Zum Hauptinhalt

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
16 MEI 2024. - Decreet over dierenwelzijn (Citeertitel: Vlaamse Codex Dierenwelzijn van 17 mei 2024)(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 02-07-2024 en tekstbijwerking tot 25-02-2026)
Titre
16 MAI 2024. - Décret relatif au bien-être des animaux (Code flamand du bien-être des animaux du 17 mai 2024)(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 02-07-2024 et mise à jour au 25-02-2026)
Dokumentinformationen
Numac: 2024006400
Datum: 2024-05-16
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2024006400
Date: 2024-05-16
Moniteur: Voir
Tekst (111)
Texte (111)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
Artikel 1. Dit decreet regelt een gewestaangelegenheid.
Article 1er. Le présent décret règle une matière régionale.
Art. 2. Dit decreet wordt aangehaald als: Vlaamse Codex Dierenwelzijn van 17 mei 2024.
Art. 2. Le présent décret est cité comme : le Code flamand du Bien-être des animaux du 17 mai 2024.
Art. 3. In dit decreet wordt verstaan onder:
  1° algemene verordening gegevensbescherming: de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG;
  2° bedwelming: iedere bewust gebruikte methode die een dier pijnloos in een staat van bewusteloosheid en gevoelloosheid brengt, met inbegrip van methodes die onmiddellijk de dood tot gevolg hebben;
  3° departement: het Departement Omgeving;
  4° dierenasiel: een inrichting die beschikt over de gepaste uitrusting om onderdak en nodige zorgen te verschaffen aan afgestane, verloren, achtergelaten, verwaarloosde, in beslag genomen of verbeurdverklaarde dieren;
  5° dierenpension: een inrichting waar gedurende beperkte tijd en tegen vergoeding, onderdak en nodige zorgen worden verleend aan honden en katten die door hun eigenaar zijn toevertrouwd;
  6° dierentuin: elke inrichting die voor het publiek toegankelijk is waar levende dieren van niet-gedomesticeerde soorten worden gehouden om te worden tentoongesteld, met inbegrip van dierenparken, safariparken, dolfinaria, aquaria en gespecialiseerde verzamelingen, evenwel met uitzondering van circussen, rondreizende tentoonstellingen en handelszaken voor dieren of andere inrichtingen die de Vlaamse Regering aanwijst;
  7° dierproef: elke al dan niet invasieve handeling ten aanzien van een dier voor experimentele of andere wetenschappelijke doeleinden, waarvan het resultaat bekend of onbekend is, of voor onderwijskundige doeleinden die bij het dier evenveel, of meer, pijn, lijden, angst of blijvende schade kan veroorzaken als het inbrengen van een naald volgens goed diergeneeskundig vakmanschap. Dit omvat iedere handeling waarvan het doel of het mogelijke gevolg de geboorte of het uit het ei breken van een dier is, dan wel het in een dergelijke toestand brengen en houden van een genetisch gemodificeerde dierenvariëteit, maar omvat niet het doden van dieren met als enig doel het gebruik van hun organen of weefsels;
  8° doden: iedere bewust gebruikte methode die resulteert in de dood van een dier;
  9° dwangvoedering: het onder dwang toedienen van voeder of drinken;
  10° fokker: elke natuurlijke persoon of elke rechtspersoon die dieren fokt die de Vlaamse Regering bepaalt om hen te gebruiken in proeven of hun weefsels of organen voor wetenschappelijke doeleinden te gebruiken, of die hoofdzakelijk voor die doeleinden andere dieren fokt, al dan niet met winstoogmerk;
  11° gebruiker: elke natuurlijke persoon of elke rechtspersoon die, al dan niet met winstoogmerk, dieren in dierproeven gebruikt;
  12° handelszaak voor dieren: inrichting, met uitzondering van het landbouwbedrijf en al dan niet toegankelijk voor het publiek, waar dieren worden gehouden met het doel om ze te verhandelen;
  13° hondenkwekerij: een inrichting waarin teven voor de kweek worden gehouden en honden worden verhandeld uit eigen nesten of nesten van andere kwekerijen, die voldoet aan de bepalingen van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan;
  14° inrichting: elke installatie, elk gebouw, elke groep van gebouwen of elk ander pand, met inbegrip van ruimten die niet volledig zijn afgeperkt of overdekt, en ook verplaatsbare voorzieningen;
  15° interventiehond: een hond die getraind is of getraind wordt om te worden ingezet door het leger, de politie, de operationele diensten van de civiele veiligheid, of ondernemingen of diensten die vergund zijn met toepassing van de wet van 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid;
  16° kattenkwekerij: een inrichting waarin kattinnen voor de kweek worden gehouden en katten worden verhandeld uit eigen nesten of nesten van andere kwekerijen, die voldoet aan de bepalingen van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan;
  17° landcommissie: een landcommissie als vermeld in artikel 2.2.1 van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting;
  18° leverancier: elke natuurlijke persoon of elke rechtspersoon die geen fokker is en die dieren levert voor gebruik in proeven of voor het gebruik van hun weefsels of organen voor wetenschappelijke doeleinden, al dan niet met winstoogmerk;
  19° markt: voor het publiek toegankelijke plaats waar verzamelingen van dieren worden gehouden met het doel ze te verhandelen;
  20° opleidingscentrum voor interventiehonden: een inrichting waar honden worden opgeleid tot interventiehonden met het doel ze als interventiehond te verhandelen;
  21° opvangcentrum voor uitheemse wilde dieren in nood: gespecialiseerd opvangcentrum voor verloren, achtergelaten, verwaarloosde of in beslag genomen wilde uitheemse dieren in nood, die er in regel permanent verblijven en permanente verzorging krijgen, en dat ook toegankelijk is voor bezoekers;
  22° pelsdier: een dier dat is gehouden met als hoofddoel om het te doden om de pels te verkrijgen;
  23° proefdieren:
  a) de levende koppotigen die worden gebruikt of bestemd zijn om te worden gebruikt in dierproeven, of die specifiek worden gehouden opdat hun organen of weefsels voor wetenschappelijke doeleinden kunnen worden gebruikt;
  b) de levende niet-menselijke gewervelden die worden gebruikt of bestemd zijn om te worden gebruikt in dierproeven, of die specifiek worden gehouden opdat hun organen of weefsels voor wetenschappelijke doeleinden kunnen worden gebruikt, met inbegrip van hun zich zelfstandig voedende larvale vormen, en ook foetale vormen van zoogdieren met ingang van het laatste derde deel van hun normale ontwikkeling;
  c) dieren die in dierproeven gebruikt worden en die zich in een vroeger ontwikkelingsstadium bevinden dan een ontwikkelingsstadium als vermeld in punt b), als die dieren voorbij dat ontwikkelingsstadium in leven moeten blijven en door de uitgevoerde dierproeven gevaar lopen om na het bereiken van dat stadium pijn, lijden, angst of blijvende schade te ondervinden;
  24° proefleider: elke persoon die de leiding heeft over een dierproef;
  25° project: elk werkprogramma met een welomschreven wetenschappelijk doel dat een of meer dierproeven omvat;
  26° slachten: het doden van dieren die bestemd zijn voor menselijke consumptie;
  27° slachthuis: elke voor het slachten van landdieren gebruikte inrichting die onder verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong valt;
  28° tentoonstelling: een verzameling van dieren die gehouden wordt met het doel de eigenschappen van de dieren te laten beoordelen en vergelijken of ze voor educatieve doelen voor te stellen en waarvan het hoofddoel niet van handelsaard is;
  29° verantwoordelijke: de natuurlijke persoon, eigenaar of houder van een dier, die er gewoonlijk een onmiddellijk beheer of toezicht op uitoefent;
  30° verhandelen:
  a) in de handel brengen;
  b) te koop aanbieden;
  c) ruilen;
  d) verkopen;
  e) ten kosteloze of bezwarende titel afstaan;
  f) houden, verwerven, vervoeren of tentoonstellen met het oog op de verkoop;
  31° wedstrijd: een evenement waarbij dieren in een competitief verband beoordeeld en gerangschikt worden op basis van uiterlijke kenmerken, gedrag, kracht, snelheid en/of behendigheid.
Art. 3. Dans le présent décret, on entend par :
  1° règlement général sur la protection des données : le règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE ;
  2° étourdissement : toute méthode utilisée intentionnellement qui provoque chez un animal une perte de conscience et de sensibilité sans douleur, y compris les méthodes entraînant une mort immédiate ;
  3° département : le département de l'Environnement et de l'Aménagement du Territoire ;
  4° refuge pour animaux : un établissement qui dispose des installations adéquates pour héberger et assurer les soins nécessaires à des animaux perdus, abandonnés, négligés, saisis ou confisqués ;
  5° pension pour animaux : un établissement où, pour une durée limitée et contre rémunération, un abri et les soins nécessaires sont fournis aux chiens et aux chats confiés par leurs propriétaires ;
  6° parc zoologique : un établissement accessible au public où des animaux vivants d'espèces non domestiques sont détenus pour être exposés, y compris les parcs d'animaux, les parcs-safari, les delphinariums, les aquariums et les collections spécialisées, à l'exclusion toutefois des cirques, des expositions itinérantes et des établissements commerciaux pour animaux ou d'autres types d'établissements désignés par le Gouvernement flamand ;
  7° expérience sur animaux : toute action, invasive ou non invasive, sur un animal à des fins expérimentales ou à d'autres fins scientifiques, dont le résultat est connu ou inconnu, ou à des fins éducatives, susceptible de causer à l'animal une douleur, une souffrance, une angoisse ou des dommages durables équivalents ou supérieurs à ceux causés par l'insertion d'une aiguille selon les bonnes pratiques vétérinaires. Cela inclut tout acte dont le but ou la conséquence possible est la naissance ou l'éclosion d'un animal, ou la mise et le maintien dans cet état d'une variété animale génétiquement modifiée, tout en excluant la mise à mort d'animaux dans le seul but d'utiliser leurs organes ou leurs tissus ;
  8° mettre à mort : toute méthode délibérément utilisée qui entraîne la mort d'un animal ;
  9° gavage : administrer de force des aliments ou des boissons ;
  10° éleveur : toute personne physique ou morale qui élève des animaux dont le Gouvernement flamand détermine qu'ils seront utilisés dans des expériences ou que leurs tissus ou organes seront utilisés à des fins scientifiques, ou qui élève d'autres animaux principalement à ces fins, que ce soit dans un but lucratif ou non ;
  11° utilisateur : toute personne physique ou morale qui, dans un but lucratif ou non, utilise des animaux dans le cadre d'expériences sur animaux ;
  12° établissement commercial pour animaux : établissement, à l'exception de l'exploitation agricole, accessible ou non au public, où sont détenus des animaux dans le but de les commercialiser ;
  13° élevage de chiens : établissement dans lequel sont détenues des chiennes pour la reproduction et sont commercialisés des chiens provenant de nichées propres ou de nichées d'autres élevages qui satisfont aux dispositions du présent décret et de ses arrêtés d'exécution ;
  14° établissement : toute installation, tout bâtiment, tout groupe de bâtiments ou tout autre local, y compris les espaces qui ne sont pas entièrement clos ou couverts, ainsi que les installations mobiles ;
  15° chien d'intervention : un chien dressé ou en cours de dressage pour être utilisé par l'armée, la police, les services opérationnels de la sécurité civile, ou les entreprises ou services agréés en vertu de la loi du 2 octobre 2017 réglementant la sécurité privée et particulière ;
  16° élevage de chats : établissement dans lequel sont détenues des chattes pour la reproduction et sont commercialisés des chats provenant de nichées propres ou de nichées d'autres élevages qui satisfont aux dispositions du présent décret et de ses arrêtés d'exécution ;
  17° commission foncière : une commission foncière telle que visée à l'article 2.2.1 du décret du 28 mars 2014 relatif à la rénovation rurale ;
  18° fournisseur : toute personne physique ou morale, autre qu'un éleveur, qui fournit des animaux en vue de leur utilisation dans des expériences sur animaux ou de l'utilisation de leurs tissus ou organes à des fins scientifiques, dans un but lucratif ou non ;
  19° marché : lieu accessible au public où des rassemblements d'animaux sont détenus à des fins commerciales ;
  20° centre de formation pour chiens d'intervention : établissement où les chiens sont formés en tant que chiens d'intervention dans le but de les commercialiser en tant que chiens d'intervention ;
  21° centre d'accueil pour les animaux sauvages exotiques en situation de détresse : centre d'accueil spécialisé pour les animaux sauvages exotiques en situation de détresse perdus, abandonnés, négligés ou saisis, qui y résident et y sont soignés généralement de manière permanente, et qui est également accessible aux visiteurs ;
  22° animal à fourrure : animal élevé dans le but principal de le mettre à mort pour en obtenir la fourrure ;
  23° animaux d'expérience :
  a) les céphalopodes vivants utilisés ou destinés à être utilisés dans le cadre d'expériences sur animaux, ou détenus spécifiquement afin que leurs organes ou tissus puissent être utilisés à des fins scientifiques ;
  b) les vertébrés vivants non humains utilisés ou destinés à être utilisés dans des expériences sur animaux, ou détenus spécifiquement en vue de l'utilisation de leurs organes ou tissus à des fins scientifiques, y compris les formes larvaires se nourrissant de façon autonome, ainsi que les formes foetales de mammifères à partir du dernier tiers de leur développement normal ;
  c) les animaux utilisés dans des expériences animales qui se trouvent à un stade de développement antérieur à celui visé au point b), si ces animaux doivent rester en vie au-delà de ce stade de développement et risquent de subir des douleurs, des souffrances, de l'angoisse ou des dommages durables après avoir atteint ce stade, en raison des expériences sur animaux effectuées ;
  24° maître d'expérience : toute personne responsable d'une expériences sur animaux ;
  25° projet : tout programme de travail ayant un objectif scientifique défini et comprenant une ou plusieurs expériences sur animaux ;
  26° abattage : la mise à mort d'animaux destinés à la consommation humaine ;
  27° abattoir : tout établissement utilisé en vue de l'abattage d'animaux terrestres relevant du règlement (CE) n° 853/2004 du Parlement européen et du Conseil du 29 avril 2004 fixant des règles spécifiques d'hygiène applicables aux denrées alimentaires d'origine animale ;
  28° exposition : une collection d'animaux détenus dans le but d'évaluer et de comparer leurs caractéristiques ou de les présenter à des fins éducatives et dont l'objectif principal n'est pas de nature commerciale ;
  29° responsable : la personne physique, propriétaire ou détentrice d'un animal, qui exerce habituellement une gestion ou une surveillance immédiate sur celui-ci ;
  30° commercialiser :
  a) mettre sur le marché ;
  b) offrir à la vente ;
  c) échanger ;
  d) vendre ;
  e) céder à titre gratuit ou onéreux;
  f) détenir, acquérir, transporter ou exposer en vue de la vente ;
  31° concours : événement au cours duquel des animaux sont jugés et classés dans un contexte de compétition sur la base de leur apparence, de leur comportement, de leur force, de leur vitesse et/ou de leur agilité.
Art. 4. Een dier is een levend wezen met gevoel en specifieke behoeften dat een bijzondere bescherming geniet en zorg vereist.
Art. 4. Un animal est un être vivant qui éprouve des sentiments et des besoins spécifiques, qui bénéficie d'une protection particulière et nécessite des soins.
Art. 5. Dit decreet beoogt het dierenwelzijn te waarborgen en te versterken, rekening houdend met de fysiologische en ethologische behoeften van het dier. Het voorziet hiertoe ook in een controle- en handhavingsbeleid dat een onlosmakelijk geheel vormt met de beleidsondersteuning en beleidsuitvoering.
  Het dierenwelzijnsbeleid streeft een hoog dierenwelzijnsniveau na. Het berust op het standstillbeginsel. Onder het voormelde beginsel wordt verstaan dat het bestaande beschermingsniveau voor dieren niet mag afnemen.
Art. 5. Le présent décret vise à garantir et à renforcer le bien-être des animaux, en tenant compte de leurs besoins physiologiques et éthologiques. A cette fin, il prévoit également une politique de suivi et de maintien indissociable du soutien et de la mise en oeuvre politiques.
  La politique en matière de bien-être des animaux vise à assurer un niveau élevé de bien-être des animaux. Elle repose sur le principe de standstill, ce qui signifie que le niveau actuel de protection des animaux ne doit pas diminuer.
Art. 6. Niemand mag, uitgezonderd bij overmacht, handelingen plegen die niet door dit decreet zijn bepaald of nalaten handelingen te stellen, als dat redelijkerwijze mogelijk is, waardoor een dier zonder noodzaak omkomt of zonder noodzaak het welzijn van het dier op een andere manier op fysiologisch en/of ethologisch vlak wordt geschaad.
Art. 6. Sauf en cas de force majeure, nul ne peut commettre des actes non prévus dans le présent décret ou omettre de commettre des actes, s'il est raisonnablement possible de le faire, causant la mort d'un animal sans nécessité ou nuisant sans nécessité d'une autre manière au bien-être de l'animal d'un point de vue physiologique et/ou éthologique.
Art. 7. Dit decreet is van toepassing op de gewervelde dieren.
  In de volgende gevallen is dit decreet van toepassing op ongewervelde dieren:
  1° als dit decreet het uitdrukkelijk bepaalt;
  2° als de Vlaamse Regering op basis van een evaluatie bepaalt op welke ongewervelde dieren het van toepassing is en welke maatregelen erop van toepassing zijn.
Art. 7. Le présent décret s'applique aux vertébrés.
  Le présent décret s'applique aux invertébrés dans les cas suivants :
  1° si le présent décret le prévoit expressément ;
  2° si le Gouvernement flamand détermine, sur la base d'une évaluation, à quels invertébrés il s'applique et quelles mesures leur sont applicables.
HOOFDSTUK 2. - Het houden van dieren
CHAPITRE 2. - La détention d'animaux
Afdeling 1. - Algemene beginselen
Section 1re. - Principes généraux
Onderafdeling 1. - Dieren die gehouden mogen worden
Sous-section 1re. - Animaux pouvant être détenus
Art. 8. § 1. Het is verboden dieren te houden die niet behoren tot de soorten of de categorieën op een lijst die de Vlaamse Regering vaststelt. De voormelde lijst doet geen afbreuk aan de regelgeving over de bescherming van bedreigde diersoorten en de wetgeving over invasieve exoten.
  § 2. In afwijking van paragraaf 1 kunnen dieren van andere soorten of categorieën dan de dieren op de lijst, vermeld in paragraaf 1, worden gehouden door de volgende actoren:
  1° in dierentuinen;
  2° door laboratoria;
  3° door particulieren die aan een van de volgende voorwaarden voldoen:
  a) de particulieren kunnen bewijzen dat de dieren zijn gehouden voor de datum van de inwerkingtreding van het besluit waarin de lijst, vermeld in paragraaf 1, wordt vastgesteld. Dat bewijs hoeft niet te worden voorgelegd voor de nakomelingen van de voormelde dieren, op voorwaarde dat ze zich bij de eerste eigenaar bevinden;
  b) de particulieren zijn erkend door de Vlaamse Regering, op advies van de Vlaamse Dierentuinencommissie, vermeld in artikel 17, § 2, derde lid;
  4° door dierenartsen, als het dieren van derden betreft die tijdelijk gehouden worden voor diergeneeskundige verzorging;
  5° door dierenasielen, als het een verblijf betreft van dieren die in beslag zijn genomen, waarvan afstand is gedaan of die zijn aangetroffen zonder dat vastgesteld kon worden wie de houder ervan is;
  6° door opvangcentra voor uitheemse wilde dieren in nood;
  7° door handelszaken voor dieren, als vooraf een schriftelijke overeenkomst met natuurlijke personen of rechtspersonen als vermeld in punt 1°, 2° en 3°, b), of natuurlijke personen of rechtspersonen die zijn gevestigd buiten het grondgebied van het Vlaamse Gewest, is gesloten en als de voormelde handelszaken de dieren alleen houden voor de tijd die nodig is om ze over te dragen aan de voormelde natuurlijke personen of rechtspersonen.
  De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor de toepassing van de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 3°, a) en b). De Vlaamse Regering bepaalt ook het tarief en de regels voor de betaling van de retributie voor het aanvragen van de erkenning, vermeld in het eerste lid, 3°, b). De Vlaamse Regering kan ook voorwaarden vaststellen voor de particulieren, vermeld in het eerste lid, 3°, over het houden en het identificeren van de dieren in kwestie en kan ook het aantal dieren beperken dat gehouden mag worden.
  § 3. Met behoud van de toepassing van de afwijkingen, vermeld in paragraaf 2, kan de Vlaamse Regering het houden van soorten of categorieën die niet voorkomen op de lijst, vermeld in paragraaf 1, in individuele gevallen verbieden aan sommige van de natuurlijke personen of de rechtspersonen, vermeld in paragraaf 2, als wordt vastgesteld dat die natuurlijke personen of de rechtspersonen het welzijn van dieren van de voormelde soorten of categorieën niet kunnen waarborgen.
  § 4. Het is verboden dieren te houden als er een gerechtelijk verbod of beperking tot het houden van dieren van toepassing is die is opgelegd op grond van artikel 68, 2° en 3°.
Art. 8. § 1er. Il est interdit de détenir des animaux qui n'appartiennent pas aux espèces ou catégories figurant sur une liste établie par le Gouvernement flamand. La liste précitée ne porte pas préjudice à la réglementation sur la protection des espèces menacées et à la législation sur les espèces exotiques envahissantes.
  § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, les animaux d'espèces ou de catégories autres que celles figurant sur la liste visée au paragraphe 1er, peuvent être détenus par les acteurs suivants :
  1° les parcs zoologiques ;
  2° les laboratoires ;
  3° les particuliers qui satisfont à l'une des conditions suivantes :
  a) les particuliers sont en mesure de prouver que les animaux ont été détenus avant la date d'entrée en vigueur de l'arrêté établissant la liste visée au paragraphe 1er. Cette preuve ne doit pas être présentée pour les descendants des animaux précités, à condition qu'ils se trouvent chez le premier propriétaire ;
  b) les particuliers sont agréés par le Gouvernement flamand, sur avis de la Commission flamande des Parcs zoologiques visée à l'article 17, § 2, alinéa 3 ;
  4° les vétérinaires, s'il s'agit d'animaux appartenant à des tiers détenus temporairement pour des soins vétérinaires ;
  5° les refuges pour animaux, s'il s'agit d'héberger des animaux qui ont été saisis, abandonnés ou trouvés sans que leur détenteur n'ait été identifié ;
  6° les refuges pour animaux sauvages exotiques en situation de détresse ;
  7° les animaleries, si un accord écrit préalable a été conclu avec des personnes physiques ou morales, visées aux points 1°, 2° et 3°, b), ou les personnes physiques ou morales établies en dehors du territoire de la Région flamande, et si les établissements commerciaux précités ne détiennent les animaux que pendant le temps nécessaire pour les transférer aux personnes physiques ou morales précitées.
  Le Gouvernement flamand arrête la procédure d'application des conditions visées à l'alinéa 1er, 3°, a) et b). Le Gouvernement flamand fixe également le tarif et les modalités de paiement de la redevance pour la demande d'agrément visée à l'alinéa 1er, 3°, b). Le Gouvernement flamand peut également fixer des conditions pour les particuliers visés à l'alinéa 1er, 3°, relatives à la détention et à l'identification des animaux en question et peut également limiter le nombre d'animaux pouvant être détenus.
  § 3. Sans préjudice de l'application des dérogations visées au paragraphe 2, le Gouvernement flamand peut interdire, dans des cas individuels, la détention d'espèces ou de catégories qui ne figurent pas sur la liste visée au paragraphe 1er, à certaines des personnes physiques ou morales visées au paragraphe 2, s'il est établi que ces personnes physiques ou morales ne peuvent pas garantir le bien-être des animaux des espèces ou catégories précitées.
  § 4. Il est interdit de détenir des animaux en cas d'interdiction ou de restriction judiciaire de détention d'animaux imposée en vertu de l'article 68, 2° et 3°.
Art. 9. § 1. Met behoud van de toepassing van de regelgeving over het natuurbehoud en de landbouw, vermeld in artikel 6, § 1, III en V, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, is het verboden om dieren te houden die in het wild werden gevangen.
  § 2. Het verbod, vermeld in paragraaf 1, is niet van toepassing op de volgende handelingen en inrichtingen binnen het bevoegdheidsdomein van het dierenwelzijn:
  1° dierenasielen;
  2° dierentuinen;
  3° laboratoria;
  4° de opvangcentra voor uitheemse wilde dieren in nood;
  5° de opvangcentra, vermeld in artikel 1, 13°, van het Soortenbesluit van 15 mei 2009;
  6° de handelingen die zijn uitgevoerd met toepassing van artikel 14 en 15 van dit decreet;
  7° het houden van dieren die in het wild zijn gevangen, waarvoor een dierenarts heeft vastgesteld dat ze om redenen van dierenwelzijn niet meer vrijgelaten kunnen worden in de natuur;
  8° het houden van dieren die in het wild zijn gevangen, waarvoor de houder kan aantonen dat die die dieren al hield vóór 1 januari 2025. De Vlaamse Regering kan de procedure voor de toepassing ervan bepalen.
  De lijst van handelingen en inrichtingen, vermeld in het eerste lid, kan door de Vlaamse Regering uitgebreid worden.
Art. 9. § 1er. Sans préjudice de l'application de la réglementation relative à la conservation de la nature et à l'agriculture visée à l'article 6, § 1er, III et V, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, il est interdit de détenir des animaux capturés dans la nature.
  § 2. L'interdiction visée au paragraphe 1er, ne s'applique pas aux actes et établissements suivants relevant du domaine de compétence du bien-être des animaux :
  1° les refuges pour animaux ;
  2° les parcs zoologiques ;
  3° les laboratoires ;
  4° les centres d'accueil pour les animaux sauvages exotiques en situation de détresse ;
  5° les centres d'accueil visés à l'article 1er, 13°, de l'arrêté des Espèces du 15 mai 2009 ;
  6° les actes accomplis en application des articles 14 et 15 du présent décret ;
  7° la détention d'animaux capturés dans la nature et pour lesquels un vétérinaire a déterminé qu'ils ne pouvaient pas être relâchés dans la nature pour des raisons de bien-être animal ;
  8° la détention d'animaux capturés dans la nature, pour lesquels le détenteur peut prouver qu'il détenait déjà ces animaux avant le 1er janvier 2025. Le Gouvernement flamand peut en arrêter la procédure d'application.
  La liste des actes et établissements visés à l'alinéa 1er, peut être étendue par le Gouvernement flamand.
Onderafdeling 2. - Voorwaarden voor het houden van dieren
Sous-section 2. - Conditions de détention d'animaux
Art. 10. § 1. Ieder persoon die een dier houdt, verzorgt of te verzorgen heeft, neemt de nodige maatregelen om het dier te voorzien van aangepaste voeding, verzorging, huisvesting en beschutting die in overeenstemming zijn met zijn aard, zijn fysiologische en ethologische behoeften, zijn gezondheidstoestand en zijn graad van ontwikkeling, aanpassing of domesticatie.
  § 2. Elk dier beschikt over voldoende ruimte en bewegingsvrijheid, in overeenstemming met zijn fysiologische en ethologische behoeften.
  Een dier wordt niet gewoonlijk of constant vastgemaakt of opgesloten. Als een dier in afwijking hiervan wel gewoonlijk of constant wordt vastgemaakt of opgesloten, krijgt het voldoende ruimte en bewegingsvrijheid, in overeenstemming met zijn fysiologische en ethologische behoeften. In geen geval wordt de bewegingsvrijheid van het dier zodanig beperkt dat het aan vermijdbare pijnen, lijden of letsels wordt blootgesteld.
  § 3. Ieder persoon die een dier houdt, verzorgt of te verzorgen heeft, zorgt ervoor dat de dieren die buiten gehouden worden over natuurlijke of kunstmatige beschutting beschikken.
  De Vlaamse Regering kan de modaliteiten hiervan bepalen en kan in uitzonderingen hierop voorzien.
  § 4. Paardachtigen die buiten worden gehouden en die niet kunnen worden opgestald, beschikken over een natuurlijke beschutting of een schuilhok.
  § 5. De verlichting, de temperatuur, de luchtvochtigheidsgraad, de verluchting, de luchtcirculatie en de overige milieuvoorwaarden van het verblijf van het dier stemmen overeen met de fysiologische en ethologische behoeften van het dier.
  § 6. Onder voorbehoud van de bepalingen van hoofdstuk 9 kan de Vlaamse Regering voor het houden van specifieke soorten en categorieën van dieren bijkomende regels uitvaardigen.
Art. 10. § 1er. Toute personne qui détient, soigne ou est chargée de soigner un animal prend les mesures nécessaires pour lui fournir une alimentation, des soins, un logement et un abri appropriés à sa nature, à ses besoins physiologiques et éthologiques, à son état de santé et à son degré de développement, d'adaptation ou de domestication.
  § 2. Chaque animal dispose d'un espace et d'une liberté de mouvement adéquats conformément à ses besoins physiologiques et éthologiques.
  L'animal n'est pas habituellement ou constamment attaché ou enfermé. Par dérogation à ce qui précède, un animal habituellement ou constamment attaché ou enfermé doit pouvoir disposer de suffisamment d'espace et de mobilité, conformément à ses besoins physiologiques et éthologiques. En aucun cas, la liberté de mouvement de l'animal ne doit être restreinte de manière à l'exposer à des douleurs, souffrances ou blessures évitables.
  § 3. Toute personne qui détient, soigne ou est chargée de soigner un animal veille à ce que les animaux détenus à l'extérieur disposent d'un abri naturel ou artificiel.
  Le Gouvernement flamand peut en déterminer les modalités et prévoir des exceptions.
  § 4. Les équidés qui sont détenus à l'extérieur et qui ne peuvent être rentrés dans une écurie disposent d'un abri naturel ou artificiel.
  § 5. L'éclairage, la température, l'hygrométrie, la ventilation, la circulation d'air et les autres conditions ambiantes du logement des animaux doivent être conformes aux besoins physiologiques et éthologiques de l'espèce.
  § 6. Sous réserve des dispositions du chapitre 9, le Gouvernement flamand peut édicter des règles supplémentaires pour la détention d'espèces et de catégories d'animaux spécifiques.
Art. 11. Niemand mag een hond of een kat een halsband die elektrische prikkels toedient laten dragen of dergelijke halsbanden verhandelen.
  Elektrische halsbanden die alleen gekoppeld zijn aan een onzichtbare omheining, vormen een uitzondering op het verbod, vermeld in het eerste lid.
Art. 11. L'utilisation chez les chiens ou les chats de colliers émettant des stimuli électriques, ou la commercialisation de tels colliers, est interdite.
  Les colliers électriques reliés uniquement à une clôture invisible constituent une exception à l'interdiction visée à l'alinéa 1er.
Art. 12. Dwangvoedering is verboden, behalve om medische redenen of voor dierproeven die worden uitgevoerd conform hoofdstuk 9.
  Dieren houden voor de productie van foie gras door middel van eender welke invasieve methode die ertoe leidt dat hypertrofie van de vetcellen in de lever opzettelijk veroorzaakt wordt, is verboden.
Art. 12. Le gavage est interdit, sauf pour des raisons médicales ou à des fins d'expériences sur animaux réalisées conformément au chapitre 9.
  La détention d'animaux destinés à la production de foie gras par toute méthode invasive entraînant une hypertrophie délibérée des cellules adipeuses du foie est interdite.
Art. 13. Aan een dier wordt geen stof toegediend die een negatieve invloed heeft op de gezondheid of het welzijn van het dier, tenzij dat gebeurt om medische redenen of voor dierproeven conform hoofdstuk 9.
Art. 13. Il est interdit d'administrer à un animal une substance ayant un effet néfaste sur sa santé ou son bien-être, sauf pour des raisons médicales ou à des fins d'expériences sur animaux réalisées conformément au chapitre 9.
Onderafdeling 3. - Identificatie en registratie van honden en katten
Sous-section 3. - Identification et enregistrement des chiens et des chats
Art. 14. De Vlaamse Regering treft maatregelen om honden en katten te identificeren en te registreren, en om overpopulatie van die diersoorten te vermijden.
  De Vlaamse Regering bepaalt het tarief van de retributies voor de identificatie en registratie van honden en katten, vermeld in het eerste lid, die ten laste komen van de verantwoordelijke van het dier. [1 De retributie voor de initiële registratie bij honden respectievelijk katten wordt verhoogd met een bijdrage van acht euro respectievelijk twee euro, die ook ten laste komt van de verantwoordelijke van de dieren.]1 De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de retributies en de bijdrage geïnd worden.
  [1 De dierenasielen die zijn erkend als vermeld in artikel 17, § 1, worden van de betaling van de bijdrage, vermeld in het tweede lid, vrijgesteld.]1
  
Art. 14. Le Gouvernement flamand prend des mesures pour identifier et enregistrer les chiens et les chats, et en vue d'éviter la surpopulation de ces espèces.
  Le Gouvernement flamand fixe le tarif des redevances pour l'identification et l'enregistrement des chiens et des chats visés à l'alinéa 1er, qui sont à la charge du responsable de l'animal. [1 Les frais d'enregis-trement initial pour les chiens et les chats sont majorés d'une contribution de huit euros et de deux euros respectivement, également à la charge du res-ponsable des animaux.]1 Le Gouvernement flamand arrête les modalités de perception des redevances et de la contribution.
  [1 Les refuges pour animaux agréés, visés à l'article 17, § 1er, sont exemptés du paiement de la contribution visée à l'alinéa 2.]1
  
Onderafdeling 4. - Zwervende, verloren en achtergelaten dieren
Sous-section 4. - Animaux errants, perdus et abandonnés
Art. 15. § 1. Niemand mag een dier achterlaten met de bedoeling zich ervan te ontdoen.
  § 2. Elke persoon die een zwervend, verloren of achtergelaten dier opvangt, vertrouwt dat dier binnen de vier dagen toe aan naar gelang het geval:
  1° het gemeentebestuur van de plaats waar de persoon het dier heeft opgevangen of dat van zijn woonplaats;
  2° een dierenasiel aangewezen door het gemeentebestuur, vermeld in punt 1°.
  In het geval, vermeld in het eerste lid, 1°, vertrouwt het gemeentebestuur het dier onmiddellijk en naargelang van het geval toe aan een dierenasiel, een dierentuin of aan een persoon die het een behoorlijke verzorging en huisvesting verzekert.
  § 3. Het gemeentebestuur of, in het geval, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 2°, het dierenasiel, neemt onmiddellijk de nodige stappen om de eigenaar van het dier terug te vinden en om die onmiddellijk te verwittigen.
  § 4. Het dier dat is toevertrouwd aan een dierenasiel of dierentuin wordt ten minste vijftien dagen na de aankomst van het dier ter beschikking van de eigenaar gehouden.
  Als het dier door het gemeentebestuur met toepassing van paragraaf 2, tweede lid, toevertrouwd wordt aan een persoon, verbindt die persoon zich ertoe om het vijfenveertig dagen ter beschikking te houden van zijn eigenaar. De voormelde termijn begint te lopen vanaf het ogenblik dat het dier aan het gemeentebestuur is toevertrouwd.
  De termijn, vermeld in het tweede lid, bedraagt vijftien dagen als het gaat om een hond of kat.
  Nadat de termijnen, vermeld in deze paragraaf, zijn verstreken, wordt het dierenasiel, de dierentuin of de persoon waaraan het dier wordt toevertrouwd, er van rechtswege eigenaar van.
  § 5. De termijnen, vermeld in paragraaf 4, hoeven niet in acht te worden genomen als een dierenarts oordeelt dat het dier moet worden gedood. In het voormelde geval worden de identificatiegegevens van het dier en de reden van euthanasie bijgehouden voor de eigenaar van het dier.
  § 6. Als het dier niet kan worden toevertrouwd conform paragraaf 2, tweede lid, kan de burgemeester beslissen om het te laten doden.
  § 7. De eigenaar van een zwervend, verloren of achtergelaten dier heeft geen recht op vergoeding. De voormelde eigenaar is een vergoeding verschuldigd voor de opname, opvang en verzorging, ongeacht of die het dier al of niet terugeist. De kosten worden teruggevorderd door het dierenasiel, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 2°. Als het dier door de gemeente is geplaatst bij een persoon, in een dierentuin of een ander dierenasiel dan het dierenasiel, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 2°, worden de kosten voor hun rekening teruggevorderd door het gemeentebestuur.
Art. 15. § 1er. Nul ne peut abandonner un animal avec l'intention de s'en débarrasser.
  § 2. Toute personne qui recueille un animal errant, perdu ou abandonné doit le confier dans un délai de quatre jours, selon le cas :
  1° l'administration communale du lieu où la personne a recueilli l'animal ou celle du lieu de sa résidence ;
  2° un refuge pour animaux désigné par l'administration communale visée au point 1°.
  Dans le cas visé à l'alinéa 1er, 1°, l'administration communale confie immédiatement et selon le cas, l'animal à un refuge, à un parc zoologique ou à une personne en mesure de lui fournir des soins et un hébergement adéquats.
  § 3. L'administration communale ou, dans le cas visé au paragraphe 2, alinéa 1er, 2°, le refuge pour animaux, prend immédiatement les mesures nécessaires pour retrouver le propriétaire de l'animal et l'informer sans délai.
  § 4. L'animal confié à un refuge pour animaux ou à un parc zoologique est tenu à la disposition du propriétaire pendant au moins 15 jours après son arrivée.
  Si l'animal est confié à une personne par l'administration communale en vertu du paragraphe 2, alinéa 2, cette personne s'engage à le garder à la disposition de son propriétaire pendant quarante-cinq jours. Le délai précité court à partir du moment où l'animal est confié à l'administration communale.
  Le délai visé à l'alinéa 2, est de quinze jours s'il s'agit d'un chien ou d'un chat.
  A l'expiration des délais prévus au présent paragraphe, le refuge pour animaux, le parc zoologique ou la personne à qui l'animal est confié en devient propriétaire de plein droit.
  § 5. Les délais visés au paragraphe 4, ne doivent pas être respectés si un vétérinaire estime que l'animal doit être mis à mort. Dans le cas précité, les données d'identification de l'animal et la raison de l'euthanasie sont conservées pour le propriétaire de l'animal.
  § 6. Si l'animal ne peut être confié conformément au paragraphe 2, alinéa 2, le bourgmestre peut en décider la mise à mort.
  § 7. Le propriétaire d'un animal errant, perdu ou abandonné n'a pas droit à une indemnisation. Le propriétaire précité est tenu de payer les frais d'admission, d'hébergement et de soins, qu'il réclame ou non l'animal. Les coûts sont recouvrés par le refuge pour animaux visé au paragraphe 2, alinéa 1er, 2°. Si l'animal a été placé par la commune chez une personne, dans un parc zoologique ou dans un refuge pour animaux autre que celui visé au paragraphe 2, alinéa 1er, 2°, les coûts sont recouvrés pour leur compte par l'administration communale.
Onderafdeling 5. - Het kweken van honden en katten
Sous-section 5. - L'élevage de chiens et de chats
Art. 16. § 1. Bij de selectie van kweekdieren bij honden en katten wordt rekening gehouden met hun anatomische, fysiologische en gedragskenmerken, zodat het welzijn van het ouderdier en de nakomelingen niet in het gedrang komen door het kweken.
  Het is verboden te kweken met kweekdieren bij honden en katten die een erfelijke aandoening vertonen die niet kan worden verholpen via oordeelkundige paringscombinaties tussen kweekdieren binnen de raspopulatie, en die de Vlaamse Regering bepaalt.
  § 2. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen over het kweken van honden en katten om erfelijke aandoeningen terug te dringen en de genetische diversiteit te bevorderen.
  De Vlaamse Regering kan voorwaarden vaststellen om:
  1° registers of databanken bij te houden;
  2° onderzoeken van de genetische aanleg voor een bepaald kenmerk of van erfelijke aandoeningen uit te voeren;
  3° afstammingscertificaten op te maken en uit te reiken;
  4° de voorwaarden tot erkenning van de verenigingen die betrokken zijn bij de fokkerij en de procedure voor die erkenning vast te stellen;
  5° kweekdieren in te schrijven in registers of databanken;
  6° kweekdieren toe te laten tot de voortplanting.
Art. 16. § 1er. La sélection des animaux reproducteurs chez les chiens et les chats tient compte de leurs caractéristiques anatomiques, physiologiques et comportementales afin que le bien-être de l'animal parent et de sa descendance ne soit pas compromis par la reproduction.
  L'élevage de chiens et de chats est interdit avec des animaux d'élevage qui présentent une maladie héréditaire à laquelle il ne peut être remédié par des combinaisons d'accouplement judicieuses entre les animaux d'élevage au sein de la population de race, et que le Gouvernement flamand détermine.
  § 2. Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres règles concernant l'élevage des chiens et des chats afin de réduire les maladies héréditaires et de promouvoir la diversité génétique.
  Le Gouvernement flamand peut arrêter des conditions pour :
  1° tenir des registres ou des bases de données ;
  2° effectuer des examens de la prédisposition génétique pour un trait particulier ou des troubles héréditaires ;
  3° préparer et délivrer des certificats de descendance ;
  4° établir les conditions d'agrément des associations actives dans le domaine de l'élevage et la procédure de cet agrément ;
  5° inscrire les animaux d'élevage dans des registres ou des bases de données ;
  6° permettre la reproduction des animaux d'élevage.
Afdeling 2. - Dieren die worden gehouden door professionelen
Section 2. - Animaux détenus par des professionnels
Art. 17. § 1. De uitbating van hondenkwekerijen, kattenkwekerijen, dierenasielen, dierenpensions, handelszaken voor dieren en dierentuinen is onderworpen aan een voorafgaande erkenning van de Vlaamse Regering.
  De naam, de gemeente en het erkenningsnummer van de inrichting die conform het eerste lid wordt erkend, worden openbaar gemaakt.
  § 2. De Vlaamse Regering stelt, afhankelijk van de aard van de inrichting, van de gehouden diersoorten en van het aantal gehouden dieren, de voorwaarden vast voor de erkenning van de inrichtingen, vermeld in paragraaf 1. De voormelde voorwaarden kunnen betrekking hebben op de volgende elementen:
  1° de bouw en de uitrusting;
  2° de hygiëne, de veiligheid en de identificatie van de dieren;
  3° het kweken van dieren;
  4° het aantal dieren dat maximaal kan gehouden worden;
  5° de diergeneeskundige controle en de begeleiding;
  6° de voorschriften van hoofdstuk 3.
  De Vlaamse Regering kan voor de erkenning van dierenasielen ook voorwaarden vaststellen die betrekking hebben op de opvolging van dieren in het asiel en op de adoptie.
  De Vlaamse Regering stelt de voorwaarden voor de erkenning van dierentuinen vast op advies van een comité van deskundigen die ze opricht, hierna de Vlaamse Dierentuinencommissie te noemen. De Vlaamse Regering bepaalt de samenstelling en de werking van de Vlaamse Dierentuinencommissie en kan voorzien in een vergoeding van de leden ervan.
  De Vlaamse Regering kan bekwaamheidsvoorwaarden opleggen voor personen die dieren houden en verzorgen in de inrichtingen, vermeld in paragraaf 1.
  De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen van de procedure voor het aanvragen en verlenen van de erkenning en voor het schorsen en intrekken ervan.
  § 3. De Vlaamse Regering bepaalt het bedrag van de retributie voor het aanvragen van de erkenning die de kosten van de behandeling van de erkenningsaanvraag dekt, en kan de dierenasielen vrijstellen van de betaling van de voormelde retributie.
  § 4. De Vlaamse Regering kan de erkenning, vermeld in paragraaf 1, uitbreiden naar andere inrichtingen en ze kan de erkenningsvoorwaarden daarvoor vastleggen.
  De Vlaamse Regering kan, voor inrichtingen met een beperkte capaciteit, de voorafgaande erkenning vervangen door een voorafgaande registratie. De bepalingen van dit artikel en de bepalingen die zijn genomen ter uitvoering van paragraaf 2, zijn ook van toepassing op de voormelde inrichtingen, tenzij anders bepaald door de Vlaamse Regering.
  § 5. De Vlaamse Regering kan de erkenning van een inrichting intrekken. De voormelde intrekking heeft voor de eigenaar of de houder die de betrokken inrichting beheert en er een direct toezicht uitoefent op de dieren de volgende gevolgen:
  1° gedurende een bepaalde of onbepaalde tijd of definitief kan de voormelde eigenaar of houder geen nieuwe erkenning aanvragen;
  2° de voormelde eigenaar of houder kan gedurende de periode, vermeld in punt 1°, geen inrichting als vermeld in paragraaf 1 beheren noch er een direct toezicht uitoefenen op de dieren.
  § 6. Het is verboden een inrichting als vermeld in paragraaf 1 uit te baten als er een gerechtelijke sluiting van toepassing is die is opgelegd op grond van artikel 68, 1°.
Art. 17. § 1er. L'exploitation d'élevages de chiens et de chats, de refuges pour animaux, de pensions pour animaux, d'établissements commerciaux pour animaux et de parcs zoologiques est soumise à l'agrément préalable du Gouvernement flamand.
  Le nom, la commune et le numéro d'agrément de l'établissement agréé conformément à l'alinéa 1er, sont rendus publics.
  § 2. Le Gouvernement flamand fixe, en fonction de la nature de l'établissement, des espèces animales détenues et du nombre d'animaux détenus, les conditions d'agrément des établissements visés au paragraphe 1er. Les conditions précitées peuvent se rapporter aux éléments suivants :
  1° la construction et l'équipement ;
  2° l'hygiène, la sécurité et l'identification des animaux ;
  3° l'élevage d'animaux ;
  4° le nombre maximum d'animaux pouvant être détenus ;
  5° le suivi et l'orientation vétérinaires ;
  6° les prescriptions du chapitre 3.
  Le Gouvernement flamand peut également fixer des conditions pour l'agrément des refuges pour animaux concernant le suivi des animaux dans le refuge et l'adoption.
  Le Gouvernement flamand fixe les conditions d'agrément des parcs zoologiques sur l'avis d'un comité d'experts qu'il met en place, ci-après dénommé la Commission flamande des Parcs zoologiques. Le Gouvernement flamand détermine la composition et le fonctionnement de la Commission flamande des Parcs zoologiques et peut prévoir une indemnité pour ses membres.
  Le Gouvernement flamand peut imposer des conditions en matière de compétence aux personnes qui détiennent et soignent des animaux dans les établissements visés au paragraphe 1er.
  Le Gouvernement flamand peut préciser les règles relatives à la procédure de demande et d'octroi de l'agrément, ainsi que de suspension et de révocation de celui-ci.
  § 3. Le Gouvernement flamand fixe le montant de la redevance pour la demande d'agrément couvrant les frais de traitement de la demande d'agrément et peut exempter les refuges pour animaux du paiement de la redevance précitée.
  § 4. Le Gouvernement flamand peut étendre l'agrément visé au paragraphe 1er, à d'autres établissements et en fixer les conditions.
  Le Gouvernement flamand peut, pour les établissements de capacité limitée, remplacer l'agrément préalable par un enregistrement préalable. Les dispositions du présent article et les dispositions prises en application du paragraphe 2 s'appliquent également aux établissements précités, sauf disposition contraire du Gouvernement flamand.
  § 5. Le Gouvernement flamand peut retirer l'agrément d'un établissement. Le retrait précité entraîne les conséquences suivantes pour le propriétaire ou le détenteur qui gère l'établissement en question et qui exerce une surveillance directe sur les animaux qui s'y trouvent :
  1° le propriétaire ou le détenteur précité ne peut, pour une durée déterminée ou indéterminée ou de façon permanente, demander un nouvel agrément ;
  2° le propriétaire ou le détenteur précité ne peut, pendant la période visée au point 1°, gérer un établissement tel que visé au paragraphe 1er, ni exercer un contrôle direct sur les animaux qui s'y trouvent.
  § 6. Il est interdit d'exploiter un établissement tel que visé au paragraphe 1er, si une fermeture judiciaire imposée en vertu de l'article 68, 1°, est applicable.
Art. 18. In dit artikel wordt verstaan onder gastgezin: een natuurlijke persoon met wie een dierenasiel een overeenkomst heeft gesloten, die onderdeel is van dat dierenasiel en die een beperkt aantal dieren voor een beperkte tijd opvangt op een andere plaats dan in het dierenasiel zelf.
  Dierenasielen kunnen een overeenkomst sluiten met gastgezinnen voor de tijdelijke opvang van een beperkt aantal dieren. Om controle van het welzijn van de betrokken dieren mogelijk te maken, registreren dierenasielen de gastgezinnen.
  De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden om gastgezinnen door dierenasielen te laten inzetten en om die gastgezinnen te registreren. De Vlaamse Regering bepaalt ook de voorwaarden waaraan gastgezinnen zijn onderworpen.
Art. 18. Dans le présent article, on entend par famille d'accueil : une personne physique avec laquelle un refuge pour animaux a conclu un contrat, qui fait partie de ce refuge pour animaux et qui accueille un nombre limité d'animaux pour une durée limitée dans un lieu autre que le refuge pour animaux lui-même.
  Les refuges pour animaux peuvent conclure un contrat avec des familles d'accueil pour la prise en charge temporaire d'un nombre limité d'animaux. Afin de permettre le contrôle du bien-être des animaux concernés, les refuges pour animaux enregistrent les familles d'accueil.
  Le Gouvernement flamand détermine les conditions d'emploi des familles d'accueil par les refuges pour animaux et d'enregistrement de ces familles d'accueil. Le Gouvernement flamand détermine également les conditions auxquelles les familles d'accueil sont soumises.
Art. 19. Binnen de perken van de begrotingskredieten kan de Vlaamse Regering subsidies verlenen aan de dierenasielen die zijn erkend als vermeld in artikel 17, § 1.
  De Vlaamse Regering bepaalt:
  1° de wijze van berekening van de subsidies;
  2° de procedure voor de aanvraag, de beoordeling, de toekenning en de uitbetaling van de subsidies en de voorwaarden om voor de subsidies in aanmerking te komen;
  3° de procedure voor de terugvordering van de subsidies.
Art. 19. Dans les limites des crédits budgétaires, le Gouvernement flamand peut octroyer des subventions aux refuges pour animaux qui sont agréés conformément à l'article 17, § 1er.
  Le Gouvernement flamand détermine :
  1° la méthode de calcul des subventions ;
  2° la procédure de demande, d'évaluation, d'attribution et de paiement des subventions et les conditions d'éligibilité ;
  3° la procédure de recouvrement des subventions.
Art. 20. Het opstarten of exploiteren van houderijen waar pelsdieren worden gehouden, is verboden.
Art. 20. Il est interdit de créer ou d'exploiter des établissements où sont détenus des animaux à fourrure.
Art. 21. Het houden van walvisachtigen in gevangenschap is verboden.
  In afwijking van het eerste lid, kunnen walvisachtigen in gevangenschap gehouden worden:
  1° tijdelijk, door gespecialiseerde opvangcentra voor gekwetste en zieke in het wild levende walvisachtigen met het oog op hun rehabilitatie en vrijlating in de natuur;
  2° door de huidige exploitant van het enige al bestaande dolfinarium, voor zover de dieren gehouden worden op de locatie waar het dolfinarium is gevestigd op het moment van inwerkingtreding van dit artikel. Deze kan haar activiteiten op de bestaande locatie enkel verderzetten mits naleving van de bijkomende door de Vlaamse Regering tegen uiterlijk 1 juli 2024 vast te stellen voorwaarden. Deze voorwaarden kunnen ook betrekking hebben op punt 1°. De herlocalisatie in Vlaanderen is niet toegelaten. Bovendien geldt er een kweekverbod en een invoerverbod tenzij het aantal individuen is gedaald tot 6.
  De afwijking, vermeld in het tweede lid, 2°, geldt tot op het moment dat de Vlaamse Regering op advies van de Vlaamse Raad voor Dierenwelzijn vaststelt dat voor de betrokken dieren een alternatieve huisvesting mogelijk is met garanties op een sterk verbeterd dierenwelzijn. Dat advies volgt op een evaluatie van de afwijking die tienjaarlijks plaatsvindt. De eerste evaluatie vindt plaats na afloop van de termijn van tien jaar te rekenen vanaf 1 januari 2027.
Art. 21. La détention de cétacés en captivité est interdite.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, les cétacés peuvent être détenus en captivité :
  1° temporairement, par des centres d'accueil spécialisés pour les cétacés sauvages blessés et malades, en vue de leur réhabilitation et de leur relâchement dans la nature ;
  2° par l'exploitant actuel du seul delphinarium existant, dans la mesure où les animaux sont détenus à l'endroit où le delphinarium est établi au moment de l'entrée en vigueur du présent article. Il ne pourra poursuivre ses activités sur le site existant que sous réserve du respect des conditions supplémentaires qui seront fixées par le Gouvernement flamand pour le 1er juillet 2024 au plus tard. Ces conditions peuvent également se rapporter au point 1°. La relocalisation en Flandre n'est pas autorisée. En outre, il existe une interdiction d'élevage et d'importation à moins que le nombre d'individus ne soit réduit à 6.
  La dérogation, visée à l'alinéa 2, 2°, s'applique jusqu'à ce que le Gouvernement flamand constate, sur avis du Conseil flamand du Bien-être des animaux, qu'un autre mode d'hébergement est possible pour les animaux concernés avec des garanties d'amélioration significative du bien-être animal. Cet avis fait suite à une évaluation décennale de la dérogation. La première révision aura lieu à la fin de la période de 10 ans commençant le 1er janvier 2027.
Art. 22. Kippen in legkippenhouderijen of opfokbedrijven worden niet ondergebracht in kooisystemen. De Vlaamse Regering kan de modaliteiten hiervan bepalen en kan in flankerende maatregelen voorzien.
  In afwijking van het eerste lid geldt het verbod, vermeld in het eerste lid, niet voor dieren die om medische redenen afgezonderd moeten worden.
Art. 22. Les poules des élevages de poules pondeuses ou des exploitations d'élevage ne peuvent être placées dans des systèmes de cages. Le Gouvernement flamand peut en arrêter les modalités et prévoir des mesures d'accompagnement.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, l'interdiction visée à l'alinéa 1er ne s'applique pas aux animaux qui doivent être isolés pour des raisons médicales.
Art. 23. Binnen het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en binnen de grenzen van de jaarlijks toegekende begrotingskredieten kan de Vlaamse Regering subsidies toekennen om de toepassing van landbouwactiviteiten en primaire verwerking die een positieve bijdrage leveren aan het dierenwelzijn, te bevorderen.
  Voor de subsidies, vermeld in het eerste lid, kan de Vlaamse Regering nadere regels bepalen voor de volgende elementen:
  1° het bedrag, de aard, de inhoud, de toepassing en de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de subsidies waaronder de deelname door de veehouder aan een door de minister erkende kwaliteitsregeling;
  2° de aanvraag- en de toekenningsprocedure;
  3° de uitbetaling en de verantwoording van de subsidies met inbegrip van de controle op de naleving van de voorwaarden voor de subsidies.
Art. 23. Dans le cadre des régimes d'aide de la politique agricole commune et dans les limites des crédits budgétaires alloués annuellement, le Gouvernement flamand peut accorder des subventions pour promouvoir l'application d'activités agricoles et de transformation primaire qui contribuent positivement au bien-être des animaux.
  Pour les subventions visées à l'alinéa 1er, le Gouvernement flamand peut préciser les règles relatives aux éléments suivants :
  1° le montant, la nature, le contenu, l'application et les conditions d'éligibilité des subventions, y compris la participation de l'éleveur à un régime de qualité agréé par le ministre ;
  2° la procédure de candidature et d'attribution ;
  3° le versement et la justification des subventions, y compris le contrôle du respect des conditions relatives aux subventions.
Afdeling 3. - Het gebruik van dieren
Section 3. - L'utilisation des animaux
Art. 24. Het is verboden:
  1° dierengevechten of schietoefeningen op dieren te organiseren, er met de eigen dieren of als toeschouwer aan deel te nemen, er op welke wijze dan ook medewerking aan te verlenen, met inbegrip van de gerichte kweek, of over de uitslag ervan weddenschappen in te richten of aan die weddenschappen deel te nemen;
  2° een dier te gebruiken voor africhting, enscenering, reclame of vergelijkbare doeleinden als dat gebruik leidt tot vermijdbare pijn, lijden of letsel of het dier op andere wijze op fysiologisch en/of ethologisch vlak schaadt;
  3° seksuele handelingen te stellen met dieren;
  4° de aanvalsdrift van een dier op te drijven, door het op te hitsen tegen een ander dier;
  5° een dier arbeid te laten verrichten die zijn natuurlijke krachten te boven gaat;
  6° aan een dier stoffen die de Vlaamse Regering bepaalt, toe te dienen of te doen toedienen met het doel om zijn prestaties te beïnvloeden of het opsporen van dergelijke stoffen te verhinderen;
  7° dieren te verven of op een andere manier kunstmatig te kleuren of dergelijke dieren te houden of te verhandelen;
  8° een straatpaardenkoers of een oefenmoment ter voorbereiding van een dergelijke koers te organiseren of eraan deel te nemen. De voormelde koers wordt volledig of gedeeltelijk gelopen op de openbare weg, waarvan de bestrating bestaat uit asfalt, beton, straatkeien of klinkers, of een ander hard materiaal;
  9° paardachtigen te gebruiken in een paardencarrousel.
  In het eerste lid, 9°, wordt verstaan onder paardencarrousel: een installatie die bestemd is voor vermaak of ontspanning, die wordt gebruikt op kermissen en aanverwante evenementen, en die bestaat uit een mobiele piste waar paardachtigen bereden kunnen worden door het publiek en op monotone wijze ronddraaien op een beperkte oppervlakte.
Art. 24. Il est interdit :
  1° d'organiser des combats d'animaux ou des exercices de tir sur des animaux, d'y participer avec ses propres animaux ou en tant que spectateurs, d'y coopérer de quelque manière que ce soit, y compris par un élevage ciblé, ou d'organiser des paris sur leur résultat ou d'y participer;
  2° d'utiliser un animal à des fins de dressage, de mise en scène, de publicité ou à des fins similaires si cette utilisation entraîne des douleurs, des souffrances ou des blessures évitables ou porte atteinte à l'animal sur le plan physiologique et/ou éthologique;
  3° de pratiquer des actes sexuels avec des animaux ;
  4° d'exciter la férocité d'un animal en le dressant contre un autre animal ;
  5° d'imposer à un animal un travail dépassant ses capacités naturelles ;
  6° d'administrer ou de faire administrer à un animal des substances déterminées par le Gouvernement flamand, qui ont pour but d'influencer ses prestations, ou qui sont de nature à empêcher le dépistage des produits stimulants ;
  7° de teindre ou de colorer artificiellement des animaux, de détenir ou de commercialiser ces animaux ;
  8° d'organiser ou de participer à une course de chevaux de rue ou à un entraînement en vue d'une telle course. Tout ou partie du parcours de la course précitée se déroule sur la voie publique dont le revêtement est constitué d'asphalte, de béton, de pavés ou de clinkers, ou de tout autre matériau dur ;
  9° d'utiliser des équidés dans un hippodrome.
  A l'alinéa 1er, 9°, on entend par hippodrome : une installation destinée au divertissement ou à l'amusement, utilisée dans les foires et les événements similaires, consistant en une piste mobile où les équidés peuvent être montés par le public et tourner de façon monotone sur une surface restreinte.
Art. 25. De Vlaamse Regering kan maatregelen voorschrijven om het welzijn te verzekeren van dieren die worden gebruikt voor tentoonstellingen, demonstraties, africhting, enscenering, reclame, wedstrijden en voorafgaande trainingen, kermissen en bij andere gelegenheden tot vermaak van het publiek.
  Voor de activiteiten, vermeld in het eerste lid, kan de Vlaamse Regering het volgende bepalen:
  1° de bekwaamheidsvoorwaarden voor de personen die de dieren houden, verzorgen en gebruiken;
  2° de voorwaarden voor de organisatie van de activiteit;
  3° de wijze waarop de organisatoren van wedstrijden en de door hen aangestelden met de personen, vermeld in artikel 64, § 1, eerste lid, 1° en 2°, samenwerken om de controle van die wedstrijden te organiseren, in het bijzonder voor de controle van:
  a) de maatregelen, vermeld in het eerste lid;
  b) het gebruik van de stoffen, vermeld in artikel 24, eerste lid, 6°.
Art. 25. Le Gouvernement flamand peut prescrire des mesures visant à assurer le bien-être des animaux utilisés pour des expositions, des démonstrations, des dressages, des mises en scène, de la publicité, des concours et des entraînements préliminaires, dans des foires et à d'autres occasions pour le divertissement du public.
  Pour les activités visées à l'alinéa 1er, le Gouvernement flamand peut préciser ce qui suit :
  1° les conditions en matière de compétences pour les personnes qui détiennent, soignent et utilisent les animaux ;
  2° les conditions relatives à l'organisation de l'activité ;
  3° la manière dont les organisateurs de concours et leurs préposés collaborent avec les personnes visées à l'article 64, § 1er, alinéa 1er, 1° et 2°, pour organiser le contrôle de ces concours, et plus particulièrement pour le contrôle :
  a) les mesures visées à l'alinéa 1er ;
  b) l'utilisation des produits visés à l'article 24, alinéa 1er, 6°.
Art. 26. § 1. In afwijking van artikel 8 zijn het houden en het gebruik van dieren in circussen en rondreizende tentoonstellingen verboden.
  § 2. De Vlaamse Regering stelt de lijst vast van gedomesticeerde dieren die, in afwijking van paragraaf 1, gehouden en gebruikt kunnen worden in circussen en rondreizende tentoonstellingen.
  De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden die nageleefd moeten worden voor het welzijn van de dieren, vermeld in het eerste lid. De voormelde voorwaarden hebben betrekking op al de volgende elementen:
  1° de identificatie van de dieren en hun eigenaar;
  2° de diergeneeskundige begeleiding;
  3° de verzorging;
  4° de huisvesting;
  5° het vervoer;
  6° de vaccinatiestatus van de dieren;
  7° de omgang met de dieren;
  8° het aantal personeelsleden en de bekwaamheid van het personeel;
  9° de standplaatsen.
Art. 26. § 1er. Par dérogation à l'article 8, la détention et l'utilisation d'animaux dans les cirques et les expositions itinérantes sont interdites.
  § 2. Le Gouvernement flamand établit la liste des animaux domestiques qui, par dérogation au paragraphe 1er, peuvent être détenus et utilisés dans les cirques et les expositions itinérantes.
  Le Gouvernement flamand arrête les conditions à respecter en matière de bien-être des animaux visés à l'alinéa 1er. Les conditions précitées couvrent l'ensemble des éléments suivants :
  1° l'identification des animaux et de leur propriétaire ;
  2° l'encadrement vétérinaire ;
  3° les soins ;
  4° l'hébergement ;
  5° le transport ;
  6° le statut de vaccination des animaux ;
  7° le comportement vis-à-vis des animaux ;
  8° le nombre de membres du personnel et leurs compétences ;
  9° les emplacements.
HOOFDSTUK 3. - De handel in dieren
CHAPITRE 3. - Le commerce d'animaux
Art. 27. Dieren worden niet verhandeld op de openbare weg of op markten.
  In afwijking op het eerste lid, geldt de volgende limitatieve lijst van uitzonderingen:
  1° jaarmarkten;
  2° beurzen;
  3° tentoonstellingen;
  4° markten die ten hoogste acht keer per jaar worden georganiseerd.
  Voor honden en katten geldt de uitzondering, vermeld in het tweede lid, niet.
Art. 27. Les animaux ne peuvent être commercialisés sur la voie publique ou les marchés.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, la liste exhaustive suivante d'exceptions s'applique :
  1° les foires annuelles ;
  2° les bourses ;
  3° les expositions;
  4° les marchés organisés au maximum huit fois par an.
  Pour les chiens et les chats, l'exception visée à l'alinéa 2 ne s'applique pas.
Art. 28. In de winkelruimte of aanhorigheden van de handelszaken voor dieren worden geen katten of honden gehouden of tentoongesteld met het oog op de verhandeling ervan.
Art. 28. Il est interdit de détenir ou d'exposer des chats ou des chiens dans l'espace commercial ou dans les annexes des établissements commerciaux pour animaux dans le but de les commercialiser.
Art. 29. Ongeacht de drager wordt geen publiciteit, met inbegrip van advertenties, gemaakt om diersoorten te verhandelen die niet voorkomen op de lijst die is opgesteld met toepassing van artikel 8, § 1.
  Het verbod, vermeld in het eerste lid, is ook van toepassing voor honden en katten, tenzij het gaat om advertenties in vaktechnische publicaties of als de publiciteit wordt gemaakt door personen die een erkende inrichting bezitten als vermeld in artikel 17. De Vlaamse Regering kan de voormelde publiciteit aan bijkomende voorwaarden onderwerpen.
  De Vlaamse Regering kan de publiciteit met het oog op het verhandelen van andere diersoorten dan de diersoorten, vermeld in het eerste lid, verbieden of aan voorwaarden onderwerpen.
Art. 29. Quel que soit le support, aucune publicité, y compris les annonces, n'est autorisée aux fins de la commercialisation des espèces animales qui ne figurent pas sur la liste établie en application de l'article 8, § 1er.
  L'interdiction visée à l'alinéa 1er, concerne également les chiens et les chats, sauf s'il s'agit d'annonces publiées dans des revues spécialisées ou si la publicité est faite par des personnes possédant un établissement agréé tel que visé à l'article 17. Le Gouvernement flamand peut soumettre la publicité précitée à des conditions supplémentaires.
  Le Gouvernement flamand peut interdire ou soumettre à des conditions la publicité à des fins de commercialisation d'espèces animales autres que celles visées à l'alinéa 1er.
Art. 30. Het is verboden om:
  1° een korting onder gelijk welke vorm aan te bieden of toe te kennen bij de verhandeling van een dier;
  2° een dier te koop aan te bieden in de vorm van een gezamenlijk aanbod als vermeld in artikel VI.80 en VI.81 van het Wetboek van economisch recht;
  3° dieren als prijs, beloning of gift uit te loven of uit te reiken bij aankopen, wedstrijden, verlotingen, weddenschappen of andere vergelijkbare evenementen;
  4° een kredietovereenkomst te sluiten als vermeld in boek VII, titel 4, van het Wetboek van economisch recht met het oog op de aankoop van een gezelschapsdier;
  5° dieren ten kosteloze of bezwarende titel af te staan aan personen van minder dan 18 jaar oud of meer dan 18 jaar oud en handelingsonbekwaam zonder de uitdrukkelijke toestemming van de personen die over hen het ouderlijk gezag of de voogdij uitoefenen.
  De Vlaamse Regering kan voor feesten, jaarmarkten, wedstrijden en andere manifestaties met een professioneel of geassimileerd karakter in individuele gevallen afwijkingen verlenen op het verbod, vermeld in het eerste lid, 3°, volgens de voorwaarden die ze bepaalt. De Vlaamse Regering kan bovendien de criteria bepalen voor het toestaan van afwijkingen op dit verbod.
Art. 30. Il est interdit :
  1° d'offrir ou d'accorder une réduction sous quelque forme que ce soit lors de la commercialisation d'un animal ;
  2° d'offrir à la vente un animal sous la forme d'une offre conjointe telle que visée aux articles VI.80 et VI.81 du Code de droit économique ;
  3° d'attribuer ou d'offrir des animaux comme prix, récompenses ou cadeaux dans le cadre d'achats, de concours, de tirages au sort, de paris ou d'autres événements similaires ;
  4° de conclure un contrat de crédit tel que visé dans le livre VII, titre 4, du Code de droit économique en vue de l'achat d'un animal domestique ;
  5° de céder à titre gratuit ou onéreux des animaux à des personnes âgées de moins de 18 ans ou de plus de 18 ans déclarées incapables sans le consentement exprès des personnes exerçant l'autorité parentale ou la tutelle sur ces personnes.
  Le Gouvernement flamand peut, dans des cas particuliers, accorder des dérogations à l'interdiction visée à l'alinéa 1er, 3°, pour des fêtes, des foires annuelles, des concours et autres manifestations à caractère professionnel ou assimilé, dans les conditions qu'il détermine. En outre, le Gouvernement flamand peut déterminer les critères d'octroi de dérogations à cette interdiction.
Art. 31. De Vlaamse Regering kan voorwaarden opleggen aan de verhandeling van dieren met het doel hen te beschermen en hun welzijn te verzekeren.
  De voorwaarden, vermeld in het eerste lid, hebben betrekking op de volgende elementen:
  1° de leeftijd;
  2° de identificatie en het land van oorsprong van de te koop aangeboden dieren;
  3° de informatie aan de koper;
  4° de waarborgen aan de koper en de getuigschriften in verband daarmee;
  5° de ziektepreventie;
  6° de verpakking;
  7° de aanbieding;
  8° de tentoonstelling voor de verhandeling.
Art. 31. Le Gouvernement flamand peut imposer des conditions à la commercialisation des animaux dans le but de les protéger et d'assurer leur bien-être.
  Les conditions visées à l'alinéa 1er, concernent les éléments suivants :
  1° l'âge ;
  2° l'identification et le pays d'origine des animaux offerts à la vente ;
  3° l'information à l'acheteur ;
  4° les garanties à l'acheteur et les certificats y afférents ;
  5° la prévention des maladies ;
  6° l'emballage ;
  7° l'offre ;
  8° l'exposition en vue de la commercialisation.
Art. 32. De Vlaamse Regering legt een registratieplicht en voorwaarden op aan personen en verenigingen die dieren die voor adoptie zijn bestemd aanvoeren vanuit het buitenland.
  De voorwaarden, vermeld in het eerste lid, hebben tot doel het welzijn van de dieren te garanderen en hebben betrekking op de volgende elementen:
  1° de registratieprocedure van de personen en verenigingen, vermeld in het eerste lid;
  2° het land van oorsprong, de leeftijd, de sterilisatie, de ziektepreventie, het gedrag en de identificatie van de dieren;
  3° de informatie aan de adoptanten;
  4° het vervoer;
  5° de adoptieprocedure.
Art. 32. Le Gouvernement flamand impose une obligation d'enregistrement et des conditions aux particuliers et aux associations qui importent des animaux à adopter de l'étranger.
  Les conditions visées à l'alinéa 1er, ont pour but de garantir le bien-être des animaux et concernent les éléments suivants :
  1° la procédure d'enregistrement des personnes et associations visées à l'alinéa 1er ;
  2° le pays d'origine, l'âge, la stérilisation, la prévention des maladies, le comportement et l'identification des animaux ;
  3° les informations aux adoptants ;
  4° le transport ;
  5° la procédure d'adoption.
HOOFDSTUK 4. - Vervoer van dieren
CHAPITRE 4. - Le transport d'animaux
Art. 33. § 1. De Vlaamse Regering kan, al naargelang van de soorten of groepen van dieren, hun fysieke toestand, de aard van de vervoermiddelen en de containers, de aard, de duur en de omstandigheden van het vervoer, voorwaarden vaststellen over de volgende elementen:
  1° de vervoermiddelen of delen ervan en de containers;
  2° het laden en de onderbrenging van dieren in vervoermiddelen en containers, en het lossen van dieren;
  3° de begeleiding en de verzorging van de dieren tijdens het vervoer;
  4° het vervoer, daarin begrepen de duur, de afstand, de temperatuur en de omstandigheden;
  5° de documenten die moeten worden bijgehouden;
  6° de bekwaamheid van bestuurders en verzorgers en van het personeel dat in verzamelcentra, controleposten of bij vervoerders omgaat met dieren, het organiseren van een opleiding voor die personen en de lesgevers die die opleiding mogen verstrekken;
  7° het organiseren van examens over de vereiste vakbekwaamheid van bestuurders en verzorgers;
  8° het uitreiken, schorsen en intrekken van het getuigschrift van vakbekwaamheid voor bestuurders en verzorgers.
  De Vlaamse Regering bepaalt het tarief van de retributie voor deelname aan de examens, vermeld in het eerste lid, 7°. De voormelde retributie wordt geïnd door en is bestemd voor de onafhankelijke erkende instellingen die de voormelde examens organiseren.
  § 2. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor het certificaat van goedkeuring van het wegvervoermiddel, vermeld in artikel 18 van de verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van Verordening (EG) nr. 1255/97. De Vlaamse Regering bepaalt het tarief en de regels om een retributie te betalen om een certificaat van goedkeuring te verkrijgen.
  § 3. De Vlaamse Regering bepaalt de procedure om de vergunning voor vervoerders, vermeld in artikel 10 en 11 van de verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van Verordening (EG) nr. 1255/97, aan te vragen, uit te reiken, te schorsen of in te trekken. De Vlaamse Regering bepaalt het tarief en de regels om een retributie te betalen om de voormelde vergunning te verkrijgen.
  § 4. De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen voor de erkenning van de controleposten, vermeld in artikel 3 van de verordening (EG) nr. 1255/97 van de Raad van 25 juni 1997 betreffende de communautaire criteria voor controlepost(en) en tot aanpassing van het in Richtlijn 91/628/EEG bedoelde reisschema. De Vlaamse Regering kan het tarief en de regels om een retributie te betalen bepalen om de voormelde erkenning te verkrijgen.
  § 5. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen om in bijzondere gevallen ontheffingen of vrijstellingen te verlenen van de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, en aan die ontheffingen of vrijstellingen verplichtingen of beperkingen te verbinden, als die ontheffingen of vrijstellingen niet ingaan tegen de bepalingen van verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van Verordening (EG) nr. 1255/97.
Art. 33. § 1er. Le Gouvernement flamand peut, en fonction des espèces ou groupes d'animaux, de leur état physique, de la nature des moyens de transport et des conteneurs, de la nature, de la durée et des conditions du transport, fixer des conditions concernant les éléments suivants :
  1° les moyens de transport ou leurs parties et les conteneurs ;
  2° le chargement et l'hébergement des animaux dans les moyens de transport et les conteneurs, ainsi que le déchargement des animaux ;
  3° l'accompagnement des animaux et les soins qui leur sont apportés pendant le transport ;
  4° le transport, y compris la durée, la distance, la température et les conditions ;
  5° les documents à conserver ;
  6° la compétence des conducteurs et des soigneurs et du personnel chargé des animaux dans les centres de rassemblement, les postes de contrôle ou chez les transporteurs, l'organisation de la formation de ces personnes et les instructeurs qui peuvent dispenser cette formation ;
  7° l'organisation d'examens sur les compétences professionnelles requises des conducteurs et des soigneurs ;
  8° la délivrance, la suspension et le retrait du certificat d'aptitude professionnelle pour les conducteurs et les soigneurs.
  Le Gouvernement flamand fixe le montant des frais de participation aux examens visés à l'alinéa 1er, 7°. Le montant précité est perçu par les institutions indépendantes agréées qui organisent les examens précités et leur est destiné.
  § 2. Le Gouvernement flamand précise les règles relatives au certificat d'agrément des moyens de transport par route, visé à l'article 18 du règlement (CE) n° 1/2005 du Conseil du 22 décembre 2004 relatif à la protection des animaux pendant le transport et les opérations annexes et modifiant les directives 64/432/CEE et 93/119/CE et le règlement (CE) n° 1255/97. Le Gouvernement flamand détermine le tarif et les règles de paiement d'une redevance pour l'obtention d'un certificat d'agrément.
  § 3. Le Gouvernement flamand fixe la procédure de demande, d'octroi, de suspension ou de retrait de l'autorisation des transporteurs, visée à l'article 10 et 11 du règlement (CE) n° 1/2005 du Conseil du 22 décembre 2004 relatif à la protection des animaux pendant le transport et les opérations annexes et modifiant les directives 64/432/CEE et 93/119/CE et le règlement (CE) n° 1255/97. Le Gouvernement flamand détermine le tarif et les règles de paiement d'une redevance pour l'obtention de l'autorisation précitée.
  § 4. Le Gouvernement flamand peut préciser les modalités d'agrément des postes de contrôle visés à l'article 3 du règlement (CE) n° 1255/97 du Conseil du 25 juin 1997 concernant les critères communautaires requis aux points d'arrêt et adaptant le plan de marche visé dans la directive 91/628/CEE. Le Gouvernement flamand détermine le tarif et les règles de paiement d'une redevance pour l'obtention de l'agrément précité.
  § 5. Le Gouvernement flamand peut préciser les règles d'octroi d'exemptions ou de dérogations aux conditions, visées au paragraphe 1er, dans des cas particuliers, et assortir ces exemptions ou dérogations d'obligations ou de restrictions, si ces exemptions ou dérogations ne contreviennent pas aux dispositions du règlement (CE) n° 1/2005 du Conseil du 22 décembre 2004 relatif à la protection des animaux pendant le transport et les opérations annexes et modifiant les directives 64/432/CEE et 93/119/CE et le règlement (CE) n° 1255/97.
Art. 34. Een dier wordt niet per post of pakketdienst verzonden of wordt niet besteld voor verzending per post of pakketdienst, behoudens de uitzonderingen, vermeld in de Wereldpostconventie, gedaan te Doha op 11 oktober 2012.
Art. 34. Il est interdit d'envoyer ou de faire envoyer un animal par la poste ou par un service de colis, hormis dans le cas des exceptions prévues par la Convention postale universelle, signée à Doha le 11 octobre 2012.
HOOFDSTUK 5. - Invoer en doorvoer van dieren
CHAPITRE 5. - Importation et transit d'animaux
Art. 35. § 1. De Vlaamse Regering kan voorwaarden voor de in- en doorvoer van dieren bepalen.
  De voorwaarden, vermeld in het eerste lid, kunnen betrekking hebben op de volgende elementen:
  1° de diersoorten;
  2° het aantal dieren;
  3° de uitreikingsvoorwaarden voor de vergunningen;
  4° de controle aan de grenzen;
  5° de maatregelen die op het ogenblik van de aankomst worden genomen met het oog op de afhaling;
  6° de verzorging en tijdelijke onderbrenging gelet op de fysieke toestand van de dieren;
  7° de vergoedingen hiervoor verschuldigd door de door de Vlaamse Regering aangewezen personen.
  § 2. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen om in bijzondere gevallen afwijkingen of ontheffingen van de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, te verlenen en aan die afwijkingen of ontheffingen verplichtingen of beperkingen te verbinden, als die afwijkingen of ontheffingen niet ingaan tegen de bepalingen van verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van Verordening (EG) nr. 1255/97.
Art. 35. § 1er. Le Gouvernement flamand peut fixer des conditions pour l'importation et le transit d'animaux.
  Les conditions visées à l'alinéa 1er, peuvent porter sur les éléments suivants :
  1° les espèces d'animaux ;
  2° le nombre d'animaux ;
  3° les conditions d'octroi des autorisations ;
  4° le contrôle aux frontières ;
  5° les mesures prises pour la réception de l'animal au moment de l'arrivée ;
  6° les soins et l'hébergement temporaire compte tenu de l'état physique des animaux ;
  7° les sommes dues à ce titre par les personnes désignées par le Gouvernement flamand.
  § 2. Le Gouvernement flamand peut préciser les règles d'octroi de dispenses ou de dérogations aux conditions, visées au paragraphe 1er, dans des cas particuliers, et assortir ces dispenses ou dérogations d'obligations ou de restrictions, si ces dispenses ou dérogations ne contreviennent pas aux dispositions du règlement (CE) n° 1/2005 du Conseil du 22 décembre 2004 relatif à la protection des animaux pendant le transport et les opérations annexes et modifiant les directives 64/432/CEE et 93/119/CE et le règlement (CE) n° 1255/97.
HOOFDSTUK 6. - Doden van dieren
CHAPITRE 6. - Mise à mort d'animaux
Art. 36. § 1. Een gewerveld dier wordt alleen gedood na voorafgaande bedwelming.
  Alleen een persoon die daarvoor de nodige kennis en bekwaamheid heeft, kan een gewerveld dier doden. Dat gebeurt volgens de voor het dier minst pijnlijke, snelste en meest selectieve methode.
  In afwijking van het eerste lid kan een gewerveld dier in de volgende gevallen zonder voorafgaande bedwelming worden gedood:
  1° in geval van overmacht;
  2° bij jacht of visvangst;
  3° in het kader van de bestrijding van schadelijke organismen.
  § 2. Als dieren worden geslacht volgens speciale methoden die vereist zijn voor religieuze riten, kan de bedwelming omkeerbaar zijn en is de dood van het dier dan niet het gevolg van de bedwelming.
Art. 36. § 1er. Un animal vertébré ne peut être mis à mort qu'après avoir été préalablement étourdi.
  Seule une personne possédant les connaissances et les compétences nécessaires peut mettre à mort un animal vertébré. La méthode utilisée est la moins douloureuse, la plus rapide et la plus sélective pour l'animal.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, un animal vertébré peut être mis à mort sans étourdissement préalable dans les cas suivants :
  1° en cas de force majeure ;
  2° lors de la chasse ou de la pêche ;
  3° dans le cadre de la lutte contre les organismes nuisibles.
  § 2. Si les animaux sont abattus selon des méthodes spéciales requises pour des rites religieux, l'étourdissement peut être réversible et la mort de l'animal n'est alors pas due à l'étourdissement.
Art. 37. Het doden van eendagskuikens is verboden.
  Het eerste lid treedt in werking op een door de Vlaamse Regering te bepalen datum. Die datum wordt bepaald van zodra de geslachtsbepaling van kuikens in het ei haalbaar is voor dag 12 na incubatie.
  De Vlaamse Regering kan uitzonderingen op het verbod, vermeld in het eerste lid, voorzien.
Art. 37. L'abattage des poussins d'un jour est interdit.
  L'alinéa 1er entre en vigueur à une date fixée par le Gouvernement flamand. Cette date est fixée dès que la détermination du sexe des poussins dans l'oeuf est possible avant le 12e jour suivant l'incubation.
  Le Gouvernement flamand peut arrêter des exceptions à l'interdiction visée à l'alinéa 1er.
Art. 38. Ratten en muizen worden niet verdelgd met de volgende technieken:
  1° producten waarvan het actieve bestanddeel lijm is die bestemd is om de dieren te immobiliseren;
  2° verdrinking zonder dat het dier bedwelmd is.
  De Vlaamse Regering kan in uitzonderlijke situaties voorzien in uitzonderingen op het verbod, vermeld in het eerste lid, 2°.
  De Vlaamse Regering kan de verbodsbepalingen, vermeld in het eerste lid, uitbreiden naar andere diersoorten.
Art. 38. Les techniques suivantes ne peuvent être employées pour exterminer les rats et les souris :
  1° les produits dont le principe actif est un adhésif destiné à immobiliser les animaux ;
  2° la noyade sans étourdissement de l'animal.
  Le Gouvernement flamand peut, dans des situations exceptionnelles, arrêter des exceptions à l'interdiction visée à l'alinéa 1er, 2°.
  Le Gouvernement flamand peut étendre à d'autres espèces animales les dispositions d'interdiction visées à l'alinéa 1er.
Art. 39. § 1. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden voor:
  1° de methoden voor de bedwelming en het doden van dieren volgens de omstandigheden en de diersoort;
  2° de bouw, de inrichting en de uitrusting van slachthuizen;
  3° de garantie voor een onafhankelijk optreden van de functionaris voor het dierenwelzijn;
  4° de bekwaamheid van de functionaris voor het dierenwelzijn en het personeel in de slachthuizen die in contact komen met levende dieren, met inbegrip van de inhoud en organisatie van de opleidingen en examens, en de uitreiking, intrekking en schorsing van de getuigschriften die in dat kader zijn uitgereikt.
  § 2. De Vlaamse Regering erkent inrichtingen voor het gegroepeerd slachten van dieren voor particulier huishoudelijk verbruik en kan de voorwaarden ervan bepalen.
  § 3. Het doden en slachten van schapen, geiten en varkens voor particulier huishoudelijk verbruik buiten een erkend slachthuis of een op grond van paragraaf 2 erkende inrichting is verboden.
  Het eerste lid is niet van toepassing op:
  1° landbouwers als vermeld in artikel 2, 7°, van het decreet van 22 december 2006 tot inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid;
  2° personen die in het bezit zijn van een getuigschrift van vakbekwaamheid afgeleverd door het departement én over een verdovingsinstrument beschikken. Het getuigschrift van vakbekwaamheid wordt verkregen door een opleiding over het slachten of doden van dieren te volgen en door te slagen voor een onafhankelijk examen. De opleiding wordt verzorgd door een opleidingsinstituut of een andere persoon die aantoonbare expertise heeft in het domein van dierenwelzijn bij het slachten en doden, op basis van een cursus die het departement heeft goedgekeurd. De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen van het getuigschrift van vakbekwaamheid, de te volgen opleiding over het slachten of doden van dieren, het examen en van het verdovingsinstrument.
Art. 39. § 1er. Le Gouvernement flamand détermine les conditions concernant :
  1° les méthodes d'étourdissement et d'abattage des animaux en fonction des circonstances et des espèces ;
  2° la construction, l'aménagement et l'équipement des abattoirs ;
  3° la garantie d'une action indépendante de la part du responsable du bien-être des animaux ;
  4° la compétence du responsable du bien-être des animaux et du personnel des abattoirs en contact avec les animaux vivants, y compris le contenu et l'organisation des formations et des examens, ainsi que la délivrance, le retrait et la suspension des certificats délivrés dans ce contexte.
  § 2. Le Gouvernement flamand agrée les établissements d'abattage collectif d'animaux destinés à la consommation domestique privée et peut en déterminer les conditions.
  § 3. La mise à mort et l'abattage d'ovins, de caprins et de porcins destinés à la consommation domestique privée en dehors d'un abattoir agréé ou d'un établissement agréé conformément au paragraphe 2, sont interdits.
  L'alinéa 1er ne s'applique pas :
  1° aux agriculteurs tels que visés à l'article 2, 7°, du décret du 22 décembre 2006 portant création d'une identification commune d'agriculteurs, d'exploitations et de terres agricoles dans le cadre de la politique relative aux engrais et de la politique de l'agriculture ;
  2° aux personnes titulaires d'un certificat d'aptitude professionnelle délivré par le département et disposant d'un appareil d'étourdissement. Le certificat d'aptitude professionnelle est obtenu en suivant une formation sur l'abattage ou la mise à mort des animaux et après réussite d'un examen indépendant. La formation est dispensée par un institut de formation ou une autre personne ayant une expertise avérée dans le domaine du bien-être animal lors de l'abattage et de la mise à mort, sur la base d'un cours approuvé par le département. Le Gouvernement flamand peut préciser les modalités relatives au certificat d'aptitude professionnelle, à la formation à suivre en matière d'abattage ou de mise à mort des animaux, à l'examen et à l'appareil d'étourdissement.
Art. 40. § 1. Elk slachthuis beschikt over cameratoezicht dat toelaat om na te gaan of de bepalingen van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan en van de Europese verordeningen, beschikkingen en besluiten ter zake worden nageleefd waarbij de camerabeelden mogen worden gebruikt voor het opsporen van overtredingen van de personen werkzaam in het slachthuis en de vervoerders en verzorgers van de dieren.
  De Vlaamse Regering kan nadere voorwaarden bepalen over:
  1° de modaliteiten van het cameratoezicht;
  2° de plaatsen waar de camera's minimaal geplaatst moeten worden;
  3° de slachthuizen die vrijgesteld worden van de verplichting, vermeld in het eerste lid, als het dierenwelzijn er via andere middelen kan worden verzekerd.
  § 2. Binnen elk slachthuis hebben de volgende personen toegang tot de beelden:
  1° de bedrijfsexploitant;
  2° de functionaris voor het dierenwelzijn binnen het slachthuis, vermeld in artikel 17 van verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden;
  3° de personen, vermeld in artikel 64, § 1, eerste lid, 1° en 2°, van dit decreet, en de dierenartsen, vermeld in artikel 65, § 1, van dit decreet.
  De camerabeelden worden gedurende veertig dagen bewaard. Tijdens de voormelde termijn liggen de camerabeelden ter inzage van de personen, vermeld in artikel 64, § 1, eerste lid, 1° en 2°, en de dierenartsen, vermeld in artikel 65, § 1.
  § 3. De slachthuizen zijn verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming, voor de gegevensverwerking als vermeld in dit artikel.
Art. 40. § 1er. Chaque abattoir dispose d'un système de surveillance par caméra permettant de vérifier le respect des dispositions du présent décret et de ses arrêtés d'exécution, ainsi que des règlements ou décisions européens pertinents, les images de la caméra pouvant être utilisées pour détecter les infractions commises par les personnes travaillant dans l'abattoir ainsi que par les transporteurs et les soigneurs.
  Le Gouvernement flamand peut préciser les conditions concernant :
  1° les modalités de la surveillance par caméra ;
  2° les endroits où les caméras doivent être placées au minimum ;
  3° les abattoirs exemptés de l'obligation visée à l'alinéa 1er, si le bien-être des animaux peut y être assuré par d'autres moyens.
  § 2. Dans chaque abattoir, les personnes suivantes ont accès aux images :
  1° l'exploitant de l'entreprise ;
  2° le responsable du bien-être des animaux au sein de l'abattoir, visé à l'article 17 du règlement (CE) n° 1099/2009 du Conseil du 24 septembre 2009 sur la protection des animaux au moment de leur mise à mort ;
  3° les personnes visées à l'article 64, § 1er, alinéa 1er, 1° et 2°, du présent décret, et les vétérinaires visés à l'article 65, § 1er, du présent décret.
  Les images de vidéosurveillance sont conservées pendant quarante jours. Au cours de la période précitée, les images de la caméra sont à la disposition des personnes visées à l'article 64, § 1er, alinéa 1er, 1° et 2°, et des vétérinaires visés à l'article 65, § 1er.
  § 3. Les abattoirs sont responsables du traitement au sens de l'article 4, 7), du règlement général sur la protection des données, aux fins du traitement des données visé dans le présent article.
HOOFDSTUK 7. - Ingrepen op dieren
CHAPITRE 7. - Interventions sur les animaux
Art. 41. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op de dierproeven die worden uitgevoerd conform hoofdstuk 9.
Art. 41. Les dispositions du présent chapitre ne s'appliquent pas aux expériences sur animaux réalisées conformément au chapitre 9.
Art. 42. Het is verboden één of meer ingrepen bij een gewerveld dier te verrichten, waarbij één of meerdere gevoelige delen van het lichaam worden verwijderd of beschadigd.
  Het eerste lid is niet van toepassing op:
  1° ingrepen waarvoor een diergeneeskundige noodzaak bestaat;
  2° ingrepen die op grond van de wetgeving over dierziektenbestrijding verplicht zijn;
  3° ingrepen voor het nutsgebruik van het dier of de beperking van de voortplanting van de diersoort.
  De Vlaamse Regering stelt de lijst van de ingrepen, vermeld in het tweede lid, 3°, vast en bepaalt de gevallen waarin en de wijze waarop die ingrepen mogen worden uitgevoerd.
Art. 42. Il est interdit d'effectuer sur un vertébré une ou plusieurs interventions entraînant l'amputation ou la lésion d'une ou plusieurs parties sensibles de son corps.
  L'alinéa 1er ne s'applique pas aux :
  1° interventions nécessaires d'un point de vue vétérinaire ;
  2° interventions obligatoires en vertu de la législation relative à la lutte contre les maladies des animaux ;
  3° interventions pour l'exploitation utilitaire de l'animal ou pour limiter la reproduction de l'espèce.
  Le Gouvernement flamand établit la liste des interventions visées à l'alinéa 2, 3°, et détermine les cas dans lesquels ces interventions peuvent être effectuées ainsi que leurs modalités d'exécution.
Art. 43. § 1. Een pijnlijke ingreep bij een gewerveld dier wordt verricht met verdoving.
  De verdoving, vermeld in het eerste lid, wordt uitgevoerd door een dierenarts, behalve in de gevallen waarin de verantwoordelijke of de diergeneeskundige helper daarvoor gemachtigd is conform de wet van 28 augustus 1991 op de uitoefening van de diergeneeskunde.
  § 2. In de volgende gevallen is een verdoving niet noodzakelijk voor een pijnlijke ingreep bij een gewerveld dier:
  1° bij vergelijkbare ingrepen bij mensen wordt geen verdoving toegepast;
  2° de verdoving is niet uitvoerbaar volgens het oordeel van de dierenarts.
  § 3. In afwijking van paragraaf 1 kan de Vlaamse Regering de ingrepen waarvoor verdoving onder bepaalde voorwaarden niet noodzakelijk is, en de daarbij te gebruiken methoden, vaststellen.
Art. 43. § 1er. Aucune intervention douloureuse sur un vertébré ne peut être effectuée sans anesthésie.
  L'anesthésie visée à l'alinéa 1er, doit être pratiquée par un vétérinaire, sauf dans les cas où le responsable ou l'auxiliaire vétérinaire y est autorisé conformément à la loi du 28 août 1991 sur l'exercice de la médecine vétérinaire.
  § 2. Dans les cas suivants, une anesthésie n'est pas nécessaire pour une intervention douloureuse sur un animal vertébré :
  1° lorsque l'on procède sans anesthésie à des opérations semblables sur des êtres humains;
  2° l'anesthésie n'est pas réalisable sur l'avis du vétérinaire.
  § 3. Par dérogation au paragraphe 1er, le Gouvernement flamand peut déterminer les interventions pour lesquelles l'anesthésie n'est pas nécessaire dans certaines conditions, ainsi que les méthodes à utiliser pour ces procédures.
Art. 44. In dit artikel wordt verstaan onder keuring: een evenement waarbij dieren worden beoordeeld op basis van uiterlijke kenmerken, gedragskenmerken of prestatiekenmerken, al dan niet aan de hand van standaardkenmerken die opgenomen zijn in een rasstandaard.
  Niemand kan deelnemen aan tentoonstellingen, keuringen of wedstrijden met dieren waarbij een ingreep is verricht die met toepassing van artikel 42 is verboden.
  Een dier dat een ingreep heeft ondergaan die met toepassing artikel 42 is verboden, wordt niet toegelaten tot een tentoonstelling, keuring of wedstrijd.
  Het tweede en derde lid zijn ook van toepassing op dieren die na 15 april 2018 een ingreep ondergaan hebben als vermeld in artikel 42, tweede lid, 1°.
  Dieren waarbij een ingreep is verricht die met toepassing van artikel 42 is verboden, worden niet verhandeld.
Art. 44. Dans le présent article, on entend par inspection : un événement au cours duquel les animaux sont évalués sur la base de caractéristiques externes, comportementales ou de performance, qu'elles soient ou non basées sur des caractéristiques standard incluses dans un standard de race.
  Nul ne peut participer à des expositions, inspections ou concours impliquant des animaux ayant subi une intervention interdite en application de l'article 42.
  Un animal ayant subi une opération interdite en application de l'article 42 ne peut être admis à une exposition, une inspection ou un concours.
  Les alinéas 2 et 3 s'appliquent également aux animaux qui ont subi une opération telle que visée à l'article 42, alinéa 2, 1°, après le 15 avril 2018.
  Les animaux ayant subi une opération interdite en application de l'article 42 ne peuvent être commercialisés.
HOOFDSTUK 8. - Dieronvriendelijke producten
CHAPITRE 8. - Produits non respectueux des animaux
Art. 45. De Vlaamse Regering kan het gebruik of de verhandeling van producten die bestemd zijn voor dieren en die schadelijk zijn voor hun welzijn, beperken of verbieden.
  Als de Vlaamse Regering het gebruik of de verhandeling van een product beperkt of verbiedt, kan ze ook de publiciteit voor het gebruik of de verhandeling ervan beperken of verbieden.
Art. 45. Le Gouvernement flamand peut restreindre ou interdire l'utilisation ou la commercialisation de produits destinés aux animaux qui nuisent à leur bien-être.
  Si le Gouvernement flamand restreint ou interdit l'utilisation ou la commercialisation d'un produit, il peut également restreindre ou interdire la publicité pour son utilisation ou sa commercialisation.
HOOFDSTUK 9. - Dierproeven
CHAPITRE 9. - Expériences sur animaux
Art. 46. Dit hoofdstuk voorziet in de gedeeltelijke omzetting van richtlijn 2010/63/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2010 betreffende de bescherming van dieren die voor wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt.
Art. 46. Le présent chapitre prévoit la transposition partielle de la directive 2010/63/UE du Parlement européen et du Conseil du 22 septembre 2010 relative à la protection des animaux utilisés à des fins scientifiques.
Art. 47. § 1. Elke dierproef beantwoordt aan de voorwaarden, vermeld in dit hoofdstuk.
  § 2. De Vlaamse Regering kan de dierproeven die ze bepaalt, toelaten of verbieden.
  De Vlaamse Regering kan de doeleinden waarvoor dierproeven uitsluitend mogen worden gebruikt en de methoden voor het doden van de dieren bepalen.
  § 3. De Vlaamse Regering kan bepaalde dierproeven verbieden om dubbel gebruik te vermijden.
Art. 47. § 1er. Chaque expérience sur animaux doit répondre aux conditions visées dans le présent chapitre.
  § 2. Le Gouvernement flamand peut autoriser ou interdire les expériences sur animaux qu'il détermine.
  Le Gouvernement flamand peut déterminer les objectifs pour lesquels les expériences sur animaux peuvent exclusivement être employées et les méthodes de mise à mort des animaux.
  § 3. Le Gouvernement flamand peut interdire certaines expériences sur animaux afin d'éviter une double utilisation.
Art. 48. Proefdieren die in een andere lidstaat rechtmatig zijn gefokt of gehouden, kunnen worden aangeleverd of gebruikt en de producten die zijn ontwikkeld door gebruikmaking van deze dieren kunnen in de handel worden gebracht.
Art. 48. Les animaux d'expérience élevés ou détenus légalement dans un autre Etat membre peuvent être fournis ou utilisés et les produits développés à l'aide de ces animaux peuvent être mis sur le marché.
Art. 49. § 1. Gebruikers, fokkers en leveranciers worden voorafgaandelijk erkend door de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden voor de voormelde erkenningen, en ook de procedure om de voormelde erkenningen te verlenen, te schorsen of in te trekken.
  De Vlaamse Regering bepaalt het bedrag van de retributie voor het aanvragen van de erkenning, vermeld in het eerste lid, die de kosten van de behandeling van de erkenningsaanvraag dekt.
  § 2. De Vlaamse Regering kan de regels voor de herkomst van de proefdieren en de voorwaarden voor het houden van proefdieren van verschillende categorieën bepalen.
  De Vlaamse Regering kan regels voorschrijven om de herkomst van de dieren vast te stellen en te controleren.
  § 3. De Vlaamse Regering kan voorwaarden opleggen over de bestemming van de dieren na afloop van de dierproeven waarin die dieren zijn gebruikt.
Art. 49. § 1er. Les utilisateurs, les éleveurs et les fournisseurs sont préalablement agréés par le Gouvernement flamand. Le Gouvernement flamand détermine les conditions d'agrément précitées, ainsi que la procédure en vue de leur octroi, suspension ou retrait.
  Le Gouvernement flamand fixe le montant de la redevance pour la demande d'agrément visée à l'alinéa 1er, qui couvre les frais de traitement de la demande d'agrément.
  § 2. Le Gouvernement flamand peut déterminer les règles d'origine des animaux d'expérience et les conditions de détention des animaux d'expérience de différentes catégories.
  Le Gouvernement flamand peut édicter des règles pour déterminer et contrôler l'origine des animaux.
  § 3. Le Gouvernement flamand peut imposer des conditions concernant la destination des animaux à l'issue des expériences sur animaux dans le cadre desquelles ces animaux ont été utilisés.
Art. 50. § 1. Er worden ethische commissies opgericht waar de gebruikers zich bij aansluiten. De Vlaamse Regering bepaalt de samenstelling, de werking en de opdrachten van de voormelde ethische commissies.
  Het departement beslist over de goedkeuring van de ethische commissies en controleert hen. De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de voormelde goedkeuring en controle.
  § 2. Elke gebruiker, fokker en leverancier richt een dierenwelzijnscel op.
  In afwijking van het eerste lid kunnen kleine gebruikers, fokkers en leveranciers zich aansluiten bij een overkoepelende dierenwelzijnscel.
  De Vlaamse Regering bepaalt de samenstelling, de werking en de opdrachten van de voormelde dierenwelzijnscel.
Art. 50. § 1er. Des comités d'éthique, dont les utilisateurs font partie, sont mis en place. Le Gouvernement flamand détermine la composition, le fonctionnement et les missions des comités d'éthique précités.
  Le département décide de l'approbation des comités d'éthique et les contrôle. Le Gouvernement flamand détermine les règles relatives à l'approbation et au contrôle précités.
  § 2. Chaque utilisateur, éleveur et fournisseur met en place une cellule bien-être animal.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, les petits utilisateurs, éleveurs et fournisseurs peuvent adhérer à une cellule bien-être animal globale.
  Le Gouvernement flamand détermine la composition, le fonctionnement et les missions de la cellule bien-être animal précitée.
Art. 51. De gebruikers die bij dierproeven paardachtigen, honden, katten, varkens, herkauwers of niet-menselijke primaten gebruiken, wijzen een dierenarts aan, deskundig op het domein van de proefdiergeneeskunde, die belast wordt met de bescherming van de gezondheid en het welzijn van die dieren.
Art. 51. Les utilisateurs qui utilisent des équidés, des chiens, des chats, des porcs, des ruminants ou des primates non humains pour des expériences sur animaux désignent un vétérinaire, expert dans le domaine de la médecine des animaux d'expérience, chargé de protéger la santé et le bien-être de ces animaux.
Art. 52. De Vlaamse Regering wijst een bevoegde instantie aan die belast wordt met het vergunnen van projecten.
  Alleen een project met een voorafgaande vergunning wordt uitgevoerd.
  Een vergunning kan alleen verleend worden als de projectevaluatie gunstig is.
  De Vlaamse Regering bepaalt:
  1° de voorwaarden en evaluatiecriteria waaraan een project moet voldoen;
  2° de verplichtingen waaraan de verantwoordelijke voor een project moet voldoen;
  3° de procedures om de vergunning voor een project te verlenen, te wijzigen, te vernieuwen, te schorsen of in te trekken.
  De Vlaamse Regering legt de voorwaarden vast voor de niet-technische samenvatting van een project en voor de beoordeling na afloop van een project.
Art. 52. Le Gouvernement flamand désigne l'instance compétente chargée de délivrer les autorisations de projets.
  Seul un projet ayant fait l'objet d'une autorisation préalable peut être mis en oeuvre.
  Une autorisation ne peut être accordée que si l'évaluation du projet est favorable.
  Le Gouvernement flamand détermine :
  1° les conditions et les critères d'évaluation auxquels un projet doit répondre ;
  2° les obligations que le responsable d'un projet doit respecter ;
  3° les procédures d'octroi, de modification, de renouvellement, de suspension ou de retrait de l'autorisation pour un projet.
  Le Gouvernement flamand définit les conditions du résumé non technique d'un projet et de l'évaluation a posteriori.
Art. 53. Dierproeven worden beperkt tot het strikt noodzakelijke.
  Er wordt geen dierproef uitgevoerd als het nagestreefde resultaat kan worden verkregen met behulp van een andere methode of beproevingsstrategie waarbij geen levende dieren worden gebruikt en die in de regelgeving van de Europese Unie is erkend.
  In geval van verschillende mogelijkheden worden de proeven geselecteerd die aan het grootste aantal van de volgende eisen voldoen:
  1° de betrokken dieren zijn dieren die het minst gevoelig zijn voor pijn, lijden, angst of blijvende schade;
  2° er wordt een zo klein mogelijk aantal dieren gebruikt;
  3° de betrokken proeven berokkenen het minste pijn, lijden, angst of blijvende schade;
  4° de betrokken proeven leveren naar verwachting de meest bevredigende resultaten op.
  Dierproeven van didactische aard zijn alleen toegestaan in het hoger onderwijs of binnen een opleiding om beroepsvaardigheden te verwerven, op peil te houden of te verbeteren, en op voorwaarde dat ze onmisbaar zijn voor de vorming van de studenten en niet door andere evenwaardige didactische methoden kunnen worden vervangen.
  De Vlaamse Regering kan de voorwaarden bepalen om dierproeven uit te voeren met het oog op de opleiding van het personeel in de laboratoria.
Art. 53. Les expériences sur animaux sont limitées au strict nécessaire.
  Une expérience sur animal n'est pas réalisée si le résultat recherché peut être obtenu à l'aide d'une autre méthode ou stratégie d'expérimentation n'utilisant pas d'animaux vivants et reconnue par la législation de l'Union européenne.
  S'il y a plusieurs possibilités, les expériences qui répondent au plus grand nombre des exigences suivantes sont sélectionnées :
  1° les animaux concernés sont ceux qui sont le moins susceptibles d'éprouver de la douleur, de la souffrance, de l'angoisse ou des lésions durables ;
  2° le plus petit nombre possible d'animaux est utilisé ;
  3° les expériences concernées causent le moins de douleur, de souffrance, d'angoisse ou de lésions durables ;
  4° les expériences concernées devraient produire les résultats les plus satisfaisants.
  Les expériences sur animaux à caractère didactique ne sont autorisées que dans l'enseignement supérieur ou dans le cadre d'une formation visant à acquérir, maintenir ou améliorer des compétences professionnelles, et à condition qu'elles soient indispensables à la formation des étudiants et ne puissent être remplacées par d'autres méthodes didactiques équivalentes.
  Le Gouvernement flamand peut déterminer les conditions de réalisation d'expériences sur animaux à des fins de formation du personnel de laboratoire.
Art. 54. § 1. Dierproeven worden, tenzij dat niet mogelijk is, onder algemene of plaatselijke verdoving uitgevoerd en er worden pijnstillers of andere gepaste methoden gebruikt om de pijn, het lijden en de angst tot een minimum te beperken.
  Dierproeven die zware letsels toebrengen die hevige pijn kunnen veroorzaken, worden niet zonder verdoving uitgevoerd.
  Verdoving hoeft in de volgende gevallen niet toegepast te worden:
  1° er wordt geoordeeld dat dit voor het dier meer traumatiserend is dan de dierproef zelf;
  2° de verdoving is onverenigbaar met het doel van de dierproef.
  § 2. Er worden aan dieren geen stoffen toegediend waardoor ze niet meer, of maar in verminderde mate, in staat zijn pijn te tonen bij te lichte verdoving of te geringe pijnstilling.
  In de gevallen waar de toediening van een stof als vermeld in het eerste lid wel noodzakelijk is, wordt voorzien in een wetenschappelijke motivering met nadere gegevens over het verdovings- of pijnstillingsprotocol.
  § 3. De dieren die pijn kunnen lijden als de verdoving is uitgewerkt, worden preventief en postoperatief behandeld met pijnstillers of andere geschikte pijnbestrijdingsmethoden als dat verenigbaar is met het doel van de dierproef.
  Zodra het doel van de dierproef is bereikt, worden gepaste maatregelen genomen om het lijden van het dier tot een minimum te beperken.
  § 4. De dood als eindpunt van een dierproef wordt zoveel mogelijk vermeden en vervangen door humane eindpunten die in een vroege fase vaststelbaar zijn.
  Als de dood als eindpunt onvermijdelijk is, wordt de dierproef zo opgezet dat zo weinig mogelijk dieren sterven en de duur en intensiteit van het lijden voor het dier zo gering mogelijk worden gehouden, en de dood pijnloos is als dat mogelijk is.
Art. 54. § 1er. Les expériences sur animaux sont réalisées sous anesthésie générale ou locale, sauf impossibilité, et des analgésiques ou d'autres méthodes appropriées sont utilisés pour réduire au maximum la douleur, la souffrance et l'angoisse.
  Les expériences sur animaux qui infligent des blessures graves pouvant provoquer une douleur intense ne sont pas réalisées sans anesthésie.
  Une anesthésie n'est pas nécessaire dans les cas suivants :
  1° elle est jugée plus traumatisante pour l'animal que l'expérience elle-même ;
  2° l'anesthésie est incompatible avec l'objectif de l'expérience sur animaux.
  § 2. Aucune substance n'est administrée aux animaux qui les rendrait incapables, ou seulement dans une mesure réduite, de manifester de la douleur en cas d'anesthésie trop légère ou de soulagement trop faible de la douleur.
  Dans les cas où l'administration d'une substance telle que visée à l'alinéa 1er s'avère nécessaire, une justification scientifique doit être fournie et accompagnée d'informations plus précises sur le protocole d'anesthésie ou analgésique.
  § 3. Les animaux susceptibles d'éprouver des douleurs après la dissipation des effets de l'anesthésie sont traités préventivement et postopératoirement avec des analgésiques ou d'autres méthodes appropriées de contrôle de la douleur si cela est compatible avec l'objectif de l'expérience sur animaux.
  Une fois l'objectif de l'expérience sur animaux atteint, des mesures appropriées sont prises pour minimiser les souffrances de l'animal.
  § 4. La mort comme point final d'une expérience sur animaux est évitée autant que possible et remplacée par des points finaux humains qui peuvent être déterminés à un stade précoce.
  Si la mort comme point final est inévitable, l'expérience sur animaux est conçue de manière à minimiser le nombre d'animaux morts, la durée et l'intensité de la souffrance pour l'animal et à rendre la mort indolore, dans la mesure du possible.
Art. 55. De gebruiker, de fokker of de leverancier wijst een persoon aan die verantwoordelijk is:
  1° voor de naleving van de voorwaarden van de erkenning;
  2° om administratieve of statistische inlichtingen te verstrekken die de Vlaamse Regering vaststelt.
Art. 55. L'utilisateur, l'éleveur ou le fournisseur désigne une personne responsable :
  1° du respect des conditions d'agrément ;
  2° de la fourniture d'informations administratives ou statistiques déterminées par le Gouvernement flamand.
Art. 56. § 1. Proefleiders zijn verantwoordelijk voor de dierproeven die ze uitvoeren of laten uitvoeren.
  Proefleiders voldoen aan de volgende voorwaarden:
  1° een universitair diploma in een passende wetenschappelijke discipline bezitten;
  2° de kennis bezitten die nodig is om dierproeven uit te voeren of te laten uitvoeren;
  3° als ze zelf actief bijdragen aan de uitvoering van de dierproef, daarvoor de nodige bekwaamheid bezitten.
  De Vlaamse Regering kan bijkomende regels vaststellen voor de vorming en de opleiding van de proefleider.
  § 2. Proefleiders zijn verantwoordelijk om de maatregelen te nemen in verband met de nazorg van de dieren.
  Proefleiders doen hiervoor een beroep op een dierenarts als ze paardachtigen, honden, katten, varkens, herkauwers of niet-menselijke primaten gebruiken.
Art. 56. § 1er. Les maîtres d'expérience sont responsables des expériences sur animaux qu'ils mènent ou qu'ils font mener.
  Les maîtres d'expérience satisfont aux conditions suivantes :
  1° être titulaire d'un diplôme universitaire dans une discipline scientifique appropriée ;
  2° posséder les connaissances nécessaires pour réaliser ou faire réaliser des expériences sur animaux ;
  3° s'ils contribuent eux-mêmes activement à la réalisation de l'expérience sur animaux, avoir les compétences nécessaires pour le faire.
  Le Gouvernement flamand peut fixer des règles supplémentaires pour la formation du maître d'expérience.
  § 2. Les maîtres d'expérience sont tenus de prendre les mesures nécessaires pour assurer le suivi des animaux.
  Ils font pour cela appel à un vétérinaire lorsqu'ils utilisent des équidés, des chiens, des chats, des porcs, des ruminants ou des primates non humains.
Art. 57. De Vlaamse Regering bepaalt de aard en de vorm van de documenten die de gebruiker, de fokker, de leverancier of de proefleider bijhoudt, en de wijze waarop ze opgemaakt worden.
Art. 57. Le Gouvernement flamand détermine la nature et la forme des documents à conserver par l'utilisateur, l'éleveur, le fournisseur ou le maître d'expérience, ainsi que leur méthode d'établissement.
Art. 58. De Vlaamse Regering kan regels vaststellen voor de opleiding en bekwaamheid van het personeel van gebruikers, fokkers en leveranciers.
Art. 58. Le Gouvernement flamand peut fixer des règles pour la formation et la compétence du personnel des utilisateurs, des éleveurs et des fournisseurs.
Art. 59. De Vlaamse Regering richt een Vlaamse Proefdierencommissie op die tot taak heeft advies te verlenen over de aanschaf, de fok, de huisvesting, de verzorging en het gebruik van proefdieren en te zorgen voor de verspreiding van de beste praktijken.
  De Vlaamse Regering bepaalt de samenstelling en de werking van de Vlaamse Proefdierencommissie. De Vlaamse Proefdierencommissie bevat minstens vertegenwoordigers van de wetenschappelijke en medische wereld.
Art. 59. Le Gouvernement flamand crée une Commission flamande des Animaux d'expérience dont la tâche est de donner des conseils sur l'acquisition, l'élevage, l'hébergement, les soins et l'utilisation des animaux d'expérience et d'assurer la diffusion des meilleures pratiques.
  Le Gouvernement flamand détermine la composition et le fonctionnement de la Commission flamande des Animaux d'expérience. Cette dernière comprend au moins des représentants des communautés scientifique et médicale.
Art. 60. Om te waken over de naleving van de bepalingen van dit decreet, bepaalt de Vlaamse Regering de regels voor de regelmatige inspecties bij alle fokkers, leveranciers en gebruikers, inclusief in hun inrichtingen.
Art. 60. Afin de garantir le respect des dispositions du présent décret, le Gouvernement flamand détermine les règles relatives aux inspections régulières de tous les éleveurs, fournisseurs et utilisateurs, y compris dans leurs établissements.
HOOFDSTUK 10. - De Vlaamse Raad voor Dierenwelzijn
CHAPITRE 10. - Le Conseil flamand du bien-être animal
Art. 61. Er wordt een Vlaamse Raad voor Dierenwelzijn opgericht.
  De Vlaamse Regering regelt de samenstelling en de werking van de Raad voor Dierenwelzijn. De Raad voor Dierenwelzijn bevat minstens de vertegenwoordigers van:
  1° de verenigingen voor dierenbescherming;
  2° het wetenschappelijk onderzoek;
  3° de dierenartsen;
  4° de kwekers.
Art. 61. Un Conseil flamand du bien-être animal est créé.
  Le Gouvernement flamand détermine la composition et le fonctionnement du Conseil flamand du bien-être animal. Le Conseil du bien-être animal comprend au moins les représentants :
  1° des associations de protection des animaux ;
  2° de la recherche scientifique ;
  3° des vétérinaires ;
  4° des éleveurs.
Art. 62. De Vlaamse Raad voor Dierenwelzijn heeft de volgende taken:
  1° aangelegenheden bestuderen in verband met de bescherming en het welzijn van dieren;
  2° advies geven over de onderwerpen waarvan het onderzoek aan de Vlaamse Raad voor Dierenwelzijn wordt opgedragen door de Vlaamse Regering;
  3° voorstellen doen aan de Vlaamse Regering in verband met de bescherming en het welzijn van dieren.
Art. 62. Le Conseil flamand du bien-être animal est chargé des tâches suivantes :
  1° étudier les matières liées à la protection et au bien-être des animaux ;
  2° conseiller sur les sujets dont l'examen est confié au Conseil flamand du bien-être animal par le Gouvernement flamand ;
  3° émettre des propositions au Gouvernement flamand concernant la protection et le bien-être des animaux.
HOOFDSTUK 11. - Vlaams Dierenwelzijnsfonds
CHAPITRE 11. - Fonds flamand pour le bien-être animal
Art. 63. § 1. Het Vlaams Dierenwelzijnsfonds is een begrotingsfonds als vermeld in artikel 15, § 2, van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019.
  § 2. Het Vlaams Dierenwelzijnsfonds wordt gespijsd met:
  1° de volgende opbrengsten:
  a) de retributie voor de aanvragen tot erkenning, vermeld in artikel 8, § 2, tweede lid;
  b) de bijdrage voor de identificatie en registratie van honden en katten, vermeld in artikel 14;
  c) de retributie voor de aanvragen tot erkenning, vermeld in artikel 17, § 3;
  d) de retributie voor het toekennen van het certificaat van goedkeuring van het wegvervoermiddel, vermeld in artikel 33, § 2;
  e) de retributie voor het toekennen van de vergunning, vermeld in artikel 33, § 3;
  f) de retributie voor de aanvragen tot erkenning, vermeld in artikel 33, § 4;
  g) de retributie voor de aanvragen tot erkenning, vermeld in artikel 49, § 1, tweede lid;
  h) de retributie voor de opdrachten die zijn uitgevoerd door de dierenartsen die door het departement zijn aangesteld, vermeld in artikel 65, § 2, tweede lid;
  i) de administratieve geldboetes, vermeld in artikel 70, § 1;
  [1 j) de administratieve boetes bedoeld in artikel 41bis van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren.]1
  2° schenkingen, legaten en sponsoring;
  3° vrijwillige bijdragen van de proefdiergebruikers voor onderzoek naar en promotie van alternatieven voor dierproeven;
  4° rechtsplegingsvergoedingen die in het kader van rechtszaken opgelegd kunnen worden;
  5° de inning van onkosten die bij verantwoordelijken worden teruggevorderd en die voortvloeien uit de inbeslagname van hun verwaarloosde dieren;
  6° de inning van onkosten die bij verantwoordelijken worden teruggevorderd en die voortvloeien uit het uitvoeren van maatregelen met toepassing van artikel 64, § 2, zevende lid.
  § 3. De inkomsten van het Vlaams Dierenwelzijnsfonds kunnen aangewend worden voor de financiering van:
  1° administratie- en werkingskosten met inbegrip van de personeelskosten van de entiteit die bevoegd is voor dierenwelzijn en van de kosten voor juridische bijstand;
  2° kosten voor sensibilisering;
  3° kosten voor studies en wetenschappelijk onderzoek;
  4° de Vlaamse dierenwelzijnsprijzen;
  5° investeringen;
  6° het toezicht op en de toepassing en controle van de bepalingen van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan en de Europese verordeningen, beschikkingen en besluiten ter zake, waaronder ook de kosten die gepaard gaan met de inbeslagname van verwaarloosde dieren;
  7° het verlenen van subsidies voor het dekken van de kosten die voortvloeien uit het gesubsidieerd wetenschappelijk onderzoek in het kader van dierenwelzijn;
  8° het verlenen van subsidies die bestemd zijn voor de uitvoering van maatregelen met een gunstig effect op het dierenwelzijn;
  9° het verlenen van subsidies die bestemd zijn om projecten in het kader van het klimaatbeleid uit te voeren.
  De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de toekenning van de dierenwelzijnsprijzen, vermeld in het eerste lid, 4°, met inbegrip van het bepalen van de voorwaarden en het bedrag ervan, alsook de procedure voor het verlenen van de dierenwelzijnsprijzen.
  De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor het verlenen van de subsidies, vermeld in het eerste lid, 7° tot en met 9°, met inbegrip van het bepalen van de subsidievoorwaarden, het bedrag van de subsidies, alsook de procedure voor het aanvragen en verlenen van de subsidies, de uitbetaling, de verantwoording en het toezicht.
  
Art. 63. § 1er. Le Fonds flamand pour le bien-être animal est un fonds budgétaire tel que visé à l'article 15, § 2, du Code flamand des Finances publiques du 29 mars 2019.
  § 2. Le Fonds flamand pour le bien-être animal est alimenté par :
  1° les recettes suivantes :
  a) la redevance pour les demandes d'agrément visée à l'article 8, § 2, alinéa 2 ;
  b) la contribution pour l'identification et l'enregistrement des chiens et des chats visée à l'article 14 ;
  c) la redevance pour la demande d'agrément visée à l'article 17, § 3 ;
  d) la redevance pour l'octroi du certificat d'agrément des moyens de transport par route visée à l'article 33, § 2 ;
  e) la redevance pour l'octroi de l'autorisation visée à l'article 33, § 3 ;
  f) la redevance pour la demande d'agrément visée à l'article 33, § 4 ;
  g) la redevance pour la demande d'agrément visés à l'article 49, § 1, alinéa 2 ;
  h) la redevance pour les missions effectuées par les vétérinaires désignés par le département, visée à l'article 65, § 2, alinéa 2 ;
  i) les amendes administratives visées à l'article 70, § 1er ;
  [1 j) les amendes administratives visées à l'article 41bis de la loi du 14 août 1986 relative à la protection et au bien-être des animaux.]1
  2° les dons, les legs et les parrainages ;
  3° les contributions volontaires des utilisateurs d'animaux d'expérience pour la recherche et la promotion d'alternatives aux expériences sur animaux ;
  4° les indemnités de procédure qui peuvent être imposées dans le cadre d'une action judiciaire ;
  5° la perception des frais recouvrés auprès des parties responsables découlant de la saisie de leurs animaux négligés ;
  6° la perception des frais recouvrés auprès des parties responsables découlant de l'exécution des mesures en application de l'article 64, § 2, alinéa 7.
  § 3. Les recettes du Fonds flamand pour le bien-être animal peuvent être utilisées pour financer :
  1° les frais d'administration et de fonctionnement, y compris les frais de personnel de l'entité chargée du bien-être animal et les frais d'assistance juridique ;
  2° les frais de sensibilisation ;
  3° les frais d'études et de recherche scientifique ;
  4° les prix flamands du bien-être animal ;
  5° des investissements ;
  6° le suivi, l'application et le contrôle des dispositions du présent décret et de ses arrêtés d'exécution ainsi que des règlements et décisions européens pertinents, y compris les frais liés à la saisie des animaux négligés ;
  7° l'octroi de subventions pour couvrir les frais liés à la recherche scientifique subventionnée dans le domaine du bien-être animal ;
  8° l'octroi de subventions pour la mise en oeuvre de mesures ayant un effet bénéfique sur le bien-être animal ;
  9° l'octroi de subventions destinées à la mise en oeuvre de projets dans le cadre de la politique climatique.
  Le Gouvernement flamand peut préciser les règles d'octroi des prix du bien-être animal visés à l'alinéa 1er, 4°, y compris la détermination de leurs conditions et de leur montant, ainsi que la procédure d'octroi des prix du bien-être animal.
  Le Gouvernement flamand peut préciser les règles d'octroi des subventions visées à l'alinéa 1er, 7° à 9°, y compris la détermination des conditions de subvention, le montant des subventions, ainsi que la procédure de demande et d'octroi des subventions, de paiement, de justification et de contrôle.
  
HOOFDSTUK 12. - Controle, handhaving en bestraffing
CHAPITRE 12. - Contrôle, maintien et sanction
Art. 64. § 1. Met behoud van de toepassing van de ambtsbevoegdheid van de officieren van gerechtelijke politie worden overtredingen op dit decreet, op de uitvoeringsbesluiten ervan en op de Europese verordeningen, beschikkingen en besluiten ter zake opgespoord en vastgesteld door:
  1° de leden van de federale en lokale politie. Per zone van de lokale politie wordt een verantwoordelijke dierenwelzijn aangeduid;
  2° de statutaire en contractuele personeelsleden van het departement die de Vlaamse Regering aanwijst.
  De contractuele personeelsleden van het departement, vermeld in het eerste lid, 2°, leggen voorafgaand aan de uitoefening van hun functie de eed af in handen van de Vlaamse Regering.
  De personeelsleden, vermeld in het eerste lid, 2°, hebben een legitimatiebewijs bij zich en tonen dat onmiddellijk als dat wordt gevraagd. De Vlaamse Regering kan bepalen wie het legitimatiebewijs verleent, en wat het model en de inhoud van het legimitatiebewijs zijn.
  § 2. De personen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1° en 2°, kunnen zich alle inlichtingen en documenten doen bezorgen die ze nodig achten om hun taak uit te voeren en ze kunnen overgaan tot alle nuttige vaststellingen.
  Om hun opdracht uit te voeren, kunnen de personen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1° en 2°, alle vervoermiddelen, gronden, bedrijven of lokalen betreden waar levende dieren gehouden of gebruikt worden. Het bezoek van lokalen die tot woning dienen, is alleen toegestaan in een van de volgende gevallen:
  1° van 5 uur 's morgens tot 9 uur 's avonds met verlof van de rechter in de politierechtbank;
  2° na toestemming of op verzoek van de persoon die het werkelijke genot heeft van die lokalen.
  Naast het geval, vermeld in het tweede lid, 1°, is het verlof van de rechter in de politierechtbank ook vereist voor het bezoek, buiten de uren, vermeld in het tweede lid, 1°, van lokalen die niet voor het publiek toegankelijk zijn.
  De personen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 2°, kunnen assistentie vorderen van de politie voor de opdrachten waarbij er een risico kan worden geïdentificeerd voor de veiligheid van die personen.
  De personen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1° en 2°, kunnen zich bij de uitoefening van hun bevoegdheden laten bijstaan door personen die ze daarvoor hebben aangewezen op grond van hun deskundigheid.
  De personen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1° en 2°, kunnen overgaan tot het verhoor van de overtreder en tot elk ander nuttig verhoor.
  De personen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1° en 2°, kunnen alle nodige maatregelen treffen of opleggen om de naleving te verzekeren van de bepalingen van dit decreet, de uitvoeringsbesluiten ervan en de Europese verordeningen, beschikkingen en besluiten ter zake. De eventuele kosten voor het departement door de voormelde maatregelen worden verhaald op de verantwoordelijke van het dier.
  § 3. Zonder afbreuk te doen aan de regelgeving over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens, kunnen de personen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1° en 2°, vaststellingen doen met audiovisuele middelen. Ze kunnen ook audiovisueel materiaal van derden gebruiken, als die derden dat materiaal rechtmatig hebben gemaakt of verkregen.
  § 4. Het proces-verbaal dat wordt opgemaakt door de personen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1° en 2°, heeft bewijskracht tot het tegenbewijs is geleverd. De personen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1° en 2°, kunnen ook een proces-verbaal opstellen voor overtredingen op de verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van Verordening (EG) nr. 1255/97 die zijn vastgesteld door officiële controle-instanties in het buitenland, maar die begaan zijn op het grondgebied van het Vlaamse Gewest. Een afschrift van het proces-verbaal wordt, op straffe van verval van de bewijswaarde tot het tegendeel, binnen vijftien dagen nadat het proces-verbaal is afgesloten, aan de overtreders toegezonden.
  § 5. Een proces-verbaal dat is opgesteld door de personen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 2°, wordt bezorgd aan de ambtenaar die is aangesteld met toepassing van artikel 70, § 1, die ze bezorgt aan het Openbaar Ministerie.
  § 6. Als een overtreding van dit decreet of van een uitvoeringsbesluit ervan of van de Europese verordeningen en beschikkingen en besluiten ter zake is vastgesteld, kunnen de personen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 2°, een proces-verbaal van waarschuwing opstellen waarin de overtreder tot stopzetting van de overtreding wordt aangemaand.
  Het proces-verbaal van waarschuwing, vermeld in het eerste lid, wordt binnen vijftien dagen nadat het proces-verbaal van waarschuwing is afgesloten, aan de overtreder toegezonden.
  Het proces-verbaal van waarschuwing, vermeld in het eerste lid, bevat de volgende elementen:
  1° de ten laste gelegde feiten en de overtreden bepaling of bepalingen van dit decreet, de uitvoeringsbesluiten ervan of de Europese verordeningen, beschikkingen en besluiten ter zake;
  2° de termijn waarin de feiten, vermeld in punt 1°, moeten worden stopgezet;
  3° de volgende vermeldingen:
  a) de vermelding dat als geen gevolg wordt gegeven aan de waarschuwing, een proces-verbaal van overtreding wordt opgesteld dat wordt bezorgd aan de ambtenaar, vermeld in artikel 70, § 1;
  b) de vermelding dat het Openbaar Ministerie zal kunnen worden ingelicht.
  § 7. Het is verboden de in dit artikel bedoelde bevoegdheden van de personen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1° en 2°, te verhinderen.
Art. 64. § 1er. Sans préjudice de l'application des compétences des officiers de police judiciaire, les infractions au présent décret, à ses arrêtés d'exécution et aux règlements et décisions européens pertinents sont constatées et établies par :
  1° les membres de la police fédérale et locale. Un référent bien-être animal est désigné pour chaque zone de police locale;
  2° les membres du personnel statutaires et contractuels du département désignés par le Gouvernement flamand.
  Les membres du personnel contractuels du département visé à l'alinéa 1er, 2°, prêtent serment entre les mains du Gouvernement flamand avant l'exercice de leurs fonctions.
  Les membres du personnel visés à l'alinéa 1er, 2°, doivent être munis d'une preuve de légitimation et la présenter immédiatement à la moindre demande. Le Gouvernement flamand peut déterminer qui délivre la preuve de légitimation, ainsi que son modèle et son contenu.
  § 2. Les personnes visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1° et 2°, peuvent obtenir toutes les informations et tous les documents qu'elles jugent nécessaires à l'accomplissement de leur tâche et procéder à toutes les constatations utiles.
  En vue de l'accomplissement de leur mission, les personnes visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1° et 2°, peuvent pénétrer dans tout moyen de transport, sur tout terrain, dans toute entreprise ou dans tout local où des animaux vivants sont détenus ou utilisés. La visite de locaux servant d'habitation n'est autorisée que dans l'un des cas suivants :
  1° de 5 heures à 21 heures avec autorisation du juge du tribunal de police ;
  2° avec le consentement ou à la demande de la personne ayant la jouissance effective de ces locaux.
  Outre le cas visé à l'alinéa 2, 1°, l'autorisation du juge du tribunal de police est également requise pour visiter, en dehors des heures visées à l'alinéa 2, 1°, des locaux qui ne sont pas accessibles au public.
  Les personnes visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°, peuvent requérir l'assistance de la police pour les missions susceptibles de présenter un risque pour leur sécurité.
  Les personnes visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1° et 2°, peuvent être assistées dans l'exercice de leurs compétences par des personnes qu'elles ont désignées à cet effet sur la base de leur expertise.
  Les personnes visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1° et 2°, peuvent procéder à l'audition du contrevenant et à toute autre audition utile.
  Les personnes visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1° et 2°, peuvent prendre ou imposer toutes les mesures nécessaires pour assurer le respect des dispositions du présent décret, de ses arrêtés d'exécution et des règlements et décisions européens pertinents Les frais éventuellement encourus par le département en raison des mesures précitées sont récupérés auprès de la personne responsable de l'animal.
  § 3. Sans préjudice de la réglementation relative à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel, les personnes visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1° et 2°, peuvent procéder à des constatations à l'aide de moyens audiovisuels. Elles peuvent également utiliser du matériel audiovisuel provenant de tiers, si ces derniers ont créé ou obtenu ce matériel de manière licite.
  § 4. Le procès-verbal établi par les personnes visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1° et 2°, a force probante jusqu'à ce qu'une preuve contraire soit apportée. Les personnes visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1° et 2°, peuvent également dresser un procès-verbal pour les violations au règlement (CE) n° 1/2005 du Conseil du 22 décembre 2004 relatif à la protection des animaux pendant le transport et les opérations annexes et modifiant les directives 64/432/CEE et 93/119/CE et le règlement (CE) n° 1255/97 qui ont été constatées par des organismes de contrôle officiels à l'étranger, mais qui ont été commises sur le territoire de la Région flamande. Une copie du procès-verbal est adressée aux contrevenants dans les quinze jours suivant sa conclusion, sous peine de perdre toute force probante jusqu'à preuve du contraire.
  § 5. Le procès-verbal établi par les personnes visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°, est remis au fonctionnaire désigné en application de l'article 70, § 1er, qui le transmet au ministère public.
  § 6. Si une infraction au présent décret ou à l'un de ses arrêtés d'exécution ou aux règlements et décisions européens pertinents a été constatée, les personnes visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°, peuvent dresser un procès-verbal d'avertissement dans lequel le contrevenant est sommé de mettre fin à l'infraction.
  Le procès-verbal d'avertissement visé à l'alinéa 1er, est envoyé au contrevenant dans les quinze jours suivant la conclusion du procès-verbal d'avertissement.
  Le procès-verbal d'avertissement visé à l'alinéa 1er, contient les éléments suivants :
  1° les faits reprochés et la ou les disposition(s) du présent décret, de ses arrêtés d'exécution ou des règlements et décisions européens pertinents enfreints ;
  2° le délai dans lequel les faits visés au point 1°, doivent cesser ;
  3° les mentions suivantes :
  a) la mention que si aucune suite n'est donnée à l'avertissement, un procès-verbal d'infraction sera établi et remis au fonctionnaire visé à l'article 70, § 1er ;
  b) la mention que le ministère public pourra être informé.
  § 7. Il est interdit d'entraver les compétences des personnes visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1° et 2°.
Art. 65. § 1. Met behoud van de toepassing van artikel 64 kunnen overtredingen van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan en van de Europese verordeningen, beschikkingen en besluiten ter zake in slachthuizen, grensinspectieposten, plaatsen van uitgang, landbouwbedrijven, verzamelcentra voor landbouwhuisdieren, handelaarsstallen en erkenningsplichtige inrichtingen vastgesteld worden door dierenartsen die het departement daarvoor aanstelt en die geen deel uitmaken van het departement. De Vlaamse Regering bepaalt de opdrachten die de voormelde dierenartsen uitvoeren. Bij het uitvoeren van de voormelde opdrachten kunnen de dierenartsen de stopzetting van de vastgestelde overtredingen die acuut lijden veroorzaken, bevelen. Zonder afbreuk te doen aan de regelgeving over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens, kunnen de voormelde dierenartsen ook vaststellingen doen met audiovisuele middelen.
  In het eerste lid wordt verstaan onder grensinspectieposten en plaatsen van uitgang: de grensinspectieposten en de plaatsen van uitgang, vermeld in artikel 2, d) en i), van verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van Verordening (EG) nr. 1255/97.
  § 2. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van aanstelling en vergoeding van de dierenartsen, vermeld in paragraaf 1.
  De Vlaamse Regering kan het tarief en de regels bepalen voor de betaling van retributies door de slachthuizen, de bedrijven en de inrichtingen, vermeld in paragraaf 1, voor de opdrachten die worden uitgevoerd door de dierenartsen die het departement heeft aangesteld, vermeld in paragraaf 1.
  § 3. De vaststellingen van de dierenartsen, vermeld in paragraaf 1, kunnen als basis worden gebruikt bij de opmaak van de processen-verbaal door de personen, vermeld in artikel 64, § 1, eerste lid, 1° en 2°.
Art. 65. § 1er. Sans préjudice de l'application de l'article 64, les infractions au présent décret et à ses arrêtés d'exécution ainsi qu'aux règlements et décisions européens pertinents dans les abattoirs, les postes d'inspection frontaliers, les points de sortie, les exploitations agricoles, les centres de rassemblement d'animaux de ferme, les étables des négociants et les établissements soumis à agrément peuvent être constatées par des vétérinaires désignés par le département à cet effet et ne faisant pas partie du département. Le Gouvernement flamand détermine les missions à accomplir par les vétérinaires précités. Dans le cadre de l'exécution des missions précitées, les vétérinaires peuvent ordonner la cessation des infractions identifiées causant des souffrances aiguës. Sans préjudice de la réglementation relative à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel, les vétérinaires précités peuvent eux aussi procéder à des constatations à l'aide de moyens audiovisuels.
  A l'alinéa 1er, on entend par postes d'inspection frontaliers et par points de sortie : les postes d'inspection frontaliers et les points de sortie, visés à l'article 2, d) et i), du règlement (CE) n° 1/2005 du Conseil du 22 décembre 2004 relatif à la protection des animaux pendant le transport et les opérations annexes et modifiant les directives 64/432/CEE et 93/119/CE et le règlement (CE) n° 1255/97.
  § 2. Le Gouvernement flamand détermine la méthode de désignation et de rémunération des vétérinaires visés au paragraphe 1er.
  Le Gouvernement flamand peut fixer le taux et les modalités de paiement des rétributions par les abattoirs, les entreprises et les établissements visés au paragraphe 1er, pour les missions effectuées par les vétérinaires désignés par le départementvisé au paragraphe 1er.
  § 3. Les constatations des vétérinaires visées au paragraphe 1er, peuvent servir de base à l'établissement de procès-verbaux par les personnes visées à l'article 64, § 1er, alinéa 1er, 1° et 2°.
Art. 66. De persoon die handelt in strijd met de bepalingen van dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan of de Europese verordeningen, beschikkingen en besluiten ter zake wordt gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot vijf jaar en met een geldboete van 52 euro tot 100.000 euro, of met een van die straffen alleen.
Art. 66. La personne qui agit en infraction aux dispositions du présent décret ou à ses arrêtés d'exécution ou aux règlements et décisions européens pertinents est punie d'une peine d'emprisonnement de huit jours à cinq ans et d'une amende de 52 euros à 100 000 euros ou de l'une de ces deux peines seulement.
Art. 67. Een persoon die, binnen vijf jaar na een veroordeling voor een overtreding als vermeld in artikel 66 een nieuwe inbreuk begaat op dit decreet, de uitvoeringsbesluiten ervan of de Europese verordeningen, beschikkingen en besluiten ter zake, kan gestraft worden met een gevangenisstraf van tien jaar en een boete van 200.000 euro, of met een van die straffen alleen, zonder dat die straf lager mag zijn dan 200 euro of vijftien dagen gevangenisstraf.
Art. 67. Toute personne qui, dans les cinq ans suivant une condamnation pour une infraction telle que visée à l'article 66, commet une nouvelle infraction au présent décret, à ses arrêtés d'exécution ou aux règlements et décisions européens pertinents, peut être punie d'une peine d'emprisonnement de dix ans et d'une amende de 200 000 euros, ou de l'une de ces peines seulement, sans que cette peine puisse être inférieure à 200 euros ou à quinze jours d'emprisonnement.
Art. 68. Naast de straffen, vermeld in artikel 66 en 67, kan de rechtbank de volgende veiligheidsmaatregelen nemen:
  1° de inrichting waarin de overtredingen zijn gepleegd, definitief of voor één maand tot vijf jaar sluiten;
  2° verbieden om dieren van een of meer soorten te houden, definitief of voor één maand tot vijf jaar, ook indien de dieren niet op naam van de overtreder zijn geregistreerd of naderhand geregistreerd zouden worden;
  3° het aantal dieren van een of meer soorten dat men mag houden beperken, definitief of voor één maand tot vijf jaar.
Art. 68. Outre les sanctions visées aux articles 66 et 67, le tribunal peut prendre les mesures de sécurité suivantes :
  1° fermer l'établissement dans lequel les infractions ont été commises, à titre définitif ou pour une durée d'un mois à cinq ans ;
  2° interdire la détention d'animaux d'une ou plusieurs espèces à titre définitif ou pour une durée d'un mois à cinq ans, même si les animaux ne sont pas enregistrés au nom du contrevenant ou s'ils le seront par la suite ;
  3° limiter le nombre d'animaux d'une ou de plusieurs espèces que l'on est autorisé à détenir, de façon définitive ou pour une durée d'un mois à cinq ans.
Art. 69. De rechtbank beveelt bij dierengevechten of -schietoefeningen de verbeurdverklaring van de inzetten, het entreegeld en de voorwerpen of installaties die voor die gevechten of die schietoefeningen zijn gebruikt.
Art. 69. Dans le cas de combats d'animaux ou d'exercices de tir, le tribunal ordonne la confiscation des mises, des droits d'entrée et des objets ou installations utilisés pour ces combats ou exercices de tir.
Art. 70. § 1. De ambtenaar of ambtenaren binnen het departement die daarvoor zijn aangesteld door de Vlaamse Regering kan bij overtreding van dit decreet, de uitvoeringsbesluiten ervan of de Europese verordeningen, beschikkingen en besluiten ter zake, een administratieve geldboete opleggen.
  Het bedrag van de administratieve geldboete, vermeld in het eerste lid, mag niet lager zijn dan de helft van het minimum noch hoger zijn dan het maximum van de geldboete die voor de overtreding is bepaald, vermeld in artikel 66. Bij samenloop van verschillende overtredingen, kunnen de bedragen van de geldsommen samengevoegd worden.
  § 2. De ambtenaren, vermeld in paragraaf 1, kunnen een alternatieve sanctie aan de overtreder voorstellen voor ze een administratieve geldboete opleggen.
  De volgende alternatieve sancties kunnen conform het eerste lid worden voorgesteld:
  1° een vorming die het departement heeft georganiseerd of goedgekeurd;
  2° een taakstraf uitvoeren die minstens 20 uren en maximaal 45 uren bedraagt;
  3° verplichte professionele begeleiding door een instantie of persoon die het departement aanwijst om het dierenwelzijnsprobleem dat voorwerp is van de overtreding te verhelpen.
  De Vlaamse Regering kan de nadere modaliteiten hiervan bepalen.
  Als de overtreder de alternatieve sanctie, vermeld in het eerste lid, uitvoert en hiervoor een getuigschrift of attest voorlegt, kan er, voor de overtreding waarvoor ze is opgelegd, geen administratieve geldboete meer opgelegd worden door de ambtenaren, vermeld in paragraaf 1.
  § 3. Binnen de termijn van drie maanden na de verzending van het proces-verbaal aan het Openbaar-Ministerie kan er door deze beslist worden om hetzij tot strafrechtelijke vervolging of tot seponering over te gaan hetzij dat door de ambtenaren, vermeld in paragraaf 1, tot de bestuurlijke afhandeling kan worden overgegaan. De ambtenaren, vermeld in paragraaf 1, worden door het Openbaar Ministerie op de hoogte gebracht van deze beslissing. Bij gebreke aan beslissing binnen deze termijn van drie maanden vervalt de strafvordering en kan tot bestuurlijke afhandeling overgegaan worden.
  § 4. De ambtenaren, vermeld in paragraaf 1, kunnen met het Openbaar Ministerie een protocol afsluiten waarin wordt overeengekomen om bepaalde misdrijven in beginsel altijd bestuurlijk te vervolgen. In die gevallen worden in afwijking van artikel 64, § 5, de betrokken processen-verbaal niet overgemaakt aan het Openbaar-Ministerie.
  De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen met betrekking tot de goedkeuring, inhoud en geldigheidsduur van het protocol, vermeld in het eerste lid.
  § 5. Er kan geen administratieve geldboete worden opgelegd of een alternatieve sanctie als vermeld in paragraaf 1 of 2 worden voorgesteld meer dan drie jaar na de feitelijke overtreding van de bepalingen van dit decreet, de uitvoeringsbesluiten ervan of de Europese verordeningen, beschikkingen en besluiten ter zake.
  De daden van onderzoek of van vervolging die zijn verricht binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, stuiten de loop ervan. Met de voormelde daden begint een nieuwe termijn te lopen, zelfs ten aanzien van personen die daarbij niet betrokken waren.
Art. 70. § 1er. Le ou les fonctionnaires du département désigné(s) à cet effet par le Gouvernement flamand peut/peuvent imposer une amende administrative en cas d'infraction au présent décret, à ses arrêtés d'exécution ou aux règlements et décisions européens pertinents.
  Le montant de l'amende administrative visée à l'alinéa 1er, ne peut être inférieur à la moitié du minimum ni supérieur au maximum de l'amende prévue pour l'infraction visée à l'article 66. Si plusieurs infractions sont commises simultanément, les montants des amendes peuvent être cumulés.
  § 2. Les fonctionnaires visés au paragraphe 1er, peuvent proposer une sanction alternative au contrevenant avant de lui infliger une amende administrative.
  Les sanctions alternatives suivantes peuvent être proposées conformément à l'alinéa 1er :
  1° une formation organisée ou approuvée par le département ;
  2° effectuer un travail d'intérêt général d'une durée minimale de 20 heures et maximale de 45 heures;
  3° un accompagnement professionnel obligatoire par un organisme ou une personne désignée par le département pour remédier au problème en matière de bien-être animal qui fait l'objet de l'infraction.
  Le Gouvernement flamand peut en préciser les modalités.
  Si le contrevenant applique la sanction alternative visée au paragraphe 1er, et présente un certificat ou une attestation à cet effet, aucune amende administrative ne peut être infligée par les fonctionnaires visés au paragraphe 1er, pour l'infraction pour laquelle elle a été infligée.
  § 3. Dans le délai de trois mois suivant la transmission du procès-verbal au ministère public, ce dernier peut décider soit d'engager des poursuites pénales, soit de classer l'affaire sans suite, soit que les fonctionnaires visés au paragraphe 1er, peuvent procéder au traitement administratif. Les fonctionnaires visés au paragraphe 1er, sont informés de cette décision par le ministère public. En l'absence de décision dans ce délai de trois mois, l'action pénale s'éteint et une action administrative peut être engagée.
  § 4. Les fonctionnaires visés au paragraphe 1er, peuvent conclure un protocole avec le ministère public, acceptant en principe de toujours poursuivre certains délits sur le plan administratif. Dans ces cas, par dérogation à l'article 64, § 5, les procès-verbaux concernés ne sont pas remis au ministère public.
  Le Gouvernement flamand peut préciser les règles relatives à l'approbation, au contenu et à la durée de validité du protocole visé à l'alinéa 1er.
  § 5. Aucune amende administrative ne peut être imposée ni aucune sanction alternative visée au paragraphe 1er ou 2 proposée plus de trois ans après l'infraction effective aux dispositions du présent décret, à ses arrêtés d'exécution ou aux règlements et décisions européens pertinents.
  Les actes d'instruction ou de poursuite accomplis dans le délai visé à l'alinéa 1er, interrompent ce délai. l'accomplissement des actes précités entraîne un nouveau délai, même à l'égard des personnes qui n'y étaient pas impliquées.
Art. 71. Het bedrag van de administratieve geldboete, vermeld in artikel 70, § 1, wordt verhoogd met de opdeciemen die van toepassing zijn op de strafrechtelijke geldboeten.
  De wijze waarop de voormelde administratieve geldboete wordt betaald, wordt vastgesteld door de Vlaamse Regering.
Art. 71. L'amende administrative visée à l'article 70, § 1er, est majorée des décimes additionnels applicables aux amendes pénales.
  Le mode de paiement de l'amende administrative précitée est déterminé par le Gouvernement flamand.
Art. 72. § 1. Als de personen, vermeld in artikel 64, § 1, eerste lid, 1° en 2°, een overtreding van dit decreet, de uitvoeringsbesluiten ervan of de Europese verordeningen, beschikkingen en besluiten ter zake vaststellen en die overtreding over levende dieren gaat, kunnen ze die dieren administratief in beslag nemen en als dat nodig is onderbrengen in een geschikte opvangplaats.
  De personen, vermeld in artikel 64, § 1, eerste lid, 1° en 2°, kunnen ook dieren in beslag nemen als die gehouden worden terwijl er een verbod of een beperking van toepassing is die is opgelegd met toepassing van artikel 68, 2° en 3°.
  Als de dieren die in beslag worden genomen met toepassing van deze paragraaf, worden opgevangen in een erkend dierenasiel, bezorgt het erkende dierenasiel aan het departement een overzicht van de dieren die zijn opgevangen en de tijdsduur waarin ze zijn opgevangen.
  Er wordt een vergoeding betaald aan het erkende dierenasiel voor de opvang en voor de kosten die verbonden zijn aan de opvang. Als de dieren niet worden opgevangen in een erkend dierenasiel, wordt die vergoeding betaald aan de natuurlijke persoon of rechtspersoon in kwestie die instond voor de opvang.
  De Vlaamse Regering bepaalt het bedrag van de vergoeding, vermeld in het vierde lid, en de nadere regels van de procedure, vermeld in het derde en vierde lid.
  § 2. In de gevallen, vermeld in paragraaf 1, wordt een kopie van het proces-verbaal bezorgd aan het departement.
  § 3. Het departement bepaalt de bestemming van het levende dier dat conform paragraaf 1 in beslag is genomen.
  De volgende bestemmingen kunnen conform het eerste lid worden bepaald:
  1° het dier al dan niet onder voorwaarden teruggeven aan de verantwoordelijke van het in beslag genomen dier;
  2° het dier verkopen;
  3° het dier in volle eigendom geven aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon;
  4° het dier slachten of het doden.
  § 4. Het beslag, vermeld in paragraaf 1, wordt van rechtswege opgeheven door de beslissing, vermeld in paragraaf 3, of, bij het uitblijven van de voormelde beslissing, na zestig dagen vanaf de datum van de inbeslagname.
  § 5. De personen, vermeld in artikel 64, § 1, eerste lid, 1° en 2°, kunnen de kadavers, het vlees of de voorwerpen die het voorwerp vormen van de overtreding of die gediend hebben om een overtreding te plegen of die bestemd waren om een overtreding te begaan, administratief in beslag nemen en eventueel vernietigen of laten vernietigen.
  § 6. De verantwoordelijke van het dier is een vergoeding verschuldigd voor de kosten die verbonden zijn aan de maatregelen die worden genomen met toepassing van paragraaf 1, 3 en 5.
  De Vlaamse Regering stelt de tarieven van de vergoedingen, vermeld in het eerste lid, vast.
  De Vlaamse Regering stelt de nadere regels van de procedure, vermeld in het eerste en tweede lid, vast.
  § 7. Dode dieren of dieren die op bevel van het departement zijn gedood, worden verwijderd conform de voorschriften van de bevoegde overheid. De eventuele kosten ten laste van het departement voor de voormelde doding worden verhaald op de verantwoordelijke van het dier.
  De Vlaamse Regering kan het bedrag van de verschuldigde kosten, vermeld in het eerste lid, bepalen en de nadere regels van de procedure voor de betaling ervan.
Art. 72. § 1er. Si les personnes visées à l'article 64, § 1er, alinéa 1er, 1° et 2°, constatent une infraction au présent décret, à ses arrêtés d'exécution ou aux règlements et décisions européens pertinents, et que cette infraction concerne des animaux vivants, elles peuvent saisir administrativement ces animaux et, si nécessaire, les placer dans un refuge approprié.
  Les personnes visées à l'article 64, § 1er, alinéa 1er, 1° et 2°, peuvent également saisir les animaux détenus alors qu'une interdiction ou une restriction imposée en vertu de l'article 68, 2° et 3°, est d'application.
  Si les animaux saisis en application du présent paragraphe sont accueillis dans un refuge pour animaux agréé, le refuge pour animaux agréé fournit au département un aperçu des animaux accueillis et de la durée de leur accueil.
  Une indemnité est payée au refuge pour animaux agréé pour l'accueil et les frais y afférents. Si les animaux ne sont pas accueillis dans un refuge agréé, cette indemnité est versée à la personne physique ou morale qui les a accueillis.
  Le Gouvernement flamand fixe le montant de l'indemnité visée à l'alinéa 4, et les modalités de la procédure, visée aux alinéas 3 et 4.
  § 2. Dans les cas visés au paragraphe 1er, une copie du procès-verbal est remise au département.
  § 3. Le département détermine la destination de l'animal vivant saisi conformément au paragraphe 1er.
  Les destinations suivantes peuvent être établies conformément à l'alinéa 1er :
  1° restituer l'animal, sous conditions ou non, à la personne responsable de l'animal saisi ;
  2° vendre l'animal ;
  3° donner la pleine propriété de l'animal à une personne physique ou morale ;
  4° abattre ou mettre à mort l'animal.
  § 4. La saisie visée au paragraphe 1er, est automatiquement levée par la décision visée au paragraphe 3 ou, en l'absence de la décision précitée, après soixante jours à compter de la date de la saisie.
  § 5. Les personnes visées à l'article 64, § 1er, alinéa 1er, 1° et 2°, peuvent également saisir administrativement et éventuellement détruire ou faire détruire les cadavres, la viande ou les objets qui font l'objet de l'infraction, ou qui ont servi à commettre l'infraction ou qui devaient servir à commettre l'infraction.
  § 6. Le responsable de l'animal est tenu de payer une indemnité pour les frais liés aux mesures prises en application des paragraphes 1, 3 et 5.
  Le Gouvernement flamand fixe les tarifs des indemnités visées à l'alinéa 1er.
  Le Gouvernement flamand précise les règles relatives à la procédure visée aux alinéa 1er et 2.
  § 7. Les animaux morts ou mis à mort sur ordre du département sont éliminés conformément aux prescriptions de l'autorité compétente. Les frais éventuellement à charge du département en raison de la mise à mort précitée sont récupérés auprès du responsable de l'animal.
  Le Gouvernement flamand peut déterminer le montant des frais dus visés à l'alinéa 1er, et préciser les règles relatives à leur procédure de paiement.
Art. 73. § 1. Als de betrokkene in gebreke blijft bij het betalen van de administratieve geldboete, vermeld in artikel 70, § 1, of van de verschuldigde kosten, vermeld in artikel 64, § 2, zevende lid, en 72, § 6 en § 7, worden die bedragen, verhoogd met de invorderingskosten, bij dwangbevel ingevorderd. Het dwangbevel wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door een ambtenaar of ambtenaren die de Vlaamse Regering daarvoor aanwijst.
  § 2. Het dwangbevel, vermeld in paragraaf 1, wordt aan de schuldenaar bij deurwaardersexploot betekend.
  Binnen dertig dagen na de dag waarop de schuldenaar het voormelde dwangbevel heeft ontvangen, kan de schuldenaar verzet aantekenen door het Vlaamse Gewest te laten dagvaarden.
  Het verzet, vermeld in het tweede lid, schorst de uitvoering van het voormelde dwangbevel. Het Vlaamse Gewest kan de rechter verzoeken om de schorsing van de uitvoering van het voormelde dwangbevel op te heffen.
  In het kader van het voormelde dwangbevel kan bewarend beslag gelegd worden. Op het voormelde bewarend beslag zijn de bepalingen van titel II van deel V van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing.
  Een beroep tegen een dwangbevel als vermeld in paragraaf 1 kan alleen worden ingesteld voor geschillen die in verband met de uitvoering van dat dwangbevel rijzen. De voormelde geschillen worden overeenkomstig artikel 1395 van het Gerechtelijk Wetboek voor de beslagrechter gebracht.
  § 3. Op grond van het uitvoerbaar verklaarde dwangbevel en tot zekerheid van voldoening van de administratieve geldboete, vermeld in artikel 70, § 1, of de kosten, vermeld in artikel 64, § 2, zevende lid, en 72, § 6 en § 7, heeft het Vlaamse Gewest een algemeen voorrecht op alle roerende goederen van de schuldenaar en kan ze een wettelijke hypotheek nemen op al de goederen van de schuldenaar die daarvoor vatbaar zijn en die in het Vlaamse Gewest liggen of geregistreerd zijn in het Vlaamse Gewest.
  Het voorrecht, vermeld in het eerste lid, neemt de rang in onmiddellijk na de voorrechten, vermeld in artikel 19 en 20 van de Hypotheekwet van 16 december 1851, en artikel 23 van boek II van het Wetboek van Koophandel.
  De rang van de wettelijke hypotheek wordt bepaald door de dagtekening van de inschrijving die genomen wordt krachtens het uitvoerbaar verklaarde en betekende dwangbevel.
  De hypotheek wordt ingeschreven op verzoek van de ambtenaar, vermeld in paragraaf 1. De inschrijving heeft plaats, niettegenstaande verzet, betwisting of beroep, op voorlegging van een afschrift van het dwangbevel dat eensluidend wordt verklaard door de voormelde ambtenaar en dat de betekening ervan vermeldt.
Art. 73. § 1er. Si la personne concernée reste en défaut de paiement de l'amende administrative visée à l'article 70, § 1er, ou des frais dus visés à l'article 64, § 2, alinéa 7, et à l'article 72, § 6 et § 7, ces montants, augmentés des frais de recouvrement, sont recouvrés par voie de contrainte. La contrainte est visée et déclarée exécutoire par un fonctionnaire ou des fonctionnaires désigné(s) à cet effet par le Gouvernement flamand.
  § 2. La contrainte visée au paragraphe 1er, est signifiée au débiteur par exploit d'huissier.
  Dans les trente jours suivant la réception de la contrainte précitée, le débiteur peut former opposition en citant à comparaître la Région flamande.
  L'opposition visée à l'alinéa 2, suspend l'exécution de la contrainte précitée. La Région flamande peut demander au tribunal de lever la suspension de l'exécution de la contrainte précitée.
  Dans le cadre de la contrainte précitée, une saisie conservatoire peut être imposée. Les dispositions du titre II de la partie V du Code judiciaire s'appliquent à la saisie conservatoire précitée.
  Un recours contre une contrainte telle que visée au paragraphe 1er, ne peut être formé que pour des litiges liés à l'exécution de cette contrainte. Les litiges précités sont portés devant le juge des saisies conformément à l'article 1395 du Code judiciaire.
  § 3. En vertu de la contrainte déclarée exécutoire et en garantie du paiement de l'amende administrative visée à l'article 70, § 1er, ou des frais visés à l'article 64, § 2, alinéa 7, et 72, § 6 et § 7, la Région flamande dispose d'un privilège général sur tous les biens mobiliers du débiteur et peut prendre une hypothèque légale sur tous les biens du débiteur qui y sont susceptibles et qui sont situés ou enregistrés en Région flamande.
  Le privilège visé à l'alinéa 1er, prend rang immédiatement après les privilèges visés aux articles 19 et 20 de la loi hypothécaire du 16 décembre 1851, et à l'article 23 du livre II du Code de commerce.
  Le rang de l'hypothèque légale est déterminé par la date de l'inscription prise en vertu de la contrainte déclarée exécutoire et signifiée.
  L'hypothèque est inscrite à la demande du fonctionnaire visé au paragraphe 1er. L'enregistrement a lieu, sans préjudice de toute opposition, contestation ou de tout recours, sur présentation d'une copie de la contrainte certifiée conforme par le fonctionnaire précité et mentionnant sa signification.
Art. 74. In afwijking van artikel 73 kan de ambtenaar, vermeld in artikel 73, § 1, beslissen af te zien van de invordering van de administratieve geldboete, vermeld in artikel 70, § 1, of de kosten, vermeld in artikel 64, § 2, zevende lid, en 72, § 6 en § 7, als de invorderingskosten groter zijn dan het terug te vorderen bedrag of als niet kan worden vastgesteld wie de overtreder is.
Art. 74. Par dérogation à l'article 73, le fonctionnaire visé à l'article 73, § 1er, peut décider de renoncer au recouvrement de l'amende administrative visée à l'article 70, § 1er, ou des frais visés à l'article 64, § 2, alinéa 7, et à l'article 72, § 6 et § 7, si les frais de recouvrement sont supérieurs au montant à recouvrer ou si le contrevenant ne peut être identifié.
Art. 75. De ambtenaar die belast is met de inning en de invordering, beslist ook over de gemotiveerde verzoeken tot uitstel of spreiding van betaling die de overtreder tot die ambtenaar richt.
Art. 75. Le fonctionnaire chargé de la perception et du recouvrement statue également sur les demandes motivées de report ou d'étalement des paiements qui lui sont adressées par le contrevenant.
HOOFDSTUK 13. - Bepalingen over verwerking van persoonsgegevens
CHAPITRE 13. - Dispositions relatives au traitement des données à caractère personnel
Art. 76. § 1. Behoudens in dit decreet anders bepaald, treedt het departement op als de verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming, voor de verwerking van persoonsgegevens in het kader van de uitvoering van dit decreet.
  De verwerking van persoonsgegevens in het kader van dit decreet heeft betrekking op de volgende categorieën van betrokkenen:
  1° statutaire en contractuele personeelsleden van het departement die de Vlaamse Regering aanwijst;
  2° verantwoordelijken van dieren;
  3° gastgezinnen;
  4° personen en verenigingen die dieren die voor adoptie zijn bestemd, aanvoeren vanuit het buitenland en adoptanten;
  5° functionaris voor het dierenwelzijn;
  6° personeel van slachthuizen;
  7° vervoerders, bestuurders en verzorgers als vermeld in artikel 33;
  8° proefleiders, gebruikers, fokkers en leveranciers en hun personeel in het kader van dierproeven;
  9° leden van de Vlaamse Dierentuinencommissie;
  10° leden van de Vlaamse Proefdierencommissie;
  11° leden van de Vlaamse Raad voor Dierenwelzijn;
  12° dierenartsen;
  13° kwekers;
  14° de persoon die handelt in strijd met de bepalingen van dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan of de Europese verordeningen, beschikkingen en besluiten.
  De verwerking van persoonsgegevens in het kader van dit decreet heeft betrekking op de volgende categorieën van persoonsgegevens:
  1° naam, adres, rijksregisternummer, of andere identificatiegegevens;
  2° gegevens over het beroep in het kader van een erkennings- of registratieaanvraag;
  3° bekwaamheid van personen aan wie daartoe een getuigschrift verleend wordt;
  4° camerabeelden in slachthuizen;
  5° bekwaamheid, vorming en de opleiding van de proefleider;
  6° opleiding en bekwaamheid van het personeel van gebruikers, fokkers en leveranciers;
  7° strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten.
  § 2. De maximale bewaringstermijnen voor persoonsgegevens die op basis van dit decreet worden verwerkt, conform artikel 5, eerste lid, e), van de algemene verordening gegevensbescherming, worden vastgelegd in beheersregels, conform artikel III.81, § 2, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018.
  Bij het bepalen van de bewaartermijnen, vermeld in het eerste lid, wordt rekening gehouden met:
  1° het gegeven dat er voor de feiten naar aanleiding waarvan de persoonsgegevens zijn verwerkt, de mogelijkheid bestaat om een strafsanctie, een administratieve sanctie of maatregelen op te leggen;
  2° het gegeven dat beslissingen, gegrond op de feiten naar aanleiding waarvan de persoonsgegevens zijn verwerkt, nog het voorwerp uitmaken of kunnen uitmaken van een administratief of jurisdictioneel beroep;
  3° de relevantie van de persoonsgegevens voor toekomstige handelingen in het kader van toezicht, opsporing, vervolging of, sanctionering.
  In afwijking van het eerste lid geldt voor persoonsgegevens, opgenomen in artikel 40, een bewaartermijn van veertig dagen.
  § 3. De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen voor de verwerking van de persoonsgegevens, de beveiliging van die gegevens en de passende waarborgen voor de rechten en vrijheden van de betrokkenen. De Vlaamse Regering kan ook de entiteiten waaraan en doeleinden waarvoor de persoonsgegevens mogen worden verstrekt, nader omschrijven.
Art. 76. § 1er. Sauf disposition contraire en vertu du présent décret, le département agit en tant que responsable du traitement visé à l'article 4, 7), du règlement général sur la protection des données, pour le traitement des données à caractère personnel dans le cadre de l'exécution du présent décret.
  Le traitement de données à caractère personnel dans le cadre du présent décret se rapporte aux catégories suivantes de personnes concernées :
  1° les membres du personnel statutaires et contractuels du département désignés par le Gouvernement flamand ;
  2° les personnes responsables des animaux ;
  3° les familles d'accueil ;
  4° les personnes et les associations qui importent depuis l'étranger des animaux destinés à l'adoption et les adoptants ;
  5° le responsable du bien-être des animaux ;
  6° le personnel des abattoirs ;
  7° les transporteurs, les chauffeurs et les soigneurs visés à l'article 33 ;
  8° les maîtres d'expérience, les utilisateurs, les éleveurs et les fournisseurs ainsi que leur personnel dans le cadre d'expériences sur animaux ;
  9° les membres de la Commission flamande des Parcs zoologiques ;
  10° les membres de la Commission flamande des Animaux d'expérience ;
  11° les membres du Conseil flamand du bien-être animal ;
  12° les vétérinaires ;
  13° les éleveurs ;
  14° la personne qui agit en violation des dispositions du présent décret ou de ses arrêtés d'exécution ou des règlements et décisions européens.
  Le traitement de données à caractère personnel dans le cadre du présent décret concerne les catégories suivantes de données à caractère personnel :
  1° le nom, l'adresse, le numéro de registre national ou d'autres données d'identification ;
  2° les données relatives à la profession dans le cadre d'une demande d'agrément ou d'enregistrement ;
  3° la compétence des personnes auxquelles un certificat est délivré à cette fin ;
  4° les images de vidéosurveillance dans les abattoirs ;
  5° la compétence et la formation du maître d'expérience ;
  6° la formation et la compétence du personnel des utilisateurs, des éleveurs et des fournisseurs ;
  7° les condamnations pénales et les faits punissables.
  § 2. Les durées de conservation maximales des données à caractère personnel traitées en vertu du présent décret, conformément à l'article 5, paragraphe 1er, e), du règlement général sur la protection des données à caractère personnel, sont établies dans des règles de gestion, conformément à l'article III.81, § 2, du décret de Gouvernance du 7 décembre 2018.
  Lors de la fixation des délais de conservation visés à l'alinéa 1er, il est tenu compte :
  1° du fait que, pour les faits sur la base desquels les données à caractère personnel ont été traitées, il existe une possibilité d'imposer une sanction pénale, une sanction administrative ou des mesures ;
  2° du fait que des décisions, fondées sur les faits à la suite desquels les données à caractère personnel ont été traitées, font ou peuvent encore faire l'objet d'un recours administratif ou juridictionnel ;
  3° de la pertinence des données à caractère personnel pour des actes futurs de surveillance, de recherche, de poursuite ou de sanction.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, les données à caractère personnel mentionnées à l'article 40, sont soumises à un délai de conservation de quarante jours.
  § 3. Le Gouvernement flamand peut préciser les modalités relatives au traitement des données personnelles, à la sécurité de ces données et aux garanties appropriées pour les droits et libertés des personnes concernées. Le Gouvernement flamand peut également définir plus précisément les entités auxquelles et les finalités pour lesquelles les données à caractère personnel peuvent être fournies.
Art. 77. Met toepassing van artikel 23, eerste lid, d), e), h) en i), van de algemene verordening gegevensbescherming kan het bevoegde personeelslid van het departement beslissen om de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, niet toe te passen bij de verwerkingen van persoonsgegevens in het kader van een onderzoek dat betrekking heeft op een welbepaalde natuurlijke persoon, als voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in het tweede tot en met het tiende lid.
  De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, geldt alleen gedurende de periode waarin de betrokkene het voorwerp uitmaakt van een controle, een onderzoek of de voorbereidende werkzaamheden die daarmee verband houden, in het kader van de decretale en reglementaire opdrachten van het bevoegde personeelslid van het departement, op voorwaarde dat het voor het goede verloop van het onderzoek noodzakelijk is of kan zijn dat de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, niet worden toegepast. De duur van de voorbereidende werkzaamheden mag in voorkomend geval niet meer bedragen dan een jaar vanaf de ontvangst van een verzoek tot uitoefening van een van de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening. De Vlaamse Regering kan hiervoor nadere regels bepalen.
  De persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid, worden niet langer bewaard dan nodig is voor de doeleinden waarvoor ze worden verwerkt.
  De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, heeft geen betrekking op de gegevens die losstaan van het voorwerp van het onderzoek dat of van de controle die de weigering of de beperking van de rechten, vermeld in het eerste lid, rechtvaardigt.
  Als de betrokkene in het geval, vermeld in het eerste lid, tijdens de periode, vermeld in het tweede lid, een verzoek indient op basis van artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, bevestigt de bevoegde functionaris voor gegevensbescherming de ontvangst daarvan.
  De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming brengt de betrokkene schriftelijk, zo snel mogelijk en in elk geval binnen dertig dagen vanaf de dag die volgt op de dag waarop de bevoegde functionaris het verzoek heeft ontvangen, op de hoogte van elke weigering of beperking van de rechten, vermeld in het eerste lid. De verdere informatie over de nadere redenen voor die weigering of die beperking hoeft niet te worden verstrekt als dat de decretale en reglementaire opdrachten van het bevoegde personeelslid van het departement zou ondermijnen, met behoud van de toepassing van het achtste lid. Als het nodig is, kan de voormelde termijn met twee maanden worden verlengd, rekening houdend met het aantal aanvragen en de complexiteit ervan. De verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in artikel 4, 7), van de voormelde verordening, brengt de betrokkene binnen dertig dagen vanaf de dag die volgt op de dag waarop de verwerkingsverantwoordelijke het verzoek heeft ontvangen, op de hoogte van die verlenging en van de redenen voor het uitstel.
  De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming informeert de betrokkene ook over de mogelijkheid om een verzoek in te dienen bij de Vlaamse toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens conform artikel 10/5 van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer en om een beroep in rechte in te stellen.
  De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming noteert de feitelijke of juridische gronden waarop de beslissing is gebaseerd. Die informatie houdt de bevoegde functionaris ter beschikking van de voormelde Vlaamse toezichtcommissie.
  Nadat het onderzoek afgesloten is, worden de rechten, vermeld in artikel 13 tot en met 22 van de voormelde verordening, in voorkomend geval, conform artikel 12 van de voormelde verordening opnieuw toegepast.
  Als een dossier dat persoonsgegevens als vermeld in het eerste lid bevat naar het Openbaar Ministerie is gestuurd en kan leiden tot activiteiten onder leiding van het Openbaar Ministerie of een onderzoeksrechter en als er onduidelijkheid is over het geheim van het onderzoek onder leiding van het Openbaar Ministerie of een onderzoeksrechter, mag de bevoegde functionaris voor gegevensbescherming op verzoek van de betrokkene overeenkomstig artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening pas antwoorden nadat het Openbaar Ministerie of, in voorkomend geval, de onderzoeksrechter heeft bevestigd dat een antwoord het onderzoek niet in het gedrang brengt of kan brengen.
Art. 77. En application de l'article 23, alinéa 1er, d), e), h) et i), du règlement général sur la protection des données, le membre du personnel compétent du département peut décider de ne pas appliquer les obligations et les droits visés aux articles 12 à 22 du règlement précité, aux traitements de données à caractère personnel dans le cadre d'une enquête portant sur une personne physique déterminée, si les conditions visées aux alinéas 2 à 10, sont remplies.
  La possibilité de dérogation visée à l'alinéa 1er, ne s'applique que pendant la période pendant laquelle la personne concernée fait l'objet d'une inspection, d'une enquête ou des travaux préparatoires s'y rapportant, dans le cadre des missions légales et réglementaires du membre du personnel compétent du département, et à condition qu'il soit ou puisse être nécessaire pour la bonne conduite de l'enquête que les obligations et droits visés aux articles 12 à 22 du règlement précité ne soient pas appliqués. Le cas échéant, la durée des travaux préparatoires ne peut pas dépasser un an à compter de la réception d'une demande d'exercice de l'un des droits visés aux articles 12 à 22 du règlement précité. Le Gouvernement flamand peut en préciser les règles.
  Les données à caractère personnel visées à l'alinéa 1er, ne sont pas conservées plus longtemps qu'il n'est nécessaire aux fins pour lesquelles elles sont traitées.
  La possibilité de dérogation visée à l'alinéa 1er, ne porte pas sur les données indépendantes de l'objet de l'enquête ou du contrôle justifiant le refus ou la limitation des droits visés à l'alinéa 1er.
  Si, dans le cas visé à l'alinéa 1er, la personne concernée soumet durant la période visée à l'alinéa 2, une demande sur la base des articles 12 à 22 du règlement précité, le fonctionnaire compétent en matière de protection des données en confirme la réception.
  Le fonctionnaire compétent en matière de protection des données informe l'intéressé par écrit, dans les plus brefs délais et en tout cas dans les trente jours à compter du jour suivant la réception de la demande par le fonctionnaire compétent, de tout refus ou limitation des droits visés à l'alinéa 4. Aucun motif de refus ou de limitation ne doit être fourni si cela porte atteinte aux missions décrétales et réglementaires du membre du personnel compétent du département sans préjudice de l'application de l'alinéa 8. Si nécessaire, le délai précité peut être prolongé de deux mois, compte tenu du nombre et de la complexité des demandes. Le responsable du traitement, visé à l'article 4, 7), du règlement précité, informe la personne concernée dans les trente jours à compter du jour suivant la réception de la demande par le responsable du traitement, de cette prolongation et des motifs du report.
  Le fonctionnaire compétent en matière de protection des données informe l'intéressé également sur la possibilité d'introduire une demande auprès de la Commission de contrôle flamande pour le traitement des données à caractère personnel conformément à l'article 10/5 du décret du 18 juillet 2008 relatif à l'échange électronique de données administratives, et de former un recours en justice.
  Le fonctionnaire compétent en matière de protection des données consigne les motifs de fait ou de droit sur lesquels se fonde la décision. Il tient ces informations à la disposition de la Commission de contrôle flamande.
  Une fois l'enquête terminée, les droits visés aux articles 13 à 22 du règlement précité sont, le cas échéant, appliqués à nouveau, conformément à l'article 12 du règlement précité.
  Si un dossier contenant des données à caractère personnel telles que visées à l'alinéa 1er, a été transmis au ministère public et peut conduire à des activités sous la direction du ministère public ou d'un juge d'instruction, et qu'il existe une incertitude quant au secret de l'enquête sous la direction du ministère public ou d'un juge d'instruction, le fonctionnaire compétent en matière de protection des données ne peut répondre à la demande de la personne concernée conformément aux articles 12 à 22 du règlement précité, qu'après que le ministère public ou, le cas échéant, le juge d'instruction a confirmé qu'une réponse ne compromet pas ou ne peut pas compromettre l'enquête.
HOOFDSTUK 14. - Wijzigingsbepalingen
CHAPITRE 14. - Dispositions modificatives
Art. 78. In artikel 3, 12°, van dit decreet worden tussen het woord "landbouwbedrijf" en de zinsnede ", al dan niet" de woorden "en van het opleidingscentrum voor interventiehonden" ingevoegd.
Art. 78. A l'article 3, 12°, du présent décret, les mots " et du centre d'entraînement pour chiens d'intervention " sont insérés entre les mots " exploitation agricole " et le membre de phrase " , accessible ou non ".
Art. 79. In artikel 17, § 1, eerste lid, van dit decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° tussen de zinsnede "dierenasielen," en het woord "dierenpensions" wordt de zinsnede "opvangcentra voor uitheemse wilde dieren in nood," ingevoegd;
  2° de woorden "en dierentuinen" worden vervangen door de zinsnede ", dierentuinen en opleidingscentra voor interventiehonden".
Art. 79. A l'article 17, § 1er, alinéa 1er, du présent décret, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le membre de phrase " centres d'accueil pour les animaux sauvages exotiques en situation de détresse, " est inséré entre le membre de phrase " refuges pour animaux, " et les mots " de pensions " ;
  2° les mots " et de parcs zoologiques " sont remplacés par le membre de phrase " , de parcs zoologiques et de centres de formation pour les chiens d'intervention ".
Art. 80. In artikel 19, eerste lid, van dit decreet worden tussen het woord "dierenasielen" en het woord "die" de woorden "en de opvangcentra voor uitheemse wilde dieren in nood" ingevoegd.
Art. 80. A l'article 19, alinéa 1er, du présent décret, les mots " et aux centres d'accueil pour les animaux sauvages exotiques en situation de détresse " sont insérés entre les mots " refuges pour animaux " et les mots " qui sont ".
Art. 81. Artikel 107 van het decreet van 19 december 2014 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2015, het laatst gewijzigd bij het decreet van 23 december 2021, wordt opgeheven.
Art. 81. L'article 107 du décret du 19 décembre 2014 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2015, modifié en dernier lieu par le décret du 23 décembre 2021, est abrogé.
HOOFDSTUK 15. - Slotbepalingen
CHAPITRE 15. - Dispositions finales
Art. 82. § 1. In dit artikel wordt verstaan onder:
  1° bedrijfsstopzetting: de vervroegde volledige stopzetting van het houden van pelsdieren;
  2° bedrijfsreconversie: de omschakeling van een commerciële pelsdierhouderij naar een andere commerciële landbouwactiviteit.
  § 2. De Vlaamse Regering kan ter uitvoering van dit decreet vergoedingen toekennen voor een bedrijfsstopzetting of een bedrijfsreconversie aan pelsdierhouderijen die op 5 mei 2019 pelsdieren hielden en voor 1 december 2023 alle activiteiten als pelsdierhouderij stopzetten en dat voor de delen van de voormelde pelshouderijen die gevestigd zijn op het grondgebied van het Vlaamse Gewest.
  § 3. In geval van bedrijfsstopzetting bestaat de vergoeding, vermeld in paragraaf 2, uit:
  1° een vergoeding voor het verlies van het gebruik van onroerende goederen dat gepaard gaat met de bedrijfsstopzetting;
  2° een vergoeding voor de directe en indirecte kosten en het inkomensverlies die gepaard gaan met de bedrijfsstopzetting.
  In geval van bedrijfsreconversie bestaat de vergoeding, vermeld in paragraaf 2, uit:
  1° een vergoeding voor het verlies van het gebruik van onroerende goederen dat gepaard gaat met de bedrijfsreconversie;
  2° een vergoeding voor de directe en indirecte kosten en de investeringen die gepaard gaan met de bedrijfsreconversie.
  De gronden en gebouwen die betrokken zijn bij de bedrijfsstopzetting of de bedrijfsreconversie komen maar één keer in aanmerking voor een vergoeding als vermeld in paragraaf 2.
  De vergoeding, vermeld in paragraaf 2, neemt degressief af volgens een formule die de Vlaamse Regering bepaalt.
  § 4. De landcommissie bepaalt het bedrag van de vergoedingen, vermeld in paragraaf 2. De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast voor de voorwaarden, de aanvraagprocedure, de wijze van berekening en de toekenning van de vergoeding, vermeld in paragraaf 2, en ook voor de taak van de landcommissies daarbij.
Art. 82. § 1er. Dans le présent article, on entend par :
  1° cessation d'activité : l'arrêt prématuré et complet de l'élevage d'animaux à fourrure ;
  2° reconversion d'entreprise : la conversion d'un élevage commercial d'animaux à fourrure en une autre activité agricole commerciale.
  § 2. En application du présent décret, le Gouvernement flamand peut accorder des indemnités pour la cessation d'activité ou la reconversion d'entreprise aux exploitations d'élevage d'animaux à fourrure qui détenaient des animaux à fourrure le 5 mai 2019 et qui ont cessé toute activité en tant qu'exploitation d'élevage d'animaux à fourrure avant le 1er décembre 2023, et ce pour les parties des exploitations d'élevage d'animaux à fourrure précitées situées sur le territoire de la Région flamande.
  § 3. En cas de cessation d'activité l'indemnité visée au paragraphe 2, se compose :
  1° d'une indemnité pour la perte de jouissance des biens immobiliers liée à la cessation d'activité ;
  2° d'une indemnité pour les coûts directs et indirects et la perte de revenus liés à la cessation d'activité.
  En cas de reconversion d'entreprise, l'indemnité visée au paragraphe 2, se compose :
  1° d'une indemnité pour la perte de jouissance des biens immobiliers liée à la reconversion d'entreprise ;
  2° d'une indemnité pour les coûts directs et indirects et les investissements liés à la reconversion d'entreprise.
  Les terres et les bâtiments concernés par la cessation d'activité ou la reconversion d'entreprise ne sont éligibles qu'une seule fois à l'indemnité visée au paragraphe 2.
  L'indemnité visée au paragraphe 2, est dégressive selon une formule déterminée par le Gouvernement flamand.
  § 4. La commission foncière détermine le montant des indemnités visées au paragraphe 2. Le Gouvernement flamand précise les règles relatives aux conditions, à la procédure de demande, à la méthode de calcul et à l'attribution de l'indemnité visée au paragraphe 2, ainsi qu'au rôle des commissions foncières à cet égard.
Art. 83. § 1. In dit artikel wordt verstaan onder:
  1° bedrijfsstopzetting: de vervroegde volledige stopzetting van het houden van dieren voor de productie van foie gras door middel van dwangvoedering;
  2° bedrijfsreconversie: de omschakeling van een commerciële houderij die dieren houdt voor de productie van foie gras door middel van dwangvoedering naar een commerciële houderij die dieren houdt voor de productie van foie gras zonder gebruik te maken van dwangvoedering of naar een andere commerciële landbouwactiviteit.
  § 2. De Vlaamse Regering kan ter uitvoering van dit decreet vergoedingen toekennen voor een bedrijfsstopzetting of een bedrijfsreconversie aan houderijen die op 5 mei 2019 dieren hielden voor de productie van foie gras door middel van dwangvoedering en die voor 1 december 2023 de voormelde activiteiten stopzetten en dat voor de delen van de voormelde houderijen die gevestigd zijn op het grondgebied van het Vlaamse Gewest.
  § 3. In geval van bedrijfsstopzetting bestaat de vergoeding, vermeld in paragraaf 2, uit:
  1° een vergoeding voor het verlies van het gebruik van onroerende goederen dat gepaard gaat met de bedrijfsstopzetting;
  2° een vergoeding voor de directe en indirecte kosten en het inkomensverlies die gepaard gaan met de bedrijfsstopzetting.
  In geval van bedrijfsreconversie bestaat de vergoeding, vermeld in paragraaf 2, uit:
  1° een vergoeding voor het verlies van het gebruik van onroerende goederen dat gepaard gaat met de bedrijfsreconversie;
  2° vergoeding voor de directe en indirecte kosten en de investeringen die gepaard gaan met de bedrijfsreconversie.
  De gronden en gebouwen die betrokken zijn bij de bedrijfsstopzetting of de bedrijfsreconversie komen maar één keer in aanmerking voor een vergoeding als vermeld in paragraaf 2.
  De vergoeding, vermeld in paragraaf 2, neemt degressief af volgens een formule die de Vlaamse Regering bepaalt.
  § 4. De landcommissie bepaalt het bedrag van de vergoedingen, vermeld in paragraaf 2. De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast voor de voorwaarden, de aanvraagprocedure, de wijze van berekening en de toekenning van de vergoedingen, vermeld in paragraaf 2, en ook voor de taak van de landcommissies daarbij.
Art. 83. § 1er. Dans le présent article, on entend par :
  1° cessation d'activité : l'arrêt prématuré et complet de l'élevage des animaux destinés à la production de foie gras par gavage ;
  2° reconversion d'entreprise : la conversion d'une exploitation commerciale qui détient des animaux pour la production de foie gras par gavage en une exploitation commerciale qui détient des animaux pour la production de foie gras sans recourir au gavage ou en une autre activité agricole commerciale.
  § 2. En application du présent décret, le Gouvernement flamand peut accorder des indemnités pour la cessation d'activité ou la reconversion d'entreprise aux établissements qui détenaient des animaux pour la production de foie gras par gavage le 5 mai 2019 et qui ont cessé les activités précitées avant le 1er décembre 2023, et ce pour les parties des établissements précités situés sur le territoire de la Région flamande.
  § 3. En cas de cessation d'activité, l'indemnité visée au paragraphe 2, se compose :
  1° d'une indemnité pour la perte de jouissance des biens immobiliers liée à la cessation d'activité ;
  2° d'une indemnité pour les coûts directs et indirects et la perte de revenus liés à la cessation d'activité.
  En cas de reconversion d'entreprise, l'indemnité visée au paragraphe 2, se compose :
  1° d'une indemnité pour la perte de jouissance des biens immobiliers liée à la reconversion d'entreprise ;
  2° d'une indemnité pour les coûts directs et indirects et les investissements liés à la reconversion d'entreprise.
  Les terres et les bâtiments concernés par la cessation d'activité ou la reconversion d'entreprise ne sont éligibles qu'une seule fois à l'indemnité visée au paragraphe 2.
  L'indemnité visée au paragraphe 2, est dégressive selon une formule déterminée par le Gouvernement flamand.
  § 4. La commission foncière détermine le montant des indemnités visées au paragraphe 2. Le Gouvernement flamand précise les règles relatives aux conditions, à la procédure de demande, à la méthode de calcul et à l'attribution des indemnités visées au paragraphe 2, ainsi qu'au rôle des commissions foncières à cet égard.
Art. 84. In afwijking van artikel 36 kan de bedwelming bij runderen, andere dan kalveren die geslacht worden volgens speciale methoden die vereist zijn voor religieuze riten, tijdelijk onmiddellijk na het kelen plaatsvinden, en dat tot op de datum waarop de Vlaamse Regering bepaalt dat omkeerbare bedwelming voor de voormelde diersoort praktisch toepasbaar is.
Art. 84. Par dérogation à l'article 36, l'étourdissement des bovins, autres que les veaux abattus selon les méthodes spéciales requises pour les rites religieux, peut temporairement avoir lieu immédiatement après l'égorgement jusqu'à la date à laquelle le Gouvernement flamand détermine que l'étourdissement réversible est pratiquement applicable pour les espèces précitées.
Art. 85. De wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren, het laatst gewijzigd bij het decreet van 22 april 2022, wordt opgeheven op datum van 1 januari 2025 [1 met uitzondering van artikel 34, § 4 en § 5, derde lid, c), artikel 41bis en artikel 42quater die opgeheven worden op 1 januari 2026]1.
  
Art. 85. La loi du 14 août 1986 relative à la protection et au bien-être des animaux, modifiée en dernier lieu par le décret du 22 avril 2022, est abrogée au 1er janvier 2025 [1 à l'exception de l'article 34, §§ 4 et 5, alinéa 3, c), de l'article 41bis et de l'article 42quater, qui sont abrogés au 1er janvier 2026]1.
  
Art. 86. Dit decreet treedt in werking op 1 januari 2025, met uitzondering van:
  1° artikel 3, 15°, 20° en 21°, artikel 8, § 1, artikel 9, § 2, eerste lid, 4°, artikel 38, eerste lid, 2°, en artikel 40, 78, 79 en 80, die in werking treden op een datum die de Vlaamse Regering bepaalt;
  2° artikel 10, § 3, dat in werking treedt op 1 januari 2029;
  3° artikel 11, dat in werking treedt op 1 januari 2027;
  4° artikel 22, dat in werking treedt op 1 januari 2036. In afwijking hierop, treedt het artikel in werking op 1 januari 2025 voor die houderijen die voor 1 januari 2036 hun bestaande kooisystemen willen vervangen dan wel voor de eerste maal kooisystemen in gebruik willen nemen en waarvan tegelijkertijd de omgevingsvergunningaanvraag hiervoor niet ingediend werd voor 14 juli 2023, behoudens voor aanpassingen die het dierenwelzijn ten goede komen;
  5° artikel 27, dat in werking treedt op 1 januari 2026. Tot aan die datum blijft het verbod, vermeld in artikel 12, eerste lid, van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren, van toepassing;
  6° artikel 39, § 3, dat in werking treedt op 1 januari 2025, met uitzondering van diegenen die zich beroepen op de uitzondering, vermeld in artikel 39, § 3, tweede lid, 2°, die de tijd krijgen tot 1 januari 2026 om het getuigschrift van vakbekwaamheid te behalen;
  [1 7° artikel 63, § 2, 1°, i), artikel 64, § 5, artikel 70 en artikel 71, die in werking treden op 1 januari 2026.]1
  
Art. 86. Le présent décret entre en vigueur le 1er janvier 2025, à l'exception :
  1° de l'article 3, 15°, 20° et 21°, l'article 8, § 1er, l'article 9, § 2, alinéa 1er, 4°, l'article 38, alinéa 1er, 2°, et l'article 40, 78, 79 et 80, qui entrent en vigueur à une date fixée par le Gouvernement flamand;
  2° de l'article 10, § 3, qui entre en vigueur le 1er janvier 2029 ;
  3° de l'article 11, qui entre en vigueur le 1er janvier 2027 ;
  4° de l'article 22, qui entre en vigueur le 1er janvier 2036. Par dérogation à ce qui précède, l'article entre en vigueur le 1er janvier 2025 pour les établissements qui souhaitent remplacer leurs systèmes de cages existants avant le 1er janvier 2036 ou mettre en service des systèmes de cages pour la première fois et dont la demande de permis d'environnement à cet effet n'a pas été introduite avant le 14 juillet 2023, à l'exception des adaptations bénéfiques au bien-être animal;
  5° de l'article 27, qui entre en vigueur le 1er janvier 2026. L'interdiction visée à l'article 12, alinéa 1er, de la loi du 14 août 1986 relative à la protection et au bien-être des animaux, reste d'application jusqu'à cette date ;
  6° l'article 39, § 3, qui entre en vigueur le 1er janvier 2025, à l'exception de ceux qui invoquent l'exception visée à l'article 39, § 3, alinéa 2, 2°, qui disposent jusqu'au 1er janvier 2026 pour obtenir le certificat d'aptitude professionnelle;
  [1 7° article 63, § 2, 1°, i), article 64, § 5, article 70 et article 71, qui entrent en vigueur le 1er janvier 2026.]1
  
Art. 87. Artikel 10, § 4, wordt op datum van 1 januari 2029 opgeheven.
Art. 87. L'article 10, § 4, est abrogé à la date du 1er janvier 2029.
Art.69/1. [1 § 1. Het personeelslid, vermeld in artikel 70, § 2, kan tot de administratieve afhandeling overgaan, tenzij de procureur des Konings binnen negentig dagen na de dag waarop die het proces-verbaal heeft ontvangen, meedeelt dat hij tot strafrechtelijke afhandeling zal overgaan. Het openbaar ministerie kan op dossierspecifiek gemotiveerd verzoek, binnen de termijn van negentig dagen, die termijn één keer met ten hoogste negentig dagen verlengen. In dat geval brengt het openbaar ministerie het personeelslid, vermeld in artikel 70, § 2, hiervan onmiddellijk op de hoogte. Als de procureur des Konings niet binnen de termijn van negentig dagen, die eventueel wordt verlengd, aan het personeelslid, vermeld in artikel 70, § 2, heeft meegedeeld dat hij tot strafrechtelijke afhandeling overgaat, vervalt de strafvordering.
   De personeelsleden, vermeld in artikel 70, § 2, kunnen een protocol afsluiten met het college van procureurs-generaal waarin de bezorging aan deze personeelsleden van de dossiers waarvoor tot administratieve afhandeling kan worden overgegaan, wordt geregeld. Indien een dergelijk protocol niet bestaat, kunnen de vermelde personeelsleden in de gevallen waarin tot administratieve afhandeling kan worden overgegaan, de procureur des Konings verzoeken het dossier te bezorgen.
   § 2. De personeelsleden, vermeld in artikel 70, § 2, kunnen met het college van procureurs-generaal een protocol sluiten waarin wordt overeengekomen om bepaalde misdrijven in beginsel altijd administratief te vervolgen.
   Het protocol, vermeld in het eerste lid, bevat al de volgende elementen:
   1° de beschrijving van de misdrijven die in beginsel administratief worden vervolgd;
   2° de eventuele bijkomende voorwaarden waaraan voldaan moet zijn om een misdrijf in beginsel administratief te kunnen vervolgen;
   3° de kennisgeving van de misdrijven aan het openbaar ministerie;
   4° de gevallen waarin en de voorwaarden waaronder het openbaar ministerie alsnog kan beslissen tot de strafrechtelijke afhandeling;
   5° de geldigheidsduur van het protocol.
   De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen voor de maximale geldigheidsduur van het protocol, vermeld in het eerste lid.
   De Vlaamse Regering keurt het protocol goed en maakt het bekend op de website van het departement.
   Als in toepassing van het protocol wordt overgegaan tot administratieve afhandeling, vervalt de strafvordering. ]1

  
Art.69/1.[1 § 1er. Le membre du personnel visé à l'article 70, § 2, peut procéder au traitement administratif, sauf si le procureur du Roi fait savoir, dans les nonante jours suivant la date à laquelle il a reçu le procès-verbal, qu'il procédera au traitement pénal. Le ministère public peut, sur demande motivée spécifique au dossier, dans le délai de nonante jours, prolonger ce délai une fois de nonante jours au maximum. Dans ce cas, le ministère public en informe immédiatement le membre du personnel visé à l'article 70, § 2. Si, dans le délai de nonante jours, éventuellement prolongé, le procureur du Roi n'a pas fait savoir au membre du personnel visé à l'article 70,§ 2, qu'il procédera au traitement pénal, l'action publique est éteinte.
   Les membres du personnel visés à l'article 70, § 2, peuvent conclure un protocole avec le collège des procureurs généraux régissant la remise à ces membres du personnel des dossiers pouvant faire l'objet d'un traitement administratif. En l'absence d'un tel protocole, les membres du personnel précités peuvent, dans les cas pouvant faire l'objet d'un traitement administratif, demander au procureur du Roi de leur transmettre le dossier.
   § 2. Les membres du personnel visés à l'article 70, § 2, peuvent conclure avec le collège des procureurs généraux un protocole, acceptant en principe de toujours poursuivre certains délits sur le plan administratif.
   Le protocole, visé à l'alinéa 1er, comprend tous les éléments suivants :
   1° la description des délits qui font en principe l'objet de poursuites administratives ;
   2° les conditions supplémentaires éventuelles qui doivent être remplies pour qu'un délit puisse en principe faire l'objet de poursuites administratives ;
   3° la notification des délits au ministère public ;
   4° les cas et les conditions dans lesquels le ministère public peut encore décider de procéder au traitement pénal ;
   5° la durée de validité du protocole.
   Le Gouvernement flamand peut déterminer les modalités relatives à la durée de validité maximale du protocole, visé à l'alinéa 1er.
   Le Gouvernement flamand approuve le protocole et le publie sur le site web du département.
   Si, en application du protocole, un traitement administratif est engagé, l'action publique est éteinte. ]1