Zum Hauptinhalt

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
23 MEI 2025. - Besluit van de Vlaamse Regering over de omgevingshandhaving
Titre
23 MAI 2025. - Arrêté du Gouvernement flamand relatif au maintien environnemental
Dokumentinformationen
Numac: 2025005435
Datum: 2025-05-23
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2025005435
Date: 2025-05-23
Moniteur: Voir
Tekst (43)
Texte (43)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
Artikel 1. Dit besluit wordt aangehaald als: het Omgevingshandhavingsbesluit van 23 mei 2025.
Article 1er. Le présent arrêté est cité comme : l'arrêté Maintien environnemental du 23 mai 2025.
Art. 2. In dit besluit wordt verstaan onder:
  1° decreet van 5 april 1995: het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;
  2° departement: het departement Omgeving;
  3° gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur: het personeelslid, vermeld in artikel 1.4.9, § 1, derde lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009;
  4° GPBV-installatie: een GPBV-installatie als vermeld in artikel 5.1.1, 6°, van het decreet van 5 april 1995;
  5° gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur: het personeelslid, vermeld in artikel 1.4.9, § 1, tweede lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009;
  6° indelingslijst: de indelingslijst, vermeld in artikel 5.1.1, 7°, van het decreet van 5 april 1995;
  7° maatregelenregister: het maatregelenregister, vermeld in artikel 82 van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023;
  8° milieuhygiëneregelgeving: de regelgeving, vermeld in artikel 16.1.1, § 1, eerste lid, 1°, 5°, 5° /1, 6°, 8°, 9°, 10°, 12°, 13° bis, 17°, 17° bis, 18°, 19°, 19° bis, 19° ter, 21°, 23°, van het decreet van 5 april 1995, en de regelgeving, vermeld in artikel 3, 3°, 4°, 6°, 7°, 9° tot en met 12°, 14° t/m 21°, 23°, 25° tot en met 32°, en in artikel 4, van dit besluit;
  9° referentiemeetmethode: een geschreven en publiek toegankelijke methode die voor een bepaalde meting is omschreven en die voldoet aan bepaalde vereisten zoals nader omschreven in artikel 9, § 2;
  10° toezichthouder, bevoegd voor omgevingshandhaving: elke toezichthouder als vermeld in artikel 8, § 2, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, die bevoegd is voor de handhaving van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 en/of de regelgeving, vermeld in artikel 16.1.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995, of onderdelen daarvan.
Art. 2. Dans le présent arrêté, on entend par :
  1° décret du 5 avril 1995 : le décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement ;
  2° département : le département de l'Environnement ;
  3° inspecteur urbaniste communal : le membre du personnel visé à l'article 1.4.9, § 1er, alinéa 3, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009 ;
  4° installation IPPC : une installation IPPC telle que visée à l'article 5.1.1, 6°, du décret du 5 avril 1995 ;
  5° inspecteur urbaniste régional : le membre du personnel visé à l'article 1.4.9, § 1er, alinéa 2, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009 ;
  6° liste de classification : la liste de classification visée à l'article 5.1.1, 7°, du décret du 5 avril 1995 ;
  7° registre des mesures : le registre des mesures visé à l'article 82, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023 ;
  8° réglementation en matière d'hygiène de l'environnement : la réglementation visée à l'article 16.1.1, § 1er, alinéa 1er, 1°, 5°, 5° /1, 6°, 8°, 9°, 10°, 12°, 13° bis, 17°, 17° bis, 18°, 19°, 19° bis, 19° ter, 21°, 23°, du décret du 5 avril 1995, et la réglementation visée à l'article 3, 3°, 4°, 6°, 7°, 9° à 12°, 14° à 21°, 23°, 25° à 32°, et à l'article 4, du présent arrêté ;
  9° méthode de mesure de référence : une méthode écrite et accessible au public, définie pour une mesure particulière et répondant à certaines exigences telles que spécifiées à l'article 9, § 2 ;
  10° superviseur compétent pour le maintien environnemental : tout superviseur tel que visé à l'article 8, § 2, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, qui est compétent pour le maintien du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009 et/ou de la réglementation visée à l'article 16.1.1, § 1er, du décret du 5 avril 1995, ou de parties de celle-ci.
Art. 3. De volgende verordeningen en ook de verordeningen die door of krachtens die verordeningen worden uitgevaardigd, behoren tot de milieuregelgeving van de Europese Unie, vermeld in artikel 16.1.1, § 1, tweede lid, van het decreet van 5 april 1995:
  1° verordening (EEG) nr. 3254/91 van de Raad van 4 november 1991 houdende een verbod op het gebruik van de wildklem in de gemeenschap en op het binnenbrengen in de gemeenschap van pelzen en produkten die vervaardigd zijn van bepaalde in het wild levende diersoorten uit landen waar gebruik wordt gemaakt van de wildklem of andere vangmethoden die niet stroken met de internationale normen voor humane vangst met behulp van vallen;
  2° verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer;
  3° verordening (EG) nr. 850/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de persistente organische verontreinigde stoffen en tot wijziging van Richtlijn 97/117/EEG;
  4° verordening (EG) nr. 166/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 januari 2006 betreffende de instelling van een Europees register inzake de uitstoot en overbrenging van verontreinigende stoffen en tot wijziging van de Richtlijnen 91/689/EEG en 96/61/EG van de Raad;
  5° verordening (EG) nr. 865/2006 van de Commissie van 4 mei 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer;
  6° verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen;
  7° verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie;
  8° verordening (EG) nr. 708/2007 van de Raad van 11 juni 2007 inzake het gebruik van uitheemse en plaatselijk niet-voorkomende soorten in de aquacultuur;
  9° verordening (EG) nr. 1418/2007 van de Commissie van 29 november 2007 betreffende de uitvoer, met het oog op terugwinning, van bepaalde in bijlage III of III A bij Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad genoemde afvalstoffen naar bepaalde landen waarop het OESO-besluit betreffende het toezicht op de grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen niet van toepassing is;
  10° verordening (EG) nr. 1497/2007 van de Commissie van 18 december 2007 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van basisvoorschriften inzake controle op lekkage van stationaire brandbeveiligingssystemen die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevatten;
  11° verordening (EG) nr. 1516/2007 van de Commissie van 19 december 2007 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van basisvoorschriften inzake controle op lekkage van stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevat;
  12° verordening (EG) nr. 1102/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 inzake het verbod op de uitvoer van metallisch kwik en andere kwikverbindingen en -mengsels en de veilige opslag van metallisch kwik;
  13° verordening (EG) nr. 359/2009 van de Commissie van 30 april 2009 tot schorsing van het binnenbrengen in de Gemeenschap van specimens van bepaalde in het wild levende dier- en plantensoorten;
  14° verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen;
  15° verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002;
  16° verordening (EU) nr. 142/2011 van de Commissie van 25 februari 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot uitvoering van Richtlijn 97/78/EG van de Raad wat betreft bepaalde monsters en producten die vrijgesteld zijn van veterinaire controles aan de grens krachtens die richtlijn;
  17° verordening (EU) nr. 333/2011 van de raad van 31 maart 2011 tot vaststelling van criteria die bepalen wanneer bepaalde soorten metaalschroot niet langer als afval worden aangemerkt overeenkomstig Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad;
  18° verordening (EU) nr. 601/2012 van de Commissie van 21 juni 2012 inzake de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad;
  19° verordening (EU) nr. 1179/2012 van de Commissie van 10 december 2012 tot vaststelling van criteria die bepalen wanneer kringloopglas overeenkomstig Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad niet langer als afval wordt aangemerkt;
  20° verordening (EU) nr. 715/2013 van de Commissie van 25 juli 2013 tot vaststelling van criteria die bepalen wanneer koperschroot overeenkomstig Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad niet langer als afval wordt aangemerkt;
  21° verordening (EU) nr. 1257/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 inzake scheepsrecycling, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1013/2006 en van Richtlijn 2009/16/EG;
  22° verordening (EU) nr. 511/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende voor gebruikers bestemde nalevingsmaatregelen uit het Protocol van Nagoya inzake toegang tot genetische rijkdommen en de eerlijke en billijke verdeling van voordelen voortvloeiende uit hun gebruik in de Unie;
  23° verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006;
  24° verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten;
  25° verordening (EU) nr. 1357/2014 van de Commissie van 18 december 2014 ter vervanging van bijlage III bij Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen;
  26° verordening (EU) 2017/852 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 betreffende kwik, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1102/2008;
  27° uitvoeringsverordening (EU) 2018/2066 van de Commissie van 19 december 2018 inzake de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 601/2012 van de Commissie;
  28° verordening (EU) 2019/1021 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende persistente organische verontreinigende stoffen;
  29° gedelegeerde verordening (EU) 2019/1666 van de Commissie van 24 juni 2019 tot aanvulling van Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de voorwaarden voor de monitoring van het vervoer en de aankomst van zendingen van bepaalde goederen van de grenscontrolepost van aankomst tot de inrichting op de plaats van bestemming in de Unie;
  30° verordening (EU) 2024/573 van het Europees Parlement en de Raad van 7 februari 2024 betreffende gefluoreerde broeikasgassen, tot wijziging van Richtlijn (EU) 2019/1937 en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 517/2014;
  31° verordening (EU) 2024/590 van het Europees Parlement en de Raad van 7 februari 2024 betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1005/2009;
  32° verordening (EU) 2024/1157 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1257/2013 en (EU) 2020/1056 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1013/2006.
Art. 3. Les règlements suivants, ainsi que les règlements promulgués par ou en vertu de ceux-ci, font partie de la réglementation environnementale de l'Union européenne visée à l'article 16.1.1, § 1er, alinéa 2, du décret du 5 avril 1995 :
  1° règlement (CEE) n° 3254/91 du Conseil du 4 novembre 1991, interdisant l'utilisation du piège à mâchoires dans la Communauté et l'introduction dans la Communauté de fourrures et de produits manufacturés de certaines espèces animales sauvages originaires de pays qui utilisent pour leur capture le piège à mâchoires ou des méthodes non conformes aux normes internationales de piégeage sans cruauté ;
  2° règlement (CE) n° 338/97 du Conseil du 9 décembre 1996 relatif à la protection des espèces de faune et de flore sauvages par le contrôle de leur commerce ;
  3° règlement (CE) n° 850/2004 du Parlement européen et du Conseil du 29 avril 2004 concernant les polluants organiques persistants et modifiant la directive 97/117/CEE ;
  4° règlement (CE) n° 166/2006 du Parlement européen et du Conseil du 18 janvier 2006 concernant la création d'un registre européen des rejets et des transferts de polluants, et modifiant les directives 91/689/CEE et 96/61/CE du Conseil ;
  5° règlement (CE) n° 865/2006 de la Commission du 4 mai 2006 portant modalités d'application du règlement (CE) n° 338/97 du Conseil relatif à la protection des espèces de faune et de flore sauvages par le contrôle de leur commerce ;
  6° règlement (CE) n° 1013/2006 du Parlement européen et du Conseil du 14 juin 2006 concernant les transferts de déchets ;
  7° règlement (CE) n° 1907/2006 du Parlement européen et du Conseil du 18 décembre 2006 concernant l'enregistrement, l'évaluation et l'autorisation des substances chimiques, ainsi que les restrictions applicables à ces substances (REACH), instituant une agence européenne des produits chimiques, modifiant la directive 1999/45/CE et abrogeant le règlement (CEE) n° 793/93 du Conseil et le règlement (CE) n° 1488/94 de la Commission ainsi que la directive 76/769/CEE du Conseil et les directives 91/155/CEE, 93/67/CEE, 93/105/CE et 2000/21/CE de la Commission ;
  8° règlement (CE) n° 708/2007 du Conseil du 11 juin 2007 relatif à l'utilisation en aquaculture des espèces exotiques et des espèces localement absentes ;
  9° règlement (CE) n° 1418/2007 de la Commission du 29 novembre 2007 concernant l'exportation de certains déchets destinés à être valorisés, énumérés à l'annexe III ou IIIA du règlement (CE) n° 1013/2006 du Parlement européen et du Conseil vers certains pays auxquels la décision de l'OCDE sur le contrôle des mouvements transfrontières de déchets ne s'applique pas ;
  10° règlement (CE) n° 1497/2007 de la Commission du 18 décembre 2007 définissant, conformément au règlement (CE) n° 842/2006 du Parlement européen et du Conseil, les exigences types applicables au contrôle d'étanchéité pour les systèmes fixes de protection contre l'incendie contenant certains gaz à effet de serre fluorés ;
  11° règlement (CE) n° 1516/2007 de la Commission du 19 décembre 2007 définissant, conformément au règlement (CE) n° 842/2006 du Parlement européen et du Conseil, les exigences types applicables au contrôle d'étanchéité pour les équipements fixes de réfrigération, de climatisation et de pompes à chaleur contenant certains gaz à effet de serre fluorés ;
  12° règlement (CE) n° 1102/2008 du Parlement européen et du Conseil du 22 octobre 2008 relatif à l'interdiction des exportations de mercure métallique et de certains composés et mélanges de mercure et au stockage en toute sécurité de cette substance ;
  13° règlement (CE) n° 359/2009 de la Commission du 30 avril 2009 suspendant l'introduction dans la Communauté de spécimens de certaines espèces de faune et de flore sauvages ;
  14° règlement (CE) n° 1005/2009 du Parlement européen et du Conseil du 16 septembre 2009 relatif à des substances qui appauvrissent la couche d'ozone ;
  15° règlement (CE) n° 1069/2009 du Parlement européen et du Conseil du 21 octobre 2009 établissant des règles sanitaires applicables aux sous-produits animaux et produits dérivés non destinés à la consommation humaine et abrogeant le règlement (CE) n° 1774/2002 ;
  16° règlement (UE) n° 142/2011 de la Commission du 25 février 2011 portant application du règlement (CE) n° 1069/2009 du Parlement européen et du Conseil établissant des règles sanitaires applicables aux sous-produits animaux et produits dérivés non destinés à la consommation humaine et portant application de la directive 97/78/CE du Conseil en ce qui concerne certains échantillons et articles exemptés des contrôles vétérinaires effectués aux frontières en vertu de cette directive ;
  17° règlement (UE) n° 333/2011 du Conseil du 31 mars 2011 établissant les critères permettant de déterminer à quel moment certains types de débris métalliques cessent d'être des déchets au sens de la directive 2008/98/CE du Parlement européen et du Conseil ;
  18° règlement (UE) n° 601/2012 de la Commission du 21 juin 2012 relatif à la surveillance et à la déclaration des émissions de gaz à effet de serre au titre de la directive 2003/87/CE du Parlement européen et du Conseil ;
  19° règlement (UE) n° 1179/2012 de la Commission du 10 décembre 2012 établissant les critères permettant de déterminer à quel moment le calcin de verre cesse d'être un déchet au sens de la directive 2008/98/CE du Parlement européen et du Conseil ;
  20° règlement (UE) n° 715/2013 de la Commission du 25 juillet 2013 établissant les critères permettant de déterminer à quel moment les débris de cuivre cessent d'être des déchets au sens de la directive 2008/98/CE du Parlement européen et du Conseil ;
  21° règlement (UE) n° 1257/2013 du Parlement européen et du Conseil du 20 novembre 2013 relatif au recyclage des navires et modifiant le règlement (CE) n° 1013/2006 et la directive 2009/16/CE ;
  22° règlement (UE) n° 511/2014 du Parlement européen et du Conseil du 16 avril 2014 relatif aux mesures concernant le respect par les utilisateurs dans l'Union du protocole de Nagoya sur l'accès aux ressources génétiques et le partage juste et équitable des avantages découlant de leur utilisation ;
  23° règlement (UE) n° 517/2014 du Parlement européen et du Conseil du 16 avril 2014 relatif aux gaz à effet de serre fluorés et abrogeant le règlement (CE) n° 842/2006 ;
  24° règlement (UE) n° 1143/2014 du Parlement européen et du Conseil du 22 octobre 2014 relatif à la prévention et à la gestion de l'introduction et de la propagation des espèces exotiques envahissantes ;
  25° règlement (UE) n° 1357/2014 de la Commission du 18 décembre 2014 remplaçant l'annexe III de la directive 2008/98/CE du Parlement européen et du Conseil relative aux déchets et abrogeant certaines directives ;
  26° règlement (UE) n° 2017/852 du Parlement européen et du Conseil du 17 mai 2017 relatif au mercure et abrogeant le règlement (CE) n° 1102/2008 ;
  27° règlement d'exécution (UE) 2018/2066 de la Commission du 19 décembre 2018 relatif à la surveillance et à la déclaration des émissions de gaz à effet de serre au titre de la directive 2003/87/CE du Parlement européen et du Conseil et modifiant le règlement (UE) n° 601/2012 de la Commission ;
  28° règlement (UE) 2019/1021 du Parlement européen et du Conseil du 20 juin 2019 concernant les polluants organiques persistants ;
  29° règlement délégué (UE) 2019/1666 de la Commission du 24 juin 2019 complétant le règlement (UE) 2017/625 du Parlement européen et du Conseil concernant les conditions de surveillance du transport et de l'arrivée des envois de certains biens, entre le poste de contrôle frontalier d'arrivée et l'établissement du lieu de destination dans l'Union ;
  30° règlement (UE) n° 2024/573 du Parlement européen et du Conseil du 7 février 2024 relatif aux gaz à effet de serre fluorés, modifiant la directive (UE) 2019/1937 et abrogeant le règlement (UE) n° 517/2014 ;
  31° règlement (UE) 2024/590 du Parlement européen et du Conseil du 7 février 2024 relatif à des substances qui appauvrissent la couche d'ozone et abrogeant le règlement (CE) n° 1005/2009 ;
  32° règlement (UE) n° 2024/1157 du Parlement européen et du Conseil du 11 avril 2024 relatif aux transferts de déchets, modifiant les règlements (UE) n° 1257/2013 et (UE) 2020/1056 et abrogeant le règlement (CE) n° 1013/2006.
Art. 4. Het verdrag inzake de verzameling, afgifte en inname van afval in de Rijn- en binnenvaart, ondertekend in Straatsburg op 9 september 1996 behoort tot de internationale milieuregelgeving, vermeld in artikel 16.1.1, § 1, tweede lid, van het decreet van 5 april 1995.
Art. 4. La Convention relative à la collecte, au dépôt et à la réception des déchets survenant en navigation rhénane et intérieure, signée à Strasbourg le 9 septembre 1996, fait partie de la règlementation environnementale internationale visée à l'article 16.1.1, § 1er, alinéa 2, du décret du 5 avril 1995.
Art. 5. De lijst van inbreuken in het kader van milieuhandhaving, vermeld in artikel 16.6.6, § 1, van het decreet van 5 april 1995, is opgenomen in bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 5. La liste d'infractions dans le cadre du maintien environnemental visé à l'article 16.6.6, § 1er, du décret du 5 avril 1995, est reprise à l'annexe 1re, jointe au présent arrêté.
HOOFDSTUK 2. - Toezicht en opsporing
CHAPITRE 2. - Surveillance et recherche
Afdeling 1. - Aanstelling van de toezichthouders en officieren van gerechtelijke politie - hulpofficieren van de procureur des Konings
Section 1re. - Désignation des superviseurs et des officiers de police judiciaire - officiers auxiliaires du procureur du Roi
Art. 6. § 1. In dit artikel wordt verstaan onder milieubeheerregelgeving: de regelgeving, vermeld in artikel 16.1.1, § 1, eerste lid, 2°, 3°, 4°, 5° /1, 7°, 9°, 11°, 12°, 14°, 15°, 16°, 17° bis, 19°, 21°, 22°, van het decreet van 5 april 1995, artikel 12 van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen en de regelgeving, vermeld in artikel 3, 1°, 2°, 5°, 8°, 13°, 22° en 24°, van dit besluit.
  § 2. De volgende personeelsleden kunnen toezichthouders zijn als vermeld in artikel 8, § 2, eerste lid, 1°, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, die bevoegd zijn voor omgevingshandhaving:
  1° de personeelsleden van het departement;
  2° de personeelsleden van het Agentschap voor Natuur en Bos;
  3° de personeelsleden van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij;
  4° de personeelsleden van het Vlaams Energie- en Klimaatagentschap;
  5° de personeelsleden van de Vlaamse Milieumaatschappij;
  6° de personeelsleden van de Vlaamse Landmaatschappij;
  7° de personeelsleden van het Departement Zorg;
  8° de personeelsleden van het Agentschap Wegen en Verkeer;
  9° de personeelsleden van het Departement Mobiliteit en Openbare Werken;
  10° de personeelsleden van het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust;
  11° de personeelsleden van het agentschap De Vlaamse Waterweg nv.
  De personeelsleden, vermeld in het eerste lid, worden aangesteld door de leidend ambtenaar van hun entiteit.
  § 3. Onder de personeelsleden, vermeld in § 2, kan de leidend ambtenaar van hun entiteit, rekening houdend met de taken van de entiteit, categorieën van toezichthouders aanstellen waarvan de toezichts- en opsporingsopdracht op de volgende wijze wordt beperkt:
  1° ze kan worden beperkt tot een of meer van de volgende bevoegdheidspakketten:
  a) de handhaving van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009;
  b) de handhaving van de milieubeheerregelgeving;
  c) de handhaving van de milieuhygiëneregelgeving;
  d) de handhaving van milieuvoorschriften voor geluid;
  2° ze kan worden beperkt tot toezichthouders zonder hoedanigheid van agent van gerechtelijke politie.
  § 4. De toezichthouders, vermeld in artikel 8, § 2, eerste lid, 3°, 4°, 5°, 7° en 8°, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, zijn niet bevoegd voor het toezicht en de opsporing betreffende milieuvoorschriften voor inrichtingen die conform de indelingslijst zijn ingedeeld als inrichtingen van klasse 1.
  In afwijking van het eerste lid kunnen de toezichthouders, bevoegd voor omgevingshandhaving, vermeld in het eerste lid, ook voor inrichtingen van klasse 1 vaststellingen verrichten op basis van zintuiglijke waarneming en kunnen ze zaken onderzoeken conform artikel 15 van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023 met inbegrip van het betredingsrecht, vermeld in artikel 18 van het voormelde decreet, dat voor die vaststellingen en onderzoeken nodig is.
  § 5. De bijzondere veldwachter, vermeld in artikel 8, § 2, eerste lid, 7°, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, kan worden aangesteld als toezichthouder, bevoegd voor omgevingshandhaving, door de leidend ambtenaar van het Agentschap voor Natuur en Bos, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 2°.
  De aanstelling van de bijzondere veldwachter als toezichthouder, bevoegd voor omgevingshandhaving, als vermeld in het eerste lid, gebeurt op voordracht van degene die de bijzondere veldwachter heeft aangesteld overeenkomstig artikel 61 van het Veldwetboek en met het voorafgaand akkoord van de betrokken bijzondere veldwachter.
  De bevoegdheid als toezichthouder, bevoegd voor omgevingshandhaving, van de bijzondere veldwachter, vermeld in het eerste lid, blijft beperkt tot het bevoegdheidspakket milieubeheerregelgeving of tot welbepaalde regelgeving uit het bevoegdheidspakket milieubeheerregelgeving die in het aanstellingsbesluit wordt omschreven, binnen de grenzen en onder de voorwaarden die daarbij kunnen worden bepaald.
  De bevoegdheid als toezichthouder, bevoegd voor omgevingshandhaving, van de bijzondere veldwachter, vermeld in het eerste lid, is beperkt tot de terreinen waarvoor hij overeenkomstig artikel 61 van het Veldwetboek als bijzondere veldwachter werd aangesteld. In het aanstellingsbesluit kan deze territoriale bevoegdheid verder beperkt worden tot een deel van voormelde terreinen.
  Met behoud van de toepassing van de grenzen en voorwaarden die in het aanstellingsbesluit zijn opgesomd, kan de bijzondere veldwachter, vermeld in het eerste lid, alleen de hoedanigheid van toezichthouder, bevoegd voor omgevingshandhaving, verkrijgen en behouden als die bijzondere veldwachter aan al de volgende voorwaarden voldoet:
  1° de bijzondere veldwachter voert geen jacht, bijzondere jacht of bestrijding uit in het gebied waarin die wordt aangesteld als toezichthouder;
  2° de bijzondere veldwachter is achttien jaar of ouder;
  3° de bijzondere veldwachter is niet veroordeeld wegens een misdrijf op milieubeheerregelgeving, en er zijn geen ernstige aanwijzingen dat de bijzondere veldwachter zich aan dergelijke misdrijven heeft schuldig gemaakt;
  4° de bijzondere veldwachter is niet veroordeeld wegens een misdrijf waarbij daden van geweld of weerspannigheid zijn gepleegd;
  5° de bijzondere veldwachter is niet volledig of gedeeltelijk vervallen verklaard van de rechten, vermeld in artikel 37, 6° en 7° van het Strafwetboek.
Art. 6. § 1er. Dans le présent article, on entend par réglementation en matière de gestion de l'environnement : la réglementation visée à l'article 16.1.1, § 1er, alinéa 1er, 2°, 3°, 4°, 5° /1, 7°, 9°, 11°, 12°, 14°, 15°, 16°, 17° bis, 19°, 21°, 22°, du décret du 5 avril 1995, l'article 12 du décret du 23 décembre 2011 relatif à la gestion durable de cycles de matériaux et de déchets, et à la réglementation visée à l'article 3, 1°, 2°, 5°, 8°, 13°, 22° et 24°, du présent arrêté.
  § 2. Peuvent être superviseur au sens de l'article 8, § 2, alinéa 1er, 1°, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, avec compétence pour le maintien environnemental :
  1° les membres du personnel du département ;
  2° les membres du personnel de l'Agence de la Nature et des Forêts (" Agentschap voor Natuur en Bos ") ;
  3° les membres du personnel de la Société publique des Déchets de la Région flamande (" Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij ") ;
  4° les membres du personnel de l'Agence flamande pour l'Energie et le Climat (" Vlaams Energie- en Klimaatagentschap ") ;
  5° les membres du personnel de la Société flamande de l'Environnement (" Vlaamse Milieumaatschappij ") ;
  6° les membres du personnel de l'Agence flamande terrienne (" Vlaamse Landmaatschappij ") ;
  7° les membres du personnel du Département Soins (" Departement Zorg ") ;
  8° les membres du personnel de l'Agence des Routes et de la Circulation (" Agentschap Wegen en Verkeer ") ;
  9° les membres du personnel du Département de la Mobilité et des Travaux publics (" Departement Mobiliteit en Openbare Werken ") ;
  10° les membres du personnel de l'Agence des Services maritimes et de la Côte (" Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust ") ;
  11° les membres du personnel de l'agence les Voies navigables flamandes SA (" De Vlaamse Waterweg nv ").
  Les membres du personnel visés à l'alinéa 1er sont désignés par le fonctionnaire dirigeant de leur entité.
  § 3. Parmi les membres du personnel visés au § 2, le fonctionnaire dirigeant de leur entité peut, en tenant compte des missions de l'entité, désigner des catégories de superviseurs dont la mission de supervision et de recherche est limitée de la manière suivante :
  1° elle peut être limitée à un ou plusieurs des paquets de compétences suivants :
  a) le maintien du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009 ;
  b) le maintien de la réglementation en matière de gestion de l'environnement ;
  c) le maintien de la réglementation en matière d'hygiène de l'environnement ;
  d) le maintien des prescriptions environnementales relatives au bruit ;
  2° elle peut être limitée aux superviseurs ne disposant pas de la qualité d'agent de police judiciaire.
  § 4. Les superviseurs visés à l'article 8, § 2, alinéa 1er, 3°, 4°, 5°, 7° et 8°, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023 ne sont pas compétents pour la supervision et la recherche en matières des prescriptions environnementales relatives aux établissements classés comme établissements de classe 1 selon la liste de classification.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, les superviseurs compétents pour le maintien environnemental visés à l'alinéa 1er, peuvent également effectuer des constatations pour les établissements de classe 1 sur la base d'observations sensorielles et examiner des éléments conformément à l'article 15 du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, y compris le droit d'entrée visé à l'article 18 du décret précité, qui est nécessaire pour ces constatations et examens.
  § 5. Le garde champêtre particulier visé à l'article 8, § 2, alinéa 1er, 7°, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, peut être désigné en tant que superviseur compétent pour le maintien environnemental par le fonctionnaire dirigeant de l'Agence de la Nature et des Forêts visée au paragraphe 2, alinéa 1er, 2°.
  La désignation du garde champêtre particulier en tant que superviseur compétent pour le maintien environnemental, visée à l'alinéa 1er, se fait sur proposition de la personne qui a désigné le garde champêtre particulier conformément à l'article 61 du Code rural et avec l'accord préalable du garde champêtre particulier en question.
  La compétence en tant que superviseur compétent pour le maintien environnemental du garde champêtre particulier visé à l'alinéa 1er reste limitée au paquet de compétences réglementation en matière de gestion de l'environnement ou à des réglementations déterminées du paquet de compétences réglementation en matière de gestion de l'environnement définies dans l'arrêté de désignation, dans les limites et aux conditions qui peuvent y être fixées.
  La compétence en tant que superviseur compétent pour le maintien environnemental du garde champêtre particulier visé à l'alinéa 1er reste limitée aux terrains pour lesquels il a été désigné en tant que garde champêtre particulier conformément à l'article 61 du Code rural. L'arrêté de désignation peut davantage limiter cette compétence territoriale à une partie des terrains susmentionnés.
  Nonobstant l'application des limites et conditions énumérées dans l'arrêté de désignation, le garde champêtre particulier visé à l'alinéa 1er ne peut acquérir et conserver la qualité de superviseur compétent pour le maintien environnemental que si ce garde champêtre particulier remplit toutes les conditions suivantes :
  1° le garde champêtre particulier n'exerce aucune activité de chasse, de chasse spéciale ou de lutte contre les animaux nuisibles dans la zone pour laquelle il est désigné superviseur ;
  2° le garde champêtre particulier est âgé de dix-huit ans ou plus ;
  3° le garde champêtre particulier n'a pas été condamné pour une violation de la réglementation en matière de gestion de l'environnement, et il n'y a pas d'indices sérieux que le garde champêtre particulier a commis de tels délits ;
  4° le garde champêtre particulier n'a pas été condamné pour un délit impliquant des actes de violence ou de rébellion ;
  5° le garde champêtre particulier n'a pas été déclaré totalement ou partiellement déchu des droits visés à l'article 37, 6° et 7° du Code pénal.
Art. 7. Met uitzondering van de toezichthouders, vermeld in artikel 8, § 2, eerste lid, 5° en 7°, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, verkrijgen toezichthouders, bevoegd voor omgevingshandhaving, de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie - hulpofficier van de procureur des Konings, als ze daartoe worden aangewezen door de Vlaamse minister, bevoegd voor justitie en handhaving, op voordracht van de entiteit of instantie die hen als toezichthouder heeft aangesteld.
  De toezichthouders, vermeld in artikel 8, § 2, eerste lid, 7°, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023 en in artikel 6, § 5 van dit besluit, verkrijgen de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, als ze daartoe worden aangewezen door de Vlaamse minister, bevoegd voor justitie en handhaving, op voordracht van de entiteit of instantie die hen als toezichthouder heeft aangesteld.
  Toezichthouders, bevoegd voor omgevingshandhaving, verkrijgen de hoedanigheid van toezichthouder als vermeld in artikel 22, § 1, eerste lid, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, als ze daartoe worden aangewezen door de Vlaamse minister, bevoegd voor justitie en handhaving, op voordracht van de entiteit of instantie die hen als toezichthouder heeft aangesteld.
  Toezichthouders, bevoegd voor omgevingshandhaving, verkrijgen voor de handhaving van de regelgeving, vermeld in artikel 16.1.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995, de hoedanigheid van toezichthouder als vermeld in artikel 87 § 1, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, als ze daartoe worden aangewezen door de leidend ambtenaar van het departement, op voordracht van de entiteit of instantie die hen als toezichthouder heeft aangesteld.
Art. 7. A l'exception des superviseurs visés à l'article 8, § 2, alinéa 1er, 5° et 7°, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, les superviseurs compétents pour le maintien environnemental acquièrent la qualité d'officier de police judiciaire - officier auxiliaire du procureur du Roi, s'ils sont désignés à cet effet par le ministre flamand chargé de la justice et du maintien, sur proposition de l'entité ou de l'instance qui les a désignés en tant que superviseurs.
  Les superviseurs visés à l'article 8, § 2, alinéa 1er, 7°, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023 et à l'article 6, § 5, du présent arrêté, acquièrent la qualité d'officier de police judiciaire lorsqu'ils sont désignés à cet effet par le ministre flamand chargé de la justice et du maintien, sur proposition de l'entité ou de l'instance qui les a désignés en tant que superviseurs.
  Les superviseurs compétents pour le maintien environnemental acquièrent la qualité de superviseur telle que visée à l'article 22, § 1er, alinéa 1er, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, lorsqu'ils sont désignés à cet effet par le ministre flamand chargé de la justice et du maintien, sur proposition de l'entité ou de l'instance qui les a désignés en tant que superviseurs.
  Les superviseurs compétents pour le maintien environnemental acquièrent pour le maintien de la réglementation visée à l'article 16.1.1, § 1er, du décret du 5 avril 1995, la qualité de superviseur telle que visée à l'article 87 § 1er, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, lorsqu'ils sont désignés à cet effet par le fonctionnaire dirigeant du département, sur proposition de l'entité ou de l'instance qui les a désignés en tant que superviseurs.
Afdeling 2. - Opleiding
Section 2. - Formation
Art. 8. § 1. In dit artikel wordt verstaan onder agentschap: het Agentschap Justitie en Handhaving dat is opgericht bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 september 2021 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap "Agentschap Justitie en Handhaving".
  § 2. Personen kunnen alleen worden aangewezen als toezichthouder, bevoegd voor omgevingshandhaving, als ze een opleiding hebben gevolgd die al de volgende modules omvat:
  1° het proportionele gebruik van de bevoegdheden voor het toezicht en de opsporing, vermeld in het hoofdstuk 2 van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023;
  2° processen-verbaal en verslagen van vaststelling opstellen;
  3° communicatievaardigheden en conflictbeheersing;
  4° verdachten en getuigen verhoren;
  5° het gebruik van de bevoegdheid om beveiligingsmaatregelen op te leggen, vermeld in hoofdstuk 5 van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023;
  6° de kennis over de bevoegdheidspakketten, vermeld in artikel 6, § 3, 1°, van dit besluit.
  § 3. De modules, vermeld in paragraaf 2, 1° tot en met 5°, worden aangeboden door instellingen die daarvoor erkend zijn door de Vlaamse minister, bevoegd voor justitie en handhaving.
  Toezichthouders die niet de hoedanigheid hebben van agent van gerechtelijke politie, hoeven de module, vermeld in paragraaf 2, 4°, niet te volgen.
  § 4. De module, vermeld in paragraaf 2, 6°, wordt aangeboden door het departement of door instellingen die daarvoor erkend zijn door de Vlaamse minister, bevoegd voor omgeving, en kan worden aangepast naargelang het profiel van de toezichthouder, daarbij onder meer rekening houdend met de bevoegdheidspakketten, vermeld in artikel 6, § 3, 1°.
  § 5. Toezichthouders, bevoegd voor omgevingshandhaving, kunnen alleen worden bekleed met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie of van officier van gerechtelijke politie - hulpofficier van de procureur des Konings, als ze een opleiding hebben gevolgd over het gebruik van de specifieke bevoegdheden die verbonden zijn aan die hoedanigheden, die wordt aangeboden door instellingen die daarvoor erkend zijn door de Vlaamse minister, bevoegd voor justitie en handhaving.
  § 6. Met het oog op hun erkenning richten de instellingen, vermeld in de paragrafen 3 tot en met 5, een aanvraag tot de bevoegde minister, waarin ze aantonen dat al de volgende erkenningsvoorwaarden zijn vervuld:
  1° ze beschikken over gekwalificeerde medewerkers;
  2° ze beschikken over de nodige lokalen en materiële uitrusting;
  3° ze beschikken over leerplannen die een adequate invulling geven aan de leerdoelen van de modules, vermeld in paragraaf 2.
  De bevoegde minister kan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in het eerste lid, nader bepalen.
  De bevoegde minister kan de erkenning van de instellingen, vermeld in paragraaf 3 tot en met 5, opheffen als de instelling in kwestie niet meer voldoet aan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in het eerste lid. De besluiten van de bevoegde minister over de erkenning of opheffing van de erkenning van de voormelde instellingen worden bekendgemaakt op de website van het agentschap of het departement.
  Wijzigingen van leerplannen als vermeld in het eerste lid, 3°, voor de modules, vermeld in paragraaf 2, 1° tot en met 5°, worden ter goedkeuring voorgelegd aan het agentschap, en wijzigingen van de leerplannen, vermeld in het eerste lid, 3°, voor de module, vermeld in paragraaf 2, 6°, worden ter goedkeuring voorgelegd aan het departement.
  § 7. Het departement of de instelling die de opleiding of modules, vermeld in paragraaf 2 en 5, heeft verstrekt, verleent een attest als bewijs dat de opleidingen of modules is gevolgd.
  § 8. De opleidingsvereisten, vermeld in paragraaf 2, 1° tot en met 5°, en paragraaf 5, worden van toepassing één jaar nadat één of meer instellingen erkend zijn conform paragraaf 3 en 5.
  De opleidingsvereisten, vermeld in paragraaf 2 en 5, gelden niet voor de personeelsleden van het operationele kader van de politiediensten, vermeld in artikel 2 van de wet op het politieambt van 5 augustus 1992.
  De opleidingsvereisten, vermeld in paragraaf 2 en 5, gelden niet voor de personen, vermeld in artikel 107, eerste en tweede lid, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023.
  De personen, vermeld in het derde lid, volgen de modules en opleidingen, vermeld in dit artikel, zodra ze daarvoor worden opgeroepen door het agentschap of het departement.
  § 9. De Vlaamse minister, bevoegd voor justitie en handhaving, kan opleidingen, die zijn georganiseerd vóór de opleidingsvereisten, vermeld in paragraaf 2 en 5, van toepassing waren, gelijkstellen met alle of bepaalde opleidingen of modules, vermeld in paragraaf 2, 1° tot en met 5°, en paragraaf 5.
  De Vlaamse minister, bevoegd voor justitie en handhaving, kan een lijst bepalen met diploma's en getuigschriften, waarvan de houders vrijgesteld zijn van alle of bepaalde opleidingen of modules, vermeld in paragraaf 2, 1° tot en met 5°, en paragraaf 5.
  De Vlaamse minister, bevoegd voor omgeving, kan in dezelfde zin als in het eerste en tweede lid beslissen, voor wat betreft de module, vermeld in paragraaf 2, 6°.
  § 10. In afwijking van paragraaf 2 en met behoud van de toepassing van paragraaf 8 kunnen personen die over de nodige kennis en eigenschappen beschikken maar de vereiste opleiding nog niet hebben gevolgd, worden aangesteld als toezichthouder, bevoegd voor omgevingshandhaving, voor een niet-verlengbare termijn van vijf jaar.
  § 11. Toezichthouders, bevoegd voor omgevingshandhaving, volgen bijscholing voor de onderwerpen, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 1° tot en met 6°, als ze daarvoor worden opgeroepen door het agentschap of het departement.
  Deze paragraaf is niet van toepassing op de personeelsleden van het operationele kader van de politiediensten, vermeld in artikel 2 van de wet op het politieambt van 5 augustus 1992.
Art. 8. § 1er. Dans le présent article, on entend par agence : l'Agence de la Justice et du Maintien créée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 septembre 2021 portant création de l'agence autonomisée interne Agence de la Justice et du Maintien (" Agentschap Justitie en Handhaving ").
  § 2. Seules les personnes ayant suivi une formation incluant l'ensemble des modules suivants peuvent être désignées en tant que superviseurs compétents pour le maintien environnemental :
  1° l'usage proportionné des compétences en matière de supervision et de recherche visées au chapitre 2 du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023 ;
  2° la rédaction des procès-verbaux et des rapports de constatation ;
  3° les aptitudes de communication et la gestion des conflits ;
  4° l'interrogatoire des suspects et des témoins ;
  5° l'exercice de la compétence d'imposer des mesures de sécurité visées au chapitre 5 du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023 ;
  6° les connaissances relatives aux paquets de compétences visés à l'article 6, § 3, 1°, du présent arrêté.
  § 3. Les modules visés au paragraphe 2, 1° à 5°, sont dispensés par des institutions agréées à cet effet par le ministre flamand chargé de la justice et du maintien.
  Les superviseurs qui n'ont pas la qualité d'officier de police judiciaire ne sont pas tenus de suivre le module visé au paragraphe 2, 4°.
  § 4. Le module visé au paragraphe 2, 6°, est dispensé par le département ou par des institutions agréées à cet effet par le ministre flamand chargé de l'environnement, et peut être adapté en fonction du profil du superviseur, en tenant compte notamment des paquets de compétences visés à l'article 6, § 3, 1°.
  § 5. Les superviseurs compétents pour le maintien environnemental ne peuvent se voir attribuer la qualité d'officier de police judiciaire ou d'officier de police judiciaire - officier auxiliaire du procureur du Roi, que s'ils ont suivi une formation relative à l'exercice des compétences spécifiques liées à ces qualités, dispensée par des institutions agréées à cet effet par le ministre flamand chargé de la justice et du maintien.
  § 6. En vue de leur agrément, les institutions visées aux paragraphes 3 à 5 soumettent auprès du ministre compétent une demande démontrant que toutes les conditions d'agrément suivantes sont remplies :
  1° elles disposent de personnel qualifié ;
  2° elles disposent des locaux et de l'équipement matériel nécessaires ;
  3° elles disposent des programmes de formation qui répondent de manière adéquate aux objectifs d'apprentissage des modules visés au paragraphe 2.
  Le ministre compétent peut spécifier les conditions d'agrément visées à l'alinéa 1er.
  Le ministre compétent peut suspendre l'agrément des institutions visées aux paragraphes 3 à 5 si l'institution en question ne remplit plus les conditions d'agrément visées à l'alinéa 1er. Les arrêtés du ministre compétent concernant l'agrément ou le retrait de l'agrément des institutions précitées sont publiés sur le site web de l'agence ou du département.
  Les modifications aux programmes de formation visés à l'alinéa 1er, 3°, pour les modules visés au paragraphe 2, 1° à 5°, sont soumises à l'approbation de l'agence, et les modifications aux programmes de formation visés à l'alinéa 1er, 3°, pour le module visé au paragraphe 2, 6°, sont soumises à l'approbation du département.
  § 7. Le département ou l'institution qui a dispensé la formation ou les modules visés aux paragraphes 2 et 5 délivre un certificat attestant que les formations ou les modules ont été suivis.
  § 8. Les exigences en matière de formation visées aux paragraphes 2, 1° à 5°, et 5, entrent en vigueur un an après qu'une ou plusieurs institutions ont été agréées conformément aux paragraphes 3 et 5.
  Les exigences en matière de formation visées aux paragraphes 2 et 5, ne s'appliquent pas aux membres du personnel du cadre opérationnel des services de police visés à l'article 2 de la loi sur la fonction de police du 5 août 1992.
  Les exigences en matière de formation visées aux paragraphes 2 et 5 ne s'appliquent pas aux personnes visées à l'article 107, alinéas 1er et 2, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023.
  Les personnes visées à l'alinéa 3 suivent les modules et formations visés au présent article dès qu'elles y sont convoquées par l'agence ou le département.
  § 9. Le ministre flamand chargé de la justice et du maintien peut assimiler des formations organisées avant l'entrée en vigueur des exigences en matière de formation visées aux paragraphes 2 et 5 à l'ensemble ou à certains des modules ou formations visés aux paragraphes 2, 1° à 5°, et 5.
  Le ministre flamand chargé de la justice et du maintien peut établir une liste de diplômes et de certificats dont les titulaires sont dispensés de l'ensemble ou de certains des modules ou formations visés aux paragraphes 2, 1° à 5°, et 5.
  En ce qui concerne le module visé au paragraphe 2, 6°, le ministre chargé de l'environnement peut prendre les mêmes décisions que celles visées aux alinéas 1er et 2.
  § 10. Par dérogation au paragraphe 2 et sans préjudice de l'application du paragraphe 8, les personnes possédant les connaissances et qualités nécessaires mais n'ayant pas encore suivi la formation requise peuvent être désignées en tant que superviseur compétent pour le maintien environnemental pour un mandat non renouvelable de cinq ans.
  § 11. Les superviseurs compétents pour le maintien environnemental suivent un perfectionnement sur les sujets visés au paragraphe 2, alinéa 1er, 1° à 6°, lorsqu'ils y sont convoqués par l'agence ou le département.
  Le présent paragraphe ne s'applique pas aux membres du personnel du cadre opérationnel des services de police visés à l'article 2 de la loi sur la fonction de police du 5 août 1992.
Afdeling 3. - Technische controles
Section 3. - Contrôles techniques
Art. 9. § 1. Technische controles, meer bepaald monsternemingen, metingen, proeven, analyses en verificaties als vermeld in artikel 15, § 3, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, worden uitgevoerd conform de bepalingen, vermeld in paragraaf 2, en bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd.
  § 2. Technische controles worden uitgevoerd op basis van een referentiemeetmethode door toezichthouders of door daartoe erkende natuurlijke personen of rechtspersonen.
  De volgende methoden worden beschouwd als referentiemeetmethode en worden toegepast in de volgende volgorde, die ook van toepassing is bij onderlinge tegenstrijdigheden:
  a) de methoden, vermeld in de toepasselijke bepalingen in de wetten, decreten en besluiten die van toepassing zijn in het Vlaamse Gewest;
  b) de methoden, vermeld in Belgische normen die worden uitgegeven door het NBN;
  c) de methoden, vermeld in normen die worden uitgegeven door het Comité Européen de Normalisation (CEN);
  d) de methoden, vermeld in normen die worden uitgegeven door de International Organization for Standardization (ISO);
  e) de methoden die worden uitgegeven door de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (VITO);
  In afwijking van het tweede lid kan de toezichthouder op gemotiveerde wijze beslissen dat een bepaalde referentiemeetmethode kan gebruikt worden, ook al wordt daardoor afgeweken van de hiërarchie geregeld in de punten b tot en met e van het tweede lid.
  Als er voor een specifieke technische controle als vermeld in paragraaf 1, eerste lid, geen referentiemeetmethode bestaat, wordt die technische controle uitgevoerd volgens een methode die de toezichthouder in kwestie aanvaardt.
  Als er voor een specifieke technische controle als vermeld in paragraaf 1, eerste lid, geen natuurlijke persoon of rechtspersoon die daarvoor is erkend, bestaat, kan die technische controle ook uitgevoerd worden door een geaccrediteerd laboratorium of bij gebreke daaraan door een natuurlijke persoon of rechtspersoon die door de betrokken toezichthouder wordt aanvaard.
Art. 9. § 1er. Les contrôles techniques, en particulier les échantillonnages, les mesures, les tests, les analyses et les vérifications tels que visés à l'article 15, § 3, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, sont effectués conformément aux dispositions visées au paragraphe 2 et à l'annexe 2 jointe au présent arrêté.
  § 2. Les contrôles techniques sont effectués sur la base d'une méthode de mesure de référence par des superviseurs ou par des personnes physiques ou morales agréées à cet effet.
  Les méthodes suivantes sont considérées comme des méthodes de mesure de référence et sont appliquées dans l'ordre suivant, qui s'applique également en cas de contradictions entre elles :
  a) les méthodes visées dans les dispositions pertinentes des lois, décrets et arrêtés qui s'appliquent en Région flamande ;
  b) les méthodes visées dans les normes belges publiées par le NBN ;
  c) les méthodes visées dans les normes publiées par le Comité européen de Normalisation (CEN) ;
  d) les méthodes visées dans les normes publiées par l'Organisation internationale de normalisation (ISO) ;
  e) les méthodes publiées par l'Institut flamand de recherche technologique (VITO) ;
  Par dérogation à l'alinéa 2, le superviseur peut de manière motivée autoriser l'utilisation d'une certaine méthode de mesure de référence, même si cela implique une dérogation à la hiérarchie prévue aux points b à e de l'alinéa 2.
  Lorsqu'il n'existe pas de méthode de mesure de référence pour un contrôle technique spécifique tel que visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, ce contrôle technique est effectué conformément à une méthode acceptée par le superviseur en question.
  Lorsqu'il n'existe pas de personne physique ou morale agréée pour effectuer un contrôle technique spécifique tel que visé au paragraphe 1er, alinéa 1, ce contrôle technique peut également être effectué par un laboratoire accrédité ou, à défaut, par une personne physique ou morale acceptée par le superviseur concerné.
HOOFDSTUK 3. - Bestuurlijke sanctionering
CHAPITRE 3. - Sanction administrative
Art. 10. De Vlaamse minister, bevoegd voor omgeving, of de gemachtigde van de minister wijst de personeelsleden van het departement aan die optreden als beboetingsinstantie.
Art. 10. Le ministre flamand chargé de l'environnement, ou le délégué du ministre, désigne les membres du personnel du département qui agissent en tant qu'instance verbalisante.
HOOFDSTUK 4. - Herstel
CHAPITRE 4. - Réparation
Afdeling 1. - Herstelinstanties
Section 1re. - Instances de réparation
Art. 11. § 1. De leidend ambtenaren, vermeld in artikel 6, § 2, tweede lid, van dit besluit, wijzen de personeelsleden aan van hun entiteit die herstelinstantie zijn conform artikel 16.1.3 van het decreet van 5 april 1995.
  De herstelinstanties, vermeld in het eerste lid, zijn bevoegd voor de regelgeving, vermeld in artikel 16.1.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995.
  De bevoegdheid van de herstelinstanties, vermeld in artikel 16.1.3, § 1, eerste lid, 2°, 3° en 4°, van het decreet van 5 april 1995, is beperkt tot de milieuvoorschriften, vermeld in bijlage 3, die bij dit besluit is gevoegd.
  § 2. De leidend ambtenaar van het departement wijst de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteurs aan.
Art. 11. § 1er. Les fonctionnaires dirigeants visés à l'article 6, § 2, alinéa 2, du présent arrêté désignent les membres du personnel de leur entité qui agissent en tant qu'instance de réparation conformément à l'article 16.1.3 du décret du 5 avril 1995.
  Les instances de réparation visées à l'alinéa 1er sont compétentes pour la réglementation visée à l'article 16.1.1, § 1er, du décret du 5 avril 1995.
  La compétence des instances de réparation visée à l'article 16.1.3, § 1er, alinéa 1er, 2°, 3° et 4°, du décret du 5 avril 1995, est limitée aux prescriptions environnementales visées à l'annexe 3 jointe au présent arrêté.
  § 2. Le fonctionnaire dirigeant du département désigne les inspecteurs urbanistes régionaux.
Afdeling 2. - Herstelschikkingen
Section 2. - Accords de réparation
Art. 12. Binnen de grenzen van hun bevoegdheid kunnen ook herstelinstanties als vermeld in artikel 16.1.3 van het decreet van 5 april 1995, en artikel 1.4.9 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, die niet tot de Vlaamse overheid behoren, herstelschikkingen sluiten. Artikel 62, § 1, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023 is van overeenkomstige toepassing.
  Herstelschikkingen worden in de volgende gevallen bekrachtigd door de volgende instanties of personen:
  1° als ze betrekking hebben op publieke schade aan belangen die door de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 worden beschermd: de Vlaamse herstelraad, vermeld in artikel 16 van dit besluit;
  2° als ze uitgaan van een herstelinstantie van de Vlaamse overheid, en betrekking hebben op publieke schade aan belangen die door milieuvoorschriften worden beschermd: de leidend ambtenaar van de entiteit waartoe de herstelinstantie behoort, of de gemachtigde van die leidend ambtenaar;
  3° als ze uitgaan van een herstelinstantie als vermeld in het eerste lid, en betrekking hebben op publieke schade aan belangen die door milieuvoorschriften worden beschermd: het college van burgemeester en schepen van de gemeente waarin de publieke schade zich heeft voorgedaan.
  In afwijking van het tweede lid worden herstelschikkingen bekrachtigd door de Vlaamse minister, bevoegd voor omgeving, of de gemachtigde van de minister, wanneer de financiële tegenwaarde van de publieke schade die feitelijk onhersteld blijft een begroot bedrag van meer dan 500.000 euro overstijgt.
Art. 12. Dans les limites de leur compétence, les instances de réparation visées à l'article 16.1.3 du décret du 5 avril 1995 et à l'article 1.4.9 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009, qui ne relèvent pas de l'Autorité flamande, peuvent également convenir des accords de réparation. L'article 62, § 1er, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023 s'applique mutatis mutandis.
  Dans les cas suivants, les accords de réparation sont sanctionnés par les instances ou personnes suivantes :
  1° lorsqu'ils concernent des dommages publics causés à des intérêts protégés par le Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009 : le conseil flamand de réparation (" Vlaamse herstelraad ") visé à l'article 16 du présent arrêté ;
  2° lorsqu'ils émanent d'une instance de réparation relevant de l'Autorité flamande et concernent des dommages publics causés à des intérêts protégés par les prescriptions environnementales : le fonctionnaire dirigeant de l'entité à laquelle appartient l'instance de réparation, ou le mandataire de ce fonctionnaire dirigeant ;
  3° lorsqu'ils émanent d'une instance de réparation telle que visée à l'alinéa 1er et concernent des dommages publics causés à des intérêts protégés par les prescriptions environnementales : le collège des bourgmestre et échevins de la commune où le dommage public s'est produit.
  Par dérogation à l'alinéa 2, les accords de réparation sont sanctionnés par le ministre flamand chargé de l'environnement ou le délégué du ministre, lorsque l'équivalent financier des dommages publics qui ne seront effectivement pas réparés dépasse un montant estimé de plus de 500 000 euros.
Afdeling 3. - Handhavingsverzoeken
Section 3. - Demandes de maintien
Art. 13. § 1. Het handhavingsverzoek vermeld in artikel 96 van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023 wordt in de volgende gevallen bij de volgende instanties of personen ingediend met een beveiligde zending:
  1° als het misdrijf of de inbreuk, vermeld in artikel 96 van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, een schending uitmaakt van milieuvoorschriften: bij een bevoegde herstelinstantie als vermeld in artikel 16.1.3, § 1, eerste lid, van het decreet van 5 april 1995;
  2° als het misdrijf of de inbreuk, vermeld in artikel 96 van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, een schending uitmaakt van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009: bij de bevoegde gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester of de plaatsvervanger van de burgemeester.
  Als een handhavingsverzoek gericht wordt aan een onbevoegde persoon of instantie, stuurt die persoon of die instantie het verzoek zo snel mogelijk door naar de bevoegde herstelinstantie.
  Als een handhavingsverzoek met betrekking tot een schending van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 inpasbaar is in de gewestelijke prioriteiten ruimtelijke ordening, vastgelegd in de beleidslijnen of het omgevingshandhavingsprogramma, vermeld in artikel 19 en 22, kan de bevoegde gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester of de plaatsvervanger van de burgemeester het voor verdere afhandeling overmaken aan de bevoegde gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur.
  Een handhavingsverzoek is onontvankelijk als het wordt ingediend bij meer dan één bevoegde herstelinstantie.
  Als een handhavingsverzoek betrekking heeft op misdrijven of inbreuken die een combinatie vormen van de schendingen, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, maakt de verzoeker hiervan melding in zijn verzoek. De bevoegde herstelinstantie die het verzoek ontvangt, betrekt de andere bevoegde herstelinstantie of herstelinstanties en ze nemen samen een beslissing.
  § 2. Een handhavingsverzoek is ontvankelijk als het voldoet aan de volgende voorwaarden:
  1° het bevat de voor- en achternaam en de woonplaats van de verzoeker of de maatschappelijke benaming en de zetel van de verzoeker. Als de woonplaatskeuze bij de raadsman van de verzoeker wordt gedaan, wordt dat in het handhavingsverzoek aangegeven;
  2° de verzoeker of de raadsman van de verzoeker hebben het verzoek ondertekend. In geval van ondertekening door een raadsman wordt een schriftelijke machtiging bijgevoegd, tenzij de raadsman ingeschreven is als advocaat of advocaat-stagiair;
  3° het bevat de gegevens, vermeld in artikel 96, tweede lid, 1° tot en met 3°, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023;
  4° in voorkomend geval bevat het een inventaris van de bijgevoegde overtuigingsstukken.
  De verzoeker kan via een beveiligde zending gevraagd worden om het handhavingsverzoek dat niet voldoet aan de voorwaarden uit het eerste lid te regulariseren. Dit gebeurt via een beveiligde zending binnen een termijn van 7 dagen na de kennisgeving van het regularisatieverzoek met beveiligde zending.
  § 3. De behandelende overheid, vermeld in paragraaf 1, brengt de verzoeker zo snel mogelijk en in elk geval binnen zestig dagen na de kennisgeving van een handhavingsverzoek met een beveiligde zending op de hoogte van haar beslissing.
  Zolang niet definitief is beslist over een eerder handhavingsverzoek voor dezelfde schade, kan de verzoeker geen nieuw handhavingsverzoek voor dezelfde schade indienen.
Art. 13. § 1er. La demande de maintien visée à l'article 96 du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023 est introduite, dans les cas suivants, auprès des instances ou personnes suivantes par envoi sécurisé :
  1° lorsque le délit ou l'infraction visé à l'article 96 du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023 constitue une violation des prescriptions environnementales : auprès d'une instance de réparation compétente telle que visée à l'article 16.1.3, § 1er, alinéa 1er, du décret du 5 avril 1995 ;
  2° lorsque le délit ou l'infraction visés à l'article 96 du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023 constitue une violation du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009 : auprès de l'inspecteur urbaniste communal compétent ou du bourgmestre ou du suppléant du bourgmestre.
  Lorsqu'une demande de maintien est adressée à une personne ou instance non compétente, cette personne ou instance transmet la demande dans les plus brefs délais à l'instance de réparation compétente.
  Lorsqu'une demande de maintien relative à une violation au Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009 est compatible avec les priorités régionales d'aménagement du territoire définies dans les lignes directrices ou le programme de maintien environnemental visés aux articles 19 et 22, l'inspecteur urbaniste communal compétent, le bourgmestre ou le suppléant du bourgmestre peut la transmettre à l'inspecteur urbaniste régional compétent.
  Une demande de maintien est irrecevable si elle est introduite auprès de plus d'une instance de réparation compétente.
  Lorsqu'une demande de maintien concerne des délits ou infractions constituant une combinaison des violations visées à l'alinéa 1er, 1° et 2°, le demandeur en fait mention dans sa demande. L'instance de réparation compétente qui reçoit la demande associe l'autre ou les autres instances de réparation compétentes, et elles prennent une décision conjointement.
  § 2. Une demande de maintien est recevable si elle remplit les conditions suivantes :
  1° elle comprend les nom, prénom et domicile du demandeur ou la dénomination sociale et le siège social du demandeur. Lorsque le demandeur élit domicile chez son conseil, la demande de maintien le mentionne ;
  2° le demandeur ou son conseil a signé la demande. En cas de signature par un conseiller, une autorisation écrite est jointe, à moins que le conseiller ne soit inscrit comme avocat ou avocat stagiaire ;
  3° elle comprend les données visées à l'article 96, alinéa 2, 1° à 3°, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023 ;
  4° le cas échéant, elle comprend un inventaire des pièces à conviction jointes.
  Le demandeur peut être invité, par envoi sécurisé, à régulariser la demande de maintien qui ne remplit pas les conditions énumérées à l'alinéa 1er. La demande régularisée est transmise par envoi sécurisé dans un délai de 7 jours à compter de la notification de la demande de régularisation par envoi sécurisé.
  § 3. L'autorité traitante visée au paragraphe 1er informe le demandeur par envoi sécurisé de sa décision dans les plus brefs délais et, en tout état de cause, dans les soixante jours à compter de la notification d'une demande de maintien.
  Tant qu'une décision définitive n'a pas été prise concernant une demande de maintien antérieure relative au même dommage, le demandeur ne peut pas introduire une nouvelle demande de maintien pour ce même dommage.
Afdeling 4. - Beroep tegen herstelbeslissingen
Section 4. - Recours contre les décisions de réparation
Art. 14. § 1. De overtreder kan tegen een bestuurlijke herstelbeslissing waarin een publieke herstelmaatregel of inperkende maatregel wordt opgelegd, beroep aantekenen bij de Vlaamse minister, bevoegd voor omgeving, conform artikel 98 van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023.
  Het beroep schorst de bestuurlijke herstelbeslissingen met uitzondering van de daarin opgelegde inperkende maatregelen en met uitzondering van de beslissingen van bestuursdwang buiten de context van een bestuurlijk herstelbevel zoals vermeld in artikel 52, tweede lid van het KVH.
  Het beroep, vermeld in het eerste lid, wordt binnen een vervaltermijn van twintig dagen vanaf de kennisgeving van de bestuurlijke herstelbeslissing ingediend via het maatregelenregister of met een beveiligde zending die gericht is aan de Vlaamse minister, bevoegd voor omgeving, op het adres van het departement. Als de beroepsindiener gehoord wil worden, meldt die dat in het beroepschrift.
  Het beroepschrift voldoet op straffe van onontvankelijkheid aan de volgende voorwaarden:
  1° het bevat de voor- en achternaam en de woonplaats van de beroepsindiener of de maatschappelijke benaming en de zetel van de beroepsindiener. Als woonplaatskeuze bij de raadsman van de beroepsindiener wordt gedaan, wordt dat in het beroepschrift aangegeven;
  2° de beroepsindiener of de raadsman van de beroepsindiener heeft het beroep ondertekend. Een schriftelijke machtiging wordt bijgevoegd, tenzij de raadsman ingeschreven is als advocaat of advocaat-stagiair;
  3° het vermeldt het voorwerp van het beroep, met een omschrijving van de ingeroepen argumenten;
  4° het bevat een kopie van de bestreden beslissing.
  Als het beroep, vermeld in het eerste lid, wordt ingediend via het maatregelenregister, is de voorwaarde, vermeld in het derde lid, 4°, niet van toepassing.
  Overtuigingsstukken die al in het hersteldossier zijn opgenomen, hoeven niet gevoegd te worden bij het beroepschrift, vermeld in het derde lid. Het beroepschrift bevat in voorkomend geval een inventaris van de overtuigingsstukken.
  De beroepsindiener kan met een beveiligde zending gevraagd worden om het beroepschrift dat niet voldoet aan de voorwaarden uit het derde lid, te regulariseren. De regularisatie gebeurt via het maatregelenregister of met een beveiligde zending binnen een termijn van 7 dagen na de kennisgeving van het regularisatieverzoek.
  § 2. Het departement onderzoekt het beroep, vermeld in paragraaf 1, op zijn ontvankelijkheid:
  1° als het beroep onontvankelijk is, brengt het departement de beroepsindiener en de herstelinstantie die de bestuurlijke herstelbeslissing heeft genomen, daarvan met een beveiligde zending op de hoogte binnen veertien dagen nadat het beroep is ontvangen. In dat geval is de procedure voor het niet-ontvankelijk bevonden beroep daarmee beëindigd;
  2° als het beroep ontvankelijk wordt bevonden, brengt het departement de beroepsindiener, de herstelinstantie die de bestuurlijke herstelbeslissing heeft genomen daarvan gelijktijdig met een beveiligde zending op de hoogte binnen veertien dagen nadat het beroep is ontvangen.
  § 3. De Vlaamse minister, bevoegd voor omgeving, en het departement nemen kennis van het hersteldossier via het maatregelenregister.
  In geval van technische onmogelijkheid wordt de herstelinstantie die de herstelbeslissing heeft genomen, verzocht het hersteldossier integraal over te maken aan het departement binnen de termijn die het departement bepaalt.
  § 4. Bij een ontvankelijk beroep als vermeld in paragraaf 2, 2°, geeft het departement binnen vijfenveertig dagen vanaf de datum van de kennisgeving van de ontvankelijkheid, vermeld in paragraaf 2, 2°, een advies over het beroep, dat onmiddellijk aan de Vlaamse minister, bevoegd voor omgeving, bezorgd wordt.
  In het geval, vermeld in paragraaf 3, tweede lid, begint de termijn, vermeld in het eerste lid, pas te lopen de dag nadat het departement het integrale dossier van de herstelinstantie heeft ontvangen.
  § 5. Binnen een vervaltermijn van negentig dagen na het instellen van het beroep conform paragraaf 1, tweede lid, neemt de Vlaamse minister, bevoegd voor omgeving, een beslissing over het beroep en in voorkomend geval een nieuwe bestuurlijke herstelbeslissing.
  De Vlaamse minister, bevoegd voor omgeving, kan ook een beslissing nemen over de dwangsommen die eventueel op grond van de bestreden beslissing al verbeurd zijn.
  Als het ingestelde beroep betrekking heeft op publieke herstelmaatregelen voor publieke schade aan belangen die door de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening worden beschermd, wint de Vlaamse minister, bevoegd voor omgeving, het advies in van de Vlaamse Herstelraad, vermeld in artikel 16. Het advies onderzoekt of de publieke herstelmaatregelen overeenstemmen met de vereisten, vermeld in artikel 48 van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, en de algemene beleidslijnen van herstel, vermeld in artikel 76 van het voormelde decreet. Het advies is niet bindend. Indien het advies niet wordt verleend binnen vijfenveertig dagen na de betekening van de adviesaanvraag, kan aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.
  De Vlaamse minister, bevoegd voor omgeving, kan de beslissingstermijn, vermeld in het eerste lid, eenmalig verlengen met zestig dagen, op voorwaarde dat de beroepsindiener van die termijnverlenging op de hoogte wordt gebracht met een kennisgeving die verzonden wordt binnen de initiële termijn van negentig dagen.
  De termijn van negentig dagen is geschorst vanaf de adviesaanvraag, vermeld in het derde lid, tot de dag dat het advies wordt verleend of tot de termijn voor het verlenen van advies is verstreken.
  Als de Vlaamse minister, bevoegd voor omgeving, niet tijdig beslist over het beroep of als de kennisgeving van een termijnverlenging niet tijdig wordt gedaan, vervalt de herstelbeslissing. Degene aan wie het bestuurlijk herstelbevel is opgelegd en de herstelinstantie die de bestreden bestuurlijke herstelbeslissing heeft genomen, worden schriftelijk op de hoogte gebracht van het verval.
  § 6. De beroepsindiener en de herstelinstantie die de bestuurlijke herstelbeslissing heeft genomen, worden binnen tien dagen na de datum van de beslissing, vermeld in paragraaf 5, eerste, tweede en vierde lid, met een beveiligde zending op de hoogte gebracht van die beslissing.
Art. 14. § 1er. Conformément à l'article 98 du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023 le contrevenant peut introduire un recours auprès du ministre flamand chargé de l'environnement contre une décision administrative de réparation imposant une mesure de réparation publique ou une mesure restrictive.
  Le recours suspend les décisions administratives de réparation à l'exception des mesures restrictives qui y sont imposées et des décisions de contrainte administrative en dehors du contexte d'une injonction administrative de réparation telle que visée à l'article 52, alinéa 2, du Décret-cadre Maintien flamand.
  Le recours visé à l'alinéa 1er est introduit au moyen du registre de mesures ou par envoi sécurisé adressé au ministre flamand chargé de l'environnement, à l'adresse du département, dans un délai d'échéance de vingt jours à compter de la notification de la décision administrative de réparation. Si l'auteur du recours souhaite être entendu, il le mentionne dans la déclaration de recours.
  La déclaration de recours satisfait aux conditions suivantes sous peine d'irrecevabilité :
  1° elle comprend les nom, prénom et le domicile de l'auteur du recours ou la dénomination sociale et le siège social de l'auteur du recours. Lorsque l'auteur du recours élit domicile chez son conseil, la déclaration de recours le mentionne ;
  2° l'auteur du recours ou son conseil a signé le recours. Une autorisation écrite est jointe, à moins que le conseil ne soit inscrit comme avocat ou avocat-stagiaire ;
  3° elle mentionne l'objet du recours, avec une description des arguments invoqués ;
  4° elle comprend une copie de la décision contestée.
  Si le recours visé à l'alinéa 1er est introduit au moyen du registre de mesures, la condition visée à l'alinéa 3, 4°, ne s'applique pas.
  Les pièces à conviction déjà incluses dans le dossier de réparation ne doivent pas être jointes à la déclaration de recours visée à l'alinéa 3. La déclaration de recours inclut, le cas échéant, un inventaire des pièces à conviction.
  L'auteur du recours peut être invité, par envoi sécurisé, à régulariser le recours qui ne remplit pas les conditions énumérées à l'alinéa 3. La régularisation se fait au moyen du registre de mesures ou par envoi sécurisé dans un délai de 7 jours à compter de la notification de la demande de régularisation.
  § 2. Le département examine la recevabilité du recours visé au paragraphe 1er :
  1° si le recours est déclaré irrecevable, le département en informe l'auteur du recours et l'instance de réparation qui a pris la décision administrative de réparation, par envoi sécurisé dans un délai de quatorze jours à compter de la réception du recours. Dans ce cas, la procédure relative au recours déclaré irrecevable est close ;
  2° si le recours est déclaré recevable, le département en informe simultanément l'auteur du recours et l'instance de réparation qui a pris la décision administrative de réparation, par envoi sécurisé dans un délai de quatorze jours à compter de la réception du recours.
  § 3. Le ministre flamand chargé de l'environnement et le département prennent connaissance du dossier de réparation au moyen du registre de mesures.
  En cas d'impossibilité technique, l'instance de réparation qui a pris la décision de réparation est invitée à transmettre l'intégralité du dossier de réparation au département dans le délai fixé par celui-ci.
  § 4. En cas de recours recevable tel que visé au paragraphe 2, 2°, le département rend un avis sur le recours dans un délai de quarante-cinq jours à compter de la date de notification de la recevabilité telle que visée au paragraphe 2, 2°. Cet avis est immédiatement transmis au ministre flamand chargé de l'environnement.
  Dans le cas visé au paragraphe 3, alinéa 2, le délai visé à l'alinéa 1er ne prend cours que le jour suivant la réception par le département du dossier complet de l'instance de réparation.
  § 5. Dans un délai d'échéance de nonante jours à compter de l'introduction du recours conformément au paragraphe 1er, alinéa 2, le ministre flamand chargé de l'environnement prend une décision concernant le recours et, le cas échéant, une nouvelle décision administrative de réparation.
  Le ministre flamand chargé de l'environnement peut également statuer sur les astreintes éventuellement encourues en vertu de la décision contestée.
  Si le recours introduit concerne des mesures de réparation publiques pour des dommages publics causés à des intérêts protégés par le Code flamand de l'Aménagement du Territoire, le ministre flamand chargé de l'environnement sollicite l'avis du conseil flamand de réparation visé à l'article 16. L'avis examine si les mesures de réparation publiques correspondent aux exigences visées à l'article 48 du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023 et aux lignes directrices générales en matière de réparation visées à l'article 76 du décret précité. L'avis n'est pas contraignant. Si l'avis n'est pas rendu dans un délai de quarante-cinq jours à compter de la signification de la demande d'avis, il peut être passé outre à l'exigence de l'avis.
  Le ministre flamand chargé de l'environnement peut prolonger une seule fois le délai de décision visé à l'alinéa 1er de soixante jours, à condition que l'auteur du recours soit informé de cette prolongation par une notification envoyée dans le délai initial de nonante jours.
  Le délai de nonante jours est suspendu à compter de la demande d'avis visée à l'alinéa 3 jusqu'à la date à laquelle l'avis est rendu ou jusqu'à l'expiration du délai de remise de l'avis.
  Si le ministre flamand chargé de l'environnement ne statue pas sur le recours en temps utile ou si la notification d'une prolongation de délai n'est pas effectuée en temps utile, la décision de réparation devient caduque. La personne à laquelle l'injonction administrative de réparation a été imposée et l'instance de réparation ayant pris la décision administrative de réparation contestée sont informées par écrit de la caducité.
  § 6. L'auteur du recours et l'instance de réparation qui a pris la décision administrative de réparation sont informés de la décision visée au paragraphe 5, alinéas 1er, 2 et 4 par envoi sécurisé dans un délai de dix jours à compter de la date de cette décision.
Afdeling 5. - Herstel bij financieel equivalent
Section 5. - Réparation par équivalent financier
Art. 15. De monetaire waardering, vermeld in artikel 48, § 3, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, gebeurt voor publieke schade aan belangen die door de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 worden beschermd op basis van de regels en de forfaitaire bedragen, vermeld in bijlage 4, die bij dit besluit is gevoegd.
  Als de Vlaamse Regering regels en forfaitaire bedragen bepaalt voor de monetaire waardering, vermeld in artikel 48, § 3, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, voor de publieke schade aan door milieuvoorschriften beschermde belangen, worden die regels en forfaitaire bedragen opgenomen in een bijlage bij dit besluit, met een omschrijving van de specifieke publieke schade waarop zij van toepassing zijn.
Art. 15. En cas de dommages publics causés aux intérêts protégés par le Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009, l'évaluation monétaire visée à l'article 48, § 3, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023 est effectuée sur la base des règles et des montants forfaitaires visés à l'annexe 4 jointe au présent arrêté.
  Lorsque le Gouvernement flamand fixe des règles et des montants forfaitaires pour l'évaluation monétaire visée à l'article 48, § 3, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, relative aux dommages publics causés aux intérêts protégés par les prescriptions environnementales, ces règles et montants forfaitaires sont repris à une annexe jointe au présent arrêté, accompagnés d'une description des dommages publics spécifiques auxquels ils s'appliquent.
Afdeling 6. - De Vlaamse herstelraad
Section 6. - Le conseil flamand de réparation (" Vlaamse herstelraad ")
Art. 16. § 1. Vóór de gewestelijke en gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur en de burgemeester of de plaatsvervanger van de burgemeester een van de volgende acties ondernemen, winnen ze advies in bij de Vlaamse herstelraad, vermeld in paragraaf 2 en 3:
  1° een publieke herstelvordering voor publieke schade aan belangen die door de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 worden beschermd, inleiden bij het parket;
  2° een publieke herstelvordering voor publieke schade aan belangen die door de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 worden beschermd, aanhangig maken bij de burgerlijke rechter;
  3° een ambtshalve uitvoering van publieke herstelmaatregelen voor publieke schade aan belangen die door de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 worden beschermd, opstarten als vermeld in artikel 6.3.1, tweede lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009.
  Het advies, vermeld in het eerste lid, gaat de volgende elementen na:
  1° in welke mate de publieke herstelvordering die wordt ingeleid of aanhangig wordt gemaakt, overeenstemt met de vereisten, vermeld in artikel 48 van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, en de algemene beleidslijnen van herstel, vermeld in artikel 76 van het voormelde decreet;
  2° in welke mate de voorgenomen opstart van de ambtshalve uitvoering van de publieke herstelmaatregel overeenstemt met de algemene beleidslijnen, vermeld in artikel 76 van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, en de publieke herstelmaatregel nog altijd actueel en uitvoerbaar is.
  Het advies, vermeld in het eerste lid, is bindend voor de herstelinstantie die het inwint. Een positief advies is twee jaar geldig en is een ontvankelijkheidsvoorwaarde voor de publieke herstelvordering voor publieke schade aan belangen die door de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 worden beschermd van de gewestelijke of de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur, de burgemeester of de plaatsvervanger van de burgemeester.
  Het advies, vermeld in het eerste lid, wordt gevraagd via het maatregelenregister of bij beveiligde zending. De Vlaamse herstelraad, vermeld in paragraaf 2 en 3, brengt een advies uit binnen een vervaltermijn van zestig dagen, die ingaat de dag na de dag van de betekening bij beveiligde zending of de dag na de dag van de aanvraag via het maatregelenregister.
  Bij het overschrijden van de termijn, vermeld in het vierde lid, kan aan de adviesvereiste, vermeld in het eerste lid, voorbij worden gegaan.
  § 2. Vóór de gewestelijke en gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur en de burgemeester of de plaatsvervanger van de burgemeester in hun hoedanigheid van herstelinstantie een beslissing nemen in de zin van artikel 99 van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023 met betrekking tot de invordering van dwangsommen, verbeurd als gevolg van het niet tijdig uitvoeren van publieke herstelmaatregelen voor publieke schade aan belangen die door de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening worden beschermd, winnen zij het advies in van de Vlaamse herstelraad.
  Het advies, vermeld in het eerste lid, onderzoekt of het aangewezen is de opeisbare dwangsomschuld niet of maar gedeeltelijk in te vorderen of de invordering daarvan tijdelijk op te schorten, rekening houdend met de criteria, vermeld in artikel 99, eerste lid van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023. Het advies is niet bindend. Indien het advies niet wordt verleend binnen vijfenveertig dagen na de betekening van de adviesaanvraag, kan aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.
  § 3. Voor de adviesverlening, vermeld in de paragrafen 1 en 2 en artikel 14 § 5, derde lid, wordt bij het departement een Vlaamse herstelraad opgericht, die ook instaat voor de bekrachtiging van bepaalde herstelschikkingen conform artikel 12, tweede lid, 1°.
  De leden van de Vlaamse herstelraad oefenen hun functie uit in volledige onafhankelijkheid ten opzichte van de Vlaamse overheid.
  Het departement stelt de Vlaamse herstelraad de nodige werkingsmiddelen ter beschikking. De Vlaamse herstelraad rapporteert jaarlijks over zijn werking en de besteding van de middelen die ter beschikking zijn gesteld.
  Het procedure- en werkingsreglement wordt door de Vlaamse Regering vastgesteld op voorstel van de Vlaamse herstelraad. Het procedure- en werkingsreglement kan, al dan niet op straffe van nietigheid of onontvankelijkheid, voorgeschreven vorm- en termijnvoorwaarden verbinden aan de adviesvraag, vermeld in paragraaf 1.
  Het procedure- en werkingsreglement treedt in werking op de dag die volgt op de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.
  § 4. De Vlaamse herstelraad, vermeld in paragraaf 3, is samengesteld uit zeven leden, waaronder de voorzitter.
  De voorzitter en minstens drie andere leden bezitten de graad van master in de rechten.
  Voor de eerste benoeming en bij de beëindiging van het mandaat van voorzitter of lid van de Vlaamse herstelraad wordt een oproep tot de kandidaten bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
  De Vlaamse minister, bevoegd voor omgeving, wijst de leden aan voor een hernieuwbare termijn van vijf jaar op basis van hun kennis en ervaring in de ruimtelijke ordening en de relevante regelgeving. De voorzitter is bekwaam om een dienst aan te sturen en heeft ervaring in leidinggeven. De voorzitter en de leden blijven in functie tot is voorzien in hun vervanging.
  Het mandaat van lid is onverenigbaar met een politiek verkozen mandaat.
  De Vlaamse Regering kan, om aan uitzonderlijke omstandigheden het hoofd te bieden, toegevoegde leden aanwijzen voor een bepaalde duur, waarna het mandaat automatisch eindigt, behalve bij verlenging.
  § 5. De voorzitter en de leden van de Vlaamse herstelraad, vermeld in paragraaf 3, ontvangen per zitting van de Vlaamse herstelraad waarop ze aanwezig zijn een vergoeding van 200 euro en reiskosten, conform de regeling die geldt voor de vergoeding van reiskosten van personeelsleden van de Vlaamse overheid. De vergoeding van 200 euro, wordt vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op de inwerkingtreding van dit besluit, jaarlijks aangepast aan de evolutie van het cijfer van de gezondheidsindex, zoals bepaald in artikel 2, § 1, van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, volgens de volgende formule: Nieuw bedrag: basisbedrag x gezondheidsindex van de maand december die voorafgaat aan de maand januari waarin de aanpassing plaatsvindt/gezondheidsindex 2026.
Art. 16. § 1er. Avant que l'inspecteur urbaniste régional et communal et le bourgmestre ou le suppléant du bourgmestre n'entreprennent l'une des actions suivantes, ils sollicitent l'avis du conseil flamand de réparation visé aux paragraphes 2 et 3 :
  1° introduire auprès du parquet une requête publique de réparation pour dommages publics causés aux intérêts protégés par le Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009 ;
  2° saisir le juge civil d'une requête publique de réparation pour dommages publics causés aux intérêts protégés par le Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009 ;
  3° entamer une exécution d'office des mesures de réparation publiques pour dommages publics causés aux intérêts protégés par le Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009, telle que visée à l'article 6.3.1, alinéa 2, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009.
  L'avis visé à l'alinéa 1er examine les éléments suivants :
  1° dans quelle mesure la requête publique de réparation introduite ou intentée est conforme aux exigences visées à l'article 48 du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023 et aux lignes directrices générales relatives à la réparation visées à l'article 76 du décret précité ;
  2° dans quelle mesure le lancement envisagé de l'exécution d'office de la mesure de réparation publique est conforme aux lignes directrices générales visées à l'article 76 du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, et dans quelle mesure la mesure de réparation publique est toujours d'actualité et exécutable.
  L'avis visé à l'alinéa 1er est contraignant pour l'instance de réparation qui le sollicite. Un avis positif est valable pendant deux ans et constitue une condition de recevabilité pour la requête publique de réparation pour dommages publics causés aux intérêts protégés par le Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009, de la part de l'inspecteur urbaniste régional ou communal, du bourgmestre ou du suppléant du bourgmestre.
  L'avis visé à l'alinéa 1er est sollicité au moyen du registre de mesures ou par envoi sécurisé. Le conseil flamand de réparation visé aux paragraphes 2 et 3, rend un avis dans un délai d'échéance de soixante jours, qui commence à courir le lendemain du jour de la signification par envoi sécurisé ou le lendemain du jour de la demande au moyen du registre de mesures.
  En cas de dépassement du délai visé à l'alinéa 4, il peut être passé outre à l'exigence d'avis visée à l'alinéa 1er.
  § 2. Avant que l'inspecteur urbaniste régional et communal et le bourgmestre ou le suppléant du bourgmestre, en leur qualité d'instance de réparation, ne prennent une décision au sens de l'article 99 du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023 concernant le recouvrement des astreintes encourues en raison de la non-exécution en temps utile de mesures de réparation publiques pour dommages publics aux intérêts protégés par le Code flamand de l'Aménagement du Territoire, ils sollicitent l'avis du conseil flamand de réparation.
  L'avis visé à l'alinéa 1er examine s'il convient de ne pas recouvrer la dette d'astreinte exigible, de ne la recouvrer que partiellement ou d'en suspendre temporairement le recouvrement, en tenant compte des critères visés à l'article 99, alinéa 1er, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023. L'avis n'est pas contraignant. Si l'avis n'est pas rendu dans les quarante-cinq jours à compter de la signification de la demande d'avis, il peut être passé outre à l'exigence d'avis visée à l'alinéa 1er.
  § 3. Aux fins de la fourniture d'avis visée aux paragraphes 1er et 2 et à l'article 14, § 5, alinéa 3, un conseil flamand de réparation est institué auprès du département. Ce conseil est également chargé de ratifier certains accords de réparation conformément à l'article 12, alinéa 2, 1°.
  Les membres du conseil flamand de réparation exercent leur fonction en toute indépendance par rapport à l'Autorité flamande.
  Le département met les moyens de fonctionnement nécessaires à la disposition du conseil flamand de réparation. Le conseil flamand de réparation fait annuellement rapport de son fonctionnement et de l'affectation des moyens mis à disposition.
  Le règlement de procédure et de fonctionnement est fixé par le Gouvernement flamand sur proposition du conseil flamand de réparation. Le règlement de procédure et de fonctionnement peut assortir la demande d'avis visée au paragraphe 1er de conditions de forme et de délai, éventuellement sous peine de nullité ou d'irrecevabilité.
  Le règlement de procédure et de fonctionnement entre en vigueur le jour suivant sa publication au Moniteur belge.
  § 4. Le conseil flamand de réparation visé au paragraphe 3 est composé de sept membres, dont le président.
  Le président et au moins trois autres membres sont titulaires d'un master en droit.
  Pour la première nomination et après la cessation du mandat de président ou d'un membre du conseil flamand de réparation, un appel à candidatures est publié au Moniteur belge.
  Le ministre flamand chargé de l'environnement désigne les membres pour un mandat renouvelable de cinq ans sur la base de leurs connaissances et de leur expérience en matière d'aménagement du territoire et des réglementations pertinentes. Le président est apte à diriger un service et possède une expérience en management. Le président et les membres restent en fonction jusqu'à ce qu'il soit pourvu à leur remplacement.
  Le mandat d'un membre est incompatible avec un mandat politique électif.
  Afin de faire face à des circonstances exceptionnelles, le Gouvernement flamand peut désigner des membres supplémentaires pour une durée déterminée, à l'issu de laquelle le mandat prend automatiquement fin, sauf en cas de prolongation.
  § 5. Le président et les membres du conseil flamand de réparation visés au paragraphe 3 reçoivent une indemnité de 200 euros et des frais de voyage par séance du conseil flamand de réparation à laquelle ils sont présents, conformément au règlement applicable au remboursement des frais de voyage des membres du personnel de l'Autorité flamande. L'indemnité de 200 euros est adaptée annuellement à partir du 1er janvier de l'année suivant l'entrée en vigueur du présent arrêté à l'évolution de l'indice santé tel que fixé à l'article 2, § 1er, de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays, selon la formule suivante : Nouveau montant : montant de base x indice santé du mois de décembre précédant le mois de janvier au cours duquel l'adaptation a lieu/indice santé de 2026.
HOOFDSTUK 5. - Nadere regels voor de bewaring en teruggave van meegevoerde zaken
CHAPITRE 5. - Modalités de conservation et de restitution des objets emportés
Art. 17. § 1. Als zaken op grond van de bevoegdheid, vermeld in artikel 71, § 1, tweede lid, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, worden meegevoerd en opgeslagen, meldt de gerechtsdeurwaarder, de toezichthouder of de herstelinstanties, vermeld in artikel 16.1.3, § 1, eerste lid, van het decreet van 5 april 1995, of artikel 1.4.9, § 1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, dat in een verslag van bewaring. Een afschrift van het verslag van bewaring wordt verstrekt aan degene die de zaken onder beheer had en, als dat een andere persoon is en als die bekend is, aan de rechthebbende.
  § 2. De gerechtsdeurwaarder, de toezichthouder of de herstelinstanties, vermeld in artikel 16.1.3, § 1, eerste lid, van het decreet van 5 april 1995, of artikel 1.4.9, § 1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, zorgen voor de bewaring van de opgeslagen zaken en geven die zaken terug aan de rechthebbende.
  De gerechtsdeurwaarder, de toezichthouder of de herstelinstanties, vermeld in het eerste lid, zijn bevoegd om de afgifte op te schorten tot de kosten die verbonden zijn aan de ambtshalve uitvoering van de bestuurlijke herstel- of beveiligingsbeslissing, met inbegrip van de kosten voor de voorbereiding ervan, en de kosten van bewaring, zijn voldaan. Als geen van de rechthebbenden als herstelplichtige overtreder of een houder van rechten als vermeld in artikel 71 § 2, tweede lid, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, kan worden beschouwd, kan de afgifte alleen afhankelijk worden gesteld van de betaling van de kosten van bewaring.
  § 3. Als de meegevoerde en opgeslagen zaken niet binnen negentig dagen na het meevoeren worden opgeëist door de rechthebbende, is de gerechtsdeurwaarder, de toezichthouder of de herstelinstantie gerechtigd ze te verkopen of, als verkoop niet mogelijk is, de zaak om niet aan een derde in eigendom over te dragen of te laten vernietigen.
  De termijn van negentig dagen, vermeld in het eerste lid, hoeft niet te worden afgewacht zodra de kosten van bewaring, vermeerderd met de kosten die geraamd zijn voor de verkoop, de eigendomsoverdracht om niet of de vernietiging, in verhouding tot de waarde van de zaak onevenredig hoog worden.
  In voorkomend geval worden redelijke inspanningen geleverd om de rechthebbende te identificeren en tijdig op de hoogte te brengen van de voorgenomen eigendomsoverdracht of vernietiging.
  Verkoop, eigendomsoverdracht om niet of vernietiging kan nooit plaatsvinden binnen veertien dagen na de verstrekking van het afschrift, vermeld in paragraaf 1, tenzij het gevaarlijke stoffen of eerder aan bederf onderhevige stoffen betreft.
Art. 17. § 1er. Si des objets sont emportés et conservés en vertu de la compétence visée à l'article 71, § 1er, alinéa 2, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, l'huissier de justice, le superviseur ou les instances de réparation visées à l'article 16.1.3, § 1er, alinéa 1er, du décret du 5 avril 1995, ou à l'article 1.4.9, § 1er, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009, le mentionne dans un rapport de conservation. Une copie du rapport de conservation est remise à la personne qui avait les objets sous sa gestion et, lorsqu'il s'agit d'une autre personne qui est connue, à l'ayant droit.
  § 2. L'huissier de justice, le superviseur ou les instances de réparation visées à l'article 16.1.3, § 1er, alinéa 1er, du décret du 5 avril 1995 ou à l'article 1.4.9, § 1er, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009, assurent la conservation des objets entreposés et les restituent à l'ayant droit.
  L'huissier de justice, le superviseur ou les instances de réparation visés à l'alinéa 1er sont compétents pour suspendre la restitution précitée jusqu'au paiement des frais liés à l'exécution d'office de la décision administrative de réparation ou de sécurité, y compris des frais de préparation, et des frais de conservation. Si aucun des ayants droit ne peut être considéré comme un contrevenant tenu à réparation ou comme un titulaire de droits tel que visé à l'article 71, § 2, alinéa 2, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, la restitution ne peut être subordonnée qu'au paiement des frais de conservation.
  § 3. Lorsque les objets emportées et entreposées ne sont pas réclamés par l'ayant droit dans les nonante jours après avoir été emportées, l'huissier de justice, le superviseur ou l'instance de réparation est en droit de les vendre ou, lorsque leur vente n'est pas possible, à transférer l'objet en propriété à un tiers à titre gratuit ou à la faire détruire.
  Il n'est pas obligatoire d'attendre que le délai de nonante jours visé à l'alinéa 1er soit écoulé à partir du moment où les frais de conservation majorés des frais qui ont été estimés pour la vente, le transfert en propriété à titre gratuit ou la destruction deviennent disproportionnellement élevés par rapport à la valeur de l'objet.
  Le cas échéant, des efforts raisonnables sont déployés pour identifier l'ayant droit et l'informer en temps utile du transfert en propriété ou de la destruction envisagés.
  La vente, le transfert en propriété à titre gratuit ou la destruction ne peut jamais avoir lieu moins de quatorze jours suivant la remise de la copie visée au paragraphe 1er, à moins qu'il s'agisse de substances dangereuses ou périssables.
HOOFDSTUK 6. - De toebedeling van handhavingsopbrengsten
CHAPITRE 6. - L'affectation des recettes de maintien
Art. 18. § 1. Een deel van de opbrengst van de bestuurlijke vervolging van een misdrijf of een inbreuk als vermeld in titel XVI, van het decreet van 5 april 1995, titel VI van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, en artikel 103 en 104 van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, die op jaarbasis wordt geïnd door de Vlaamse overheid, komt toe aan de gemeente waarin de vaststelling gebeurde, op voorwaarde dat gemeentelijke personeelsleden, personeelsleden van een intergemeentelijk samenwerkingsverband of personeelsleden van de lokale politie het proces-verbaal of verslag van vaststelling waarop de bestuurlijke vervolging is gebaseerd, hebben opgesteld.
  Het deel, vermeld in het eerste lid, wordt vastgesteld op 60% van de opbrengst die op jaarbasis wordt geïnd.
  In het tweede lid wordt verstaan onder opbrengst: de geïnde gelden na aftrek van de kosten, gemaakt voor de gedwongen invordering van deze gelden.
  § 2. Zolang het materieel onmogelijk is om de geïnde opbrengst per proces-verbaal of verslag van vaststelling te berekenen conform paragraaf 1, wordt 25% van het totaal van de opbrengst van de bestuurlijke vervolgingen, vermeld in paragraaf 1, die op jaarbasis wordt geïnd, pro rata verdeeld onder de gemeenten volgens het aantal aanvankelijke processen-verbaal en verslagen van vaststelling voor het grondgebied van elke gemeente in datzelfde jaar die de gemeentelijke personeelsleden, personeelsleden van een intergemeentelijk samenwerkingsverband, of personeelsleden van de lokale politie hebben opgesteld.
  De Vlaamse minister, bevoegd voor omgeving, stelt de datum vast waarop de materiële onmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, ophoudt te bestaan.
  § 3. Paragraaf 1 en 2 zijn van toepassing op de geïnde opbrengsten uit:
  1° bestuurlijke geldboetes, voorstellen tot betaling van een geldsom en voordeelontnemingen als vermeld in artikel 16.4.26, 16.4.36 en 16.4.44 van het decreet van 5 april 1995, zoals van kracht tot en met 31 maart 2026;
  2° bestuurlijke geldboetes en voorstellen tot betaling van een geldsom als vermeld in titel VI, hoofdstuk II, afdeling 3 en 4, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, zoals van kracht tot en met 31 maart 2026;
  3° bestuurlijke geldboetes als vermeld in artikel 44 van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, voorstellen tot betaling van een geldsom als vermeld in artikel 39 van het voormelde decreet en verbeurdverklaringen van de bedragen, vermeld in artikel 29, 3° en 4°, van het voormelde decreet vanaf 1 april 2026.
Art. 18. § 1er. Une partie de la recette issue de la poursuite administrative d'un délit ou d'une infraction tels que visés au titre XVI du décret du 5 avril 1995, au titre VI du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009 et aux articles 103 et 104 du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, perçue sur une base annuelle par l'Autorité flamande est attribuée à la commune où la constatation a été faite, à condition que des membres du personnel communal, des membres du personnel d'une intercommunale ou des membres du personnel de la police locale aient dressé le procès-verbal ou le rapport de constatation sur lequel se fonde la poursuite administrative.
  La partie visée à l'alinéa 1er est fixée à 60 % des recettes perçues sur une base annuelle.
  Dans l'alinéa 2, on entend par recette : les sommes perçues après déduction des frais encourus pour le recouvrement forcé de ces sommes.
  § 2. Tant qu'il est matériellement impossible de calculer la recette perçue par procès-verbal ou rapport de constatation conformément au paragraphe 1er, 25 % de la recette totale issue des poursuites administratives visées au paragraphe 1er, perçue sur une base annuelle, sont répartis au prorata entre les communes en fonction du nombre de procès-verbaux et de rapports de constatation initiaux établis au cours de la même année pour le territoire de chaque commune par les membres du personnel communal, les membres du personnel d'une intercommunale ou les membres du personnel de la police locale.
  Le ministre flamand chargé de l'environnement fixe la date à laquelle l'impossibilité matérielle visée à l'alinéa 1er cesse d'exister.
  § 3. Les paragraphes 1er et 2 s'appliquent aux recettes perçues provenant des mesures suivantes :
  1° les amendes administratives, les propositions de payer une somme d'argent et les dessaisissements d'avantages tels que visés aux articles 16.4.26, 16.4.36 et 16.4.44 du décret du 5 avril 1995, tel qu'en vigueur jusqu'au 31 mars 2026 ;
  2° les amendes administratives et les propositions de payer une somme d'argent telles que visées au titre VI, chapitre II, sections 3 et 4, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009, tel qu'en vigueur jusqu'au 31 mars 2026 ;
  3° les amendes administratives telles que visées à l'article 44 du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, les propositions de payer une somme d'argent telles que visées à l'article 39 du décret précité et les confiscations des montants visées à l'article 29, 3° et 4°, du décret précité à partir du 1er avril 2026.
HOOFDSTUK 7. - Beleidslijnen en handhavingsprogramma
CHAPITRE 7. - Lignes directrices et programmes de maintien
Art. 19. Algemene beleidslijnen, vermeld in artikel 76, eerste lid Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, die van toepassing zijn voor de handhaving van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 en de regelgeving, vermeld in artikel 16.1.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995, of onderdelen daarvan, worden vastgesteld door de Vlaamse Regering op voorstel van de Vlaamse minister, bevoegd voor omgeving, en de Vlaamse minister, bevoegd voor justitie en handhaving, elk voor wat hen betreft.
  Met behoud van de toepassing van het eerste lid, zijn de beleidslijnen, opgenomen in bijlage 5 die bij dit besluit is gevoegd, algemene beleidslijnen als vermeld in artikel 76, eerste lid, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023.
  De algemene beleidslijnen, vermeld in het eerste en tweede lid, kunnen worden aangevuld en geconcretiseerd in een omgevingshandhavingsprogramma.
  Het omgevingshandhavingsprogramma, vermeld in het derde lid, komt tot stand op voorstel van het departement aan de minister, bevoegd voor omgeving, en wordt bij uitvoeringsbesluit vastgesteld door de Vlaamse Regering. Het goedgekeurde omgevingshandhavingsprogramma wordt bekendgemaakt op de website van het departement. De Vlaamse minister, bevoegd voor omgeving, kan het omgevingshandhavingsprogramma verder aanvullen of verfijnen.
  Over de ontwerpen van algemene beleidslijnen, vermeld in het eerste lid, en het omgevingshandhavingsprogramma, vermeld in het tweede en derde lid, wordt voor de definitieve goedkeuring advies gevraagd aan de bevoegde strategische adviesraden.
  De Vlaamse minister, bevoegd voor omgeving, rapporteert periodiek, en minstens in het tweede en vijfde jaar van de regeerperiode, over de uitvoering van de beleidslijnen en het omgevingshandhavingsprogramma, vermeld in het eerste tot en met het vierde lid, in een omgevingshandhavingsrapport.
  Het departement organiseert een omgevingshandhavingsforum voor de handhavingspartners die betrokken zijn bij de omgevingshandhaving om informatie uit te wisselen over hun taken en opdrachten en om de onderlinge kennisdeling te faciliteren om de stroomlijning van de handhaving te stimuleren.
Art. 19. Les lignes directrices générales visées à l'article 76, alinéa 1er, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, applicables au maintien du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009 et des réglementations visées à l'article 16.1.1, § 1er, du décret du 5 avril 1995, ou à des parties de celui-ci, sont arrêtées par le Gouvernement flamand sur proposition du ministre flamand chargé de l'environnement et du ministre flamand chargé de la justice et du maintien, chacun pour ce qui le concerne.
  Nonobstant l'application de l'alinéa 1er, les lignes directrices reprises à l'annexe 5 jointe au présent arrêté sont des lignes directrices générales telles que visées à l'article 76, alinéa 1er, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023.
  Les lignes directrices générales visées aux alinéas 1er et 2 peuvent être complétées et concrétisées dans un programme de maintien environnemental.
  Le programme de maintien environnemental visé à l'alinéa 3 est réalisé sur proposition du département au ministre chargé de l'environnement et est arrêté par le Gouvernement flamand par arrêté d'exécution. Le programme de maintien environnemental approuvé est publié sur le site web du département. Le ministre flamand chargé de l'environnement peut davantage compléter ou affiner le programme de maintien environnemental.
  L'avis des conseils consultatifs stratégiques compétents est demandé en vue de l'approbation définitive des projets de lignes directrices générales visées à l'alinéa 1er et du programme de maintien environnemental visé aux alinéas 2 et 3.
  Le ministre flamand chargé de l'environnement rend compte périodiquement, et au moins dans les deuxième et cinquième années de la législature, de la mise en oeuvre des lignes directrices et du programme de maintien environnemental visé aux alinéas 1er à 4, dans un rapport relatif au maintien environnemental.
  Le département organise un forum sur le maintien environnemental pour permettre aux partenaires impliqués dans le maintien environnemental d'échanger des informations sur leurs tâches et missions et de faciliter le partage des connaissances afin de favoriser l'harmonisation du maintien.
HOOFDSTUK 8. - Slotbepalingen
CHAPITRE 8. - Dispositions finales
Art. 20. De volgende regelingen worden opgeheven:
  1° het besluit van de Vlaamse regering van 28 april 2000 betreffende de administratieve geldboete voor het overtreden van een stakingsbevel, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juli 2023;
  2° het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, het laatst gewijzigd bij besluit van de Vlaamse Regering van 31 januari 2025;
  3° het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009 betreffende de selectiecriteria en de vergoedings-, presentie- en reiskostenregeling van de leden van de Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 februari 2018;
  4° het Handhavingsbesluit Ruimtelijke Ordening van 9 februari 2018, gewijzigd bij het besluit van 7 juli 2023;
  5° het ministerieel besluit van 23 juli 2020 over het model tot aanvraag van een minnelijke schikking inzake ruimtelijke ordening;
  6° het ministerieel besluit van 11 februari 2022 over het model tot aanvraagformulier en herstelattest inzake ruimtelijke ordening.
Art. 20. Les réglementations suivantes sont abrogées :
  1° l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 avril 2000 relatif à l'amende administrative pour la violation d'un ordre de cessation, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juillet 2023 ;
  2° l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2008 portant exécution du titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 janvier 2025 ;
  3° l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 septembre 2009 relatif aux critères de sélection et au règlement des indemnités, des jetons de présence et des frais de déplacement des membres du Conseil supérieur de la Politique de Maintien, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 février 2018 ;
  4° l'Arrêté de maintien de l'aménagement du territoire du 9 février 2018, modifié par l'arrêté du 7 juillet 2023 ;
  5° l'arrêté ministériel du 23 juillet 2020 relatif au modèle de demande d'accord à l'amiable concernant l'aménagement du territoire ;
  6° l'arrêté ministériel du 11 février 2022 portant modèle de formulaire de demande et d'attestation de recouvrement pour l'aménagement du territoire.
Art. 21. Zolang de Vlaamse herstelraad, vermeld in artikel 16 van dit besluit, niet is samengesteld conform artikel 16, § 4, van dit besluit, worden zijn bevoegdheden waargenomen door de Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering, vermeld in artikel 6.3.7 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, zoals van kracht op 31 maart 2026. Het mandaat van de leden van de Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering wordt van rechtswege verlengd tot aan de samenstelling van de Vlaamse herstelraad op grond van artikel 16, § 4, van dit besluit tot maximaal 1 april 2027, behalve als die leden daar uitdrukkelijk van afzien. In dat laatste geval wordt voor het openstaande mandaat een specifieke oproep tot kandidaten georganiseerd. De leden die worden aangewezen op grond van een specifieke oproep tot kandidaten, worden aangewezen tot maximaal 1 april 2027.
  De leden van de Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering, vermeld in het eerste lid, worden ondersteund en vergoed conform de regeling, vermeld in artikel 6.3.9 § 5 en 6.3.16 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, zoals van kracht op 31 maart 2026.
  Zolang het procedure- en werkingsreglement, vermeld in artikel 16, § 3, vierde lid, van dit besluit niet is vastgesteld, geldt het procedure- en werkingsreglement, vermeld in artikel 6.3.14 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, zoals van kracht op 31 maart 2026.
Art. 21. Tant que le conseil flamand de réparation visé à l'article 16 du présent arrêté, n'est pas composé conformément à l'article 16, § 4, du présent arrêté, ses compétences sont exercées par le Conseil supérieur pour l'exécution du maintien visé à l'article 6.3.7 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009, tel qu'en vigueur au 31 mars 2026. Le mandat des membres du Conseil supérieur pour l'exécution du maintien est prolongé de plein droit jusqu'à la composition du conseil flamand de réparation en vertu de l'article 16, § 4, du présent arrêté jusqu'au 1er avril 2027 au plus tard, sauf si ces membres y renoncent expressément. Dans ce dernier cas, un appel spécifique à candidatures est organisé pour le mandat vacant. Les membres désignés sur la base d'un appel spécifique à candidatures sont désignés jusqu'au 1er avril 2027 au plus tard.
  Les membres du Conseil supérieur pour l'exécution du maintien visés à l'alinéa 1er sont soutenus et indemnisés conformément à la réglementation visée aux articles 6.3.9, § 5 et 6.3.16 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009, tel qu'en vigueur au 31 mars 2026.
  Tant que le règlement de procédure et de fonctionnement visé à l'article 16, § 3, alinéa 4, du présent arrêté n'a pas été arrêté, le règlement de procédure et de fonctionnement visé à l'article 6.3.14 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009, tel qu'en vigueur au 31 mars 2026, est d'application.
Art. 22. Het omgevingshandhavingsprogramma dat is vastgesteld bij besluit van de Vlaamse Regering van 16 december 2022 tot vaststelling van het omgevingshandhavingsprogramma, vermeld in artikel 16.2.2 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en artikel 6.1.3 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, wordt gelijkgesteld met een handhavingsprogramma als vermeld in artikel 76 van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023.
  Het omgevingshandhavingsprogramma van 16 december 2022, vermeld in het eerste lid, blijft tot aan zijn vervanging van toepassing in de mate waarin het niet strijdig is met Vlaamse regelgeving of de algemene beleidslijnen, vermeld in artikel 19 van dit besluit.
Art. 22. Le programme de maintien environnemental établi par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 décembre 2022 établissant le programme de maintien environnemental visé à l'article 16.2.2 du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement et à l'article 6.1.3 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009, est assimilé à un programme de maintien tel que visé à l'article 76 du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023.
  Le programme de maintien environnemental du 16 décembre 2022 visé à l'alinéa 1er reste d'application jusqu'à son remplacement dans la mesure où il n'est pas contraire à la réglementation flamande ou aux lignes directrices générales visées à l'article 19 du présent arrêté.
Art. 23. Instellingen die voor 1 april 2026 zijn erkend op grond van artikel 14 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, worden gelijkgesteld met de instellingen, vermeld in artikel 8, § 4, van dit besluit. De gelijkstelling vervalt op 31 december 2027 tenzij de instelling in kwestie ondertussen beschikt over gewijzigde leerplannen, conform de leerdoelen van de module, vermeld in artikel 8, § 2, 6°, van dit besluit, die het departement heeft goedgekeurd.
  De opleiding die is doorlopen conform artikel 13 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, wordt gelijkgesteld met de opleiding voor de module, vermeld in artikel 8, § 2, 6°, van dit besluit, als ze is aangevat vóór 1 april 2026.
Art. 23. Les institutions agréées avant le 1er avril 2026 en vertu de l'article 14 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2008 portant exécution du titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement sont assimilées aux institutions visées à l'article 8, § 4, du présent arrêté. L'assimilation prend fin le 31 décembre 2027, à moins que l'institution concernée ne dispose entre-temps de programmes de formation modifiés, conformément aux objectifs d'apprentissage du module visé à l'article 8, § 2, 6°, du présent arrêté, que le département a approuvés.
  La formation suivie conformément à l'article 13 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2008 portant exécution du titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement est assimilée à la formation pour le module visé à l'article 8, § 2, 6°, du présent arrêté, si elle a été entamée avant le 1er avril 2026.
Art. 24. In artikel 6, § 5, derde lid, 5°, van dit besluit dient tot 8 april 2026 de zinsnede "artikel 37, 6° en 7° van het Strafwetboek" te worden gelezen als "artikel 123sexies van het Strafwetboek".
Art. 24. Dans l'article 6, § 5, alinéa 3, 5°, du présent arrêté, le membre de phrase " l'article 37, 6° et 7° du Code pénal " doit être lu, jusqu'au 8 avril 2026, comme " l'article 123sexies du Code pénal ".
Art. 25. De volgende regelgevende teksten treden in werking op 1 april 2026:
  1° hoofdstuk 2 tot en met 10, 12 tot en met 14, 16 tot en met 22, 24, 28 en 29 van het decreet van 26 april 2024 tot wijziging van diverse decreten, wat betreft de implementatie van het kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023;
  2° artikel 57ter van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, ingevoegd bij decreet van 26 april 2019;
  3° dit besluit, met uitzondering van artikel 18, dat in werking treedt op de dag die volgt op de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.
Art. 25. Les textes réglementaires suivants entrent en vigueur le 1er avril 2026 :
  1° les chapitres 2 à 10, 12 à 14, 16 à 22, 24, 28 et 29 du décret du 26 avril 2024 modifiant divers décrets, en ce qui concerne la mise en oeuvre du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023 ;
  2° l'article 57ter du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, inséré par le décret du 26 avril 2019 ;
  3° le présent arrêté, à l'exception de l'article 18, qui entre en vigueur le lendemain de sa publication au Moniteur belge.
Art. 26. De Vlaamse minister, bevoegd voor omgeving, en de Vlaamse minister bevoegd voor justitie en handhaving, zijn, ieder voor wat hem of haar betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 26. Le ministre flamand qui a l'environnement dans ses attributions et le ministre flamand qui a la justice et le maintien dans ses attributions sont, chacun en ce qui le concerne, chargés de l'exécution du présent arrêté.
  (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 28-07-2025, p. 62925)
  (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 28-07-2025, p. 63099)