Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
1° de wet: de wet van 12 mei 2024 houdende diverse fiscale bepalingen;
2° het belastingkrediet: het belastingkrediet voor de verhoging van de tussenkomst van de werkgever in een treinabonnement, bedoeld in titel 3, hoofdstuk 5, van de wet.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
17 JULI 2024. - Koninklijk besluit met betrekking tot de toepassing van het belastingkrediet voor de verhoging van de tussenkomst van de werkgever in een treinabonnement
Titre
17 JUILLET 2024. - Arrêté royal relatif à l'application du crédit d'impôt pour l'augmentation de l'intervention de l'employeur dans un abonnement de train
Dokumentinformationen
Info du document
Inhoud
Tekst (11)
Texte (11)
HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepaling
CHAPITRE 1er. - Disposition introductive
Article 1er. Pour l'application du présent arrêté on entend par :
1° la loi : la loi du 12 mai 2024 portant des dispositions fiscales diverses ;
2° le crédit d'impôt : le crédit d'impôt pour l'augmentation de l'intervention de l'employeur dans un abonnement de train, visé au titre 3, chapitre 5, de la loi.
1° la loi : la loi du 12 mai 2024 portant des dispositions fiscales diverses ;
2° le crédit d'impôt : le crédit d'impôt pour l'augmentation de l'intervention de l'employeur dans un abonnement de train, visé au titre 3, chapitre 5, de la loi.
HOOFDSTUK 2. - Regels voor de toepassing van het belastingkrediet op de tussenkomst in een gecombineerd of geïntegreerd vervoerbewijs
CHAPITRE 2. - Règles pour l'application du crédit d'impôt aux interventions dans un titre de transport combiné ou intégré
Art. 2. § 1. Voor de toepassing van het belastingkrediet is het gedeelte van de prijs van een gecombineerd vervoerbewijs dat betrekking heeft op de trein gelijk aan de prijs van dat gecombineerde vervoerbewijs verminderd met de toeslag of toeslagen voor het ander gemeenschappelijk openbaar vervoer dan het treinvervoer.
§ 2. Wanneer de tussenkomst van de werkgever in een gecombineerd vervoerbewijs niet voor elk gemeenschappelijk openbaar vervoermiddel afzonderlijk wordt bepaald, wordt het gedeelte van de tussenkomst van de werkgever dat betrekking heeft op de trein als volgt bepaald:
1° wanneer de tussenkomst van de werkgever gelijk is aan een uniform percentage van de prijs van het gecombineerde vervoerbewijs, is het gedeelte van de tussenkomst van de werkgever dat betrekking heeft op de trein gelijk aan het gedeelte van de prijs van het gecombineerde vervoerbewijs dat betrekking heeft op de trein vermenigvuldigd met dat percentage;
2° wanneer de tussenkomst van de werkgever wordt bepaald in functie van het aantal kilometer dat wordt afgelegd met alle gemeenschappelijke openbare vervoermiddelen samen en de prijs voor het ander gemeenschappelijk openbaar vervoer dan het treinvervoer een eenheidsprijs is, ongeacht de afstand, is het gedeelte van de tussenkomst van de werkgever dat betrekking heeft op de trein gelijk aan de tussenkomst van de werkgever in het gecombineerde vervoerbewijs vermenigvuldigd met het gedeelte van de prijs van het gecombineerde vervoerbewijs dat betrekking heeft op de trein en gedeeld door de prijs van het gecombineerde vervoerbewijs;
3° wanneer de tussenkomst van de werkgever wordt bepaald in functie van het aantal kilometer dat wordt afgelegd met alle gemeenschappelijke openbare vervoermiddelen samen en de prijs voor het ander gemeenschappelijk openbaar vervoer dan het treinvervoer in verhouding staat tot de afstand, wordt het gedeelte van de tussenkomst van de werkgever dat betrekking heeft op de trein bepaald door de tussenkomst in het gecombineerde vervoerbewijs te vermenigvuldigen met het aantal kilometer van het traject dat met de trein wordt afgelegd en te delen door het totale aantal kilometer van het traject dat met het gemeenschappelijk openbaar wordt afgelegd.
§ 2. Wanneer de tussenkomst van de werkgever in een gecombineerd vervoerbewijs niet voor elk gemeenschappelijk openbaar vervoermiddel afzonderlijk wordt bepaald, wordt het gedeelte van de tussenkomst van de werkgever dat betrekking heeft op de trein als volgt bepaald:
1° wanneer de tussenkomst van de werkgever gelijk is aan een uniform percentage van de prijs van het gecombineerde vervoerbewijs, is het gedeelte van de tussenkomst van de werkgever dat betrekking heeft op de trein gelijk aan het gedeelte van de prijs van het gecombineerde vervoerbewijs dat betrekking heeft op de trein vermenigvuldigd met dat percentage;
2° wanneer de tussenkomst van de werkgever wordt bepaald in functie van het aantal kilometer dat wordt afgelegd met alle gemeenschappelijke openbare vervoermiddelen samen en de prijs voor het ander gemeenschappelijk openbaar vervoer dan het treinvervoer een eenheidsprijs is, ongeacht de afstand, is het gedeelte van de tussenkomst van de werkgever dat betrekking heeft op de trein gelijk aan de tussenkomst van de werkgever in het gecombineerde vervoerbewijs vermenigvuldigd met het gedeelte van de prijs van het gecombineerde vervoerbewijs dat betrekking heeft op de trein en gedeeld door de prijs van het gecombineerde vervoerbewijs;
3° wanneer de tussenkomst van de werkgever wordt bepaald in functie van het aantal kilometer dat wordt afgelegd met alle gemeenschappelijke openbare vervoermiddelen samen en de prijs voor het ander gemeenschappelijk openbaar vervoer dan het treinvervoer in verhouding staat tot de afstand, wordt het gedeelte van de tussenkomst van de werkgever dat betrekking heeft op de trein bepaald door de tussenkomst in het gecombineerde vervoerbewijs te vermenigvuldigen met het aantal kilometer van het traject dat met de trein wordt afgelegd en te delen door het totale aantal kilometer van het traject dat met het gemeenschappelijk openbaar wordt afgelegd.
Art. 2. § 1er. Pour l'application du crédit d'impôt, la partie du prix d'un titre de transport combiné qui est relative au train est égale au prix de ce titre de transport combiné diminué du ou des suppléments pour l'autre transport en commun public que le train.
§ 2. Lorsque l'intervention de l'employeur dans un titre de transport combiné n'est pas déterminée séparément pour chaque moyen de transport en commun public, la partie de l'intervention de l'employeur relative au train est déterminée comme suit :
1° lorsque l'intervention de l'employeur est égale à un pourcentage uniforme du prix du titre de transport combiné, la partie de l'intervention de l'employeur relative au train est égale à la partie du prix du titre de transport combiné relative au train multipliée par ce pourcentage ;
2° lorsque l'intervention de l'employeur est déterminée en fonction du nombre de kilomètres parcourus avec tous les moyens de transport en commun publics confondus et que le prix pour le transport en commun public autre que le train est un prix unitaire, quelle que soit la distance, la partie de l'intervention de l'employeur relative au train est égale à l'intervention de l'employeur dans le titre de transport combiné multipliée par la partie du prix du titre de transport combiné relative au train et divisée par le prix du titre de transport combiné ;
3° lorsque l'intervention de l'employeur est déterminée en fonction du nombre de kilomètres parcourus avec tous les moyens de transport en commun publics confondus et que le prix du transport en commun public autre que le train est proportionnel à la distance, la partie de l'intervention de l'employeur relative au train est déterminée en multipliant l'intervention dans le titre de transport combiné par le nombre de kilomètres du trajet parcouru en train et en la divisant par le nombre total de kilomètres du trajet parcouru par les moyens de transport en commun publics.
§ 2. Lorsque l'intervention de l'employeur dans un titre de transport combiné n'est pas déterminée séparément pour chaque moyen de transport en commun public, la partie de l'intervention de l'employeur relative au train est déterminée comme suit :
1° lorsque l'intervention de l'employeur est égale à un pourcentage uniforme du prix du titre de transport combiné, la partie de l'intervention de l'employeur relative au train est égale à la partie du prix du titre de transport combiné relative au train multipliée par ce pourcentage ;
2° lorsque l'intervention de l'employeur est déterminée en fonction du nombre de kilomètres parcourus avec tous les moyens de transport en commun publics confondus et que le prix pour le transport en commun public autre que le train est un prix unitaire, quelle que soit la distance, la partie de l'intervention de l'employeur relative au train est égale à l'intervention de l'employeur dans le titre de transport combiné multipliée par la partie du prix du titre de transport combiné relative au train et divisée par le prix du titre de transport combiné ;
3° lorsque l'intervention de l'employeur est déterminée en fonction du nombre de kilomètres parcourus avec tous les moyens de transport en commun publics confondus et que le prix du transport en commun public autre que le train est proportionnel à la distance, la partie de l'intervention de l'employeur relative au train est déterminée en multipliant l'intervention dans le titre de transport combiné par le nombre de kilomètres du trajet parcouru en train et en la divisant par le nombre total de kilomètres du trajet parcouru par les moyens de transport en commun publics.
Art. 3. § 1. Voor de toepassing van het belastingkrediet is de prijs van het gedeelte van een geïntegreerd vervoerbewijs dat betrekking heeft op de trein gelijk aan de prijs van een treinabonnement voor dezelfde duur/periode voor het traject dat gewoonlijk door de werknemer met de trein wordt afgelegd, desgevallend beperkt tot de prijs van het geïntegreerde vervoerbewijs.
De werknemer bezorgt de werkgever een verklaring op eer dat hij gewoonlijk gebruik maakt van de trein voor de verplaatsingen tussen zijn woonplaats en zijn plaats van tewerkstelling met vermelding van de lengte van het enkel traject dat met de trein wordt afgelegd, uitgedrukt in kilometer.
§ 2. Het gedeelte van de tussenkomst van de werkgever in een geïntegreerd vervoerbewijs dat betrekking heeft op de trein is gelijk aan de tussenkomst van de werkgever in het geïntegreerde vervoerbewijs vermenigvuldigd met het gedeelte van de prijs van het geïntegreerde vervoerbewijs dat betrekking heeft op de trein en gedeeld door de prijs van het geïntegreerde vervoerbewijs.
De werknemer bezorgt de werkgever een verklaring op eer dat hij gewoonlijk gebruik maakt van de trein voor de verplaatsingen tussen zijn woonplaats en zijn plaats van tewerkstelling met vermelding van de lengte van het enkel traject dat met de trein wordt afgelegd, uitgedrukt in kilometer.
§ 2. Het gedeelte van de tussenkomst van de werkgever in een geïntegreerd vervoerbewijs dat betrekking heeft op de trein is gelijk aan de tussenkomst van de werkgever in het geïntegreerde vervoerbewijs vermenigvuldigd met het gedeelte van de prijs van het geïntegreerde vervoerbewijs dat betrekking heeft op de trein en gedeeld door de prijs van het geïntegreerde vervoerbewijs.
Art. 3. § 1er. Pour l'application du crédit d'impôt, le prix de la partie d'un titre de transport intégré qui est relative au train est égal au prix d'un abonnement de train pour la même durée/période pour le trajet habituellement parcouru par le travailleur en train, le cas échéant limité au prix du titre de transport intégré.
Le travailleur fournit à l'employeur une déclaration sur l'honneur selon laquelle il utilise habituellement le train pour ses déplacements entre son domicile et son lieu de travail, en indiquant la longueur du trajet simple parcouru en train, exprimée en kilomètres.
§ 2. La partie de l'intervention de l'employeur dans un titre de transport intégré qui est relative au train est égale à l'intervention de l'employeur dans le titre de transport intégré multipliée par la partie du prix du titre de transport intégré relative au train et divisée par le prix du titre de transport intégré.
Le travailleur fournit à l'employeur une déclaration sur l'honneur selon laquelle il utilise habituellement le train pour ses déplacements entre son domicile et son lieu de travail, en indiquant la longueur du trajet simple parcouru en train, exprimée en kilomètres.
§ 2. La partie de l'intervention de l'employeur dans un titre de transport intégré qui est relative au train est égale à l'intervention de l'employeur dans le titre de transport intégré multipliée par la partie du prix du titre de transport intégré relative au train et divisée par le prix du titre de transport intégré.
HOOFDSTUK 3. - Modaliteiten voor het leveren van het bewijs dat aan de voorwaarden voor de toepassing van het belastingkrediet is voldaan
CHAPITRE 3. - Modalités d'administration de la preuve qu'il est satisfait aux conditions d'application du crédit d'impôt
Art. 4. § 1. De belastingplichtige die aanspraak maakt op het belastingkrediet, stelt een document op met daarin de volgende gegevens:
1° het bedrag van de tussenkomst van de werkgever als bedoeld in artikel 56, 3°, van de wet die tijdens het betrokken belastbare tijdperk is betaald of toegekend;
2° de referentietussenkomst van de werkgever als bedoeld in artikel 56, 4°, van de wet;
3° de verhoogde tussenkomst van de werkgever als bedoeld in artikel 56, 5°, van de wet;
4° het verhogingspercentage als bedoeld in artikel 56, 6°, van de wet;
5° het bedrag van het belastingkrediet berekend overeenkomstig artikel 57, § 2, van de wet.
De in het eerste lid, 1° tot 5° vermelde gegevens worden apart vermeld voor elke tussenkomst van de werkgever die tijdens het betrokken belastbare tijdperk is betaald of toegekend en waarvoor de toepassing van het belastingkrediet wordt gevraagd.
In afwijking van het tweede lid, kan de belastingplichtige ervoor opteren om de gegevens met betrekking tot tussenkomsten van de werkgever waarvoor het in het eerste lid, 4° bedoelde gegeven identiek is, samen te vermelden in het document. In dat geval:
1° vermeldt de belastingplichtige:
- bij de betrokken gegevens dat hij gebruik maakt van de in dit lid bedoelde optie;
- telkens de som van de in het eerste lid, 1° en 5° bedoelde bedragen voor de betrokken tussenkomsten;
- telkens het laagste van de in het eerste lid, 2° en 3°, bedoelde percentages dat van toepassing is voor de betrokken tussenkomsten;
2° houdt de belastingplichtige de in het eerste lid, 1°, 2°, 3° en 5° bedoelde gegevens per tussenkomst van de werkgever ter beschikking van de administratie.
Het document bevat tevens de bevestiging van de belastingplichtige dat:
1° hij een werkgever is als bedoeld in artikel 57, § 1, tweede lid, van de wet;
2° de tussenkomst van de werkgever in een treinabonnement niet door derden wordt vergoed;
3° het belastingkrediet niet wordt gevraagd voor de tussenkomst van de werkgever in een treinabonnement waarvoor de derdebetalersregeling als bedoeld in artikel 40 van het openbaredienstcontract gesloten tussen de Staat en de NMBS van toepassing is;
4° het belastingkrediet niet wordt gevraagd voor de tussenkomst van de werkgever die wordt betaald of toegekend aan een werknemer die van de belastingplichtige een mobiliteitsbudget ontvangt met toepassing van de wet van 17 maart 2019 betreffende de invoering van een mobiliteitsbudget;
5° de verhoging van de tussenkomst van de werkgever in een treinabonnement is vastgelegd in een collectieve arbeidsovereenkomst, een arbeidsreglement of een individuele arbeidsovereenkomst en geldt zonder beperking in de tijd.
§ 2. De aan de vennootschapsbelasting of rechtspersonenbelasting onderworpen belastingplichtige en de in artikel 227, 2° of 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde belastingplichtige die aanspraak maakt op het belastingkrediet, voegt het in paragraaf 1 bedoelde document in bijlage toe aan zijn aangifte. De aan de personenbelasting onderworpen belastingplichtige en de in artikel 227, 1°, van het voormelde Wetboek bedoelde belastingplichtige houdt het in paragraaf 1 bedoelde document ter beschikking van de administratie.
1° het bedrag van de tussenkomst van de werkgever als bedoeld in artikel 56, 3°, van de wet die tijdens het betrokken belastbare tijdperk is betaald of toegekend;
2° de referentietussenkomst van de werkgever als bedoeld in artikel 56, 4°, van de wet;
3° de verhoogde tussenkomst van de werkgever als bedoeld in artikel 56, 5°, van de wet;
4° het verhogingspercentage als bedoeld in artikel 56, 6°, van de wet;
5° het bedrag van het belastingkrediet berekend overeenkomstig artikel 57, § 2, van de wet.
De in het eerste lid, 1° tot 5° vermelde gegevens worden apart vermeld voor elke tussenkomst van de werkgever die tijdens het betrokken belastbare tijdperk is betaald of toegekend en waarvoor de toepassing van het belastingkrediet wordt gevraagd.
In afwijking van het tweede lid, kan de belastingplichtige ervoor opteren om de gegevens met betrekking tot tussenkomsten van de werkgever waarvoor het in het eerste lid, 4° bedoelde gegeven identiek is, samen te vermelden in het document. In dat geval:
1° vermeldt de belastingplichtige:
- bij de betrokken gegevens dat hij gebruik maakt van de in dit lid bedoelde optie;
- telkens de som van de in het eerste lid, 1° en 5° bedoelde bedragen voor de betrokken tussenkomsten;
- telkens het laagste van de in het eerste lid, 2° en 3°, bedoelde percentages dat van toepassing is voor de betrokken tussenkomsten;
2° houdt de belastingplichtige de in het eerste lid, 1°, 2°, 3° en 5° bedoelde gegevens per tussenkomst van de werkgever ter beschikking van de administratie.
Het document bevat tevens de bevestiging van de belastingplichtige dat:
1° hij een werkgever is als bedoeld in artikel 57, § 1, tweede lid, van de wet;
2° de tussenkomst van de werkgever in een treinabonnement niet door derden wordt vergoed;
3° het belastingkrediet niet wordt gevraagd voor de tussenkomst van de werkgever in een treinabonnement waarvoor de derdebetalersregeling als bedoeld in artikel 40 van het openbaredienstcontract gesloten tussen de Staat en de NMBS van toepassing is;
4° het belastingkrediet niet wordt gevraagd voor de tussenkomst van de werkgever die wordt betaald of toegekend aan een werknemer die van de belastingplichtige een mobiliteitsbudget ontvangt met toepassing van de wet van 17 maart 2019 betreffende de invoering van een mobiliteitsbudget;
5° de verhoging van de tussenkomst van de werkgever in een treinabonnement is vastgelegd in een collectieve arbeidsovereenkomst, een arbeidsreglement of een individuele arbeidsovereenkomst en geldt zonder beperking in de tijd.
§ 2. De aan de vennootschapsbelasting of rechtspersonenbelasting onderworpen belastingplichtige en de in artikel 227, 2° of 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde belastingplichtige die aanspraak maakt op het belastingkrediet, voegt het in paragraaf 1 bedoelde document in bijlage toe aan zijn aangifte. De aan de personenbelasting onderworpen belastingplichtige en de in artikel 227, 1°, van het voormelde Wetboek bedoelde belastingplichtige houdt het in paragraaf 1 bedoelde document ter beschikking van de administratie.
Art. 4. § 1er. Le contribuable qui revendique le crédit d'impôt établit un document reprenant les données suivantes :
1° le montant de l'intervention de l'employeur visée à l'article 56, 3°, de la loi, payée ou attribuée au cours de la période imposable concernée ;
2° l'intervention de référence de l'employeur visée à l'article 56, 4°, de la loi ;
3° l'intervention majorée de l'employeur visée à l'article 56, 5°, de la loi ;
4° le pourcentage de majoration visé à l'article 56, 6°, de la loi ;
5° le montant du crédit impôt calculé conformément à l'article 57, § 2, de la loi.
Les données visées à l'alinéa 1er, 1° à 5°, sont mentionnées séparément pour chaque intervention de l'employeur payée ou attribuée au cours de la période imposable concernée et pour laquelle l'application du crédit d'impôt est demandée.
Par dérogation à l'alinéa 2, le contribuable peut opter pour mentionner ensemble dans le document les données relatives aux interventions de l'employeur pour lesquelles la donnée visée à l'alinéa 1er, 4°, est identique. Dans ce cas :
1° le contribuable mentionne :
- pour les données concernées qu'il fait usage de l'option visée au présent alinéa ;
- à chaque fois la somme des montants visés à l'alinéa 1er, 1° et 5°, pour les interventions concernées ;
- à chaque fois le plus bas des pourcentages visés à l'alinéa 1er, 2° et 3°, applicables aux interventions concernées ;
2° le contribuable tient à la disposition de l'administration les données visées à l'alinéa 1er, 1°, 2°, 3° et 5°, par intervention de l'employeur.
Le document contient également la confirmation du contribuable que :
1° il est un employeur tel que visé à l'article 57, § 1er, alinéa 2, de la loi ;
2° l'intervention de l'employeur dans un abonnement de train n'est pas remboursée par des tiers ;
3° le crédit d'impôt n'est pas revendiqué pour l'intervention de l'employeur dans un abonnement de train auquel le système de tiers payant tel que visé à l'article 40 du contrat de service public conclu entre l'Etat et la SNCB s'applique ;
4° le crédit d'impôt n'est pas revendiqué pour l'intervention de l'employeur payée ou attribuée à un travailleur qui perçoit du contribuable un budget mobilité en application de la loi du 17 mars 2019 concernant l'instauration d'un budget mobilité ;
5° l'augmentation de l'intervention de l'employeur dans un abonnement de train est prévue dans une convention collective de travail, un règlement de travail ou un contrat de travail individuel et qu'elle s'applique sans limitation dans le temps.
§ 2. Le contribuable assujetti à l'impôt des sociétés ou à l'impôt des personnes morales et le contribuable visé à l'article 227, 2° ou 3°, du Code des impôts sur les revenus 1992 qui revendique le crédit d'impôt, joint le document visé au paragraphe 1er en annexe à sa déclaration. Le contribuable assujetti à l'impôt des personnes physiques et le contribuable visé à l'article 227, 1°, du Code précité, tient le document visé au paragraphe 1er à la disposition de l'administration.
1° le montant de l'intervention de l'employeur visée à l'article 56, 3°, de la loi, payée ou attribuée au cours de la période imposable concernée ;
2° l'intervention de référence de l'employeur visée à l'article 56, 4°, de la loi ;
3° l'intervention majorée de l'employeur visée à l'article 56, 5°, de la loi ;
4° le pourcentage de majoration visé à l'article 56, 6°, de la loi ;
5° le montant du crédit impôt calculé conformément à l'article 57, § 2, de la loi.
Les données visées à l'alinéa 1er, 1° à 5°, sont mentionnées séparément pour chaque intervention de l'employeur payée ou attribuée au cours de la période imposable concernée et pour laquelle l'application du crédit d'impôt est demandée.
Par dérogation à l'alinéa 2, le contribuable peut opter pour mentionner ensemble dans le document les données relatives aux interventions de l'employeur pour lesquelles la donnée visée à l'alinéa 1er, 4°, est identique. Dans ce cas :
1° le contribuable mentionne :
- pour les données concernées qu'il fait usage de l'option visée au présent alinéa ;
- à chaque fois la somme des montants visés à l'alinéa 1er, 1° et 5°, pour les interventions concernées ;
- à chaque fois le plus bas des pourcentages visés à l'alinéa 1er, 2° et 3°, applicables aux interventions concernées ;
2° le contribuable tient à la disposition de l'administration les données visées à l'alinéa 1er, 1°, 2°, 3° et 5°, par intervention de l'employeur.
Le document contient également la confirmation du contribuable que :
1° il est un employeur tel que visé à l'article 57, § 1er, alinéa 2, de la loi ;
2° l'intervention de l'employeur dans un abonnement de train n'est pas remboursée par des tiers ;
3° le crédit d'impôt n'est pas revendiqué pour l'intervention de l'employeur dans un abonnement de train auquel le système de tiers payant tel que visé à l'article 40 du contrat de service public conclu entre l'Etat et la SNCB s'applique ;
4° le crédit d'impôt n'est pas revendiqué pour l'intervention de l'employeur payée ou attribuée à un travailleur qui perçoit du contribuable un budget mobilité en application de la loi du 17 mars 2019 concernant l'instauration d'un budget mobilité ;
5° l'augmentation de l'intervention de l'employeur dans un abonnement de train est prévue dans une convention collective de travail, un règlement de travail ou un contrat de travail individuel et qu'elle s'applique sans limitation dans le temps.
§ 2. Le contribuable assujetti à l'impôt des sociétés ou à l'impôt des personnes morales et le contribuable visé à l'article 227, 2° ou 3°, du Code des impôts sur les revenus 1992 qui revendique le crédit d'impôt, joint le document visé au paragraphe 1er en annexe à sa déclaration. Le contribuable assujetti à l'impôt des personnes physiques et le contribuable visé à l'article 227, 1°, du Code précité, tient le document visé au paragraphe 1er à la disposition de l'administration.
Art. 5. De belastingplichtige die de toepassing vraagt van het belastingkrediet houdt tevens de volgende documenten ter beschikking van de administratie:
1° de stukken die door de werknemer zijn voorgelegd om de tussenkomst te verkrijgen of, in geval van een derdebetalersregeling, de factuur met betrekking tot de tussenkomst;
2° in geval van een tussenkomst in een gecombineerd vervoerbewijs: de in artikel 3, § 1, tweede lid bedoelde verklaring op eer.
1° de stukken die door de werknemer zijn voorgelegd om de tussenkomst te verkrijgen of, in geval van een derdebetalersregeling, de factuur met betrekking tot de tussenkomst;
2° in geval van een tussenkomst in een gecombineerd vervoerbewijs: de in artikel 3, § 1, tweede lid bedoelde verklaring op eer.
Art. 5. Le contribuable qui demande l'application du crédit d'impôt tient également à la disposition de l'administration les documents suivants :
1° les documents fournis par le travailleur pour obtenir l'intervention ou, dans le cas d'un régime de tiers payant, la facture relative à l'intervention ;
2° en cas d'intervention dans un titre de transport combiné : la déclaration sur l'honneur visée à l'article 3, § 1er, alinéa 2.
1° les documents fournis par le travailleur pour obtenir l'intervention ou, dans le cas d'un régime de tiers payant, la facture relative à l'intervention ;
2° en cas d'intervention dans un titre de transport combiné : la déclaration sur l'honneur visée à l'article 3, § 1er, alinéa 2.
HOOFDSTUK 4. - Slotbepalingen
CHAPITRE 4. - Dispositions finales
Art. 6. Dit besluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatblad.
Art. 6. Le présent arrêté entre en vigueur le jour de sa publication ou Moniteur belge.
Art. 7. De minister die bevoegd is voor Financiën, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 7. Le ministre qui a les Finances dans ses attributions, est chargé de l'exécution du présent arrêté.