Artikel 1. In artikel 3, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 22 juni 2012 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, 15 juli 2016 en 10 mei 2019, wordt punt 4° vervangen door wat volgt:
"4° wat de handhaving en het toezicht betreft, de handhavingstaken uit te voeren waarmee het wordt belast, het instrumentarium in te zetten waarvoor het bevoegd is, en inspecteurs Onroerend Erfgoed, toezichthouders, herstelinstanties en beboetingsinstanties van andere entiteiten of lokale besturen bij te staan met zijn expertise bij de uitoefening van hun bevoegdheden op het beleidsveld Onroerend Erfgoed.".
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
12 DECEMBER 2025. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed, het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014 en het Varenderfgoedbesluit van 27 november 2015, wat betreft de implementatie van het kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023
Titre
12 DECEMBRE 2025. - Arrêté du Gouvernement flamand modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée interne sans personnalité juridique " Vlaams Instituut voor Onroerend Erfgoed " (Institut flamand du Patrimoine immobilier), l'Arrêté relatif au patrimoine immobilier du 16 mai 2014 et l'Arrêté relatif au patrimoine nautique du 27 novembre 2015, en ce qui concerne la mise en oeuvre du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023
Dokumentinformationen
Info du document
Inhoud
HOOFDSTUK 1. - Wijziging van het besluit van de...
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het Onroerenderf...
Afdeling 3. - Toezichthouders en officieren van...
Afdeling 4. - Opleiding
Afdeling 5. - Beboetingsinstantie
Afdeling 6. - Herstel
Onderafdeling 1. - Herstelschikkingen
Onderafdeling 2. - Beroep tegen bestuurlijke he...
Onderafdeling 3. - Herstel bij financieel equiv...
Onderafdeling 4. - Nadere regels voor de bewari...
Afdeling 7. - De toebedeling van handhavingsopb...
Afdeling 8. - Beleidslijnen en handhavingsprogr...
HOOFDSTUK 3. - Wijziging van het Varenderfgoedb...
HOOFDSTUK 4. - Slotbepalingen
BIJLAGEN.
HOOFDSTUK 1. - De monetaire waardering van publ...
Inhoud
CHAPITRE 1er. - Modification de l'arrêté du Gou...
CHAPITRE 2. - Modifications de l'Arrêté relatif...
Section 3. - Superviseurs et officiers de polic...
Section 4. - Formation
Section 5. - Instance verbalisante
Section 6. - Réparation
Sous-section 1re. - Dispositions de réparation
Sous-section 2. - Recours contre les décisions ...
Sous-section 3. - Réparation par équivalent fin...
Sous-section 4. - Modalités de conservation et ...
Section 7. - L'affectation des recettes de main...
Section 8. - Lignes directrices et programmes d...
CHAPITRE 3. - Modification de l'Arrêté relatif ...
CHAPITRE 4. - Dispositions finales
ANNEXES.
Chapitre 1er. L'évaluation monétaire de préjudi...
Tekst (37)
Texte (37)
HOOFDSTUK 1. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed
CHAPITRE 1er. - Modification de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée interne sans personnalité juridique " Vlaams Instituut voor Onroerend Erfgoed " (Institut flamand du Patrimoine immobilier)
Article 1er. Dans l'article 3, alinéa 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée interne sans personnalité juridique " Vlaams Instituut voor Onroerend Erfgoed " (Institut flamand du Patrimoine immobilier), remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 juin 2012 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 16 mai 2014, 15 juillet 2016 et 10 mai 2019, le point 4° est remplacé par ce qui suit :
" 4° en ce qui concerne le maintien et le contrôle, exécuter des tâches de maintien dont il est chargé, utiliser les instruments dont il est compétent, assister des inspecteurs du Patrimoine immobilier, des superviseurs, des instances de réparation et des instances verbalisantes d'autres entités ou administrations locales avec son expertise lors de l'exécution de leurs compétences dans le domaine politique du Patrimoine immobilier. ".
" 4° en ce qui concerne le maintien et le contrôle, exécuter des tâches de maintien dont il est chargé, utiliser les instruments dont il est compétent, assister des inspecteurs du Patrimoine immobilier, des superviseurs, des instances de réparation et des instances verbalisantes d'autres entités ou administrations locales avec son expertise lors de l'exécution de leurs compétences dans le domaine politique du Patrimoine immobilier. ".
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014
CHAPITRE 2. - Modifications de l'Arrêté relatif au patrimoine immobilier du 16 mai 2014
Art. 2. In artikel 6.1.3 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het tweede lid wordt vervangen door wat volgt:
"Er is geen toelating vereist voor de handelingen die zijn opgelegd in een waarschuwing als vermeld in artikel 10, § 2, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, als voldaan is aan al de volgende voorwaarden:
1° de waarschuwing wordt gegeven door een toezichthouder van het agentschap, door een inspecteur Onroerend Erfgoed of door een toezichthouder van een erkende onroerenderfgoedgemeente, voor het grondgebied van die gemeente;
2° de handelingen worden uitgevoerd volgens de voorwaarden en termijnen die zijn bepaald in de waarschuwing;
3° de waarschuwing is nog niet ingetrokken en het voorwerp ervan is niet strijdig met publieke herstelmaatregelen als vermeld in artikel 2, 23°, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, of beveiligingsmaatregelen als vermeld in artikel 2, 10°, van het voormelde decreet.";
2° er wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Er is geen toelating vereist voor de handelingen die zijn opgelegd in een aanmaning als vermeld in artikel 49 van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, als voldaan is aan al de volgende voorwaarden:
1° de aanmaning wordt gegeven door een inspecteur Onroerend Erfgoed of een andere bevoegde herstelinstantie;
2° de handelingen worden uitgevoerd volgens de voorwaarden en termijnen die zijn bepaald in de aanmaning;
3° de aanmaning is nog niet ingetrokken en het voorwerp ervan is niet strijdig met publieke herstelmaatregelen als vermeld in artikel 2, 23°, van het voormelde decreet, of beveiligingsmaatregelen als vermeld in artikel 2, 10°, van het voormelde decreet.".
1° het tweede lid wordt vervangen door wat volgt:
"Er is geen toelating vereist voor de handelingen die zijn opgelegd in een waarschuwing als vermeld in artikel 10, § 2, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, als voldaan is aan al de volgende voorwaarden:
1° de waarschuwing wordt gegeven door een toezichthouder van het agentschap, door een inspecteur Onroerend Erfgoed of door een toezichthouder van een erkende onroerenderfgoedgemeente, voor het grondgebied van die gemeente;
2° de handelingen worden uitgevoerd volgens de voorwaarden en termijnen die zijn bepaald in de waarschuwing;
3° de waarschuwing is nog niet ingetrokken en het voorwerp ervan is niet strijdig met publieke herstelmaatregelen als vermeld in artikel 2, 23°, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, of beveiligingsmaatregelen als vermeld in artikel 2, 10°, van het voormelde decreet.";
2° er wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Er is geen toelating vereist voor de handelingen die zijn opgelegd in een aanmaning als vermeld in artikel 49 van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, als voldaan is aan al de volgende voorwaarden:
1° de aanmaning wordt gegeven door een inspecteur Onroerend Erfgoed of een andere bevoegde herstelinstantie;
2° de handelingen worden uitgevoerd volgens de voorwaarden en termijnen die zijn bepaald in de aanmaning;
3° de aanmaning is nog niet ingetrokken en het voorwerp ervan is niet strijdig met publieke herstelmaatregelen als vermeld in artikel 2, 23°, van het voormelde decreet, of beveiligingsmaatregelen als vermeld in artikel 2, 10°, van het voormelde decreet.".
Art. 2. A l'article 6.1.3 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
" Aucune autorisation n'est requise pour les actes imposés dans un avertissement tel que visé à l'article 10, § 2, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, lorsque toutes les conditions suivantes sont remplies :
1° l'avertissement est donné par un superviseur de l'agence, par un inspecteur du Patrimoine immobilier ou par un superviseur d'une commune du patrimoine immobilier agréée, pour le territoire de cette commune ;
2° les actes sont exécutés conformément aux conditions et aux délais fixés dans l'avertissement ;
3° l'avertissement n'a pas encore été retiré et son objet n'est pas contraire aux mesures de réparation publiques telles que visées à l'article 2, 23°, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, ni aux mesures de sécurité telles que visées à l'article 2, 10°, du décret précité. " ;
2° il est inséré un alinéa 3, rédigé comme suit :
" Une autorisation n'est pas requise pour les actes imposés dans une sommation telle que visée à l'article 49 du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, lorsque toutes les conditions suivantes sont remplies :
1° la sommation émane de l'inspecteur du Patrimoine immobilier ou d'une autre instance de réparation compétente ;
2° les actes sont exécutés conformément aux conditions et aux délais fixés dans la sommation ;
3° la sommation n'a pas encore été retirée et son objet n'est pas contraire aux mesures de réparation publiques telles que visées à l'article 2, 23°, du décret précité, ni aux mesures de sécurité telles que visées à l'article 2, 10°, du décret précité. ".
1° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
" Aucune autorisation n'est requise pour les actes imposés dans un avertissement tel que visé à l'article 10, § 2, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, lorsque toutes les conditions suivantes sont remplies :
1° l'avertissement est donné par un superviseur de l'agence, par un inspecteur du Patrimoine immobilier ou par un superviseur d'une commune du patrimoine immobilier agréée, pour le territoire de cette commune ;
2° les actes sont exécutés conformément aux conditions et aux délais fixés dans l'avertissement ;
3° l'avertissement n'a pas encore été retiré et son objet n'est pas contraire aux mesures de réparation publiques telles que visées à l'article 2, 23°, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, ni aux mesures de sécurité telles que visées à l'article 2, 10°, du décret précité. " ;
2° il est inséré un alinéa 3, rédigé comme suit :
" Une autorisation n'est pas requise pour les actes imposés dans une sommation telle que visée à l'article 49 du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, lorsque toutes les conditions suivantes sont remplies :
1° la sommation émane de l'inspecteur du Patrimoine immobilier ou d'une autre instance de réparation compétente ;
2° les actes sont exécutés conformément aux conditions et aux délais fixés dans la sommation ;
3° la sommation n'a pas encore été retirée et son objet n'est pas contraire aux mesures de réparation publiques telles que visées à l'article 2, 23°, du décret précité, ni aux mesures de sécurité telles que visées à l'article 2, 10°, du décret précité. ".
Art. 3. In hoofdstuk 12 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 15 juli 2016, 14 december 2018 en 2 september 2022, wordt vóór artikel 12.1.1 een opschrift ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Afdeling 1. Algemene bepalingen".
"Afdeling 1. Algemene bepalingen".
Art. 3. Au chapitre 12 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 15 juillet 2016, 14 décembre 2018 et 2 septembre 2022, il est inséré un intitulé avant l'article 12.1.1, rédigé comme suit :
" Section 1re. Dispositions générales ".
" Section 1re. Dispositions générales ".
Art. 4. Artikel 12.1.1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juli 2016, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 12.1.1. Toezichthouders sturen een afschrift van hun processen-verbaal en verslagen van vaststelling naar het agentschap en de gemeente op het grondgebied waarvan de vaststellingen betrekking hebben.
Toezichthouders sturen een afschrift van de waarschuwing, vermeld in artikel 10, § 2, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, naar het agentschap en de bevoegde herstelinstanties.".
"Art. 12.1.1. Toezichthouders sturen een afschrift van hun processen-verbaal en verslagen van vaststelling naar het agentschap en de gemeente op het grondgebied waarvan de vaststellingen betrekking hebben.
Toezichthouders sturen een afschrift van de waarschuwing, vermeld in artikel 10, § 2, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, naar het agentschap en de bevoegde herstelinstanties.".
Art. 4. L'article 12.1.1 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 juillet 2016, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 12.1.1. Les superviseurs envoient une copie de leurs procès-verbaux et rapports de constatation à l'agence et à la commune sur le territoire de laquelle les constatations ont trait.
Les superviseurs envoient une copie de l'avertissement, visé à l'article 10, § 2, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, à l'agence et à l'instance de réparation compétente. ".
" Art. 12.1.1. Les superviseurs envoient une copie de leurs procès-verbaux et rapports de constatation à l'agence et à la commune sur le territoire de laquelle les constatations ont trait.
Les superviseurs envoient une copie de l'avertissement, visé à l'article 10, § 2, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, à l'agence et à l'instance de réparation compétente. ".
Art. 5. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 januari 2024, worden de volgende artikelen opgeheven:
1° artikel 12.1.1/1, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 september 2022;
2° artikel 12.1.2, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2018;
3° artikel 12.1.3;
4° artikel 12.1.4, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 september 2022.
1° artikel 12.1.1/1, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 september 2022;
2° artikel 12.1.2, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2018;
3° artikel 12.1.3;
4° artikel 12.1.4, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 september 2022.
Art. 5. Dans le même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 janvier 2024, les articles suivants sont abrogés :
1° l'article 12.1.1/1, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 2 septembre 2022 ;
1° l'article 12.1.2, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 décembre 2018 ;
3° l'article 12.1.3 ;
4° l'article 12.1.4, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 2 septembre 2022.
1° l'article 12.1.1/1, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 2 septembre 2022 ;
1° l'article 12.1.2, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 décembre 2018 ;
3° l'article 12.1.3 ;
4° l'article 12.1.4, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 2 septembre 2022.
Art. 6. Aan hoofdstuk 12 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 15 juli 2016, 14 december 2018 en 2 september 2022, worden een afdeling 2, die bestaat uit artikel 12.2.1, een afdeling 3, die bestaat uit artikel 12.3.1, een afdeling 4, die bestaat uit artikel 12.4.1, een afdeling 5, die bestaat uit artikel 12.5.1, een afdeling 6, die bestaat uit artikel 12.6.1 tot en met 12.6.4, een afdeling 7, die bestaat uit artikel 12.7.1, en een afdeling 8, die bestaat uit artikel 12.8.1, toegevoegd, die luiden als volgt:
"Afdeling 2. - Inspecteurs Onroerend Erfgoed
"Afdeling 2. - Inspecteurs Onroerend Erfgoed
Art. 6. Le chapitre 12 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 15 juillet 2016, 14 décembre 2018 et 2 septembre 2022, est complété par une section 2, composée de l'article 12.2.1, une section 3, composée de l'article 12.3.1, une section 4, composée de l'article 12.4.1, une section 5, composée de l'article 12.5.1, une section 6, composée des articles 12.6.1 à 12.6.4, une section 7, composée de l'article 12.7.1, et une section 8, composée de l'article 12.8.1, rédigées comme suit :
" Section 2. - Inspecteurs du Patrimoine immobilier
" Section 2. - Inspecteurs du Patrimoine immobilier
Art. 12.2.1. De leidend ambtenaar van het agentschap wijst de inspecteurs Onroerend Erfgoed aan onder de personeelsleden van het agentschap, met inbegrip van de personeelsleden van de Vlaamse overheid die ter beschikking zijn gesteld van het agentschap.
De inspecteurs Onroerend Erfgoed beschikken over de bevoegdheden, vermeld in artikel 87 en 88 van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023.
De inspecteurs Onroerend Erfgoed beschikken over de bevoegdheden, vermeld in artikel 87 en 88 van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023.
Art. 12.2.1. Le fonctionnaire dirigeant de l'agence désigne les inspecteurs du Patrimoine immobilier parmi les membres du personnel de l'agence, y compris les membres du personnel de l'Autorité flamande mis à disposition par l'agence.
Les inspecteurs du Patrimoine immobilier disposent des compétences visées aux articles 87 et 88 du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023.
Les inspecteurs du Patrimoine immobilier disposent des compétences visées aux articles 87 et 88 du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023.
Afdeling 3. - Toezichthouders en officieren van gerechtelijke politie - hulpofficieren van de procureur des Konings
Section 3. - Superviseurs et officiers de police judiciaire - officiers auxiliaires du procureur du Roi
Art. 12.3.1. § 1. De leidend ambtenaar van het agentschap kan personeelsleden van het agentschap aanstellen als toezichthouders als vermeld in artikel 8, § 2, eerste lid, 1°, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, bevoegd voor de handhaving van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.
Daarnaast kunnen de personen vermeld in artikel 8, § 2, eerste lid, 3°, 4° en 5°, van het voormelde decreet worden aangewezen als toezichthouder, bevoegd voor de handhaving van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, voor zover ze voldoen aan de op hen toepasselijke opleidingsvereisten vermeld in artikel 12.4.1. van dit besluit.
§ 2. De toezichthouders, vermeld in artikel 8, § 2, eerste lid, 3° en 4°, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, zijn alleen bevoegd voor het grondgebied van de gemeente waarvoor ze zijn aangewezen.
§ 3. Met uitzondering van de inspecteurs Onroerend Erfgoed en de toezichthouders, vermeld in artikel 8, § 2, eerste lid, 5°, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, verkrijgen toezichthouders, bevoegd voor de handhaving van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie - hulpofficier van de procureur des Konings, als ze daarvoor worden aangewezen door de Vlaamse minister, bevoegd voor justitie en handhaving, op voordracht van de entiteit of instantie die hen als toezichthouder heeft aangesteld.
Toezichthouders, bevoegd voor de handhaving van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, verkrijgen de hoedanigheid van toezichthouder als vermeld in artikel 22, § 1, eerste lid, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, als ze daarvoor worden aangewezen door de Vlaamse minister, bevoegd voor justitie en handhaving, op voordracht van de entiteit of instantie die hen als toezichthouder heeft aangesteld.
Toezichthouders als vermeld in paragraaf 1, eerste lid verkrijgen voor de handhaving van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 de hoedanigheid van toezichthouder als vermeld in artikel 87, § 1, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, als ze daarvoor worden aangewezen door de leidend ambtenaar van het agentschap, op voordracht van de entiteit of instantie die hen als toezichthouder heeft aangesteld.
Daarnaast kunnen de personen vermeld in artikel 8, § 2, eerste lid, 3°, 4° en 5°, van het voormelde decreet worden aangewezen als toezichthouder, bevoegd voor de handhaving van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, voor zover ze voldoen aan de op hen toepasselijke opleidingsvereisten vermeld in artikel 12.4.1. van dit besluit.
§ 2. De toezichthouders, vermeld in artikel 8, § 2, eerste lid, 3° en 4°, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, zijn alleen bevoegd voor het grondgebied van de gemeente waarvoor ze zijn aangewezen.
§ 3. Met uitzondering van de inspecteurs Onroerend Erfgoed en de toezichthouders, vermeld in artikel 8, § 2, eerste lid, 5°, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, verkrijgen toezichthouders, bevoegd voor de handhaving van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie - hulpofficier van de procureur des Konings, als ze daarvoor worden aangewezen door de Vlaamse minister, bevoegd voor justitie en handhaving, op voordracht van de entiteit of instantie die hen als toezichthouder heeft aangesteld.
Toezichthouders, bevoegd voor de handhaving van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, verkrijgen de hoedanigheid van toezichthouder als vermeld in artikel 22, § 1, eerste lid, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, als ze daarvoor worden aangewezen door de Vlaamse minister, bevoegd voor justitie en handhaving, op voordracht van de entiteit of instantie die hen als toezichthouder heeft aangesteld.
Toezichthouders als vermeld in paragraaf 1, eerste lid verkrijgen voor de handhaving van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 de hoedanigheid van toezichthouder als vermeld in artikel 87, § 1, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, als ze daarvoor worden aangewezen door de leidend ambtenaar van het agentschap, op voordracht van de entiteit of instantie die hen als toezichthouder heeft aangesteld.
Art. 12.3.1. § 1er. Le fonctionnaire dirigeant de l'agence peut désigner des membres du personnel de l'agence comme superviseurs tels que visés à l'article 8, § 2, alinéa 1er, 1°, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, compétents pour le maintien du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013.
En outre, les personnes, visées à l'article 8, § 2, alinéa 1er, 3°, 4° et 5° du décret précité, peuvent être désignées comme superviseurs, compétents pour le maintien du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, à condition qu'elles remplissent les exigences en matière de formation, visées à l'article 12.4.1. du présent arrêté, qui leur sont applicables.
§ 2. Les superviseurs, visés à l'article 8, § 2, alinéa 1er, 3° et 4°, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, ne sont compétents que pour le territoire de la commune pour laquelle ils ont été désignés.
§ 3. A l'exception des superviseurs du Patrimoine immobilier et des superviseurs, visés à l'article 8, § 2, alinéa 1er, 5°, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, les superviseurs compétents pour le maintien du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 acquièrent la qualité d'officier de police judiciaire - officier auxiliaire du procureur du Roi, s'ils sont désignés à cet effet par le ministre flamand chargé de la justice et du maintien, sur proposition de l'entité ou de l'instance qui les a désignés en tant que superviseurs.
Les superviseurs compétents pour le maintien du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 acquièrent la qualité de superviseur telle que visée à l'article 22, § 1er, alinéa 1er, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, lorsqu'ils sont désignés à cet effet par le ministre flamand chargé de la justice et du maintien, sur proposition de l'entité ou de l'instance qui les a désignés en tant que superviseurs.
Les superviseurs tels que visés au paragraphe 1er, alinéa 1er acquièrent, pour le maintien du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, la qualité de superviseur telle que visée à l'article 87, § 1er, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, lorsqu'ils sont désignés à cet effet par le fonctionnaire dirigeant de l'agence, sur proposition de l'entité ou de l'instance qui les a désignés en tant que superviseurs.
En outre, les personnes, visées à l'article 8, § 2, alinéa 1er, 3°, 4° et 5° du décret précité, peuvent être désignées comme superviseurs, compétents pour le maintien du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, à condition qu'elles remplissent les exigences en matière de formation, visées à l'article 12.4.1. du présent arrêté, qui leur sont applicables.
§ 2. Les superviseurs, visés à l'article 8, § 2, alinéa 1er, 3° et 4°, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, ne sont compétents que pour le territoire de la commune pour laquelle ils ont été désignés.
§ 3. A l'exception des superviseurs du Patrimoine immobilier et des superviseurs, visés à l'article 8, § 2, alinéa 1er, 5°, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, les superviseurs compétents pour le maintien du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 acquièrent la qualité d'officier de police judiciaire - officier auxiliaire du procureur du Roi, s'ils sont désignés à cet effet par le ministre flamand chargé de la justice et du maintien, sur proposition de l'entité ou de l'instance qui les a désignés en tant que superviseurs.
Les superviseurs compétents pour le maintien du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 acquièrent la qualité de superviseur telle que visée à l'article 22, § 1er, alinéa 1er, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, lorsqu'ils sont désignés à cet effet par le ministre flamand chargé de la justice et du maintien, sur proposition de l'entité ou de l'instance qui les a désignés en tant que superviseurs.
Les superviseurs tels que visés au paragraphe 1er, alinéa 1er acquièrent, pour le maintien du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, la qualité de superviseur telle que visée à l'article 87, § 1er, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, lorsqu'ils sont désignés à cet effet par le fonctionnaire dirigeant de l'agence, sur proposition de l'entité ou de l'instance qui les a désignés en tant que superviseurs.
Afdeling 4. - Opleiding
Section 4. - Formation
Art. 12.4.1. § 1. In dit artikel wordt verstaan onder Agentschap Justitie en Handhaving: het agentschap, opgericht bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 september 2021 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap "Agentschap Justitie en Handhaving".
§ 2. Personen kunnen alleen worden aangewezen als toezichthouder, bevoegd voor de handhaving van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, als ze een opleiding hebben gevolgd die al de volgende modules omvat:
1° het proportionele gebruik van de bevoegdheden voor het toezicht en de opsporing, vermeld in de hoofdstuk 2 van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023;
2° processen-verbaal en verslagen van vaststelling opstellen;
3° communicatievaardigheden en conflictbeheersing;
4° verdachten en getuigen verhoren;
5° het gebruik van de bevoegdheid om beveiligingsmaatregelen op te leggen, vermeld in hoofdstuk 5 van het kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023;
6° de kennis van het onroerend en varend erfgoed en de relevante regelgeving.
§ 3. De modules, vermeld in paragraaf 2, 1° tot en met 5°, worden aangeboden door instellingen die daarvoor erkend zijn door de Vlaamse minister, bevoegd voor justitie en handhaving.
§ 4. De module, vermeld in paragraaf 2, 6°, wordt aangeboden door het agentschap of door instellingen die daarvoor erkend zijn door de minister, en kan aangepast worden naargelang het profiel van de toezichthouder.
§ 5. Toezichthouders kunnen alleen worden bekleed met de hoedanigheden van officier van gerechtelijke politie of van officier van gerechtelijke politie - hulpofficier van de procureur des Konings, als ze een opleiding hebben gevolgd over het gebruik van de specifieke bevoegdheden die verbonden zijn aan die hoedanigheden, die wordt aangeboden door instellingen die daarvoor erkend zijn door de Vlaamse minister, bevoegd voor justitie en handhaving.
§ 6. Personeelsleden kunnen alleen als inspecteur Onroerend Erfgoed worden aangewezen als ze de opleidingen, vermeld in paragraaf 2 en 5, hebben gevolgd.
§ 7. Met het oog op hun erkenning richten de instellingen, vermeld in paragraaf 3 tot en met 5, een aanvraag tot de bevoegde minister, waarin ze aantonen dat al de volgende erkenningsvoorwaarden zijn vervuld:
1° ze beschikken over gekwalificeerde medewerkers;
2° ze beschikken over de nodige lokalen en materiële uitrusting;
3° ze beschikken over leerplannen die een adequate invulling geven aan de leerdoelen van de modules, vermeld in paragraaf 2.
De bevoegde minister kan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in het eerste lid, nader bepalen.
De bevoegde minister kan de erkenning van de instellingen, vermeld in paragraaf 3 tot en met 5, opheffen als de instelling in kwestie niet meer voldoet aan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in het eerste lid. De besluiten van de bevoegde minister over de erkenning of opheffing van de erkenning van de voormelde instellingen worden bekendgemaakt op de website van het Agentschap Justitie en Handhaving of het agentschap.
Wijzigingen van leerplannen, als vermeld in het eerste lid, 3°, voor de modules, vermeld in paragraaf 2, 1° tot en met 5°, worden ter goedkeuring voorgelegd aan het Agentschap Justitie en Handhaving, en wijzigingen van de leerplannen, als vermeld in het eerste lid, 3°, voor de module, vermeld in paragraaf 2, 6°, worden ter goedkeuring voorgelegd aan het agentschap.
§ 8. Het agentschap of de instellingen die de opleiding of de modules, vermeld in paragraaf 2 en 5, hebben verstrekt, verlenen een attest als bewijs dat de opleidingen of modules zijn gevolgd.
§ 9. De opleidingsvereisten, vermeld in paragraaf 2, 1° tot en met 5°, en paragraaf 5 en 6, worden van toepassing één jaar nadat één of meer instellingen erkend zijn conform paragraaf 3 en 5.
De opleidingsvereisten, vermeld in paragraaf 2 en 5, gelden niet voor de personeelsleden van het operationele kader van de politiediensten, vermeld in artikel 2 van de wet op het politieambt van 5 augustus 1992.
De opleidingsvereisten, vermeld in paragraaf 2, 5 en en 6, gelden niet voor de personen, vermeld in artikel 107, eerste en tweede lid, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, en artikel 12.3.17 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013. Die personen volgen niettemin de modules en opleidingen, vermeld in dit artikel, als ze daarvoor worden opgeroepen door het Agentschap Justitie en Handhaving of het agentschap.
§ 10. De Vlaamse minister, bevoegd voor justitie en handhaving, kan opleidingen die zijn georganiseerd vóór de opleidingsvereisten, vermeld in paragraaf 2, 1° tot en met 5°, en paragraaf 5, van toepassing waren, gelijkstellen met alle of bepaalde opleidingen of modules, vermeld in paragraaf 2, 1° tot en met 5°, en paragraaf 5.
De Vlaamse minister, bevoegd voor justitie en handhaving, kan een lijst bepalen met gelijkwaardige diploma's en getuigschriften, waarvan de houders vrijgesteld zijn van alle of bepaalde opleidingen of modules, vermeld in paragraaf 2, 1° tot en met 5°, en paragraaf 5.
De minister kan in dezelfde zin als in het eerste en tweede lid beslissen, voor wat betreft de module, vermeld in paragraaf 2, 6°.
§ 11. In afwijking van paragraaf 2 en met behoud van de toepassing van paragraaf 9 kunnen personen die over de nodige kennis en eigenschappen beschikken maar de vereiste opleiding nog niet hebben gevolgd, worden aangesteld als toezichthouder voor een niet-verlengbare termijn van vijf jaar.
§ 12. Toezichthouders, met inbegrip van de toezichthouders vermeld in artikel 107, eerste lid, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, volgen bijscholing voor de onderwerpen, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 1° tot en met 6°, als ze daarvoor worden opgeroepen door het Agentschap Justitie en Handhaving of het agentschap.
Deze paragraaf is niet van toepassing op de personeelsleden van het operationele kader van de politiediensten, vermeld in artikel 2 van de wet op het politieambt van 5 augustus 1992.
§ 2. Personen kunnen alleen worden aangewezen als toezichthouder, bevoegd voor de handhaving van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, als ze een opleiding hebben gevolgd die al de volgende modules omvat:
1° het proportionele gebruik van de bevoegdheden voor het toezicht en de opsporing, vermeld in de hoofdstuk 2 van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023;
2° processen-verbaal en verslagen van vaststelling opstellen;
3° communicatievaardigheden en conflictbeheersing;
4° verdachten en getuigen verhoren;
5° het gebruik van de bevoegdheid om beveiligingsmaatregelen op te leggen, vermeld in hoofdstuk 5 van het kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023;
6° de kennis van het onroerend en varend erfgoed en de relevante regelgeving.
§ 3. De modules, vermeld in paragraaf 2, 1° tot en met 5°, worden aangeboden door instellingen die daarvoor erkend zijn door de Vlaamse minister, bevoegd voor justitie en handhaving.
§ 4. De module, vermeld in paragraaf 2, 6°, wordt aangeboden door het agentschap of door instellingen die daarvoor erkend zijn door de minister, en kan aangepast worden naargelang het profiel van de toezichthouder.
§ 5. Toezichthouders kunnen alleen worden bekleed met de hoedanigheden van officier van gerechtelijke politie of van officier van gerechtelijke politie - hulpofficier van de procureur des Konings, als ze een opleiding hebben gevolgd over het gebruik van de specifieke bevoegdheden die verbonden zijn aan die hoedanigheden, die wordt aangeboden door instellingen die daarvoor erkend zijn door de Vlaamse minister, bevoegd voor justitie en handhaving.
§ 6. Personeelsleden kunnen alleen als inspecteur Onroerend Erfgoed worden aangewezen als ze de opleidingen, vermeld in paragraaf 2 en 5, hebben gevolgd.
§ 7. Met het oog op hun erkenning richten de instellingen, vermeld in paragraaf 3 tot en met 5, een aanvraag tot de bevoegde minister, waarin ze aantonen dat al de volgende erkenningsvoorwaarden zijn vervuld:
1° ze beschikken over gekwalificeerde medewerkers;
2° ze beschikken over de nodige lokalen en materiële uitrusting;
3° ze beschikken over leerplannen die een adequate invulling geven aan de leerdoelen van de modules, vermeld in paragraaf 2.
De bevoegde minister kan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in het eerste lid, nader bepalen.
De bevoegde minister kan de erkenning van de instellingen, vermeld in paragraaf 3 tot en met 5, opheffen als de instelling in kwestie niet meer voldoet aan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in het eerste lid. De besluiten van de bevoegde minister over de erkenning of opheffing van de erkenning van de voormelde instellingen worden bekendgemaakt op de website van het Agentschap Justitie en Handhaving of het agentschap.
Wijzigingen van leerplannen, als vermeld in het eerste lid, 3°, voor de modules, vermeld in paragraaf 2, 1° tot en met 5°, worden ter goedkeuring voorgelegd aan het Agentschap Justitie en Handhaving, en wijzigingen van de leerplannen, als vermeld in het eerste lid, 3°, voor de module, vermeld in paragraaf 2, 6°, worden ter goedkeuring voorgelegd aan het agentschap.
§ 8. Het agentschap of de instellingen die de opleiding of de modules, vermeld in paragraaf 2 en 5, hebben verstrekt, verlenen een attest als bewijs dat de opleidingen of modules zijn gevolgd.
§ 9. De opleidingsvereisten, vermeld in paragraaf 2, 1° tot en met 5°, en paragraaf 5 en 6, worden van toepassing één jaar nadat één of meer instellingen erkend zijn conform paragraaf 3 en 5.
De opleidingsvereisten, vermeld in paragraaf 2 en 5, gelden niet voor de personeelsleden van het operationele kader van de politiediensten, vermeld in artikel 2 van de wet op het politieambt van 5 augustus 1992.
De opleidingsvereisten, vermeld in paragraaf 2, 5 en en 6, gelden niet voor de personen, vermeld in artikel 107, eerste en tweede lid, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, en artikel 12.3.17 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013. Die personen volgen niettemin de modules en opleidingen, vermeld in dit artikel, als ze daarvoor worden opgeroepen door het Agentschap Justitie en Handhaving of het agentschap.
§ 10. De Vlaamse minister, bevoegd voor justitie en handhaving, kan opleidingen die zijn georganiseerd vóór de opleidingsvereisten, vermeld in paragraaf 2, 1° tot en met 5°, en paragraaf 5, van toepassing waren, gelijkstellen met alle of bepaalde opleidingen of modules, vermeld in paragraaf 2, 1° tot en met 5°, en paragraaf 5.
De Vlaamse minister, bevoegd voor justitie en handhaving, kan een lijst bepalen met gelijkwaardige diploma's en getuigschriften, waarvan de houders vrijgesteld zijn van alle of bepaalde opleidingen of modules, vermeld in paragraaf 2, 1° tot en met 5°, en paragraaf 5.
De minister kan in dezelfde zin als in het eerste en tweede lid beslissen, voor wat betreft de module, vermeld in paragraaf 2, 6°.
§ 11. In afwijking van paragraaf 2 en met behoud van de toepassing van paragraaf 9 kunnen personen die over de nodige kennis en eigenschappen beschikken maar de vereiste opleiding nog niet hebben gevolgd, worden aangesteld als toezichthouder voor een niet-verlengbare termijn van vijf jaar.
§ 12. Toezichthouders, met inbegrip van de toezichthouders vermeld in artikel 107, eerste lid, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, volgen bijscholing voor de onderwerpen, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 1° tot en met 6°, als ze daarvoor worden opgeroepen door het Agentschap Justitie en Handhaving of het agentschap.
Deze paragraaf is niet van toepassing op de personeelsleden van het operationele kader van de politiediensten, vermeld in artikel 2 van de wet op het politieambt van 5 augustus 1992.
Art. 12.4.1. § 1. Dans le présent article, on entend par Agence de la Justice et du Maintien : l'agence créée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 septembre 2021 portant création de l'agence autonomisée interne Agence de la Justice et du Maintien (" Agentschap Justitie en Handhaving ").
§ 2. Seules les personnes ayant suivi une formation incluant l'ensemble des modules suivants peuvent être désignées en tant que superviseurs compétents pour le maintien du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 :
1° l'usage proportionné des compétences en matière de supervision et de recherche visées au chapitre 2 du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023 ;
2° la rédaction des procès-verbaux et des rapports de constatation ;
3° les aptitudes de communication et la gestion des conflits ;
4° l'audition des suspects et des témoins ;
5° l'exercice de la compétence d'imposer des mesures de sécurité visées au chapitre 5 du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023 ;
6° les connaissances du patrimoine immobilier et nautique et de la réglementation pertinente.
§ 3. Les modules, visés au paragraphe 2, 1° à 5°, sont dispensés par des institutions agréées à cet effet par le ministre flamand chargé de la justice et du maintien.
§ 4. Le module, visé au paragraphe 2, 6°, est dispensé par l'agence ou par des institutions agréées à cet effet par le ministre et peut être adapté en fonction du profil du superviseur.
§ 5. Les superviseurs ne peuvent se voir attribuer la qualité d'officier de police judiciaire ou d'officier de police judiciaire - officier auxiliaire du procureur du Roi, que s'ils ont suivi une formation relative à l'exercice des compétences spécifiques liées à ces qualités, dispensée par des institutions agréées à cet effet par le ministre flamand chargé de la justice et du maintien.
§ 6. Seules les membres du personnel ayant suivi les formations visées aux paragraphes 2 et 5 peuvent être désignés en tant qu'inspecteur du Patrimoine immobilier.
§ 7. En vue de leur agrément, les institutions visées aux paragraphes 3 à 5 soumettent, auprès du ministre compétent, une demande démontrant que toutes les conditions d'agrément suivantes sont remplies :
1° elles disposent de personnel qualifié ;
2° elles disposent des locaux et de l'équipement matériel nécessaires ;
3° elles disposent des programmes d'études qui répondent de manière adéquate aux objectifs d'apprentissage des modules visés au paragraphe 2.
Le ministre compétent peut spécifier les conditions d'agrément visées à l'alinéa 1er.
Le ministre compétent peut suspendre l'agrément des institutions visées aux paragraphes 3 à 5 si l'institution en question ne remplit plus les conditions d'agrément visées à l'alinéa 1er. Les arrêtés du ministre compétent concernant l'agrément ou le retrait de l'agrément des institutions précitées sont publiés sur le site web de l'Agence de la Justice et du Maintien ou de l'agence.
Les modifications aux programmes d'études, visés à l'alinéa 1er, 3°, pour les modules, visés au paragraphe 2, 1° à 5°, sont soumises à l'approbation de l'Agence de la Justice et du Maintien, et les modifications aux programmes d'études, visés à l'alinéa 1er, 3°, pour le module, visé au paragraphe 2, 6°, sont soumises à l'approbation de l'agence.
§ 8. L'agence ou l'institution qui a dispensé la formation ou les modules, visés aux paragraphes 2 et 5, délivre un certificat attestant que les formations ou les modules ont été suivis.
§ 9. Les exigences en matière de formation, visées au paragraphe 2, 1° à 5°, et aux paragraphes 5 et 6, entrent en vigueur un an après qu'une ou plusieurs institutions ont été agréées conformément aux paragraphes 3 et 5.
Les exigences en matière de formation, visées aux paragraphes 2 et 5, ne s'appliquent pas aux membres du personnel du cadre opérationnel des services de police visés à l'article 2 de la loi sur la fonction de police du 5 août 1992.
Les exigences en matière de formation, visées aux paragraphes 2, 5 et 6, ne s'appliquent pas aux personnes visées à l'article 107, alinéas 1er et 2, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, et à l'article 12.3.17 du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013. Néanmoins, ces personnes suivent des modules et formations visés au présent article si elles y sont convoquées par l'Agence de la Justice et du Maintien ou par l'agence.
§ 10. Le ministre flamand chargé de la justice et du maintien peut assimiler des formations organisées avant l'entrée en vigueur des exigences en matière de formation, visées au paragraphe 2, 1° à 5°, et au paragraphe 5, à l'ensemble ou à certains des modules ou formations visés au paragraphe 2, 1° à 5°, et au paragraphe 5.
Le ministre flamand chargé de la justice et du maintien peut établir une liste de diplômes et de certificats équivalents dont les titulaires sont dispensés de l'ensemble ou de certains des modules ou formations visés au paragraphe 2, 1° à 5°, et au paragraphe 5.
En ce qui concerne le module visé au paragraphe 2, 6°, le ministre peut prendre une décision dans le même sens que dans les alinéas 1er et 2.
§ 11. Par dérogation au paragraphe 2 et sans préjudice de l'application du paragraphe 9, les personnes possédant les connaissances et qualités nécessaires mais n'ayant pas encore suivi la formation requise peuvent être désignées en tant que superviseur pour un mandat non renouvelable de cinq ans.
§ 12. Les superviseurs, y compris les superviseurs visés à l'article 107, alinéa 1er, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, suivent un recyclage pour les matières, visées au paragraphe 2, alinéa 1er, 1° à 6°, lorsqu'ils y sont convoqués par l'Agence de la Justice et du Maintien ou par l'agence.
Le présent paragraphe ne s'applique pas aux membres du personnel du cadre opérationnel des services de police visés à l'article 2 de la loi sur la fonction de police du 5 août 1992.
§ 2. Seules les personnes ayant suivi une formation incluant l'ensemble des modules suivants peuvent être désignées en tant que superviseurs compétents pour le maintien du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 :
1° l'usage proportionné des compétences en matière de supervision et de recherche visées au chapitre 2 du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023 ;
2° la rédaction des procès-verbaux et des rapports de constatation ;
3° les aptitudes de communication et la gestion des conflits ;
4° l'audition des suspects et des témoins ;
5° l'exercice de la compétence d'imposer des mesures de sécurité visées au chapitre 5 du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023 ;
6° les connaissances du patrimoine immobilier et nautique et de la réglementation pertinente.
§ 3. Les modules, visés au paragraphe 2, 1° à 5°, sont dispensés par des institutions agréées à cet effet par le ministre flamand chargé de la justice et du maintien.
§ 4. Le module, visé au paragraphe 2, 6°, est dispensé par l'agence ou par des institutions agréées à cet effet par le ministre et peut être adapté en fonction du profil du superviseur.
§ 5. Les superviseurs ne peuvent se voir attribuer la qualité d'officier de police judiciaire ou d'officier de police judiciaire - officier auxiliaire du procureur du Roi, que s'ils ont suivi une formation relative à l'exercice des compétences spécifiques liées à ces qualités, dispensée par des institutions agréées à cet effet par le ministre flamand chargé de la justice et du maintien.
§ 6. Seules les membres du personnel ayant suivi les formations visées aux paragraphes 2 et 5 peuvent être désignés en tant qu'inspecteur du Patrimoine immobilier.
§ 7. En vue de leur agrément, les institutions visées aux paragraphes 3 à 5 soumettent, auprès du ministre compétent, une demande démontrant que toutes les conditions d'agrément suivantes sont remplies :
1° elles disposent de personnel qualifié ;
2° elles disposent des locaux et de l'équipement matériel nécessaires ;
3° elles disposent des programmes d'études qui répondent de manière adéquate aux objectifs d'apprentissage des modules visés au paragraphe 2.
Le ministre compétent peut spécifier les conditions d'agrément visées à l'alinéa 1er.
Le ministre compétent peut suspendre l'agrément des institutions visées aux paragraphes 3 à 5 si l'institution en question ne remplit plus les conditions d'agrément visées à l'alinéa 1er. Les arrêtés du ministre compétent concernant l'agrément ou le retrait de l'agrément des institutions précitées sont publiés sur le site web de l'Agence de la Justice et du Maintien ou de l'agence.
Les modifications aux programmes d'études, visés à l'alinéa 1er, 3°, pour les modules, visés au paragraphe 2, 1° à 5°, sont soumises à l'approbation de l'Agence de la Justice et du Maintien, et les modifications aux programmes d'études, visés à l'alinéa 1er, 3°, pour le module, visé au paragraphe 2, 6°, sont soumises à l'approbation de l'agence.
§ 8. L'agence ou l'institution qui a dispensé la formation ou les modules, visés aux paragraphes 2 et 5, délivre un certificat attestant que les formations ou les modules ont été suivis.
§ 9. Les exigences en matière de formation, visées au paragraphe 2, 1° à 5°, et aux paragraphes 5 et 6, entrent en vigueur un an après qu'une ou plusieurs institutions ont été agréées conformément aux paragraphes 3 et 5.
Les exigences en matière de formation, visées aux paragraphes 2 et 5, ne s'appliquent pas aux membres du personnel du cadre opérationnel des services de police visés à l'article 2 de la loi sur la fonction de police du 5 août 1992.
Les exigences en matière de formation, visées aux paragraphes 2, 5 et 6, ne s'appliquent pas aux personnes visées à l'article 107, alinéas 1er et 2, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, et à l'article 12.3.17 du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013. Néanmoins, ces personnes suivent des modules et formations visés au présent article si elles y sont convoquées par l'Agence de la Justice et du Maintien ou par l'agence.
§ 10. Le ministre flamand chargé de la justice et du maintien peut assimiler des formations organisées avant l'entrée en vigueur des exigences en matière de formation, visées au paragraphe 2, 1° à 5°, et au paragraphe 5, à l'ensemble ou à certains des modules ou formations visés au paragraphe 2, 1° à 5°, et au paragraphe 5.
Le ministre flamand chargé de la justice et du maintien peut établir une liste de diplômes et de certificats équivalents dont les titulaires sont dispensés de l'ensemble ou de certains des modules ou formations visés au paragraphe 2, 1° à 5°, et au paragraphe 5.
En ce qui concerne le module visé au paragraphe 2, 6°, le ministre peut prendre une décision dans le même sens que dans les alinéas 1er et 2.
§ 11. Par dérogation au paragraphe 2 et sans préjudice de l'application du paragraphe 9, les personnes possédant les connaissances et qualités nécessaires mais n'ayant pas encore suivi la formation requise peuvent être désignées en tant que superviseur pour un mandat non renouvelable de cinq ans.
§ 12. Les superviseurs, y compris les superviseurs visés à l'article 107, alinéa 1er, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, suivent un recyclage pour les matières, visées au paragraphe 2, alinéa 1er, 1° à 6°, lorsqu'ils y sont convoqués par l'Agence de la Justice et du Maintien ou par l'agence.
Le présent paragraphe ne s'applique pas aux membres du personnel du cadre opérationnel des services de police visés à l'article 2 de la loi sur la fonction de police du 5 août 1992.
Afdeling 5. - Beboetingsinstantie
Section 5. - Instance verbalisante
Art. 12.5.1. De minister, of de gemachtigde van de minister, wijst de personeelsleden van het agentschap aan die optreden als beboetingsinstantie.
Art. 12.5.1. Le ministre ou le délégué du ministre désigne les membres du personnel de l'agence qui agissent en tant qu'instance verbalisante.
Afdeling 6. - Herstel
Section 6. - Réparation
Onderafdeling 1. - Herstelschikkingen
Sous-section 1re. - Dispositions de réparation
Art. 12.6.1. § 1. Binnen de grenzen van hun bevoegdheid als herstelinstantie kunnen ook de burgemeester of zijn plaatsvervanger herstelschikkingen sluiten. Artikel 62, § 1, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023 is van overeenkomstige toepassing.
§ 2. Herstelschikkingen worden bekrachtigd door de leidend ambtenaar van het agentschap of zijn gemachtigde, of, wanneer de financiële tegenwaarde van de publieke schade die feitelijk onhersteld blijft een begroot bedrag van meer dan 500.000 EURO overstijgt, de minister.
§ 2. Herstelschikkingen worden bekrachtigd door de leidend ambtenaar van het agentschap of zijn gemachtigde, of, wanneer de financiële tegenwaarde van de publieke schade die feitelijk onhersteld blijft een begroot bedrag van meer dan 500.000 EURO overstijgt, de minister.
Art. 12.6.1. § 1er. Dans les limites de leur compétence en tant qu'instance de réparation, le maire ou son suppléant peut également convenir des dispositions de réparation. L'article 62, § 1er, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023 s'applique mutatis mutandis.
§ 2. Les dispositions de réparation sont sanctionnées par le fonctionnaire dirigeant de l'agence ou par son mandataire, ou par le ministre si l'équivalent financier du préjudice public qui reste effectivement non réparé dépasse un montant estimé à plus de 500 000 euros.
§ 2. Les dispositions de réparation sont sanctionnées par le fonctionnaire dirigeant de l'agence ou par son mandataire, ou par le ministre si l'équivalent financier du préjudice public qui reste effectivement non réparé dépasse un montant estimé à plus de 500 000 euros.
Onderafdeling 2. - Beroep tegen bestuurlijke herstelbeslissingen
Sous-section 2. - Recours contre les décisions administratives de réparation
Art. 12.6.2. § 1. De overtreder kan tegen een bestuurlijke herstelbeslissing waarin hem een publieke herstelmaatregel of inperkende maatregel wordt opgelegd, beroep aantekenen bij de minister als vermeld in artikel 98 van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023. Het beroep heeft geen schorsend karakter.
Het beroep, vermeld in het eerste lid, wordt binnen een vervaltermijn van twintig dagen vanaf de kennisgeving van de bestuurlijke herstelbeslissing ingediend via het maatregelenregister of met een beveiligde zending die gericht is aan de minister. Als de beroepsindiener gehoord wil worden, meldt die dat in het beroepschrift.
Het beroepschrift voldoet op straffe van onontvankelijkheid aan de volgende voorwaarden:
1° het bevat de voor- en achternaam en de woonplaats van de beroepsindiener of de maatschappelijke benaming en de zetel van de beroepsindiener. Als woonplaatskeuze bij de raadsman van de beroepsindiener wordt gedaan, wordt dat in het beroepschrift aangegeven;
2° de beroepsindiener of de raadsman van de beroepsindiener heeft het beroep ondertekend. Een schriftelijke machtiging wordt bijgevoegd, tenzij de raadsman ingeschreven is als advocaat of advocaat-stagiair;
3° het vermeldt het voorwerp van het beroep, met een omschrijving van de ingeroepen argumenten;
4° het bevat een kopie van de bestreden beslissing.
Als het beroep, vermeld in het eerste lid, wordt ingediend via het maatregelenregister, is de voorwaarde, vermeld in het derde lid, 4°, niet van toepassing.
Overtuigingsstukken die al in het hersteldossier zijn opgenomen, hoeven niet gevoegd te worden bij het beroepschrift, vermeld in het tweede lid. Het beroepschrift bevat in voorkomend geval een inventaris van de overtuigingsstukken.
Wanneer het beroepschrift niet voldoet aan de voorwaarden uit het derde lid, vraagt de minister met een beveiligde zending aan de beroepsindiener om het beroepschrift te regulariseren. De regularisatie gebeurt via het maatregelenregister of met een beveiligde zending binnen een termijn van 7 dagen na de kennisgeving van het regularisatieverzoek.
§ 2. De minister neemt kennis van het hersteldossier via het maatregelenregister.
In geval van technische onmogelijkheid wordt de herstelinstantie die de bestuurlijke herstelbeslissing heeft genomen, verzocht het hersteldossier integraal over te maken aan de minister binnen de termijn die de minister bepaalt.
§ 3. Binnen een vervaltermijn van negentig dagen na het instellen van het beroep conform paragraaf 1, tweede en derde lid, neemt de minister een beslissing over het beroep en in voorkomend geval, een nieuwe bestuurlijke herstelbeslissing.
De minister kan ook een beslissing nemen over dwangsommen die eventueel op grond van de bestreden beslissing al verbeurd zijn.
De minister kan de vervaltermijn, vermeld in het eerste lid, eenmalig verlengen met zestig dagen, op voorwaarde dat de beroepsindiener van die termijnverlenging op de hoogte wordt gebracht met een beveiligde zending die verzonden wordt binnen de initiële vervaltermijn van negentig dagen.
Als de minister niet tijdig beslist over het beroep of als de kennisgeving van de termijnverlenging niet tijdig wordt gedaan, wordt het beroep geacht te zijn afgewezen en wordt de bestuurlijke herstelbeslissing die met het administratieve beroep bestreden is, als definitief aangezien. Degene aan wie het bestuurlijke herstelbevel is opgelegd en de herstelinstantie die de bestreden bestuurlijke herstelbeslissing heeft genomen, worden schriftelijk op de hoogte gebracht van de stilzwijgende afwijzing van het beroep.
§ 4. De beroepsindiener en de herstelinstantie die de bestuurlijke herstelbeslissing heeft genomen, worden binnen tien dagen na de datum van de beslissing, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, met een beveiligde zending op de hoogte gebracht van die beslissing.
Het beroep, vermeld in het eerste lid, wordt binnen een vervaltermijn van twintig dagen vanaf de kennisgeving van de bestuurlijke herstelbeslissing ingediend via het maatregelenregister of met een beveiligde zending die gericht is aan de minister. Als de beroepsindiener gehoord wil worden, meldt die dat in het beroepschrift.
Het beroepschrift voldoet op straffe van onontvankelijkheid aan de volgende voorwaarden:
1° het bevat de voor- en achternaam en de woonplaats van de beroepsindiener of de maatschappelijke benaming en de zetel van de beroepsindiener. Als woonplaatskeuze bij de raadsman van de beroepsindiener wordt gedaan, wordt dat in het beroepschrift aangegeven;
2° de beroepsindiener of de raadsman van de beroepsindiener heeft het beroep ondertekend. Een schriftelijke machtiging wordt bijgevoegd, tenzij de raadsman ingeschreven is als advocaat of advocaat-stagiair;
3° het vermeldt het voorwerp van het beroep, met een omschrijving van de ingeroepen argumenten;
4° het bevat een kopie van de bestreden beslissing.
Als het beroep, vermeld in het eerste lid, wordt ingediend via het maatregelenregister, is de voorwaarde, vermeld in het derde lid, 4°, niet van toepassing.
Overtuigingsstukken die al in het hersteldossier zijn opgenomen, hoeven niet gevoegd te worden bij het beroepschrift, vermeld in het tweede lid. Het beroepschrift bevat in voorkomend geval een inventaris van de overtuigingsstukken.
Wanneer het beroepschrift niet voldoet aan de voorwaarden uit het derde lid, vraagt de minister met een beveiligde zending aan de beroepsindiener om het beroepschrift te regulariseren. De regularisatie gebeurt via het maatregelenregister of met een beveiligde zending binnen een termijn van 7 dagen na de kennisgeving van het regularisatieverzoek.
§ 2. De minister neemt kennis van het hersteldossier via het maatregelenregister.
In geval van technische onmogelijkheid wordt de herstelinstantie die de bestuurlijke herstelbeslissing heeft genomen, verzocht het hersteldossier integraal over te maken aan de minister binnen de termijn die de minister bepaalt.
§ 3. Binnen een vervaltermijn van negentig dagen na het instellen van het beroep conform paragraaf 1, tweede en derde lid, neemt de minister een beslissing over het beroep en in voorkomend geval, een nieuwe bestuurlijke herstelbeslissing.
De minister kan ook een beslissing nemen over dwangsommen die eventueel op grond van de bestreden beslissing al verbeurd zijn.
De minister kan de vervaltermijn, vermeld in het eerste lid, eenmalig verlengen met zestig dagen, op voorwaarde dat de beroepsindiener van die termijnverlenging op de hoogte wordt gebracht met een beveiligde zending die verzonden wordt binnen de initiële vervaltermijn van negentig dagen.
Als de minister niet tijdig beslist over het beroep of als de kennisgeving van de termijnverlenging niet tijdig wordt gedaan, wordt het beroep geacht te zijn afgewezen en wordt de bestuurlijke herstelbeslissing die met het administratieve beroep bestreden is, als definitief aangezien. Degene aan wie het bestuurlijke herstelbevel is opgelegd en de herstelinstantie die de bestreden bestuurlijke herstelbeslissing heeft genomen, worden schriftelijk op de hoogte gebracht van de stilzwijgende afwijzing van het beroep.
§ 4. De beroepsindiener en de herstelinstantie die de bestuurlijke herstelbeslissing heeft genomen, worden binnen tien dagen na de datum van de beslissing, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, met een beveiligde zending op de hoogte gebracht van die beslissing.
Art. 12.6.2. § 1er. Conformément à l'article 98 du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, le contrevenant peut introduire un recours auprès du ministre contre une décision administrative de réparation lui imposant une mesure de réparation publique ou une mesure restrictive. Le recours n'a pas de caractère suspensif.
Le recours visé à l'alinéa 1er est introduit au moyen du registre de mesures ou par envoi sécurisé adressé au ministre dans un délai d'échéance de vingt jours à compter de la notification de la décision administrative de réparation. Si l'auteur du recours souhaite être entendu, il le mentionne dans la déclaration de recours.
La déclaration de recours remplit les conditions suivantes sous peine d'irrecevabilité :
1° elle comprend les nom, prénom et le domicile de l'auteur du recours ou la dénomination sociale et le siège social de l'auteur du recours. Lorsque l'auteur du recours élit domicile chez son conseil, la déclaration de recours le mentionne ;
2° l'auteur du recours ou son conseil a signé le recours. Une autorisation écrite est jointe, à moins que le conseil ne soit inscrit comme avocat ou avocat-stagiaire ;
3° elle mentionne l'objet du recours, avec une description des arguments invoqués ;
4° elle comprend une copie de la décision contestée.
Si le recours visé à l'alinéa 1er est introduit au moyen du registre de mesures, la condition visée à l'alinéa 3, 4°, ne s'applique pas.
Les pièces à conviction déjà incluses dans le dossier de réparation ne doivent pas être jointes à la déclaration de recours visée à l'alinéa 2. La déclaration de recours inclut, le cas échéant, un inventaire des pièces à conviction.
Si la déclaration de recours ne remplit pas les conditions visées à l'alinéa 3, le ministre demande à l'auteur du recours, par envoi sécurisé, de régulariser la déclaration de recours. La régularisation se fait au moyen du registre de mesures ou par envoi sécurisé dans un délai de 7 jours à compter de la notification de la demande de régularisation.
§ 2. Le ministre prend connaissance du dossier de réparation au moyen du registre de mesures.
En cas d'impossibilité technique, l'instance de réparation qui a pris la décision administrative de réparation est invitée à transmettre l'intégralité du dossier de réparation au ministre dans le délai fixé par celui-ci.
§ 3. Dans un délai d'échéance de nonante jours à compter de l'introduction du recours conformément au paragraphe 1er, alinéas 2 et 3, le ministre prend une décision concernant le recours et, le cas échéant, une nouvelle décision administrative de réparation.
Le ministre peut également statuer sur des astreintes éventuellement encourues en vertu de la décision contestée.
Le ministre peut prolonger une seule fois le délai d'échéance visé à l'alinéa 1er de soixante jours, à condition que l'auteur du recours soit informé de cette prolongation par envoi sécurisé envoyé dans le délai d'échéance initial de nonante jours.
Si le ministre ne statue pas en temps utile sur le recours ou si la notification d'une prolongation de délai n'est pas effectuée en temps utile, le recours est réputé rejeté et la décision administrative de réparation contestée par le recours administratif est considérée comme définitive. La personne à laquelle l'injonction administrative de réparation a été imposée et l'instance de réparation ayant pris la décision administrative de réparation contestée sont informées par écrit du rejet tacite du recours.
§ 4. L'auteur du recours et l'instance de réparation ayant pris la décision administrative de réparation sont informés de la décision, visée au paragraphe 3, alinéa 1er, par envoi sécurisé dans un délai de dix jours suivant la date de cette décision.
Le recours visé à l'alinéa 1er est introduit au moyen du registre de mesures ou par envoi sécurisé adressé au ministre dans un délai d'échéance de vingt jours à compter de la notification de la décision administrative de réparation. Si l'auteur du recours souhaite être entendu, il le mentionne dans la déclaration de recours.
La déclaration de recours remplit les conditions suivantes sous peine d'irrecevabilité :
1° elle comprend les nom, prénom et le domicile de l'auteur du recours ou la dénomination sociale et le siège social de l'auteur du recours. Lorsque l'auteur du recours élit domicile chez son conseil, la déclaration de recours le mentionne ;
2° l'auteur du recours ou son conseil a signé le recours. Une autorisation écrite est jointe, à moins que le conseil ne soit inscrit comme avocat ou avocat-stagiaire ;
3° elle mentionne l'objet du recours, avec une description des arguments invoqués ;
4° elle comprend une copie de la décision contestée.
Si le recours visé à l'alinéa 1er est introduit au moyen du registre de mesures, la condition visée à l'alinéa 3, 4°, ne s'applique pas.
Les pièces à conviction déjà incluses dans le dossier de réparation ne doivent pas être jointes à la déclaration de recours visée à l'alinéa 2. La déclaration de recours inclut, le cas échéant, un inventaire des pièces à conviction.
Si la déclaration de recours ne remplit pas les conditions visées à l'alinéa 3, le ministre demande à l'auteur du recours, par envoi sécurisé, de régulariser la déclaration de recours. La régularisation se fait au moyen du registre de mesures ou par envoi sécurisé dans un délai de 7 jours à compter de la notification de la demande de régularisation.
§ 2. Le ministre prend connaissance du dossier de réparation au moyen du registre de mesures.
En cas d'impossibilité technique, l'instance de réparation qui a pris la décision administrative de réparation est invitée à transmettre l'intégralité du dossier de réparation au ministre dans le délai fixé par celui-ci.
§ 3. Dans un délai d'échéance de nonante jours à compter de l'introduction du recours conformément au paragraphe 1er, alinéas 2 et 3, le ministre prend une décision concernant le recours et, le cas échéant, une nouvelle décision administrative de réparation.
Le ministre peut également statuer sur des astreintes éventuellement encourues en vertu de la décision contestée.
Le ministre peut prolonger une seule fois le délai d'échéance visé à l'alinéa 1er de soixante jours, à condition que l'auteur du recours soit informé de cette prolongation par envoi sécurisé envoyé dans le délai d'échéance initial de nonante jours.
Si le ministre ne statue pas en temps utile sur le recours ou si la notification d'une prolongation de délai n'est pas effectuée en temps utile, le recours est réputé rejeté et la décision administrative de réparation contestée par le recours administratif est considérée comme définitive. La personne à laquelle l'injonction administrative de réparation a été imposée et l'instance de réparation ayant pris la décision administrative de réparation contestée sont informées par écrit du rejet tacite du recours.
§ 4. L'auteur du recours et l'instance de réparation ayant pris la décision administrative de réparation sont informés de la décision, visée au paragraphe 3, alinéa 1er, par envoi sécurisé dans un délai de dix jours suivant la date de cette décision.
Onderafdeling 3. - Herstel bij financieel equivalent
Sous-section 3. - Réparation par équivalent financier
Art. 12.6.3. De monetaire waardering, vermeld in artikel 48, § 3, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, gebeurt voor publieke schade aan belangen die door het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 worden beschermd, en die zijn opgenomen in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd, op basis van de regels en de forfaitaire bedragen, vermeld in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 12.6.3. En cas de préjudice public causé aux intérêts protégés par le décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 et repris en annexe jointe au présent arrêté, l'évaluation monétaire, visée à l'article 48, § 3, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, est effectuée sur la base des règles et des montants forfaitaires visés à l'annexe jointe au présent arrêté.
Onderafdeling 4. - Nadere regels voor de bewaring en teruggave van meegevoerde zaken
Sous-section 4. - Modalités de conservation et de restitution des objets emportés
Art. 12.6.4. § 1. Als zaken op grond van de bevoegdheid, vermeld in artikel 71, § 1, tweede lid, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, worden meegevoerd en opgeslagen, meldt de gerechtsdeurwaarder, de toezichthouder of de herstelinstantie dat in een verslag van bewaring. Een afschrift van het verslag van bewaring wordt verstrekt aan degene die die zaken onder beheer had en, als dat een andere persoon is en als die bekend is, aan de rechthebbende.
§ 2. De gerechtsdeurwaarder, de toezichthouder of de herstelinstantie zorgt voor de bewaring van de opgeslagen zaken en geeft die zaken terug aan de rechthebbende.
De gerechtsdeurwaarder, de toezichthouder of de herstelinstantie, vermeld in het eerste lid, zijn bevoegd om de afgifte op te schorten tot de kosten die verbonden zijn aan de ambtshalve uitvoering van de bestuurlijke herstel- of beveiligingsbeslissing, met inbegrip van de kosten voor de voorbereiding ervan, en de kosten van de bewaring, zijn voldaan. Als geen van de rechthebbenden als herstelplichtige overtreder of als houder van rechten als vermeld in artikel 71, § 2, tweede lid, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, kan worden beschouwd, kan de afgifte alleen afhankelijk worden gesteld van de betaling van de kosten van de bewaring.
§ 3. Als de meegevoerde en opgeslagen zaken niet binnen negentig dagen na het meevoeren worden opgeëist door de rechthebbende, is de gerechtsdeurwaarder, de toezichthouder of de herstelinstantie gerechtigd ze te verkopen of, als verkoop niet mogelijk is, de zaak om niet aan een derde in eigendom over te dragen of te laten vernietigen.
De termijn van negentig dagen, vermeld in het eerste lid, hoeft niet te worden afgewacht zodra de kosten van bewaring, vermeerderd met de kosten die geraamd zijn voor de verkoop, de eigendomsoverdracht om niet of de vernietiging, in verhouding tot de waarde van de zaak onevenredig hoog worden. In voorkomend geval worden redelijke inspanningen geleverd om de rechthebbende te identificeren en tijdig op de hoogte te brengen van de voorgenomen eigendomsoverdracht of vernietiging.
Verkoop, eigendomsoverdracht om niet of vernietiging kan nooit plaatsvinden binnen veertien dagen na de verstrekking van het afschrift, vermeld in paragraaf 1, tenzij het gevaarlijke stoffen of eerder aan bederf onderhevige stoffen betreft.
§ 2. De gerechtsdeurwaarder, de toezichthouder of de herstelinstantie zorgt voor de bewaring van de opgeslagen zaken en geeft die zaken terug aan de rechthebbende.
De gerechtsdeurwaarder, de toezichthouder of de herstelinstantie, vermeld in het eerste lid, zijn bevoegd om de afgifte op te schorten tot de kosten die verbonden zijn aan de ambtshalve uitvoering van de bestuurlijke herstel- of beveiligingsbeslissing, met inbegrip van de kosten voor de voorbereiding ervan, en de kosten van de bewaring, zijn voldaan. Als geen van de rechthebbenden als herstelplichtige overtreder of als houder van rechten als vermeld in artikel 71, § 2, tweede lid, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, kan worden beschouwd, kan de afgifte alleen afhankelijk worden gesteld van de betaling van de kosten van de bewaring.
§ 3. Als de meegevoerde en opgeslagen zaken niet binnen negentig dagen na het meevoeren worden opgeëist door de rechthebbende, is de gerechtsdeurwaarder, de toezichthouder of de herstelinstantie gerechtigd ze te verkopen of, als verkoop niet mogelijk is, de zaak om niet aan een derde in eigendom over te dragen of te laten vernietigen.
De termijn van negentig dagen, vermeld in het eerste lid, hoeft niet te worden afgewacht zodra de kosten van bewaring, vermeerderd met de kosten die geraamd zijn voor de verkoop, de eigendomsoverdracht om niet of de vernietiging, in verhouding tot de waarde van de zaak onevenredig hoog worden. In voorkomend geval worden redelijke inspanningen geleverd om de rechthebbende te identificeren en tijdig op de hoogte te brengen van de voorgenomen eigendomsoverdracht of vernietiging.
Verkoop, eigendomsoverdracht om niet of vernietiging kan nooit plaatsvinden binnen veertien dagen na de verstrekking van het afschrift, vermeld in paragraaf 1, tenzij het gevaarlijke stoffen of eerder aan bederf onderhevige stoffen betreft.
Art. 12.6.4. § 1er. Si des objets sont emportés et conservés en vertu de la compétence, visée à l'article 71, § 1er, alinéa 2, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, l'huissier de justice, le superviseur ou l'instance de réparation le mentionne dans un rapport de conservation. Une copie du rapport de conservation est remise à la personne qui avait ces objets sous sa gestion et, lorsqu'il s'agit d'une autre personne qui est connue, à l'ayant droit.
§ 2. L'huissier de justice, le superviseur ou l'instance de réparation assure la conservation des affaires entreposées et les restitue à l'ayant droit.
L'huissier de justice, le superviseur ou l'instance de réparation, visés à l'alinéa 1er, est compétent pour suspendre la restitution jusqu'au paiement des frais liés à l'exécution d'office de la décision administrative de réparation ou de sécurité, y compris des frais de préparation, et des frais de conservation. Si aucun des ayants droit ne peut être considéré comme un contrevenant tenu à réparation ou comme un titulaire de droits tel que visé à l'article 71, § 2, alinéa 2, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, la restitution ne peut dépendre que du paiement des frais de conservation.
§ 3. Lorsque les objets emportés et entreposés ne sont pas réclamés par l'ayant droit dans les nonante jours après avoir été emportés, l'huissier de justice, le superviseur ou l'instance de réparation est en droit de les vendre ou, lorsque leur vente n'est pas possible, à transférer l'objet en propriété à un tiers à titre gratuit ou à la faire détruire.
Il n'est pas obligatoire d'attendre que le délai de nonante jours visé à l'alinéa 1er soit écoulé à partir du moment où les frais de conservation majorés des frais qui ont été estimés pour la vente, le transfert en propriété à titre gratuit ou la destruction deviennent disproportionnellement élevés par rapport à la valeur de l'objet. Le cas échéant, des efforts raisonnables sont déployés pour identifier l'ayant droit et l'informer en temps utile du transfert en propriété ou de la destruction envisagés.
La vente, le transfert en propriété à titre gratuit ou la destruction ne peut jamais avoir lieu moins de quatorze jours suivant la remise de la copie visée au paragraphe 1er, à moins qu'il s'agisse de substances dangereuses ou périssables.
§ 2. L'huissier de justice, le superviseur ou l'instance de réparation assure la conservation des affaires entreposées et les restitue à l'ayant droit.
L'huissier de justice, le superviseur ou l'instance de réparation, visés à l'alinéa 1er, est compétent pour suspendre la restitution jusqu'au paiement des frais liés à l'exécution d'office de la décision administrative de réparation ou de sécurité, y compris des frais de préparation, et des frais de conservation. Si aucun des ayants droit ne peut être considéré comme un contrevenant tenu à réparation ou comme un titulaire de droits tel que visé à l'article 71, § 2, alinéa 2, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, la restitution ne peut dépendre que du paiement des frais de conservation.
§ 3. Lorsque les objets emportés et entreposés ne sont pas réclamés par l'ayant droit dans les nonante jours après avoir été emportés, l'huissier de justice, le superviseur ou l'instance de réparation est en droit de les vendre ou, lorsque leur vente n'est pas possible, à transférer l'objet en propriété à un tiers à titre gratuit ou à la faire détruire.
Il n'est pas obligatoire d'attendre que le délai de nonante jours visé à l'alinéa 1er soit écoulé à partir du moment où les frais de conservation majorés des frais qui ont été estimés pour la vente, le transfert en propriété à titre gratuit ou la destruction deviennent disproportionnellement élevés par rapport à la valeur de l'objet. Le cas échéant, des efforts raisonnables sont déployés pour identifier l'ayant droit et l'informer en temps utile du transfert en propriété ou de la destruction envisagés.
La vente, le transfert en propriété à titre gratuit ou la destruction ne peut jamais avoir lieu moins de quatorze jours suivant la remise de la copie visée au paragraphe 1er, à moins qu'il s'agisse de substances dangereuses ou périssables.
Afdeling 7. - De toebedeling van handhavingsopbrengsten
Section 7. - L'affectation des recettes de maintien
Art. 12.7.1. Een deel van de opbrengst van de bestuurlijke vervolging van een misdrijf of inbreuk als vermeld in artikel 11.2.2 en 11.2.4 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, artikel 13/1 en 13/2 van het decreet van 29 maart 2002 tot bescherming van varend erfgoed, en artikel 103 en 104 van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, die op jaarbasis wordt geïnd door de Vlaamse overheid, komt toe aan de gemeente waarin de vaststelling gebeurde, op voorwaarde dat gemeentelijke personeelsleden, personeelsleden van een intergemeentelijk samenwerkingsverband of personeelsleden van de lokale politie het proces-verbaal of verslag van vaststelling waarop de bestuurlijke vervolging is gebaseerd, hebben opgesteld.
Het deel, vermeld in het eerste lid, wordt vastgesteld op 60% van de opbrengst die op jaarbasis is geïnd.
In het tweede lid wordt verstaan onder opbrengst: de geïnde gelden na aftrek van de kosten, gemaakt voor de gedwongen invordering van deze gelden.
Het deel, vermeld in het eerste lid, wordt vastgesteld op 60% van de opbrengst die op jaarbasis is geïnd.
In het tweede lid wordt verstaan onder opbrengst: de geïnde gelden na aftrek van de kosten, gemaakt voor de gedwongen invordering van deze gelden.
Art. 12.7.1. Une partie de la recette issue de la poursuite administrative d'un délit ou d'une infraction tels que visés aux articles 11.2.2 et 11.2.4 du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, aux articles 13/1 et 13/2 du décret du 29 mars 2002 portant protection du patrimoine nautique et aux articles 103 et 104 du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, perçue sur une base annuelle par l'Autorité flamande est attribuée à la commune où la constatation a été faite, à condition que des membres du personnel communal, des membres du personnel d'une intercommunale ou des membres du personnel de la police locale aient dressé le procès-verbal ou le rapport de constatation sur lequel se fonde la poursuite administrative.
La partie visée à l'alinéa 1er est fixée à 60 % des recettes perçues sur une base annuelle.
Dans l'alinéa 2, on entend par recettes : les sommes perçues après déduction des frais encourus pour le recouvrement forcé de ces sommes.
La partie visée à l'alinéa 1er est fixée à 60 % des recettes perçues sur une base annuelle.
Dans l'alinéa 2, on entend par recettes : les sommes perçues après déduction des frais encourus pour le recouvrement forcé de ces sommes.
Afdeling 8. - Beleidslijnen en handhavingsprogramma
Section 8. - Lignes directrices et programmes de maintien
Art. 12.8.1. De minister en de Vlaamse minister, bevoegd voor justitie en handhaving, stellen, elk wat hem of haar betreft, de algemene beleidslijnen, vermeld in artikel 76, eerste lid, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, vast bij ministerieel besluit als ze alleen de gewenste toepassing of de voorgenomen interpretatie betreffen van de regels voor de handhaving van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en het decreet van 29 maart 2002 tot bescherming van varend erfgoed.
De algemene beleidslijnen, vermeld in het eerste lid, kunnen worden aangevuld en geconcretiseerd in een handhavingsprogramma Onroerend Erfgoed.
Het handhavingsprogramma Onroerend Erfgoed wordt vastgesteld door de Vlaamse regering. Het goedgekeurde handhavingsprogramma Onroerend Erfgoed wordt bekendgemaakt op de website van het agentschap. De minister kan het handhavingsprogramma Onroerend Erfgoed verder aanvullen of verfijnen.
De minister rapporteert periodiek, en minstens in het tweede en vijfde jaar van de regeerperiode, over de uitvoering van de beleidslijnen en het handhavingsprogramma Onroerend Erfgoed, vermeld in het eerste tot en met derde lid, in een handhavingsrapport Onroerend Erfgoed.
De algemene beleidslijnen, vermeld in het eerste lid, kunnen worden aangevuld en geconcretiseerd in een handhavingsprogramma Onroerend Erfgoed.
Het handhavingsprogramma Onroerend Erfgoed wordt vastgesteld door de Vlaamse regering. Het goedgekeurde handhavingsprogramma Onroerend Erfgoed wordt bekendgemaakt op de website van het agentschap. De minister kan het handhavingsprogramma Onroerend Erfgoed verder aanvullen of verfijnen.
De minister rapporteert periodiek, en minstens in het tweede en vijfde jaar van de regeerperiode, over de uitvoering van de beleidslijnen en het handhavingsprogramma Onroerend Erfgoed, vermeld in het eerste tot en met derde lid, in een handhavingsrapport Onroerend Erfgoed.
Art. 12.8.1. Le ministre et le ministre flamand chargé de la justice et du maintien fixent, chacun en ce qui le concerne, par arrêté ministériel les lignes directrices générales visées à l'article 76, alinéa 1er, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, lorsqu'elles concernent uniquement l'application souhaitée ou l'interprétation envisagée des règles pour le maintien du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 et du décret du 29 mars 2002 portant protection du patrimoine nautique.
Les lignes directrices générales visées à l'alinéa 1er peuvent être complétées et concrétisées dans un programme de maintien Patrimoine immobilier.
Le programme de maintien Patrimoine immobilier est arrêté par le Gouvernement flamand. Le programme de maintien Patrimoine immobilier approuvé est publié sur le site web de l'agence. Le ministre peut compléter ou affiner davantage le programme de maintien Patrimoine immobilier.
Le ministre rend compte périodiquement, et au moins dans les deuxième et cinquième années de la législature, de la mise en oeuvre des lignes directrices et du programme de maintien Patrimoine immobilier visés aux alinéas 1er à 3, dans un rapport relatif au maintien Patrimoine immobilier.
Les lignes directrices générales visées à l'alinéa 1er peuvent être complétées et concrétisées dans un programme de maintien Patrimoine immobilier.
Le programme de maintien Patrimoine immobilier est arrêté par le Gouvernement flamand. Le programme de maintien Patrimoine immobilier approuvé est publié sur le site web de l'agence. Le ministre peut compléter ou affiner davantage le programme de maintien Patrimoine immobilier.
Le ministre rend compte périodiquement, et au moins dans les deuxième et cinquième années de la législature, de la mise en oeuvre des lignes directrices et du programme de maintien Patrimoine immobilier visés aux alinéas 1er à 3, dans un rapport relatif au maintien Patrimoine immobilier.
Art. 7. Aan hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 januari 2024, wordt een bijlage toegevoegd, die als bijlage bij dit besluit is gevoegd.
Art. 7. Le même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 janvier 2024, est complété par une annexe jointe au présent arrêté.
HOOFDSTUK 3. - Wijziging van het Varenderfgoedbesluit van 27 november 2015
CHAPITRE 3. - Modification de l'Arrêté relatif au patrimoine nautique du 27 novembre 2015
Art. 8. In het Varenderfgoedbesluit van 27 november 2015, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2018, wordt een hoofdstuk 6/1, dat bestaat uit artikel 46/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Hoofdstuk 6/1. Handhaving
"Hoofdstuk 6/1. Handhaving
Art. 8. Dans l'Arrêté relatif au patrimoine nautique du 27 novembre 2015, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 décembre 2018, il est inséré un chapitre 6/1, composé de l'article 46/1, rédigé comme suit :
" Chapitre 6/1. Maintien
" Chapitre 6/1. Maintien
Art. 46/1. De bepalingen van hoofdstuk 12 van het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014 zijn van toepassing op hoofdstuk V van het decreet van 29 maart 2002 tot bescherming van varend erfgoed. De bevoegde personen en instanties die zijn aangesteld met toepassing van hoofdstuk 12 van het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014, nemen op gelijke wijze hun bevoegdheden waar voor de handhaving van de misdrijven en inbreuken, vermeld in artikel 13/1 en 13/2 van het decreet van 29 maart 2002 tot bescherming van varend erfgoed, waarbij de personeelsleden van de Vlaamse overheid in het kader van het voormelde decreet optreden namens de Vlaamse Gemeenschap.".
Art. 46/1. Les dispositions du chapitre 12 de l'Arrêté relatif au patrimoine immobilier du 16 mai 2014 s'appliquent au chapitre V du décret du 29 mars 2002 portant protection du patrimoine nautique. Les personnes et instances compétentes désignées en application du chapitre 12 de l'Arrêté relatif au patrimoine immobilier du 16 mai 2014 exercent de la même manière leurs compétences en matière de maintien des délits et infractions visés aux articles 13/1 et 13/2 du décret du 29 mars 2002 portant protection du patrimoine nautique, les membres du personnel de l'Autorité flamande agissant au nom de la Communauté flamande dans le cadre du décret précité. ".
HOOFDSTUK 4. - Slotbepalingen
CHAPITRE 4. - Dispositions finales
Art. 9. De Vlaamse minister, bevoegd voor het onroerend erfgoed en de Vlaamse minister, bevoegd voor Justitie en Handhaving, zijn, ieder wat hem of haar betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 9. Le ministre flamand qui a le patrimoine immobilier dans ses attributions et le ministre flamand qui a la justice et le maintien dans ses attributions sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N. Bijlage.
Art. N. Annexe.
Bijlage bij het besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed, het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014 en het Varenderfgoedbesluit van 27 november 2015, wat betreft de implementatie van het kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023
Bijlage bij het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014
Bijlage. De monetaire waardering van publieke schade aan bepaalde door het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 beschermde belangen
Bijlage bij het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014
Bijlage. De monetaire waardering van publieke schade aan bepaalde door het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 beschermde belangen
Annexe de l'arrêté du Gouvernement flamand modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée interne sans personnalité juridique " Vlaams Instituut voor Onroerend Erfgoed " (Institut flamand du Patrimoine immobilier), l'Arrêté relatif au patrimoine immobilier du 16 mai 2014 et l'Arrêté relatif au patrimoine nautique du 27 novembre 2015, en ce qui concerne la mise en oeuvre du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023
Annexe de l'Arrêté relatif au patrimoine immobilier du 16 mai 2014
Annexe. L'évaluation monétaire de préjudice public causé aux intérêts protégés par le décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013
Annexe de l'Arrêté relatif au patrimoine immobilier du 16 mai 2014
Annexe. L'évaluation monétaire de préjudice public causé aux intérêts protégés par le décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013
HOOFDSTUK 1. - De monetaire waardering van publieke schade aan erfgoedwaarden, verbonden aan bouwkundig erfgoed 1) Algemene principes
Chapitre 1er. L'évaluation monétaire de préjudice public causé aux valeurs patrimoniales, liées au patrimoine architectural 1) Principes généraux