlage 8 en 9, die bij dit besluit zijn gevoegd.]1

  
Art. 534/74. [1 La facture du patient est établie suivant le modèle visé à l'annexe 11 joint au présent arrêté.
   La facture du patient visée à l'article 534/72 correspond à la déclaration d'admission écrite établie suivant les modèles figurant aux annexes 8 et 9 jointes au présent arrêté.]1

  
TITEL 5. [1 - Software]1
TITRE 5. [1 - Logiciels]1
Art. 534/75. [1 § 1. De digitale applicatie, vermeld in artikel 534/59, 534/61, 534/63, 534/65 en 534/68, § 1, [2 voldoet aan de functionele en technische]2 vereisten en de vereisten van betrouwbaarheid en veiligheid die de minister bepaalt, na advies van een groep van onafhankelijke experten.
   Het agentschap staat in voor de attestering van de digitale applicaties die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid.
   § 2. Revalidatieziekenhuizen die niet gebruikmaken van een digitale applicatie als vermeld in paragraaf 1, kunnen de meldingen, vermeld in artikel 534/59, eerste en tweede lid, niet versturen naar de zorgkassen om tegemoetkomingen voor de verpleegdagen te krijgen, en kunnen niet factureren aan de zorgkassen.
   § 3. De experten, vermeld in paragraaf 1, worden [2 aangewezen door het agentschap in overleg met]2 de betrokken beroepsorganisaties. De minister kan nadere regels bepalen voor de samenstelling en de werking van de groep van onafhankelijke experten.]1

  
Art. 534/75. [1 § 1er. L'application numérique visée aux articles 534/59, 534/61, 534/63, 534/65 et à l'article 534/68, § 1er, [2 satisfait aux exigences fonctionnelles et techniques]2 et aux exigences de fiabilité et de sécurité que le ministre définit sur avis d'un groupe d'experts indépendants.
   L'agence atteste les applications numériques qui remplissent les conditions visées à l'alinéa 1er.
   § 2. Les hôpitaux de revalidation qui ne font pas usage d'une application numérique telle que visée au paragraphe 1er ne peuvent pas envoyer les notifications visées à l'article 534/59, alinéas 1er et 2, aux caisses d'assurance soins pour recevoir des interventions pour les journées d'hospitalisation et ne peuvent pas facturer aux caisses d'assurance soins.
   § 3. Les experts visés au paragraphe 1er [2 sont désignés par l'agence en concertation avec]2 les organisations professionnelles concernées. Le ministre peut fixer les modalités relatives à la composition et au fonctionnement du groupe d'experts indépendants.]1

  
Art. 534/76. [1 § 1. De softwareontwikkelaars dienen de aanvragen tot attestering als vermeld in artikel 534/75, § 1, tweede lid, in bij het agentschap.
   De gedagtekende en ondertekende aanvraag wordt ingediend met een formulier waarvan het agentschap het model vaststelt.
   Het formulier, vermeld in het tweede lid, bevat al de volgende gegevens:
   1° de identificatiegegevens van de aanvrager;
   2° de beschrijving van de maatregelen voor gegevensbescherming en informatieveiligheid;
   3° de beschrijving van de architecturale structuur van het pakket;
   4° de technische specificaties die toelaten de mogelijkheid tot koppeling met het digitale platform Vlaamse sociale bescherming te beoordelen.
   § 2. Het agentschap beoordeelt de aanvraag tot attestering, vermeld in paragraaf 1, en beslist tot de goedkeuring of weigering van de organisatie van het attesteringstraject. Het agentschap kan aan de groep van onafhankelijke experten, vermeld in artikel 534/75, § 3, advies vragen over de aanvraag.
   Het agentschap deelt zijn beslissing tot goedkeuring of weigering van de organisatie van het attesteringstraject mee uiterlijk binnen dertig dagen na de dag waarop het de aanvraag tot attestering, vermeld in paragraaf 1, heeft ontvangen.
   § 3. Bij wijzigingen aan een van de elementen, vermeld in paragraaf 1, derde lid, na de beslissing tot goedkeuring van de organisatie van het attesteringstraject, vervalt die beslissing tot goedkeuring van rechtswege en dient de softwareontwikkelaar in kwestie een nieuwe aanvraag tot attestering in.
   § 4. Na de goedkeuring van de organisatie van het attesteringstraject, kan de softwareontwikkelaar in kwestie bij het agentschap een verzoek indienen tot de organisatie van testen.
   De groep van onafhankelijke experten, vermeld in artikel 534/75, § 3, organiseert binnen negentig dagen na de dag waarop het agentschap het verzoek, vermeld in het eerste lid, heeft ontvangen, testen waarbij wordt nagegaan of de digitale applicatie waarvoor de attestering is aangevraagd, voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 534/75, § 1, eerste lid, en stelt een testrapport op.
   De minister kan nadere regels bepalen over de organisatie van de testen, vermeld in het tweede lid.
   § 5. De groep van onafhankelijke experten, vermeld in artikel 534/75, § 3, bezorgt het testrapport, vermeld in paragraaf 4, tweede lid, samen met een overeenstemmend advies aan het agentschap binnen honderdtwintig dagen na de dag waarop het agentschap het verzoek tot de organisatie van testen conform paragraaf 4, eerste lid, heeft ontvangen.
   Het agentschap attesteert de digitale applicatie of weigert de attestering van de digitale applicatie en brengt de aanvrager op de hoogte van die beslissing binnen vijftien dagen na de dag waarop het het advies van de groep van onafhankelijke experten heeft ontvangen conform het eerste lid.
   De attesten die toegekend worden conform het tweede lid, zijn geldig voor tien jaar, met behoud van de toepassing van artikel 534/77.
   § 6. De termijnen, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, paragraaf 4, tweede lid en paragraaf 5, eerste en tweede lid, worden geschorst als het agentschap of de groep van onafhankelijke experten, vermeld in artikel 534/75, § 3, bijkomende informatie vraagt aan de softwareontwikkelaar.
   De termijnen, vermeld in het eerste lid, lopen verder vanaf de dag na de dag waarop het agentschap of de groep van onafhankelijke experten de bijkomende informatie heeft ontvangen conform het eerste lid.
   § 7. De softwareontwikkelaars die een digitale applicatie ontwikkelen, kunnen altijd een nieuwe aanvraag tot attestering indienen bij het agentschap ]1
.
  
Art. 534/76. [1 § 1er. Les développeurs de logiciels soumettent à l'agence les demandes de certification visées à l'article 534/75, § 1er, alinéa 2.
   La demande datée et signée est introduite au moyen d'un formulaire dont l'agence détermine le modèle.
   Le formulaire visé à l'alinéa 2 comprend toutes les données suivantes :
   1° les données d'identification du demandeur ;
   2° la description des mesures de protection des données et de sécurité de l'information ;
   3° la description de la structure architecturale du progiciel ;
   4° les spécifications techniques permettant d'évaluer la possibilité de se connecter à la plate-forme informatique de la protection sociale flamande.
   § 2. L'agence évalue la demande de certification visée au paragraphe 1er, et décide d'approuver ou de refuser l'organisation du processus de certification. L'agence peut demander l'avis du groupe d'experts indépendants visé à l'article 534/75, § 3, sur la demande.
   L'agence communique sa décision d'approbation ou de rejet de l'organisation du processus de certification dans un délai de trente jours suivant le jour de la réception de la demande de certification visée au paragraphe 1er.
   § 3. En cas de modification d'un des éléments visés au paragraphe 1er, alinéa 3, après la décision d'approbation de l'organisation du processus de certification, cette décision d'approbation est annulée de plein droit et le développeur de logiciels concerné doit introduire une nouvelle demande de certification.
   § 4. Après l'approbation de l'organisation du processus de certification, le développeur de logiciels en question peut soumettre une demande à l'agence pour l'organisation de tests.
   Le groupe d'experts indépendants visé à l'article 534/75, § 3, organise, dans un délai de nonante jours à compter de la date de réception par l'agence de la demande visée à l'alinéa 1er, des tests pour vérifier que l'application numérique pour laquelle la certification a été demandée remplit les conditions visées à l'article 534/75, § 1er, alinéa 1er, et établit un rapport de test.
   Le ministre peut arrêter des modalités relatives à l'organisation des tests, visée à l'alinéa 2.
   § 5. Le groupe d'experts indépendants visé à l'article 534/75, § 3, soumet le rapport de tests visé au paragraphe 4, alinéa 2, ainsi que l'avis correspondant, à l'agence dans un délai de cent vingt jours à compter du jour où l'agence a reçu la demande d'organisation de tests conformément au paragraphe 4, alinéa 1er.
   L'agence certifie l'application numérique ou refuse de certifier l'application numérique et notifie sa décision au demandeur dans un délai de quinze jours à compter du jour où elle a reçu l'avis du groupe d'experts indépendants conformément à l'alinéa 1er.
   Les certificats délivrés conformément à l'alinéa 2, ont une validité de dix ans, sans préjudice de l'application de l'article 534/77.
   § 6. Les délais visés au paragraphe 2, alinéa 2, au paragraphe 4, alinéa 2, et au paragraphe 5, alinéas 1er et 2, sont suspendus si l'agence ou le groupe d'experts indépendants visé à l'article 534/75, § 3, demande des informations complémentaires au développeur de logiciels.
   Les délais visés à l'alinéa 1er, recommencent à courir à compter du jour suivant celui où l'Agence ou le groupe d'experts indépendants a reçu les informations complémentaires conformément à l'alinéa 1er.
   § 7. Les développeurs de logiciels qui conçoivent une application numérique peuvent toujours soumettre une nouvelle demande de certification à l'agence ]1
.
  
Art. 534/77. [1 oen aan de functionele en technische vereisten en de vereisten van betrouwbaarheid en veiligheid, vermeld in artikel 534/75, § 1, eerste lid.
   § 2. Een softwareontwikkelaar met een geattesteerde digitale applicatie implementeert alle wijzigingen aan de functionele en technische vereisten en de vereisten van betrouwbaarheid en veiligheid, vermeld in artikel 534/75, § 1, eerste lid, volgens het versiebeleid van het digitaal platform Vlaamse Sociale Bescherming.
   Een softwareontwikkelaar die op eigen initiatief wijzigingen aanbrengt aan de geattesteerde digitale applicatie met een impact op de functionele en technische vereisten en de vereisten van betrouwbaarheid en veiligheid, vermeld in artikel 534/75, § 1, eerste lid, brengt het agentschap daarvan op de hoogte. In die melding aan het agentschap geeft de softwareontwikkelaar een beschrijving van de wijzigingen aan de geattesteerde digitale applicatie.
   § 3. Als er wijzigingen worden aangebracht aan de geattesteerde digitale applicatie conform paragraaf 2, met een impact op de functionele en technische vereisten en de vereisten van betrouwbaarheid en veiligheid, vermeld in artikel 534/75, § 1, eerste lid, kan het agentschap, na eensluidend advies van de groep van onafhankelijke experten, vermeld in artikel 534/75, § 3, beslissen om bijkomende toelichtingen op te vragen bij de gemelde wijzigingen of om nieuwe testen op te leggen voor de digitale applicatie.
   § 4. Als er aanwijzingen zijn dat een digitale applicatie niet meer zou voldoen aan de functionele vereisten en de vereisten van betrouwbaarheid en veiligheid, vermeld in artikel 534/75, § 1, eerste lid, kan het agentschap, na eensluidend advies van de groep van onafhankelijke experten, vermeld in artikel 534/75, § 3, beslissen om nieuwe testen te organiseren. Afhankelijk van het resultaat van de testen kan het agentschap, na eensluidend advies van de voormelde groep van onafhankelijke experten, beslissen om de attestering te bevestigen of in te trekken ]1
.
  
Art. 534/77. [1 § 1er. Tant que le certificat délivré est valable, la version certifiée de l'application numérique et son évolution sont réputées continuer à satisfaire aux exigences fonctionnelles et techniques et aux exigences de fiabilité et de sécurité visées à l'article 534/75, § 1er, alinéa 1er.
   § 2. Un développeur de logiciels disposant d'une application numérique certifiée met en oeuvre toutes les modifications des exigences fonctionnelles et techniques et des exigences de fiabilité et de sécurité, visées à l'article 534/75, § 1er, alinéa 1er, conformément à la version de politique de la plate-forme numérique de la protection sociale flamande.
   Le développeur de logiciels qui, de sa propre initiative, apporte à l'application numérique certifiée des modifications affectant les exigences fonctionnelles et techniques ainsi que les exigences de fiabilité et de sécurité, visées à l'article 534/75, § 1er, alinéa 1er, en informe l'agence. Dans cette notification à l'agence, le développeur de logiciels décrit les modifications apportées à l'application numérique certifiée.
   § 3. Si des modifications sont apportées à l'application numérique certifiée conformément au paragraphe 2, entraînant un impact sur les exigences fonctionnelles et techniques et sur les exigences de fiabilité et de sécurité visées à l'article 534/75, § 1er, alinéa 1er, l'agence peut, après avoir reçu l'avis conforme du groupe d'experts indépendants visé à l'article 534/75, § 3, décider de demander des explications supplémentaires concernant les modifications signalées ou d'imposer de nouveaux tests à l'application numérique.
   § 4. S'il existe des indications selon lesquelles une application numérique ne répondrait plus aux exigences fonctionnelles et aux exigences de fiabilité et de sécurité visées à l'article 534/75, § 1er, alinéa 1er, l'agence peut décider d'organiser de nouveaux tests après avoir reçu l'avis conforme du groupe d'experts indépendants visé à l'article 534/75, § 3. En fonction des résultats des tests, l'agence peut décider de confirmer ou de retirer la certification après avoir reçu l'avis conforme du groupe d'experts indépendants susmentionné ]1
.
  
Art. 534/78. [1 De attesten die verleend zijn conform de bepalingen van dit deel, worden [2 bekendgemaakt]2 op de website van het agentschap, met vermelding van de geldigheidstermijn ervan.]1
  
Art. 534/78. [1 Les attestations délivrées conformément aux dispositions de la présente partie sont [2 rendues publiques]2 sur le site web de l'agence en mentionnant leur délai de validité.]1
  
Boek 3/5. [1 Multidisciplinair overleg]1
Livre 3/5. [1 Concertation multidisciplinaire]1
Art. 534/79. [1 In dit boek wordt verstaan onder:
   1° zorgbemiddelaar: de natuurlijke persoon die door de gebruiker die het zelfmanagement niet wil of niet kan opnemen, kan worden aangeduid uit de leden van het zorgteam als verantwoordelijke voor het beheer en de opvolging van het zorg- en ondersteuningsplan en als centrale aanspreekfiguur voor de uitvoering van het zorg- en ondersteuningsplan;
   2° zorg- en ondersteuningsplan: een zorg- en ondersteuningsplan als vermeld in artikel 2, 17°, van het decreet van 26 april 2019 betreffende de organisatie van de eerstelijnszorg, de regionale zorgplatformen en de ondersteuning van de eerstelijnszorgaanbieders.]1

  
Art. 534/79. [1 Dans le présent livre, on entend par :
   1° médiateur de soins : la personne physique que l'usager, qui ne veut pas ou ne peut pas assumer l'autogestion, peut désigner parmi les membres de l'équipe de soins en tant que responsable de la gestion et du suivi du plan de soins et de soutien et en tant qu'interlocuteur central pour la mise en oeuvre du plan de soins et de soutien ;
   2° plan de soins et de soutien : un plan de soins et de soutien tel que visé à l'article 2, 17°, du décret du 26 avril 2019 relatif à l'organisation des soins de première ligne, des plateformes régionales de soins, et du soutien des prestataires de soins de première ligne.]1

  
Art. 534/80. [1 § 1. Elk multidisciplinair overleg dat over een gebruiker georganiseerd wordt, moet aan de volgende voorwaarden voldoen om voor vergoeding in aanmerking te komen:
   1° aan het multidisciplinair overleg nemen minstens zorgaanbieders deel van drie verschillende disciplines die betrokken zijn bij de zorg en ondersteuning van de gebruiker, en een afgevaardigde van de overlegorganisator;
   2° de deelnemers zijn gelijktijdig en fysiek aanwezig op het multidisciplinair overleg;
   3° het multidisciplinair overleg wordt georganiseerd rond een persoon in zijn thuissituatie of rond een persoon die is opgenomen in een zorgvoorziening, waarbij in een terugkeer naar de thuisomgeving is voorzien, op voorwaarde dat het multidisciplinair overleg georganiseerd wordt in de periode van veertien dagen die voorafgaat aan de geplande datum van terugkeer naar de thuisomgeving;
   4° de huisarts en, in voorkomend geval, de mantelzorger van de gebruiker worden uitgenodigd om deel te nemen aan het multidisciplinair overleg. Als het multidisciplinair overleg georganiseerd wordt rond een gebruiker met een psychiatrische problematiek, kan de begeleidende psychiater worden uitgenodigd in plaats van de huisarts;
   5° de gebruiker of, in voorkomend geval, zijn vertegenwoordiger geeft zijn akkoord over de samenstelling van het multidisciplinair overleg;
   6° de gebruiker of, in voorkomend geval, zijn vertegenwoordiger neemt deel aan het multidisciplinair overleg. Als de gebruiker of, in voorkomend geval, zijn vertegenwoordiger niet wil deelnemen aan het multidisciplinair overleg, bezorgt hij aan de overlegorganisator een ondertekende verklaring waarin hij bevestigt dat hij niet wil deelnemen aan het overleg.
   7° de gebruiker wordt voor de aanvang van het overleg geïnformeerd over het doel van het overleg en van het feit dat er een zorg- en ondersteuningsplan wordt opgesteld;
   8° er wordt een zorg- en ondersteuningsplan opgesteld.
   In afwijking van het eerste lid, 1°, kan bij laattijdig afhaken van de huisarts of de psychiater een multidisciplinair overleg worden vergoed als maar twee disciplines aan het overleg deelnemen. De overlegorganisator verklaart in voorkomend geval op erewoord in het zorg- en ondersteuningsplan dat de huisarts of psychiater niet kon deelnemen aan het overleg.
   In afwijking van het eerste lid, 2°, kan de huisarts of, in voorkomend geval, de psychiater, als zijn fysieke aanwezigheid niet mogelijk is, deelnemen via een videogesprek of, als dat niet mogelijk is, telefonisch.
   In deze paragraaf wordt verstaan onder persoon in zijn thuissituatie: elke persoon die thuis verblijft of die verblijft in een groep van assistentiewoningen als vermeld in artikel 30 van het Woonzorgdecreet van 15 februari 2019, of in een serviceflatgebouw als vermeld in artikel 7, § 1, van het decreet van 6 juli 2001 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2001.
   § 2. Om vergoedbaar te zijn, moet de gebruiker over wie het multidisciplinair overleg georganiseerd is, op de datum waarop het multidisciplinair overleg plaatsvindt, de verschuldigde premies voor de Vlaamse sociale bescherming voor de voorgaande jaren hebben betaald conform artikel 112.
   In afwijking van het eerste lid moet voor de organisatie van een multidisciplinair overleg over een gebruiker die jonger dan achttien jaar is, minstens één ouder of de wettelijke vertegenwoordiger van de gebruiker aangesloten zijn bij een zorgkas en de verschuldigde premies voor de Vlaamse sociale bescherming voor de voorgaande jaren hebben betaald conform artikel 112.
   De voorwaarde, vermeld in het tweede lid, geldt zodra een van de ouders of de wettelijke vertegenwoordiger minstens 27 jaar is en is niet van toepassing als en zolang geen van de ouders of de wettelijke vertegenwoordiger bij de Vlaamse sociale bescherming mag aansluiten.
   § 3. Per jaar kan er maar één vergoedbaar multidisciplinair overleg over dezelfde gebruiker georganiseerd worden.
   Onder een jaar als vermeld in het eerste lid, moet worden verstaan een periode van 365 kalenderdagen of 366 kalenderdagen als het een schrikkeljaar betreft.]1

  
Art. 534/80. [1 § 1er. Pour être éligible à un remboursement, chaque concertation multidisciplinaire organisée au sujet d'un usager doit satisfaire aux conditions suivantes :
   1° prennent part à la concertation multidisciplinaire au moins des prestataires de soins de trois disciplines différentes associées aux soins et au soutien de l'usager et un délégué de l'organisateur de concertation ;
   2° les participants sont présents simultanément et physiquement à la concertation multidisciplinaire ;
   3° la concertation multidisciplinaire est organisée au sujet d'une personne à domicile ou d'une personne admise dans une structure de soins pour laquelle un retour à domicile est prévu, à condition que la concertation multidisciplinaire soit organisée dans les quatorze jours qui précèdent la date prévue du retour à domicile ;
   4° le médecin généraliste et, le cas échéant, l'intervenant de proximité de l'usager sont invités à prendre part à la concertation multidisciplinaire. Si la concertation multidisciplinaire est organisée au sujet d'un usager présentant une problématique psychiatrique, le psychiatre accompagnant peut être invité à la place du médecin généraliste ;
   5° l'usager ou, le cas échéant, son représentant donne son accord concernant la composition de la concertation multidisciplinaire ;
   6° l'usager ou, le cas échéant, son représentant prend part à la concertation multidisciplinaire. Si l'usager ou, le cas échéant, son représentant ne désire pas prendre part à la concertation multidisciplinaire, il transmet à l'organisateur de concertation une déclaration signée par laquelle il certifie ne pas vouloir prendre part à la concertation ;
   7° avant le début de la concertation, l'usager est informé de l'objet de la concertation et du fait qu'un plan de soins et de soutien est élaboré ;
   8° un plan de soins et de soutien est élaboré.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, 1°, en cas de désistement tardif du médecin généraliste ou du psychiatre, une concertation multidisciplinaire peut être remboursée si deux disciplines seulement prennent part à la concertation. Le cas échéant, l'organisateur de concertation déclare sur l'honneur dans le plan de soins et de soutien que le médecin généraliste ou le psychiatre n'était pas en mesure de prendre part à la concertation.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, 2°, le médecin généraliste ou, le cas échéant, le psychiatre qui ne peut pas être présent physiquement peut participer par vidéoconférence ou, si ce n'est pas possible, par téléphone.
   Dans le présent paragraphe, on entend par " personne à domicile " : toute personne qui réside à domicile ou qui réside dans un groupe de logements à assistance tel que visé à l'article 30 du décret sur les soins résidentiels du 15 février 2019 ou dans une résidence-services telle que visée à l'article 7, § 1er, du décret du 6 juillet 2001 contenant diverses mesures d'accompagnement de l'ajustement du budget 2001.
   § 2. Pour avoir droit au remboursement, l'usager au sujet duquel la concertation multidisciplinaire est organisée doit avoir payé, à la date à laquelle la concertation multidisciplinaire a lieu, les primes pour la protection sociale flamande dues pour les années précédentes conformément à l'article 112.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, l'organisation d'une concertation multidisciplinaire au sujet d'un usager de moins de dix-huit ans est subordonnée aux conditions qu'au moins un parent ou le représentant légal de l'usager soit affilié à une caisse d'assurance soins et ait payé les primes pour la protection sociale flamande dues pour les années précédentes conformément à l'article 112.
   La condition visée à l'alinéa 2 s'applique dès que l'un des parents ou le représentant légal est âgé de 27 ans au moins et ne s'applique pas si et aussi longtemps qu'aucun des parents ou le représentant légal n'est autorisé à s'affilier à la protection sociale flamande.
   § 3. Il ne peut être organisé par année qu'une seule concertation multidisciplinaire remboursable au sujet du même usager.
   Une année telle que visée à l'alinéa 1er s'entend d'une période de 365 jours calendrier ou 366 jours calendrier s'il s'agit d'une année bissextile.]1

  
Art. 534/81. [1 § 1. Per georganiseerd multidisciplinair overleg kunnen maximaal vier zorgaanbieders een tegemoetkoming ontvangen, naast de overlegorganisator en de zorgbemiddelaar.
   Individuele zorgaanbieders die deelnemen aan een multidisciplinair overleg in het kader van hun werkzaamheden bij een dienst of organisatie, ontvangen geen vergoeding voor hun deelname aan het multidisciplinair overleg. De dienst of organisatie waarbij ze actief zijn, wordt in voorkomend geval voor de vergoedbaarheid van het multidisciplinair overleg beschouwd als deelnemende zorgaanbieder. Die dienst of organisatie kan maximaal één vergoeding als deelnemende zorgaanbieder ontvangen, ongeacht het aantal individuele zorgaanbieders dat de dienst of organisatie afvaardigt naar het multidisciplinair overleg, op voorwaarde dat er minstens twee zorgaanbieders die niet bij de betrokken dienst of organisatie werken, deelnemen aan het multidisciplinair overleg.
   Als meer dan vier zorgaanbieders aan het multidisciplinair overleg deelnemen, wordt de tegemoetkoming uitbetaald aan de vier deelnemende zorgaanbieders die het hoogst gerangschikt staan volgens een rangorde die de minister bepaalt.
   § 2. De gebruiker, zijn wettelijke vertegenwoordiger en de mantelzorgers van de gebruiker kunnen geen tegemoetkoming ontvangen voor hun deelname aan het multidisciplinair overleg, ook niet als ze de taak van zorgbemiddelaar op zich nemen.
   § 3. Een zorgaanbieder die de taak van zorgbemiddelaar opneemt, zal in het kader van dit overleg uitsluitend als zorgbemiddelaar beschouwd worden wat de tegemoetkoming betreft.
   Als, ingevolge paragraaf 1, tweede lid, de deelnemende zorgaanbieder een dienst of een organisatie is, kan die dienst of organisatie, op voorwaarde dat de dienst of organisatie minstens twee individuele zorgaanbieders naar het multidisciplinair overleg afvaardigt en een van die afgevaardigden de rol van zorgbemiddelaar opneemt, naast zijn vergoeding als deelnemende zorgaanbieder een vergoeding van zorgbemiddelaar ontvangen.]1

  
Art. 534/81. [1 § 1er. Par concertation multidisciplinaire organisée, quatre prestataires de soins maximum, outre l'organisateur de concertation et le médiateur de soins, peuvent recevoir une intervention.
   Les prestataires de soins individuels qui prennent part à une concertation multidisciplinaire dans le cadre de leurs activités auprès d'un service ou d'une organisation ne reçoivent pas d'indemnité pour leur participation à la concertation multidisciplinaire. Le service ou l'organisation auprès desquels ils sont actifs sont considérés, le cas échéant, pour le remboursement de la concertation multidisciplinaire, comme prestataire de soins participant. Ce service ou cette organisation peut recevoir au maximum un remboursement en tant que prestataire de soins participant, quel que soit le nombre de prestataires de soins individuels que le service ou l'organisation délègue à la concertation multidisciplinaire, à condition qu'au moins deux prestataires de soins qui ne travaillent pas auprès du service ou de l'organisation concernés prennent part à la concertation multidisciplinaire.
   Si plus de quatre prestataires de soins prennent part à la concertation multidisciplinaire, l'intervention est payée aux quatre prestataires de soins participants les mieux classés selon un ordre déterminé par le ministre.
   § 2. L'usager, son représentant légal et les intervenants de proximité de l'usager ne peuvent pas recevoir d'intervention pour leur participation à la concertation multidisciplinaire, même s'ils jouent le rôle de médiateur de soins.
   § 3. Un prestataire de soins qui joue le rôle de médiateur de soins sera exclusivement considéré, dans le cadre de cette concertation, comme médiateur de soins en ce qui concerne l'intervention.
   Si, en vertu du paragraphe 1er, alinéa 2, le prestataire de soins participant est un service ou une organisation, ce service ou cette organisation peut recevoir, outre sa rémunération en qualité de prestataire de soins participant, une rémunération de médiateur de soins à condition que le service ou l'organisation délègue au moins deux prestataires de soins individuels à la concertation multidisciplinaire et que l'un de ces délégués joue le rôle de médiateur de soins.]1

  
Art. 534/82. [1 De overlegorganisator voert de volgende taken uit in het kader van het multidisciplinair overleg:
   1° fungeren als aanspreekpunt voor het aanvragen van een multidisciplinair overleg en in overleg met de aanvrager van een multidisciplinair overleg de meerwaarde en de noodzaak van de organisatie van een multidisciplinair overleg beoordelen;
   2° het multidisciplinair overleg organiseren: waaronder een datum en plaats voor overleg zoeken, alle betrokken zorgaanbieders van het huidige of toekomstige zorgteam uitnodigen, stimuleren dat bij afwezigheid van de gebruiker zijn vertegenwoordiger aanwezig kan zijn, in voorkomend geval in de nodige logistieke ondersteuning voorzien om een videogesprek of telefoongesprek mogelijk te maken;
   3° de keuzevrijheid en de inspraak van de gebruiker tijdens het multidisciplinair overleg bewaken;
   4° het multidisciplinair overleg leiden;
   5° een verslag van het multidisciplinair overleg maken;
   6° zorgen voor de administratieve afhandeling na het multidisciplinair overleg om tot een tegemoetkoming van de deelnemers aan het multidisciplinair overleg te komen, inclusief de vergoedbare zorgaanbieders aanwijzen die aan het multidisciplinair overleg hebben deelgenomen, conform artikel 534/86, § 3, derde lid;
   7° toevoegen van het akkoord van de gebruiker met de samenstelling van het overleg, vermeld in artikel 534/80, § 1, 5°, en met de verklaring, vermeld in artikel 534/80, § 1, 6°, aan het zorg- en ondersteuningsplan, en die documenten gedurende tien jaar na het multidisciplinair overleg in kwestie bewaren;
   8° voorafgaand aan de organisatie van het multidisciplinair overleg controleren of de gebruiker is aangesloten bij een zorgkas, en aan de gebruiker, als hij vaststelt dat die niet is aangesloten bij een zorgkas, informatie bezorgen over de aansluiting bij een zorgkas en over de stappen die de gebruiker daarvoor moet ondernemen;
   9° ervoor zorgen dat, in overleg met de gebruiker of de zorgaanbieder die het multidisciplinair overleg aanvraagt, een andere overlegorganisator de taken, vermeld in punt 1° tot en met punt 8°, bij het multidisciplinair overleg op zich neemt, als hij dat zelf niet kan.]1

  
Art. 534/82. [1 L'organisateur de concertation exécute les tâches suivantes dans le cadre de la concertation multidisciplinaire :
   1° faire office de point de contact pour la demande d'une concertation multidisciplinaire et, en concertation avec le demandeur d'une concertation multidisciplinaire, évaluer la plus-value et la nécessité de l'organisation d'une concertation multidisciplinaire ;
   2° organiser la concertation multidisciplinaire : notamment, chercher une date et un lieu pour la concertation, inviter tous les prestataires de soins concernés de l'équipe de soins actuelle ou future, en l'absence de l'usager, encourager son représentant à être présent, le cas échéant, assurer le soutien logistique nécessaire afin de permettre une vidéoconférence ou conférence téléphonique ;
   3° veiller à la liberté de choix et à la participation de l'usager durant la concertation multidisciplinaire ;
   4° diriger la concertation multidisciplinaire ;
   5° rédiger un compte rendu de la concertation multidisciplinaire ;
   6° assurer le suivi administratif après la concertation multidisciplinaire afin d'obtenir une intervention pour les participants à la concertation multidisciplinaire, y compris désigner les prestataires de soins remboursables qui ont pris part à la concertation multidisciplinaire, conformément à l'article 534/86, § 3, alinéa 3;
   7° joindre l'accord de l'usager au sujet de la composition de la concertation, visé à l'article 534/80, § 1er, 5°, et la déclaration visée à l'article 534/80, § 1er, 6°, au plan de soins et de soutien, et conserver ces documents pendant dix ans après la concertation multidisciplinaire en question ;
   8° préalablement à l'organisation de la concertation multidisciplinaire, contrôler si l'usager est affilié à une caisse d'assurance soins et s'il constate que l'usager n'est pas affilié à une caisse d'assurance soins, lui transmettre les informations concernant l'affiliation à une caisse d'assurance soins et les démarches à entreprendre à cet effet ;
   9° en concertation avec l'usager ou le prestataire de soins qui sollicite la concertation multidisciplinaire, veiller à ce qu'un autre organisateur de concertation puisse accomplir les tâches visées aux points 1° à 8° lors de la concertation multidisciplinaire s'il ne peut pas le faire lui-même.]1

  
Art. 534/83. [1 De zorgbemiddelaar, als die is aangewezen, vervult de volgende taken in het kader van het multidisciplinair overleg:
   1° fungeren als vertrouwenspersoon van de gebruiker en naar het zorgteam toe;
   2° de belangen van de gebruiker bewaken en respecteren;
   3° de taakafspraken na het multidisciplinair overleg bewaken en, op verzoek van de zorgaanbieders, de thuiszorgsituatie van de gebruiker opvolgen;
   4° de gebruiker informeren over de doelstelling en de werking van het zorg- en ondersteuningsplan;
   5° de zorgaanbieders, de gebruiker of, in voorkomend geval, zijn vertegenwoordiger en, als die aanwezig is, zijn mantelzorger informeren over bestaande voorzieningen, hulpmiddelen en tegemoetkomingen en, als dat nodig is, doorverwijzen naar andere diensten of disciplines;
   6° de behoeften en hiaten in de hulpverlening signaleren en mogelijke oplossingen voorstellen aan het zorgteam;
   7° een nieuw of bijkomend overleg aanvragen als het zorgteam dat noodzakelijk vindt;
   8° de zorg- en ondersteuningsplannen bijhouden, opvolgen en bijsturen.]1

  
Art. 534/83. [1 Le médiateur de soins, lorsque celui-ci a été désigné, remplit les tâches suivantes dans le cadre de la concertation multidisciplinaire :
   1° faire office de personne de confiance de l'usager et à l'égard de l'équipe de soins ;
   2° veiller aux intérêts de l'usager et les respecter ;
   3° contrôler les tâches convenues après la concertation multidisciplinaire et, à la demande des prestataires de soins, assurer le suivi de l'organisation des soins à domicile de l'usager ;
   4° informer l'usager de l'objectif et du fonctionnement du plan de soins et de soutien ;
   5° informer les prestataires de soins, l'usager ou, le cas échéant, son représentant et, s'il est présent, son intervenant de proximité des structures, des aides techniques et des interventions existantes et, si nécessaire, les orienter vers d'autres services ou disciplines ;
   6° signaler les besoins et les lacunes de l'aide et proposer des solutions possibles à l'équipe de soins ;
   7° demande une nouvelle concertation ou une concertation supplémentaire si l'équipe de soins le juge nécessaire ;
   8° tenir à jour, suivre et ajuster les plans de soins et de soutien.]1

  
Art. 534/84. [1 De zorgaanbieders vervullen de volgende taken in het kader van het multidisciplinair overleg:
   1° expertise inbrengen om invulling te geven aan de noden en de behoeften van de gebruiker;
   2° meewerken aan het opstellen van zorgdoelen en taakafspraken maken om die zorgdoelen te realiseren;
   3° de andere zorgaanbieders, de gebruiker of, in voorkomend geval, zijn vertegenwoordiger en, als die aanwezig is, zijn mantelzorger, vanuit de eigen discipline, informeren over het bestaande aanbod en over de toegang tot rechten, en, als dat nodig is, doorverwijzen naar andere diensten of disciplines;
   4° de noden en hiaten in de hulpverlening signaleren op het overleg en mogelijke oplossingen voorstellen aan het zorgteam.]1

  
Art. 534/84. [1 Les prestataires de soins remplissent les tâches suivantes dans le cadre de la concertation multidisciplinaire :
   1° apporter une expertise pour répondre aux besoins de l'usager ;
   2° coopérer à l'établissement des objectifs de soins et convenir de la répartition des tâches pour réaliser ces objectifs ;
   3° informer les autres prestataires de soins, l'usager ou, le cas échéant, son représentant et, s'il est présent, son intervenant de proximité, sous l'angle de leur propre discipline, de l'offre existante et de l'accès aux droits et, si nécessaire, les orienter vers d'autres services ou disciplines ;
   4° signaler les besoins et les lacunes de l'aide à la concertation et proposer des solutions possibles à l'équipe de soins.]1

  
Art. 534/85. [1 § 1. Een overlegorganisator moet zijn opgenomen op een lijst die daarvoor wordt aangelegd bij het [2 Departement Zorg]2.
   Om te worden opgenomen op de lijst, vermeld in het eerste lid, moet de dienst of organisatie die de functie van overlegorganisator wil opnemen, een aanvraag indienen bij het [2 Departement Zorg]2.
   De aanvraag, vermeld in het tweede lid, bevat de volgende gegevens:
   1° de identificatiegegevens, de contactgegevens en het werkgebied van de kandidaat-overlegorganisator;
   2° de identificatie- en contactgegevens van de natuurlijke personen die de kandidaat-overlegorganisator heeft aangewezen om de aanvragen voor het multidisciplinair overleg te behandelen;
   3° documenten waaruit blijkt dat de kandidaat-overlegorganisator voldoet aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 2.
   Het [2 Departement Zorg]2 stelt voor de aanvraag een formulier ter beschikking.
   De aanvraag, vermeld in het tweede lid, wordt elektronisch ingediend bij het [2 Departement Zorg]2.
   Het [2 Departement Zorg]2 beslist over de aanvraag, vermeld in het tweede lid, binnen een termijn van dertig dagen na de ontvangst van de aanvraag. De beslissing wordt bezorgd aan de kandidaat-overlegorganisator.
   Als de aanvraag niet alle gegevens bevat, vermeld in het derde lid, verzoekt het [2 Departement Zorg]2de kandidaat-overlegorganisator om de aanvraag te vervolledigen. Na ontvangst van de gevraagde gegevens begint er opnieuw een termijn als vermeld in het zesde lid, te lopen. Als het [2 Departement Zorg]2 de gegevens niet ontvangt binnen een termijn van dertig dagen na de datum van de verzending van het verzoek, wordt de aanvraag afgewezen.
   De lijst van erkende overlegorganisatoren, vermeld in het eerste lid, wordt bekendgemaakt op de website van het [2 Departement Zorg]2.
   § 2. Om te kunnen worden opgenomen op de lijst van overlegorganisatoren, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, moet de kandidaat-overlegorganisator aan de volgende voorwaarden voldoen:
   1° de kandidaat-overlegorganisator is een dienst of organisatie die zorg en ondersteuning aanbiedt;
   2° de kandidaat-overlegorganisator garandeert dat hij personen die over de nodige competenties beschikken, kan afvaardigen naar het multidisciplinair overleg om de taken van overlegorganisator, vermeld in artikel 534/82, uit te voeren.
   § 3. De overlegorganisatoren die zijn opgenomen op de lijst, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, moeten jaarlijks deelnemen aan minstens één intervisiemoment dat het [2 Departement Zorg]2 organiseert.
   Overlegorganisatoren die niet voldoen aan de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, worden door het [2 Departement Zorg]2d van de lijst verwijderd.
   Een overlegorganisator kan op eigen verzoek van de lijst, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, worden verwijderd. De overlegorganisator bezorgt via elektronische weg zijn intentie aan het agentschap Zorg en Gezondheid. De overlegorganisator wordt van de lijst verwijderd binnen vijftien dagen nadat het [2 Departement Zorg]2 zijn intentie heeft ontvangen.
   De overlegorganisator zorgt ervoor dat bij stopzetting van zijn activiteiten als overlegorganisator, in voorkomend geval, de gebruikers voor wie hij een multidisciplinair overleg heeft gepland, in overleg met de gebruikers, naar een andere overlegorganisator worden toegeleid.]1

  
Art. 534/85. [1 § 1er. Un organisateur de concertation doit figurer sur une liste établie à cet effet auprès de l'agence des Soins et de la Santé.
   Pour être inscrit sur la liste visée à l'alinéa 1er, le service ou l'organisation qui désire endosser le rôle d'organisateur de concertation doit introduire une demande auprès [2 du Département Soins ]2.
   La demande visée à l'alinéa 2 contient les éléments suivants :
   1° les données d'identification, les coordonnées et la zone d'action du candidat organisateur de concertation ;
   2° les données d'identification et les coordonnées des personnes physiques que le candidat organisateur de concertation a désignées pour traiter les demandes de concertation multidisciplinaire ;
   3° les documents démontrant que le candidat organisateur de concertation remplit les conditions visées au paragraphe 2.
   [2 Le Département Soins ]2 pour la demande.
   La demande visée à l'alinéa 2 est introduite auprès de l'agence des Soins et de la Santé par voie électronique.
  [2 le Département Soins ]2statue sur la demande visée à l'alinéa 2 dans le délai de trente jours suivant sa réception. La décision est transmise à l'organisateur de concertation.
   Si la demande ne contient pas tous les éléments visés à l'alinéa 3, [2 le Département Soins ]2 invite le candidat organisateur de concertation à compléter la demande. Après réception des éléments demandés, un nouveau délai tel que visé à l'alinéa 6 commence à courir. Si l'agence des Soins et de la Santé ne reçoit pas les éléments dans le délai de trente jours suivant la date d'envoi de sa requête, la demande est refusée.
   La liste des organisateurs de concertation agréés, visée à l'alinéa 1er, est publiée sur le site web de [2 le Département Soins ]2.
   § 2. Pour être inscrit sur la liste des organisateurs de concertation visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, le candidat organisateur de concertation doit remplir les conditions suivantes :
   1° le candidat organisateur de concertation est un service ou une organisation qui offre des soins et un soutien ;
   2° le candidat organisateur de concertation garantit être en mesure de déléguer à la concertation multidisciplinaire des personnes disposant des compétences nécessaires pour accomplir les tâches d'organisateur de concertation visées à l'article 534/82.
   § 3. Les organisateurs de concertation figurant sur la liste visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, doivent participer chaque année à au moins une séance d'intervision organisée par [2 le Département Soins ]2.
   [2 Le Département Soins ]2 radie de la liste les organisateurs de concertation qui ne remplissent pas la condition visée à l'alinéa 1er.
   Un organisateur de concertation peut être radié de la liste visée au paragraphe 1, alinéa 1er, à sa propre demande. L'organisateur de concertation fait part de son intention à [2 le Département Soins]2 par voie électronique. L'organisateur de concertation est radié de la liste dans les quinze jours de la réception de son intention par [2 le Département Soins ]2.
   L'organisateur de concertation veille à ce qu'en cas de cessation de ses activités en tant qu'organisateur de concertation, les usagers pour lesquels il a prévu une concertation multidisciplinaire soient orientés, le cas échéant, en concertation avec les usagers, vers un autre organisateur de concertation.]1

  
Art. 534/86. [1 § 1. De aanvraag van een vergoedbaar multidisciplinair overleg wordt door de gebruiker, zijn mantelzorgers of de zorgaanbieders aan de overlegorganisator gevraagd.
   § 2. Naar aanleiding van de aanvraag, vermeld in het eerste lid, controleert de overlegorganisator via een digitale applicatie of de gebruiker is aangesloten bij de Vlaamse sociale bescherming.
   Als de gebruiker niet is aangesloten bij de Vlaamse sociale bescherming, informeert de overlegorganisator de gebruiker over de mogelijkheid om zich aan te sluiten en de stappen die hij daarvoor moet ondernemen. Zodra de gebruiker is aangesloten bij de Vlaamse sociale bescherming, kan een nieuwe aanvraag worden ingediend conform paragraaf 1.
   § 3. Als de gebruiker is aangesloten bij de Vlaamse sociale bescherming, bezorgt de overlegorganisator binnen vijftien werkdagen na de organisatie van het overleg en op voorwaarde dat het multidisciplinair overleg beantwoordt aan de voorwaarden, vermeld in artikel 534/80, de aanvraag van de tegemoetkoming voor een multidisciplinair overleg aan de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten.
   Als de gebruiker niet meer aangesloten is bij een zorgkas of overleden is op de datum van de aanvraag van de tegemoetkoming, vermeld in het eerste lid, wordt de aanvraag van de tegemoetkoming bezorgd aan de zorgkas waarbij de gebruiker was aangesloten op de datum waarop het multidisciplinair overleg over de gebruiker plaatsvond.
   De overlegorganisator gaat op basis van de door de minister bepaalde rangorde, vermeld in artikel 534/81, § 1, derde lid, na welke deelnemers aan het multidisciplinair overleg recht hebben op een tegemoetkoming voor hun deelname, informeert hen daarover en vraagt de gegevens, vermeld in artikel 111/10, bij de deelnemers op.
   § 4. De zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten, controleert de verzekeringsstatus van de gebruiker, controleert of er in het afgelopen jaar al een vergoedbaar multidisciplinair overleg over de gebruiker werd georganiseerd, en voert een controle uit op de door de overlegorganisator meegedeelde gegevens, vermeld in paragraaf 3, derde lid.
   Als de gegevens volledig zijn, de gebruiker verzekerd is en er over hem geen vergoedbaar multidisciplinair overleg heeft plaatsgevonden in het afgelopen jaar, wordt de aanvraag van de tegemoetkoming door de zorgkas aanvaard.
   De controle, vermeld in het eerste lid, moet door de zorgkas uitgevoerd worden binnen vijftien werkdagen die volgen op de indiening van de aanvraag van de tegemoetkoming, vermeld in paragraaf 3.
   Als in het kader van de uitbetaling van de tegemoetkoming van een deelnemer aan het multidisciplinair overleg de zorgkas op de hoogte wordt gebracht van een fout in de uitbetaling van die tegemoetkoming, neemt de zorgkas contact op met de overlegorganisator die de aanvraag van de tegemoetkoming voor een multidisciplinair overleg in kwestie heeft ingediend en vraagt ze de correcte gegevens op. De overlegorganisator bezorgt de correcte gegevens aan de zorgkas binnen een termijn van dertig werkdagen nadat de zorgkas ze heeft opgevraagd. Als de gegevens niet tijdig worden bezorgd, wordt het dossier administratief afgesloten.]1

  
Art. 534/86. [1 § 1er. L'usager, ses intervenants de proximité ou les prestataires de soins introduisent la demande de concertation multidisciplinaire remboursable auprès de l'organisateur de concertation.
   § 2. Suite à la demande visée à l'alinéa 1er, l'organisateur de concertation contrôle, par le biais d'une application numérique, si l'usager est affilié à la protection sociale flamande.
   Si l'usager n'est pas affilié à la protection sociale flamande, l'organisateur de concertation l'informe de la possibilité de s'affilier et des démarches à entreprendre à cet effet. Dès que l'usager est affilié à la protection sociale flamande, une nouvelle demande peut être introduite conformément au paragraphe 1er.
   § 3. Si l'usager est affilié à la protection sociale flamande, l'organisateur de concertation transmet, dans les quinze jours ouvrables suivant l'organisation de la concertation et à condition que la concertation multidisciplinaire remplisse les conditions visées à l'article 534/80, la demande d'intervention pour une concertation multidisciplinaire à la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié.
   Si l'usager n'est plus affilié à une caisse d'assurance soins ou est décédé à la date de la demande d'intervention visée à l'alinéa 1er, la demande d'intervention est transmise à la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager était affilié à la date à laquelle la concertation multidisciplinaire au sujet de l'usager a eu lieu.
   L'organisateur de concertation vérifie, sur la base de l'ordre déterminé par le ministre visé à l'article 534/81, § 1er, alinéa 3, quels participants à la concertation multidisciplinaire ont droit à une intervention pour leur participation, les en informe et recueille les données visées à l'article 111/10 auprès des participants.
   § 4. La caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié contrôle le statut d'assurance de l'usager, contrôle si une concertation multidisciplinaire remboursable au sujet de l'usager a déjà été organisée au cours de l'année écoulée et procède à un contrôle des données visées au paragraphe 3, alinéa 3, communiquées par l'organisateur de concertation.
   Si les données sont complètes, que l'usager est assuré et qu'aucune concertation multidisciplinaire remboursable à son sujet n'a eu lieu au cours de l'année écoulée, la caisse d'assurance soins accepte la demande d'intervention.
   La caisse d'assurance soins doit procéder au contrôle visé à l'alinéa 1er dans les quinze jours ouvrables de l'introduction de la demande d'intervention visée au paragraphe 3.
   Si, dans le cadre du paiement de l'intervention pour un participant à la concertation multidisciplinaire, la caisse d'assurance soins est informée d'une erreur dans le paiement de cette intervention, la caisse d'assurance soins contacte l'organisateur de concertation qui a introduit la demande d'intervention en question pour une concertation multidisciplinaire et lui demande les données correctes. L'organisateur de concertation transmet les données correctes à la caisse d'assurance soins dans les trente jours ouvrables suivant leur demande par la caisse d'assurance soins. Si les données ne sont pas transmises dans les délais, le dossier est clôturé administrativement.]1

  
Art. 534/87. [1 De deelnemers aan het multidisciplinair overleg ontvangen voor hun deelname een forfaitaire tegemoetkoming. Het bedrag van de forfaitaire tegemoetkoming is afhankelijk van de rol die de deelnemer aan het multidisciplinair overleg vervult:
   1° de overlegorganisator: 120 euro;
   2° de zorgbemiddelaar: 40 euro;
   3° elke vergoedbare zorgaanbieder: 25 euro.]1

  
Art. 534/87. [1 Les participants à la concertation multidisciplinaire reçoivent une intervention forfaitaire pour leur participation. Le montant de l'intervention forfaitaire dépend du rôle que remplit le participant à la concertation multidisciplinaire :
   1° l'organisateur de concertation : 120 euros ;
   2° le médiateur de soins : 40 euros ;
   3° chaque prestataire de soins remboursable : 25 euros.]1

  
Art. 534/88. [1 De bedragen van de tegemoetkomingen, vermeld in artikel 534/87, worden met ingang van het kalenderjaar 2022 ieder jaar op 1 januari aangepast aan de ontwikkeling van het afgevlakte gezondheidsindexcijfer van de consumptieprijzen van de maand april van het voorgaande jaar ten opzichte van het afgevlakte gezondheidsindexcijfer van de consumptieprijzen van de maand april 2021.]1
  
Art. 534/88. [1 A partir de l'année civile 2022, les montants des interventions visés à l'article 534/87 sont adaptés, chaque année au 1er janvier, à l'évolution de l'indice-santé lissé des prix à la consommation du mois d'avril de l'année précédente par rapport à l'indice-santé lissé des prix à la consommation du mois d'avril 2021.]1
  
Art. 534/89. [1 De tegemoetkoming voor de organisatie van en de deelname aan een multidisciplinair overleg wordt, na aanvaarding van de aanvraag door de zorgkas, door die zorgkas rechtstreeks aan de overlegorganisator, de vergoedbare zorgaanbieders en, in voorkomend geval, aan de zorgbemiddelaar uitbetaald.
   De tegemoetkomingen aan de deelnemers van het multidisciplinair overleg worden uitbetaald door de zorgkas binnen zes weken vanaf de datum van de ontvangst van de correct en volledig ingevulde aanvraag van de tegemoetkomingen conform artikel 534/86.]1

  
Art. 534/89. [1 Après acceptation de la demande par la caisse d'assurance soins, cette caisse d'assurance soins paie directement à l'organisateur de concertation, aux prestataires de soins remboursables et, le cas échéant, au médiateur de soins l'intervention pour l'organisation d'une concertation multidisciplinaire et la participation à celle-ci.
   La caisse d'assurance soins paie les interventions aux participants de la concertation multidisciplinaire dans les six semaines suivant la date de la réception de la demande d'interventions remplie correctement et complètement conformément à l'article 534/86.]1

  
Boek 3/6. [1 Revalidatievoorzieningen ]1
Livre 3/6. [1 Structures de revalidation ]1
DEEL 1. [1 Financiering en tegemoetkoming]1
Partie 1. [1 Financement et intervention ]1
TITEL 1. [1 Tegemoetkomingen voor revalidatieverstrekkingen ]1
TITRE 1er. [1 Interventions pour des prestations de revalidation ]1
Art. 534/89/1. [1 In deze titel wordt verstaan onder:
   1° eenheidsprijs: de tegemoetkoming voor de eenheidsverstrekking, vermeld in de revalidatieovereenkomst;
   2° eenheidsverstrekking: de revalidatieverstrekking die als basisverstrekking binnen de revalidatievoorziening wordt aangezien en waarvoor de revalidatievoorziening exact één keer de eenheidsprijs kan verkrijgen als ze aan de voorwaarden voldoet die in dit besluit en in de revalidatieovereenkomst worden vermeld. ]1

  
Art. 534/89/1.   [1 1° prix unitaire : l'intervention pour la prestation unitaire visée dans la convention de revalidation ;
   2° prestation unitaire : la prestation de revalidation considérée, au sein de la structure de revalidation, comme prestation de base et pour laquelle la structure de revalidation peut obtenir une seule fois le prix unitaire si elle satisfait aux conditions mentionnées dans le présent arrêté et dans la convention de revalidation. ]1

  
Art. 534/90. [1 [2 § 1. In dit artikel wordt verstaan onder:
   1° maximale facturatiecapaciteit: het maximumaantal eenheidsverstrekkingen die in hetzelfde kalenderjaar zijn gerealiseerd en die voor tegemoetkoming voor de revalidatieverstrekkingen in aanmerking komen;
   2° normale facturatiecapaciteit: het normale totaal van de eenheidsverstrekkingen die in hetzelfde kalenderjaar zijn gerealiseerd en die voor tegemoetkoming voor de revalidatieverstrekkingen in aanmerking komen]2
.
   § 2. De jaarenveloppe van de revalidatievoorzieningen wordt bepaald volgens de volgende formule: jaarenveloppe = eenheidsprijs x 90 % van het theoretische aantal eenheidsverstrekkingen.
   [2 In afwijking van het eerste lid wordt de jaarenveloppe van de revalidatievoorzieningen waarvan het erkenningsnummer begint met het nummer 7.74.6, bepaald volgens de volgende formule: jaarenveloppe = eenheidsprijs x het theoretische aantal eenheidsverstrekkingen]2.
  [2 § 2/1. De eenheidsprijs wordt berekend volgens de volgende formule: (personeelskosten + werkingskosten)/normale facturatiecapaciteit.
   In afwijking van het eerste lid wordt de eenheidsprijs van de revalidatievoorzieningen waarvan het erkenningsnummer begint met het nummer 7.74.6, bepaald volgens de volgende formule: (personeelskosten + werkingskosten)/maximale facturatiecapaciteit.
   § 2/2. De normale facturatiecapaciteit en de maximale facturatiecapaciteit worden per revalidatievoorziening geconcretiseerd in de revalidatieovereenkomst.
   De revalidatievoorziening verbindt zich ertoe nooit eenheidsverstrekkingen aan te rekenen boven de maximale facturatiecapaciteit, noch aan de gebruiker, noch aan de zorgkassen.
   § 2/3. In deze paragraaf wordt verstaan onder theoretisch aantal eenheidsverstrekkingen: het maximumaantal eenheidsverstrekkingen dat een revalidatievoorziening per kalenderjaar kan verrichten als een bezettingsgraad van 100% wordt gerealiseerd en dat wordt geconcretiseerd in de revalidatieovereenkomst.
   Het totaal van alle eenheidsverstrekkingen die voor een bepaald kalenderjaar zijn gepresteerd, overschrijdt nooit het theoretische aantal eenheidsverstrekkingen van de revalidatievoorziening die zijn vastgesteld in de revalidatieovereenkomst. De revalidatievoorziening houdt voor de berekening van de voormelde theoretische facturatiecapaciteit rekening met alle personen die gebruikmaken van of verblijven in de revalidatievoorziening, met inbegrip van de personen die niet zijn aangesloten bij de Vlaamse sociale bescherming .]2

   § 3. Voor revalidatievoorzieningen die verschillende soorten revalidatieverstrekkingen kunnen leveren, wordt in de revalidatieovereenkomst bepaald hoe de verschillende soorten revalidatieverstrekkingen zich verhouden tot de eenheidsverstrekking. Bij alle revalidatieverstrekkingen waarvoor een tegemoetkoming kan worden aangerekend, wordt in voorkomend geval een mathematische waarde ten opzichte van de eenheidsverstrekking bepaald. De grenzen van de jaarenveloppes worden daarbij gerespecteerd.
  [2 § 3/1. Een revalidatieverstrekking kan ambulant of residentieel zijn. Een ambulante revalidatieverstrekking kan in persoon in of buiten de revalidatievoorziening gepresteerd worden en kan ook digitaal of digitaal gemengd plaatsvinden. Er kan maar een tegemoetkoming worden verkregen voor een revalidatieverstrekking als die in persoon wordt uitgevoerd, tenzij de revalidatieovereenkomst toestaat dat die revalidatieverstrekking volledig of gedeeltelijk digitaal of digitaal gemengd verloopt.
   In het eerste lid wordt verstaan onder:
   1° digitaal gemengde revalidatieverstrekkingen: revalidatieprestaties die gedeeltelijk in persoon en gedeeltelijk digitaal verlopen en samen minstens de duurtijd van een factureerbare revalidatieprestatie bereiken. Digitaal gemengde revalidatieverstrekkingen moeten voldoen aan de doelstellingen, inhoudelijke voorwaarden en kwaliteitsnormen die in de revalidatieovereenkomst bepaald zijn;
   2° digitale revalidatieverstrekkingen: elke interventie met gebruik van ICT of telefonie tussen de gebruiker of de context en de zorgverlener. Digitale revalidatieverstrekkingen voldoen aan de doelstellingen, inhoudelijke voorwaarden en kwaliteitsnormen die in de revalidatieovereenkomst bepaald zijn.
   De inhoud van de revalidatieverstrekkingen en de wijze waarop die verstrekkingen zich verhouden tot de eenheidsverstrekking, wordt geconcretiseerd in de revalidatieovereenkomst.
   De digitaal gemengde revalidatieverstrekkingen en de digitale revalidatieverstrekkingen, vermeld in het eerste lid, moeten voldoen aan de doelstellingen, inhoudelijke voorwaarden en kwaliteitsnormen die in de revalidatieovereenkomst bepaald zijn.
   § 3/2. Voor de dag van de opname van de gebruiker in de revalidatievoorziening en de dag van het ontslag van de gebruiker uit de revalidatievoorziening samen wordt maar één keer een tegemoetkoming voor een verpleeg- en revalidatiedag toegekend, behalve als de gebruiker voor 12 uur wordt opgenomen op de dag van zijn opname in de revalidatievoorziening en de gebruiker na 14 uur vertrekt uit de revalidatievoorziening op de dag van zijn ontslag uit de revalidatievoorziening.
   In het eerste lid wordt onder een verpleeg- en revalidatiedag verstaan: iedere dag waarop de gebruiker daadwerkelijk in de revalidatievoorziening verblijft, die ten minste één nacht omvat, en die begrepen is in de revalidatieduur die is goedgekeurd conform artikel 534/107.]2

   § 4. De revalidatievoorziening leeft de vereisten na, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 13 januari 2006 betreffende de boekhouding en het financieel verslag voor de voorzieningen in bepaalde sectoren van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.
   § 5. De eenheidsprijs wordt vanaf 1 januari 2020 verminderd met 1,3%. ]1

  
Art. 534/90. [1 § 1er.[2 § 1er. [2 § 1er. Dans le présent article, on entend par :
   1° capacité maximale de facturation : le nombre maximum de prestations unitaires qui ont été réalisées durant la même année civile et qui sont éligibles à l'intervention pour les prestations de revalidation ;
   2° capacité normale de facturation : le total normal des prestations unitaires qui ont été réalisées durant la même année civile et qui sont éligibles à l'intervention pour les prestations de revalidation ]2
;
   § 2. L'enveloppe annuelle des structures de revalidation est calculée selon la formule suivante : enveloppe annuelle = prix unitaire x 90 % du nombre théorique de prestations unitaires.
  [2 Par dérogation à l'alinéa 1er, l'enveloppe annuelle des structures de revalidation dont le numéro d'agrément commence par 7.74.6 est déterminée selon la formule suivante : enveloppe annuelle = prix unitaire x le nombre théorique de prestations unitaires.]2
  [2 2/1. Le prix unitaire est calculé selon la formule suivante : (frais de personnel + frais de fonctionnement)/capacité normale de facturation.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, le prix unitaire des structures de revalidation dont le numéro d'agrément commence par 7.74.6 est déterminé selon la formule suivante : (frais de personnel + frais de fonctionnement)/capacité maximale de facturation.
   § 2/2. La capacité normale de facturation et la capacité maximale de facturation sont concrétisées dans la convention de revalidation par structure de revalidation.
   La structure de revalidation s'engage à ne jamais facturer de prestations unitaires au-delà de la capacité maximale de facturation, ni à l'usager ni à la caisse d'assurance soins.]2

  [2 § 2/3.Dans le présent paragraphe, on entend par nombre théorique de prestations unitaires : le nombre maximum de prestations unitaires qu'une structure de revalidation peut dispenser par année calendrier si un taux d'occupation de 100 % est réalisé et qui est concrétisé dans la convention de revalidation.
   Le total de toutes les prestations unitaires qui ont été dispensées pour une année calendrier donnée ne dépasse jamais le nombre théorique de prestations unitaires de la structure de revalidation qui ont été fixées dans la convention de revalidation. La structure de revalidation tient compte, pour le calcul de la capacité théorique de facturation précitée, de toutes les personnes qui utilisent ou séjournent dans la structure de revalidation, y compris les personnes non affiliées à la protection sociale flamande. ]2

   § 3. Pour les structures de revalidation en mesure de fournir plusieurs types de prestations de revalidation, la convention de revalidation détermine la proportion des différents types de prestations de revalidation par rapport à la prestation unitaire. Pour toutes les prestations de revalidation pour lesquelles une intervention peut être portée en compte, une valeur mathématique est déterminée le cas échéant par rapport à la prestation unitaire. A cet égard, les limites des enveloppes annuelles sont respectées.
  [2 § 3/1. Une prestation de revalidation peut être ambulatoire ou résidentielle. Une prestation de revalidation ambulatoire peut être dispensée en personne à l'intérieur ou en dehors de la structure de revalidation et peut également avoir lieu par voie numérique ou en hybride. Il ne peut être obtenu qu'une seule intervention pour une prestation de revalidation si celle-ci a été dispensée en personne, à moins que la convention de revalidation n'autorise que cette prestation de revalidation se déroule, en tout ou en partie, par voie numérique ou en hybride.
   A l'alinéa 1er, on entend par :
   1° prestations de revalidation hybrides : prestations de revalidation qui se déroulent en partie en personne et en partie par voie numérique et atteignent conjointement au moins la durée d'une prestation de revalidation facturable. Les prestations de revalidation hybrides doivent satisfaire aux objectifs, aux conditions de fond et aux normes de qualité fixés dans la convention de revalidation ;
   2° prestations de revalidation numériques : toute intervention à l'aide des TIC ou de la téléphonie entre l'usager ou le contexte et le dispensateur de soins. Les prestations de revalidation numériques satisfont aux objectifs, aux conditions de fond et aux normes de qualité fixés dans la convention de revalidation.
   Le contenu des prestations de revalidation et le rapport entre ces prestations et la prestation unitaire sont concrétisés dans la convention de revalidation.
   Les prestations de revalidation hybrides et les prestations de revalidation numériques mentionnées à l'alinéa 1er doivent satisfaire aux objectifs, aux conditions de fond et aux normes de qualité fixés dans la convention de revalidation.
   § 3/2. Pour le jour de l'admission de l'usager dans la structure de revalidation et le jour de sa sortie de la structure de revalidation conjointement, une intervention pour une journée d'hospitalisation et de revalidation n'est octroyée qu'une seule fois sauf si l'usager est admis dans la structure de revalidation avant 12 heures le jour de son admission et quitte la structure de revalidation après 14 heures le jour de sa sortie.
   A l'alinéa 1er, on entend par journée d'hospitalisation et de revalidation : chaque journée durant laquelle l'usager séjourne effectivement dans la structure de revalidation, qui comporte au moins une nuit et qui est comprise dans la durée de revalidation qui a été approuvée conformément à l'article 534/107. ]2

   § 4. La structure de revalidation respecte les exigences visées à l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 janvier 2006 concernant la comptabilité et le rapport financier pour les structures dans certains secteurs du domaine politique du Bien-Etre, de la Santé publique et de la Famille.
   § 5. Le prix unitaire est réduit de 1,3 % à partir du 1er janvier 2020. ]1

  
Art. 534/91. [1 [2 Het indexeerbare gedeelte van de tegemoetkomingen voor revalidatieverstrekkingen wordt gekoppeld aan het spilindexcijfer 123,14 (basis = 2013)]2.
   Het indexeerbare gedeelte, waarvan de grootte wordt vermeld in de [2 revalidatieovereenkomst]2, wordt aangepast, conform de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.
   De koppeling aan het indexcijfer, vermeld in het eerste lid, wordt berekend en toegepast conform artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen.
   Als de termijn, vermeld in artikel 6 van de voormelde wet, niet wordt gerespecteerd, ontvangt de revalidatievoorziening een financiële vergoeding ter compensatie van de financiële schade die ze heeft geleden door de laattijdige toekenning. ]1

  
Art. 534/91. [1 [2 La partie indexable des interventions pour des prestations de revalidation est liée à l'indice-pivot 123,14 (base = 2013). ]2.
   La partie indexable dont l'importance est mentionnée dans la [2 convention de revalidation]2, est adaptée conformément à la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
   La liaison à l'indice visée à l'alinéa 1er, est calculée et appliquée conformément à l'article 2 de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays.
   Si le délai visé à l'article 6 de la loi susmentionnée, n'est pas respecté, la structure de revalidation reçoit une indemnité financière en compensation du préjudice financier qu'elle a subi par suite de l'octroi tardif. ]1

  
Art. 534/92. [1 Dit artikel is niet van toepassing op de tegemoetkomingen voor revalidatieverstrekkingen die verleend zijn door een revalidatievoorziening waarvan het erkenningsnummer begint met 7.74.6 en 9.69.
   Het aandeel van de personeelskosten in de tegemoetkomingen voor revalidatieverstrekkingen wordt berekend in de revalidatieovereenkomst. Het basisbedrag van het aandeel van de financiering van het genormeerde personeel in de tegemoetkomingen voor revalidatieverstrekkingen is gelijk aan de som van het aantal voltijdsequivalenten, dat wordt uitgedrukt in ingevulde arbeidsuren, in een bepaalde kwalificatie, vermenigvuldigd met de loonkosten van die kwalificatie, waarbij:
   1° het aantal voltijdsequivalenten, uitgedrukt in arbeidsuren, wordt bepaald conform artikel 534/92/3;
   2° de loonkosten worden bepaald aan de hand van de gegevens in het personeelskostendossier, vermeld in het vijfde lid.
   Het aandeel van de personeelskosten in de tegemoetkomingen voor revalidatieverstrekkingen wordt aan de reële personeelskosten aangepast zodra de werkelijke personeelsuitgaven ten gevolge van de evolutie van de anciënniteit van het werkelijk tewerkgestelde personeel 1% hoger liggen dan de personeelskosten die begrepen zijn in de tegemoetkoming voor revalidatieverstrekkingen.
   Om het aandeel van de personeelskosten in de tegemoetkoming voor revalidatieverstrekkingen en de aanpassing van de tegemoetkoming voor revalidatieverstrekkingen, vermeld in het derde lid, en artikel 534/92/4, te berekenen, bezorgt de revalidatievoorziening, conform een model dat het agentschap bepaalt, een volledig geactualiseerd en gedocumenteerd personeelskostendossier aan het agentschap. Het agentschap bewaart het personeelskostendossier tot het ogenblik dat de tegemoetkoming voor revalidatieverstrekkingen conform het derde lid en artikel 534/92/4 wordt aangepast of tot één jaar na de beëindiging van de revalidatieovereenkomst.
   Het personeelskostendossier, vermeld in het vierde lid, vermeldt voor ieder personeelslid van wie de loonkosten in de berekening van de tegemoetkomingen voor revalidatieverstrekkingen kunnen worden opgenomen, de volgende gegevens en documenten:
   1° de voor- en achternaam en het INSZ-nummer;
   2° de functie binnen de revalidatievoorziening;
   3° een kopie van het diploma;
   4° het aantal uren tewerkstelling per week binnen de revalidatievoorziening;
   5° de anciënniteit op het moment van de berekening, uitgedrukt in jaren en maanden;
   6° de loonschaal en het loonbarema;
   7° de vermelding of de betrokkene al dan niet recht heeft op een functietoeslag;
   8° in voorkomend geval, het bedrag van de functietoeslag;
   9° de vermelding of de betrokkene al dan niet recht heeft op een haard- of standplaatsvergoeding;
   10° in voorkomend geval, het bedrag van de haard- of standplaatsvergoeding;
   11° de vermelding of de betrokkene al dan niet onregelmatige uren presteert;
   12° de afstand, in enkele richting, van de woonplaats tot de revalidatievoorziening, uitgedrukt in aantal kilometer;
   13° het bedrag van de vergoeding voor woon-werkverkeer;
   14° het brutoloon van de betrokkene;
   15° het vakantiegeld;
   16° de eindejaarspremie en attractiviteitspremie;
   17° de bijdragen aan de RSZ;
   18° het sociaal secretariaat;
   19° de kosten met betrekking tot arbeidsgeneeskunde;
   20° de kosten met betrekking tot wetsverzekering;
   21° de vakbondspremie.
   Het personeelskostendossier, vermeld in het vierde lid, bevat de nodige bewijsstukken van de kosten, vermeld in het vijfde lid.
   De revalidatievoorziening bewaart de personeelsgegevens, vermeld in het vijfde lid, tot één jaar na het vertrek van het personeelslid.
   Het agentschap bewaart het personeelskostendossier tot maximaal één jaar na de ontvangst van een geactualiseerd personeelskostendossier of tot één jaar na de beëindiging van de revalidatieovereenkomst.
   Als een personeelskostendossier als vermeld in het vierde lid, niet beantwoordt aan de voorwaarden, vermeld in het vijfde en zesde lid, wordt het voormelde personeelskostendossier door het agentschap als onontvankelijk beschouwd. In voorkomend geval wordt de beslissing over de onontvankelijkheid meegedeeld aan de revalidatievoorziening binnen dertig dagen na de dag waarop het agentschap het voormelde personeelskostendossier heeft ontvangen.
   De minister beslist over een vaststelling van de aanpassing van de tegemoetkoming voor revalidatieverstrekkingen, vermeld in het derde lid. Het agentschap brengt de revalidatievoorziening en de zorgkassen op de hoogte van de voormelde beslissing van de minister. De aangepaste tegemoetkoming voor revalidatieverstrekkingen wordt van kracht uiterlijk op de eerste dag van de vierde maand die volgt op de maand waarin het agentschap een ontvankelijk personeelskostendossier heeft ontvangen.
   Als het agentschap de termijn, vermeld in het tiende lid, niet naleeft, ontvangt de revalidatievoorziening een financiële vergoeding om de financiële schade te compenseren die ze heeft geleden door de laattijdige toekenning ]1
.
  
Art. 534/92. [1 Le présent article ne s'applique pas aux interventions pour des prestations de revalidation qui ont été dispensées par une structure de revalidation dont le numéro d'agrément commence par 7.74.6 et 9.69.
   La part des frais de personnel dans les interventions pour des prestations de revalidation est calculée dans la convention de revalidation. Le montant de base de la part du financement du personnel normé dans les interventions pour des prestations de revalidation est égal à la somme du nombre d'équivalents temps plein, exprimé en heures de travail remplies, dans une qualification donnée, multipliée par les coûts salariaux de cette qualification, où :
   1° le nombre d'équivalents temps plein, exprimé en heures de travail, est déterminé conformément à l'article 534/92/3 ;
   2° les coûts salariaux sont déterminés à l'aide des données figurant dans le dossier des frais de personnel mentionné à l'alinéa 5.
   La part des frais de personnel dans les interventions pour des prestations de revalidation est adaptée aux frais réels de personnel dès l'instant où les dépenses réelles de personnel dépassent de 1 % les frais de personnel compris dans l'intervention pour des prestations de revalidation en conséquence de l'évolution de l'ancienneté du personnel réellement occupé.
   Pour calculer la part des frais de personnel dans l'intervention pour des prestations de revalidation et l'adaptation de l'intervention pour des prestations de revalidation, au sens de l'alinéa 3 et de l'article 534/92/4, la structure de revalidation transmet à l'agence un dossier des frais de personnel entièrement actualisé et documenté selon un modèle que l'agence détermine. L'agence conserve le dossier des frais de personnel jusqu'au moment où l'intervention pour des prestations de revalidation est adaptée conformément à l'alinéa 3 et à l'article 534/92/4 ou jusqu'à un an après la fin de la convention de revalidation.
   Le dossier des frais de personnel visé à l'alinéa 4, contient, pour chaque membre du personnel dont les coûts salariaux peuvent être repris dans le calcul des interventions pour des prestations de revalidation, les données et documents suivants :
   1° les nom et prénom et le numéro NISS ;
   2° la fonction au sein de la structure de revalidation ;
   3° une copie du diplôme ;
   4° le nombre d'heures d'occupation par semaine au sein de la structure de revalidation ;
   5° l'ancienneté au moment du calcul, exprimée en années et en mois ;
   6° l'échelle de traitement et le barème salarial ;
   7° l'indication que l'intéressé a droit ou non à un supplément de fonction ;
   8° le cas échéant, le montant du supplément de fonction ;
   9° l'indication que l'intéressé a droit ou non à une allocation de foyer ou de résidence ;
   10° le cas échéant, le montant de l'allocation de foyer ou de résidence ;
   11° l'indication que l'intéressé preste ou non des heures irrégulières ;
   12° la distance (aller simple) du domicile jusqu'à la structure de revalidation, exprimée en nombre de kilomètres ;
   13° le montant de l'indemnité pour le déplacement domicile/lieu de travail ;
   14° le salaire brut de l'intéressé ;
   15° le pécule de vacances ;
   16° la prime de fin d'année et la prime d'attractivité ;
   17° les cotisations à l'ONSS ;
   18° le secrétariat social ;
   19° les coûts relatifs à la médecine du travail ;
   20° les coûts relatifs à l'assurance-loi ;
   21° la prime syndicale.
   Le dossier des frais de personnel visé à l'alinéa 4 contient les pièces justificatives nécessaires des frais visés à l'alinéa 5.
   La structure de revalidation conserve les données à caractère personnel visées à l'alinéa 5 jusqu'à un an après le départ du membre du personnel.
   L'agence conserve le dossier des frais de personnel jusqu'à un an maximum après la réception d'un dossier des frais de personnel actualisé ou jusqu'à un an après la fin de la convention de revalidation.
   Si un dossier des frais de personnel tel que visé à l'alinéa 4 ne répond pas aux conditions énoncées aux alinéas 5 et 6, l'agence le considère comme irrecevable. Le cas échéant, la décision au sujet de l'irrecevabilité est communiquée à la structure de revalidation dans les trente jours de la réception par l'agence du dossier des frais de personnel précité.
   Le ministre prend une décision constatant l'adaptation de l'intervention pour des prestations de revalidation visée à l'alinéa 3. L'agence informe la structure de revalidation et les caisses d'assurance soins de la décision précitée du ministre. L'intervention adaptée pour des prestations de revalidation prend effet au plus tard, le premier jour du quatrième mois suivant celui au cours duquel l'agence a reçu un dossier des frais de personnel recevable.
   Si l'agence ne respecte pas le délai visé à l'alinéa 10, la structure de revalidation reçoit une indemnité financière en compensation du préjudice financier qu'elle a subi par suite de l'octroi tardif. ". ]1

  
Art. 534/92/1. [1 Voor de maanden oktober 2022 tot en met december 2022 wordt een compenserend budget betaald op voorwaarde dat de revalidatievoorziening minstens 50% van het theoretische aantal eenheidsprestaties heeft gepresteerd en gefactureerd aan de zorgkassen.
   Het compenserende budget, vermeld in het eerste lid, is het verschil tussen het bedrag dat overeenstemt met de reguliere prestaties in de maanden oktober 2019 tot en met december 2019, en het bedrag dat, op basis van de bepalingen van dit besluit, aan de zorgkassen is gefactureerd voor de gerealiseerde revalidatieprestaties in de maanden oktober 2022 tot en met december 2022.
   Het bedrag dat overeenstemt met de reguliere prestaties, vermeld in het tweede lid, wordt door het agentschap berekend en is het product van het aantal eenheidsprestaties in de periode in kwestie met de vigerende eenheidsprijs, vermeld in artikel 534/90, 1°.
   Het compenserende budget voor de maanden, vermeld in het eerste lid, wordt voor 80% betaald in maart 2023. Het saldo wordt in januari 2024 betaald op basis van de reële uitgaven door de zorgkassen, zoals die bekend zijn bij het agentschap.
   Als bij de eindafrekening blijkt dat het compenserende budget voor de maanden oktober 2022 tot en met december 2022 dat al is uitbetaald, te hoog was, vordert het agentschap het te veel betaalde deel van het compenserende budget terug dat al is uitbetaald. ]1

  
Art. 534/92/1. [1 Un budget de compensation est payé pour les mois d'octobre 2022 à décembre 2022 à condition qu'au moins 50% du nombre théorique de prestations unitaires aient été effectués et facturés aux caisses d'assurance soins par la structure de revalidation.
   Le budget de compensation, visé à l'alinéa 1er, est la différence entre le montant correspondant aux prestations régulières des mois d'octobre 2019 à décembre 2019, et le montant facturé aux caisses d'assurance soins sur la base des dispositions du présent arrêté, pour les prestations de revalidation réalisées au cours des mois d'octobre 2022 à décembre 2022.
   Le montant correspondant aux prestations régulières, figurant à l'alinéa 2, est calculé par l'agence et est le produit du nombre de prestations unitaires dans la période en question et le prix unitaire en vigueur, figurant à l'article 534/90, 1°.
   Le budget de compensation pour les mois, figurant à l'alinéa 1er, sera payé à 80% en mars 2023. Le solde sera payé en janvier 2024 sur la base des dépenses réelles des caisses d'assurance soins, telles que connues par l'agence.
   S'il ressort lors du décompte final que le budget de compensation pour les mois d'octobre 2022 à décembre 2022 déjà payé, était trop élevé, l'agence recouvre la partie payée en trop du budget de compensation déjà payé. ]1

  
Art. 534/92/2. [1 De revalidatievoorziening verbindt zich ertoe om het personeelsbestand, zoals opgenomen in de revalidatieovereenkomst, altijd volledig in te vullen.
   Als een functie in het personeelsbestand van de revalidatievoorziening contractueel wordt vervuld door een zelfstandige, verbindt de revalidatievoorziening zich ertoe voor de prestaties van die zelfstandige een honorarium uit te betalen dat minstens gelijk is aan de totale loonkosten in geval van tewerkstelling op basis van het werknemersstatuut. De voormelde totale loonkosten omvatten in geval van tewerkstelling op basis van het werknemersstatuut naast de brutobezoldiging onder meer het vakantiegeld, alle premies en de RSZ-bijdragen van de werkgever.
   Voor iedere functie die contractueel vervuld wordt door een zelfstandige, bezorgt de revalidatievoorziening onmiddellijk een kopie van het zelfstandig gesloten contract tussen de revalidatievoorziening en de betrokken zelfstandige aan het agentschap als het agentschap dat vraagt.92/3.]1

  
Art. 534/92/2. [1 La structure de revalidation s'engage à toujours remplir complètement l'effectif du personnel tel que repris dans convention de revalidation.
   Si une fonction au sein de l'effectif du personnel de la structure de revalidation est remplie de façon contractuelle par un travailleur indépendant, la structure de revalidation s'engage à verser pour les prestations de ce travailleur indépendant des honoraires au moins égaux à la charge salariale totale en cas d'occupation sur la base du statut des travailleurs salariés. La charge salariale totale précitée en cas d'occupation sur la base du statut des travailleurs salariés comporte notamment, outre la rémunération brute, le pécule de vacances, l'ensemble des primes et les cotisations patronales ONSS.
   La structure de revalidation transmet immédiatement à l'agence, si celle-ci en fait la demande, une copie du contrat conclu entrela structure de revalidation et le travailleur indépendant concerné pour chaque fonction remplie de façon contractuelle par un travailleur indépendant. ]1

  
Art. 534/92/3. [1 Het agentschap berekent het aantal voltijdsequivalenten en de arbeidsuren die ze vertegenwoordigen per kwalificatie die in de revalidatievoorziening aanwezig is, zoals opgenomen in de revalidatieovereenkomst. Bij die berekening wordt een fysieke persoon die voltijds bij dezelfde revalidatievoorziening werkt, in aanmerking genomen voor een gemiddelde arbeidsduur van maximaal 38 uur per week.
   De voltijdsequivalenten van de volgende personeelsleden worden niet in aanmerking genomen om de eenheidsprijs te berekenen:
   1° de personeelsleden die vrijgesteld zijn van arbeidsprestaties in het kader van de eindeloopbaanproblematiek, conform de bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomsten ter zake, voor de periode waarin ze van de voormelde arbeidsprestaties zijn vrijgesteld;
   2° de personeelsleden die door de revalidatievoorziening zijn aangeworven als compensatie voor een vermindering van de RSZ-bijdragen van de werkgever;
   3° de personeelsleden waarvoor in de revalidatieovereenkomst wordt bepaald dat ze niet in aanmerking worden genomen om de eenheidsprijs te berekenen.
   De voltijdsequivalenten van de volgende personeelsleden worden wel in aanmerking genomen om de eenheidsprijs te berekenen:
   1° een personeelslid dat door de revalidatievoorziening is ontslagen en dat op verzoek van de revalidatievoorziening geen arbeidsprestaties meer verricht tijdens de nog bezoldigde wettelijke vooropzegperiode, gedurende die periode;
   2° een personeelslid dat afwezig is wegens ziekte gedurende de wettelijke periode van gewaarborgd loon. Tijdens de voormelde periode wordt het zieke personeelslid nog daadwerkelijk door de revalidatievoorziening bezoldigd. ]1

  
Art. 534/92/3. [1 L'agence calcule le nombre d'équivalents temps plein et les heures de travail qu'ils représentent par qualification présente au sein de la structure de revalidation telle que reprise dans la convention de revalidation. Pour ce calcul, une personne physique qui travaille à temps plein auprès de la même structure de revalidation est prise en considération pour une durée moyenne de travail de 38 heures maximum par semaine.
   Les équivalents temps plein des membres du personnel suivants ne sont pas pris en considération pour calculer le prix unitaire :
   1° les membres du personnel dispensés de prestations de travail dans le cadre de la problématique de fin de carrière, conformément aux dispositions des conventions collectives de travail en la matière, pour la période durant laquelle ils ont été dispensés des prestations de travail précitées ;
   2° les membres du personnel qui ont été engagés par la structure de revalidation en compensation d'une réduction des cotisations patronales ONSS ;
   3° les membres du personnel pour lesquels la convention de revalidation stipule qu'ils ne sont pas pris en considération pour calculer le prix unitaire.
   Les équivalents temps plein des membres du personnel suivants sont bel et bien pris en considération pour calculer le prix unitaire :
   1° un membre du personnel qui a été congédié par la structure de revalidation et qui n'accomplit plus de prestations de travail à la demande de la structure de revalidation pendant la période légale de préavis encore rémunérée, durant cette période ;
   2° un membre du personnel qui est absent pour cause de maladie durant la période légale de salaire garanti. Pendant la période précitée, le membre du personnel malade est encore effectivement rémunéré par la structure de revalidation. ]1

  
Art. 534/92/4. [1 Als er een tekort is aan personeel met een bepaalde kwalificatie conform het kader dat in de revalidatieovereenkomst is vooropgesteld, vermeld in artikel 534/92/2, wordt daarvoor de volgende vermindering bepaald: het brutojaarloon dat de niet-ingevulde arbeidsuren (op jaarbasis) vertegenwoordigt (= deel A) en het gecumuleerde brutojaarloon van de volledige equipe (= deel B) worden bepaald op basis van de gegevens, vermeld in artikel 534/92. Vervolgens wordt de verhouding (in procent) bepaald die deel A ten opzichte van deel B vertegenwoordigt. Ten slotte wordt het berekende percentage vermenigvuldigd met 1,25. Dat nieuwe percentage wordt toegepast op het bedrag van de vastgestelde prijs van de eenheidsverstrekking die conform de revalidatieovereenkomst van toepassing is op de datum dat de forfaitvermindering zou ingaan.
   Als het agentschap vaststelt dat de revalidatievoorziening zich niet gehouden heeft aan de personeelsequipe, vermeld in de revalidatieovereenkomst, kan de minister beslissen om, naast andere nuttig geachte maatregelen, de vastgestelde prijzen, vermeld in de revalidatieovereenkomst, met een bepaald bedrag en voor een bepaalde periode te verminderen. De voormelde periode duurt niet langer dan de periode van de niet-naleving van de verplichtingen van dit artikel. De revalidatievoorziening krijgt in ieder geval de kans om schriftelijk de redenen van de niet-naleving uit te leggen. ]1

  
Art. 534/92/4. [1 En cas de pénurie de personnel ayant une qualification donnée conformément au cadre défini dans la convention de revalidation, mentionné dans l'article 534/92/2, la réduction suivante est appliquée : le salaire annuel brut qui représente les heures de travail non remplies (sur une base annuelle) (= partie A) et le salaire annuel brut cumulé de l'équipe complète (= partie B) sont déterminés sur la base des données mentionnées à l'article 534/92. La proportion (en pour cent) que la partie A représente par rapport à la partie B est ensuite déterminée. Enfin, le pourcentage calculé est multiplié par 1,25. Ce nouveau pourcentage est appliqué au montant du prix fixé de la prestation unitaire qui s'applique, conformément à la convention de revalidation, à la date à laquelle la réduction forfaitaire prendrait effet.
   Si l'agence constate que la structure de revalidation ne s'en est pas tenue à l'équipe mentionnée dans la convention de revalidation, le ministre peut décider, outre d'autres mesures jugées utiles, de diminuer les prix fixés, mentionnés dans la convention de revalidation, d'un montant donné et pour une période donnée. La période précitée n'excède pas la période du non-respect des obligations du présent article. La structure de revalidation aura en tout cas la possibilité d'exposer par écrit les motifs du non-respect.]1

  
TITEL 2. [1 Cumulatie van tegemoetkomingen ]1
TITRE 2. [1 Cumul d'interventions ]1
Art. 534/93. [1 In deze titel wordt verstaan onder:
   1° verblijf in een revalidatievoorziening: er wordt aan de gebruiker een van de volgende residentiële revalidatieverstrekkingen verleend:
   a) een verpleeg- en revalidatiedag van 140%;
   b) een verpleeg- en revalidatiedag van 100%;
   c) een verpleegdag van minder dan 100% of een verpleeg- en revalidatiedag van 209%;
   2° verpleeg- en revalidatiedag: een verpleeg- en revalidatiedag als vermeld in artikel 534/90, § 3/2.
   De invulling van de residentiële revalidatieverstrekkingen, vermeld in het eerste lid, 1°, a) tot en met c), wordt in de individuele revalidatieovereenkomst van de revalidatievoorziening vastgelegd ]1

  
Art. 534/93. [1 Dans le présent titre, on entend par :
   1° séjour dans une structure de revalidation : l'une des prestations de revalidation résidentielles suivantes est dispensée à l'usager :
   a) une journée d'hospitalisation et de revalidation de 140 % ;
   b) une journée d'hospitalisation et de revalidation de 100% ;
   c) une journée d'hospitalisation de moins de 100 % ou une journée d'hospitalisation et de revalidation de 209 % ;
   2° journée d'hospitalisation et de revalidation : une journée d'hospitalisation et de revalidation telle que visée à l'article 534/90, § 3/2.
   Le contenu des prestations de revalidation résidentielles visées à l'alinéa 1er, 1°, a) à c), est fixé dans la convention. de revalidation individuelle de la structure de revalidation ]1
.
  
Art. 534/93/1. [1 In de revalidatievoorzieningen waarvan het erkenningsnummer begint met 7.71, 7.76.5 of 9.69, wordt een tegemoetkoming voor het verblijf in een revalidatievoorziening niet gecumuleerd met een tegemoetkoming voor het gebruik van of het verblijf in een andere revalidatievoorziening binnen het toepassingsgebied van dit besluit[2 ...]2 tijdens dezelfde periode, tenzij dat verblijf in beide revalidatievoorzieningen niet op dezelfde dag plaatsvindt.
   In de revalidatievoorzieningen waarvan het erkenningsnummer begint met 7.71, 7.76.5 of 9.69, wordt een tegemoetkoming in reiskosten als vermeld in artikel 534/105/1 en 534/105/6 van dit besluit, niet gecumuleerd met een tegemoetkoming voor een verblijf in een revalidatievoorziening binnen het toepassingsgebied van dit besluit [2 ...]2.
   In de revalidatievoorzieningen waarvan het erkenningsnummer begint met 7.72, 7.73, 7.74, wordt een tegemoetkoming voor het verblijf in een revalidatievoorziening niet gecumuleerd met een tegemoetkoming voor het verblijf in een andere revalidatievoorziening binnen het toepassingsgebied van dit besluit [2 ...]2tijdens dezelfde periode, tenzij dat verblijf in beide revalidatievoorzieningen niet op dezelfde dag plaatsvindt.93/2.]1

  
Art. 534/93/1. [1 Dans les structures de revalidation dont le numéro d'agrément commence par 7.71, 7.76.5 ou 9.69, une intervention pour le séjour dans une structure de revalidation n'est pas cumulée avec une intervention pour l'utilisation d'une autre structure de revalidation ou le séjour dans une autre structure de revalidation relevant du champ d'application du présent arrêté [2 ...]2 durant la même période, à moins que ce séjour dans les deux structures de revalidation n'ait pas lieu le même jour.
   Dans les structures de revalidation dont le numéro d'agrément commence par 7.71, 7.76.5 ou 9.69, une intervention dans les frais de déplacement telle que visée aux articles 534/105/1 et 534/105/6 du présent arrêté n'est pas cumulée avec une intervention pour un séjour dans une structure de revalidation relevant du champ d'application du présent arrêté [2 ...]2.
   Dans les structures de revalidation dont le numéro d'agrément commence par 7.72, 7.73 ou 7.74, une intervention pour le séjour dans une structure de revalidation n'est pas cumulée avec une intervention pour le séjour dans une autre structure de revalidation relevant du champ d'application du présent arrêté [2 ...]2 durant la même période, à moins que ce séjour dans les deux structures de revalidation n'ait pas lieu le même jour. ]1

  
Art. 534/93/2. [1 . Dit artikel is van toepassing op de revalidatievoorzieningen waarvan het erkenningsnummer begint met 7.72, 7.73, 7.74, 9.53 of 9.65.
   Een tegemoetkoming voor een verpleegdag van 100%, voor een verpleegdag van 140% in een revalidatievoorziening of voor een verpleegdag van 209% in een revalidatievoorziening kan niet gecumuleerd worden met een tegemoetkoming voor een ambulante prestatie op dezelfde dag in een andere revalidatievoorziening binnen het toepassingsgebied van dit besluit of binnen het toepassingsgebied, vermeld in artikel 1/1 van het besluit van 7 december 2018, tenzij het gaat over een ambulante prestatie outreach of context.
   In het tweede lid wordt verstaan onder:
   1° verpleegdag van 100%: er worden aan de gebruiker in de revalidatievoorziening een of meer revalidatieverstrekkingen verleend die conform de bepalingen van de revalidatieovereenkomst als een verpleegdag van 100% worden aangemerkt;
   2° verpleegdag van 140%: er worden aan de gebruiker in de revalidatievoorziening een of meer revalidatieverstrekkingen verleend die conform de bepalingen van de revalidatieovereenkomst als een verpleegdag van 140% worden aangemerkt;
   3° verpleegdag van 209%: er worden aan de gebruiker in de revalidatievoorziening een of meer revalidatieverstrekkingen verleend die conform de bepalingen van de revalidatieovereenkomst als een verpleegdag van 209% worden aangemerkt;
   4° ambulante revalidatieverstrekking: er worden aan de gebruiker een of meer revalidatieverstrekkingen verleend die conform de bepalingen van de revalidatieovereenkomst als een ambulante revalidatieverstrekking worden aangemerkt.
   Een revalidatievoorziening wordt ook aangezien als een andere revalidatievoorziening als vermeld in het tweede lid, als ze voldoet aan de volgende voorwaarden:
   1° het erkenningsnummer begint met 7.73;
   2° ze verstrekt residentiële en ambulante revalidatieverstrekkingen;
   3° ze heeft een gescheiden personeelsequipe en een gescheiden facturatiecapaciteit voor het onderdeel dat de residentiële revalidatieverstrekkingen verleent en een gescheiden personeelsequipe en een gescheiden facturatiecapaciteit voor het onderdeel dat de ambulante revalidatieverstrekkingen verleent. ]1

  
Art. 534/93/2. [1 Le présent article s'applique aux structures de revalidation dont le numéro d'agrément commence par 7.72, 7.73, 7.74, 9.53 ou 9.65.
   Une intervention pour une journée d'hospitalisation de 100 %, pour une journée d'hospitalisation de 140 % dans une structure de revalidation ou pour une journée d'hospitalisation de 209 % dans une structure de revalidation ne peut pas être cumulée avec une intervention pour une prestation ambulatoire le même jour dans une autre structure de revalidation relevant du champ d'application du présent arrêté ou du champ d'application visé à l'article 1/1 de l'arrêté du 7 décembre 2018, à moins qu'il ne s'agisse d'une prestation ambulatoire en " outreach " ou en contexte.
   A l'alinéa 2, on entend par :
   1° journée d'hospitalisation de 100 % : une ou plusieurs prestations de revalidation, considérées comme une journée d'hospitalisation de 100 % conformément aux dispositions de la convention de revalidation, sont dispensées à l'usager au sein de la structure de revalidation ;
   2° journée d'hospitalisation de 140% : une ou plusieurs prestations de revalidation, considérées comme une journée d'hospitalisation de 140% conformément aux dispositions de la convention de revalidation, sont dispensées à l'usager au sein de la structure de revalidation ;
   3° journée d'hospitalisation de 209% : une ou plusieurs prestations de revalidation, considérées comme une journée d'hospitalisation de 209% conformément aux dispositions de la convention de revalidation, sont dispensées à l'usager au sein de la structure de revalidation ;
   4° prestation de revalidation ambulatoire : une ou plusieurs prestations de revalidation, considérées comme une prestation de revalidation ambulatoire conformément aux dispositions de la convention de revalidation, sont dispensées à l'usager.
   Une structure de revalidation est également considérée comme une autre structure de revalidation telle que visée à l'alinéa 2 si elle satisfait aux conditions suivantes :
   1° le numéro d'agrément commence par 7.73 ;
   2° elle dispense des prestations de revalidation résidentielles et ambulatoires ;
   3° elle dispose d'une équipe distincte et d'une capacité de facturation distincte pour l'unité qui dispense les prestations de revalidation résidentielles et d'une équipe distincte et d'une capacité de facturation distincte pour l'unité qui dispense les prestations de revalidation ambulatoires. ]1

  
Art. 534/94. [1 In de revalidatievoorzieningen waarvan het erkenningsnummer begint met 7.71, [3 of 7.76.5]3 kan een tegemoetkoming voor een ambulante revalidatieverstrekking niet gecumuleerd worden met een tegemoetkoming voor een ambulante revalidatieverstrekking op dezelfde dag in een andere revalidatievoorziening binnen het toepassingsgebied [2 ...]2.
  [3 In de revalidatievoorzieningen waarvan het erkenningsnummer begint met 9.69, kan een tegemoetkoming voor een ambulante revalidatieverstrekking niet gecumuleerd worden met een tegemoetkoming voor een ambulante revalidatieverstrekking op dezelfde dag in een andere revalidatievoorziening waarvan het erkenningsnummer begint met 9.69.]3
   In het eerste [3 en tweede]3 lid wordt verstaan onder een ambulante revalidatieverstrekking: er worden aan de gebruiker een of meer revalidatieverstrekkingen verleend die conform de bepalingen van de revalidatieovereenkomst als een ambulante revalidatieverstrekking worden aangemerkt.
   In de revalidatievoorzieningen waarvan het erkenningsnummer begint met 7.72, 7.73, 7.74, 9.53 of 9.65 kan een tegemoetkoming voor een ambulante revalidatieverstrekking voor een volledige revalidatiedag niet gecumuleerd worden met een tegemoetkoming voor een ambulante revalidatieverstrekking voor een volledige of een halve revalidatiedag of een revalidatieforfait van 300% op dezelfde dag in een andere revalidatievoorziening binnen het toepassingsgebied van dit besluit [2 ...]2.
   In het [3 vierde]3 lid wordt verstaan onder:
   1° ambulante revalidatieverstrekking voor een volledige revalidatiedag: er worden aan de gebruiker een of meer revalidatieverstrekkingen verleend die conform de bepalingen van de revalidatieovereenkomst als een ambulante revalidatieverstrekking voor een volledige revalidatiedag worden aangemerkt;
   2° ambulante revalidatieverstrekking voor een halve revalidatiedag: er worden aan de gebruiker een of meer revalidatieverstrekkingen verleend die conform de bepalingen van de revalidatieovereenkomst als een ambulante revalidatieverstrekking voor een halve revalidatiedag worden aangemerkt;
   3° een revalidatieforfait 300%: er worden aan de gebruiker een of meer revalidatieverstrekkingen verleend die conform de bepalingen van de revalidatieovereenkomst als een ambulante revalidatieverstrekking voor een revalidatieforfait van 300% worden aangemerkt.
   Een tegemoetkoming voor een diagnosezitting of voor een aanvangsbilan wordt niet gecumuleerd met een tegemoetkoming voor een diagnosezitting of een aanvangsbilan in een andere revalidatievoorziening in dezelfde aanvaarde revalidatieperiode als het gaat om dezelfde aandoening ]1
.
  
Art. 534/94. [1 Dans les structures de revalidation dont le numéro d'agrément commence par 7.71 [3 ou 7.76.5 ]3 une intervention pour une prestation de revalidation ambulatoire ne peut pas être cumulée avec une intervention pour une prestation de revalidation ambulatoire le même jour dans une autre structure de revalidation relevant du champ d'application du présent arrêté [2 ...]2.
  [3 Dans les structures de revalidation dont le numéro d'agrément commence par 9.69, une intervention pour une prestation de revalidation ambulatoire ne peut pas être cumulée avec une intervention pour une prestation de revalidation ambulatoire le même jour dans une autre structure de revalidation dont le numéro d'agrément commence par 9.69. ]3
   [3 Aux alinéas 1er et deux ]3 on entend par prestation de revalidation ambulatoire : une ou plusieurs prestations de revalidation, considérées comme une prestation de revalidation ambulatoire conformément aux dispositions de la convention de revalidation, sont dispensées à l'usager.
   Dans les structures de revalidation dont le numéro d'agrément commence par 7.72, 7.73, 7.74, 9.53 ou 9.65, une intervention pour une prestation de revalidation ambulatoire pour une journée complète de revalidation ne peut pas être cumulée avec une intervention pour une prestation de revalidation ambulatoire pour une journée complète ou une demi-journée de revalidation ou un forfait de revalidation de 300 % le même jour dans une autre structure de revalidation relevant du champ d'application du présent arrêté [2 ...]2.
  [3 A l'alinéa 4]3 on entend par :
   1° prestation de revalidation ambulatoire pour une journée complète de revalidation : une ou plusieurs prestations de revalidation, considérées comme une prestation de revalidation ambulatoire pour une journée complète de revalidation conformément aux dispositions de la convention de revalidation, sont dispensées à l'usager ;
   2° prestation de revalidation ambulatoire pour une demi-journée de revalidation : une ou plusieurs prestations de revalidation, considérées comme une prestation de revalidation ambulatoire pour une demi-journée de revalidation conformément aux dispositions de la convention de revalidation, sont dispensées à l'usager ;
   3° un forfait de revalidation de 300 % : une ou plusieurs prestations de revalidation, considérées comme une prestation de revalidation ambulatoire pour un forfait de revalidation de 300 % conformément aux dispositions de la convention de revalidation, sont dispensées à l'usager ;
   une intervention pour une séance de diagnostic ou pour un bilan initial n'est pas cumulée avec une intervention pour une séance de diagnostic ou un bilan initial dans une autre structure de revalidation durant la même période de revalidation admise s'il s'agit de la même affection ]1
.
  
Art. 534/95. [1 Een tegemoetkoming voor het verblijf in een revalidatievoorziening kan niet gecumuleerd worden met een tegemoetkoming voor een verblijf in dezelfde revalidatievoorziening op dezelfde dag ]1.
  
Art. 534/95. [1 Une intervention pour le séjour dans une structure de revalidation ne peut pas être cumulée avec une intervention pour un séjour dans la même structure de revalidation le même jour ]1
  
Art. 534/95/1. [1 Een tegemoetkoming voor een verblijf in een revalidatievoorziening wordt niet gecumuleerd met een tegemoetkoming voor een ambulante revalidatieverstrekking in dezelfde revalidatievoorziening op dezelfde dag.
   In afwijking van het eerste lid kan in de revalidatievoorziening met het erkenningsnummer 7.74.051.09 een tegemoetkoming voor een verblijf in een revalidatievoorziening gecumuleerd worden met een tegemoetkoming voor een ambulante revalidatieverstrekking in dezelfde revalidatievoorziening op dezelfde dag.
   In het eerste en tweede lid wordt verstaan onder een ambulante revalidatieverstrekking: er worden aan de gebruiker een of meer revalidatieverstrekkingen verleend die conform de bepalingen van de revalidatieovereenkomst als een ambulante revalidatieverstrekking worden aangemerkt.
   Een revalidatievoorziening wordt niet aangezien als dezelfde revalidatievoorziening, vermeld in het eerste lid, als ze voldoet aan al de volgende voorwaarden:
   1° het erkenningsnummer begint met 7.73;
   2° ze verstrekt residentiële en ambulante revalidatieverstrekkingen;
   3° ze heeft een gescheiden personeelsequipe en een gescheiden facturatiecapaciteit voor het onderdeel dat de residentiële revalidatieverstrekkingen verleent, en een gescheiden personeelsequipe en een gescheiden facturatiecapaciteit voor het onderdeel dat de ambulante revalidatieverstrekkingen verleent. ]1

  
Art. 534/95/1. [1 Une intervention pour un séjour dans une structure de revalidation n'est pas cumulée avec une intervention pour une prestation de revalidation ambulatoire dans la même structure de revalidation le même jour.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, une intervention pour un séjour dans une structure de revalidation peut être cumulée avec une intervention pour une prestation de revalidation ambulatoire dans la même structure de revalidation, le même jour, dans la structure de revalidation portant le numéro d'agrément 7.74.051.09 .
   Aux alinéas 1er et 2, on entend par prestation de revalidation ambulatoire : une ou plusieurs prestations de revalidation, considérées comme une prestation de revalidation ambulatoire conformément aux dispositions de la convention de revalidation, sont dispensées à l'usager.
   Une structure de revalidation n'est pas considérée comme la même structure de revalidation telle que visée à l'alinéa 1er si elle satisfait à l'ensemble des conditions suivantes :
   1° le numéro d'agrément commence par 7.73 ;
   2° elle dispense des prestations de revalidation résidentielles et ambulatoires ;
   3° elle dispose d'une équipe distincte et d'une capacité de facturation distincte pour l'unité qui dispense les prestations de revalidation résidentielles et d'une équipe distincte et d'une capacité de facturation distincte pour l'unité qui dispense les prestations de revalidation ambulatoires. ]1

  
Art. 534/95/2. In dit artikel wordt verstaan onder:
   1° ambulante revalidatieverstrekking voor een revalidatieweek: er worden aan de gebruiker een of meer revalidatieverstrekkingen verleend die conform de bepalingen van de revalidatieovereenkomst als een ambulante revalidatieverstrekking voor een revalidatieweek worden aangemerkt;
   2° ambulante revalidatieverstrekking: er worden aan de gebruiker een of meer revalidatieverstrekkingen verleend die conform de bepalingen van de revalidatieovereenkomst als een ambulante revalidatieverstrekking worden aangemerkt.
   In de revalidatievoorzieningen waarvan het erkenningsnummer begint met 7.72 of 7.73, wordt een tegemoetkoming voor een ambulante revalidatieverstrekking voor een revalidatieweek in een revalidatievoorziening niet gecumuleerd met een tegemoetkoming voor een ambulante revalidatieverstrekking in dezelfde revalidatievoorziening in dezelfde week.[1 ]1
  
Art. 534/95/2. [1 Dans le présent article, on entend par :
   1° prestation de revalidation ambulatoire pour une semaine de revalidation : une ou plusieurs prestations de revalidation, considérées comme une prestation de revalidation ambulatoire pour une semaine de revalidation conformément aux dispositions de la convention de revalidation, sont dispensées à l'usager ;
   2° prestation de revalidation ambulatoire : une ou plusieurs prestations de revalidation, considérées comme une prestation de revalidation ambulatoire conformément aux dispositions de la convention de revalidation, sont dispensées à l'usager.
   Dans les structures de revalidation dont le numéro d'agrément commence par 7.72 ou 7.73, une intervention pour une prestation de revalidation ambulatoire pour une semaine de revalidation dans une structure de revalidation n'est pas cumulée avec une intervention pour une prestation de revalidation ambulatoire dans la même structure de revalidation au cours de la même semaine ]1

  
Art. 534/95/3. [1 In dit artikel wordt verstaan onder:
   1° ambulante revalidatieverstrekking voor een volledige revalidatiedag: er worden aan de gebruiker een of meer revalidatieverstrekkingen verleend die conform de bepalingen van de revalidatieovereenkomst als een ambulante revalidatieverstrekking voor een volledige revalidatiedag worden aangemerkt;
   2° ambulante revalidatieverstrekking voor een halve revalidatiedag: er worden aan de gebruiker een of meer revalidatieverstrekkingen verleend die conform de bepalingen van de revalidatieovereenkomst als een ambulante revalidatieverstrekking voor een halve revalidatiedag worden aangemerkt;
   3° ambulante revalidatieverstrekking revalidatieforfait 300%: er worden aan de gebruiker een of meer revalidatieverstrekkingen verleend die conform de bepalingen van de revalidatieovereenkomst als een ambulante revalidatieverstrekking revalidatieforfait 300% worden aangemerkt.
   Een tegemoetkoming voor een ambulante revalidatieverstrekking voor een volledige revalidatiedag in een revalidatievoorziening wordt niet gecumuleerd met een tegemoetkoming voor een volledige of een halve revalidatiedag of een revalidatieforfait 300% in dezelfde revalidatievoorziening op dezelfde dag, tenzij het gaat over een revalidatieverstrekking die verleend wordt aan de context. ]1

  
Art. 534/95/3. [1 Dans le présent article, on entend par :
   1° prestation de revalidation ambulatoire pour une journée complète de revalidation : une ou plusieurs prestations de revalidation, considérées comme une prestation de revalidation ambulatoire pour une journée complète de revalidation conformément aux dispositions de la convention de revalidation, sont dispensées à l'usager ;
   2° prestation de revalidation ambulatoire pour une demi-journée de revalidation : une ou plusieurs prestations de revalidation, considérées comme une prestation de revalidation ambulatoire pour une demi-journée de revalidation conformément aux dispositions de la convention de revalidation, sont dispensées à l'usager ;
   3° prestation de revalidation ambulatoire forfait de revalidation de 300 % : une ou plusieurs prestations de revalidation, considérées comme une prestation de revalidation ambulatoire forfait de revalidation de 300 % conformément aux dispositions de la convention de revalidation, sont dispensées à l'usager.
   Une intervention pour une prestation de revalidation ambulatoire pour une journée complète de revalidation dans une structure de revalidation n'est pas cumulée avec une intervention pour une journée complète ou une demi-journée de revalidation ou un forfait de revalidation de 300 % dans la même structure de revalidation, le même jour, à moins qu'il ne s'agisse d'une prestation de revalidation dispensée au contexte. ]1

  
Art. 534/95/4. [1 In dit artikel wordt verstaan onder:
   1° ambulante revalidatieverstrekking: er worden aan de gebruiker een of meer revalidatieverstrekkingen verleend die conform de bepalingen van de revalidatieovereenkomst als een ambulante revalidatieverstrekking worden aangemerkt;
   2° revalidatieverstrekking `periode diagnosezitting en aanvangsbilan': er wordt aan de gebruiker een revalidatieverstrekking verleend die conform de bepalingen van de revalidatieovereenkomst als een revalidatieverstrekking `periode diagnosezitting en aanvangsbilan' wordt aangemerkt;
   3° revalidatieverstrekking `gespecialiseerd advies': er wordt aan de gebruiker een revalidatieverstrekking verleend die conform de bepalingen van de revalidatieovereenkomst als een revalidatieverstrekking `gespecialiseerd advies' wordt aangemerkt.
   In de revalidatievoorzieningen waarvan het erkenningsnummer begint met 7.74.6, 9.53 of 9.65, wordt een tegemoetkoming voor de revalidatieverstrekking `periode diagnosezitting en aanvangsbilan' niet gecumuleerd met een tegemoetkoming voor een ambulante revalidatieverstrekking in dezelfde periode, tenzij die ambulante revalidatieverstrekking betrekking heeft op een andere aandoening dan de aandoening waarvoor de tegemoetkoming voor de revalidatieverstrekking `periode diagnosezitting en aanvangsbilan' verleend wordt, of tenzij die ambulante revalidatieverstrekking de revalidatieverstrekking `gespecialiseerd advies' is. ]1

  
Art. 534/95/4. [1 Dans le présent article, on entend par :
   1° prestation de revalidation ambulatoire : une ou plusieurs prestations de revalidation, considérées comme une prestation de revalidation ambulatoire conformément aux dispositions de la convention de revalidation, sont dispensées à l'usager ;
   2° prestation de revalidation " période séance de diagnostic et bilan initial ": une prestation de revalidation, considérée comme une prestation de revalidation " période séance de diagnostic et bilan initial " conformément aux dispositions de la convention de revalidation, est dispensée à l'usager ;
   3° prestation de revalidation " avis spécialisé " : une prestation de revalidation, considérée comme une prestation de revalidation " avis spécialisé " conformément aux dispositions de la convention de revalidation, est dispensée à l'usager.
   Dans les structures de revalidation dont le numéro d'agrément commence par 7.74.6, 9.53 ou 9.65, une intervention pour la prestation de revalidation " période séance de diagnostic et bilan initial " n'est pas cumulée avec une intervention pour une prestation de revalidation ambulatoire durant la même période, à moins que cette prestation de revalidation ambulatoire ne concerne une autre affection que celle pour laquelle l'intervention pour la prestation de revalidation " période séance de diagnostic et bilan initial " est accordée ou à moins que cette prestation de revalidation ambulatoire ne soit la prestation de revalidation " avis spécialisé ]1

  
Art. 534/95/5. [1 In dit artikel wordt verstaan onder:
   1° ambulante revalidatieverstrekking: er worden aan de gebruiker een of meer revalidatieverstrekkingen verleend die conform de bepalingen van de revalidatieovereenkomst als een ambulante revalidatieverstrekking worden aangemerkt;
   2° revalidatieverstrekking `nazorg': er wordt aan de gebruiker een revalidatieverstrekking verleend die conform de bepalingen van de revalidatieovereenkomst als een revalidatieverstrekking `nazorg' wordt aangemerkt;
   3° revalidatieverstrekking `outreach': er wordt aan de gebruiker een revalidatieverstrekking verleend die conform de bepalingen van de revalidatieovereenkomst als een revalidatieverstrekking `outreach' wordt aangemerkt;
   4° revalidatieverstrekking `context': er wordt aan de gebruiker een revalidatieverstrekking verleend die conform de bepalingen van de revalidatieovereenkomst als een revalidatieverstrekking `context' wordt aangemerkt.
   Een tegemoetkoming voor de revalidatieverstrekking `nazorg' wordt niet gecumuleerd met een tegemoetkoming voor een ambulante revalidatieverstrekking in dezelfde periode, tenzij die ambulante revalidatieverstrekking betrekking heeft op een andere aandoening dan de aandoening waarvoor de tegemoetkoming voor de revalidatieverstrekking `nazorg' verleend wordt, of tenzij die ambulante revalidatieverstrekking de revalidatieverstrekking `outreach' of de ambulante revalidatieverstrekking `context' is. ]1

  
Art. 534/95/4bis. [1 Dans le présent article, on entend par :
   1° prestation de revalidation ambulatoire : une ou plusieurs prestations de revalidation, considérées comme une prestation de revalidation ambulatoire conformément aux dispositions de la convention de revalidation, sont dispensées à l'usager ;
   2° prestation de revalidation " suivi " : une prestation de revalidation, considérée comme une prestation de revalidation " suivi " conformément aux dispositions de la convention de revalidation, est dispensée à l'usager ;
   3° prestation de revalidation en " outreach " : une prestation de revalidation, considérée comme une prestation de revalidation en " outreach " conformément aux dispositions de la convention de revalidation, est dispensée à l'usager ;
   4° prestation de revalidation en contexte : une prestation de revalidation, considérée comme une prestation de revalidation en contexte conformément aux dispositions de la convention de revalidation, est dispensée à l'usager.
   Une intervention pour la prestation de revalidation " suivi " n'est pas cumulée avec une intervention pour une prestation de revalidation ambulatoire durant la même période, à moins que cette prestation de revalidation ambulatoire ne concerne une autre affection que celle pour laquelle l'intervention pour la prestation de revalidation " suivi " est accordée ou à moins que cette prestation de revalidation ambulatoire ne soit la prestation de revalidation en " outreach " ou la prestation de revalidation ambulatoire en contexte.]1

  
Art. 534/96. [1 Met behoud van de toepassing van de andere bepalingen van deze titel wordt een tegemoetkoming voor een revalidatieverstrekking in een revalidatievoorziening niet gecumuleerd met een andere tegemoetkoming voor een revalidatieverstrekking in een revalidatievoorziening als dat cumulverbod bepaald is in een revalidatieovereenkomst ]1.
  
Art. 534/96. [1 Sans préjudice de l'application des autres dispositions du présent titre, une intervention pour une prestation de revalidation dans une structure de revalidation n'est pas cumulée avec une autre intervention pour une prestation de revalidation dans une structure de revalidation si cette interdiction de cumul a été prévue dans une convention de revalidation ]1.
  
Art. 534/96/1. [1 Artikel 534/96/1. Met behoud van de toepassing van de andere bepalingen van dit deel, wordt een tegemoetkoming voor een verblijf in een revalidatievoorziening niet gecumuleerd met een tegemoetkoming voor zorg in een woonzorgcentrum of een centrum voor kortverblijf als het verblijf plaatsvindt op dezelfde dag. ]1
  
Art. 534/96/1. [1 . Sans préjudice de l'application des autres dispositions de cette partie, une intervention pour un séjour dans une structure de revalidation n'est pas cumulée avec une intervention pour une prestation de revalidation pour soins dans un centre de soins résidentiels ou un centre de court séjour si le séjour a lieu le même jour. ]1
  
Art. 534/97. [1 In de revalidatievoorzieningen waarvan het erkenningsnummer begint met 7.71 of 9.69 wordt een tegemoetkoming voor gebruik van of verblijf in een revalidatievoorziening niet gecumuleerd met een vergoeding voor ziekenhuisopname met minstens één overnachting op grond van de federale ziekte- en invaliditeitsverzekering als het gebruik of verblijf plaatsvindt op dezelfde dag, tenzij het gebruik of verblijf plaatsvindt buiten de periode van het verblijf in het ziekenhuis, of tenzij het ziekenhuis een revalidatievoorziening is binnen het toepassingsgebied van dit besluit [2 ...]2.
   In de revalidatievoorzieningen waarvan het erkenningsnummer begint met 7.72, 7.73, 7.74 of 7.76.5, wordt een tegemoetkoming voor verblijf in een revalidatievoorziening niet gecumuleerd met een vergoeding voor ziekenhuisopname met minstens één overnachting op grond van de federale ziekte- en invaliditeitsverzekering.
   In de revalidatievoorzieningen wordt een tegemoetkoming voor gebruik van een revalidatievoorziening niet gecumuleerd met een vergoeding voor ziekenhuisopname met minstens één overnachting op grond van de federale ziekte- en invaliditeitsverzekering, tenzij het gaat over een ambulante prestatie `outreach' of `context', of tenzij het gaat om een ambulante revalidatieverstrekking van een revalidatievoorziening waarvan het erkenningsnummer begint met 7.72, 7.73 of 7.76.5, of tenzij het ziekenhuis een revalidatievoorziening is binnen het toepassingsgebied van dit besluit [2 ...]2. ]1
.
  
Art. 534/97. [1 Dans les structures de revalidation dont le numéro d'agrément commence par 7.71 ou 9.69, une intervention pour l'utilisation d'une structure de revalidation ou un séjour dans celle-ci n'est pas n'est pas cumulée avec une indemnité pour une hospitalisation d'au moins une nuitée sur la base de l'assurance maladie-invalidité fédérale si l'utilisation ou le séjour a lieu le même jour, à moins que l'utilisation ou le séjour n'ait lieu en dehors de la période du séjour à l'hôpital ou à moins que l'hôpital ne soit une structure de revalidation relevant du champ d'application du présent arrêté [2 ...]2.
   Dans les structures de revalidation dont le numéro d'agrément commence par 7.72, 7.73, 7.74 ou 7.76.5, une intervention pour un séjour dans une structure de revalidation n'est pas cumulée avec une indemnité pour une hospitalisation d'au moins une nuitée sur la base de l'assurance maladie-invalidité fédérale.
   Dans les structures de revalidation, une intervention pour l'utilisation d'une structure de revalidation n'est pas cumulée avec une indemnité pour une hospitalisation d'au moins une nuitée sur la base de l'assurance maladie-invalidité fédérale à moins qu'il ne s'agisse d'une prestation ambulatoire en " outreach " ou en contexte, ou à moins qu'il ne s'agisse d'une prestation de revalidation ambulatoire d'une structure de revalidation dont le numéro d'agrément commence par 7.72, 7.73 ou 7.76.5 ou à moins que l'hôpital ne soit une structure de revalidation relevant du champ d'application du présent arrêté [2 ...]2.]1

  
Art. 534/98. [1 Een tegemoetkoming voor een revalidatieverstrekking mag niet worden gecumuleerd met de volgende monodisciplinaire tegemoetkomingen die in dezelfde periode verstrekt zijn:
   1° een tegemoetkoming voor een prestatie als vermeld in artikel 36 van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen. [2 In de revalidatievoorzieningen waarvan het erkenningsnummer begint met 7.72, 7.73, 7.74, 9.53 of 9.65, kan de voormelde tegemoetkoming wel gecumuleerd worden als de tegemoetkoming voor de prestatie, vermeld in artikel 36 van de bijlage bij het voormelde koninklijk besluit, betrekking heeft op een andere aandoening dan de aandoening waarvoor de tegemoetkoming voor de revalidatieverstrekking verleend wordt]2;
   2° een tegemoetkoming voor een prestatie als vermeld in afdeling 3, artikel 7 van de bijlage bij het voormelde koninklijk besluit, tenzij het over een andere aandoening gaat dan waarvoor de revalidatieverstrekking verleend wordt;
   3° een tegemoetkoming voor een prestatie als vermeld in afdeling 10, artikel 22, van de bijlage bij het voormelde koninklijk besluit, bij een tegemoetkoming voor het gebruik van of het verblijf in een woonzorgcentrum, een centrum voor dagverzorging of een centrum voor kortverblijf tijdens dezelfde periode, tenzij het over een andere aandoening gaat dan waarvoor de revalidatieverstrekking verleend wordt;
   4° een tegemoetkoming voor ergotherapeutische prestaties, met uitzondering van de prestaties die verricht zijn tijdens en na de ontslagprocedure in de revalidatievoorzieningen, waarvan het erkenningsnummer begint met het nummer 7.76.5 en 7.71 [2 ...]2. ]1

  
Art. 534/98. [1 Une intervention pour une prestation de revalidation ne peut être cumulée avec les interventions monodisciplinaires suivantes fournies au cours de la même période :
   1° une intervention pour une prestation telle que visée à l'article 36 de l'annexe à l'arrêté royal du 14 septembre 1984 établissant la nomenclature des prestations de santé en matière d'assurance obligatoire soins de santé et indemnités ; [2 Dans les structures de revalidation dont le numéro d'agrément commence par 7.72, 7.73, 7.74, 9.53 ou 9.65, l'intervention précitée peut bel et bien être cumulée si l'intervention pour la prestation telle que visée à l'article 36 de l'annexe à l'arrêté royal précité concerne une autre affection que celle pour laquelle l'intervention pour la prestation de revalidation est accordée ;]2
   2° une intervention pour une prestation telle que visée à la section 3, article 7, de l'annexe à l'arrêté royal susmentionné, à moins qu'il ne s'agisse d'une affection différente de celle pour laquelle la prestation de revalidation est dispensée ;
   3° une intervention pour une prestation telle que visée à la section 10, article 22, de l'annexe à l'arrêté royal susmentionné, lors d'une intervention pour l'utilisation d'un centre de soins résidentiels, d'un centre de soins de jour ou d'un centre de court séjour ou pour le séjour dans ceux-ci durant la même période, à moins qu'il ne s'agisse d'une affection différente de celle pour laquelle la prestation de revalidation est dispensée ;
   4° une intervention pour des prestations d'ergothérapie, à l'exception des prestations dispensées durant ou après la procédure de sortie dans les structures de revalidation dont le numéro d'agrément commence par les numéros 7.76.5 et 7.71 [2 ...]2. ]1

  
Art. 534/98/1. [1 In de revalidatievoorzieningen waarvan het erkenningsnummer begint met 9.69, kan een tegemoetkoming voor een ambulante revalidatieverstrekking niet gecumuleerd worden met een tegemoetkoming voor een ambulante revalidatieverstrekking op dezelfde dag in een vergelijkbare voorziening in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad. ]1
  
Art. 534/98/1. [1 Dans les structures de revalidation dont le numéro d'agrément commence par 9.69, une intervention pour une prestation de revalidation ambulatoire ne peut pas être cumulée avec une intervention pour une prestation de revalidation ambulatoire le même jour dans une structure similaire dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale. ]1
  
TITEL 3. [1 Eigen bijdrage ]1
TITRE 3. [1 Contribution propre ]1
Art. 534/99. [1 In de revalidatievoorzieningen kan een persoonlijk aandeel worden aangerekend aan de gebruiker.
   Het persoonlijke aandeel, vermeld in het eerste lid, is een financiële bijdrage van de gebruiker in de zorgkosten.
   Een persoonlijk aandeel als vermeld in het eerste lid, wordt alleen aangerekend aan de gebruiker aan wie een tegemoetkoming voor revalidatieverstrekkingen wordt toegekend in het kader van een revalidatieovereenkomst ]1
.
  
Art. 534/99. [1 Dans les structures de revalidation, une quote-part personnelle peut être portée en compte à l'usager.
   La quote-part personnelle mentionnée à l'alinéa 1er est une intervention financière de l'usager dans le coût des soins.
   Une quote-part personnelle telle que mentionnée à l'alinéa 1er est uniquement portée en compte à l'usager auquel une intervention pour des prestations de revalidation est octroyée dans le cadre d'une convention de revalidation ]1
.
  
Art. 534/100. [1 In de revalidatievoorzieningen kunnen extra vergoedingen worden aangerekend aan de gebruiker.
   Extra vergoedingen als vermeld in het eerste lid, zijn kosten voor de gebruiker voor diensten en goederen die verricht of geleverd worden door de revalidatievoorziening en die niet worden vergoed door de tegemoetkoming voor revalidatieverstrekkingen, noch door het persoonlijke aandeel.
   Extra vergoedingen als vermeld in het eerste lid, kunnen alleen worden aangerekend aan de gebruiker aan wie een tegemoetkoming voor revalidatieverstrekkingen wordt toegekend in het kader van een revalidatieovereenkomst als die extra vergoedingen limitatief vermeld worden in de revalidatieovereenkomst. ]1

  [2 In afwijking van het eerste lid kunnen geen extra vergoedingen worden aangerekend aan de gebruiker in de revalidatievoorzieningen waarvan het erkenningsnummer begint met 7.74.6.]2
  
Art. 534/100. [1 Dans les structures de revalidation, des indemnités supplémentaires peuvent être portées en compte à l'usager.
   Des indemnités supplémentaires telles que visées à l'alinéa 1er, sont les coûts à charge de l'usager pour les services et biens fournis par la structure de revalidation et qui ne sont pas remboursés par l'intervention pour des prestations de revalidation ni par la quote-part personnelle.
   Des indemnités supplémentaires telles que visées à l'alinéa 1er, ne peuvent être portées en compte à l'usager auquel une intervention pour des prestations de revalidation est octroyée dans le cadre d'une convention de revalidation que dans la mesure où ces indemnités supplémentaires sont mentionnées de manière limitative dans la convention de revalidation. ]1

  [2 Par dérogation à l'alinéa 1er, des indemnités supplémentaires ne peuvent pas être portées en compte à l'usager dans les structures de revalidation dont le numéro d'agrément commence par 7.74.6.]2
  
Art. 534/101. [1 Voor ambulante revalidatie bedraagt het persoonlijke aandeel [2 2,15 euro]2 euro per revalidatieverstrekking.
   In afwijking van het eerste lid zijn de gebruikers met recht op een verhoogde tegemoetkoming voor ambulante revalidatie geen persoonlijk aandeel verschuldigd. ]1

  [2 In afwijking van het eerste lid zijn de gebruikers die elders in een ziekenhuis opgenomen zijn en die voor die opname al een persoonlijke bijdrage betalen, voor ambulante revalidatie geen persoonlijk aandeel verschuldigd.]2
  
Art. 534/101. [1 Pour la revalidation ambulatoire, la quote-part personnelle s'élève à [2 2,15 euros 2par prestation de revalidation.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, les usagers ayant droit à une intervention majorée pour la revalidation ambulatoire ne sont pas redevables de la quote-part personnelle. ]1

  [2 Par dérogation à l'alinéa 1er, les usagers qui ont été admis ailleurs dans l'hôpital et qui paient déjà une intervention personnelle pour cette admission ne sont pas redevables de la quote-part personnelle pour la revalidation ambulatoire.]2
  
Art. 534/101/1. [1 In afwijking van artikel 534/101, eerste lid, is de gebruiker geen persoonlijk aandeel voor ambulante revalidatie verschuldigd als het maximumbedrag van de persoonlijke aandelen op basis van de interfederale teller is bereikt conform artikel 2 van het samenwerkingsakkoord tussen de Federale Overheid, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de maximumfactuur, de forfaitaire toelage voor chronisch zieken en het statuut van persoon met een chronische aandoening. ]1
  
Art. 534/101/1. [1 Par dérogation à l'article 534/101, alinéa 1er, l'usager ne doit pas verser d'intervention personnelle pour une revalidation ambulatoire si le montant maximum des interventions personnelles est atteint sur la base du compteur interfédéral conformément à l'article 2 du partenariat entre l'administration fédérale, la Communauté flamande, la Communauté française, la Communauté germanophone, la Commission communautaire commune, la Région wallonne et la Commission communautaire française concernant le maximum à facturer, l'allocation forfaitaire pour les personnes souffrant d'une maladie chronique et le statut d'une personne souffrant d'une maladie chronique. ]1
  
Art. 534/102. [1 Voor een verblijf in een revalidatievoorziening bedraagt het persoonlijke aandeel voor de eerste dag van het verblijf [2 46,31 euro]2 euro. Vanaf de tweede dag van het verblijf bedraagt het persoonlijke aandeel 16,57 euro per dag.
   In afwijking van het eerste lid bedraagt het persoonlijke aandeel vanaf de eerste dag [2 19,04 ]2 euro per dag in de volgende gevallen:
   1° het verblijf begint binnen negentig dagen na de dag van ontslag uit een ziekenhuis als vermeld in artikel 2 van de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen;
   2° het verblijf begint binnen negentig dagen na de dag van ontslag uit een revalidatieziekenhuis;
   3° het verblijf begint binnen zes maanden na ontslag uit een psychiatrisch ziekenhuis als vermeld in artikel 3 van de voormelde gecoördineerde wet;
   4° het verblijf begint binnen negentig dagen na de dag waarop een [2 verblijf]2 voor residentiële revalidatie is beëindigd in dezelfde of een andere revalidatievoorziening binnen het toepassingsgebied van dit besluit of binnen het toepassingsgebied van het besluit van 7 december 2018. ]1

  
Art. 534/102. [1 . Pour un séjour dans une structure de revalidation, la quote-part personnelle pour le premier jour du séjour s'élève à [2 46,31 ]2. A partir du deuxième jour du séjour, la quote-part personnelle s'élève à [2 19,04 euros]2 par jour.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, la quote-part personnelle s'élève à [2 19,04 euros]2 euros par jour à partir du premier jour dans les cas suivants :
   1° si le séjour débute dans les nonante jours suivant la sortie d'un hôpital tel que visé à l'article 2 de la loi coordonnée du 10 juillet 2008 sur les hôpitaux et autres établissements de soins ;
   2° si le séjour débute dans les nonante jours suivant la sortie d'un hôpital de revalidation ;
   3° si le séjour débute dans les six mois suivant la sortie d'un hôpital psychiatrique tel que visé à l'article 3 de la loi coordonnée susmentionnée ;
   4° si le séjour débute dans les nonante jours suivant la fin [2 d'un séjour]2 pour revalidation résidentielle dans la même ou dans une autre structure de revalidation dans le cadre du champ d'application du présent arrêté ou de l'arrêté du 7 décembre 2018. ]1

  
Art. 534/103. [1 In afwijking van artikel 534/102 van dit besluit bedraagt het persoonlijke aandeel voor een verblijf in een revalidatievoorziening de eerste dag van het verblijf [2 34,03 euro]2 en vanaf de tweede dag van het verblijf [2 6,76 euro]2 per dag voor de volgende categorieën van gebruikers:
   1° kinderen die de hoedanigheid hebben van persoon ten laste, conform artikel 32, eerste lid, 20° en 23°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994;
   2° gebruikers die minstens twaalf maanden de hoedanigheid hebben van volledig uitkeringsgerechtigde werkloze, alleenstaande of met een gezin ten laste, of die ten laste zijn van een persoon die aan de voormelde voorwaarden voldoet, conform artikel 32, eerste lid, 3°, van de voormelde gecoördineerde wet.
   In afwijking van het eerste lid bedraagt het persoonlijke aandeel voor de categorieën van gebruikers, vermeld in het eerste lid, vanaf de eerste dag 5,66 euro per dag in de volgende gevallen:
   1° het verblijf begint binnen negentig dagen na de dag van ontslag uit een ziekenhuis als vermeld in artikel 2 van de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen;
   2° het verblijf begint binnen negentig dagen na de dag van ontslag uit een revalidatieziekenhuis;
   3° het verblijf begint binnen zes maanden na een ontslag uit een psychiatrisch ziekenhuis als vermeld in artikel 3 van de voormelde gecoördineerde wet;
   4° het verblijf begint binnen negentig dagen na de dag waarop een opname voor residentiële revalidatie is beëindigd in dezelfde of een andere revalidatievoorziening met een revalidatieovereenkomst binnen het toepassingsgebied van dit besluit of binnen het toepassingsgebied van het besluit van 7 december 2018. ]1

  
Art. 534/103. [1 Par dérogation à l'article 534/102 du présent arrêté, la quote-part personnelle pour un séjour dans une structure de revalidation s'élève à [2 34,03]2s le premier jour du séjour et à [2 6,76 euros]2 par jour à partir du deuxième jour du séjour pour les catégories suivantes d'usagers :
   1° les enfants qui ont la qualité de personne à charge, conformément à l'article 32, alinéa 1er, 20° et 23°, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994 ;
   2° les usagers qui, durant douze mois au moins, ont la qualité de chômeur complet indemnisé, isolé ou avec famille à charge, ou qui sont à charge d'une personne qui répond aux conditions susmentionnées, conformément à l'article 32, alinéa 1er, 3°, de la loi coordonnée susmentionnée.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, la quote-part personnelle pour les catégories d'usagers visées à l'alinéa 1er s'élève à [2 6,76 euros]2 par jour à partir du premier jour dans les cas suivants :
   1° si le séjour débute dans les nonante jours suivant la sortie d'un hôpital tel que visé à l'article 2 de la loi coordonnée du 10 juillet 2008 sur les hôpitaux et autres établissements de soins ;
   2° si le séjour débute dans les nonante jours suivant la sortie d'un hôpital de revalidation ;
   3° si le séjour débute dans les six mois suivant la sortie d'un hôpital psychiatrique tel que visé à l'article 3 de la loi coordonnée susmentionnée ;
   4° si le séjour débute dans les nonante jours suivant la fin d'une admission pour revalidation résidentielle dans la même ou dans une autre structure de revalidation avec une convention de revalidation dans le cadre du champ d'application du présent arrêté ou de l'arrêté du 7 décembre 2018. ]1

  
Art. 534/104. [1 In afwijking van artikel 534/102 bedraagt het persoonlijke aandeel van de gebruikers met recht op een verhoogde tegemoetkoming voor een verblijf in een revalidatievoorziening vanaf de eerste dag [2 6,76 euro]2 euro per dag. ]1
  
Art. 534/104. [1 Par dérogation à l'article 534/102, la quote-part personnelle des usagers ayant droit à une intervention majorée s'élève à [2 6,76 euros]2 par jour à partir du premier jour pour un séjour dans une structure de revalidation. ]1
  
Art. 534/104/1. [1 In afwijking van artikel 534/102 is de gebruiker geen persoonlijk aandeel voor een verblijf in een revalidatievoorziening verschuldigd als het maximumbedrag van de persoonlijke aandelen op basis van de interfederale teller is bereikt conform artikel 2 van het samenwerkingsakkoord tussen de Federale Overheid, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de maximumfactuur, de forfaitaire toelage voor chronisch zieken en het statuut van persoon met een chronische aandoening. ]1
  
Art. 534/104/1. [1 Par dérogation à l'article 534/102, l'usager ne doit pas verser d'intervention personnelle pour un séjour dans une structure de revalidation si le montant maximum des interventions personnelles est atteint sur la base du compteur interfédéral conformément à l'article 2 du partenariat entre l'administration fédérale, la Communauté flamande, la Communauté française, la Communauté germanophone, la Commission communautaire commune, la Région wallonne et la Commission communautaire française concernant le maximum à facturer, l'allocation forfaitaire pour les personnes souffrant d'une maladie chronique et le statut d'une personne souffrant d'une maladie chronique. ]1
  
Art. 534/105. [1 De bedragen, vermeld in artikel 534/101 tot en met 534/104, worden, tenzij het anders is vermeld, gekoppeld aan spilindex [2 123,14]2 (basis 2013).
   De bedragen, vermeld in het eerste lid, worden op 1 januari van elk jaar aangepast aan de evolutie van het indexcijfer, vermeld in het eerste lid.
   De koppeling aan het indexcijfer, vermeld in het eerste lid, wordt berekend en toegepast conform artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen. ]1

  
Art. 534/105. [1 Sauf disposition contraire, les montants visés aux articles 534/101 à 534/104 sont liés à l'indice-pivot [2 123,14]2 (base 2013).
   Les montants visés à l'alinéa 1er, sont adaptés au 1er janvier de chaque année à l'évolution de l'indice visé à l'alinéa 1er.
   La liaison à l'indice visée à l'alinéa 1er, est calculée et appliquée conformément à l'article 2 de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays. ]1

  
TITEL 4. [1 Tegemoetkomingen in reiskosten ]1
TITRE 4. [1 Interventions dans les frais de déplacement ]1
HOOFDSTUK 1 [1 Tegemoetkomingen in reiskosten voor gebruikers die worden vervoerd in een voertuig dat is aangepast voor het vervoer in een rolstoel ]1
CHAPITRE 1er [1 Interventions dans les frais de déplacement pour les usagers transportés dans un véhicule qui a été adapté au transport en voiturette ]1
Art. 534/105/1. [1 Voor het vervoer van een gebruiker aan wie een revalidatieverstrekking wordt verleend in een revalidatievoorziening in een voertuig dat is aangepast voor het vervoer in een rolstoel, wordt een tegemoetkoming in reiskosten toegekend als voldaan is aan al de volgende voorwaarden:
   1° de gebruiker komt in aanmerking voor een tegemoetkoming voor een ambulante revalidatieverstrekking op dezelfde dag;
   2° de gebruiker kan wegens de aard en de ernst van zijn aandoening alleen worden vervoerd in een rolstoel in een voertuig dat is aangepast voor het vervoer in een rolstoel;
   3° de ambulante revalidatieverstrekkingen die worden verleend, vinden niet plaats in het ziekenhuis of het revalidatieziekenhuis waar de gebruiker verblijft;
   4° de gebruiker wordt niet in zijn werkelijke verblijfplaats behandeld.
   In afwijking van het eerste lid hoeft in de gevallen waarin een verlenging van de revalidatieperiode wordt toegekend en de gebruiker voorheen al aanspraak maakte op de tegemoetkoming in reiskosten, vermeld in dit artikel, niet voldaan te zijn aan de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 2°. ]1

  
Art. 534/1051. [1 Une intervention dans les frais de déplacement est octroyée pour le transport, dans un véhicule qui a été adapté au transport en voiturette, d'un usager auquel une prestation de revalidation est dispensée dans une structure de revalidation si toutes les conditions suivantes sont remplies :
   1° l'usager est éligible à une intervention pour une prestation de revalidation ambulatoire le même jour ;
   2° en raison de la nature et de la gravité de son affectation, l'usager ne peut être transporté qu'en voiturette dans un véhicule qui a été adapté au transport en voiturette ;
   3° les prestations de revalidation ambulatoires qui sont dispensées n'ont pas lieu au sein de l'hôpital ou de l'hôpital de revalidation où l'usager séjourne ;
   4° l'usager n'est pas traité dans sa résidence effective.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, dans les cas où une prolongation de la période de revalidation est accordée et où l'usager a déjà fait appel antérieurement à l'intervention dans les frais de déplacement visée dans le présent article, il ne doit pas nécessairement être satisfait à la condition visée à l'alinéa 1er, 2°. ]1

  
Art. 534/105/2. [1 Als de gebruiker wordt vervoerd in zijn eigen voertuig dat is aangepast voor het vervoer in een rolstoel, bedraagt het bedrag van de tegemoetkoming, vermeld in artikel 534/105/1, 0,30 euro per kilometer.
   Als de gebruiker wordt vervoerd door een professionele vervoerder in een voertuig dat is aangepast voor het vervoer in een rolstoel, bedraagt het bedrag van de tegemoetkoming, vermeld in artikel 534/105/1:
   1° een bedrag voor het traject tot en met de vijfde kilometer;
   2° een bedrag per kilometer vanaf de zesde kilometer.
   Als de gebruiker wordt vervoerd door een professionele vervoerder, die een subsidie ontvangt die zijn personeelskosten dekt, in een voertuig dat is aangepast voor het vervoer in een rolstoel, bedraagt het bedrag van de tegemoetkoming, vermeld in artikel 534/105/1:
   1° een bedrag voor het traject tot en met de vijfde kilometer;
   2° een bedrag per kilometer vanaf de zesde kilometer.
   De minister bepaalt de bedragen, vermeld in het tweede lid, 1° en 2°, en het derde lid, 1° en 2°.
   De minister kan een plafond bepalen voor het bedrag van de tegemoetkoming, vermeld in artikel 534/105/1. ]1

  
Art. 534/105/2. [1 Si l'usager est transporté dans son propre véhicule qui a été adapté au transport en voiturette, le montant de l'intervention visée à l'article 534/105/1 s'élève à 0,30 euro par kilomètre.
   Si l'usager est transporté par un transporteur professionnel dans un véhicule qui a été adapté au transport en voiturette, le montant de l'intervention visée à l'article 534/105/1 s'élève à :
   1° un montant pour le trajet jusqu'au cinquième kilomètre ;
   2° un montant par kilomètre à partir du sixième kilomètre.
   Si l'usager est transporté dans un véhicule qui a été adapté au transport en voiturette par un transporteur professionnel qui reçoit une subvention couvrant ses frais de personnel, le montant de l'intervention visée à l'article 534/105/1 s'élève à :
   1° un montant pour le trajet jusqu'au cinquième kilomètre ;
   2° un montant par kilomètre à partir du sixième kilomètre.
   Le ministre détermine les montants mentionnés à l'alinéa 2, 1° et 2°, et à l'alinéa 3, 1° et 2°.
  Le ministre peut plafonner le montant de l'intervention visée à l'article 534/105/1.]1

  
Art. 534/105/3. Het aantal kilometer dat in aanmerking komt om de tegemoetkoming, vermeld in artikel 534/105/1, te berekenen, is gelijk aan de afstand in kilometers tussen de werkelijke verblijfplaats van de gebruiker en de revalidatievoorziening, heen en terug.
   De afstand, vermeld in het eerste lid, wordt bepaald op basis van de berekening door een digitale routeplanner. De afstand wordt afgerond tot het dichtstbijzijnde natuurlijk getal. De gebruiker of de professionele vervoerder kan altijd aantonen welke methode is gekozen om de afstand te berekenen.[1 ]1
  
Art. 534/105/3. [1 Le nombre de kilomètres pris en considération pour calculer l'intervention visée à l'article 534/105/1 est égal à la distance aller-retour en kilomètres entre la résidence effective de l'usager et la structure de revalidation.
   La distance visée à l'alinéa 1er est déterminée sur la base du calcul effectué par un planificateur d'itinéraire numérique La distance est arrondie à l'entier naturel le plus proche. L'usager ou le transporteur professionnel peut toujours démontrer quelle méthode a été choisie pour calculer la distance. ]1

  
Art. 534/105/4. [1 De tegemoetkoming, vermeld in artikel 534/105/1, is afhankelijk van de voorafgaande goedkeuring van de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten. Die goedkeuring wordt verleend conform de aanvraagprocedure, vermeld in deel 2.]1
  
Art. 534/105/4. [1 L'intervention visée à l'article 534/105/1 est subordonnée à l'approbation préalable de la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié. Cette approbation est accordée conformément à la procédure de demande mentionnée dans la partie 2. ]1
  
Art. 534/105/5. Als de gebruiker wordt vervoerd in zijn eigen voertuig dat is aangepast voor het vervoer in een rolstoel, wordt de tegemoetkoming, vermeld in artikel 534/105/1, toegekend aan de gebruiker. De voormelde tegemoetkoming wordt door de zorgkas toegekend aan de gebruiker op basis van de facturatie door de revalidatievoorziening van een ambulante revalidatieverstrekking aan de gebruiker tijdens de periode waarvoor de voorafgaande goedkeuring, vermeld in artikel 534/105/4, is verkregen.
   Als de gebruiker wordt vervoerd door een professionele vervoerder, wordt de tegemoetkoming, vermeld in artikel 534/105/1, toegekend aan de vervoerder. De voormelde tegemoetkoming wordt door de zorgkas toegekend aan de vervoerder op basis van een document waarvan het model wordt vastgelegd door het agentschap. De vervoerder laat dat document valideren door de revalidatievoorziening.
   [1 De professionele vervoerder rekent geen extra vergoedingen of andere kosten dan de tegemoetkoming, vermeld in artikel 534/105/1, aan de gebruiker of de zorgkas aan.]1
  
Art. 534/105/5. [1 Si l'usager est transporté dans son propre véhicule qui a été adapté au transport en voiturette, l'intervention visée à l'article 534/105/1 est octroyée à l'usager. La caisse d'assurance soins octroie l'intervention précitée à l'usager sur la base de la facturation par la structure de revalidation d'une prestation de revalidation ambulatoire à l'usager pendant la période pour laquelle l'approbation préalable visée à l'article 534/105/4 a été obtenue.
   Si l'usager est transporté par un transporteur professionnel, l'intervention visée à l'article 534/105/1 est octroyée au transporteur. La caisse d'assurance soins octroie l'intervention précitée au transporteur sur la base d'un document dont le modèle est établi par l'agence. Le transporteur fait valider ce document par la structure de revalidation.
   Le transporteur professionnel ne facture pas à l'usager ou à la caisse d'assurance soins d'indemnités supplémentaires ou de frais autres que l'intervention visée à l'article 534/105/1 . ]1

  
HOOFDSTUK 2 [1 Tegemoetkomingen in reiskosten voor gebruikers die jonger dan achttien jaar zijn ]1
CHAPITRE 2 [1 Interventions dans les frais de déplacement pour les usagers de moins de dix-huit ans ]1
Art. 534/105/6. [1 In afwijking van hoofdstuk 1 wordt aan een gebruiker die jonger dan achttien jaar is en aan wie een revalidatieverstrekking wordt verleend in een revalidatievoorziening, een forfaitaire tegemoetkoming in reiskosten toegekend als voldaan is aan al de volgende voorwaarden:
   1° de revalidatievoorziening heeft een erkenningsnummer dat begint met het nummer 7.74.6 of 9.69;
   2° de gebruiker komt in aanmerking voor een tegemoetkoming voor revalidatieverstrekkingen die zijn verleend in een revalidatievoorziening waarvan het erkenningsnummer begint met het nummer 7.74.6 of 9.69;
   3° de ambulante revalidatieverstrekkingen die worden verleend, vinden niet plaats in het ziekenhuis of het revalidatieziekenhuis waar de gebruiker verblijft;
   4° de gebruiker wordt niet in zijn werkelijke verblijfplaats behandeld;
   5° de gebruiker heeft niet uitdrukkelijk geopteerd voor een vergoeding als vermeld in hoofdstuk 1, binnen dertig dagen voor de ontvangstdatum.
  [2 ...]2
  
Art. 534/105/6. [1 Par dérogation au chapitre 1er, une intervention forfaitaire dans les frais de déplacement est octroyée à un usager de moins de dix-huit ans auquel une prestation de revalidation est dispensée dans une structure de revalidation si toutes les conditions suivantes sont remplies :
   1° la structure de revalidation a un numéro d'agrément qui commence par 7.74.6 ou 9.69 ;
   2° l'usager est éligible à une intervention pour des prestations de revalidation qui ont été dispensées dans une structure de revalidation dont le numéro d'agrément commence par 7.74.6 ou 9.69 ;
   3° les prestations de revalidation ambulatoires qui sont dispensées n'ont pas lieu au sein de l'hôpital ou de l'hôpital de revalidation où l'usager séjourne ;
   4° l'usager n'est pas traité dans sa résidence effective ;
   5° l'usager n'a pas opté expressément pour une indemnité telle que visée dans le chapitre 1er dans les trente jours avant la date de réception.
  [2 ...]2 ]1

  
Art. 534/105/7. [1 De tegemoetkoming, vermeld in artikel 534/105/6, bedraagt 20,91 euro per dag waarop minstens een revalidatieverstrekking aan de gebruiker wordt verleend.
   De tegemoetkoming, vermeld in artikel 534/105/6, wordt door de zorgkas, waarbij de gebruiker is aangesloten, automatisch betaald op basis van de dagen waarvoor de revalidatievoorziening een revalidatieprestatie heeft gefactureerd, behalve als de gebruiker binnen dertig dagen uitdrukkelijk opteert voor de tegemoetkoming, vermeld in artikel 534/105/1. ]1

  [2 Meerdere tegemoetkomingen als vermeld in artikel 534/105/6, op dezelfde dag zijn mogelijk, tenzij de revalidatieprestaties waarop de tegemoetkomingen betrekking hebben, door dezelfde revalidatievoorziening en op dezelfde locatie worden verstrekt.]2
  
Art. 534/105/7. [1 L'intervention visée à l'article 534/105/6 s'élève à 20,91 euros par jour où au moins une prestation de revalidation est dispensée à l'usager.
   La caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié paie automatiquement l'intervention visée à l'article 534/105/6 sur la base des jours pour lesquels la structure de revalidation a facturé une prestation de revalidation, sauf si l'usager opte expressément pour l'intervention visée à l'article 534/105/1 dans les trente jours. ]1

  [2 Plusieurs interventions telles que visées à l'article 534/105/6 sont possibles le même jour, sauf si les prestations de revalidation auxquelles ont trait les interventions sont fournies par la même structure de revalidation et au même endroit. ]2
  
HOOFDSTUK 3 [1 Indexering ]1
CHAPITRE 3. [1 Indexation]1
Art. 534/105/8. [1 De bedragen, vermeld in artikel 534/105/2 en 534/105/7, worden, tenzij het anders vermeld is, gekoppeld aan het spilindexcijfer 123,14 (basis 2013=100).
   [2 De bedragen, vermeld in het eerste lid, worden op 1 januari van elk jaar aangepast aan de evolutie van het indexcijfer, vermeld in het eerste lid.]2
   De koppeling aan het indexcijfer, vermeld in het tweede lid, wordt berekend en toegepast conform artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen ]1

  
Art. 534/105/8. [1 Sauf stipulation contraire, les montants mentionnés dans les articles 534/105/2 et 534/105/7 sont liés à l'indice-pivot 123,14 (base 2013=100).
   [3 Les montants, visés à l'alinéa 1er, sont adaptés le 1er janvier de chaque année à l'évolution de l'indice, visé à l'alinéa 1er. ]3.
  [2 ...]2
  
Deel 2. [1 Aanvraagprocedure ]1
Partie 2. [1 Procédure de demande ]1
Art. 534/106. [1 In dit deel wordt verstaan onder:
   1° aanvraag: de aanvraag van de tegemoetkoming voor revalidatieverstrekkingen waarbij, in voorkomend geval, de aanvraag van de tegemoetkoming, vermeld in artikel 534/105/1, wordt gevoegd;
   2° ontvangstdatum: de datum waarop de kennisgeving van de ontvangst van de volledige aanvraag wordt verstuurd bij een aanvraag via een digitale applicatie als vermeld in artikel 534/122. Als het INSZ-nummer van de gebruiker niet bekend is, is de ontvangstdatum de datum waarop de revalidatievoorziening een zorgkas contacteert met het oog op de indiening van een aanvraag via een digitale applicatie;
   3° volledige aanvraag: een aanvraag wordt in al de volgende gevallen als volledig beschouwd:
   a) ze bevat deel 1 tot en met 4, die conform artikel 534/111, 1° tot en met 4° zijn opgesteld;
   b) ze bevat deel 1, 2 en 4, die conform artikel 534/111, 1°, 2° en 4°, zijn opgesteld en de reiskosten zijn gekoppeld aan een revalidatieverstrekking waarvoor al een tegemoetkoming door de zorgkas is toegekend.
   Een aanvraag wordt door de zorgkas als volledig beschouwd als de onderdelen, vermeld in artikel 534/111, 1° en 3°, bij de zorgkas zijn ingediend en de revalidatievoorziening op erewoord verklaart dat deel 2, vermeld in artikel 534/111, 2°, beschikbaar is. Deel 2, vermeld in artikel 534/111, 2°, wordt bewaard door de revalidatievoorziening en hoeft niet aan de zorgkas te worden bezorgd. ]1

  
Art. 534/106. [1 Dans la présente partie, on entend par :
   1° demande : la demande d'intervention pour des prestations de revalidation, à laquelle est jointe, le cas échéant, la demande de l'intervention visée à l'article 534/105/1 ;
   2° date de réception : la date d'envoi de l'accusé de réception de la demande complète dans le cas d'une demande introduite via une application numérique telle que visée à l'article 534/122. Si le numéro NISS de l'usager est inconnu, la date de réception est celle à laquelle la structure de revalidation contacte une caisse d'assurance soins en vue d'introduire une demande via une application numérique ;
   3° demande complète : une demande est considérée comme complète dans tous les cas suivants :
   a) elle contient les volets 1 à 4 qui ont été rédigés conformément à l'article 534/111, 1° à 4° ;
   b) elle contient les volets 1, 2 et 4 qui ont été rédigés conformément à l'article 534/111, 1°, 2° et 4°, et les frais de déplacement sont liés à une prestation de revalidation pour laquelle la caisse d'assurance soins a déjà octroyé une intervention.
   La caisse d'assurance soins considère une demande comme complète si les éléments mentionnés dans l'article 534/111, 1° et 3°, ont été introduits auprès de la caisse d'assurance soins et si la structure de revalidation déclare sur l'honneur que le volet 2 mentionné dans l'article 534/111, 2°, est disponible. Le volet 2 mentionné dans l'article 534/111, 2°, est conservé par la structure de revalidation et ne doit pas nécessairement être transmis à la caisse d'assurance soins. ]1

  
Art. 534/107. (BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST)[1 Een tegemoetkoming voor revalidatieverstrekkingen [2 en reiskosten]2 kan alleen worden toegekend als de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten, de aangevraagde tegemoetkoming heeft goedgekeurd. ]1
  
Art. 534/107. [1 Une intervention pour des prestations de revalidation [2 et des frais de déplacement ]2 ne peut être accordée que si la caisse d'assurance soins à laquelle l'utilisateur est affilié a approuvé l'intervention demandée. ]1
  
Art. 534/108. [1 De revalidatievoorziening waartoe de gebruiker zich wendt, verstuurt de aanvraag naar de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten, voordat de revalidatieverstrekkingen worden verleend.
   De revalidatievoorziening stelt de revalidatieovereenkomst ter beschikking van de gebruiker of zijn wettelijke vertegenwoordiger voordat de aanvraag wordt ingediend.
   De aanvraag wordt ingediend via een digitale applicatie als vermeld in artikel 534/122.
   Elke aanvraag wordt rechtstreeks gericht aan één centraal contactpunt, dat de zorgkas in kwestie bepaalt. ]1

  
Art. 534/108. [1 La structure de revalidation à laquelle l'usager s'adresse envoie la demande à la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié avant que les prestations de revalidation ne soient dispensées.
   La structure de revalidation met la convention de revalidation à la disposition de l'usager ou de son représentant légal avant d'introduire la demande.
  [2 ...]2
   Toute demande est adressée directement à un point de contact central déterminé par la caisse d'assurance soins concernée. ]1

  
Art. 534/109. [1 Er wordt geen tegemoetkoming toegekend voor revalidatieverstrekkingen die vroeger dan dertig dagen voor de ontvangstdatum zijn verricht. ]1
  
Art. 534/109. [1 Il n'est pas accordé d'intervention pour des prestations de revalidation qui ont été effectuées plus de trente jours avant la date de réception. ]1
  
Art. 534/110. [1 Als de zorgkas de aangevraagde tegemoetkoming weigert, is de ontvangstdatum van de aanvraag niet meer van toepassing, behalve in de gevallen waarin de aanvraag wordt geweigerd door een negatief resultaat van de controle, vermeld in artikel 534/113. ]1
  
Art. 534/110. [1 Si la caisse d'assurance soins refuse l'intervention demandée, la date de réception de la demande n'est plus d'application, sauf dans les cas où la demande est refusée à la suite d'un résultat négatif du contrôle visé à l'article 534/113. ]1
  
Art. 534/111. [1 De revalidatievoorziening stelt samen met de gebruiker of zijn [2 wettelijk]2 vertegenwoordiger de aanvraag op. De aanvraag wordt opgemaakt [2 conform een model dat het agentschap bepaalt]2. Het aanvraagformulier bestaat uit de volgende delen:
   1° deel 1 dat de administratieve informatie bevat. Die informatie wordt ingevuld door de verantwoordelijke van de revalidatievoorziening en bestaat uit een document dat al de volgende informatie bevat:
   a) de gegevens van de revalidatievoorziening;
   b) de gegevens over de soort revalidatieverstrekking;
   c) de periode waarin de revalidatieverstrekkingen plaatsvinden;
   2° deel 2 dat het akkoord van de gebruiker [2 of zijn wettelijke vertegenwoordiger]2 met de vraag naar een tegemoetkoming voor revalidatieverstrekkingen bevat in de vorm van een geïnformeerde toestemming. De geïnformeerde toestemming kan alleen gegeven worden nadat de gebruiker of zijn wettelijke vertegenwoordiger heeft kennisgenomen van de revalidatieovereenkomst. Dit deel wordt ondertekend en gedagtekend door de gebruiker of zijn wettelijke vertegenwoordiger;
   3° deel 3 dat een medisch verslag bevat. Dit deel wordt ingevuld en gedagtekend door een behandelende arts van de revalidatievoorziening. ]1

  [2 als er een tegemoetkoming wordt gevraagd conform artikel 534/105/1, een gestandaardiseerd medisch verslag waaruit blijkt dat de gebruiker door de aard en de ernst van zijn pathologie de rolstoel niet kan verlaten tijdens het vervoer.]2
  
Art. 534/111. [1 . La structure de revalidation rédige la demande conjointement avec l'usager ou son représentant [2 légal]2. La demande est établie [2 selon un modèle que l'agence détermine ]2. Le formulaire de demande comporte les volets suivants :
   1° le volet 1 contenant les informations administratives. Cette information est remplie par le responsable de la structure de revalidation et consiste en un document contenant toutes les informations suivantes :
   a) les coordonnées de la structure de revalidation ;
   b) les informations relatives au type de prestation de revalidation ;
   c) la période au cours de laquelle les prestations de revalidation ont lieu ;
   2° le volet 2 contenant l'accord de l'usager [2 ou de son représentant légal ]2 avec la demande d'intervention pour des prestations de revalidation sous la forme d'un consentement éclairé. Le consentement éclairé ne peut être donné que lorsque l'usager ou son représentant légal a pris connaissance de la convention de revalidation. Ce volet est signé et daté par l'usager ou son représentant légal ;
   3° le volet 3 contenant un rapport médical. Ce volet est complété et daté par un médecin traitant de la structure de revalidation. ]1

  [2 si une intervention est demandée conformément à l'article 534/105/1, un rapport médical standardisé dont il ressort que l'usager ne peut pas quitter sa voiturette durant le transport en raison de la nature et de la gravité de sa pathologie.]2
  
Art. 534/112. [1 Deel 1 en 3 en, in voorkomend geval, deel 4 van de aanvraag, vermeld in artikel 534/111, 1°, 3° en 4°, worden ingediend via een digitale applicatie als vermeld in artikel 534/122. Deel 2, vermeld in artikel 534/111, 2°, wordt bewaard door de revalidatievoorziening.
   Als het INSZ-nummer van de gebruiker op het moment van de aanvang van de revalidatieverstrekkingen niet bekend is, wordt de aanvraag via elke andere weg aan de zorgkas bezorgd en wordt de aanvraag via een digitale applicatie ingediend zodra de revalidatievoorziening over het INSZ-nummer van de gebruiker beschikt]1
.
  
Art. 534/112. [1 Les volets 1 et 3 et, le cas échéant, le volet 4 de la demande, mentionnés dans l'article 534/111, 1°, 3° et 4°, sont introduits via une application numérique telle que visée à l'article 534/122. La structure de revalidation conserve le volet 2 mentionné dans l'article 534/111, 2°.
   Si le numéro NISS de l'usager est inconnu au moment du début des prestations de revalidation, la demande est transmise à la caisse d'assurance soins par toute autre voie et la demande est introduite via une application numérique dès que la structure de revalidation dispose du numéro NISS de l'usager. ]1

  
Art. 534/113. [1 De zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten, controleert al de volgende elementen:
   1° de verzekeringsstatus van de gebruiker;
   2° de naleving door de gebruiker van de regels over de cumulatie, vermeld in de revalidatieovereenkomst en in artikel 534/93 tot en met 534/98;
   3° de volledigheid van de meegedeelde gegevens.
   De zorgkas vraagt, als dat nodig is, ontbrekende informatie op bij de gebruiker of de revalidatievoorziening. Als de zorgkas ontbrekende informatie opvraagt bij de revalidatievoorziening, brengt ze de gebruiker [2 of zijn wettelijke vertegenwoordiger]2 daarvan gelijktijdig op de hoogte.
   Een positief resultaat van de controle, vermeld in het eerste lid, leidt tot de beslissing tot volledige of gedeeltelijke goedkeuring van de aanvraag van de tegemoetkoming voor de revalidatieverstrekking.
   Een negatief resultaat van de controle, vermeld in het eerste lid, leidt tot de beslissing tot weigering van de aanvraag.
   Als uit de controle, vermeld in het eerste lid, 2°, blijkt dat de toepassingsvoorwaarden voor een verbod op cumulatie, vermeld in artikel 534/93 tot en met 534/98, vervuld zijn, wordt de tegemoetkoming voor de revalidatieverstrekking die als laatste werd aangevraagd geweigerd. ]1

  
Art. 534/113. [1 . La caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié vérifie l'ensemble des éléments suivants :
   1° le statut d'assurance de l'usager ;
   2° le respect par l'usager des règles en matière de cumul visées dans la convention de revalidation et aux articles 534/93 à 534/98 ;
   3° l'exhaustivité des données transmises.
   La caisse d'assurance soins réclame, au besoin, les informations manquantes auprès de l'usager ou de la structure de revalidation. Si la caisse d'assurance soins réclame des informations manquantes auprès de la structure de revalidation, elle en informe en même temps l'usager [2 ou son représentant légal ]2.
   Un résultat positif du contrôle visé à l'alinéa 1er, donne lieu à une décision d'acceptation totale ou partielle de la demande d'intervention pour la prestation de revalidation.
   Un résultat négatif du contrôle visé à l'alinéa 1er, donne lieu à une décision de refus de la demande.
   Si le contrôle visé à l'alinéa 1er, 2°, révèle que les conditions d'interdiction de cumul, telles que visées aux articles 534/93 à 534/98, sont remplies, l'intervention pour la prestation de revalidation demandée en dernier lieu est refusée. ]1

  
Art. 534/114. [1 . [2 Behalve als de aanvraag onderworpen is aan de controle door de Zorgkassencommissie conform artikel 534/115, bezorgt de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten, de beslissing tot volledige of gedeeltelijke goedkeuring of weigering van de aanvraag aan de gebruiker en de revalidatievoorziening binnen vijftien werkdagen na de ontvangstdatum]2.
   Als de zorgkas de beslissing tot volledige of gedeeltelijke goedkeuring of weigering van de aanvraag niet binnen vijftien werkdagen na de ontvangstdatum aan de gebruiker en de revalidatievoorziening bezorgt, wordt de aanvraag geacht te zijn goedgekeurd.
   Zodra de zorgkas vaststelt dat de gebruiker en de revalidatievoorziening niet binnen vijftien werkdagen na de ontvangstdatum een beslissing tot volledige of gedeeltelijke goedkeuring of weigering van de aanvraag hebben ontvangen, neemt ze alsnog een beslissing tot volledige of gedeeltelijke goedkeuring of tot weigering van de aanvraag en brengt ze de gebruiker en de revalidatievoorziening daarvan onmiddellijk op de hoogte.
   Als de zorgkas na vijftien werkdagen na de ontvangstdatum beslist om de aanvraag te weigeren [2 of gedeeltelijk goed te keuren]2, is ze verplicht de aanvraag goed te keuren als die betrekking heeft op revalidatieverstrekkingen die op zijn vroegst dertig dagen voor de ontvangstdatum en uiterlijk tien werkdagen na de kennisgeving van de [2 beslissing tot weigering of tot gedeeltelijke goedkeuring]2 plaatsvinden. De[2 beslissing tot weigering of tot gedeeltelijke goedkeuring]2 kan op zijn vroegst tien werkdagen na de kennisgeving van de [2 beslissing tot weigering of tot gedeeltelijke goedkeuring]2 ingaan.
   De beslissingstermijn van de zorgkas wordt geschorst als de zorgkas ontbrekende informatie opvraagt conform artikel 534/113, tweede lid. De termijn begint opnieuw te lopen op de werkdag na de dag waarop de zorgkas de voormelde bijkomende informatie heeft ontvangen.]1

  
Art. 534/114. [1 [2 Sauf si la demande est soumise au contrôle de la Commission des caisses d'assurance soins conformément à l'article 534/115, la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié transmet la décision d'approbation totale ou partielle ou de refus de la demande à l'usager et à la structure de revalidation dans les quinze jours ouvrables suivant la date de réception.]2.
   Si l'organisme assureur ne transmet pas la décision d'approbation totale ou partielle ou de refus de la demande à l'usager et à la structure de revalidation dans les quinze jours ouvrables suivant la date de réception, la demande est réputée avoir été approuvée.
   Dès lors que la caisse d'assurance soins constate que l'usager et la structure de revalidation n'ont pas reçu une décision d'approbation totale ou partielle ou de refus de la demande dans les quinze jours ouvrables suivant la date de réception, elle prend encore une décision d'approbation totale ou partielle ou de refus de la demande et en informe immédiatement l'usager et la structure de revalidation.
   Si la caisse d'assurance soins décide de refuser [2 ou d'approuver partiellement]2 la demande après quinze jours ouvrables suivant la date de réception, elle est tenue d'approuver la demande si elle concerne des prestations de revalidation dispensées au plus tôt trente jours avant la date de réception et au plus tard dix jours ouvrables après la notification de la [2 décision de refus ou d'approbation partielle]2. La [2 décision de refus ou d'approbation partielle]2 peut prendre effet au plus tôt dix jours ouvrables après la notification de la décision de refus.
   Le délai de décision de la caisse d'assurance soins est suspendu si la caisse d'assurance soins réclame des informations manquantes conformément à l'article 534/113, alinéa 2. Le délai commence à nouveau à courir le jour ouvrable suivant celui de la réception par la caisse d'assurance soins des informations manquantes. ]1

  
Art. 534/115. [1 § 1. Als de aanvraag onderworpen is aan de controle door de Zorgkassencommissie, bezorgt de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten, de aanvraag binnen vijftien werkdagen na de ontvangstdatum aan de Zorgkassencommissie zodra ze heeft vastgesteld dat de voorwaarden, vermeld in artikel 534/113, eerste lid, zijn vervuld. De voormelde termijn wordt geschorst als de zorgkas ontbrekende informatie opvraagt conform artikel 534/113, tweede lid. De voormelde termijn begint opnieuw te lopen op de werkdag na de dag waarop de zorgkas de voormelde bijkomende informatie heeft ontvangen. [2 [3 De gevallen waarin de aanvraag onderworpen is aan controle door de Zorgkassencommissie, worden geconcretiseerd in de revalidatieovereenkomst]3.]2
   De Zorgkassencommissie bezorgt binnen twintig werkdagen na de dag waarop ze de aanvraag heeft ontvangen, een eensluidend advies over de aanvraag aan de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten.
   De Zorgkassencommissie houdt bij het advies, vermeld in het tweede lid, ook rekening met de bepalingen in de revalidatieovereenkomsten.
   De Zorgkassencommissie kan het advies vragen aan de Expertencommissie over de aanvraag. De Zorgkassencommissie kan bijkomend advies vragen aan het agentschap of de sectorale adviescommissie in kwestie over de inhoudelijke aspecten van de aanvraag. Als de Zorgkassencommissie het advies van de Expertencommissie, of het bijkomend advies van het agentschap of de sectorale adviescommissie vraagt, wordt de termijn, vermeld in het tweede en het vijfde lid, geschorst. De termijn begint opnieuw te lopen op de werkdag na de dag waarop de Zorgkassencommissie het voormelde advies van de Expertencommissie, of het bijkomende advies van het agentschap of de sectorale adviescommissie heeft ontvangen.
   Als de Zorgkassencommissie binnen twintig werkdagen na de dag waarop ze de aanvraag heeft ontvangen, geen eensluidend advies over de aanvraag bezorgt aan de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten, wordt het advies geacht eensluidend gunstig te zijn.
   De Zorgkassencommissie kan ontbrekende informatie opvragen bij de gebruiker of zijn wettelijke vertegenwoordiger of de revalidatievoorziening als ze dat noodzakelijk acht in het kader van haar opdracht. Als de Zorgkassencommissie ontbrekende informatie opvraagt, wordt de termijn, vermeld in het tweede en het vijfde lid, geschorst. De voormelde termijn begint opnieuw te lopen op de werkdag na de dag waarop de Zorgkassencommissie de voormelde bijkomende informatie heeft ontvangen.
   De zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten, bezorgt de beslissing tot volledige of gedeeltelijke goedkeuring of tot weigering van de aanvraag aan de gebruiker of zijn wettelijke vertegenwoordiger en de revalidatievoorziening binnen vijftien werkdagen na de dag waarop ze het eensluidend advies van de Zorgkassencommissie heeft ontvangen.
   Als de Zorgkassencommissie geen eensluidend advies over de aanvraag bezorgt aan de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten, binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, en als de voormelde termijn, vermeld in het zesde lid, niet geschorst is, bezorgt de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten, de beslissing aan de gebruiker en de revalidatievoorziening binnen vijftien werkdagen na afloop van de termijn, vermeld in het tweede lid.
   Als de Zorgkassencommissie na de termijn, vermeld in het tweede lid, een ongunstig eensluidend advies over de aanvraag bezorgt aan de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten, en als de termijn, vermeld in het zesde lid, niet geschorst is, bezorgt de zorgkas een nieuwe beslissing aan de gebruiker en de revalidatievoorziening binnen vijftien werkdagen na de dag waarop ze het eensluidend advies van de Zorgkassencommissie heeft ontvangen. De voormelde nieuwe beslissing geldt vanaf de tiende werkdag na de aangetekende kennisgeving ervan.
   Als de zorgkas de beslissing tot volledige of gedeeltelijke goedkeuring of weigering van de aanvraag niet binnen vijftien werkdagen na de datum van de ontvangst van het advies van de Zorgkassencommissie aan de gebruiker of de wettelijke vertegenwoordiger en de revalidatievoorziening bezorgt, wordt de aanvraag geacht te zijn goedgekeurd.
   Zodra de zorgkas vaststelt dat de gebruiker of de wettelijke vertegenwoordiger en de revalidatievoorziening niet binnen vijftien werkdagen na de datum van de ontvangst van het advies van de Zorgkassencommissie een beslissing tot volledige of gedeeltelijke goedkeuring of weigering van de aanvraag hebben ontvangen, neemt ze alsnog een beslissing tot volledige of gedeeltelijke goedkeuring of weigering van de aanvraag en brengt ze de gebruiker of zijn wettelijke vertegenwoordiger en de revalidatievoorziening daarvan onmiddellijk op de hoogte.
   Als de zorgkas na vijftien werkdagen na de datum van de ontvangst van het advies van de Zorgkassencommissie beslist om de aanvraag te weigeren of gedeeltelijk goed te keuren, keurt ze de aanvraag volledig goed als die betrekking heeft op revalidatieverstrekkingen die op zijn vroegst dertig dagen voor de ontvangstdatum en uiterlijk tien werkdagen na de kennisgeving van de beslissing tot weigering of gedeeltelijke goedkeuring plaatsvinden. De beslissing tot weigering of gedeeltelijke goedkeuring kan op zijn vroegst tien werkdagen na de kennisgeving van de beslissing tot weigering of gedeeltelijke goedkeuring ingaan.
   § 2. De beslissing van de zorgkas en het eensluidend advies van de Zorgkassencommissie, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, zijn gebaseerd op een analyse van het type zorgaanbod en de medische problematiek van de doelgroep. Bij de voormelde analyse wordt rekening gehouden met de resultaten van de a-posterioricontrole, vermeld in artikel 534/116 ]1
.
  
Art. 534/115. [1 Si la demande est soumise au contrôle de la Commission des caisses d'assurance soins, la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié transmet la demande à la Commission des caisses d'assurance soins dans les quinze jours ouvrables suivant la date de réception dès qu'elle a constaté que les conditions énoncées à l'article 534/ 113 1er, alinéa 1er, ont été remplies. Le délai précité est suspendu si la caisse d'assurance soins réclame des informations manquantes conformément à l'article 534/113, alinéa 2. Le délai précité recommence à courir le jour ouvrable qui suit le jour de la réception des informations manquantes précitées par la caisse d'assurance soins. [3 Les cas dans lesquels la demande est soumise au contrôle de la Commission des caisses d'assurance soins sont concrétisés dans la convention de revalidation.]3
   Dans les vingt jours ouvrables de la réception de la demande, la Commission des caisses d'assurance soins transmet un avis conforme au sujet de la demande à la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié.
   Dans l'avis visé à l'alinéa 2, la Commission des caisses d'assurance soins tient également compte des dispositions des conventions de revalidation.
   La Commission des caisses d'assurance soins peut solliciter l'avis de la Commission d'experts au sujet de la demande. La Commission des caisses d'assurance soins peut solliciter l'avis supplémentaire de l'agence ou de la commission consultative sectorielle concernée concernant les aspects de fond de la demande. Si la Commission des caisses d'assurance soins sollicite l'avis de la Commission d'experts ou l'avis supplémentaire de l'agence ou de la commission consultative sectorielle, le délai visé aux alinéas 2 et 5 est suspendu. Le délai recommence à courir le jour ouvrable qui suit le jour de la réception, par la Commission des caisses d'assurance soins, de l'avis précité de la Commission d'experts ou de l'avis supplémentaire de l'agence ou de la commission consultative sectorielle.
   Si la Commission des caisses d'assurance soins ne transmet pas d'avis conforme au sujet de la demande à la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager de soins est affilié dans les vingt jours ouvrables de la réception de la demande, l'avis est réputé unanimement favorable.
   La Commission des caisses d'assurance soins peut réclamer des informations manquantes auprès de l'usager ou de son représentant légal ou de la structure de revalidation si elle le juge nécessaire dans le cadre de sa mission. Si la Commission des caisses d'assurance soins réclame des informations manquantes, le délai visé aux alinéas 1er et 5 est suspendu. Le délai précité recommence à courir le jour ouvrable qui suit le jour de la réception des informations supplémentaires précitées par la Commission des caisses d'assurance soins.
   La caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié transmet la décision d'approbation totale ou partielle ou de refus de la demande à l'usager ou à son représentant légal et à la structure de revalidation dans les quinze jours ouvrables de la réception de l'avis conforme de la Commission des caisses d'assurance soins.
   Si la Commission des caisses d'assurance soins ne transmet pas d'avis conforme au sujet de la demande à la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié dans le délai visé à l'alinéa 2 et si le délai précité visé à l'alinéa 6 n'a pas été suspendu, la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié transmet la décision à l'usager et à la structure de revalidation dans les quinze jours ouvrables qui suivent l'expiration du délai visé à l'alinéa 2.
   Si la Commission des caisses d'assurance soins transmet un avis conforme défavorable au sujet de la demande à la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié après le délai visé à l'alinéa 2 et si le délai visé à l'alinéa 6 n'a pas été suspendu, la caisse d'assurance soins transmet une nouvelle décision à l'usager et à la structure de revalidation dans les quinze jours ouvrables de la réception de l'avis conforme de la Commission des caisses d'assurance soins. La nouvelle décision précitée s'applique à compter du dixième jour ouvrable suivant sa notification recommandée.
   Si la caisse d'assurance soins ne transmet pas la décision d'approbation totale ou partielle ou de refus de la demande à l'usager ou au représentant légal et à la structure de revalidation dans les quinze jours ouvrables suivant la date de réception de l'avis de la Commission des caisses d'assurance soins, la demande est réputée avoir été approuvée.
   Dès que la caisse d'assurance soins constate que l'usager ou le représentant légal et la structure de revalidation n'ont pas reçu une décision d'approbation totale ou partielle ou de refus de la demande dans les quinze jours ouvrables suivant la date de réception de l'avis de la Commission des caisses d'assurance soins, elle prend encore une décision d'approbation totale ou partielle ou de refus de la demande et informe immédiatement l'usager ou son représentant légal et la structure de revalidation.
   Si la caisse d'assurance soins décide, après quinze jours ouvrables suivant la date de réception de l'avis de la Commission des caisses d'assurance soins, de refuser ou d'approuver partiellement la demande, elle approuve la demande totalement si elle concerne des prestations de revalidation dispensées au plus tôt trente jours avant la date de réception et au plus tard dix jours ouvrables après la notification de la décision de refus ou d'approbation partielle. La décision de refus ou d'approbation partielle peut prendre effet au plus tôt dix jours ouvrables après la notification de la décision de refus ou d'approbation partielle. [2 Le ministre détermine dans quels cas la demande est soumise au contrôle par la Commission des caisses d'assurance soins, tenant compte du résultat du contrôle, visé à l'article 534/113. ]2
   § 2. La décision de la caisse d'assurance soins et l'avis conforme de la Commission des caisses d'assurance soins mentionné dans le paragraphe 1er, alinéa 2, sont basés sur une analyse du type d'offre de soins et de la problématique médicale du groupe cible. L'analyse précitée tient compte des résultats du contrôle a posteriori visé à l'article 534/116. ]1

  
Art. 534/116. [1 Een a-posterioricontrole van de conformiteit van de medische gegevens die worden beschreven in het gestandaardiseerde medische verslag, vermeld in artikel 534/111, 3° [1 en 4°]1, is mogelijk. De Zorgkassencommissie voert die controle uit op basis van de bepalingen [1 van dit besluit en de bepalingen]1 in de revalidatieovereenkomst in kwestie. De minister kan de nadere regels voor de uitvoering van die controle bepalen. ]1
  
Art. 534/116. [1 ]1Un contrôle a posteriori de la conformité des données médicales décrites dans le rapport médical standardisé visé à l'article 534/111, 3° [2 et 4°]2, est possible. La Commission des caisses d'assurance soins effectue ce contrôle sur la base des dispositions [2 du présent arrêté et des dispositions ]2 de la convention de revalidation concernée. Le ministre peut définir les modalités d'exécution de ce contrôle.
  
Art. 534/117. [1 De beslissing tot volledige of gedeeltelijke goedkeuring van de aanvraag van de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten, bevat de volgende gegevens:
   1° de gegevens van de revalidatievoorziening;
   2° de gegevens over de soort revalidatieverstrekking, de periode waarin en, in voorkomend geval, de frequentie waarmee de revalidatieverstrekkingen, waarvoor een tegemoetkoming wordt toegekend, worden verleend.
   De zorgkas deelt de beslissing tot weigering van de aanvraag mee aan de gebruiker met een aangetekende zending of op om het even welke andere manier die toelaat de ontvangstdatum met zekerheid vast te stellen. Die kennisgeving bevat al de volgende elementen:
   1° de redenen van de weigering conform artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen;
   2° de beroepsmogelijkheden en de termijnen waarin beroep moet worden aangetekend.
  [2 Als de beslissing, vermeld in het tweede lid, betrekking heeft op een of verschillende revalidatieverstrekkingen die verleend worden in een revalidatievoorziening waarvan het erkenningsnummer begint met het nummer 7.73, wordt de mededeling aan de gebruiker gedaan op het adres van de revalidatievoorziening in kwestie. De revalidatievoorziening brengt de gebruiker op de hoogte van de voormelde beslissing.]2
   De zorgkas brengt de revalidatievoorziening op de hoogte van de beslissing tot goedkeuring of weigering via een digitale applicatie als vermeld in artikel 534/122. ]1

  
Art. 534/117. [1 La décision d'approbation totale ou partielle de la demande de la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié contient les données suivantes :
   1° les coordonnées de la structure de revalidation ;
   2° les informations relatives au type de prestation de revalidation, la période et, le cas échéant, la fréquence de dispensation des prestations de revalidation pour lesquelles une intervention est octroyée.
   La décision de refus de la demande est transmise par la caisse d'assurance soins à l'usager par envoi recommandé ou de toute autre manière permettant d'établir la date de réception avec certitude. Cette notification comprend tous les éléments suivants :
   1° les motifs du refus conformément à l'article 2 de la loi du 29 juillet 1991 relative à la motivation formelle des actes administratifs ;
   2° les possibilités de recours et les délais dans lesquels le recours doit être formé.
  [2 Si la décision visée à l'alinéa 2 concerne une ou plusieurs prestations de revalidation qui sont dispensées dans une structure de revalidation dont le numéro d'agrément commence par 7.73, la communication à l'usager est faite à l'adresse de la structure de revalidation concernée. La structure de revalidation informe l'usager de la décision précitée. ]2
   La caisse d'assurance soins informe la structure de revalidation de la décision d'approbation ou de refus via une application numérique telle que visée à l'article 534/122. ]1

  
Deel 3. [1 Facturatie ]1
Partie 3. [1 Facturation ]1
Art. 534/119. [1 De tegemoetkoming voor revalidatieverstrekkingen die aan de gebruiker is toegekend conform de bepalingen van dit besluit, wordt via een trekkingsrecht van de gebruiker rechtstreeks uitbetaald aan de revalidatievoorziening door de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten.
   De tegemoetkomingen, vermeld in artikel 534/105/1 en 534/105/6, worden gefactureerd en uitbetaald conform artikel 534/105/5 en 534/105/7. De zorgkas betaalt de tegemoetkoming in reiskosten uiterlijk zes weken na de goedkeuring van de aanvraag, vermeld in artikel 534/111, of zes weken nadat ze de correcte en volledig ingevulde factuur, vermeld in artikel 534/105/5, tweede lid, ontvangen heeft.
   De zorgkas betaalt de tegemoetkoming voor revalidatieverstrekkingen uiterlijk zes weken nadat ze de factuur ontvangen heeft. Bij laattijdige betaling is de zorgkas zonder ingebrekestelling een verwijlintrest verschuldigd voor het bedrag van de wettelijke intrestvoet in burgerlijke zaken op de datum waarop de betaaltermijn verstreek.
   De zorgkas vraagt, als dat nodig is, ontbrekende informatie op bij de gebruiker of de revalidatievoorziening. Als de zorgkas ontbrekende informatie opvraagt, wordt de termijn, vermeld in het derde lid, geschorst. De termijn begint opnieuw te lopen op de werkdag na de dag waarop de zorgkas de voormelde bijkomende informatie heeft ontvangen. Als de zorgkas ontbrekende informatie opvraagt bij de revalidatievoorziening, brengt ze de gebruiker of zijn wettelijke vertegenwoordiger daarvan gelijktijdig op de hoogte.
   De minister kan de modaliteiten van de betaling, vermeld in het eerste lid, bepalen ]1
.
  
Art. 534/119. [1 L'intervention pour des prestations de revalidation qui a été accordée à l'usager conformément aux dispositions du présent arrêté est versée directement à la structure de revalidation par la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié, via un droit de tirage de l'usager.
   Les interventions visées aux articles 534/105/1 et 534/105/6 sont facturées et versées conformément aux articles 534/105/5 et 534/105/7. La caisse d'assurance soins paie l'intervention dans les frais de déplacement au plus tard six semaines après l'approbation de la demande visée à l'article 534/111 ou six semaines après avoir reçu la facture correcte et dûment remplie visée à l'article 534/105/5, alinéa 2.
   La caisse d'assurance soins paie l'intervention pour des prestations de revalidation au plus tard six semaines après avoir reçu la facture. En cas de retard de paiement, la caisse d'assurance soins est redevable, sans mise en demeure, d'un intérêt de retard à concurrence du taux légal en matière civile à la date de l'expiration du délai de paiement.
   La caisse d'assurance soins réclame, au besoin, les informations manquantes auprès de l'usager ou de la structure de revalidation. Si la caisse d'assurance soins réclame des informations manquantes, le délai visé à l'alinéa 3 est suspendu. Le délai recommence à courir le jour ouvrable qui suit le jour de la réception des informations manquantes précitées par la caisse d'assurance soins. Si la caisse d'assurance soins réclame des informations manquantes auprès de la structure de revalidation, elle en informe en même temps l'usager ou son représentant légal.
   Le ministre peut arrêter les modalités du paiement visé à l'alinéa 1er. ]1

  
Art. 534/120. [1 § 1. In dit artikel wordt verstaan onder eenheidsprijs: de tegemoetkoming voor de eenheidsverstrekking, vermeld in de revalidatieovereenkomst. Om de eenheidsprijs te berekenen, wordt rekening gehouden met de loonkosten van het personeel, de kosten voor infrastructuur en de werkingskosten van de voorziening, die worden geconcretiseerd in de revalidatieovereenkomst.
  [2 Dit artikel is van toepassing op de facturatie van de tegemoetkomingen voor revalidatieverstrekkingen die aan de gebruiker zijn toegekend conform de bepalingen van dit besluit.]2 [3 Dit artikel is niet van toepassing op de facturatie van de tegemoetkomingen in reiskosten]3
   De verantwoordelijke van de revalidatievoorziening valideert de facturen en stuurt ze elektronisch naar de zorgkassen via een digitale applicatie als vermeld in artikel 534/122.
   Bij de facturen voegt de revalidatievoorziening per gebruiker en per zorgkas de digitale individuele kostennota's voor de verleende zorg.
   De digitale individuele kostennota bevat al de volgende rubrieken:
   1° de gegevens van de gebruiker;
   2° de gegevens van de revalidatievoorziening;
   3° de gegevens van de zorgkas;
   4° de gepresteerde revalidatieverstrekkingen, inclusief de datum waarop die revalidatieverstrekkingen zijn gepresteerd;
   5° een overzicht van de eenheidsprijs;
   6° een overzicht van de aangerekende extra vergoedingen die boven op de eenheidsprijs in rekening zijn gebracht;
   7° het totale verschuldigde nettobedrag dat de gebruiker of zijn vertegenwoordiger moet betalen;
   8° het bedrag van de tegemoetkoming voor de revalidatieverstrekkingen.
   De facturen en de individuele kostennota's worden opgesteld conform de modellen en de facturatie-instructies die het agentschap bepaalt.
   § 2. De facturen en individuele kostennota's worden ingediend via een digitale applicatie als vermeld in artikel 534/122. Door de indiening van de facturen en individuele kostennota's via een digitale applicatie als vermeld in artikel 534/122, voldoen ze aan de functionele [2 en technische]2 vereisten en aan de vereisten van betrouwbaarheid en veiligheid conform de geldende privacyregels.
   § 3. De revalidatievoorzieningen bezorgen de facturen en de individuele onkostennota's maandelijks per zorgkas en uiterlijk tot 24 maanden na de laatste dag waarop de zorg verstrekt is, tenzij het anders bepaald is in de [2 revalidatieovereenkomst]2 en met behoud van de toepassing van de gevallen waarin de verjaring wordt geschorst of gestuit. Het recht op stuiten van de verjaring wordt aangetoond met een aangetekende brief die gericht is aan de zorgkas. ]1

  [4 Een revalidatievoorziening die, buiten haar eigen wil om, niet beschikt over een operationele digitale applicatie als vermeld in artikel 534/122, en om die reden geen facturen kan versturen conform paragraaf 1, derde lid, en paragraaf 2, kan bij het agentschap een aanvraag tot afwijking indienen.
   De revalidatievoorziening motiveert de afwijkingsaanvraag, vermeld in het eerste lid, en bezorgt ze schriftelijk aan het agentschap. Er wordt een verklaring op erewoord bij de afwijkingsaanvraag gevoegd dat de revalidatievoorziening de facturatie niet kan uitvoeren.
   Het agentschap kan bijkomende stukken opvragen ter verduidelijking van de afwijkingsaanvraag, vermeld in het eerste lid.
   Het agentschap beoordeelt de afwijkingsaanvraag, vermeld in het eerste lid, en brengt de revalidatievoorziening in kwestie op de hoogte van zijn beslissing over die aanvraag. Als er een afwijking wordt toegestaan, wordt ook vermeld voor welke periode die afwijking wordt toegestaan.
   De revalidatievoorziening dient de facturen, vermeld in het eerste lid, chronologisch in via de digitale applicatie zodra de digitale applicatie operationeel is.
   In afwijking van paragraaf 1 en artikel 534/121 ontvangen de revalidatievoorzieningen die beschikken over de goedkeuring, vermeld in het vierde lid, van de zorgkas een maandelijks voorschot.
   Het agentschap bepaalt per revalidatievoorziening het voorschot voor elke maand, vermeld in het zesde lid, dat de revalidatievoorziening per zorgkas ontvangt.
   Elke zorgkas verrekent de ontvangen individuele kostennota's die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, met de voorschotbedragen die aan de revalidatievoorziening betaald zijn.
   De eerste individuele kostennota na de volledige verrekening van het voorschotbedrag, die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, wordt door de zorgkas uitbetaald conform artikel 534/119.
   De zorgkas kan vanaf de zevende week na de week waarin de zorgkas het laatste voorschot heeft betaald, eventuele niet-verrekende voorschotten terugvorderen van de revalidatievoorziening.
   Het agentschap is financieel verantwoordelijk voor de niet-verrekende voorschotten, vermeld in het tiende lid, die niet door de zorgkassen teruggevorderd kunnen worden bij de revalidatievoorziening.]4

  
Art. 534/120. [1 § 1er. Dans le présent article, on entend par prix unitaire : l'intervention pour la prestation unitaire visée dans la convention de revalidation. Pour le calcul du prix unitaire, il est tenu compte des coûts salariaux du personnel, des coûts d'infrastructure et des frais de fonctionnement de la structure qui sont concrétisés dans la convention de revalidation.
  [2 Le présent article s'applique à la facturation des interventions pour des prestations de revalidation qui ont été octroyées à l'usager conformément aux dispositions du présent arrêté. ]2 [3 Le présent article ne s'applique pas à la facturation des interventions dans les frais de déplacement.]3
   Le responsable de la structure de revalidation valide les factures et les envoie par voie électronique aux caisses d'assurance soins via une application numérique telle que visée à l'article 534/122.
   La structure de revalidation joint aux factures, par usager et par caisse d'assurance soins, les notes de frais individuelles numériques pour les soins dispensés.
   La note de frais individuelle numérique contient toutes les rubriques suivantes :
   1° les coordonnées de l'usager ;
   2° les coordonnées de la structure de revalidation ;
   3° les coordonnées de la caisse d'assurance soins ;
   4° les prestations de revalidation fournies, y compris la date à laquelle ces prestations ont été fournies ;
   5° un aperçu du prix unitaire ;
   6° un aperçu des indemnités supplémentaires facturées, portées en compte en sus du prix unitaire ;
   7° le montant net total dû que l'usager ou son représentant doit payer ;
   8° le montant de l'intervention pour les prestations de revalidation.
   Les factures et notes de frais individuelles sont établies conformément aux modèles et aux instructions de facturation définis par l'agence.
   § 2. Les factures et les notes de frais individuelles sont soumises via une application numérique telle que visée à l'article 534/122. En soumettant les factures et les notes de frais individuelles via une application numérique telle que visée à l'article 534/122, elles répondent aux exigences fonctionnelles [2 et techniques ]2 et aux exigences de fiabilité et de sécurité selon les règles de protection de la vie privée en vigueur.
   § 3. Les structures de revalidation transmettent les factures et les notes de frais individuelles mensuellement par caisse d'assurance soins et au plus tard jusqu'à 24 mois suivant le dernier jour de prestation des soins, sauf disposition contraire reprise dans la [2 convention de revalidation]2 et sans préjudice de l'application des cas d'interruption ou de suspension de la période de prescription. Le droit d'interrompre le délai de prescription est démontré par lettre recommandée adressée à la caisse d'assurance soins. ]1

  [4 § 4. Une structure de revalidation qui, pour des raisons indépendantes de sa volonté, ne dispose pas d'une application numérique opérationnelle telle que visée à l'article 534/122, et qui, pour cette raison, ne peut envoyer de factures conformément au paragraphe 1er, alinéa 3, et au paragraphe 2, peut introduire une demande de dérogation auprès de l'agence.
   La structure de revalidation motive la demande de dérogation, visée à l'alinéa 1er, et la remet par écrit à l'agence. Une déclaration sur l'honneur, attestant que la structure de revalidation ne peut effectuer la facturation, est jointe à la demande de dérogation.
   L'agence peut demander des pièces supplémentaires afin de clarifier la demande de dérogation visée à l'alinéa 1er.
   L'agence évalue la demande de dérogation, visée à l'alinéa 1er, et informe la structure de revalidation en question de sa décision quant à cette demande. Si une dérogation est accordée, la période pendant laquelle cette dérogation est accordée est également indiquée.
   La structure de revalidation introduit les factures, visées à l'alinéa 1er, chronologiquement via l'application numérique dès que cette dernière est opérationnelle.
   Par dérogation au paragraphe 1er et à l'article 534/121, les structures de revalidation qui disposent de l'approbation, visée à l'alinéa 4, reçoivent une avance mensuelle de la caisse d'assurance soins.
   L'agence détermine, pour chaque structure de revalidation, l'avance pour chaque mois, visée à l'alinéa 6, que la structure de revalidation reçoit par caisse d'assurance soins.
   Chaque caisse d'assurance soins impute les montants d'avance qui ont été versés à la structure de revalidation sur les notes de frais individuelles qui satisfont aux conditions énoncées au paragraphe 1er.
   La première note de frais individuelle intervenant après imputation intégrale du montant d'avance, qui satisfait aux conditions visées au paragraphe 1er, est payée par la caisse d'assurance soins conformément à l'article 534/119.
   A partir de la septième semaine suivant celle au cours de laquelle elle a versé la dernière avance, la caisse d'assurance soins peut récupérer les éventuelles avances non imputées auprès de la structure de revalidation.
   L'agence est financièrement responsable des avances non imputées visées à l'alinéa 10 que les caisses d'assurance soins ne peuvent pas récupérer auprès de la structure de revalidation. ]4

  
Art. 534/121. [1 Het agentschap betaalt de revalidatievoorzieningen de financiële tegemoetkoming in het kader van de sociale akkoorden die gesloten zijn, en de compensatie van de financiële schade van laattijdige toekenningen [2 in het kader van de voormelde sociale akkoorden]2. ]1
  
Art. 534/121. [1 L'agence paie aux structures de revalidation l'intervention financière dans le cadre des accords sociaux conclus et la compensation du préjudice financier d'octrois tardifs [2 dans le cadre des accords sociaux précités ]2. ]1
  
Deel 4. [1 Software ]1
Partie 4. [1 Logiciel ]1
Art. 534/122. [1 § 1. [2 De digitale applicatie, vermeld in artikel 534/106, eerste lid, 2°, artikel 534/112, artikel 534/117, vierde lid, en artikel 534/120, § 1, derde lid, en § 2, voldoet aan de functionele en technische vereisten en de vereisten van betrouwbaarheid en veiligheid die de minister bepaalt, na advies van een groep van onafhankelijke experten.]2.
   Het agentschap staat in voor de attestering van de digitale applicaties die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid.
   § 2. Revalidatievoorzieningen die niet gebruikmaken van een digitale applicatie als vermeld in paragraaf 1, kunnen de aanvragen, vermeld in artikel 534/111, niet indienen bij de zorgkassen om tegemoetkomingen voor de revalidatieverstrekkingen te krijgen, en kunnen [3 die tegemoetkomingen voor revalidatieverstrekkingen]3 niet factureren aan de zorgkassen conform artikel 534/120.
   § 3. De experten, vermeld in paragraaf 1, worden aangewezen door het agentschap in overleg met de betrokken beroepsorganisaties. De minister kan nadere regels bepalen voor de samenstelling en de werking van de groep van onafhankelijke exper ]1

  
Art. 534/122. [1 § 1er. [2 L'application numérique mentionnée dans l'article 534/106, alinéa 1er, 2°, l'article 534/112, l'article 534/117, alinéa 4, et l'article 534/120, § 1er, alinéa 3, et § 2, satisfait aux exigences fonctionnelles et techniques et aux exigences de fiabilité et de sécurité que le ministre définit sur avis d'un groupe d'experts indépendants. ]2.
   L'agence est chargée de la certification des applications numériques qui satisfont aux conditions visées à l'alinéa 1er.
   § 2. Les structures de revalidation qui n'utilisent pas l'application numérique telle que visée au paragraphe 1er, ne peuvent pas soumettre les demandes, visées à l'article 534/111, aux caisses d'assurance soins afin de recevoir des interventions pour les prestations de revalidation, et ne peuvent pas facturer [3 ces interventions pour prestations de revalidation]3 aux caisses d'assurance soins conformément à l'article 534/120.
   § 3. Les experts visés au paragraphe 1er sont désignés par l'agence en concertation avec les organisations professionnelles concernées. Le ministre peut fixer les modalités relatives à la composition et au fonctionnement du groupe d'experts indépendants. ]1

  
Art. 534/123. [1 § 1. De softwareontwikkelaars dienen de aanvragen tot attestering als vermeld in artikel 534/122, § 1, tweede lid, in bij het agentschap.
   De gedagtekende en ondertekende aanvraag wordt ingediend met een formulier waarvan het agentschap het model vastlegt.
   Het formulier, vermeld in het tweede lid, bevat al de volgende gegevens:
   1° de identificatiegegevens van de aanvrager;
   2° de beschrijving van de maatregelen inzake gegevensbescherming en informatieveiligheid;
   3° de beschrijving van de architecturale structuur van het pakket;
   4° de technische specificaties die toelaten de mogelijkheid tot koppeling met het digitaal platform Vlaamse sociale bescherming te beoordelen.
   § 2. Het agentschap beoordeelt de aanvraag tot attestering, vermeld in paragraaf 1, en beslist tot de goedkeuring of weigering van de organisatie van het attesteringstraject. Het agentschap kan aan de groep van onafhankelijke experten, vermeld in artikel 534/122, § 3, advies vragen over de aanvraag.
   Het agentschap deelt zijn gemotiveerde beslissing tot goedkeuring of weigering van de organisatie van het attesteringstraject mee uiterlijk binnen dertig dagen na de dag waarop het de aanvraag tot attestering, vermeld in paragraaf 1, heeft ontvangen.
   § 3. Bij wijzigingen aan een van de elementen, vermeld in paragraaf 1, derde lid, na de beslissing tot goedkeuring van de organisatie van het attesteringstraject, vervalt die beslissing tot goedkeuring van rechtswege en dient de softwareontwikkelaar in kwestie een nieuwe aanvraag tot attestering in.
   § 4. Na de goedkeuring van de organisatie van het attesteringstraject, kan de softwareontwikkelaar in kwestie bij het agentschap een verzoek indienen tot de organisatie van testen.
   De groep van onafhankelijke experten, vermeld in artikel 534/122, § 3, organiseert binnen een termijn van negentig dagen na de dag waarop het agentschap het verzoek, vermeld in het eerste lid, heeft ontvangen, testen waarbij wordt nagegaan of de digitale applicatie waarvoor de attestering is aangevraagd, voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 534/122, § 1, eerste lid, en stelt een testrapport op.
   De minister kan nadere regels bepalen over de organisatie van de testen, vermeld in het tweede lid.
   § 5. De groep van onafhankelijke experten, vermeld in artikel 534/122, § 3, bezorgt het testrapport, vermeld in paragraaf 4, tweede lid, samen met een overeenstemmend advies aan het agentschap binnen honderdtwintig dagen na de dag waarop het agentschap het verzoek tot de organisatie van testen conform paragraaf 4, eerste lid, heeft ontvangen.
   Het agentschap attesteert de digitale applicatie of weigert de attestering van de digitale applicatie en brengt de aanvrager op de hoogte van die beslissing binnen vijftien dagen na de dag waarop het het advies van de groep van onafhankelijke experten heeft ontvangen conform het eerste lid.
   De attesten die toegekend worden conform het tweede lid, zijn geldig voor tien jaar, met behoud van de toepassing van artikel 534/124.
   § 6. De termijnen, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, paragraaf 4, tweede lid en paragraaf 5, eerste en tweede lid, worden geschorst als het agentschap of de groep van onafhankelijke experten, vermeld in artikel 534/122, § 3, bijkomende informatie vraagt aan de softwareontwikkelaar
   De termijnen, vermeld in het eerste lid, lopen verder vanaf de dag na de dag waarop het agentschap of de groep van onafhankelijke experten de bijkomende informatie heeft ontvangen conform het eerste lid.
   § 7. De softwareontwikkelaars die een digitale applicatie ontwikkelen, kunnen altijd een nieuwe aanvraag tot attestering indienen bij het agentschap. ]1

  
Art. 534/123. [1 . § 1er. Les développeurs de logiciels soumettent à l'agence les demandes de certification telle que visée à l'article 534/122, § 1er, alinéa 2.
   La demande datée et signée est introduite au moyen d'un formulaire dont l'agence détermine le modèle.
   Le formulaire visé à l'alinéa 2, comprend l'ensemble des données suivantes :
   1° les données d'identification du demandeur ;
   2° la description des mesures de protection des données et de sécurité de l'information ;
   3° la description de la structure architecturale du progiciel ;
   4° les spécifications techniques permettant d'évaluer la possibilité de se connecter à la plateforme numérique de la protection sociale flamande.
   § 2. L'agence évalue la demande de certification visée au paragraphe 1er, et décide d'approuver ou de refuser l'organisation du processus de certification. L'agence peut demander l'avis du groupe d'experts indépendants visé à l'article 534/122, paragraphe 3, sur la demande.
   L'agence communique sa décision motivée d'approuver ou de refuser l'organisation du processus de certification au plus tard dans les trente jours suivant la date de réception de la demande de certification visée au paragraphe 1er.
   § 3. En cas de modification de l'un des éléments visés au paragraphe 1er, alinéa 3, après la décision d'approbation de l'organisation du processus de certification, cette décision d'approbation est annulée de plein droit et le développeur de logiciels en question doit introduire une nouvelle demande de certification.
   § 4. A la suite de l'approbation de l'organisation du processus de certification, le développeur de logiciels en question peut soumettre à l'agence une demande d'organisation d'essais.
   Le groupe d'experts indépendants visé à l'article 534/122, paragraphe 3, organise, dans un délai de nonante jours suivant le jour de réception par l'agence de la demande visée à l'alinéa 1er, des essais destinés à vérifier si l'application numérique pour laquelle la certification a été demandée respecte les conditions visées à l'article 534/122, paragraphe 1er, alinéa 1er, et établit un rapport d'essai.
   Le ministre peut arrêter des modalités relatives à l'organisation des essais, visée à l'alinéa 2.
   § 5. Le groupe d'experts indépendants visé à l'article 534/122, paragraphe 3, soumet à l'agence le rapport d'essai visé au paragraphe 4, alinéa 2, accompagné d'un avis correspondant, dans un délai de cent vingt jours suivant la date de réception par l'agence de la demande d'organisation d'essais, conformément au paragraphe 4, alinéa 1er.
   L'agence certifie l'application numérique ou refuse de certifier l'application numérique et notifie sa décision au demandeur dans un délai de quinze jours suivant la date de réception de l'avis du groupe d'experts indépendants conformément à l'alinéa 1er.
   Les certificats délivrés conformément à l'alinéa 2 sont valables pendant dix ans, sans préjudice de l'application de l'article 534/124.
   § 6. Les délais visés au paragraphe 2, alinéa 2, au paragraphe 4, alinéa 2 et au paragraphe 5, alinéas 1er et 2, sont suspendus si l'agence ou le groupe d'experts indépendants visé à l'article 534/122, § 3, demande des informations complémentaires au développeur de logiciels.
   Les délais visés à l'alinéa 1er, continuent à courir à compter du jour suivant celui où l'agence ou le groupe d'experts indépendants a reçu les informations complémentaires conformément à l'alinéa 1er.
   § 7. Les développeurs de logiciels qui conçoivent une application numérique peuvent à tout moment introduire une nouvelle demande de certification auprès de l'agence. ]1

  
Art. 534/124. [1 . § 1. Zo lang het uitgereikte attest geldig is, wordt de geattesteerde versie van de digitale applicatie en de evolutie ervan geacht te blijven voldoen aan de functionele en technische vereisten en de vereisten van betrouwbaarheid en veiligheid, vermeld in artikel 534/122, § 1, eerste lid.
   § 2. Een softwareontwikkelaar met een geattesteerde digitale applicatie implementeert alle wijzigingen aan de functionele en technische vereisten en de vereisten van betrouwbaarheid en veiligheid, vermeld in artikel 534/122, § 1, [2 eerste lid,]2 volgens het versiebeleid van het digitaal platform Vlaamse sociale bescherming.
   Een softwareontwikkelaar die op eigen initiatief wijzigingen aanbrengt aan de geattesteerde digitale applicatie met een impact op de functionele en technische vereisten en de vereisten van betrouwbaarheid en veiligheid als vermeld in artikel 534/122, § 1, eerste lid, brengt het agentschap daarvan op de hoogte. In die melding aan het agentschap geeft de softwareontwikkelaar een beschrijving van de wijzigingen aan de geattesteerde digitale applicatie.
   § 3. Als er wijzigingen worden aangebracht aan de geattesteerde digitale applicatie conform paragraaf 2, met een impact op de functionele en technische vereisten en de vereisten van betrouwbaarheid en veiligheid als vermeld in artikel 534/122, § 1, eerste lid, kan het agentschap, na eensluidend advies van de groep van onafhankelijke experten, vermeld in artikel 534/122, § 3, beslissen om bijkomende toelichtingen op te vragen bij de gemelde wijzigingen of om nieuwe testen op te leggen voor de digitale applicatie.
  [2 Afhankelijk van het resultaat van de testen kan het agentschap, na eensluidend advies van de groep van onafhankelijke experten, vermeld in het eerste lid, beslissen om de attestering te bevestigen of in te trekken.]2
   § 4. Als er aanwijzingen zijn dat een digitale applicatie niet meer zou voldoen aan de functionele [2 technische]2 vereisten en de vereisten van betrouwbaarheid en veiligheid, vermeld in artikel 534/122, § 1, eerste lid, kan het agentschap, na eensluidend advies van de groep van onafhankelijke experten, vermeld in artikel 534/122, § 3, beslissen om nieuwe testen te organiseren. Afhankelijk van het resultaat van de testen kan het agentschap, na eensluidend advies van de voormelde groep van onafhankelijke experten, beslissen om de attestering te bevestigen of in te trekken. ]1

  
Art. 534/124. [1 § 1er. Au cours de la durée de validité du certificat délivré, la version certifiée de l'application numérique et son évolution sont supposées satisfaire aux exigences fonctionnelles et techniques ainsi qu'aux exigences de fiabilité et de sécurité visées à l'article 534/122, § 1er, alinéa 1er.
   § 2. Un développeur de logiciels disposant d'une application numérique certifiée met en oeuvre toutes les modifications des exigences fonctionnelles et techniques et des exigences de fiabilité et de sécurité, visées à l'article 534/122, § 1er, [2 alinéa 1er,]2 conformément à la version de politique de la plateforme numérique de la protection sociale flamande.
   Le développeur de logiciels qui, de sa propre initiative, apporte à l'application numérique certifiée des modifications ayant un impact sur les exigences fonctionnelles et techniques et sur les exigences de fiabilité et de sécurité visées à l'article 534/122, § 1er, alinéa 1er, en informe l'agence. Dans cette notification à l'agence, le développeur de logiciels décrit les modifications apportées à l'application numérique certifiée.
   § 3. Si des modifications sont apportées à l'application numérique certifiée conformément au paragraphe 2, entraînant un impact sur les exigences fonctionnelles et techniques et sur les exigences de fiabilité et de sécurité telles que visées à l'article 534/122, § 1er, alinéa 1er, l'agence peut, après avis conforme du groupe d'experts indépendants visé à l'article 534/122, § 3, décider de demander des explications complémentaires sur les modifications signalées ou d'imposer de nouveaux essais pour l'application numérique.
  [2 En fonction du résultat des essais, l'agence peut décider, sur avis conforme du groupe d'experts indépendants visé à l'alinéa 1er, de confirmer ou de retirer la certification.]2
   § 4. S'il existe des indications selon lesquelles une application numérique ne satisferait plus aux exigences fonctionnelles [2 et techniques]2 ainsi qu'aux exigences de fiabilité et de sécurité visées à l'article 534/122, § 1er, alinéa 1er, l'agence peut, après avis conforme du groupe d'experts indépendants visé à l'article 534/122, § 3, décider d'organiser de nouveaux essais. En fonction du résultat des essais, l'agence peut, après avis conforme du groupe d'experts indépendants susmentionné, décider de confirmer ou de retirer la certification. ]1

  
Art. 534/125. [1 De attesten die verleend zijn conform de bepalingen van dit deel, worden bekendgemaakt op de website van het agentschap met vermelding van hun geldigheidstermijn. ]1
  
Art. 534/125. [1 . Les certificats délivrés conformément aux dispositions de la présente partie sont publiés sur le site internet de l'agence, avec mention de leur délai de validité. ]1
  
Deel 5. [1 Tegemoetkomingen voor geplande revalidatieverstrekkingen in het buitenland ]1 [2 en reiskosten die ermee verband houden]2
Partie 5. [1 Interventions pour des prestations de revalidation programmées à l'étranger ]1 [2 et des frais de déplacement y liés]2
Titel 1. [1 Inleidende bepaling ]1
TITRE 1er. [1 Disposition introductive ]1
Art. 534/126. [1 Dit deel voorziet in de gedeeltelijk omzetting van richtlijn 2011/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2011 betreffende de toepassing van de rechten van patiënten bij grensoverschrijdende gezondheidszorg. ]1
  
Art. 534/126. [1 La présente partie transpose partiellement la directive 2011/24/UE du Parlement européen et du Conseil du 9 mars 2011 relative à l'application des droits des patients en matière de soins de santé transfrontaliers. ]1
  
Titel 2. [1 Voorwaarden en bedrag van de tegemoetkomingen ]1
TITRE 2. [1 Conditions et montant des interventions ]1
Art. 534/127. [1 § 1. Voor geplande revalidatieverstrekkingen waarvoor de gebruiker minstens één nacht in een ziekenhuis moet verblijven in een andere lidstaat van de Europese Unie dan België, of in IJsland, in Liechtenstein, in Noorwegen of in Zwitserland, is een voorafgaande toestemming voor geplande zorg vereist conform richtlijn 2011/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2011 betreffende de toepassing van de rechten van patiënten bij grensoverschrijdende gezondheidszorg. Voor alle andere vormen van revalidatieverstrekkingen in het buitenland is een voorafgaande toestemming vereist, waarvoor dezelfde toetssteen wordt gehanteerd als voor de goedkeuring, vermeld in artikel 534/107.
   § 2. De gebruiker kan aanspraak maken op een tegemoetkoming voor geplande revalidatieverstrekkingen in het buitenland als al de volgende voorwaarden zijn vervuld:
   1° de revalidatieverstrekkingen behoren tot het zorgaanbod van de revalidatievoorzieningen waarvoor dit besluit in een tegemoetkoming voorziet;
   2° de gebruiker voldoet aan de voorwaarden waaraan op basis van dit besluit moet zijn voldaan opdat een tegemoetkoming voor revalidatieverstrekkingen kan worden toegekend;
   3° de revalidatieverstrekkingen worden verstrekt door een verstrekker die wettelijk gemachtigd is om de geneeskunde uit te oefenen in het land waar de revalidatieverstrekkingen plaatsvinden, of in een voorziening die kan worden gelijkgesteld met een revalidatievoorziening en die voldoende geneeskundige waarborgen biedt of erkend is door de overheid van het land waar ze zich bevindt;
   4° de gebruiker heeft, conform artikel 534/129 tot en met 534/138, een voorafgaande aanvraag ingediend en een goedkeuring voor de revalidatieverstrekkingen in kwestie verkregen van de zorgkas;
   5° op het ogenblik waarop de tegemoetkoming wordt toegekend, heeft de gebruiker de kosten al betaald en levert hij daarvan het bewijs.
   De minister kan bepalen hoe het bewijs, vermeld in het eerste lid, 5°, wordt geleverd. ]1

  
Art. 534/127. [1 § 1er. Les prestations de revalidation programmées pour lesquelles l'usager doit séjourner une nuit au moins à l'hôpital dans un Etat membre de l'Union européenne autre que la Belgique, ou en Islande, au Liechtenstein, en Norvège ou en Suisse, sont soumises à une autorisation préalable pour soins programmés conformément à la directive 2011/24/UE du Parlement européen et du Conseil du 9 mars 2011 relative à l'application des droits des patients en matière de soins de santé transfrontaliers. Toutes les autres formes de prestations de revalidation à l'étranger requièrent une autorisation préalable soumise au même critère que l'approbation visée à l'article 534/107.
   § 2. L'usager peut prétendre à une intervention pour des prestations de revalidation programmées à l'étranger si toutes les conditions suivantes sont remplies :
   1° les prestations de revalidation font partie de l'offre de soins des structures de revalidation pour lesquelles le présent arrêté prévoit une intervention ;
   2° l'usager satisfait aux conditions à remplir en vertu du présent arrêté afin qu'une intervention pour des prestations de revalidation puisse être accordée ;
   3° les prestations de revalidation sont dispensées par un prestataire légalement autorisé à exercer la médecine dans le pays où les prestations de revalidation ont lieu ou dans une structure qui peut être assimilée à une structure de revalidation et qui offre des garanties médicales suffisantes ou est agréée par l'autorité du pays où elle se trouve ;
   4° l'usager a introduit, conformément aux articles 534/129 à 534/138, une demande préalable et a obtenu une approbation de la caisse d'assurance soins pour les prestations de revalidation concernées ;
   5° au moment de l'octroi de l'intervention, l'usager a déjà payé les frais et en apporte la preuve.
   Le ministre peut déterminer la manière dont la preuve visée à l'alinéa 1er, 5°, est apportée. ]1

  
Art. 534/127/1. [1 De gebruiker kan aanspraak maken op een tegemoetkoming voor reiskosten die verband houden met geplande revalidatieverstrekkingen in het buitenland, als de gebruiker aan al de volgende voorwaarden voldoet:
   1° de gebruiker voldoet aan de voorwaarden waaraan op basis van dit besluit moet zijn voldaan opdat een tegemoetkoming voor geplande revalidatieverstrekkingen in het buitenland kan worden toegekend;
   2° de gebruiker heeft, conform artikel 534/129 tot en met 534/138, een voorafgaande aanvraag ingediend en een goedkeuring voor de reiskosten in kwestie verkregen.]1

  [2 3° de gebruiker voldoet aan een van de volgende voorwaarden:
   a) uit een medisch verslag blijkt dat de gebruiker door de aard en de ernst van zijn aandoening alleen kan worden vervoerd in zijn rolstoel in een voertuig dat is aangepast voor het vervoer in een rolstoel;
   b) de gebruiker is jonger dan achttien jaar en het revalidatieprogramma is vergelijkbaar met het revalidatieprogramma van de revalidatievoorzieningen waarvan het erkenningsnummer begint met het nummer 7.74.6 of 9.69.]2

  
Art. 534/127/1. [1 L'usager peut prétendre à une intervention pour les frais de déplacement liés à des prestations de revalidation programmées à l'étranger si l'usager remplit toutes les conditions suivantes :
   1° l'usager satisfait aux conditions à remplir en vertu du présent arrêté afin qu'une intervention pour des prestations de revalidation programmées à l'étranger puisse être accordée ;
   2° l'usager a introduit, conformément aux articles 534/129 à 534/138, une demande préalable et a obtenu une approbation pour les frais de déplacement concernés.]1

  [2 3° l'usager satisfait à l'une des conditions suivantes :
   a) il ressort d'un rapport médical que l'usager, en raison de la nature et de la gravité de son affection, ne peut être transporté que dans son fauteuil roulant, dans un véhicule adapté pour le transport dans un fauteuil roulant ;
   b) l'usager a moins de dix-huit ans et le programme de revalidation est comparable au programme de revalidation des structures de revalidation dont le numéro d'agrément commence par le numéro 7.74.6 ou 9.69.]2

  
Art. 534/128. [1 [2 ...]2 [2 Het bedrag]2 van de tegemoetkoming voor geplande revalidatieverstrekkingen in het buitenland [2 is]2 het gewogen gemiddelde van de tegemoetkomingen die worden toegekend voor revalidatieverstrekkingen die worden verleend in revalidatievoorzieningen met een vergelijkbaar revalidatieprogramma en een vergelijkbare doelgroep. De tegemoetkoming kan niet hoger zijn dan de werkelijk gemaakte kosten. ]1
  
Art. 534/128. [1 [2 ...]2 [2 Le montant]2 de l'intervention pour des prestations de revalidation programmées à l'étranger est la moyenne pondérée des interventions octroyées pour des prestations de revalidation dispensées dans des structures de revalidation au programme de revalidation comparable pour un groupe-cible comparable. L'intervention ne peut pas être supérieure aux frais réellement exposés. ]1
  
Art. 534/128/1. [1 Om de tegemoetkoming voor reiskosten die verband houden met geplande revalidatieverstrekkingen in het buitenland, te berekenen, wordt alleen de afstand in vogelvlucht, heen en terug, tussen de werkelijke verblijfplaats van de gebruiker en de plaats van de behandeling in aanmerking genomen. Voor de eerste 350 kilometer van de heen- en de terugweg wordt geen tegemoetkoming verleend.
   De tegemoetkoming voor reiskosten die verband houden met geplande revalidatieverstrekkingen in het buitenland, wordt voor elke gebruiker berekend conform de volgende formule: het bedrag van de tegemoetkoming per kilometer, vermeld in het derde of vierde lid, vermenigvuldigd met het aantal kilometer, vermeld in het eerste lid.
   Als de gebruiker jonger is dan achttien jaar is en het revalidatieprogramma vergelijkbaar is met het revalidatieprogramma van de revalidatievoorzieningen waarvan het erkenningsnummer begint met het nummer 7.74.6 of 9.69, bedraagt de tegemoetkoming 0,30 euro per kilometer.
   Als uit een medisch verslag blijkt dat de gebruiker door de aard en de ernst van zijn aandoening alleen kan worden vervoerd in zijn rolstoel in een voertuig dat is aangepast voor het vervoer in een rolstoel, bedraagt de tegemoetkoming:
   1° 0,30 euro per kilometer als de gebruiker wordt vervoerd in zijn eigen voertuig dat is aangepast voor het vervoer in een rolstoel;
   2° 2,96 euro per kilometer als de gebruiker wordt vervoerd door een professionele vervoerder in een voertuig dat is aangepast voor het vervoer in een rolstoel.
  [2 De bedragen, vermeld in dit artikel, worden op 1 januari van elk jaar aangepast aan de evolutie van dat indexcijfer.]2.
   De koppeling aan het indexcijfer, vermeld in het [2 vijfde]2lid, wordt berekend en toegepast conform artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen.]1

  
Art. 534/128/1. [1 Pour le calcul de l'intervention pour les frais de déplacement liés à des prestations de revalidation programmées à l'étranger, seule la distance aller-retour, calculée à vol d'oiseau, entre la résidence effective de l'usager et le lieu du traitement entre en considération. Il n'est pas accordé d'intervention pour les 350 premiers kilomètres du trajet aller-retour.
   L'intervention pour les frais de déplacement liés à des prestations de revalidation programmées à l'étranger, est calculée pour chaque usager conformément à la formule suivante : le montant de l'intervention par kilomètre, visée à l'alinéa 3 ou 4, multiplé par le nombre de kilomètres, visé à l'alinéa 1er.
   Si l'usager est âgé de moins de dix-huit ans et que le programme de revalidation est comparable à celui des structures de revalidation dont le numéro d'agrément commence par le numéro 7.74.6 ou 9.69, l'intervention s'élève à 0,30 euro par kilomètre.
   S'il ressort d'un rapport médical qu'en raison de la nature et de la gravité de son affectation, l'usager ne peut être transporté qu'en voiturette dans un véhicule qui a été adapté au transport en voiturette, l'intervention s'élève à :
   1° 0,30 euro par kilomètre si l'usager est transporté dans son propre véhicule qui a été adapté au transport en voiturette ;
   2° 2,96 euros par kilomètre si l'usager est transporté par un transporteur professionnel dans un véhicule qui a été adapté au transport en voiturette.
  [2 Ces montants sont adaptés conformément à la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants. " est remplacée par la phrase " Les montants, visés à cet article, sont adaptés le 1er janvier de chaque année à l'évolution de cet indice]2.
   La liaison à l'indice visée à [2 l'alinéa 5]2 est calculée et appliquée conformément à l'article 2 de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays.]1

  
Titel 3. [1 Aanvraagprocedure ]1
TITRE 3. [1 Procédure de demande ]1
Art. 534/129. [1 In deze titel wordt verstaan onder:
Art. 534/129.[1 Dans le présent titre, on entend par :
Art. 534/130 [1 Vóór de geplande revalidatieverstrekkingen in het buitenland [2 en reiskosten in het buitenland]2 dient de gebruiker een aanvraag in voor de tegemoetkoming bij de zorgkas waarbij hij is aangesloten.
Art. 534/130.[1 Préalablement aux prestations de revalidation programmées à l'étranger [2 et aux frais de déplacement à l'étranger]2, l'usager introduit une demande d'intervention auprès de la caisse d'assurance soins à laquelle il est affilié
Art. 534/131 [1 Het agentschap stelt op zijn website een aanvraagformulier ter beschikking. De zorgkas stelt ook een Franstalige, Engelstalige en Duitstalige versie van het aanvraagformulier ter beschikking.
Art. 534/131.[1 L'agence met un formulaire de demande à disposition sur son site internet. La caisse d'assurance soins met également à disposition une version française, anglaise et allemande du formulaire de demande.
Art. 534/132 [1 De zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten, is belast met de administratieve controle van de aanvraag en controleert al de volgende elementen:
Art. 534/132. [1 La caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié est chargée du contrôle administratif de la demande et vérifie l'ensemble des éléments suivants :
Art. 534/133 [1 De zorgkas bezorgt de aanvraag binnen tien werkdagen na de ontvangstdatum aan de Expertencommissie.
Art. 534/133.[1 La caisse d'assurance soins envoie la demande à la Commission d'experts dans les dix jours ouvrables suivant la date de réception.
Art. 534/134 [1 De Expertencommissie onderzoekt de aanvraag en oordeelt of er is voldaan aan de voorwaarden, vermeld in artikel 534/127, § 2, eerste lid, 1° tot en met 5° ]1.
Art. 534/134.[1 La Commission d'experts examine la demande ou juge si les conditions énoncées à l'article 534/127, § 2, alinéa 1er, 1° à 5°, sont remplies ]1.
Art. 534/135 [1 De Expertencommissie brengt een eensluidend gemotiveerd advies uit aan de zorgkas binnen vijftien werkdagen na de dag waarop ze de aanvraag van de zorgkas heeft ontvangen.
Art. 534/135.[1 La Commission d'experts rend un avis motivé conforme à la caisse d'assurance soins dans les quinze jours ouvrables suivant la date de réception de la demande de la caisse d'assurance soins.
Art. 534/136 [1 Op basis van het eensluidend advies van de Expertencommissie neemt de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten, een beslissing tot volledige of gedeeltelijke goedkeuring of tot weigering van de gevraagde tegemoetkoming.
Art. 534/136.[1 Sur la base de l'avis conforme de la Commission d'experts, la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié prend une décision d'approbation totale ou partielle ou de refus de l'intervention demandée.
Art. 534/137 [1 De periode waarvoor de aangevraagde tegemoetkoming kan worden toegekend, begint op zijn vroegst te lopen op de dag nadat de gebruiker de beslissing van de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten, heeft ontvangen.
Art. 534/137.[1 La période pour laquelle l'intervention demandée peut être octroyée commence à courir au plus tôt le jour suivant la réception par l'usager de la décision de la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié.
Art. 534/138 [1 Als de zorgkas conform artikel 534/132, vierde lid, een beslissing tot weigering heeft genomen op basis van een inbreuk op de cumulatieverboden, vermeld in deel 1, titel 2 van dit besluit, en de gebruiker een nieuwe aanvraag indient die dezelfde revalidatieverstrekkingen [2 en, in voorkomend geval, dezelfde reiskosten]2 tot voorwerp heeft als de oorspronkelijke aanvraag, voegt de gebruiker een bijkomende motivering voor de cumulatie van tegemoetkomingen bij de aanvraag.
Art. 534/138.[1 Si la caisse d'assurance soins a pris conformément à l'article 534/132, alinéa 4, une décision de refus fondée sur une infraction aux interdictions de cumul visées à la partie 1re, titre 2, du présent arrêté et si l'usager introduit une nouvelle demande ayant pour objet les mêmes prestations de revalidation [2 et, le cas échéant, les mêmes frais de déplacement]2 que la demande originale, l'usager joint à la demande une motivation supplémentaire au sujet du cumul d'interventions.
Boek 3/7 [1 Psychiatrische verzorgingstehuizen ]1
Livre 3/7. [1 Maisons de soins psychiatriques ]1
Deel 1 [1 Financiering en tegemoetkoming ]1
Partie 1er. [1 Financement et intervention ]1
Titel 1. [1 Tegemoetkomingen voor zorg ]1
TITRE 1er. [1 Interventions dans les soins ]1
HOOFDSTUK 1. [1 Opnemingsprijs ]1
Chapitre 1er. [1 Chapitre 1er. ]1
Art. 534/139. [1 De opnemingsprijs wordt vastgesteld per verblijfsdag ]1
  
Art. 534/139. [1 Le prix d'hébergement est fixé par jour de séjour. ]1
  
Art. 534/140. [1 . De opnemingsprijs bestaat uit de volgende drie delen:
   1° deel A bestaat uit de volgende onderdelen:
   a) onderdeel A1 dekt de aanloopkosten en afschrijvingslasten, met inbegrip van de financiële lasten voor aangegane leningen, voor bouw of verbouwingen, uitrusting en apparatuur, grote onderhoudswerken en een eerste installatie;
   b) onderdeel A2 dekt de korte termijnkredietlasten. Het dekt de financiële lasten van de kortetermijnkredietlasten om de normale werking van het psychiatrisch verzorgingstehuis te verzekeren;
   2° deel B bestaat uit de volgende onderdelen:
   a) onderdeel B1 dekt alle werkingskosten, met uitzondering van de lasten van het verzorgend en paramedisch personeel;
   b) onderdeel B2 dekt de lasten van het verzorgend en paramedisch personeel;
   c) onderdeel B3 dekt de kosten voor de registratie van minimale psychiatrische gegevens;
   3° deel C bestaat uit onderdeel C2A en onderdeel C2B. Deel C bevat de inhaalbedragen voor een tekort of een teveel aan ontvangsten ten opzichte van het budget dat vastgesteld is voor het lopende kalenderjaar, of van het budget dat vastgesteld is voor een of meer van de vorige kalenderjaren.]1

  
Art. 534/140. [1 Le prix d'hébergement se compose des trois parties suivantes :
   1° la partie A se compose des sous-parties suivantes :
   a) la sous-partie A1 couvre les frais de pré-exploitation et les charges d'amortissement, y compris les charges financières d'emprunts contractés, de constructions ou de transformations, d'équipement et d'appareillage, de gros travaux d'entretien et de première installation ;
   b) la sous-partie A2 couvre les charges de crédits à court terme. Elle couvre les charges financières des crédits à court terme contractés en vue d'assurer le fonctionnement normal de la maison de soins psychiatriques ;
   2° la partie B se compose des sous-parties suivantes :
   a) la sous-partie B1 couvre l'ensemble des frais de fonctionnement à l'exception des charges du personnel soignant et paramédical ;
   b) la sous-partie B2 couvre les charges du personnel soignant et paramédical ;
   c) la sous-partie B3 couvre les coûts de l'enregistrement du résumé psychiatrique minimum ;
   3° la partie C se compose des sous-parties C2A et C2B. La partie C contient les montants de rattrapage pour un manque ou un surplus de recettes par rapport au budget fixé pour l'année civile en cours ou au budget fixé pour une ou plusieurs années civiles antérieures. ]1

  
Art. 534/141. [1 . § 1. Onderdeel A1, vermeld in artikel 534/140, 1°, a), van dit besluit, dekt de volgende kosten en lasten:
   1° de volgende aanloopkosten:
   a) de oprichtingskosten van een vereniging zonder winstoogmerk of van andere rechtspersonen zonder winstoogmerk;
   b) de kosten van hypothecaire akten;
   c) de bouwbelastingen;
   d) de verzekeringskosten;
   e) de verwarmingskosten;
   f) de kosten van schoonmaak voor de ingebruikstelling;
   g) de financiële lasten van leningen of overbruggingskredieten voor financiering van het eigen aandeel;
   h) de notaris- en registratiekosten als een gevolg van de leningen, vermeld in punt g);
   2° de afschrijvingslasten. De investeringslasten die gedekt worden door onderdeel A1 van de opnemingsprijs van de psychiatrische verzorgingstehuizen, worden afgeschreven conform de bepalingen en de termijnen, vermeld in het koninklijk besluit van 19 juni 2007 betreffende de jaarrekeningen van de ziekenhuizen. De afschrijvingen voor de lasten van opbouw, uitrusting en apparatuur worden berekend op de werkelijke investeringswaarden en zijn begrensd tot de maximumbedragen die daarvoor gelden, verminderd met:
   a) de om niet verkregen toelagen;
   b) de schadeloosstelling, vermeld in artikel 10bis van het koninklijk besluit van 19 mei 1987 houdende vaststelling van de voorwaarden voor de toekenning van de schadeloosstelling voor de niet-uitvoering van projecten van ziekenhuisbouw en voor de sluiting en de niet-ingebruikname van ziekenhuisdiensten, evenals van de wijze waarop de schadeloosstelling wordt berekend.
   De werkelijke investeringswaarden, vermeld in het tweede lid, worden beperkt tot 192.147,25 euro per gebruiker, vermeld in de opnamecapaciteit, verhoogd met het percentage van algemene kosten van 10% op het basisbedrag en de geldende btw. Het geldende maximumbedrag wordt jaarlijks aangepast aan de bouwindex. De basisindex is die van 1 januari 2018 (1,70703).
   De investeringswaarden die de basis vormen voor de afschrijvingslasten, worden vastgesteld aan de hand van de bouwindex die van toepassing is in het eerste jaar nadat de investering in gebruik is genomen, behalve als die ingebruikname in de maand januari is. Dan geldt de bouwindex van het jaar in kwestie.
   De afschrijvingslasten voor onroerende investeringen waarvoor geen toelagen kunnen worden verkregen, worden voor 100% van de werkelijke investeringswaarde gedekt in de opnemingsprijs van de psychiatrische verzorgingstehuizen.
   Voor de afschrijvingen van lasten van grote onderhoudswerken en ook voor de lasten van een eerste inrichting worden de werkelijke lasten in aanmerking genomen, na aftrek van de eventuele subsidiëring.
   De volgende lasten worden ook op reële basis vergoed:
   1° de lasten die verband houden met de afschrijving van medische uitrusting;
   2° de lasten die verband houden met de afschrijving van de niet-medische uitrusting, met inbegrip van informatica-apparatuur en meubilair;
   3° de lasten die verband houden met de afschrijving van het rollend materieel.
   De aankoopprijs van de grond wordt uitgesloten van de vermelde afschrijving.
   Voor de toepassing van deze paragraaf worden de lasten voor het huren van gebouwen gelijkgesteld met afschrijvingen.
   § 2. Voor de financiële lasten van leningen die zijn aangegaan ter financiering van de investeringen, vermeld in paragraaf 1, gedekt door onderdeel A1 van de opnemingsprijs, worden ook de werkelijke lasten in aanmerking genomen met dezelfde beperkingen als de beperkingen, vermeld in paragraaf 1.
   § 3. Voor onderdeel A2, vermeld in artikel 534/140, 1°, b), van dit besluit, gelden de bepalingen voor de psychiatrische ziekenhuizen, vermeld in artikel 30 van het koninklijk besluit van 25 april 2002 betreffende de vaststelling en de vereffening van het budget van financiële middelen van de ziekenhuizen. ]1

  
Art. 534/141. [1 § 1er. La sous-partie A1, figurant à l'article 534/140, 1°, a) du présent arrêté, couvre les frais et charges suivants :
   1° les frais de pré-exploitation suivants :
   a) les frais de constitution d'une association sans but lucratif ou de toute personne morale sans but lucratif ;
   b) les frais d'actes hypothécaires ;
   c) les taxes de construction ;
   d) les frais d'assurance ;
   e) les frais de chauffage ;
   f) les frais de nettoyage avant la mise en service ;
   g) les charges financières d'emprunts ou de crédits de soudure pour le financement de la partie propre ;
   h) les frais de notaire et d'enregistrement découlant des emprunts figurant au point g) ;
   2° les charges d'amortissement. Les charges d'investissement couvertes par la sous-partie A1 du prix d'hébergement des maisons de soins psychiatriques sont amorties conformément aux dispositions et aux délais prévus par l'arrêté royal du 19 juin 2007 relatif aux comptes annuels des hôpitaux. Les amortissements des charges de construction, d'équipement et d'appareillage sont calculés sur les valeurs réelles d'investissement et sont limités aux montants maxima déterminés à cet effet, sous déduction :
   a) des subventions à fonds perdus ;
   b) de l'indemnisation figurant à l'article 10bis de l'arrêté royal du 19 mai 1987 fixant les conditions d'octroi de l'indemnisation pour la non-exécution de projets de construction d'hôpitaux et pour la fermeture et la non-mise en service d'hôpitaux ou de services hospitaliers, ainsi que le mode de calcul de l'indemnisation.
   Les valeurs réelles d'investissement figurant à l'alinéa 2 sont limitées à 192 147,25 euros par usager figurant dans la capacité d'admission, augmentés du pourcentage de frais généraux de 10 % sur le montant de base et de la TVA en vigueur. Le montant maximum applicable est adapté annuellement à l'indice de la construction. L'indice de base est celui du 1er janvier 2018 (1,70703).
   Les valeurs d'investissement qui servent de base pour les charges d'amortissement sont fixées à l'aide de l'indice de la construction applicable la première année suivant la mise en service de l'investissement, sauf si cette mise en service intervient au mois de janvier. Dans ce cas, l'indice de la construction de l'année en question s'applique.
   Les charges d'amortissement des investissements immeubles non subventionnables sont couvertes par le prix d'hébergement des maisons de soins psychiatriques à 100 % de leur valeur d'investissement réelle.
   Pour les amortissements des charges de gros travaux d'entretien et des frais de première installation, les charges réelles sont retenues après déduction de l'éventuelle subvention.
   Les charges suivantes sont également couvertes sur base réelle :
   1° les charges liées à l'amortissement du matériel d'équipement médical ;
   2° les charges liées à l'amortissement du matériel d'équipement non médical, y compris l'appareillage d'informatique et le mobilier ;
   3° les charges liées à l'amortissement du matériel roulant.
   Le prix d'achat du terrain est exclu de l'amortissement précité.
   Pour l'application du présent paragraphe, les charges de loyer sont assimilées aux amortissements.
   § 2. Pour les charges financières des emprunts contractés pour le financement des investissements figurant au paragraphe 1er, couvertes par la sous-partie A1 du prix d'hébergement, les charges réelles sont également retenues, avec les mêmes limitations que celles figurant au paragraphe 1er.
   § 3. La sous-partie A2, figurant à l'article 534/ 140, 1°, b) du présent arrêté, est régie par les dispositions concernant les hôpitaux psychiatriques, figurant à l'article 30 de l'arrêté royal du 25 avril 2002 relatif à la fixation et à la liquidation du budget des moyens financiers des hôpitaux. ]1

  
Art. 534/142. [1 Onderdeel B1, vermeld in artikel 534/140, 2°, a), van dit besluit, wordt vastgesteld op [2 46,05 euro]2 per verblijfsdag. Dat bedrag wordt geïndexeerd conform de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. De verhoging of de vermindering wordt toegepast vanaf de eerste maand nadat het indexcijfer een waarde bereikt die een wijziging rechtvaardigt.
   De koppeling aan het indexcijfer, vermeld in het eerste lid, wordt berekend en toegepast conform artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen.
   Het bedrag, vermeld in het eerste lid, is gekoppeld aan het spilindexcijfer [2 123,14 (1 december 2022; basisjaar 2013=100)]2. ]1

  
Art. 534/142. [1 La sous-partie B1, figurant à l'article 534/140, 2°, a) du présent arrêté, est fixée à [2 46,05 euros]2 par jour de séjour. Ce montant est indexé conformément à la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public. L'augmentation ou la diminution est appliquée à partir du premier mois où l'indice atteint une valeur justifiant la modification.
   La liaison à l'indice, figurant à l'alinéa 1er, est calculée et appliquée conformément à l'article 2 de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays.
   Le montant figurant à l'alinéa 1er est lié à l'indice-pivot [2 123,14 (1er décembre 2022 ; année de base 2013=100)]2. ]1

  
Art. 534/143. [1 Onderdeel B2, vermeld in artikel 534/140, 2°, b), wordt vastgesteld op 101,29 euro per verblijfsdag voor een gebruiker met een verstandelijke beperking en op 93,57 euro per verblijfsdag voor een andere gebruiker.
   De bedragen, vermeld in het eerste lid, worden geïndexeerd conform de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. De verhoging of de vermindering wordt toegepast vanaf de eerste maand nadat het indexcijfer een waarde bereikt die een wijziging rechtvaardigt.
   De koppeling aan het indexcijfer, vermeld in het tweede lid, wordt berekend en toegepast overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen.
   De bedragen, vermeld in het eerste lid, zijn gekoppeld aan het spilindexcijfer 118,36 (basis 2013=100).
   Onderdeel B2, vermeld in artikel 534/140, 2°, b), dekt de kosten van de volgende zorg:
   1° de verzorging die verleend is door verpleegkundigen;
   2° de kinesitherapieverstrekkingen en de logopedieverstrekkingen die worden verleend door de zorgverstrekkers die daarvoor bevoegd zijn, met uitzondering van de kinesitherapieverstrekkingen die niet bij de psychiatrische behandeling aansluiten en die door een andere behandelende arts dan de coördinerende en behandelende psychiater worden voorgeschreven;
   3° de bijstand in de handelingen van het dagelijkse leven en elke handeling tot re-activatie en sociale re-integratie, inclusief de ergotherapie;
   4° de geneeskundige verstrekkingen die verleend zijn door de coördinerende en behandelende psychiater. ]1

  
Art. 534/143. [1 La sous-partie B2, figurant à l'article 534/140, 2°, b), est fixée à 101,29 euros par jour de séjour pour l'usager présentant un handicap intellectuel et à 93,57 euros par jour de séjour pour tout autre usager.
   Les montants figurant à l'alinéa 1er sont indexés conformément à la loi du 1 mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public. L'augmentation ou la diminution est appliquée à partir du premier mois où l'indice atteint une valeur justifiant la modification.
   La liaison à l'indice, figurant à l'alinéa 2, est calculée et appliquée conformément à l'article 2 de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays.
   Les montants figurant à l'alinéa 1er sont liés à l'indice-pivot 118,36 (base 2013=100).
   La sous-partie B2, figurant à l'article 534/140, 2°, b), couvre les coûts des soins suivants :
   1° les soins dispensés par le personnel infirmier ;
   2° les prestations de kinésithérapie et de logopédie dispensées par les prestataires de soins qualifiés à cet effet, à l'exception des prestations de kinésithérapie qui ne s'inscrivent pas dans le traitement psychiatrique et qui sont prescrites par un médecin traitant autre que le psychiatre coordinateur et traitant ;
   3° l'assistance dans les actes de la vie quotidienne et tout acte de réactivation et de réintégration sociale, y compris l'ergothérapie ;
   4° les prestations médicales dispensées par le psychiatre coordinateur et traitant. ]1

  
Art. 534/144. [1 Onderdeel B3, vermeld in artikel 534/140, 2°, c), bedraagt 3.482,07 euro per erkend psychiatrisch verzorgingstehuis, vermeerderd met 75,47 euro per gebruiker, vermeld in de opnamecapaciteit.
   De bedragen, vermeld in het eerste lid, worden geïndexeerd conform de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. De verhoging of de vermindering wordt toegepast vanaf de eerste maand nadat het indexcijfer een waarde bereikt die een wijziging rechtvaardigt.
   De koppeling aan het indexcijfer, vermeld in het tweede lid, wordt berekend en toegepast overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen.
   De bedragen, vermeld in het eerste lid, zijn gekoppeld aan het spilindexcijfer 103,04 (basis 2013=100). ]1

  
Art. 534/144. [1 La sous-partie B3, figurant à l'article 534/140, 2°, c), s'élève à 3 482,07 euros par maison de soins psychiatriques agréée, majorés de 75,47 euros par usager figurant dans la capacité d'admission.
   Les montants figurant à l'alinéa 1er sont indexés conformément à la loi du 1 mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public. L'augmentation ou la diminution est appliquée à partir du premier mois où l'indice atteint une valeur justifiant la modification.
   La liaison à l'indice, figurant à l'alinéa 2, est calculée et appliquée conformément à l'article 2 de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays.
   Les montants figurant à l'alinéa 1er sont liés à l'indice-pivot 103,04 (base 2013=100). ]1

  
Art. 534/145. [1 De onderdelen C2A en C2B, vermeld in artikel 534/140, 3°, worden op de volgende wijze bepaald:
   1° C2A: het verschil tussen het nog niet in aanmerking genomen inhaalbedrag van het psychiatrisch verzorgingstehuis, gedeeld door het aantal dagen dat overeenkomt met het gemiddelde aantal opgenomen gebruikers, zoals vermeld in de opnamecapaciteit van het psychiatrisch verzorgingstehuis met een bezettingsgraad van 90%, en het onderdeel C2B;
   2° C2B: het gemiddelde inhaalbedrag dat wordt verkregen door de som van de inhaalbedragen die nog niet in aanmerking zijn genomen voor het geheel van de erkende psychiatrische verzorgingstehuizen, te delen door het aantal dagen dat overeenkomt met het gemiddelde aantal opgenomen gebruikers van de sector met een bezettingsgraad van 90%, waarna van dat gemiddelde inhaalbedrag een bedrag van 1,60 euro wordt afgetrokken.
   Het gemiddelde aantal opgenomen gebruikers, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, wordt berekend door gebruik te maken van de laatst bekende gegevens.
   Als het resultaat van de berekening, vermeld in het eerste en tweede lid, negatief is, wordt onderdeel C2B teruggebracht tot nul. ]1

  
Art. 534/145. [1 Les sous-parties C2A et C2B, figurant à l'article 534/140, 3°, sont calculées comme suit :
   1° C2A : la différence entre le montant de rattrapage non encore pris en compte de la maison de soins psychiatriques, divisé par le nombre de jours correspondant au nombre moyen d'usagers admis figurant dans la capacité d'admission de la maison de soins psychiatriques présentant un taux d'occupation de 90 % et la sous-partie C2B ;
   2° C2B : le montant de rattrapage moyen obtenu en divisant la somme des montants de rattrapage non encore pris en compte pour l'ensemble des maisons de soins psychiatriques agréées, par le nombre de jours correspondant au nombre moyen d'usagers admis du secteur présentant un taux d'occupation de 90 %, ce montant de rattrapage moyen étant ensuite diminué d'un montant de 1,60 euro.
   Le nombre moyen d'usagers admis, figurant à l'alinéa 1er, 1° et 2°, est calculé sur la base des dernières données connues.
   Si le résultat du calcul, figurant aux alinéas 1er et 2, est négatif, la sous-partie C2B est ramenée à zéro ]1

  
HOOFDSTUK 2. [1 Tegemoetkoming voor zorg in de opnemingsprijs ]1
Chapitre 2 [1 Intervention pour soins dans le prix d'hébergement ]1
Art. 534/146. [1 De tegemoetkoming voor zorg, vermeld in artikel 154/4 van het decreet van 18 mei 2018, dekt de kosten van de onderdelen B2, B3 en C2A van de opnemingsprijs, vermeld in artikel 534/140, 2°, b) en c), en 3°, van dit besluit. ]1
Art. 534/146 [1 L'intervention pour soins, figurant à l'article 154/4 du décret du 18 mai 2018, couvre les coûts des sous-parties B2, B3 et C2A du prix d'hébergement, figurant à l'article 534/140, 2°, b) et c), et 3°, du présent arrêté. ]1
HOOFDSTUK 3. [1 Financiering ten laste van de gebruiker ]1
Chapitre 3 [1 Financement à charge de l'usager ]1
Art. 534/147. [1 . De bijkomende forfaitaire tegemoetkoming, vermeld in artikel 154/7, tweede lid, van het decreet van 18 mei 2018, is de som van de toepasselijke bedragen, vermeld in artikel 534/148 van dit besluit.]1
  
Art. 534/147. [1 L'intervention forfaitaire supplémentaire, figurant à l'article 154/7, alinéa 2 du décret du 18 mai 2018 est la somme des montants applicables, figurant à l'article 534/148 du présent arrêté. ]1
  
Art. 534/148. [1 § 1. In dit artikel wordt verstaan onder verhoogde tegemoetkoming: de verhoogde tegemoetkoming, vermeld in artikel 37, § 19, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994.
   § 2. Een eerste deel van de bijkomende forfaitaire tegemoetkoming, vermeld in artikel 534/147, wordt vastgesteld op:
   1° [2 21,4 euro]2 per verblijfsdag voor de volgende gebruikers:
   a) de gebruikers die personen ten laste hebben in het kader van de verzekering voor geneeskundige verzorging of in het kader van een rechterlijke beslissing;
   b) de gebruikers die in de verzekering voor geneeskundige verzorging ingeschreven staan als personen ten laste van een gebruiker;
   2° [2 13,73 euro]2 per verblijfsdag voor de gebruikers die recht hebben op de verhoogde tegemoetkoming;
   3° [2 7,98 euro]2 per verblijfsdag voor alle andere gebruikers dan de gebruikers, vermeld in punt 1° en 2°.
   De bedragen, vermeld in het eerste lid, worden geïndexeerd overeenkomstig de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. De verhoging of de vermindering wordt toegepast vanaf de eerste maand die volgt op de maand waarvan het indexcijfer het cijfer bereikt dat een wijziging rechtvaardigt.
   De koppeling aan het indexcijfer, vermeld in het tweede lid, wordt berekend en toegepast overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen.
   De bedragen, vermeld in het eerste lid, zijn gekoppeld aan het spilindexcijfer [2 123,14 (1 december 2022; basis 2013=100)]2.
   § 3. In deze paragraaf wordt verstaan onder:
   1° integratietegemoetkoming: de integratietegemoetkoming, vermeld in artikel 1 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;
   2° invaliditeitsuitkering: de invaliditeitsuitkering, vermeld in artikel 93 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994.
   Een tweede deel van de bijkomende forfaitaire tegemoetkoming, vermeld in artikel 534/147, van dit besluit, wordt vastgesteld op:
   1° 8,67 euro per verblijfsdag voor de gebruikers die aan een van de volgende voorwaarden beantwoorden:
   a) ze hebben personen ten laste in het kader van de verzekering voor geneeskundige verzorging;
   b) ze zijn verplicht om, in het kader van een rechterlijke beslissing of notariële akte, onderhoudsgeld te storten;
   c) ze staan in de verzekering voor geneeskundige verzorging ingeschreven als persoon ten laste van een gebruiker;
   2° 15,92 euro per verblijfsdag voor de gebruikers die voldoen aan al de volgende voorwaarden:
   a) ze vallen niet onder de toepassing van punt 1° ;
   b) ze hebben recht op de verhoogde tegemoetkoming;
   c) ze hebben:
   1) geen recht op een integratietegemoetkoming;
   2) recht op een integratietegemoetkoming categorie 1 als vermeld in artikel 6, § 2, 1° van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;
   d) ze hebben recht op een van de volgende tegemoetkomingen:
   1) een invaliditeitsuitkering als onregelmatige werknemer;
   2) een maatschappelijke integratie als vermeld in artikel 14 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie;
   3) een inkomensgarantie voor ouderen als vermeld in artikel 2, 1°, van de wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen;
   3° 12,50 euro per verblijfsdag voor de gebruikers die voldoen aan al de volgende voorwaarden:
   a) ze vallen niet onder de toepassing van punt 1° ;
   b) ze hebben recht op de verhoogde tegemoetkoming;
   c) ze hebben geen recht op een integratietegemoetkoming of ze hebben recht op de integratietegemoetkoming categorie 1, vermeld in artikel 6, § 2, 1° van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;
   d) ze hebben geen recht op een invaliditeitsuitkering of ze hebben recht op een andere invaliditeitsuitkering dan die voor een onregelmatige werknemer;
   4° 9,42 euro per verblijfsdag voor de gebruikers die voldoen aan al de volgende voorwaarden:
   a) ze vallen niet onder de toepassing van punt 1° ;
   b) ze hebben recht op de verhoogde tegemoetkoming;
   c) ze hebben recht op een integratietegemoetkoming categorie 2 of 3 als vermeld in artikel 6, § 2, 2° en 3° van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;
   d) ze hebben recht op een invaliditeitsuitkering als onregelmatige werknemer;
   5° 6,57 euro per verblijfsdag voor de gebruikers die voldoen aan al de volgende voorwaarden:
   a) ze vallen niet onder de toepassing van punt 1° ;
   b) ze hebben recht op de verhoogde tegemoetkoming;
   c) ze hebben recht op een integratietegemoetkoming categorie 2 of 3 als vermeld in artikel 6, § 2, 2° en 3° van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;
   d) ze hebben geen recht op een invaliditeitsuitkering of ze hebben recht op een andere invaliditeitsuitkering dan die voor een onregelmatige werknemer;
   6° 6,57 euro per verblijfsdag voor de gebruikers die voldoen aan al de volgende voorwaarden:
   a) ze vallen niet onder de toepassing van punt 1° ;
   b) ze hebben recht op de verhoogde tegemoetkoming;
   c) ze hebben recht op een integratietegemoetkoming categorie 4 of 5 als vermeld in artikel 6, § 2, 4° en 5° van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;
   d) ze hebben recht op een invaliditeitsuitkering als onregelmatige werknemer;
   7° 5,43 euro per verblijfsdag voor de gebruikers die voldoen aan al de volgende voorwaarden:
   a) ze vallen niet onder de toepassing van punt 1° ;
   b) ze hebben recht op de verhoogde tegemoetkoming;
   c) ze hebben recht op een integratietegemoetkoming categorie 4 of 5 als vermeld in artikel 6, § 2, 4° en 5° van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;
   d) ze hebben geen recht op een invaliditeitsuitkering of ze hebben recht op een andere invaliditeitsuitkering dan die voor een onregelmatige werknemer;
   8° 4,88 euro per verblijfsdag voor de gebruikers die niet vallen onder de toepassing van punt 1° tot en met 7°.
   De bedragen, vermeld in het tweede lid, worden geïndexeerd overeenkomstig de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld waarbij de verhoging of de vermindering wordt toegepast vanaf de eerste maand die volgt op de maand waarvan het indexcijfer het cijfer bereikt dat een wijziging rechtvaardigt.
   De koppeling aan het indexcijfer, vermeld in het derde lid, wordt berekend en toegepast overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen.
   De bedragen, vermeld in het tweede lid, zijn gekoppeld aan het spilindexcijfer 118,36 (basis 2013=100). ]1

  
Art. 534/148. [1 § 1er. Aux fins du présent article, on entend par intervention majorée : l'intervention majorée figurant à l'article 37, § 19 de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994.
   § 2. Une première partie de l'intervention forfaitaire supplémentaire, figurant à l'article 534/147, est fixée à :
   1° [2 21,4 euros]2 par jour de séjour pour les usagers suivants :
   a) les usagers ayant des personnes à charge dans le cadre de l'assurance soins de santé ou dans le cadre d'une décision judiciaire ;
   b) les usagers inscrits dans l'assurance soins de santé comme personnes à charge d'un usager ;
   2° [2 13,73 euros]2 par jour de séjour pour les usagers qui ont droit à l'intervention majorée ;
   3° [2 7,98 euros]2 par jour de séjour pour tous les usagers autres que ceux mentionnés aux points 1° et 2°.
   Les montants figurant à l'alinéa 1er sont indexés conformément à la loi du 1 mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public. L'augmentation ou la diminution est appliquée à partir du premier mois qui suit le mois où l'indice atteint le chiffre justifiant la modification.
   La liaison à l'indice, figurant à l'alinéa 2, est calculée et appliquée conformément à l'article 2 de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays.
   Les montants figurant à l'alinéa 1er sont liés à l'indice-pivot [2 123,14 (1er décembre 2022 ; base 2013=100)]2.
   § 3. Dans le présent paragraphe on entend par :
   1° allocation d'intégration : l'allocation d'intégration, figurant à l'article 1er de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux personnes handicapées ;
   2° indemnité d'invalidité : l'indemnité d'invalidité figurant à l'article 93 de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994.
   Une seconde partie de l'intervention forfaitaire supplémentaire, figurant à l'article 534/147 du présent arrêté, est fixée à :
   1° 8,67 euros par jour de séjour pour les usagers de soins répondant à l'une des conditions suivantes :
   a) ils ont des personnes à charge dans le cadre de l'assurance soins de santé ;
   b) ils sont tenus de verser une pension alimentaire dans le cadre d'une décision judiciaire ou d'un acte notarié ;
   c) ils sont inscrits dans l'assurance soins de santé comme personne à charge d'un usager ;
   2° 15,92 euros par jour de séjour pour les usagers de soins répondant à l'ensemble des conditions suivantes :
   a) ils ne tombent pas sous le coup du point 1° ;
   b) ils ont droit à l'intervention majorée ;
   c) ils relèvent d'un des cas suivants :
   1) ils n'ont pas droit à l'allocation d'intégration ;
   2) ils ont droit à l'allocation d'intégration, catégorie 1, figurant à l'article 6, § 2, 1° de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux personnes handicapées ;
   d) ils ont droit à l'une des interventions suivantes :
   1) l'indemnité d'invalidité en tant que travailleur irrégulier ;
   2) l'intégration sociale figurant à l'article 14 de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale ;
   3) la garantie de revenus aux personnes âgées, figurant à l'article 2, 1° de la loi du 22 mars 2001 instituant la garantie de revenus aux personnes âgées ;
   3° 12,50 euros par jour de séjour pour les usagers de soins répondant à l'ensemble des conditions suivantes :
   a) ils ne tombent pas sous le coup du point 1° ;
   b) ils ont droit à l'intervention majorée ;
   c) ils n'ont pas droit à l'allocation d'intégration ou ils ont droit à l'allocation d'intégration, catégorie 1, figurant à l'article 6, § 2, 1° de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux personnes handicapées ;
   d) ils n'ont pas droit à l'indemnité d'invalidité ou ils ont droit à une indemnité d'invalidité autre que celle prévue pour les travailleurs irréguliers ;
   4° 9,42 euros par jour de séjour pour les usagers de soins répondant à l'ensemble des conditions suivantes :
   a) ils ne tombent pas sous le coup du point 1° ;
   b) ils ont droit à l'intervention majorée ;
   c) ils ont droit à l'allocation d'intégration, catégories 2 ou 3, figurant à l'article 6, § 2, 2° et 3° de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux personnes handicapées ;
   d) ils ont droit à l'indemnité d'invalidité en tant que travailleur irrégulier ;
   5° 6,57 euros par jour de séjour pour les usagers de soins répondant à l'ensemble des conditions suivantes :
   a) ils ne tombent pas sous le coup du point 1° ;
   b) ils ont droit à l'intervention majorée ;
   c) ils ont droit à l'allocation d'intégration, catégories 2 ou 3, figurant à l'article 6, § 2, 2° et 3° de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux personnes handicapées ;
   d) ils n'ont pas droit à l'indemnité d'invalidité ou ils ont droit à une indemnité d'invalidité autre que celle prévue pour les travailleurs irréguliers ;
   6° 6,57 euros par jour de séjour pour les usagers de soins répondant à l'ensemble des conditions suivantes :
   a) ils ne tombent pas sous le coup du point 1° ;
   b) ils ont droit à l'intervention majorée ;
   c) ils ont droit à l'allocation d'intégration, catégories 4 ou 5, figurant à l'article 6, § 2, 4° et 5° de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux personnes handicapées ;
   d) ils ont droit à l'indemnité d'invalidité en tant que travailleur irrégulier ;
   7° 5,43 euros par jour de séjour pour les usagers de soins répondant à l'ensemble des conditions suivantes :
   a) ils ne tombent pas sous le coup du point 1° ;
   b) ils ont droit à l'intervention majorée ;
   c) ils ont droit à l'allocation d'intégration, catégories 4 ou 5, figurant à l'article 6, § 2, 4° et 5° de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux personnes handicapées ;
   d) ils n'ont pas droit à l'indemnité d'invalidité ou ils ont droit à une indemnité d'invalidité autre que celle prévue pour les travailleurs irréguliers ;
   8° 4,88 euros par jour de séjour pour les usagers de soins qui ne tombent pas sous le coup des points 1° à 7°.
   Les montants figurant à l'alinéa 2 sont indexés conformément à la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public, l'augmentation ou la diminution étant appliquée à partir du premier mois qui suit le mois où l'indice atteint le chiffre justifiant la modification.
   La liaison à l'indice, figurant à l'alinéa 3, est calculée et appliquée conformément à l'article 2 de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays.
   Les montants figurant à l'alinéa 2 sont liés à l'indice-pivot 118,36 (base 2013=100). ]1

  
HOOFDSTUK 4. [1 Extra categorie voor wie de persoonlijke bijdrage, vermeld in artikel 154/7, eerste lid van het decreet van 18 mei 2018, wordt verminderd met een bijkomende forfaitaire tegemoetkoming ]1
Chapitre 4 [1 Catégorie supplémentaire : les cas où la cotisation personnelle, figurant à l'article 154/7, alinéa 1er, du décret du 18 mai 2018 est diminuée d'une intervention forfaitaire supplémentaire ]1
Art. 534/149.[1 1. De psychiatrische verzorgingstehuizen kunnen de opnemingsprijs tijdens de individuele verlofdagen, vermeld in artikel 80 van het besluit van 7 december 2018, aanrekenen aan de zorgkassen tot maximaal 48 dagen verlof per kalenderjaar per rechthebbende gebruiker, naar rato van vier dagen per begonnen kalendermaand van opname.
Art. 534/148. [1 § 1er. Les maisons de soins psychiatriques peuvent facturer aux caisses d'assurance soins le prix d'hébergement durant les jours de congé individuel, figurant à l'article 80 de l'arrêté du 7 décembre 2018, avec un maximum de 48 jours de congé par année civile par usager bénéficiaire, à raison de quatre jours par mois civil d'admission entamé.
Titel 2 [1 Cumulatie van tegemoetkomingen]1
TITRE 2. [1 Cumul d'interventions ]1
Art. 534/150. [1 [2 Met behoud van de toepassing van de andere bepalingen van dit deel en behalve in de gevallen, vermeld in artikel 534/149, § 1, derde lid, wordt een tegemoetkoming voor zorg in een psychiatrisch verzorgingstehuis niet gecumuleerd met de volgende tegemoetkomingen of vergoedingen]2:
   1° een tegemoetkoming voor zorg in een ander psychiatrisch verzorgingstehuis tijdens dezelfde periode;
   2° een tegemoetkoming voor begeleiding in een initiatief van beschut wonen tijdens dezelfde periode;
   3° een tegemoetkoming voor zorg in een woonzorgcentrum, een centrum voor dagverzorging of een centrum voor kortverblijf tijdens dezelfde periode;
   4° een tegemoetkoming voor een verblijf in een revalidatievoorziening binnen het toepassingsgebied van dit besluit of binnen het toepassingsgebied van het besluit van 7 december 2018, vermeld in artikel 1/1 van het voormelde besluit, [2 ...]2;
   5° een tegemoetkoming voor reiskosten als vermeld in artikel 18 van het decreet van 6 juli 2018 betreffende de overname van de sectoren psychiatrische verzorgingstehuizen, initiatieven van beschut wonen, revalidatieovereenkomsten, revalidatieziekenhuizen en multidisciplinaire begeleidingsequipes voor palliatieve verzorging;
   6° een vergoeding voor ziekenhuisopname met minstens één overnachting op grond van de federale ziekte- en invaliditeitsverzekering. ]1

  
Art. 534/150. [1 [2 L'intervention pour soins dans une maison de soins psychiatriques n'est pas cumulable avec " sont remplacés par le membre de phrase " Sans préjudice de l'application des autres dispositions de la présente partie et sauf dans les cas visés à l'article 534/149, § 1er, alinéa 3, une intervention pour soins dans une maison de soins psychiatriques n'est pas cumulée avec les interventions ou indemnités suivantes ]2:
   1° l'intervention pour soins dans une autre maison de soins psychiatriques durant la même période ;
   2° l'intervention pour un accompagnement dans une initiative d'habitation protégée durant la même période ;
   3° l'intervention pour soins dans un centre de soins résidentiels, un centre de soins de jour ou un centre de court séjour durant la même période ;
   4° l'intervention pour un séjour dans une structure de revalidation relevant du champ d'application du présent arrêté ou du champ d'application de l'arrêté du 7 décembre 2018, figurant à l'article 1/1 de l'arrêté précité [2 ...]2 ;
   5° l'intervention dans les frais de déplacement, figurant à l'article 18 du décret du 6 juillet 2018 relatif à la reprise des secteurs des maisons de soins psychiatriques, des initiatives d'habitation protégée, des conventions de revalidation, des hôpitaux de revalidation et des équipes d'accompagnement multidisciplinaires de soins palliatifs ;
   6° l'indemnité d'hospitalisation pour au moins une nuitée en vertu du régime fédéral d'assurance maladie-invalidité. ]1

  
Deel 2 [1 Aanvraagprocedure ]1
Partie 2. [1 Procédure de demande ]1
Art. 534/151. [1 In dit deel wordt verstaan onder:
   1° aanvraag: de aanvraag via een digitale applicatie als vermeld in artikel 534/166, van de tegemoetkoming voor zorg en de bijkomende forfaitaire tegemoetkoming;
   2° ontvangstdatum: bij aanvraag via een digitale applicatie als vermeld in artikel 534/166, de datum waarop de kennisgeving van ontvangst van de volledige aanvraag wordt verstuurd.
   Een aanvraag wordt als volledig beschouwd als alle delen, vermeld in artikel 534/156, tweede lid, volledig zijn conform het voormelde artikel.
   Als er een nieuwe aanvraag voor dezelfde gebruiker in hetzelfde psychiatrisch verzorgingstehuis wordt ingediend binnen drie maanden na de afloop van de periode van de vorige goedkeurde aanvraag conform artikel 534/159, wordt die nieuwe aanvraag als volledig beschouwd als deel 1, vermeld in artikel 534/156, tweede lid, 1°, volledig is. ]1

  
Art. 534/151. [1 Dans la présente partie, on entend par :
   1° demande : la demande au moyen d'une application numérique, figurant à l'article 534/166, de l'intervention pour soins et de l'intervention forfaitaire supplémentaire ;
   2° date de réception : lors de la demande au moyen d'une application numérique, figurant à l'article 534/166, la date d'envoi de la notification de réception de la demande complète.
   La demande est considérée comme complète si toutes les parties, figurant à l'article 534/156, alinéa 2, sont complètes conformément à l'article précité.
   Lorsqu'une nouvelle demande pour le même usager dans la même maison de soins psychiatriques est introduite dans les trois mois suivant l'expiration de la période de la précédente demande approuvée conformément à l'article 534/159, cette nouvelle demande est considérée comme complète si la partie 1re, figurant à l'article 534/156, alinéa 2, 1°, est complète. ]1

  
Art. 534/152. [1 Een tegemoetkoming voor zorg en de bijkomende forfaitaire tegemoetkoming kunnen alleen worden toegekend als de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten, een beslissing tot goedkeuring van de aangevraagde tegemoetkoming en de bijkomende forfaitaire tegemoetkoming heeft genomen. ]1
  
Art. 534/152. [1 L'intervention pour soins et l'intervention forfaitaire supplémentaire ne peuvent être accordées que si la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié a pris une décision approuvant l'intervention et l'intervention forfaitaire supplémentaire demandées.]1
  
Art. 534/153. [1 Het psychiatrisch verzorgingstehuis waartoe de gebruiker zich wendt, verstuurt de aanvraag naar de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten.
   De aanvraag wordt ingediend via een digitale applicatie als vermeld in artikel 534/166.
   Elke aanvraag wordt rechtstreeks gericht aan één centraal contactpunt, dat de zorgkas in kwestie bepaalt. ]1

  
Art. 534/153. [1 La maison de soins psychiatriques à laquelle l'usager s'adresse envoie la demande à la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié.
   La demande est introduite via une application numérique, figurant à l'article 534/166.
   Toute demande est adressée directement à un point de contact central et unique, déterminé par la caisse d'assurance soins concernée. ]1

  
Art. 534/154. [1 Er wordt geen tegemoetkoming toegekend voor zorg die vroeger dan dertig dagen voor de ontvangstdatum is verleend. ]1
  
Art. 534/154. [1 Aucune intervention n'est accordée pour les soins qui ont été dispensés plus de trente jours avant la date de réception. ]1
  
Art. 534/155. [1 Als de zorgkas de aangevraagde tegemoetkoming weigert, is de ontvangstdatum van de aanvraag niet meer van toepassing, behalve in de gevallen waarin de aanvraag wordt geweigerd ten gevolge van een negatief resultaat van de controle, vermeld in artikel 534/158. ]1
  
Art. 534/155. [1 Si la caisse d'assurance soins refuse l'intervention demandée, la date de réception de la demande n'est plus d'application, sauf dans les cas où la demande est refusée à la suite d'un résultat négatif du contrôle, figurant à l'article 534/158. ]1
  
Art. 534/156. [1 Het psychiatrisch verzorgingstehuis stelt samen met de gebruiker of zijn vertegenwoordiger de aanvraag van de tegemoetkoming voor zorg en de bijkomende forfaitaire tegemoetkoming op.
   De aanvraag wordt opgemaakt aan de hand van het model van aanvraagformulier dat het agentschap bepaalt. Het aanvraagformulier bestaat uit al de volgende delen:
   1° deel 1 dat de administratieve informatie bevat. Die informatie wordt ingevuld door de verantwoordelijke van het psychiatrisch verzorgingstehuis en bestaat uit een document dat al de volgende informatie bevat:
   a) de gegevens van het psychiatrisch verzorgingstehuis;
   b) de periode waarin de zorg plaatsvindt;
   2° deel 2 dat het akkoord van de gebruiker met de vraag naar een tegemoetkoming voor zorg en een bijkomende forfaitaire tegemoetkoming bevat in de vorm van een geïnformeerde toestemming. Dit deel wordt ondertekend en gedagtekend door de gebruiker of zijn wettelijke vertegenwoordiger;
   3° deel 3 dat een medisch verslag bevat. Dit deel wordt ingevuld en gedagtekend door de behandelende arts.
   Het psychiatrisch verzorgingstehuis brengt de zorgkas op de hoogte van het ontslag van de gebruiker met een formulier waarvan het agentschap het model heeft bepaald. ]1

  
Art. 534/156. [1 La maison de soins psychiatriques, de concert avec l'usager ou son représentant, prépare la demande d'intervention pour soins et d'intervention forfaitaire supplémentaire.
   La demande est établie au moyen du modèle de formulaire déterminé par l'agence. Le formulaire de demande comporte l'ensemble des parties suivantes :
   1° la partie 1re contenant les informations administratives. Ces informations sont remplies par le responsable de la maison de soins psychiatriques et consistent en un document contenant l'ensemble des informations suivantes :
   a) les coordonnées de la maison de soins psychiatriques ;
   b) la période pendant laquelle sont dispensés les soins ;
   2° la partie 2 contenant l'accord de l'usager avec la demande d'intervention pour soins et d'intervention forfaitaire supplémentaire sous la forme d'un consentement éclairé. Cette partie est signée et datée par l'usager ou son représentant légal ;
   3° la partie 3 contenant un rapport médical. Cette partie est complétée et datée par le médecin traitant.
   La maison de soins psychiatriques informe la caisse d'assurance soins de la sortie de l'usager, au moyen d'un formulaire dont l'agence a déterminé le modèle. ]1

  
Art. 534/157. [1 De aanvraag, vermeld in artikel 534/156, wordt ingediend via een digitale applicatie als vermeld in artikel 534/166. ]1
  
Art. 534/157. [1 La demande, figurant à l'article 534/156, est introduite via une application numérique, figurant à l'article 534/166. ]1
  
Art. 534/158. [1 . De zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten, controleert al de volgende elementen:
   1° de verzekeringsstatus van de gebruiker;
   2° de naleving door de gebruiker van de regels voor de cumulatie, vermeld in artikel 534/150;
   3° de volledigheid van de meegedeelde gegevens.
   De zorgkas vraagt, als dat nodig is, ontbrekende informatie op bij de gebruiker of het psychiatrisch verzorgingstehuis. Als de zorgkas ontbrekende informatie opvraagt bij het psychiatrisch verzorgingstehuis, brengt ze de gebruiker daarvan gelijktijdig op de hoogte.
   Een positief resultaat van de controle, vermeld in het eerste lid, leidt tot de beslissing tot een volledige of gedeeltelijke goedkeuring van de aanvraag van de tegemoetkoming voor zorg en een bijkomende forfaitaire tegemoetkoming.
   Een negatief resultaat van de controle, vermeld in het eerste lid, leidt tot de beslissing tot weigering van de aanvraag.
   Als uit de controle, vermeld in het eerste lid, 2°, blijkt dat de toepassingsvoorwaarden voor een verbod op cumulatie, vermeld in artikel 534/150, vervuld zijn, worden de tegemoetkoming voor zorg en de bijkomende forfaitaire tegemoetkoming die als laatste zijn aangevraagd, geweigerd. ]1

  
Art. 534/158. [1 La caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié vérifie l'ensemble des éléments suivants :
   1° le situation en matière d'assurance de l'usager ;
   2° le respect par l'usager des règles en matière de cumul, figurant à l'article 534/150 ;
   3° l'exhaustivité des données transmises.
   La caisse d'assurance soins réclame, au besoin, les informations manquantes auprès de l'usager ou de la maison de soins psychiatriques. Si la caisse d'assurance soins réclame des informations manquantes auprès de la maison de soins psychiatriques, elle en informe en même temps l'usager.
   Un résultat positif du contrôle, figurant à l'alinéa 1er, donne lieu à une décision d'approbation totale ou partielle de la demande d'intervention pour soins et d'intervention forfaitaire supplémentaire.
   Un résultat négatif du contrôle, figurant à l'alinéa 1er, donne lieu à une décision de refus de la demande.
   Si le contrôle figurant à l'alinéa 1er, 2°, révèle que les conditions d'application de l'interdiction de cumul, figurant à l'article à 534/150, sont remplies, l'intervention pour soins et l'intervention forfaitaire supplémentaire qui ont été demandées en dernier lieu sont refusées. ]1

  
Art. 534/159. [1 De zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten, bezorgt de beslissing tot volledige of gedeeltelijke goedkeuring of weigering van de aanvraag aan het psychiatrisch verzorgingstehuis binnen vijftien werkdagen na de ontvangstdatum.
   Als de zorgkas de beslissing tot volledige of gedeeltelijke goedkeuring of weigering van de aanvraag niet binnen vijftien werkdagen na de ontvangstdatum aan het psychiatrisch verzorgingstehuis bezorgt, wordt de aanvraag geacht te zijn goedgekeurd.
   Zodra de zorgkas vaststelt dat het psychiatrisch verzorgingstehuis niet binnen vijftien werkdagen na de ontvangstdatum een beslissing tot volledige of gedeeltelijke goedkeuring of weigering van de aanvraag heeft ontvangen, neemt ze alsnog een beslissing tot volledige of gedeeltelijke goedkeuring of weigering van de aanvraag en brengt ze het psychiatrisch verzorgingstehuis daarvan onmiddellijk op de hoogte.
   Als de zorgkas na vijftien werkdagen na de ontvangstdatum beslist om de aanvraag te weigeren, is ze verplicht de aanvraag goed te keuren als die betrekking heeft op zorg die op zijn vroegst dertig dagen voor de ontvangstdatum en uiterlijk tien werkdagen na de kennisgeving van de beslissing tot weigering plaatsvindt. De beslissing tot weigering kan op zijn vroegst tien werkdagen na de kennisgeving van de beslissing tot weigering ingaan.
   De beslissingstermijn van de zorgkas wordt geschorst als de zorgkas ontbrekende informatie opvraagt conform artikel 534/158, tweede lid. De termijn begint opnieuw te lopen op de werkdag na de dag waarop de zorgkas de bijkomende informatie heeft ontvangen.
   Het psychiatrisch verzorgingstehuis brengt de gebruiker op de hoogte van de beslissing van de zorgkas. ]1

  
Art. 534/159. [1 La caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié transmet la décision d'approbation totale ou partielle ou de refus de la demande à la maison de soins psychiatriques dans les quinze jours ouvrables suivant la date de réception.
   Si la caisse d'assurance soins ne transmet pas la décision d'approbation totale ou partielle ou de refus de la demande à la maison de soins psychiatriques dans les quinze jours ouvrables suivant la date de réception, la demande est réputée approuvée.
   Dès lors que la caisse d'assurance soins constate que la maison de soins psychiatriques n'a pas reçu de décision d'approbation totale ou partielle ou de refus de la demande dans les quinze jours ouvrables suivant la date de réception, elle prend une décision d'approbation totale ou partielle ou de refus de la demande et en informe immédiatement la maison de soins psychiatriques.
   Si la caisse d'assurance soins décide de refuser la demande après quinze jours ouvrables suivant la date de réception, elle est tenue d'approuver la demande si celle-ci concerne des soins qui ont été dispensés au plus tôt trente jours avant la date de réception et au plus tard dix jours ouvrables après la notification de la décision de refus. La décision de refus peut prendre effet au plus tôt dix jours ouvrables après la notification de la décision de refus.
   Le délai de décision de la caisse d'assurance soins est suspendu si la caisse d'assurance soins réclame des informations manquantes conformément à l'article 534/158, alinéa 2. Le délai recommence à courir le jour ouvrable suivant celui où la caisse d'assurance soins reçoit les informations manquantes.
   La maison de soins psychiatriques informe l'usager de la décision de la caisse d'assurance soins. ]1

  
Art. 534/160. [1 Voor de psychiatrische verzorgingstehuizen worden de aanvragen alleen aan de Zorgkassencommissie bezorgd voor een eventuele a-posterioricontrole.
   Een a-posterioricontrole van de conformiteit van de medische gegevens, die worden beschreven in het gestandaardiseerde medische verslag, vermeld in artikel 534/156, tweede lid, 3°, is mogelijk. De minister kan de nadere regels voor de uitvoering van die controle bepalen.]1

  
Art. 534/160. [1 En ce qui concerne les maisons de soins psychiatriques, les demandes sont transmises à la Commission des caisses d'assurance soins à seule fin d'un éventuel contrôle a posteriori.
   Un contrôle a posteriori de la conformité des données médicales décrites dans le rapport médical standardisé, figurant à l'article 534/156, alinéa 2, 3°, est possible. Le ministre peut définir les modalités d'exécution de ce contrôle. ]1

  
Art. 534/161. [1 De beslissing tot volledige of gedeeltelijke goedkeuring van de aanvraag van de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten, bevat al de volgende gegevens:
   1° de gegevens van het psychiatrisch verzorgingstehuis;
   2° de gegevens over de periode waarvoor een tegemoetkoming voor zorg en de bijkomende forfaitaire tegemoetkoming worden toegekend.
   De zorgkas deelt de beslissing tot weigering van de aanvraag mee aan de gebruiker met een aangetekende zending of op om het even welke andere manier die toelaat de ontvangstdatum met zekerheid vast te stellen. Die kennisgeving bevat al de volgende elementen:
   1° de redenen van de weigering conform artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen;
   2° de beroepsmogelijkheden en de termijnen waarin beroep moet worden aangetekend.
   De zorgkas brengt het psychiatrisch verzorgingstehuis op de hoogte van de beslissing tot volledige of gedeeltelijke goedkeuring of weigering via een digitale applicatie als vermeld in artikel 534/166. ]1

  
Art. 534/161. [1 La décision d'approbation totale ou partielle de la demande de la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié contient l'ensemble des données suivantes :
   1° les coordonnées de la maison de soins psychiatriques ;
   2° les données de la période pour laquelle l'intervention pour soins et l'intervention forfaitaire supplémentaire sont accordées.
   La décision de refus de la demande est transmise par la caisse d'assurance soins à l'usager par envoi recommandé ou de toute autre manière permettant d'établir avec certitude la date de réception. Cette notification comprend l'ensemble des éléments suivants :
   1° les motifs du refus conformément à l'article 2 de la loi du 29 juillet 1991 relative à la motivation formelle des actes administratifs ;
   2° les possibilités de recours et les délais dans lesquels le recours doit être formé.
   La caisse d'assurance soins informe la maison de soins psychiatriques de la décision d'approbation totale ou partielle ou de refus via une application numérique, figurant à l'article 534/166. ]1

  
Deel 3 [1 . Facturatie ]1
Partie 3 [1 Facturation ]1
Art. 534/162. [1 De tegemoetkoming voor zorg en de bijkomende forfaitaire tegemoetkoming die aan de gebruiker zijn toegekend conform artikel 534/158, derde lid en artikel 534/159, tweede lid, worden via een trekkingsrecht van de gebruiker rechtstreeks uitbetaald aan het psychiatrisch verzorgingstehuis door de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten.
   De zorgkas betaalt de tegemoetkoming voor zorg en de bijkomende forfaitaire tegemoetkoming uiterlijk zestig dagen nadat ze de factuur ontvangen heeft. Bij laattijdige betaling is de zorgkas zonder ingebrekestelling een verwijlintrest verschuldigd voor het bedrag van de wettelijke intrestvoet in burgerlijke zaken op de datum waarop de betaaltermijn verstreek.
   De minister kan de modaliteiten van de betaling, vermeld in het tweede lid, bepalen. ]1

  
Art. 534/162. [1 L'intervention pour soins et l'intervention forfaitaire supplémentaire accordées à l'usager conformément à l'article 534/158, alinéa 3, et à l'article 534/159, alinéa 2, sont versées directement à la maison de soins psychiatriques par la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié, par le biais d'un droit de tirage de l'usager.
   La caisse d'assurance soins verse l'intervention pour soins et l'intervention forfaitaire supplémentaire au plus tard soixante jours après réception de la facture. En cas de paiement tardif, la caisse d'assurance soins est redevable sans mise en demeure du montant de l'intérêt de retard au taux légal en matière civile à la date de l'expiration du délai de paiement.
   Le ministre peut arrêter les modalités du paiement figurant à l'alinéa 1er. ]1

  
Art. 534/163. [1 . § 1. De verantwoordelijke van het psychiatrisch verzorgingstehuis valideert de facturen en stuurt ze elektronisch naar de zorgkassen.
   Bij de facturen voegt het psychiatrisch verzorgingstehuis per gebruiker en per zorgkas de digitale individuele kostennota's voor de verleende zorg.
   De digitale individuele kostennota, vermeld in het tweede lid, bevat al de volgende rubrieken:
   1° de gegevens van de gebruiker;
   2° de gegevens van het psychiatrisch verzorgingstehuis;
   3° de gegevens van de zorgkas;
   4° de gepresteerde verblijfsdagen, inclusief de datum waarop de verstrekkingen zijn gepresteerd;
   5° een overzicht van de opnemingsprijs;
   6° een overzicht van de bijkomende forfaitaire tegemoetkoming;
   7° het totale verschuldigde nettobedrag dat de gebruiker of zijn vertegenwoordiger moet betalen;
   8° het bedrag van de tegemoetkoming voor zorg in de opnemingsprijs.
   De facturen en de individuele kostennota's, vermeld in het eerste tot en met het derde lid, worden opgesteld conform de modellen en de facturatie-instructies die het agentschap bepaalt.
   § 2. De facturen en individuele kostennota's worden ingediend via een digitale applicatie als vermeld in artikel 534/166. Als de facturen en individuele kostennota's via een digitale applicatie als vermeld in artikel 534/166, worden ingediend, voldoen ze aan de functionele vereisten en aan de vereisten van betrouwbaarheid en veiligheid conform de geldende privacyregels.
   § 3. De psychiatrische verzorgingstehuizen bezorgen de facturen en de individuele onkostennota's maandelijks per zorgkas en uiterlijk tot 24 maanden na de periode waarin of na de laatste dag waarop de zorg verstrekt is, met uitzondering van de gevallen waarin de verjaring wordt geschorst of gestuit. Het recht op het stuiten van de verjaring wordt aangetoond met een aangetekende brief die gericht is aan de zorgkas. ]1

  [2 § 4. Een psychiatrisch verzorgingstehuis dat, buiten zijn eigen wil om, niet beschikt over een operationele digitale applicatie als vermeld in artikel 534/166, en om die reden geen facturen kan versturen conform paragraaf 1, eerste lid, en paragraaf 2, kan bij het agentschap een aanvraag tot afwijking indienen.
   Het psychiatrisch verzorgingstehuis motiveert de afwijkingsaanvraag, vermeld in het eerste lid, en bezorgt ze schriftelijk aan het agentschap. Er wordt een verklaring op erewoord bij die afwijkingsaanvraag gevoegd dat het psychiatrisch verzorgingstehuis de facturatie niet kan uitvoeren.
   Het agentschap kan bijkomende stukken opvragen ter verduidelijking van de afwijkingsaanvraag, vermeld in het eerste lid.
   Het agentschap beoordeelt de afwijkingsaanvraag, vermeld in het eerste lid, en brengt het psychiatrisch verzorgingstehuis in kwestie op de hoogte van zijn beslissing over die aanvraag. Als er een afwijking wordt toegestaan, wordt ook vermeld voor welke periode die afwijking wordt toegestaan.
   Het psychiatrisch verzorgingstehuis dient de facturen, vermeld in het eerste lid, chronologisch in via de digitale applicatie zodra de digitale applicatie operationeel is.
   In afwijking van paragraaf 1 en artikel 534/164 ontvangen de psychiatrische verzorgingstehuizen die beschikken over de goedkeuring, vermeld in het vierde lid, van de zorgkas een maandelijks voorschot.
   Het agentschap bepaalt per psychiatrisch verzorgingstehuis het voorschot voor elke maand, vermeld in het zesde lid, dat het psychiatrisch verzorgingstehuis per zorgkas ontvangt.
   Elke zorgkas verrekent de ontvangen individuele kostennota's die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, met de voorschotbedragen die aan het psychiatrisch verzorgingstehuis betaald zijn.
   De eerste individuele kostennota na de volledige verrekening van het voorschotbedrag, die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, wordt door de zorgkas uitbetaald conform artikel 534/162.
   De zorgkas kan vanaf de zevende week na de week waarin de zorgkas het laatste voorschot heeft betaald, eventuele niet-verrekende voorschotten terugvorderen van de psychiatrische verzorgingstehuizen.
   Het agentschap is financieel verantwoordelijk voor de niet-verrekende voorschotten, vermeld in het tiende lid, die niet door de zorgkassen teruggevorderd kunnen worden bij het psychiatrisch verzorgingstehuis]2

  
Art. 534/163. [1 3. § 1er. Le responsable de la maison de soins psychiatriques valide les factures et les envoie par voie électronique aux caisses d'assurance de soins.
   La maison de soins psychiatriques joint aux factures, par usager et par caisse d'assurance soins, les notes de frais individuelles numériques pour les soins dispensés.
   La note de frais individuelle numérique, figurant à l'alinéa 2, comprend l'ensemble des données suivantes :
   1° les coordonnées de l'usager ;
   2° les coordonnées de la maison de soins psychiatriques ;
   3° les coordonnées de la caisse d'assurance soins ;
   4° les jours de séjour prestés, y compris la date à laquelle les dispensations ont été prestées ;
   5° un aperçu du prix d'hébergement ;
   6° un aperçu de l'intervention forfaitaire supplémentaire ;
   7° le montant net total dû par l'usager ou son représentant ;
   8° le montant de l'intervention pour soins dans le prix d'hébergement.
   Les factures et les notes de frais individuelles, figurant aux alinéas 1er à 3, sont établies conformément aux modèles et aux instructions de facturation déterminés par l'agence.
   § 2. Les factures et les notes de frais individuelles sont soumises via une application numérique, figurant à l'article 534/166. Les factures et les notes de frais individuelles soumises via une application numérique, figurant à l'article 534/166, répondent aux exigences fonctionnelles et aux exigences de fiabilité et de sécurité conformément aux règles de protection de la vie privée en vigueur.
   § 3. A l'exception des cas dans lesquels la prescription est suspendue ou interrompue, les maisons de soins psychiatriques transmettent, pour chaque caisse d'assurance soins, les factures et les notes de frais individuelles mensuellement et au plus tard 24 mois suivant la période, ou le dernier jour, de prestation des soins. Le droit d'interrompre la prescription est démontré par lettre recommandée adressée à la caisse d'assurance soins. ]1

  [2 Une maison de soins psychiatriques qui, pour des raisons indépendantes de sa volonté, ne dispose pas d'une application numérique opérationnelle telle que visée à l'article 534/166, et qui, pour cette raison, ne peut envoyer de factures conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er, et au paragraphe 2, peut introduire une demande de dérogation auprès de l'agence.
   La maison de soins psychiatriques motive la demande de dérogation, visée à l'alinéa 1er, et la remet par écrit à l'agence. Une déclaration sur l'honneur, attestant que la maison de soins psychiatriques ne peut effectuer la facturation, est jointe à cette demande de dérogation.
   L'agence peut demander des pièces supplémentaires afin de clarifier la demande de dérogation visée à l'alinéa 1er.
   L'agence évalue la demande de dérogation, visée à l'alinéa 1er, et informe la maison de soins psychiatriques en question de sa décision quant à cette demande. Si une dérogation est accordée, la période pendant laquelle cette dérogation est accordée est également indiquée.
   La maison de soins psychiatriques introduit les factures, visées à l'alinéa 1er, chronologiquement via l'application numérique dès que cette dernière est opérationnelle.
   Par dérogation au paragraphe 1er et à l'article 534/164, les maisons de soins psychiatriques qui disposent de l'approbation, visée à l'alinéa 4, reçoivent une avance mensuelle de la caisse d'assurance soins.
   L'agence détermine, pour chaque maison de soins psychiatriques, l'avance pour chaque mois, visée à l'alinéa 6, que la maison de soins psychiatriques reçoit par caisse d'assurance soins.
   Chaque caisse d'assurance soins impute les montants d'avance qui ont été versés à la maison de soins psychiatriques sur les notes de frais individuelles qui satisfont aux conditions énoncées au paragraphe 1er.
   La première note de frais individuelle intervenant après imputation intégrale du montant d'avance, qui satisfait aux conditions visées au paragraphe 1er, est payée par la caisse d'assurance soins conformément à l'article 534/162.
   A partir de la septième semaine suivant celle au cours de laquelle elle a versé la dernière avance, la caisse d'assurance soins peut récupérer les éventuelles avances non imputées auprès des maisons de soins psychiatriques.
   L'agence est financièrement responsable des avances non imputées visées à l'alinéa 10 que les caisses d'assurance soins ne peuvent pas récupérer auprès de la maison de soins psychiatriques.]2

  
Art. 534/164. [1 Het agentschap betaalt het psychiatrisch verzorgingstehuis de financiële tegemoetkoming in het kader van de sociale akkoorden die gesloten zijn, en de compensatie van de financiële schade van laattijdige toekenningen.]1
  
Art. 534/164. [1 L'agence verse à la maison de soins psychiatriques l'intervention financière dans le cadre des accords sociaux conclus, ainsi que la compensation du préjudice financier d'octrois tardifs. ]1
  
Art. 534/165. [1 De psychiatrische verzorgingstehuizen maken op het einde van elke maand per gebruiker een gebruikersfactuur op.
   Een exemplaar van de gebruikersfactuur wordt bezorgd aan de gebruiker of elke natuurlijke of rechtspersoon die volledig of gedeeltelijk belast is met de betaling van de gebruikersfactuur.
   De gebruikersfactuur mag elektronisch naar de gebruiker verstuurd worden als die daar expliciet voor gekozen heeft.
   Als persoonlijke bijdragen en supplementen op basis van een contractuele of wettelijke bepaling rechtstreeks ten laste worden genomen door een derde, worden die op de gebruikersfactuur vermeld. Het psychiatrisch verzorgingstehuis vermeldt onderaan op de gebruikersfactuur dat het bedrag ten laste van de gebruiker door het psychiatrisch verzorgingstehuis rechtstreeks aan die derde gefactureerd wordt.
   De gebruikersfactuur wordt opgemaakt volgens het model dat door het agentschap ter beschikking wordt gesteld. ]1

  
Art. 534/165. [1 A la fin de chaque mois, les maisons de soins psychiatriques établissent une facture usager pour chaque usager.
   Un exemplaire de la facture usager est envoyée à l'usager ou à toute personne physique ou morale qui est entièrement ou partiellement chargée du paiement de la facture usager.
   La facture usager peut être envoyée par voie électronique à l'usager s'il en a fait la demande expresse.
   Si les cotisations personnelles et les suppléments sont directement pris en charge par un tiers sur la base d'une disposition contractuelle ou légale, ils figurent sur la facture usager. La maison de soins psychiatriques indique au bas de la facture usager que le montant à prendre en charge par l'usager est facturé directement à ce tiers par la maison de soins psychiatriques.
   La facture usager est établie conformément au modèle fourni par agence. ]1

  
Deel 4 [1 Software ]1
Partie 4. [1 Logiciels ]1
Art. 534/166. [1 § 1. De digitale applicatie, vermeld in artikel 534/151, eerste lid, 1° en 2°, artikel 534/153, tweede lid, artikel 534/157, 534/161, derde lid, en artikel 534/163, § 2, voldoet aan de functionele en technische vereisten en de vereisten van betrouwbaarheid en veiligheid die de minister bepaalt, na advies van een groep van onafhankelijke experten.
   Het agentschap staat in voor de attestering van de digitale applicaties die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid.
   § 2. Psychiatrische verzorgingstehuizen die geen digitale applicatie als vermeld in paragraaf 1, gebruiken, kunnen de aanvragen, vermeld in artikel 534/156, niet indienen bij de zorgkassen om tegemoetkomingen voor zorg te krijgen, en kunnen niet factureren aan de zorgkassen conform artikel 534/163.
   § 3. Het agentschap en de betrokken beroepsorganisaties wijzen de experten, vermeld in paragraaf 1, aan. De minister kan nadere regels bepalen de samenstelling en de werking van de groep van onafhankelijke experten, vermeld in paragraaf 1. ]1

  
Art. 534/166. [1 § 1er. L'application numérique, figurant à l'article 534/151, alinéa 1er, 1° et 2°, à l'article 534/153, alinéa 2, à l'article 534/157, à l'article 534/161, alinéa 3, et à l'article 534/163, § 2, satisfait aux exigences fonctionnelles et techniques ainsi qu'aux exigences de fiabilité et de sécurité fixées par le ministre après avis d'un groupe d'experts indépendants.
   L'agence est chargée de la certification des applications numériques qui satisfont aux conditions, figurant à l'alinéa 1er.
   § 2. Les maisons de soins psychiatriques qui n'utilisent pas l'application numérique, figurant au paragraphe 1er, ne peuvent pas soumettre les demandes, figurant à l'article 534/156, aux caisses d'assurance soins afin de recevoir des interventions pour soins, et ne peuvent pas facturer aux caisses d'assurance soins conformément à l'article 534/163.
   § 3. L'agence et les organisations professionnelles concernées désignent les experts, figurant au paragraphe 1er. Le ministre peut arrêter des modalités concernant la composition et le fonctionnement du groupe d'experts indépendants, figurant au paragraphe 1er. ]1

  
Art. 534/167. [1 § 1. De softwareontwikkelaars dienen de aanvragen tot attestering, vermeld in artikel 534/166, § 1, tweede lid, in bij het agentschap.
   De gedagtekende en ondertekende aanvraag wordt ingediend met een formulier waarvan het agentschap het model vastlegt.
   Het formulier, vermeld in het tweede lid, bevat al de volgende gegevens:
   1° de identificatiegegevens van de aanvrager;
   2° de beschrijving van de maatregelen voor gegevensbescherming en de informatieveiligheid;
   3° de beschrijving van de architecturale structuur van het pakket;
   4° de technische specificaties die toelaten de mogelijkheid tot koppeling met het digitaal platform Vlaamse sociale bescherming te beoordelen.
   § 2. Het agentschap beoordeelt de aanvraag tot attestering, vermeld in paragraaf 1, en beslist over de goedkeuring of weigering van de organisatie van het attesteringstraject, vermeld in paragraaf 4. Het agentschap kan aan de groep van onafhankelijke experten, vermeld in artikel 534/166, § 3, advies vragen over de aanvraag.
   Het agentschap deelt zijn beslissing tot goedkeuring of weigering van de organisatie van het attesteringstraject, vermeld in paragraaf 4, mee uiterlijk binnen dertig dagen na dag waarop het de aanvraag tot attestering, vermeld in paragraaf 1, heeft ontvangen.
   § 3. Bij wijzigingen aan een van de gegevens, vermeld in paragraaf 1, derde lid, na de beslissing tot goedkeuring van de organisatie van het attesteringstraject, vermeld in paragraaf 4, vervalt die beslissing tot goedkeuring van rechtswege en dient de softwareontwikkelaar in kwestie een nieuwe aanvraag tot attestering in.
   § 4. Na de goedkeuring van de organisatie van het attesteringstraject, vermeld in paragraaf 4, kan de softwareontwikkelaar in kwestie bij het agentschap een verzoek indienen om testen te organiseren.
   De groep van onafhankelijke experten, vermeld in artikel 534/166, § 3, organiseert binnen negentig dagen na de dag waarop het agentschap het verzoek, vermeld in het eerste lid, heeft ontvangen, testen waarbij wordt nagegaan of de digitale applicatie waarvoor de attestering is aangevraagd, voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 534/166, § 1, eerste lid, en stelt een testrapport op.
   De minister kan nadere regels bepalen voor de organisatie van de testen, vermeld in het tweede lid.
   § 5. De groep van onafhankelijke experten, vermeld in artikel 534/166, § 3, bezorgt het testrapport, vermeld in paragraaf 4, tweede lid, samen met een overeenstemmend advies aan het agentschap binnen honderdtwintig dagen na de dag waarop het agentschap het verzoek tot de organisatie van testen conform paragraaf 4, eerste lid, heeft ontvangen.
   Het agentschap attesteert de digitale applicatie of weigert de attestering van de digitale applicatie en brengt de aanvrager op de hoogte van die beslissing binnen vijftien dagen na de dag waarop het advies van de groep van onafhankelijke experten, vermeld in artikel 534/166, § 3, heeft ontvangen conform het eerste lid.
   De attesten die toegekend worden conform het tweede lid, zijn geldig voor tien jaar, met behoud van de toepassing van artikel 534/168.
   § 6. De termijnen, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, paragraaf 4, tweede lid, en paragraaf 5, eerste en tweede lid, worden geschorst als het agentschap of de groep van onafhankelijke experten, vermeld in 534/166, § 3, aanvullende informatie vraagt aan de softwareontwikkelaar in kwestie.
   De termijnen, vermeld in het eerste lid, lopen verder vanaf de dag na de dag waarop het agentschap of de groep van onafhankelijke experten, vermeld in 534/166, § 3, de bijkomende informatie heeft ontvangen conform het eerste lid.
   § 7. De softwareontwikkelaars die een digitale applicatie ontwikkelen, kunnen altijd een nieuwe aanvraag tot attestering indienen bij het agentschap.]1

  
Art. 534/167. [1 . § 1er. Les développeurs de logiciels soumettent à l'agence les demandes de certification, figurant à l'article 534/166, § 1er, alinéa 2.
   La demande datée et signée est introduite au moyen d'un formulaire dont l'agence détermine le modèle.
   Le formulaire, figurant à l'alinéa 2, comprend l'ensemble des données suivantes :
   1° les données d'identification du demandeur ;
   2° la description des mesures de protection des données et de sécurité de l'information ;
   3° la description de la structure architecturale du logiciel ;
   4° les spécifications techniques permettant d'évaluer les possibilités de connexion à la plate-forme numérique de la protection sociale flamande.
   § 2. L'agence évalue la demande de certification, figurant au paragraphe 1er, et décide d'approuver ou de refuser l'organisation du processus de certification, figurant au paragraphe 4. L'agence peut demander l'avis du groupe d'experts indépendants, figurant à l'article 534/166, § 3, sur la demande.
   L'agence communique sa décision d'approuver ou de refuser l'organisation du processus de certification, figurant au paragraphe 4, dans un délai de trente jours suivant le jour de la réception de la demande de certification, figurant au paragraphe 1er.
   § 3. En cas de modification d'une des données, figurant au paragraphe 1er, alinéa 3, après la décision d'approuver l'organisation du processus de certification, figurant au paragraphe 4, cette décision d'approuver est annulée de plein droit et le développeur de logiciels concerné introduit une nouvelle demande de certification.
   § 4. Après l'approbation de l'organisation du processus de certification, figurant au paragraphe 4, le développeur de logiciels en question peut soumettre à l'agence une demande d'organiser des tests.
   Dans un délai de nonante jours à compter de la date de réception par l'agence de la demande figurant à l'alinéa 1er, le groupe d'experts indépendants figurant à l'article 534/166, § 3, organise des tests pour vérifier si l'application numérique pour laquelle la certification a été demandée remplit les conditions énoncées à l'article 534/166, § 1er, alinéa 1er, et établit un rapport de test.
   Le ministre peut arrêter les modalités relatives à l'organisation des tests, figurant à l'alinéa 2.
   § 5. Dans un délai de cent vingt jours à compter du jour où l'agence a reçu la demande d'organiser des tests conformément au paragraphe 4, alinéa 1er, le groupe d'experts indépendants, figurant à l'article 534/166, § 3, soumet à l'agence le rapport de test, figurant au paragraphe 4, alinéa 2, assorti de l'avis correspondant.
   Dans un délai de quinze jours à compter du jour où elle a reçu l'avis du groupe d'experts indépendants, figurant à l'article 534/166, § 3, conformément à l'alinéa 1er, l'agence certifie l'application numérique ou refuse de certifier l'application numérique et notifie sa décision au demandeur.
   Les certificats délivrés conformément à l'alinéa 2 ont une validité de dix ans, sans préjudice de l'application de l'article 534/168.
   § 6. Les délais figurant au paragraphe 2, alinéa 2, au paragraphe 4, alinéa 2, et au paragraphe 5, alinéas 1er et 2, sont suspendus lorsque l'agence ou le groupe d'experts indépendants, figurant à l'article 534/166, § 3, demande des informations complémentaires au développeur de logiciels en question.
   Les délais figurant à l'alinéa 1er recommencent à courir à compter du jour suivant celui où l'agence ou le groupe d'experts indépendants, figurant à l'article 534/166, § 3, reçoit les informations complémentaires conformément à l'alinéa 1er.
   § 7. Les développeurs de logiciels qui conçoivent une application numérique peuvent à tout moment introduire une nouvelle demande de certification auprès de l'agence.]1

  
Art. 534/168. [1 1. Zolang het uitgereikte attest geldig is, wordt de geattesteerde versie van de digitale applicatie en de evolutie ervan geacht te blijven voldoen aan de functionele en technische vereisten en aan de vereisten van betrouwbaarheid en veiligheid, vermeld in artikel 534/166, § 1, eerste lid.
   § 2. Een softwareontwikkelaar met een geattesteerde digitale applicatie implementeert alle wijzigingen van de functionele en technische vereisten en de vereisten van betrouwbaarheid en veiligheid, vermeld in artikel 534/166, § 1, eerste lid, volgens het versiebeleid van het digitale platform Vlaamse sociale bescherming.
   Een softwareontwikkelaar die op eigen initiatief wijzigingen aanbrengt aan de geattesteerde digitale applicatie met een impact op de functionele en technische vereisten en de vereisten van betrouwbaarheid en veiligheid, vermeld in artikel 534/166, § 1, eerste lid, brengt het agentschap daarvan op de hoogte. In die melding aan het agentschap geeft de softwareontwikkelaar een beschrijving van de wijzigingen aan de geattesteerde digitale applicatie.
   § 3. Als er wijzigingen worden aangebracht aan de geattesteerde digitale applicatie conform paragraaf 2 die een impact hebben op de functionele en technische vereisten en de vereisten van betrouwbaarheid en veiligheid, vermeld in artikel 534/166, § 1, eerste lid, kan het agentschap, na eensluidend advies van de groep van onafhankelijke experten, vermeld in artikel 534/166, § 3, beslissen om bijkomende toelichtingen op te vragen bij de gemelde wijzigingen of om nieuwe testen op te leggen voor de digitale applicatie.
   § 4. Als er aanwijzingen zijn dat een digitale applicatie niet meer voldoet aan de functionele vereisten en de vereisten van betrouwbaarheid en veiligheid, vermeld in artikel 534/166, § 1, eerste lid, kan het agentschap, na eensluidend advies van de groep van onafhankelijke experten, vermeld in artikel 534/166, § 3, beslissen om nieuwe testen te organiseren. Afhankelijk van het resultaat van de testen kan het agentschap, na eensluidend advies van de voormelde groep van onafhankelijke experten, beslissen om de attestering te bevestigen of in te trekken. ]1

  
Art. 534/168. [1 . § 1er. Tant que le certificat délivré est valable, la version certifiée de l'application numérique et son évolution sont réputées continuer à satisfaire aux exigences fonctionnelles et techniques et aux exigences de fiabilité et de sécurité, figurant à l'article 534/166, § 1er, alinéa 1er.
   § 2. Un développeur de logiciels disposant d'une application numérique certifiée met en oeuvre toutes les modifications des exigences fonctionnelles et techniques et des exigences de fiabilité et de sécurité, figurant à l'article 534/166, § 1er, alinéa 1er, conformément à la politique de gestion des versions de la plate-forme numérique de la protection sociale flamande.
   Le développeur de logiciels qui, de sa propre initiative, apporte à l'application numérique certifiée des modifications ayant un impact sur les exigences fonctionnelles et techniques et sur les exigences de fiabilité et de sécurité figurant à l'article 534/166, § 1er, alinéa 1er, en informe l'agence. Dans cette notification à l'agence, le développeur de logiciels décrit les modifications apportées à l'application numérique certifiée.
   § 3. Si des modifications ayant un impact sur les exigences fonctionnelles et techniques et sur les exigences de fiabilité et de sécurité figurant à l'article 534/166, § 1er, alinéa 1er, sont apportées à l'application numérique certifiée, conformément au paragraphe 2, l'agence, après avoir reçu l'avis conforme du groupe d'experts indépendants figurant à l'article 534/166, § 3, peut décider de demander des explications supplémentaires concernant les modifications signalées ou d'imposer de nouveaux tests à l'application numérique.
   § 4. S'il existe des indications selon lesquelles une application numérique ne répond plus aux exigences fonctionnelles et aux exigences de fiabilité et de sécurité figurant à l'article 534/166, § 1er, alinéa 1er, l'agence, après avoir reçu l'avis conforme du groupe d'experts indépendants figurant à l'article 534/166, § 3, peut décider d'organiser de nouveaux tests. En fonction des résultats des tests, l'agence, après avoir reçu l'avis conforme du groupe d'experts indépendants précité, peut décider de confirmer ou de retirer la certification. ]1

  
Art. 534/169. [1 . De attesten die verleend zijn conform de bepalingen van dit deel, worden bekendgemaakt op de website van het agentschap met vermelding van hun geldigheidstermijn ]1
  
Art. 534/169. [1 . Les certificats délivrés conformément aux dispositions de la présente partie sont publiés sur le site internet de l'agence, avec mention de leur délai de validité. ]1
  
Boek 3/8. [1 Initiatieven van beschut wonen]1
Livre 3/8. [1 Initiatives d'habitation protégée]1
Deel 1. [1 Financiering]1
Partie 1re. [1 Financement]1
Art. 534/170. [1 1. Per erkend initiatief van beschut wonen wordt een prijs per verblijfsdag per [3 gebruiker]3 bepaald als vermeld in de begeleidingscapaciteit. De prijs per verblijfsdag in een initiatief van beschut wonen is gelijk aan de som van de vergoedingen, vermeld in paragraaf 2, gedeeld door het quotum van verblijfsdagen.
   Het quotum van verblijfsdagen is gelijk aan het aantal gefactureerde dagen dat de begeleidingscapaciteit gedurende het voorbije kalenderjaar daadwerkelijk vervuld was.
   Provisioneel wordt uitgegaan van een bezetting van 100%.
   De eindverrekening gebeurt via een inhaalbedrag dat wordt toegepast op de som van de vergoedingen van het daaropvolgende jaar.
   § 2. Per erkend initiatief van beschut wonen worden de volgende vergoedingen toegekend:
   1° een vergoeding voor de personeelskosten: 9996,76 euro per [3 gebruiker]3 voor twee derde van het aantal [3 ]3 gebruikeren 13.329,04 euro per zorggebruiker voor een derde van het aantal [3 gebruiker]3;
   2° een vergoeding voor de werkingskosten, gekoppeld aan de begeleiding: 775,54 euro per zorggebruiker;
   3° een vergoeding voor de kosten van het functiecomplement van de coördinator: jaarlijks een brutobedrag van 1613,12 euro voor een jaarlijkse coördinatiepremie voor de coördinator;
   4° een vergoeding voor de functie van coördinerend psychiater:
   a) 11.054,23 euro voor de initiatieven met een begeleidingscapaciteit van maximaal 20 [3 gebruiker]3;
   b) 18.423,75 euro voor de initiatieven met een begeleidingscapaciteit van maximaal 40 [3 gebruiker]3
   c) 22.108,49 euro voor de initiatieven met een begeleidingscapaciteit van maximaal 60 [3 gebruiker]3]
   d) 25.793,27 euro voor de initiatieven met een begeleidingscapaciteit van maximaal 80 [3 gebruiker]3;
   e) 29.478,02 euro voor de initiatieven met een begeleidingscapaciteit van maximaal 100 [3 gebruiker]3;
   f) 33.162,76 euro voor de initiatieven met een begeleidingscapaciteit van meer dan 100 [3 gebruiker]3;
   5° een vergoeding voor de registratie van de minimale psychiatrische gegevens: 3494,34 euro per initiatief van beschut wonen, verhoogd met 69,87 euro per [3 gebruiker]3;
   6° een eenmalige installatievergoeding van 2088,01 euro per extra zorggebruiker nadat het agentschap de begeleidingscapaciteit van een erkend initiatief van beschut wonen heeft uitgebreid;
   7° [2 ...]2
   8° een vergoeding voor de kosten van de attractiviteitspremie:
   a) voor alle werknemers van de openbare initiatieven van beschut wonen wordt de attractiviteitspremie toegekend in de vorm van een jaarlijks forfaitair bedrag van 948,21 euro per voltijdsequivalent;
   b) voor elk jaar wordt het bedrag berekend door het aantal voltijdsequivalenten van het initiatief van beschut wonen te vermenigvuldigen met het forfaitaire bedrag van de attractiviteitspremie;
   c) voor alle werknemers van de private initiatieven van beschut wonen wordt de attractiviteitspremie toegekend in de vorm van een jaarlijks forfaitair bedrag van 983,51 euro per voltijdsequivalent;
   d) voor elk jaar wordt het bedrag berekend door het aantal voltijdsequivalenten van het initiatief van beschut wonen te vermenigvuldigen met het forfaitaire bedrag van de attractiviteitspremie;
   9° een vergoeding voor de erkende zorgvernieuwende initiatieven voor activering, vermeld in artikel 148 van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2018 houdende de uitvoering van het decreet van 6 juli 2018 betreffende de overname van de sectoren psychiatrische verzorgingstehuizen, initiatieven van beschut wonen, revalidatieovereenkomsten, revalidatieziekenhuizen en multidisciplinaire begeleidingsequipes voor palliatieve verzorging:
   a) 32.982,69 euro voor de financiering van 0,5 voltijdsequivalenten in de initiatieven met een begeleidingscapaciteit van maximaal 19 ]3 gebruiker]3;
   b) 49.474,06 euro voor de financiering van 0,75 voltijdsequivalenten in de initiatieven met een begeleidingscapaciteit van 20 tot 39 ]3 gebruiker]3;
   c) 82.456,71 euro voor de financiering van 1,25 voltijdsequivalenten in de initiatieven met een begeleidingscapaciteit van 40 tot 59 ]3 gebruiker]3;
   d) 98.948,08 euro voor de financiering van 1,5 voltijdsequivalenten in de initiatieven met een begeleidingscapaciteit van 60 tot 99 ]3 gebruiker]3;
   e) 131.930,78 euro voor de financiering van 2 voltijdsequivalenten in de initiatieven met een begeleidingscapaciteit van 100 tot 149 ]3 gebruiker]3;
   f) 197.896,16 euro voor de financiering van 3 voltijdsequivalenten in de initiatieven met een begeleidingscapaciteit van meer dan 150 ]3 gebruiker]3;
   10° een vergoeding voor de erkende zorgvernieuwende initiatieven voor psychiatrische zorg in de thuissituatie, vermeld in artikel 149 van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2018 houdende de uitvoering van het decreet van 6 juli 2018 betreffende de overname van de sectoren psychiatrische verzorgingstehuizen, initiatieven van beschut wonen, revalidatieovereenkomsten, revalidatieziekenhuizen en multidisciplinaire begeleidingsequipes voor palliatieve verzorging: de minister legt per initiatief van beschut wonen het bedrag vast;
   11° een vergoeding van:
   a) 54,35 euro per zorggebruiker om ongemakkelijke prestaties, tussen 19 uur en 20 uur, door personeel dat de functie van opvoeder uitoefent, te valoriseren conform artikel 7 tot en met 9 van het koninklijk besluit van 28 december 2011 betreffende uitvoering van het attractiviteitsplan voor het verpleegkundig beroep, in bepaalde federale gezondheidssectoren, wat betreft de premies voor de titels en bijzondere beroepsbekwaamheden en ongemakkelijke prestaties;
   b) 2,03 euro per zorggebruiker om de valorisatie van ongemakkelijke prestaties uit te breiden tot het personeel dat niet valt onder de bepalingen van het voormelde koninklijk besluit van 28 december 2011, volgens dezelfde regels;
   12° een vergoeding van 38,20 euro per zorggebruiker om de financiële tegemoetkoming van de werkgever in de vervoerskosten van de werknemers te dekken, overeenkomstig de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 19octies van 20 februari 2009;
   13° een vergoeding voor de geregulariseerde DAC-functies in de initiatieven van beschut wonen, vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2018 tot toekenning van de DAC-subsidies aan enkele initiatieven van beschut wonen;
   14° een vergoeding voor de regularisatie van de gesubsidieerde contractuelen in initiatieven van beschut wonen: de minister bepaalt het bedrag per initiatief van beschut wonen.
   In dit artikel wordt verstaan onder gesubsidieerde contractueel: de gesubsidieerde contractueel, tewerkgesteld krachtens een overeenkomst als vermeld in artikel 1, 12°, 14°, 15° en 36°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 oktober 1993 tot veralgemening van het stelsel van gesubsidieerde contractuelen.]1

  
Art. 534/170. [1 § 1er. Par initiative d'habitation protégée agréée, un prix par journée de séjour est fixé par [3 usager ]3 tel que visé dans la capacité d'accompagnement. Dans une initiative d'habitation protégée, le prix par journée de séjour est égal à la somme des indemnités visées au paragraphe 2 divisée par le quota de journées de séjour.
  Le quota de journées de séjour est égal au nombre de journées facturées pendant lesquelles la capacité d'accompagnement était effectivement remplie durant l'année civile précédente.
  A titre provisoire, on considère une occupation de 100 %.
  Le calcul définitif s'effectue par le biais d'un montant de rattrapage qui est appliqué à la somme des indemnités de l'année suivante.
  § 2. Par initiative d'habitation protégée agréée, les indemnités suivantes sont octroyées :
  1° une indemnité pour les frais de personnel : 9.996,76 euros par [3 usager ]3 pour deux tiers du nombre d'[3 usagers ]3 et 13.329,04 euros par [3 usager ]3 pour un tiers du nombre d'usagers de soins ;
  2° une indemnité pour les frais de fonctionnement liés à l'accompagnement : 775,54 euros par [3 usager ]3 ;
  3° une indemnité pour les frais du complément de fonction du coordinateur : chaque année, un montant brut de 1.613,12 euros pour une prime de coordination annuelle pour le coordinateur ;
  4° une indemnité pour la fonction de psychiatre coordinateur :
  a) 11.054,23 euros pour les initiatives d'une capacité d'accompagnement de 20 [3 usagers ]3 maximum ;
  b) 18.423,75 euros pour les initiatives d'une capacité d'accompagnement de 40 [3 usagers ]3 maximum ;
  c) 22.108,49 euros pour les initiatives d'une capacité d'accompagnement de 60 [3 usagers ]3 maximum ;
  d) 25.793,27 euros pour les initiatives d'une capacité d'accompagnement de 80 [3 usagers ]3 maximum ;
  e) 29.478,02 euros pour les initiatives d'une capacité d'accompagnement de 100 [3 usagers ]3 maximum ;
   f) 33.162,76 euros pour les initiatives d'une capacité d'accompagnement de plus de 100 [3 usagers ]3 ;
   5° une indemnité pour l'enregistrement du résumé psychiatrique minimum : 3.494,34 euros par initiative d'habitation protégée, augmentés de 69,87 euros par [3 usager ]3s ;
   6° une indemnité unique d'installation de 2.088,01 euros par [3 usagers ]3 supplémentaire après élargissement par l'agence de la capacité d'accompagnement d'une initiative d'habitation protégée agréée ;
   7° [2 ...]2
   8° une indemnité pour le coût de la prime d'attractivité :
   a) pour tous les travailleurs salariés des initiatives d'habitation protégée publiques, la prime d'attractivité est octroyée sous la forme d'un montant forfaitaire annuel de 948,21 euros par équivalent temps plein ;
   b) pour chaque année, le montant est calculé en multipliant le nombre d'équivalents temps plein de l'initiative d'habitation protégée par le montant forfaitaire de la prime d'attractivité ;
   c) pour tous les travailleurs salariés des initiatives d'habitation protégée privées, la prime d'attractivité est octroyée sous la forme d'un montant forfaitaire annuel de 983,51 euros par équivalent temps plein ;
   d) pour chaque année, le montant est calculé en multipliant le nombre d'équivalents temps plein de l'initiative d'habitation protégée par le montant forfaitaire de la prime d'attractivité ;
   9° une indemnité pour les initiatives novatrices en matière de soins pour l'activation agréées, visées à l'article 148 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 décembre 2018 portant exécution du décret du 6 juillet 2018 relatif à la reprise des secteurs des maisons de soins psychiatriques, des initiatives d'habitation protégée, des conventions de revalidation, des hôpitaux de revalidation et des équipes d'accompagnement multidisciplinaires de soins palliatifs :
   a) 32.982,69 euros pour le financement de 0,5 équivalent temps plein dans les initiatives d'une capacité d'accompagnement de 19 usagers de soins maximum ;
   b) 49.474,06 euros pour le financement de 0,75 équivalent temps plein dans les initiatives d'une capacité d'accompagnement de 20 à 39 usagers de soins ;
   c) 82.456,71 euros pour le financement de 1,25 équivalent temps plein dans les initiatives d'une capacité d'accompagnement de 40 à 59 usagers de soins ;
   d) 98.948,08 euros pour le financement de 1,5 équivalent temps plein dans les initiatives d'une capacité d'accompagnement de 60 à 99 usagers de soins ;
   e) 131.930,78 euros pour le financement de 2 équivalents temps plein dans les initiatives d'une capacité d'accompagnement de 100 à 149 usagers de soins ;
   f) 197.896,16 euros pour le financement de 3 équivalents temps plein dans les initiatives d'une capacité d'accompagnement de plus de 150 usagers de soins ;
   10° une indemnité pour les initiatives novatrices en matière de soins pour les soins psychiatriques à domicile agréées, visées à l'article 149 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 décembre 2018 portant exécution du décret du 6 juillet 2018 relatif à la reprise des secteurs des maisons de soins psychiatriques, des initiatives d'habitation protégée, des conventions de revalidation, des hôpitaux de revalidation et des équipes d'accompagnement multidisciplinaires de soins palliatifs : le ministre fixe le montant par initiative d'habitation protégée ;
   11° une indemnité de :
   a) 54,35 euros par usager de soins en vue de valoriser les prestations inconfortables, entre 19 heures et 20 heures, du personnel qui exerce la fonction d'éducateur, conformément aux articles 7 à 9 de l'arrêté royal du 28 décembre 2011 relatif à l'exécution du plan d'attractivité pour la profession infirmière, dans certains secteurs fédéraux de la santé, en ce qui concerne les primes pour des titres et qualifications professionnels particuliers et les prestations inconfortables ;
   b) 2,03 euros par usager de soins en vue d'étendre la valorisation des prestations inconfortables au personnel non concerné par les dispositions de l'arrêté royal précité du 28 décembre 2011, selon les mêmes modalités ;
   12° une indemnité de 38,20 euros par usager de soins afin de couvrir l'intervention financière de l'employeur dans les frais de transport des travailleurs, en application de la convention collective de travail n° 19octies du 20 février 2009 ;
   13° une indemnité pour les fonctions TCT régularisées dans les initiatives d'habitation protégée, visées à l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mars 2018 octroyant des subventions TCT à quelques initiatives d'habitation protégée ;
   14° une indemnité pour la régularisation des contractuels subventionnés dans des initiatives d'habitation protégée : le ministre fixe le montant par initiative d'habitation protégée.
   Dans le présent article, on entend par contractuel subventionné : le contractuel subventionné occupé en vertu d'un contrat tel que visé à l'article 1er, 12°, 14°, 15° et 36°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 octobre 1993 portant généralisation du régime des contractuels subventionnés.]1

  
Art. 534/171. [1 De bedragen, vermeld in artikel 534/170, worden geïndexeerd conform de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld, waarbij de verhoging of de vermindering wordt toegepast vanaf de eerste maand nadat het indexcijfer een waarde bereikt die een wijziging rechtvaardigt.
   De koppeling aan het indexcijfer, vermeld in het eerste lid, wordt berekend en toegepast overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen.
   De bedragen, vermeld in artikel 534/170, zijn gekoppeld aan het spilindexcijfer 123,14 (basis 2013=100).]1

  
Art. 534/171. [1 Les montants visés à l'article 534/170 sont indexés conformément à la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public, l'augmentation ou la diminution étant appliquée à partir du premier mois qui suit celui dont l'indice atteint une valeur justifiant une modification.
   La liaison à l'indice visée à l'alinéa 1er est calculée et appliquée conformément à l'article 2 de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays.
   Les montants mentionnés dans l'article 534/170 sont liés à l'indice-pivot 123,14 (base 2013=100).]1

  
Deel 2. [1 Tegemoetkoming]1
Partie 2. [1 Intervention]1
TITEL 1. [1 Tegemoetkoming voor zorg in de prijs per verblijfsdag]1
TITRE 1er. [1 Intervention pour soins dans le prix par journée de séjour]1
Art. 534/172. [1 De tegemoetkoming voor zorg in de prijs per verblijfsdag in een initiatief van beschut wonen, vermeld in artikel 154/4, eerste lid, van het decreet van 18 mei 2018, is gelijk aan de prijs per verblijfsdag, vermeld in artikel 534/170 van dit besluit.
Art. 534/172. [1L'intervention pour soins dans le prix par journée de séjour dans une initiative d'habitation protégée, visée à l'article 154/4, alinéa 1er, du décret du 18 mai 2018, est égale au prix par journée de séjour visé à l'article 534/170 du présent arrêté.
TITEL 2. [1 Cumulatie van tegemoetkomingen]1
TITRE 2. [1 Cumul d'interventions]1
Art. 534/173. [1 Een tegemoetkoming voor zorg in een initiatief van beschut wonen mag niet worden gecumuleerd met een tegemoetkoming voor zorg in een ander initiatief van beschut wonen, een woonzorgcentrum, een centrum voor kortverblijf of een psychiatrisch verzorgingstehuis tijdens dezelfde periode, tenzij het anders bepaald is. De minister bepaalt de nadere regels daarvoor.
   Een tegemoetkoming voor zorg in een initiatief van beschut wonen mag niet worden gecumuleerd met een vergoeding voor ziekenhuisopname met minstens één overnachting op grond van de federale ziekte- en invaliditeitsverzekering als het gebruik of verblijf plaatsvindt op dezelfde dag.]1

  
Art. 534/173. [1 Une intervention pour soins dans une initiative d'habitation protégée ne peut pas être cumulée avec une intervention pour soins dans une autre initiative d'habitation protégée, un centre de soins résidentiels, un centre de court séjour ou une maison de soins psychiatriques durant la même période, sauf stipulation contraire. Le ministre en arrête les modalités.
   Une intervention pour soins dans une initiative d'habitation protégée ne peut pas être cumulée avec une indemnité pour une hospitalisation d'au moins une nuitée sur la base de l'assurance maladie-invalidité fédérale si l'utilisation ou le séjour a lieu le même jour.]1

  
Deel 3. [1 Aanvraagprocedure]1
Partie 3. [1 Procédure de demande]1
Art. 534/174. [1 In dit deel wordt verstaan onder:
   1А aanvraag: de aanvraag via een digitale applicatie als vermeld in artikel 534/189, van de tegemoetkoming voor zorg;
   2А ontvangstdatum: de datum waarop de kennisgeving van ontvangst van de volledige aanvraag wordt verstuurd.
   Een aanvraag wordt door de zorgkas als volledig beschouwd als de delen, vermeld in artikel 534/179, eerste lid, 1А en 3А, bij de zorgkas zijn ingediend en het initiatief van beschut wonen op erewoord verklaart dat deel 2, vermeld in artikel 534/179, eerste lid, 2А, beschikbaar is. Deel 2, vermeld in artikel 534/179, eerste lid, 2А, wordt bewaard door het initiatief van beschut wonen en hoeft niet aan de zorgkas te worden bezorgd.
   Als er een nieuwe aanvraag voor dezelfde gebruiker in hetzelfde initiatief van beschut wonen wordt ingediend binnen drie maanden na de afloop van de periode van de vorige goedkeurde aanvraag conform artikel 534/182, wordt die nieuwe aanvraag als volledig beschouwd als deel 1, vermeld in artikel 534/179, eerste lid, 1А, volledig is.]1

  
Art. 534/174. [1 Dans la présente partie, on entend par :
   1° demande : la demande, par le biais d'une application numérique telle que visée à l'article 534/189, de l'intervention pour soins ;
   2° date de réception : la date d'envoi de l'accusé de réception de la demande complète.
   La caisse d'assurance soins considère une demande comme complète si les volets mentionnés dans l'article 534/179, alinéa 1er, 1° et 3°, ont été introduits auprès de la caisse d'assurance soins et si l'initiative d'habitation protégée déclare sur l'honneur que le volet 2 mentionné dans l'article 534/179, alinéa 1er, 2°, est disponible. Le volet 2 mentionné dans l'article 534/179, alinéa 1er, 2°, est conservé par l'initiative d'habitation protégée et ne doit pas nécessairement être transmis à la caisse d'assurance soins.
   Si une nouvelle demande est introduite pour le même usager dans la même initiative d'habitation protégée dans les trois mois suivant l'expiration de la période de la précédente demande approuvée conformément à l'article 534/182, cette nouvelle demande est considérée comme complète si le volet 1 mentionné dans l'article 534/179, alinéa 1er, 1°, est complet.]1

  
Art. 534/175. [1 Een tegemoetkoming voor zorg kan alleen worden toegekend als de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten, een beslissing tot goedkeuring van de aangevraagde tegemoetkoming heeft genomen.]1
  
Art. 534/175. [1 Une intervention pour soins ne peut être octroyée que si la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié a pris une décision d'approbation de l'intervention demandée.]1
  
Art. 534/176. [1 Het initiatief van beschut wonen waartoe de gebruiker zich wendt, verstuurt de aanvraag naar de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten.
   De aanvraag wordt ingediend via een digitale applicatie als vermeld in artikel 534/189.
   Elke aanvraag wordt rechtstreeks gericht aan een centraal contactpunt, dat de zorgkas in kwestie bepaalt.]1

  
Art. 534/176. [1 L'initiative d'habitation protégée à laquelle l'usager s'adresse envoie la demande à la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié.
   La demande est introduite par le biais d'une application numérique telle que visée à l'article 534/189.
   Toute demande est adressée directement à un point de contact central et unique déterminé par la caisse d'assurance soins concernée.]1

  
Art. 534/177. [1 Er wordt geen tegemoetkoming toegekend voor zorg die vroeger dan dertig dagen voor de ontvangstdatum is verleend.]1
  
Art. 534/177. [1 Aucune intervention n'est octroyée pour des soins qui ont été dispensés plus de trente jours avant la date de réception.]1
  
Art. 534/178. [1 Als de zorgkas de aangevraagde tegemoetkoming weigert, is de ontvangstdatum van de aanvraag niet meer van toepassing, behalve in de gevallen waarin de aanvraag wordt geweigerd ten gevolge van een negatief resultaat van de controle, vermeld in artikel 534/181.]1
  
Art. 534/178. [1 Si la caisse d'assurance soins refuse l'intervention demandée, la date de réception de la demande n'est plus applicable, sauf dans les cas où la demande est refusée à la suite d'un résultat négatif du contrôle visé à l'article 534/181.]1
  
Art. 534/179. [1 Het initiatief van beschut wonen stelt samen met de gebruiker of zijn vertegenwoordiger de aanvraag van de tegemoetkoming voor zorg op. De aanvraag wordt opgemaakt aan de hand van het model van aanvraagformulier dat het agentschap bepaalt. Het aanvraagformulier bestaat uit al de volgende delen:
   1А deel 1 dat de administratieve informatie bevat. Die informatie wordt ingevuld door de verantwoordelijke van het initiatief van beschut wonen en bevat:
   a) de gegevens van het initiatief van beschut wonen;
   b) de periode waarin de zorg plaatsvindt;
   2А deel 2 dat het akkoord van de gebruiker met de vraag naar een tegemoetkoming voor zorg bevat in de vorm van een geïnformeerde toestemming. Dit deel wordt ondertekend en gedagtekend door de gebruiker of zijn wettelijke vertegenwoordiger;
   3А deel 3 dat een medisch verslag bevat. Dit deel wordt ingevuld en gedagtekend door de behandelende arts.
   Het initiatief van beschut wonen brengt de zorgkas op de hoogte van het ontslag van de gebruiker met een formulier waarvan het agentschap het model heeft bepaald.]1

  
Art. 534/179. [1 L'initiative d'habitation protégée rédige la demande d'intervention pour soins conjointement avec l'usager ou son représentant. La demande est établie au moyen du modèle de formulaire déterminé par l'agence. Le formulaire de demande comporte tous les volets suivants :
   1° le volet 1, qui contient les informations administratives. Ces informations sont remplies par le responsable de l'initiative d'habitation protégée et contient :
   a) les coordonnées de l'initiative d'habitation protégée ;
   b) la période pendant laquelle les soins sont dispensés ;
   2° le volet 2, qui contient l'accord de l'usager sur la demande d'intervention pour soins sous la forme d'un consentement éclairé. Ce volet est signé et daté par l'usager ou son représentant légal ;
   3° le volet 3, qui contient un rapport médical. Ce volet est complété et daté par le médecin traitant.
   L'initiative d'habitation protégée informe la caisse d'assurance soins de la sortie de l'usager au moyen d'un formulaire dont l'agence a déterminé le modèle.]1

  
Art. 534/180. [1 De aanvraag, vermeld in artikel 534/179, wordt ingediend via een digitale applicatie als vermeld in artikel 534/189.]1
  
Art. 534/180. [1 La demande visée à l'article 534/179 est introduite par le biais d'une application numérique telle que visée à l'article 534/189.]1
  
Art. 534/181. [1 De zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten, controleert al de volgende elementen:
   1А de verzekeringsstatus van de gebruiker;
   2А de naleving door de gebruiker van de regels voor de cumulatie, vermeld in artikel 534/173;
   3А de volledigheid van de meegedeelde gegevens.
   De zorgkas vraagt, als dat nodig is, ontbrekende informatie op bij de gebruiker of het initiatief van beschut wonen. Als de zorgkas ontbrekende informatie opvraagt bij het initiatief van beschut wonen, brengt ze de gebruiker daarvan gelijktijdig op de hoogte.
   Een positief resultaat van de controle, vermeld in het eerste lid, leidt tot de beslissing tot een volledige of gedeeltelijke goedkeuring van de aanvraag van de tegemoetkoming voor zorg.
   Een negatief resultaat van de controle, vermeld in het eerste lid, leidt tot de beslissing tot weigering van de aanvraag.
   Als uit de controle, vermeld in het eerste lid, 2А, blijkt dat de toepassingsvoorwaarden voor een verbod op cumulatie, vermeld in artikel 534/173, vervuld zijn, worden de tegemoetkomingen voor zorg die als laatste zijn aangevraagd, geweigerd.]1

  
Art. 534/181. [1 La caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié vérifie l'ensemble des éléments suivants :
   1° le statut d'assurance de l'usager ;
   2° le respect par l'usager des règles de cumul visées à l'article 534/173 ;
   3° l'exhaustivité des données communiquées.
   La caisse d'assurance soins réclame, au besoin, les informations manquantes auprès de l'usager ou de l'initiative d'habitation protégée. Si la caisse d'assurance soins réclame des informations manquantes auprès de l'initiative d'habitation protégée, elle en informe en même temps l'usager.
   Un résultat positif du contrôle visé à l'alinéa 1er débouche sur la décision d'approbation totale ou partielle de la demande d'intervention pour soins.
   Un résultat négatif du contrôle visé à l'alinéa 1er débouche sur la décision de refus de la demande.
   Si le contrôle visé à l'alinéa 1er, 2°, révèle que les conditions d'application pour une interdiction de cumul visées à l'article 534/173 sont remplies, les interventions pour soins qui ont été demandées en dernier lieu sont refusées.]1

  
Art. 534/182. [1 De zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten, bezorgt de beslissing tot volledige of gedeeltelijke goedkeuring of weigering van de aanvraag aan het initiatief van beschut wonen en de gebruiker binnen vijftien werkdagen na de ontvangstdatum.
   Als de zorgkas de beslissing tot volledige of gedeeltelijke goedkeuring of weigering van de aanvraag niet binnen vijftien werkdagen na de ontvangstdatum aan het initiatief van beschut wonen en de gebruiker bezorgt, wordt de aanvraag geacht te zijn goedgekeurd.
   Zodra de zorgkas vaststelt dat de gebruiker en het initiatief van beschut wonen niet binnen vijftien werkdagen na de ontvangstdatum een beslissing tot volledige of gedeeltelijke goedkeuring of weigering van de aanvraag hebben ontvangen, neemt ze alsnog een beslissing tot volledige of gedeeltelijke goedkeuring of weigering van de aanvraag en brengt ze de gebruiker en het initiatief van beschut wonen daarvan onmiddellijk op de hoogte.
   Als de zorgkas na vijftien werkdagen na de ontvangstdatum beslist om de aanvraag te weigeren, is ze verplicht de aanvraag goed te keuren als die betrekking heeft op zorg die op zijn vroegst dertig dagen voor de ontvangstdatum en uiterlijk tien werkdagen na de kennisgeving van de beslissing tot weigering plaatsvindt. De beslissing tot weigering kan op zijn vroegst tien werkdagen na de kennisgeving van de beslissing tot weigering ingaan.
   De beslissingstermijn van de zorgkas wordt geschorst als de zorgkas ontbrekende informatie opvraagt conform artikel 534/181, tweede lid. De termijn begint opnieuw te lopen op de werkdag na de dag waarop de zorgkas de bijkomende informatie heeft ontvangen.]1

  
Art. 534/182. [1 La caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié transmet la décision d'approbation totale ou partielle ou de refus de la demande à l'initiative d'habitation protégée et à l'usager dans les quinze jours ouvrables suivant la date de réception.
   Si la caisse d'assurance soins ne transmet pas la décision d'approbation totale ou partielle ou de refus de la demande dans les quinze jours ouvrables suivant la date de réception à l'initiative d'habitation protégée et à l'usager, la demande est réputée avoir été approuvée.
   Dès que la caisse d'assurance soins constate que l'usager et l'initiative d'habitation protégée n'ont pas reçu une décision d'approbation totale ou partielle ou de refus de la demande dans les quinze jours ouvrables suivant la date de réception, elle prend encore une décision d'approbation totale ou partielle ou de refus de la demande et en informe immédiatement l'usager et l'initiative d'habitation protégée.
   Si la caisse d'assurance soins décide de refuser la demande après quinze jours ouvrables suivant la date de réception, elle est tenue d'approuver la demande si elle concerne des soins dispensés au plus tôt trente jours avant la date de réception et au plus tard dix jours ouvrables après la notification de la décision de refus. La décision de refus peut prendre effet au plus tôt dix jours ouvrables après la notification de la décision de refus.
   Le délai de décision de la caisse d'assurance soins est suspendu si la caisse d'assurance soins réclame des informations manquantes conformément à l'article 534/181, alinéa 2. Le délai recommence à courir le jour ouvrable qui suit le jour de la réception des informations manquantes par la caisse d'assurance soins.]1

  
Art. 534/183. [1 Voor de initiatieven van beschut wonen worden de aanvragen alleen aan de Zorgkassencommissie bezorgd voor een eventuele a-posterioricontrole. Een a-posterioricontrole van de conformiteit van de medische gegevens, die worden beschreven in het gestandaardiseerde medische verslag, vermeld in artikel 534/179, eerste lid, 3А, is mogelijk. De minister kan de nadere regels voor de uitvoering van die controle bepalen.]1
  
Art. 534/183. [1 En ce qui concerne les initiatives d'habitation protégée, les demandes ne sont transmises à la Commission des caisses d'assurance soins qu'en vue d'un éventuel contrôle a posteriori. Un contrôle a posteriori de la conformité des données médicales décrites dans le rapport médical standardisé visé à l'article 534/179, alinéa 1er, 3°, est possible. Le ministre peut définir les modalités d'exécution de ce contrôle.]1
  
Art. 534/184. [1 De beslissing tot volledige of gedeeltelijke goedkeuring van de aanvraag van de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten, bevat al de volgende gegevens:
   1А de gegevens van het initiatief van beschut wonen;
   2А de gegevens over de periode waarvoor een tegemoetkoming voor zorg wordt toegekend.
   De zorgkas deelt de beslissing tot weigering van de aanvraag mee aan de gebruiker met een aangetekende zending of op om het even welke andere manier die toelaat de ontvangstdatum met zekerheid vast te stellen. Die kennisgeving bevat al de volgende elementen:
   1А de redenen van de weigering conform artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen;
   2А de beroepsmogelijkheden en de termijnen waarin beroep moet worden aangetekend.
   De zorgkas brengt het initiatief van beschut wonen op de hoogte van de beslissing tot volledige of gedeeltelijke goedkeuring of weigering via een digitale applicatie als vermeld in artikel 534/189.]1

  
Art. 534/184. [1 La décision d'approbation totale ou partielle de la demande de la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié contient toutes les données suivantes :
   1° les coordonnées de l'initiative d'habitation protégée ;
   2° les données relatives à la période pour laquelle une intervention pour soins est octroyée.
   La caisse d'assurance soins communique la décision de refus de la demande à l'usager par envoi recommandé ou de toute autre manière permettant d'établir la date de réception avec certitude. Cette notification contient tous les éléments suivants :
   1° les motifs du refus, conformément à l'article 2 de la loi du 29 juillet 1991 relative à la motivation formelle des actes administratifs ;
   2° les possibilités de recours et les délais dans lesquels le recours doit être formé.
   La caisse d'assurance soins informe l'initiative d'habitation protégée de la décision d'approbation totale ou partielle ou de refus par le biais d'une application numérique telle que visée à l'article 534/189.]1

  
Deel 4. [1Facturatie]1
Partie 4. [1 Facturation]1
Art. 534/185. [1 De tegemoetkoming voor zorg die aan de gebruiker is toegekend conform artikel 534/181, derde lid, en artikel 534/182, tweede lid, wordt via een trekkingsrecht van de gebruiker rechtstreeks uitbetaald aan het initiatief van beschut wonen door de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten.
   De zorgkas betaalt de tegemoetkoming voor zorg uiterlijk zes weken nadat ze de factuur ontvangen heeft. Bij laattijdige betaling is de zorgkas zonder ingebrekestelling een verwijlintrest verschuldigd voor het bedrag van de wettelijke intrestvoet in burgerlijke zaken op de datum waarop de betaaltermijn verstreek. De minister kan de modaliteiten van de betaling, vermeld in het tweede lid, bepalen.]1

  
Art. 534/185. [1 L'intervention pour soins qui a été octroyée à l'usager conformément à l'article 534/181, alinéa 3, et à l'article 534/182, alinéa 2, est versée directement à l'initiative d'habitation protégée par la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié, via un droit de tirage de l'usager.
   La caisse d'assurance soins paie l'intervention pour soins au plus tard six semaines après avoir reçu la facture. En cas de retard de paiement, la caisse d'assurance soins est redevable, sans mise en demeure, d'un intérêt de retard à concurrence du taux légal en matière civile à la date de l'expiration du délai de paiement. Le ministre peut arrêter les modalités du paiement visé à l'alinéa 2.]1

  
Art. 534/186. [1 § 1. De verantwoordelijke van het initiatief van beschut wonen valideert de facturen en stuurt ze elektronisch naar de zorgkassen.
   Bij de facturen voegt het initiatief van beschut wonen per gebruiker en per zorgkas de digitale individuele kostennota's voor de verleende zorg.
   De digitale individuele kostennota, vermeld in het tweede lid, bevat al de volgende rubrieken:
   1° de gegevens van de gebruiker;
   2° de gegevens van het initiatief van beschut wonen;
   3° de gegevens van de zorgkas;
   4° de gepresteerde verblijfsdagen, inclusief de datum waarop de verstrekkingen zijn gepresteerd;
   5° een overzicht van de opnemingsprijs;
   6° het totale verschuldigde nettobedrag dat de gebruiker of zijn vertegenwoordiger moet betalen;
   7° het bedrag van de tegemoetkoming voor zorg in de opnemingsprijs.
   De facturen en de individuele kostennota's, vermeld in het eerste tot en met het derde lid, worden opgesteld conform de modellen en de facturatie-instructies die het agentschap bepaalt.
   § 2. De facturen en individuele kostennota's worden ingediend via een digitale applicatie als vermeld in artikel 534/189. Als de facturen en individuele kostennota's via een digitale applicatie als vermeld in artikel 534/189, worden ingediend, voldoen ze aan de functionele vereisten en aan de vereisten van betrouwbaarheid en veiligheid conform de geldende privacyregels.
   § 3. De initiatieven van beschut wonen bezorgen de facturen en de individuele onkostennota's maandelijks per zorgkas, uiterlijk tot 24 maanden na de periode waarin of na de laatste dag waarop de zorg verstrekt is, met uitzondering van de gevallen waarin de verjaring wordt geschorst of gestuit. Het recht op het stuiten van de verjaring wordt aangetoond met een aangetekende brief die gericht is aan de zorgkas.]1

  [2 § 4. Een initiatief van beschut wonen dat, buiten haar eigen wil om, niet beschikt over een operationele digitale applicatie als vermeld in artikel 534/189, en om die reden geen facturen kan versturen conform paragraaf 1, eerste lid, en paragraaf 2, kan bij het agentschap een aanvraag tot afwijking indienen.
   Het initiatief van beschut wonen motiveert de afwijkingsaanvraag, vermeld in het eerste lid, en bezorgt ze schriftelijk aan het agentschap. Er wordt een verklaring op erewoord bijgevoegd dat het initiatief van beschut wonen de facturatie niet kan uitvoeren.
   Het agentschap kan bijkomende stukken opvragen ter verduidelijking van de afwijkingsaanvraag, vermeld in het eerste lid.
   Het agentschap beoordeelt de afwijkingsaanvraag, vermeld in het eerste lid, en brengt het initiatief van beschut wonen in kwestie op de hoogte van zijn beslissing over die aanvraag. Als er een afwijking wordt toegestaan, wordt ook vermeld voor welke periode die afwijking wordt toegestaan.
   Het initiatief van beschut wonen dient de facturen, vermeld in het eerste lid, chronologisch in via de digitale applicatie zodra de digitale applicatie operationeel is.
   In afwijking van paragraaf 1 en artikel 534/187 ontvangen de initiatieven van beschut wonen die beschikken over de goedkeuring, vermeld in het vierde lid, van de zorgkas een maandelijks voorschot.
   Het agentschap bepaalt per initiatief van beschut wonen het voorschot voor elke maand, vermeld in het zesde lid, dat het initiatief van beschut wonen per zorgkas ontvangt.
   Elke zorgkas verrekent de ontvangen individuele kostennota's die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, met de voorschotbedragen die aan het initiatief van beschut wonen betaald zijn.
   De eerste individuele kostennota na de volledige verrekening van het voorschotbedrag, die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, wordt door de zorgkas uitbetaald conform artikel 534/185.
   De zorgkas kan vanaf de zevende week na de week waarin de zorgkas het laatste voorschot heeft betaald, eventuele niet-verrekende voorschotten terugvorderen van de initiatieven van beschut wonen.
   Het agentschap is financieel verantwoordelijk voor de niet-verrekende voorschotten, vermeld in het tiende lid, die niet door de zorgkassen teruggevorderd kunnen worden bij het initiatief van beschut wonen.]2

  
Art. 534/186. [1 § 1er. Le responsable de l'initiative d'habitation protégée valide les factures et les envoie par voie électronique aux caisses d'assurance soins.
   L'initiative d'habitation protégée joint aux factures, par usager et par caisse d'assurance soins, les notes de frais individuelles numériques pour les soins dispensés.
   La note de frais individuelle numérique visée à l'alinéa 2 contient toutes les rubriques suivantes :
   1° les coordonnées de l'usager ;
   2° les coordonnées de l'initiative d'habitation protégée ;
   3° les coordonnées de la caisse d'assurance soins ;
   4° les jours de séjour prestés, y compris la date à laquelle les prestations ont été effectuées ;
   5° un aperçu du prix d'hébergement ;
   6° le montant net total dû à payer par l'usager ou son représentant ;
   7° le montant de l'intervention pour soins dans le prix d'hébergement.
   Les factures et les notes de frais individuelles visées aux alinéas 1er à 3 sont établies conformément aux modèles et aux instructions de facturation déterminés par l'agence.
   § 2. Les factures et les notes de frais individuelles sont introduites par le biais d'une application numérique telle que visée à l'article 534/189. Lorsque les factures et les notes de frais individuelles sont introduites par le biais d'une application numérique telle que visée à l'article 534/189, elles satisfont aux exigences fonctionnelles et aux exigences de fiabilité et de sécurité conformément aux règles de protection de la vie privée en vigueur.
   § 3. Les initiatives d'habitation protégée transmettent les factures et les notes de frais individuelles mensuellement, par caisse d'assurance soins, au plus tard jusqu'à 24 mois suivant la période ou le dernier jour de prestation des soins, à l'exception des cas où la prescription est suspendue ou interrompue. Le droit d'interrompre la prescription est établi par lettre recommandée adressée à la caisse d'assurance soins.]1

  [2 § 4. Une initiative d'habitation protégée qui, pour des raisons indépendantes de sa volonté, ne dispose pas d'une application numérique opérationnelle telle que visée à l'article 534/189, et qui, pour cette raison, ne peut envoyer de factures conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er, et au paragraphe 2, peut introduire une demande de dérogation auprès de l'agence.
   L'initiative d'habitation protégée motive la demande de dérogation, visée à l'alinéa 1er, et la remet par écrit à l'agence. Une déclaration sur l'honneur, attestant que l'initiative d'habitation protégée ne peut effectuer la facturation, est jointe.
   L'agence peut demander des pièces supplémentaires afin de clarifier la demande de dérogation visée à l'alinéa 1er.
   L'agence évalue la demande de dérogation, visée à l'alinéa 1er, et informe l'initiative d'habitation protégée en question de sa décision quant à cette demande. Si une dérogation est accordée, la période pendant laquelle cette dérogation est accordée est également indiquée.
   L'initiative d'habitation protégée introduit les factures, visées à l'alinéa 1er, chronologiquement via l'application numérique dès que cette dernière est opérationnelle.
   Par dérogation au paragraphe 1er et à l'article 534/187, les initiatives d'habitation protégée qui disposent de l'approbation, visée à l'alinéa 4, reçoivent une avance mensuelle de la caisse d'assurance soins.
   L'agence détermine, pour chaque initiative d'habitation protégée, l'avance pour chaque mois, visée à l'alinéa 6, que l'initiative d'habitation protégée reçoit par caisse d'assurance soins.
   Chaque caisse d'assurance soins impute les montants d'avance qui ont été versés à l'initiative d'habitation protégée sur les notes de frais individuelles qui satisfont aux conditions énoncées au paragraphe 1er.
   La première note de frais individuelle intervenant après imputation intégrale du montant d'avance, qui satisfait aux conditions visées au paragraphe 1er, est payée par la caisse d'assurance soins conformément à l'article 534/185.
   A partir de la septième semaine suivant celle au cours de laquelle elle a versé la dernière avance, la caisse d'assurance soins peut récupérer les éventuelles avances non imputées auprès des initiatives d'habitation protégée.
   L'agence est financièrement responsable des avances non imputées visées à l'alinéa 10 que les caisses d'assurance soins ne peuvent pas récupérer auprès de l'initiative d'habitation protégée.]2

  
Art. 534/187. [1 Het agentschap betaalt het initiatief van beschut wonen de financiële tegemoetkoming in het kader van de sociale akkoorden die gesloten zijn, en de compensatie van de financiële schade van laattijdige toekenningen.]1
  
Art. 534/187. [1 L'agence verse à l'initiative d'habitation protégée l'intervention financière dans le cadre des accords sociaux conclus et la compensation du préjudice financier d'octrois tardifs.]1
  
Art. 534/188. [1 De initiatieven van beschut wonen maken op het einde van elke maand per gebruiker een gebruikersfactuur op.
   Een exemplaar van de gebruikersfactuur wordt bezorgd aan de gebruiker of elke natuurlijke of rechtspersoon die volledig of gedeeltelijk belast is met de betaling van de gebruikersfactuur. De gebruikersfactuur mag elektronisch naar de gebruiker verstuurd worden als die daar expliciet voor gekozen heeft. Als supplementen op basis van een contractuele of wettelijke bepaling rechtstreeks ten laste worden genomen door een derde, worden die op de gebruikersfactuur vermeld. Het initiatief van beschut wonen vermeldt onderaan op de gebruikersfactuur dat het bedrag ten laste van de gebruiker door het initiatief van beschut wonen rechtstreeks aan die derde gefactureerd wordt.]1

  
Art. 534/188. [1 A la fin de chaque mois, les initiatives d'habitation protégée établissent une facture usager par usager.
   Un exemplaire de la facture usager est transmis à l'usager ou à toute personne physique ou morale entièrement ou partiellement chargée du paiement de la facture usager. La facture usager peut être envoyée à l'usager par voie électronique s'il a explicitement opté pour ce mode. Si des suppléments sont directement pris en charge par un tiers en vertu d'une disposition contractuelle ou légale, ils figurent sur la facture usager. L'initiative d'habitation protégée mentionne au bas de la facture usager que le montant à charge de l'usager est directement facturé par l'initiative d'habitation protégée à ce tiers.]1

  
Deel 5. [1 Software]1
Partie 5. [1 Logiciels]1
Art.534/189.[1 [1 §]1 1. De digitale applicatie, vermeld in artikel 534/174, eerste lid, artikel 534/176, artikel 534/180, 534/184, derde lid, en artikel 534/186, [1 §]1 2, voldoet aan de functionele en technische vereisten en de vereisten van betrouwbaarheid en veiligheid die de minister bepaalt, na advies van een groep van onafhankelijke experten.
   Het agentschap staat in voor de attestering van de digitale applicaties die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid.
   [1 §]1 2. Initiatieven van beschut wonen die geen digitale applicatie als vermeld in paragraaf 1, gebruiken, kunnen de aanvragen, vermeld in artikel 534/179, niet indienen bij de zorgkassen om tegemoetkomingen voor zorg te krijgen, en kunnen niet factureren aan de zorgkassen conform artikel 534/185.
   [1 §]1 3. Het agentschap en de betrokken beroepsorganisaties wijzen de experten,
   vermeld in paragraaf 1, aan. De minister kan nadere regels bepalen voor de samenstelling en de werking van de groep van onafhankelijke experten, vermeld in paragraaf 1.]1
  
Art. 534/189. [1 § 1er. L'application numérique mentionnée dans l'article 534/174, alinéa 1er, l'article 534/176, l'article 534/180, l'article 534/184, alinéa 3, et l'article 534/186, § 2, satisfait aux exigences fonctionnelles et techniques et aux exigences de fiabilité et de sécurité que le ministre définit sur avis d'un groupe d'experts indépendants.
   L'agence se charge de la certification des applications numériques qui satisfont aux conditions visées à l'alinéa 1er.
   § 2. Les initiatives d'habitation protégée qui n'utilisent pas d'application numérique telle que mentionnée dans le paragraphe 1er ne peuvent pas introduire les demandes visées à l'article 534/179 auprès des caisses d'assurance soins afin de recevoir des interventions pour soins et ne peuvent pas facturer aux caisses d'assurance soins conformément à l'article 534/185.
   § 3. L'agence et les organisations professionnelles concernées désignent les experts visés dans le paragraphe 1er.
   Le ministre peut préciser les modalités quant à la composition et au fonctionnement du groupe d'experts indépendants visé dans le paragraphe 1er.]1

  
Art.534/190.[1 [1 §]1 1. Zolang het uitgereikte attest geldig is, wordt de geattesteerde versie van de digitale applicatie en de evolutie ervan geacht te blijven voldoen aan de functionele en technische vereisten en aan de vereisten van betrouwbaarheid en veiligheid, vermeld in artikel 534/189, [1 §]1 1, eerste lid.
   [1 §]1 2. Een softwareontwikkelaar met een geattesteerde digitale applicatie implementeert alle wijzigingen van de functionele en technische vereisten en de vereisten van betrouwbaarheid en veiligheid, vermeld in artikel 534/189, [1 §]1 1, eerste lid, volgens het versiebeleid van het digitale platform Vlaamse sociale bescherming.
   Een softwareontwikkelaar die op eigen initiatief wijzigingen aanbrengt aan de geattesteerde digitale applicatie met een impact op de functionele en technische vereisten en de vereisten van betrouwbaarheid en veiligheid, vermeld in artikel 534/189, [1 §]1 1, eerste lid, brengt het agentschap daarvan op de hoogte. In die melding aan het agentschap geeft de softwareontwikkelaar een beschrijving van de wijzigingen aan de geattesteerde digitale applicatie.
   [1 §]1 3. Als er wijzigingen worden aangebracht aan de geattesteerde digitale applicatie conform paragraaf 2, die een impact hebben op de functionele en technische vereisten en de vereisten van betrouwbaarheid en veiligheid, vermeld in artikel 534/189, [1 §]1 1, eerste lid, kan het agentschap, na eensluidend advies van de groep van onafhankelijke experten, vermeld in artikel 534/189, [1 §]1 3, beslissen om bijkomende toelichtingen op te vragen bij de gemelde wijzigingen of om nieuwe testen op te leggen voor de digitale applicatie.
   [1 §]1 4. Als er aanwijzingen zijn dat een digitale applicatie niet meer voldoet aan de functionele vereisten en de vereisten van betrouwbaarheid en veiligheid, vermeld in artikel 534/189, [1 §]1 1, eerste lid, kan het agentschap, na eensluidend advies van de groep van onafhankelijke experten, vermeld in artikel 534/189, [1 §]1 3, beslissen om nieuwe testen te organiseren. Afhankelijk van het resultaat van de testen kan het agentschap, na eensluidend advies van de voormelde groep van onafhankelijke experten, beslissen om de attestering te bevestigen of in te trekken. ]1
  
Art. 534/190. [1 § 1er. Les développeurs de logiciels introduisent les demandes en vue de la certification visée à l'article 534/189, § 1er, alinéa 2, auprès de l'agence.
   La demande datée et signée est introduite au moyen d'un formulaire dont l'agence fixe le modèle.
   Le formulaire visé à l'alinéa 2 comprend les données suivantes :
   1° les données d'identification du demandeur ;
   2° la description des mesures de protection des données et de sécurité de l'information ;
   3° la description de la structure architecturale du logiciel ;
   4° les spécifications techniques qui permettent d'évaluer la possibilité de connexion à la plate-forme numérique de la protection sociale flamande.
   § 2. L'agence évalue la demande de certification visée dans le paragraphe 1er et statue sur l'approbation ou le refus de l'organisation du parcours de certification visé dans le paragraphe 4. L'agence peut solliciter l'avis du groupe d'experts indépendants visé à l'article 534/189, § 3, au sujet de la demande.
   L'agence communique sa décision d'approbation ou de refus de l'organisation du parcours de certification visé dans le paragraphe 4 au plus tard dans les trente jours à compter du jour où elle a reçu la demande de certification visée dans le paragraphe 1er.
   § 3. En cas de modifications de l'une des données énoncées dans le paragraphe 1er, alinéa 3, après la décision d'approbation de l'organisation du parcours de certification visé dans le paragraphe 4, cette décision d'approbation devient caduque de plein droit et le développeur de logiciels concerné introduit une nouvelle demande de certification.
   § 4. Après l'approbation de l'organisation du parcours de certification, le développeur de logiciels concerné peut introduire auprès de l'agence une demande en vue d'organiser des essais.
   Dans les nonante jours à compter du jour où l'agence a reçu la demande visée à l'alinéa 1er, le groupe d'experts indépendants visé à l'article 534/189, § 3, organise des essais consistant à vérifier si l'application numérique dont la certification a été demandée satisfait aux conditions visées à l'article 534/189, § 1er, alinéa 1er, et rédige un rapport d'essai.
   Le ministre peut préciser les modalités d'organisation des essais visés à l'alinéa 2.
   § 5. Le groupe d'experts indépendants visé à l'article 534/189, § 3, transmet le rapport d'essai visé dans le paragraphe 4, alinéa 2, accompagné d'un avis correspondant à l'agence dans les cent vingt jours à compter du jour où l'agence a reçu la demande d'organiser des essais conformément au paragraphe 4, alinéa 1er.
   L'agence certifie l'application numérique ou refuse la certification de l'application numérique et informe le demandeur de cette décision dans les quinze jours à compter du jour où elle a reçu l'avis du groupe d'experts indépendants visé à l'article 534/189, § 3, conformément à l'alinéa 1er.
   Les certificats octroyés conformément à l'alinéa 2 sont valables dix ans, sans préjudice de l'application de l'article 534/191.
   § 6. Les délais mentionnés dans le paragraphe 2, alinéa 2, dans le paragraphe 4, alinéa 2, et dans le paragraphe 5, alinéas 1er et 2, sont suspendus si l'agence ou le groupe d'experts indépendants visé à l'article 534/189, § 3, demande des informations complémentaires au développeur de logiciels concerné.
   Les délais visés à l'alinéa 1er continuent à courir à partir du lendemain du jour où l'agence ou le groupe d'experts indépendants visé à l'article 534/189, § 3, a reçu les informations complémentaires conformément à l'alinéa 1er.
   § 7. Les développeurs de logiciels qui mettent au point une application numérique peuvent toujours soumettre une nouvelle demande d'attestation à l'agence.]1

  
Art. 534/192. [1 De attesten die verleend zijn conform de bepalingen van dit deel, worden bekendgemaakt op de website van het agentschap met vermelding van de geldigheidstermijn ervan.]1
  
Art. 534/191. [1 § 1er. Tant que le certificat délivré est valable, la version certifiée de l'application numérique et son évolution sont réputées continuer à satisfaire aux exigences fonctionnelles et techniques et aux exigences de fiabilité et de sécurité visées à l'article 534/189, § 1er, alinéa 1er.
   § 2. Un développeur de logiciels disposant d'une application numérique certifiée met en oeuvre toutes les modifications des exigences fonctionnelles et techniques et des exigences de fiabilité et de sécurité visées à l'article 534/189, § 1er, alinéa 1er, selon la politique de gestion des versions de la plate-forme numérique de la protection sociale flamande.
   Un développeur de logiciels qui, de sa propre initiative, apporte à l'application numérique certifiée des modifications affectant les exigences fonctionnelles et techniques et les exigences de fiabilité et de sécurité visées à l'article 534/189, § 1er, alinéa 1er, en informe l'agence. Dans cette notification à l'agence, le développeur de logiciels décrit les modifications apportées à l'application numérique attestée.
   § 3. Si des modifications affectant les exigences fonctionnelles et techniques et les exigences de fiabilité et de sécurité visées à l'article 534/189, § 1er, alinéa 1er, sont apportées à l'application numérique certifiée conformément au paragraphe 2, l'agence peut décider, sur avis conforme du groupe d'experts indépendants visé à l'article 534/189, § 3, de demander des explications supplémentaires au sujet des modifications notifiées ou d'imposer de nouveaux essais de l'application numérique.
   § 4. S'il existe des éléments indiquant qu'une application numérique ne satisfait plus aux exigences fonctionnelles et aux exigences de fiabilité et de sécurité visées à l'article 534/189, § 1er, alinéa 1er, l'agence peut décider, sur avis conforme du groupe d'experts indépendants visé à l'article 534/189, § 3, d'organiser de nouveaux essais. En fonction des résultats des tests, l'agence peut décider de confirmer ou de retirer l'attestation après avoir reçu l'avis conforme du groupe d'experts indépendants susmentionné.]1

  
Boek 3/9. [1 Multidisciplinaire begeleidingsequipes voor palliatieve verzorging]1
Art. 534/192. [1 Les certificats délivrés conformément aux dispositions de la présente partie sont publiés sur le site web de l'agence en mentionnant leur délai de validité. ]1
Deel 1. [1 Financiering en tegemoetkoming]1
Livre 3/9. [1 Equipes d'accompagnement multidisciplinaires de soins palliatifs]1
TITEL 1. [1 Algemeen]1
Partie 1re. [1Financement et intervention]1
Art. 534/193. [1 Een multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging kan, voor iedere gebruiker voor wie ze een belangrijke rechtstreekse of onrechtstreekse bijdrage heeft geleverd in de palliatieve verzorging in het thuismilieu of in het thuisvervangende milieu, een eenmalig forfaitair bedrag aanrekenen aan de zorgkas van de gebruiker, als voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in artikel 534/204 tot en met 534/206.
TITRE 1er. [1 Généralités]1
Art. 534/194. [1 Het eenmalige forfaitaire bedrag, vermeld in artikel 534/193, kan maar één keer per palliatieve persoon worden aangerekend.
   Als een palliatieve persoon voor wie het eenmalige forfaitaire bedrag, vermeld in artikel 534/193, al is aangerekend, opnieuw behoefte aan palliatieve verzorging heeft, zorgt de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging die het eenmalige forfaitaire bedrag heeft aangerekend, ervoor dat de betrokken palliatieve persoon alsnog de noodzakelijke palliatieve verzorging krijgt. Ze kan zelf de palliatieve verzorging op zich nemen of afspraken daarover maken met een andere multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging. In dat laatste geval bezorgt de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging minstens 75% van het eenmalige forfaitaire bedrag, vermeld in artikel 534/193, aan de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging die de palliatieve verzorging op zich heeft genomen.]1

  
Art. 534/193. [1 Une équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs peut facturer, pour chaque usager pour lequel elle a fourni une contribution directe ou indirecte importante aux soins palliatifs dans le cadre familial ou le cadre familial de substitution, un montant forfaitaire unique à la caisse d'assurance soins de l'usager si les conditions visées aux articles 534/204 à 534/206 sont remplies.
   Ce montant forfaitaire unique couvre toutes les interventions directes et indirectes de l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs pour ces personnes en situation palliative ainsi que tous les frais de fonctionnement qui y sont directement ou indirectement liés. Il couvre également les activités générales de l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs qui sont sans rapport direct avec les soins palliatifs d'une personne en situation palliative déterminée.]1

  
Art. 534/195. [1 [1 §]1 1. Het maximale aantal gebruikers voor wie het eenmalige forfaitaire bedrag, vermeld in artikel 534/193, door de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging kan worden aangerekend per kalenderjaar, is afhankelijk van het aantal palliatieve personen dat de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging begeleidt.
   Als de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging zich ertoe verbindt om per kalenderjaar 100 palliatieve personen per 200.000 inwoners in haar werkgebied te begeleiden, wordt het maximale aantal gebruikers voor wie het forfait kan worden aangerekend, verkregen door het quotiыnt van de deling, waarbij het inwonersaantal van het werkgebied van de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging op het moment van het sluiten van de overeenkomst, vermeld in artikel 276 van het besluit van 7 december 2018, het deeltal is en de deler 200.000, te vermenigvuldigen met 100. Het resultaat van die berekening wordt afgerond tot een natuurlijk getal.
   Als de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging zich ertoe verbindt om per kalenderjaar 150 palliatieve personen per 200.000 inwoners in haar werkgebied te begeleiden, wordt het maximale aantal gebruikers voor wie het forfait kan worden aangerekend, verkregen door het quotiыnt van de deling, waarbij het inwonersaantal van het werkgebied van de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging op het moment van het sluiten van de overeenkomst, vermeld in artikel 276 van het besluit van 7 december 2018, het deeltal is en de deler 200.000, te vermenigvuldigen met 150. Het resultaat van die berekening wordt afgerond tot een natuurlijk getal.
   [1 §]1 2. Het cijfer van het aantal palliatieve personen voor wie het eenmalige forfaitaire bedrag kan worden aangerekend, dat berekend is conform paragraaf 1, wordt in de overeenkomst met de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging vermeld.
   [1 §]1 3. Voor de toepassing van dit artikel wordt bij de berekening van het aantal eenmalige forfaitaire bedragen dat de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging in het kalenderjaar in kwestie heeft aangerekend, rekening gehouden met de datum waarop de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging het eenmalige forfaitaire bedrag aanrekent aan de zorgkassen, en niet met de datums van de effectieve tussenkomsten van de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging of de effectieve datum van uitbetaling van het eenmalige forfaitaire bedrag door de zorgkas.
   [1 §]1 4. Als de overeenkomst met de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging maar voor een gedeelte van een bepaald kalenderjaar van kracht is, wordt het vastgestelde aantal gebruikers voor wie het eenmalige forfaitaire bedrag kan worden aangerekend, evenredig verminderd, rekening houdend met de toepassingstermijn van die overeenkomst in het kalenderjaar in kwestie.]1
  
Art. 534/194. [1 Le montant forfaitaire unique visé à l'article 534/193 ne peut être attesté qu'une seule fois par personne en situation palliative.
   Si une personne en situation palliative pour laquelle le montant forfaitaire unique visé à l'article 534/193 a déjà été attesté a de nouveau besoin de soins palliatifs, l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs qui a attesté ledit montant veille à ce que la personne en situation palliative concernée reçoive encore les soins palliatifs nécessaires. Elle peut assurer elle-même les soins palliatifs ou prendre des arrangements à ce sujet avec une autre équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs. Dans ce dernier cas, l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs transmet 75 % au moins du montant forfaitaire unique visé à l'article 534/193 à l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs qui a pris les soins palliatifs en charge.]1

  
Art. 534/196. [1 Als de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging in een bepaald jaar voor meer gebruikers een wezenlijke bijdrage heeft geleverd in het thuismilieu of in het thuisvervangende milieu dan het aantal gebruikers voor wie het eenmalige forfaitaire bedrag kan worden aangerekend conform artikel 534/195, kan de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging, per gebruiker, daarvoor een verminderd forfait aanrekenen aan de zorgkas van de gebruiker.
   Het verminderde forfait kan maar worden aangerekend voor maximaal de helft van het aantal gebruikers voor wie het eenmalige forfaitaire bedrag, conform artikel 534/195, kan worden aangerekend.
   Het verminderde forfait kan maar één keer per gebruiker worden aangerekend en kan niet worden aangerekend voor een gebruiker voor wie het eenmalige forfaitaire bedrag, vermeld in artikel 534/193, al is aangerekend.
   Het verminderde forfait dekt de bijkomende werkingskosten van de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging voor iedere bijkomende palliatieve persoon aan wie een wezenlijke bijdrage in de palliatieve verzorging is verleend. Dat verminderde forfait mag worden aangewend om een financiële reserve op te bouwen waarmee onverwachte uitgaven en eventuele financiële verliezen kunnen worden gedekt.]1

  
Art. 534/195. [1 § 1er. Le nombre maximal d'usagers pour lesquels l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs peut attester le montant forfaitaire unique visé à l'article 534/193 par année civile dépend du nombre de personnes en situation palliative que l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs accompagne.
   Si l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs s'engage à accompagner, par année civile, 100 personnes en situation palliative par tranche de 200.000 habitants dans sa zone d'action, le nombre maximal d'usagers pour lesquels le forfait peut être attesté est obtenu en multipliant par 100 le quotient de la division dont le dividende est le nombre d'habitants de la zone d'action de l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs au moment de la conclusion de la convention visée à l'article 276 de l'arrêté du 7 décembre 2018 et le diviseur, 200.000. Le résultat de ce calcul est arrondi à un entier naturel.
   Si l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs s'engage à accompagner, par année civile, 150 personnes en situation palliative par tranche de 200.000 habitants dans sa zone d'action, le nombre maximal d'usagers pour lesquels le forfait peut être attesté est obtenu en multipliant par 150 le quotient de la division dont le dividende est le nombre d'habitants de la zone d'action de l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs au moment de la conclusion de la convention visée à l'article 276 de l'arrêté du 7 décembre 2018 et le diviseur, 200.000. Le résultat de ce calcul est arrondi à un entier naturel.
   § 2. Le chiffre du nombre de personnes en situation palliative pour lesquelles le montant forfaitaire unique peut être attesté, qui est calculé conformément au paragraphe 1er, est mentionné dans la convention avec l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs.
   § 3. Aux fins de l'application du présent article, il est tenu compte, pour le calcul du nombre de montants forfaitaires uniques attestés par l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs durant l'année civile concernée, de la date à laquelle l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs facture le montant forfaitaire unique aux caisses d'assurance soins et non des dates des interventions effectives de l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs ou de la date effective de paiement du montant forfaitaire unique par la caisse d'assurance soins.
   § 4. Si la convention avec l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs n'est en vigueur que pour une partie d'une année civile donnée, le nombre fixé d'usagers pour lesquels le montant forfaitaire unique peut être attesté est diminué proportionnellement compte tenu du délai d'application de cette convention au cours de l'année civile concernée.]1

  
Art. 534/197. [1 De multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging mag voor haar tussenkomsten in de palliatieve verzorging geen enkele vergoeding aan de palliatieve persoon, zijn omgeving of aan om het even wie aanrekenen, ongeacht of de palliatieve persoon gebruiker is of niet. Ook mag de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging geen vergoeding aanrekenen aan de zorgaanbieders en de mantelzorgers aan wie ze advies heeft gegeven.]1
  
Art. 534/196. [1 Si, au cours d'une année déterminée, l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs a fourni une contribution essentielle dans le cadre familial ou le cadre familial de substitution pour un nombre d'usagers supérieur à celui pour lequel le montant forfaitaire unique peut être attesté conformément à l'article 534/195, l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs peut facturer pour cette contribution, par usager, un forfait réduit à la caisse d'assurance soins de l'usager.
   Le forfait réduit ne peut être porté en compte qu'à concurrence de la moitié, au maximum, du nombre d'usagers pour lesquels le montant forfaitaire unique peut être attesté conformément à l'article 534/195.
   Le forfait réduit ne peut être attesté qu'une seule fois par usager et ne peut pas être porté en compte pour un usager pour lequel le montant forfaitaire unique visé à l'article 534/193 a déjà été attesté.
   Le forfait réduit couvre les frais de fonctionnement supplémentaires de l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs pour chaque personne en situation palliative supplémentaire à laquelle une contribution essentielle aux soins palliatifs a été fournie. Ce forfait réduit peut être affecté à la constitution d'une réserve financière permettant de couvrir les dépenses inattendues et les éventuelles pertes financières.]1

  
TITEL 2. [1 Samenstelling en berekening van de vergoeding]1
Art. 534/197. [1 L'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs ne peut facturer aucune rémunération pour ses interventions dans les soins palliatifs à la personne en situation palliative, à son entourage ou à qui que ce soit, que la personne en situation palliative ait ou non la qualité d'usager. L'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs ne peut pas non plus facturer de rémunération aux prestataires de soins et aux intervenants de proximité auxquels elle a donné des avis.]1
Art. 534/198.[1 [1 §]1 1. Een multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging maakt een personeelskostendossier op voor alle personeelsleden.
TITRE 2. [1 Composition et calcul de l'indemnité]1
Art. 534/199. [1 Het eenmalige forfaitaire bedrag, vermeld in artikel 534/193, wordt verkregen door de som van de personeelskosten, berekend aan de hand van het personeelskostendossier, vermeld in artikel 534/198, en de werkingskosten te delen door het maximale aantal gebruikers voor wie de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging het eenmalige forfaitaire bedrag kan aanrekenen conform artikel 534/195.
   Het bedrag van de personeelskosten en de werkingskosten wordt per multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging nader geconcretiseerd in de overeenkomst met de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging.]1

  
Art. 534/198. [1 § 1er. Une équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs établit un dossier des frais de personnel pour tous les membres du personnel.
   § 2. Le dossier des frais de personnel contient, pour chaque membre du personnel dont les coûts salariaux peuvent être repris dans le calcul du montant forfaitaire unique conformément à l'article 534/200, les données et documents suivants :
   1° les nom et prénom du membre du personnel [2 et le numéro NISS]2;
   2° la fonction au sein de l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs ;
   3° une copie du diplôme ;
   4° le nombre d'heures d'occupation par semaine dans le cadre de l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs ;
   5° la date envisagée d'entrée en fonction d'un nouveau membre du personnel ;
   6° l'ancienneté salariale, exprimée en années et en mois, et ses justificatifs ;
   7° l'indication que l'intéressé a droit ou non à une allocation de foyer ou de résidence ;
   8° la distance (aller simple) du domicile jusqu'au siège central de l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs.
   En ce qui concerne le médecin généraliste, les données visées à l'alinéa 1er, 6°, sont remplacées par le nombre d'années de service au sein de l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs accompagné de l'indication de la date d'entrée en fonction auprès de l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs.
   § 3. Outre les données et documents mentionnés dans le paragraphe 2, le dossier des frais de personnel doit indiquer les frais suivants pour l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs :
   1° le coût de l'assurance obligatoire contre les accidents du travail pour le personnel ;
   2° le coût du secrétariat social ;
   3° le coût pour le service de médecine du travail auquel l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire peut faire appel le cas échéant.
   Le dossier des frais de personnel contient les justificatifs nécessaires des frais visés à l'alinéa 1er.
   § 4. Le dossier des frais de personnel contient les données, mentionnées dans le paragraphe 2, alinéa 1er, 1° à 8°, des membres du personnel de l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs dont les coûts salariaux n'ont pas été repris dans le calcul du montant forfaitaire unique.
   Les données visées à l'alinéa 1er sont clairement distinguées de celles mentionnées dans le paragraphe 2.
   § 5. Pour calculer la part des frais de personnel dans le montant forfaitaire unique visé à l'article 534/199, l'agence peut demander à l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs de transmettre un dossier des frais de personnel entièrement actualisé et documenté selon un modèle déterminé par l'agence.
   L'agence conserve le dossier des frais de personnel jusqu'à un an maximum après la réception d'un dossier des frais de personnel actualisé ou jusqu'à un an après la fin de la convention avec l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs]1

  
Art. 534/200. [1 [1 §]1 1. Het aantal voltijdsequivalenten van wie de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging de kosten als personeel in rekening mag brengen voor de berekening van het eenmalige forfaitaire bedrag, is afhankelijk van de keuze die de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging heeft gemaakt over het aantal palliatieve personen dat ze behandelt conform artikel 534/195.
   [1 §]1 2. Als de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging zich ertoe verbindt om elk kalenderjaar per 200.000 inwoners in haar werkgebied 100 palliatieve personen te begeleiden, kan ze 2,6 voltijdsequivalenten in rekening brengen per 200.000 inwoners in haar werkgebied.
   Als de berekening, vermeld in het eerste lid, tot minder dan 3,7 voltijdsequivalenten leidt, kan de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging, in afwijking van het eerste lid, toch 3,7 voltijdsequivalenten in rekening brengen.
   [1 §]1 3. Als de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging zich ertoe verbindt om elk kalenderjaar per 200.000 inwoners in haar werkgebied minstens 150 palliatieve personen te begeleiden, kan ze 2,85 voltijdsequivalenten in rekening brengen per 200.000 inwoners in haar werkgebied.
   Als de berekening, vermeld in het eerste lid, tot minder dan 3,9 voltijdsequivalenten leidt, kan de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging, in afwijking van het eerste lid, toch 3,9 voltijdsequivalenten in rekening brengen.
   [1 §]1 4. De multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging is verplicht om het aantal voltijdsequivalenten voor wie ze de personeelskosten in rekening brengt, conform paragraaf 2 en 3, volledig te vervullen.]1
  
Art. 534/199. [1 Le montant forfaitaire unique visé à l'article 534/193 est obtenu en divisant la somme des frais de personnel, calculés à l'aide du dossier des frais de personnel visé à l'article 534/198, et des frais de fonctionnement par le nombre maximal d'usagers pour lesquels l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs peut attester le montant forfaitaire unique conformément à l'article 534/195.
   Le montant des frais de personnel et des frais de fonctionnement est concrétisé par équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs dans la convention avec l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs.]1

  
Art. 534/201. [1 [1 §]1 1. Het aandeel van de personeelskosten in het eenmalige forfaitaire bedrag, vermeld in artikel 534/193, wordt aan de realiteit aangepast als de werkelijke personeelsuitgaven door de evolutie van de anciënniteit van het personeel, vermeld in artikel 534/200, of door wijzigingen in de samenstelling van het personeel, vermeld in artikel 534/200, op jaarbasis 2% hoger liggen dan de personeelskosten die als basis hebben gediend voor de berekening van het eenmalige forfaitaire bedrag.
   [1 §]1 2. Voor de aanpassing van het eenmalige forfaitaire bedrag, vermeld in paragraaf 1, bezorgt de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging of, in voorkomend geval, het palliatieve samenwerkingsverband dat optreedt in naam van een multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging, een volledig geactualiseerd en gedocumenteerd personeelskostendossier aan het agentschap. Dat personeelskostendossier beantwoordt aan de vereisten, vermeld in artikel 534/198.
   Als een personeelskostendossier niet beantwoordt aan de voorwaarden, vermeld in artikel 534/198, wordt het personeelskostendossier door het agentschap als onontvankelijk beschouwd. Binnen dertig dagen na de dag waarop het agentschap het personeelskostendossier heeft ontvangen, deelt het agentschap de onontvankelijkheid mee aan de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging of, in voorkomend geval, aan het palliatieve samenwerkingsverband.
   [1 §]1 3. De minister neemt een beslissing tot de vaststelling van de aanpassing van het eenmalige forfaitaire bedrag, vermeld in paragraaf 1. Het agentschap communiceert de beslissing van de minister aan de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging en, in voorkomend geval, aan het palliatieve samenwerkingsverband dat optreedt in naam van de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging. Het aangepaste eenmalige forfaitaire bedrag wordt van kracht de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de minister zijn beslissing neemt en uiterlijk op de eerste dag van de vierde maand die volgt op de maand waarin het agentschap een ontvankelijk personeelskostendossier als vermeld in paragraaf 2, heeft ontvangen.
   Als het agentschap de termijn, vermeld in het eerste lid, niet naleeft, ontvangt de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging een financiële vergoeding ter compensatie van de financiële schade die de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging heeft geleden ingevolge de laattijdige toekenning.
   [1 §]1 4. Een aanpassing als vermeld in paragraaf 1, kan niet gevraagd worden gedurende het eerste loopjaar van de overeenkomst, vermeld in artikel 276 van het besluit van 7 december 2018, of binnen een jaar nadat een nieuw berekend forfaitair bedrag als vermeld in paragraaf 3 of artikel 534/202, derde lid, van toepassing is geworden.]1
  
Art. 534/200. [1 § 1er. Le nombre d'équivalents temps plein dont l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs peut prendre les frais en compte comme personnel pour le calcul du montant forfaitaire unique dépend du choix qu'a fait l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs concernant le nombre de personnes en situation palliative qu'elle traite conformément à l'article 534/195.
   § 2. Si l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs s'engage à accompagner, chaque année civile, 100 personnes en situation palliative par tranche de 200.000 habitants dans sa zone d'action, elle peut prendre en compte 2,6 équivalents temps plein par 200.000 habitants dans sa zone d'action.
   Si le calcul visé à l'alinéa 1er débouche sur moins de 3,7 équivalents temps plein, l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs peut tout de même, par dérogation à l'alinéa 1er, prendre en compte 3,7 équivalents temps plein.
   § 3. Si l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs s'engage à accompagner, chaque année civile, 150 personnes en situation palliative par tranche de 200.000 habitants dans sa zone d'action, elle peut prendre en compte 2,85 équivalents temps plein par 200.000 habitants dans sa zone d'action.
   Si le calcul visé à l'alinéa 1er débouche sur moins de 3,9 équivalents temps plein, l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs peut tout de même, par dérogation à l'alinéa 1er, prendre en compte 3,9 équivalents temps plein.
   § 4. L'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs est tenue de pourvoir entièrement au nombre d'équivalents temps plein pour lesquels elle prend les frais de personnel en compte, conformément aux paragraphes 2 et 3.]1

  
Art. 534/202. [1 Als het aandeel van de personeelskosten in het eenmalige forfaitaire bedrag, vermeld in artikel 534/193, ten gevolge van een wijziging in de samenstelling van het personeel op jaarbasis 2% lager ligt dan de personeelskosten die als basis hebben gediend voor de berekening van het eenmalige forfaitaire bedrag, wordt het eenmalige forfaitaire bedrag herberekend.
   Het agentschap brengt de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging of, in voorkomend geval, het palliatieve samenwerkingsverband dat optreedt in naam van zijn multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging, op de hoogte van de herberekening en vraagt de nodige gegevens op over het tewerkgestelde personeel om het eenmalige forfaitaire bedrag te kunnen herberekenen.
   De minister neemt een beslissing tot vaststelling van de aanpassing van het eenmalige forfaitaire bedrag, vermeld in het eerste lid. Het agentschap communiceert de beslissing van de minister aan de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging en, in voorkomend geval, aan het palliatieve samenwerkingsverband dat optreedt in naam van de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging. Het aangepaste eenmalige forfaitaire bedrag wordt van kracht op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de minister zijn beslissing neemt.]1

  
Art. 534/201. [1 § 1er. La part des frais de personnel dans le montant forfaitaire unique visé à l'article 534/193 est adaptée à la réalité si les dépenses réelles de personnel consécutives à l'évolution de l'ancienneté du personnel visé à l'article 534/200 ou à des modifications de la composition du personnel visé à l'article 534/200 sont supérieures de 2 %, sur une base annuelle, aux frais de personnel qui ont servi de base au calcul du montant forfaitaire unique.
   § 2. Pour l'adaptation du montant forfaitaire unique mentionnée dans le paragraphe 1er, l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs ou, le cas échéant, l'association de soins palliatifs qui agit au nom d'une équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs transmet à l'agence un dossier des frais de personnel entièrement actualisé et documenté. Ce dossier des frais de personnel répond aux exigences prescrites par l'article 534/198.
   Si un dossier des frais de personnel ne répond pas aux conditions visées à l'article 534/198, l'agence le considère comme irrecevable. Dans les trente jours à compter du jour où l'agence a reçu le dossier des frais de personnel, l'agence communique l'irrecevabilité à l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs ou, le cas échéant, à l'association de soins palliatifs.
   § 3. Le ministre prend une décision constatant l'adaptation du montant forfaitaire unique mentionnée dans le paragraphe 1er. L'agence communique la décision du ministre à l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs et, le cas échéant, à l'association de soins palliatifs qui agit au nom de l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs. Le montant forfaitaire unique adapté prend effet le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel le ministre prend sa décision et, au plus tard, le premier jour du quatrième mois qui suit celui au cours duquel l'agence a reçu un dossier des frais de personnel recevable tel que visé dans le paragraphe 2.
   Si l'agence ne respecte pas le délai visé à l'alinéa 1er, l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs reçoit une indemnité financière en compensation du préjudice financier qu'elle a subi par suite de l'octroi tardif.
   § 4. Une adaptation telle que visée dans le paragraphe 1er ne peut pas être demandée durant la première année de la convention visée à l'article 276 de l'arrêté du 7 décembre 2018 ou dans l'année qui suit l'entrée en application d'un montant forfaitaire recalculé tel que visé dans le paragraphe 3 ou l'article 534/202, alinéa 3.]1

  
Art. 534/203. [1 Het verminderde forfait, vermeld in artikel 534/196, dat de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging per gebruiker kan aanrekenen, wordt berekend aan de hand van de bijkomende werkingskosten van de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging, die worden geconcretiseerd in de overeenkomst, vermeld in artikel 276 van het besluit van 7 december 2018.]1
  
Art. 534/202. [1 Si, à la suite d'une modification de la composition du personnel, la part des frais de personnel dans le montant forfaitaire unique visé à l'article 534/193 est inférieure de 2 %, sur une base annuelle, aux frais de personnel qui ont servi de base au calcul du montant forfaitaire unique, le montant forfaitaire unique est recalculé.
   L'agence informe l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs ou, le cas échéant, l'association de soins palliatifs qui agit au nom de son équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs du recalcul et demande les données nécessaires relatives au personnel occupé afin de pouvoir recalculer le montant forfaitaire unique.
   Le ministre prend une décision constatant l'adaptation du montant forfaitaire unique mentionnée à l'alinéa 1er. L'agence communique la décision du ministre à l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs et, le cas échéant, à l'association de soins palliatifs qui agit au nom de l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs. Le montant forfaitaire unique adapté prend effet le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel le ministre prend sa décision.]1

  
TITEL 3. [1 Voorwaarden voor de tegemoetkoming]1
Art. 534/203. [1 Le forfait réduit visé à l'article 534/196 que l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs peut attester par usager est calculé sur la base des frais de fonctionnement supplémentaires de l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs, qui sont concrétisés dans la convention visée à l'article 276 de l'arrêté du 7 décembre 2018.]1
Art. 534/204.[1 [1 §]1 1. De samenstelling van het aantal voltijdsequivalenten dat de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging conform artikel 534/200, in rekening kan brengen voor de berekening van het eenmalige forfaitaire bedrag, voldoet minstens aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 2, 3 of 4.
TITRE 3. [1 Conditions d'intervention]1
Art. 534/205. [1 [1 §]1 1. Het eenmalige forfaitaire bedrag, vermeld in artikel 534/193, en het verminderde forfait, vermeld in artikel 534/196, zijn alleen verschuldigd als de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging een wezenlijke rechtstreekse of onrechtstreekse bijdrage aan de palliatieve verzorging van de gebruiker heeft geleverd.
   De indicatie of een multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging een wezenlijke bijdrage kan leveren aan de palliatieve verzorging van de palliatieve persoon wordt in overleg met de huisarts van de palliatieve persoon vastgesteld. De huisarts van de palliatieve persoon stelt daarvoor een attest op. Dat attest bevat de volgende gegevens:
   1А de voor- en achternaam en het RIZIV-nummer van de arts die het attest voorschrijft;
   2А de voor- en achternaam, het domicilieadres, de geboortedatum en het INSZ-nummer van de palliatieve persoon;
   3А de verklaring dat de palliatieve persoon verzorging nodig heeft waaraan de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging een wezenlijke bijdrage kan leveren;
   4А de handtekening en de datum van ondertekening van de attesterende arts.
   [1 §]1 2. Om van een wezenlijke bijdrage aan de palliatieve verzorging van een gebruiker in zijn thuismilieu of in zijn thuisvervangende milieu te kunnen spreken, moeten bovendien de volgende voorwaarden vervuld zijn:
   1А de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging heeft de betrokken zorgaanbieders van de eerste lijn en de omgeving van de gebruiker voldoende geяnformeerd over de telefonische permanentie, vermeld in artikel 312 van het besluit van 7 december 2018;
   2А de effectieve tussenkomst van de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging bij de palliatieve verzorging van de patiыnt voldoet aan minstens een van de volgende voorwaarden:
   a) een lid van de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging heeft een bezoek gebracht aan de palliatieve persoon in zijn thuismilieu of in zijn thuisvervangende milieu, dat minimaal twee uur heeft geduurd of heeft plaatsgevonden tussen 22 uur en 7 uur, op zaterdag, zondag of een wettelijke feestdag. Als niet aan die voorwaarde is voldaan, moeten verschillende bezoeken zijn gebracht, waarbij de totale duur van de bezoektijd minimaal vier uur bedraagt. De verplaatsingstijd mag niet worden meegerekend als bezoektijd;
   b) een lid van de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging heeft deelgenomen aan een vergadering die de verschillende personen die betrokken zijn bij de palliatieve zorgverlening, thuis of in het thuisvervangende milieu, van щщn patiыnt samenbracht. De vergadering had tot doel de palliatieve verzorging van die palliatieve persoon in zijn thuismilieu of in het thuisvervangende milieu praktisch te organiseren of bepaalde problemen die zich voordoen bij de palliatieve verzorging van die persoon, uit te diepen en er een oplossing voor te zoeken. Minstens de huisarts van de palliatieve persoon en de thuisverpleegkundigen nemen deel aan de vergadering;
   c) een lid van de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging heeft minimaal vier telefonische of persoonlijke contacten gehad met de zorgaanbieders van de eerste lijn die bij de palliatieve verzorging in het thuismilieu of in het thuisvervangende milieu betrokken zijn, met inbegrip van de huisarts van de palliatieve persoon. Minimaal twee van die contacten zijn tot stand gekomen op initiatief van de betrokken zorgaanbieders van de eerste lijn. Van ieder contact met de paramedici geeft de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging feedback aan de huisarts van de gebruiker.
   Het aandeel van de tussenkomsten, vermeld in het eerste lid, 2А, c), in het totaal van de tussenkomsten die de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging heeft aangerekend, mag nooit meer dan de helft bedragen.]1
Art. 534/204. [1 § 1er. La composition du nombre d'équivalents temps plein que l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs peut prendre en compte, conformément à l'article 534/200, pour le calcul du montant forfaitaire unique satisfait au moins aux conditions énoncées dans les paragraphes 2, 3 ou 4.
   § 2. Si l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs s'engage à accompagner, par année civile, 100 personnes en situation palliative comme visé à l'article 534/200, § 2, elle présente la composition suivante :
   1° un médecin généraliste, qui représente au minimum 3 % et au maximum 6 % de la composition réelle totale, avec un minimum de quatre heures par semaine ;
   2° des praticiens de l'art infirmier, qui représentent au minimum deux tiers de la composition réelle totale, avec un minimum de trois équivalents temps plein ;
   3° du personnel administratif, qui représente au minimum 10 % et au maximum 20 % de la composition réelle totale, avec un minimum de 0,5 équivalent temps plein.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, 2°, la composition du nombre d'équivalents temps plein que l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs peut prendre en compte pour le calcul du montant forfaitaire unique peut être inférieure à trois praticiens de l'art infirmier équivalents temps plein si, compte tenu de la part de non-praticiens de l'art infirmier dans la composition à la date d'entrée en vigueur du présent article, ce minimum conduit à un dépassement du nombre maximal d'équivalents temps plein qui peut être pris en compte pour le calcul du montant forfaitaire unique conformément à l'article 534/200, § 2.
   § 3. Par dérogation au paragraphe 2, pour une équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs dont l'effectif du personnel total comporte moins de 3,7 équivalents temps plein, la composition suivante suffit :
   1° un médecin généraliste qui travaille au moins 4 heures par semaine pour l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs, mais ne représente pas plus de 6 % de l'effectif réel de l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs ;
   2° au minimum trois équivalents temps plein qui sont praticiens de l'art infirmier ;
   3° au minimum 10 % et au maximum 20 % de l'effectif réel total de l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs se composent de personnel administratif.
   § 4. Si l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs choisit d'accompagner, par année civile, 150 personnes en situation palliative comme visé à l'article 534/200, § 3, elle présente la composition suivante :
   1° un médecin généraliste, qui représente au minimum 3 % et au maximum 5 % de la composition réelle totale, avec un minimum de quatre heures par semaine ;
   2° du personnel d'accompagnement non médical, qui représente au minimum 77 % de la composition réelle totale. Le personnel d'accompagnement non médical se compose de praticiens de l'art infirmier et des praticiens professionnels mentionnés dans le paragraphe 5, alinéa 1er. Les praticiens de l'art infirmier représentent au minimum 75 % du personnel d'accompagnement non médical, avec un minimum de 3,25 équivalents temps plein qui sont praticiens de l'art infirmier ;
   3° du personnel administratif, qui représente au minimum 8 % et au maximum 18 % de la composition réelle totale, avec un minimum de 0,5 équivalent temps plein.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, 2°, le personnel d'accompagnement non médical peut être composé de moins de 3,25 praticiens de l'art infirmier équivalents temps plein si, compte tenu de la part de non-praticiens de l'art infirmier dans la composition du nombre d'équivalents temps plein que l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs peut prendre en compte pour le calcul du montant forfaitaire unique à la date d'entrée en vigueur du présent article, ce minimum conduit à un dépassement du nombre maximal d'équivalents temps plein que l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs peut prendre en compte pour le calcul du montant forfaitaire unique conformément à l'article 534/200, § 3.
   § 5. Outre le personnel mentionné dans les paragraphes 2, 3 et 4, des psychologues, kinésithérapeutes, assistants sociaux et assistants en psychologie peuvent également faire partie du nombre maximal d'équivalents temps plein que l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs peut prendre en compte pour le calcul du montant forfaitaire unique.
   De même, le personnel ayant une autre formation de l'enseignement supérieur peut éventuellement en faire partie moyennant l'approbation explicite de l'agence et, le cas échéant, de la Commission d'experts.
   § 6. La composition du cadre du personnel de l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs, mentionnée dans les paragraphes 2, 3 et 4, figure dans la convention avec l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs.
   L'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs notifie à l'agence toute modification de la composition de l'effectif du personnel, mentionnée dans les paragraphes 2, 3 et 4, dans le mois qui suit la modification.]1

  
Art. 534/206. [1 De multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging leeft de vereisten na, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 13 januari 2006 betreffende de boekhouding en het financieel verslag voor de voorzieningen in bepaalde sectoren van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.]1
  
Art. 534/205. [1 § 1er. Le montant forfaitaire unique visé à l'article 534/193 et le forfait réduit visé à l'article 534/196 ne sont dus que si l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs a fourni une contribution essentielle directe ou indirecte aux soins palliatifs de l'usager.
   La question de savoir si une équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs peut fournir une contribution essentielle aux soins palliatifs de la personne en situation palliative est établie en concertation avec le médecin généraliste de la personne en situation palliative. A cet effet, le médecin généraliste de la personne en situation palliative établit une attestation. Cette attestation contient les données suivantes :
   1° les nom et prénom et le numéro INAMI du médecin qui prescrit l'attestation ;
   2° les nom et prénom, l'adresse du domicile, la date de naissance et le numéro NISS de la personne en situation palliative ;
   3° la déclaration selon laquelle la personne en situation palliative a besoin de soins auxquels l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs peut fournir une contribution essentielle ;
   4° la signature et la date de signature du médecin prescripteur.
   § 2. Pour pouvoir parler d'une contribution essentielle aux soins palliatifs d'un usager dans son cadre familial ou son cadre familial de substitution, les conditions suivantes doivent en outre être remplies :
   1° l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs a suffisamment informé les prestataires de soins de première ligne concernés et l'entourage de l'usager de la permanence téléphonique visée à l'article 312 de l'arrêté du 7 décembre 2018 ;
   2° l'intervention effective de l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs dans les soins palliatifs du patient répond au moins à l'une des conditions suivantes :
   a) un membre de l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs a rendu une visite à la personne en situation palliative dans son cadre familial ou son cadre familial de substitution, qui a duré au minimum deux heures ou a eu lieu entre 22 heures et 7 heures, un samedi, un dimanche ou un jour férié légal. Si cette condition n'est pas remplie, plusieurs visites doivent avoir été effectuées pour une durée totale de toutes les visites de quatre heures minimum. La durée de déplacement ne peut pas être comprise comme temps de visite ;
   b) un membre de l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs a participé à une réunion réunissant les différentes personnes concernées par les soins palliatifs au domicile ou dans le milieu substitutif du domicile d'un patient. Cette réunion avait pour objet d'organiser pratiquement les soins palliatifs dispensés à cette personne en situation palliative dans son cadre familial ou son cadre familial de substitution ou d'approfondir certains problèmes se posant au sujet des soins palliatifs dispensés à cette personne et d'y chercher une solution. Au minimum le médecin généraliste de la personne en situation palliative et les praticiens de l'art infirmier à domicile participent à cette réunion.
   c) un membre de l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs a eu au moins quatre contacts téléphoniques ou personnels avec les prestataires de soins de première ligne concernés par les soins palliatifs dans le cadre familial ou le cadre familial de substitution, y compris le médecin généraliste de la personne en situation palliative. Au moins deux de ces contacts ont eu lieu à l'initiative des prestataires de soins de première ligne concernés. L'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs donne au médecin généraliste de l'usager un feed-back au sujet de chaque contact avec les auxiliaires paramédicaux.
   La part des interventions visées à l'alinéa 1er, 2°, c), dans le total des interventions portées en compte par l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs ne peut jamais excéder la moitié.]1

  
TITEL 4. [1 Cumulatie van tegemoetkomingen]1
Art. 534/206. [1 L'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs respecte les exigences prévues par l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 janvier 2006 concernant la comptabilité et le rapport financier pour les structures dans certains secteurs du domaine politique Aide sociale, Santé publique et Famille.]1
Art. 534/207. [1 Een tegemoetkoming voor begeleiding door een multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging mag niet gecumuleerd worden met een tegemoetkoming voor begeleiding van een andere multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging of een tegemoetkoming voor een verblijf in een revalidatieziekenhuis tijdens dezelfde periode.
TITRE 4. [1 Cumul d'interventions]1
Deel 2. [1 Aanvraagprocedure]1
Art. 534/207. [1 Une intervention pour un accompagnement par une équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs ne peut pas être cumulée avec une intervention pour un accompagnement par une autre équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs ou une intervention pour un séjour dans un hôpital de revalidation durant la même période.
Art. 534/208. [1 In dit deel wordt verstaan onder:
Partie 2. [1 Procédure de demande]1
Art. 534/209. [1 Een tegemoetkoming voor begeleiding kan alleen worden toegekend als de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten, de aangevraagde tegemoetkoming heeft goedgekeurd.]1
  
Art. 534/208. [1 Dans la présente partie, on entend par :
   1° demande : la demande d'intervention pour un accompagnement ;
   2° date de réception : la date d'envoi de l'accusé de réception de la demande complète dans le cas d'une demande introduite par le biais d'une application numérique telle que visée à l'article 534/221. Si le numéro NISS de l'usager est inconnu, la date de réception est celle à laquelle la demande complète a été reçue. En cas d'expédition d'un envoi recommandé, il s'agit de la date de la poste de la lettre par laquelle la demande complète a été expédiée. Si la date de la poste fait défaut, c'est la date à laquelle la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié a reçu une demande complète.
   La caisse d'assurance soins considère une demande comme complète si les éléments mentionnés dans l'article 534/212, 1° et 2°, ont été introduits auprès de la caisse d'assurance soins.]1

  
Art. 534/210. [1 De multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging waartoe de gebruiker zich wendt, verstuurt de aanvraag naar de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten, voordat de verstrekkingen worden verleend.
   De multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging stelt de overeenkomst, vermeld in artikel 276 van het besluit van 7 december 2018, ter beschikking van de gebruiker of zijn wettelijke vertegenwoordiger voordat de aanvraag wordt ingediend.
   Elke aanvraag wordt rechtstreeks gericht aan één centraal contactpunt, dat de zorgkas in kwestie bepaalt.]1

  
Art. 534/209. [1 Une intervention pour un accompagnement ne peut être octroyée que si la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié a approuvé l'intervention demandée.]1
  
Art. 534/211. [1 Als de zorgkas de aangevraagde tegemoetkoming weigert, is de ontvangstdatum van de aanvraag niet meer van toepassing, behalve in de gevallen waarin de aanvraag wordt geweigerd door een negatief resultaat van de controle, vermeld in artikel 534/214.]1
  
Art. 534/210. [1 L'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs à laquelle l'usager s'adresse envoie la demande à la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié avant que les prestations ne soient dispensées.
   L'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs met la convention visée à l'article 276 de l'arrêté du 7 décembre 2018 à la disposition de l'usager ou de son représentant légal avant d'introduire la demande.
   Toute demande est adressée directement à un point de contact central et unique déterminé par la caisse d'assurance soins concernée.]1

  
Art. 534/212. [1 De multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging stelt de aanvraag op. De aanvraag wordt opgemaakt volgens een model dat het agentschap bepaalt. Het aanvraagformulier bestaat uit de volgende delen:
   1А deel 1 dat de administratieve informatie bevat. Die informatie wordt ingevuld door de verantwoordelijke van de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging en bestaat uit een document dat al de volgende informatie bevat:
   a) de gegevens van de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging;
   b) de startdatum waarop de begeleiding plaatsvindt;
   2А deel 2 dat een medisch verslag bevat. Dit deel wordt ingevuld en gedagtekend door een behandelende arts van de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging.]1

  
Art. 534/211. [1 Si la caisse d'assurance soins refuse l'intervention demandée, la date de réception de la demande n'est plus applicable, sauf dans les cas où la demande est refusée en raison d'un résultat négatif du contrôle visé à l'article 534/214.]1
  
Art. 534/213. [1 Deel 1 en 2 van de aanvraag, vermeld in artikel 534/212, 1А en 2А, worden ingediend via een digitale applicatie als vermeld in artikel 534/221.
   Als het INSZ-nummer van de gebruiker bij de aanvang van de begeleiding niet bekend is, wordt de aanvraag via elke andere weg aan de zorgkas bezorgd en wordt de aanvraag via een digitale applicatie ingediend zodra de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging over het INSZ-nummer van de gebruiker beschikt.]1

  
Art. 534/212. [1 L'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs rédige la demande. La demande est établie selon un modèle déterminé par l'agence. Le formulaire de demande comporte les volets suivants :
   1° le volet 1, qui contient les informations administratives. Ces informations sont remplies par le responsable de l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs et consistent en un document qui contient les informations suivantes :
   a) les coordonnées de l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs ;
   b) la date de début de l'accompagnement ;
   2° le volet 2, qui contient un rapport médical. Ce volet est complété et daté par le médecin traitant de l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs.]1

  
Art. 534/214. [1 De zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten, controleert al de volgende elementen:
   1А de verzekeringsstatus van de gebruiker;
   2А de naleving door de gebruiker van de regels over de cumulatie, vermeld in artikel 534/207;
   3А de volledigheid van de meegedeelde gegevens.
   De zorgkas vraagt, als dat nodig is, ontbrekende informatie op bij de gebruiker of bij de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging. Als de zorgkas ontbrekende informatie opvraagt bij de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging, brengt ze de gebruiker of zijn wettelijke vertegenwoordiger daarvan gelijktijdig op de hoogte.
   Een positief resultaat van de controle, vermeld in het eerste lid, leidt tot de beslissing tot volledige goedkeuring van de aanvraag van de tegemoetkoming voor de begeleiding.
   Een negatief resultaat van de controle, vermeld in het eerste lid, leidt tot de beslissing tot weigering van de aanvraag.
   Als uit de controle, vermeld in het eerste lid, 2А, blijkt dat de toepassingsvoorwaarden voor een verbod op cumulatie, vermeld in artikel 534/207, eerste lid, vervuld zijn, wordt de tegemoetkoming voor de begeleiding die als laatste werd aangevraagd geweigerd.]1

  
Art. 534/213. [1 Les volets 1 et 2 de la demande, mentionnés dans l'article 534/212, 1° en 2°, sont introduits par le biais d'une application numérique telle que visée à l'article 534/221.
   Si le numéro NISS de l'usager est inconnu au début de l'accompagnement, la demande est transmise à la caisse d'assurance soins par toute autre voie et la demande est introduite par le biais d'une application numérique dès que l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs dispose du numéro NISS de l'usager.]1

  
Art. 534/215. [1 De zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten, bezorgt de beslissing tot goedkeuring of weigering van de aanvraag aan de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging binnen vijftien werkdagen na de ontvangstdatum.
   Als de zorgkas de beslissing tot goedkeuring of weigering van de aanvraag niet binnen vijftien werkdagen na de ontvangstdatum aan de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging bezorgt, wordt de aanvraag geacht te zijn goedgekeurd.
   Zodra de zorgkas vaststelt dat de gebruiker en de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging niet binnen vijftien werkdagen na de ontvangstdatum een beslissing tot goedkeuring of weigering van de aanvraag hebben ontvangen, neemt ze alsnog een beslissing tot goedkeuring of tot weigering van de aanvraag en brengt ze de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging daarvan onmiddellijk op de hoogte.
   De beslissingstermijn van de zorgkas wordt geschorst als de zorgkas ontbrekende informatie opvraagt conform artikel 534/214, tweede lid. De termijn begint opnieuw te lopen op de werkdag na de dag waarop de zorgkas de voormelde bijkomende informatie heeft ontvangen.]1

  
Art. 534/214. [1 La caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié vérifie l'ensemble des éléments suivants :
   1° le statut d'assurance de l'usager ;
   2° le respect par l'usager des règles de cumul visées à l'article 534/207 ;
   3° l'exhaustivité des données communiquées.
   La caisse d'assurance soins réclame, au besoin, les informations manquantes auprès de l'usager ou de l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs. Si la caisse d'assurance soins réclame des informations manquantes auprès de l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs, elle en informe en même temps l'usager ou son représentant légal.
   Un résultat positif du contrôle visé à l'alinéa 1er débouche sur la décision d'approbation totale de la demande d'intervention pour l'accompagnement.
   Un résultat négatif du contrôle visé à l'alinéa 1er débouche sur la décision de refus de la demande.
   Si le contrôle visé à l'alinéa 1er, 2°, révèle que les conditions d'application pour une interdiction de cumul visées à l'article 534/207, alinéa 1er, sont remplies, l'intervention pour l'accompagnement demandée en dernier lieu est refusée.]1

  
Art. 534/216. [1 Voor de multidisciplinaire begeleidingsequipes voor palliatieve verzorging worden de aanvragen alleen aan de Zorgkassencommissie bezorgd voor een eventuele a-posterioricontrole. Een a-posterioricontrole van de conformiteit van de medische gegevens, die worden beschreven in het gestandaardiseerde medische verslag, vermeld in artikel 534/212, 2А, is mogelijk. De minister kan de nadere regels voor de uitvoering van die controle bepalen.]1
  
Art. 534/215. [1 La caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié transmet la décision d'approbation ou de refus de la demande à l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs dans les quinze jours ouvrables suivant la date de réception.
   Si la caisse d'assurance soins ne transmet pas la décision d'approbation ou de refus de la demande dans les quinze jours ouvrables suivant la date de réception à l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs, la demande est réputée avoir été approuvée.
   Dès que la caisse d'assurance soins constate que l'usager et l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs n'ont pas reçu une décision d'approbation ou de refus de la demande dans les quinze jours ouvrables suivant la date de réception, elle prend encore une décision d'approbation ou de refus de la demande et en informe immédiatement l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs.
   Le délai de décision de la caisse d'assurance soins est suspendu si la caisse d'assurance soins réclame des informations manquantes conformément à l'article 534/214, alinéa 2. Le délai recommence à courir le jour ouvrable qui suit le jour de la réception des informations manquantes précitées par la caisse d'assurance soins.]1

  
Art. 534/217. [1 De beslissing tot volledige goedkeuring van de aanvraag van de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten, bevat de volgende gegevens:
   1А de gegevens van de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging;
   2А de gegevens over de periode waarin de begeleiding, waarvoor een tegemoetkoming wordt toegekend, wordt verleend.
   De multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging brengt de gebruiker of zijn wettelijke vertegenwoordiger op de hoogte van de voormelde beslissing.
   De zorgkas brengt de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging op de hoogte van de beslissing tot goedkeuring of weigering via een digitale applicatie als vermeld in artikel 534/221.]1

  
Art. 534/216. [1 En ce qui concerne les équipes d'accompagnement multidisciplinaires de soins palliatifs, les demandes ne sont transmises à la Commission des caisses d'assurance soins qu'en vue d'un éventuel contrôle a posteriori. Un contrôle a posteriori de la conformité des données médicales décrites dans le rapport médical standardisé visé à l'article 534/212, 2°, est possible. Le ministre peut définir les modalités d'exécution de ce contrôle.]1
  
Deel 3. [1 Facturatie]1
Art. 534/217. [1 La décision d'approbation totale de la demande de la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié contient les données suivantes :
Art. 534/218. [1 De tegemoetkoming voor begeleiding die aan de gebruiker is toegekend conform de bepalingen van dit besluit, wordt via een trekkingsrecht van de gebruiker rechtstreeks uitbetaald aan de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging door de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten.
Partie 3. [1 Facturation]1
Art. 534/219. [1 [1 §]1 1. De verantwoordelijke van de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging valideert de facturen en stuurt ze elektronisch naar de zorgkassen via een digitale applicatie als vermeld in artikel 534/221.
   Bij de facturen voegt de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging per gebruiker en per zorgkas de digitale individuele kostennota's voor de verleende zorg.
   De digitale individuele kostennota bevat al de volgende rubrieken:
   1А de gegevens van de gebruiker;
   2А de gegevens van de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging;
   3А de gegevens van de zorgkas;
   4А het eenmalige forfaitaire bedrag, inclusief de datum waarop het forfaitaire bedrag betrekking heeft;
   5А een overzicht van de prijs van het eenmalige forfaitaire bedrag;
   De facturen en de individuele kostennota's worden opgesteld conform de modellen en de facturatie-instructies die het agentschap bepaalt.
   [1 §]1 2. De facturen en individuele kostennota's worden ingediend via een digitale applicatie als vermeld in artikel 534/221. Door de indiening van de facturen en individuele kostennota's via een digitale applicatie als vermeld in artikel 534/221, voldoen ze aan de functionele en technische vereisten en aan de vereisten van betrouwbaarheid en veiligheid conform de geldende privacyregels.
   [1 §]1 3. De multidisciplinaire begeleidingsequipes voor palliatieve verzorging bezorgen de facturen uiterlijk twee maanden na het overlijden van de gebruiker. Het recht op stuiten van de verjaring wordt aangetoond met een aangetekende brief die gericht is aan de zorgkas.]1
  [2 § 4. Een multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging die, buiten haar eigen wil om, niet beschikt over een operationele digitale applicatie als vermeld in artikel 534/221, en om die reden geen facturen kan versturen conform paragraaf 1, eerste lid, en paragraaf 2, kan bij het agentschap een aanvraag tot afwijking indienen.
   De multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging motiveert de afwijkingsaanvraag, vermeld in het eerste lid, en bezorgt ze schriftelijk aan het agentschap. Er wordt een verklaring op erewoord bijgevoegd dat de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging de facturatie niet kan uitvoeren.
   Het agentschap kan bijkomende stukken opvragen ter verduidelijking van de afwijkingsaanvraag, vermeld in het eerste lid.
   Het agentschap beoordeelt de afwijkingsaanvraag, vermeld in het eerste lid, en brengt de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging in kwestie op de hoogte van zijn beslissing over die aanvraag. Als er een afwijking wordt toegestaan, wordt ook vermeld voor welke periode die afwijking wordt toegestaan.
   De multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging dient de facturen, vermeld in het eerste lid, chronologisch in via de digitale applicatie zodra de digitale applicatie operationeel is.
   In afwijking van paragraaf 1 en artikel 534/220 ontvangen de [3 multidisciplinaire begeleidingsequipes voor palliatieve verzorging]3 die beschikken over de goedkeuring, vermeld in het vierde lid, van de zorgkas een maandelijks voorschot.
   Het agentschap bepaalt per multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging het voorschot voor elke maand, vermeld in het zesde lid, dat de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging per zorgkas ontvangt.
   Elke zorgkas verrekent de ontvangen individuele kostennota's die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, met de voorschotbedragen die aan de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging betaald zijn.
   De eerste individuele kostennota na de volledige verrekening van het voorschotbedrag, die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, wordt door de zorgkas uitbetaald conform artikel 534/218.
   De zorgkas kan vanaf de zevende week na de week waarin de zorgkas het laatste voorschot heeft betaald eventuele niet-verrekende voorschotten terugvorderen van de multidisciplinaire begeleidingsequipes voor palliatieve verzorging.
   Het agentschap is financieel verantwoordelijk voor de niet-verrekende voorschotten, vermeld in het tiende lid, die niet door de zorgkassen teruggevorderd kunnen worden bij de multidisciplinaire begeleidingsequipe voor palliatieve verzorging.]2

  
Art. 534/218. [1 L'intervention pour un accompagnement qui a été octroyée à l'usager conformément aux dispositions du présent arrêté est versée directement à l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs par la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié, via un droit de tirage de l'usager.
   La caisse d'assurance soins paie l'intervention pour un accompagnement au plus tard six semaines après avoir reçu la facture. En cas de retard de paiement, la caisse d'assurance soins est redevable, sans mise en demeure, d'un intérêt de retard à concurrence du taux légal en matière civile à la date de l'expiration du délai de paiement.
   La caisse d'assurance soins réclame, au besoin, les informations manquantes auprès de l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs. Si la caisse d'assurance soins réclame des informations manquantes, le délai visé à l'alinéa 2 est suspendu. Le délai recommence à courir le jour ouvrable qui suit le jour de la réception des informations manquantes précitées par la caisse d'assurance soins.
   Le ministre peut arrêter les modalités du paiement visé à l'alinéa 1er.]1

  
Art. 534/220. [1 Het agentschap betaalt de multidisciplinaire begeleidingsequipes voor palliatieve verzorging de financiële tegemoetkoming in het kader van de sociale akkoorden die gesloten zijn, en de compensatie van de financiële schade van laattijdige toekenningen in het kader van die sociale akkoorden.]1
  
Art. 534/219. [1 § 1er. Le responsable de l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs valide les factures et les envoie par voie électronique aux caisses d'assurance soins par le biais d'une application numérique telle que visée à l'article 534/221.
   L'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs joint aux factures, par usager et par caisse d'assurance soins, les notes de frais individuelles numériques pour les soins dispensés.
   La note individuelle de frais numérique contient toutes les rubriques suivantes :
   1° les coordonnées de l'usager ;
   2° les coordonnées de l'équipe d'accompagnement multidisciplinaire de soins palliatifs ;
   3° les coordonnées de la caisse d'assurance soins ;
   4° le montant forfaitaire unique, y compris la date à laquelle le montant forfaitaire se rapporte ;
   5° un aperçu du prix du montant forfaitaire unique ;
   Les factures et les notes de frais individuelles sont établies conformément aux modèles et aux instructions de facturation déterminés par l'agence.
   § 2. Les factures et les notes de frais individuelles sont introduites par le biais d'une application numérique telle que visée à l'article 534/221. Lorsque les factures et notes de frais individuelles sont introduites par le biais d'une application numérique telle que visée à l'article 534/221, elles satisfont aux exigences fonctionnelles et techniques et aux exigences de fiabilité et de sécurité conformément aux règles de protection de la vie privée en vigueur.
   § 3. Les équipes d'accompagnement multidisciplinaires de soins palliatifs transmettent les factures au plus tard deux mois après le décès de l'usager. Le droit d'interrompre la prescription est établi par lettre recommandée adressée à la caisse d'assurance soins.]1

  [2 § 4. Une initiative d'habitation protégée qui, pour des raisons indépendantes de sa volonté, ne dispose pas d'une application numérique opérationnelle telle que visée à l'article 534/189, et qui, pour cette raison, ne peut envoyer de factures conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er, et au paragraphe 2, peut introduire une demande de dérogation auprès de l'agence.
   L'initiative d'habitation protégée motive la demande de dérogation, visée à l'alinéa 1er, et la remet par écrit à l'agence. Une déclaration sur l'honneur, attestant que l'initiative d'habitation protégée ne peut effectuer la facturation, est jointe.
   L'agence peut demander des pièces supplémentaires afin de clarifier la demande de dérogation visée à l'alinéa 1er.
   L'agence évalue la demande de dérogation, visée à l'alinéa 1er, et informe l'initiative d'habitation protégée en question de sa décision quant à cette demande. Si une dérogation est accordée, la période pendant laquelle cette dérogation est accordée est également indiquée.
   L'initiative d'habitation protégée introduit les factures, visées à l'alinéa 1er, chronologiquement via l'application numérique dès que cette dernière est opérationnelle.
   Par dérogation au paragraphe 1er et à l'article 534/187, les [3 équipes d'accompagnement multidisciplinaires de soins palliatifs]3 qui disposent de l'approbation, visée à l'alinéa 4, reçoivent une avance mensuelle de la caisse d'assurance soins.
   L'agence détermine, pour chaque initiative d'habitation protégée, l'avance pour chaque mois, visée à l'alinéa 6, que l'initiative d'habitation protégée reçoit par caisse d'assurance soins.
   Chaque caisse d'assurance soins impute les montants d'avance qui ont été versés à l'initiative d'habitation protégée sur les notes de frais individuelles qui satisfont aux conditions énoncées au paragraphe 1er.
   La première note de frais individuelle intervenant après imputation intégrale du montant d'avance, qui satisfait aux conditions visées au paragraphe 1er, est payée par la caisse d'assurance soins conformément à l'article 534/185.
   A partir de la septième semaine suivant celle au cours de laquelle elle a versé la dernière avance, la caisse d'assurance soins peut récupérer les éventuelles avances non imputées auprès des initiatives d'habitation protégée.
   L'agence est financièrement responsable des avances non imputées visées à l'alinéa 10 que les caisses d'assurance soins ne peuvent pas récupérer auprès de l'initiative d'habitation protégée.]2

  
Deel 4. [1 Software]1
Art. 534/220. [1 L'agence verse aux équipes d'accompagnement multidisciplinaires de soins palliatifs l'intervention financière dans le cadre des accords sociaux conclus et la compensation du préjudice financier d'octrois tardifs dans le cadre de ces accords sociaux.]1
Art. 534/221. [1 [1 §]1 1. De digitale applicatie, vermeld in artikel 534/208, eerste lid, 2А, artikel 534/213, artikel 534/217, vierde lid, artikel 534/219, [1 §]1 1, tweede lid, en [1 §]1 2, voldoet aan de functionele en technische vereisten en de vereisten van betrouwbaarheid en veiligheid die de minister bepaalt, na advies van een groep van onafhankelijke experten.
Partie 4. [1 Logiciels ]1
Art. 534/222. [1 [1 §]1 1. De softwareontwikkelaars dienen de aanvragen tot attestering, vermeld in artikel 534/221, [1 §]1 1, tweede lid, in bij het agentschap.
Art. 534/221. [1 § 1er. L'application numérique mentionnée dans l'article 534/208, alinéa 1er, 2°, l'article 534/213, l'article 534/217, alinéa 4, l'article 534/219, § 1er, alinéa 2, et § 2, satisfait aux exigences fonctionnelles et techniques et aux exigences de fiabilité et de sécurité que le ministre définit sur avis d'un groupe d'experts indépendants.
Art. 534/223. [1 [1 §]1 1. Zolang het uitgereikte attest geldig is, wordt de geattesteerde versie van de digitale applicatie en de evolutie ervan geacht te blijven voldoen aan de functionele en technische vereisten en aan de vereisten van betrouwbaarheid en veiligheid, vermeld in artikel 534/221, [1 §]1 1, eerste lid.
Art. 534/222. [1 § 1er. Les développeurs de logiciels introduisent les demandes en vue de la certification visée à l'article 534/221, § 1er, alinéa 2, auprès de l'agence.
Art. 534/224. [1 De attesten die verleend zijn conform de bepalingen van dit deel, worden bekendgemaakt op de website van het agentschap met vermelding van de geldigheidstermijn ervan.]1
Art. 534/223. [1 § 1er. Tant que le certificat délivré est valable, la version certifiée de l'application numérique et son évolution sont réputées continuer à satisfaire aux exigences fonctionnelles et techniques et aux exigences de fiabilité et de sécurité visées à l'article 534/221, § 1er, alinéa 1er.
Boek 3/10. [1 Rolstoeladviesteams of gespecialiseerde rolstoeladviesteams ]1
Art. 534/224. [1 Les certificats délivrés conformément aux dispositions de la présente partie sont publiés sur le site web de l'agence en mentionnant leur délai de validité.]1
Deel 1. [1 Tegemoetkomingen]1
Livre 3/10. [1 Equipes d'avis ou équipes d'avis spécialisées en matière de voiturette]1
TITEL 1. [1 Tegemoetkoming voor de opmaak van een rolstoeladviesrapport]1
Partie 1re. [1 Interventions]1
Art. 534/225. [1 Het rolstoeladviesteam of het gespecialiseerde rolstoeladviesteam ontvangt een forfaitaire tegemoetkoming van 306,71 euro voor de opmaak van een rolstoeladviesrapport conform artikel 349/1 tot en met 353/1. De tegemoetkoming is bestemd voor de financiering van de loonkosten.
TITRE 1er. [1 Intervention pour l'établissement d'un rapport d'avis en matière de voiturette]1
Art. 534/226. [1 Het bedrag, vermeld in artikel 534/225, eerste lid, wordt gekoppeld aan het spilindexcijfer 123,14 (basis = 2013).
   Het bedrag wordt aangepast, conform de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.
   De koppeling aan het indexcijfer, vermeld in het eerste lid, wordt berekend en toegepast conform artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen.]1

  
Art. 534/225. [1 L'équipe d'avis ou l'équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette reçoit une intervention forfaitaire de 306,71 euros pour l'établissement d'un rapport d'avis en matière de voiturette conformément aux articles 349/1 à 353/1. L'intervention est destinée au financement des coûts salariaux.
   Il ne peut être octroyé qu'une seule intervention pour l'établissement d'un rapport d'avis en matière de voiturette par jour et par usager.
   Aucune contribution personnelle ne peut être facturée l'usager.]1

  
TITEL 2. [1 Tegemoetkoming in reiskosten voor gebruikers die worden vervoerd in een voertuig dat is aangepast voor het vervoer in een rolstoel]1
Art. 534/226. [1 Le montant mentionné dans l'article 534/225, alinéa 1er, est lié à l'indice-pivot 123,14 (base 2013 = 2013).
Art. 534/227. [1 Voor het vervoer van een gebruiker naar het rolstoeladviesteam of het gespecialiseerde rolstoeladviesteam en terug wordt een tegemoetkoming in reiskosten toegekend als voldaan is aan al de volgende voorwaarden:
TITRE 2. [1 Intervention dans les frais de déplacement pour les usagers transportés dans un véhicule qui a été adapté au transport en voiturette]1
Art. 534/228. [1 Als de gebruiker wordt vervoerd in zijn eigen voertuig dat is aangepast voor het vervoer in een rolstoel, bedraagt het bedrag van de tegemoetkoming 0,30 euro per kilometer.
   Als de gebruiker wordt vervoerd door een professionele vervoerder in een voertuig dat is aangepast voor het vervoer in een rolstoel, bedraagt het bedrag van de tegemoetkoming:
   1А een bedrag voor het traject tot en met de vijfde kilometer;
   2А een bedrag per kilometer vanaf de zesde kilometer.
   Als de gebruiker wordt vervoerd door een professionele vervoerder, die een subsidie ontvangt die zijn personeelskosten dekt, in een voertuig dat is aangepast voor het vervoer in een rolstoel, bedraagt het bedrag van de tegemoetkoming:
   1А een bedrag voor het traject tot en met de vijfde kilometer;
   2А een bedrag per kilometer vanaf de zesde kilometer.
   De minister bepaalt de bedragen, vermeld in het tweede lid, 1А en 2А, en het derde lid, 1А en 2А, op basis waarvan het bedrag van de tegemoetkoming in reiskosten wordt bepaald.
   De minister kan een plafond bepalen voor het bedrag van de tegemoetkoming in reiskosten.]1

  
Art. 534/227. [1 Une intervention dans les frais de déplacement est octroyée pour le transport d'un usager jusqu'à l'équipe d'avis ou l'équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette et retour si toutes les conditions suivantes sont remplies :
   1° l'usager est éligible à une intervention pour l'établissement d'un rapport d'avis en matière de voiturette le même jour ;
   2° en raison de la nature et de la gravité de son affectation, l'usager ne peut être transporté qu'en voiturette dans un véhicule qui a été adapté au transport en voiturette ;
   3° l'usager n'est pas examiné dans sa résidence effective ;
   Il ne peut être octroyé qu'une seule intervention dans les frais de déplacement, telle que visée à l'alinéa 1er, par jour et par usager.]1

  
Art. 534/229. [1 Het aantal kilometer dat in aanmerking komt voor de berekening van de tegemoetkoming in reiskosten, wordt bepaald door de afstand tussen de werkelijke verblijfplaats van de gebruiker en de locatie waar het rolstoeladviesteam of het gespecialiseerde rolstoeladviesteam gevestigd is, heen en terug.
   Voor de toepassing van dit artikel bepaalt de zorgkas de afstand met behulp van een digitale routeplanner. De afstand wordt afgerond tot het dichtstbijzijnde natuurlijke getal.
   De professionele vervoerder kan altijd aantonen welke methode is gekozen om de afstand te berekenen.
   Als de gebruiker of de professionele vervoerder de afstand die de zorgkas heeft bepaald, betwist, wordt dat gemeld aan de zorgkas. De zorgkas onderzoekt en beslist op basis van de aangeleverde argumenten welke afstand in rekening wordt gebracht.]1

  
Art. 534/228. [1 Si l'usager est transporté dans son propre véhicule qui a été adapté au transport en voiturette, le montant de l'intervention s'élève à 0,30 euro par kilomètre.
   Si l'usager est transporté par un transporteur professionnel dans un véhicule qui a été adapté au transport en voiturette, le montant de l'intervention s'élève à :
   1° un montant pour le trajet jusqu'au cinquième kilomètre ;
   2° un montant par kilomètre à partir du sixième kilomètre.
   Si l'usager est transporté dans un véhicule qui a été adapté au transport en voiturette par un transporteur professionnel qui reçoit une subvention couvrant ses frais de personnel, le montant de l'intervention s'élève à :
   1° un montant pour le trajet jusqu'au cinquième kilomètre ;
   2° un montant par kilomètre à partir du sixième kilomètre.
   Le ministre détermine les montants, visés à l'alinéa 2, 1° et 2°, et à l'alinéa 3, 1° et 2°, sur la base desquels le montant de l'intervention dans les frais de déplacement est déterminé.
   Le ministre peut plafonner le montant de l'intervention dans les frais de déplacement.]1

  
Art. 534/230. [1 De tegemoetkoming in reiskosten, vermeld in artikel 534/227, is afhankelijk van de voorafgaande goedkeuring van de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten. Die goedkeuring wordt verleend conform de aanvraagprocedure, vermeld in boek 3/10, deel 2.]1
  
Art. 534/229. [1 Le nombre de kilomètres pris en considération pour calculer l'intervention dans les frais de déplacement est déterminé par la distance aller-retour entre la résidence effective de l'usager et le site d'établissement de l'équipe d'avis ou l'équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette.
   Pour l'application du présent article, la caisse d'assurance soins détermine la distance à l'aide d'un planificateur d'itinéraire numérique. La distance est arrondie à l'entier naturel le plus proche.
   Le transporteur professionnel peut toujours démontrer quelle méthode a été choisie pour calculer la distance.
   Si l'usager ou le transporteur professionnel conteste la distance déterminée par la caisse d'assurance, il le notifie à la caisse d'assurance soins. La caisse d'assurance soins examine et décide, sur la base des arguments avancés, quelle distance est prise en compte.]1

  
Art. 534/231. [1 Als de gebruiker wordt vervoerd in zijn eigen voertuig dat is aangepast voor het vervoer in een rolstoel, wordt de tegemoetkoming in reiskosten, vermeld in artikel 534/227, toegekend aan de gebruiker. Die tegemoetkoming wordt door de zorgkas toegekend aan de gebruiker op basis van de goedgekeurde aanvraag tot opmaak van een rolstoeladviesrapport, waarbij de aanvraag is gevoegd van de tegemoetkoming in reiskosten voor vervoer in een voertuig dat is aangepast voor het vervoer in een rolstoel, vermeld in artikel 534/227.
   Als de gebruiker wordt vervoerd door een professionele vervoerder, wordt de tegemoetkoming in reiskosten, vermeld in artikel 534/227, toegekend aan de vervoerder. Die tegemoetkoming wordt door de zorgkas toegekend aan de vervoerder op basis van een factuur die de vervoerder bezorgt aan de zorgkas.
   De professionele vervoerder mag geen extra vergoedingen of andere kosten aanrekenen aan de gebruiker of aan de zorgkas dan de vergoeding, vermeld in artikel 534/227.]1

  
Art. 534/230. [1 L'intervention dans les frais de déplacement, visée à l'article 534/227 est subordonnée à l'approbation préalable de la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié. Cette approbation est accordée conformément à la procédure de demande mentionnée dans le livre 3/10, partie 2.]1
  
Art. 534/232. [1 De bedragen, vermeld in artikel 534/228, worden, tenzij het anders vermeld is, gekoppeld aan het spilindexcijfer 123,14 (basis 2013=100).
   De bedragen, vermeld in het eerste lid, worden aangepast conform de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.
   De koppeling aan het indexcijfer, vermeld in het tweede lid, wordt berekend en toegepast conform artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen]1

  
Art. 534/231. [1 Si l'usager est transporté dans son propre véhicule qui a été adapté au transport en voiturette, l'intervention dans les frais de déplacement visée à l'article 534/227 est octroyée à l'usager. La caisse d'assurance soins octroie cette intervention à l'usager sur la base de la demande approuvée d'établissement d'un rapport d'avis en matière de voiturette, à laquelle est jointe la demande de l'intervention dans les frais de déplacement pour le transport dans un véhicule qui a été adapté au transport en voiturette, visée à l'article 534/227.
   Si l'usager est transporté par un transporteur professionnel, l'intervention dans les frais de déplacement visée à l'article 534/227 est octroyée au transporteur. La caisse d'assurance soins octroie cette intervention au transporteur sur la base d'une facture que le transporteur transmet à la caisse d'assurance soins.
   Le transporteur professionnel n'est pas autorisé à facturer à l'usager ou à la caisse d'assurance soins des indemnités supplémentaires ou des frais autres que l'indemnité visée à l'article 534/227.]1

  
Deel 2. [1 Aanvraagprocedure]1
Art. 534/232. [1 Sauf stipulation contraire, les montants visés à l'article 534/228 sont liés à l'indice-pivot 123,14 (base 2013=100).
Art. 534/233. [1 In dit deel wordt verstaan onder:
Partie 2. [1 Procédure de demande]1
Art. 534/234. [1 Een tegemoetkoming voor de opmaak van een rolstoeladviesrapport kan alleen worden toegekend als de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten, de aangevraagde tegemoetkoming heeft goedgekeurd.]1
  
Art. 534/233. [1 Dans la présente partie, on entend par :
   1° demande : la demande, par le biais d'une application numérique telle que visée à l'article 534/244, de l'intervention pour l'établissement d'un rapport d'avis en matière de voiturette à laquelle est jointe, le cas échéant, la demande de l'intervention dans les frais de déplacement pour le transport, depuis et vers l'équipe d'avis ou l'équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette, dans un véhicule qui a été adapté au transport en voiturette, visée à l'article 534/227 ;
   2° date de réception : la date d'envoi de l'accusé de réception de la demande complète. Une demande est considérée comme complète si tous les éléments mentionnés dans l'article 534/237 sont complets conformément à l'article précité.]1

  
Art. 534/235. [1 Het rolstoeladviesteam of het gespecialiseerde rolstoeladviesteam waartoe de gebruiker zich wendt, verstuurt de aanvraag rechtstreeks naar de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten, binnen een termijn van dertig dagen vanaf de dag waarop het onderzoek voor de opmaak van een rolstoeladviesrapport is uitgevoerd.
   De aanvraag wordt ingediend via een digitale applicatie als vermeld in artikel 534/244.]1

  
Art. 534/234. [1 Une intervention pour l'établissement d'un rapport d'avis en matière de voiturette ne peut être octroyée que si la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié a approuvé l'intervention demandée.]1
  
Art. 534/236. [1 Er wordt geen tegemoetkoming toegekend voor de opmaak van een rolstoeladviesrapport als het onderzoek vroeger dan dertig dagen voor de ontvangstdatum van de aanvraag is uitgevoerd.
   Als de termijn, vermeld in het eerste lid, wordt overschreden, bevat de aanvraag een duidelijke en expliciete motivering voor de afwijking, waarbij het rolstoeladviesteam of het gespecialiseerde rolstoeladviesteam aantoont of beschrijft welke specifieke omstandigheden de afwijking verantwoorden.]1

  
Art. 534/235. [1 L'équipe d'avis ou l'équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette à laquelle l'usager s'adresse envoie la demande directement à la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié dans un délai de trente jours à compter du jour où l'examen en vue de l'établissement d'un rapport d'avis en matière de voiturette a été pratiqué.
   La demande est introduite par le biais d'une application numérique telle que visée à l'article 534/244.]1

  
Art. 534/237. [1 Het rolstoeladviesteam of het gespecialiseerde rolstoeladviesteam stelt de aanvraag op. De aanvraag bevat minstens de volgende informatie:
   1А administratieve informatie over de gebruiker en het rolstoeladviesteam of het gespecialiseerde rolstoeladviesteam:
   a) de voor- en achternaam en het INSZ-nummer van de gebruiker;
   b) de gegevens van het rolstoeladviesteam of het gespecialiseerde rolstoeladviesteam, namelijk:
   1) de naam;
   2) het RIZIV-nummer;
   3) het HCO-nummer;
   4) het rekeningnummer;
   5) de contactgegevens van de contactpersoon voor het dossier, namelijk de naam, het telefoonnummer en het mailadres;
   2А de geïnformeerde toestemming van de gebruiker met de aanvraag;
   3А de datum waarop het onderzoek voor de opmaak van het rolstoeladviesrapport is uitgevoerd;
   4А de vermelding of de mobiliteitsbeperking van de gebruiker te wijten is aan een ongeval;
   5А in voorkomend geval, de gegevens over de aanvraag van een tegemoetkoming in reiskosten:
   a) het type vervoer;
   b) in voorkomend geval de werkelijke verblijfplaats van de gebruiker;
   c) het medische verslag en de datum waarop het medische verslag is opgemaakt;
   d) een verklaring op erewoord van een arts dat de gebruiker in zijn rolstoel moet worden vervoerd;
   e) het RIZIV-nummer en de naam van de arts, vermeld in punt d);
   6А in voorkomend geval, de motivering, vermeld in artikel 534/236, tweede lid.]1

  
Art. 534/236. [1 Aucune intervention n'est octroyée pour l'établissement d'un rapport d'avis en matière de voiturette si l'examen a été pratiqué plus de trente jours avant la date de réception de la demande.
   En cas de dépassement du délai visé à l'alinéa 1er, la demande contient une motivation claire et explicite de cette dérogation, par laquelle l'équipe d'avis ou l'équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette démontre ou décrit les circonstances spécifiques qui la justifient.]1

  
Art. 534/238. [1 De zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten, controleert al de volgende elementen:
   1А de verzekeringsstatus van de gebruiker;
   2А de naleving van de voorwaarde, vermeld in artikel 534/225, tweede lid;
   3А de volledigheid van de meegedeelde gegevens;
   4А hetzij de termijn, vermeld in artikel 534/236, eerste lid, hetzij de motivering van de afwijking van de voormelde termijn conform artikel 534/236, tweede lid.
   De zorgkas vraagt, als dat nodig is, ontbrekende informatie op bij de gebruiker of het rolstoeladviesteam of het gespecialiseerde rolstoeladviesteam.
   Een positief resultaat van de controle, vermeld in het eerste lid, leidt tot de beslissing tot goedkeuring van de aanvraag.
   Een negatief resultaat van de controle, vermeld in het eerste lid, leidt tot de beslissing tot weigering van de aanvraag.
   Als uit de controle, vermeld in het eerste lid, 2А, blijkt dat de voorwaarde, vermeld in artikel 534/225, tweede lid, niet is nageleefd, wordt de aanvraag met de laatste ontvangstdatum geweigerd.]1

  
Art. 534/237. [1 L'équipe d'avis ou l'équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette rédige la demande. La demande contient au moins les informations suivantes :
   1° des informations administratives relatives à l'usager et l'équipe d'avis ou à l'équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette :
   a) les nom et prénom et le numéro NISS de l'usager ;
   b) les coordonnées de l'équipe d'avis ou de l'équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette, à savoir :
   1) le nom ;
   2) le numéro INAMI ;
   3) le numéro HCO ;
   4) le numéro de compte ;
   5) les coordonnées de la personne de contact pour le dossier, à savoir, le nom, le numéro de téléphone et l'adresse e-mail ;
   2° le consentement éclairé de l'usager sur la demande ;
   3° la date à laquelle a été pratiqué l'examen en vue de l'établissement du rapport d'avis en matière de voiturette ;
   4° l'indication que la limitation de la mobilité de l'usager est due à un accident ;
   5° le cas échéant, les données relatives à la demande d'intervention dans les frais de déplacement :
   a) le type de transport ;
   b) le cas échéant, la résidence effective de l'usager ;
   c) le rapport médical et la date à laquelle il a été établi ;
   d) une déclaration sur l'honneur d'un médecin selon laquelle l'usager doit être transporté dans sa voiturette ;
   e) le numéro INAMI et le nom du médecin visé au point d) ;
   6° le cas échéant, la motivation visée à l'article 534/236, alinéa 2.]1

  
Art. 534/239. [1 De zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten, bezorgt de beslissing tot goedkeuring of weigering van de aanvraag aan het rolstoeladviesteam of het gespecialiseerde rolstoeladviesteam en de gebruiker binnen vijftien werkdagen na de ontvangstdatum.
   De beslissingstermijn van de zorgkas wordt geschorst als de zorgkas ontbrekende informatie opvraagt conform artikel 534/238, tweede lid. De termijn begint opnieuw te lopen op de werkdag na de dag waarop de zorgkas de voormelde bijkomende informatie heeft ontvangen.]1

  
Art. 534/238. [1 La caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié vérifie l'ensemble des éléments suivants :
   1° le statut d'assurance de l'usager ;
   2° le respect de la condition visée à l'article 534/225, alinéa 2 ;
   3° l'exhaustivité des données communiquées ;
   4° soit le délai visé à l'article 534/236, alinéa 1er, soit la motivation de la dérogation au délai précité conformément à l'article 534/236, alinéa 2.
   La caisse d'assurance soins réclame, au besoin, les informations manquantes auprès de l'usager ou de l'équipe d'avis ou l'équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette.
   Un résultat positif du contrôle visé à l'alinéa 1er débouche sur la décision d'approbation de la demande.
   Un résultat négatif du contrôle visé à l'alinéa 1er débouche sur la décision de refus de la demande.
   Si le contrôle visé à l'alinéa 1er, 2°, révèle que la condition visée à l'article 534/225, alinéa 2, n'a pas été respectée, la demande portant la dernière date de réception est refusée.]1

  
Art. 534/240. [1 Een a-posterioricontrole van de conformiteit van de gegevens die worden opgenomen in de aanvraag, vermeld in artikel 534/237, 1А en 5А, is mogelijk. De Zorgkassencommissie voert die controle uit op verzoek van het agentschap. De minister kan de nadere regels voor de uitvoering van die controle bepalen.]1
  
Art. 534/239. [1 La caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié transmet la décision d'approbation ou de refus de la demande à l'équipe d'avis ou l'équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette et à l'usager dans les quinze jours ouvrables suivant la date de réception.
   Le délai de décision de la caisse d'assurance soins est suspendu si la caisse d'assurance soins réclame des informations manquantes conformément à l'article 534/238, alinéa 2. Le délai recommence à courir le jour ouvrable qui suit le jour de la réception des informations manquantes précitées par la caisse d'assurance soins.]1

  
Art. 534/241. [1 De beslissing tot goedkeuring of weigering van de aanvraag van de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten, bevat de volgende gegevens:
   1А de goedkeuring of weigering;
   2А in voorkomend geval de redenen van de weigering.
   De zorgkas brengt het rolstoeladviesteam of het gespecialiseerde rolstoeladviesteam op de hoogte van de beslissing tot goedkeuring of weigering via een digitale applicatie als vermeld in artikel 534/244.
   De zorgkas deelt de beslissing tot goedkeuring van de aanvraag van de tegemoetkoming in reiskosten mee aan de gebruiker.
   De zorgkas deelt de beslissing tot weigering van de aanvraag van de tegemoetkoming in reiskosten mee aan de gebruiker op om het even welke manier die toelaat de ontvangstdatum met zekerheid vast te stellen. Die kennisgeving bevat al de volgende elementen:
   1А de redenen van de weigering conform artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen;
   2А de beroepsmogelijkheden en de termijnen waarin beroep moet worden aangetekend.]1

  
Art. 534/240. [1 Un contrôle a posteriori de la conformité des données figurant dans la demande visée à l'article 534/237, 1° et 5°, est possible. La Commission des caisses d'assurance soins effectue ce contrôle à la demande de l'agence. Le ministre peut définir les modalités d'exécution de ce contrôle.]1
  
Deel 3. [1 Facturatie]1
Art. 534/241. [1La décision d'approbation ou de refus de la demande de la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié contient les données suivantes :
Art. 534/242. [1 De tegemoetkoming voor de opmaak van een rolstoeladviesrapport wordt via een trekkingsrecht van de gebruiker rechtstreeks uitbetaald aan het rolstoeladviesteam of het gespecialiseerde rolstoeladviesteam door de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten.
Partie 3. [1 Facturation]1
Art. 534/243. [1 [1 §]1 1. Het rolstoeladviesteam of het gespecialiseerde rolstoeladviesteam valideert de facturen en stuurt ze elektronisch naar de zorgkassen via een digitale applicatie als vermeld in artikel 534/244.
   Bij de facturen voegt het rolstoeladviesteam of het gespecialiseerde rolstoeladviesteam per gebruiker en per zorgkas de volgende gegevens:
   1А de gegevens van de gebruiker;
   2А de gegevens van het rolstoeladviesteam of het gespecialiseerde rolstoeladviesteam;
   3А de gegevens van de zorgkas;
   4А de prestatiecode voor de opmaak van het rolstoeladviesrapport en de datum waarop het onderzoek voor de opmaak van een rolstoeladviesrapport is uitgevoerd;
   5А het bedrag van de tegemoetkoming voor de opmaak van het rolstoeladviesrapport.
   De facturen worden opgesteld conform de modellen en de facturatie-instructies die het agentschap bepaalt.
   [1 §]1 2. Door de indiening van de facturen via een digitale applicatie als vermeld in artikel 534/244, voldoen de correcte en volledig ingevulde facturen aan de functionele vereisten en aan de vereisten van betrouwbaarheid en veiligheid conform de geldende privacyregels.
   [1 §]1 3. Het rolstoeladviesteam of het gespecialiseerde rolstoeladviesteam bezorgt de facturen maandelijks per zorgkas en uiterlijk tot 24 maanden na de datum van het onderzoek voor de opmaak van een rolstoeladviesrapport, met behoud van de toepassing van de gevallen waarin de verjaring wordt geschorst of gestuit. Het recht op stuiten van de verjaring wordt aangetoond met een aangetekende brief die gericht is aan de zorgkas.]1
  
Art. 534/242. [1 L'intervention pour l'établissement d'un rapport d'avis en matière de voiturette est versée directement à l'équipe d'avis ou l'équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette par la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié, via un droit de tirage de l'usager.
   La caisse d'assurance soins paie l'intervention pour l'établissement d'un rapport d'avis en matière de voiturette au plus tard six semaines après avoir reçu la facture correcte et dûment remplie.
   Les interventions dans les frais de déplacement visées à l'article 534/227 sont facturées et versées conformément aux modalités prévues par l'article 534/231. La caisse d'assurance soins paie l'intervention dans les frais de déplacement au plus tard six semaines après l'approbation de la demande visée à l'article 534/234, alinéa 1er, ou six semaines après avoir reçu la facture correcte et dûment remplie visée à l'article 534/231, alinéa 2.
   Le ministre peut arrêter les modalités du paiement visé à l'alinéa 1er.]1

  
Deel 4. [1 Software]1
Art. 534/243. [1§ 1er. L'équipe d'avis ou l'équipe d'avis spécialisée en matière de voiturette valide les factures et les envoie par voie électronique aux caisses d'assurance soins par le biais d'une application numérique telle que visée à l'article 534/244.
Art. 534/244.[1 [1 §]1 1. De digitale applicatie, vermeld in artikel 534/233, 1А en 2А, artikel 534/235, tweede lid, artikel 534/241, tweede lid, en artikel 534/243, [1 §]1 1, eerste lid, en [1 §]1 2, voldoet aan de functionele en technische vereisten en de vereisten van betrouwbaarheid en veiligheid die de minister bepaalt, na advies van een groep van onafhankelijke experten.
Partie 4. [1 Logiciels]1
Art. 534/245. [1 [1 §]1 1. De softwareontwikkelaars dienen de aanvragen tot attestering als vermeld in artikel 534/244, [1 §]1 1, tweede lid, in bij het agentschap.
   De gedagtekende en ondertekende aanvraag wordt ingediend met een formulier waarvan het agentschap het model vastlegt.
   Het formulier, vermeld in het tweede lid, bevat al de volgende gegevens:
   1А de identificatiegegevens van de aanvrager;
   2А de beschrijving van de maatregelen inzake gegevensbescherming en informatieveiligheid;
   3А de beschrijving van de architecturale structuur van het pakket;
   4А de technische specificaties die toelaten de mogelijkheid tot koppeling met het digitale platform Vlaamse sociale bescherming te beoordelen.
   [1 §]1 2. Het agentschap beoordeelt de aanvraag tot attestering, vermeld in paragraaf 1, en beslist tot de goedkeuring of weigering van de organisatie van het attesteringstraject. Het agentschap kan aan de groep van onafhankelijke experten, vermeld in artikel 534/244, [1 §]1 3, advies vragen over de aanvraag.
   Het agentschap deelt zijn gemotiveerde beslissing tot goedkeuring of weigering van de organisatie van het attesteringstraject mee uiterlijk binnen dertig dagen na de dag waarop het de aanvraag tot attestering, vermeld in paragraaf 1, heeft ontvangen.
   [1 §]1 3. Bij wijzigingen van een van de elementen, vermeld in paragraaf 1, derde lid, na de beslissing tot goedkeuring van de organisatie van het attesteringstraject, vervalt die beslissing tot goedkeuring van rechtswege en dient de softwareontwikkelaar in kwestie een nieuwe aanvraag tot attestering in.
   [1 §]1 4. Na de goedkeuring van de organisatie van het attesteringstraject kan de softwareontwikkelaar in kwestie bij het agentschap een verzoek indienen tot organisatie van testen.
   De groep van onafhankelijke experten, vermeld in artikel 534/244, [1 §]1 3, organiseert binnen een termijn van negentig dagen na de dag waarop het agentschap het verzoek, vermeld in het eerste lid, heeft ontvangen, testen waarbij wordt nagegaan of de digitale applicatie waarvoor de attestering is aangevraagd, voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 534/244, [1 §]1 1, eerste lid, en stelt een testrapport op.
   De minister kan nadere regels bepalen over de organisatie van de testen, vermeld in het tweede lid.
   [1 §]1 5. De groep van onafhankelijke experten, vermeld in artikel 534/244, [1 §]1 3, bezorgt het testrapport, vermeld in paragraaf 4, tweede lid, samen met een overeenstemmend advies aan het agentschap binnen honderdtwintig dagen na de dag waarop het agentschap het verzoek tot de organisatie van testen conform paragraaf 4, eerste lid, heeft ontvangen.
   Het agentschap attesteert de digitale applicatie of weigert de attestering van de digitale applicatie en brengt de aanvrager op de hoogte van die beslissing binnen vijftien dagen na de dag waarop het het advies van de groep van onafhankelijke experten heeft ontvangen conform het eerste lid.
   De attesten die toegekend worden conform het tweede lid, zijn geldig voor tien jaar, met behoud van de toepassing van artikel 534/246.
   [1 §]1 6. De termijnen, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, paragraaf 4, tweede lid, en paragraaf 5, eerste en tweede lid, worden geschorst als het agentschap of de groep van onafhankelijke experten, vermeld in artikel 534/244, [1 §]1 3, bijkomende informatie vraagt aan de softwareontwikkelaar.
   De termijnen, vermeld in het eerste lid, lopen verder vanaf de dag na de dag waarop het agentschap of de groep van onafhankelijke experten de bijkomende informatie heeft ontvangen conform het eerste lid.
   [1 §]1 7. De softwareontwikkelaars die een digitale applicatie ontwikkelen, kunnen altijd een nieuwe aanvraag tot attestering indienen bij het agentschap.]1
  
Art. 534/244. [1 § 1er. L'application numérique mentionnée dans l'article 534/233, 1° et 2°, l'article 534/235, alinéa 2, l'article 534/241, alinéa 2, et l'article 534/243, § 1er, alinéa 1er, et § 2, satisfait aux exigences fonctionnelles et techniques et aux exigences de fiabilité et de sécurité que le ministre définit sur avis d'un groupe d'experts indépendants.
   L'agence se charge de la certification des applications numériques qui satisfont aux conditions visées à l'alinéa 1er.
   § 2. Les équipes d'avis et équipes d'avis spécialisées en matière de voiturette qui n'utilisent pas d'application numérique telle que mentionnée dans le paragraphe 1er ne peuvent pas introduire les demandes visées à l'article 534/237 auprès des caisses d'assurance soins afin de recevoir des interventions pour les rapports d'avis en matière de voiturette et ne peuvent pas facturer aux caisses d'assurance soins conformément à l'article 534/243.
   § 3. Les experts visés au paragraphe 1er sont désignés par l'agence en concertation avec les organisations professionnelles concernées. Le ministre peut fixer les modalités relatives à la composition et au fonctionnement du groupe d'experts indépendants]1

  
Art. 534/246. [1 [1 §]1 1. Zolang het uitgereikte attest geldig is, wordt de geattesteerde versie van de digitale applicatie en de evolutie ervan geacht te blijven voldoen aan de functionele en technische vereisten en de vereisten van betrouwbaarheid en veiligheid, vermeld in artikel 534/244, [1 §]1 1, eerste lid.
   [1 §]1 2. Een softwareontwikkelaar met een geattesteerde digitale applicatie implementeert alle wijzigingen van de functionele en technische vereisten en de vereisten van betrouwbaarheid en veiligheid, vermeld in artikel 534/244, [1 §]1 1, volgens het versiebeleid van het digitale platform Vlaamse sociale bescherming.
   Een softwareontwikkelaar die op eigen initiatief wijzigingen aanbrengt aan de geattesteerde digitale applicatie met een impact op de functionele en technische vereisten en de vereisten van betrouwbaarheid en veiligheid als vermeld in artikel 534/244, [1 §]1 1, eerste lid, brengt het agentschap daarvan op de hoogte. In die melding aan het agentschap geeft de softwareontwikkelaar een beschrijving van de wijzigingen van de geattesteerde digitale applicatie.
   [1 §]1 3. Als er wijzigingen worden aangebracht aan de geattesteerde digitale applicatie conform paragraaf 2, met een impact op de functionele en technische vereisten en de vereisten van betrouwbaarheid en veiligheid als vermeld in artikel 534/244, [1 §]1 1, eerste lid, kan het agentschap, na eensluidend advies van de groep van onafhankelijke experten, vermeld in artikel 534/244, [1 §]1 3, beslissen om bijkomende toelichtingen op te vragen bij de gemelde wijzigingen of om nieuwe testen op te leggen voor de digitale applicatie.
   [1 §]1 4. Als er aanwijzingen zijn dat een digitale applicatie niet meer voldoet aan de functionele vereisten en de vereisten van betrouwbaarheid en veiligheid, vermeld in artikel 534/244, [1 §]1 1, eerste lid, kan het agentschap, na eensluidend advies van de groep van onafhankelijke experten, vermeld in artikel 534/244, [1 §]1 3, beslissen om nieuwe testen te organiseren. Afhankelijk van het resultaat van de testen kan het agentschap, na eensluidend advies van de voormelde groep van onafhankelijke experten, beslissen om de attestering te bevestigen of in te trekken.]1
  
Art. 534/245. [1 § 1er. Les développeurs de logiciels introduisent les demandes en vue de la certification visée à l'article 534/244, § 1er, alinéa 2, auprès de l'agence.
   La demande datée et signée est introduite au moyen d'un formulaire dont l'agence fixe le modèle.
   Le formulaire visé à l'alinéa 2 comprend les données suivantes :
   1° les données d'identification du demandeur ;
   2° la description des mesures en matière de protection des données et de sécurité de l'information ;
   3° la description de la structure architecturale du logiciel ;
   4° les spécifications techniques qui permettent d'évaluer la possibilité de connexion à la plate-forme numérique de la protection sociale flamande.
   § 2. L'Agence évalue la demande d'attestation visée au paragraphe 1 et décide d'approuver ou de refuser l'organisation du processus d'attestation. L'agence peut solliciter l'avis du groupe d'experts indépendants visé à l'article 534/244, § 3, au sujet de la demande.
   L'agence communique sa décision motivée d'approbation ou de refus de l'organisation du parcours de certification au plus tard dans les trente jours à compter du jour où elle a reçu la demande de certification visée dans le paragraphe 1er.
   § 3. En cas de modifications de l'un des éléments énoncés dans le paragraphe 1er, alinéa 3, après la décision d'approbation de l'organisation du parcours de certification, cette décision d'approbation devient caduque de plein droit et le développeur de logiciels concerné introduit une nouvelle demande de certification.
   § 4. Après l'approbation de l'organisation du parcours de certification, le développeur de logiciels concerné peut introduire auprès de l'agence une demande en vue d'organiser des essais.
   Dans les nonante jours à compter du jour où l'agence a reçu la demande visée à l'alinéa 1er, le groupe d'experts indépendants visé à l'article 534/244, § 3, organise des essais consistant à vérifier si l'application numérique dont la certification a été demandée satisfait aux conditions visées à l'article 534/244, § 1er, alinéa 1er, et rédige un rapport d'essai.
   Le ministre peut arrêter des modalités relatives à l'organisation des tests, visée à l'alinéa 2.
   § 5. Le groupe d'experts indépendants visé à l'article 534/244, § 3, transmet le rapport d'essai visé dans le paragraphe 4, alinéa 2, accompagné d'un avis correspondant à l'agence dans les cent vingt jours à compter du jour où l'agence a reçu la demande d'organiser des essais conformément au paragraphe 4, alinéa 1er.
   L'agence certifie l'application numérique ou refuse la certification de l'application numérique et informe le demandeur de cette décision dans les quinze jours à compter du jour où elle a reçu l'avis du groupe d'experts indépendants conformément à l'alinéa 1er.
   Les certificats octroyés conformément à l'alinéa 2 sont valables dix ans, sans préjudice de l'application de l'article 534/246.
   § 6. Les délais mentionnés dans le paragraphe 2, alinéa 2, dans le paragraphe 4, alinéa 2, et dans le paragraphe 5, alinéas 1er et 2, sont suspendus si l'agence ou le groupe d'experts indépendants visé à l'article 534/244, § 3, demande des informations supplémentaires au développeur de logiciels.
   Les délais visés à l'alinéa 1er continuent à courir à partir du lendemain du jour où l'agence ou le groupe d'experts indépendants a reçu les informations supplémentaires conformément à l'alinéa 1er.
   § 7. Les développeurs de logiciels qui mettent au point une application numérique peuvent toujours soumettre une nouvelle demande d'attestation à l'agence.]1

  
Art. 534/247. [1 De attesten die verleend zijn conform de bepalingen van dit deel, worden bekendgemaakt op de website van het agentschap met vermelding van de geldigheidstermijn ervan.]1
  
Art. 534/246. [1 § 1er. Tant que le certificat délivré est valable, la version certifiée de l'application numérique et son évolution sont réputées continuer à satisfaire aux exigences fonctionnelles et techniques et aux exigences de fiabilité et de sécurité visées à l'article 534/244, § 1er, alinéa 1er.
   § 2. Un développeur de logiciels disposant d'une application numérique certifiée met en oeuvre toutes les modifications des exigences fonctionnelles et techniques et des exigences de fiabilité et de sécurité visées à l'article 534/244, § 1er, selon la politique de gestion des versions de la plate-forme numérique de la protection sociale flamande.
   Un développeur de logiciels qui, de sa propre initiative, apporte à l'application numérique certifiée des modifications affectant les exigences fonctionnelles et techniques et les exigences de fiabilité et de sécurité telles que visées à l'article 534/244, § 1er, alinéa 1er, en informe l'agence. Dans cette notification à l'agence, le développeur de logiciels décrit les modifications apportées à l'application numérique certifiée.
   § 3. Si des modifications affectant les exigences fonctionnelles et techniques et les exigences de fiabilité et de sécurité telles que visées à l'article 534/244, § 1er, alinéa 1er, sont apportées à l'application numérique certifiée conformément au paragraphe 2, l'agence peut décider, sur avis conforme du groupe d'experts indépendants visé à l'article 534/244, § 3, de demander des explications supplémentaires au sujet des modifications notifiées ou d'imposer de nouveaux essais de l'application numérique.
   § 4. S'il existe des éléments indiquant qu'une application numérique ne satisfait plus aux exigences fonctionnelles et aux exigences de fiabilité et de sécurité visées à l'article 534/244, § 1er, alinéa 1er, l'agence peut décider, sur avis conforme du groupe d'experts indépendants visé à l'article 534/244, § 3, d'organiser de nouveaux essais. En fonction des résultats des tests, l'agence peut décider de confirmer ou de retirer l'attestation après avoir reçu l'avis conforme du groupe d'experts indépendants susmentionné.]1

  
Boek 4. - Wijzigingsbepalingen
Art. 534/247. [1 Les certificats délivrés conformément aux dispositions de la présente partie sont publiés sur le site web de l'agence en mentionnant leur délai de validité.]1
Deel 1. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 1983 houdende sommige maatregelen tot harmonisatie van de werking en van de presentiegelden en vergoedingen van adviesorganen
Livre 4. - Dispositions modificatives
Art. 535. In de bijlage bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 1983 houdende sommige maatregelen tot harmonisatie van de werking en van de presentiegelden en vergoedingen van adviesorganen, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2017, wordt de bepaling "- de bezwaarcommissie, vermeld in artikel 130 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 oktober 2016 houdende de uitvoering van het decreet van 24 juni 2016 houdende de Vlaamse sociale bescherming" vervangen door de bepaling "- de administratieve beroepscommissie, vermeld in artikel 144 van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 november 2018 houdende de uitvoering van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming".
Partie 1ère. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 décembre 1983 portant certaines mesures en vue d'harmoniser le fonctionnement, les jetons de présence et les indemnités aux organes consultatifs
Deel 2. - Wijziging van het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen
Art. 535. Au point 4 de l'annexe à l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 décembre 1983 portant certaines mesures en vue d'harmoniser le fonctionnement, les jetons de présence et les indemnités aux organes consultatifs, modifié pour la dernière fois par l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juillet 2017, la disposition " - la commission de réclamation, visée à l'article 130 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 octobre 2016 portant exécution du décret du 24 juin 2016 relatif à la protection sociale flamande " est remplacée par la disposition " - la commission professionnelle administrative visée à l'article 144 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 30 novembre 2018 portant exécution du décret du 18 mai 2018 relatif à la protection sociale flamande ".
Art. 536. In artikel 28 van de bijlage bij het koninklijk besluit van van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, het laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 27 mei 2014, wordt paragraaf 8 opgeheven.
Partie 2. - Modification de l'arrêté royal du 14 septembre 1984 établissant la nomenclature des prestations de santé en matière d'assurance obligatoire soins de santé et indemnités
Deel 3. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 1995 houdende erkenning en subsidiëring van palliatieve netwerken
Art. 536. Le paragraphe 8 de l'article 28 de l'annexe de l'arrêté royal du 14 septembre 1984 établissant la nomenclature des prestations de santé en matière d'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 27 mai 2014, est supprimé.
Art. 537. In artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 1995 houdende erkenning en subsidiëring van palliatieve netwerken worden de volgende wijzigingen aangebracht:
Partie 3. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 mai 1995 portant approbation et subventionnement des réseaux palliatifs
Art. 538. In artikel 27 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009, wordt de zinsnede "woonzorgcentrum, rust- en verzorgingstehuis" vervangen door de zinsnede "woonzorgcentrum, met of zonder bijkomende erkenning".
Art. 537. L'article 8 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 mai 1995 portant approbation et subventionnement des réseaux palliatifs est modifié comme suit :
  1° le point 2° est remplacé par ce qui suit :
  " 2° les centres de soins résidentiels agréés sans agrément supplémentaire ; " ;
  2° le point 3° est remplacé par ce qui suit :
  " 3° les centres de soins résidentiels agréés avec agrément supplémentaire ; " ;
Deel 4. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 1995 betreffende de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen voor de Vlaamse Gemeenschap en de instellingen die eronder ressorteren
Art. 538. Dans l'article 27 du même arrêté, tel que modifié par l'arrêté du gouvernement flamand du 24 juillet 2009, les termes " centre de soins résidentiels, maison de repos et de soins " sont remplacés par les termes " centre de soins résidentiels, avec ou sans agrément supplémentaire ".
Art. 539. In artikel 1, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 1995 betreffende de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen voor de Vlaamse Gemeenschap en de instellingen die eronder ressorteren, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 2007 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 oktober 2016, wordt de zinsnede "vermeld in het decreet van 24 juni 2016 houdende de Vlaamse sociale bescherming" vervangen door de zinsnede "vermeld in het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming".
Partie 4. - Modification de l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 1995 relatif au recouvrement des créances non fiscales pour la Communauté flamande et les organismes qui en relèvent
Deel 5. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne
Art. 539. Dans l'article 1er, paragraphe 2, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 1995 relatif au recouvrement des créances non fiscales pour la Communauté flamande et les organismes qui en relèvent, insérée par l'arrêté du gouvernement flamand du 19 janvier 2007 et modifiée par la décision du gouvernement flamand du 14 octobre 2016, les termes " visée dans le décret du 24 juin 2016 relatif à la protection sociale flamande " sont remplacés par " visés dans le décret du 18 mai 2018 relatif à la protection sociale flamande ".
Art. 540. In rubriek 49.1 van bijlage 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015, wordt de zinsnede "rust- en verzorgingstehuizen, erkend door de Vlaamse Gemeenschap met toepassing van het koninklijk besluit van 21 september 2004 houdende vaststelling van de normen voor de bijzondere erkenning als rust- en verzorgingstehuis, als centrum voor dagverzorging of als centrum voor niet-aangeboren hersenletsels" vervangen door de zinsnede "woonzorgcentra met een bijkomende erkenning, erkend door de Vlaamse Gemeenschap conform artikel 10/4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 betreffende de programmatie, de erkenningsvoorwaarden en de subsidieregeling voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen van gebruikers en mantelzorgers".
Partie 5. - Modification de l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er juin 1995 fixant les dispositions générales et sectorielles en matière d'hygiène de l'environnement
Deel 6. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juni 2000 tot vaststelling van de procedure voor de bijzondere erkenning van een centrum voor dagverzorging
Art. 540. A la rubrique 49.1 de l'annexe de l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er juin 1995 fixant les dispositions générales et sectorielles en matière d'hygiène de l'environnement, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 novembre 2015, la partie de phrase " centres de repos et de soins agréés par la Communauté flamande en application de l'arrêté royal du 21 septembre 2004 fixant les normes pour l'agrément spécial comme maison de repos et de soins, comme centre de soins de jour ou comme centre pour lésions cérébrales acquises ", est remplacée par " centres de soins résidentiels avec agrément supplémentaire, agréés par la Communauté flamande conformément à l'article 10/4 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juillet 2009 relatif à la programmation, les conditions d'agrément et le régime de subventionnement de structures de services de soins et de logement et d'associations d'usagers et d'intervenants de proximité ".
Art. 541. In het opschrift van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juni 2000 tot vaststelling van de procedure voor de bijzondere erkenning van een centrum voor dagverzorging worden de woorden "de bijzondere erkenning van een centrum voor dagverzorging" vervangen door de woorden "de bijkomende erkenning van een dagverzorgingscentrum".
Partie 6. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 juin 2000 fixant la procédure d'agrément spécial d'un centre de soins de jour
Art. 542. In artikel 1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 31 maart 2006, 12 januari 2007 en 7 december 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° punt 3° wordt vervangen door wat volgt:
  "3° het besluit van 24 juli 2009: het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 betreffende de programmatie, de erkenningsvoorwaarden en de subsidieregeling voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen van gebruikers en mantelzorgers;";
  2° punt 4° wordt vervangen door wat volgt:
  "4° erkenning: de bijkomende erkenning, vermeld in artikel 10/5 van het besluit van 24 juli 2009;";
  3° punt 5° wordt vervangen door wat volgt:
  "5° centrum: een dagverzorgingscentrum met een bijkomende erkenning, zijnde een dagverzorgingscentrum dat een verzorgingsstructuur aanbiedt die zwaar afhankelijke zorgbehoevende personen overdag opvangt en die de noodzakelijke ondersteuning verschaft voor het behoud van die personen in hun thuisomgeving of dat een verzorgingsstructuur aanbiedt die overdag personen opvangt die lijden aan een ernstige ziekte die aangepaste zorg vereist en die de noodzakelijke ondersteuning verschaft voor het behoud van die personen in hun thuisomgeving;";
  4° punt 6° wordt vervangen door wat volgt:
  "6° verblijfseenheden: opnamemogelijkheden in een dagverzorgingscentrum;".
Art. 541. Dans l'intitulé de la version néerlandaise de l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 juin 2000 fixant la procédure d'agrément spécial d'un centre de soins de jour, les mots " l'agrément spécial d'un centre de soins de jour " sont remplacés par " l'agrément supplémentaire d'un centre de soins de jour ".
Art. 543. In hetzelfde besluit wordt het opschrift van hoofdstuk II vervangen door wat volgt:
  "De bijkomende erkenning.".
Art. 542. A l'article 1 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 31 mars 2006, 12 janvier 2007 et 7 décembre 2012, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le point 3° est remplacé comme suit :
  " 3° l'arrêté du 24 juillet 2009 : l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juillet 2009 relatif à la programmation, les conditions d'agrément et le régime de subventionnement de structures de services de soins et de logement et d'associations d'usagers et d'intervenants de proximité ; " ;
  2° le point 4° est remplacé comme suit :
  " 4° agrément : l'agrément supplémentaire visé à l'article 10/5 du décret du 24 juillet 2009 ; " ;
  3° le point 5° est remplacé comme suit :
  " 5° centre : un centre de soins de jour doté d'un agrément supplémentaire, c'est-à-dire un centre soins de jour qui offre une structure de soins accueillant des personnes gravement dépendantes ayant besoin de soins en journée et qui fournit le soutien nécessaire au maintien de ces personnes dans leur milieu de vie ou qui offre une structure de soins accueillant en journée des personnes souffrant d'une maladie grave et qui requièrent des soins appropriés, et fournissant le soutien nécessaire au maintien de ces personnes dans leur milieu de vie ; " ;
  4° le point 6° est remplacé comme suit :
  " 6° unités de séjour : possibilités d'admission en centre de soins de jour ; ".
Art. 544. In artikel 2 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2012, wordt punt 3° vervangen door wat volgt:
  "3° het centrum voldoet aan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in hoofdstuk III/1 van bijlage IX of hoofdstuk III/1 van bijlage XV van het besluit van 24 juli 2009.".
Art. 543. Dans le même arrêté, l'intitulé du chapitre II est remplacé comme suit :
  " L'agrément supplémentaire "
Art. 545. In artikel 4 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij besluiten van de Vlaamse Regering van 24 juni 2009 en 7 december 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in punt 3° worden de woorden "centrum voor dagverzorging" vervangen door het woord "dagverzorgingscentrum";
  2° punt 4° wordt opgeheven.
Art. 544. Le point 3° de l'article 2 du même arrêté, tel que modifié par le décret du gouvernement flamand du 7 décembre 2012, est remplacé comme suit :
  " 3° le centre remplit les conditions d'agrément énumérées au chapitre III/1 de l'annexe IX ou au chapitre III/1 de l'annexe XV de l'arrêté du 24 juillet 2009. ".
Art. 546. In artikel 10, eerste lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2012, wordt de zinsnede "de naleving van de erkenningsnormen zoals bepaald in bijlage 2 bij het besluit van 21 september 2004" vervangen door de zinsnede "de naleving van de erkenningsvoorwaarden, vermeld in hoofdstuk III/1 van bijlage IX of van bijlage XV van het besluit van 24 juli 2009".
Art. 545. Les modifications suivantes sont apportées à l'article 4 de la version néerlandaise du même arrêté, tel que modifiée par les arrêtés du Gouvernement flamand du 24 juin 2009 et du 7 décembre 2012 :
  1° au point 3°, les mots " centrum voor dagverzorging " sont remplacés par le mot " dagverzorgingscentrum ";
  2° le point 4° est supprimé.
Art. 547. In artikel 11 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 januari 2007, wordt het woord "erkenningsnormen" vervangen door het woord "erkenningsvoorwaarden".
Art. 546. dans l'article 10, premier alinéa, du même arrêté, tel que modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 décembre 2012, l'expression " respect des conditions d'agrément prévues à l'annexe 2 de l'arrêté du 21 septembre 2004 " est remplacée par " respect des conditions d'agrément prévues au chapitre III/1 de l'annexe IX ou à l'annexe XV de l'arrêté du 24 juillet 2009 ".
Deel 7. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 2000 houdende vaststelling van de voorwaarden van toekenning van een persoonlijke-assistentiebudget aan personen met een handicap
Art. 547. Dans l'article 11 de la même loi, telle que modifiée par la loi du gouvernement flamand du 12 janvier 2007, les termes " normes d'agrément " sont remplacés par les termes " conditions d'agrément ".
Art. 548. In artikel 8, § 7, van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 2000 houdende vaststelling van de voorwaarden van toekenning van een persoonlijke-assistentiebudget aan personen met een handicap, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 november 2006 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 2015, worden de woorden "rust- en verzorgingstehuis" telkens vervangen door de woorden "woonzorgcentrum met een bijkomende erkenning".
Partie 7. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 décembre 2000 établissant les conditions d'octroi d'un budget d'assistance personnelle aux personnes handicapées
Art. 549. In artikel 10, § 4, van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het zevende lid worden de woorden "een woonzorgcentrum of een rust- en verzorgingstehuis" vervangen door de zinsnede "een woonzorgcentrum, met of zonder bijkomende erkenning";
  2° in het achtste lid worden de woorden "woonzorgcentrum of een rust- en verzorgingstehuis" vervangen door de woorden "woonzorgcentrum zonder bijkomende erkenning of een woonzorgcentrum met een bijkomende erkenning".
Art. 548. Dans l'article 8, § 7 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 décembre 2000 établissant les conditions d'octroi d'un budget d'assistance personnelle aux personnes handicapées, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 novembre 2006 et remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 février 2015, les mots " maison de repos et de soins " sont remplacés systématiquement par les mots " centre de soins résidentiels avec agrément supplémentaire ".
Deel 8. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001 tot vaststelling van de criteria, voorwaarden en refertebedragen van de tussenkomsten in de individuele materiële bijstand voor de sociale integratie van personen met een handicap
Art. 549. Les modifications suivantes sont apportées à l'article 10, paragraphe 4, du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du gouvernement flamand du 26 février 2016 :
Art. 550. In artikel 6 van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001 tot vaststelling van de criteria, voorwaarden en refertebedragen van de tussenkomsten in de individuele materiële bijstand voor de sociale integratie van personen met een handicap, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 december 2011 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 februari 2013, wordt het tweede lid opgeheven.
Partie 8. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 juillet 2001 fixant les critères, les conditions et les montants de référence des interventions d'assistance matérielle individuelle à l'intégration sociale des personnes handicapées
Art. 551. In artikel 7 van het hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 november 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid, 2°, b), wordt de zinsnede "en in bijlage II, die bij dit besluit is gevoegd" opgeheven;
  2° in het eerste lid, 2°, c), wordt de zinsnede "of in bijlage II, die bij dit besluit is gevoegd" opgeheven;
  3° in het tweede lid wordt de zinsnede "met inbegrip van de mobiliteitshulpmiddelen die vermeld worden in bijlage II, gevoegd bij dit besluit," opgeheven.
Art. 550. Le deuxième alinéa de l'article 6 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 juillet 2001 fixant les critères, les conditions et les montants de référence des interventions d'assistance matérielle individuelle à l'intégration sociale des personnes handicapées, remplacé par l'arrêté du gouvernement flamand du 9 décembre 2011 et modifié par l'arrêté du gouvernement flamand du 1er février 2013 est supprimé.
Art. 552. In artikel 16 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002, 14 mei 2004, 12 december 2008, 17 december 2010 en 9 december 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het tweede lid wordt de zinsnede "II en" opgeheven;
  2° in het zesde lid wordt de zinsnede ", en de bedragen opgenomen in bijlage II Rolstoelen, gevoegd bij dit besluit," opgeheven.
Art. 551. Les modifications suivantes sont apportées à l'article 7 du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 novembre 2013 :
  1° au premier alinéa, 2°, b), les termes " et en annexe II, jointe au présent arrêté " sont supprimés ;
  2° au premier alinéa, 2°, c), les termes " ou en annexe II, jointe au présent arrêté " sont supprimés ;
  3° au paragraphe 2, les mots " y compris les aides à la mobilité visées en annexe II, jointe au présent arrêté " sont supprimés.
Art. 553. Bijlage II bij hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 februari 2013 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 november 2013, wordt opgeheven.
Art. 552. Les modifications suivantes sont apportées à l'article 16 du même arrêté, tel que modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 19 juillet 2002, 14 mai 2004, 12 décembre 2008, 17 décembre 2010 et 9 décembre 2011 :
  1° au deuxième alinéa, les mots " II et " sont supprimés ;
  2° au sixième alinéa, les mots " , et les montants énumérés en annexe II Fauteuils roulants, jointe au présent arrêté, " sont supprimés.
Deel 9. - Wijziging van het koninklijk besluit van 12 december 2001 betreffende de dienstencheques
Art. 553.L'annexe II du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er février 2013 et modifié par l'arrêté du gouvernement flamand du 29 novembre 2013, est abrogée.
Art. 554. In artikel 1, eerste lid, 7°, b) van het koninklijk besluit van 12 december 2001 betreffende de dienstencheques, hersteld bij het koninklijk besluit van 28 september 2008 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 oktober 2016, wordt de zinsnede "of die een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden krijgt, op basis van het decreet van 24 juni 2016 houdende de Vlaamse sociale bescherming" vervangen door de zinsnede "of die een zorgbudget voor ouderen met een zorgnood krijgt, op basis van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming".
Partie 9. - Modification de l'arrêté royal du 12 décembre 2001 relatif aux titres-services
Deel 10. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap "Zorg en Gezondheid"
Art. 554. Dans l'article 1, premier alinéa, 7° b) de l'arrêté royal du 12 décembre 2001 relatif aux titres-services, restauré par l'arrêté royal du 28 septembre 2008 et remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 octobre 2016, les termes " qui reçoit une allocation pour l'aide aux personnes âgées, sur la base du décret du 24 juin 2016 relatif à la protection sociale flamande " sont remplacés par les termes " qui reçoit un budget de soins pour les personnes âgées nécessitant des soins, sur la base du décret du 18 mai 2018 relatif à la protection sociale flamande ".
Art. 555. In artikel 3, eerste lid, 5°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap "Zorg en Gezondheid", vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 oktober 2016, wordt de zinsnede "artikel 18, § 1, van het decreet van 24 juni 2016 houdende de Vlaamse sociale bescherming" vervangen door de zinsnede "artikel 21, § 1, van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming".
Partie 10. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 mai 2004 portant création de l'Agence autonomisée interne " Zorg en Gezondheid " (Soins et Santé)
Deel 11. - Wijzigingen van het koninklijk besluit van 21 september 2004 houdende vaststelling van de normen voor de bijzondere erkenning als rust- en verzorgingstehuis, als centrum voor dagverzorging of als centrum voor niet aangeboren hersenletsels
Art. 555. Dans l'article 3, premier alinéa, 5° de l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 mai 2004 portant création de l'Agence autonomisée interne " Zorg en Gezondheid " remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 octobre 016, les mots " l'article 18, § 1er, du décret du 24 juin 2016 relatif à la protection sociale flamande " sont remplacés par les mots " l'article 21, § 1er, du décret du 18 mai 2018 relatif à la protection sociale flamande "
Art. 556. In artikel 1 van het koninklijk besluit van 21 september 2004 houdende vaststelling van de normen voor de bijzondere erkenning als rust- en verzorgingstehuis, als centrum voor dagverzorging of als centrum voor niet aangeboren hersenletsels, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 7 juni 2009 en 15 december 2013, worden punt 1°, punt 3°, punt 4°, punt 5° en punt 7° opgeheven.
Partie 11. - Modifications de l'arrêté royal du 21 septembre 2004 fixant les normes pour l'agrément spécial comme maison de repos et de soins, comme centre de soins de jour ou comme centre pour lésions cérébrales acquises
Art. 557. In hetzelfde koninklijk besluit worden de volgende artikel en opgeheven:
  1° artikel 2;
  2° artikel 2bis, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 15 december 2013;
  3° artikel 3, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 december 2013.
Art. 556. Dans l'article 1 de l'arrêté royal du 21 septembre 2004 fixant les normes pour l'agrément spécial comme maison de repos et de soins, comme centre de soins de jour ou comme centre pour lésions cérébrales acquises, modifié par les arrêtés royaux du 7 juin 2009 et du 15 décembre 2013, les points 1°, 3°, 4°, 5° et 7° sont supprimés.
Art. 558. In hetzelfde koninklijk besluit worden de volgende artikel en opgeheven:
  1° artikel 4;
  2° artikel 5 en 6, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 december 2013.
Art. 557. Dans le même arrêté royal, les articles suivants sont abrogés :
  1° l'article 2 ;
  2° l'article 2bis, inséré par l'arrêté royal du dimanche 15 décembre 2013 ;
  3° article 3, modifié par l'arrêté royal du 15 décembre 2013.
Art. 559. Bijlage 1 bij hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 7 juni 2009, 9 maart 2014, 18 december 2014, 9 juli 2015 en 27 november 2015, wordt opgeheven.
Art. 558. Dans le même arrêté royal, les articles suivants sont abrogés :
  1° l'article 4 ;
  2° les articles 5 et 6, modifiés par l'arrêté royal du 15 décembre 2013.
Art. 560. Bijlage 2 bij hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 7 juni 2009, 15 december 2013 en 9 maart 2014, wordt opgeheven.
Art. 559. L'annexe 1 du même arrêté, telle que modifiée par les arrêtés royaux des 7 juin 2009, 9 mars 2014, 18 décembre 2014, 9 juillet 2015 et 27 novembre 2015, est abrogée.
Deel 12. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 september 2006 tot regeling van de alternatieve investeringswaarborg verstrekt door het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden
Art. 560. L'annexe 2 du même décret, telle que modifiée par les arrêtés royaux des 7 juin 2009, 15 décembre 2013 et 9 mars 2014, est abrogée.
Art. 561. In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 september 2006 tot regeling van de alternatieve investeringswaarborg verstrekt door het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 juni 2009, 24 juli 2009, 4 juni 2010 en 10 november 2011, worden volgende wijzigingen aangebracht:
Partie 12. - Modification de l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er septembre 2006 réglant la garantie d'investissement alternative octroyée par le " Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden "
Deel 13. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007 houdende samenstelling en werking van de raadgevende comités bij de intern verzelfstandigde agentschappen van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin
Art. 561. Les modifications suivantes sont apportées à l'article 1 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er septembre 2006 réglant la garantie d'investissement alternative octroyée par le " Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden ", modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 19 juin 2009, 24 juillet 2009, 4 juin 2010 et 10 novembre 2011 ;
Art. 562. In artikel 1, 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007 houdende samenstelling en werking van de raadgevende comités bij de intern verzelfstandigde agentschappen van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 oktober 2016, wordt wordt de zinsnede "opgericht bij het decreet van 24 juni 2016 houdende de Vlaamse sociale bescherming" vervangen door de zinsnede "vermeld in artikel 9 van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming".
Partie 13. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2007 portant composition et fonctionnement des conseils consultatifs auprès des agences autonomisées internes du domaine politique de l'Aide sociale, de la Santé publique et de la Famille
Art. 563. In artikel 2, § 4, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 oktober 2016, wordt de zinsnede "artikel 14 van het decreet van 24 juni 2016 houdende de Vlaamse sociale bescherming" vervangen door de zinsnede "artikel 17 van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming".
Art. 562. Dans l'article 1, premier alinéa, 4° de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2007 portant composition et fonctionnement des conseils consultatifs auprès des agences autonomisées internes du domaine politique du Bien-être, de la Santé publique et de la Famille, remplacé par l'arrêté du Gouvernement du 14 octobre 2016, les mots " établi par le décret du 24 juin 2016 relatif à la protection sociale flamande " sont remplacés par les mots " visé à l'article 9 du décret du 18 mai 2018 relatif à la protection sociale flamande ".
Art. 564. In artikel 5 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 oktober 2016, wordt de zinsnede "overeenkomstig artikel 14 van het decreet van 24 juni 2016 houdende de Vlaamse sociale bescherming" vervangen door de zinsnede "overeenkomstig artikel 17 van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming".
Art. 563. A l'article 2, paragraphe 4 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du gouvernement flamand du 14 octobre 2016, les termes " article 14 du décret du 24 juin 2016 relatif à la protection sociale flamande " sont remplacés par les termes " article 17 du décret du 18 mai 2018 relatif à la protection sociale flamande ".
Deel 14. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 2007 tot reglementering van het sociale huurstelsel ter uitvoering van titel VII van de Vlaamse Wooncode
Art. 564. A l'article 5 du même arrêté tel que modifié par l'arrêté du gouvernement flamand du 14 octobre 2016, les termes " conformément à l'article 14 du décret du 24 juin 2016 relatif à la protection sociale flamande " sont remplacés par les termes " conformément à l'article 17 du décret du 18 mai 2018 relatif à la protection sociale flamande ".
Art. 565. In artikel 27, vierde lid van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 2007 tot reglementering van het sociale huurstelsel ter uitvoering van titel VII van de Vlaamse Wooncode, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 2009, wordt punt 1° vervangen door wat volgt:
Partie 14. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 octobre 2007 réglementant le régime de location sociale et portant exécution du titre VII du Code flamand du Logement
Deel 15. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 betreffende de programmatie, de erkenningsvoorwaarden en de subsidieregeling voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen van gebruikers en mantelzorgers
Art. 565. Dans l'article 24, quatrième alinéa de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 octobre 2007 réglementant le régime de location sociale et portant exécution du titre VII du Code flamand du Logement, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 février 2009, le point 1° est remplacé comme suit :
Art. 566. In het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 betreffende de programmatie, de erkenningsvoorwaarden en de subsidieregeling voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen van gebruikers en mantelzorgers, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 maart 2018, wordt een hoofdstuk III/1, dat bestaat uit artikel 10/4 en 10/5, ingevoegd, dat luidt als volgt
Partie 15. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juillet 2009 relatif à la programmation, les conditions d'agrément et le régime de subventionnement de structures de services de soins et de logement et d'associations d'usagers et d'intervenants de proximité
Art. 567. In artikel 2, eerste lid, 3°, van bijlage V van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse regering van 5 oktober 2012, worden de woorden "hulp aan bejaarden" vervangen door de woorden "het zorgbudget voor ouderen met een zorgnood".
Art. 566. A l'article 1er de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juillet 2009 relatif à la programmation, les conditions d'agrément et le régime de subventionnement de structures de services de soins et de logement et d'associations d'usagers et d'intervenants de proximité, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 2 mars 2018 et 12 octobre 2012, il est ajouté un chapitre III/1 composé de l'article 10/4 et 10/5 et libellé comme suit :
  " Chapitre III/1 Conditions supplémentaires d'agrément
  Art. 10/4. Un agrément supplémentaire peut être accordé aux centres de soins résidentiels qui offrent une structure de soins accueillant des personnes gravement dépendantes ayant besoin de soins.
  L'agrément supplémentaire d'un centre de soins résidentiels peut concerner :
  1° soit la totalité des logements ;
  2° soit une partie de ceux-ci.
  Afin d'obtenir et de maintenir l'agrément supplémentaire visé au paragraphe 1, un centre de soins résidentiels doit remplir les conditions fixées à l'annexe XII, chapitre III/1.
  Art. 10/5. § 1. Un agrément supplémentaire peut être accordé à un centre de soins de jour :
  1° soit pour l'accueil de personnes dépendantes correspondant aux catégories de dépendance F, Fd ou D visées à l'article 426, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 30 novembre 2018 portant exécution du décret du vendredi 18 mai 2018 relatif à la protection sociale flamande ;
  2° soit pour l'accueil de personnes souffrant d'une maladie grave correspondant à la catégorie de dépendance Fp visée à l'article 427 du décret du Gouvernement flamand du 18 mai 2018 portant application du décret du Gouvernement flamand du 30 novembre 2018 relatif à la protection sociale flamande.
  § 2. L'agrément supplémentaire en tant que centre de soins de jour pour personnes dépendantes peut être accordé aux centres de soins de jour offrant une structure d'accueil qui accueille en journée des personnes fortement dépendantes et fournissant le soutien nécessaire au maintien de ces personnes dans leur milieu de vie tel que visé à l'annexe IX.
  § 3. Un agrément supplémentaire de centre de soins de jour pour personnes souffrant d'une maladie grave peut être accordé aux centres de soins de jour offrant une structure d'accueil de jour pour les personnes souffrant d'une maladie grave nécessitant des soins appropriés et apportant le soutien nécessaire au maintien de ces personnes dans leur environnement familial, telles que visées à l'annexe XV.
  § 4. Afin d'obtenir et de maintenir un agrément supplémentaire pour l'accueil des personnes dépendantes visées au paragraphe 1, 1°, un centre de soins de jour doit remplir les conditions visées à l'annexe IX, chapitre III/1.
  Afin d'obtenir et de maintenir un agrément supplémentaire pour l'accueil des personnes atteintes d'une maladie grave visée au paragraphe 1, 2°, un centre de soins de jour doit remplir les conditions prévues au chapitre 3/1 de l'annexe XV.
  § 5. Le nombre d'entités agréées d'un centre de soins de jour bénéficiant d'un agrément supplémentaire est indiqué dans la décision d'agrément qui précise également s'il est accordé un agrément supplémentaire en tant que centre de soins de jour pour personnes dépendantes ou un agrément supplémentaire en tant que centre de soins de jour pour personnes atteintes d'une maladie grave. ".
Art. 568. In artikel 51 van bijlage IX bij hetzelfde besluit, vervangen bij besluit van de Vlaamse Regering van 14 september 2012, wordt punt 10° vervangen door wat volgt:
  "10° het dagverzorgingscentrum kan geen bijkomende erkenning verkrijgen als vermeld in artikel 10/5, § 1 van dit besluit;".
Art. 567. Dans l'article 2, premier alinéa, 3°, de l'annexe V du même arrêté, tel que modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 octobre 2012, les termes " aide aux personnes âgées " sont remplacés par les termes " budget de soins pour les personnes âgées nécessitant des soins ".
Art. 569. In Bijlage IX bij hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering 14 september 2012 en gewijzigd bij besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt een hoofdstuk III/1, dat bestaat uit artikel 51/3 tot en met 51/6, ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Hoofdstuk III/1. Bijkomende erkenning
  Afdeling I. - Algemene erkenningsvoorwaarden
  Art. 51/3. De dagverzorgingscentra met een bijkomende erkenning voor de opvang van zorgafhankelijke personen zijn bestemd voor personen die beantwoorden aan de afhankelijkheidscategorieën F, Fd of D, vermeld in artikel 426 van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 november 2018 houdende de uitvoering van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming.
  Afdeling II. - Functionele erkenningsvoorwaarden
  Art. 51/4. Voor dagverzorgingscentra, vermeld in dit hoofdstuk, die zich in een woonzorgcentrum bevinden, moet een aparte eenheid gecreëerd worden.
  Afdeling III. - Organisatorische erkenningsvoorwaarden
  Art. 51/5. § 1. Voor het personeel gelden de volgende erkenningsvoorwaarden per vijftien personen die verblijven in een dagverzorgingscentrum met een bijkomende erkenning voor de opvang van zorgafhankelijke personen:
  1° 0,75 voltijds equivalent verpleegkundige;
  2° 2,03 voltijds equivalenten eenheid personeel die de verpleegkundigen daadwerkelijk bijstaan in de zorgverstrekking, de afhankelijke personen helpen bij de handelingen van het dagelijks leven, het behoud van de zelfredzaamheid en het in stand houden van de woon- en leefkwaliteit;
  3° 0,35 voltijds equivalent kinesitherapeut, ergotherapeut of logopedist, of een combinatie van twee of drie van deze kwalificaties met een totaal van 0,35 vte;
  4° 0,63 voltijds equivalent die een functie met betrekking tot de reactivering van ouderen uitoefent en die over één van de volgende kwalificaties beschikt: graduaat, bachelor, licentiaat of master kinesitherapie; graduaat, bachelor; licentiaat of master logopedie; graduaat of bachelor ergotherapie, graduaat of bachelor arbeidstherapie; graduaat of bachelor readaptatiewetenschappen; graduaat of bachelor dieetleer; graduaat, bachelor, licentiaat of master in de ortho-pedagogie; graduaat, bachelor, post-graduaat of master psychomotoriek; licentiaat of master psychologie; graduaat of bachelor psychologisch assistent en gelijkgestelden; graduaat of bachelor sociaal werker, sociale gezondheidszorg, maatschappelijk verpleegkundige of "infirmière spécialisée en santé communautaire" graduaat of bachelor gezinswetenschappen; licentiaat of master gerontologie, graduaat of bachelor opvoeder.
  Het personeel, vermeld in het eerste lid, 2°, dient tenminste de kwalificatievereisten te bewijzen van: het brevet of het diploma secundair onderwijs, het studiegetuigschrift secundair onderwijs of het kwalificatiegetuigschrift of het getuigschrift van secundair onderwijs van: gezins- en sanitaire hulp, kinderverzorging, verpleegaspiranten, leefgroepwerking, gezins- en bejaardenhelpster, " aide familiale ", bijzondere jeugdzorg, personenzorg, " assistant(e) en gériatrie ", " éducateur ", " moniteur de collectivité, auxiliaires polyvalentes des services à domicile et en collectivités " of " aide polyvalente de collectivités " of " zorgkundige ". Met verzorgingspersoneel worden gelijkgesteld de personen die geslaagd zijn voor een opleiding die is erkend door de bevoegde overheid van de Vlaamse Gemeenschap.
  § 2. Minstens één persoon die voldoet aan de voorwaarden van een van de punten, vermeld in paragraaf 1, dient permanent aanwezig te zijn om de opvang en verzorging van de personen te verzekeren.
  § 3. Als het dagverzorgingscentrum met een bijkomende erkenning voor de opvang van zorgafhankelijke personen niet voldoet aan de erkenningsvoorwaarden voor het personeel, vermeld in paragraaf 1, voor een of meer personeelskwalificaties, kan een tekort aan een bepaalde kwalificatie gecompenseerd worden door een teveel aan personeel met een andere kwalificatie conform de regels, vermeld in het tweede lid. In ieder geval is die compensatie niet mogelijk als het gaat om een tekort op de erkenningsvoorwaarde met betrekking tot het personeel, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3°.
  De compensatie, vermeld in het eerste lid, wordt toegepast conform de volgende regels:
  1° een tekort aan personeel voor reactivering, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 4°, kan voor maximum 20% gecompenseerd worden door een teveel aan gegradueerde verpleegkundigen of bachelors in de verpleegkunde;
  2° een tekort aan verpleegkundigen, vermeld in in paragraaf 1, eerste lid, 1°, kan voor maximum 20% gecompenseerd worden door een teveel aan personeel voor reactivering als vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 4° ;
  3° een tekort aan zorgkundigen als vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 2°, kan onbeperkt gecompenseerd worden door een teveel aan verpleegkundigen als vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, of personeel voor reactivering als vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 4°.
  Afdeling IV. - Statistische gegevens
  Art. 51/6. Het dagverzorgingscentrum met een bijkomende erkenning voor de opvang van zorgafhankelijke personen moet aan het agentschap Zorg en Gezondheid de statistische gegevens meedelen die met het dagverzorgingscentrum verband houden, volgens de door de minister vastgestelde regels en binnen de door de minister bepaalde termijn.".
Art. 568. Dans l'article 51 de l'annexe IX du même arrêté, remplacé par l'arrêté du gouvernement flamand du 14 septembre 2012, le point 10° est remplacé par le texte suivant :
  " 10° le centre de soins de jour ne peut obtenir d'agrément supplémentaire au sens de l'article 10/5 § 1 du présent arrêté; ".
Art. 570. In hoofdstuk IV, afdeling I van bijlage XI bij hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 maart 2017, wordt een nieuw artikel 15/0 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 15/0. Deze afdeling is alleen van toepassing op erkende centra voor kortverblijf die worden uitgebaat in bestemde lokalen van erkende centra voor herstelverblijf die daarvoor bestemd zijn.".
Art. 569. Dans l'annexe IX du même arrêté, remplacé par l'arrêté du gouvernement flamand du 14 septembre 2012 et modifié par l'arrêté du gouvernement flamand du 16 mai 2014, un chapitre III/1, composé des articles 51/3 à 51/6, est inséré et, libellé comme suit :
  " Chapitre III/1. Agrément supplémentaire
  Section I. Conditions générales d'agrément
  Art. 51/3. Les centres de soins de jour avec agrément supplémentaire pour l'accueil des personnes dépendantes sont destinés aux personnes relevant des catégories de dépendance F, Fd ou D visées à l'article 426 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 mai 2018 portant exécution du décret du 18 mai 2018 relatif à la protection sociale en Flandre.
  Section II. Conditions fonctionnelles d'agrément
  Art. 51/4. Une unité distincte doit être créée pour les centres de soins de jour mentionnés dans ce chapitre et situés dans un centre de soins résidentiels.
  Section III. Conditions organisationnelles d'agrément
  Art. 51/5. § 1. Les conditions d'agrément suivantes s'appliquent au personnel par quinze personnes hébergées dans un centre de soins de jour avec agrément supplémentaire pour l'accueil des personnes dépendantes :
  1° 0,75 équivalent temps plein infirmier ;
  2° 2,03 équivalents temps plein unités de personnel qui assistent effectivement les infirmiers dans la prestation des soins, assistent les personnes dépendantes dans les activités de la vie quotidienne, le maintien de l'autonomie et le maintien de la qualité de logement et de vie ;
  3° 0,35 équivalent temps plein kinésithérapeute, ergothérapeute ou orthophoniste, ou une combinaison de deux ou trois de ces qualifications avec un total de 0,35 ETP ;
  4° 0,63 équivalent temps plein qui occupe un poste dans le domaine de la réactivation des personnes âgées et possède l'une des qualifications suivantes : gradué, baccalauréat, maîtrise ou physiothérapie ; gradué, baccalauréat ou maîtrise en orthophonie ; gradué ou baccalauréat en ergothérapie, gradué ou baccalauréat en sciences de la réadaptation ; gradué ou baccalauréat en diététique ; gradué, baccalauréat, maîtrise ou maîtrise en ortho-pédagogie ; gradué, baccalauréat, études supérieures ou maîtrise en psychomotricité ; gradué ou maîtrise en psychologie ; gradué ou baccalauréat en psychologie ; gradué ou baccalauréat en assistance psychologique et équivalent ; gradué ou baccalauréat en travail social, en soins de santé sociale, en infirmière spécialisée en santé communautaire ; gradué ou baccalauréat en sciences familiales ; gradué ou maîtrise en gérontologie, gradué ou baccalauréat en éducation.
  Le personnel visé au premier alinéa, 2°, doit au moins justifier des qualifications exigées par : le certificat ou diplôme de l'enseignement secondaire, le certificat d'études secondaires ou le certificat de qualification ou le certificat de l'enseignement secondaire en : aide familiale et sanitaire, garde d'enfants, aide infirmière, travail communautaire, aide familiale et aide aux personnes âgées, aide familiale, soins spéciaux pour les jeunes, soins personnels, assistant(e) en gériatrie, éducateur, moniteur de collectivité, auxiliaires polyvalentes des services à domicile et en collectivités ou aide polyvalente de collectivités ou aide-soignant. Les personnes ayant suivi avec succès une formation reconnue par l'autorité compétente de la Communauté flamande sont assimilées au personnel infirmier.
  § 2. Au moins une personne remplissant les conditions de l'un des points mentionnés au paragraphe 1 doit être présente en permanence pour assurer l'accueil et les soins des personnes.
  § 3. Si le centre de soins de jour disposant d'un agrément supplémentaire pour l'accueil des personnes dépendantes ne remplit pas les conditions d'agrément du personnel visées au paragraphe 1 pour une ou plusieurs qualifications du personnel, l'insuffisance d'une certaine qualification peut être compensée par un excédent de personnel ayant une qualification différente selon les règles visées au deuxième alinéa. En tout état de cause, une telle compensation n'est pas possible si elle concerne une lacune dans la condition d'agrément du personnel visée au paragraphe 1, premier alinéa, 3°.
  La compensation visée au premier alinéa s'applique conformément aux règles suivantes :
  1° un manque de personnel de réactivation visé au paragraphe 1, premier alinéa, 4° peut être compensé jusqu'à concurrence de 20% par un excédent d'infirmiers diplômés ou de bacheliers en soins infirmiers ;
  2° un manque d'infirmières visées au paragraphe 1, premier alinéa, 1° peut être compensé jusqu'à concurrence de 20% par un excédent de personnel de réactivation visé au paragraphe 1, premier alinéa, 4° ;
  3° un manque de professionnels de santé visée au paragraphe 1, premier alinéa, 2°, peut être compensé sans limitation par un surplus d'infirmières visées au paragraphe 1, premier alinéa, 1°, ou de personnel de réactivation visé au paragraphe 1, premier alinéa, 4°.
  Section IV. Données statistiques
  Art. 51/6. Le centre de soins de jour disposant d'un agrément supplémentaire pour l'accueil des personnes dépendantes doit communiquer à l'Agence Zorg en Gezondheid les données statistiques relatives au centre de soins de jour, conformément aux règles fixées par le ministre et dans le délai fixé par ce dernier. ".
Art. 571. In bijlage XII bij hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van van de Vlaamse Regering van 17 maart 2017, wordt een hoofdstuk III/1, dat bestaat uit artikel 48/1 tot en met artikel 48/28, ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Hoofdstuk III/1. Bijkomende erkenning
  Afdeling I. - Algemene bijkomende erkenningsvoorwaarden
  Art. 48/1. De woongelegenheden met een bijkomende erkenning in een woonzorgcentrum zijn bestemd voor personen die beantwoorden aan de afhankelijkheidscategorieën B, C of Cd, vermeld in artikel 425 van het besluit van 30 november 2018 houdende de uitvoering van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming.
  Art. 48/2. De bijkomende erkenning moet minstens 25 woongelegenheden bedragen.
  Afdeling II. - Specifieke bijkomende erkenningsvoorwaarden
  Onderafdeling I. - Architectonische erkenningsvoorwaarden
  Art. 48/3. Het gebouw of de gebouwen van de woonzorgcentra voldoen aan de volgende voorwaarden:
  1° het woonzorgcentrum moet zodanig zijn ingeplant dat alle voorwaarden aanwezig zijn voor het psychisch en lichamelijk welzijn van de bewoners;
  2° alle voorzorgsmaatregelen moeten getroffen worden om brandgevaar te weren, meer bepaald moeten de woonzorgcentra de reglementering inzake brandveiligheid voor woonzorgcentra toepassen;
  3° in elk woonzorgcentrum moeten de volgende gemeenschappelijke ruimten voorzien zijn :
  a) ten minste een eetzaal en een zitkamer, bij voorkeur van elkaar gescheiden, en zo gezellig en huiselijk mogelijk ingericht, die naargelang de grootte van het woonzorgcentrum, in voldoende aantal aanwezig zijn zodat het leefomgevingskarakter gewaarborgd is en naargelang het woonzorgcentrum in onderscheiden leefgroepen is georganiseerd, in voldoende mate aanwezig zijn, zodat de integratie in de normale leefomgeving gewaarborgd blijft;
  b) ten minste een uitgeruste zaal voor de kinesitherapie- en ergotherapie- oefeningen en animatie in groep;
  4° de bewoners moeten voor hun verplaatsingen in het gebouw geholpen worden door leuningen en handgrepen die eveneens moeten worden aangebracht in de sanitaire ruimte en in de gangen moeten er rustmogelijkheden zijn;
  5° in alle voor de bewoner toegankelijke ruimten en gangen van het woonzorgcentrum moeten alle niveauverschillen zoals treden, trappen en andere hindernissen worden geweerd of, als dat niet mogelijk is, duidelijk gesignaliseerd en moet het gevaar om te vallen worden voorkomen;
  6° alle voor de bewoners toegankelijke ruimten in het woonzorgcentrum moeten ruim genoeg zijn zodat rolstoelgebruikers er zich gemakkelijk kunnen verplaatsen;
  7° er mogen niet meer dan twee woongelegenheden per kamer zijn en ten minste de helft van de opnamecapaciteit moet bestaan uit eenpersoonskamers;
  8° alle kamers moeten een aparte toiletruimte hebben met ten minste een lavabo en een toilet;
  9° de netto-oppervlakte van een persoonskamer moet ten minste 12 m2 bedragen, het sanitair niet meegerekend. Die oppervlakte wordt opgetrokken tot 18 m2 voor twee personen;
  10° iedere kamer moet over warm en koud stromend water beschikken;
  11° iedere kamer moet over voldoende kunstverlichting beschikken, die de bewoner vanuit zijn bed kan bedienen en die aangepast is aan de plaatselijke omstandigheden;
  12° 's nachts moeten de kamers en de gangen zo verlicht zijn dat de bewoners zich veilig kunnen verplaatsen;
  13° de kamers die toegankelijk zijn voor de bewoners moeten permanent zodanig verlicht zijn dat het comfort van de bewoners wordt verzekerd;
  14° in alle normale meteorologische omstandigheden moet een minimale temperatuur van 22 ° C in de kamers kunnen bereikt worden:
  a) in de woonzorgcentra waarvoor werkzaamheden van wederopbouw of van aanpassingswerken worden uitgevoerd en in de nieuwe gebouwen die erkend zijn vanaf 2015, moeten alle nuttige maatregelen genomen worden om de temperatuur, in normale meteorologische omstandigheden, onder 27 ° C te handhaven;
  b) bij een hittegolf moet één van de leefruimten geklimatiseerd zijn en moet ze voldoende groot zijn om de bewoners te kunnen opvangen;
  c) alle voor de bewoners toegankelijke lokalen moeten voorzien zijn van een intern of extern systeem dat de bewoners tegen de zonnestralen beschermt;
  15° alle bewoners moeten zittend een ongehinderd zicht hebben op de buitenwereld;
  16° er moeten voldoende sanitaire voorzieningen voor de bewoners zijn, die zich zo dicht mogelijk bij de kamers en in de onmiddellijke omgeving van de gemeenschappelijke leefruimten bevinden en waarvan er minstens één per in gebruik genomen verdieping ruim genoeg zijn om met een rolstoel binnen te rijden en de bewoner eventueel door een begeleider te laten bijstaan;
  17° de toiletten dienen voorzien te worden van een lavabo;
  18° het woonzorgcentrum waar de lokalen op een verdieping of verspreid over meerdere verdiepingen gelegen zijn, moet over ten minste één aangepaste lift beschikken die een bewoner samen met zijn begeleider kan vervoeren;
  19° in alle ruimten die voor de bewoners toegankelijk zijn moet er een efficiënt en bereikbaar oproepsysteem zijn;
  20° alle lokalen moeten adequaat worden verlucht;
  21° het woonzorgcentrum moet ten minste beschikken over een verpleeg-, een verzorgings- en onderzoekslokaal, alsook over een lokaal voor de ontvangst van de familie van de bewoners;
  22° in iedere kamer moet aansluiting op radio, televisie en telefoon mogelijk zijn.
  Onderafdeling II. - Functionele erkenningsvoorwaarden
  Art. 48/4. De woonzorgcentra moeten voldoen aan de volgende functionele voorwaarden:
  1° het woonzorgcentrum moet over de noodzakelijke middelen beschikken om een familiale sfeer, de verzorging, de bewaking, de activiteiten en de vrijetijdsbezigheden van de bewoners te waarborgen;
  2° de kamers moeten per bewoner tenminste beschikken over een bed, een kast om persoonlijke zaken op te bergen, een aan de zorgbehoefte aangepaste zetel, een tafel en een stoel;
  3° de bewoner moet in de kamer over persoonlijke bezittingen en meubilair kunnen beschikken;
  4° alle bedden in de woongelegenheden met een bijkomende erkenning in het woonzorgcentrum moeten in de hoogte verstelbaar zijn en aangepast aan de noden van de bewoner.
  Art. 48/5. Het woonzorgcentrum moet beschikken over :
  1° rolstoelen voor de bewoners die problemen hebben om zich autonoom te verplaatsen;
  2° het vereiste materiaal om doorligwonden te voorkomen;
  3° de mogelijkheid om ieder bed in een meerpersoonskamer tijdens de verzorging af te schermen;
  4° minstens één aangepast bad: boven de dertig bewoners in een erkende woongelegenheid woonzorgcentrum met bijkomende erkenning is een bijkomend aangepast bad verplicht bij de overschrijding van de helft van elke nieuwe schijf van dertig bewoners in een erkende woongelegenheid woonzorgcentrum met bijkomende erkenning.
  Onderafdeling III. - Organisatorische erkenningsvoorwaarden
  Art. 48/6. Voor iedere bewoner wordt bij de opname een individueel dossier aangelegd dat in het woonzorgcentrum bewaard wordt en dat zijn administratief dossier en zijn verzorgingsdossier omvat.
  Het administratief dossier van de bewoner, vermeld in het eerste lid, bevat minstens de volgende gegevens:
  1° de identiteit van de bewoner;
  2° de inlichtingen over zijn sociale zekerheidssituatie;
  3° de naam, het adres en het telefoonnummer van de contactpersoon en, in voorkomend geval, van de vertegenwoordiger van de bewoner;
  4° de naam, het adres en het telefoonnummer van de behandelend arts, alsook de regeling die getroffen moet worden bij zijn afwezigheid;
  5° de naam, het adres en het telefoonnummer van de apotheker, als de bewoner een beroep doet op een apotheker waarmee de instelling geen samenwerkingsovereenkomst heeft afgesloten.
  Het verzorgingsdossier van de bewoner, vermeld in het eerste lid, omvat minstens de volgende documenten :
  1° het medisch dossier, opgemaakt door de behandelende arts;
  2° de liaisonfiche met de noodzakelijke medische gegevens in geval van nood of van hospitalisatie;
  3° het verpleegkundig, paramedisch, kinesitherapeutisch en psychosociaal dossier, dat onder meer de volgende gegevens bevat:
  a) de anamnese en levensgeschiedenis van de bewoner;
  b) het klinisch onderzoek bij de opname en tijdens het verblijf;
  c) de diagnose;
  d) het verzorgingsplan met inbegrip van de voorgeschreven medicatie, de vereiste zorgen, de bijstand bij de dagelijkse levenshandelingen en de eventuele fixatie- of afzonderingsmaatregelen;
  e) de klinische en de diagnostische evolutie;
  f) in voorkomend geval de kenbaar gemaakte wensen over de toekomstige zorgen, vermeld in artikel 48/24.
  Art. 48/7. Om het transport van een bewoner van een ziekenhuisdienst naar een woonzorgcentrum, en omgekeerd, zo goed mogelijk te organiseren, wordt er een schriftelijke procedure opgezet tussen de betrokken ziekenhuizen en het woonzorgcentrum, opdat ze onmiddellijk kunnen beschikken over alle inlichtingen die nodig zijn om de zorgcontinuïteit te verzekeren, in het bijzonder de liaisonfiche, vermeld in artikel 48/6, derde lid, 2°.
  Art. 48/8. De erkenningsvoorwaarde met betrekking tot het personeel wordt per dertig bewoners in een woongelegenheid woonzorgcentrum met een bijkomende erkenning, als volgt vastgesteld:
  1° ten minste vijf voltijds equivalenten van de verpleegkundigen, waaronder een hoofdverpleegkundige. Boven de eerste dertig bewoners is een bijkomende hoofdverpleegkundige verplicht bij overschrijding van de helft van elke nieuwe schijf van dertig bewoners in een woongelegenheid woonzorgcentrum met een bijkomende erkenning;
  2° ten minste vijf voltijds equivalenten zorgkundigen;
  3° één voltijds equivalent kinesitherapeut, ergotherapeut of logopedist, met dien verstande dat de eerste twee disciplines in ieder geval voldoende vertegenwoordigd zijn in het woonzorgcentrum en dat ze hetzij in loondienst hetzij vastbenoemd zijn. Logopedie wordt aangeboden in functie van de behoeften van de bewoners;
  4° 0,10 lid van het personeel voor reactivering dat een bekwaming heeft in palliatieve zorg, ter ondersteuning van de verzorging van de terminale patiënten en dat over een van de volgende kwalificaties beschikt : graduaat, licentiaat of master kinesitherapie; graduaat, bachelor, licentiaat of master logopedie; graduaat of bachelor ergotherapie; graduaat of bachelor arbeidstherapie; graduaat of bachelor readaptatiewetenschappen; graduaat of bachelor dieetleer; graduaat, bachelor, licentiaat of master orthopedagogie, graduaat, bachelor, postgraduaat of master psychomotoriek; licentiaat of master psychologie; graduaat of bachelor psychologisch assistent en gelijkgestelden; graduaat of bachelor sociaal werker,sociale gezondheidszorg, maatschappelijk verpleegkundige of "infirmière spécialisée en santé communautaire"; graduaat of bachelor gezinswetenschappen; licentiaat of master gerontologie; graduaat of bachelor opvoeder;
  5° een voltijds equivalent verpleegkundige, naar rata van maximum één voltijds equivalent per dertig bewoners, mag, voor zover de permanentie, vermeld in artikel 48/9, 2°, wordt gerespecteerd, worden vervangen door een persoon die bij voorkeur één van de volgende kwalificaties heeft: graduaat, bachelor, licentiaat of master kinesitherapie; graduaat, bachelor, licentiaat of master logopedie; graduaat of bachelor ergotherapie; graduaat of bachelor arbeidstherapie; graduaat of bachelor readaptatiewetenschappen; graduaat of bachelor dieetleer; graduaat, bachelor, licentiaat of master orthopedagogie; graduaat, bachelor, postgraduaat of master psychomotoriek; licentiaat of master psychologie; graduaat of bachelor psychologisch assistent en gelijkstelden, graduaat of bachelor sociaal werker,sociale gezondheidszorg;maatschappelijke verpleegkundige of "infirmière spécialisée en santé communautaire"; graduaat of bachelor gezinswetenschappen; licentiaat of master gerontologie; graduaat of bachelor opvoeder of, bij gebrek eraan, door zorgkundigen waarvoor de minister de minimale vereiste opleiding bepaalt.
  Art. 48/9. Voor het personeel van de woonzorgcentra geldt het volgende:
  1° een hoofdverpleegkundige moet de volgende taken vervullen :
  a) de dagelijkse leiding over het verpleegkundig en zorgkundig personeel verzekeren;
  b) de pluridisciplinaire werking van het verpleegkundig en paramedisch personeel, personeel voor reactivering, de kinesitherapeuten en de zorgkundigen coördineren;
  c) waken over de actualisering van het verpleegkundig, paramedisch, kinesitherapeutisch en psychosociaal dossier van de bewoner;
  d) de coördinerend en raadgevend arts bijstaan bij de uitoefening van zijn functie;
  2° een verpleegkundige is zowel overdag als 's nachts aanwezig in het woonzorgcentrum;
  3° de noden aan kinesitherapie, ergotherapie en logopedie, opgenomen in het zorgplan, worden ingevuld.
  Art. 48/10. § 1. In elk woonzorgcentrum met bijkomende erkenning wijst de initiatiefnemer een coördinerend en raadgevend arts aan, die huisarts is, en die uiterlijk vier jaar na zijn aanwijzing houder is van een attest dat toegang verleent tot de functie van coördinerend en raadgevend arts. Dat attest kan worden verkregen nadat een opleidingscyclus van minstens 24 uur, die erkend is door het intern verzelfstandigd agentschap Zorg en Gezondheid, met vrucht afgerond is.
  In het eerste lid wordt verstaan onder het intern verzelfstandigd agentschap Zorg en Gezondheid: het agentschap, opgericht bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap "Zorg en Gezondheid".
  De opleidingscyclus, vermeld in het eerste lid, behandelt de organisatie van een Vlaams woonzorgcentrum en de zorg binnen een Vlaams woonzorgcentrum, met verwijzing naar de regelgeving die van toepassing is op het woonzorgcentrum in kwestie. De organisatie die de opleidingscyclus aanbiedt, heeft minstens een samenwerkingsverband met een van de academische huisartsencentra van de Vlaamse universiteiten afgesloten. De minister kan bijkomende kwaliteitscriteria voor de opleidingscyclus bepalen, alsook de voorwaarden voor de Continue Professionele Educatie (CPE) die jaarlijks onderhouden moet worden.
  Die opleidingscyclus omvat minstens de volgende onderdelen :
  1° de organisatie van en de regelgeving over woonzorgcentra, inclusief de kwaliteit van zorg;
  2° de specificiteit van de geriatrische geneeskunde, inclusief palliatieve zorg, levenseindezorg en farmaceutische zorg;
  3° het voorkomen van infecties en het beheer van de antibiotherapie;
  4° de communicatietechnieken, inclusief de communicatie met bewoners met mentale of cognitieve beperkingen en de communicatie over de wensen en voorkeuren van de bewoner.
  De minister bepaalt de procedure voor het bekomen van de erkenning van de opleidingscyclus en de regels voor de evaluatie van de opleidingscyclus, vermeld in het derde lid, en kan de onderdelen in het vierde lid nader bepalen.
  Het toezicht op de opleidingscyclus, vermeld in het eerste lid, wordt uitgeoefend met inachtneming van het decreet van 19 januari 2018 houdende het overheidstoezicht in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid waarbij de opleidingsinstantie wordt behandeld als een actor in de zorg.
  § 2. In samenspraak met de hoofdverpleegkundige(n) staat de coördinerend en raadgevend arts in voor de volgende taken:
  1° in relatie met het medische korps:
  a) het organiseren, op geregelde tijdstippen, van zowel individuele als collectieve overlegvergaderingen met de behandelende artsen;
  b) de coördinatie en organisatie van de continuïteit van de medische zorg;
  c) de coördinatie van de samenstelling en het bijwerken van de dossiers van de bewoners die door de behandelende artsen worden bijgehouden;
  d) de coördinatie van medische activiteiten bij ziektetoestanden die gevaar opleveren voor de bewoners of het personeel;
  e) in overleg met de behandelende artsen, de coördinatie van het zorgbeleid, wat voor de geneesmiddelen ten minste het opstellen en het gebruik van een geneesmiddelenformularium omvat;
  2° bijscholing en vorming: meewerken aan de organisatie van activiteiten voor bijscholing en vorming in het domein van de gezondheidszorg voor het personeel van het woonzorgcentrum, en voor de betrokken behandelende artsen.
  De minister kan de taken, vermeld in het eerste lid, 1°, nader bepalen en kan bepalen welke vormingsactiviteiten voor de bijscholing en vorming, vermeld in het eerste lid, 2°, in aanmerking komen.
  Art. 48/11. De vrije keuze van de bewoner van de behandelend arts en van het ziekenhuis als dat nodig is, moet worden nageleefd en mag op geen enkele manier worden beïnvloed.
  Art. 48/12. Het woonzorgcentrum met bijkomende erkenning beschikt over een algemeen reglement van de medische activiteit waarin de rechten en plichten worden beschreven van de behandelende artsen die er actief zijn. Dat reglement wordt overhandigd aan elke behandelend arts, die zich door het te tekenen ertoe verbindt om zo efficiënt mogelijk samen te werken aan de medische organisatie en de medische zorg van het woonzorgcentrum.
  Het algemeen reglement van de medische activiteit beschrijft minstens de volgende punten :
  1° de verbintenis van de behandelende artsen om aan te sluiten bij een coherent medisch beleid binnen het woonzorgcentrum, onder andere met betrekking tot het voorschrijven van geneesmiddelen, het verlenen van kwaliteitsvolle zorg, het multidisciplinair overleg en het overleg met de coördinerend en raadgevend arts;
  2° de normale openings- en bezoektijden behalve in noodgeval;
  3° de contacten met familie;
  4° overlegvergaderingen in het woonzorgcentrum;
  5° het bijhouden van het medisch dossier van de bewoner;
  6° het gebruik van het medisch-farmaceutisch formularium en onder andere het voorschrijven van de minst dure geneesmiddelen alsook het gebruik van elektronische voorschriften;
  7° de facturatiemodaliteiten van de honoraria;
  8° de informatiedoorstroming in geval van overdraagbare ziekten.
  Art. 48/13. De bedienaren van de eredienst en afgevaardigden van de Centrale Vrijzinnige Raad die door de bewoners gevraagd worden hebben ongehinderd toegang tot de inrichting. Ze vinden er voor het vervullen van hun taak de geschikte sfeer en faciliteiten. Volledige vrijheid van levensbeschouwing, godsdienst en politieke overtuiging wordt aan iedereen gewaarborgd.
  Onderafdeling IV. - Voorwaarden in verband met het huishoudelijk reglement
  Art. 48/14. Ieder woonzorgcentrum met een bijkomende erkenning moet een huishoudelijk reglement opstellen. De personen die belast zijn met het toezicht op de woonzorgcentra, kunnen steeds inzage nemen van dat huishoudelijk reglement.
  Met betrekking tot het huishoudelijk reglement geldt het volgende:
  1° bij zijn opname in het woonzorgcentrum ontvangt de bewoner of zijn vertegenwoordiger een door de directeur ondertekend en gedateerd exemplaar van het huishoudelijk reglement tegen een voor akkoord ondertekend ontvangstbewijs;
  2° het huishoudelijk reglement bevat de naam van de directeur en het erkenningsnummer van het woonzorgcentrum;
  3° het huishoudelijk reglement regelt de rechten en plichten van de bewoners en de initiatiefnemer met inachtname van de volgende regels :
  a) respect voor het privé-leven van de bewoners;
  b) de bewoners zo veel mogelijk vrijheid laten, op voorwaarde dat die verenigbaar is met het gemeenschapsleven;
  c) de vrije keuze van de arts en diens toegang tot de instelling overeenkomstig de bepalingen van het huishoudelijk reglement met betrekking tot de medische activiteiten;
  d) de vrije toegang van familie en vrienden, die in het bijzonder moet worden gewaarborgd in geval van stervensbegeleiding;
  4° het huishoudelijk reglement waarborgt aan iedere bewoner de inachtname van zijn individuele rechten, met inbegrip van ideologische, filosofische en religieuze overtuigingen;
  5° het huishoudelijk reglement bevat de naam van de persoon aan wie de bewoners, hun familie, hun vertegenwoordiger of de bezoekers hun opmerkingen, bezwaren en klachten kunnen meedelen;
  6° het huishoudelijk reglement legt uit hoe de bewoner kan deelnemen aan het leven in het woonzorgcentrum, onder meer via de gebruikersraad, vermeld in artikel 48/15.
  Onderafdeling V. - Inspraak en onderzoek van de suggesties en de klachten van de bewoners
  Art. 48/15. In ieder woonzorgcentrum met een bijkomende erkenning wordt een gebruikersraad opgericht die minstens eens per trimester vergadert. Om de goede werking van die raad te verzekeren, krijgt die de ondersteuning van het personeel dat werkzaam is in het woonzorgcentrum.
  Met betrekking tot de gebruikersraad geldt het volgende:
  1° de raad is samengesteld uit bewoners van het woonzorgcentrum en/of hun familieleden, maar de directeur of zijn vertegenwoordiger kan deelnemen aan de vergaderingen van de gebruikersraad;
  2° de geactualiseerde nominatieve lijst van de leden van de gebruikersraad moet op een goed zichtbare plaats worden uitgehangen;
  3° de raad kan advies uitbrengen, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van de directeur, over alle aangelegenheden die de algemene werking van het woonzorgcentrum betreffen;
  4° van de vergaderingen wordt een verslag opgemaakt dat ter inzage ligt van de bewoners, hun familieleden en vertegenwoordigers en dat waarvan de ambtenaren die belast zijn met het toezicht op de woonzorgcentra, altijd kunnen inkijken;
  5° suggesties, bemerkingen of klachten kunnen door de bewoner, zijn vertegenwoordiger of zijn familie worden geacteerd in een register dat daarvoor bestemd is, waarna aan de indiener moet worden meegedeeld welk gevolg er aan zijn klacht is gegeven.
  Het register, vermeld in het tweede lid, 5°, moet een keer per drie maanden op eenvoudige aanvraag aan de bewonersraad worden voorgelegd.
  Onderafdeling VI. - Overeenkomst tussen de initiatiefnemer en de bewoner
  Art. 48/16. De initiatiefnemer, vertegenwoordigd door de directeur, en de bewoner of zijn vertegenwoordiger tekenen een verstaanbare en leesbare overeenkomst in tweevoud. Die overeenkomst moet minstens de volgende punten regelen :
  1° de algemene en bijzondere verblijfsvoorwaarden in het woonzorgcentrum;
  2° de verblijfsprijs per dag, de daarin begrepen dienstverlening, een uitvoerige opsomming en beschrijving van alle eventuele supplementen en de prijs ervan, alsook de vermelding dat supplementen die niet in de overeenkomst staan, niet mogen worden aangerekend;
  3° het bedrag van de eventueel te betalen waarborg, dat niet hoger mag zijn dan de maandelijkse verblijfsprijs, en de bestemming ervan;
  4° de modaliteiten voor de opslag van de goederen en waarden die de bewoner aan de instelling toevertrouwt, de modaliteiten voor het beheer ervan, alsook het bewijs van de aanstelling van de persoon of personen die met dat beheer worden belast;
  5° het nummer van de aan de bewoner toegewezen kamer, met vermelding van het maximum aantal bewoners dat in die kamer is toegestaan;
  6° de regeling voor de opzegging van de overeenkomst;
  7° de financiële lasten voor de bewoners in geval van afwezigheid of opname in het ziekenhuis.
  Het beheer van gelden of goederen van de bewoner, of het bewaren ervan, kan in geen enkel geval aan het woonzorgcentrum worden toevertrouwd, met uitzondering van het beheer van het zakgeld en de verrekening van kosten die rechtstreeks te maken hebben met het verblijf in het woonzorgcentrum.
  Onderafdeling VII. - Boekhouding
  Art. 48/17. Het woonzorgcentrum houdt voor elke bewoner een individuele uitgavenfiche bij. De bewoner of zijn vertegenwoordiger moet die fiche op elk ogenblik kunnen inkijken. In een uitvoerige maandelijkse factuur wordt het overzicht van de inkomsten en uitgaven opgesteld. Die factuur wordt samen met alle bewijsstukken overhandigd aan de bewoner of zijn vertegenwoordiger.
  De totale boekhouding van het woonzorgcentrum en van de individuele uitgavenfiche van de bewoners, alsook de bewijsstukken, moeten ter beschikking staan van de bevoegde inspectiediensten.
  Het woonzorgcentrum moet een aparte boekhouding hebben die gebaseerd op het algemeen rekeningenstelsel. Die boekhouding moet door een bedrijfsrevisor (of een externe onafhankelijke controle, zoals door de minister nader kan omschreven worden) worden nagezien.
  De minister kan nadere regels bepalen over de wijze waarop de woonzorgcentra de verplichtingen, vermeld in dit artikel , nakomen.
  Onderafdeling VIII. - Statistische gegevens
  Art. 48/18. De woonzorgcentra met een bijkomende erkenning moeten het agentschap Zorg en Gezondheid op de hoogte brengen van de statistische gegevens die met het woonzorgcentrum verband houden, volgens de door de minister vastgestelde regels en binnen de door de minister bepaalde termijn.
  Onderafdeling IX. - Kwaliteitsvoorwaarden
  Art. 48/19. Het woonzorgcentrum met een bijkomende erkenning biedt bij het vervullen van zijn opdracht een geëigende zorg- en dienstverlening aan elke bewoner. In dat kader moet het een kwaliteitsbeleid ontwikkelen dat erop gericht is systematisch de kwaliteit van de zorg- en dienstverlening, alsook van haar werking te bepalen, te plannen, te evalueren en te verbeteren. Dat beleid heeft minstens betrekking op :
  1° de zorg- en dienstverstrekking waarin respect voor menselijke waardigheid, de persoonlijke levenssfeer, de ideologische, filosofische of godsdienstige overtuiging, het klachtenrecht, de informatie aan en de inspraak van de bewoner gewaarborgd zijn en waarbij rekening wordt gehouden met de sociale context van de bewoner;
  2° de specifieke begeleiding van personen met dementie;
  3° de doeltreffendheid en doelmatigheid van de aangeboden zorg- en dienstverlening en werking;
  4° de continuïteit van de aangeboden zorg- en dienstverlening.
  Art. 48/20. Het woonzorgcentrum met een bijkomende erkenning houdt een registratie bij van minstensde volgende gegevens :
  1° het aantal gevallen van doorligwonden;
  2° het aantal nosocomiale infecties;
  3° het aantal valincidenten;
  4° het aantal incontinente personen;
  5° de toepassing van fixatie- en isolatiemaatregelen.
  Art. 48/21. Het woonzorgcentrum met een bijkomende erkenning moet beschikken over schriftelijke procedures voor de handhygiëne en de afzondering van bewoners die lijden aan een infectie met besmettingsgevaar.
  Het woonzorgcentrum met een bijkomende erkenning moet ook beschikken over de producten ter ondersteuning van een goede handhygiëne en het nodige materiaal om de procedures, vermeld in het eerste lid, te kunnen toepassen.
  Art. 48/22. Het woonzorgcentrum met een bijkomende erkenning beschikt over schriftelijke procedures die moeten worden nageleefd bij de toepassing van een fixatie- of afzonderingsmaatregel. Die maatregelen kunnen slechts uitzonderlijk worden toegepast, enkel ter bescherming van de bewoner of andere bewoners en enkel bij een duidelijke medische indicatie.
  De maatregelen, vermeld in het eerste lid, worden alleen overwogen als er geen andere minder ingrijpende maatregelen voorhanden zijn om hetzelfde doel te bereiken en als de belangen van alle betrokken partijen zijn afgewogen.
  Elke beslissing over fixatie of afzondering wordt vermeld in het verzorgingsdossier van de bewoner. In het verzorgingsdossier wordt ook de aard en de duur van de maatregel opgetekend, alsook de motivatie van de beslissing.
  Als wordt afgeweken van de schriftelijke procedures, vermeld in het eerst lid, is een afzonderlijke motivatie nodig.
  Art. 48/23. Het woonzorgcentrum met een bijkomende erkenning moet een functionele binding hebben met een erkende geriatriedienst (kenletter G) of een erkende dienst voor behandeling en revalidatie bestemd voor patiënten met psychogeriatrische aandoeningen (kenletter Sp-psychogeriatrie). Die functionele binding wordt in een schriftelijke overeenkomst vastgelegd, die onder meer bepaalt dat de G- of Sp-dienst-psychogeriatrie en het woonzorgcentrum minstens twee vergaderingen per jaar houden. De geplande vergaderingen beogen zowel het overleg als de permanente opleiding voor het personeel van beide partners.
  De bewijzen van de concretisering van de schriftelijke overeenkomsten, vermeld in het eerste lid, moeten geleverd worden.
  Art. 48/24. Het woonzorgcentrum met een bijkomende erkenning nodigt de bewoners uit om in een open en ongedwongen sfeer hun eventuele wensen aanovergaande toekomstige zorgen en behandelingen kenbaar te maken. Op verzoek van de bewoner worden zijn wensen ook vermeld in het verzorgingsdossier, met dien verstande dat die op ieder moment herroepbaar zijn en dat dat de zorgverstrekker niet ontslaat van zijn plicht om altijd de actuele wil van de patiënt te achterhalen.
  Art. 48/25. Ter ondersteuning van de zorg met betrekking tot het levenseinde in het woonzorgcentrum met een bijkomende erkenning zijn de coördinerend en raadgevend arts en de hoofdverpleegkundige(n) belast met :
  1° de ontwikkeling van een palliatieve zorgcultuur en de sensibilisering van het personeel voor de noodzaak daarvan;
  2° het formuleren van adviezen over palliatieve zorg voor het verpleegkundig, zorgkundig, en paramedisch personeel, het personeel voor reactivering en de kinesitherapeuten;
  3° het bijwerken van de kennis van de personeelsleden, vermeld in punt 2°, over palliatieve zorg;
  4° de naleving van de wetgeving over euthanasie en palliatieve zorg, alsook de naleving van de wilsbeschikking van de bewoner over zijn levenseinde of zijn wilsverklaring inzake euthanasie.
  Art. 48/26. Het woonzorgcentrum met een bijkomende erkenning moet een functionele binding hebben met een Sp-dienst palliatieve verzorging als vermeld in rubriek IIIbis "Specifieke normen per specialisme", onderdeel B "Specifieke normen voor de Sp-dienst palliatieve verzorging", van de bijzondere normen die toepasselijk zijn op de gespecialiseerde dienst voor behandeling en revalidatie, kenletter Sp, gevoegd als bijlage bij het koninklijk besluit van 23 oktober 1964 tot bepaling van de normen die door de ziekenhuizen en hun diensten moeten worden nageleefd.
  Art. 48/27. Het woonzorgcentrum met een bijkomende erkenning moet meewerken aan het samenwerkingsverband inzake palliatieve zorg dat het geografisch gebied in kwestie bestrijkt en samenwerken met het regionale platform voor ziekenhuishygiëne van het gebied waarvan het deel uitmaakt.
  Art. 48/28. Elk woonzorgcentrum met een bijkomende erkenning moet een vormingspolitiek instellen, op maat van iedere discipline.".
Art. 570. Au chapitre IV, section I, de l'annexe XI du même arrêté, tel que modifié par l'arrêté du gouvernement flamand du 17 mars 2017, un nouvel article 15/0 libellé comme suit est inséré :
  " Art. 15/0. La présente section ne s'applique qu'aux centres de court séjour agréés opérant dans des locaux spécialisés de centres de revalidation agréés destinés à cette fin. ".
Art. 572. In artikel 1 van Bijlage XIV van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 januari 2016 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 september 2016, wordt punt 2° vervangen door wat volgt:
  "2° werkingsjaar:
  a) in hoofdstuk I/1: referentieperiode, vermeld in artikel 1, 45°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 november 2018 houdende de uitvoering van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming;
  b) in hoofdstuk II en II/1: het kalenderjaar.".
Art. 571. Dans l'annexe XII du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du gouvernement flamand du 17 mars 2017, un chapitre III/1, composé des articles 48/1 à 48/28, est inséré comme suit :
  " Chapitre III/1. Agrément supplémentaire
  Section I. Conditions générales d'un agrément supplémentaire
  Art. 48/1. Les unités de logement avec agrément supplémentaire dans un centre de soins résidentiels sont destinées aux personnes qui correspondent aux catégories de dépendance B, C ou Cd, visées à l'article 425 de l'arrêté du 30 novembre 2018 portant exécution du décret du 18 mai 2018 relatif à la protection sociale flamande.
  Art. 48/2. L'agrément supplémentaire doit porter sur 25 logements au moins.
  Section II. Conditions spécifiques d'agrément supplémentaire
  Sous-section I. Conditions architectoniques d'agrément
  Art. 48/3. Le ou les bâtiments des centres de soins résidentiels doivent répondre aux conditions suivantes :
  1° Le centre de soins résidentiels doit être situé de manière à ce que toutes les conditions soient réunies pour le bien-être psychologique et physique des résidents ;
  2° toutes les précautions doivent être prises pour prévenir un risque d'incendie ; plus spécifiquement, les centres de soins résidentiels doivent appliquer les règles de sécurité incendie applicables aux centres de soins résidentiels ;
  3° Les locaux communs suivants doivent être prévus dans chaque centre de soins résidentiels :
  a) au moins une salle à manger et un salon, de préférence séparés, aussi confortables et accueillants que possible, qui, en fonction de la taille du centre, sont présents en nombre suffisant pour assurer le maintien du cadre de vie et, selon que le centre est organisé en différents groupes, sont présents en nombre suffisant pour assurer leur intégration dans le cadre de vie normal ;
  b) au moins une salle équipée pour les exercices de kinésithérapie et d'ergothérapie et l'animation de groupe ;
  4° les résidents doivent être assistés pour leurs déplacements dans le bâtiment par des mains courantes et des poignées qui doivent également être installées dans l'espace sanitaire, et il doit y avoir des installations de repos dans les couloirs ;
  5° dans toutes les pièces et couloirs du centre de soins résidentiels accessibles aux résidents, toutes les différences de niveau telles que marches, escaliers et autres obstacles doivent être éliminées ou, si ce n'est pas possible, signalées clairement et le risque de chute doit être évité ;
  6° toutes les pièces du centre de soins résidentiels accessibles aux résidents doivent être suffisamment spacieuses pour permettre aux personnes en fauteuil roulant de se déplacer facilement ;
  7° il ne peut y avoir plus de deux unités de logement par chambre, et la moitié au moins de la capacité d'accueil doit être constituée de chambres individuelles ;
  8° toutes les chambres doivent être dotées d'un cabinet de toilette séparé avec au moins un lavabo et des toilettes ;
  9° la surface nette de la chambre une personne doit être d'au moins 12 m2, compte non tenu des installations sanitaires. Cette surface sera portée à 18 m2 pour deux personnes ;
  10° chaque chambre doit disposer de l'eau courante chaude et froide ;
  11° chaque chambre doit disposer d'un éclairage artificiel suffisant, que le résident peut contrôler depuis son lit et qui est adapté aux conditions locales ;
  12° la nuit, les pièces et les couloirs doivent être éclairés de manière à ce que les résidents puissent se déplacer en toute sécurité ;
  13° les locaux accessibles aux résidents doivent être éclairés en permanence de manière à assurer le confort des résidents ;
  14° dans toutes les conditions météorologiques normales, une température minimale de 22 ° C doit pouvoir être obtenue dans les chambres :
  a) dans les centres de soins résidentiels pour lesquels des travaux de reconstruction ou d'adaptation sont en cours et dans les bâtiments neufs agréés à partir de 2015, toutes les mesures utiles doivent être prises pour maintenir la température en dessous de 27 ° C dans des conditions météorologiques normales ;
  b) en cas de canicule, l'un des espaces de vie doit être climatisé et d'une taille suffisante pour accueillir les résidents ;
  c) toutes les pièces accessibles aux résidents doivent être équipées d'un système interne ou externe pour les protéger des rayons du soleil ;
  15° tous les résidents doivent avoir une vue dégagée sur le monde extérieur lorsqu'ils sont assis ;
  16° des installations sanitaires suffisantes pour les résidents doivent être prévues ; elle seront situées aussi près que possible des chambres et à proximité immédiate des espaces de vie communs, dont au moins une par étage occupé doit être suffisamment spacieuse pour permettre à un fauteuil roulant d'y entrer et, si nécessaire, permettre au résident d'être assisté par un accompagnateur ;
  17° les toilettes doivent être équipées d'un lavabo ;
  18° le centre de soins résidentiels où les chambres sont situées sur un étage ou réparties sur plusieurs étages doit disposer d'au moins un ascenseur adapté pouvant transporter un résident avec son accompagnateur ;
  19° dans toutes les pièces accessibles aux résidents, il doit y avoir un système d'appel efficace et accessible ;
  20° toutes les pièces doivent être convenablement ventilées ;
  21° le centre de soins résidentiels doit disposer d'au moins une salle de soins infirmiers, de soins et d'examen, ainsi que d'un local pour l'accueil de la famille des résidents ;
  22° dans chaque pièce, il doit être possible de se connecter à la radio, à la télévision et au téléphone.
  Sous-section II. Conditions fonctionnelles d'agrément
  Art. 48/4. Les centres de soins résidentiels doivent répondre aux conditions fonctionnelles suivantes :
  1° le centre de soins résidentiels doit disposer des moyens nécessaires pour garantir une ambiance familiale, les soins, la surveillance, les activités et les loisirs des résidents ;
  2° les chambres doivent comporter au moins un lit, un placard où ranger les effets personnels, un fauteuil, une table et une chaise adaptées aux besoins de chaque résident ;
  3° le résident doit pouvoir disposer d'effets personnels et de mobilier dans la chambre ;
  4° tous les lits dans les unités de logement avec agrément supplémentaire dans le centre de soins résidentiels doivent être réglables en hauteur et adaptés aux besoins du résident.
  Art. 48/5. Le centre de soins résidentiels doit disposer de :
  1° fauteuils roulants pour les résidents qui ont des difficultés à se déplacer de façon autonome ;
  2° matériel nécessaire à la prévention des escarres ;
  3° la possibilité d'isoler n'importe quel lit dans une chambre à plusieurs personnes pendant les soins ;
  4° au moins une baignoire adaptée : au-delà de trente personnes dans un centre de soins résidentiels agréé avec agrément supplémentaire, une baignoire adaptée supplémentaire est requise si la moitié de chaque nouvelle tranche de trente personnes dans un centre de soins résidentiels internes agréé avec agrément supplémentaire est dépassée.
  Sous-section III. Conditions organisationnelles d'agrément
  Art. 48/6. Au moment de l'admission, un dossier individuel est créé pour chaque résident ; il est conservé au centre de soins résidentiels et inclut son dossier administratif et son dossier de soins.
  Le dossier administratif du résident, visé au premier alinéa, contient au moins les informations suivantes :
  1° l'identité du résident ;
  2° les informations concernant sa situation en matière de sécurité sociale ;
  3° les nom, adresse et numéro de téléphone de la personne de contact et, le cas échéant, du représentant du résident ;
  4° les nom, adresse et numéro de téléphone du médecin traitant, ainsi que les dispositions à prendre en son absence ;
  5° les nom, adresse et numéro de téléphone du pharmacien, si le résident fait appel à un pharmacien avec lequel l'établissement n'a pas conclu d'accord de coopération.
  Le dossier administratif du résident, visé au premier alinéa, contient au moins les documents suivants :
  1° le dossier médical, établi par le médecin traitant ;
  2° la fiche de liaison avec les données médicales nécessaires en cas d'urgence ou d'hospitalisation ;
  3° le dossier infirmier, paramédical, de kinésithérapie et psychosocial, qui contient notamment les données suivantes :
  a) l'anamnèse et l'historique du résident ;
  b) l'examen clinique au moment de l'admission et pendant le séjour ;
  c) le diagnostic ;
  d) le plan de soins, y compris les médicaments prescrits, les soins requis, l'aide pour les activités de la vie quotidienne et toute mesure de confinement ou de ségrégation ;
  e) l'évolution clinique et diagnostique ;
  f) le cas échéant, les souhaits exprimés concernant les préoccupations futures visées à l'article 48/24.
  Art. 48/7. Afin d'organiser au mieux le transport d'un résident d'un service hospitalier à un centre de soins résidentiels et vice versa, une procédure écrite est mise en place entre les hôpitaux concernés et le centre de soins résidentiels, afin qu'ils puissent obtenir immédiatement toutes les informations nécessaires pour assurer la continuité des soins, en particulier le formulaire de liaison visé à l'article 48/6, troisième alinéa, 2°.
  Art. 48/8. La condition d'agrément du personnel doit être établie comme suit pour chaque tranche de 30 résidents d'un centre de soins résidentiels avec agrément supplémentaire :
  1° inclure au moins cinq équivalents temps plein d'infirmières, dont une infirmière principale. Au-delà des trente premiers résidents, une infirmière en chef supplémentaire est requise si la moitié de chaque nouvelle tranche de trente résidents d'un centre de soins résidentiels avec agrément supplémentaire est dépassée ;
  2° au moins cinq équivalents temps plein de personnel soignant ;
  3° un kinésithérapeute, ergothérapeute ou orthophoniste équivalent temps plein, étant entendu que les deux premières disciplines sont en tout état de cause suffisamment représentées dans le centre de soins résidentiels et qu'elles sont soit salariées, soit engagées à titre permanent. L'orthophonie est proposée en fonction des besoins des résidents ;
  4° 0,10 membre du personnel de réactivation qualifié en soins palliatifs, soutenant les soins des patients en phase terminale et possédant l'une des qualifications suivantes : gradué, baccalauréat, maîtrise ou physiothérapie ; gradué, baccalauréat ou maîtrise en orthophonie ; gradué ou baccalauréat en ergothérapie, gradué ou baccalauréat en sciences de la réadaptation ; gradué ou baccalauréat en diététique ; gradué, baccalauréat, maîtrise ou maîtrise en ortho-pédagogie ;gradué, baccalauréat, études supérieures ou maîtrise en psychomotricité ; gradué ou maîtrise en psychologie ; gradué ou baccalauréat en psychologie ; gradué ou baccalauréat en assistance psychologique et équivalent ; gradué ou baccalauréat en travail social, en soins de santé sociale, en infirmière spécialisée en santé communautaire ; gradué ou baccalauréat en sciences familiales ; gradué ou maîtrise en gérontologie, gradué ou baccalauréat en éducation.
  5° une infirmière en équivalent temps plein, au prorata d'un maximum d'un équivalent temps plein pour trente résidents, peut, dans le respect de la permanence visée à l'article 48/9, 2°, être remplacée par une personne qui possède de préférence l'une des qualifications suivantes : gradué, baccalauréat, maîtrise ou physiothérapie ; gradué, baccalauréat ou maîtrise en orthophonie ; gradué ou baccalauréat en ergothérapie, gradué ou baccalauréat en sciences de la réadaptation ; gradué ou baccalauréat en diététique ; gradué, baccalauréat, maîtrise ou maîtrise en ortho-pédagogie ;gradué, baccalauréat, études supérieures ou maîtrise en psychomotricité ; gradué ou maîtrise en psychologie ; gradué ou baccalauréat en psychologie ; gradué ou baccalauréat en assistance psychologique et équivalent ; gradué ou baccalauréat en travail social, en soins de santé sociale, en infirmière spécialisée en santé communautaire ; gradué ou baccalauréat en sciences familiales ; gradué ou maîtrise en gérontologie, gradué ou baccalauréat en éducation ou, à défaut, par des professionnels de la santé pour lesquels le ministre détermine la formation minimale requise.
  Art. 48/9. Ce qui suit s'applique au personnel des centres de soins résidentiels :
  1° une infirmière en chef doit accomplir les tâches suivantes :
  a) assurer la gestion quotidienne du personnel infirmier et du personnel soignant ;
  b) coordonner les activités multidisciplinaires du personnel infirmier et paramédical, du personnel de réactivation, des kinésithérapeutes et des aides-soignants ;
  c) surveiller la mise à jour des dossiers infirmiers, paramédicaux, kinésithérapeutiques et psychosociaux du résident ;
  d) assister le médecin coordonnateur et conseil dans l'exercice de ses fonctions ;
  2° une infirmière est présente dans le centre d'hébergement de jour comme de nuit ;
  3° les besoins en kinésithérapie, ergothérapie et orthophonie inclus dans le plan de soins, sont satisfaits.
  Art. 48/10. § 1. Dans chaque centre de soins résidentiels bénéficiant d'un agrément supplémentaire, l'initiateur désigne un médecin coordonnateur et un médecin agréé, qui doit être un médecin généraliste et qui doit, au plus tard quatre ans après sa désignation, détenir une attestation donnant accès aux fonctions de médecin coordonnateur et de médecin-conseil. Cette attestation peut être obtenue après une formation d'au moins 24 heures, reconnue par l'Agence indépendante interne Zorg en Gezondheid, suivie avec succès.
  Au premier alinéa, on entend par agence autonome interne " Zorg en Gezondheid " : l'Agence créée par l'arrêté du gouvernement flamand du 7 mai 2004 portant création de l'Agence autonome interne " Zorg en Gezondheid ".
  Le cycle de formation visé au premier alinéa traite de l'organisation d'un centre de soins résidentiels flamand et des soins au sein d'un centre de soins résidentiels flamand, en référant à la réglementation applicable au centre de soins résidentiels en question. L'organisme proposant la formation doit avoir conclu au moins un partenariat avec l'un des centres académiques de médecins généralistes des universités flamandes. Le ministre peut déterminer d'autres critères de qualité pour le cycle de formation, ainsi que les conditions de la formation professionnelle continue (FPC), qui doivent être maintenus annuellement.
  Le cycle de formation inclut au moins les éléments suivants :
  1° l'organisation et la réglementation des centres de soins résidentiels, y compris la qualité des soins ;
  2° la spécificité de la médecine gériatrique, y compris les soins palliatifs, les soins de fin de vie et les soins pharmaceutiques ;
  3° la prévention des infections et la prise en charge de l'antibiothérapie ;
  4° les techniques de communication, y compris la communication avec les résidents présentant une déficience mentale ou cognitive et la communication des souhaits et des préférences du résident.
  Le ministre détermine la procédure à suivre pour obtenir la reconnaissance du cycle de formation et les règles d'évaluation du cycle de formation visées au troisième alinéa, et peut en préciser les éléments au quatrième alinéa.
  Le contrôle du cycle de formation visé au premier alinéa s'effectue conformément au décret du 19 janvier 2018 relatif au contrôle public dans le cadre de la politique de la santé et de l'aide sociale, dans lequel l'organisme de formation est traité comme un acteur de la santé.
  § 2. En concertation avec l'infirmière en chef, le médecin coordonnateur et le médecin-conseil sont responsables des tâches suivantes :
  1° en relation avec la profession médicale :
  a) l'organisation, à intervalles réguliers, de réunions de consultation individuelles et collectives avec les médecins traitants ;
  b) la coordination et l'organisation de la continuité des soins médicaux ;
  c) coordonner la compilation et la mise à jour des dossiers des résidents tenus par les médecins traitants ;
  d) la coordination des activités médicales en cas de maladie mettant en danger les résidents ou le personnel ;
  e) en consultation avec les médecins traitants, la coordination de la politique de soins, qui comprend au moins, pour les médicaments, la préparation et l'utilisation d'une formule de médicament ;
  2° formation continue et formation : participation à l'organisation d'activités de formation continue dans le domaine de la santé pour le personnel du centre de soins résidentiels et pour les médecins traitants concernés.
  Le ministre peut préciser les tâches visées à l'alinéa 1° et déterminer quelles activités de formation sont admissibles à la formation continuée et à la formation visées à l'alinéa 1 2°.
  Art. 48/11. Le libre choix du résident du médecin traitant et de l'hôpital, si nécessaire, doit être respecté et ne doit en aucun cas être influencé.
  Art. 48/12. Le centre de soins résidentiels avec agrément supplémentaire dispose d'un règlement général de l'activité médicale qui décrit les droits et obligations des médecins traitants qui y sont actifs. Ce règlement est remis à chaque médecin traitant qui, en le signant, s'engage à coopérer le plus efficacement possible à l'organisation médicale et aux soins médicaux du centre de soins résidentiels.
  Le règlement général de l'activité médicale décrit au moins les points suivants :
  1° l'engagement des médecins traitants à adhérer à une politique médicale cohérente au sein du centre de soins résidentiels, y compris en ce qui concerne la prescription de médicaments, la fourniture de soins de qualité, la consultation multidisciplinaire et la concertation avec le médecin coordonnateur et le médecin-conseil ;
  2° les heures normales d'ouverture et de visite sauf en cas d'urgence ;
  3° les contacts avec la famille ;
  4° des réunions de concertation dans le centre de soins résidentiels ;
  5° conserver le dossier médical du résident ;
  6° l'utilisation du formulaire médico-pharmaceutique et, entre autres, la prescription des médicaments les moins chers ainsi que l'utilisation des prescriptions électroniques ;
  7° les modalités de facturation des honoraires ;
  8° la circulation de l'information en cas de maladies transmissibles.
  Art. 48/13. Les ministres du culte et les représentants du Conseil central laïque qui sont sollicités par les résidents ont libre accès à l'établissement. Ils y trouveront l'ambiance et les facilités nécessaires à l'accomplissement de leur mission. La pleine liberté de convictions philosophiques, religieuses et d'opinions politiques est garantie à tous.
  Sous-section IV. - Conditions relatives au règlement intérieur
  Art. 48/14. Chaque centre de soins résidentiels disposant d'un agrément supplémentaire doit établir son propre règlement d'ordre intérieur. Les personnes chargées de la surveillance des centres de soins résidentiels peuvent à tout moment consulter ce règlement intérieur.
  En ce qui concerne le règlement intérieur, les dispositions suivantes s'appliquent :
  1° lors de son admission au centre de soins résidentiels, le résident ou son représentant reçoit un exemplaire du règlement intérieur signé et daté par le directeur contre récépissé signé pour accord ;
  2° le règlement intérieur contient le nom du directeur et le numéro d'agrément du centre de soins résidentiels ;
  3° le règlement intérieur régit les droits et obligations des résidents et de l'initiateur, en tenant compte des règles suivantes :
  a) le respect de la vie privée des résidents ;
  b) donner aux résidents la plus grande liberté possible, pour autant que cela soit compatible avec la vie de la communauté ;
  c) le libre choix du médecin et son accès à l'institution conformément aux dispositions du règlement intérieur régissant les activités médicales ;
  d) le libre accès de la famille et des amis, qui devrait être garanti, en particulier en cas d'accompagnement en fin de vie ;
  4° le Règlement intérieur garantit à chaque résident le respect de ses droits individuels, y compris ses convictions idéologiques, philosophiques et religieuses ;
  5° le règlement intérieur contient le nom de la personne à qui les résidents, leurs familles, leurs représentants ou visiteurs peuvent communiquer leurs observations, objections et réclamations ;
  6° le règlement intérieur explique comment le résident peut participer à la vie du centre de soins résidentiels, y compris par l'intermédiaire du conseil des usagers visé à l'article 48/15.
  Sous-section V. Participation et examen des suggestions et des plaintes des résidents
  Art. 48/15. Dans chaque centre de soins résidentiels avec agrément supplémentaire, un conseil d'usagers est mis en place et se réunit au moins une fois par trimestre. Afin d'assurer le bon fonctionnement de ce conseil, il est appuyé par le personnel travaillant dans le centre de soins résidentiels.
  En ce qui concerne le conseil des usagers, les dispositions suivantes s'appliquent :
  1° le conseil est composé des résidents du centre de soins résidentiels et/ou des membres de leur famille, mais le directeur ou son représentant peut participer aux réunions du conseil des usagers ;
  2° la liste nominative actualisée des membres du conseil des usagers doit être affichée à un endroit bien visible ;
  3° le Conseil peut émettre un avis, soit de sa propre initiative, soit à la demande du directeur, sur toute question relative au fonctionnement général du centre de soins résidentiels ;
  4° il est dressé un procès-verbal des réunions qui peut être consulté à tout moment par les résidents, les membres de leur famille et leurs représentants, ainsi que par les agents chargés de la surveillance des centres d'hébergement ;
  5° les suggestions, remarques ou réclamations peuvent être mises en oeuvre par le résident, son représentant ou sa famille dans un registre prévu à cet effet, après quoi l'auteur de la réclamation doit être informé des suites qui y sont données.
  Le registre visé au deuxième alinéa, 5°, doit être soumis tous les trois mois au conseil des résidents sur simple demande.
  Sous-section VI. - Convention entre l'initiateur et le résident
  Art. 48/16. L'initiateur, représenté par le directeur, et le résident ou son représentant signent un contrat intelligible et lisible en deux exemplaires. Ce contrat inclut au moins les éléments suivants :
  1° les conditions générales et particulières de séjour dans le centre de soins résidentiels ;
  2° le prix journalier du séjour, les prestations qu'il inclut, une énumération et une description détaillées des suppléments éventuels et de leur prix, ainsi qu'une mention indiquant que les suppléments non inclus dans le contrat ne peuvent être facturés ;
  3° le montant de toute éventuelle caution à verser, qui ne peut excéder le prix mensuel du séjour, et sa destination ;
  4° les modalités de conservation des biens et valeurs confiés à l'institution par le résident, les modalités de leur gestion, ainsi que la preuve de la nomination du ou des responsables de cette gestion ;
  5° le numéro de la chambre attribuée au résident, en indiquant le nombre maximal de résidents permis dans cette pièce ;
  6° les modalités de résiliation du contrat ;
  7° les charges financières pour les résidents en cas d'absence ou d'hospitalisation.
  La gestion des fonds ou des biens du résident, ou leur conservation, ne peut en aucun cas être confiée au centre de soins résidentiels, à l'exception de la gestion de l'argent de poche et du règlement des frais directement liés au séjour dans le centre de soins résidentiels.
  Sous-section VI. - Comptabilité
  Art. 48/17. Le centre de soins résidentiels tient une feuille de dépenses individuelle pour chaque résident. Le résident ou son représentant doit avoir accès à cette feuille à tout moment. Une facture mensuelle détaillée reprend un aperçu des recettes et des dépenses. Cette facture, accompagnée de toutes les pièces justificatives, sera remise au résident ou à son représentant.
  Les comptes totaux du centre de soins résidentiels et des fiches de dépenses individuelles des résidents, ainsi que les pièces justificatives, doivent être tenus à la disposition des services d'inspection compétents.
  Le centre de soins résidentiels doit avoir des comptes distincts fondés sur le plan comptable général. Ces comptes doivent être vérifiés par un vérificateur (ou un vérificateur externe indépendant, selon ce que le ministre peut préciser).
  Le ministre peut fixer d'autres règles sur la manière dont les centres de soins résidentiels s'acquittent des obligations visées au présent article.
  Sous-section VIII. - Données statistiques
  Art. 48/18. Les centres de soins résidentiels bénéficiant d'un agrément supplémentaire doivent communiquer à l'Agence Zorg en Gezondheid les données statistiques relatives au centre de soins résidentiels conformément aux règles fixées par le ministre et dans le délai fixé par ce dernier.
  Sous-section IX. - Critères de qualité
  Art. 48/19. Le centre de soins résidentiels doté d'un agrément supplémentaire offre des soins et des services appropriés à chaque résident dans l'accomplissement de sa mission. Dans ce cadre, il doit élaborer une politique de qualité visant à déterminer, planifier, évaluer et améliorer systématiquement la qualité des soins et des services ainsi que leur fonctionnement. Cette politique couvre au minimum :
  1° la prestation de soins et de services dans le respect de la dignité humaine, de la vie privée, des convictions idéologiques, philosophiques ou religieuses, du droit de porter plainte, de l'information et de la participation du résident et dans lesquels le contexte social du résident est pris en compte ;
  2° l'accompagnement spécifique des personnes atteintes de démence ;
  3° l'efficacité et l'efficience des soins et des services offerts et leur fonctionnement ;
  4° la continuité des soins et des services offerts.
  Art. 48/20. Le centre de soins résidentiels avec agrément supplémentaire doit tenir un registre contenant au moins les informations suivantes :
  1° le nombre de cas d'escarres ;
  2° le nombre d'infections nosocomiales ;
  3° le nombre de chutes ;
  4° le nombre de personnes incontinentes ;
  5° l'application de mesures de contention et d'isolation.
  Art. 48/21. Le centre de soins résidentiels avec agrément supplémentaire doit avoir des procédures écrites pour l'hygiène des mains et l'isolement des résidents souffrant d'une infection présentant un risque de contagion.
  Le centre de soins résidentiels avec agrément supplémentaire doit également disposer des produits permettant une bonne hygiène des mains et des équipements nécessaires à l'application des procédures visées au premier alinéa.
  Art. 48/22. Le centre de soins résidentiels avec agrément supplémentaire dispose de procédures écrites qui doivent être suivies lors de l'application d'une mesure de contention ou d'isolement. Ces mesures ne peuvent être appliquées qu'exceptionnellement, uniquement pour protéger le résident ou les autres résidents et uniquement sur indication médicale claire.
  Les mesures visées au paragraphe 1 ne sont envisagées que s'il n'existe pas d'autres mesures moins intrusives pour atteindre le même objectif et si les intérêts de toutes les parties concernées ont été mis en balance.
  Toute décision de contention ou d'isolement est mentionnée dans le dossier de soins du résident. Le dossier de soins enregistre également la nature et la durée de la mesure, ainsi que la motivation de la décision.
  Si les procédures écrites mentionnées au premier alinéa ne sont pas respectées, une motivation séparée est requise.
  Art. 48/23. Le centre de soins résidentiels avec agrément supplémentaire doit avoir un lien fonctionnel avec un service gériatrique agréé (lettre de code G) ou un service de traitement et de revalidation agréé destiné aux patients souffrant de troubles psychogériatriques (lettre de code Sp-psychogériatrie). Ce lien fonctionnel est établi dans une convention écrite qui stipule notamment que le service de psychogériatrie G ou Sp et le centre de soins résidentiels doivent se réunir au moins deux fois par an. Les réunions prévues couvriront à la fois la consultation et la formation continue du personnel des deux partenaires.
  Les justificatifs de la concrétisation des conventions écrites visées au premier alinéa doivent être fournis.
  Art. 48/24. Le centre de soins résidentiels avec agrément supplémentaire invite les résidents à exprimer leurs souhaits en matière de soins et de traitements futurs dans une atmosphère ouverte et détendue. A la demande du résident, ses souhaits sont également consignés dans le dossier de soins, étant entendu qu'ils peuvent être révoqués à tout moment et qu'ils ne dispensent pas le soignant de son obligation de toujours connaître la volonté actuelle du patient.
  Art. 48/25. En soutien des soins de fin de vie dans le centre de soins résidentiels avec agrément supplémentaire, le médecin coordonnateur et le(s) infirmier(s) en chef sont responsables :
  1° du développement d'une culture des soins palliatifs et de la sensibilisation du personnel à la nécessité d'une telle culture ;
  2° de formuler des conseils sur les soins palliatifs à l'intention du personnel infirmier, soignant et paramédical, du personnel de réactivation et des kinésithérapeutes ;
  3° de la mise à jour des connaissances des membres du personnel visés au point 2° en matière de soins palliatifs ;
  4° du respect de la législation relative à l'euthanasie et aux soins palliatifs, ainsi que du respect de la volonté de l'occupant concernant sa fin de vie ou sa déclaration de volonté concernant l'euthanasie.
  Art. 48/26. Le centre de soins résidentiels avec agrément supplémentaire doit avoir un lien fonctionnel avec un service de soins palliatifs SP tel que mentionné dans la section III bis " Normes spécifiques par spécialité ", partie B " Normes spécifiques pour le service de soins palliatifs SP ", des normes spéciales applicables au service spécialisé de traitement et de revalidation, lettre de code Sp, jointe en annexe de l'arrêté royal du 23 octobre 1964 portant fixation des normes auxquelles les hôpitaux et leurs services doivent répondre.
  Art. 48/27. Le centre de soins résidentiels avec agrément supplémentaire contribue au partenariat de soins palliatifs couvrant la zone géographique concernée et coopère avec la plate-forme régionale d'hygiène hospitalière de la zone dont il fait partie.
  Art. 48/28. Chaque centre de soins résidentiels avec agrément supplémentaire doit établir une politique de formation adaptée à chaque discipline ".
Art. 573. Artikel 3 van bijlage XIV bij hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 september 2016, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 3. Een erkend woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, ontvangt een animatiesubsidie conform artikel 473, § 3, 1°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 november 2018 houdende de uitvoering van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming.".
Art. 572. Dans l'article 1er de l'annexe XIV du même arrêté, inséré par l'arrêté du gouvernement flamand du 8 janvier 2016 et modifié par l'arrêté du gouvernement flamand du 16 septembre 2016, le point 2° est remplacé par le texte suivant :
  " 2° année d'exploitation :
  a) au chapitre I/1 : période de référence, visée à l'article 1er, 45°, de l'arrêté du gouvernement flamand du 30 novembre 2018 mettant en oeuvre le décret du 18 mai 2018 relatif à la protection sociale flamande ;
  b) dans les chapitres II et II/1 : l'année civile. ".
Art. 574. In artikel 6, § 1, vierde lid van Bijlage XIV van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 15 juli 2016 en 16 september 2016, wordt de zinsnede "het ministerieel besluit van 6 november 2003 tot vaststelling van het bedrag en de voorwaarden voor de toekenning van de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 37, § 12, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, in de rust- en verzorgingstehuizen en in de rustoorden voor bejaarden" vervangen door de zinsnede "het besluit van de Vlaamse Regering van 30 november 2018 houdende de uitvoering van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming".
Art. 573. L'article 3 de l'annexe XIV du même arrêté, remplacé par l'arrêté du gouvernement flamand du 16 septembre 2016, est remplacé par le texte suivant :
  " Art. 3. Un centre de soins résidentiels agréé, le cas échéant avec le centre de court séjour associé, reçoit une subvention d'animation conformément à l'article 473, § 3, 1°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 30 novembre 2018 portant application du décret du 18 mai 2018 relatif à la protection sociale flamande. "
Art. 575. In artikel 7/2, § 1, vierde lid, van bijlage XIV bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 januari 2016, wordt de zinsnede "het ministerieel besluit van 6 november 2003 tot vaststelling van het bedrag en de voorwaarden voor de toekenning van de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 37, § 12, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, in de rust- en verzorgingstehuizen en in de rustoorden voor bejaarden" vervangen door de zinsnede "het besluit van de Vlaamse Regering van 30 november 2018 houdende de uitvoering van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming".
Art. 574. Dans l'article 6, paragraphe 1, point 4), de l'annexe XIV du même décret, tel que modifié par les décisions du gouvernement flamand du 15 juillet 2016 et du 16 septembre 2016, les termes " Arrêté ministériel fixant le montant et les conditions d'octroi de l'intervention visée à l'article 37, § 12, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, dans les maisons de repos et de soins et dans les maisons de repos pour personnes âgées " sont remplacés par les termes " arrêté du Gouvernement flamand du 30 novembre 2018 portant exécution du décret du Gouvernement flamand du 18 mai 2018 relatif à la protection sociale flamande ".
Art. 576. In artikel 9 van bijlage XIV bij hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 16 september 2016, 8 januari 2016 en 5 oktober 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 2 wordt de zinsnede "kan de tegemoetkoming voor de animatiewerking, vermeld in artikel 3, proportioneel worden herrekend en kan het teveel aan tegemoetkoming, uitbetaald met toepassing van artikel 3, worden teruggevorderd" vervangen door de zinsnede "wordt de animatiecoëfficiënt aangepast conform artikel 473, § 4, van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 november 2018 houdende de uitvoering van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming";
  2° in paragraaf 6 wordt de zinsnede "het ministerieel besluit van 6 november 2003 tot vaststelling van het bedrag en de voorwaarden voor de toekenning van de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 37, § 12, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, in de rust- en verzorgingstehuizen en in de rustoorden voor bejaarden" vervangen door de zinsnede "het besluit van de Vlaamse Regering van 30 november 2018 houdende de uitvoering van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming".
Art. 575. l'article 7/2, paragraphe 1, paragraphe 4, de l'annexe XIV du même arrêté, inséré par l'arrêté du gouvernement flamand du 8 janvier 2016, la phrase " l'arrêté ministériel du 6 novembre 2003 fixant le montant et les conditions d'octroi de l'intervention visée à l'article 37, § 12, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, dans les maisons de repos et de soins et dans les maisons de repos pour personnes âgée " est remplacée par " l'arrêté du Gouvernement flamand du 30 novembre 2018 portant exécution du décret du 18 mai 2018 relatif à la protection sociale flamande ".
Art. 577. In bijlage XV bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 september 2012, wordt een hoofdstuk 3/1, dat bestaat uit artikel 21/1 tot en met 21/5, ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Hoofdstuk 3/1. Bijkomende erkenning
  Afdeling 1. - Algemene erkenningsvoorwaarden
  Art. 21/1. De dagverzorgingscentra met een bijkomende erkenning voor personen die lijden aan een ernstige ziekte zijn bestemd voor personen die beantwoorden aan de afhankelijkheidscategorie Fp, vermeld in artikel 427 van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 november 2018 houdende de uitvoering van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming.
  Art. 21/2. Het centrum voor dagverzorging voor personen die lijden aan een ernstige ziekte biedt een ondersteuning voor:
  1° de pijn- en symptoomcontrole bij psychisch of fysiek lijden ten gevolge van ziekteprogressie of gerelateerde behandelingen;
  2° de aangepaste, complementaire zorg;
  3° de revalidatie en in het bijzonder het aanleren van specifieke vaardigheden voor het dagelijkse leven.
  Afdeling 2. - Functionele erkenningsvoorwaarden
  Art. 21/3. § 1. Een bijkomende erkenning als dagverzorgingscentrum voor personen die lijden aan een ernstige ziekte wordt toegekend voor minstens vijf verblijfseenheden en maximum vijftien verblijfseenheden die gegroepeerd zijn in een afzonderlijke architecturale eenheid.
  § 2. Het dagverzorgingscentrum voldoet aan de volgende functionele voorwaarden:
  1° het centrum is minstens vijf dagen per week open voor een tenlasteneming van minstens zes uur per dag;
  2° voor iedere persoon die verblijft in het dagverzorgingscentrum wordt een overlegd zorgplan opgemaakt;
  3° het dagverzorgingscentrum organiseert een functionele samenwerking met:
  a) een ziekenhuis dat beschikt over een Sp-dienst voor palliatieve zorg;
  b) een ziekenhuis dat beschikt over een functie `gespecialiseerde spoedgevallenzorg' en een functie voor intensieve zorg;
  c) het bevoegde samenwerkingsverband inzake palliatieve zorg en de begeleidingsequipe voor palliatieve thuiszorg;
  d) een woonzorgcentrum;
  4° het dagverzorgingscentrum werkt samen met de huisartsenkring(en) uit zijn werkingsgebied;
  5° het dagverzorgingscentrum biedt een brugfunctie tussen de intra- en extramurale zorg met het oog op de continuïteit van de zorg.
  Afdeling 3. - Organisatorische erkenningsvoorwaarden
  Art. 21/4. De medische omkadering bestaat uit een huisarts of een geneesheer-specialist met een bijzondere ervaring in de palliatieve zorg. Die arts is belast met de coördinatie van de medische activiteit van het dagverzorgingscentrum, de bilans bij opname, de zorgplannen en de voorschriften die noodzakelijk zijn voor de zorg in het kader van het dagverzorgingscentrum. Voor het uitoefenen van die medische coördinatiefunctie is die arts gedurende minstens vijf uren per week aanwezig in het dagverzorgingscentrum per vijftien gebruikers.
  Op verzoek van de verantwoordelijke verpleegkundige van het dagverzorgingscentrum kan er een beroep worden gedaan op de behandelend arts van de patiënt om de medische zorg te verstrekken.
  Art. 21/5. § 1. De erkenningsvoorwaarde inzake personeel per vijftien personen die verblijven in het dagverzorgingscentrum met een bijkomende erkenning voor personen die lijden aan een ernstige ziekte, is de volgende :
  1° 2,5 voltijds equivalent verpleegkundigen;
  2° 2 voltijds equivalent zorgkundigen;
  3° 1,5 voltijds equivalent personeel voor reactivering, vermeld in artikel 51/5, § 1, eerste lid, 4°, van bijlage IX, waarvan minstens 0,5 voltijds equivalent klinisch psycholoog.
  § 2. Minstens één persoon die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, dient permanent aanwezig te zijn om de opvang en verzorging van de personen te verzekeren.
  § 3. Als het dagverzorgingscentrum niet voldoet aan de erkenningsvoorwaarden voor het personeel, vermeld in paragraaf 1 en 2, voor een of meer personeelskwalificaties, kan een tekort aan een bepaalde kwalificatie gecompenseerd worden door een teveel aan personeel met een andere kwalificatie conform de regels, vermeld in het tweede lid. In ieder geval is die compensatie niet mogelijk als het gaat om een tekort met betrekking tot de erkenningsvoorwaarde van 0,5 voltijds equivalent klinisch psycholoog, vermeld in paragraaf 1, 3°.
  De compensatie, vermeld in het eerste lid, wordt toegepast conform de volgende regels:
  1° een tekort aan personeel voor reactivering, vermeld in paragraaf 1, 3°, kan voor maximum 20% gecompenseerd worden door een teveel aan gegradueerde verpleegkundigen of bachelors in de verpleegkunde;
  2° een tekort aan verpleegkundigen als vermeld in paragraaf 1, 1°, kan voor maximum 20% gecompenseerd worden door een teveel aan personeel voor reactivering;
  3° een tekort aan zorgkundigen als vermeld in paragraaf 1, 2°, kan onbeperkt gecompenseerd worden door een teveel aan verpleegkundigen, personeel voor reactivering of een combinatie van beiden.".
Art. 576. Les modifications suivantes sont apportées à l'article 9 de l'annexe XIV du même arrêté, telle que modifié par les arrêtés du gouvernement flamand des 16 septembre 2016, 8 janvier 2016 et 5 octobre 2012 :
  1° dans le paragraphe 2, la partie de phrase " l'indemnité pour les activités d'animation visée à l'article 3 peut être recalculée proportionnellement et le surplus d'indemnité payée par application de l'article 3 peut être recouvré " est remplacée par la partie de phrase " le coefficient d'animation est adapté conformément à l'article 473 § 4 du décret du Gouvernement flamand du 18 mai 2018 relatif à la protection sociale flamande " ;
  2° dans le paragraphe 6, la partie de phrase " l'arrêté ministériel fixant le montant et les conditions d'octroi de l'intervention visée à l'article 37, § 12, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, dans les maisons de repos et de soins et dans les maisons de repos pour personnes âgées " est remplacée par la partie de phrase " l'arrêté du Gouvernement flamand du 30 novembre 2018 portant exécution du décret du 18 mai 2018 relatif à la protection sociale flamande ".
Art. 578. In artikel 4, § 4, tweede lid, van bijlage XVII bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 maart 2017, wordt punt 2° vervangen door wat volgt:
  "2° gefactureerde referentiedagen: het totale aantal gefactureerde dagen in de referentieperiode, zoals meegedeeld in het kader van de tegemoetkoming voor zorg in een woonzorgcentrum of centrum voor kortverblijf, vermeld in artikel 145, 148 en 152 van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming;".
Art. 577. Dans l'annexe XV du même arrêté, inséré par le décret du Gouvernement flamand du 14 septembre 2012, un chapitre 3/1, composé des articles 21/1 à 21/5, est inséré, qui est libellé comme suit :
  " Chapitre 3/1. Agrément supplémentaire
  Section 1. - Conditions générales d'agrément
  Art. 21/1. Les centres de soins de jour avec agrément supplémentaire pour les personnes souffrant d'une maladie grave sont destinés aux personnes relevant de la catégorie de dépendance Fp, visée à l'article 427 de l'arrêté du 30 novembre 2018 du Gouvernement flamand du portant application du décret du Gouvernement flamand du 18 mai 2018 relatif à la protection sociale en Flandre.
  Art. 21/2. Le centre de soins de jour pour les personnes souffrant d'une maladie grave offre un soutien pour :
  1° le contrôle de la douleur et des symptômes de la souffrance psychologique ou physique résultant de l'évolution de la maladie ou de traitements connexes ;
  2° les soins complémentaires adaptés ;
  3° la revalidation et en particulier l'acquisition de compétences spécifiques pour la vie quotidienne.
  Section 2. - Conditions fonctionnelles d'agrément
  Art. 21/3. § 1. L'agrément supplémentaire en tant que centre de soins de jour pour personnes souffrant d'une maladie grave est accordé pour au moins cinq unités de séjour et un maximum de quinze unités de séjour regroupées dans une unité architecturale distincte.
  § 2. Le centre de soins de jour répond aux exigences fonctionnelles suivantes :
  1° Le centre est ouvert au moins cinq jours par semaine pour une prise en charge d'au moins six heures par jour ;
  2° un plan de prise en charge est établi pour chaque personne séjournant au centre de soins de jour ;
  3° le centre de soins de jour organise une collaboration fonctionnelle avec :
  a) un hôpital disposant d'un service de Sp pour les soins palliatifs ;
  b) un hôpital disposant d'une fonction de soins d'urgence spécialisés et d'une fonction de soins intensifs ;
  c) le partenariat compétent pour les soins palliatifs et l'équipe d'accompagnement pour les soins palliatifs à domicile ;
  d) un centre de soins résidentiels ;
  4° le centre de soins de jour coopère avec le ou les cercles de médecins généralistes dans sa zone d'intervention ;
  5° le centre de soins de jour fait office de passerelle entre les soins intra et extra-muros en vue d'assurer la continuité des soins.
  Section 3. - Conditions organisationnelles d'agrément
  Art. 21/4. La supervision médicale se compose d'un médecin généraliste ou d'un médecin-spécialiste ayant une expérience particulière en soins palliatifs. Ce médecin est responsable de la coordination de l'activité médicale du centre de soins de jour, du bilan à l'admission, des plans de soins et de la réglementation nécessaire aux soins dans le cadre du centre de soins de jour. Pour exercer cette fonction de coordination médicale, le médecin doit être présent au centre de soins de jour au moins cinq heures par semaine pour quinze usagers.
  A la demande de l'infirmière responsable du centre de soins de jour, il peut être fait appel au le médecin traitant du patient pour fournir les soins médicaux.
  Art. 21/5. § 1. La condition d'agrément du personnel pour quinze personnes séjournant dans le centre de soins de jour avec agrément supplémentaire pour les personnes souffrant d'une maladie grave est la suivante :
  1° 2,5 équivalents temps plein infirmier ;
  2° 2 équivalents temps plein aide-soignant ;
  3° 1,5 équivalent temps plein pour la réactivation visée à l'article 51/5, § 1, premier alinéa, 4°, de l'annexe IX, dont au moins 0,5 équivalent temps plein psychologue clinique.
  § 2. Au moins une personne remplissant les conditions mentionnées au paragraphe 1 doit être présente en permanence pour assurer l'accueil et les soins des personnes.
  § 3. Si le centre de soins de jour ne remplit pas les conditions d'accréditation du personnel visées aux paragraphes 1 et 2 pour une ou plusieurs qualifications du personnel, l'insuffisance d'une certaine qualification peut être compensée par un excédent de personnel ayant une qualification différente selon les règles visées au deuxième alinéa. En tout état de cause, une telle compensation n'est pas possible si elle concerne une lacune dans la condition d'agrément du 0,5 équivalent temps plein psychologue visé au paragraphe 1, 3°.
  La compensation visée au premier alinéa s'applique conformément aux règles suivantes :
  1° un manque de personnel de réactivation visé au paragraphe 1, 3° peut être compensé jusqu'à concurrence de 20% par un excédent d'infirmiers diplômés ou de bacheliers en soins infirmiers ;
  2° un manque d'infirmiers tel que visé au paragraphe 1, 1° peut être compensé jusqu'à concurrence de 20% par un excédent de personnel de réactivation ;
  2° un manque d'infirmiers tel que visé au paragraphe 1, 2° peut être compensé sans limitation par un excédent d'infirmiers, de personnel de réactivation ou une combinaison des deux. " ;
Deel 16. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2011 tot regeling van de alternatieve investeringssubsidies, verstrekt door het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden
Art. 578. A l'article 4, § 4, deuxième alinéa, de l'annexe XVII du même décret, inséré par le décret du gouvernement flamand du 17 mars 2017, le point 2° est remplacé par le texte suivant :
Art. 579. In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2011 tot regeling van de alternatieve investeringssubsidies, verstrekt door het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 februari 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
Partie 16. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 mars 2011 réglant les subsides d'investissement alternatifs octroyés par le " Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden "
Art. 580. In artikel 7 van hetzelfde besluit worden de woorden "rust- en verzorgingstehuis" vervangen door de woorden "woonzorgcentrum met een bijkomende erkenning".
Art. 579. L'article 1 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 mars 2011 réglant les subsides d'investissement alternatifs octroyés par le " Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden ", modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 février 2014, est modifié comme suit :
  1° le point 16° est remplacé par ce qui suit :
  " 16° centre de services de soins et de logement avec agrément supplémentaire: un centre de services de soins et de logement agréé, tel que visé à l'article 52/ 1, deuxième alinéa du décret du 13 mars 2009 sur les soins et le logement ; ";
  2° au point 17°, les mots " un hôpital, une maison de repos et de soins, un foyer de soins psychiatriques ou une fonction d'admission de jour dans un hôpital " sont remplacés par les mots " un hôpital, un centre de soins résidentiels avec agrément supplémentaire, un foyer de soins psychiatriques ou une fonction d'admission de jour dans un hôpital ".
Deel 17. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 april 2011 houdende bepalingen van rechten en plichten van de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk en hun klanten met betrekking tot de levering van water bestemd voor menselijke consumptie, de uitvoering van de saneringsverplichting en het algemeen waterverkoopreglement
Art. 580. A l'article 7 du même arrêté, les termes " maison de repos et de soins " sont remplacés par les termes " centre de soins résidentiels avec agrément supplémentaire ".
Art. 581. Aan artikel 1, eerste lid, 23°, d), van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 april 2011 houdende bepalingen van rechten en plichten van de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk en hun klanten met betrekking tot de levering van water bestemd voor menselijke consumptie, de uitvoering van de saneringsverplichting en het algemeen waterverkoopreglement, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 december 2013 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 oktober 2016, wordt de zinsnede "of van de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden, vermeld in artikel 4, eerste lid, 2°, van het decreet van 24 juni 2016 houdende de Vlaamse sociale bescherming" vervangen door de zinsnede "of van het zorgbudget voor ouderen met een zorgnood, vermeld in artikel 4, eerste lid, 2°, van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming".
Partie 17. - Modification de l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 avril 2011 portant définition des droits et obligations des exploitants des réseaux publics de distribution d'eau et de leurs clients relatifs à la fourniture d'eau destinée à la consommation humaine, la mise en oeuvre de l'obligation d'assainissement et au règlement général de la vente d'eau
Deel 18. - Wijziging van het koninklijk besluit van 28 december 2011 betreffende uitvoering van het attractiviteitsplan voor het verpleegkundig beroep, in bepaalde federale gezondheidssectoren, wat betreft de premies voor de titels en bijzondere beroepsbekwaamheden en ongemakkelijke prestaties
Art. 581. Dans l'article 1, premier alinéa, 23° d) de l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 avril 2011 portant définition des droits et obligations des exploitants des réseaux publics de distribution d'eau et de leurs clients relatifs à la fourniture d'eau destinée à la consommation humaine, la mise en oeuvre de l'obligation d'assainissement et au règlement général de la vente d'eau, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 décembre 2013 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 octobre 2016, la partie de phrase " ou de l'intervention pour l'aide aux personnes âgées visées à l'article 4, premier alinéa, 2° du décret du 24 juin 2016 relatif à la protection sociale flamande " est remplacée par la partie de phrase " ou du budget de soins pour les personnes âgées ayant besoin de soins, visé à l'article 4, premier alinéa, 2°, du décret du 18 mai 2018 relatif à la protection sociale flamande ".
Art. 582. In het koninklijk besluit van 28 december 2011 betreffende uitvoering van het attractiviteitsplan voor het verpleegkundig beroep, in bepaalde federale gezondheidssectoren, wat betreft de premies voor de titels en bijzondere beroepsbekwaamheden en ongemakkelijke prestaties, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 juli 2016, wordt hoofdstuk II, dat bestaat uit artikel 4 tot en met 15, opgeheven.
Partie 18. - Modification de l'arrêté royal du 28 décembre 2011 relatif à l'exécution du plan d'attractivité pour la profession infirmière, dans certains secteurs fédéraux de la santé, en ce qui concerne les primes pour des titres et qualifications professionnels particuliers et les prestations inconfortables
Deel 19. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 maart 2013 houdende nadere regels inzake duurzaam gebruik van pesticiden in het Vlaamse Gewest voor niet-land- en tuinbouwactiviteiten en de opmaak van het Vlaams Actieplan Duurzaam Pesticidengebruik
Art. 582. Le chapitre II, composé des articles 4 à 15, de l'arrêté royal du 28 décembre 2011 relatif à l'exécution du plan d'attractivité pour la profession infirmière, dans certains secteurs fédéraux de la santé, en ce qui concerne les primes pour des titres et qualifications professionnels particuliers et les prestations inconfortables, tel que modifié par l'arrêté royal du 15 juillet 2016, est supprimé.
Art. 583. In artikel 3, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 maart 2013 houdende nadere regels inzake duurzaam gebruik van pesticiden in het Vlaamse Gewest voor niet-land- en tuinbouwactiviteiten en de opmaak van het Vlaams Actieplan Duurzaam Pesticidengebruik wordt punt 5° vervangen door wat volgt:
Partie 19. - Modification de l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 mars 2013 portant les modalités relatives à l'utilisation durable des pesticides en Région flamande pour les activités non agricoles et non horticoles et à l'établissement du Plan d'Action flamand pour l'Utilisation durable des Pesticides (" Vlaams Actieplan Duurzaam Pesticidengebruik ")
Deel 20. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 juli 2013 betreffende de Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en (Kandidaat-)pleegzorgers
Art. 583. L'article 3, deuxième alinéa, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 mars 2013 portant les modalités relatives à l'utilisation durable des pesticides en Région flamande pour les activités non agricoles et non horticoles et à l'établissement du Plan d'Action flamand pour l'Utilisation durable des Pesticides (" Vlaams Actieplan Duurzaam Pesticidengebruik ") est remplacé comme suit :
Art. 584. Aan artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 juli 2013 betreffende de Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en (Kandidaat-)pleegzorgers, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 2017, wordt een paragraaf 4 toegevoegd, die luidt als volgt:
Partie 20. Modification de l'arrêté du Gouvernement flamand du vendredi 12 juillet 2013 concernant la Commission consultative pour les Structures de l'Aide sociale, de la Santé publique et de la Famille et des (Candidats-) accueillants
Deel 21. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 november 2013 tot facilitering van de infrastructuurfinanciering via de alternatieve investeringswaarborg, verstrekt door het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden
Art. 584. A l'article 1er de l'arrêté du Gouvernement flamand du vendredi 12 juillet 2013 concernant la Commission consultative pour les Structures de l'Aide sociale, de la Santé publique et de la Famille et des (Candidats-)accueillants, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand du 28 avril 2017, il est ajouté un deuxième alinéa libellé comme suit :
Art. 585. In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 november 2013 tot facilitering van de infrastructuurfinanciering via de alternatieve investeringswaarborg, verstrekt door het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden worden de volgende wijzigingen aangebracht:
Partie 21. - Modification de l'arrêté Gouvernement flamand du 8 novembre 2013 du facilitant le financement de l'infrastructure par le biais de la garantie d'investissement alternative, octroyée par le " Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden " (Fonds flamand de l'infrastructure affectée aux matières personnalisables)
Deel 22. - Wijziging van het Subsidiebesluit van 22 november 2013
Art. 585. L'article 1 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 novembre 2013 facilitant le financement de l'infrastructure par le biais de la garantie d'investissement alternative, octroyée par le " Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden " (Fonds flamand de l'infrastructure affectée aux matières personnalisables) est modifié comme suit :
Art. 586. In artikel 1, 10°, d), 2), van het Subsidiebesluit van 22 november 2013, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 oktober 2016, wordt de zinsnede "de Vlaamse sociale bescherming, vermeld in artikel 4, eerste lid, van het decreet van 24 juni 2016 houdende de Vlaamse sociale bescherming" vervangen door de zinsnede "een of meer van de pijlers van de Vlaamse sociale bescherming, vermeld in artikel 4, eerste lid, 1° en 3°, van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming".
Partie 22. - Modification de l'Arrêté de Subvention du 22 novembre 2013
Deel 23. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 25 april 2014 tot vaststelling van de procedures voor de gezondheidszorgvoorzieningen
Art. 586. Dans l'article 1, 10°, d), 2),de l'Arrêté de Subvention du 22 novembre 2013, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 octobre 2016, les mots " à la protection sociale flamande, visée à l'article 4, alinéa premier, du décret du 24 juin 2016 relatif à la protection sociale flamande " sont remplacés par les mots " un ou plusieurs des piliers de la protection sociale flamande visés à l'article 4, premier alinéa, 1° et 3°, du décret du 18 mai 2018 relatif à la protection sociale flamande. "
Art. 587. In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 25 april 2014 tot vaststelling van de procedures voor de gezondheidszorgvoorzieningen, wordt punt 11° vervangen door wat volgt:
Partie 23. - Modification de l'arrêté du Gouvernement flamand du vendredi 25 avril 2014 fixant les procédures pour les structures de soins de santé
Art. 588. In artikel 2 van hetzelfde besluit worden de woorden "rust- en verzorgingstehuis" vervangen door de woorden "woonzorgcentrum met een bijkomende erkenning".
Art. 587. L'article 1er de l'arrêté du gouvernement flamand du 25 avril 2014 établissant fixant les procédures pour les structures de soins de santé, le point 11° est remplacé par le texte suivant :
  " 11° centre de soins résidentiels avec agrément supplémentaire : un centre de soins résidentiels visé à l'article 52/1, deuxième alinéa, du décret du 13 mars 2009 sur les soins et le logement ; " ;
Art. 589. In hetzelfde besluit wordt het opschrift van hoofdstuk 3 vervangen door wat volgt:
  "Hoofdstuk 3. Procedure voor woonzorgcentra met een bijkomende erkenning, psychiatrische verzorgingstehuizen, initiatieven van beschut wonen en samenwerkingsverbanden van psychiatrische instellingen en diensten".
Art. 588. A l'article 2 du même arrêté, les termes " maison de repos et de soins " sont remplacés par les termes " centre de soins résidentiels avec agrément supplémentaire ".
Art. 590. In hoofdstuk 3 van hetzelfde besluit wordt het opschrift van afdeling 1 vervangen door wat volgt:
  "Afdeling 1. Voorlopige bijkomende erkenning van een woonzorgcentrum en voorlopige erkenning van een psychiatrisch verzorgingstehuis en van een initiatief van beschut wonen".
Art. 589. Dans le même arrêté, l'intitulé du chapitre 3 est remplacé par ce qui suit :
  " Chapitre 3. Procédure pour les centres de soins résidentiels avec agrément supplémentaire, les foyers de soins psychiatriques, les initiatives de logement protégé et les associations d'établissements et de services psychiatriques ".
Art. 591. In artikel 32 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het eerste lid wordt vervangen door wat volgt:
  "Wie een eerste aanvraag tot bijkomende erkenning voor een woonzorgcentrum, erkenning als psychiatrisch verzorgingstehuis of erkenning als initiatief van beschut wonen indient, kan voorlopig worden erkend, behalve als de betrokken voorziening al het voorwerp van een beslissing tot sluiting is geweest.";
  2° het tweede lid, punt 1° wordt vervangen door wat volgt:
  "1° in geval van een aanvraag tot bijkomende erkenning voor een woonzorgcentrum:
  a) een nota met vermelding van het statuut van de aanvrager, de naam van de verantwoordelijke beheerder, de naam van de persoon die voor het dagelijks beleid zorgt, en de naam van de coördinerend en raadgevend arts die door de beheersinstantie aangewezen is. De betrokkenen moeten dit document ondertekenen;
  b) de lijst van het medisch, verplegend, verzorgend en paramedisch personeel, met vermelding van hun naam, hun kwalificatie, het nummer van het visum van hun diploma en hun arbeidsduur per week, waaruit blijkt dat aan de erkenningsvoorwaarden met betrekking tot het personeel voldaan is;
  c) een plan dat de interne verbindingswegen van de voorziening vermeldt, de bestemming van de lokalen, het totale aantal entiteiten in de voorziening en het aantal entiteiten waarvoor de bijkomende erkenning aangevraagd wordt;
  d) een beschrijvende nota die vermeldt op welke wijze de architectonische en functionele erkenningsvoorwaarden worden nageleefd;
  e) een afschrift van de overeenkomst met het algemeen ziekenhuis waarmee een functionele binding verzekerd moet worden overeenkomstig de geldende erkenningsvoorwaarden;
  f) het bewijs dat de voorziening aan de toepasselijke brandveiligheidsreglementering voldoet;".
Art. 590. Au chapitre 3 du même arrêté, l'intitulé de la section 1 est remplacé par ce qui suit :
  " Section 1. Approbation complémentaire provisoire d'un établissement de soins résidentiels et approbation préliminaire d'un foyer de soins psychiatriques et d'une initiative de logement protégé ".
Art. 592. Artikel 34 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 34. De beslissing waarbij de voorlopige erkenning of voorlopige bijkomende erkenning wordt toegekend, vermeldt de ingangsdatum van de voorlopige erkenning of de voorlopige bijkomende erkenning.
  De voorlopige erkenning of de voorlopige bijkomende erkenning kan niet vroeger ingaan dan de ingangsdatum van de planningsvergunning, vermeld in artikel 2, tweede lid.
  Een psychiatrisch verzorgingstehuis of een initiatief van beschut wonen mag in geen geval in exploitatie genomen worden voor de ingangsdatum van de voorlopige erkenning.
  De entiteiten met een bijkomende erkenning van een woonzorgcentrum mogen in geen geval onder deze hoedanigheid in exploitatie genomen worden voor de ingangsdatum van de voorlopige bijkomende erkenning.".
Art. 591. A l'article 32 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
  1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  " Celui qui présente une première demande d'agrément supplémentaire pour un établissement de soins résidentiels, d'agrément en tant que foyer de soins psychiatriques ou d'agrément en tant qu'initiative pour un logement protégé peut être reconnu provisoirement, à moins que la structure en question n'ait déjà fait l'objet d'une décision de fermeture ;
  2° le point 1 du deuxième alinéa est remplacé par ce qui suit :
  " 1° dans le cas d'une demande d'agrément supplémentaire pour un centre de soins résidentiels :
  a) une note précisant le statut du demandeur, le nom de l'administrateur responsable, le nom du responsable de la gestion journalière et le nom du coordonnateur et du médecin-conseil désigné par l'autorité de gestion. Les personnes concernées doivent signer ce document ;
  b) une liste du personnel médical, infirmier, soignant et paramédical, y compris leurs noms, qualifications, numéros de visa du diplôme et heures de travail hebdomadaires, indiquant que les conditions d'agrément du personnel sont remplies ;
  c) un plan indiquant les itinéraires internes reliant la structure, l'utilisation des locaux, le nombre total d'entités dans l'installation et le nombre d'entités pour lesquelles une approbation supplémentaire est demandée ;
  d) une note descriptive précisant comment les conditions d'agrément architectural et fonctionnel sont respectées ;
  e) une copie du contrat avec l'hôpital général avec lequel un lien fonctionnel doit être assuré conformément aux conditions d'agrément en vigueur ;
  f) la preuve que la structure est conforme aux réglementations applicables en matière de sécurité incendie ; ".
Art. 593. In artikel 35 van hetzelfde besluit worden de woorden "de voorlopige erkenning" telkens vervangen door de woorden "de voorlopige erkenning of de voorlopige bijkomende erkenning".
Art. 592. L'article 34 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 34. La décision accordant l'agrément provisoire ou l'agrément provisoire supplémentaire indique la date à partir de laquelle l'agrément provisoire ou l'agrément provisoire supplémentaire prend effet.
  L'agrément provisoire ou l'agrément provisoire supplémentaire ne peut commencer avant l'autorisation de planification visée à l'article 2, paragraphe 2.
  Un foyer de soins psychiatriques ou une initiative de logement protégé ne peut en aucun cas être mis en service avant la date effective de l'agrément provisoire.
  Les entités détentrices d'un agrément supplémentaire de centre de soins résidentiels ne peuvent en aucun cas exercer cette fonction avant la date à laquelle l'agrément provisoire supplémentaire prend effet. ".
Art. 594. In artikel 36 van hetzelfde besluit worden volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het eerste lid wordt vervangen door wat volgt:
  "Gedurende de periode waarvoor de voorlopige erkenning of de voorlopige bijkomende erkenning werd verleend, onderzoekt het agentschap of bij de exploitatie van de entiteiten met een bijkomende erkenning binnen het woonzorgcentrum, het psychiatrisch verzorgingstehuis of het initiatief van beschut wonen de erkenningsnormen of erkenningsvoorwaarden worden nageleefd.";
  2° in het tweede lid worden de woorden "aan de gestelde vereisten en normen" vervangen door de zinsnede "aan de gestelde vereisten, normen en voorwaarden".
Art. 593. A l'article 35 du même arrêté, les termes " l'agrément provisoire " sont remplacés par les termes " l'agrément provisoire ou l'agrément supplémentaire provisoire ".
Art. 595. In hoofdstuk 3 van hetzelfde besluit wordt het opschrift van afdeling 2 vervangen door wat volgt:
  "Afdeling 2. Bijkomende erkenning van een woonzorgcentrum en erkenning van een psychiatrisch verzorgingstehuis of een initiatief van beschut wonen".
Art. 594. L'article 36 même arrêté est modifié comme suit :
  1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  " Pendant la période pour laquelle l'agrément provisoire ou l'agrément supplémentaire provisoire a été accordé, l'Agence examine si les normes d'agrément ou les conditions d'agrément sont respectées lors de l'exploitation des entités avec agrément supplémentaire dans le centre de soins résidentiels, le foyer de soins psychiatriques ou l'initiative de logement protégé ;
  2° dans le deuxième alinéa, les mots " exigences et normes fixées " sont remplacés par les mots " exigences, normes et conditions fixées ".
Art. 596. Artikel 37 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 37. § 1. Als een voorlopige erkenning of een voorlopige bijkomende erkenning is verleend conform afdeling 1, wordt, uiterlijk een maand voor het einde van de voorlopige erkenningstermijn de beslissing van de administrateur-generaal tot toekenning van de erkenning of de bijkomende erkenning aan de aanvrager bezorgd, of wordt zijn voornemen tot weigering van de erkenning of de bijkomende erkenning met een aangetekende zending betekend aan de aanvrager.
  Artikel 5 tot en met 8 zijn van overeenkomstige toepassing op het voornemen.
  § 2. De beslissing tot erkenning of bijkomende erkenning vermeldt het aantal bedden, plaatsen of entiteiten waarvoor de erkenning of de bijkomende erkenning verleend wordt.
  De erkenning van psychiatrische verzorgingstehuizen en van initiatieven van beschut wonen wordt verleend voor een termijn van maximaal zes jaar en kan worden verlengd.
  De bijkomende erkenning voor woonzorgcentra wordt voor onbepaalde duur verleend.
  § 3. Een erkenning of een bijkomende erkenning kan verleend worden zonder voorafgaandelijke voorlopige erkenning of voorlopige bijkomende erkenning indien het gaat om een bijkomende capaciteitsuitbreiding in een bestaand woonzorgcentrum met een bijkomende erkenning. Hiervoor dient een aanvraag ingediend te worden conform artikel 32, 1°. De aanvraag wordt behandeld conform artikel 32, laatste lid, en artikel 33.".
Art. 595. Au chapitre 3 du même arrêté, l'intitulé de la section 2 est remplacé par ce qui suit :
  " Section 2. Agrément supplémentaire d'un établissement de soins résidentiels et agrément d'un foyer de soins psychiatriques ou d'une initiative de logement protégé ".
Art. 597. In hoofdstuk 3 van hetzelfde besluit wordt het opschrift van afdeling 5 vervangen door wat volgt:
  "Afdeling 5. Schorsing van de bijkomende erkenning en intrekking van de bijkomende erkenning van een woonzorgcentrum en schorsing en intrekking van de erkenning van een psychiatrisch verzorgingstehuis, een initiatief van beschut wonen of een samenwerkingsverband".
Art. 596. L'article 37 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 37. § 1. Lorsque l'agrément provisoire ou l'agrément provisoire supplémentaire a été accordé conformément à la section 1, la décision de l'administrateur général d'accorder l'agrément ou l'agrément supplémentaire est notifiée au demandeur au plus tard un mois avant la fin de la période d'agrément provisoire, ou l'intention de refuser l'agrément ou l'agrément supplémentaire est notifiée au demandeur par courrier recommandé.
  Les articles 5 à 8 s'appliquent par analogie à l'intention.
  § 2. La décision d'agrément ou d'agrément supplémentaire précise le nombre de lits, de lieux ou d'entités pour lesquels l'agrément ou l'agrément supplémentaire est accordé.
  L'agrément des foyers de soins psychiatriques et des initiatives de logement protégé est accordée pour une période maximale de six ans et peut être renouvelée.
  L'agrément supplémentaire pour les centres de soins résidentiels est accordé pour une durée illimitée.
  § 3. Un agrément ou un agrément supplémentaire peut être accordé sans agrément préalable ou agrément supplémentaire préalable s'il s'agit d'une extension de capacité supplémentaire dans un centre de soins résidentiels existant avec agrément supplémentaire. A cet effet, une demande doit être présentée conformément à l'article 32, 1°. La demande est examinée conformément à l'article 32, dernier alinéa, et 33. ".
Art. 598. Artikel 40 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 40. Als een psychiatrisch verzorgingstehuis, een initiatief van beschut wonen, een samenwerkingsverband of de entiteiten met een bijkomende erkenning binnen een woonzorgcentrum niet langer voldoen aan de erkenningsvoorwaarden, kan het agentschap de beheersinstantie van de voorziening in kwestie met een aangetekende zending aanmanen om alle verplichtingen na te komen binnen een termijn die door het agentschap wordt bepaald.
  Als ondanks die aanmaning de voorwaarden niet worden nageleefd, kan de erkenning of de bijkomende erkenning worden geschorst of ingetrokken.".
Art. 597. Au chapitre 3 du même arrêté, l'intitulé de la section 5 est remplacé par ce qui suit :
  " Section 5. Suspension de l'agrément supplémentaire et retrait de l'agrément supplémentaire d'un centre de soins résidentiels, et suspension et retrait de l'agrément d'un foyer de soins psychiatriques, d'une initiative de logement protégé ou d'un partenariat.
Art. 599. In artikel 41 van hetzelfde besluit worden volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1, eerste lid, worden tussen het woord "erkenning" en het woord "te" de woorden "of de bijkomende erkenning" ingevoegd;
  2° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden "rust- en verzorgingstehuis" vervangen door de woorden "woonzorgcentrum met een bijkomende erkenning";
  3° in paragraaf 2, tweede lid, worden tussen het woord "erkenning" en de zinsnede ". Die termijn" de woorden "of de bijkomende erkenning" ingevoegd;
  4° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 3. De beslissing tot intrekking van de erkenning of de bijkomende erkenning heeft uitwerking op de datum, vermeld in de beslissing. De beslissing tot de intrekking van de erkenning of de bijkomende erkenning heeft het verlies van de erkenning of de bijkomende erkenning tot gevolg vanaf de datum, vermeld in die beslissing.";
  5° paragraaf 4 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 4. De beslissing tot intrekken of schorsen van de erkenning van een woonzorgcentrum, geeft van rechtswege de intrekking of de schorsing van de bijkomende erkenning van het woonzorgcentrum tot gevolg. De regelgeving betreffende intrekken en schorsen van woonzorgcentra zijn van toepassing.
  Als de erkenning of de bijkomende erkenning wordt geweigerd, gewijzigd, geschorst of ingetrokken, kan een instelling geen aanspraak maken op vergoeding.".
Art. 598. L'article 40 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 40. Si un foyer de soins psychiatriques, une initiative de logement protégé, un partenariat ou les entités ayant obtenu un agrément supplémentaire dans un centre de soins résidentiels ne remplissent plus les conditions d'agrément, l'Agence peut adresser une lettre recommandée à l'organe de gestion de la structure concernée pour exiger le respect de toutes ses obligations dans un délai qu'elle détermine.
  Si, malgré cet avis, les conditions ne sont pas remplies, l'agrément ou l'agrément supplémentaire peut être suspendu ou retiré. ".
Art. 600. In artikel 43 van hetzelfde besluit worden tussen het woord "erkenning" en het woord "in" de woorden "of de bijkomende erkenning" ingevoegd.
Art. 599. L'article 41 même arrêté est modifié comme suit :
  1° au paragraphe 1, alinéa 1er, les mots " ou l'agrément supplémentaire " sont insérés entre le mot " agrément " et la virgule " , " ;
  2° à l'article 2, les termes " maison de repos et de soins " sont remplacés par les termes " centre de soins résidentiels avec agrément supplémentaire " ;
  3° au paragraphe 2, deuxième alinéa, entre le mot " agrément " et la partie de phrase " . Ce délai ", les mots " ou l'agrément supplémentaire " sont ajoutés.
  4° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
  " § 3. La décision de retrait de l'agrément ou de l'agrément supplémentaire prend effet à la date indiquée dans la décision. La décision de retrait de l'agrément ou de l'agrément supplémentaire entraîne la perte de l'agrément ou de l'agrément supplémentaire à compter de la date précisée dans cette décision. " ;
  5° le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit :
  " § 4. La décision de retirer ou de suspendre l'agrément d'un centre de soins résidentiels entraîne automatiquement le retrait ou la suspension de l'agrément supplémentaire du centre. Les règles concernant le retrait et la suspension des centres de soins résidentiels sont d'application.
  Si l'agrément ou l'agrément supplémentaire est refusé, modifié, suspendu ou retiré, l'établissement n'a droit à aucun remboursement.
Art. 601. In hoofdstuk 3 van hetzelfde besluit wordt het opschrift van afdeling 6 vervangen door wat volgt:
  "Afdeling 6. Sluiting van een woonzorgcentrum met een bijkomende erkenning, een psychiatrisch verzorgingstehuis of een initiatief van beschut wonen".
Art. 600. au paragraphe 43, du même arrêté, les mots " ou l'agrément supplémentaire " sont insérés entre le mot " agrément " et le mot " est ".
Art. 602. In artikel 45 van hetzelfde besluit wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
  "De beslissing tot weigering, verlenging, of intrekking van de bijkomende erkenning heeft voor een woonzorgcentrum het verlies van de bijkomende erkenning tot gevolg en de voorziening mag niet langer als woonzorgcentrum met bijkomende erkenning uitgebaat worden.".
Art. 601. Au chapitre 3 du même arrêté, l'intitulé de la section 6 est remplacé par ce qui suit :
  " Section 6. Fermeture d'un établissement de soins résidentiels avec agrément supplémentaire, d'un foyer de soins psychiatriques ou d'une initiative de logement protégé ".
Art. 603. Artikel 46 tot en met 48 van hetzelfde besluit worden vervangen door wat volgt:
  "Art. 46. Als een woonzorgcentrum met een bijkomende erkenning, een psychiatrisch verzorgingstehuis of een initiatief van beschut wonen, waarvan de erkenning of ingeval van een woonzorgcentrum de bijkomende erkenning ingetrokken is, binnen twee jaar na de datum van de intrekking of, in voorkomend geval, van het arrest van de Raad van State dat uitgesproken is met toepassing van artikel 14 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, geen nieuwe erkenning of bijkomende erkenning heeft gekregen, vervalt ook de planningsvergunning waarop de oorspronkelijke erkenning of bijkomende erkenning gebaseerd was.
  Art. 47. De beslissing tot intrekken van de bijkomende erkenning van een woonzorgcentrum en de beslissing tot sluiting als psychiatrisch verzorgingstehuis of als initiatief van beschut wonen wordt, met vermelding van de datum van de kennisgeving, bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
  Art. 48. De administrateur-generaal kan bij de betekening van het voornemen tot weigering van de erkenning of de bijkomende erkenning, tot weigering van de verlenging van de erkenning of de bijkomende erkenning of tot intrekking van de erkenning of de bijkomende erkenning vanwege dringende redenen ter bescherming van de volksgezondheid en de veiligheid van de gebruikers bepalen dat alle activiteiten in het woonzorgcentrum, het psychiatrisch verzorgingstehuis of het initiatief van beschut wonen, dat door het voornemen getroffen wordt, onmiddellijk beëindigd moeten worden, in afwachting van een beslissing over de erkenning of de bijkomende erkenning, de verlenging of de intrekking van de erkenning of de bijkomende erkenning.
  De schriftelijke aanmaning, vermeld in artikel 40, is in dit geval niet van toepassing.
  De beheersinstantie van de voorziening zorgt voor de onmiddellijke evacuatie van de opgenomen patiënten of bewoners.".
Art. 602. A l'article 45 du même arrêté, l'alinéa 1er est remplacé par le texte suivant :
  " La décision de refuser, de renouveler ou de retirer l'agrément supplémentaire entraîne la perte de l'agrément supplémentaire pour un centre de soins résidentiels, et l'établissement ne peut plus être exploité comme centre de soins résidentiels avec agrément supplémentaire. ".
Art. 604. In artikel 52, eerste lid, van hetzelfde besluit worden de woorden "rust- en verzorgingstehuis" vervangen door de woorden "woonzorgcentrum met een bijkomende erkenning".
Art. 603. Les articles 46 à 48 du même arrêté sont remplacés par ce qui suit :
  " Art. 46. Si un centre de soins résidentiels bénéficiant d'un agrément supplémentaire, un foyer de soins psychiatriques ou une initiative d'hébergement protégé, dont l'agrément ou, dans le cas d'un centre de soins résidentiels, l'agrément supplémentaire a été retiré, n'a pas obtenu un nouvel agrément ou un agrément supplémentaire dans les deux ans suivant la date du retrait ou, le cas échéant, de l'arrêt rendu par le Conseil d'Etat conformément à l'article 14 des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, l'autorisation de planification sur laquelle l'agrément ou l'agrément supplémentaire initial était fondé tombe également.
  Art. 47. La décision de retirer l'agrément supplémentaire d'un centre de soins résidentiels et la décision de le fermer en tant que foyer de soins psychiatriques ou en tant qu'initiative de logement protégé, ainsi que la date de la notification, sont publiées dans un extrait au Moniteur belge.
  Art. 48. Lorsqu'il notifie son intention de refuser un agrément ou un agrément supplémentaire, de refuser le renouvellement d'un agrément ou d'un agrément supplémentaire ou de retirer un agrément ou un agrément supplémentaire pour des raisons urgentes de protection de la santé et de la sécurité publiques des usagers, l'administrateur général peut prévoir que toutes les activités du centre de soins résidentiels, du foyer de soins psychiatriques ou de l'initiative de logement protégé visées par cette intention doivent cesser immédiatement en attendant une décision concernant un agrément ou agrément supplémentaire, le renouvellement ou le retrait de l'agrément ou de l'agrément supplémentaire.
  Dans ce cas, l'avertissement écrit visé à l'article 40 ne s'applique pas.
  L'organisme gestionnaire de la structure assure l'évacuation immédiate des patients ou des résidents hospitalisés ".
Deel 24. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2014 houdende de regels voor de erkenning van meerdere vestigingen van een woonzorgcentrum, een centrum voor kortverblijf of een rust- en verzorgingstehuis als één woonzorgcentrum, één centrum voor kortverblijf of één rust- en verzorgingstehuis
Art. 604. Dans l'article 52 du même arrêté, les termes " maison de repos et de soins " sont remplacés par les termes " centre de soins résidentiels avec agrément supplémentaire ".
Art. 605. In het opschrift van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2014 houdende de regels voor de erkenning van meerdere vestigingen van een woonzorgcentrum, een centrum voor kortverblijf of een rust- en verzorgingstehuis als één woonzorgcentrum, één centrum voor kortverblijf of één rust- en verzorgingstehuis worden de woorden "rust- en verzorgingstehuis" telkens vervangen door de woorden "woonzorgcentrum met een bijkomende erkenning".
Partie 24. - Modifications de l'arrêté du gouvernement flamand du 9 mai 2014 fixant les règles régissant l'agrément de plusieurs implantations d'un centre de services de soins et de logement, d'un centre de court séjour ou d'une maison de repos et de soins comme un seul centre de services de soins et de logement, un seul centre de court séjour ou une seule maison de repos et de soins
Art. 606. In hetzelfde besluit wordt het opschrift van hoofdstuk 4 vervangen door wat volgt:
  "Hoofdstuk 4. Erkenning van meerdere vestigingen als woonzorgcentrum met een bijkomende erkenning".
Art. 605. Dans l'intitulé de l'arrêté du gouvernement flamand du 9 mai 2014 fixant les règles régissant l'agrément de plusieurs implantations d'un centre de services de soins et de logement, d'un centre de court séjour ou d'une maison de repos et de soins comme un seul centre de services de soins et de logement, un seul centre de court séjour ou une seule maison de repos et de soins, les mots " maison de repos et de soins " sont remplacés systématiquement par les mots " centre de soins résidentiels avec agrément supplémentaire ".
Art. 607. Artikel 7 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 7. Op de bijkomende erkenning van een woonzorgcentrum dat voor meerdere vestigingen is erkend, zijn de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 25 april 2014 tot vaststelling van de procedures voor de gezondheidszorgvoorzieningen van toepassing, met dien verstande dat:
  1° de eerste aanvraag tot erkenning voor elke vestiging van het woonzorgcentrum de documenten, vermeld in artikel 32, 1°, van het voormelde besluit, bevat;
  2° het onderzoek naar de naleving van de gestelde erkenningsnormen en -voorwaarden, vermeld in artikel 36 van het voormelde besluit, voor elk van de vestigingen van het woonzorgcentrum afzonderlijk plaatsvindt;
  3° de bepalingen van hoofdstuk III, afdeling 5, 6 en 7, van het voormelde besluit op elk van de vestigingen van het woonzorgcentrum afzonderlijk kunnen worden toegepast.".
Art. 606. Dans le même arrêté, l'intitulé du chapitre 4 est remplacé par ce qui suit :
  " Chapitre 4. Agrément de plusieurs implantations en tant que centre de soins résidentiels avec agrément supplémentaire ".
Art. 608. Artikel 8 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 8. Elke vestiging van een woonzorgcentrum dat erkend is als een woonzorgcentrum met een bijkomende erkenning, voldoet aan de bijkomende erkenningsvoorwaarden, vermeld in hoofdstuk III/1 van bijlage XII van het besluit van 24 juli 2009.".
Art. 607. L'article 7 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 7. L'agrément supplémentaire d'un centre de soins résidentiels agréé pour plusieurs implantations est soumis aux dispositions de l'arrêté du Gouvernement flamand du 25 avril 2014 fixant les procédures pour les structures de soins de santé, étant entendu que :
  1° la première demande d'agrément pour chaque implantation du centre contient les documents visés à l'article 32, paragraphe 1, de l'arrêté précité ;
  2° l'examen du respect des normes et conditions d'agrément visées à l'article 36 de l'arrêté susmentionné a lieu séparément pour chacune des implantations du centre ;
  les dispositions des sections 5, 6 et 7 du chapitre III dudit arrêté peuvent être appliquées séparément à chacune des implantations du centre.
Art. 609. Artikel 9 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 9. Als voor een vestiging van een erkend woonzorgcentrum, dat ook de bijkomende erkenning heeft gekregen, vermeld in artikel 10/4 van het besluit van 24 juli 2009, de erkenning als woonzorgcentrum wordt ingetrokken met toepassing van artikel 4, § 2, van dit besluit, wordt voor die vestiging ook de bijkomende erkenning ingetrokken. Het aantal woongelegenheden dat in die vestiging erkend was als een woonzorgcentrum met een bijkomende erkenning, kan niet met behoud van die erkenning worden uitgebaat in de andere vestigingen van het woonzorgcentrum.".
Art. 608. L'article 8 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 8. Chaque implantation d'un centre de soins résidentiels agréé en tant que centre de soins résidentiels avec agrément supplémentaire doit satisfaire aux conditions supplémentaires d'agrément fixées au chapitre III/1 de l'annexe XII de l'arrêté du 24 juillet 2009. ".
Deel 25. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 november 2015 betreffende de omzetting van voorafgaande vergunningen of erkenningen voor centra voor kortverblijf of woonzorgcentra en tot wijziging van de regelgeving betreffende de voorafgaande vergunning voor centra voor kortverblijf en woonzorgcentra
Art. 609. L'article 9 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
Art. 610. In artikel 2, eerste lid, en artikel 3, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 november 2015 betreffende de omzetting van voorafgaande vergunningen of erkenningen voor centra voor kortverblijf of woonzorgcentra en tot wijziging van de regelgeving betreffende de voorafgaande vergunning voor centra voor kortverblijf en woonzorgcentra worden de woorden "rust- en verzorgingstehuis of een psychiatrisch verzorgingstehuis" vervangen door de woorden "psychiatrisch verzorgingstehuis of een bijkomende erkenning voor een woonzorgcentrum".
Partie 25. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 novembre 2015 relatif à la conversion des autorisations préalables ou des agréments pour les centres de court séjour et les centres de services de soins et de logement et modifiant les règles relatives à l'autorisation préalable pour les centres de court séjour et les centres de services de soins et de logement
Deel 26. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Art. 610. Dans l'article 2, premier alinéa, et l'article 3, premier alinéa de l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 novembre 2015 relatif à la conversion des autorisations préalables ou des agréments pour les centres de court séjour et les centres de services de soins et de logement et modifiant les règles relatives à l'autorisation préalable pour les centres de court séjour et les centres de services de soins et de logement, les mots " maison de repos et de soins ou une maison de soins psychiatriques " sont remplacés par les mots " foyer de soins psychiatriques ou un agrément supplémentaire pour un centre de soins résidentiels. "
Art. 611. In artikel 35, § 15, 1°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning worden de woorden "rust- en verzorgingstehuis" vervangen door de woorden "woonzorgcentrum met een bijkomende erkenning".
Partie 26. - Modification de l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 novembre 2015 portant exécution du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement
Deel 27. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap
Art. 611. Dans l'article 35, § 15, 1° de l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 novembre 2015 portant exécution du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, les mots " maison de repos et de soins " sont remplacés par les mots " centre de soins résidentiels avec agrément supplémentaire. "
Art. 612. In artikel 15 van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
Partie 27. - Modification de l'arrêté du Gouvernement flamand portant agrément et subventionnement de centres multifonctionnels pour personnes handicapées mineures
Deel 28. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 april 2016 houdende de planning van bedden met een bijzondere erkenning als rust- en verzorgingstehuis
Art. 612. Dans l'article 15 de l'arrêté du Gouvernement flamand portant agrément et subventionnement de centres multifonctionnels pour personnes handicapées mineures, le premier alinéa est remplacé comme suit :
Art. 613. Artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 april 2016 houdende de planning van bedden met een bijzondere erkenning als rust- en verzorgingstehuis wordt vervangen door wat volgt:
Partie 28. - Modification de l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 avril 2016 établissant le planning de lits disposant d'un agrément spécial comme maison de repos et de soins
Art. 614. In artikel 2 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 17 februari 2017 en 25 mei 2018, wordt een vierde lid toegevoegd dat luidt volgt:
  "Het maximaal te erkennen woongelegenheden erkend als woonzorgcentrum met een bijkomende erkenning wordt met ingang van 1 januari 2019 vastgelegd op 47.773 woongelegenheden.".
Art. 613. L'article 1 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 avril 2016 établissant le planning de lits disposant d'un agrément spécial comme maison de repos et de soins est remplacé comme suit :
  " Art. 1. Dans l'arrêté, on entend par :
  1° maison de repos et de soins : une structure qui, conformément à l'article 2 de l'arrêté royal du 21 septembre 2004 fixant les normes pour l'agrément spécial comme maison de repos et de soins, comme centre de soins de jour ou comme centre pour lésions cérébrales acquises comme d'application au 31 décembre 2018, dispose d'un agrément spécifique de maison de repos et de soins ;
  2° centre de soins résidentiels avec agrément supplémentaire : centre de soins résidentiels tel que visé à l'article 52/1, deuxième alinéa, du décret du 13 mars 2009 sur les soins et le logement. "
Art. 615. In artikel 4 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2017 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 25 mei 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het derde lid wordt vervangen door wat volgt:
  "Artikel 2, derde lid, heeft uitwerking met ingang van 1 april 2018 en treedt buiten werking op 1 januari 2019.";
  2° er wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  " Artikel 2, vierde lid, treedt in werking op 1 januari 2019.".
Art. 614. Dans l'article 2 du même décret, tel que modifié par les décrets du gouvernement flamand du 17 février 2017 et du 25 mai 2018, le quatrième alinéa suivant est ajouté :
  " Le nombre maximal d'unités de logement à reconnaître en tant que centre de soins résidentiels avec agrément supplémentaire est fixé à 47.773 unités de logement à compter du 1er janvier 2019.
Deel 29. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 april 2016 houdende de toekenning en de erkenning van bijkomende bedden met een bijzondere erkenning als rust- en verzorgingstehuis
Art. 615. A l'article 4 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du vendredi 17 février 2017 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du vendredi 25 mai 2018, les modifications suivantes sont apportées :
Art. 616. In het opschrift van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 april 2016 houdende de toekenning en de erkenning van bijkomende bedden met een bijzondere erkenning als rust- en verzorgingstehuis worden de woorden "bijkomende bedden met een bijzondere erkenning als rust- en verzorgingstehuis" vervangen door de woorden "bijkomende en vrijgekomen woongelegenheden met een bijkomende erkenning".
Partie 29. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 avril 2016 portant attribution et agrément de lits supplémentaires disposant d'un agrément spécial comme maison de repos et de soins
Art. 617. In artikel 1 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 2017 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 25 mei 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in punt 4° worden de woorden "rust- en verzorgingstehuizen" vervangen door de woorden "woonzorgcentra met een bijkomende erkenning";
  2° punt 5° tot en met 7° worden vervangen door wat volgt:
  "5° woonzorgcentrum: een voorziening als vermeld in artikel 37 van het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009, die al dan niet uit verschillende vestigingen bestaat;
  6° woonzorgcentrum met een bijkomende erkenning: woonzorgcentrum als vermeld in artikel 52/1, tweede lid, van het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009;
  7° bijkomende woongelegenheden met een bijkomende erkenning: de woongelegenheden met een bijkomende erkenning die opgenomen zijn in de planning waarvoor nog geen bijkomende erkenning voor een woonzorgcentrum of geen planningsvergunning werd verleend;";
  3° in punt 8° wordt het woord "bedden" telkens vervangen door de woorden "woongelegenheden met een bijkomende erkenning";
  4° er wordt een punt 9° toegevoegd dat luidt als volgt:
  "9° woongelegenheid met een bijkomende erkenning: een woongelegenheid waarop, conform artikel 10/4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 betreffende de programmatie, de erkenningsvoorwaarden en de subsidieregeling voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen van gebruikers en mantelzorgers, de bijkomende erkenning van een woonzorgcentrum betrekking heeft.".
Art. 616. Dans l'intitulé de l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 avril 2016 portant attribution et agrément de lits supplémentaires disposant d'un agrément spécial comme maison de repos et de soins, les mots " lits supplémentaires disposant d'un agrément spécial comme maison de repos et de soins " sont remplacés systématiquement par les mots " unités de logement supplémentaires et vacantes avec agrément supplémentaire ".
Art. 618. In artikel 2, tweede lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 25 mei 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° punt 1° wordt vervangen door wat volgt:
  "1° voor de berekening van de verdeling van het aantal bijkomende en vrijgekomen woongelegenheden met een bijkomende erkenning tussen woonzorgcentra die nog geen bijkomende erkenning hebben of nog niet over een planningsvergunning beschikken en de woonzorgcentra die wel al een bijkomende erkenning hebben of over een planningsvergunning beschikken: de berekening wordt afgerond naar het bovenliggende veelvoud van 25;";
  2° in punt 3° wordt het woord "RVT-dekkingsgraad" vervangen door de woorden "dekkingsgraad voor zware zorgprofielen";
  3° in punt 4° worden de woorden "bedden met een bijzondere erkenning als rust- en verzorgingstehuis" vervangen door de woorden "woongelegenheden met een bijkomende erkenning".
Art. 617. Les modifications suivantes sont apportées à l'article 1er du même arrêté, remplacé par l'arrêté du gouvernement flamand du 28 avril 2017 et modifié par l'arrêté du gouvernement flamand du 25 mai 2018 :
  1° au point 4°, les termes " maisons de repos et de soins " sont remplacés par les mots " centres de soins résidentiels avec agrément supplémentaire " ;
  2° Les points 5° à 7° inclus sont remplacés par ce qui suit :
  " 5° centre de soins résidentiels : un établissement visé à l'article 37 du Décret du 13 mars 2009 sur les soins et le logement, composé ou non de plusieurs implantations ;
  6° centre de soins résidentiels avec agrément supplémentaire : un centre de soins résidentiels visé à l'article 37, deuxième alinéa, du Décret du 13 mars 2009 sur les soins et le logement ;
  7° unités de logement supplémentaires avec agrément supplémentaire : les les unités de logement pour lesquelles un agrément supplémentaire a été inclus dans la planification et pour lesquelles aucun agrément supplémentaire pour un centre de soins résidentiels ou une autorisation de planning n'a encore été accordé ; ";
  3° au point 8°, les termes " lits " sont remplacés par les termes " unités de logement avec agrément supplémentaire " ;
  4° Il est ajouté un point 9° libellé comme suit :
  " 9° unité de logement avec agrément supplémentaire : une unité de logement sur laquelle, conformément à l'article 10/4 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juillet 2009 relatif à la programmation, les conditions d'agrément et le régime de subventionnement de structures de services de soins et de logement et d'associations d'usagers et d'intervenants de proximité, porte l'agrément supplémentaire d'un centre de soins résidentiels. ".
Art. 619. In artikel 3 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 25 mei 2018, worden de woorden "bedden met een bijzondere erkenning als rust- en verzorgingstehuis" vervangen door de woorden "woongelegenheden met een bijkomende erkenning".
Art. 618. L'article 2, deuxième alinéa, du même arrêté, tel que modifié par le décret du Gouvernement flamand du 25 mai 2018, est modifié comme suit :
  1° le point 1° est remplacé par ce qui suit :
  " 1° pour le calcul de la répartition du nombre d'unités de logement supplémentaires et vacantes avec agrément supplémentaire entre les centres de soins résidentiels qui n'ont pas encore d'agrément supplémentaire ou qui n'ont pas encore d'autorisation de planification et les centres de soins résidentiels qui ont déjà un agrément supplémentaire ou une autorisation de planification : le calcul est arrondi au multiple suivant de 25 ; ";
  2° au point 3°, le mot " taux de couverture RVT " est remplacé par les mots " taux de couverture pour profils de soins lourds " ;
  3° au point 4°, les termes " lits avec agrément spécial en tant que maison de repos et de soins " sont remplacés par les termes " unités de logement avec agrément supplémentaire ".
Art. 620. In artikel 4 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 25 mei 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 1. In dit artikel wordt verstaan onder:
  1° bewoners met een zorgprofiel B, C, Cd of D: de bewoners met een afhankelijkheidscategorie als vermeld in artikel 425, 3° tot en met 6° van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 november 2018 houdende de uitvoering van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming;
  2° referentieperiode: de referentieperiode, vermeld in artikel 1, 45°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 november 2018 houdende de uitvoering van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming, die afhankelijk van de aard van de woongelegenheid in kwestie het volgende inhoudt:
  a) voor de bijkomende woongelegenheden met een bijkomende erkenning: de meest recente afgesloten referentieperiode vanaf de inwerkingtreding van de geldende planning en rekening houdende met de termijn, vermeld in artikel 454, tweede lid, van het voormelde besluit;
  b) voor de vrijgekomen woongelegenheden met een bijkomende erkenning: de meest recente afgesloten referentieperiode op 1 januari volgend op het jaar waarin de planningsvergunning vervallen is.";
  2° in paragraaf 2 wordt de woorden "bedden met een bijzondere erkenning als rust- en verzorgingstehuis" vervangen door de woorden "woongelegenheden met een bijkomende erkenning";
  3° paragraaf 4 en 5 worden vervangen door wat volgt:
  " § 4. Een derde van de bijkomende of vrijgekomen woongelegenheden met een bijkomende erkenning die opgenomen zijn in de planning wordt toegewezen aan woonzorgcentra die op het einde van de referentieperiode nog geen bijkomende erkenning hebben en niet beschikken over een planningsvergunning en tijdens de referentieperiode minstens gemiddeld 25 bewoners huisvestten met een zorgprofiel B, C, Cd en D.
  Er worden 25 woongelegenheden met een bijkomende erkenning toegekend aan de woonzorgcentra die in aanmerking komen conform de criteria, vermeld in het eerste lid.
  Als de beschikbare middelen onvoldoende zijn om aan elk woonzorgcentrum dat in aanmerking komt 25 woongelegenheden met een bijkomende erkenning toe te kennen, wordt voorrang gegeven aan die woonzorgcentra waar het aantal bewoners met een zorgprofiel B, C, Cd en D het hoogste is ten opzichte van het totale aantal bewoners van het woonzorgcentrum tijdens de referentieperiode zonder rekening te houden met de bewoners die verblijven in woongelegenheden met een bijzondere erkenning als centrum voor niet aangeboren hersenletsels, vermeld in artikel 3bis van het koninklijk besluit van 21 september 2004 houdende vaststelling van de normen voor de bijzondere erkenning als rust- en verzorgingstehuis, als centrum voor dagverzorging of als centrum voor niet aangeboren hersenletsels.
  § 5. Het saldo wordt toegekend aan woonzorgcentra die een bijkomende erkenning hebben of over een planningsvergunning beschikken op het einde van de referentieperiode.
  Woonzorgcentra met een lagere dekkingsgraad voor zware zorgprofielen genieten een hogere prioriteit dan woonzorgcentra met een hogere dekkingsgraad voor zware zorgprofielen.
  De dekkingsgraad voor zware zorgprofielen wordt als volgt berekend: het aantal woongelegenheden met een bijkomende erkenning, met uitzondering van de woongelegenheden met een bijzondere erkenning als centrum voor niet aangeboren hersenletsels, vermeld in artikel 3bis van het koninklijk besluit van 21 september 2004 houdende vaststelling van de normen voor de bijzondere erkenning als rust- en verzorgingstehuis, als centrum voor dagverzorging of als centrum voor niet aangeboren hersenletsels, plus het aantal woongelegenheden met een planningsvergunning op het einde van de referentieperiode, gedeeld door het gemiddelde aantal bewoners met een zorgprofiel B, C, Cd, of D in ROB en RVT tijdens de referentieperiode.
  Als meerdere woonzorgcentra in aanmerking komen, wordt voorrang gegeven aan die woonzorgcentra waar het aantal bewoners met een zorgprofiel B, C, Cd en D het hoogste is ten opzichte van het totale aantal bewoners van het woonzorgcentrum tijdens de referentieperiode.";
  4° in paragraaf 6 en 7 worden de woorden "erkenning als rust- en verzorgingstehuis" telkens vervangen door de woorden "bijkomende erkenning".
Art. 619. Dans l'article 3 du même décret, remplacé par le décret du Gouvernement flamand du 25 mai 2018, les termes " lits avec agrément spécial en tant que maison de repos et de soins " sont remplacés par les termes " unités de logement avec agrément supplémentaire ".
Art. 621. In artikel 5 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 25 mei 2018, wordt het woord "bedden" telkens vervangen door de woorden "woongelegenheden met een bijkomende erkenning".
Art. 620. A l'article 4 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du vendredi 25 mai 2018, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le paragraphe 1 est remplacé par ce qui suit :
  " § 1. Dans le présent article, on entend par :
  1° résidents ayant un profil de prise en charge B, C, Cd ou D : les résidents relevant d'une catégorie de dépendance visée à l'article 425, 3° à 6° de l'arrêté du Gouvernement flamand du 30 novembre 2018 portant exécution du décret du 18 mai 2018 relatif à la protection sociale flamande ;
  2° période de référence : la période de référence, visée à l'article 1er, 45°, de l'arrêt du Gouvernement flamand du 18 mai 2018 portant exécution du décret du 18 mai 2018 relatif à la protection sociale flamande, qui, selon la nature de l'unité de logement en question, comprend les éléments suivants :
  a) pour les unités de logement supplémentaires avec agrément supplémentaire : la période de référence achevée la plus récente à compter de l'entrée en vigueur de la planification applicable et compte tenu du délai visé à l'article 454, paragraphe 2, de l'arrêté susmentionné ;
  b) pour les unités de logement vacantes avec agrément supplémentaire, la période de référence achevée la plus récente au 1er janvier suivant l'année d'expiration de l'autorisation de planification. ";
  2° dans le paragraphe 2, les mots " lits avec agrément spécial en tant que maison de repos et de soins " sont remplacés par les termes " unités de logement avec agrément supplémentaire " ;
  3° les paragraphes 4 et 5 sont remplacés comme suit :
  " § 4. Un tiers des unités de logement supplémentaires ou vacantes avec agrément supplémentaire inclus dans la planification est attribué aux centres de soins résidentiels qui n'ont pas encore d'agrément supplémentaire et qui n'ont pas d'autorisation de planification à la fin de la période de référence et qui, en moyenne, ont accueilli au moins 25 résidents relevant d'un profil de soins B, C, Cd et D pendant la période de référence.
  Vingt-cinq unités de logement avec agrément supplémentaire sont accordées aux centres de soins résidentiels éligibles selon les critères définis au premier alinéa.
  Si les ressources disponibles sont insuffisantes pour accorder à chaque centre de soins résidentiels éligible 25 unités de logement avec agrément supplémentaire, la priorité sera accordée aux unités de logement où le nombre de résidents présentant un profil de soins B, C, C, Cd et D est le plus élevé par rapport au nombre total de résidents du centre de soins résidentiels pendant la période de référence, sans tenir compte des résidents occupant des unités de logement avec agrément spécial comme centres pour lésions cérébrales non acquises, visées à l'article 3a de l'arrêté royal du 21 septembre 2004 fixant les normes pour l'agrément spécial comme maison de repos et de soins, comme centre de soins de jour ou comme centre pour lésions cérébrales acquises.
  § 5. Le solde est accordé aux centres de soins résidentiels qui, à la fin de la période de référence, disposent d'un agrément supplémentaire ou d'une autorisation de planification.
  Les centres de soins résidentiels ayant un taux de couverture inférieur pour les profils de soins lourds ont une priorité plus élevée que les centres de soins résidentiels ayant un taux de couverture plus élevé pour les profils de soins lourds.
  Le taux de couverture des profils de soins lourds est calculé comme suit : le nombre d'unités de logement avec agrément supplémentaire, à l'exception des unités de logement avec agrément spécial en tant que centre de lésions cérébrales non acquises, visées à l'article 3 bis de l'arrêté royal du 21 septembre 2004 fixant les normes pour l'agrément spécial comme maison de repos et de soins, comme centre de soins de jour ou comme centre pour lésions cérébrales acquises, plus le nombre d'unités de logements avec autorisation de planification à la fin de la période de référence, divisé par le nombre moyen de résidents ayant un profil de soins B, C, Cd ou D en ROB et RVT pendant la période de référence.
  Si plusieurs centres de soins résidentiels sont éligibles, la priorité est accordée aux centres de soins résidentiels où le nombre de résidents ayant un profil de soins B, C, Cd et D est le plus élevé par rapport au nombre total de résidents du centre de soins résidentiels pendant la période de référence. " ;
  4° aux paragraphes 6 et 7, les termes " agrément en tant que maison de repos et de soins " sont remplacés par les termes " agrément supplémentaire ".
Art. 622. In artikel 7 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 25 mei 2018, worden de volgende wijzingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) de zinsnede "Woonzorgcentra die nog niet erkend zijn als rust- en verzorgingstehuis en die met toepassing van artikel 5 van dit besluit een voornemen tot planningsvergunning ontvangen, kunnen voor de bijkomende of vrijgekomen bedden erkend worden als rust- en verzorgingstehuis, als ze voldoen aan al de volgende voorwaarden:" vervangen door de zinsnede "Woonzorgcentra die nog geen bijkomende erkenning hebben en die met toepassing van artikel 5 van dit besluit een voornemen tot planningsvergunning ontvangen, kunnen voor de bijkomende of vrijgekomen woongelegenheden een bijkomende erkenning krijgen, als ze voldoen aan al de volgende voorwaarden:";
  b) in punt 2° worden het woord "RVT-middelen" vervangen door de woorden "middelen voor de woongelegenheden met een bijkomende erkenning";
  2° in paragraaf 2 worden volgende wijzigingen aangebracht:
  a) het eerste lid wordt vervangen door wat volgt:
  "Woonzorgcentra die een bijkomende erkenning hebben en die met toepassing van artikel 5 een voornemen tot planningsvergunning ontvangen, kunnen voor de bijkomende of vrijgekomen woongelegenheden een bijkomende erkenning krijgen, op voorwaarde dat ze een aanvraag tot erkenning aangetekend indienen bij het agentschap.";
  b) punt 3° van het tweede lid wordt vervangen door wat volgt:
  "3° voor woonzorgcentra die met toepassing van artikel 5 van dit besluit een voornemen tot planningsvergunning ontvangen voor vijf of meer woongelegenheden met een bijkomende erkenning:
  a) het verslag van de gebruikersraad waaruit blijkt dat de gebruikers geïnformeerd zijn over de bestemming van de bijkomende middelen voor de woongelegenheden met een bijkomende erkenning;
  b) een attest waarin bevestigd wordt dat er een overleg heeft plaatsgehad met de representatieve vertegenwoordigers van de werknemers, of bij ontstentenis hiervan met de werknemers zelf, over hoe de bijkomende middelen voor de woongelegenheden met een bijkomende erkenning besteed zullen worden, en waarbij voor die besteding gekozen werd tussen bijkomende tewerkstelling met vermelding van het aantal VTE op jaarbasis, een vermindering van het verlies en/of een verlaging van de dagprijs met vermelding van het aantal euro waarvoor een dagprijsaanpassing wordt aangevraagd.";
  3° in paragraaf 3 worden de woorden "rust- en verzorgingstehuis" telkens vervangen door de woorden "woonzorgcentrum met een bijkomende erkenning" en wordt het woord "bedden" vervangen door de woorden "woongelegenheden met een bijkomende erkenning";
  4° paragraaf 4 en 5 worden vervangen door wat volgt:
  " § 4. Voor woonzorgcentra waarvoor een procedure tot weigering, schorsing of intrekking van de erkenning loopt, wordt de bijkomende erkenning van de woongelegenheden waarvoor het woonzorgcentrum met toepassing van artikel 5 een voornemen tot planningsvergunning heeft ontvangen, opgeschort in afwachting van de beslissing in dat dossier. De beslissing over de weigering, schorsing en intrekking van de erkenning vermeldt of en, als dat van toepassing is, vanaf welke ingangsdatum de bijkomende erkenning voor de woongelegenheden waarvoor de initiatiefnemer met toepassing van artikel 5 een voornemen tot planningsvergunning heeft ontvangen kan worden aangevraagd.
  § 5. Voor bijkomende woongelegenheden met een bijkomende erkenning hebben de woonzorgcentra de keuze om de erkenning te laten ingaan op 1 januari, 1 april, 1 juli of 1 oktober van het jaar waarin de bijkomende woongelegenheden met een bijkomende erkenning zijn opgenomen in de planning.
  In afwijking van het eerste lid hebben de woonzorgcentra voor de bijkomende woongelegenhedenmet een bijkomende erkenning in 2018 de keuze om de erkenning te laten ingaan op 1 april 2018, 1 juli 2018 of 1 oktober 2018.
  Voor vrijgekomen woongelegenheden met een bijkomende erkenninghebben de woonzorgcentra de keuze om de bijkomende erkenning te laten ingaan op 1 januari, 1 april, 1 juli of 1 oktober volgend op het jaar waarin de planningsvergunning vervalt.".
Art. 621. l'article 5 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 25 mai 2018, le mot " lit " est remplacé par les mots " unité de logement avec agrément supplémentaire ".
Art. 623. In artikel 8 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 1. In afwijking van artikel 12 van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 februari 1997 tot vaststelling van de procedure voor het verkrijgen van een planningsvergunning en een exploitatievergunning voor intramurale en transmurale voorzieningen in de gezondheidszorg vervalt de planningsvergunning als de initiatiefnemer niet binnen vier maanden na ontvangst van het voornemen tot planningsvergunning een aanvraag tot voorlopige erkenning of een aanvraag tot erkenning als vermeld in artikel 7, aan het agentschap bezorgt.
  Voor woonzorgcentra waarvoor een weigering, een procedure tot weigering, schorsing of intrekking van de erkenning loopt en waarvoor met toepassing van artikel 7, § 4, de bijkomende erkenning van de woongelegenheden waarvoor het woonzorgcentrum met toepassing van artikel 5 een voornemen tot planningsvergunning ontvangt, is opgeschort, vervalt de planningsvergunning als de initiatiefnemer niet binnen vier maanden na de ontvangst van de beslissing over de weigering, schorsing of intrekking van de, een aanvraag tot (voorlopige) erkenning, vermeld in artikel 7, aan het agentschap bezorgt.
  Voor woonzorgcentra waarvoor een weigering, een procedure tot weigering, schorsing of intrekking van de erkenning loopt en waarvoor met toepassing van artikel 7, § 4, de bijkomende erkenning van de woongelegenheden waarvoor het woonzorgcentrum met toepassing van artikel 5 een voornemen tot planningsvergunning ontvangt, vervalt de planningsvergunning als de beslissing over de weigering, schorsing of intrekking van de erkenning vermeldt dat de woongelegenheden waarvoor de initiatiefnemer met toepassing van artikel 5 een voornemen tot planningsvergunning heeft ontvangen, niet erkend kunnen worden.";
  2° in paragraaf 2, eerste lid, wordt het woord "Bedden" vervangen door de woorden "Bijkomende of vrijgekomen woongelegenheden met een bijkomende erkenning".
Art. 622. L'article 7 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 25 mai 2018, est modifié comme suit :
  1° le paragraphe 1er est modifié comme suit :
  a) la partie de phrase " Les centres de soins et de logement qui, au 31 décembre 2014, n'étaient pas agréés comme maison de repos et de soins et qui reçoivent une intention d'autorisation de planification par application de l'article 5 du présent arrêté, peuvent être agréés pour les lits supplémentaires ou vacants comme maison de repos et de soins s'ils répondent aux conditions suivantes : ", est remplacée par la partie de phrase " Les centres de soins résidentiels qui ne disposent pas encore d'un agrément supplémentaire et qui reçoivent une autorisation de planification conformément à l'article 5 du présent arrêté peuvent recevoir un agrément supplémentaire pour les unités de logement supplémentaire ou vacantes s'ils répondent à toutes les conditions suivantes : "
  b) au point 2°, les mots " ressources RVT " sont remplacés par les mots " ressources pour les unités de logement avec agrément supplémentaire " ;
  2° Le paragraphe 2 est modifié comme suit :
  a) l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  " Les centres de soins résidentiels qui ont un agrément supplémentaire et qui reçoivent une autorisation de planification conformément à l'article 5 peuvent recevoir un agrément supplémentaire pour les unités de logement supplémentaires ou vacantes, à condition qu'ils soumettent une demande d'agrément à l'Agence par lettre recommandée. " ;
  b) le point 3° du deuxième alinéa est remplacé comme suit :
  " 3° pour les centres de soins résidentiels qui, conformément à l'article 5 du présent arrêté, reçoivent une proposition d'autorisation de planification pour cinq unités de logement ou plus avec agrément supplémentaire :
  a) le rapport du conseil des usagers montrant que les usagers ont été informés de l'utilisation des ressources supplémentaires pour les unités de logement avec agrément supplémentaire ;
  b) une attestation confirmant que des consultations ont eu lieu avec les délégués représentatifs des travailleurs ou, en l'absence de ces délégués, avec les travailleurs eux-mêmes, sur la manière dont les ressources supplémentaires seront utilisées pour les unités de logement avec agrément supplémentaire, et pour choisir, pour cette utilisation, entre un emploi supplémentaire avec indication du nombre d'ETP sur une base annuelle, une réduction de la perte et/ou une réduction du prix journalier avec indication du nombre d'euros pour lequel un ajustement du prix journalier est requis. " ;
  3° au paragraphe 3, les mots " maison de repos et de soins " sont remplacés par " centre de soins résidentiels avec agrément supplémentaire " et le mot " lits " est remplacé par " unité de logement avec agrément supplémentaire " ;
  4° les paragraphes 4 et 5 sont remplacés comme suit :
  " § 4. Pour les centres de soins résidentiels qui font l'objet d'une procédure de refus, de suspension ou de retrait d'agrément, l'agrément supplémentaire des unités de logement pour lesquelles le centre de soins résidentiels a reçu l'intention d'accorder une autorisation de planification conformément à l'article 5 est suspendu en attendant la décision dans ce dossier. La décision de refus, de suspension et de retrait de l'agrément indique si et, le cas échéant, à partir de quelle date l'agrément supplémentaire peut être demandé pour les unités de logement pour lesquelles l'initiateur a reçu l'intention d'accorder une autorisation de planification conformément à l'article 5.
  § 5. Pour les unités de logement supplémentaires avec agrément supplémentaire, les centres de soins résidentiels ont le choix de faire prendre effet l'agrément le 1er janvier, le 1er avril, le 1er juillet ou le 1er octobre de l'année au cours de laquelle les unités de logement supplémentaires avec agrément supplémentaire sont incluses dans la planification.
  Par dérogation au premier alinéa, les centres de soins résidentiels pour les unités de logement supplémentaires avec agrément supplémentaire en 2018 ont le choix de faire prendre effet l'agrément le 1er avril 2018, le 1er juillet 2018 ou le 1er octobre 2018.
  Pour les unités de logement vacantes avec agrément supplémentaire, les centres de soins résidentiels ont la possibilité de faire prendre effet l'agrément le 1er janvier, le 1er avril, le 1er juillet ou le 1er octobre suivant l'année au cours de laquelle l'autorisation de planification expire.
Deel 30. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 januari 2018 houdende de toepassing van het cumulverbod en de verschilregel voor het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap
Art. 623. A l'article 8 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du vendredi 28 avril 2017, les modifications suivantes sont apportées :
Art. 624. In artikel 1, 5°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 januari 2018 houdende de toepassing van het cumulverbod en de verschilregel voor het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, wordt de zinsnede "het decreet van 24 juni 2016 houdende de Vlaamse sociale bescherming" vervangen door de zinsnede "het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming".
Partie 30. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 janvier 2018 portant application de l'interdiction de cumul et de la règle de la différence pour la " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap "
Art. 625. In artikel 2, eerste lid, 1°, van hetzelfde besluit, wordt de zinsnede "het decreet van 24 juni 2016 houdende de Vlaamse sociale bescherming" vervangen door de zinsnede "het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming".
Art. 624. Dans l'article 1, 5° de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 janvier 2018 portant application de l'interdiction de cumul et de la règle de la différence pour la " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap ", la partie de phrase " du décret du 24 juin 2016 relatif à la protection sociale flamande " est remplacée par la partie de phrase " du décret du 18 mai 2018 relatif à la protection sociale flamande ".
Deel 31. - Wijziging van de verordening van 28 juli 2003 tot uitvoering van artikel 22, 11°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994
Art. 625. Dans l'article 2, premier alinéa, 1° du même arrêté, la partie de phrase " du décret du 24 juin 2016 relatif à la protection sociale flamande " est remplacée par la partie de phrase " du décret du 18 mai 2018 relatif à la protection sociale flamande ".
Art. 626. In de verordening van 28 juli 2003 tot uitvoering van artikel 22, 11°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, het laatst gewijzigd bij de verordening van 17 september 2018, wordt hoofdstuk VI, dat bestaat uit artikel 15 tot en met 18, opgeheven.
Partie 31. - Modification du règlement du 28 juillet 2003 portant exécution de l'article 22, 11°, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994
Boek 5. - Slotbepalingen
Art. 626. Le chapitre VI, qui comprend les articles 15 à 18 du règlement du 28 juillet 2003 portant exécution de l'article 22, 11°, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonné le 14 juillet 1994, modifié en dernier lieu par le règlement du 17 septembre 2018, est abrogé.
Deel 1. - Opheffingsbepaling
Livre 5. - Dispositions finales
Art. 627. De volgende regelingen worden opgeheven:
Partie 1. - Disposition abrogatoire
Deel 2. - Overgangsbepalingen
Art. 627. Les réglementations suivantes sont abrogées :
Art. 628. Voor de toepassing van dit besluit wordt de zorgverzekeringstegemoetkoming, die toegekend wordt vóór 1 januari 2019 ter uitvoering van het decreet van 24 juni 2016 houdende de Vlaamse sociale bescherming, gelijkgesteld met het zorgbudget voor zwaar zorgbehoevenden, vermeld in dit besluit.
Partie 2. - Dispositions transitoires
Art. 629. Voor de toepassing van dit besluit wordt de tegemoetkoming hulp aan bejaarden, die toegekend wordt vóór 1 januari 2019 ter uitvoering van het decreet van 24 juni 2016 houdende de Vlaamse sociale bescherming, gelijkgesteld met het zorgbudget voor ouderen met een zorgnood, vermeld in dit besluit.
Art. 628. Aux fins du présent décret, la cotisation d'assurance maladie accordée avant le 1er janvier 2019 en application du décret du 24 juin 2016 relatif à la protection sociale flamande est traitée de la même manière que le budget de la santé pour les personnes gravement dépendantes visées par le présent arrêté.
Art. 630. Voor de uitvoering van de taken, vermeld in artikel 512 tot en met 519 van dit besluit, wordt de functie van de Zorgkassencommissie in de periode van 1 januari 2019 tot en met 30 juni 2019 uitgeoefend door de leden van het Nationaal college van adviserend geneesheren of door de leden van de lokale colleges. Artikel 121 en 122 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 zijn van overeenkomstige toepassing bij de uitvoering van die taken.
Art. 629. Aux fins du présent décret, l'intervention d'aide aux personnes âgées accordée avant le 1er janvier 2019 en application du décret du 24 juin 2016 relatif à la protection sociale flamande est traitée de la même manière que le budget de la santé pour les personnes âgées nécessitant des soins de santé visées par le présent arrêté.
Art. 631. Voor de uitvoering van de taken, vermeld in artikel 260, 391 en 397 van dit besluit, wordt de functie van de Zorgkassencommissie in de periode van 1 januari 2019 tot en met [1 30 september 2019]1 uitgeoefend door de adviserend-arts van het ziekenfonds dat verwant is met de zorgkas van de gebruiker. Dossiers van de Vlaamse Zorgkas worden op willekeurige wijze verdeeld onder de ziekenfondsen die verwant zijn met de andere zorgkassen.
  In afwijking van het eerste lid kan de functie van de Zorgkassencommissie ook worden uitgeoefend door een expert die verbonden is aan de zorgkas zelf, voor controles die conform de bepalingen van dit besluit monodisciplinair gebeuren.
  
Art. 630. Pour l'exécution des tâches visées aux articles 512 à 519 du présent arrêté, la fonction de la Commission des caisses d'assurance soins pour la période du 1er janvier 2019 au 30 juin 2019 est exercée par les membres du Collège national des médecins-conseils ou par les membres des collèges locaux. Les articles 121 et 122 de l'arrêté royal du 3 juillet 1996 portant exécution de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994 sont d'application mutatis mutandis pour l'exécution de ces tâches.
Art. 632. De verzekeringsinstellingen behandelen dossiers inzake subrogatie verder conform artikel 136, § 2, van de Ziekteverzekeringswet, wat prestaties betreft die dateren van voor 1 januari 2019.
Art. 631. Pour l'exécution des tâches visées aux articles 260, 391 et 397 du présent arrêté, la fonction de la Commission des caisses d'assurance soins pour la période du 1er janvier 2019 au [1 30 septembre 2019]1 est exercée par le médecin-conseil de la mutuelle apparentée à la caisse d'assurances soins de l'usager. Les dossiers de la Vlaamse Zorgkas sont répartis de manière aléatoire entre les mutuelles qui sont apparentées aux autres caisses d'assurance soins.
  Par dérogation au premier alinéa, la fonction de Commission des caisses d'assurances soins peut également être exercée par un expert associé à l'a caisse d'assurance soins proprement dite, pour des inspections monodisciplinaires conformément aux dispositions du présent décret.
  
Art. 633. Voor de personen die voor de maand december 2016 een zorgverzekeringstegemoetkoming uitbetaald kregen en die voor of op 1 januari 2017 gestart zijn met een budget voor niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning, worden de zorgverzekeringstegemoetkomingen verder uitgevoerd als ze voldoen aan de bepalingen, vermeld in of bepaald krachtens artikel 41 van het decreet van 18 mei 2018, en aan de toepassingsvoorwaarden, vermeld in of bepaald krachtens artikel 78 en 79 van het voormelde decreet. Die verdere uitvoering stopt als ze na 1 januari 2017 en na een herzieningsprocedure een hoger budget voor niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning ontvangen.
  Het aantal maanden zorgverzekeringstegemoetkomingen voor 2016 conform artikel 73 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 februari 2010 houdende de uitvoering van het decreet van 30 maart 1999 houdende de organisatie van de zorgverzekering, zoals van kracht vóór de inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 oktober 2016 houdende de uitvoering van het decreet van 24 juni 2016 houdende de Vlaamse sociale bescherming, wordt ook verder uitgevoerd als de personen aan de volgende voorwaarden voldoen :
  1° ze krijgen in 2016 een zorgverzekeringstegemoetkoming uitbetaald conform het voormelde artikel 73;
  2° ze starten vóór of op 1 januari 2017 met een budget voor niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning;
  3° ze voldoen aan de bepalingen, vermeld in of bepaald krachtens artikel 41 van het decreet van 18 mei 2018 en aan de toepassingsvoorwaarden, vermeld in of bepaald krachtens artikel 78 en 79 van het voormelde decreet
  Die verdere uitvoering, vermeld in het tweede lid, stopt als de personen in kwestie na 1 januari 2017 en na een herzieningsprocedure een hoger budget voor niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning ontvangen.
Art. 632. Les organismes assureurs continuent à traiter les dossiers de subrogation conformément à l'article 136, paragraphe 2, de la loi sur l'assurance maladie, pour les prestations antérieures au 1er janvier 2019.
Art. 634. Voor de personen die op 31 december 2016 recht hebben op een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden krachtens de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, en die op 1 januari 2017 niet bij de Vlaamse sociale bescherming kunnen aansluiten omdat ze niet onder het toepassingsgebied van het decreet van 24 juni 2016 houdende de Vlaamse sociale bescherming vallen, of die op 1 januari 2017 niet aan de voorwaarde voldoen, vermeld in artikel 41, § 1, eerste lid, 4°, van het decreet van 18 mei 2018, worden de tegemoetkomingen voor hulp aan bejaarden krachtens het decreet van 18 mei 2018 ook na 31 december 2016 verder uitgevoerd, als ze een verminderde zelfredzaamheid blijven hebben.
  De personen, vermeld in het eerste lid, worden geacht aangesloten te zijn voor de duur van de tegemoetkoming.
Art. 633. Dans le cas des personnes qui reçoivent une allocation de l'assurance soins avant le mois de décembre 2016 et qui ont commencé à recourir à un budget pour des soins et du soutien non directement accessibles avant le ou au 1er janvier 2017, l'exécution des interventions de l'assurance soins se poursuit lorsqu'elles répondent aux dispositions visées à ou déterminées en vertu de l'article 41 du décret du 18 mai 2018, ainsi qu'aux conditions d'application visées à ou déterminées en vertu des articles 78 et 79 du décret susmentionné. L'exécution des interventions prend fin lorsque ces personnes reçoivent, après le 1er janvier 2017 et après une procédure de révision, un budget plus élevé pour des soins et du soutien non directement accessibles.
  Conformément à l'article 73 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 février 2010 portant exécution du décret du 30 mars 1999 portant organisation de l'assurance soins, tel qu'en vigueur avant l'entrée en vigueur de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 octobre 2016 portant exécution du décret du 24 juin 2016 relatif à la protection sociale flamande, l'exécution des interventions de l'assurance soins relatives au nombre de mois de 2016 se poursuit également lorsque les personnes remplissent les conditions suivantes :
  1° elles reçoivent en 2016 une allocation de l'assurance soins, conformément à l'article 73 précité ;
  2° elles commencent à recourir à un budget pour des soins et du soutien non directement accessibles avant le ou au 1er janvier 2017 ;
  3° elles satisfont aux dispositions visées à ou déterminées en vertu de l'article 41 du décret du vendredi 18 mai 2018, ainsi qu'aux conditions d'application visées aux ou déterminées en vertu des articles 42 et 43 du décret susmentionné
  Cette exécution, visée à l'alinéa deux, prend fin lorsque les personnes en question reçoivent un budget plus élevé pour des soins et du soutien non directement accessibles après le 1er janvier 2017 et après une procédure de révision.
Art. 635. De termijn van ononderbroken aansluiting voorafgaand aan de opening van het recht op een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden of op een basisondersteuningsbudget, vermeld in artikel 41, § 1, tweede lid, van het decreet van 18 mei 2018, is niet van toepassing op de personen, vermeld in artikel 3, § 1, tweede lid, van het decreet van 18 mei 2018, als ze vóór de datum van 1 januari 2020 aansluiten bij een zorgkas van hun keuze.
  De termijn van ononderbroken aansluiting voorafgaand aan de opening van het recht op een tegemoetkoming voor mobiliteitshulpmiddelen of een tegemoetkoming voor residentiële ouderenzorg, vermeld in artikel 41, § 1, tweede lid, van het decreet van 18 mei 2018, is niet van toepassing op personen, vermeld in artikel 3, § 1, tweede lid, van het decreet van 18 mei 2018, als ze voor 1 januari 2022 aansluiten bij een zorgkas van hun keuze.
  De termijn van ononderbroken aansluiting voorafgaand aan de opening van het recht op een zorgbudget, vermeld in artikel 41, § 1, derde lid, van het decreet van 18 mei 2018, is niet van toepassing op de personen, vermeld in artikel 3, § 1, derde en vierde lid van het decreet van 18 mei 2018, als ze voor 1 januari 2022 aansluiten bij een zorgkas van hun keuze.
Art. 634. Dans le cas des personnes qui ont droit, au 31 décembre 2016, à une allocation pour l'aide aux personnes âgées, en vertu de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux personnes handicapées, et qui ne peuvent s'affilier à la protection sociale flamande au 1er janvier 2017 parce qu'elles n'entrent pas dans le champ d'application du décret du 24 juin 2016 relatif à la protection sociale flamande, ou qui, au 1er janvier 2017, ne remplissent pas la condition visée à l'article 41, § 1er, premier alinéa, 4° du décret du 18 mai 2018, l'exécution des interventions pour l'aide aux personnes âgées se poursuit également après le 31 décembre 2016 en vertu de ce décret du 18 mai 2018, même si l'autonomie réduite de ces personnes subsiste.
  Les personnes visées à l'alinéa premier sont supposées être affiliées pour la durée de l'intervention.
Art. 635/1. [1 Voor de toepassing van artikel 68, derde lid, 4°, geldt de inburgeringsplicht alleen voor premies vanaf het kalenderjaar 2023.]1
  
Art. 635. Le délai d'affiliation ininterrompue préalable à l'ouverture du droit à une allocation pour l'aide aux personnes âgées ou à un budget pour des soins et du soutien non directement accessibles, visé à l'article 41, § 1er, alinéa deux, du décret du 18 mai 2018, ne s'applique pas aux personnes visées à l'article 3, § 1, point 2 du décret du 18 mai 2018 lorsqu'elles s'affilient avant le 1er janvier 2020 à une caisse d'assurance soins de leur choix.
  Le délai d'affiliation ininterrompue préalable à l'ouverture du droit à une allocation pour les aides à la mobilité ou à une intervention pour les soins de santé résidentiels pour personnes âgées, visé à l'article 41, § 1er, alinéa deux, du décret du 18 mai 2018, ne s'applique pas aux personnes visées à l'article 3, § 1, deuxième alinéa du décret du 18 mai 2018 lorsqu'elles s'affilient avant le 1er janvier 2020 à une caisse d'assurance soins de leur choix.
  Le délai d'affiliation ininterrompue préalable à l'ouverture du droit à un budget pour des soins et du soutien non directement accessibles, visé à l'article 41, § 1er, alinéa trois, du décret du 18 mai 2018, ne s'applique pas aux personnes visées à l'article 3, § 1, troisième et quatrième alinéas du décret du 18 mai 2018 lorsqu'elles s'affilient avant le 1er janvier 2020 à une caisse d'assurance soins de leur choix.
Art. 636. De volgende beslissingen worden gelijkgesteld met een attest als vermeld in artikel 233, 1°, van dit besluit :
  1° de beslissing waaruit blijkt dat de deskundigencommissie de inschaling van het persoonlijke-assistentiebudget heeft vastgesteld met toepassing van artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 2000 houdende vaststelling van de voorwaarden van toekenning van een persoonlijke-assistentiebudget aan personen met een handicap, zoals van toepassing op 31 maart 2016;
  2° de beslissing waaruit blijkt dat aan een gebruiker een persoonsgebonden budget is toegekend, met toepassing van artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 november 2008 betreffende het opzetten van een experiment voor de toekenning van een persoonsgebonden budget aan bepaalde personen met een handicap;
  3° de beslissing waaruit blijkt dat aan een gebruiker een ondersteuningsveld is toegekend hoger dan Z7 als vermeld in de bijlage bij het ministerieel besluit van 1 maart 2012 houdende vaststelling van de ondersteuningsvelden;
  4° het indicatiestellingsverslag, vermeld in artikel 1, 17°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2014 betreffende de integrale jeugdhulp, waaruit blijkt dat een gebruiker in aanmerking komt voor niet-rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening die wordt aangeboden met toepassing van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap.
Art. 635/1. [1 Pour l'application de l'article 68, alinéa 3, 4°, l'obligation d'intégration civique s'applique uniquement aux primes à partir de l'année civile 2023.]1
  
Art. 637. [1 Personen aan wie vóór 1 januari 2021 een basisondersteuningsbudget is toegekend in het kader van de geleidelijke invoering van het basisondersteuningsbudget, blijven het basisondersteuningsbudget behouden zolang ze voldoen aan de aanvullende cumulatieve voorwaarden, vermeld in artikel 638 tot en met 641/1 van dit besluit, en de voorwaarden, vermeld in artikel 4 van het decreet van 25 april 2014 houdende de persoonsvolgende financiering voor personen met een handicap en tot hervorming van de wijze van financiering van de zorg en de ondersteuning voor personen met een handicap.]1
  
Art. 636. Les décisions suivantes sont assimilées à une attestation telle que visée à l'article 233, 1°, du présent arrêté :
  1° la décision dont il ressort que la commission d'experts a déterminé l'appréciation du budget d'assistance personnelle en application de l'article 8 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 décembre 2000 établissant les conditions d'octroi d'un budget d'assistance personnelle aux personnes handicapées, tel qu'applicable au 31 mars 2016 ;
  2° la décision dont il ressort qu'il a été octroyé à un usager un budget personnalisé, en application de l'article 1er de l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 novembre 2008 relatif au lancement d'une expérience en matière d'octroi d'un budget personnalisé à certaines personnes handicapées ;
  3° la décision dont il ressort qu'il a été octroyé à un usager un champ d'assistance plus élevé que Z7 tel que visé dans l'annexe de l'arrêté ministériel du 1er mars 2012 portant fixation des champs d'assistance ;
  4° le rapport d'indication, visé à l'article 1er, 17°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 février 2014 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse, dont il ressort qu'un usager entre en ligne de compte pour une aide à la jeunesse non directement accessible, proposée en application du décret du 7 mai 2004 portant création de l'Agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap " (Agence flamande pour les Personnes handicapées).
Art. 638. Vanaf 1 augustus 2016 wordt het recht op een basisondersteuningsbudget geopend voor meerderjarige personen die voldoen aan de volgende aanvullende cumulatieve voorwaarden:
  1° [1 beschikken over een automatische erkenning van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap of de toegangspoort als persoon met een handicap met een duidelijk vast te stellen behoefte aan zorg en ondersteuning als vermeld in artikel 4, eerste lid, 2°, van het decreet van 25 april 2014 houdende de persoonsvolgende financiering voor personen met een handicap en tot hervorming van de wijze van financiering van de zorg en de ondersteuning voor personen met een handicap als die persoon in uitvoering van artikel 5, § 2, van het voormelde decreet beschikt over een attest dat aantoont dat hij in aanmerking komt voor een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning]1;
  2° op 31 december 2014 en op 1 januari 2016 geregistreerd staan in de centrale gegevensbank, vermeld in artikel 1, 11°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 maart 2006 betreffende de regie van de zorg en bijstand tot sociale integratie van personen met een handicap en betreffende de erkenning en subsidiëring van een Vlaams Platform van verenigingen van personen met een handicap, met een van de volgende actieve zorgvragen :
  a) een ambulante begeleiding vanuit een dagcentrum;
  b) een persoonlijke-assistentiebudget;
  c) een observatie-unit voor volwassenen;
  d) begeleid wonen;
  e) beschermd wonen, DIO of geïntegreerd wonen;
  f) tehuis werkenden;
  g) dagcentrum;
  h) zelfstandig wonen;
  i) tehuis niet-werkenden bezigheid;
  j) tehuis niet-werkenden nursing;
  3° op het moment van de toekenning van het basisondersteuningsbudget:
  a) niet gebruikmaken van een persoonlijke-assistentiebudget als vermeld in artikel 16, 2°, van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, zoals van toepassing op 31 maart 2016, of als vermeld in hoofdstuk IV/1 van het voormelde decreet;
  b) niet gebruikmaken van een persoonsgebonden budget met toepassing van artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 november 2008 betreffende het opzetten van een experiment voor de toekenning van een persoonsgebonden budget aan bepaalde personen met een handicap, zoals van toepassing op 31 december 2016;
  c) niet ondersteund worden door een flexibel aanbodcentrum meerderjarigen met toepassing van artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van flexibele aanbodcentra voor meerderjarige personen met een handicap, zoals van toepassing op 31 december 2016;
  d) niet ondersteund worden door een multifunctioneel centrum voor minderjarige personen met een handicap met toepassing van artikel 7 of 9, § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap;
  e) niet gebruikmaken van persoonsvolgende middelen voor minderjarige personen met een handicap met dringende noden als vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 maart 2017 over persoonsvolgende middelen voor minderjarige personen met een handicap met dringende noden;
  f) niet gebruikmaken van een budget voor niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning;
  g) niet gebruikmaken van een unit voor geïnterneerden als vermeld in artikel 11 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 november 2017 over de erkenning en subsidiëring van voorzieningen die ondersteuning bieden aan personen met een handicap in de gevangenis, en van units voor geïnterneerden;
  h) niet gebruikmaken van een observatie-, diagnose- en behandelingsunit als vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2017 over de erkenning en subsidiëring van observatie-, diagnose- en behandelingsunits.
  
Art. 637. [1 Les personnes auxquelles un budget d'assistance de base a été octroyé avant le 1er janvier 2021 dans le cadre de la mise en place progressive du budget d'assistance de base, continuent à recevoir le budget d'assistance de base tant qu'elles répondent aux conditions cumulatives complémentaires, visées aux articles 638 à 641/1 du présent arrêté, et aux conditions visées à l'article 4 du décret du 25 avril 2014 portant le financement personnalisé pour des personnes handicapées et portant réforme du mode de financement des soins et du soutien pour des personnes handicapées.]1
  
Art. 638. A partir du 1er août 2016, le droit à un budget d'assistance de base est ouvert pour les personnes majeures qui remplissent les conditions cumulatives complémentaires suivantes :
  1° [1 disposer d'un agrément automatique de l'Agence flamande pour les personnes handicapées ou de la porte d'entrée comme personne handicapée avec un besoin de soins et de soutien clairement constaté, tel que visé à l'article 4, alinéa 1er, 2°, du décret du 25 avril 2014 portant le financement personnalisé pour des personnes handicapées et portant réforme du mode de financement des soins et du soutien pour des personnes handicapées si, en exécution de l'article 5, § 2, du décret précité, cette personne dispose d'une attestation démontrant qu'elle est éligible à un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles]1 ;
  2° être enregistré, au 31 décembre 2014 ainsi qu'au 1er janvier 2016, dans la banque de données centralisée visée à l'article 1er, 11°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 mars 2006 relatif à la régie de l'aide et de l'assistance à l'intégration sociale de personnes handicapées et à l'agrément et le subventionnement d'une " Vlaams Platform van verenigingen van personen met een handicap " (Plate-forme flamande d'associations de personnes handicapées), avec une des demandes de soins actives suivantes :
  a) un accompagnement ambulatoire proposé par un centre de jour ;
  b) un budget d'assistance personnelle ;
  c) une unité d'observation pour adultes ;
  d) logement encadré ;
  e) logement protégé, SAI ou logement intégré ;
  f) maison pour travailleurs ;
  g) centre de jour ;
  h) vie autonome ;
  i) maison pour non-travailleurs occupation ;
  j) maison pour non-travailleurs nursing ;
  3° au moment de l'octroi du budget d'assistance de base :
  a) ne pas recourir à un budget d'assistance personnelle tel que visé à l'article 16, 2°, du décret du 7 mai 2004 portant création de l'Agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap " (Agence flamande pour les Personnes handicapées) tel qu'applicable au 31 mars 2016, ou tel que visé au chapitre IV/1 du décret susmentionné ;
  b) ne pas recourir à un budget personnalisé en application de l'article 1er de l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 novembre 2008 relatif au lancement d'une expérience en matière d'octroi d'un budget personnalisé à certaines personnes handicapées, tel que d'application au 31 décembre 2016 ;
  c) ne pas bénéficier d'une aide proposée par un centre d'offre de services flexibles pour personnes handicapées majeures en application de l'article 8 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 février 2016 portant agrément et subventionnement de centres d'offre de services flexibles en faveur de personnes handicapées majeures, tel que d'application au 31 décembre 2016 ;
  d) ne pas bénéficier d'une aide proposée par un centre multifonctionnel pour personnes handicapées mineures en application de l'article 7 ou 9, § 2, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 février 2016 portant agrément et subventionnement de centres multifonctionnels pour personnes handicapées mineures ;
  e) ne pas bénéficier d'aides personnalisées aux personnes handicapées ayant des besoins urgents telles que visées à l'article 2 dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 mars 2017 relatif au versement d'aides personnalisées aux personnes handicapées ayant des besoins urgents ;
  f) ne pas recourir à un budget pour des soins et du soutien non directement accessibles ;
  g) ne pas recourir à une unité pour internés telle que visée à l'article 11 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 novembre 2017 relatif à l'agrément et au subventionnement de structures offrant du soutien aux personnes handicapées en prison, et d'unités pour internés ;
  h) ne pas recourir à une unité d'observation, de diagnostic et de traitement telle que visée à l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 décembre 2017 relatif à l'agrément et au subventionnement d'unités d'observation, de diagnostic et de traitement.
  
Art. 641. [1 Vanaf 1 augustus 2017 tot en met 31 december 2020 is het recht op een basisondersteuningsbudget geopend voor :
   1° [3 ...]3
   2° jongvolwassenen van 21 tot en met 25 jaar die beschikken over een score van minstens twaalf punten op de medisch-sociale schaal die wordt gebruikt om de graad van zelfredzaamheid te evalueren met het oog op het onderzoek naar het recht op de integratietegemoetkoming en die niet gebruikmaken van niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning.
   De toekenningsbeslissing van de gebruikers, vermeld in het eerste lid, 2°, kan zonder leeftijdsvoorwaarden worden verlengd conform artikel 236.
   [2 ...]2]1

  
Art. 641/1. [1 Op 1 april 2019 wordt het recht op een basisondersteuningsbudget geopend voor meerderjarige personen die voldoen aan de volgende, aanvullende, cumulatieve voorwaarden:
   1° [2 beschikken over een automatische erkenning van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap of de toegangspoort als persoon met een handicap met een duidelijk vast te stellen behoefte aan zorg en ondersteuning als vermeld in artikel 4, eerste lid, 2°, van het decreet van 25 april 2014 houdende de persoonsvolgende financiering voor personen met een handicap en tot hervorming van de wijze van financiering van de zorg en de ondersteuning voor personen met een handicap als die persoon in uitvoering van artikel 5, § 2, van het voormelde decreet beschikt over een attest dat aantoont dat hij in aanmerking komt voor een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning]2;
   2° het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap heeft beslist tot de toewijzing van een budget voor niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning, als vermeld in hoofdstuk 5 van het decreet van 25 april 2014 houdende de persoonsvolgende financiering voor personen met een handicap en tot hervorming van de wijze van financiering van de zorg en de ondersteuning voor personen met een handicap;
   3° het toegewezen budget is gerangschikt binnen de prioriteitengroep 1 of 2, vermeld in hoofdstuk 2, afdeling 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 maart 2016 over de oprichting van een regionale prioriteitencommissie, de toekenning van prioriteitengroepen, de vaststelling van de maatschappelijke noodzaak, de toeleiding naar ondersteuning, de afstemming en planning in het kader van persoonsvolgende financiering, en is aangevraagd voor 16 oktober 2017;
   4° op het moment van de toekenning van het basisondersteuningsbudget maken ze geen gebruik van niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor meerderjarige of minderjarige personen met een handicap die wordt georganiseerd ter uitvoering van artikel 6, 2°, van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap en waartoe personen met een handicap alleen toegang hebben op basis van een beslissing tot toewijzing, als vermeld in artikel 2, 6°, van het voormelde decreet van 7 mei 2004, of op basis van een jeugdhulpverleningsbeslissing als vermeld in artikel 2, § 1, 28°, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp. ]1

  
Art. 641. [1 A partir du 1er août 2017 jusqu'au 31 décembre 2020, le droit à un budget d'assistance de base est ouvert :
   1° [3 ...]3
   2° aux jeunes adultes de 21 à 25 ans inclus, qui disposent d'un score d'au moins douze points sur l'échelle médico-sociale utilisée pour l'évaluation du degré d'autonomie en vue de l'examen du droit à l'allocation d'intégration, et ne recourant pas à des soins et du soutien non directement accessibles.
   La décision d'octroi des usagers, visée à l'alinéa 1er, 2°, peut être prolongée sans conditions d'âge, conformément à l'article 236.
   [2 ...]2]1

  
Art. 641/2. [1 Het basisondersteuningsbudget wordt na 31 december 2022 verder uitbetaald aan de personen die op 31 december 2022 niet in België wonen en die op de voormelde datum aan een van de volgende voorwaarden voldoen:
   1° ze beschikken over een attest dat aantoont dat ze recht hebben op een zorgtoeslag voor kinderen met een specifieke ondersteuningsbehoefte of op bijkomende kinderbijslag van minstens twaalf punten op de medisch-sociale schaal, samengesteld uit pijler P1, P2 en P3, en ze maken geen gebruik van niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning;
   2° ze voldoen aan de volgende aanvullende cumulatieve voorwaarden:
   a) beschikken over een automatische erkenning van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap of de toegangspoort als persoon met een handicap met een duidelijk vast te stellen behoefte aan zorg en ondersteuning als vermeld in artikel 4, eerste lid, 2°, van het decreet van 25 april 2014 houdende de persoonsvolgende financiering voor personen met een handicap en tot hervorming van de wijze van financiering van de zorg en de ondersteuning voor personen met een handicap, als die persoon beschikt over een attest als vermeld in artikel 5, § 2, van het voormelde decreet, dat aantoont dat hij in aanmerking komt voor een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning;
   b) zich in een van de volgende gevallen bevinden op 30 juni 2015:
   1) ingeschreven zijn op de intersectorale registratielijst, vermeld in artikel 2, § 1, 25°, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp;
   2) beschikken over een indicatiestellingsverslag waaruit blijkt dat de minderjarige in aanmerking komt voor een persoonlijke-assistentiebudget als vermeld in artikel 16, 2°, van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, zoals van toepassing op 30 juni 2015;
   c) op het moment van de toekenning van het basisondersteuningsbudget niet gebruikmaken van:
   1) een persoonlijke-assistentiebudget als vermeld in hoofdstuk IV/1 van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap;
   2) ondersteuning door een multifunctioneel centrum voor minderjarige personen met een handicap met toepassing van artikel 7 of 9, § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap;
   3) persoonsvolgende middelen voor minderjarige personen met een handicap met dringende noden als vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 maart 2017 over persoonsvolgende middelen voor minderjarige personen met een handicap met dringende noden, met een attest verhoogde kinderbijslag van minstens twaalf punten op de medisch-sociale schaal, samengesteld uit pijler P1, P2 en P3, of die niet gebruikmaken van niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning.
   De tegemoetkomingen, vermeld in het eerste lid, worden na 31 december 2022 verder uitbetaald als de personen in kwestie aan al de volgende voorwaarden voldoen:
   1° beschikken over een attest als vermeld in het eerste lid;
   2° niet in België wonen; ]1

  
Art. 641/1. [1 A partir du 1er avril 2019, le droit à un budget d'assistance de base est ouvert aux personnes majeures qui remplissent les conditions cumulatives complémentaires suivantes :
   1° [2 disposer d'un agrément automatique de l'Agence flamande pour les personnes handicapées ou de la porte d'entrée comme personne handicapée avec un besoin de soins et de soutien clairement constaté, tel que visé à l'article 4, alinéa 1er, 2°, du décret du 25 avril 2014 portant le financement personnalisé pour des personnes handicapées et portant réforme du mode de financement des soins et du soutien pour des personnes handicapées si, en exécution de l'article 5, § 2, du décret précité, cette personne dispose d'une attestation démontrant qu'elle est éligible à un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles]2 ;
   2° L'Agence flamande pour les Personnes handicapées leur a attribué un budget pour des soins et du soutien non directement accessibles, tel que visé au chapitre 5 du décret du 25 avril 2014 portant le financement qui suit la personne pour des personnes handicapées et portant réforme du mode de financement des soins et du soutien pour des personnes handicapées ;
   " 3° Le budget attribué est classé dans les groupes prioritaires 1 ou 2, visés au chapitre 2, section 2, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 mars 2016 relatif à la création d'une commission régionale des priorités, à l'identification de groupes prioritaires, à la détermination de la nécessité sociale, à l'orientation vers le soutien, ainsi qu'à l'harmonisation et la planification dans le cadre de l'aide financière personnalisée, et a été demandé avant le 16 octobre 2017 ;
   4° au moment de l'attribution du budget d'assistance de base, elles ne font pas usage de soins ou de soutien non directement accessibles pour adultes ou mineurs handicapés qui sont organisés en l'exécution de l'article 6, 2°, du décret du 7 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap " (Agence flamande pour les Personnes handicapées), auxquels les personnes handicapées n'ont accès que sur la base d'une décision d'affectation visée à l'article 2, 6°, du décret du 7 mai 2004 susmentionné, ou sur la base d'une décision des services d'aide à la jeunesse, visée à l'article 2, § 1er, 28° du décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse.]1

  
Art. 642. De personen die zich vanaf 1 januari 2011 conform artikel 4, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 februari 2010 houdende de uitvoering van het decreet van 30 maart 1999 houdende de organisatie van de zorgverzekering niet konden aansluiten, en die zorgverzekeringstegemoetkomingen kregen op 31 december 2010, zullen de lopende zorgverzekeringstegemoetkomingen verder toegekend krijgen, als ze:
  1° de bijdrage voor de Vlaamse sociale bescherming blijven betalen voor 31 december van elk jaar waarin zorgverzekeringstegemoetkomingen worden toegekend;
  2° getroffen blijven door een langdurig en ernstig verminderd zelfzorgvermogen.
Art. 641/2. [1 Le budget de soutien de base continue à être versé après le 31 décembre 2022 aux personnes qui ne résident pas en Belgique au 31 décembre 2022 et qui remplissent l'une des conditions suivantes à la date précitée :
   1° elles disposent d'une attestation démontrant qu'elles ont droit à l'allocation de soins pour enfants ayant des besoins de soutien spécifiques ou à l'allocation familiale supplémentaire d'au moins douze points sur l'échelle médico-sociale, composés des piliers P1, P2 et P3, et ils n'ont pas recours à des soins et à un soutien non directement accessibles ;
   2° elles remplissent les conditions cumulatives complémentaires suivantes :
   a) disposer d'un agrément automatique de l'Agence flamande pour les personnes handicapées ou de la porte d'entrée comme personne handicapée avec un besoin de soins et de soutien clairement constaté, figurant à l'article 4, alinéa 1er, 2°, du décret du 25 avril 2014 portant le financement personnalisé pour des personnes handicapées et portant réforme du mode de financement des soins et du soutien pour des personnes handicapées, si cette personne dispose d'une attestation figurant à l'article 5, § 2, du décret précité, démontrant qu'elle est éligible à un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles ;
   b) se trouver dans l'un des cas suivants au 30 juin 2015 :
   1) être inscrites sur la liste d'enregistrement intersectorielle figurant à l'article 2, § 1er, 25°, du décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse ;
   2) disposer d'un rapport d'indication dont il ressort que le mineur a droit à un budget d'assistance personnelle figurant à l'article 16, 2°, du décret du 7 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique Agence flamande pour les Personnes handicapées, tel que d'application au 30 juin 2015 ;
   c) au moment de l'octroi du budget de soutien de base, ne pas recourir à l'une des aides suivantes :
   1) un budget d'assistance personnelle figurant au chapitre IV/1 du décret du 7 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique Agence flamande pour les Personnes handicapées ;
   2) le soutien par un centre multifonctionnel pour mineurs handicapés en application des articles 7 ou 9, § 2, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 février 2016 portant agrément et subventionnement de centres multifonctionnels pour personnes handicapées mineures ;
   3) les aides personnalisées aux personnes handicapées mineures ayant des besoins urgents figurant à l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 mars 2017 relatif au versement d'aides personnalisées aux personnes handicapées mineures ayant des besoins urgents, avec une attestation d'allocations familiales majorées d'au moins douze points sur l'échelle médico-sociale, composés des piliers P1, P2 et P3, ou qui ne recourent pas aux soins et au soutien non directement accessibles.
   Les interventions figurant à l'alinéa 1er continuent à être versées après le 31 décembre 2022 si les personnes concernées remplissent l'ensemble des conditions suivantes :
   1° disposer d'une attestation figurant à l'alinéa 1er ;
   2° ne pas résider en Belgique ;
   3° remplir l'ensemble des conditions du budget de soutien de base. ]1

  
Art. 643. Zolang de leidend ambtenaar van het agentschap geen productlijst heeft opgemaakt conform artikel 359, wordt de lijst van voor vergoeding aangenomen producten, die opgemaakt is conform artikel 28, § 8, van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, zoals van toepassing op 31 december 2018, beschouwd als productlijst in het kader van dit besluit.
  In afwijking van artikel 360, § 2, worden aanvragers die vóór 1 januari 2019 een volledig ingevulde en ondertekende verklaring hebben ingediend bij de Dienst voor geneeskundige verzorging van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering conform artikel 28, § 8, I, 4.1, a) van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, vrijgesteld van de verplichting om een verklaring in te dienen bij het agentschap.
Art. 642. Les personnes qui n'ont pas pu s'affilier à partir du 1er janvier 2011 conformément à l'article 4, § 1, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 février 2010 portant exécution du décret du 30 mars 1999 portant organisation de l'assurance soins, et qui ont reçu des allocations de l'assurance soins au 31 décembre 2010, continueront de recevoir les allocations de l'assurance soins en cours, lorsqu'elles :
  1° continuent de payer la cotisation pour la protection sociale flamande pour le 31 décembre de chaque année au cours de laquelle les allocations de l'assurance soins sont octroyées ;
  2° restent atteintes d'une autonomie gravement réduite de longue durée.
Art. 644. § 1. Van 16 december 2018 tot en met 31 december 2018 kunnen de verstrekkers van mobiliteitshulpmiddelen bij de verzekeringsinstellingen geen aanvragen indienen van tegemoetkomingen voor mobiliteitshulpmiddelen.
  De verzekeringsinstellingen sturen de aanvragen die worden ingediend in de periode van 16 december 2018 tot en met 31 december 2018 terug naar de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen die de aanvraag heeft ingediend, met de vraag om de aanvraag vanaf 1 januari 2019 opnieuw in te dienen bij de zorgkas conform de bepalingen van dit besluit.
  § 2. De aanvragen van tegemoetkomingen voor de aankoop of huur van mobiliteitshulpmiddelen die zijn ingediend bij de verzekeringsinstellingen tot en met 15 december 2018, worden behandeld en beslist door de verzekeringsinstellingen conform de bepalingen van de Ziekteverzekeringswet en zijn uitvoeringsbesluiten.
Art. 643. Tant que le fonctionnaire dirigeant de l'Agence n'a pas établi une liste de produits conformément à l'article 359, la liste des produits admis au remboursement, établie conformément à l'article 28, paragraphe 8, de l'annexe de l'arrêté royal du 14 septembre 1984 établissant la nomenclature des prestations de santé en matière d'assurance obligatoire soins de santé et indemnités tel qu'applicable au 31 décembre 2018 est considérée comme la liste des produits aux fins du présent arrêté.
  Par dérogation à l'article 360, paragraphe 2, les demandeurs qui ont présenté une déclaration dûment remplie et signée, au service des soins médicaux de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité conformément à l'article 28, § 8, I 4.1, a), de l'annexe de l'arrêté royal du 14 septembre 1984 établissant la nomenclature des prestations de santé en matière d'assurance obligatoire soins de santé et indemnités sont exemptés de l'obligation de fournir une déclaration à l'Agence.
Art. 645. De verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen bezorgt de facturen van tegemoetkomingen voor de aankoop van mobiliteitshulpmiddelen waarvoor de aanvraag is ingediend bij de verzekeringsinstellingen uiterlijk op 15 december 2018, aan de verzekeringsinstelling in kwestie.
  De verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen bezorgt de facturen van tegemoetkomingen voor de huur van mobiliteitshulpmiddelen waarvoor de aanvraag is ingediend bij de verzekeringsinstellingen uiterlijk op 15 december 2018, aan de verzekeringsinstelling in kwestie, voor zover de gefactureerde tegemoetkomingen betrekking hebben op prestaties in 2018.
  De verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen bezorgt de facturen van tegemoetkomingen voor de huur van mobiliteitshulpmiddelen waarvoor een aanvraag is ingediend bij de verzekeringsinstellingen uiterlijk op 15 december 2018, aan de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten, als de gefactureerde tegemoetkomingen betrekking hebben op prestaties vanaf januari 2019.
Art. 644. § 1er. Du 16 décembre 2018 au 31 décembre 2018, les fournisseurs d'aides à la mobilité ne peuvent pas demander aux organismes assureurs d'indemnités pour les aides à la mobilité.
  Les organismes assureurs renvoient les demandes présentées entre le 16 décembre 2018 et le 31 décembre 2018 au fournisseur d'aides à la mobilité qui a présenté la demande, en demandant que la demande soit à nouveau présentée à la caisse d'assurances soins à compter du 1er janvier 2019, conformément aux dispositions du présent décret.
  § 2. Les demandes d'interventions pour l'achat ou la location d'aides à la mobilité soumises aux organismes assureurs jusqu'au 15 décembre 2018 inclus sont traitées et décidées par les organismes assureurs conformément aux dispositions de la loi sur l'assurance maladie et ses arrêtés d'application.
Art. 646. Tot en met 31 december 2019 aanvaarden en behandelen de zorgkassen aanvragen voor de aankoop of de huur van mobiliteitshulpmiddelen die ingediend worden met de documenten die vereist zijn conform de Ziekteverzekeringswet en zijn uitvoeringsbepalingen.
Art. 645. Le fournisseur d'aides à la mobilité remet à l'organisme assureur concerné, au plus tard le 15 décembre 2018, les factures des interventions pour l'achat d'aides à la mobilité pour lesquelles la demande est soumise aux organismes assureurs.
  Le fournisseur d'aides à la mobilité livre à l'organisme assureur concerné, au plus tard le 15 décembre 2018, les factures des interventions pour la location d'aides à la mobilité pour lesquelles la demande est présentée aux organismes assureurs, pour autant que les interventions facturées se rapportent à des services fournis en 2018.
  Le fournisseur d'aides à la mobilité remet les factures des interventions pour la location d'aides à la mobilité pour lesquelles une demande a été introduite auprès des organismes assureurs au plus tard le 15 décembre 2018 à la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié, si les interventions facturées concernent des prestations à partir de janvier 2019.
Art. 646. Jusqu'au 31 décembre 2019, les caisses d'assurance soins acceptent et traitent les demandes d'achat ou de location d'aides à la mobilité accompagnées des documents requis par la loi sur l'assurance maladie et ses dispositions d'application.
Art. 648. De huurforfaits, vermeld in artikel 262, § 3, van dit besluit, zijn vanaf 1 januari 2019 ook van toepassing op de huurovereenkomsten in het kader van mobiliteitshulpmiddelen die vóór 1 januari 2019 zijn gesloten conform artikel 28, § 8, van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen.
  De huurovereenkomsten, vermeld in het eerste lid, moeten niet opnieuw worden ondertekend door de gebruiker en de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen.
Art. 649. Wat de huur van manuele rolstoelen betreft conform artikel 278, en artikel 314, § 1, en door gebruikers als vermeld in artikel 261, 2°, conform artikel 262, § 1, worden de periodieke huurforfaits, vermeld in artikel 262, § 3, en artikel 278, tweede lid, verhoogd met 20 euro voor de maanden januari 2019 tot en met december 2020.
  Wat de huur van elektronische rolstoelen betreft conform artikel 278, worden de periodieke huurforfaits, vermeld in artikel 278, tweede lid, verhoogd met 200 euro voor de maanden januari 2019 tot en met december 2020.
  Wat de huur van elektronische scooters betreft conform artikel 278, worden de periodieke huurforfaits, vermeld in artikel 278, tweede lid, verhoogd met 40 euro voor de maanden januari 2019 tot en met december 2020.
Art. 648. Les formules de location visées à l'article 262, paragraphe 3, du présent arrêté s'appliquent également à compter du 1er janvier 2019 aux contrats de location d'aide à la mobilité conclus avant le 1er janvier 2019 conformément à l'article 28, paragraphe 8, de l'annexe de l'arrêté royal du 14 septembre 1984 établissant la nomenclature des prestations de santé en matière d'assurance obligatoire soins de santé et indemnités.
  L'usager et le fournisseur de l'équipement de mobilité ne doivent pas à signer à nouveau les contrats de location visés au premier alinéa.
Art. 650. De volgende aanvragen van tegemoetkomingen worden verder behandeld, beslist en uitbetaald door het VAPH conform de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001 tot vaststelling van de criteria, voorwaarden en refertebedragen van de tussenkomsten in de individuele materiële bijstand voor de sociale integratie van personen met een handicap zoals van toepassing vóór 1 januari 2019, op voorwaarde dat het dossier voor de aanvraag van het mobiliteitshulpmiddel wordt ingediend bij de verzekeringsinstelling van de gebruiker uiterlijk op 15 december 2018 en op voorwaarde dat het dossier voor de aanvraag van de tegemoetkoming volledig is bij het VAPH uiterlijk op [1 31 december 2019]1:
  1° aanvragen van tegemoetkomingen voor supplementen;
  2° aanvragen van tegemoetkomingen voor:
  a) zender geïntegreerd met rolstoelbesturing, afneembaar voor stand-alone;
  b) zender geïntegreerd met rolstoelbesturing, niet afneembaar voor stand-alone;
  c) aanvulling bij zender stand alone met dynamisch aanraakscherm : koppeling met rolstoelbesturing;
  d) aanvulling bij zender stand-alone voor bediening via schakelaars (scanning): koppeling met rolstoelbesturing;
  e) muisalternatief: bediening via de rolstoelbesturing;
  f) aangepaste bediening smartphone of tablet: bediening via de rolstoelbesturing;
  g) aanvulling bij aangepaste bediening smartphone of tablet: USB-lader op rolstoelbatterij.
  De minister kan bepalen wanneer dossiers geacht worden volledig te zijn.
  Voor de toepassing van dit artikel moet worden verstaan onder supplement: het gedeelte van de kosten dat niet vergoed wordt in het kader van de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit voor een elektronische rolstoel of een manuele rolstoel die gedeeltelijk werd vergoed in het kader van de verplichte verzekering tegen ziekte in invaliditeit.
  
Art. 649. En ce qui concerne la location de fauteuils roulants manuels conformément à l'article 278 et à l'article 314, § 1, et par les usagers visés à l'article 261, 2°, conformément à l'article 262, § 1, les forfaits de location périodique visés à l'article 262, § 3 et à l'article 278, deuxième alinéa, sont augmentés de 20 euros pour les mois janvier 2019 à décembre 2020 compris.
  En ce qui concerne la location de fauteuils roulants électroniques conformément à l'article 278, les forfaits de location périodiques visés à l'article 278, paragraphe 2, sont augmentés de 200 EUR pour les mois de janvier 2019 à décembre 2020.
  En ce qui concerne la location de scooters électroniques conformément à l'article 278, les loyers périodiques visés à l'article 278, paragraphe 2, sont augmentés de 40 EUR pour les mois de janvier 2019 à décembre 2020.
Art. 651. Aanvragen van tegemoetkomingen voor de vergoeding van onderhouds-, herstellings- en aanpassingskosten worden verder behandeld en beslist door het VAPH conform de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001 tot vaststelling van de criteria, voorwaarden en refertebedragen van de tussenkomsten in de individuele materiële bijstand voor de sociale integratie van personen met een handicap, zoals van toepassing vóór 1 januari 2019, op voorwaarde dat het dossier voor de aanvraag van het mobiliteitshulpmiddel waarop de aangevraagde tegemoetkoming voor de vergoeding van onderhouds-, herstellings- en aanpassingskosten betrekking heeft, wordt ingediend bij de verzekeringsinstelling van de gebruiker uiterlijk op 15 december 2018 en het dossier voor de aanvraag van de tegemoetkoming voor de vergoeding van onderhouds-, herstellings- en aanpassingskosten volledig is bij het VAPH uiterlijk op [1 31 december 2019]1.
  Als het gaat om een mobiliteitshulpmiddel waarvoor niet eerst een aanvraag van een tegemoetkoming van de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit moet worden ingediend, moet, in afwijking van het eerste lid, het dossier voor de aanvraag van het mobiliteitshulpmiddel waarop de aangevraagde tegemoetkoming voor de vergoeding van onderhouds-, herstellings- en aanpassingskosten betrekking heeft, worden ingediend bij het VAPH uiterlijk op 31 december 2018 en het dossier voor de aanvraag van de tegemoetkoming voor de vergoeding van onderhouds-, herstellings- en aanpassingskosten volledig zijn bij het VAPH uiterlijk op 30 juni 2019.
  De minister kan bepalen wanneer dossiers geacht worden volledig te zijn.
  
Art. 650. Les demandes d'interventions suivantes sont traitées, décidées et payées par le VAPH conformément aux dispositions de l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 juillet 2001 fixant les critères, les conditions et les montants de référence des interventions d'assistance matérielle individuelle à l'intégration sociale des personnes handicapées tel que d'application avant le 1er janvier 2019, pour autant que le dossier de demande d'aide à la mobilité soit soumis à l'organisme assureur de l'usager au plus tard le 15 décembre 2018 et que le VAPH soit complet au plus tard [1 le 31 décembre 2019]1 :
  1° les demandes d'interventions pour des suppléments ;
  2° les demandes d'intervention pour :
  a) émetteur intégré avec commande pour fauteuil roulant, amovible pour une utilisation autonome ;
  b) émetteur intégré avec commande pour fauteuil roulant, non amovible pour une utilisation autonome ;
  c) complément de l'émetteur autonome avec écran tactile dynamique : couplage avec commande pour fauteuil roulant ;
  d) complément de l'émetteur autonome pour la commande par interrupteurs (balayage) : couplage avec commande pour fauteuil roulant ;
  e) alternative à la souris : commande par la commande du fauteuil roulant ;
  f) smartphone personnalisé ou tablette de contrôle : contrôle via la commande du fauteuil roulant ;
  g) Complément des contrôles personnalisés des smartphones ou des tablettes : Chargeur USB sur batterie du fauteuil roulant.
  Le ministre peut déterminer à quel moment les dossiers sont considérés comme complets.
  Aux fins du présent article, on entend par " complément " la partie des frais qui n'est pas remboursée par l'assurance maladie-invalidité obligatoire pour un fauteuil roulant électronique ou un fauteuil roulant manuel qui est partiellement remboursée par l'assurance maladie-invalidité obligatoire.
  
Art. 652. § 1. Voor gebruikers aan wie een mobiliteitshulpmiddel is verstrekt en aan wie door het VAPH een tegemoetkoming wordt verleend voor de vergoeding van onderhouds-, herstellings- en aanpassingskosten vóór 1 januari 2019 of vanaf 1 januari 2019 conform artikel 651, wordt het deel van de tegemoetkoming dat nog niet is opgebruikt op 1 januari 2019 overgedragen en beschouwd als het bedrag dat ter beschikking staat van de gebruiker voor de vergoeding van onderhouds- en herstellingskosten als vermeld in artikel 328 en artikel 329.
  De bepalingen van boek 2, deel 2, titel 4, hoofdstuk 7, zijn van overeenkomstige toepassing op de saldo's die worden overgedragen conform het eerste lid.
  § 2. In afwijking van artikel 329, § 2, gebeurt de vergoeding van onderhouds- en herstellingskosten met betrekking tot mobiliteitshulpmiddelen waarvoor een tegemoetkoming voor de vergoeding van onderhouds-, herstellings- en aanpassingskosten is toegekend conform de bepalingen van hoofdstuk 2 van bijlage II bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001 tot vaststelling van de criteria, voorwaarden en refertebedragen van de tussenkomsten in de individuele materiële bijstand voor de sociale integratie van personen met een handicap, zoals van toepassing vóór 1 januari 2019, conform de voorwaarden, vermeld in het voormelde besluit, met dien verstande dat de gebruiker in voorkomend geval de betreffende factuur indient bij de zorgkas waarbij hij is aangesloten en dat de terugbetaling van de factuur door de zorgkas gepaard gaat met de aftrek van het factuurbedrag van het bedrag dat ter beschikking staat voor onderhouds- en herstellingskosten.
  De afwijking, vermeld in het eerste lid, wordt enkel toegepast tot een door de minister te bepalen tijdstip en enkel in de gevallen waarin de betreffende factuur niet wordt ingediend door een erkende verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen.
Art. 651. Les demandes d'interventions suivantes pour le remboursement de frais d'entretien, de réparation et de modification sont traitées, décidées et payées par le VAPH conformément aux dispositions de l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 juillet 2001 fixant les critères, les conditions et les montants de référence des interventions d'assistance matérielle individuelle à l'intégration sociale des personnes handicapées tel que d'application avant le 1er janvier 2019, pour autant que le dossier de demande d'aide à la mobilité sur lequel porte l'intervention demandée pour le remboursement des frais d'entretien, de réparation et de modification, soit soumis à l'organisme assureur de l'usager au plus tard le 15 décembre 2018 et que le dossier de demande d'intervention pour le remboursement de frais d'entretien, de réparation et de modifications soit complet auprès du VAPH au plus tard [1 le 31 décembre 2019]1.
  Par dérogation au paragraphe 1, s'il s'agit d'une aide à la mobilité pour laquelle une demande de remboursement de l'assurance obligatoire maladie-invalidité ne doit pas être présentée au préalable, le dossier de demande pour l'aide à la mobilité auquel se rapporte l'intervention demandée pour le remboursement des frais d'entretien, de réparation et de modification est soumis au VAPH au plus tard le 31 décembre 2018 et le dossier de demande d'intervention pour le remboursement des frais d'entretien, de réparation et de modification est complet auprès du VAPH avant le 30 juin 2019.
  Le ministre peut déterminer à quel moment les dossiers sont considérés comme complets.
  
Art. 653. De volgende aanvragen worden verder behandeld, beslist en uitbetaald door het VAPH conform de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001 tot vaststelling van de criteria, voorwaarden en refertebedragen van de tussenkomsten in de individuele materiële bijstand voor de sociale integratie van personen met een handicap zoals van toepassing vóór 1 januari 2019, op voorwaarde dat het dossier volledig is bij het VAPH uiterlijk op 31 december 2018.
  1° aanvragen van tegemoetkomingen voor mobiliteitshulpmiddelen conform hoofdstuk 1 van bijlage II bij het voormelde besluit, met uitzondering van aanvragen van tegemoetkomingen voor supplementen;
  2° aanvragen van tegemoetkomingen voor elektrische hoepelondersteuning;
  3° aanvragen tot tenlasteneming van aanvullende onderhouds-, herstellings- en aanpassingskosten.
  De minister kan bepalen wanneer dossiers geacht worden volledig te zijn.
  Voor de toepassing van dit artikel moet worden verstaan onder supplement: het gedeelte van de kosten dat niet vergoed wordt in het kader van de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit voor een elektronische rolstoel of een manuele rolstoel die gedeeltelijk werd vergoed in het kader van de verplichte verzekering tegen ziekte in invaliditeit.
Art. 652. § 1er. Pour les usagers auxquels une aide à la mobilité a été fournie et auxquels le VAPH accorde une intervention pour le remboursement des frais d'entretien, de réparation et de modification avant le 1er janvier 2019 ou à partir du 1er janvier 2019 conformément à l'article 651, la partie non encore utilisée de l'intervention est reportée au 1er janvier 2019 et est considérée comme le montant dont l'usager dispose pour rembourser les frais d'entretien et de réparation visés aux articles 328 et 329.
  Les dispositions du livre 2, section 2, titre 4, chapitre 7 s'appliquent mutatis mutandis aux soldes reportés conformément à l'alinéa 1.
  § 2. Par dérogation à l'article 329, § 2, le remboursement des frais d'entretien et de réparation des aides à la mobilité pour lesquelles une intervention pour le remboursement des frais d'entretien, de réparation et de modification a été accordée conformément aux dispositions du chapitre 2 de l'annexe II du décret du gouvernement flamand du 13 juillet 2001 fixant les critères, les conditions et les montants de référence des interventions d'assistance matérielle individuelle à l'intégration sociale des personnes handicapées, le cas échéant, est effectué conformément aux conditions fixées dans ledit décret, étant entendu que l'usager soumet la facture correspondante à la caisse d'assurance soins dont il est membre, le cas échéant, et que le remboursement de la facture par la caisse d'assurance soins est accompagné de la déduction du montant de la facture du montant disponible pour les frais d'entretien et de réparation.
  La dérogation visée au premier alinéa n'est appliquée que jusqu'à une date à déterminer par le ministre, et uniquement dans les cas où la facture concernée n'est pas présentée par un fournisseur d'aides à la mobilité agréé.
Art. 654. De bedragen die worden uitbetaald ten gevolge van aanvragen van tegemoetkomingen waarover een beslissing wordt genomen door het VAPH na 31 december 2018, vallen ten laste van het agentschap.
  Het VAPH factureert de bedragen, vermeld in het eerste lid, aan het agentschap.
Art. 653. Les demandes suivantes sont traitées, décidées et payées par le VAPH conformément aux dispositions de l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 juillet 2001 fixant les critères, les conditions et les montants de référence des interventions d'assistance matérielle individuelle à l'intégration sociale des personnes handicapées tel que d'application avant le 1er janvier 2019, pour autant que le dossier soit complet auprès du VAPH au plus tard le lundi 31 décembre 2018.
  1° les demandes d'interventions pour des aides à la mobilité conformément au chapitre 1 de l'annexe II du décret précité, à l'exception des demandes d'interventions complémentaires ;
  2° les demandes d'interventions pour des systèmes d'assistance électrique pour fauteuils roulants ;
  3° les demandes de prise en charge de frais supplémentaires d'entretien, de réparation et de modification.
  Le ministre peut déterminer à quel moment les dossiers sont considérés comme complets.
  Aux fins du présent article, on entend par " complément " la partie des frais qui n'est pas remboursée par l'assurance maladie-invalidité obligatoire pour un fauteuil roulant électronique ou un fauteuil roulant manuel qui est partiellement remboursée par l'assurance maladie-invalidité obligatoire.
Art. 655. Als de gebruiker een aanvraag van een tegemoetkoming heeft ingediend bij zijn verzekeringsinstelling of bij het VAPH en als over de aanvraag nog geen beslissing is genomen vóór 1 januari 2019, heeft hij de mogelijkheid om de aanvraag stop te zetten en een nieuwe aanvraag in te dienen bij de zorgkas waarbij hij is aangesloten conform de bepalingen van dit besluit.
Art. 654. Les montants versés à la suite de demandes de prestations décidées par le VAPH après le 31 décembre 2018 sont à la charge de l'Agence.
  Le VAPH facture à l'Agence les montants visés à l'alinéa premier.
Art. 656. Zolang de in artikel 376, § 2, vereiste aanwezigheid van de handtekeningen van de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen en van de gebruiker op de aanvraag, ingediend bij de zorgkas via de digitale applicatie, onmogelijk is, geldt die aanvraag tot het bewijs van het tegendeel op basis van het ondertekende document, dat in originele of in elektronische vorm wordt bewaard door de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen conform artikel [1 96]1.
  
Art. 655. Si l'usager a introduit une demande d'intervention auprès de son organisme assureur ou du VAPH et qu'aucune décision n'a encore été prise concernant cette demande avant le 1er janvier 2019, il a la possibilité d'annuler la demande et d'en introduire une nouvelle auprès de la caisse assurance soins dont il est membre, conformément aux dispositions du présent arrêté.
Art. 656/1. [1 In afwijking van artikel 268, eerste lid, mag de productiedatum van een mobiliteitshulpmiddel dat ingezet wordt in het kader van de verhuur aan gebruikers met snel degeneratieve aandoeningen, conform boek 2, deel 2, titel 3, hoofdstuk 2, op het ogenblik van de eerste ingebruikname tot 24 maanden oud zijn als de eerste ingebruikname uiterlijk op 31 december 2020 plaatsvindt.]1
  
Art. 656. Aussi longtemps que la présence requise des signatures du fournisseur de l'équipement de mobilité et de l'usager sur la demande, soumise à la caisse d'assurance maladie via l'application numérique prévues à l'article 376 § 2,, n'est pas possible, cette demande est valable jusqu'à preuve du contraire sur la base du document signé, qui est conservé sous sa forme originale ou électronique par le fournisseur d'aides à la mobilité conformément à l'article [1 96]1.
  
Art. 657. Tot en met 31 december 2021 kunnen de volgende categorieën van personen aanspraak maken op een tegemoetkoming in het kader van de residentiële ouderenzorg conform de bepalingen van boek 3, met dien verstande dat die personen zich administratief moeten aansluiten bij een zorgkas van hun keuze:
  1° personen die in het Duitse taalgebied of in het Franse taalgebied wonen, op wie de Vlaamse sociale bescherming niet van toepassing is en die zorg ontvangen in een woonzorgcentrum, een [1 centrum voor dagverzorging]1 of een centrum voor kortverblijf, erkend door de Vlaamse Gemeenschap;
  2° personen die in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad wonen, die niet vrijwillig aangesloten zijn bij een zorgkas en die zorg ontvangen in een woonzorgcentrum, een [1 centrum voor dagverzorging]1 of een centrum voor kortverblijf, erkend door de Vlaamse Gemeenschap.
  
Art. 656/1. [1 Par dérogation à l'article 268, alinéa 1er, l'aide à la mobilité utilisée dans le cadre d'une location à des usagers souffrant de maladies dégénératives progressives, conformes au livre 2, partie 2, titre 3, chapitre 2, peut au moment de la première mise en service, être vieille d'au maximum 24 mois, si la première mise en service a lieu au plus tard le 31 décembre 2020.]1
  
Art. 658. In afwijking van artikel 1, 29°, en tot een door de minister vast te stellen datum wordt voor de toepassing van dit besluit verstaan onder initiatiefnemer: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die een woonzorgcentrum, een centrum voor kortverblijf of een [1 centrum voor dagverzorging]1 uitbaat.
  
Art. 657. Jusqu'au 31 décembre 2021, les catégories de personnes suivantes peuvent prétendre à une intervention dans le cadre des soins résidentiels pour personnes âgées conformément aux dispositions du livre 3, étant entendu que ces personnes doivent s'affilier administrativement à une caisse d'assurance soins de leur choix :
  1° les personnes résidant dans la région germanophone ou dans la région francophone, auxquelles la protection sociale flamande ne s'applique pas et qui sont prises en charge dans un centre de soins résidentiels, un centre de soins de jour ou un centre de court séjour agréé par la Communauté flamande ;
  2° les personnes résidant dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale, qui ne sont pas affiliées volontairement à une caisse d'assurances soins et qui sont prises en charge dans un centre de soins résidentiels, un centre de soins de jour ou un centre de court séjour agréé par la Communauté flamande.
  

Änderungen

----------
Art. 659. Tot en met 31 december 2019 is de waarde van J in de berekening van de basistegemoetkoming voor zorg in een woonzorgcentrum, in voorkomend geval met het bijbehorende centrum voor kortverblijf, vermeld in artikel 473, § 3, gelijk aan nul.
Art. 658. Par dérogation à l'article 1er, 29°, et jusqu'à une date à déterminer par le ministre, aux fins du présent décret, on entend par initiateur : la personne physique ou morale qui exploite un centre de soins résidentiels, un centre de court séjour ou un centre de soins de jour.
  

Änderungen

----------
Art. 660. De saldo's en eventuele terugvorderingen van de werkingssubsidies voor de centra voor kortverblijf voor het jaar 2018 worden afgehandeld conform hoofdstuk IV, afdeling I van de bijlage XI bij het besluit van 24 juli 2009 en het ministerieel besluit van 22 april 2015 tot vaststelling van de subsidiëringswijze van de centra voor kortverblijf zoals van toepassing op 31 december 2018.
Art. 659. Jusqu'au 31 décembre 2019, la valeur de J dans le calcul de l'intervention de soins de base dans un centre de soins résidentiels, y compris, le cas échéant, le centre de court séjour correspondant visé à l'article 473, paragraphe 3, est nulle.
Art. 661. [2 De woonzorgcentra, centra voor kortverblijf en [4 centra voor dagverzorging]4 melden de gebruikers die voor het instapmoment, vermeld in artikel 662/3, § 1, al verblijven in de zorgvoorziening in kwestie, binnen [3 twee maanden]3 na het instapmoment, vermeld in artikel 662/3, § 1, digitaal aan ]2 via de applicatie, vermeld in artikel 435, in afwijking van de aanmeldingstermijn, vermeld in artikel 435.
  De minister kan de periode waarin de zorgvoorzieningen digitaal gebruikers kunnen aanmelden zoals vermeld in het eerste lid, verlengen.
  
Art. 660. Les soldes et les recouvrements éventuels des subventions d'exploitation des centres de court séjour pour l'année 2018 sont traités conformément à l'annexe XI, section I, chapitre IV, du décret du 24 juillet 2009 et à l'arrêté ministériel du 22 avril 2015 fixant le mode de subventionnement des centres de court séjour applicable au 31 décembre 2018.
Art. 661. [1 Par dérogation au délai de notification prévu à l'article 435, [2 les centres de soins résidentiels, les centres de court séjour et les centres de soins de jour enregistrent numériquement les usagers résidant déjà dans la structure des soins en question avant le moment d'entrée, visé à l'article 662/3, § 1er, dans les [3 deux mois]3 après le moment d'entrée, visé à l'article 662/3, § 1er ]2, au moyen de l'application visée à l'article 435.
   Le ministre peut prolonger la période pendant laquelle les structures de soins peuvent enregistrer les usagers numériques visés au paragraphe 1]1

  
Art. 663. In afwijking van artikel 454, derde lid en artikel 456, § 2, derde lid, zijn aanvullende gegevens of correcties van vroeger meegedeelde gegevens over de periode van 1 juli 2017 tot en met 30 juni 2018 nog ontvankelijk tot en met 10 januari 2019.
Art. 663/1. [1 Een recht op een aanvullende financiering voor zorgpersoneel boven norm wordt toegekend aan bepaalde zorgvoorzieningen.
   De minister bepaalt jaarlijks conform artikel 663/2 en 663/3 het bedrag van de aanvullende financiering waarop zorgvoorzieningen recht hebben.
   Een zorgvoorziening die het niet eens is met het bedrag dat de minister voor haar bepaald heeft, kan op eenvoudig verzoek een onderzoek vragen aan het agentschap. Het resultaat van dat onderzoek wordt verrekend in de aanvullende financiering van het daaropvolgende jaar.
   In afwijking van het tweede lid bepaalt de minister voor de zorgvoorziening die bewijst dat ze haar activiteit voortzet ondanks een overname, een verzelfstandiging, een fusie of een splitsing met een eventuele wijziging van het erkenningsnummer tot gevolg, het bedrag van de aanvullende financiering.
   [2 Het agentschap betaalt de aanvullende financiering naar rato van 80 % in het jaar X in juli, in één bedrag samen met de aanvullende financiering naar rato van 80%, vermeld in artikel 663/4.
   Het agentschap betaalt de aanvullende financiering naar rato van 20 % in het jaar X+1 in juli, in één bedrag samen met de aanvullende financiering naar rato van 20%, vermeld in artikel 663/4.]2
]1

  
Art. 663. Par dérogation à l'article 454, paragraphe 3, et à l'article 456, paragraphe 2, point 3, les informations complémentaires ou rectificatives aux informations précédemment communiquées pour la période du 1er juillet 2017 au 30 juin 2018 sont recevables jusqu'au 10 janvier 2019.
Art. 663/1 TOEKOMSTIG RECHT.    [1 Een recht op een aanvullende financiering voor zorgpersoneel boven norm wordt toegekend aan bepaalde zorgvoorzieningen.
   De minister bepaalt jaarlijks conform artikel 663/2 en 663/3 het bedrag van de aanvullende financiering waarop zorgvoorzieningen recht hebben.
   Een zorgvoorziening die het niet eens is met het bedrag dat de minister voor haar bepaald heeft, kan op eenvoudig verzoek een onderzoek vragen aan het agentschap. Het resultaat van dat onderzoek wordt verrekend in de aanvullende financiering van het daaropvolgende jaar.
   In afwijking van het tweede lid bepaalt de minister voor de zorgvoorziening die bewijst dat ze haar activiteit voortzet ondanks een overname, een verzelfstandiging, een fusie of een splitsing met een eventuele wijziging van het erkenningsnummer tot gevolg, het bedrag van de aanvullende financiering.
  [3 De voorzieningen die onder toepassing van dit lid vallen worden geïdentificeerd op 30 juni van het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor het recht wordt vastgesteld. Het bedrag van de aanvullende financiering wordt op de volgende wijze bepaald:
   1° in geval van een overname of verzelfstandiging: het laatst vastgestelde recht op de aanvullende financiering vóór de datum van de overname of verzelfstandiging van de voorziening die wordt overgenomen of verzelfstandigd, wordt overgenomen door de voorziening die ontstaat door de overname of verzelfstandiging;
   2° in geval van een fusie: het laatst vastgestelde recht op de aanvullende financiering vóór de datum van de fusie van de voorzieningen die samengaan, wordt samengeteld en vormt het eerste recht van de nieuwe voorziening;
   3° in geval van splitsing: het laatst vastgestelde recht op de aanvullende financiering vóór de datum van de splitsing van de voorziening die splitst, wordt in verhouding tot het aantal erkende woongelegenheden van elk van de gesplitste voorzieningen omgeslagen en vormt het eerste recht van de nieuwe voorzieningen.]3

   [2 Het agentschap betaalt de aanvullende financiering naar rato van 80 % in het jaar X in juli, in één bedrag samen met de aanvullende financiering naar rato van 80%, vermeld in artikel 663/4.
   Het agentschap betaalt de aanvullende financiering naar rato van 20 % in het jaar X+1 in juli, in één bedrag samen met de aanvullende financiering naar rato van 20%, vermeld in artikel 663/4.]2
]1
Art. 663/1. [1 Le droit à un financement complémentaire pour personnel de soins hors norme est accordé à certaines structures de soins.
   Le Ministre arrête annuellement, conformément aux articles 663/2 et 663/3, le montant du financement complémentaire auquel les structures de soins ont droit.
   Une structure de soins qui n'est pas d'accord avec le montant fixé par le Ministre, peut demander, sur simple demande, un examen à l'agence. Le résultat de cet examen est comptabilisé dans le financement complémentaire de l'année suivante.
   Par dérogation à l'alinéa 2, le Ministre arrête le montant du financement complémentaire pour la structure de soins qui démontre qu'elle continue son activité malgré une reprise, une autonomisation, une fusion ou une scission qui aboutit éventuellement à une modification du numéro d'agrément.
   [2 L'agence paie le financement complémentaire au prorata de 80% dans l'année X en juillet, en un seul montant ensemble avec le financement complémentaire au prorata de 80% visé à l'article 663/4.
   L'agence paie le financement complémentaire au prorata de 20 % dans l'année X+1 en juillet, en un seul montant ensemble avec le financement complémentaire au prorata de 20% visé à l'article 663/4.]2
]1

  
Art. 663/2. [1 Een zorgvoorziening maakt aanspraak op een aanvullende financiering voor zorgpersoneel boven norm, vermeld in artikel 663/1, als ze voldoet aan al de volgende voorwaarden:
   1° de zorgvoorziening had voor de referentieperiode van 1 juli 2016 tot en met 30 juni 2017 voor haar zorgpersoneel recht op een financiële tegemoetkoming in het kader van het koninklijk besluit van 17 augustus 2007, zoals van toepassing op 31 december 2018;
   2° MBAF > 0, waarbij MBAF = het maximale bedrag van de aanvullende financiering, berekend als volgt: FTZGI - TA - C, waarbij:
   a) FTZGI = financiële tegemoetkoming voor zorgpersoneel met een gecorrigeerde index, die berekend wordt met de volgende formule: FTZGI = FTZ x 1,01833, waarbij FTZ = de financiële tegemoetkoming voor zorgpersoneel die bestaat uit de optelsom van:
   1) het aantal tewerkgestelde voltijds equivalenten bachelors in de verpleegkunde die gefinancierd werden op basis van het recht, vermeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 17 augustus 2007, zoals van toepassing op 31 december 2018, dat ter vergoeding van maatregelen inzake loonharmonisering werd vastgesteld in januari 2018 voor de referentieperiode van 1 juli 2016 tot en met 30 juni 2017, vermenigvuldigd met 7.019,21;
   2) het aantal tewerkgestelde voltijds equivalenten gegradueerden in de verpleegkunde die gefinancierd werden op basis van het recht, vermeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 17 augustus 2007, zoals van toepassing op 31 december 2018, dat ter vergoeding van maatregelen inzake loonharmonisering werd vastgesteld in januari 2018 voor de referentieperiode van 1 juli 2016 tot en met 30 juni 2017, vermenigvuldigd met 6.650,43;
   3) het aantal tewerkgestelde voltijds equivalenten verzorgenden die gefinancierd werden op basis van het recht, vermeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 17 augustus 2007, zoals van toepassing op 31 december 2018, dat ter vergoeding van maatregelen inzake loonharmonisering werd vastgesteld in januari 2018 voor de referentieperiode van 1 juli 2016 tot en met 30 juni 2017, in de referentieperiode, vermenigvuldigd met 10.671,07;
   4) het aantal tewerkgestelde voltijds equivalenten kinesitherapeuten, ergotherapeuten, logopedisten en personeel reactivering die gefinancierd werden op basis van het recht, vermeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 17 augustus 2007, zoals van toepassing op 31 december 2018, dat ter vergoeding van maatregelen inzake loonharmonisering werd vastgesteld in januari 2018 voor de referentieperiode van 1 juli 2016 tot en met 30 juni 2017, vermenigvuldigd met 3.157,62;
   b) TA = Z vte x 59.000, waarbij Z vte = X vte - Y vte, waarbij:
   1) X vte = het minimum tussen (100 % * boven norm zorg vte) en (13,5 % * (zorgmedewerkers gefinancierd in het forfait ROB/RVT en forfait DVC in de referentieperiode van 1 juli 2016 tot en met 30 juni 2017));
   2) Y vte = het minimum tussen (78 % * boven norm zorg vte) en (9,74 % * (zorgmedewerkers gefinancierd in het forfait ROB/RVT en forfait DVC in de referentieperiode 1 juli 2016 tot en met 30 juni 2017).
   c) C = een lineaire correctie die wordt toegepast, ten belope van 1.608.000 euro voor de voorzieningen behorend tot de privé-sector en ten belope van 237.000 euro voor de voorzieningen behorend tot de openbare sector.
   Het aantal boven norm zorg vte, vermeld in het eerste lid, 2°, b), wordt berekend op volgende wijze: (zorgmedewerkers die voldoen aan de voorwaarden vermeld in het ministerieel besluit van 6 november 2003 tot vaststelling van het bedrag en de voorwaarden voor de toekenning van de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 37, § 12, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, in de rust- en verzorgingstehuizen en in de rustoorden voor bejaarden, zoals van toepassing op 31 december 2018, om meegenomen te worden in de berekening van de forfaitaire tegemoetkoming, vermeld in hoofdstuk III van het voormelde ministerieel besluit van 6 november 2003, en de zorgmedewerkers die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in het ministerieel besluit van 22 juni 2000 tot vaststelling van de tegemoetkoming bedoeld in artikel 37, § 12, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, in de centra voor dagverzorging om meegenomen te worden in de berekening van de tegemoetkoming, vermeld in artikel 1 van het voormelde ministerieel besluit van 22 juni 2000, in de referentieperiode van 1 juli 2016 tot en met 30 juni 2017, maar niet opgenomen zijn in de berekening van de vermelde forfaits) - (zorgmedewerkers gefinancierd door de forfaitaire tegemoetkoming vermeld in hoofdstuk III van het voormelde ministerieel besluit van 6 november 2003 en artikel 1 van het voormelde ministerieel besluit van 22 juni 2000 op basis van de referentieperiode van 1 juli 2016 tot en met 30 juni 2017).
   Bij de optelsom, vermeld in het eerste lid, 2°, a), worden de werknemers die geheel of gedeeltelijk gefinancierd worden door een Fonds Sociale Maribel niet meegeteld om het aantal tewerkgestelde voltijds equivalenten te bepalen. ]1

  
Art. 663/1 DROIT FUTUR.    [1 Le droit à un financement complémentaire pour personnel de soins hors norme est accordé à certaines structures de soins.
   Le Ministre arrête annuellement, conformément aux articles 663/2 et 663/3, le montant du financement complémentaire auquel les structures de soins ont droit.
   Une structure de soins qui n'est pas d'accord avec le montant fixé par le Ministre, peut demander, sur simple demande, un examen à l'agence. Le résultat de cet examen est comptabilisé dans le financement complémentaire de l'année suivante.
   Par dérogation à l'alinéa 2, le Ministre arrête le montant du financement complémentaire pour la structure de soins qui démontre qu'elle continue son activité malgré une reprise, une autonomisation, une fusion ou une scission qui aboutit éventuellement à une modification du numéro d'agrément.
  [3 Les structures qui relèvent de l'application du présent alinéa sont identifiées le 30 juin de l'année précédant celle pour laquelle le droit est fixé.
   Le montant du financement complémentaire est fixé comme suit:
   1° dans le cas d'une reprise ou d'une autonomisation : le droit au financement complémentaire constaté en dernier lieu avant la date de la reprise ou de l'autonomisation de la structure reprise ou autonomisée est repris par la structure créée par la reprise ou l'autonomisation ;
   2° dans le cas d'une fusion: le droit au financement complémentaire constaté en dernier lieu avant la date de fusion des structures qui se rattachent est cumulé et constitue le premier droit de la nouvelle structure ;
   3° dans le cas de scission: le droit au financement complémentaire constaté en dernier lieu avant la date de scission de la structure qui se divise est réparti proportionnellement au nombre de logements agréés de chacune des structures scindées et constitue le premier droit des nouvelles structures.]3

   [2 L'agence paie le financement complémentaire au prorata de 80% dans l'année X en juillet, en un seul montant ensemble avec le financement complémentaire au prorata de 80% visé à l'article 663/4.
   L'agence paie le financement complémentaire au prorata de 20 % dans l'année X+1 en juillet, en un seul montant ensemble avec le financement complémentaire au prorata de 20% visé à l'article 663/4.]2
]1
Art. 663/3. [1 § 1. De zorgvoorziening die aan de voorwaarden, vermeld in artikel 663/2, voldoet, ontvangt jaarlijks een aanvullende financiering, waarvan het bedrag door de minister wordt bepaald met de volgende formule: BAF = MBAFGI * vte factor, waarbij:
   1° BAF= het bedrag van de aanvullende financiering in het jaar X;
   2° MBAFGI = MBAF geïndexeerd conform artikel 511;
   3° MBAF = het maximale bedrag van de aanvullende financiering, vermeld in artikel 663/2, eerste lid, 2° ;
   4° vte factor= ref vte/start vte, waarbij:
   a) ref vte = het laagste aantal vte zorgpersoneel boven norm in de afgelopen referentieperiodes sinds de referentieperiode van 1 juli 2016 tot en met 30 juni 2017;
   b) start vte = het aantal vte zorgpersoneel boven norm in de referentieperiode van 1 juli 2016 tot en met 30 juni 2017.
   Aanvullend op de berekening, vermeld in het eerste lid, wordt een bedrag BAF RVT berekend. Dit bedrag wordt berekend vanaf het tweede kalenderjaar voor woonzorgcentra die met ingang van 1 januari 2020 een bijkomende erkenning ontvangen volgens besluit van de Vlaamse Regering van 15 april 2016 houdende de toekenning en de erkenning van bijkomende bedden met een bijzondere erkenning als rust- en verzorgingstehuis op basis van de volgende formule: MBAFGI - ([5 19,45 euro]5 * 365 * het totaal aantal extra entiteiten met een bijkomende erkenning vanaf 1 januari 2020 * 30 %). [3 Het getal 19,45[5 ]5 wordt geïndexeerd conform artikel 511 van dit besluit.]3
   De zorgvoorziening ontvangt jaarlijks het laagste bedrag berekend op basis van het bedrag BAF zoals berekend in het eerste lid of het bedrag BAF RVT.
   Het tweede tot en met het vijfde lid zijn niet van toepassing voor een woonzorgcentrum dat voor het eerst een bijkomende erkenning ontvangt.
   Als het gemiddeld aantal erkende entiteiten binnen een zorgvoorziening stijgt in de referentieperiode van 1 juli X-2 tot en met 30 juni X-1 ten opzichte van het gemiddeld aantal erkende entiteiten in de referentieperiode van 1 juli 2016 tot en met 30 juni 2017, wordt voor de berekening van het bedrag van de aanvullende financiering in het jaar X, de ref vte in de referentieperiode van 1 juli X-2 tot en met 30 juni X-1 lineair herrekend naar het gemiddeld aantal erkende entiteiten van de referentieperiode van 1 juli 2016 tot en met 30 juni 2017. Het bedrag van de aanvullende financiering kan niet stijgen.
  [6 Als er in jaar X een aanpassing plaatsvindt van het maximale percentage van de kostprijs van het gefinancierde personeel, vermeld in artikel 487, § 2, wordt MBAFGI in afwijking van het eerste lid, 2°, voor dat jaar X herberekend op de volgende wijze: MBAFGI = MBAF geïndexeerd conform artikel 511 verminderd met MINA2, waarbij MINA2 gelijk is aan het minimum tussen de volgende tweede elementen:
   1° de totale loonkosten voor het aanwezige personeel verminderd met de loonkosten voor het gefinancierde personeel voor de referentieperiode van 1 juli X-2 tot en met 30 juni X-1;
   2° het verschil tussen de maximale invulling deel A2 op basis van het oude maximale percentage en het verhoogde percentage deel A2 conform artikel 487, § 2, voor de referentieperiode van 1 juli X-2 tot en met 30 juni X-1.
   In het geval, vermeld in het zesde lid, is MBAFGI gelijk aan 0 als MINA2 gelijk is aan 0.
   Het bedrag van de aanvullende financiering in een jaar X+1 kan niet stijgen ten opzichte van het bedrag van de aanvullende financiering in het voorgaand jaar X, met uitzondering van de indexering via het bedrag MBAFGI.]6

   § 2. [4 ...]4]1

  
Art. 663/2. [1 Une structure de soins a droit à un financement complémentaire pour personnel de soins hors norme, visé à l'article 663/1, si elle satisfait aux conditions suivantes :
   1° la structure de soins avait droit, pour la période de référence du 1er juillet 2016 au 30 juin 2017, pour son personnel de soins à une intervention financière dans le cadre de l'arrêté royal du 17 août 2007, tel qu'en vigueur le 31 décembre 2018 ;
   2° MBAF > 0, où MBAF = le montant maximal du financement complémentaire, calculé comme suit : FTZGI - TA - C, où :
   a) FTZGI = intervention financière pour personnel de soins avec un indice corrigé, calculée à l'aide de la formule suivante : FTZGI = FTZ x 1,01833, où FTZ = l'intervention financière pour personnel de soins, qui se compose de la somme :
   1) du nombre d'équivalents à temps plein occupés de bachelors en l'art infirmier, qui ont été financés sur la base du droit, visé à l'article 2 de l'arrêté royal du 17 août 2007, tel qu'en vigueur le 31 décembre 2018, qui a été établi en janvier 2018 à titre d'indemnisation de mesures en matière d'harmonisation des traitements pour la période de référence du 1er juillet 2016 au 30 juin 2017, multiplié par 7.019,21 ;
   2) du nombre d'équivalents à temps plein occupés de gradués en l'art infirmier, qui ont été financés sur la base du droit, visé à l'article 2 de l'arrêté royal du 17 août 2007, tel qu'en vigueur le 31 décembre 2018, qui a été établi en janvier 2018 à titre d'indemnisation de mesures en matière d'harmonisation des traitements pour la période de référence du 1er juillet 2016 au 30 juin 2017, multiplié par 6.650,43 ;
   3) du nombre d'équivalents à temps plein occupés d'aides-soignantes, qui ont été financés sur la base du droit, visé à l'article 2 de l'arrêté royal du 17 août 2007, tel qu'en vigueur le 31 décembre 2018, qui a été établi en janvier 2018 à titre d'indemnisation de mesures en matière d'harmonisation des traitements pour la période de référence du 1er juillet 2016 au 30 juin 2017, dans la période de référence, multiplié par 10.671,07 ;
   4) du nombre d'équivalents à temps plein occupés de kinésithérapeutes, d'ergothérapeutes, de logopédistes et de personnel de réactivation, qui ont été financés sur la base du droit, visé à l'article 2 de l'arrêté royal du 17 août 2007, tel qu'en vigueur le 31 décembre 2018, qui a été établi en janvier 2018 à titre d'indemnisation de mesures en matière d'harmonisation des traitements pour la période de référence du 1er juillet 2016 au 30 juin 2017, multiplié par 3.157,62 ;
   b) TA = Z ETP x 59.000, où Z ETP = X ETP - Y EPT, où :
   1) X ETP = le minimum entre (100 % * ETP de soins hors norme) et (13,5 % * (collaborateurs de soins financés dans le forfait ROB/RVT et forfait DVC dans la période de référence du 1er juillet 2016 au 30 juin 2017)) ;
   2) Y ETP = le minimum entre (78 % * ETP de soins hors norme) et (9,74 % * (collaborateurs de soins financés dans le forfait ROB/RVT et forfait DVC dans la période de référence du 1er juillet 2016 au 30 juin 2017).
   c) [2 ...]2.
   Le nombre d'ETP hors norme, visé à l'alinéa 1er, 2°, b), est calculé comme suit : (collaborateurs de soins qui remplissent les conditions visées à l'arrêté ministériel du 6 novembre 2003 fixant le montant et les conditions d'octroi de l'intervention visée à l'article 37, § 12, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, dans les maisons de repos et de soins et dans les maisons de repos pour personnes âgées, tel qu'en vigueur le 31 décembre 2018, pour être inclus dans le calcul de l'intervention forfaitaire, visée au chapitre III de l'arrêté ministériel précité du 6 novembre 2003, et les collaborateurs de soins qui remplissent les conditions visées à l'arrêté ministériel du 22 juin 2000 fixant l'intervention visée à l'article 37, § 12, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, dans les centres de soins de jour, pour être inclus dans le calcul de l'intervention, visée à l'article 1er de l'arrêté ministériel précité du 22 juin 2000, dans la période de référence du 1er juillet 2016 au 30 juin 2017, mais qui ne sont pas inclus dans le calcul des forfaits concernés) - (collaborateurs de soins financés par l'intervention forfaitaire visée au chapitre III de l'arrêté ministériel précité du 6 novembre 2003 et à l'article 1er de l'arrêté ministériel précité du 22 juin 2000 sur la base de la période de référence du 1er juillet 2016 au 30 juin 2017).
   Pour la somme visée à l'alinéa 1er, 2°, a), les travailleurs qui sont entièrement ou partiellement financés par un Fonds Maribel social, ne sont pas pris en compte pour déterminer le nombre d'équivalents à temps plein occupés. ]1

  
Art. 663/4. [1 Een recht op een aanvullende financiering voor ondersteunend personeel wordt toegekend aan bepaalde zorgvoorzieningen.
   De minister bepaalt jaarlijks met toepassing van artikel 663/5 tot en met 663/7 het bedrag van de aanvullende financiering waarop zorgvoorzieningen recht hebben.
   Een zorgvoorziening die het niet eens is met het bedrag dat de minister voor haar bepaald heeft, kan op eenvoudig verzoek een onderzoek vragen aan het agentschap. Het resultaat van dat onderzoek wordt verrekend in de aanvullende financiering van het daaropvolgende jaar.
   In afwijking van het tweede lid bepaalt de minister voor de zorgvoorziening die bewijst dat de activiteit wordt voortgezet ondanks een overname, een verzelfstandiging, een fusie of een splitsing met een eventuele wijziging van het erkenningsnummer tot gevolg, het bedrag van de aanvullende financiering.
   [2 Het agentschap betaalt de aanvullende financiering naar rato van 80 % in het jaar X in juli, in één bedrag samen met de aanvullende financiering naar rato van 80%, vermeld in artikel 663/1.
   Het agentschap betaalt de aanvullende financiering naar rato van 20 % in het jaar X+1 in juli, in één bedrag samen met de aanvullende financiering naar rato van 20%, vermeld in artikel 663/1.]2
]1

  
Art. 663/3. [1 § 1er. La structure de soins qui satisfait aux conditions visées à l'article 663/2, reçoit annuellement un financement complémentaire dont le montant est fixé par le Ministre à l'aide de la formule suivante : BAF = MBAFGI * facteur ETP, où :
   1° BAF= le montant du financement complémentaire dans l'année X ;
   2° MBAFGI = MBAF indexé conformément à l'article 511 ;
   3° MBAF = le montant maximal du financement complémentaire, visé à l'article 663/2, alinéa 1er, 2° ;
   4° facteur ETP = ref ETP/start ETP, où :
   a) ref ETP = le nombre le plus bas d'ETP de personnel de soins hors norme dans les périodes de référence écoulées depuis la période de référence du 1er juillet 2016 au 30 juin 2017 ;
   b) start ETP = le nombre d'ETP de personnel de soins hors norme dans la période de référence du 1er juillet 2016 au 30 juin 2017.
   Complémentairement au calcul visé à l'alinéa 1er, un montant BAF RVT est calculé. Ce montant est calculé à partir de la deuxième année calendaire pour les centres de soins résidentiels qui reçoivent un agrément supplémentaire à partir du 1er janvier 2020 selon l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 avril 2016 portant attribution et agrément de lits supplémentaires disposant d'un agrément spécial comme maison de repos et de soins, sur la base de la formule suivante : MBAFGI - ([4 19,45 euros ]4 * 365 * le nombre total d'entités supplémentaires disposant d'un agrément supplémentaire à partir du 1er janvier 2020 * 30 %). [2 [4 Le nombre 19,45]4 n'est pas indexé conformément à l'article 511 du présent arrêté.]2
   La structure de soins reçoit annuellement le montant le plus bas calculé sur la base du montant BAF tel que calculé à l'alinéa 1er, ou le montant BAF RVT.
   Les alinéas 2 à 5 inclus ne s'appliquent pas au centre de soins résidentiels qui obtient un agrément supplémentaire pour la première fois.
   Si le nombre moyen d'entités agréées au sein d'une structure de soins augmente dans la période de référence du 1er juillet X-2 au 30 juin X-1 par rapport au nombre moyen d'entités agréées dans la période de référence du 1er juillet 2016 au 30 juin 2017, la ref ETP dans la période de référence du 1er juillet X-2 au 30 juin X-1 est recalculée linéairement au nombre moyen d'entités agréées de la période de référence du 1er juillet 2016 au 30 juin 2017, pour le calcul du montant du financement complémentaire dans l'année X. Le montant du financement complémentaire ne peut pas augmenter.
  [5 Si, au cours de l'année X, une adaptation du pourcentage maximal du coût du personnel financé, mentionné à l'article 487, § 2, intervient, le MBAFGI est recalculé contrairement à l'alinéa 1er, 2° de la manière suivante pour cette année X : MBAFGI = MBAF indexé conformément à l'article 511 réduit du MINA2, le MINA2 étant égal au minimum entre les deux éléments suivants :
   1° les coûts salariaux totaux pour le personnel présent réduits des coûts salariaux pour le personnel financé pour la période de référence du 1er juillet X-2 au 30 juin X-1 ;
   2° la différence entre le remplissage maximal de la partie A2 sur la base de l'ancien pourcentage maximal et du pourcentage majoré de la partie A2 conformément à l'article 487, § 2 pour la période de référence allant du 1er juillet X-2 au 30 juin X-1.
   Dans le cas mentionné à l'alinéa 6, le MBAFGI est égal à 0 si le MINA2 est égal à 0.
   Le montant du financement complémentaire au cours d'une année X+1 ne peut pas augmenter par rapport au montant du financement complémentaire au cours de l'année X précédente, à l'exception de l'indexation via le montant MBAFGI. ]5

   § 2.[3 ...]3 ]1

  
Art. 663/4 TOEKOMSTIG RECHT.    [1 Een recht op een aanvullende financiering voor ondersteunend personeel wordt toegekend aan bepaalde zorgvoorzieningen.
   De minister bepaalt jaarlijks met toepassing van artikel 663/5 tot en met 663/7 het bedrag van de aanvullende financiering waarop zorgvoorzieningen recht hebben.
   Een zorgvoorziening die het niet eens is met het bedrag dat de minister voor haar bepaald heeft, kan op eenvoudig verzoek een onderzoek vragen aan het agentschap. Het resultaat van dat onderzoek wordt verrekend in de aanvullende financiering van het daaropvolgende jaar.
   In afwijking van het tweede lid bepaalt de minister voor de zorgvoorziening die bewijst dat de activiteit wordt voortgezet ondanks een overname, een verzelfstandiging, een fusie of een splitsing met een eventuele wijziging van het erkenningsnummer tot gevolg, het bedrag van de aanvullende financiering.
  [3 De voorzieningen die onder toepassing van dit lid vallen worden geïdentificeerd op 30 juni van het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor het recht wordt vastgesteld. Het bedrag van de aanvullende financiering wordt op de volgende wijze bepaald:
   1° in geval van een overname of verzelfstandiging: het laatst vastgestelde recht op de aanvullende financiering vóór de datum van de overname of verzelfstandiging van de voorziening die wordt overgenomen of verzelfstandigd, wordt overgenomen door de voorziening die ontstaat door de overname of verzelfstandiging;
   2° in geval van een fusie: het laatst vastgestelde recht op de aanvullende financiering vóór de datum van de fusie van de voorzieningen die samengaan, wordt samengeteld en vormt het eerste recht van de nieuwe voorziening;
   3° in geval van splitsing: het laatst vastgestelde recht op de aanvullende financiering vóór de datum van de splitsing van de voorziening die splitst, wordt in verhouding tot het aantal erkende woongelegenheden van elk van de gesplitste voorzieningen omgeslagen en vormt het eerste recht van de nieuwe voorzieningen]3

   [2 Het agentschap betaalt de aanvullende financiering naar rato van 80 % in het jaar X in juli, in één bedrag samen met de aanvullende financiering naar rato van 80%, vermeld in artikel 663/1.
   Het agentschap betaalt de aanvullende financiering naar rato van 20 % in het jaar X+1 in juli, in één bedrag samen met de aanvullende financiering naar rato van 20%, vermeld in artikel 663/1.]2
]1
Art. 663/4. [1 Le droit à un financement complémentaire pour personnel d'appui est accordé à certaines structures de soins.
   Le Ministre arrête annuellement, en application des articles 663/5 à 663/7 inclus, le montant du financement complémentaire auquel les structures de soins ont droit.
   Une structure de soins qui n'est pas d'accord avec le montant fixé par le Ministre, peut demander, sur simple demande, un examen à l'agence. Le résultat de cet examen est comptabilisé dans le financement complémentaire de l'année suivante.
   Par dérogation à l'alinéa 2, le Ministre arrête le montant du financement complémentaire pour la structure de soins qui démontre qu'elle continue son activité malgré une reprise, une autonomisation, une fusion ou une scission qui aboutit éventuellement à une modification du numéro d'agrément.
   [2 L'agence paie le financement complémentaire au prorata de 80% dans l'année X en juillet, en un seul montant ensemble avec le financement complémentaire au prorata de 80% visé à l'article 663/1.
   L'agence paie le financement complémentaire au prorata de 20% dans l'année X+1 en juillet, en un seul montant ensemble avec le financement complémentaire au prorata de 20% visé à l'article 663/1.]2
]1

  
Art. 663/5. [1 Een zorgvoorziening maakt aanspraak op een aanvullende financiering als vermeld in artikel 663/4 van dit besluit, als ze voldoet aan al de volgende voorwaarden:
   1° de zorgvoorziening had voor de referentieperiode van 1 juli 2016 tot en met 30 juni 2017 voor het administratief en logistiek personeel recht op een financiële tegemoetkoming in het kader van het koninklijk besluit van 17 augustus 2007, zoals van toepassing op 31 december 2018;
   2° FTOGI > ([3 4 euro]3 x het aantal gefactureerde dagen die de zorgvoorzieningen in de elektronische vragenlijst, vermeld in artikel 453, hebben aangegeven voor de referentieperiode van 1 juli 2016 tot en met 30 juni 2017, zoals vastgelegd in januari 2018), waarbij FTOGI = financiële tegemoetkoming voor ondersteunend personeel met een gecorrigeerde index, die berekend wordt met de volgende formule: FTOGI = FTO x 1,01833, waarbij FTO = de financiële tegemoetkoming voor ondersteunend personeel, namelijk:
   a) voor de privé-sector: het aantal tewerkgestelde voltijds equivalenten administratief en logistiek personeel die gefinancierd werden op basis van het recht, vermeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 17 augustus 2007, zoals van toepassing op 31 december 2018, dat ter vergoeding van maatregelen inzake loonharmonisering werd vastgesteld in januari 2018 voor de referentieperiode van 1 juli 2016 tot 30 juni 2017, vermenigvuldigd met 10.278,74;
   b) voor de openbare voorzieningen: het aantal tewerkgestelde voltijds equivalenten zorgpersoneel die in aanmerking worden genomen voor het recht `administratief en logistiek personeel' dat met toepassing van het koninklijk besluit van 17 augustus 2007, zoals van toepassing op 31 december 2018, voor de loonharmonisering werd vastgesteld in januari 2018 voor de referentieperiode van 1 juli 2016 tot 30 juni 2017, vermenigvuldigd met 3.874,58.
   Voor de openbare voorzieningen wordt FTO lineair verminderd voor een totaalbedrag van [2 3.186.719,73 euro]2.
   In het eerste lid, 2°, wordt verstaan onder ondersteunend personeel: al het loontrekkend en statutair personeel dat niet in de zorg staat, waaronder al de loontrekkende of statutaire medewerkers die zijn tewerkgesteld in de administratie, het middenkader, de directie, de schoonmaakdienst, de logistieke dienst, de keuken, klusjesdienst en de onderhoudsdienst.
   Bij het recht op een financiële tegemoetkoming voor het administratief en logistiek personeel, vermeld in het eerste lid, 1°, wordt geen rekening gehouden met de werknemers die geheel of gedeeltelijk gefinancierd worden door een Fonds Sociale Maribel.
   Het maximale bedrag van de aanvullende financiering wordt berekend met de volgende formule: (FTOGI, vermeld in het eerste lid, 2° - ([3 4 euro]3 x het aantal gefactureerde dagen die de zorgvoorzieningen in de elektronische vragenlijst, vermeld in artikel 453, hebben aangegeven voor de referentieperiode van 1 juli jaar -2 tot en met 30 juni jaar -1).
   Voor zorgvoorzieningen die voor de referentieperiode van 1 juli 2016 tot en met 30 juni 2017 recht hadden op een tegemoetkoming voor administratief en logistiek personeel, vermenigvuldigd met 1,0386971, dat gelijk is aan of hoger is dan de uitkomst van 7,84 euro maal het aantal gefactureerde dagen in de referentieperiode van 1 juli 2016 tot en met 30 juni 2017, geldt de volgende regeling:
   1° voor het jaar 2019: het maximale bedrag van de aanvullende financiering wordt geplafonneerd tot 19,61 euro maal het aantal gefactureerde dagen in de referentieperiode van 1 juli 2016 tot en met 30 juni 2017;
   2° voor het jaar 2020: het maximale bedrag van de aanvullende financiering wordt geplafonneerd tot 16,67 euro maal het aantal gefactureerde dagen in de referentieperiode van 1 juli 2016 tot en met 30 juni 2017;
   3° voor het jaar 2021: het maximale bedrag van de aanvullende financiering wordt geplafonneerd tot 13,73 euro maal het aantal gefactureerde dagen in de referentieperiode van 1 juli 2016 tot en met 30 juni 2017;
   4° voor het jaar 2022: het maximale bedrag van de aanvullende financiering wordt geplafonneerd tot 10,78 euro maal het aantal gefactureerde dagen in de referentieperiode van 1 juli 2016 tot en met 30 juni 2017;
   5° voor het jaar 2023: het maximale bedrag wordt geplafonneerd tot 7,84 euro maal het aantal gefactureerde dagen in de referentieperiode van 1 juli 2016 tot en met 30 juni 2017;
   6° [4 voor het jaar 2024: het maximale bedrag van de aanvullende financiering wordt geplafonneerd tot 7,84 euro maal het aantal gefactureerde dagen in de referentieperiode van 1 juli 2016 tot en met 30 juni 2017 ]4;
  [4 6° voor het jaar 2024: het maximale bedrag van de aanvullende financiering wordt geplafonneerd tot 7,84 euro maal het aantal gefactureerde dagen in de referentieperiode van 1 juli 2016 tot en met 30 juni 2017;
   7° voor het jaar 2025: het maximale bedrag van de aanvullende financiering wordt geplafonneerd tot 7,84 euro maal het aantal gefactureerde dagen in de referentieperiode van 1 juli 2016 tot en met 30 juni 2017;
   8° vanaf 2026 wordt het bedrag van de aanvullende financiering mee opgenomen bij de integratie van de IFIC-financiering in de basistegemoetkoming voor zorg.]4

   De zorgvoorzieningen waarvan de aanvullende financiering wordt geplafonneerd conform het zesde lid, hebben het recht om hun dagprijs te verhogen met een maximum dat gelijk is aan het verlies aan in komsten dat voortvloeit uit de toepassing van het zesde lid.]1

  [3 De bedragen, vermeld in het zesde lid, worden geïndexeerd conform artikel 511.]3
  
Art. 663/4 DROIT FUTUR.    [1 Le droit à un financement complémentaire pour personnel d'appui est accordé à certaines structures de soins.
   Le Ministre arrête annuellement, en application des articles 663/5 à 663/7 inclus, le montant du financement complémentaire auquel les structures de soins ont droit.
   Une structure de soins qui n'est pas d'accord avec le montant fixé par le Ministre, peut demander, sur simple demande, un examen à l'agence. Le résultat de cet examen est comptabilisé dans le financement complémentaire de l'année suivante.
   Par dérogation à l'alinéa 2, le Ministre arrête le montant du financement complémentaire pour la structure de soins qui démontre qu'elle continue son activité malgré une reprise, une autonomisation, une fusion ou une scission qui aboutit éventuellement à une modification du numéro d'agrément.
  [3 Les structures qui relèvent de l'application du présent alinéa sont identifiées le 30 juin de l'année précédant celle pour laquelle le droit est fixé. Le montant du financement complémentaire est fixé comme suit :
   1° dans le cas d'une reprise ou d'une autonomisation : le droit au financement complémentaire constaté en dernier lieu avant la date de la reprise ou de l'autonomisation de la structure reprise ou autonomisée est repris par la structure créée par la reprise ou l'autonomisation ;
   2° dans le cas de fusion: le droit au financement complémentaire constaté en dernier lieu avant la date de fusion des structures qui se rattachent est cumulé et constitue le premier droit de la nouvelle structure ;
   3° en cas de scission : le droit au financement complémentaire constaté en dernier lieu avant la date de la scission de la structure qui se divise est réparti proportionnellement au nombre de logements agréés de chacune des structures scindées et constitue le premier droit des nouvelles structures.]3

   [2 L'agence paie le financement complémentaire au prorata de 80% dans l'année X en juillet, en un seul montant ensemble avec le financement complémentaire au prorata de 80% visé à l'article 663/1.
   L'agence paie le financement complémentaire au prorata de 20% dans l'année X+1 en juillet, en un seul montant ensemble avec le financement complémentaire au prorata de 20% visé à l'article 663/1.]2
]1
Art. 663/6. [1 § 1. Met behoud van de toepassing van artikel 663/5, vierde lid, van dit besluit, ontvangt de zorgvoorziening die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 663/4 van dit besluit, jaarlijks een aanvullende financiering, waarvan het bedrag door de minister wordt bepaald met de volgende formule: BAF = MBAFGI * vte factor, waarbij:
   1° BAF = het bedrag van de aanvullende financiering in het jaar X;
   2° MBAFGI = MBAF geïndexeerd [3 conform artikel 511 van dit besluit]3;
   3° MBAF= het maximale bedrag van de aanvullende financiering, vermeld in artikel 663/5, vijfde lid, van dit besluit;
   4° vte factor= ref vte/start vte, waarbij:
   a) ref vte = het laagste aantal VTE ondersteunend personeel in de afgelopen referentieperiodes sinds de referentieperiode van 1 juli 2016 tot en met 30 juni 2017;
   b) start vte = het aantal tewerkgestelde voltijds equivalenten administratief en logistiek personeel die gefinancierd werden in het recht dat met toepassing van het koninklijk besluit van 17 augustus 2007, zoals van toepassing op 31 december 2018 voor de loonharmonisering werd vastgesteld in januari 2018 voor de referentieperiode van 1 juli 2016 tot en met 30 juni 2017.
   De werknemers die geheel of gedeeltelijk gefinancierd worden door een Fonds Sociale Maribel worden niet meegeteld om het aantal tewerkgestelde voltijds equivalenten administratief en logistiek personeel te bepalen.
   Voor de openbare zorgvoorzieningen wordt het start vte, vermeld in het eerste lid, 4°, b), bepaald door de tegemoetkoming, vermeld in artikel 663/5, eerste lid,1°, te delen door 10.278,74. Het resultaat wordt afgerond op twee cijfers na de komma.
   Als het gemiddeld aantal erkende entiteiten binnen een zorgvoorziening stijgt in de referentieperiode van 1 juli X-2 tot en met 30 juni X-1 ten opzichte van het gemiddeld aantal erkende entiteiten in de referentieperiode van 1 juli 2016 tot en met 30 juni 2017, wordt voor de berekening van het bedrag van de aanvullende financiering in het jaar X, het ref vte in de referentieperiode van 1 juli X-2 tot en met 30 juni X-1 lineair herrekend naar het gemiddeld aantal erkende entiteiten van de referentieperiode van 1 juli 2016 tot 30 juni 2017. Het bedrag van de aanvullende financiering kan niet stijgen.
   § 2. [4 ...]4]1

  
Art. 663/5. [1 Une structure de soins a droit à un financement complémentaire tel que visé à l'article 663/4 du présent arrêté, si elle satisfait aux conditions suivantes :
   1° la structure de soins avait droit, pour la période de référence du 1er juillet 2016 au 30 juin 2017, pour le personnel administratif et logistique à une intervention financière dans le cadre de l'arrêté royal du 17 août 2007, tel qu'en vigueur le 31 décembre 2018 ;
   2° FTOGI > ([3 4 euros]3 x le nombre de jours facturés mentionnés par les structures de soins dans le questionnaire électronique, visé à l'article 453, pour la période de référence du 1er juillet 2016 au 30 juin 2017, tel que fixé en janvier 2018), où FTOGI = intervention financière pour personnel d'appui avec un indice corrigé, calculée à l'aide de la formule suivante : FTOGI = FTO x 1,01833, où FTO = l'intervention financière pour personnel d'appui, à savoir :
   a) pour le secteur privé : le nombre d'équivalents à temps plein occupés de personnel administratif et logistique, qui ont été financés sur la base du droit, visé à l'article 2 de l'arrêté royal du 17 août 2007, tel qu'en vigueur le 31 décembre 2018, qui a été établi en janvier 2018 à titre d'indemnisation de mesures en matière d'harmonisation des traitements pour la période de référence du 1er juillet 2016 au 30 juin 2017, multiplié par 10.278,74 ;
   b) pour les structures publiques : le nombre d'équivalents à temps plein occupés de personnel de soins qui sont pris en compte pour le droit " personnel administratif et logistique ", qui en application de l'arrêté royal du 17 août 2017, tel qu'en vigueur le 31 décembre 2018, a été établi en janvier 2018, à titre d'indemnisation de mesures en matière d'harmonisation des traitements pour la période de référence du 1er juillet 2016 au 30 juin 2017, multiplié par 3.874,58.
   Pour les structures publiques, FTO est diminué linéairement à un montant total de [2 3.186.719,73 euros]2.
   Dans l'alinéa 1er, 2°, on entend par personnel d'appui : tout le personnel salarié et statutaire non soignant, y compris tous les collaborateurs salariés ou statutaires occupés dans l'administration, le cadre moyen, la direction, le service de nettoyage, le service logistique, la cuisine, le service de petits travaux et le service d'entretien.
   Pour le droit à une intervention financière pour le personnel administratif et logistique, visé à l'alinéa 1er, 1°, il n'est pas tenu compte des travailleurs qui sont entièrement ou partiellement financés par un Fonds Maribel Social.
   Le montant maximal du financement complémentaire est calculé à l'aide de la formule suivante : (FTOGI, visé à l'alinéa 1er, 2° - ([3 4 euros]3 x le nombre de jours facturés mentionnés par les structures de soins dans le questionnaire électronique, visé à l'article 453, pour la période de référence du 1er juillet année-2 au 30 juin année-1).
   Pour les structures de soins qui, pour la période de référence du 1er juillet 2016 au 30 juin 2017, avaient droit à une intervention pour personnel administratif et logistique, multipliée par 1,0386971, égale ou supérieure au résultat de 7,84 euros fois le nombre de jours facturés dans la période de référence du 1er juillet 2016 au 30 juin 2017, le règlement suivant s'applique :
   1° pour l'année 2019 : le montant maximal du financement complémentaire est plafonné à 19,61 euros fois le nombre de jours facturés dans la période de référence du 1er juillet 2016 au 30 juin 2017 ;
   2° pour l'année 2020 : le montant maximal du financement complémentaire est plafonné à 16,67 euros fois le nombre de jours facturés dans la période de référence du 1er juillet 2016 au 30 juin 2017 ;
   3° pour l'année 2021 : le montant maximal du financement complémentaire est plafonné à 13,73 euros fois le nombre de jours facturés dans la période de référence du 1er juillet 2016 au 30 juin 2017 ;
   4° pour l'année 2022 : le montant maximal du financement complémentaire est plafonné à 10,78 euros fois le nombre de jours facturés dans la période de référence du 1er juillet 2016 au 30 juin 2017 ;
   5° pour l'année 2023 : le montant maximal est plafonné à 7,84 euros fois le nombre de jours facturés dans la période de référence du 1er juillet 2016 au 30 juin 2017 ;
   6° [4 pour l'année 2024 : le montant maximal du financement complémentaire est plafonné à 7,84 euros fois le nombre de jours facturés durant la période de référence du 1er juillet 2016 au 30 juin 2017 ]4;
  [4 7° pour l'année 2025 : le montant maximal du financement complémentaire est plafonné à 7,84 euros fois le nombre de jours facturés durant la période de référence du 1er juillet 2016 au 30 juin 2017 ;
   8° à partir de 2026, le montant du financement complémentaire est repris lors de l'intégration du financement IFIC dans l'intervention de base pour les soins. ]4

   Les structures de soins dont le financement complémentaire est plafonné conformément à l'alinéa 6, ont le droit d'augmenter leur prix journalier d'un maximum égal à la perte de revenus occasionnée par l'application de l'alinéa 6.]1

  [3 Les montants visés à l'alinéa six, sont indexés conformément à l'article 511.]3
  
Art. 663/7. [1 Na de eerste vijf jaar worden met de vertegenwoordigers van de werkgevers en de Vlaamse overheid opnieuw afspraken gemaakt over de verdere afbouw van de aanvullende financiering ondersteunend personeel, zodat na tien jaar een level playing field in de component ondersteunend personeel in perspectief van de omschakeling naar een persoonsvolgende financiering kan worden gerealiseerd, gekoppeld aan de effectieve aanwezige tewerkstelling. De aanvullende financiering ondersteunend personeel stopt na uiterlijk tien jaar. ]1
  [2 [3 ...]3.]2
  
Art. 663/6. [1 § 1er. Sans préjudice de l'application de l'article 663/5, alinéa 4, du présent arrêté, la structure de soins qui répond aux conditions visées à l'article 663/4 du présent arrêté, reçoit annuellement un financement complémentaire dont le montant est fixé par le Ministre à l'aide de la formule suivante : BAF = MBAFGI * facteur ETP, où :
   1° BAF= le montant du financement complémentaire dans l'année X ;
   2° MBAFGI = MBAF indexé [2 conformément à l'article 511 du présent arrêté]2;
   3° MBAF = le montant maximal du financement complémentaire, visé à l'article 663/5, alinéa 5 du présent arrêté ;
   4° facteur ETP = ref ETP/start ETP, où :
   a) ref ETP = le nombre le plus bas d'ETP de personnel d'appui dans les périodes de référence écoulées depuis la période de référence du 1er juillet 2016 au 30 juin 2017 ;
   b) start ETP = le nombre d'équivalents à temps plein occupés de personnel administratif et logistique qui ont été financés au droit qui en application de l'arrêté royal du 17 août 2017, tel qu'en vigueur le 31 décembre 2018, a été établi en janvier 2018 pour l'harmonisation des traitements, pour la période de référence du 1er juillet 2016 au 30 juin 2017.
   Les travailleurs qui sont entièrement ou partiellement financés par un Fonds Maribel social ne sont pas pris en compte pour déterminer le nombre d'équivalents à temps plein de personnel administratif et logistique.
   Pour les structures de soins publiques, le start ETP, visé à l'alinéa 1er, 4°, b), est déterminé en divisant l'intervention visée à l'article 663/5, alinéa 1er, 1°, par 10.278,74. Le résultat est arrondi à deux décimales.
   Si le nombre moyen d'entités agréées au sein d'une structure de soins augmente dans la période de référence du 1er juillet X-2 au 30 juin X-1 par rapport au nombre moyen d'entités agréées dans la période de référence du 1er juillet 2016 au 30 juin 2017, la ref ETP dans la période de référence du 1er juillet X-2 au 30 juin X-1 est recalculée linéairement au nombre moyen d'entités agréées de la période de référence du 1er juillet 2016 au 30 juin 2017, pour le calcul du montant du financement complémentaire dans l'année X. Le montant du financement complémentaire ne peut pas augmenter.
   § 2. [3 ...]3]1

  
Art. 663/8. [1 Een zorgvoorziening verliest definitief het recht op de aanvullende financiering voor zorgpersoneel boven norm en ondersteunend personeel, vermeld in artikel 663/1 en artikel 663/4, als de zorgvoorziening op 30 november de gegevens van de voorliggende referentieperiode nog niet heeft bevestigd.
   Het verlies van het recht op de aanvullende financiering, vermeld in het eerste lid, gaat in vanaf het jaar dat volgt op de referentieperiode waarin het feit, vermeld in het eerste lid, zich heeft voorgedaan. ]1

  [2 In afwijking van het eerste lid geldt voor de aanvullende financiering voor ondersteunend personeel, vermeld in artikel 663/4, voor het jaar 2024 dat een zorgvoorziening die geen gegevens heeft aangeleverd voor de referentieperiode 1 juli 2022 tot en met 30 juni 2023, die gegevens uitzonderlijk en eenmalig nog kan aanleveren zolang het rechtenjaar nog niet is afgesloten. De zorgvoorziening deelt de gegevens mee via een formulier dat het agentschap ter beschikking stelt. In dat geval wordt er ook een vermindering toegepast van 25% op het bedrag van de aanvullende financiering in het jaar 2024, vermeld in artikel 663/6, § 1, eerste lid, 1°. Het rechtenjaar is afgesloten op de datum dat de betalingen, vermeld in artikel 663/4, zesde lid, zijn uitgevoerd. Uitzonderlijke laattijdige aanlevering van gegevens met als doel een wijziging van de aanvullende financiering voor ondersteunend personeel houdt geen wijziging van andere financieringen in.
   In afwijking van het eerste en tweede lid deelt een zorgvoorziening vanaf de aanvullende financiering voor zorgpersoneel boven norm en ondersteunend personeel voor het jaar 2025 de gegevens van de voorliggende referentieperiode mee via de elektronische vragenlijst, vermeld in artikel 452 en artikel 456, waarbij de termijnen, vermeld in artikel 454 en 456, van toepassing zijn. Een zorgvoorziening die de termijnen, vermeld in artikel 454 en 456, niet naleeft, verliest definitief het volledige recht op de aanvullende financiering voor zorgpersoneel boven norm, vermeld in artikel 663/1, en de aanvullende financiering voor ondersteunend personeel, vermeld in artikel 663/4, vanaf het jaar dat volgt op de referentieperiode waarin het feit zich heeft voorgedaan.]2

  
Art. 663/7. [1 Après les cinq premières années, de nouveaux accords sont conclus avec les représentants des employeurs et l'Autorité flamande sur la suppression progressive du financement complémentaire de personnel d'appui, afin de permettre la réalisation, après dix ans, d'un " level playing field " dans la composante du personnel d'appui dans la perspective de la conversion vers un financement personnalisé, lié à l'emploi présent effectif. Le financement complémentaire de personnel d'appui s'arrête au plus tard après dix ans. ]1
  [2 Les moyens libérés par l'application des articles 663/3 et 663/6 sont [3 ...]3 ajoutées au budget pour financer l'intervention de base pour les soins dans un centre de soins résidentiels et un centre de court séjour.]2
  
Art. 663/9. [1 Als het agentschap vaststelt dat een zorgvoorziening moedwillig in het kader van de toepassing van artikel 663/1 tot en met 663/6 zorgpersoneel of ondersteunend personeel heeft aangegeven dat niet in overeenstemming is met de indeling naar zorgpersoneel of ondersteunend personeel of met de werkelijke prestaties geleverd voor de zorgvoorziening, betaalt de zorgvoorziening 10.000 euro per vte per jaar onterecht aangegeven personeel terug aan de Vlaamse overheid. ]1
  
Art. 663/8. [1 Une structure de soins perd définitivement le droit au financement complémentaire pour personnel de soins hors norme et personnel d'appui, visé aux articles 663/1 et 663/4, si la structure de soins n'a pas encore confirmé au 30 novembre les données de la présente période de référence.
   La perte du droit au financement complémentaire, visée à l'alinéa 1er, prend cours à partir de l'année qui suit la période de référence pendant laquelle le fait, visé à l'alinéa 1er, s'est produit. ]1

  [2 Contrairement à l'alinéa 1er, il est prévu pour le financement complémentaire pour le personnel d'appui, mentionné à l'article 663/4, pour l'année 2024 qu'une infrastructure de soins qui n'a pas fourni de données pour la période de référence du 1er juillet 2022 au 30 juin 2023 puisse encore exceptionnellement et à une seule reprise fournir ces données tant que l'année de droits n'est pas encore clôturée. L'infrastructure de soins communique les données par le biais d'un formulaire que l'agence met à disposition. Dans ce cas, une réduction de 25 % est également appliquée sur le montant du financement complémentaire durant l'année 2024, mentionné à l'article 663/6, § 1er, alinéa 1er, 1°. L'année de droits est clôturée à la date où les paiements, mentionnés à l'article 663/4, alinéa 6, sont effectués. Une remise tardive exceptionnelle des données dans le but de modifier le financement complémentaire pour le personnel d'appui ne comporte pas de modification d'autres financements.
   En dérogation des alinéas 1er et 2, une infrastructure de soins communique à partir du financement complémentaire pour le personnel soignant hors norme et le personnel d'appui pour l'année 2025 les données de la présente période de référence par le biais du questionnaire électronique, mentionné à l'article 452 et à l'article 456, les délais mentionnés aux articles 454 et 456 étant d'application. Une infrastructure de soins qui ne respecte pas les délais, mentionnés aux articles 454 et 456, perd définitivement le droit intégral au financement complémentaire pour le personnel soignant hors norme, mentionné à l'article 663/1, et le financement complémentaire pour le personnel soignant, mentionné à l'article 663/4, à partir de l'année suivant la période de référence où le fait s'est produit.]2

  
Art. 663/10. [1 In afwijking van artikel 454, eerste lid, gaat het agentschap voor de openbare zorgvoorzieningen op de volgende data na of de gegevens, vermeld in artikel 453, § 1, tweede lid, voor de referentieperiode van 1 juli 2017 tot en met 30 juni 2018, bezorgd zijn in de elektronische vragenlijst, vermeld in artikel 452:
   1° voor de toepassing van de aanvullende financiering, vermeld in artikel 663/4: 14 februari 2019;
   2° voor de definitieve registratie: 14 februari 2020.
   Artikel 454, tweede lid, is niet van toepassing voor de openbare zorgvoorzieningen wat betreft de gegevens, vermeld in artikel 453, § 1, tweede lid, voor de referentieperiode van 1 juli 2017 tot 30 juni 2018. ]1

  
Art. 663/9. [1 Si l'agence constate qu'une structure de soins a volontairement mentionné, dans le cadre de l'application des articles 663/1 à 663/6 inclus, du personnel de soin ou du personnel d'appui qui ne correspond pas à la classification en personnel de soins ou personnel d'appui ou aux prestations effectuées pour la structure de soins, la structure de soins rembourse à l'Autorité flamande 10.000 euros par ETP par année de mention injuste de personnel. ]1
  
Art. 663/11. [1 De zorgvoorzieningen hebben recht op een eenmalige overbruggingstoelage ten bedrage van [3 5,18]3 euro maal het aantal gefactureerde dagen voor de periode van 1 januari 2019 tot en met 30 juni 2019. Voor zorgvoorzieningen voor dewelke de uitkomst van 1,16 maal het aantal gefactureerde dagen in de referentieperiode van 1 juli 2017 tot en met 30 juni 2018, gedeeld door twee, lager is dan de helft van het bedrag FTZGI zoals bepaald in artikel 663/2, eerste lid, 2°, a) én lager is dan de helft van het bedrag TA zoals bepaald in artikel 663/2, eerste lid, 2°, b) wordt de overbruggingstoelage aangevuld met het verschil tussen 1,16 maal het aantal gefactureerde dagen in de referentieperiode van 1 juli 2017 tot en met 30 juni 2018, gedeeld door twee, en de helft van het bedrag TA zoals bepaald in artikel 663/2, eerste lid, 2°, b). Deze aanvulling op de overbruggingstoelage wordt slechts toegekend voor zover de totale overbruggingstoelage zoals bepaald in dit artikel niet meer dan de helft van het bedrag FTZGI zoals bepaald in artikel 663/2, eerste lid, 2°, a) bedraagt.
   Voor zorgvoorzieningen die voor de referentieperiode van 1 juli 2017 tot en met 30 juni 2018 gefactureerde dagen hebben aangegeven in de elektronische vragenlijst, vermeld in artikel 453, betaalt het agentschap in april 2019 een voorschot dat als volgt is berekend: [3 5,18]3 euro vermenigvuldigd met het aantal gefactureerde dagen aangegeven in de referentieperiode van 1 juli 2017 tot en met 30 juni 2018, gedeeld door 2 en vermenigvuldigd met 0,9.
   Het saldo voor de zorgvoorzieningen, vermeld in het tweede lid, alsook het bedrag voor de zorgvoorzieningen die niet onder de toepassing van het tweede lid vallen, betaalt het agentschap [4 in september 2020, samen met de afrekening van het recht bedoeld in artikel 6, § 8, van het koninklijk besluit van 17 augustus 2007 tot uitvoering van de artikelen 57 en 59 van de programmawet van 2 januari 2001 wat de harmonisering van de barema's, de loonsverhogingen en tewerkstellingsmaatregelen in bepaalde gezondheidsinstellingen betreft]4.]1

  
Art. 663/10. [1 Par dérogation à l'article 454, alinéa 1er, l'agence vérifie pour les structures de soins publiques, aux dates suivantes si les données visées à l'article 453, § 1er, alinéa 2, pour la période de référence du 1er juillet 2017 au 30 juin 2018, sont transmises dans le questionnaire électronique visé à l'article 452 :
   1° pour l'application du financement complémentaire, visé à l'article 663/4 : le 14 février 2019 ;
   2° pour l'enregistrement définitif : le 14 février 2020.
   L'article 454, alinéa 2, ne s'applique pas aux structures de soins publiques en ce qui concerne les données visées à l'article 453, § 1er, alinéa 2, pour la période de référence du 1er juillet 2017 au 30 juin 2018.]1

  
Art. 664. In afwijking van artikel 492, tweede lid, kunnen de personen die op 1 januari 2019 niet beschikken over een bachelordiploma, maar wel de specifieke opleiding hebben gevolgd die vereist wordt in hetzelfde artikel en die reeds voor 1 januari 2019 de opleiding, vermeld in artikel 492, tweede lid, gegeven hebben, gelijkgesteld worden door ervaring op vlak van palliatieve verzorging.
  In afwijking van artikel 493, eerste lid, 2°, kunnen de personen die op 1 januari 2019 niet beschikken over een bachelordiploma, maar wel de specifieke opleiding hebben gevolgd die vereist wordt in hetzelfde artikel en die reeds voor 1 januari 2019 aangewezen waren als verantwoordelijke, vermeld in artikel 493, eerste lid, 2°, gelijkgesteld worden door ervaring op vlak van palliatieve verzorging.
Art. 663/11. [1 Les structures de soins ont droit à une allocation d'attente unique à concurrence de [3 5,18]3 euros fois le nombre de jours facturés pour la période du 1er janvier 2019 au 30 juin 2019. Pour les structures de soins pour lesquelles le résultat de 1,16 fois le nombre de jours facturés dans la période de référence du 1er juillet 2017 au 30 juin 2018, divisé par deux, est inférieur à la moitié du montant FTZGI tel que fixé à l'article 663/2, alinéa 1er, 2°, a), et inférieur à la moitié du montant TA tel que fixé à l'article 663/2, alinéa 1er, 2°, b), l'allocation d'attente est complétée par la différence entre 1,16 fois le nombre de jours facturés dans la période de référence du 1er juillet 2017 au 30 juin 2018, divisé par deux, et la moitié du montant TA tel que fixé à l'article 663/2, alinéa 1er, 2°, b). Ce complément à l'allocation d'attente n'est octroyé que dans la mesure où l'allocation d'attente totale telle que fixée dans le présent article, n'est pas supérieure à la moitié du montant FTZGI tel que fixé à l'article 663/2, alinéa 1er, 2°, a).
   Pour les structures de soins qui ont mentionné, pour la période de référence du 1er juillet 2017 au 30 juin 2018, des jours facturés dans le questionnaire électronique, visé à l'article 453, l'agence paie une avance en avril 2019, qui est calculée comme suit : [3 5,18]3 euros multipliés par le nombre de jours facturés mentionnés dans la période de référence du 1er juillet 2017 au 30 juin 2018, divisés par 2 et multipliés par 0,9.
   Le solde pour les structures de soins, visé à l'alinéa 2, ainsi que le montant pour les structures de soins qui ne relèvent pas de l'application de l'alinéa 2, est payé par l'agence [4 en septembre 2020, ensemble avec le décompte du droit visé à l'article 6, § 8, de l'arrêté royal du 17 août 2007 pris en exécution des articles 57 et 59 de la loi-programme du 2 janvier 2001 concernant l'harmonisation des barèmes, l'augmentation des rémunérations et la création d'emplois dans certaines institutions de soins]4. ]1

  
Art. 665. Het ministerieel besluit van 9 december 2009 tot bepaling van de samenstelling van de dagprijs, de extra vergoedingen en de voorschotten ten gunste van derden aangerekend in de woonzorgcentra en het ministerieel besluit van 5 december 2012 tot bepaling van de samenstelling van de dagprijs of prijs per uur, de extra vergoedingen en de voorschotten ten gunste van derden die aangerekend worden in de [1 centra voor dagverzorging]1 blijven van kracht tot ze bij ministerieel besluit opgeheven worden.
  
Art. 664. Par dérogation à l'article 492, deuxième alinéa, les personnes qui, au 1er janvier 2019, n'étaient pas titulaires d'un baccalauréat, mais qui ont suivi la formation spécifique requise dans le même article et qui ont déjà donné la formation visée à l'article 492, deuxième alinéa, avant le 1er janvier 2019, peuvent être assimilées par expérience en matière de soins palliatifs.
  Par dérogation à l'article 493, premier alinéa, 2°, les personnes qui n'étaient pas titulaires d'un baccalauréat au 1er janvier 2019, mais qui ont suivi la formation spécifique requise par le même article et qui étaient déjà désignées comme personne responsable avant le 1er janvier 2019, comme visé à l'article 493, premier alinéa, 2°, peuvent être assimilées par expérience en matière de soins palliatifs.
Art. 666. De aanvragen van tegemoetkoming voor een verblijf in een woonzorgcentrum, centrum voor kortverblijf of [1 centrum voor dagverzorging]1 die betrekking hebben op een opname tot uiterlijk 31 december 2018, worden ingediend bij de verzekeringsinstellingen en behandeld en beslist door de verzekeringsinstellingen conform de bepalingen van de Ziekteverzekeringswet en zijn uitvoeringsbesluiten.
  
Art. 665. L'arrêté ministériel du 9 décembre 2009 fixant la composition du prix journalier, les indemnités supplémentaires et les avances facturées aux tiers dans les établissements de soins résidentiels et l'arrêté ministériel du 5 décembre 2012 fixant la composition du prix journalier ou du prix horaire, les indemnités supplémentaires et les avances facturées aux tiers dans les établissements de soins résidentiels restent en vigueur jusqu'à leur suppression par arrêté ministériel.
Art. 667. Het woonzorgcentrum, centrum voor kortverblijf of [1 centrum voor dagverzorging]1 bezorgt tot en met 31 december 2020 de facturen aan de verzekeringsinstelling waarbij de gebruiker is aangesloten, als de gefactureerde tegemoetkoming betrekking heeft op prestaties 2018. De facturen worden behandeld door de verzekeringsinstellingen conform de bepalingen van de Ziekteverzekeringswet en zijn uitvoeringsbesluiten.
  
Art. 666. Les demandes d'interventions pour un séjour dans un centre de soins résidentiels, un centre de court séjour ou un centre de soins de jour portant sur une admission jusqu'au lundi 31 décembre 2018 inclus sont soumises aux organismes assureurs et traitées et décidées par ces derniers conformément aux dispositions de la loi sur l'assurance maladie et ses arrêtés d'application.
Art. 667. Jusqu'au 31 décembre 2020, le centre de soins résidentiels, le centre de court séjour ou le centre de soins de jour envoie les factures à l'organisme assureur auquel l'usager est affilié jusqu'au 31 décembre 2020 si l'intervention facturée concerne des services fournis en 2018. Les organismes assureurs traitent les factures conformément aux dispositions de la loi sur l'assurance maladie et de ses décrets d'application.
Deel 3. - Inwerkingtredingsbepaling
Art. 667/3.
Art. 668.Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2019, met uitzondering van:
Partie 3. - Entrée en vigueur
Art. 669. De Vlaamse minister, bevoegd voor het gezondheidsbeleid, en de Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, zijn, ieder wat hem of haar betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 668. Le présent arrêté en vigueur le mardi 1 janvier 2019, à l'exception :
  1° de l'article 46, alinéa 1er, 4° qui entre en vigueur à une date à fixer par le ministre ;
  2° de l'article 165, qui entre en vigueur le dimanche 1 décembre 2019 ;
  3° du livre 2, partie 1, titre 1, chapitre 4, qui entre en vigueur à une date à déterminer par le ministre en ce qui concerne l'application au budget des soins des personnes âgées ayant besoin de soins ;
  4° [2 ...]2]1.
  
BIJLAGE.
Art. 669. Le Ministre flamand qui a la politique des soins de santé dans ses attributions et le Ministre flamand qui a l'assistance aux personnes dans ses attributions sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l'exécution du présent arrêté.
Art. N.
ANNEXE.
Art. N2. [1 Bijlage 2. - Tabel met de hernieuwingstermijnen, vermeld in artikel 322, § 1, uitgedrukt in jaren]1
  (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 21-05-2019, p. 48291)
  
Art. N.   (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 28-12-2018, p. 105940)
  
  
  
-
Art. N3. (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 28-12-2018, p. 105816)
  Gewijzigd bij :
  
  
Art. N2. [1 Annexe 2. - Tableau des délais de renouvellement visés à l'article 322, § 1er, exprimés en années
-
Code de
   prestation
Prestation Délai de renouvellement <12 ans Délai de renouvellement >12 en <18 ans Délai de renouvellement >18 et <65 ans Délai de renouvellement >65ans
 Voiturette manuelle     
220013 Voiturette manuelle standard (adulte)  3 4 6
225016 Seconde voiturette manuelle standard (adulte)  3 6 9
220035 Voiturette modulaire manuelle (adulte)  3 4 6
225038 Seconde voiturette modulaire manuelle (adulte)  3 6 9
220057 Voiturette de soins manuelle (adulte)  3 4 6
220079 Voiturette manuelle active (adulte)  3 4 6
225694 Seconde voiturette manuelle active (adulte)  3 6 9
222975 Voiturette active aux dimensions individualisées (adulte)  3 4 6
220337 Voiturette avec fonction debout mécanique  3 4 6
220359 Voiturette avec fonction débout électrique  3 4 6
220197 Poussette standard (type de voiturette pour enfants) 3 3   
225613 Seconde poussette standard (type de voiturette pour enfants) 3 3   
225053 Poussette standard - type buggy grand format (type de voiturette pour enfants) 3 3 4 6
225657 Seconde poussette standard - type buggy grand format (type de voiturette de pour enfants 3 3 6 9
220219 Poussette modulaire (type de voiturette pour enfants) 3 3   
225635 Seconde poussette modulaire (type de voiturette pour enfants) 3 3   
220234 Voiturette pour enfants manuelle standard 3 3 4 6
225075 Seconde voiturette pour enfants manuelle standard 3 3 6 9
220256 Voiturette pour enfants manuelle active 3 3 4 6
225097 Seconde voiturette pour enfants manuelle active 3 3 6 9
220617 Châssis pour siège-coquille 3 3 5 5
225119 Second châssis pour siège-coquille 3 3 7,5 7,5
224095 Châssis de voiturette pour une unité d'assise modulaire adaptable 3 3 4 4
225679 Second châssis de voiturette pour une unité d'assise modulaire adaptable 3 3 6 6
 Voiturette électrique     
220094 Voiturette électrique pour l'intérieur (adultes)  3 5 7
220116 Voiturette électrique pour l'intérieur et l'extérieur (adultes)  3 5 7
220138 Voiturette électrique pour l'extérieur (adultes)  3 5 7
220278 Voiturette pour enfants électrique pour l'intérieur 3 3 5 7
220293 Voiturette pour enfants électrique pour l'intérieur et l'extérieur 3 3 5 7
 Scooter électrique     
222813 Scooter électrique pour l'intérieur  4 4 6
220153 Scooter électrique pour l'intérieur et l'extérieur  6 6 6
220175 Scooter électrique pour l'extérieur  6 6 6
 Tricycle ou quadricycle et tricycle couché     
 Tricycle ou quadricycle standard     
220374 Tricycle ou quadricycle standard pour usager avec longueur totale intérieur de la jambe de plus de 70cm  4 8 8
220396 Tricycle ou quadricycle standard pour usager avec longueur totale intérieur de la jambe de 50cm à 70cm 2 4 8 8
225134 Tricycle ou quadricycle standard pour usager avec longueur totale intérieur de la jambe de moins de 50cm 2 4 8 8
 Tricycle couché à guidon haut     
225156 Tricycle couché à guidon haut pour usager avec longueur totale intérieur de la jambe de plus de 70cm  4 8 8
225178 Tricycle couché à guidon haut pour usager avec longueur totale intérieur de la jambe de jusqu'à 70cm 2 4 8 8
 Tricycle couché à guidon et poignées latéraux à l'assise     
225193 Tricycle couché à guidon et poignées latéraux à l'assise pour usager avec longueur totale intérieur de la jambe de plus de 70cm  4 8 8
225215 Tricycle couché à guidon et poignées latéraux à l'assise pour usager avec longueur totale intérieur de la jambe de jusqu'à 70cm 2 4 8 8
 Tricycle couché à deux moyens de propulsions, c-à-d à pédaliers pour mains et pieds     
225237 Tricycle couché à deux moyens de propulsions, c-à-d à pédaliers pour mains et pieds pour usager avec longueur totale intérieur de la jambe de plus de 70cm  4 8 8
 Déambulateur     
220418 Déambulateur à quatre pieds fixes 3 3 4 6
220433 Déambulateur à 2 pieds fixes et 2 roues sans siège 3 3 4 6
220455 Déambulateur à 2 pieds fixes et 2 roues avec siège 3 3 4 6
220477 Déambulateur à 3 ou 4 roues 3 3 4 6
220499 Déambulateur soutenant la fonction debout 3 3 4 6
225259 Déambulateur à champ d'action ouvert 3 3 4 6
 Système de station debout     
220315 Table de station debout électrique  10 10 10
 Coussin anti-escarres     
 Coussin anti-décubitus non personnalisable     
 Coussin anti-décubitus à forme anatomique non personnalisable (intégré à la voiturette) Suit le délai de renouvellement de la voiturette
 Coussin anti-décubitus personnalisable 3 3 3 3
 Coussin anti-décubitus personnalisable type coussin à air avec structure cellulaire ou coussin Flow-Fluidgel 3 3 3 3
Code de
   prestation Prestation Délai de renouvellement <12 ans Délai de renouvellement >12 en <18 ans Délai de renouvellement >18 et <65 ans Délai de renouvellement >65ansVoiturette manuelle 220013 Voiturette manuelle standard (adulte) 3 4 6225016 Seconde voiturette manuelle standard (adulte) 3 6 9220035 Voiturette modulaire manuelle (adulte) 3 4 6225038 Seconde voiturette modulaire manuelle (adulte) 3 6 9220057 Voiturette de soins manuelle (adulte) 3 4 6220079 Voiturette manuelle active (adulte) 3 4 6225694 Seconde voiturette manuelle active (adulte) 3 6 9222975 Voiturette active aux dimensions individualisées (adulte) 3 4 6220337 Voiturette avec fonction debout mécanique 3 4 6220359 Voiturette avec fonction débout électrique 3 4 6220197 Poussette standard (type de voiturette pour enfants) 3 3 225613 Seconde poussette standard (type de voiturette pour enfants) 3 3 225053 Poussette standard - type buggy grand format (type de voiturette pour enfants) 3 3 4 6225657 Seconde poussette standard - type buggy grand format (type de voiturette de pour enfants 3 3 6 9220219 Poussette modulaire (type de voiturette pour enfants) 3 3 225635 Seconde poussette modulaire (type de voiturette pour enfants) 3 3 220234 Voiturette pour enfants manuelle standard 3 3 4 6225075 Seconde voiturette pour enfants manuelle standard 3 3 6 9220256 Voiturette pour enfants manuelle active 3 3 4 6225097 Seconde voiturette pour enfants manuelle active 3 3 6 9220617 Châssis pour siège-coquille 3 3 5 5225119 Second châssis pour siège-coquille 3 3 7,5 7,5224095 Châssis de voiturette pour une unité d'assise modulaire adaptable 3 3 4 4225679 Second châssis de voiturette pour une unité d'assise modulaire adaptable 3 3 6 6Voiturette électrique 220094 Voiturette électrique pour l'intérieur (adultes) 3 5 7220116 Voiturette électrique pour l'intérieur et l'extérieur (adultes) 3 5 7220138 Voiturette électrique pour l'extérieur (adultes) 3 5 7220278 Voiturette pour enfants électrique pour l'intérieur 3 3 5 7220293 Voiturette pour enfants électrique pour l'intérieur et l'extérieur 3 3 5 7Scooter électrique 222813 Scooter électrique pour l'intérieur 4 4 6220153 Scooter électrique pour l'intérieur et l'extérieur 6 6 6220175 Scooter électrique pour l'extérieur 6 6 6Tricycle ou quadricycle et tricycle couché Tricycle ou quadricycle standard 220374 Tricycle ou quadricycle standard pour usager avec longueur totale intérieur de la jambe de plus de 70cm 4 8 8220396 Tricycle ou quadricycle standard pour usager avec longueur totale intérieur de la jambe de 50cm à 70cm 2 4 8 8225134 Tricycle ou quadricycle standard pour usager avec longueur totale intérieur de la jambe de moins de 50cm 2 4 8 8Tricycle couché à guidon haut 225156 Tricycle couché à guidon haut pour usager avec longueur totale intérieur de la jambe de plus de 70cm 4 8 8225178 Tricycle couché à guidon haut pour usager avec longueur totale intérieur de la jambe de jusqu'à 70cm 2 4 8 8Tricycle couché à guidon et poignées latéraux à l'assise 225193 Tricycle couché à guidon et poignées latéraux à l'assise pour usager avec longueur totale intérieur de la jambe de plus de 70cm 4 8 8225215 Tricycle couché à guidon et poignées latéraux à l'assise pour usager avec longueur totale intérieur de la jambe de jusqu'à 70cm 2 4 8 8Tricycle couché à deux moyens de propulsions, c-à-d à pédaliers pour mains et pieds 225237 Tricycle couché à deux moyens de propulsions, c-à-d à pédaliers pour mains et pieds pour usager avec longueur totale intérieur de la jambe de plus de 70cm 4 8 8Déambulateur 220418 Déambulateur à quatre pieds fixes 3 3 4 6220433 Déambulateur à 2 pieds fixes et 2 roues sans siège 3 3 4 6220455 Déambulateur à 2 pieds fixes et 2 roues avec siège 3 3 4 6220477 Déambulateur à 3 ou 4 roues 3 3 4 6220499 Déambulateur soutenant la fonction debout 3 3 4 6225259 Déambulateur à champ d'action ouvert 3 3 4 6Système de station debout 220315 Table de station debout électrique 10 10 10Coussin anti-escarres Coussin anti-décubitus non personnalisable Coussin anti-décubitus à forme anatomique non personnalisable (intégré à la voiturette) Suit le délai de renouvellement de la voituretteCoussin anti-décubitus personnalisable 3 3 3 3Coussin anti-décubitus personnalisable type coussin à air avec structure cellulaire ou coussin Flow-Fluidgel 3 3 3 3
]1
  
-
  
  
  
Art. N4. [1 Bijlage 4. - Tabel met de mogelijke cumulaties van mobiliteitshulpmiddelen met een tweede rolstoel waarvoor tegemoetkomingen worden verleend, vermeld in artikel 334, tweede lid]1
Art. N3. (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 28-12-2018, p. 105940)
  Modifié par :
  
  
   (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 21-05-2019, p. 48292)
  
-
  
-
Art. N5.
  Gewijzigd bij ;
  
Art. N4. [1 Annexe 4. - Tableau de cumuls possibles d'aides à la mobilité avec une deuxième voiturette pour laquelle des interventions sont octroyées, visée à l'article 334, alinéa 2
-
Voiturette secondaire Voiturette manuelle pour adultes Voiturette manuelle pour enfants Voiturette avec fontion debout Châssis pour voiturettes Voiturette électronique pour adultes Voiturette électrique pour enfants Scooter électrique
Seconde voiturette standard manuelle (adultes) x  X X X  X
Seconde voiturette modulaire manuelle (adultes) x  X X X  X
Seconde voiturette active manuelle (adultes) x  x x x  x
Seconde poussette standard (type voiturette pour enfants)  x  X  X  
Seconde poussette standard - type buggy grand format (type voiturette pour enfants)  x  X  X  
Seconde poussette modulaire (type voiturette pour enfants)  X  X  X  
Seconde voiturette standard manuelle pour enfants  X  X  X X
Seconde voiturette active manuelle pour enfants  X  x  X x
Second châssis pour siège-coquille ou second châssis de voiturette pour une unité d'assise modulaire adaptable x x   x x
Voiturette secondaire Voiturette manuelle pour adultes Voiturette manuelle pour enfants Voiturette avec fontion debout Châssis pour voiturettes Voiturette électronique pour adultes Voiturette électrique pour enfants Scooter électriqueSeconde voiturette standard manuelle (adultes) x X X X XSeconde voiturette modulaire manuelle (adultes) x X X X XSeconde voiturette active manuelle (adultes) x x x x xSeconde poussette standard (type voiturette pour enfants) x X X Seconde poussette standard - type buggy grand format (type voiturette pour enfants) x X X Seconde poussette modulaire (type voiturette pour enfants) X X X Seconde voiturette standard manuelle pour enfants X X X XSeconde voiturette active manuelle pour enfants X x X xSecond châssis pour siège-coquille ou second châssis de voiturette pour une unité d'assise modulaire adaptable x x x x
]1
  
-
  
Art. N6. [1 Bijlage 6.
   (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 24-12-2021, p. 124653)]1

  
Art. N4 bis.
  modifié par :
  
Art. N7. [1 Bijlage 7
   (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 24-12-2021, p. 124653)]1

  
Art. N6. [1 Annexe 6.
  (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 24-12-2021, p. 124706)]1

  
Art. N8. [1 Bijlage 8
   (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 24-12-2021, p. 124653)]1

  
Art. N7. [1 Annexe 7.
  (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 24-12-2021, p. 124706)]1

  
Art. N9. [1 Bijlage 9
   (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 24-12-2021, p. 124653)]1

  
Art. N8. [1 Annexe 8.
  (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 24-12-2021, p. 124706)]1

  
Art. N10. [1 Bijlage 10
   (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 24-12-2021, p. 124653)]1

  
Art. N9. [1 Annexe 9.
  (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 24-12-2021, p. 124706)]1

  
Art. N11. [1 Bijlage 11.
   (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 24-12-2021, p. 124653)]1

  
Art. N10. [1 Annexe 10.
  (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 24-12-2021, p. 124706)]1

  
Art. N12. [1 (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 19-02-2024, p. 23718)]1
  
Art. N11. [1 Annexe 11.
  (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 24-12-2021, p. 124706)]1

  
-
Art. N12. [1 (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 19-02-2024, p. 23730) ]1