Artikel 1. In artikel 4.10.1.5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2005 en voor het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 11 december 2020, wordt een paragraaf 2bis ingevoegd, die luidt als volgt:
" § 2bis. Voor biomassa die in een BKG-installatie wordt gebruikt en waarvoor een bewijs van duurzaamheid als bedoeld in Uitvoeringsverordening (EU) 2018/2066 van de Commissie van 19 december 2018 inzake de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 601/2012 van de Commissie en via verwijzing ervan in de Uitvoeringsverordening (EU) 2022/996 van de Commissie van 14 juni 2022 betreffende de voorschriften om de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria alsmede de criteria inzake laag risico op indirecte veranderingen in landgebruik te controleren, noodzakelijk is, moet een bewijs van duurzaamheid in de zin van een van de vrijwillige certificeringssystemen die door de Europese Commissie overeenkomstig artikel 30, §§ 4 en 5, van Richtlijn (EU) 2018/2001 zijn erkend, worden voorgelegd.
Het voorgelegde bewijs wordt geverifieerd en opgenomen in het geverifieerd emissiejaarrapport dat uiterlijk 14 maart bij het VEKA wordt ingediend conform paragraaf 2.".
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
3 MEI 2024. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van regelgeving over energie, ETS en de gebouwenpas
Titre
3 MAI 2024. - Arrêté du Gouvernement flamand modifiant la réglementation relative à l'énergie, au SEQE et au passeport bâtiment
Dokumentinformationen
Info du document
Inhoud
HOOFDSTUK 1. - Wijziging van het besluit van de...
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van besluit van de V...
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van het Energiebeslu...
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen aan het besluit van ...
HOOFDSTUK 5. - Wijziging van het besluit van de...
HOOFDSTUK 6. - Wijzigingen aan het besluit van ...
HOOFDSTUK 7. - Wijziging van het besluit van de...
HOOFDSTUK 8. - Wijziging aan het besluit van de...
HOOFDSTUK 9. - Wijziging van het besluit van de...
HOOFDSTUK 10. - Slotbepalingen
Inhoud
CHAPITRE 1er. - Modification de l'arrêté du Gou...
CHAPITRE 2. - Modifications de l'arrêté du Gouv...
CHAPITRE 3. - Modifications de l'arrêté relatif...
CHAPITRE 4. - Modifications de l'arrêté du Gouv...
CHAPITRE 5. - Modification de l'arrêté du Gouve...
CHAPITRE 6. - Modifications de l'arrêté du Gouv...
CHAPITRE 7. - Modification de l'arrêté du Gouve...
CHAPITRE 8. - Modification de l'arrêté du Gouve...
CHAPITRE 9. - Modification de l'arrêté du Gouve...
CHAPITRE 10. - Dispositions finales
Tekst (132)
Texte (132)
HOOFDSTUK 1. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne
CHAPITRE 1er. - Modification de l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er juin 1995 fixant les dispositions générales et sectorielles en matière d'hygiène de l'environnement
Article 1er. Dans l'article 4.10.1.5 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er juin 1995 fixant les dispositions générales et sectorielles en matière d'hygiène de l'environnement, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 2005 et modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 décembre 2020, il est ajouté un paragraphe 2bis, rédigé comme suit :
" § 2bis. Pour la biomasse utilisée dans une installation de GES et pour laquelle une preuve de durabilité telle que visée dans le règlement d'exécution (UE) 2018/2066 de la Commission du 19 décembre 2018 relatif à la surveillance et à la déclaration des émissions de gaz à effet de serre au titre de la directive 2003/87/CE du Parlement européen et du Conseil et modifiant le règlement (UE) n° 601/2012 de la Commission et par référence à celui-ci dans le règlement d'exécution (UE) 2022/996 de la Commission du 14 juin 2022 concernant les règles relatives à la vérification du respect des critères de durabilité et de réduction des émissions de gaz à effet de serre et des critères relatifs au faible risque d'induire des changements indirects dans l'affectation des sols, est requise, il convient de présenter une preuve de durabilité au sens de l'un des systèmes de certification volontaires reconnus par la Commission européenne conformément à l'article 30, §§ 4 et 5 de la directive (UE) 2018/2001.
La preuve présentée est vérifiée et incluse dans le rapport annuel des émissions vérifié qui doit être remis à l'Agence flamande pour l'Energie et le Climat (VEKA) au plus tard le 14 mars conformément au paragraphe 2. ".
" § 2bis. Pour la biomasse utilisée dans une installation de GES et pour laquelle une preuve de durabilité telle que visée dans le règlement d'exécution (UE) 2018/2066 de la Commission du 19 décembre 2018 relatif à la surveillance et à la déclaration des émissions de gaz à effet de serre au titre de la directive 2003/87/CE du Parlement européen et du Conseil et modifiant le règlement (UE) n° 601/2012 de la Commission et par référence à celui-ci dans le règlement d'exécution (UE) 2022/996 de la Commission du 14 juin 2022 concernant les règles relatives à la vérification du respect des critères de durabilité et de réduction des émissions de gaz à effet de serre et des critères relatifs au faible risque d'induire des changements indirects dans l'affectation des sols, est requise, il convient de présenter une preuve de durabilité au sens de l'un des systèmes de certification volontaires reconnus par la Commission européenne conformément à l'article 30, §§ 4 et 5 de la directive (UE) 2018/2001.
La preuve présentée est vérifiée et incluse dans le rapport annuel des émissions vérifié qui doit être remis à l'Agence flamande pour l'Energie et le Climat (VEKA) au plus tard le 14 mars conformément au paragraphe 2. ".
Art. 2. In artikel 4.10.1.7 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 april 2021 en voor het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2023, wordt een paragraaf 1bis ingevoegd, die luidt als volgt:
" § 1bis. De exploitant van een BKG-installatie controleert regelmatig of het monitoringmethodiekplan, zoals vermeld in paragraaf 1, overeenstemt met de aard en het functioneren van de installatie, en of de monitoringmethode vatbaar is voor verbetering. De exploitant van een BKG-installatie actualiseert het monitoringmethodiekplan conform artikel 9 van de gedelegeerde verordening (EU) 2019/331 van de Commissie van 19 december 2018 tot vaststelling van een voor de hele unie geldende overgangsregeling voor de geharmoniseerde kosteloze toewijzing van emissierechten overeenkomstig artikel 10 bis van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad.".
" § 1bis. De exploitant van een BKG-installatie controleert regelmatig of het monitoringmethodiekplan, zoals vermeld in paragraaf 1, overeenstemt met de aard en het functioneren van de installatie, en of de monitoringmethode vatbaar is voor verbetering. De exploitant van een BKG-installatie actualiseert het monitoringmethodiekplan conform artikel 9 van de gedelegeerde verordening (EU) 2019/331 van de Commissie van 19 december 2018 tot vaststelling van een voor de hele unie geldende overgangsregeling voor de geharmoniseerde kosteloze toewijzing van emissierechten overeenkomstig artikel 10 bis van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad.".
Art. 2. Dans l'article 4.10.1.7 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 avril 2021 et modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 décembre 2023, il est ajouté un paragraphe 1bis, rédigé comme suit :
" § 1bis. L'exploitant d'une installation de GES vérifie régulièrement que le plan méthodologique de surveillance, tel que visé au paragraphe 1er, est adapté à la nature et au fonctionnement de l'installation et que la méthode de surveillance ne nécessite pas d'améliorations. L'exploitant d'une installation de GES actualise le plan méthodologique de surveillance conformément à l'article 9 du règlement délégué (UE) 2019/331 de la Commission du 19 décembre 2018 définissant des règles transitoires pour l'ensemble de l'Union concernant l'allocation harmonisée de quotas d'émission à titre gratuit conformément à l'article 10 bis de la directive 2003/87/CE du Parlement européen et du Conseil. ".
" § 1bis. L'exploitant d'une installation de GES vérifie régulièrement que le plan méthodologique de surveillance, tel que visé au paragraphe 1er, est adapté à la nature et au fonctionnement de l'installation et que la méthode de surveillance ne nécessite pas d'améliorations. L'exploitant d'une installation de GES actualise le plan méthodologique de surveillance conformément à l'article 9 du règlement délégué (UE) 2019/331 de la Commission du 19 décembre 2018 définissant des règles transitoires pour l'ensemble de l'Union concernant l'allocation harmonisée de quotas d'émission à titre gratuit conformément à l'article 10 bis de la directive 2003/87/CE du Parlement européen et du Conseil. ".
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006 betreffende het onderhoud en het nazicht van centrale stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater
CHAPITRE 2. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 décembre 2006 relatif à l'entretien et au contrôle d'appareils de chauffage central pour le chauffage de bâtiments ou pour la production d'eau chaude utilitaire
Art. 3. In artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006 betreffende het onderhoud en het nazicht van centrale stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 december 2022, worden de punten 30°, 31° en 35° opgeheven.
Art. 3. Dans l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 décembre 2006 relatif à l'entretien et au contrôle d'appareils de chauffage central pour le chauffage de bâtiments ou pour la production d'eau chaude utilitaire, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 2 décembre 2022, les points 30°, 31° et 35° sont abrogés.
Art. 4. Artikel 9 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 januari 2021, wordt opgeheven.
Art. 4. L'article 9 du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 janvier 2021, est abrogé.
Art. 5. In artikel 11 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, 18 maart 2016 en 3 mei 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 3 wordt opgeheven;
2° in paragraaf 4 wordt de zinsnede " § 1, § 2 en § 3," vervangen door de zinsnede " § 1 en § 2";
3° in paragraaf 5 wordt de zinsnede " § 1, § 2 en § 3," vervangen door de zinsnede " § 1 en § 2".
1° paragraaf 3 wordt opgeheven;
2° in paragraaf 4 wordt de zinsnede " § 1, § 2 en § 3," vervangen door de zinsnede " § 1 en § 2";
3° in paragraaf 5 wordt de zinsnede " § 1, § 2 en § 3," vervangen door de zinsnede " § 1 en § 2".
Art. 5. A l'article 11 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 16 mai 2014, 18 mars 2016 et 3 mai 2019, les modifications suivantes sont apportées :
1° le paragraphe 3 est abrogé ;
2° dans le paragraphe 4, le membre de phrase " §§ 1er, 2 et 3, " est remplacé par le membre de phrase " §§ 1er et 2 " ;
3° dans le paragraphe 5, le membre de phrase " §§ 1er, 2 et 3, " est remplacé par le membre de phrase " §§ 1er et 2 ".
1° le paragraphe 3 est abrogé ;
2° dans le paragraphe 4, le membre de phrase " §§ 1er, 2 et 3, " est remplacé par le membre de phrase " §§ 1er et 2 " ;
3° dans le paragraphe 5, le membre de phrase " §§ 1er, 2 et 3, " est remplacé par le membre de phrase " §§ 1er et 2 ".
Art. 6. In het opschrift van hoofdstuk IV van hetzelfde besluit worden de woorden "of met de verwarmingsaudit" opgeheven.
Art. 6. Dans l'intitulé du chapitre IV du même arrêté, les mots " ou de l'audit de chauffage " sont abrogés.
Art. 7. Artikel 14 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 12 september 2008, 16 mei 2014 en 18 maart 2016, wordt opgeheven.
Art. 7. L'article 14 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 12 septembre 2008, 16 mai 2014 et 18 mars 2016, est abrogé.
Art. 8. In artikel 15 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juni 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 3 wordt opgeheven;
2° in paragraaf 5 wordt de zinsnede ", keuringsrapport of verwarmingsauditrapport" vervangen door de zinsnede "of keuringsrapport";
3° in paragraaf 6 worden de woorden "of verwarmingsauditrapport" opgeheven.
1° paragraaf 3 wordt opgeheven;
2° in paragraaf 5 wordt de zinsnede ", keuringsrapport of verwarmingsauditrapport" vervangen door de zinsnede "of keuringsrapport";
3° in paragraaf 6 worden de woorden "of verwarmingsauditrapport" opgeheven.
Art. 8. A l'article 15 du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 juin 2023, les modifications suivantes sont apportées :
1° le paragraphe 3 est abrogé ;
2° dans le paragraphe 5, le membre de phrase " , un rapport d'inspection ou un rapport d'audit de chauffage " est remplacé par le membre de phrase " ou un rapport d'inspection " ;
3° dans le paragraphe 6, les mots " ou un rapport d'audit de chauffage " sont abrogés.
1° le paragraphe 3 est abrogé ;
2° dans le paragraphe 5, le membre de phrase " , un rapport d'inspection ou un rapport d'audit de chauffage " est remplacé par le membre de phrase " ou un rapport d'inspection " ;
3° dans le paragraphe 6, les mots " ou un rapport d'audit de chauffage " sont abrogés.
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van het Energiebesluit van 19 november 2010
CHAPITRE 3. - Modifications de l'arrêté relatif à l'énergie du 19 novembre 2010
Art. 9. In artikel 1.1.1, § 2, van het Energiebesluit van 19 november 2010, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juni 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° er wordt een punt 3° /0/2 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"3° /0/2 agrarisch gebied: gebied zoals vermeld in artikel 2.2.6, § 2, tweede lid, 4°, a), van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009;";
2° in punt 32° /1 worden de woorden "een netwerk voor stadsverwarming of -koeling dat" vervangen door de woorden "de leidingen van een stadsverwarmings- en stadskoelingssysteem die";
3° punt 72° /1 wordt opgeheven;
4° er wordt een punt 97° /0 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"97° /0 stadsverwarmings- en stadskoelingssystemen: installaties voor warmte- of koudeopwekking en het netwerk voor de opslag en distributie van warmte of koude, bestaande uit zowel primaire transmissienetwerken als secundaire pijpleidingnetwerken voor de levering van warmte of koude aan consumenten. Wanneer hier sprake is van "stadsverwarming", moet dit worden begrepen als stadsverwarmings- en/of stadskoelingssystemen, al naar gelang de netwerken samen of apart warmte of koude leveren;";
5° er wordt een punt 98° /0 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"98° /0 steunregeling voor hernieuwbare energie: een instrument, regeling of mechanisme, toegepast door een lidstaat of een groep lidstaten, die het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen bevordert door de kosten van deze energievorm te verlagen, de verkoopprijs te verhogen of het volume aangekochte energie te vergroten door een verplichting tot het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen of op een andere wijze; dit omvat, maar blijft niet beperkt tot, investeringssteun, belastingvrijstelling of -verlaging, terugbetaling van belasting, steunregelingen voor verplichting tot het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen, met inbegrip van regelingen betreffende groenestroomcertificaten, en rechtstreekse prijssteunregelingen, met inbegrip van feed-in-tarieven en degressieve of vaste premiebetalingen;";
6° er wordt een punt 99° /4 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"99° /4 thermisch net: een warmte- of koudenet inclusief productie- en backup-infrastructuur en de bijhorende ondersteunende diensten;";
7° er wordt een punt 102° /4 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"102° /4 vereniging van mede-eigenaars: wat titel VII, hoofdstuk IX, afdeling II, onderafdeling I/2 betreft: de vereniging van mede-eigenaars zoals vermeld in artikel 3.86 van het Burgerlijk Wetboek, of, indien van toepassing, de deelvereniging of hoofdvereniging zoals vermeld in artikel 3.84, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek, elk voor de gemeenschappelijke delen waarvoor deze bevoegd zijn zoals bepaald in de basisakte;".
1° er wordt een punt 3° /0/2 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"3° /0/2 agrarisch gebied: gebied zoals vermeld in artikel 2.2.6, § 2, tweede lid, 4°, a), van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009;";
2° in punt 32° /1 worden de woorden "een netwerk voor stadsverwarming of -koeling dat" vervangen door de woorden "de leidingen van een stadsverwarmings- en stadskoelingssysteem die";
3° punt 72° /1 wordt opgeheven;
4° er wordt een punt 97° /0 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"97° /0 stadsverwarmings- en stadskoelingssystemen: installaties voor warmte- of koudeopwekking en het netwerk voor de opslag en distributie van warmte of koude, bestaande uit zowel primaire transmissienetwerken als secundaire pijpleidingnetwerken voor de levering van warmte of koude aan consumenten. Wanneer hier sprake is van "stadsverwarming", moet dit worden begrepen als stadsverwarmings- en/of stadskoelingssystemen, al naar gelang de netwerken samen of apart warmte of koude leveren;";
5° er wordt een punt 98° /0 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"98° /0 steunregeling voor hernieuwbare energie: een instrument, regeling of mechanisme, toegepast door een lidstaat of een groep lidstaten, die het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen bevordert door de kosten van deze energievorm te verlagen, de verkoopprijs te verhogen of het volume aangekochte energie te vergroten door een verplichting tot het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen of op een andere wijze; dit omvat, maar blijft niet beperkt tot, investeringssteun, belastingvrijstelling of -verlaging, terugbetaling van belasting, steunregelingen voor verplichting tot het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen, met inbegrip van regelingen betreffende groenestroomcertificaten, en rechtstreekse prijssteunregelingen, met inbegrip van feed-in-tarieven en degressieve of vaste premiebetalingen;";
6° er wordt een punt 99° /4 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"99° /4 thermisch net: een warmte- of koudenet inclusief productie- en backup-infrastructuur en de bijhorende ondersteunende diensten;";
7° er wordt een punt 102° /4 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"102° /4 vereniging van mede-eigenaars: wat titel VII, hoofdstuk IX, afdeling II, onderafdeling I/2 betreft: de vereniging van mede-eigenaars zoals vermeld in artikel 3.86 van het Burgerlijk Wetboek, of, indien van toepassing, de deelvereniging of hoofdvereniging zoals vermeld in artikel 3.84, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek, elk voor de gemeenschappelijke delen waarvoor deze bevoegd zijn zoals bepaald in de basisakte;".
Art. 9. A l'article 1.1.1, § 2, de l'arrêté relatif à l'énergie du 19 novembre 2010, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 juin 2023, les modifications suivantes sont apportées :
1° il est inséré un point 3° /0/2, rédigé comme suit :
" 3° /0/2 zone agraire : zone telle que visée à l'article 2.2.6, § 2, alinéa 2, 4°, a) du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009 ; " ;
2° dans le point 32° /1, les mots " un réseau de chauffage ou de refroidissement urbain " sont remplacés par les mots " les canalisations d'un système de chauffage urbain et de refroidissement urbain " ;
3° le point 72° /1 est abrogé ;
4° il est inséré un point 97° /0, rédigé comme suit :
" 97° /0 systèmes de chauffage urbain et de refroidissement urbain : les installations de production de chaleur ou de froid et le réseau de stockage et de distribution de chaleur ou de froid, constitués à la fois de réseaux de transmission primaires et de réseaux de canalisations secondaires pour la fourniture de chaleur ou de froid aux consommateurs. Dans le cas du " chauffage urbain ", cela s'entend comme des systèmes de chauffage urbain et/ou de refroidissement urbain, selon que les réseaux sont combinés ou fournissent séparément de la chaleur ou du froid ; " ;
5° il est inséré un point 98° /0, rédigé comme suit :
" 98° /0 régime d'aide en faveur des énergies renouvelables : un instrument, régime ou mécanisme appliqué par un Etat membre ou un groupe d'Etats membres, destiné à promouvoir l'utilisation de l'énergie produite à partir de sources renouvelables grâce à une réduction du coût de cette énergie par une augmentation du prix de vente ou du volume d'achat de cette énergie, au moyen d'une obligation d'utiliser ce type d'énergie ou d'une autre mesure incitative, y compris, mais sans s'y limiter, les aides à l'investissement, les exonérations ou réductions fiscales, les remboursements d'impôt, les régimes d'aide liés à l'obligation d'utiliser de l'énergie produite à partir de sources renouvelables, y compris ceux utilisant les certificats verts, et les régimes de soutien direct des prix, y compris les tarifs de rachat et les primes variables ou fixes ; " ;
6° il est inséré un point 99° /4, rédigé comme suit :
" 99° /4 réseau thermique : un réseau de chaleur ou de froid comprenant une infrastructure de production et de back-up et les services auxiliaires associés ; " ;
7° il est inséré un point 102° /4, rédigé comme suit :
" 102° /4 association de copropriétaires : en ce qui concerne le titre VII, chapitre IX, section II, sous-section Ire/2 : l'association de copropriétaires visée à l'article 3.86 du Code civil ou, le cas échéant, l'association partielle ou l'association principale visée à l'article 3.84, alinéa 4, du Code civil, chacune pour les parties communes pour lesquelles elle est compétente, comme stipulé dans l'acte de base ; ".
1° il est inséré un point 3° /0/2, rédigé comme suit :
" 3° /0/2 zone agraire : zone telle que visée à l'article 2.2.6, § 2, alinéa 2, 4°, a) du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009 ; " ;
2° dans le point 32° /1, les mots " un réseau de chauffage ou de refroidissement urbain " sont remplacés par les mots " les canalisations d'un système de chauffage urbain et de refroidissement urbain " ;
3° le point 72° /1 est abrogé ;
4° il est inséré un point 97° /0, rédigé comme suit :
" 97° /0 systèmes de chauffage urbain et de refroidissement urbain : les installations de production de chaleur ou de froid et le réseau de stockage et de distribution de chaleur ou de froid, constitués à la fois de réseaux de transmission primaires et de réseaux de canalisations secondaires pour la fourniture de chaleur ou de froid aux consommateurs. Dans le cas du " chauffage urbain ", cela s'entend comme des systèmes de chauffage urbain et/ou de refroidissement urbain, selon que les réseaux sont combinés ou fournissent séparément de la chaleur ou du froid ; " ;
5° il est inséré un point 98° /0, rédigé comme suit :
" 98° /0 régime d'aide en faveur des énergies renouvelables : un instrument, régime ou mécanisme appliqué par un Etat membre ou un groupe d'Etats membres, destiné à promouvoir l'utilisation de l'énergie produite à partir de sources renouvelables grâce à une réduction du coût de cette énergie par une augmentation du prix de vente ou du volume d'achat de cette énergie, au moyen d'une obligation d'utiliser ce type d'énergie ou d'une autre mesure incitative, y compris, mais sans s'y limiter, les aides à l'investissement, les exonérations ou réductions fiscales, les remboursements d'impôt, les régimes d'aide liés à l'obligation d'utiliser de l'énergie produite à partir de sources renouvelables, y compris ceux utilisant les certificats verts, et les régimes de soutien direct des prix, y compris les tarifs de rachat et les primes variables ou fixes ; " ;
6° il est inséré un point 99° /4, rédigé comme suit :
" 99° /4 réseau thermique : un réseau de chaleur ou de froid comprenant une infrastructure de production et de back-up et les services auxiliaires associés ; " ;
7° il est inséré un point 102° /4, rédigé comme suit :
" 102° /4 association de copropriétaires : en ce qui concerne le titre VII, chapitre IX, section II, sous-section Ire/2 : l'association de copropriétaires visée à l'article 3.86 du Code civil ou, le cas échéant, l'association partielle ou l'association principale visée à l'article 3.84, alinéa 4, du Code civil, chacune pour les parties communes pour lesquelles elle est compétente, comme stipulé dans l'acte de base ; ".
Art. 10. In artikel 1.1.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 januari 2017 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 december 2021, wordt punt 2° opnieuw opgenomen in de hierna volgende lezing:
"2° richtlijn (EU) 2023/1791 van het Europees Parlement en de Raad van 13 september 2023 betreffende energie-efficiëntie en tot wijziging van Verordening (EU) 2023/955;".
"2° richtlijn (EU) 2023/1791 van het Europees Parlement en de Raad van 13 september 2023 betreffende energie-efficiëntie en tot wijziging van Verordening (EU) 2023/955;".
Art. 10. Dans l'article 1.1.2 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 janvier 2017 et modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 décembre 2021, le point 2° est rétabli dans la rédaction suivante :
" 2° directive (UE) 2023/1791 du Parlement européen et du Conseil du 13 septembre 2023 relative à l'efficacité énergétique et modifiant le règlement (UE) 2023/955 ; ".
" 2° directive (UE) 2023/1791 du Parlement européen et du Conseil du 13 septembre 2023 relative à l'efficacité énergétique et modifiant le règlement (UE) 2023/955 ; ".
Art. 11. In artikel 3.1.26, derde lid, van hetzelfde besluit, worden de woorden "beslist de VREG tot beëindiging van zijn aanwijzing" vervangen door de zinsnede "beëindigt zijn aanwijzing van rechtswege, tenzij de VREG beslist tot een nieuwe voorwaardelijke aanwijzing".
Art. 11. Dans l'article 3.1.26, alinéa 3, du même arrêté, les mots " la VREG décide de cesser sa désignation " sont remplacés par le membre de phrase " sa désignation cesse de plein droit, à moins que la VREG ne décide d'une nouvelle désignation provisoire ".
Art. 12. In titel III, hoofdstuk I, van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juni 2023, wordt een afdeling III/1, die bestaat uit artikel 3.1.31/1, ingevoegd, die luidt als volgt:
"Afdeling III/1. Activiteiten van de netbeheerders
"Afdeling III/1. Activiteiten van de netbeheerders
Art. 12. Dans le titre III, chapitre Ier, du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 juin 2023, il est inséré une section III/1, comprenant l'article 3.1.31/1, rédigée comme suit :
" Section III/1. Activités des gestionnaires de réseau
" Section III/1. Activités des gestionnaires de réseau
Art. 3.1.31 /1. De distributienetbeheerders en hun werkmaatschappij kunnen naast aardgasdistributienetten en elektriciteitsdistributienetten ook de volgende netten rechtstreeks of onrechtstreeks:
1° bezitten, ontwikkelen, beheren en exploiteren:
a) elektronische communicatienetwerken;
b) openbare verlichtingsnetten;
c) het openbaar saneringsnetwerk;
d) thermische netten;
e) CO2-netten;
f) andere elektriciteitsnetten dan het transmissienet of het plaatselijk vervoernet van elektriciteit, als het beheer ervan overgedragen is aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder;
2° ontwikkelen, beheren en exploiteren: waterverdelingsnetten.
De distributienetbeheerders en hun werkmaatschappij kunnen naast aardgasdistributienetten en elektriciteitsdistributienetten ook waterstofnetten onrechtstreeks bezitten, ontwikkelen, beheren en exploiteren.
In afwijking van het tweede lid kunnen de distributienetbeheerders en hun werkmaatschappij ook waterstofnetten rechtstreeks bezitten, ontwikkelen, beheren en exploiteren op voorwaarde dat de VREG via een openbaar toegankelijke positieve kosten-batenanalyse vaststelt dat deze afwijking geen negatief effect heeft op de transparantie, de kruissubsidies, de distributienettarieven en de grensoverschrijdende handel. De VREG houdt hierbij rekening met het tijdschema van verwachte overdrachten van activa van de aardgassector naar de waterstofsector. Deze kosten-batenanalyse die ook aan de Europese Commissie wordt bezorgd, wordt vervolgens door de VREG ten minste om de zeven jaar opnieuw opgemaakt, waarbij de afwijking uit dit lid om rechtstreeks te bezitten, ontwikkelen, beheren en exploiteren niet langer aan de distributienetbeheerder en zijn werkmaatschappij wordt toegestaan als aan een van de hierna volgende voorwaarden is voldaan:
1° uit de kosten-batenanalyse blijkt dat het blijven toepassen van deze afwijking negatieve gevolgen zal hebben voor de transparantie, kruissubsidies, distributienettarieven en grensoverschrijdende handel;
2° de overdracht van activa van de aardgassector naar de waterstofsector heeft plaatsgevonden.
De distributienetbeheerders kunnen vervoersnetten, het plaatselijk vervoernet van elektriciteit en het transmissienet bezitten, middels het rechtstreeks of onrechtstreeks aanhouden van aandelen in de beheerder van het vervoersnet, beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit en de beheerder van transmissienet.
De distributienetbeheerders kunnen ook bepaalde bestaande onderdelen van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit rechtstreeks bezitten. De distributienetbeheerders kunnen die voormelde bestaande onderdelen enkel voor rekening van de beheerder van het plaatselijk vervoersnet ook beheren en exploiteren en dit op voorwaarde dat zij hiertoe beschikken over een overeenkomst met de beheerder van het plaatselijk vervoernet voor elektriciteit die de modaliteiten van dat beheer en die exploitatie regelt.".
1° bezitten, ontwikkelen, beheren en exploiteren:
a) elektronische communicatienetwerken;
b) openbare verlichtingsnetten;
c) het openbaar saneringsnetwerk;
d) thermische netten;
e) CO2-netten;
f) andere elektriciteitsnetten dan het transmissienet of het plaatselijk vervoernet van elektriciteit, als het beheer ervan overgedragen is aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder;
2° ontwikkelen, beheren en exploiteren: waterverdelingsnetten.
De distributienetbeheerders en hun werkmaatschappij kunnen naast aardgasdistributienetten en elektriciteitsdistributienetten ook waterstofnetten onrechtstreeks bezitten, ontwikkelen, beheren en exploiteren.
In afwijking van het tweede lid kunnen de distributienetbeheerders en hun werkmaatschappij ook waterstofnetten rechtstreeks bezitten, ontwikkelen, beheren en exploiteren op voorwaarde dat de VREG via een openbaar toegankelijke positieve kosten-batenanalyse vaststelt dat deze afwijking geen negatief effect heeft op de transparantie, de kruissubsidies, de distributienettarieven en de grensoverschrijdende handel. De VREG houdt hierbij rekening met het tijdschema van verwachte overdrachten van activa van de aardgassector naar de waterstofsector. Deze kosten-batenanalyse die ook aan de Europese Commissie wordt bezorgd, wordt vervolgens door de VREG ten minste om de zeven jaar opnieuw opgemaakt, waarbij de afwijking uit dit lid om rechtstreeks te bezitten, ontwikkelen, beheren en exploiteren niet langer aan de distributienetbeheerder en zijn werkmaatschappij wordt toegestaan als aan een van de hierna volgende voorwaarden is voldaan:
1° uit de kosten-batenanalyse blijkt dat het blijven toepassen van deze afwijking negatieve gevolgen zal hebben voor de transparantie, kruissubsidies, distributienettarieven en grensoverschrijdende handel;
2° de overdracht van activa van de aardgassector naar de waterstofsector heeft plaatsgevonden.
De distributienetbeheerders kunnen vervoersnetten, het plaatselijk vervoernet van elektriciteit en het transmissienet bezitten, middels het rechtstreeks of onrechtstreeks aanhouden van aandelen in de beheerder van het vervoersnet, beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit en de beheerder van transmissienet.
De distributienetbeheerders kunnen ook bepaalde bestaande onderdelen van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit rechtstreeks bezitten. De distributienetbeheerders kunnen die voormelde bestaande onderdelen enkel voor rekening van de beheerder van het plaatselijk vervoersnet ook beheren en exploiteren en dit op voorwaarde dat zij hiertoe beschikken over een overeenkomst met de beheerder van het plaatselijk vervoernet voor elektriciteit die de modaliteiten van dat beheer en die exploitatie regelt.".
Art. 3.1.31 /1. Outre les réseaux de distribution de gaz naturel et d'électricité, les gestionnaires de réseaux de distribution et leur société d'exploitation peuvent aussi directement ou indirectement :
1° posséder, développer, gérer et exploiter les réseaux suivants :
a) les réseaux de communications électroniques ;
b) les réseaux d'éclairage public ;
c) le réseau d'assainissement public ;
d) les réseaux thermiques ;
e) les réseaux de CO2 ;
f) les réseaux d'électricité autres que le réseau de transport ou le réseau de transport local d'électricité, si leur gestion a été transférée au gestionnaire de réseau de distribution d'électricité ;
2° développer, gérer et exploiter les réseaux suivants : les réseaux de distribution d'eau.
Outre les réseaux de distribution de gaz naturel et d'électricité, les gestionnaires de réseaux de distribution et leur société d'exploitation peuvent aussi posséder, développer, gérer et exploiter indirectement des réseaux d'hydrogène.
Par dérogation à l'alinéa 2, les gestionnaires de réseaux de distribution et leur société d'exploitation peuvent également posséder, développer, gérer et exploiter directement des réseaux d'hydrogène, à condition que la VREG détermine, au moyen d'une analyse coûts-avantages positive rendue publique, que cette dérogation n'a pas d'incidence négative sur la transparence, les subventions croisées, les tarifs des réseaux de distribution et les échanges transfrontaliers. Ce faisant, la VREG tient compte du calendrier des transferts d'actifs attendus du secteur du gaz naturel au secteur de l'hydrogène. Cette analyse coûts-avantages, qui est également remise à la Commission européenne, est ensuite renouvelée par la VREG au moins tous les sept ans, la dérogation visée au présent alinéa concernant le fait de posséder, de développer, de gérer et d'exploiter directement n'étant plus accordée au gestionnaire de réseau de distribution et à sa société d'exploitation si l'une des conditions suivantes est remplie :
1° l'analyse coûts-avantages montre que la poursuite de l'application de cette dérogation aura un impact négatif sur la transparence, les subventions croisées, les tarifs de réseau de distribution et les échanges transfrontaliers ;
2° le transfert d'actifs du secteur du gaz naturel au secteur de l'hydrogène a eu lieu.
Les gestionnaires de réseaux de distribution peuvent posséder des réseaux de transport, le réseau de transport local d'électricité et le réseau de transmission, en détenant directement ou indirectement des parts dans le gestionnaire du réseau de transport, le gestionnaire du réseau de transport local d'électricité et le gestionnaire du réseau de transmission.
Les gestionnaires de réseaux de distribution peuvent aussi détenir directement certaines parties existantes du réseau de transport local d'électricité. Les gestionnaires de réseaux de distribution peuvent également gérer et exploiter les parties existantes susmentionnées uniquement pour le compte du gestionnaire du réseau de transport local, à condition d'avoir conclu à cet effet avec le gestionnaire du réseau de transport local d'électricité un accord réglant les modalités de cette gestion et de cette exploitation. ".
1° posséder, développer, gérer et exploiter les réseaux suivants :
a) les réseaux de communications électroniques ;
b) les réseaux d'éclairage public ;
c) le réseau d'assainissement public ;
d) les réseaux thermiques ;
e) les réseaux de CO2 ;
f) les réseaux d'électricité autres que le réseau de transport ou le réseau de transport local d'électricité, si leur gestion a été transférée au gestionnaire de réseau de distribution d'électricité ;
2° développer, gérer et exploiter les réseaux suivants : les réseaux de distribution d'eau.
Outre les réseaux de distribution de gaz naturel et d'électricité, les gestionnaires de réseaux de distribution et leur société d'exploitation peuvent aussi posséder, développer, gérer et exploiter indirectement des réseaux d'hydrogène.
Par dérogation à l'alinéa 2, les gestionnaires de réseaux de distribution et leur société d'exploitation peuvent également posséder, développer, gérer et exploiter directement des réseaux d'hydrogène, à condition que la VREG détermine, au moyen d'une analyse coûts-avantages positive rendue publique, que cette dérogation n'a pas d'incidence négative sur la transparence, les subventions croisées, les tarifs des réseaux de distribution et les échanges transfrontaliers. Ce faisant, la VREG tient compte du calendrier des transferts d'actifs attendus du secteur du gaz naturel au secteur de l'hydrogène. Cette analyse coûts-avantages, qui est également remise à la Commission européenne, est ensuite renouvelée par la VREG au moins tous les sept ans, la dérogation visée au présent alinéa concernant le fait de posséder, de développer, de gérer et d'exploiter directement n'étant plus accordée au gestionnaire de réseau de distribution et à sa société d'exploitation si l'une des conditions suivantes est remplie :
1° l'analyse coûts-avantages montre que la poursuite de l'application de cette dérogation aura un impact négatif sur la transparence, les subventions croisées, les tarifs de réseau de distribution et les échanges transfrontaliers ;
2° le transfert d'actifs du secteur du gaz naturel au secteur de l'hydrogène a eu lieu.
Les gestionnaires de réseaux de distribution peuvent posséder des réseaux de transport, le réseau de transport local d'électricité et le réseau de transmission, en détenant directement ou indirectement des parts dans le gestionnaire du réseau de transport, le gestionnaire du réseau de transport local d'électricité et le gestionnaire du réseau de transmission.
Les gestionnaires de réseaux de distribution peuvent aussi détenir directement certaines parties existantes du réseau de transport local d'électricité. Les gestionnaires de réseaux de distribution peuvent également gérer et exploiter les parties existantes susmentionnées uniquement pour le compte du gestionnaire du réseau de transport local, à condition d'avoir conclu à cet effet avec le gestionnaire du réseau de transport local d'électricité un accord réglant les modalités de cette gestion et de cette exploitation. ".
Art. 13. In artikel 3.1.34/1, eerste lid, 3°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 mei 2022, worden de woorden "uitvallende omvormer" vervangen door de zinsnede "uitval van de omvormer of modulatie van de omvormer die is uitgerust met een regeling die het geïnjecteerde vermogen tijdelijk reduceert in functie van een lokale grootheid,".
Art. 13. Dans l'article 3.1.34/1, alinéa 1er, 3°, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 mai 2022, les mots " d'une panne de transformateur au gestionnaire du réseau de distribution d'électricité " sont remplacés par les mots " au gestionnaire du réseau de distribution d'électricité d'une défaillance du transformateur ou d'une modulation du transformateur équipé d'une commande qui réduit temporairement la puissance injectée en fonction d'une grandeur locale ".
Art. 14. In artikel 3.1.34/3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 mei 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid worden de woorden "aan de hand van de volgende elementen" vervangen door de woorden "aan de hand van ten minste de volgende elementen";
2° tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Met behoud van toepassing van het eerste lid, kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit bij de berekening van de compensatie, vermeld in het eerste lid, bijkomende elementen hanteren, op voorwaarde dat deze elementen betrekking hebben op aanvullende exploitatiekosten en dat die de waarde van de compensatie verhogen. De aanvullende exploitatiekosten komen slechts in aanmerking wanneer ze aantoonbaar zijn, rechtstreeks het gevolg zijn van de modulatie en niet op een andere manier worden vergoed.";
3° in het tweede lid, dat het derde lid wordt, worden tussen de woorden "technische flexibiliteit" en de woorden "een compensatie" de woorden "ten minste" ingevoegd;
4° in het tweede lid, dat het derde lid wordt, wordt tussen de zinsnede "de gemiddelde prijs van elektriciteit voor afname en injectie," en de woorden "de waarde van de gederfde groenestroomcertificaten" de zinsnede "het ingeschatte productieverlies," ingevoegd.
1° in het eerste lid worden de woorden "aan de hand van de volgende elementen" vervangen door de woorden "aan de hand van ten minste de volgende elementen";
2° tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Met behoud van toepassing van het eerste lid, kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit bij de berekening van de compensatie, vermeld in het eerste lid, bijkomende elementen hanteren, op voorwaarde dat deze elementen betrekking hebben op aanvullende exploitatiekosten en dat die de waarde van de compensatie verhogen. De aanvullende exploitatiekosten komen slechts in aanmerking wanneer ze aantoonbaar zijn, rechtstreeks het gevolg zijn van de modulatie en niet op een andere manier worden vergoed.";
3° in het tweede lid, dat het derde lid wordt, worden tussen de woorden "technische flexibiliteit" en de woorden "een compensatie" de woorden "ten minste" ingevoegd;
4° in het tweede lid, dat het derde lid wordt, wordt tussen de zinsnede "de gemiddelde prijs van elektriciteit voor afname en injectie," en de woorden "de waarde van de gederfde groenestroomcertificaten" de zinsnede "het ingeschatte productieverlies," ingevoegd.
Art. 14. A l'article 3.1.34/3 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 mai 2022, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 1er, les mots " à l'aide des éléments suivants " sont remplacés par les mots " à l'aide d'au moins les éléments suivants " ;
2° entre les alinéas 1er et 2, il est inséré un alinéa rédigé comme suit :
" Sans préjudice de l'application de l'alinéa 1er, le gestionnaire du réseau de distribution d'électricité ou le gestionnaire du réseau de transport local d'électricité peut utiliser des éléments supplémentaires lors du calcul de la compensation visée à l'alinéa 1er, à condition que ces éléments se rapportent à des frais d'exploitation complémentaires et qu'ils accroissent la valeur de la compensation. Les frais d'exploitation complémentaires ne sont éligibles que s'ils sont démontrables, s'ils résultent directement de la modulation et s'ils ne sont pas remboursés d'une autre manière. " ;
3° dans l'alinéa 2, qui devient l'alinéa 3, les mots " au moins " sont insérés entre le membre de phrase " flexibilité technique réservée, " et les mots " une compensation " ;
4° dans l'alinéa 2, qui devient l'alinéa 3, le membre de phrase " de la perte de production estimée, " est inséré entre le membre de phrase " du prix moyen de l'électricité pour le prélèvement et l'injection, " et les mots " de la valeur des certificats verts manqués ".
1° dans l'alinéa 1er, les mots " à l'aide des éléments suivants " sont remplacés par les mots " à l'aide d'au moins les éléments suivants " ;
2° entre les alinéas 1er et 2, il est inséré un alinéa rédigé comme suit :
" Sans préjudice de l'application de l'alinéa 1er, le gestionnaire du réseau de distribution d'électricité ou le gestionnaire du réseau de transport local d'électricité peut utiliser des éléments supplémentaires lors du calcul de la compensation visée à l'alinéa 1er, à condition que ces éléments se rapportent à des frais d'exploitation complémentaires et qu'ils accroissent la valeur de la compensation. Les frais d'exploitation complémentaires ne sont éligibles que s'ils sont démontrables, s'ils résultent directement de la modulation et s'ils ne sont pas remboursés d'une autre manière. " ;
3° dans l'alinéa 2, qui devient l'alinéa 3, les mots " au moins " sont insérés entre le membre de phrase " flexibilité technique réservée, " et les mots " une compensation " ;
4° dans l'alinéa 2, qui devient l'alinéa 3, le membre de phrase " de la perte de production estimée, " est inséré entre le membre de phrase " du prix moyen de l'électricité pour le prélèvement et l'injection, " et les mots " de la valeur des certificats verts manqués ".
Art. 15. In artikel 3.1.34/4, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 mei 2022, wordt de zinsnede "aan de hand van de elementen, vermeld in artikel 3.1.34/3, eerste lid" vervangen door de zinsnede "aan de hand van ten minste de elementen, vermeld in artikel 3.1.34/3, eerste en tweede lid".
Art. 15. Dans l'article 3.1.34/4, alinéa 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 mai 2022, le membre de phrase " à l'aide des éléments visés à l'article 3.1.34/3, alinéa premier " est remplacé par le membre de phrase " à l'aide d'au moins les éléments visés à l'article 3.1.34/3, alinéas 1er et 2 ".
Art. 16. In titel III, hoofdstuk I, van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juni 2023, wordt een afdeling V/1, die bestaat uit artikel 3.1.41/1, ingevoegd, die luidt als volgt:
"Afdeling V/1. Erfdienstbaarheden toegekend aan de netbeheerder
"Afdeling V/1. Erfdienstbaarheden toegekend aan de netbeheerder
Art. 16. Dans le titre III, chapitre Ier, du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 juin 2023, il est inséré une section V/1, comprenant l'article 3.1.41/1, rédigée comme suit :
" Section V/1. Servitudes accordées au gestionnaire de réseau
" Section V/1. Servitudes accordées au gestionnaire de réseau
Art. 3.1.41 /1. Als voor de uitoefening van de taken van de distributienetbeheerder, vermeld in artikel 4.1.6 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, de plaatsing van een installatie die deel uitmaakt van het elektriciteits- of aardgasdistributienet vereist is, is het voor de distributienetbeheerder onder de volgende cumulatieve voorwaarden van algemeen nut om een installatie in of op een privaat onroerend goed te plaatsen overeenkomstig artikel 4.1.23, § 3/1 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, voor zolang als dit voor de noodwendigheden van het distributienet vereist is:
1° er is in de omgeving van het privaat onroerend goed geen ruimte beschikbaar die voldoet aan de technische en operationele vereisten voor de installatie van de distributienetbeheerder op het openbaar domein van de gemeenten die enerzijds volledig of gedeeltelijk en anderzijds rechtstreeks of onrechtstreeks aandeelhouder zijn van de distributienetbeheerder, noch op de gemeentewegen, of er zijn gegronde redenen waarom dit openbaar domein niet in aanmerking komt;
2° er is in de omgeving van het privaat onroerend goed geen ruimte beschikbaar die voldoet aan de technische en operationele vereisten van de distributienetbeheerder op het openbaar domein dat wordt beheerd door een andere domeinbeheerder dan de gemeenten die enerzijds volledig of gedeeltelijk en anderzijds rechtstreeks of onrechtstreeks aandeelhouder zijn van de distributienetbeheerder, of de distributienetbeheerder heeft voor deze ruimte niet de vereiste domeintoelating gekregen van die domeinbeheerder;
3° de distributienetbeheerder heeft voldoende redelijke pogingen ondernomen, wat de distributienetbeheerder kan staven aan de hand van aangetekende schrijvens, om in de omgeving van het privaat onroerend goed die voldoet aan de technische en operationele vereisten van de distributienetbeheerder een minnelijk akkoord te sluiten over een aankoop of de verkrijging van een ander zakelijk gebruiksrecht op een privaat onroerend goed tegen aanvaardbare economische voorwaarden, maar die pogingen hebben niet geleid tot dergelijk minnelijk akkoord;
4° de distributienetbeheerder heeft niet de mogelijkheid om met toepassing van artikel 75 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning een installatie in of op een privaat onroerend goed te plaatsen naar aanleiding van nieuwbouwprojecten, verkavelingen, bedrijventerreinen, bedrijvencomplexen, groepsbouw of de oprichting van een appartementsgebouw;
5° de distributienetbeheerder motiveert op voldoende en redelijke wijze dat:
a) de installatie noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn taken, vermeld in artikel 4.1.6 van het Energiedecreet van 8 mei 2009. Dat wordt bewezen aan de hand van objectieve elementen;
b) de reden waarom het plaatsen van een installatie het meest aangewezen is op het private onroerend goed in kwestie. Dat wordt bewezen aan de hand van technische, operationele, financiële en veiligheidsargumenten.".
1° er is in de omgeving van het privaat onroerend goed geen ruimte beschikbaar die voldoet aan de technische en operationele vereisten voor de installatie van de distributienetbeheerder op het openbaar domein van de gemeenten die enerzijds volledig of gedeeltelijk en anderzijds rechtstreeks of onrechtstreeks aandeelhouder zijn van de distributienetbeheerder, noch op de gemeentewegen, of er zijn gegronde redenen waarom dit openbaar domein niet in aanmerking komt;
2° er is in de omgeving van het privaat onroerend goed geen ruimte beschikbaar die voldoet aan de technische en operationele vereisten van de distributienetbeheerder op het openbaar domein dat wordt beheerd door een andere domeinbeheerder dan de gemeenten die enerzijds volledig of gedeeltelijk en anderzijds rechtstreeks of onrechtstreeks aandeelhouder zijn van de distributienetbeheerder, of de distributienetbeheerder heeft voor deze ruimte niet de vereiste domeintoelating gekregen van die domeinbeheerder;
3° de distributienetbeheerder heeft voldoende redelijke pogingen ondernomen, wat de distributienetbeheerder kan staven aan de hand van aangetekende schrijvens, om in de omgeving van het privaat onroerend goed die voldoet aan de technische en operationele vereisten van de distributienetbeheerder een minnelijk akkoord te sluiten over een aankoop of de verkrijging van een ander zakelijk gebruiksrecht op een privaat onroerend goed tegen aanvaardbare economische voorwaarden, maar die pogingen hebben niet geleid tot dergelijk minnelijk akkoord;
4° de distributienetbeheerder heeft niet de mogelijkheid om met toepassing van artikel 75 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning een installatie in of op een privaat onroerend goed te plaatsen naar aanleiding van nieuwbouwprojecten, verkavelingen, bedrijventerreinen, bedrijvencomplexen, groepsbouw of de oprichting van een appartementsgebouw;
5° de distributienetbeheerder motiveert op voldoende en redelijke wijze dat:
a) de installatie noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn taken, vermeld in artikel 4.1.6 van het Energiedecreet van 8 mei 2009. Dat wordt bewezen aan de hand van objectieve elementen;
b) de reden waarom het plaatsen van een installatie het meest aangewezen is op het private onroerend goed in kwestie. Dat wordt bewezen aan de hand van technische, operationele, financiële en veiligheidsargumenten.".
Art. 3.1. Si l'exécution des tâches du gestionnaire de réseau de distribution, visées à l'article 4.1.6 du décret sur l'énergie du 8 mai 2009, nécessite le placement d'une installation faisant partie du réseau de distribution d'électricité ou de gaz naturel, il est d'utilité publique pour le gestionnaire de réseau de distribution, dans les conditions cumulatives suivantes, de placer une installation dans ou sur un bien immobilier privé conformément à l'article 4.1.23, § 3/1 du décret sur l'énergie du 8 mai 2009, aussi longtemps que nécessaire pour les besoins du réseau de distribution :
1° il n'y a pas dans les environs du bien immobilier privé d'espace disponible qui réponde aux exigences techniques et opérationnelles pour l'installation du gestionnaire de réseau de distribution sur le domaine public des communes qui sont, d'une part, totalement ou partiellement et, d'autre part, directement ou indirectement actionnaires du gestionnaire de réseau de distribution, ainsi que sur les routes communales, ou il y a des raisons fondées pour lesquelles ce domaine public n'est pas éligible ;
2° il n'y a pas dans les environs du bien immobilier privé d'espace disponible qui réponde aux exigences techniques et opérationnelles du gestionnaire de réseau de distribution sur le domaine public géré par un gestionnaire domanial autre que les communes qui sont, d'une part, totalement ou partiellement et, d'autre part, directement ou indirectement actionnaires du gestionnaire de réseau de distribution, ou le gestionnaire de réseau de distribution n'a pas obtenu pour cet espace d'autorisation domaniale de la part de ce gestionnaire domanial ;
3° le gestionnaire de réseau de distribution a fait suffisamment de tentatives raisonnables, que le gestionnaire de réseau de distribution peut prouver par des lettres recommandées, pour parvenir à un accord à l'amiable dans les environs du bien immobilier privé qui répond aux exigences techniques et opérationnelles du gestionnaire de réseau de distribution concernant l'achat ou l'acquisition d'un autre droit d'usage réel sur un bien immobilier privé à des conditions économiques acceptables, mais ces tentatives n'ont pas abouti à un tel accord à l'amiable ;
4° le gestionnaire de réseau de distribution n'a pas la possibilité, en application de l'article 75 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, de placer une installation dans ou sur un bien immobilier privé à la suite de projets de construction nouvelle, de lotissements, de zonings industriels, de complexes industriels, de constructions groupées ou de l'édification d'un immeuble à appartements ;
5° le gestionnaire de réseau de distribution motive de façon suffisante et raisonnable que :
a) l'installation est nécessaire à l'exécution de ses tâches, visées à l'article 4.1.6 du décret sur l'énergie du 8 mai 2009. Ceci est prouvé par des éléments objectifs ;
b) la raison pour laquelle le placement d'une installation est le plus approprié sur le bien immobilier privé en question. Ceci est prouvé par des arguments techniques, opérationnels, financiers et de sécurité. ".
1° il n'y a pas dans les environs du bien immobilier privé d'espace disponible qui réponde aux exigences techniques et opérationnelles pour l'installation du gestionnaire de réseau de distribution sur le domaine public des communes qui sont, d'une part, totalement ou partiellement et, d'autre part, directement ou indirectement actionnaires du gestionnaire de réseau de distribution, ainsi que sur les routes communales, ou il y a des raisons fondées pour lesquelles ce domaine public n'est pas éligible ;
2° il n'y a pas dans les environs du bien immobilier privé d'espace disponible qui réponde aux exigences techniques et opérationnelles du gestionnaire de réseau de distribution sur le domaine public géré par un gestionnaire domanial autre que les communes qui sont, d'une part, totalement ou partiellement et, d'autre part, directement ou indirectement actionnaires du gestionnaire de réseau de distribution, ou le gestionnaire de réseau de distribution n'a pas obtenu pour cet espace d'autorisation domaniale de la part de ce gestionnaire domanial ;
3° le gestionnaire de réseau de distribution a fait suffisamment de tentatives raisonnables, que le gestionnaire de réseau de distribution peut prouver par des lettres recommandées, pour parvenir à un accord à l'amiable dans les environs du bien immobilier privé qui répond aux exigences techniques et opérationnelles du gestionnaire de réseau de distribution concernant l'achat ou l'acquisition d'un autre droit d'usage réel sur un bien immobilier privé à des conditions économiques acceptables, mais ces tentatives n'ont pas abouti à un tel accord à l'amiable ;
4° le gestionnaire de réseau de distribution n'a pas la possibilité, en application de l'article 75 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, de placer une installation dans ou sur un bien immobilier privé à la suite de projets de construction nouvelle, de lotissements, de zonings industriels, de complexes industriels, de constructions groupées ou de l'édification d'un immeuble à appartements ;
5° le gestionnaire de réseau de distribution motive de façon suffisante et raisonnable que :
a) l'installation est nécessaire à l'exécution de ses tâches, visées à l'article 4.1.6 du décret sur l'énergie du 8 mai 2009. Ceci est prouvé par des éléments objectifs ;
b) la raison pour laquelle le placement d'une installation est le plus approprié sur le bien immobilier privé en question. Ceci est prouvé par des arguments techniques, opérationnels, financiers et de sécurité. ".
Art. 17. Aan artikel 3.1.45, § 2, vijfde lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 mei 2019, wordt de zinsnede ", behalve voor technici tijdens de werken die ze uitvoeren aan de meter in opdracht van de distributienetbeheerder of de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk" toegevoegd.
Art. 17. Dans l'article 3.1.45, § 2, alinéa 5, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 mai 2019, il est inséré le membre de phrase " , sauf par les techniciens lors des travaux qu'ils effectuent sur le compteur pour le compte du gestionnaire de réseau de distribution ou du gestionnaire d'un réseau public de distribution d'eau ".
Art. 18. In artikel 3.2.18, van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juni 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht
1° aan het eerste lid wordt een punt 20° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"20° vermeldt vanaf 1 juli 2025 op iedere voorschotfactuur, afrekeningsfactuur en contractvernieuwing van huishoudelijke afnemers die niet genieten van het sociaal tarief en kleinzakelijke afnemers, behalve als het de netbeheerder als sociale leverancier of als noodleverancier betreft, de unieke identificatiecode van de versie van het product waarop de afnemer heeft ingetekend of die wordt aangeboden bij contractvernieuwing, zoals toegekend door de VREG na de rapportering van deze productversie met het oog op de opname hiervan in het vergelijkingsinstrument, vermeld in artikel 3.1.16 van het Energiedecreet. Deze unieke identificatiecode wordt tevens op iedere voorschotfactuur, afrekeningsfactuur en contractvernieuwing meegenomen in de vorm van een link en een QR-code, die de afnemer onmiddellijk leidt naar een vergelijking van dit contract met het bestaande marktaanbod in het prijsvergelijkingsinstrument van de VREG.";
2° aan het derde lid wordt de zinsnede "en aangaande de vorm van de verwijzing, vermeld in het eerste lid, 20° " toegevoegd.
1° aan het eerste lid wordt een punt 20° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"20° vermeldt vanaf 1 juli 2025 op iedere voorschotfactuur, afrekeningsfactuur en contractvernieuwing van huishoudelijke afnemers die niet genieten van het sociaal tarief en kleinzakelijke afnemers, behalve als het de netbeheerder als sociale leverancier of als noodleverancier betreft, de unieke identificatiecode van de versie van het product waarop de afnemer heeft ingetekend of die wordt aangeboden bij contractvernieuwing, zoals toegekend door de VREG na de rapportering van deze productversie met het oog op de opname hiervan in het vergelijkingsinstrument, vermeld in artikel 3.1.16 van het Energiedecreet. Deze unieke identificatiecode wordt tevens op iedere voorschotfactuur, afrekeningsfactuur en contractvernieuwing meegenomen in de vorm van een link en een QR-code, die de afnemer onmiddellijk leidt naar een vergelijking van dit contract met het bestaande marktaanbod in het prijsvergelijkingsinstrument van de VREG.";
2° aan het derde lid wordt de zinsnede "en aangaande de vorm van de verwijzing, vermeld in het eerste lid, 20° " toegevoegd.
Art. 18. A l'article 3.2.18 du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 juin 2023, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 1er, il est inséré un point 20°, rédigé comme suit :
" 20° mentionne à partir du 1er juillet 2025, sur chaque facture d'acompte, facture de décompte et renouvellement de contrat des clients domestiques qui ne bénéficient pas du tarif social et des petites entreprises, sauf s'il s'agit du gestionnaire de réseau en tant que fournisseur social ou fournisseur de dernier ressort, le code d'identification unique de la version du produit à laquelle le client a souscrit ou qui est proposée lors du renouvellement du contrat, tel qu'attribué par la VREG après le rapportage de cette version de produit en vue de son inclusion dans l'outil de comparaison, visé à l'art. 3.1.16 du décret sur l'énergie. Ce code d'identification unique est également repris sur chaque facture d'acompte, facture de décompte et renouvellement de contrat sous la forme d'un lien et d'un code QR, qui conduit immédiatement le client à une comparaison de ce contrat avec l'offre existante sur le marché dans l'outil de comparaison des prix de la VREG. " ;
2° dans l'alinéa 3, il est inséré le membre de phrase " et concernant la forme de la référence visée à l'alinéa 1er, 20° ".
1° dans l'alinéa 1er, il est inséré un point 20°, rédigé comme suit :
" 20° mentionne à partir du 1er juillet 2025, sur chaque facture d'acompte, facture de décompte et renouvellement de contrat des clients domestiques qui ne bénéficient pas du tarif social et des petites entreprises, sauf s'il s'agit du gestionnaire de réseau en tant que fournisseur social ou fournisseur de dernier ressort, le code d'identification unique de la version du produit à laquelle le client a souscrit ou qui est proposée lors du renouvellement du contrat, tel qu'attribué par la VREG après le rapportage de cette version de produit en vue de son inclusion dans l'outil de comparaison, visé à l'art. 3.1.16 du décret sur l'énergie. Ce code d'identification unique est également repris sur chaque facture d'acompte, facture de décompte et renouvellement de contrat sous la forme d'un lien et d'un code QR, qui conduit immédiatement le client à une comparaison de ce contrat avec l'offre existante sur le marché dans l'outil de comparaison des prix de la VREG. " ;
2° dans l'alinéa 3, il est inséré le membre de phrase " et concernant la forme de la référence visée à l'alinéa 1er, 20° ".
Art. 19. In artikel 5.3.6/6, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 oktober 2022, wordt de zin "De vergoeding is per elektriciteitsdistributienetbeheerder maximaal gelijk aan het totaal van de in de periode die loopt van het vierde kwartaal van het voorgaande kalenderjaar tot en met het derde kwartaal van het lopende kalenderjaar op grond van artikel 5.3.6/4 en artikel 5.3.6/5 door die elektriciteitsdistributienetbeheerder aan het OCMW uitbetaalde bedragen." vervangen door de zin "De vergoeding is per kalenderjaar per elektriciteitsdistributienetbeheerder maximaal gelijk aan het totaal van de in dat kalenderjaar op grond van artikel 5.3.6/4 en artikel 5.3.6/5 door die elektriciteitsdistributienetbeheerder aan het OCMW uitbetaalde bedragen.".
Art. 19. Dans l'article 5.3.6/6, alinéa 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 octobre 2022, la phrase " Par gestionnaire du réseau de distribution d'électricité, l'indemnité est au maximum égale au total des montants versés par ce gestionnaire du réseau de distribution d'électricité au CPAS, en vertu des articles 5.3.6/4 et 5.3.6/5, durant la période courant du quatrième trimestre de l'année civile précédente au troisième trimestre de l'année civile en cours " est remplacée par la phrase " Par gestionnaire du réseau de distribution d'électricité, l'indemnité est au maximum égale au total des montants versés par ce gestionnaire du réseau de distribution d'électricité au CPAS, en vertu des articles 5.3.6/4 et 5.3.6/5, durant cette année civile. ".
Art. 20. In artikel 5.4.10/1, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2021, wordt de zin "De vergoeding is per aardgasdistributienetbeheerder maximaal gelijk aan het totaal van de in de periode die loopt van het vierde kwartaal van het voorgaande kalenderjaar tot en met het derde kwartaal van het lopende kalenderjaar op grond van artikel 5.4.9 en artikel 5.4.10 door die aardgasdistributienetbeheerder aan het OCMW uitbetaalde bedragen." vervangen door de zin "De vergoeding is per kalenderjaar per aardgasdistributienetbeheerder maximaal gelijk aan het totaal van de in dat kalenderjaar op grond van artikel 5.4.9 en artikel 5.4.10 door die aardgasdistributienetbeheerder aan het OCMW uitbetaalde bedragen.".
Art. 20. Dans l'article 5.4.10/1, alinéa 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 juillet 2021, la phrase " L'indemnité est au maximum égale, par gestionnaire du réseau de distribution de gaz naturel, au total des montants payés au CPAS par ce gestionnaire du réseau de distribution de gaz naturel au cours de la période allant du quatrième trimestre de l'année civile précédente jusqu'au troisième trimestre inclus de l'année civile en vertu des articles 5.4.9 et de 5.4.10 " est remplacée par la phrase " Par gestionnaire du réseau de distribution de gaz naturel, l'indemnité est au maximum égale par année civile au total des montants versés par ce gestionnaire du réseau de distribution de gaz naturel au CPAS, en vertu des articles 5.4.9 et 5.4.10. ".
Art. 21. In artikel 5.5.6 van hetzelfde besluit, wordt het woord "maart" vervangen door het woord "april".
Art. 21. Dans l'article 5.5.6 du même arrêté, le mot " mars " est remplacé par le mot " avril ".
Art. 22. In artikel 6.2.5, § 1, derde lid, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 2012, wordt de zin "Als er bij warmtekrachtinstallaties met een startdatum vanaf 1 januari 2013 een buffervat in het circuit is opgesteld, wordt de meting uitgevoerd voorbij het buffervat." opgeheven.
Art. 22. Dans l'article 6.2.5, § 1er, alinéa 3, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 décembre 2012, la phrase " Si le circuit des installations de cogénération mises en service le 1er janvier 2013 contient un vase d'expansion, le mesurage est effectué en aval du vase d'expansion. " est abrogée.
Art. 23. In artikel 6.2/1.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 2012 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaams Regering van 16 juni 2023, worden tussen het derde en vierde lid twee leden ingevoegd, die luiden als volgt:
"Voor productie-installaties die groene stroom produceren uit windenergie, biomassa of biogas met een datum van indienstneming vanaf 30 juni 2025, die worden geplaatst voor het voldoen aan de verplichting vermeld in Titel VI, Hoofdstuk VII van dit besluit, is de maximale bandingfactor gelijk aan nul.
Voor warmte-krachtinstallaties met een datum van indienstneming vanaf 30 juni 2025, die worden geplaatst voor het voldoen aan de verplichting vermeld in Titel VI, Hoofdstuk VII van dit besluit, is de maximale bandingfactor gelijk aan nul.".
"Voor productie-installaties die groene stroom produceren uit windenergie, biomassa of biogas met een datum van indienstneming vanaf 30 juni 2025, die worden geplaatst voor het voldoen aan de verplichting vermeld in Titel VI, Hoofdstuk VII van dit besluit, is de maximale bandingfactor gelijk aan nul.
Voor warmte-krachtinstallaties met een datum van indienstneming vanaf 30 juni 2025, die worden geplaatst voor het voldoen aan de verplichting vermeld in Titel VI, Hoofdstuk VII van dit besluit, is de maximale bandingfactor gelijk aan nul.".
Art. 23. Dans l'article 6.2/1.1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 décembre 2012 et modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 juin 2023, deux alinéas rédigés comme suit sont insérés entre les alinéas 3 et 4 :
" Pour les installations de production qui produisent de l'électricité verte à partir d'énergie éolienne, de biomasse ou de biogaz ayant une date de mise en service à partir du 30 juin 2025, qui sont installées pour répondre à l'obligation visée au titre VI, chapitre VII du présent arrêté, le facteur de banding maximal est égal à zéro.
Pour les installations de cogénération ayant une date de mise en service à partir du 30 juin 2025, qui sont installées pour répondre à l'obligation visée au titre VI, chapitre VII du présent arrêté, le facteur de banding maximal est égal à zéro. ".
" Pour les installations de production qui produisent de l'électricité verte à partir d'énergie éolienne, de biomasse ou de biogaz ayant une date de mise en service à partir du 30 juin 2025, qui sont installées pour répondre à l'obligation visée au titre VI, chapitre VII du présent arrêté, le facteur de banding maximal est égal à zéro.
Pour les installations de cogénération ayant une date de mise en service à partir du 30 juin 2025, qui sont installées pour répondre à l'obligation visée au titre VI, chapitre VII du présent arrêté, le facteur de banding maximal est égal à zéro. ".
Art. 24. In artikel 6.4.1/1/1, derde lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 november 2013, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2022 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juni 2023, worden de woorden "van de warmtepompboiler voorafgaat" vervangen door de woorden "en de factuurdatum van de warmtepompboiler voorafgaan".
Art. 24. Dans l'article 6.4.1/1/1, alinéa 3, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 novembre 2013, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 2022 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 juin 2023, les mots " du chauffe-eau thermodynamique précède celle " sont remplacés par les mots " et la date de facture du chauffe-eau thermodynamique précèdent celles ".
Art. 25. In artikel 6.4.1/1/2, § 1, derde lid, 2°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 december 2020 en vervangen bij het besluit van 4 februari 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° na de woorden "die erop van toepassing zijn" wordt de zinsnede "of de administratieve geldboete voor het niet-voldoen aan de EPB-eisen zoals vermeld in artikel 13.4.6 van het Energiedecreet van 8 mei 2009 bedraagt minder dan 250 euro" ingevoegd;
2° de zinsnede ", en de EPB-aangifte is ingediend binnen de termijn, vermeld in artikel 11.1.8, § 1, tweede lid, van het Energiedecreet van 8 mei 2009" wordt opgeheven.
1° na de woorden "die erop van toepassing zijn" wordt de zinsnede "of de administratieve geldboete voor het niet-voldoen aan de EPB-eisen zoals vermeld in artikel 13.4.6 van het Energiedecreet van 8 mei 2009 bedraagt minder dan 250 euro" ingevoegd;
2° de zinsnede ", en de EPB-aangifte is ingediend binnen de termijn, vermeld in artikel 11.1.8, § 1, tweede lid, van het Energiedecreet van 8 mei 2009" wordt opgeheven.
Art. 25. A l'article 6.4.1/1/2, § 1er, alinéa 3, 2°, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 décembre 2020 et remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 2022, les modifications suivantes sont apportées :
1° après les mots " y applicables ", le membre de phrase " si l'amende administrative pour non-respect des exigences PEB telles que visées à l'article 13.4.6 du décret sur l'énergie du 8 mai 2009 est inférieure à 250 euros " est inséré ;
2° les mots " et la déclaration PEB a été introduite dans le délai visé à l'article 11.1.8, § 1er, alinéa 2, du décret sur l'Energie du 8 mai 2009 " sont abrogés.
1° après les mots " y applicables ", le membre de phrase " si l'amende administrative pour non-respect des exigences PEB telles que visées à l'article 13.4.6 du décret sur l'énergie du 8 mai 2009 est inférieure à 250 euros " est inséré ;
2° les mots " et la déclaration PEB a été introduite dans le délai visé à l'article 11.1.8, § 1er, alinéa 2, du décret sur l'Energie du 8 mai 2009 " sont abrogés.
Art. 26. Artikel 6.4.1/2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 september 2011, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2022 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 20 mei 2022 en 19 oktober 2022, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 6.4.1/2. § 1. Bij woongebouwen in gedwongen mede-eigendom waarvoor een vereniging van mede-eigenaars is opgericht komen de premies, vermeld in artikel 6.4.1/1/2, artikel 6.4.1/1/5 en artikel 6.4.1/1/6, toe aan:
1° de vereniging van mede-eigenaars, voor werkzaamheden aan gemeenschappelijke delen, waarbij de in artikel 6.4.1/1/2 vermelde maximumpremies per wooneenheid of niet-residentiële eenheid vermenigvuldigd worden met het aantal wooneenheden en niet-residentiële eenheden;
2° de individuele investeerder, voor werkzaamheden aan privatieve delen.
In afwijking van het eerste lid, 2°, kan de vereniging van mede-eigenaars in geval van een gezamenlijke investering, een gezamenlijke factuur en het schriftelijke akkoord van alle individuele investeerders, in hun naam en voor hun rekening, de premie-aanvraag indienen.
§ 2. Voor appartementsgebouwen waarvoor een vereniging van mede-eigenaars is opgericht, komen de premies, vermeld in artikel 6.4.1/1 en artikel 6.4.1/1/1, toe aan:
1° de vereniging van mede-eigenaars, voor werkzaamheden aan gemeenschappelijke delen, waarbij de in artikel 6.4.1/1/1 vermelde maximumpremies per wooneenheid of niet-residentiële eenheid vermenigvuldigd worden met het aantal wooneenheden en niet-residentiële eenheden;
2° de individuele investeerder, voor werkzaamheden aan privatieve delen.
De premies voor werkzaamheden aan de gemeenschappelijke delen, vermeld in het eerste lid, 1°, worden aangevraagd door de vereniging van mede-eigenaars conform de aanvraagprocedure, vermeld in artikel 5.191, § 5, en artikel 5.193 van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021.
De premies voor werkzaamheden aan de privatieve delen, vermeld in het eerste lid, 2°, moeten worden aangevraagd door de individuele investeerder per appartement.
Indien er geen vereniging van mede-eigenaars is opgericht voor het appartementsgebouw, worden de premies, vermeld in het eerste lid, aangevraagd door één individuele investeerder, met het schriftelijk akkoord van alle eigenaars van dat woongebouw conform artikel 5.191, § 5, tweede lid van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021. De premie wordt in haar geheel uitbetaald aan deze aanvrager.".
"Art. 6.4.1/2. § 1. Bij woongebouwen in gedwongen mede-eigendom waarvoor een vereniging van mede-eigenaars is opgericht komen de premies, vermeld in artikel 6.4.1/1/2, artikel 6.4.1/1/5 en artikel 6.4.1/1/6, toe aan:
1° de vereniging van mede-eigenaars, voor werkzaamheden aan gemeenschappelijke delen, waarbij de in artikel 6.4.1/1/2 vermelde maximumpremies per wooneenheid of niet-residentiële eenheid vermenigvuldigd worden met het aantal wooneenheden en niet-residentiële eenheden;
2° de individuele investeerder, voor werkzaamheden aan privatieve delen.
In afwijking van het eerste lid, 2°, kan de vereniging van mede-eigenaars in geval van een gezamenlijke investering, een gezamenlijke factuur en het schriftelijke akkoord van alle individuele investeerders, in hun naam en voor hun rekening, de premie-aanvraag indienen.
§ 2. Voor appartementsgebouwen waarvoor een vereniging van mede-eigenaars is opgericht, komen de premies, vermeld in artikel 6.4.1/1 en artikel 6.4.1/1/1, toe aan:
1° de vereniging van mede-eigenaars, voor werkzaamheden aan gemeenschappelijke delen, waarbij de in artikel 6.4.1/1/1 vermelde maximumpremies per wooneenheid of niet-residentiële eenheid vermenigvuldigd worden met het aantal wooneenheden en niet-residentiële eenheden;
2° de individuele investeerder, voor werkzaamheden aan privatieve delen.
De premies voor werkzaamheden aan de gemeenschappelijke delen, vermeld in het eerste lid, 1°, worden aangevraagd door de vereniging van mede-eigenaars conform de aanvraagprocedure, vermeld in artikel 5.191, § 5, en artikel 5.193 van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021.
De premies voor werkzaamheden aan de privatieve delen, vermeld in het eerste lid, 2°, moeten worden aangevraagd door de individuele investeerder per appartement.
Indien er geen vereniging van mede-eigenaars is opgericht voor het appartementsgebouw, worden de premies, vermeld in het eerste lid, aangevraagd door één individuele investeerder, met het schriftelijk akkoord van alle eigenaars van dat woongebouw conform artikel 5.191, § 5, tweede lid van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021. De premie wordt in haar geheel uitbetaald aan deze aanvrager.".
Art. 26. L'article 6.4.1/2 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 septembre 2011, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 2022 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 20 mai 2022 et 19 octobre 2022, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 6.4.1/2. § 1er. Dans le cas de bâtiments résidentiels en copropriété forcée pour lesquels une association de copropriétaires a été constituée, les primes visées aux articles 6.4.1/1/2, 6.4.1/1/5 et 6.4.1/1/6 reviennent à :
1° l'association de copropriétaires, pour les travaux effectués aux parties communes, les primes maximales par unité de logement ou unité non résidentielle, visées à l'article 6.4.1/1/2, étant multipliées par le nombre d'unités de logement et d'unités non résidentielles ;
2° l'investisseur individuel, pour les travaux effectués aux parties privatives.
Par dérogation à l'alinéa 1er, 2°, l'association de copropriétaires peut, dans le cas d'un investissement commun, d'une facture commune et moyennant l'accord écrit de tous les investisseurs individuels, introduire la demande de prime en leur nom et pour leur compte.
§ 2. Dans le cas d'immeubles à appartements pour lesquels une association de copropriétaires a été constituée, les primes visées aux articles 6.4.1/1 et 6.4.1/1/1 reviennent à :
1° l'association de copropriétaires, pour les travaux effectués aux parties communes, les primes maximales par unité de logement ou unité non résidentielle, visées à l'article 6.4.1/1/1, étant multipliées par le nombre d'unités de logement et d'unités non résidentielles ;
2° l'investisseur individuel, pour les travaux effectués aux parties privatives.
Les primes pour les travaux effectués aux parties communes, visées à l'alinéa 1er, 1°, sont demandées par l'association de copropriétaires conformément à la procédure de demande visée à l'article 5.191, § 5, et à l'article 5.193 de l'arrêté Code flamand du Logement de 2021.
Les primes pour les travaux effectués aux parties privatives, visées à l'alinéa 1er, 2°, doivent être demandées par l'investisseur individuel par appartement.
Si aucune association de copropriétaires n'a été constituée pour l'immeuble à appartements, les primes visées à l'alinéa 1er sont demandées par un seul investisseur individuel, avec l'accord écrit de tous les propriétaires de ce bâtiment résidentiel, conformément à l'article 5.191, § 5, alinéa 2 de l'arrêté Code flamand du Logement de 2021. La prime est versée dans son intégralité à ce demandeur. ".
" Art. 6.4.1/2. § 1er. Dans le cas de bâtiments résidentiels en copropriété forcée pour lesquels une association de copropriétaires a été constituée, les primes visées aux articles 6.4.1/1/2, 6.4.1/1/5 et 6.4.1/1/6 reviennent à :
1° l'association de copropriétaires, pour les travaux effectués aux parties communes, les primes maximales par unité de logement ou unité non résidentielle, visées à l'article 6.4.1/1/2, étant multipliées par le nombre d'unités de logement et d'unités non résidentielles ;
2° l'investisseur individuel, pour les travaux effectués aux parties privatives.
Par dérogation à l'alinéa 1er, 2°, l'association de copropriétaires peut, dans le cas d'un investissement commun, d'une facture commune et moyennant l'accord écrit de tous les investisseurs individuels, introduire la demande de prime en leur nom et pour leur compte.
§ 2. Dans le cas d'immeubles à appartements pour lesquels une association de copropriétaires a été constituée, les primes visées aux articles 6.4.1/1 et 6.4.1/1/1 reviennent à :
1° l'association de copropriétaires, pour les travaux effectués aux parties communes, les primes maximales par unité de logement ou unité non résidentielle, visées à l'article 6.4.1/1/1, étant multipliées par le nombre d'unités de logement et d'unités non résidentielles ;
2° l'investisseur individuel, pour les travaux effectués aux parties privatives.
Les primes pour les travaux effectués aux parties communes, visées à l'alinéa 1er, 1°, sont demandées par l'association de copropriétaires conformément à la procédure de demande visée à l'article 5.191, § 5, et à l'article 5.193 de l'arrêté Code flamand du Logement de 2021.
Les primes pour les travaux effectués aux parties privatives, visées à l'alinéa 1er, 2°, doivent être demandées par l'investisseur individuel par appartement.
Si aucune association de copropriétaires n'a été constituée pour l'immeuble à appartements, les primes visées à l'alinéa 1er sont demandées par un seul investisseur individuel, avec l'accord écrit de tous les propriétaires de ce bâtiment résidentiel, conformément à l'article 5.191, § 5, alinéa 2 de l'arrêté Code flamand du Logement de 2021. La prime est versée dans son intégralité à ce demandeur. ".
Art. 27. In artikel 6.4.1/1/4, § 1, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 september 2020, vervangen bij het besluit van 18 december 2020 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2021, worden de woorden "de grondige energetische renovatie van" vervangen door de woorden "de grondige energiebesparende werkzaamheden aan".
Art. 27. Dans l'article 6.4.1/1/4, § 1er, alinéa 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 septembre 2020, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 décembre 2020 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 décembre 2021, le membre de phrase " à la rénovation énergétique substantielle d'un logement, d'un bâtiment résidentiel collectif ou d'une unité de logement " est remplacé par le membre de phrase " pour des travaux économiseurs d'énergie substantiels dans un logement, un bâtiment résidentiel collectif ou une unité de logement ".
Art. 28. In artikel 6.4.1/1/4 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juni 2023 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 november 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "de grondige energetische renovatie van" vervangen door de woorden "de grondige energiebesparende werkzaamheden aan";
2° in paragraaf 1, derde lid, wordt tussen de woorden "een nieuw geldig energieprestatiecertificaat" en de zinsnede "Voor energieprestatiecertificaten als vermeld in het tweede lid, 1° " de zinsnede ", opgemaakt vanaf 2 januari 2024." ingevoegd;
3° in paragraaf 1 worden het zevende en achtste lid opgeheven;
4° in paragraaf 2 wordt het woord "ventilatiesysteem" telkens vervangen door het woord "ventilatievoorzieningen";
5° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden "in afwijking van paragraaf 1" opgeheven;
6° aan paragraaf 2 worden tussen het derde en het vierde lid twee leden ingevoegd, die luiden als volgt:
"In afwijking van het eerste, tweede en derde lid, zijn voor ingrijpende energetische renovaties steeds de premiebedragen zoals opgenomen in de kolom `zonder ventilatievoorzieningen' van toepassing.
Als de voormelde aanvrager een nieuwe houder van het zakelijk recht is, wordt altijd rekening gehouden met de inkomensgroep van de nieuwe eigenaar om de bijkomende premie te berekenen. In het voormelde geval is de bijkomende premie dan het verschil tussen de premie, die wordt gegeven voor het vorige bereikte label met de inkomenscategorie van de nieuwe houder van het zakelijk recht, en de premie die gekoppeld is aan het nieuw bereikte label met de inkomenscategorie van de nieuwe houder van het zakelijk recht.";
7° in paragraaf 2, vierde lid, worden de woorden "het ventilatiesysteem" vervangen door de woorden "de ventilatievoorzieningen";
8° in paragraaf 2, vierde lid, wordt het woord "ventilatiesystemen" vervangen door het woord "ventilatievoorzieningen";
9° aan paragraaf 3, vierde lid, wordt de volgende zin toegevoegd:
"Het recht op een geactiveerde voucher, vermeld in artikel 6.4.1/1/3, van de nieuwe houder van het zakelijk recht wordt beëindigd op de datum van de eigendomsoverdracht.".
1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "de grondige energetische renovatie van" vervangen door de woorden "de grondige energiebesparende werkzaamheden aan";
2° in paragraaf 1, derde lid, wordt tussen de woorden "een nieuw geldig energieprestatiecertificaat" en de zinsnede "Voor energieprestatiecertificaten als vermeld in het tweede lid, 1° " de zinsnede ", opgemaakt vanaf 2 januari 2024." ingevoegd;
3° in paragraaf 1 worden het zevende en achtste lid opgeheven;
4° in paragraaf 2 wordt het woord "ventilatiesysteem" telkens vervangen door het woord "ventilatievoorzieningen";
5° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden "in afwijking van paragraaf 1" opgeheven;
6° aan paragraaf 2 worden tussen het derde en het vierde lid twee leden ingevoegd, die luiden als volgt:
"In afwijking van het eerste, tweede en derde lid, zijn voor ingrijpende energetische renovaties steeds de premiebedragen zoals opgenomen in de kolom `zonder ventilatievoorzieningen' van toepassing.
Als de voormelde aanvrager een nieuwe houder van het zakelijk recht is, wordt altijd rekening gehouden met de inkomensgroep van de nieuwe eigenaar om de bijkomende premie te berekenen. In het voormelde geval is de bijkomende premie dan het verschil tussen de premie, die wordt gegeven voor het vorige bereikte label met de inkomenscategorie van de nieuwe houder van het zakelijk recht, en de premie die gekoppeld is aan het nieuw bereikte label met de inkomenscategorie van de nieuwe houder van het zakelijk recht.";
7° in paragraaf 2, vierde lid, worden de woorden "het ventilatiesysteem" vervangen door de woorden "de ventilatievoorzieningen";
8° in paragraaf 2, vierde lid, wordt het woord "ventilatiesystemen" vervangen door het woord "ventilatievoorzieningen";
9° aan paragraaf 3, vierde lid, wordt de volgende zin toegevoegd:
"Het recht op een geactiveerde voucher, vermeld in artikel 6.4.1/1/3, van de nieuwe houder van het zakelijk recht wordt beëindigd op de datum van de eigendomsoverdracht.".
Art. 28. A l'article 6.4.1/1/4 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 juin 2023 et modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 novembre 2023, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, le membre de phrase " à la rénovation énergétique substantielle d'un logement, d'un bâtiment résidentiel collectif ou d'une unité de logement " est remplacé par le membre de phrase " pour des travaux économiseurs d'énergie substantiels dans un logement, un bâtiment résidentiel collectif ou une unité de logement " ;
2° dans le paragraphe 1er, alinéa 3, le membre de phrase " , établi à partir du 2 janvier 2024. " est inséré entre les mots " d'un nouveau certificat de performance énergétique valable " et le membre de phrase " En ce qui concerne les certificats de performance énergétique tels que visés à l'alinéa 2, 1° " ;
3° dans le paragraphe 1er, les alinéas 7 et 8 sont abrogés ;
4° dans le paragraphe 2, les mots " système de ventilation " sont à chaque fois remplacés par les mots " dispositifs de ventilation " ;
5° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, les mots " par dérogation au paragraphe 1er " sont abrogés ;
6° dans le paragraphe 2, deux alinéas rédigés comme suit sont insérés entre les alinéas 3 et 4 :
" Par dérogation aux alinéas 1er, 2 et 3, pour les rénovations énergétiques radicales, les montants des primes indiqués dans la colonne "sans dispositifs de ventilation" sont toujours d'application.
Si le demandeur susmentionné est un nouveau titulaire du droit réel, la catégorie de revenus du nouveau propriétaire est toujours prise en compte pour le calcul de la prime supplémentaire. Dans le cas précité, la prime supplémentaire est la différence entre la prime octroyée pour le précédent label obtenu avec la catégorie de revenus du nouveau titulaire du droit réel et la prime liée au nouveau label obtenu avec la catégorie de revenus du nouveau titulaire du droit réel. " ;
7° dans le paragraphe 2, alinéa 4, les mots " le système de ventilation " sont remplacés par les mots " les dispositifs de ventilation " ;
8° dans le paragraphe 2, alinéa 4, les mots " systèmes de ventilation " sont remplacés par les mots " dispositifs de ventilation " ;
9° le paragraphe 3, alinéa 4, est complété par la phrase suivante :
" Le droit à un voucher activé, visé à l'article 6.4.1/1/3, du nouveau titulaire du droit réel s'éteint à la date du transfert de propriété. ".
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, le membre de phrase " à la rénovation énergétique substantielle d'un logement, d'un bâtiment résidentiel collectif ou d'une unité de logement " est remplacé par le membre de phrase " pour des travaux économiseurs d'énergie substantiels dans un logement, un bâtiment résidentiel collectif ou une unité de logement " ;
2° dans le paragraphe 1er, alinéa 3, le membre de phrase " , établi à partir du 2 janvier 2024. " est inséré entre les mots " d'un nouveau certificat de performance énergétique valable " et le membre de phrase " En ce qui concerne les certificats de performance énergétique tels que visés à l'alinéa 2, 1° " ;
3° dans le paragraphe 1er, les alinéas 7 et 8 sont abrogés ;
4° dans le paragraphe 2, les mots " système de ventilation " sont à chaque fois remplacés par les mots " dispositifs de ventilation " ;
5° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, les mots " par dérogation au paragraphe 1er " sont abrogés ;
6° dans le paragraphe 2, deux alinéas rédigés comme suit sont insérés entre les alinéas 3 et 4 :
" Par dérogation aux alinéas 1er, 2 et 3, pour les rénovations énergétiques radicales, les montants des primes indiqués dans la colonne "sans dispositifs de ventilation" sont toujours d'application.
Si le demandeur susmentionné est un nouveau titulaire du droit réel, la catégorie de revenus du nouveau propriétaire est toujours prise en compte pour le calcul de la prime supplémentaire. Dans le cas précité, la prime supplémentaire est la différence entre la prime octroyée pour le précédent label obtenu avec la catégorie de revenus du nouveau titulaire du droit réel et la prime liée au nouveau label obtenu avec la catégorie de revenus du nouveau titulaire du droit réel. " ;
7° dans le paragraphe 2, alinéa 4, les mots " le système de ventilation " sont remplacés par les mots " les dispositifs de ventilation " ;
8° dans le paragraphe 2, alinéa 4, les mots " systèmes de ventilation " sont remplacés par les mots " dispositifs de ventilation " ;
9° le paragraphe 3, alinéa 4, est complété par la phrase suivante :
" Le droit à un voucher activé, visé à l'article 6.4.1/1/3, du nouveau titulaire du droit réel s'éteint à la date du transfert de propriété. ".
Art. 29. In artikel 6.4.1/5/1, vierde lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2022 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2022, worden de woorden "van de warmtepompboiler voorafgaat" vervangen door de woorden "en de factuurdatum van de warmtepompboiler voorafgaan".
Art. 29. Dans l'article 6.4.1/5/1, alinéa 4, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 2022 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 2022, les mots " du chauffe-eau thermodynamique précède celle " sont remplacés par les mots " et la date de facture du chauffe-eau thermodynamique précèdent celles ".
Art. 30. In artikel 6.4.1/5/2, § 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2022 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juni 2023 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid wordt het woord "premieaanvraag" vervangen door de zinsnede "premie-activatie als vermeld in het tweede lid,";
2° in het eerste lid wordt de zin "Investeringen in warmte-krachtkoppeling komen niet in aanmerking." opgeheven;
2° tussen het eerste en het tweede lid worden twee nieuwe leden ingevoegd die luiden als volgt:
"De premie, vermeld in het eerste lid, wordt geactiveerd zodra de investeerder de aanvraag indient en voordat de investering, vermeld in het eerste lid, is uitgevoerd. Om in aanmerking te komen voor de premie, moet de investeerder bij de activatie van de premie een uitgevoerde energiestudie of energieaudit voorleggen. De elektriciteitsdistributienetbeheerder kan een administratieve controle uitvoeren op de energiestudies of de energieaudits die bij een premie-activatie zijn gevoegd. Het VEKA voert na de premie-activatie inhoudelijke en technische controles uit op de premievoorwaarden en op de energiestudies of de energieaudits die bij de premie-activatie zijn gevoegd. Het VEKA beslist, na ontvangst van het ontvankelijke aanvraagdossier, of de investeerder in aanmerking kan komen voor de premie en brengt de aanvrager hiervan op de hoogte.
De aanvraag tot uitbetaling van de premie wordt ingediend nadat de investering is uitgevoerd. Bij de aanvraag tot uitbetaling van de premie worden facturen als bewijs van uitvoering van de investering door de aanvrager ingediend. Enkel investeringen die volledig worden uitgevoerd na de datum van de goedkeuring van de premie-activatie door het VEKA komen in aanmerking voor een definitieve toekenning van de premie. Investeringen in warmte-krachtkoppeling komen niet in aanmerking.";
3° in het tweede lid, dat het vierde lid wordt, worden de zinnen "De elektriciteitsdistributienetbeheerder voert een administratieve controle uit op de energiestudies of de energieaudits die bij een premieaanvraag zijn gevoegd. Het VEKA voert inhoudelijke en technische controles uit op de energiestudies of de energieaudits die bij een premieaanvraag zijn gevoegd." opgeheven;
4° in het tweede lid, dat het vierde lid wordt, wordt de zin "De elektriciteitsdistributienetbeheerder houdt bij het verdere beheer van de premieaanvraag, tot zes maanden na de indiening ervan, rekening met de opmerkingen die het VEKA gemaakt heeft naar aanleiding van een controle." opgeheven;
5° in het tweede lid, dat het vierde lid wordt, worden de woorden "tijd tussen de premieaanvraag" telkens vervangen door de zinsnede "tijd tussen de goedkeuring van de premie-activatie door het VEKA".
1° in het eerste lid wordt het woord "premieaanvraag" vervangen door de zinsnede "premie-activatie als vermeld in het tweede lid,";
2° in het eerste lid wordt de zin "Investeringen in warmte-krachtkoppeling komen niet in aanmerking." opgeheven;
2° tussen het eerste en het tweede lid worden twee nieuwe leden ingevoegd die luiden als volgt:
"De premie, vermeld in het eerste lid, wordt geactiveerd zodra de investeerder de aanvraag indient en voordat de investering, vermeld in het eerste lid, is uitgevoerd. Om in aanmerking te komen voor de premie, moet de investeerder bij de activatie van de premie een uitgevoerde energiestudie of energieaudit voorleggen. De elektriciteitsdistributienetbeheerder kan een administratieve controle uitvoeren op de energiestudies of de energieaudits die bij een premie-activatie zijn gevoegd. Het VEKA voert na de premie-activatie inhoudelijke en technische controles uit op de premievoorwaarden en op de energiestudies of de energieaudits die bij de premie-activatie zijn gevoegd. Het VEKA beslist, na ontvangst van het ontvankelijke aanvraagdossier, of de investeerder in aanmerking kan komen voor de premie en brengt de aanvrager hiervan op de hoogte.
De aanvraag tot uitbetaling van de premie wordt ingediend nadat de investering is uitgevoerd. Bij de aanvraag tot uitbetaling van de premie worden facturen als bewijs van uitvoering van de investering door de aanvrager ingediend. Enkel investeringen die volledig worden uitgevoerd na de datum van de goedkeuring van de premie-activatie door het VEKA komen in aanmerking voor een definitieve toekenning van de premie. Investeringen in warmte-krachtkoppeling komen niet in aanmerking.";
3° in het tweede lid, dat het vierde lid wordt, worden de zinnen "De elektriciteitsdistributienetbeheerder voert een administratieve controle uit op de energiestudies of de energieaudits die bij een premieaanvraag zijn gevoegd. Het VEKA voert inhoudelijke en technische controles uit op de energiestudies of de energieaudits die bij een premieaanvraag zijn gevoegd." opgeheven;
4° in het tweede lid, dat het vierde lid wordt, wordt de zin "De elektriciteitsdistributienetbeheerder houdt bij het verdere beheer van de premieaanvraag, tot zes maanden na de indiening ervan, rekening met de opmerkingen die het VEKA gemaakt heeft naar aanleiding van een controle." opgeheven;
5° in het tweede lid, dat het vierde lid wordt, worden de woorden "tijd tussen de premieaanvraag" telkens vervangen door de zinsnede "tijd tussen de goedkeuring van de premie-activatie door het VEKA".
Art. 30. A l'article 6.4.1/5/2, § 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 2022 et modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 juin 2023, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 1er, le membre de phrase " la demande de prime, " est remplacé par le membre de phrase " l'activation de la prime telle que visée à l'alinéa 2, " ;
2° dans l'alinéa 1er, la phrase " Les investissements dans la cogénération ne sont pas éligibles. " est abrogée ;
3° entre l'alinéa 1er et l'alinéa 2, deux nouveaux alinéas sont insérés, rédigés comme suit :
" La prime visée à l'alinéa 1er est activée dès que l'investisseur introduit la demande et avant que l'investissement visé à l'alinéa 1er ne soit effectué. Pour être éligible à la prime, l'investisseur doit soumettre une étude énergétique ou un audit énergétique lors de l'activation de la prime. Le gestionnaire du réseau de distribution d'électricité peut procéder à un contrôle administratif des études ou audits énergétiques joints lors de l'activation de la prime. La VEKA effectue après l'activation de la prime des contrôles de fond et techniques sur les conditions de la prime et les études ou audits énergétiques joints lors de l'activation de la prime. Dès réception du dossier de demande recevable, VEKA décide si l'investisseur peut être éligible à la prime et en informe le demandeur.
La demande de paiement de la prime est introduite après que l'investissement a été effectué. Lors de la demande de paiement de la prime, des factures sont jointes par le demandeur comme preuve de la réalisation de l'investissement. Seuls les investissements entièrement réalisés après la date d'approbation de l'activation de la prime par la VEKA sont éligibles à l'octroi définitif de la prime. Les investissements dans la cogénération ne sont pas éligibles. " ;
4° dans l'alinéa 2, qui devient l'alinéa 4, les phrases " Le gestionnaire de réseau de distribution d'électricité effectue un contrôle administratif sur les études ou audits énergétiques joints à la demande de prime. La VEKA effectue des contrôles de fond et techniques sur les études ou audits énergétiques joints à la demande de prime. " sont abrogées ;
5° dans l'alinéa 2, qui devient l'alinéa 4, la phrase " Le gestionnaire du réseau de distribution d'électricité tient compte, pour la gestion ultérieure de la demande de prime, jusqu'à six mois après son introduction, des remarques formulées par la VEKA à l'occasion d'un contrôle. " est abrogée ;
6° dans l'alinéa 2, qui devient l'alinéa 4, les mots " délai plus long entre la demande de prime " sont à chaque fois remplacés par les mots " délai plus long entre l'approbation de l'activation de la prime par la VEKA ".
1° dans l'alinéa 1er, le membre de phrase " la demande de prime, " est remplacé par le membre de phrase " l'activation de la prime telle que visée à l'alinéa 2, " ;
2° dans l'alinéa 1er, la phrase " Les investissements dans la cogénération ne sont pas éligibles. " est abrogée ;
3° entre l'alinéa 1er et l'alinéa 2, deux nouveaux alinéas sont insérés, rédigés comme suit :
" La prime visée à l'alinéa 1er est activée dès que l'investisseur introduit la demande et avant que l'investissement visé à l'alinéa 1er ne soit effectué. Pour être éligible à la prime, l'investisseur doit soumettre une étude énergétique ou un audit énergétique lors de l'activation de la prime. Le gestionnaire du réseau de distribution d'électricité peut procéder à un contrôle administratif des études ou audits énergétiques joints lors de l'activation de la prime. La VEKA effectue après l'activation de la prime des contrôles de fond et techniques sur les conditions de la prime et les études ou audits énergétiques joints lors de l'activation de la prime. Dès réception du dossier de demande recevable, VEKA décide si l'investisseur peut être éligible à la prime et en informe le demandeur.
La demande de paiement de la prime est introduite après que l'investissement a été effectué. Lors de la demande de paiement de la prime, des factures sont jointes par le demandeur comme preuve de la réalisation de l'investissement. Seuls les investissements entièrement réalisés après la date d'approbation de l'activation de la prime par la VEKA sont éligibles à l'octroi définitif de la prime. Les investissements dans la cogénération ne sont pas éligibles. " ;
4° dans l'alinéa 2, qui devient l'alinéa 4, les phrases " Le gestionnaire de réseau de distribution d'électricité effectue un contrôle administratif sur les études ou audits énergétiques joints à la demande de prime. La VEKA effectue des contrôles de fond et techniques sur les études ou audits énergétiques joints à la demande de prime. " sont abrogées ;
5° dans l'alinéa 2, qui devient l'alinéa 4, la phrase " Le gestionnaire du réseau de distribution d'électricité tient compte, pour la gestion ultérieure de la demande de prime, jusqu'à six mois après son introduction, des remarques formulées par la VEKA à l'occasion d'un contrôle. " est abrogée ;
6° dans l'alinéa 2, qui devient l'alinéa 4, les mots " délai plus long entre la demande de prime " sont à chaque fois remplacés par les mots " délai plus long entre l'approbation de l'activation de la prime par la VEKA ".
Art. 31. In artikel 6.4.1/6 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 september 2011, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2022 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 20 mei 2022, 19 oktober 2022 en 2 december 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 wordt de zinsnede "artikel 6.4.1/1, 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/4, 6.4.1/5 en 6.4.1/5/1" vervangen door de zinsnede "artikel 6.4.1/1, 6.4.1/1/1, 6.4.1/5 en 6.4.1/5/1";
2° in paragraaf 1 wordt de zinsnede "artikel 6.4.1/1, 6.4.1/1/1, 6.4.1/5 en 6.4.1/5/1" vervangen door de zinsnede "artikel 6.4.1/1, 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/4, 6.4.1/5 en 6.4.1/5/1";
3° in paragraaf 2, derde lid, 2° wordt na de woorden "die erop van toepassing zijn" de zinsnede "of de administratieve geldboete voor het niet-voldoen aan de EPB-eisen zoals vermeld in artikel 13.4.6 van het Energiedecreet van 8 mei 2009 bedraagt minder dan 250 euro" ingevoegd;
4° in paragraaf 2, derde lid, 2° wordt de zinsnede ", en de EPB-aangifte is ingediend binnen de termijn, vermeld in artikel 11.1.8, § 1, tweede lid, van het Energiedecreet van 8 mei 2009" opgeheven;
5° in paragraaf 6 wordt de zinsnede "6.4.1/1, 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/4, 6.4.1/1/5, 6.4.1/1/6 en 6.4.1/6" vervangen door de zinsnede "6.4.1/1, 6.4.1/1/1, en 6.4.1/6";
6° in paragraaf 6 wordt de zinsnede "6.4.1/1, 6.4.1/1/1, en 6.4.1/6" vervangen door de zinsnede "6.4.1/1, 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/4, 6.4.1/1/5, 6.4.1/1/6 en 6.4.1/6".
1° in paragraaf 1 wordt de zinsnede "artikel 6.4.1/1, 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/4, 6.4.1/5 en 6.4.1/5/1" vervangen door de zinsnede "artikel 6.4.1/1, 6.4.1/1/1, 6.4.1/5 en 6.4.1/5/1";
2° in paragraaf 1 wordt de zinsnede "artikel 6.4.1/1, 6.4.1/1/1, 6.4.1/5 en 6.4.1/5/1" vervangen door de zinsnede "artikel 6.4.1/1, 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/4, 6.4.1/5 en 6.4.1/5/1";
3° in paragraaf 2, derde lid, 2° wordt na de woorden "die erop van toepassing zijn" de zinsnede "of de administratieve geldboete voor het niet-voldoen aan de EPB-eisen zoals vermeld in artikel 13.4.6 van het Energiedecreet van 8 mei 2009 bedraagt minder dan 250 euro" ingevoegd;
4° in paragraaf 2, derde lid, 2° wordt de zinsnede ", en de EPB-aangifte is ingediend binnen de termijn, vermeld in artikel 11.1.8, § 1, tweede lid, van het Energiedecreet van 8 mei 2009" opgeheven;
5° in paragraaf 6 wordt de zinsnede "6.4.1/1, 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/4, 6.4.1/1/5, 6.4.1/1/6 en 6.4.1/6" vervangen door de zinsnede "6.4.1/1, 6.4.1/1/1, en 6.4.1/6";
6° in paragraaf 6 wordt de zinsnede "6.4.1/1, 6.4.1/1/1, en 6.4.1/6" vervangen door de zinsnede "6.4.1/1, 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/4, 6.4.1/1/5, 6.4.1/1/6 en 6.4.1/6".
Art. 31. A l'article 6.4.1/6 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 septembre 2011, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 2022 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 20 mai 2022, 19 octobre 2022 et 2 décembre 2022, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, le membre de phrase " articles 6.4.1/1, 6.4.1/1/1, 6.4.1/5 et 6.4.1/5/1 " est remplacé par le membre de phrase " articles 6.4.1/1, 6.4.1/1/1, 6.4.1/5 et 6.4.1/5/1 " ;
2° dans le paragraphe 1er, le membre de phrase " articles 6.4.1/1, 6.4.1/1/1, 6.4.1/5 et 6.4.1/5/1 " est remplacé par le membre de phrase " articles 6.4.1/1, 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/4, 6.4.1/5 et 6.4.1/5/1 " ;
3° dans le paragraphe 2, alinéa 3, 2°, il est inséré après les mots " y applicables " le membre de phrase " si l'amende administrative pour non-respect des exigences PEB telles que visées à l'article 13.4.6 du décret sur l'énergie du 8 mai 2009 est inférieure à 250 euros " ;
4° dans le paragraphe 2, alinéa 3, 2°, les mots " et la déclaration PEB a été introduite dans le délai visé à l'article 11.1.8, § 1er, alinéa 2, du décret sur l'Energie du 8 mai 2009 " sont abrogés.
5° dans le paragraphe 6, le membre de phrase " 6.4.1/1, 6.4.1/1/1, et 6.4.1/6 " est remplacé par le membre de phrase " 6.4.1/1, 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/4, 6.4.1/1/5, 6.4.1/1/6 et 6.4.1/6 ".
6° dans le paragraphe 6, le membre de phrase " 6.4.1/1, 6.4.1/1/1, et 6.4.1/6 " est remplacé par le membre de phrase " 6.4.1/1, 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/4, 6.4.1/1/5, 6.4.1/1/6 et 6.4.1/6 ".
1° dans le paragraphe 1er, le membre de phrase " articles 6.4.1/1, 6.4.1/1/1, 6.4.1/5 et 6.4.1/5/1 " est remplacé par le membre de phrase " articles 6.4.1/1, 6.4.1/1/1, 6.4.1/5 et 6.4.1/5/1 " ;
2° dans le paragraphe 1er, le membre de phrase " articles 6.4.1/1, 6.4.1/1/1, 6.4.1/5 et 6.4.1/5/1 " est remplacé par le membre de phrase " articles 6.4.1/1, 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/4, 6.4.1/5 et 6.4.1/5/1 " ;
3° dans le paragraphe 2, alinéa 3, 2°, il est inséré après les mots " y applicables " le membre de phrase " si l'amende administrative pour non-respect des exigences PEB telles que visées à l'article 13.4.6 du décret sur l'énergie du 8 mai 2009 est inférieure à 250 euros " ;
4° dans le paragraphe 2, alinéa 3, 2°, les mots " et la déclaration PEB a été introduite dans le délai visé à l'article 11.1.8, § 1er, alinéa 2, du décret sur l'Energie du 8 mai 2009 " sont abrogés.
5° dans le paragraphe 6, le membre de phrase " 6.4.1/1, 6.4.1/1/1, et 6.4.1/6 " est remplacé par le membre de phrase " 6.4.1/1, 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/4, 6.4.1/1/5, 6.4.1/1/6 et 6.4.1/6 ".
6° dans le paragraphe 6, le membre de phrase " 6.4.1/1, 6.4.1/1/1, et 6.4.1/6 " est remplacé par le membre de phrase " 6.4.1/1, 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/4, 6.4.1/1/5, 6.4.1/1/6 et 6.4.1/6 ".
Art. 32. In artikel 6.4.1/6/2, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 mei 2022 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juni 2023, wordt de datum "1 april 2024" vervangen door de datum "1 januari 2025".
Art. 32. Dans l'article 6.4.1/6/2, alinéa 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 mai 2022 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 juin 2023, la date " 1er avril 2024 " est remplacée par la date " 1er janvier 2025 ".
Art. 33. Artikel 6.4.1/7 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 september 2011, wordt opgeheven.
Art. 33. L'article 6.4.1/7 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 septembre 2011, est abrogé.
Art. 34. In artikel 6.4.1/8, vierde lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 september 2011 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 1 december 2017 en 17 november 2023, wordt de zin "De energiescan kan worden aangevraagd tot een door de minister vast te stellen datum." vervangen door de volgende zin: "De dienstverlening gericht op de begeleiding bij de uitvoering van energiebesparende werken, zoals opgenomen in het takenpakket van de energiehuizen, kan worden aangevraagd tot een door de minister vast te stellen datum.".
Art. 34. Dans l'article 6.4.1/8, alinéa 4, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 septembre 2011 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 1er décembre 2017 et 17 novembre 2023, la phrase " Le scan énergétique peut être demandé jusqu'à une date à fixer par le ministre. " est remplacée par la phrase suivante : " Les services visant à accompagner l'exécution de travaux économiseurs d'énergie, tels qu'ils sont intégrés dans les tâches des maisons de l'énergie, peuvent être demandés jusqu'à une date à fixer par le ministre. ".
Art. 35. In artikel 6.4.1/9/1, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juli 2016 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 november 2023, wordt de datum "31 december 2025" vervangen door de datum "30 juni 2026".
Art. 35. Dans l'article 6.4.1/9/1, alinéa 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 juillet 2016 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 novembre 2023, la date " 31 décembre 2025 " est remplacée par la date " 31 décembre 2026 ".
Art. 36. In artikel 6.4.1/12 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 december 2022 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juni 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden "het voorafgaande kalenderjaar" worden telkens vervangen door de woorden "het lopend kalenderjaar";
2° de woorden "het vorige kalenderjaar" worden telkens vervangen door de woorden "het lopend kalenderjaar";
3° in paragraaf 1 worden de woorden ", tweede en derde lid" opgeheven;
4° in paragraaf 2, tweede lid, worden de woorden "artikel 12.3.29" vervangen door de woorden "artikel 12.3.27";
5° in paragraaf 3, tweede lid, wordt de zin "De minister bepaalt jaarlijks het bedrag van die vergoeding per elektriciteitsdistributienetbeheerder." vervangen door de zin "De effectieve vergoeding per elektriciteitsdistributienetbeheerder wordt verdeeld pro rata het bedrag dat is uitbetaald in het kader van de verplichtingen, vermeld in het eerste lid, voor het lopende kalenderjaar.";
6° in paragraaf 4, eerste lid, worden tussen het woord "verplichtingen" en het woord "aangaande" de woorden ", vermeld in artikel 6.4.1/6/1, eerste lid," ingevoegd;
7° aan paragraaf 4, eerste lid wordt de zin "De minister bepaalt jaarlijks het bedrag van de voormelde vergoeding." toegevoegd;
8° in paragraaf 4, derde lid, wordt de zin "De minister bepaalt jaarlijks het bedrag van die vergoeding per elektriciteitsdistributienetbeheerder." vervangen door de zin "De effectieve vergoeding per elektriciteitsdistributienetbeheerder wordt verdeeld pro rata het bedrag dat is uitbetaald in het kader van de verplichtingen, vermeld in het eerste lid, voor het lopende kalenderjaar.".
1° de woorden "het voorafgaande kalenderjaar" worden telkens vervangen door de woorden "het lopend kalenderjaar";
2° de woorden "het vorige kalenderjaar" worden telkens vervangen door de woorden "het lopend kalenderjaar";
3° in paragraaf 1 worden de woorden ", tweede en derde lid" opgeheven;
4° in paragraaf 2, tweede lid, worden de woorden "artikel 12.3.29" vervangen door de woorden "artikel 12.3.27";
5° in paragraaf 3, tweede lid, wordt de zin "De minister bepaalt jaarlijks het bedrag van die vergoeding per elektriciteitsdistributienetbeheerder." vervangen door de zin "De effectieve vergoeding per elektriciteitsdistributienetbeheerder wordt verdeeld pro rata het bedrag dat is uitbetaald in het kader van de verplichtingen, vermeld in het eerste lid, voor het lopende kalenderjaar.";
6° in paragraaf 4, eerste lid, worden tussen het woord "verplichtingen" en het woord "aangaande" de woorden ", vermeld in artikel 6.4.1/6/1, eerste lid," ingevoegd;
7° aan paragraaf 4, eerste lid wordt de zin "De minister bepaalt jaarlijks het bedrag van de voormelde vergoeding." toegevoegd;
8° in paragraaf 4, derde lid, wordt de zin "De minister bepaalt jaarlijks het bedrag van die vergoeding per elektriciteitsdistributienetbeheerder." vervangen door de zin "De effectieve vergoeding per elektriciteitsdistributienetbeheerder wordt verdeeld pro rata het bedrag dat is uitbetaald in het kader van de verplichtingen, vermeld in het eerste lid, voor het lopende kalenderjaar.".
Art. 36. A l'article 6.4.1/12 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 2 décembre 2022 et modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 juin 2023, les modifications suivantes sont apportées :
1° les mots " l'année civile précédente " sont chaque fois remplacés par les mots " l'année civile en cours " ;
2° les mots " l'année civile précédente " sont chaque fois remplacés par les mots " l'année civile en cours " ;
3° dans le paragraphe 1er, le membre de phrase " , alinéas 2 et 3 " est abrogé ;
4° dans le paragraphe 2, alinéa 2, les mots " l'article 12.3.29 " sont remplacés par les mots " l'article 12.3.27 " ;
5° dans le paragraphe 3, alinéa 2, la phrase " Le ministre détermine chaque année le montant de cette indemnité par gestionnaire de réseau de distribution d'électricité " est remplacée par la phrase " L'indemnité effective par gestionnaire de réseau de distribution d'électricité est répartie au prorata du montant qui a été payé dans le cadre des obligations visées à l'alinéa 1er pour l'année civile en cours. " ;
6° dans le paragraphe 4, alinéa 1er, le membre de phrase " , visées à l'article 6.4.1/6/1, alinéa 1er, " est inséré entre le mot " obligations " et le mot " relatives " ;
7° dans le paragraphe 4, alinéa 1er, la phrase " Le ministre détermine chaque année le montant de l'indemnité susmentionnée. " est ajoutée ;
8° dans le paragraphe 4, alinéa 3, la phrase " Le ministre détermine chaque année le montant de cette indemnité par gestionnaire de réseau de distribution d'électricité " est remplacée par la phrase " L'indemnité effective par gestionnaire de réseau de distribution d'électricité est répartie au prorata du montant qui a été payé dans le cadre des obligations visées à l'alinéa 1er pour l'année civile en cours. ".
1° les mots " l'année civile précédente " sont chaque fois remplacés par les mots " l'année civile en cours " ;
2° les mots " l'année civile précédente " sont chaque fois remplacés par les mots " l'année civile en cours " ;
3° dans le paragraphe 1er, le membre de phrase " , alinéas 2 et 3 " est abrogé ;
4° dans le paragraphe 2, alinéa 2, les mots " l'article 12.3.29 " sont remplacés par les mots " l'article 12.3.27 " ;
5° dans le paragraphe 3, alinéa 2, la phrase " Le ministre détermine chaque année le montant de cette indemnité par gestionnaire de réseau de distribution d'électricité " est remplacée par la phrase " L'indemnité effective par gestionnaire de réseau de distribution d'électricité est répartie au prorata du montant qui a été payé dans le cadre des obligations visées à l'alinéa 1er pour l'année civile en cours. " ;
6° dans le paragraphe 4, alinéa 1er, le membre de phrase " , visées à l'article 6.4.1/6/1, alinéa 1er, " est inséré entre le mot " obligations " et le mot " relatives " ;
7° dans le paragraphe 4, alinéa 1er, la phrase " Le ministre détermine chaque année le montant de l'indemnité susmentionnée. " est ajoutée ;
8° dans le paragraphe 4, alinéa 3, la phrase " Le ministre détermine chaque année le montant de cette indemnité par gestionnaire de réseau de distribution d'électricité " est remplacée par la phrase " L'indemnité effective par gestionnaire de réseau de distribution d'électricité est répartie au prorata du montant qui a été payé dans le cadre des obligations visées à l'alinéa 1er pour l'année civile en cours. ".
Art. 37. In titel VI van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juni 2023, worden aan het opschrift van hoofdstuk IV/1 de woorden "en de installateurs van elektriciteitsopslagfaciliteiten" toegevoegd.
Art. 37. Dans le titre VI du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 juin 2023, les mots " et aux installateurs d'installations de stockage d'électricité " sont ajoutés dans l'intitulé du chapitre IV/1.
Art. 38. In artikel 6.4/1.1, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 januari 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de inleidende zin worden tussen de woorden "hernieuwbare energiesystemen" en het woord "bezorgt" de woorden "en elke installateur van elektriciteitsopslagfaciliteiten" ingevoegd;
2° punt 5° wordt vervangen door wat volgt:
"5° de datum waarop het hernieuwbare energiesysteem of de elektriciteitsopslagfaciliteit is geplaatst;";
3° aan punt 6° worden de woorden "of een elektriciteitsopslagfaciliteit" toegevoegd;
4° er wordt een punt 9° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"9° de bruikbare capaciteit van de elektriciteitsopslagfaciliteit.".
1° in de inleidende zin worden tussen de woorden "hernieuwbare energiesystemen" en het woord "bezorgt" de woorden "en elke installateur van elektriciteitsopslagfaciliteiten" ingevoegd;
2° punt 5° wordt vervangen door wat volgt:
"5° de datum waarop het hernieuwbare energiesysteem of de elektriciteitsopslagfaciliteit is geplaatst;";
3° aan punt 6° worden de woorden "of een elektriciteitsopslagfaciliteit" toegevoegd;
4° er wordt een punt 9° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"9° de bruikbare capaciteit van de elektriciteitsopslagfaciliteit.".
Art. 38. A l'article 6.4/1.1, alinéa 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 janvier 2018, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans la phrase introductive, les mots " et chaque installateur d'installations de stockage d'électricité " sont insérés entre les mots " systèmes d'énergie renouvelable " et le mot " fournit " ;
2° le point 5° est remplacé par ce qui suit :
" 5° la date à laquelle le système d'énergie renouvelable ou l'installation de stockage d'électricité a été installé ; " ;
3° au point 6°, les mots " ou d'une installation de stockage d'électricité " sont ajoutés ;
4° il est ajouté un point 9°, rédigé comme suit :
" 9° la capacité utilisable de l'installation de stockage d'électricité. ".
1° dans la phrase introductive, les mots " et chaque installateur d'installations de stockage d'électricité " sont insérés entre les mots " systèmes d'énergie renouvelable " et le mot " fournit " ;
2° le point 5° est remplacé par ce qui suit :
" 5° la date à laquelle le système d'énergie renouvelable ou l'installation de stockage d'électricité a été installé ; " ;
3° au point 6°, les mots " ou d'une installation de stockage d'électricité " sont ajoutés ;
4° il est ajouté un point 9°, rédigé comme suit :
" 9° la capacité utilisable de l'installation de stockage d'électricité. ".
Art. 39. In artikel 6.6.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2018 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 11 december 2020, 18 december 2020 en 16 juni 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt de zinsnede "31 maart" vervangen door de zinsnede "31 oktober";
2° in paragraaf 1, eerste lid en paragraaf 5 wordt de zinsnede "15 juli" telkens vervangen door de zinsnede "15 september";
3° in paragraaf 3, eerste lid, wordt de zinsnede "15 oktober" telkens vervangen door de zinsnede "15 november";
4° in paragraaf 4, eerste lid, wordt de zinsnede "15 november" telkens vervangen door de zinsnede "15 december".
1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt de zinsnede "31 maart" vervangen door de zinsnede "31 oktober";
2° in paragraaf 1, eerste lid en paragraaf 5 wordt de zinsnede "15 juli" telkens vervangen door de zinsnede "15 september";
3° in paragraaf 3, eerste lid, wordt de zinsnede "15 oktober" telkens vervangen door de zinsnede "15 november";
4° in paragraaf 4, eerste lid, wordt de zinsnede "15 november" telkens vervangen door de zinsnede "15 december".
Art. 39. A l'article 6.6.2 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 février 2018 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 11 décembre 2020, 18 décembre 2020 et 16 juin 2023, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, le membre de phrase " 31 mars " est remplacé par le membre de phrase " 31 octobre " ;
2° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, et le paragraphe 5, le membre de phrase " 15 juillet " est chaque fois remplacé par le membre de phrase " 15 septembre " ;
3° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, le membre de phrase " 15 octobre " est chaque fois remplacé par le membre de phrase " 15 novembre " ;
4° dans le paragraphe 4, alinéa 1er, le membre de phrase " 15 novembre " est chaque fois remplacé par le membre de phrase " 15 décembre ".
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, le membre de phrase " 31 mars " est remplacé par le membre de phrase " 31 octobre " ;
2° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, et le paragraphe 5, le membre de phrase " 15 juillet " est chaque fois remplacé par le membre de phrase " 15 septembre " ;
3° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, le membre de phrase " 15 octobre " est chaque fois remplacé par le membre de phrase " 15 novembre " ;
4° dans le paragraphe 4, alinéa 1er, le membre de phrase " 15 novembre " est chaque fois remplacé par le membre de phrase " 15 décembre ".
Art. 40. In artikel 6.6.3, van het hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2018 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 11 december 2020 en 18 december 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid wordt de zinsnede "31 maart" vervangen door de zinsnede "31 oktober";
2° in het tweede lid wordt de zinsnede "15 juli" vervangen door de zinsnede "30 juni".
1° in het eerste lid wordt de zinsnede "31 maart" vervangen door de zinsnede "31 oktober";
2° in het tweede lid wordt de zinsnede "15 juli" vervangen door de zinsnede "30 juni".
Art. 40. A l'article 6.6.3 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 février 2018 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 11 décembre 2020 et 18 décembre 2020, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 1er, le membre de phrase " 31 mars " est remplacé par le membre de phrase " 31 octobre " ;
2° dans l'alinéa 2, le membre de phrase " 15 juillet " est remplacé par le membre de phrase " 30 juin ".
1° dans l'alinéa 1er, le membre de phrase " 31 mars " est remplacé par le membre de phrase " 31 octobre " ;
2° dans l'alinéa 2, le membre de phrase " 15 juillet " est remplacé par le membre de phrase " 30 juin ".
Art. 41. In artikel 6.7.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2023, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juni 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid wordt de eerste zin vervangen door wat volgt:
"De horizontale dakoppervlakte wordt berekend als de som per gebouw van de deling van de horizontale dakoppervlakte van het gebouw door het aantal afnamepunten waarop het gebouw is aangesloten en waarvoor de verplichting in artikel 6.7.3, § 1, en 6.7.8, § 1, geldt, voor alle gebouwen die aangesloten zijn op hetzelfde afnamepunt.";
2° in het zevende lid wordt na de woorden "vermeld in dit hoofdstuk" de zinsnede ", met uitzondering van de toepassing van artikel 6.7.4, § 3, punt 1°, b) en punt 2°, b) en artikel 6.7.9, § 3, punt 1°, b) en punt 2°, b)" ingevoegd.
1° in het eerste lid wordt de eerste zin vervangen door wat volgt:
"De horizontale dakoppervlakte wordt berekend als de som per gebouw van de deling van de horizontale dakoppervlakte van het gebouw door het aantal afnamepunten waarop het gebouw is aangesloten en waarvoor de verplichting in artikel 6.7.3, § 1, en 6.7.8, § 1, geldt, voor alle gebouwen die aangesloten zijn op hetzelfde afnamepunt.";
2° in het zevende lid wordt na de woorden "vermeld in dit hoofdstuk" de zinsnede ", met uitzondering van de toepassing van artikel 6.7.4, § 3, punt 1°, b) en punt 2°, b) en artikel 6.7.9, § 3, punt 1°, b) en punt 2°, b)" ingevoegd.
Art. 41. A l'article 6.7.1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 février 2023, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 juin 2023, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 1er, la première phrase est remplacée par ce qui suit :
" La superficie de toit horizontale est calculée comme la somme, par bâtiment, de la division de la superficie de toit horizontale du bâtiment par le nombre de points de prélèvement auxquels le bâtiment est raccordé et auxquels s'applique l'obligation visée aux articles 6.7.3, § 1er, et 6.7.8, § 1er, pour tous les bâtiments raccordés au même point de prélèvement. " ;
2° dans l'alinéa 7, le membre de phrase " , à l'exception de l'application de l'article 6.7.4, § 3, point 1°, b) et point 2°, b) et de l'article 6.7.9, § 3, point 1°, b) et point 2°, b) " est inséré après les mots " mentionnées dans le présent chapitre ".
1° dans l'alinéa 1er, la première phrase est remplacée par ce qui suit :
" La superficie de toit horizontale est calculée comme la somme, par bâtiment, de la division de la superficie de toit horizontale du bâtiment par le nombre de points de prélèvement auxquels le bâtiment est raccordé et auxquels s'applique l'obligation visée aux articles 6.7.3, § 1er, et 6.7.8, § 1er, pour tous les bâtiments raccordés au même point de prélèvement. " ;
2° dans l'alinéa 7, le membre de phrase " , à l'exception de l'application de l'article 6.7.4, § 3, point 1°, b) et point 2°, b) et de l'article 6.7.9, § 3, point 1°, b) et point 2°, b) " est inséré après les mots " mentionnées dans le présent chapitre ".
Art. 42. In artikel 6.7.2, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2023, wordt de zinsnede "met een brutohoeveelheid elektriciteit die is afgenomen op hetzelfde afnamepunt," vervangen door de zinsnede "aangesloten op hetzelfde afnamepunt, met een afgenomen brutohoeveelheid elektriciteit".
Art. 42. Dans l'article 6.7.2, alinéa 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 février 2023, les mots " dont la quantité brute d'électricité qui a été prélevée au même point de prélèvement " sont remplacés par les mots " raccordés au même point de prélèvement, dont la quantité brute d'électricité prélevée ".
Art. 43. In artikel 6.7.3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2023 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juni 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, tweede lid, wordt na de woorden "de nieuwe horizontale dakoppervlakte" de zinsnede "bij de toepassing van artikel 6.7.1, eerste lid" ingevoegd;
2° in paragraaf 1, tweede lid, wordt na de woorden "de nieuwe of vernieuwde horizontale dakoppervlakte" de zinsnede "bij toepassing van artikel 6.7.1, eerste lid" ingevoegd;
3° in paragraaf 1 wordt het derde lid vervangen door wat volgt:
"Aan de verplichting, vermeld in het eerste en tweede lid, kan worden voldaan door:
1° fotovoltaïsche zonnepanelen in dienst te nemen op de gebouwen of de gevels van die gebouwen, die aangesloten zijn op een afnamepunt, vermeld in het eerste en tweede lid, en die zijn gelegen op de site waar de voormelde gebouwen, vermeld in het eerste en tweede lid, liggen;
2° fotovoltaïsche zonnepanelen in dienst te nemen op de marginale gronden, op andere gebouwen dan bedoeld in 1° of op de gevels van die gebouwen, op carports of op fietsenstallingen op de eigen site waar de voormelde gebouwen, vermeld in het eerste en tweede lid, liggen;
3° drijvende fotovoltaïsche zonnepanelen in dienst te nemen op de eigen site waar de voormelde gebouwen, vermeld in het eerste en tweede lid, liggen;
4° overkoepelende fotovoltaïsche zonnepanelen in dienst te nemen binnen een agrarisch gebied op de eigen site waar de voormelde gebouwen, vermeld in het eerste en tweede lid, liggen, waarbij in het kader van de vergunningsaanvraag de mogelijke effecten van de inplanting ten aanzien van efficiënt bodemgebruik, eventuele verstoring van de uitbatingenmogelijkheden en landschappelijke kwaliteiten zijn onderzocht. De fotovoltaïsche zonnepanelen kunnen in afwijking van het voorgaande ook in dienst worden genomen op een andere site dan de eigen site waar de gebouwen, vermeld in het eerste en tweede lid, liggen, voor zover de productie-installatie levert aan een directe lijn die is aangesloten op het afnamepunt, vermeld in het eerste lid en tweede lid, en de productie-installatie voor het overige valt binnen een categorie vermeld in 1° tot en met 4°. ";
4° in paragraaf 1, vierde lid, wordt de eerste zin vervangen door wat volgt:
"Als een eigenaar, erfpachter of opstalhouder verschillende eigen sites in het Vlaamse Gewest heeft, kan hij voldoen aan de verplichtingen, vermeld in dit hoofdstuk, door de hoeveelheid fotovoltaïsche zonnepanelen, vermeld in paragraaf 2, in dienst te nemen op de gebouwen, op de gevels van de gebouwen, op de marginale gronden, op de carports of op de fietsenstallingen op de eigen sites in het Vlaamse Gewest, door drijvende zonnepanelen in dienst te nemen op de eigen sites in het Vlaamse Gewest of door overkoepelende fotovoltaïsche zonnepanelen in dienst te nemen binnen een agrarisch gebied op de eigen site in het Vlaamse Gewest, waarbij in het kader van de vergunningsaanvraag de mogelijke effecten van de inplanting ten aanzien van efficiënt bodemgebruik, eventuele verstoring van de uitbatingenmogelijkheden en landschappelijke kwaliteiten zijn onderzocht.";
5° in paragraaf 2, eerste lid, 1°, 2° en 3°, wordt na de woorden "per vierkante meter horizontale dakoppervlakte" telkens de zinsnede ", vermeld in artikel 6.7.1, eerste lid" ingevoegd.
1° in paragraaf 1, tweede lid, wordt na de woorden "de nieuwe horizontale dakoppervlakte" de zinsnede "bij de toepassing van artikel 6.7.1, eerste lid" ingevoegd;
2° in paragraaf 1, tweede lid, wordt na de woorden "de nieuwe of vernieuwde horizontale dakoppervlakte" de zinsnede "bij toepassing van artikel 6.7.1, eerste lid" ingevoegd;
3° in paragraaf 1 wordt het derde lid vervangen door wat volgt:
"Aan de verplichting, vermeld in het eerste en tweede lid, kan worden voldaan door:
1° fotovoltaïsche zonnepanelen in dienst te nemen op de gebouwen of de gevels van die gebouwen, die aangesloten zijn op een afnamepunt, vermeld in het eerste en tweede lid, en die zijn gelegen op de site waar de voormelde gebouwen, vermeld in het eerste en tweede lid, liggen;
2° fotovoltaïsche zonnepanelen in dienst te nemen op de marginale gronden, op andere gebouwen dan bedoeld in 1° of op de gevels van die gebouwen, op carports of op fietsenstallingen op de eigen site waar de voormelde gebouwen, vermeld in het eerste en tweede lid, liggen;
3° drijvende fotovoltaïsche zonnepanelen in dienst te nemen op de eigen site waar de voormelde gebouwen, vermeld in het eerste en tweede lid, liggen;
4° overkoepelende fotovoltaïsche zonnepanelen in dienst te nemen binnen een agrarisch gebied op de eigen site waar de voormelde gebouwen, vermeld in het eerste en tweede lid, liggen, waarbij in het kader van de vergunningsaanvraag de mogelijke effecten van de inplanting ten aanzien van efficiënt bodemgebruik, eventuele verstoring van de uitbatingenmogelijkheden en landschappelijke kwaliteiten zijn onderzocht. De fotovoltaïsche zonnepanelen kunnen in afwijking van het voorgaande ook in dienst worden genomen op een andere site dan de eigen site waar de gebouwen, vermeld in het eerste en tweede lid, liggen, voor zover de productie-installatie levert aan een directe lijn die is aangesloten op het afnamepunt, vermeld in het eerste lid en tweede lid, en de productie-installatie voor het overige valt binnen een categorie vermeld in 1° tot en met 4°. ";
4° in paragraaf 1, vierde lid, wordt de eerste zin vervangen door wat volgt:
"Als een eigenaar, erfpachter of opstalhouder verschillende eigen sites in het Vlaamse Gewest heeft, kan hij voldoen aan de verplichtingen, vermeld in dit hoofdstuk, door de hoeveelheid fotovoltaïsche zonnepanelen, vermeld in paragraaf 2, in dienst te nemen op de gebouwen, op de gevels van de gebouwen, op de marginale gronden, op de carports of op de fietsenstallingen op de eigen sites in het Vlaamse Gewest, door drijvende zonnepanelen in dienst te nemen op de eigen sites in het Vlaamse Gewest of door overkoepelende fotovoltaïsche zonnepanelen in dienst te nemen binnen een agrarisch gebied op de eigen site in het Vlaamse Gewest, waarbij in het kader van de vergunningsaanvraag de mogelijke effecten van de inplanting ten aanzien van efficiënt bodemgebruik, eventuele verstoring van de uitbatingenmogelijkheden en landschappelijke kwaliteiten zijn onderzocht.";
5° in paragraaf 2, eerste lid, 1°, 2° en 3°, wordt na de woorden "per vierkante meter horizontale dakoppervlakte" telkens de zinsnede ", vermeld in artikel 6.7.1, eerste lid" ingevoegd.
Art. 43. A l'article 6.7.3 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 février 2023 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 juin 2023, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, le membre de phrase " lors de l'application de l'article 6.7.1, alinéa 1er " est inséré après les mots " la nouvelle surface de toiture horizontale " ;
2° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, le membre de phrase " lors de l'application de l'article 6.7.1, alinéa 1er " est inséré après les mots " la superficie de toit horizontale nouvelle ou rénovée " ;
3° dans le paragraphe 1er, l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit :
" L'obligation visée aux alinéas 1er et 2, peut être remplie par :
1° la mise en service de panneaux solaires photovoltaïques sur les bâtiments ou les façades de ces bâtiments raccordés à un point de prélèvement, visés aux alinéas 1er et 2, et situés sur le site où se trouvent les bâtiments précités, visés aux alinéas 1er et 2 ;
2° la mise en service de panneaux solaires photovoltaïques sur les terres marginales, sur d'autres bâtiments que ceux visés au point 1° ou sur les façades de ces bâtiments, sur des abris-garages ou abris vélos sur le propre site où sont situés les bâtiments visés aux alinéas 1er et 2 ;
3° la mise en service de panneaux solaires flottants sur le propre site où sont situés les bâtiments visés aux alinéas 1er et 2 ;
4° la mise en service de panneaux solaires photovoltaïques en parapluie dans une zone agricole sur le propre site où sont situés les bâtiments visés aux alinéas 1er et 2, sachant que, dans le cadre de la demande de permis, les effets possibles de l'implantation par rapport à une utilisation efficiente du sol, la perturbation éventuelle des possibilités d'exploitation et les qualités rurales ont été examinés. Par dérogation à ce qui précède, les panneaux solaires photovoltaïques peuvent également être mis en service sur un site autre que le propre site où sont situés les bâtiments visés aux alinéas 1er et 2, à condition que l'installation de production alimente une ligne directe qui est raccordée au point de prélèvement visé aux alinéas 1er et 2, et que l'installation de production relève par ailleurs d'une catégorie mentionnée aux points 1° à 4°. " ;
4° dans le paragraphe 1er, alinéa 4, la première phrase est remplacée par ce qui suit :
" Si un propriétaire, un emphytéote ou un superficiaire possède plusieurs propres sites en Région flamande, il peut remplir les obligations visées au présent chapitre par la mise en service de la quantité de panneaux solaires photovoltaïques, visée au paragraphe 2, sur les bâtiments, les façades des bâtiments, les terres marginales, les abris-garages ou les abris vélos sur les propres sites en Région flamande, par la mise en service de panneaux solaires flottants sur les propres sites en Région flamande ou par la mise en service de panneaux solaires photovoltaïques en parapluie dans une zone agricole sur le propre site en Région flamande, sachant que, dans le cadre de la demande de permis, les effets possibles de l'implantation par rapport à une utilisation efficiente du sol, la perturbation éventuelle des possibilités d'exploitation et les qualités rurales ont été examinés. " ;
5° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, 1°, 2° et 3°, le membre de phrase " , visée à l'article 6.7.1, alinéa 1er " est chaque fois inséré après les mots " par mètre carré de superficie de toit horizontale ".
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, le membre de phrase " lors de l'application de l'article 6.7.1, alinéa 1er " est inséré après les mots " la nouvelle surface de toiture horizontale " ;
2° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, le membre de phrase " lors de l'application de l'article 6.7.1, alinéa 1er " est inséré après les mots " la superficie de toit horizontale nouvelle ou rénovée " ;
3° dans le paragraphe 1er, l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit :
" L'obligation visée aux alinéas 1er et 2, peut être remplie par :
1° la mise en service de panneaux solaires photovoltaïques sur les bâtiments ou les façades de ces bâtiments raccordés à un point de prélèvement, visés aux alinéas 1er et 2, et situés sur le site où se trouvent les bâtiments précités, visés aux alinéas 1er et 2 ;
2° la mise en service de panneaux solaires photovoltaïques sur les terres marginales, sur d'autres bâtiments que ceux visés au point 1° ou sur les façades de ces bâtiments, sur des abris-garages ou abris vélos sur le propre site où sont situés les bâtiments visés aux alinéas 1er et 2 ;
3° la mise en service de panneaux solaires flottants sur le propre site où sont situés les bâtiments visés aux alinéas 1er et 2 ;
4° la mise en service de panneaux solaires photovoltaïques en parapluie dans une zone agricole sur le propre site où sont situés les bâtiments visés aux alinéas 1er et 2, sachant que, dans le cadre de la demande de permis, les effets possibles de l'implantation par rapport à une utilisation efficiente du sol, la perturbation éventuelle des possibilités d'exploitation et les qualités rurales ont été examinés. Par dérogation à ce qui précède, les panneaux solaires photovoltaïques peuvent également être mis en service sur un site autre que le propre site où sont situés les bâtiments visés aux alinéas 1er et 2, à condition que l'installation de production alimente une ligne directe qui est raccordée au point de prélèvement visé aux alinéas 1er et 2, et que l'installation de production relève par ailleurs d'une catégorie mentionnée aux points 1° à 4°. " ;
4° dans le paragraphe 1er, alinéa 4, la première phrase est remplacée par ce qui suit :
" Si un propriétaire, un emphytéote ou un superficiaire possède plusieurs propres sites en Région flamande, il peut remplir les obligations visées au présent chapitre par la mise en service de la quantité de panneaux solaires photovoltaïques, visée au paragraphe 2, sur les bâtiments, les façades des bâtiments, les terres marginales, les abris-garages ou les abris vélos sur les propres sites en Région flamande, par la mise en service de panneaux solaires flottants sur les propres sites en Région flamande ou par la mise en service de panneaux solaires photovoltaïques en parapluie dans une zone agricole sur le propre site en Région flamande, sachant que, dans le cadre de la demande de permis, les effets possibles de l'implantation par rapport à une utilisation efficiente du sol, la perturbation éventuelle des possibilités d'exploitation et les qualités rurales ont été examinés. " ;
5° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, 1°, 2° et 3°, le membre de phrase " , visée à l'article 6.7.1, alinéa 1er " est chaque fois inséré après les mots " par mètre carré de superficie de toit horizontale ".
Art. 44. In artikel 6.7.4 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2023 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juni 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 wordt de zinsnede "kan een eigenaar, erfpachter of opstalhouder van gebouwen als vermeld in artikel 6.7.2, of een met hem verbonden vennootschap als vermeld in artikel 1:20 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, ook de volgende hernieuwbare energietechnologieën plaatsen achter hetzelfde afnamepunt:" vervangen door de zinsnede "kan door de eigenaar, erfpachter of opstalhouder van gebouwen als vermeld in artikel 6.7.2, ook worden voldaan aan de verplichting door de volgende hernieuwbare energietechnologieën in dienst te nemen achter hetzelfde afnamepunt:";
2° in paragraaf 2, eerste lid, 1°, wordt de zinsnede "nieuwe fotovoltaïsche zonnepanelen op gebouwen, marginale gronden, carports of fietsenstallingen" vervangen door de zinsnede "nieuwe fotovoltaïsche zonnepanelen op de gebouwen, op de gevels van de gebouwen, op de marginale gronden, op de carports of op de fietsenstallingen";
3° in paragraaf 2 wordt in het eerste lid een punt 2° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"2° /1 nieuwe overkoepelende fotovoltaïsche zonnepanelen binnen een agrarisch gebied, waarbij in het kader van de vergunningsaanvraag de mogelijke effecten van de inplanting ten aanzien van efficiënt bodemgebruik, eventuele verstoring van de uitbatingenmogelijkheden en landschappelijke kwaliteiten zijn onderzocht.";
4° in paragraaf 2, derde lid, 1° wordt de zinsnede "nieuwe fotovoltaïsche zonnepanelen op gebouwen, marginale gronden, carports of fietsenstallingen" vervangen door de zinsnede "nieuwe fotovoltaïsche zonnepanelen op de gebouwen, op de gevels van de gebouwen, op de marginale gronden, op de carports of op de fietsenstallingen";
5° in paragraaf 2 wordt in het derde lid een punt 2° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"2° /1 nieuwe overkoepelende fotovoltaïsche zonnepanelen binnen een agrarisch gebied, waarbij in het kader van de vergunningsaanvraag de mogelijke effecten van de inplanting ten aanzien van efficiënt bodemgebruik, eventuele verstoring van de uitbatingenmogelijkheden en landschappelijke kwaliteiten zijn onderzocht.";
6° in paragraaf 2 wordt aan het zevende lid de volgende zin toegevoegd:
"Het volledige participatiebedrag wordt door de participant uitbetaald aan de projectuitvoerder uiterlijk op de datum waarop de fotovoltaïsche zonnepanelen in dienst moeten worden genomen, als vermeld in artikel 6.7.3, § 1.";
7° in paragraaf 2 wordt aan het achtste lid de volgende zin toegevoegd:
"Het VEKA kan nadere regels vastleggen om het piekvermogen of het nominale vermogen te berekenen van projectinstallaties die worden geplaatst ter uitvoering van een andere verplichting in dit besluit en die niet voldoen aan de bepalingen in deze paragraaf.";
8° in paragraaf 2 wordt het negende lid vervangen door wat volgt:
"In geval van participatie als vermeld in het eerste lid, legt de eigenaar, erfpachter of opstalhouder een participatieovereenkomst tussen participant en projectuitvoerder voor aan het VEKA. De participatieovereenkomst bevat minstens al de volgende gegevens:
1° het unieke nummer van de participatieovereenkomst;
2° het project waarin wordt geparticipeerd;
3° het volledige participatiebedrag;
4° het afnamepunt van het project waarin wordt geparticipeerd;
5° een verbod om de participatie gedurende de eerste vijftien jaar van uitbating na de indienstname van de projectinstallatie onder enige vorm te vervreemden;
6° het piekvermogen of het nominale vermogen dat het voorwerp uitmaakt van de voormelde participatieovereenkomst. In geval van participatie in een project met als doel de repowering van een windturbine, vermeldt de participatieovereenkomst dat de participant participeert in het extra nominale vermogen dat door de repowering wordt gerealiseerd ten opzichte van het oorspronkelijk nominaal vermogen van de windturbine;
7° de uiterlijke datum van indienstname van de projectinstallatie waarin wordt geparticipeerd;
8° een verklaring op erewoord dat de projectinstallatie waarin geparticipeerd wordt in het kader van de PV-verplichting, niet is geplaatst ter uitvoering van andere verplichtingen die bij of krachtens dit besluit worden vastgesteld.";
9° in paragraaf 2 worden tussen het negende lid en het tiende lid twee leden ingevoegd, die luiden als volgt:
"De projectuitvoerder stelt per project een lijst op die al de volgende elementen bevat en bezorgt die lijst aan het VEKA:
1° de participanten;
2° de unieke nummers van de participatieovereenkomsten als vermeld in het negende lid, 1° ;
3° het afnamepunt van het project vermeld in het negende lid, 4°.
Het piekvermogen of het nominaal vermogen dat het voorwerp uitmaakt van de participatieovereenkomst, vermeld in het negende lid, kan maar één keer meegeteld worden om te voldoen aan de verplichtingen, vermeld in deze afdeling en afdeling III, en andere verplichtingen die voortvloeien uit dit besluit, met uitzondering van de toepassing van paragraaf 3, punt 1°, b) en punt 2°, b). In geval van participatie in een project met als doel de repowering van een windturbine, vermeld in het derde lid, 3°, vermeldt de voormelde participatieovereenkomst dat de participant participeert in het extra nominaal vermogen na de repowering van de windturbine.".
1° in paragraaf 1 wordt de zinsnede "kan een eigenaar, erfpachter of opstalhouder van gebouwen als vermeld in artikel 6.7.2, of een met hem verbonden vennootschap als vermeld in artikel 1:20 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, ook de volgende hernieuwbare energietechnologieën plaatsen achter hetzelfde afnamepunt:" vervangen door de zinsnede "kan door de eigenaar, erfpachter of opstalhouder van gebouwen als vermeld in artikel 6.7.2, ook worden voldaan aan de verplichting door de volgende hernieuwbare energietechnologieën in dienst te nemen achter hetzelfde afnamepunt:";
2° in paragraaf 2, eerste lid, 1°, wordt de zinsnede "nieuwe fotovoltaïsche zonnepanelen op gebouwen, marginale gronden, carports of fietsenstallingen" vervangen door de zinsnede "nieuwe fotovoltaïsche zonnepanelen op de gebouwen, op de gevels van de gebouwen, op de marginale gronden, op de carports of op de fietsenstallingen";
3° in paragraaf 2 wordt in het eerste lid een punt 2° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"2° /1 nieuwe overkoepelende fotovoltaïsche zonnepanelen binnen een agrarisch gebied, waarbij in het kader van de vergunningsaanvraag de mogelijke effecten van de inplanting ten aanzien van efficiënt bodemgebruik, eventuele verstoring van de uitbatingenmogelijkheden en landschappelijke kwaliteiten zijn onderzocht.";
4° in paragraaf 2, derde lid, 1° wordt de zinsnede "nieuwe fotovoltaïsche zonnepanelen op gebouwen, marginale gronden, carports of fietsenstallingen" vervangen door de zinsnede "nieuwe fotovoltaïsche zonnepanelen op de gebouwen, op de gevels van de gebouwen, op de marginale gronden, op de carports of op de fietsenstallingen";
5° in paragraaf 2 wordt in het derde lid een punt 2° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"2° /1 nieuwe overkoepelende fotovoltaïsche zonnepanelen binnen een agrarisch gebied, waarbij in het kader van de vergunningsaanvraag de mogelijke effecten van de inplanting ten aanzien van efficiënt bodemgebruik, eventuele verstoring van de uitbatingenmogelijkheden en landschappelijke kwaliteiten zijn onderzocht.";
6° in paragraaf 2 wordt aan het zevende lid de volgende zin toegevoegd:
"Het volledige participatiebedrag wordt door de participant uitbetaald aan de projectuitvoerder uiterlijk op de datum waarop de fotovoltaïsche zonnepanelen in dienst moeten worden genomen, als vermeld in artikel 6.7.3, § 1.";
7° in paragraaf 2 wordt aan het achtste lid de volgende zin toegevoegd:
"Het VEKA kan nadere regels vastleggen om het piekvermogen of het nominale vermogen te berekenen van projectinstallaties die worden geplaatst ter uitvoering van een andere verplichting in dit besluit en die niet voldoen aan de bepalingen in deze paragraaf.";
8° in paragraaf 2 wordt het negende lid vervangen door wat volgt:
"In geval van participatie als vermeld in het eerste lid, legt de eigenaar, erfpachter of opstalhouder een participatieovereenkomst tussen participant en projectuitvoerder voor aan het VEKA. De participatieovereenkomst bevat minstens al de volgende gegevens:
1° het unieke nummer van de participatieovereenkomst;
2° het project waarin wordt geparticipeerd;
3° het volledige participatiebedrag;
4° het afnamepunt van het project waarin wordt geparticipeerd;
5° een verbod om de participatie gedurende de eerste vijftien jaar van uitbating na de indienstname van de projectinstallatie onder enige vorm te vervreemden;
6° het piekvermogen of het nominale vermogen dat het voorwerp uitmaakt van de voormelde participatieovereenkomst. In geval van participatie in een project met als doel de repowering van een windturbine, vermeldt de participatieovereenkomst dat de participant participeert in het extra nominale vermogen dat door de repowering wordt gerealiseerd ten opzichte van het oorspronkelijk nominaal vermogen van de windturbine;
7° de uiterlijke datum van indienstname van de projectinstallatie waarin wordt geparticipeerd;
8° een verklaring op erewoord dat de projectinstallatie waarin geparticipeerd wordt in het kader van de PV-verplichting, niet is geplaatst ter uitvoering van andere verplichtingen die bij of krachtens dit besluit worden vastgesteld.";
9° in paragraaf 2 worden tussen het negende lid en het tiende lid twee leden ingevoegd, die luiden als volgt:
"De projectuitvoerder stelt per project een lijst op die al de volgende elementen bevat en bezorgt die lijst aan het VEKA:
1° de participanten;
2° de unieke nummers van de participatieovereenkomsten als vermeld in het negende lid, 1° ;
3° het afnamepunt van het project vermeld in het negende lid, 4°.
Het piekvermogen of het nominaal vermogen dat het voorwerp uitmaakt van de participatieovereenkomst, vermeld in het negende lid, kan maar één keer meegeteld worden om te voldoen aan de verplichtingen, vermeld in deze afdeling en afdeling III, en andere verplichtingen die voortvloeien uit dit besluit, met uitzondering van de toepassing van paragraaf 3, punt 1°, b) en punt 2°, b). In geval van participatie in een project met als doel de repowering van een windturbine, vermeld in het derde lid, 3°, vermeldt de voormelde participatieovereenkomst dat de participant participeert in het extra nominaal vermogen na de repowering van de windturbine.".
Art. 44. A l'article 6.7.4 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 février 2023 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 juin 2023, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, le membre de phrase " un propriétaire, un emphytéote ou un superficiaire de bâtiments tels que visés à l'article 6.7.2, ou une société liée à lui, telle que visée à l'article 1:20 du Code des sociétés et des associations, peut également installer les technologies d'énergie renouvelable suivantes derrière le même point de prélèvement : " est remplacé par le membre de phrase " un propriétaire, un emphytéote ou un superficiaire de bâtiments tels que visés à l'article 6.7.2 peut également satisfaire à l'obligation par la mise en service des technologies d'énergie renouvelable suivantes derrière le même point de prélèvement : " ;
2° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, 1°, le membre de phrase " de nouveaux panneaux solaires photovoltaïques sur des bâtiments, des terres marginales, des abris-garages ou des abris vélos " est remplacé par le membre de phrase " de nouveaux panneaux solaires photovoltaïques sur les bâtiments, sur les façades de bâtiments, sur les terres marginales, sur les abris-garages ou sur les abris vélos " ;
3° dans le paragraphe 2, il est inséré dans l'alinéa 1er un point 2° /1, rédigé comme suit :
" 2° /1 de nouveaux panneaux solaires photovoltaïques en parapluie dans une zone agricole, sachant que, dans le cadre de la demande de permis, les effets possibles de l'implantation par rapport à une utilisation efficiente du sol, la perturbation éventuelle des possibilités d'exploitation et les qualités rurales ont été examinés. " ;
4° dans le paragraphe 2, alinéa 3, 1°, le membre de phrase " de nouveaux panneaux solaires photovoltaïques sur des bâtiments, des terres marginales, des abris-garages ou des abris vélos " est remplacé par le membre de phrase " de nouveaux panneaux solaires photovoltaïques sur les bâtiments, sur les façades de bâtiments, sur les terres marginales, sur les abris-garages ou sur les abris vélos " ;
5° dans le paragraphe 2, il est inséré dans l'alinéa 3 un point 2° /1, rédigé comme suit :
" 2° /1 de nouveaux panneaux solaires photovoltaïques en parapluie dans une zone agricole, sachant que, dans le cadre de la demande de permis, les effets possibles de l'implantation par rapport à une utilisation efficiente du sol, la perturbation éventuelle des possibilités d'exploitation et les qualités rurales ont été examinés. " ;
6° dans le paragraphe 2, l'alinéa 7 est complété par la phrase suivante :
" Le montant total de la participation est versé par le participant à l'exécuteur du projet au plus tard à la date de mise en service des panneaux solaires photovoltaïques, telle que visée à l'article 6.7.3, § 1er. " ;
7° dans le paragraphe 2, l'alinéa 8 est complété par la phrase suivante :
" La VEKA peut arrêter des modalités pour le calcul de la puissance de crête ou de la puissance nominale d'installations de projet mises en place en exécution d'une autre obligation figurant dans le présent arrêté et qui ne satisfont pas aux dispositions du présent paragraphe. " ;
8° au paragraphe 2, l'alinéa 9 est remplacé par ce qui suit :
" En cas de participation telle que visée à l'alinéa 1er, le propriétaire, l'emphytéote ou le superficiaire soumet à la VEKA une convention de participation entre le participant et l'exécuteur du projet. La convention de participation comporte au moins les éléments suivants :
1° le numéro unique de la convention de participation ;
2° le projet auquel il est participé ;
3° le montant total de la participation ;
4° le point de prélèvement du projet auquel il est participé ;
5° l'interdiction d'aliéner la participation sous quelque forme que ce soit au cours des 15 premières années suivant la mise en service de l'installation de projet ;
6° la puissance de crête ou la puissance nominale qui fait l'objet de la convention de participation précitée. En cas de participation à un projet visant le repowering d'une éolienne, la convention de participation indique que la participation du participant porte sur la puissance nominale supplémentaire réalisée par le repowering par rapport à la puissance nominale d'origine de l'éolienne ;
7° la date limite de mise en service de l'installation du projet auquel il est participé ;
8° une déclaration sur l'honneur attestant que l'installation du projet dans laquelle la participation est effectuée au titre de l'obligation PV n'a pas été mise en place pour remplir d'autres obligations établies par ou en vertu du présent arrêté. " ;
9° dans le paragraphe 2, deux alinéas rédigés comme suit sont insérés entre les alinéas 9 et 10 :
" L'exécuteur du projet établi par projet une liste contenant tous les éléments suivants et remet la liste à la VEKA :
1° les participants ;
2° les numéros uniques des conventions de participations telles que visées à l'alinéa 9, 1° ;
3° le point de prélèvement du projet visé à l'alinéa 9, 4°.
La puissance de crête ou la puissance nominale qui fait l'objet de la convention de participation visée à l'alinéa 9 ne peut être prise en compte qu'une seule fois pour satisfaire aux obligations mentionnées dans la présente section et dans la section III et aux autres obligations découlant du présent arrêté, sauf pour l'application du paragraphe 3, point 1°, b) et point 2°, b). En cas de participation à un projet visant le repowering d'une éolienne, tel que visé à l'alinéa 3, 3°, la convention de participation indique que la participation du participant porte sur la puissance nominale supplémentaire après le repowering de l'éolienne. ".
1° dans le paragraphe 1er, le membre de phrase " un propriétaire, un emphytéote ou un superficiaire de bâtiments tels que visés à l'article 6.7.2, ou une société liée à lui, telle que visée à l'article 1:20 du Code des sociétés et des associations, peut également installer les technologies d'énergie renouvelable suivantes derrière le même point de prélèvement : " est remplacé par le membre de phrase " un propriétaire, un emphytéote ou un superficiaire de bâtiments tels que visés à l'article 6.7.2 peut également satisfaire à l'obligation par la mise en service des technologies d'énergie renouvelable suivantes derrière le même point de prélèvement : " ;
2° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, 1°, le membre de phrase " de nouveaux panneaux solaires photovoltaïques sur des bâtiments, des terres marginales, des abris-garages ou des abris vélos " est remplacé par le membre de phrase " de nouveaux panneaux solaires photovoltaïques sur les bâtiments, sur les façades de bâtiments, sur les terres marginales, sur les abris-garages ou sur les abris vélos " ;
3° dans le paragraphe 2, il est inséré dans l'alinéa 1er un point 2° /1, rédigé comme suit :
" 2° /1 de nouveaux panneaux solaires photovoltaïques en parapluie dans une zone agricole, sachant que, dans le cadre de la demande de permis, les effets possibles de l'implantation par rapport à une utilisation efficiente du sol, la perturbation éventuelle des possibilités d'exploitation et les qualités rurales ont été examinés. " ;
4° dans le paragraphe 2, alinéa 3, 1°, le membre de phrase " de nouveaux panneaux solaires photovoltaïques sur des bâtiments, des terres marginales, des abris-garages ou des abris vélos " est remplacé par le membre de phrase " de nouveaux panneaux solaires photovoltaïques sur les bâtiments, sur les façades de bâtiments, sur les terres marginales, sur les abris-garages ou sur les abris vélos " ;
5° dans le paragraphe 2, il est inséré dans l'alinéa 3 un point 2° /1, rédigé comme suit :
" 2° /1 de nouveaux panneaux solaires photovoltaïques en parapluie dans une zone agricole, sachant que, dans le cadre de la demande de permis, les effets possibles de l'implantation par rapport à une utilisation efficiente du sol, la perturbation éventuelle des possibilités d'exploitation et les qualités rurales ont été examinés. " ;
6° dans le paragraphe 2, l'alinéa 7 est complété par la phrase suivante :
" Le montant total de la participation est versé par le participant à l'exécuteur du projet au plus tard à la date de mise en service des panneaux solaires photovoltaïques, telle que visée à l'article 6.7.3, § 1er. " ;
7° dans le paragraphe 2, l'alinéa 8 est complété par la phrase suivante :
" La VEKA peut arrêter des modalités pour le calcul de la puissance de crête ou de la puissance nominale d'installations de projet mises en place en exécution d'une autre obligation figurant dans le présent arrêté et qui ne satisfont pas aux dispositions du présent paragraphe. " ;
8° au paragraphe 2, l'alinéa 9 est remplacé par ce qui suit :
" En cas de participation telle que visée à l'alinéa 1er, le propriétaire, l'emphytéote ou le superficiaire soumet à la VEKA une convention de participation entre le participant et l'exécuteur du projet. La convention de participation comporte au moins les éléments suivants :
1° le numéro unique de la convention de participation ;
2° le projet auquel il est participé ;
3° le montant total de la participation ;
4° le point de prélèvement du projet auquel il est participé ;
5° l'interdiction d'aliéner la participation sous quelque forme que ce soit au cours des 15 premières années suivant la mise en service de l'installation de projet ;
6° la puissance de crête ou la puissance nominale qui fait l'objet de la convention de participation précitée. En cas de participation à un projet visant le repowering d'une éolienne, la convention de participation indique que la participation du participant porte sur la puissance nominale supplémentaire réalisée par le repowering par rapport à la puissance nominale d'origine de l'éolienne ;
7° la date limite de mise en service de l'installation du projet auquel il est participé ;
8° une déclaration sur l'honneur attestant que l'installation du projet dans laquelle la participation est effectuée au titre de l'obligation PV n'a pas été mise en place pour remplir d'autres obligations établies par ou en vertu du présent arrêté. " ;
9° dans le paragraphe 2, deux alinéas rédigés comme suit sont insérés entre les alinéas 9 et 10 :
" L'exécuteur du projet établi par projet une liste contenant tous les éléments suivants et remet la liste à la VEKA :
1° les participants ;
2° les numéros uniques des conventions de participations telles que visées à l'alinéa 9, 1° ;
3° le point de prélèvement du projet visé à l'alinéa 9, 4°.
La puissance de crête ou la puissance nominale qui fait l'objet de la convention de participation visée à l'alinéa 9 ne peut être prise en compte qu'une seule fois pour satisfaire aux obligations mentionnées dans la présente section et dans la section III et aux autres obligations découlant du présent arrêté, sauf pour l'application du paragraphe 3, point 1°, b) et point 2°, b). En cas de participation à un projet visant le repowering d'une éolienne, tel que visé à l'alinéa 3, 3°, la convention de participation indique que la participation du participant porte sur la puissance nominale supplémentaire après le repowering de l'éolienne. ".
Art. 45. In artikel 6.7.5 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2023 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juni 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
" § 1. Het VEKA kan, na aanvraag van de eigenaar, opstalhouder of erfpachter, uitstel verlenen voor gebouwen die volledig of gedeeltelijk zullen worden gesloopt en heropgebouwd of waarvan het dak volledig of gedeeltelijk zal worden vervangen. Het uitstel wordt verleend voor het geheel of een gedeelte van de horizontale dakoppervlakte van de gebouwen die volledig of gedeeltelijk worden gesloopt of waarvan het dak volledig of gedeeltelijk wordt vervangen. In zijn aanvraag toont de eigenaar, opstalhouder of erfpachter aan dat een of meer van de gebouwen volledig of gedeeltelijk worden gesloopt en heropgebouwd of dat een of meer van de daken volledig of gedeeltelijk worden vervangen. Binnen zestig dagen na de dag waarop het VEKA de voormelde aanvraag heeft ontvangen, brengt het VEKA de eigenaar, erfpachter of opstalhouder van de gebouwen op de hoogte van de beslissing over de vraag tot uitstel. Het uitstel gaat in vanaf de betekening van de beslissing en bedraagt vijf jaar.
In geval van volledige of gedeeltelijke sloop voor heropbouw legt de eigenaar, erfpachter of opstalhouder van de gebouwen uiterlijk drie jaar na de betekening van de beslissing tot het verlenen van uitstel een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen met betrekking tot sloop voor aan het VEKA, voor zover een omgevingsvergunning voor sloop is vereist.
In geval van volledige of gedeeltelijke vervanging van het dak legt de eigenaar, erfpachter of opstalhouder van de gebouwen uiterlijk twee jaar na de betekening van de beslissing tot het verlenen van uitstel een getekende offerte voor dakvervanging voor aan het VEKA.
Een beroep bij een administratief rechtscollege over de omgevingsvergunning voor sloop, vermeld in het tweede lid, schorst de termijnen, vermeld in het eerste lid, vijfde zin, het tweede lid en het derde lid, als een omgevingsvergunning voor sloop vereist is.";
2° in paragraaf 2, tweede lid, wordt na de woorden "een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen voor de sloop voor" de zinsnede ", voor zover een omgevingsvergunning voor sloop is vereist" toegevoegd;
3° in paragraaf 2, tweede lid, wordt na de woorden "de melding aan het VEKA bezorgt", de zinsnede ", voor zover een omgevingsvergunning voor sloop is vereist" toegevoegd;
4° aan paragraaf 2 wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Een beroep bij een administratief rechtscollege over de omgevingsvergunning voor sloop, vermeld in het tweede lid, schorst de termijnen, vermeld in het tweede lid, als een omgevingsvergunning voor sloop vereist is.";
5° er wordt een paragraaf 3 toegevoegd, dat luidt als volgt:
" § 3. Het VEKA is de verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming.".
1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
" § 1. Het VEKA kan, na aanvraag van de eigenaar, opstalhouder of erfpachter, uitstel verlenen voor gebouwen die volledig of gedeeltelijk zullen worden gesloopt en heropgebouwd of waarvan het dak volledig of gedeeltelijk zal worden vervangen. Het uitstel wordt verleend voor het geheel of een gedeelte van de horizontale dakoppervlakte van de gebouwen die volledig of gedeeltelijk worden gesloopt of waarvan het dak volledig of gedeeltelijk wordt vervangen. In zijn aanvraag toont de eigenaar, opstalhouder of erfpachter aan dat een of meer van de gebouwen volledig of gedeeltelijk worden gesloopt en heropgebouwd of dat een of meer van de daken volledig of gedeeltelijk worden vervangen. Binnen zestig dagen na de dag waarop het VEKA de voormelde aanvraag heeft ontvangen, brengt het VEKA de eigenaar, erfpachter of opstalhouder van de gebouwen op de hoogte van de beslissing over de vraag tot uitstel. Het uitstel gaat in vanaf de betekening van de beslissing en bedraagt vijf jaar.
In geval van volledige of gedeeltelijke sloop voor heropbouw legt de eigenaar, erfpachter of opstalhouder van de gebouwen uiterlijk drie jaar na de betekening van de beslissing tot het verlenen van uitstel een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen met betrekking tot sloop voor aan het VEKA, voor zover een omgevingsvergunning voor sloop is vereist.
In geval van volledige of gedeeltelijke vervanging van het dak legt de eigenaar, erfpachter of opstalhouder van de gebouwen uiterlijk twee jaar na de betekening van de beslissing tot het verlenen van uitstel een getekende offerte voor dakvervanging voor aan het VEKA.
Een beroep bij een administratief rechtscollege over de omgevingsvergunning voor sloop, vermeld in het tweede lid, schorst de termijnen, vermeld in het eerste lid, vijfde zin, het tweede lid en het derde lid, als een omgevingsvergunning voor sloop vereist is.";
2° in paragraaf 2, tweede lid, wordt na de woorden "een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen voor de sloop voor" de zinsnede ", voor zover een omgevingsvergunning voor sloop is vereist" toegevoegd;
3° in paragraaf 2, tweede lid, wordt na de woorden "de melding aan het VEKA bezorgt", de zinsnede ", voor zover een omgevingsvergunning voor sloop is vereist" toegevoegd;
4° aan paragraaf 2 wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Een beroep bij een administratief rechtscollege over de omgevingsvergunning voor sloop, vermeld in het tweede lid, schorst de termijnen, vermeld in het tweede lid, als een omgevingsvergunning voor sloop vereist is.";
5° er wordt een paragraaf 3 toegevoegd, dat luidt als volgt:
" § 3. Het VEKA is de verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming.".
Art. 45. A l'article 6.7.5 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 février 2023 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 juin 2023, les modifications suivantes sont apportées :
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. La VEKA peut, à la demande du propriétaire, de l'emphytéote ou du superficiaire, accorder un report pour les bâtiments qui seront entièrement ou partiellement démolis et reconstruits ou dont la toiture sera entièrement ou partiellement remplacée. Le report est accordé pour tout ou partie de la superficie de toit horizontale des bâtiments qui sont entièrement ou partiellement démolis ou dont la toiture est entièrement ou partiellement remplacée. Dans sa demande, le propriétaire, l'emphytéote ou le superficiaire démontre qu'un ou plusieurs des bâtiments sont entièrement ou partiellement démolis et reconstruits ou qu'un ou plusieurs des toits sont entièrement ou partiellement remplacés. Dans les 60 jours suivant le jour auquel la VEKA a reçu la demande précitée, elle informe le propriétaire, l'emphytéote ou le superficiaire des bâtiments de la décision relative à la demande de report. Le report commence à partir de la signification de la décision et est de cinq ans.
En cas de démolition totale ou partielle en vue d'une reconstruction, le propriétaire, l'emphytéote ou le superficiaire des bâtiments soumet à la VEKA, au plus tard trois ans après la signification de la décision de report, un permis d'environnement pour des actes urbanistiques liés à la démolition, pour autant qu'un permis d'environnement pour démolition est requis.
En cas de remplacement total ou partiel de la toiture, le propriétaire, l'emphytéote ou le superficiaire des bâtiments soumet à la VEKA, au plus tard deux ans après la signification de la décision de report, une offre signée pour le remplacement de la toiture.
Un appel auprès d'une juridiction administrative concernant le permis d'environnement, visé à l'alinéa 2, suspend les délais, visés à l'alinéa 1er, cinquième phrase, à l'alinéa 2 et à l'alinéa 3, si un permis d'environnement pour démolition est requis. " ;
2° dans le paragraphe 2, alinéa 2, le membre de phrase " , pour autant qu'un permis d'environnement pour démolition est requis " est inséré après les mots " un permis d'environnement pour des actes urbanistiques pour la démolition " ;
3° dans le paragraphe 2, alinéa 2, le membre de phrase " , pour autant qu'un permis d'environnement pour démolition est requis " est inséré après les mots " dans un délai de trois ans à compter de la notification " ;
4° dans le paragraphe 2, il est inséré un alinéa 3, rédigé comme suit :
" Un appel auprès d'une juridiction administrative concernant le permis d'environnement, visé à l'alinéa 2, suspend les délais, visés à l'alinéa 2, si un permis d'environnement pour démolition est requis. " ;
5° il est inséré un paragraphe 3, rédigé comme suit :
" § 3. La VEKA est le responsable du traitement, tel que visé à l'article 4, 7) du règlement général sur la protection des données. ".
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. La VEKA peut, à la demande du propriétaire, de l'emphytéote ou du superficiaire, accorder un report pour les bâtiments qui seront entièrement ou partiellement démolis et reconstruits ou dont la toiture sera entièrement ou partiellement remplacée. Le report est accordé pour tout ou partie de la superficie de toit horizontale des bâtiments qui sont entièrement ou partiellement démolis ou dont la toiture est entièrement ou partiellement remplacée. Dans sa demande, le propriétaire, l'emphytéote ou le superficiaire démontre qu'un ou plusieurs des bâtiments sont entièrement ou partiellement démolis et reconstruits ou qu'un ou plusieurs des toits sont entièrement ou partiellement remplacés. Dans les 60 jours suivant le jour auquel la VEKA a reçu la demande précitée, elle informe le propriétaire, l'emphytéote ou le superficiaire des bâtiments de la décision relative à la demande de report. Le report commence à partir de la signification de la décision et est de cinq ans.
En cas de démolition totale ou partielle en vue d'une reconstruction, le propriétaire, l'emphytéote ou le superficiaire des bâtiments soumet à la VEKA, au plus tard trois ans après la signification de la décision de report, un permis d'environnement pour des actes urbanistiques liés à la démolition, pour autant qu'un permis d'environnement pour démolition est requis.
En cas de remplacement total ou partiel de la toiture, le propriétaire, l'emphytéote ou le superficiaire des bâtiments soumet à la VEKA, au plus tard deux ans après la signification de la décision de report, une offre signée pour le remplacement de la toiture.
Un appel auprès d'une juridiction administrative concernant le permis d'environnement, visé à l'alinéa 2, suspend les délais, visés à l'alinéa 1er, cinquième phrase, à l'alinéa 2 et à l'alinéa 3, si un permis d'environnement pour démolition est requis. " ;
2° dans le paragraphe 2, alinéa 2, le membre de phrase " , pour autant qu'un permis d'environnement pour démolition est requis " est inséré après les mots " un permis d'environnement pour des actes urbanistiques pour la démolition " ;
3° dans le paragraphe 2, alinéa 2, le membre de phrase " , pour autant qu'un permis d'environnement pour démolition est requis " est inséré après les mots " dans un délai de trois ans à compter de la notification " ;
4° dans le paragraphe 2, il est inséré un alinéa 3, rédigé comme suit :
" Un appel auprès d'une juridiction administrative concernant le permis d'environnement, visé à l'alinéa 2, suspend les délais, visés à l'alinéa 2, si un permis d'environnement pour démolition est requis. " ;
5° il est inséré un paragraphe 3, rédigé comme suit :
" § 3. La VEKA est le responsable du traitement, tel que visé à l'article 4, 7) du règlement général sur la protection des données. ".
Art. 46. In artikel 6.7.7, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de zinsnede "met een afgenomen brutohoeveelheid elektriciteit van meer dan 250 MWh per kalenderjaar vanaf 1 januari 2021 die is afgenomen op hetzelfde afnamepunt" wordt vervangen door de zinsnede "aangesloten op hetzelfde afnamepunt, met een afgenomen brutohoeveelheid elektriciteit van meer dan 250 MWh per kalenderjaar vanaf het jaar 2021";
2° de datum "1 januari 2026" wordt vervangen door de zinsnede "het jaar 2026".
1° de zinsnede "met een afgenomen brutohoeveelheid elektriciteit van meer dan 250 MWh per kalenderjaar vanaf 1 januari 2021 die is afgenomen op hetzelfde afnamepunt" wordt vervangen door de zinsnede "aangesloten op hetzelfde afnamepunt, met een afgenomen brutohoeveelheid elektriciteit van meer dan 250 MWh per kalenderjaar vanaf het jaar 2021";
2° de datum "1 januari 2026" wordt vervangen door de zinsnede "het jaar 2026".
Art. 46. A l'article 6.7.7, alinéa 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 février 2023, les modifications suivantes sont apportées :
1° le membre de phrase " aux organisations publiques qui sont le seul propriétaire, emphytéote ou superficiaire de bâtiments, ou aux clients d'électricité de ces bâtiments, la superficie de toit horizontale et d'autres données nécessaires pour suivre et contrôler les obligations visées au présent chapitre, avec une quantité brute d'électricité prélevée supérieure à 250 MWh par année calendaire à partir du 1er janvier 2021 qui est prélevée au même point de prélèvement " est remplacé par le membre de phrase " la superficie de toit horizontale et d'autres données nécessaires pour suivre et contrôler les obligations visées au présent chapitre aux organisations publiques qui sont le seul propriétaire, emphytéote ou superficiaire de bâtiments, ou aux clients d'électricité de ces bâtiments, raccordés au même point de prélèvement, avec une quantité brute d'électricité prélevée supérieure à 250 MWh par année calendaire à partir de l'année 2021 " ;
2° le membre de phrase " du 1er janvier 2026 " est remplacé par le membre de phrase " de l'année 2026 ".
1° le membre de phrase " aux organisations publiques qui sont le seul propriétaire, emphytéote ou superficiaire de bâtiments, ou aux clients d'électricité de ces bâtiments, la superficie de toit horizontale et d'autres données nécessaires pour suivre et contrôler les obligations visées au présent chapitre, avec une quantité brute d'électricité prélevée supérieure à 250 MWh par année calendaire à partir du 1er janvier 2021 qui est prélevée au même point de prélèvement " est remplacé par le membre de phrase " la superficie de toit horizontale et d'autres données nécessaires pour suivre et contrôler les obligations visées au présent chapitre aux organisations publiques qui sont le seul propriétaire, emphytéote ou superficiaire de bâtiments, ou aux clients d'électricité de ces bâtiments, raccordés au même point de prélèvement, avec une quantité brute d'électricité prélevée supérieure à 250 MWh par année calendaire à partir de l'année 2021 " ;
2° le membre de phrase " du 1er janvier 2026 " est remplacé par le membre de phrase " de l'année 2026 ".
Art. 47. In artikel 6.7.8, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juni 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, tweede lid, wordt na de woorden "de nieuwe horizontale dakoppervlakte" de zinsnede "bij de toepassing van artikel 6.7.1, eerste lid" ingevoegd;
2° in paragraaf 1, tweede lid, wordt na de woorden "de nieuwe of vernieuwde horizontale dakoppervlakte" de zinsnede "bij toepassing van artikel 6.7.1, eerste lid" ingevoegd;
3° in paragraaf 1 wordt het derde lid vervangen door wat volgt:
"Aan de verplichting, vermeld in het eerste en tweede lid, kan worden voldaan door:
1° fotovoltaïsche zonnepanelen in dienst te nemen op de gebouwen of de gevels van die gebouwen, die aangesloten zijn op een afnamepunt, vermeld in het eerste en tweede lid, en die zijn gelegen op de site waar de voormelde gebouwen, vermeld in het eerste en tweede lid, liggen;
2° fotovoltaïsche zonnepanelen in dienst te nemen op de marginale gronden, op andere gebouwen dan bedoeld in 1° of op de gevels van die gebouwen, op carports of op fietsenstallingen op de eigen site waar de voormelde gebouwen, vermeld in het eerste en tweede lid, liggen;
3° drijvende fotovoltaïsche zonnepanelen in dienst te nemen op de eigen site waar de voormelde gebouwen, vermeld in het eerste en tweede lid, liggen;
4° overkoepelende fotovoltaïsche zonnepanelen in dienst te nemen binnen een agrarisch gebied op de eigen site waar de voormelde gebouwen, vermeld in het eerste en tweede lid, liggen, waarbij in het kader van de vergunningsaanvraag de mogelijke effecten van de inplanting ten aanzien van efficiënt bodemgebruik, eventuele verstoring van de uitbatingenmogelijkheden en landschappelijke kwaliteiten zijn onderzocht. De fotovoltaïsche zonnepanelen kunnen in afwijking van het voorgaande ook in dienst worden genomen op een andere site dan de eigen site waar de gebouwen, vermeld in het eerste en tweede lid, liggen, voor zover de productie-installatie levert aan een directe lijn die is aangesloten op het afnamepunt, vermeld in het eerste lid en tweede lid, en de productie-installatie voor het overige valt binnen een categorie vermeld in 1° tot en met 4°. ";
4° in paragraaf 1, vierde lid, wordt de eerste zin vervangen door wat volgt:
"Als een eigenaar, erfpachter of opstalhouder verschillende eigen sites in het Vlaamse Gewest heeft, kan hij voldoen aan de verplichtingen, vermeld in dit hoofdstuk, door de hoeveelheid fotovoltaïsche zonnepanelen, vermeld in paragraaf 2, in dienst te nemen op de gebouwen, op de gevels van de gebouwen, op de marginale gronden, op de carports of op de fietsenstallingen op de eigen sites in het Vlaamse Gewest, door drijvende zonnepanelen in dienst te nemen op de eigen sites in het Vlaamse Gewest of door overkoepelende fotovoltaïsche zonnepanelen in dienst te nemen binnen een agrarisch gebied op de eigen site in het Vlaamse Gewest voor zover de fotovoltaïsche zonnepanelen de huidige en toekomstige bestemming van de onderliggende grond niet belemmeren.";
5° in paragraaf 2, eerste lid, 1°, 2° en 3°, wordt na de woorden "per vierkante meter horizontale dakoppervlakte" telkens de zinsnede ", vermeld in artikel 6.7.1, eerste lid" ingevoegd.
1° in paragraaf 1, tweede lid, wordt na de woorden "de nieuwe horizontale dakoppervlakte" de zinsnede "bij de toepassing van artikel 6.7.1, eerste lid" ingevoegd;
2° in paragraaf 1, tweede lid, wordt na de woorden "de nieuwe of vernieuwde horizontale dakoppervlakte" de zinsnede "bij toepassing van artikel 6.7.1, eerste lid" ingevoegd;
3° in paragraaf 1 wordt het derde lid vervangen door wat volgt:
"Aan de verplichting, vermeld in het eerste en tweede lid, kan worden voldaan door:
1° fotovoltaïsche zonnepanelen in dienst te nemen op de gebouwen of de gevels van die gebouwen, die aangesloten zijn op een afnamepunt, vermeld in het eerste en tweede lid, en die zijn gelegen op de site waar de voormelde gebouwen, vermeld in het eerste en tweede lid, liggen;
2° fotovoltaïsche zonnepanelen in dienst te nemen op de marginale gronden, op andere gebouwen dan bedoeld in 1° of op de gevels van die gebouwen, op carports of op fietsenstallingen op de eigen site waar de voormelde gebouwen, vermeld in het eerste en tweede lid, liggen;
3° drijvende fotovoltaïsche zonnepanelen in dienst te nemen op de eigen site waar de voormelde gebouwen, vermeld in het eerste en tweede lid, liggen;
4° overkoepelende fotovoltaïsche zonnepanelen in dienst te nemen binnen een agrarisch gebied op de eigen site waar de voormelde gebouwen, vermeld in het eerste en tweede lid, liggen, waarbij in het kader van de vergunningsaanvraag de mogelijke effecten van de inplanting ten aanzien van efficiënt bodemgebruik, eventuele verstoring van de uitbatingenmogelijkheden en landschappelijke kwaliteiten zijn onderzocht. De fotovoltaïsche zonnepanelen kunnen in afwijking van het voorgaande ook in dienst worden genomen op een andere site dan de eigen site waar de gebouwen, vermeld in het eerste en tweede lid, liggen, voor zover de productie-installatie levert aan een directe lijn die is aangesloten op het afnamepunt, vermeld in het eerste lid en tweede lid, en de productie-installatie voor het overige valt binnen een categorie vermeld in 1° tot en met 4°. ";
4° in paragraaf 1, vierde lid, wordt de eerste zin vervangen door wat volgt:
"Als een eigenaar, erfpachter of opstalhouder verschillende eigen sites in het Vlaamse Gewest heeft, kan hij voldoen aan de verplichtingen, vermeld in dit hoofdstuk, door de hoeveelheid fotovoltaïsche zonnepanelen, vermeld in paragraaf 2, in dienst te nemen op de gebouwen, op de gevels van de gebouwen, op de marginale gronden, op de carports of op de fietsenstallingen op de eigen sites in het Vlaamse Gewest, door drijvende zonnepanelen in dienst te nemen op de eigen sites in het Vlaamse Gewest of door overkoepelende fotovoltaïsche zonnepanelen in dienst te nemen binnen een agrarisch gebied op de eigen site in het Vlaamse Gewest voor zover de fotovoltaïsche zonnepanelen de huidige en toekomstige bestemming van de onderliggende grond niet belemmeren.";
5° in paragraaf 2, eerste lid, 1°, 2° en 3°, wordt na de woorden "per vierkante meter horizontale dakoppervlakte" telkens de zinsnede ", vermeld in artikel 6.7.1, eerste lid" ingevoegd.
Art. 47. A l'article 6.7.8 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 juin 2023, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, le membre de phrase " lors de l'application de l'article 6.7.1, alinéa 1er " est inséré après les mots " la nouvelle surface de toiture horizontale " ;
2° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, le membre de phrase " lors de l'application de l'article 6.7.1, alinéa 1er " est inséré après les mots " la superficie de toit horizontale nouvelle ou rénovée " ;
3° dans le paragraphe 1er, l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit :
" L'obligation visée aux alinéas 1er et 2, peut être remplie par :
1° la mise en service de panneaux solaires photovoltaïques sur les bâtiments ou les façades de ces bâtiments raccordés à un point de prélèvement, visés aux alinéas 1er et 2, et situés sur le site où se trouvent les bâtiments précités, visés aux alinéas 1er et 2 ;
2° la mise en service de panneaux solaires photovoltaïques sur les terres marginales, sur d'autres bâtiments que ceux visés au point 1° ou sur les façades de ces bâtiments, sur des abris-garages ou abris vélos sur le propre site où sont situés les bâtiments visés aux alinéas 1er et 2 ;
3° la mise en service de panneaux solaires flottants sur le propre site où sont situés les bâtiments visés aux alinéas 1er et 2 ;
4° la mise en service de panneaux solaires photovoltaïques en parapluie dans une zone agricole sur le propre site où sont situés les bâtiments visés aux alinéas 1er et 2, sachant que, dans le cadre de la demande de permis, les effets possibles de l'implantation par rapport à une utilisation efficiente du sol, la perturbation éventuelle des possibilités d'exploitation et les qualités rurales ont été examinés. Par dérogation à ce qui précède, les panneaux solaires photovoltaïques peuvent également être mis en service sur un site autre que le propre site où sont situés les bâtiments visés aux alinéas 1er et 2, à condition que l'installation de production alimente une ligne directe qui est raccordée au point de prélèvement visé aux alinéas 1er et 2, et que l'installation de production relève par ailleurs d'une catégorie mentionnée aux points 1° à 4°. " ;
4° dans le paragraphe 1er, alinéa 4, la première phrase est remplacée par ce qui suit :
" Si un propriétaire, un emphytéote ou un superficiaire possède plusieurs propres sites en Région flamande, il peut remplir les obligations visées au présent chapitre par la mise en service de la quantité de panneaux solaires photovoltaïques, visée au paragraphe 2, sur les bâtiments, les façades des bâtiments, les terres marginales, les abris-garages ou les abris vélos sur les propres sites en Région flamande, par la mise en service de panneaux solaires flottants sur les propres sites en Région flamande ou par la mise en service de panneaux solaires photovoltaïques en parapluie dans une zone agricole sur le propre site en Région flamande, pour autant que les panneaux solaires photovoltaïques n'interfèrent pas avec la destination actuelle et future du terrain sous-jacent. " ;
5° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, 1°, 2° et 3°, le membre de phrase " , visée à l'article 6.7.1, alinéa 1er " est chaque fois inséré après les mots " par mètre carré de superficie de toit horizontale ".
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, le membre de phrase " lors de l'application de l'article 6.7.1, alinéa 1er " est inséré après les mots " la nouvelle surface de toiture horizontale " ;
2° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, le membre de phrase " lors de l'application de l'article 6.7.1, alinéa 1er " est inséré après les mots " la superficie de toit horizontale nouvelle ou rénovée " ;
3° dans le paragraphe 1er, l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit :
" L'obligation visée aux alinéas 1er et 2, peut être remplie par :
1° la mise en service de panneaux solaires photovoltaïques sur les bâtiments ou les façades de ces bâtiments raccordés à un point de prélèvement, visés aux alinéas 1er et 2, et situés sur le site où se trouvent les bâtiments précités, visés aux alinéas 1er et 2 ;
2° la mise en service de panneaux solaires photovoltaïques sur les terres marginales, sur d'autres bâtiments que ceux visés au point 1° ou sur les façades de ces bâtiments, sur des abris-garages ou abris vélos sur le propre site où sont situés les bâtiments visés aux alinéas 1er et 2 ;
3° la mise en service de panneaux solaires flottants sur le propre site où sont situés les bâtiments visés aux alinéas 1er et 2 ;
4° la mise en service de panneaux solaires photovoltaïques en parapluie dans une zone agricole sur le propre site où sont situés les bâtiments visés aux alinéas 1er et 2, sachant que, dans le cadre de la demande de permis, les effets possibles de l'implantation par rapport à une utilisation efficiente du sol, la perturbation éventuelle des possibilités d'exploitation et les qualités rurales ont été examinés. Par dérogation à ce qui précède, les panneaux solaires photovoltaïques peuvent également être mis en service sur un site autre que le propre site où sont situés les bâtiments visés aux alinéas 1er et 2, à condition que l'installation de production alimente une ligne directe qui est raccordée au point de prélèvement visé aux alinéas 1er et 2, et que l'installation de production relève par ailleurs d'une catégorie mentionnée aux points 1° à 4°. " ;
4° dans le paragraphe 1er, alinéa 4, la première phrase est remplacée par ce qui suit :
" Si un propriétaire, un emphytéote ou un superficiaire possède plusieurs propres sites en Région flamande, il peut remplir les obligations visées au présent chapitre par la mise en service de la quantité de panneaux solaires photovoltaïques, visée au paragraphe 2, sur les bâtiments, les façades des bâtiments, les terres marginales, les abris-garages ou les abris vélos sur les propres sites en Région flamande, par la mise en service de panneaux solaires flottants sur les propres sites en Région flamande ou par la mise en service de panneaux solaires photovoltaïques en parapluie dans une zone agricole sur le propre site en Région flamande, pour autant que les panneaux solaires photovoltaïques n'interfèrent pas avec la destination actuelle et future du terrain sous-jacent. " ;
5° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, 1°, 2° et 3°, le membre de phrase " , visée à l'article 6.7.1, alinéa 1er " est chaque fois inséré après les mots " par mètre carré de superficie de toit horizontale ".
Art. 48. In artikel 6.7.9 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2023 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juni 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 wordt de zinsnede "kan een publieke organisatie als vermeld in artikel 6.7.6, ook de volgende hernieuwbare energietechnologieën plaatsen achter hetzelfde afnamepunt:" vervangen door de zinsnede "kan door een publieke organisatie als vermeld in artikel 6.7.6, ook worden voldaan aan de verplichting door de volgende hernieuwbare energietechnologieën in dienst te nemen achter hetzelfde afnamepunt:";
2° in paragraaf 2, eerste lid, 1°, wordt de zinsnede "nieuwe fotovoltaïsche zonnepanelen op gebouwen, marginale gronden, carports of fietsenstallingen" vervangen door de zinsnede "nieuwe fotovoltaïsche zonnepanelen op de gebouwen, op de gevels van de gebouwen, op de marginale gronden, op de carports of op de fietsenstallingen";
3° in paragraaf 2 wordt in het eerste lid een punt 2° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"2° /1 nieuwe overkoepelende fotovoltaïsche zonnepanelen binnen een agrarisch gebied, voor zover de fotovoltaïsche zonnepanelen de huidige en toekomstige bestemming van de onderliggende grond niet belemmeren;";
4° in paragraaf 2, derde lid, 1°, wordt de zinsnede "nieuwe fotovoltaïsche zonnepanelen op gebouwen, marginale gronden, carports of fietsenstallingen" vervangen door de zinsnede "nieuwe fotovoltaïsche zonnepanelen op de gebouwen, op de gevels van de gebouwen, op de marginale gronden, op de carports of op de fietsenstallingen";
5° in paragraaf 2 wordt in het derde lid een punt 2° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"2° /1 nieuwe overkoepelende fotovoltaïsche zonnepanelen binnen een agrarisch gebied, voor zover de fotovoltaïsche zonnepanelen de huidige en toekomstige bestemming van de onderliggende grond niet belemmeren;";
6° in paragraaf 2 wordt aan het zevende lid een zin toegevoegd, die luidt als volgt:
"Het volledige participatiebedrag wordt door de participant uitbetaald aan de projectuitvoerder uiterlijk op de datum waarop de fotovoltaïsche zonnepanelen in dienst moeten worden genomen, als vermeld in artikel 6.7.3, § 1.";
7° in paragraaf 2 wordt aan het achtste lid de volgende zin toegevoegd:
"Het VEKA kan nadere regels vastleggen om het piekvermogen of het nominale vermogen te berekenen van projectinstallaties die worden geplaatst ter uitvoering van een andere verplichting in dit besluit en die niet voldoen aan de bepalingen in deze paragraaf.";
8° in paragraaf 2 wordt het negende lid vervangen door wat volgt:
"In geval van participatie als vermeld in het eerste lid, legt de eigenaar, erfpachter of opstalhouder een participatieovereenkomst tussen participant en projectuitvoerder voor aan het VEKA. De participatieovereenkomst bevat minstens al de volgende gegevens:
1° het unieke nummer van de participatieovereenkomst;
2° het project waarin wordt geparticipeerd;
3° het volledige participatiebedrag;
4° het afnamepunt van het project waarin wordt geparticipeerd;
5° een verbod om de participatie gedurende de eerste vijftien jaar van uitbating na de indienstname van de projectinstallatie onder enige vorm te vervreemden;
6° het piekvermogen of het nominale vermogen dat het voorwerp uitmaakt van de voormelde participatieovereenkomst. In geval van participatie in een project met als doel de repowering van een windturbine, vermeldt de participatieovereenkomst dat de participant participeert in het extra nominale vermogen dat door de repowering wordt gerealiseerd ten opzichte van het oorspronkelijk nominale vermogen van de windturbine;
7° de uiterlijke datum van indienstname van de projectinstallatie waarin wordt geparticipeerd;
8° een verklaring op erewoord dat de projectinstallatie waarin geparticipeerd wordt in kader van de PV-verplichting, niet is geplaatst ter uitvoering van andere verplichtingen die bij of krachtens dit besluit worden vastgesteld.";
9° in paragraaf 2 worden tussen het negende en het tiende lid twee leden ingevoegd, die luiden als volgt:
"De projectuitvoerder stelt per project een lijst op die al de volgende elementen bevat en bezorgt die lijst aan het VEKA:
1° de participanten;
2° de unieke nummers van de participatieovereenkomsten, vermeld in het negende lid, 1° ;
3° het afnamepunt van het project, vermeld in het negende lid, 4°.
Het piekvermogen of het nominale vermogen dat het voorwerp uitmaakt van de participatieovereenkomst, vermeld in het negende lid, kan maar één keer meegeteld worden om te voldoen aan de verplichtingen, vermeld in afdeling II en deze afdeling, en andere verplichtingen die voortvloeien uit dit besluit, met uitzondering van de toepassing van paragraaf 3, punt 1°, b) en punt 2°, b). In geval van participatie in een project met als doel de repowering van een windturbine, vermeld in het derde lid, 3°, vermeldt de participatieovereenkomst dat de participant participeert in het extra nominale vermogen na de repowering van de windturbine.".
1° in paragraaf 1 wordt de zinsnede "kan een publieke organisatie als vermeld in artikel 6.7.6, ook de volgende hernieuwbare energietechnologieën plaatsen achter hetzelfde afnamepunt:" vervangen door de zinsnede "kan door een publieke organisatie als vermeld in artikel 6.7.6, ook worden voldaan aan de verplichting door de volgende hernieuwbare energietechnologieën in dienst te nemen achter hetzelfde afnamepunt:";
2° in paragraaf 2, eerste lid, 1°, wordt de zinsnede "nieuwe fotovoltaïsche zonnepanelen op gebouwen, marginale gronden, carports of fietsenstallingen" vervangen door de zinsnede "nieuwe fotovoltaïsche zonnepanelen op de gebouwen, op de gevels van de gebouwen, op de marginale gronden, op de carports of op de fietsenstallingen";
3° in paragraaf 2 wordt in het eerste lid een punt 2° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"2° /1 nieuwe overkoepelende fotovoltaïsche zonnepanelen binnen een agrarisch gebied, voor zover de fotovoltaïsche zonnepanelen de huidige en toekomstige bestemming van de onderliggende grond niet belemmeren;";
4° in paragraaf 2, derde lid, 1°, wordt de zinsnede "nieuwe fotovoltaïsche zonnepanelen op gebouwen, marginale gronden, carports of fietsenstallingen" vervangen door de zinsnede "nieuwe fotovoltaïsche zonnepanelen op de gebouwen, op de gevels van de gebouwen, op de marginale gronden, op de carports of op de fietsenstallingen";
5° in paragraaf 2 wordt in het derde lid een punt 2° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"2° /1 nieuwe overkoepelende fotovoltaïsche zonnepanelen binnen een agrarisch gebied, voor zover de fotovoltaïsche zonnepanelen de huidige en toekomstige bestemming van de onderliggende grond niet belemmeren;";
6° in paragraaf 2 wordt aan het zevende lid een zin toegevoegd, die luidt als volgt:
"Het volledige participatiebedrag wordt door de participant uitbetaald aan de projectuitvoerder uiterlijk op de datum waarop de fotovoltaïsche zonnepanelen in dienst moeten worden genomen, als vermeld in artikel 6.7.3, § 1.";
7° in paragraaf 2 wordt aan het achtste lid de volgende zin toegevoegd:
"Het VEKA kan nadere regels vastleggen om het piekvermogen of het nominale vermogen te berekenen van projectinstallaties die worden geplaatst ter uitvoering van een andere verplichting in dit besluit en die niet voldoen aan de bepalingen in deze paragraaf.";
8° in paragraaf 2 wordt het negende lid vervangen door wat volgt:
"In geval van participatie als vermeld in het eerste lid, legt de eigenaar, erfpachter of opstalhouder een participatieovereenkomst tussen participant en projectuitvoerder voor aan het VEKA. De participatieovereenkomst bevat minstens al de volgende gegevens:
1° het unieke nummer van de participatieovereenkomst;
2° het project waarin wordt geparticipeerd;
3° het volledige participatiebedrag;
4° het afnamepunt van het project waarin wordt geparticipeerd;
5° een verbod om de participatie gedurende de eerste vijftien jaar van uitbating na de indienstname van de projectinstallatie onder enige vorm te vervreemden;
6° het piekvermogen of het nominale vermogen dat het voorwerp uitmaakt van de voormelde participatieovereenkomst. In geval van participatie in een project met als doel de repowering van een windturbine, vermeldt de participatieovereenkomst dat de participant participeert in het extra nominale vermogen dat door de repowering wordt gerealiseerd ten opzichte van het oorspronkelijk nominale vermogen van de windturbine;
7° de uiterlijke datum van indienstname van de projectinstallatie waarin wordt geparticipeerd;
8° een verklaring op erewoord dat de projectinstallatie waarin geparticipeerd wordt in kader van de PV-verplichting, niet is geplaatst ter uitvoering van andere verplichtingen die bij of krachtens dit besluit worden vastgesteld.";
9° in paragraaf 2 worden tussen het negende en het tiende lid twee leden ingevoegd, die luiden als volgt:
"De projectuitvoerder stelt per project een lijst op die al de volgende elementen bevat en bezorgt die lijst aan het VEKA:
1° de participanten;
2° de unieke nummers van de participatieovereenkomsten, vermeld in het negende lid, 1° ;
3° het afnamepunt van het project, vermeld in het negende lid, 4°.
Het piekvermogen of het nominale vermogen dat het voorwerp uitmaakt van de participatieovereenkomst, vermeld in het negende lid, kan maar één keer meegeteld worden om te voldoen aan de verplichtingen, vermeld in afdeling II en deze afdeling, en andere verplichtingen die voortvloeien uit dit besluit, met uitzondering van de toepassing van paragraaf 3, punt 1°, b) en punt 2°, b). In geval van participatie in een project met als doel de repowering van een windturbine, vermeld in het derde lid, 3°, vermeldt de participatieovereenkomst dat de participant participeert in het extra nominale vermogen na de repowering van de windturbine.".
Art. 48. A l'article 6.7.9 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 février 2023 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 juin 2023, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, le membre de phrase " une organisation publique telle que visée à l'article 6.7.6 peut également installer les technologies d'énergie renouvelable suivantes derrière le même point de prélèvement : " est remplacé par le membre de phrase " une organisation publique telle que visée à l'article 6.7.6 peut également satisfaire à l'obligation par la mise en service des technologies d'énergie renouvelable suivantes derrière le même point de prélèvement : "
2° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, 1°, le membre de phrase " de nouveaux panneaux solaires photovoltaïques sur des bâtiments, des terres marginales, des abris-garages ou des abris vélos " est remplacé par le membre de phrase " de nouveaux panneaux solaires photovoltaïques sur les bâtiments, sur les façades de bâtiments, sur les terres marginales, sur les abris-garages ou sur les abris vélos " ;
3° dans le paragraphe 2, il est inséré dans l'alinéa 1er un point 2° /1, rédigé comme suit :
" 2° /1 de nouveaux panneaux solaires photovoltaïques en parapluie dans une zone agricole, pour autant que les panneaux solaires photovoltaïques n'interfèrent pas avec la destination actuelle et future du terrain sous-jacent ; " ;
4° dans le paragraphe 2, alinéa 3, 1°, le membre de phrase " de nouveaux panneaux solaires photovoltaïques sur des bâtiments, des terres marginales, des abris-garages ou des abris vélos " est remplacé par le membre de phrase " de nouveaux panneaux solaires photovoltaïques sur les bâtiments, sur les façades de bâtiments, sur les terres marginales, sur les abris-garages ou sur les abris vélos " ;
5° dans le paragraphe 2, il est inséré dans l'alinéa 3 un point 2° /1, rédigé comme suit :
" 2° /1 de nouveaux panneaux solaires photovoltaïques en parapluie dans une zone agricole, pour autant que les panneaux solaires photovoltaïques n'interfèrent pas avec la destination actuelle et future du terrain sous-jacent ; " ;
6° dans le paragraphe 2, l'alinéa 7 est complété par une phrase, rédigée comme suit :
" Le montant total de la participation est versé par le participant à l'exécuteur du projet au plus tard à la date de mise en service des panneaux solaires photovoltaïques, telle que visée à l'article 6.7.3, § 1er. " ;
7° dans le paragraphe 2, l'alinéa 8 est complété par la phrase suivante :
" La VEKA peut arrêter des modalités pour le calcul de la puissance de crête ou de la puissance nominale d'installations de projet mises en place en exécution d'une autre obligation figurant dans le présent arrêté et qui ne satisfont pas aux dispositions du présent paragraphe. " ;
8° au paragraphe 2, l'alinéa 9 est remplacé par ce qui suit :
" En cas de participation telle que visée à l'alinéa 1er, le propriétaire, l'emphytéote ou le superficiaire soumet à la VEKA une convention de participation entre le participant et l'exécuteur du projet. La convention de participation comporte au moins les éléments suivants :
1° le numéro unique de la convention de participation ;
2° le projet auquel il est participé ;
3° le montant total de la participation ;
4° le point de prélèvement du projet auquel il est participé ;
5° l'interdiction d'aliéner la participation sous quelque forme que ce soit au cours des 15 premières années suivant la mise en service de l'installation de projet ;
6° la puissance de crête ou la puissance nominale qui fait l'objet de la convention de participation précitée. En cas de participation à un projet visant le repowering d'une éolienne, la convention de participation indique que la participation du participant porte sur la puissance nominale supplémentaire réalisée par le repowering par rapport à la puissance nominale d'origine de l'éolienne ;
7° la date limite de mise en service de l'installation du projet auquel il est participé ;
8° une déclaration sur l'honneur attestant que l'installation du projet dans laquelle la participation est effectuée au titre de l'obligation PV n'a pas été mise en place pour remplir d'autres obligations établies par ou en vertu du présent arrêté. " ;
9° dans le paragraphe 2, deux alinéas rédigés comme suit sont insérés entre les alinéas 9 et 10 :
" L'exécuteur du projet établi par projet une liste contenant tous les éléments suivants et remet la liste à la VEKA :
1° les participants ;
2° les numéros uniques des conventions de participations visées à l'alinéa 9, 1° ;
3° le point de prélèvement du projet visé à l'alinéa 9, 4°.
La puissance de crête ou la puissance nominale qui fait l'objet de la convention de participation visée à l'alinéa 9 ne peut être prise en compte qu'une seule fois pour satisfaire aux obligations mentionnées dans la section II et dans la présente section et aux autres obligations découlant du présent arrêté, sauf pour l'application du paragraphe 3, point 1°, b) et point 2°, b). En cas de participation à un projet visant le repowering d'une éolienne, tel que visé à l'alinéa 3, 3°, la convention de participation indique que la participation du participant porte sur la puissance nominale supplémentaire après le repowering de l'éolienne. ".
1° dans le paragraphe 1er, le membre de phrase " une organisation publique telle que visée à l'article 6.7.6 peut également installer les technologies d'énergie renouvelable suivantes derrière le même point de prélèvement : " est remplacé par le membre de phrase " une organisation publique telle que visée à l'article 6.7.6 peut également satisfaire à l'obligation par la mise en service des technologies d'énergie renouvelable suivantes derrière le même point de prélèvement : "
2° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, 1°, le membre de phrase " de nouveaux panneaux solaires photovoltaïques sur des bâtiments, des terres marginales, des abris-garages ou des abris vélos " est remplacé par le membre de phrase " de nouveaux panneaux solaires photovoltaïques sur les bâtiments, sur les façades de bâtiments, sur les terres marginales, sur les abris-garages ou sur les abris vélos " ;
3° dans le paragraphe 2, il est inséré dans l'alinéa 1er un point 2° /1, rédigé comme suit :
" 2° /1 de nouveaux panneaux solaires photovoltaïques en parapluie dans une zone agricole, pour autant que les panneaux solaires photovoltaïques n'interfèrent pas avec la destination actuelle et future du terrain sous-jacent ; " ;
4° dans le paragraphe 2, alinéa 3, 1°, le membre de phrase " de nouveaux panneaux solaires photovoltaïques sur des bâtiments, des terres marginales, des abris-garages ou des abris vélos " est remplacé par le membre de phrase " de nouveaux panneaux solaires photovoltaïques sur les bâtiments, sur les façades de bâtiments, sur les terres marginales, sur les abris-garages ou sur les abris vélos " ;
5° dans le paragraphe 2, il est inséré dans l'alinéa 3 un point 2° /1, rédigé comme suit :
" 2° /1 de nouveaux panneaux solaires photovoltaïques en parapluie dans une zone agricole, pour autant que les panneaux solaires photovoltaïques n'interfèrent pas avec la destination actuelle et future du terrain sous-jacent ; " ;
6° dans le paragraphe 2, l'alinéa 7 est complété par une phrase, rédigée comme suit :
" Le montant total de la participation est versé par le participant à l'exécuteur du projet au plus tard à la date de mise en service des panneaux solaires photovoltaïques, telle que visée à l'article 6.7.3, § 1er. " ;
7° dans le paragraphe 2, l'alinéa 8 est complété par la phrase suivante :
" La VEKA peut arrêter des modalités pour le calcul de la puissance de crête ou de la puissance nominale d'installations de projet mises en place en exécution d'une autre obligation figurant dans le présent arrêté et qui ne satisfont pas aux dispositions du présent paragraphe. " ;
8° au paragraphe 2, l'alinéa 9 est remplacé par ce qui suit :
" En cas de participation telle que visée à l'alinéa 1er, le propriétaire, l'emphytéote ou le superficiaire soumet à la VEKA une convention de participation entre le participant et l'exécuteur du projet. La convention de participation comporte au moins les éléments suivants :
1° le numéro unique de la convention de participation ;
2° le projet auquel il est participé ;
3° le montant total de la participation ;
4° le point de prélèvement du projet auquel il est participé ;
5° l'interdiction d'aliéner la participation sous quelque forme que ce soit au cours des 15 premières années suivant la mise en service de l'installation de projet ;
6° la puissance de crête ou la puissance nominale qui fait l'objet de la convention de participation précitée. En cas de participation à un projet visant le repowering d'une éolienne, la convention de participation indique que la participation du participant porte sur la puissance nominale supplémentaire réalisée par le repowering par rapport à la puissance nominale d'origine de l'éolienne ;
7° la date limite de mise en service de l'installation du projet auquel il est participé ;
8° une déclaration sur l'honneur attestant que l'installation du projet dans laquelle la participation est effectuée au titre de l'obligation PV n'a pas été mise en place pour remplir d'autres obligations établies par ou en vertu du présent arrêté. " ;
9° dans le paragraphe 2, deux alinéas rédigés comme suit sont insérés entre les alinéas 9 et 10 :
" L'exécuteur du projet établi par projet une liste contenant tous les éléments suivants et remet la liste à la VEKA :
1° les participants ;
2° les numéros uniques des conventions de participations visées à l'alinéa 9, 1° ;
3° le point de prélèvement du projet visé à l'alinéa 9, 4°.
La puissance de crête ou la puissance nominale qui fait l'objet de la convention de participation visée à l'alinéa 9 ne peut être prise en compte qu'une seule fois pour satisfaire aux obligations mentionnées dans la section II et dans la présente section et aux autres obligations découlant du présent arrêté, sauf pour l'application du paragraphe 3, point 1°, b) et point 2°, b). En cas de participation à un projet visant le repowering d'une éolienne, tel que visé à l'alinéa 3, 3°, la convention de participation indique que la participation du participant porte sur la puissance nominale supplémentaire après le repowering de l'éolienne. ".
Art. 49. In artikel 6.7.10 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2023 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juni 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
"Het VEKA kan, na aanvraag van de eigenaar, opstalhouder of erfpachter, uitstel verlenen voor gebouwen die volledig of gedeeltelijk zullen worden gesloopt en heropgebouwd of waarvan het dak volledig of gedeeltelijk zal worden vervangen. Het uitstel wordt verleend voor het geheel of een gedeelte van de horizontale dakoppervlakte van de gebouwen die volledig of gedeeltelijk worden gesloopt of waarvan het dak volledig of gedeeltelijk wordt vervangen. In zijn aanvraag toont de eigenaar, opstalhouder of erfpachter aan dat een of meer van de gebouwen volledig of gedeeltelijk worden gesloopt en heropgebouwd of dat een of meer van de daken volledig of gedeeltelijk worden vervangen. Binnen zestig dagen na de dag waarop het VEKA de voormelde aanvraag heeft ontvangen, brengt het VEKA de eigenaar, erfpachter of opstalhouder van de gebouwen op de hoogte van de beslissing over de vraag tot uitstel. Het uitstel gaat in vanaf de betekening van de beslissing en bedraagt vijf jaar.
In geval van volledige of gedeeltelijke sloop voor heropbouw legt de eigenaar, erfpachter of opstalhouder van de gebouwen uiterlijk drie jaar na de betekening van de beslissing tot het verlenen van uitstel een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen met betrekking tot sloop voor aan het VEKA, voor zover een omgevingsvergunning voor sloop is vereist.
In geval van volledige of gedeeltelijke vervanging van het dak legt de eigenaar, erfpachter of opstalhouder van de gebouwen uiterlijk twee jaar na de betekening van de beslissing tot het verlenen van uitstel een getekende offerte voor dakvervanging voor aan het VEKA.
Een beroep bij een administratief rechtscollege over de omgevingsvergunning voor sloop, vermeld in het tweede lid, schorst de termijnen, vermeld in het eerste lid, vijfde zin, het tweede lid en het derde lid, als een omgevingsvergunning voor sloop vereist is.";
2° in paragraaf 2, tweede lid, wordt na de woorden "een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen voor de sloop voor" de zinsnede ", voor zover een omgevingsvergunning voor sloop is vereist" toegevoegd;
3° in paragraaf 2, tweede lid, wordt na de woorden "de melding aan het VEKA bezorgt", de zinsnede ", voor zover een omgevingsvergunning voor sloop is vereist" toegevoegd;
4° aan paragraaf 2 wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Een beroep bij een administratief rechtscollege over de omgevingsvergunning voor sloop, vermeld in het tweede lid, schorst de termijnen, vermeld in het tweede lid, als een omgevingsvergunning voor sloop vereist is.";
5° er wordt een paragraaf 3 toegevoegd, dat luidt als volgt:
" § 3. Het VEKA is de verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming.".
1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
"Het VEKA kan, na aanvraag van de eigenaar, opstalhouder of erfpachter, uitstel verlenen voor gebouwen die volledig of gedeeltelijk zullen worden gesloopt en heropgebouwd of waarvan het dak volledig of gedeeltelijk zal worden vervangen. Het uitstel wordt verleend voor het geheel of een gedeelte van de horizontale dakoppervlakte van de gebouwen die volledig of gedeeltelijk worden gesloopt of waarvan het dak volledig of gedeeltelijk wordt vervangen. In zijn aanvraag toont de eigenaar, opstalhouder of erfpachter aan dat een of meer van de gebouwen volledig of gedeeltelijk worden gesloopt en heropgebouwd of dat een of meer van de daken volledig of gedeeltelijk worden vervangen. Binnen zestig dagen na de dag waarop het VEKA de voormelde aanvraag heeft ontvangen, brengt het VEKA de eigenaar, erfpachter of opstalhouder van de gebouwen op de hoogte van de beslissing over de vraag tot uitstel. Het uitstel gaat in vanaf de betekening van de beslissing en bedraagt vijf jaar.
In geval van volledige of gedeeltelijke sloop voor heropbouw legt de eigenaar, erfpachter of opstalhouder van de gebouwen uiterlijk drie jaar na de betekening van de beslissing tot het verlenen van uitstel een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen met betrekking tot sloop voor aan het VEKA, voor zover een omgevingsvergunning voor sloop is vereist.
In geval van volledige of gedeeltelijke vervanging van het dak legt de eigenaar, erfpachter of opstalhouder van de gebouwen uiterlijk twee jaar na de betekening van de beslissing tot het verlenen van uitstel een getekende offerte voor dakvervanging voor aan het VEKA.
Een beroep bij een administratief rechtscollege over de omgevingsvergunning voor sloop, vermeld in het tweede lid, schorst de termijnen, vermeld in het eerste lid, vijfde zin, het tweede lid en het derde lid, als een omgevingsvergunning voor sloop vereist is.";
2° in paragraaf 2, tweede lid, wordt na de woorden "een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen voor de sloop voor" de zinsnede ", voor zover een omgevingsvergunning voor sloop is vereist" toegevoegd;
3° in paragraaf 2, tweede lid, wordt na de woorden "de melding aan het VEKA bezorgt", de zinsnede ", voor zover een omgevingsvergunning voor sloop is vereist" toegevoegd;
4° aan paragraaf 2 wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Een beroep bij een administratief rechtscollege over de omgevingsvergunning voor sloop, vermeld in het tweede lid, schorst de termijnen, vermeld in het tweede lid, als een omgevingsvergunning voor sloop vereist is.";
5° er wordt een paragraaf 3 toegevoegd, dat luidt als volgt:
" § 3. Het VEKA is de verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming.".
Art. 49. A l'article 6.7.10 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 février 2023 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 juin 2023, les modifications suivantes sont apportées :
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" La VEKA peut, à la demande du propriétaire, de l'emphytéote ou du superficiaire, accorder un report pour les bâtiments qui seront entièrement ou partiellement démolis et reconstruits ou dont la toiture sera entièrement ou partiellement remplacée. Le report est accordé pour tout ou partie de la superficie de toit horizontale des bâtiments qui sont entièrement ou partiellement démolis ou dont la toiture est entièrement ou partiellement remplacée. Dans sa demande, le propriétaire, l'emphytéote ou le superficiaire démontre qu'un ou plusieurs des bâtiments sont entièrement ou partiellement démolis et reconstruits ou qu'un ou plusieurs des toits sont entièrement ou partiellement remplacés. Dans les 60 jours suivant le jour auquel la VEKA a reçu la demande précitée, elle informe le propriétaire, l'emphytéote ou le superficiaire des bâtiments de la décision relative à la demande de report. Le report commence à partir de la signification de la décision et est de cinq ans.
En cas de démolition totale ou partielle en vue d'une reconstruction, le propriétaire, l'emphytéote ou le superficiaire des bâtiments soumet à la VEKA, au plus tard trois ans après la signification de la décision de report, un permis d'environnement pour des actes urbanistiques liés à la démolition, pour autant qu'un permis d'environnement pour démolition est requis.
En cas de remplacement total ou partiel de la toiture, le propriétaire, l'emphytéote ou le superficiaire des bâtiments soumet à la VEKA, au plus tard deux ans après la signification de la décision de report, une offre signée pour le remplacement de la toiture.
Un appel auprès d'une juridiction administrative concernant le permis d'environnement, visé à l'alinéa 2, suspend les délais, visés à l'alinéa 1er, cinquième phrase, à l'alinéa 2 et à l'alinéa 3, si un permis d'environnement pour démolition est requis. " ;
2° dans le paragraphe 2, alinéa 2, le membre de phrase " , pour autant qu'un permis d'environnement pour démolition est requis " est inséré après les mots " un permis d'environnement pour des actes urbanistiques pour la démolition " ;
3° dans le paragraphe 2, alinéa 2, le membre de phrase " , pour autant qu'un permis d'environnement pour démolition est requis " est inséré après les mots " dans un délai de trois ans à compter de la notification " ;
4° dans le paragraphe 2, il est inséré un alinéa 3, rédigé comme suit :
" Un appel auprès d'une juridiction administrative concernant le permis d'environnement, visé à l'alinéa 2, suspend les délais, visés à l'alinéa 2, si un permis d'environnement pour démolition est requis. " ;
5° il est inséré un paragraphe 3, rédigé comme suit :
" § 3. La VEKA est le responsable du traitement, tel que visé à l'article 4, 7) du règlement général sur la protection des données. ".
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" La VEKA peut, à la demande du propriétaire, de l'emphytéote ou du superficiaire, accorder un report pour les bâtiments qui seront entièrement ou partiellement démolis et reconstruits ou dont la toiture sera entièrement ou partiellement remplacée. Le report est accordé pour tout ou partie de la superficie de toit horizontale des bâtiments qui sont entièrement ou partiellement démolis ou dont la toiture est entièrement ou partiellement remplacée. Dans sa demande, le propriétaire, l'emphytéote ou le superficiaire démontre qu'un ou plusieurs des bâtiments sont entièrement ou partiellement démolis et reconstruits ou qu'un ou plusieurs des toits sont entièrement ou partiellement remplacés. Dans les 60 jours suivant le jour auquel la VEKA a reçu la demande précitée, elle informe le propriétaire, l'emphytéote ou le superficiaire des bâtiments de la décision relative à la demande de report. Le report commence à partir de la signification de la décision et est de cinq ans.
En cas de démolition totale ou partielle en vue d'une reconstruction, le propriétaire, l'emphytéote ou le superficiaire des bâtiments soumet à la VEKA, au plus tard trois ans après la signification de la décision de report, un permis d'environnement pour des actes urbanistiques liés à la démolition, pour autant qu'un permis d'environnement pour démolition est requis.
En cas de remplacement total ou partiel de la toiture, le propriétaire, l'emphytéote ou le superficiaire des bâtiments soumet à la VEKA, au plus tard deux ans après la signification de la décision de report, une offre signée pour le remplacement de la toiture.
Un appel auprès d'une juridiction administrative concernant le permis d'environnement, visé à l'alinéa 2, suspend les délais, visés à l'alinéa 1er, cinquième phrase, à l'alinéa 2 et à l'alinéa 3, si un permis d'environnement pour démolition est requis. " ;
2° dans le paragraphe 2, alinéa 2, le membre de phrase " , pour autant qu'un permis d'environnement pour démolition est requis " est inséré après les mots " un permis d'environnement pour des actes urbanistiques pour la démolition " ;
3° dans le paragraphe 2, alinéa 2, le membre de phrase " , pour autant qu'un permis d'environnement pour démolition est requis " est inséré après les mots " dans un délai de trois ans à compter de la notification " ;
4° dans le paragraphe 2, il est inséré un alinéa 3, rédigé comme suit :
" Un appel auprès d'une juridiction administrative concernant le permis d'environnement, visé à l'alinéa 2, suspend les délais, visés à l'alinéa 2, si un permis d'environnement pour démolition est requis. " ;
5° il est inséré un paragraphe 3, rédigé comme suit :
" § 3. La VEKA est le responsable du traitement, tel que visé à l'article 4, 7) du règlement général sur la protection des données. ".
Art. 50. Aan titel VI van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juni 2023, wordt een hoofdstuk VIII, dat bestaat uit artikel 6.8.1, toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Hoofdstuk VIII. Inventaris van het energiegebruik van gebouwen van overheidsinstanties
"Hoofdstuk VIII. Inventaris van het energiegebruik van gebouwen van overheidsinstanties
Art. 50. Le titre VI du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 juin 2023, est complété par un chapitre VIII, comprenant l'article 6.8.1, rédigé comme suit :
" Chapitre VIII. Inventaire de l'utilisation d'énergie des bâtiments d'instances publiques
" Chapitre VIII. Inventaire de l'utilisation d'énergie des bâtiments d'instances publiques
Art. 6.8.1. Het platform waarbinnen de energieverbruiks- en productiegegevens en, waar beschikbaar, de fysische kenmerken van de installaties en gebouwen, van de gebouwen waarvan openbare besturen gebruiker zijn publiek beschikbaar is als open data, is de databank "Terra Patrimonium- en energiedatabank Vlaanderen" die wordt beheerd door het Vlaams Energiebedrijf.".
Art. 6.8.1. La plateforme au sein de laquelle les données de consommation et de production d'énergie et, lorsqu'elles sont disponibles, les caractéristiques physiques des installations et des bâtiments, des bâtiments dont les administrations publiques sont les utilisateurs, sont accessibles au public sous la forme de données ouvertes, est la base de données " Terra Parimonium- en energiedatabank Vlaanderen " gérée par l'Entreprise flamande de l'énergie (" Vlaams Energiebedrijf "). ".
Art. 51. Artikel 7.1.1 van hetzelfde besluit, hersteld bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 september 2013 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2015, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 7.1.1. § 1. Overeenkomstig artikel 8.7.2, § 2, derde lid van het Energiedecreet van 8 mei 2009 worden de maximumpercentages voor tegemoetkomingen aan ondernemingen, vermeld in artikel 8.7.2, § 2, van het voormelde decreet aangepast aan de Europese kaderregeling voor staatssteun ten behoeve van het milieu.
§ 2. In afwijking van artikel 8.7.2, § 2, eerste en tweede lid van het Energiedecreet van 8 mei 2009, kunnen de tegemoetkomingen voor de verbetering van de energie- en milieuprestaties van gebouwen die ter uitvoering van titel VIII van het voormelde decreet worden toegekend maximaal 30% van de in aanmerking komende kosten bedragen.
In afwijking van het eerste lid bedraagt de steunintensiteit ten hoogste 25% als de investering bestaat in de installatie of vervanging van maar één type onderdeel van een gebouw als vermeld in artikel 2, punt 9, van richtlijn 2010/31/EU.
In afwijking van het eerste en tweede lid kan de steunintensiteit niet meer bedragen dan 15% van de in aanmerking komende kosten als de investering bestaat in de installatie of vervanging van maar één type onderdeel van een gebouw als vermeld in artikel 2, punt 9, van richtlijn 2010/31/EU, en niet meer dan 20% in alle andere gevallen, als de steun wordt verleend voor investeringen in gebouwen om te voldoen aan minimumnormen voor energieprestaties die als Unienormen zoals vermeld in punt 4.2.4.2 van de Europese Richtsnoeren staatssteun ten behoeve van klimaat, milieubescherming en energie 2022 (2022/C 80/01) kwalificeren, en de steun wordt verleend minder dan achttien maanden voor de inwerkingtreding van die Unienormen.
Voor steun voor het verbeteren van de energieprestaties van bestaande gebouwen kan de steunintensiteit met 15 procentpunten worden verhoogd als de verbeteringen van de energieprestaties resulteren in een daling van de vraag naar primaire energie met ten minste 40%. De voormelde verhoging van de steunintensiteit geldt niet als het project, hoewel het de vraag naar primaire energie met 40% of meer doet dalen, de energieprestaties van het gebouw niet verder verbetert dan het niveau dat wordt voorgeschreven door minimumnormen voor energieprestaties die als Unienormen zoals vermeld in punt 4.2.4.2 van de Europese Richtsnoeren staatssteun ten behoeve van klimaat, milieubescherming en energie 2022 (2022/C 80/01) kunnen worden aangemerkt en die Unienormen binnen minder dan achttien maanden te rekenen van de datum van de steunaanvraag van kracht worden.
De steunintensiteit kan voor de verbetering van de energie- en milieuprestaties van gebouwen met 20 procentpunten worden verhoogd voor steun aan kleine ondernemingen of met 10 procentpunten voor steun aan middelgrote ondernemingen.
De steunintensiteit kan met 15 procentpunten worden verhoogd voor investeringen in steungebieden die voldoen aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, punt a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met 5 procentpunten voor investeringen in steungebieden die voldoen aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, punt c), van het voormelde verdrag.
§ 3. In afwijking van artikel 8.7.2, § 2, eerste en tweede lid, van het Energiedecreet van 8 mei 2009, worden voor tegemoetkomingen voor de reductie en verwijdering van broeikasgasemissies, die ter uitvoering van titel VIII van het voormelde decreet worden toegekend, de regels voor de evenredigheid van de steun, vermeld in punt 4.1.3.5 van de Richtsnoeren staatssteun ten behoeve van klimaat, milieubescherming en energie 2022 (2022/C 80/01) in acht genomen.
§ 4. In afwijking van artikel 8.7.2, § 2, eerste en tweede lid, van het Energiedecreet van 8 mei 2009, worden voor tegemoetkomingen ten behoeve van stadsverwarming en stadskoeling die ter uitvoering van titel VIII van het voormelde decreet worden toegekend, de regels voor de evenredigheid van de steun, vermeld in punt 4.10.4 van de Richtsnoeren staatssteun ten behoeve van klimaat, milieubescherming en energie 2022 (2022/C 80/01) in acht genomen.".
"Art. 7.1.1. § 1. Overeenkomstig artikel 8.7.2, § 2, derde lid van het Energiedecreet van 8 mei 2009 worden de maximumpercentages voor tegemoetkomingen aan ondernemingen, vermeld in artikel 8.7.2, § 2, van het voormelde decreet aangepast aan de Europese kaderregeling voor staatssteun ten behoeve van het milieu.
§ 2. In afwijking van artikel 8.7.2, § 2, eerste en tweede lid van het Energiedecreet van 8 mei 2009, kunnen de tegemoetkomingen voor de verbetering van de energie- en milieuprestaties van gebouwen die ter uitvoering van titel VIII van het voormelde decreet worden toegekend maximaal 30% van de in aanmerking komende kosten bedragen.
In afwijking van het eerste lid bedraagt de steunintensiteit ten hoogste 25% als de investering bestaat in de installatie of vervanging van maar één type onderdeel van een gebouw als vermeld in artikel 2, punt 9, van richtlijn 2010/31/EU.
In afwijking van het eerste en tweede lid kan de steunintensiteit niet meer bedragen dan 15% van de in aanmerking komende kosten als de investering bestaat in de installatie of vervanging van maar één type onderdeel van een gebouw als vermeld in artikel 2, punt 9, van richtlijn 2010/31/EU, en niet meer dan 20% in alle andere gevallen, als de steun wordt verleend voor investeringen in gebouwen om te voldoen aan minimumnormen voor energieprestaties die als Unienormen zoals vermeld in punt 4.2.4.2 van de Europese Richtsnoeren staatssteun ten behoeve van klimaat, milieubescherming en energie 2022 (2022/C 80/01) kwalificeren, en de steun wordt verleend minder dan achttien maanden voor de inwerkingtreding van die Unienormen.
Voor steun voor het verbeteren van de energieprestaties van bestaande gebouwen kan de steunintensiteit met 15 procentpunten worden verhoogd als de verbeteringen van de energieprestaties resulteren in een daling van de vraag naar primaire energie met ten minste 40%. De voormelde verhoging van de steunintensiteit geldt niet als het project, hoewel het de vraag naar primaire energie met 40% of meer doet dalen, de energieprestaties van het gebouw niet verder verbetert dan het niveau dat wordt voorgeschreven door minimumnormen voor energieprestaties die als Unienormen zoals vermeld in punt 4.2.4.2 van de Europese Richtsnoeren staatssteun ten behoeve van klimaat, milieubescherming en energie 2022 (2022/C 80/01) kunnen worden aangemerkt en die Unienormen binnen minder dan achttien maanden te rekenen van de datum van de steunaanvraag van kracht worden.
De steunintensiteit kan voor de verbetering van de energie- en milieuprestaties van gebouwen met 20 procentpunten worden verhoogd voor steun aan kleine ondernemingen of met 10 procentpunten voor steun aan middelgrote ondernemingen.
De steunintensiteit kan met 15 procentpunten worden verhoogd voor investeringen in steungebieden die voldoen aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, punt a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met 5 procentpunten voor investeringen in steungebieden die voldoen aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, punt c), van het voormelde verdrag.
§ 3. In afwijking van artikel 8.7.2, § 2, eerste en tweede lid, van het Energiedecreet van 8 mei 2009, worden voor tegemoetkomingen voor de reductie en verwijdering van broeikasgasemissies, die ter uitvoering van titel VIII van het voormelde decreet worden toegekend, de regels voor de evenredigheid van de steun, vermeld in punt 4.1.3.5 van de Richtsnoeren staatssteun ten behoeve van klimaat, milieubescherming en energie 2022 (2022/C 80/01) in acht genomen.
§ 4. In afwijking van artikel 8.7.2, § 2, eerste en tweede lid, van het Energiedecreet van 8 mei 2009, worden voor tegemoetkomingen ten behoeve van stadsverwarming en stadskoeling die ter uitvoering van titel VIII van het voormelde decreet worden toegekend, de regels voor de evenredigheid van de steun, vermeld in punt 4.10.4 van de Richtsnoeren staatssteun ten behoeve van klimaat, milieubescherming en energie 2022 (2022/C 80/01) in acht genomen.".
Art. 51. L'article 7.1.1 du même arrêté, rétabli par l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 septembre 2013 et remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juillet 2015, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 7.1.1. § 1er. Conformément à l'article 8.7.2, § 2, alinéa 3 du décret sur l'énergie du 8 mai 2009, les pourcentages maximaux pour les interventions octroyées aux entreprises, visées à l'article 8.7.2, § 2, du décret précité sont adaptés à la réglementation cadre européenne relative aux aides d'Etat au profit de l'environnement.
§ 2. Par dérogation à l'article 8.7.2, § 2, alinéas 1er et 2 du décret sur l'énergie du 8 mai 2009, les aides à l'amélioration de la performance énergétique et environnementale des bâtiments qui sont octroyées en exécution du titre VIII du décret précité peuvent s'élever au maximum à 30 % des frais éligibles.
Par dérogation à l'alinéa 1er, l'intensité de l'aide n'excède pas 25 % si l'investissement consiste en l'installation ou le remplacement d'un seul type d'élément de bâtiment, tel que visé à l'article 2, point 9, de la directive 2010/31/UE.
Par dérogation aux alinéas 1er et 2, l'intensité de l'aide ne peut excéder 15 % des frais éligibles si l'investissement consiste en l'installation ou le remplacement d'un seul type d'élément bâtiment tel que visé à l'article 2, point 9, de la directive 2010/31/UE, et ne peut excéder 20 % dans tous les autres cas, si l'aide est accordée pour des investissements dans des bâtiments afin de se conformer à des normes minimales en matière de performance énergétique pouvant être qualifiées de normes de l'Union, telles que visées au point 4.2.4.2 des lignes directrices européennes concernant les aides d'Etat au climat, à la protection de l'environnement et à l'énergie pour 2022 (2022/C 80/01), et si l'aide est accordée moins de 18 mois avant l'entrée en vigueur de ces normes de l'Union.
En ce qui concerne les aides octroyées pour améliorer la performance énergétique des bâtiments existants, l'intensité de l'aide peut être majorée de 15 points de pourcentage lorsque les améliorations de la performance énergétique entraînent une réduction de la demande d'énergie primaire d'au moins 40 %. Cette augmentation de l'intensité de l'aide ne s'applique pas lorsque le projet, bien que permettant une réduction de la demande d'énergie primaire de 40 % ou plus, n'améliore pas la performance énergétique du bâtiment au-delà du niveau imposé par les normes minimales en matière de performance énergétique pouvant être qualifiées de normes de l'Union, telles que visées au point 4.2.4.2 des lignes directrices européennes concernant les aides d'Etat au climat, à la protection de l'environnement et à l'énergie pour 2022 (2022/C 80/01) et que ces normes de l'Union entrent en vigueur dans un délai de moins de 18 mois à compter de la demande d'aide.
L'intensité de l'aide à l'amélioration de la performance énergétique et environnementale des bâtiments peut être majorée de 20 points de pourcentage pour les aides octroyées aux petites entreprises ou de 10 points de pourcentage pour celles octroyées aux entreprises de taille moyenne.
L'intensité de l'aide peut être majorée de 15 points de pourcentage pour les investissements effectués dans des zones assistées remplissant les conditions de l'article 107, paragraphe 3, point a), du Traité sur le fonctionnement de l'Union européenne ou de 5 points de pourcentage pour les investissements effectués dans des zones assistées remplissant les conditions de l'article 107, paragraphe 3, point c), du traité précité.
§ 3. Par dérogation à l'article 8.7.2, § 2, alinéas 1er et 2 du décret sur l'énergie du 8 mai 2009, pour les interventions en faveur de la réduction et de l'élimination des émissions de gaz à effet de serre, accordées en application du titre VIII du décret précité, les règles de proportionnalité des aides énoncées au point 4.1.3.5 des lignes directrices européennes concernant les aides d'Etat au climat, à la protection de l'environnement et à l'énergie pour 2022 (2022/C 80/01) sont respectées.
§ 4. Par dérogation à l'article 8.7.2, § 2, alinéas 1er et 2 du décret sur l'énergie du 8 mai 2009, pour les interventions en faveur du chauffage et du refroidissement urbains, accordées en application du titre VIII du décret précité, les règles de proportionnalité des aides énoncées au point 4.10.4 des lignes directrices concernant les aides d'Etat au climat, à la protection de l'environnement et à l'énergie 2022 (2022/C 80/01) sont respectées. ".
" Art. 7.1.1. § 1er. Conformément à l'article 8.7.2, § 2, alinéa 3 du décret sur l'énergie du 8 mai 2009, les pourcentages maximaux pour les interventions octroyées aux entreprises, visées à l'article 8.7.2, § 2, du décret précité sont adaptés à la réglementation cadre européenne relative aux aides d'Etat au profit de l'environnement.
§ 2. Par dérogation à l'article 8.7.2, § 2, alinéas 1er et 2 du décret sur l'énergie du 8 mai 2009, les aides à l'amélioration de la performance énergétique et environnementale des bâtiments qui sont octroyées en exécution du titre VIII du décret précité peuvent s'élever au maximum à 30 % des frais éligibles.
Par dérogation à l'alinéa 1er, l'intensité de l'aide n'excède pas 25 % si l'investissement consiste en l'installation ou le remplacement d'un seul type d'élément de bâtiment, tel que visé à l'article 2, point 9, de la directive 2010/31/UE.
Par dérogation aux alinéas 1er et 2, l'intensité de l'aide ne peut excéder 15 % des frais éligibles si l'investissement consiste en l'installation ou le remplacement d'un seul type d'élément bâtiment tel que visé à l'article 2, point 9, de la directive 2010/31/UE, et ne peut excéder 20 % dans tous les autres cas, si l'aide est accordée pour des investissements dans des bâtiments afin de se conformer à des normes minimales en matière de performance énergétique pouvant être qualifiées de normes de l'Union, telles que visées au point 4.2.4.2 des lignes directrices européennes concernant les aides d'Etat au climat, à la protection de l'environnement et à l'énergie pour 2022 (2022/C 80/01), et si l'aide est accordée moins de 18 mois avant l'entrée en vigueur de ces normes de l'Union.
En ce qui concerne les aides octroyées pour améliorer la performance énergétique des bâtiments existants, l'intensité de l'aide peut être majorée de 15 points de pourcentage lorsque les améliorations de la performance énergétique entraînent une réduction de la demande d'énergie primaire d'au moins 40 %. Cette augmentation de l'intensité de l'aide ne s'applique pas lorsque le projet, bien que permettant une réduction de la demande d'énergie primaire de 40 % ou plus, n'améliore pas la performance énergétique du bâtiment au-delà du niveau imposé par les normes minimales en matière de performance énergétique pouvant être qualifiées de normes de l'Union, telles que visées au point 4.2.4.2 des lignes directrices européennes concernant les aides d'Etat au climat, à la protection de l'environnement et à l'énergie pour 2022 (2022/C 80/01) et que ces normes de l'Union entrent en vigueur dans un délai de moins de 18 mois à compter de la demande d'aide.
L'intensité de l'aide à l'amélioration de la performance énergétique et environnementale des bâtiments peut être majorée de 20 points de pourcentage pour les aides octroyées aux petites entreprises ou de 10 points de pourcentage pour celles octroyées aux entreprises de taille moyenne.
L'intensité de l'aide peut être majorée de 15 points de pourcentage pour les investissements effectués dans des zones assistées remplissant les conditions de l'article 107, paragraphe 3, point a), du Traité sur le fonctionnement de l'Union européenne ou de 5 points de pourcentage pour les investissements effectués dans des zones assistées remplissant les conditions de l'article 107, paragraphe 3, point c), du traité précité.
§ 3. Par dérogation à l'article 8.7.2, § 2, alinéas 1er et 2 du décret sur l'énergie du 8 mai 2009, pour les interventions en faveur de la réduction et de l'élimination des émissions de gaz à effet de serre, accordées en application du titre VIII du décret précité, les règles de proportionnalité des aides énoncées au point 4.1.3.5 des lignes directrices européennes concernant les aides d'Etat au climat, à la protection de l'environnement et à l'énergie pour 2022 (2022/C 80/01) sont respectées.
§ 4. Par dérogation à l'article 8.7.2, § 2, alinéas 1er et 2 du décret sur l'énergie du 8 mai 2009, pour les interventions en faveur du chauffage et du refroidissement urbains, accordées en application du titre VIII du décret précité, les règles de proportionnalité des aides énoncées au point 4.10.4 des lignes directrices concernant les aides d'Etat au climat, à la protection de l'environnement et à l'énergie 2022 (2022/C 80/01) sont respectées. ".
Art. 52. In artikel 7.2.22 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 mei 2019 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 16 juli 2021, 8 juli 2022 en 16 juni 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, vierde lid, wordt het bedrag "3.000 euro" vervangen door het bedrag "9.000 euro";
2° in paragraaf 5, tweede lid, wordt de zinsnede ", alsmede een conventioneel voorkooprecht, toepasbaar in geval een overdracht of vestiging, onder de levenden en ten bezwarende titel, van zakelijke rechten op de noodkoopwoning plaatsvindt" opgeheven.
1° in paragraaf 1, vierde lid, wordt het bedrag "3.000 euro" vervangen door het bedrag "9.000 euro";
2° in paragraaf 5, tweede lid, wordt de zinsnede ", alsmede een conventioneel voorkooprecht, toepasbaar in geval een overdracht of vestiging, onder de levenden en ten bezwarende titel, van zakelijke rechten op de noodkoopwoning plaatsvindt" opgeheven.
Art. 52. A l'article 7.2.22 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 mai 2019 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 16 juillet 2021, 8 juillet 2022 et 16 juin 2023, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 4, le montant " 3 000 euros " est remplacé par le montant " 9 000 euros " ;
2° dans le paragraphe 5, alinéa 2, le membre de phrase " ainsi qu'un droit conventionnel de préemption applicable en cas de transfert ou d'établissement de droits réels au logement acquisitif par nécessité, entre vifs et à titre onéreux " est abrogé.
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 4, le montant " 3 000 euros " est remplacé par le montant " 9 000 euros " ;
2° dans le paragraphe 5, alinéa 2, le membre de phrase " ainsi qu'un droit conventionnel de préemption applicable en cas de transfert ou d'établissement de droits réels au logement acquisitif par nécessité, entre vifs et à titre onéreux " est abrogé.
Art. 53. In artikel 7.2.25, § 3, derde lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 mei 2019 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juni 2023, worden de woorden "de minimumscore hebben behaald" vervangen door de woorden "voldoen aan de criteria".
Art. 53. Dans l'article 7.2.25, § 3, alinéa 3, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 mai 2019 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 juin 2023, les mots " qui n'ont pas atteint le score minimal " sont remplacés par les mots " qui ne satisfont pas aux conditions ".
Art. 54. In artikel 7.4.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 september 2013 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 juli 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt punt 3° vervangen door wat volgt:
"3° een energie-efficiënte stadsverwarming of -koeling, waarmee voldaan wordt aan een economische aantoonbare warmte- of koudevraag die tot de indieningsdatum niet wordt ingevuld door een stadsverwarmings- of stadskoelingssysteem.";
2° aan paragraaf 1, vijfde lid, wordt de volgende zin toegevoegd:
"Als de economisch aantoonbare warmte- of koudevraag al is gebruikt in de berekening van de CO2-besparing, vermeld in artikel 7.4.3, § 1, vierde lid, van een ander project dat goedgekeurd is of goedgekeurd kan worden voor steun overeenkomstig deze paragraaf, kan de geproduceerde en getransporteerde warmte en koude en de te benutten restwarmte niet meer gebruikt worden bij de berekening van de CO2-besparing.";
3° aan paragraaf 7, tweede lid, punt 1°, b), wordt de volgende zin toegevoegd:
"Steun voor een installatie waarbij restwarmte benut wordt bij een afvalverbrandingsinstallatie kan alleen in combinatie met een energie-efficiënte stadsverwarming of -koeling worden aangevraagd en de steun wordt alleen toegekend voor het organisch-biologisch deel van restafval zoals vermeld in artikel 6.1.10, eerste lid.".
1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt punt 3° vervangen door wat volgt:
"3° een energie-efficiënte stadsverwarming of -koeling, waarmee voldaan wordt aan een economische aantoonbare warmte- of koudevraag die tot de indieningsdatum niet wordt ingevuld door een stadsverwarmings- of stadskoelingssysteem.";
2° aan paragraaf 1, vijfde lid, wordt de volgende zin toegevoegd:
"Als de economisch aantoonbare warmte- of koudevraag al is gebruikt in de berekening van de CO2-besparing, vermeld in artikel 7.4.3, § 1, vierde lid, van een ander project dat goedgekeurd is of goedgekeurd kan worden voor steun overeenkomstig deze paragraaf, kan de geproduceerde en getransporteerde warmte en koude en de te benutten restwarmte niet meer gebruikt worden bij de berekening van de CO2-besparing.";
3° aan paragraaf 7, tweede lid, punt 1°, b), wordt de volgende zin toegevoegd:
"Steun voor een installatie waarbij restwarmte benut wordt bij een afvalverbrandingsinstallatie kan alleen in combinatie met een energie-efficiënte stadsverwarming of -koeling worden aangevraagd en de steun wordt alleen toegekend voor het organisch-biologisch deel van restafval zoals vermeld in artikel 6.1.10, eerste lid.".
Art. 54. A l'article 7.4.1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 septembre 2013 et remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 2 juillet 2021, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, le point 3° est remplacé par ce qui suit :
" 3° un chauffage ou refroidissement urbain à haut rendement énergétique, qui répond à une demande de chaleur ou de froid économiquement justifiable qui n'est pas remplie par un système de chauffage ou de refroidissement urbain jusqu'à la date d'introduction. " ;
2° le paragraphe 1er, alinéa 5, est complété par la phrase suivante :
" Si la demande de chaleur ou de froid économiquement justifiable a déjà été utilisée dans le calcul de la réduction de CO2 visée à l'article 7.4.3, § 1er, alinéa 4, d'un autre projet qui a été ou peut être approuvé pour des aides conformément au présent paragraphe, la chaleur et le froid produits et transportés et la chaleur résiduelle à utiliser ne peuvent plus être pris en compte dans le calcul de la réduction de CO2. " ;
3° le paragraphe 7, alinéa 2, point 1°, b) est complété par la phrase suivante :
" L'aide à une installation utilisant la chaleur résiduelle d'une installation d'incinération des déchets ne peut être demandée qu'en combinaison avec un chauffage ou refroidissement urbain à haut rendement énergétique et l'aide n'est octroyée que pour la partie organo-biologique de déchets résiduaires, telle que visée à l'article 6.1.10, alinéa 1er. ".
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, le point 3° est remplacé par ce qui suit :
" 3° un chauffage ou refroidissement urbain à haut rendement énergétique, qui répond à une demande de chaleur ou de froid économiquement justifiable qui n'est pas remplie par un système de chauffage ou de refroidissement urbain jusqu'à la date d'introduction. " ;
2° le paragraphe 1er, alinéa 5, est complété par la phrase suivante :
" Si la demande de chaleur ou de froid économiquement justifiable a déjà été utilisée dans le calcul de la réduction de CO2 visée à l'article 7.4.3, § 1er, alinéa 4, d'un autre projet qui a été ou peut être approuvé pour des aides conformément au présent paragraphe, la chaleur et le froid produits et transportés et la chaleur résiduelle à utiliser ne peuvent plus être pris en compte dans le calcul de la réduction de CO2. " ;
3° le paragraphe 7, alinéa 2, point 1°, b) est complété par la phrase suivante :
" L'aide à une installation utilisant la chaleur résiduelle d'une installation d'incinération des déchets ne peut être demandée qu'en combinaison avec un chauffage ou refroidissement urbain à haut rendement énergétique et l'aide n'est octroyée que pour la partie organo-biologique de déchets résiduaires, telle que visée à l'article 6.1.10, alinéa 1er. ".
Art. 55. In artikel 7.4.2, § 1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 september 2013, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 juli 2021 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juni 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het dertiende lid vervangen door wat volgt:
"Als een percentage van de nuttige groene warmte die wordt geproduceerd door een nuttige-groenewarmte-installatie of een percentage van de restwarmte die wordt geproduceerd door een installatie voor de benutting van restwarmte, geleverd wordt aan gebouwen, komt datzelfde percentage van de nuttige-groenewarmteinstallatie en installatie voor de benutting van restwarmte voor principe-aanvragen als vermeld in artikel 7.4.3, § 1, tweede of derde lid vanaf 1 september 2024 alleen in aanmerking voor steun als
1° het gebouw is aangesloten op het elektriciteitsdistributienet vóór 1 januari 2014;
2° als de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen meer dan vijf jaar voor de datum van de principe-aanvraag vermeld in artikel 7.4.3, § 1, van dit besluit, is verleend en het gebouw, als dat van toepassing is, voldoet aan de EPB-eisen die erop van toepassing zijn."
2° tussen het dertiende en veertiende lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Delen van de stadsverwarming of -koeling die minstens 50% warmte uit hernieuwbare energiebronnen en restwarmte alleen transporteren naar gebouwen komen voor principeaanvragen vanaf 1 september 2024 alleen in aanmerking voor steun als het gebouw is aangesloten op het elektriciteitsdistributienet vóór 1 januari 2014 of als de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen meer dan vijf jaar voor de datum van de principeaanvraag vermeld in artikel 7.4.3, § 1, van dit besluit, is verleend en het gebouw, als dat van toepassing is, voldoet aan de EPB-eisen die erop van toepassing zijn.";
3° aan het dertiende lid, 2° wordt de zinsnede "of de administratieve geldboete voor het niet-voldoen aan de EPB-eisen zoals vermeld in artikel 13.4.6 van het Energiedecreet van 8 mei 2009 bedraagt minder dan 250 euro" toegevoegd.
1° het dertiende lid vervangen door wat volgt:
"Als een percentage van de nuttige groene warmte die wordt geproduceerd door een nuttige-groenewarmte-installatie of een percentage van de restwarmte die wordt geproduceerd door een installatie voor de benutting van restwarmte, geleverd wordt aan gebouwen, komt datzelfde percentage van de nuttige-groenewarmteinstallatie en installatie voor de benutting van restwarmte voor principe-aanvragen als vermeld in artikel 7.4.3, § 1, tweede of derde lid vanaf 1 september 2024 alleen in aanmerking voor steun als
1° het gebouw is aangesloten op het elektriciteitsdistributienet vóór 1 januari 2014;
2° als de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen meer dan vijf jaar voor de datum van de principe-aanvraag vermeld in artikel 7.4.3, § 1, van dit besluit, is verleend en het gebouw, als dat van toepassing is, voldoet aan de EPB-eisen die erop van toepassing zijn."
2° tussen het dertiende en veertiende lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Delen van de stadsverwarming of -koeling die minstens 50% warmte uit hernieuwbare energiebronnen en restwarmte alleen transporteren naar gebouwen komen voor principeaanvragen vanaf 1 september 2024 alleen in aanmerking voor steun als het gebouw is aangesloten op het elektriciteitsdistributienet vóór 1 januari 2014 of als de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen meer dan vijf jaar voor de datum van de principeaanvraag vermeld in artikel 7.4.3, § 1, van dit besluit, is verleend en het gebouw, als dat van toepassing is, voldoet aan de EPB-eisen die erop van toepassing zijn.";
3° aan het dertiende lid, 2° wordt de zinsnede "of de administratieve geldboete voor het niet-voldoen aan de EPB-eisen zoals vermeld in artikel 13.4.6 van het Energiedecreet van 8 mei 2009 bedraagt minder dan 250 euro" toegevoegd.
Art. 55. A l'article 7.4.2, § 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 septembre 2013, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 2 juillet 2021 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 juin 2023, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'alinéa 13 est remplacé par ce qui suit :
" Si un pourcentage de la chaleur verte utile qui est produite par une installation de chaleur verte utile ou un pourcentage de la chaleur résiduelle qui est produite par une installation pour l'utilisation de chaleur résiduelle, est fournie à des bâtiments, le même pourcentage de l'installation de chaleur verte utile et de l'installation pour l'utilisation de chaleur résiduelle n'est éligible à l'aide pour les demandes de principe telles que visées à l'article 7.4.3, § 1er, alinéa 2 ou 3 à partir du 1er septembre 2024 que si
1° le bâtiment a été raccordé au réseau de distribution d'électricité avant le 1er janvier 2014 ; 2° si le permis d'environnement pour des actes urbanistiques a été accordé plus de cinq ans avant la date de la demande de principe visée à l'article 7.4.3, § 1er, du présent arrêté, et si le bâtiment satisfait, s'il y a lieu, aux exigences PEB y applicables. " ;
2° entre les alinéas 13 et 14, il est inséré un alinéa, rédigé comme suit :
" Les parties du chauffage ou du refroidissement urbain qui transportent au moins 50 % de chaleur provenant de sources d'énergie renouvelables et de chaleur résiduelle uniquement vers des bâtiments ne sont éligibles à l'aide pour les demandes de principe à partir du 1er septembre 2024 que si le bâtiment a été raccordé au réseau de distribution d'électricité avant le 1er janvier 2014 ou si le permis d'environnement pour des actes urbanistiques a été accordé plus de cinq ans avant la date de la demande de principe visée à l'article 7.4.3, § 1er, du présent arrêté, et si le bâtiment satisfait, s'il y a lieu, aux exigences PEB y applicables. " ;
3° dans l'alinéa 13, 2°, le membre de phrase " ou si l'amende administrative pour non-respect des exigences PEB visées à l'article 13.4.6 du décret sur l'énergie du 8 mai 2009 est inférieure à 250 euros " est inséré.
1° l'alinéa 13 est remplacé par ce qui suit :
" Si un pourcentage de la chaleur verte utile qui est produite par une installation de chaleur verte utile ou un pourcentage de la chaleur résiduelle qui est produite par une installation pour l'utilisation de chaleur résiduelle, est fournie à des bâtiments, le même pourcentage de l'installation de chaleur verte utile et de l'installation pour l'utilisation de chaleur résiduelle n'est éligible à l'aide pour les demandes de principe telles que visées à l'article 7.4.3, § 1er, alinéa 2 ou 3 à partir du 1er septembre 2024 que si
1° le bâtiment a été raccordé au réseau de distribution d'électricité avant le 1er janvier 2014 ; 2° si le permis d'environnement pour des actes urbanistiques a été accordé plus de cinq ans avant la date de la demande de principe visée à l'article 7.4.3, § 1er, du présent arrêté, et si le bâtiment satisfait, s'il y a lieu, aux exigences PEB y applicables. " ;
2° entre les alinéas 13 et 14, il est inséré un alinéa, rédigé comme suit :
" Les parties du chauffage ou du refroidissement urbain qui transportent au moins 50 % de chaleur provenant de sources d'énergie renouvelables et de chaleur résiduelle uniquement vers des bâtiments ne sont éligibles à l'aide pour les demandes de principe à partir du 1er septembre 2024 que si le bâtiment a été raccordé au réseau de distribution d'électricité avant le 1er janvier 2014 ou si le permis d'environnement pour des actes urbanistiques a été accordé plus de cinq ans avant la date de la demande de principe visée à l'article 7.4.3, § 1er, du présent arrêté, et si le bâtiment satisfait, s'il y a lieu, aux exigences PEB y applicables. " ;
3° dans l'alinéa 13, 2°, le membre de phrase " ou si l'amende administrative pour non-respect des exigences PEB visées à l'article 13.4.6 du décret sur l'énergie du 8 mai 2009 est inférieure à 250 euros " est inséré.
Art. 56. In artikel 7.4.3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 september 2013, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 juli 2021 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 2 december 2022 en 17 februari 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, tweede lid, wordt punt 2° vervangen door wat volgt:
"2° alle investeringskosten die nodig zijn om de economisch aantoonbare vraag in te vullen. Als een deel van de investeringskosten al is opgegeven in een ander project dat goedgekeurd is of goedgekeurd kan worden voor steun conform artikel 7.4.1, § 1, kan dat deel in de voorliggende principe-aanvraag niet hoger zijn dan opgegeven in het andere project;";
2° in paragraaf 1, tweede lid, wordt punt 4° vervangen door wat volgt:
"4° de financiële steun voor alle investeringskosten waarop een beroep kan worden gedaan in het kader van andere ondersteuningsmaatregelen of in het kader van artikel 7.4.1, § 1, eerste lid;";
3° in paragraaf 1, tweede lid, 6° worden tussen de woorden "de investeringskosten van een referentie-installatie" en de woorden "en een beschrijving" de zinsnede "aangetoond aan de hand van het stavingsstuk, vermeld, in paragraaf 3, zevende lid," ingevoegd;
4° aan paragraaf 1, tweede lid, wordt een punt 10° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"10° een onvoorwaardelijke garantie dat de nuttige-groenewarmte-installatie tegemoetkomt aan een economisch aantoonbare vraag. Als de voormelde economisch aantoonbare warmte- of koudevraag ook van toepassing is voor een toekomstige principe-aanvraag als vermeld in artikel 7.4.1, § 1, bevat de voorliggende principe-aanvraag een bewijs dat de toekomstige steunaanvrager op de hoogte is dat de geproduceerde en getransporteerde warmte en koude en de te benutten restwarmte niet meer gebruikt kan worden bij de berekening van de CO2-besparing in de toekomstige principe-aanvraag.";
5° in paragraaf 1, derde lid, worden punt 2° en punt 3° vervangen door wat volgt:
"2° alle investeringskosten die nodig zijn om de economisch aantoonbare vraag in te vullen. Als een deel van de investeringskosten al is opgegeven in een ander project dat goedgekeurd is of goedgekeurd kan worden voor steun conform artikel 7.4.1, § 1, kan dat deel in de voorliggende principe-aanvraag niet hoger zijn dan opgegeven in het andere project;
3° de financiële steun voor alle investeringskosten waarop een beroep kan worden gedaan in het kader van andere ondersteuningsmaatregelen of in het kader van artikel 7.4.1, § 1, eerste lid;";
6° in paragraaf 1, derde lid, 5° worden tussen de woorden "de investeringskosten van een referentie-installatie" en de woorden "en een beschrijving" de zinsnede "aangetoond aan de hand van het stavingsstuk, vermeld, in paragraaf 3, zevende lid," ingevoegd;
7° aan paragraaf 1, derde lid, wordt een punt 9° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"9° een onvoorwaardelijke garantie dat de installatie voor benutting van restwarmte tegemoetkomt aan een economisch aantoonbare vraag. Als de voormelde economisch aantoonbare warmte- of koudevraag ook van toepassing is voor een toekomstige principe-aanvraag als vermeld in artikel 7.4.1, § 1, bevat de voorliggende principe-aanvraag een bewijs dat de toekomstige steunaanvrager op de hoogte is dat de geproduceerde en getransporteerde warmte en koude en de te benutten restwarmte niet meer gebruikt kan worden bij de berekening van de CO2-besparing in de toekomstige principe-aanvraag.";
8° in paragraaf 1, vierde lid, worden punt 1° en punt 2° vervangen door wat volgt:
"1° alle investeringskosten die nodig zijn om de economisch aantoonbare vraag in te vullen. Als een deel van de investeringskosten al is opgegeven in een ander project dat goedgekeurd is of goedgekeurd kan worden voor steun conform artikel 7.4.1, § 1, kan dit deel in de voorliggende principe-aanvraag niet hoger zijn dan opgegeven in het andere project;
2° de financiële steun voor alle investeringskosten waarop een beroep kan worden gedaan in het kader van andere ondersteuningsmaatregelen of in het kader van artikel 7.4.1, § 1, eerste lid;";
9° in paragraaf 1, vierde lid, wordt punt 10° vervangen door wat volgt:
"10° een onvoorwaardelijke garantie dat de energie-efficiënte stadsverwarming of -koeling tegemoetkomt aan een economisch aantoonbare vraag. Als de voormelde economisch aantoonbare warmte- of koudevraag ook van toepassing is voor een toekomstige principe-aanvraag als vermeld in artikel 7.4.1, § 1, bevat de voorliggende principe-aanvraag een bewijs dat de toekomstige steunaanvrager op de hoogte is dat de geproduceerde en getransporteerde warmte en koude en de te benutten restwarmte niet meer gebruikt kan worden bij de berekening van de CO2-besparing in de toekomstige principe-aanvraag;";
10° in paragraaf 1 worden het zesde en het zevende lid vervangen door wat volgt:
"Het maximale steunbedrag voor energie-efficiënte stadsverwarming of -koeling is niet hoger dan de netto-meerkosten die zijn vastgesteld als het verschil tussen de economische opbrengsten en kosten, inclusief investeringen en exploitatie, van het gesteunde project en die van het alternatieve project dat de begunstigde van de steun zonder steun geloofwaardig zou uitvoeren. De minister legt vast op welke wijze voor het feitelijke scenario en voor een geloofwaardig nulscenario de kwantificering van alle belangrijke kosten en opbrengsten, de voor het disconteren van toekomstige kasstromen geraamde gewogen gemiddelde vermogenskostenvoet ("WACC") van de begunstigden, de netto contante waarde ("NPV") voor het feitelijke scenario en voor het nulscenario over de levensduur van het project moet gebeuren. De typische nettomeerkosten kunnen worden geraamd als het verschil tussen de NPV voor het feitelijke scenario en voor het nulscenario over de levensduur van het referentieproject.
De minister kan op voorstel van het VEKA nadere regels vastleggen om de in aanmerking komende kosten te berekenen. De minister kan op voorstel van het VEKA vastleggen in welke vorm de aanvrager de garanties, vermeld in het tweede lid 10°, het derde lid, 9°, het vierde lid, 10°, 11° en 12°, moet indienen in de principe-aanvraag, vermeld in deze paragraaf. De minister kan nadere regels vastleggen om te berekenen welke investeringskosten nodig zijn om de economisch aantoonbare vraag in te vullen.";
11° in paragraaf 3, eerste lid, 1°, wordt de zinsnede "de totale in aanmerking komende kosten, vermeld in het zevende lid" vervangen door de zinsnede "alle investeringskosten, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 2°, derde lid, 2° en vierde lid, 1° ";
12° in paragraaf 3, eerste lid, 2°, worden de woorden "de in aanmerking komende kosten" vervangen door de zinsnede "alle investeringskosten, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 2°, derde lid, 2° en vierde lid, 1° ";
13° in paragraaf 3, zevende lid, wordt tussen de derde en vierde zin de volgende zinnen ingevoegd:
"De kostprijs van de referentie-installatie indien van toepassing moet worden aangetoond door middel van een stavingsstuk opgesteld door een onafhankelijke partij. Het VEKA bepaalt de vorm van het stavingsstuk en de onafhankelijkheid van de onafhankelijke partij ten opzichte van de aanvrager van de steun.".
1° in paragraaf 1, tweede lid, wordt punt 2° vervangen door wat volgt:
"2° alle investeringskosten die nodig zijn om de economisch aantoonbare vraag in te vullen. Als een deel van de investeringskosten al is opgegeven in een ander project dat goedgekeurd is of goedgekeurd kan worden voor steun conform artikel 7.4.1, § 1, kan dat deel in de voorliggende principe-aanvraag niet hoger zijn dan opgegeven in het andere project;";
2° in paragraaf 1, tweede lid, wordt punt 4° vervangen door wat volgt:
"4° de financiële steun voor alle investeringskosten waarop een beroep kan worden gedaan in het kader van andere ondersteuningsmaatregelen of in het kader van artikel 7.4.1, § 1, eerste lid;";
3° in paragraaf 1, tweede lid, 6° worden tussen de woorden "de investeringskosten van een referentie-installatie" en de woorden "en een beschrijving" de zinsnede "aangetoond aan de hand van het stavingsstuk, vermeld, in paragraaf 3, zevende lid," ingevoegd;
4° aan paragraaf 1, tweede lid, wordt een punt 10° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"10° een onvoorwaardelijke garantie dat de nuttige-groenewarmte-installatie tegemoetkomt aan een economisch aantoonbare vraag. Als de voormelde economisch aantoonbare warmte- of koudevraag ook van toepassing is voor een toekomstige principe-aanvraag als vermeld in artikel 7.4.1, § 1, bevat de voorliggende principe-aanvraag een bewijs dat de toekomstige steunaanvrager op de hoogte is dat de geproduceerde en getransporteerde warmte en koude en de te benutten restwarmte niet meer gebruikt kan worden bij de berekening van de CO2-besparing in de toekomstige principe-aanvraag.";
5° in paragraaf 1, derde lid, worden punt 2° en punt 3° vervangen door wat volgt:
"2° alle investeringskosten die nodig zijn om de economisch aantoonbare vraag in te vullen. Als een deel van de investeringskosten al is opgegeven in een ander project dat goedgekeurd is of goedgekeurd kan worden voor steun conform artikel 7.4.1, § 1, kan dat deel in de voorliggende principe-aanvraag niet hoger zijn dan opgegeven in het andere project;
3° de financiële steun voor alle investeringskosten waarop een beroep kan worden gedaan in het kader van andere ondersteuningsmaatregelen of in het kader van artikel 7.4.1, § 1, eerste lid;";
6° in paragraaf 1, derde lid, 5° worden tussen de woorden "de investeringskosten van een referentie-installatie" en de woorden "en een beschrijving" de zinsnede "aangetoond aan de hand van het stavingsstuk, vermeld, in paragraaf 3, zevende lid," ingevoegd;
7° aan paragraaf 1, derde lid, wordt een punt 9° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"9° een onvoorwaardelijke garantie dat de installatie voor benutting van restwarmte tegemoetkomt aan een economisch aantoonbare vraag. Als de voormelde economisch aantoonbare warmte- of koudevraag ook van toepassing is voor een toekomstige principe-aanvraag als vermeld in artikel 7.4.1, § 1, bevat de voorliggende principe-aanvraag een bewijs dat de toekomstige steunaanvrager op de hoogte is dat de geproduceerde en getransporteerde warmte en koude en de te benutten restwarmte niet meer gebruikt kan worden bij de berekening van de CO2-besparing in de toekomstige principe-aanvraag.";
8° in paragraaf 1, vierde lid, worden punt 1° en punt 2° vervangen door wat volgt:
"1° alle investeringskosten die nodig zijn om de economisch aantoonbare vraag in te vullen. Als een deel van de investeringskosten al is opgegeven in een ander project dat goedgekeurd is of goedgekeurd kan worden voor steun conform artikel 7.4.1, § 1, kan dit deel in de voorliggende principe-aanvraag niet hoger zijn dan opgegeven in het andere project;
2° de financiële steun voor alle investeringskosten waarop een beroep kan worden gedaan in het kader van andere ondersteuningsmaatregelen of in het kader van artikel 7.4.1, § 1, eerste lid;";
9° in paragraaf 1, vierde lid, wordt punt 10° vervangen door wat volgt:
"10° een onvoorwaardelijke garantie dat de energie-efficiënte stadsverwarming of -koeling tegemoetkomt aan een economisch aantoonbare vraag. Als de voormelde economisch aantoonbare warmte- of koudevraag ook van toepassing is voor een toekomstige principe-aanvraag als vermeld in artikel 7.4.1, § 1, bevat de voorliggende principe-aanvraag een bewijs dat de toekomstige steunaanvrager op de hoogte is dat de geproduceerde en getransporteerde warmte en koude en de te benutten restwarmte niet meer gebruikt kan worden bij de berekening van de CO2-besparing in de toekomstige principe-aanvraag;";
10° in paragraaf 1 worden het zesde en het zevende lid vervangen door wat volgt:
"Het maximale steunbedrag voor energie-efficiënte stadsverwarming of -koeling is niet hoger dan de netto-meerkosten die zijn vastgesteld als het verschil tussen de economische opbrengsten en kosten, inclusief investeringen en exploitatie, van het gesteunde project en die van het alternatieve project dat de begunstigde van de steun zonder steun geloofwaardig zou uitvoeren. De minister legt vast op welke wijze voor het feitelijke scenario en voor een geloofwaardig nulscenario de kwantificering van alle belangrijke kosten en opbrengsten, de voor het disconteren van toekomstige kasstromen geraamde gewogen gemiddelde vermogenskostenvoet ("WACC") van de begunstigden, de netto contante waarde ("NPV") voor het feitelijke scenario en voor het nulscenario over de levensduur van het project moet gebeuren. De typische nettomeerkosten kunnen worden geraamd als het verschil tussen de NPV voor het feitelijke scenario en voor het nulscenario over de levensduur van het referentieproject.
De minister kan op voorstel van het VEKA nadere regels vastleggen om de in aanmerking komende kosten te berekenen. De minister kan op voorstel van het VEKA vastleggen in welke vorm de aanvrager de garanties, vermeld in het tweede lid 10°, het derde lid, 9°, het vierde lid, 10°, 11° en 12°, moet indienen in de principe-aanvraag, vermeld in deze paragraaf. De minister kan nadere regels vastleggen om te berekenen welke investeringskosten nodig zijn om de economisch aantoonbare vraag in te vullen.";
11° in paragraaf 3, eerste lid, 1°, wordt de zinsnede "de totale in aanmerking komende kosten, vermeld in het zevende lid" vervangen door de zinsnede "alle investeringskosten, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 2°, derde lid, 2° en vierde lid, 1° ";
12° in paragraaf 3, eerste lid, 2°, worden de woorden "de in aanmerking komende kosten" vervangen door de zinsnede "alle investeringskosten, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 2°, derde lid, 2° en vierde lid, 1° ";
13° in paragraaf 3, zevende lid, wordt tussen de derde en vierde zin de volgende zinnen ingevoegd:
"De kostprijs van de referentie-installatie indien van toepassing moet worden aangetoond door middel van een stavingsstuk opgesteld door een onafhankelijke partij. Het VEKA bepaalt de vorm van het stavingsstuk en de onafhankelijkheid van de onafhankelijke partij ten opzichte van de aanvrager van de steun.".
Art. 56. A l'article 7.4.3 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 septembre 2013, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 2 juillet 2021 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 2 décembre 2022 et 17 février 2023, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, le point 2° est remplacé par ce qui suit :
" 2° tous les coûts d'investissement nécessaires pour répondre à la demande économiquement justifiable. Si une partie des coûts d'investissement a déjà été déclarée dans un autre projet qui a été approuvé ou peut être approuvé pour une aide conformément à l'article 7.4.1, § 1er, cette partie ne peut pas être plus élevée dans la présente demande de principe que celle spécifiée dans l'autre projet ; " ;
2° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, le point 4° est remplacé par ce qui suit :
" 4° l'aide financière pour tous les coûts d'investissement qui peuvent être sollicités au titre d'autres mesures d'aide ou au titre de l'article 7.4.1, § 1er, alinéa 1er ; " ;
3° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, 6° le membre de phrase " justifiés au moyen de la pièce justificative visée au paragraphe 3, alinéa 7, " est inséré entre les mots " coûts d'investissement d'une installation de référence " et les mots " et une description " ;
4° le paragraphe 1er, alinéa 2, est complété par un point 10°, rédigé comme suit :
" 10° une garantie inconditionnelle que l'installation de chaleur verte utile répond à une demande économiquement justifiable. Si la demande de chaleur ou de froid économiquement justifiable susmentionnée s'applique également à une future demande de principe telle que visée à l'article 7.4.1, § 1er, la présente demande de principe doit contenir une preuve que le futur demandeur d'aide est informé que la chaleur et le froid produits et transportés ainsi que la chaleur résiduelle à utiliser ne peuvent plus être utilisés dans le calcul de la réduction de CO2 dans la future demande de principe. " ;
5° dans le paragraphe 1er, alinéa 3, les points 2° et 4° sont remplacés par ce qui suit :
" 2° tous les coûts d'investissement nécessaires pour répondre à la demande économiquement justifiable. Si une partie des coûts d'investissement a déjà été déclarée dans un autre projet qui a été approuvé ou peut être approuvé pour une aide conformément à l'article 7.4.1, § 1er, cette partie ne peut pas être plus élevée dans la présente demande de principe que celle spécifiée dans l'autre projet ;
3° l'aide financière pour tous les coûts d'investissement qui peuvent être sollicités au titre d'autres mesures d'aide ou au titre de l'article 7.4.1, § 1er, alinéa 1er ; " ;
6° dans le paragraphe 1er, alinéa 3, 5° le membre de phrase " justifiés au moyen de la pièce justificative visée au paragraphe 3, alinéa 7, " est inséré entre les mots " coûts d'investissement d'une installation de référence " et les mots " et une description " ;
7° le paragraphe 1er, alinéa 3, est complété par un point 9°, rédigé comme suit :
" 9° une garantie inconditionnelle que l'installation pour l'utilisation de chaleur résiduelle répond à une demande économiquement justifiable. Si la demande de chaleur ou de froid économiquement justifiable susmentionnée s'applique également à une future demande de principe telle que visée à l'article 7.4.1, § 1er, la présente demande de principe doit contenir une preuve que le futur demandeur d'aide est informé que la chaleur et le froid produits et transportés ainsi que la chaleur résiduelle à utiliser ne peuvent plus être utilisés dans le calcul de la réduction de CO2 dans la future demande de principe. " ;
8° dans le paragraphe 1er, alinéa 4, les points 1° et 2° sont remplacés par ce qui suit :
" 1° tous les coûts d'investissement nécessaires pour répondre à la demande économiquement justifiable. Si une partie des coûts d'investissement a déjà été déclarée dans un autre projet qui a été approuvé ou peut être approuvé pour une aide conformément à l'article 7.4.1, § 1er, cette partie ne peut pas être plus élevée dans la présente demande de principe que celle spécifiée dans l'autre projet ;
2° l'aide financière pour tous les coûts d'investissement qui peuvent être sollicités au titre d'autres mesures d'aide ou au titre de l'article 7.4.1, § 1er, alinéa 1er ; " ;
9° dans le paragraphe 1er, alinéa 4, le point 10° est remplacé par ce qui suit :
" 10° une garantie inconditionnelle que le système de chauffage ou de refroidissement urbain à haut rendement énergétique répond à une demande économiquement justifiable. Si la demande de chaleur ou de froid économiquement justifiable susmentionnée s'applique également à une future demande de principe telle que visée à l'article 7.4.1, § 1er, la présente demande de principe doit contenir une preuve que le futur demandeur d'aide est informé que la chaleur et le froid produits et transportés ainsi que la chaleur résiduelle à utiliser ne peuvent plus être utilisés dans le calcul de la réduction de CO2 dans la future demande de principe ; " ;
10° dans le paragraphe 1er, les alinéas 7 et 8 sont remplacés par ce qui suit :
" Le montant maximal de l'aide pour le chauffage ou le refroidissement urbain à haut rendement énergétique ne dépasse pas les surcoûts nets calculés comme la différence entre les recettes et les coûts économiques, y compris d'investissement et de fonctionnement, du projet bénéficiant de l'aide et ceux du projet d'investissement alternatif que le bénéficiaire réaliserait de manière crédible en l'absence d'aide. Le ministre détermine de quelle manière sont quantifiés, pour le scénario factuel et un scénario contrefactuel crédible, tous les principaux coûts et recettes, du coût moyen pondéré estimé du capital (" CMPC ") des bénéficiaires afin d'actualiser les flux de trésorerie futurs, ainsi que la valeur actuelle nette (" VAN ") pour les scénarios factuel et contrefactuel, sur la durée de vie du projet. Les surcoûts nets typiques peuvent être estimés comme étant la différence entre la VAN du scénario factuel et celle du scénario contrefactuel sur la durée de vie du projet de référence.
Sur la proposition de la VEKA, le ministre peut arrêter les modalités du calcul des coûts éligibles. Le ministre peut déterminer, sur proposition de la VEKA, la forme sous laquelle le demandeur doit introduire les garanties visée à l'alinéa 2, 10°, l'alinéa 3, 9°, l'alinéa 4, 10°, 11° et 12°, dans la demande de principe visée dans le présent paragraphe. Le ministre peut arrêter les modalités de calcul des coûts d'investissement qui sont nécessaires pour répondre à la demande économiquement justifiable. " ;
11° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, 1°, le membre de phrase " des coûts éligibles totaux, visés à l'alinéa sept " est remplacé par le membre de phrase " de tous les coûts d'investissement, visés au paragraphe 1er, alinéa 2, 2°, alinéa 3, 2°, et alinéa 4, 1° " ;
12° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, 2°, les mots " les coûts éligibles " sont remplacés par le membre de phrase " de tous les coûts d'investissement, visés au paragraphe 1er, alinéa 2, 2°, alinéa 3, 2°, et alinéa 4, 1° ;
13° dans le paragraphe 3, alinéa 7, les phrases suivantes sont insérées entre la troisième et la quatrième phrase :
Le coût de l'installation de référence, s'il y a lieu, doit être justifié par une pièce justificative préparée par une partie indépendante. La VEKA détermine la forme de la pièce justificative et l'indépendance de la partie indépendante par rapport au demandeur d'aide. ".
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, le point 2° est remplacé par ce qui suit :
" 2° tous les coûts d'investissement nécessaires pour répondre à la demande économiquement justifiable. Si une partie des coûts d'investissement a déjà été déclarée dans un autre projet qui a été approuvé ou peut être approuvé pour une aide conformément à l'article 7.4.1, § 1er, cette partie ne peut pas être plus élevée dans la présente demande de principe que celle spécifiée dans l'autre projet ; " ;
2° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, le point 4° est remplacé par ce qui suit :
" 4° l'aide financière pour tous les coûts d'investissement qui peuvent être sollicités au titre d'autres mesures d'aide ou au titre de l'article 7.4.1, § 1er, alinéa 1er ; " ;
3° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, 6° le membre de phrase " justifiés au moyen de la pièce justificative visée au paragraphe 3, alinéa 7, " est inséré entre les mots " coûts d'investissement d'une installation de référence " et les mots " et une description " ;
4° le paragraphe 1er, alinéa 2, est complété par un point 10°, rédigé comme suit :
" 10° une garantie inconditionnelle que l'installation de chaleur verte utile répond à une demande économiquement justifiable. Si la demande de chaleur ou de froid économiquement justifiable susmentionnée s'applique également à une future demande de principe telle que visée à l'article 7.4.1, § 1er, la présente demande de principe doit contenir une preuve que le futur demandeur d'aide est informé que la chaleur et le froid produits et transportés ainsi que la chaleur résiduelle à utiliser ne peuvent plus être utilisés dans le calcul de la réduction de CO2 dans la future demande de principe. " ;
5° dans le paragraphe 1er, alinéa 3, les points 2° et 4° sont remplacés par ce qui suit :
" 2° tous les coûts d'investissement nécessaires pour répondre à la demande économiquement justifiable. Si une partie des coûts d'investissement a déjà été déclarée dans un autre projet qui a été approuvé ou peut être approuvé pour une aide conformément à l'article 7.4.1, § 1er, cette partie ne peut pas être plus élevée dans la présente demande de principe que celle spécifiée dans l'autre projet ;
3° l'aide financière pour tous les coûts d'investissement qui peuvent être sollicités au titre d'autres mesures d'aide ou au titre de l'article 7.4.1, § 1er, alinéa 1er ; " ;
6° dans le paragraphe 1er, alinéa 3, 5° le membre de phrase " justifiés au moyen de la pièce justificative visée au paragraphe 3, alinéa 7, " est inséré entre les mots " coûts d'investissement d'une installation de référence " et les mots " et une description " ;
7° le paragraphe 1er, alinéa 3, est complété par un point 9°, rédigé comme suit :
" 9° une garantie inconditionnelle que l'installation pour l'utilisation de chaleur résiduelle répond à une demande économiquement justifiable. Si la demande de chaleur ou de froid économiquement justifiable susmentionnée s'applique également à une future demande de principe telle que visée à l'article 7.4.1, § 1er, la présente demande de principe doit contenir une preuve que le futur demandeur d'aide est informé que la chaleur et le froid produits et transportés ainsi que la chaleur résiduelle à utiliser ne peuvent plus être utilisés dans le calcul de la réduction de CO2 dans la future demande de principe. " ;
8° dans le paragraphe 1er, alinéa 4, les points 1° et 2° sont remplacés par ce qui suit :
" 1° tous les coûts d'investissement nécessaires pour répondre à la demande économiquement justifiable. Si une partie des coûts d'investissement a déjà été déclarée dans un autre projet qui a été approuvé ou peut être approuvé pour une aide conformément à l'article 7.4.1, § 1er, cette partie ne peut pas être plus élevée dans la présente demande de principe que celle spécifiée dans l'autre projet ;
2° l'aide financière pour tous les coûts d'investissement qui peuvent être sollicités au titre d'autres mesures d'aide ou au titre de l'article 7.4.1, § 1er, alinéa 1er ; " ;
9° dans le paragraphe 1er, alinéa 4, le point 10° est remplacé par ce qui suit :
" 10° une garantie inconditionnelle que le système de chauffage ou de refroidissement urbain à haut rendement énergétique répond à une demande économiquement justifiable. Si la demande de chaleur ou de froid économiquement justifiable susmentionnée s'applique également à une future demande de principe telle que visée à l'article 7.4.1, § 1er, la présente demande de principe doit contenir une preuve que le futur demandeur d'aide est informé que la chaleur et le froid produits et transportés ainsi que la chaleur résiduelle à utiliser ne peuvent plus être utilisés dans le calcul de la réduction de CO2 dans la future demande de principe ; " ;
10° dans le paragraphe 1er, les alinéas 7 et 8 sont remplacés par ce qui suit :
" Le montant maximal de l'aide pour le chauffage ou le refroidissement urbain à haut rendement énergétique ne dépasse pas les surcoûts nets calculés comme la différence entre les recettes et les coûts économiques, y compris d'investissement et de fonctionnement, du projet bénéficiant de l'aide et ceux du projet d'investissement alternatif que le bénéficiaire réaliserait de manière crédible en l'absence d'aide. Le ministre détermine de quelle manière sont quantifiés, pour le scénario factuel et un scénario contrefactuel crédible, tous les principaux coûts et recettes, du coût moyen pondéré estimé du capital (" CMPC ") des bénéficiaires afin d'actualiser les flux de trésorerie futurs, ainsi que la valeur actuelle nette (" VAN ") pour les scénarios factuel et contrefactuel, sur la durée de vie du projet. Les surcoûts nets typiques peuvent être estimés comme étant la différence entre la VAN du scénario factuel et celle du scénario contrefactuel sur la durée de vie du projet de référence.
Sur la proposition de la VEKA, le ministre peut arrêter les modalités du calcul des coûts éligibles. Le ministre peut déterminer, sur proposition de la VEKA, la forme sous laquelle le demandeur doit introduire les garanties visée à l'alinéa 2, 10°, l'alinéa 3, 9°, l'alinéa 4, 10°, 11° et 12°, dans la demande de principe visée dans le présent paragraphe. Le ministre peut arrêter les modalités de calcul des coûts d'investissement qui sont nécessaires pour répondre à la demande économiquement justifiable. " ;
11° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, 1°, le membre de phrase " des coûts éligibles totaux, visés à l'alinéa sept " est remplacé par le membre de phrase " de tous les coûts d'investissement, visés au paragraphe 1er, alinéa 2, 2°, alinéa 3, 2°, et alinéa 4, 1° " ;
12° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, 2°, les mots " les coûts éligibles " sont remplacés par le membre de phrase " de tous les coûts d'investissement, visés au paragraphe 1er, alinéa 2, 2°, alinéa 3, 2°, et alinéa 4, 1° ;
13° dans le paragraphe 3, alinéa 7, les phrases suivantes sont insérées entre la troisième et la quatrième phrase :
Le coût de l'installation de référence, s'il y a lieu, doit être justifié par une pièce justificative préparée par une partie indépendante. La VEKA détermine la forme de la pièce justificative et l'indépendance de la partie indépendante par rapport au demandeur d'aide. ".
Art. 57. In artikel 7.4.4 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 september 2013, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 juli 2021 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 december 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 4 wordt een punt 7° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"7° /1 de financiële steun, vermeld in artikel 7.4.3, § 1, tweede lid, 4°, derde lid, 3°, en vierde lid, 2°, is hoger dan in de berekening van de kostenefficiëntie, vermeld in artikel 7.4.3, § 3, eerste lid, 1° ;";
2° in paragraaf 6, tweede lid, wordt een punt 5° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"5° de financiële steun, vermeld in artikel 7.4.3, § 1, tweede lid, 4°, derde lid, 3°, en vierde lid, 2°, is hoger dan in de berekening van de kostenefficiëntie, vermeld in artikel 7.4.3, § 3, eerste lid, 1°. ".
1° in paragraaf 4 wordt een punt 7° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"7° /1 de financiële steun, vermeld in artikel 7.4.3, § 1, tweede lid, 4°, derde lid, 3°, en vierde lid, 2°, is hoger dan in de berekening van de kostenefficiëntie, vermeld in artikel 7.4.3, § 3, eerste lid, 1° ;";
2° in paragraaf 6, tweede lid, wordt een punt 5° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"5° de financiële steun, vermeld in artikel 7.4.3, § 1, tweede lid, 4°, derde lid, 3°, en vierde lid, 2°, is hoger dan in de berekening van de kostenefficiëntie, vermeld in artikel 7.4.3, § 3, eerste lid, 1°. ".
Art. 57. A l'article 7.4.4, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 septembre 2013, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 2 juillet 2021 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 2 décembre 2022, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 4, il est inséré un point 7° /1, rédigé comme suit :
" 7° /1 l'aide financière, visée à l'article 7.4.3, § 1er, alinéa 2, 4°, alinéa 3, 3°, et alinéa 4, 2°, est plus élevée que dans le calcul du rapport coût-efficacité visé à l'article 7.4.3, § 3, alinéa 1er, 1° ; " ;
2° le paragraphe 6, alinéa 2, est complété par un point 5° ainsi rédigé :
" 5° l'aide financière, visée à l'article 7.4.3, § 1er, alinéa 2, 4°, alinéa 3, 3°, et alinéa 4, 2°, est plus élevée que dans le calcul du rapport coût-efficacité visé à l'article 7.4.3, § 3, alinéa 1er, 1°. ".
1° dans le paragraphe 4, il est inséré un point 7° /1, rédigé comme suit :
" 7° /1 l'aide financière, visée à l'article 7.4.3, § 1er, alinéa 2, 4°, alinéa 3, 3°, et alinéa 4, 2°, est plus élevée que dans le calcul du rapport coût-efficacité visé à l'article 7.4.3, § 3, alinéa 1er, 1° ; " ;
2° le paragraphe 6, alinéa 2, est complété par un point 5° ainsi rédigé :
" 5° l'aide financière, visée à l'article 7.4.3, § 1er, alinéa 2, 4°, alinéa 3, 3°, et alinéa 4, 2°, est plus élevée que dans le calcul du rapport coût-efficacité visé à l'article 7.4.3, § 3, alinéa 1er, 1°. ".
Art. 58. In artikel 7.9.2/0/12, vijfde lid, 2°, van hetzelfde besluit, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° na de woorden "op haar van toepassing zijnde EPB-eisen" wordt de zinsnede "of de administratieve geldboete voor het niet-voldoen aan de EPB-eisen zoals vermeld in artikel 13.4.6 van het Energiedecreet van 8 mei 2009 bedraagt minder dan 250 euro" ingevoegd;
2° de zinsnede "en de EPB-aangifte is ingediend binnen de termijn, vermeld in artikel 11.1.8, § 1, tweede lid van het Energiedecreet van 8 mei 2009" wordt opgeheven.
1° na de woorden "op haar van toepassing zijnde EPB-eisen" wordt de zinsnede "of de administratieve geldboete voor het niet-voldoen aan de EPB-eisen zoals vermeld in artikel 13.4.6 van het Energiedecreet van 8 mei 2009 bedraagt minder dan 250 euro" ingevoegd;
2° de zinsnede "en de EPB-aangifte is ingediend binnen de termijn, vermeld in artikel 11.1.8, § 1, tweede lid van het Energiedecreet van 8 mei 2009" wordt opgeheven.
Art. 58. A l'article 7.9.2/0/12, alinéa 5, 2°, du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
1° après les mots " aux exigences PEB y applicables ", le membre de phrase " si l'amende administrative pour non-respect des exigences PEB telles que visées à l'article 13.4.6 du décret sur l'énergie du 8 mai 2009 est inférieure à 250 euros " est inséré ;
2° le membre de phrase " et la déclaration PEB a été introduite dans le délai visé à l'article 11.1.8, § 1er, alinéa 2, du décret sur l'Energie du 8 mai 2009 " est abrogé.
1° après les mots " aux exigences PEB y applicables ", le membre de phrase " si l'amende administrative pour non-respect des exigences PEB telles que visées à l'article 13.4.6 du décret sur l'énergie du 8 mai 2009 est inférieure à 250 euros " est inséré ;
2° le membre de phrase " et la déclaration PEB a été introduite dans le délai visé à l'article 11.1.8, § 1er, alinéa 2, du décret sur l'Energie du 8 mai 2009 " est abrogé.
Art. 59. In artikel 7.9.2/0/16 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juni 2023 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 november 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het vierde lid worden de woorden "als terugbetaling van die lening" vervangen door woorden "rechtstreeks als vervroegde terugbetaling van die lening";
2° aan het vierde lid wordt een zin toegevoegd, die luidt als volgt: "De ontlener vraagt in dat geval de premie zelf aan via het unieke loket, vermeld in artikel 12.6.1 van het Energiedecreet, en vermeldt hierbij dat zij voor dit onroerend goed een verbouwlening hebben lopen.";
3° in het vijfde lid worden de zinnen "Met behoud van toepassing van het vierde lid, kan de ontlener ook zelf de premies, vermeld in artikel 6.4.1/1/1 tot en met 6.4.1/1/3 en artikel 6.4.1/3 tot en met 6.4.1/5/2, van dit besluit, en de tegemoetkomingen, die zijn berekend conform artikel 5.191 van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, voor de werkzaamheden, vermeld in artikel 5.189, § 2, eerste lid, 1° tot en met 7°, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, aanvragen. In dat geval worden de toegekende premies en tegemoetkomingen rechtstreeks aangewend als vervroegde terugbetaling van de verbouwlening." opgeheven.
1° in het vierde lid worden de woorden "als terugbetaling van die lening" vervangen door woorden "rechtstreeks als vervroegde terugbetaling van die lening";
2° aan het vierde lid wordt een zin toegevoegd, die luidt als volgt: "De ontlener vraagt in dat geval de premie zelf aan via het unieke loket, vermeld in artikel 12.6.1 van het Energiedecreet, en vermeldt hierbij dat zij voor dit onroerend goed een verbouwlening hebben lopen.";
3° in het vijfde lid worden de zinnen "Met behoud van toepassing van het vierde lid, kan de ontlener ook zelf de premies, vermeld in artikel 6.4.1/1/1 tot en met 6.4.1/1/3 en artikel 6.4.1/3 tot en met 6.4.1/5/2, van dit besluit, en de tegemoetkomingen, die zijn berekend conform artikel 5.191 van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, voor de werkzaamheden, vermeld in artikel 5.189, § 2, eerste lid, 1° tot en met 7°, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, aanvragen. In dat geval worden de toegekende premies en tegemoetkomingen rechtstreeks aangewend als vervroegde terugbetaling van de verbouwlening." opgeheven.
Art. 59. A l'article 7.9.2/0/16 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 juin 2023 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 novembre 2023, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 4, les mots " en remboursement de ce prêt " sont remplacés par les mots " directement en remboursement anticipé de ce prêt " ;
2° l'alinéa 4 est complété par une phrase, rédigée comme suit : " L'emprunteur demande dans ce cas lui-même la prime par le biais du guichet unique visé à l'article 12.6.1 du décret sur l'énergie, en mentionnant qu'il a un prêt rénovation en cours pour ce bien immobilier. " ;
3° dans l'alinéa 5, les phrases " Sans préjudice de l'application de l'alinéa 4, l'emprunteur peut également demander lui-même les primes visées aux articles 6.4.1/1/1 à 6.4.1/1/3 et aux articles 6.4.1/3 à 6.4.1/5/2 du présent arrêté, et les interventions calculées conformément à l'article 5.191 de l'Arrêté Code flamand du Logement de 2021 pour les travaux énumérés à l'article 5.189, § 2, alinéa 1er, 1° à 7°, de l'Arrêté Code flamand du Logement de 2021. Dans ce cas, les primes et interventions accordées sont utilisées directement comme remboursement anticipé du prêt rénovation. ".
1° dans l'alinéa 4, les mots " en remboursement de ce prêt " sont remplacés par les mots " directement en remboursement anticipé de ce prêt " ;
2° l'alinéa 4 est complété par une phrase, rédigée comme suit : " L'emprunteur demande dans ce cas lui-même la prime par le biais du guichet unique visé à l'article 12.6.1 du décret sur l'énergie, en mentionnant qu'il a un prêt rénovation en cours pour ce bien immobilier. " ;
3° dans l'alinéa 5, les phrases " Sans préjudice de l'application de l'alinéa 4, l'emprunteur peut également demander lui-même les primes visées aux articles 6.4.1/1/1 à 6.4.1/1/3 et aux articles 6.4.1/3 à 6.4.1/5/2 du présent arrêté, et les interventions calculées conformément à l'article 5.191 de l'Arrêté Code flamand du Logement de 2021 pour les travaux énumérés à l'article 5.189, § 2, alinéa 1er, 1° à 7°, de l'Arrêté Code flamand du Logement de 2021. Dans ce cas, les primes et interventions accordées sont utilisées directement comme remboursement anticipé du prêt rénovation. ".
Art. 60. In artikel 7.9.2/1, § 1, 5°, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juni 2023, worden tussen de woorden "tot en met 31 december 2026" en de zinsnede "één begeleidings- en ondersteuningstraject" de woorden "per woning" ingevoegd.
Art. 60. Dans l'article 7.9.2/1, § 1er, 5°, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 juin 2023, le membre de phrase " , par habitation " est inséré entre les mots " jusqu'au 31 décembre 2026 " et le membre de phrase " , un seul parcours d'accompagnement et de soutien ".
Art. 61. In artikel 7.10.1, § 5, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 2017 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 11 december 2010, wordt het woord "steunregeling" vervangen door de woorden "steunregeling voor hernieuwbare energie".
Art. 61. Dans l'article 7.10.1, § 5, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 décembre 2017 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 décembre 2010, les mots " régime d'aides " sont remplacés par les mots " régime d'aides en faveur de l'énergie renouvelable ".
Art. 62. In artikel 7.11.1, § 2, tweede lid van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 september 2018, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2020 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juni 2023, wordt de zin "Het VEKA bezorgt haar voorstel aan de minister uiterlijk op 15 april van het kalenderjaar voorafgaand aan de voormelde call." toegevoegd.
Art. 62. Dans l'article 7.11.1, § 2, alinéa 2 du même décret, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 septembre 2018, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juillet 2020 et modifié par le décret du Gouvernement flamand du 16 juin 2023, la phrase " La VEKA soumet sa proposition au ministre au plus tard le 15 avril de l'année calendaire qui précède l'appel susmentionné. " est ajoutée.
Art. 63. In artikel 7.19.1, § 1, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 december 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° tussen de eerste en tweede zin wordt de volgende zin ingevoegd:
"Een bestaand gebouw is voor de toepassing van dit artikel een gebouw dat aangesloten is op het elektriciteitsdistributienet vóór 1 januari 2021.";
2° de woorden "sociale huisvestingsmaatschappijen" worden vervangen door het woord "woonmaatschappijen".
1° tussen de eerste en tweede zin wordt de volgende zin ingevoegd:
"Een bestaand gebouw is voor de toepassing van dit artikel een gebouw dat aangesloten is op het elektriciteitsdistributienet vóór 1 januari 2021.";
2° de woorden "sociale huisvestingsmaatschappijen" worden vervangen door het woord "woonmaatschappijen".
Art. 63. A l'article 7.19.1, § 1er, alinéa 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 2 décembre 2022, les modifications suivantes sont apportées :
1° la phrase suivante est insérée entre la première et la deuxième phrase :
" Un bâtiment existant au sens du présent article est un bâtiment raccordé au réseau de distribution d'électricité avant le 1er janvier 2021. " ;
2° les mots " sociétés de logement social " sont remplacés par les mots " sociétés de logement ".
1° la phrase suivante est insérée entre la première et la deuxième phrase :
" Un bâtiment existant au sens du présent article est un bâtiment raccordé au réseau de distribution d'électricité avant le 1er janvier 2021. " ;
2° les mots " sociétés de logement social " sont remplacés par les mots " sociétés de logement ".
Art. 64. Aan artikel 8.1.3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 januari 2017 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 11 december 2020 waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste lid worden tussen de woorden "een afstand" en "dient plaats te vinden" de woorden "op straffe van nietigheid" ingevoegd;
2° er wordt een paragraaf 2 toegevoegd, die luidt als volgt:
" § 2. Een erkende opleidings- of vormingsinstelling kan altijd vrijwillig afstand doen van haar erkenning. Het VEKA kan de vorm bepalen waaronder de voormelde afstand op straffe van nietigheid plaatsvindt. Als een opleidings- of vormingsinstelling die afstand heeft gedaan, opnieuw erkend wil worden als opleidings- of vormingsinstelling, moet ze opnieuw voldoen aan de voorwaarden, vermeld in respectievelijk artikel 8.1.1 en 8.1.1/2.".
1° in paragraaf 1, eerste lid worden tussen de woorden "een afstand" en "dient plaats te vinden" de woorden "op straffe van nietigheid" ingevoegd;
2° er wordt een paragraaf 2 toegevoegd, die luidt als volgt:
" § 2. Een erkende opleidings- of vormingsinstelling kan altijd vrijwillig afstand doen van haar erkenning. Het VEKA kan de vorm bepalen waaronder de voormelde afstand op straffe van nietigheid plaatsvindt. Als een opleidings- of vormingsinstelling die afstand heeft gedaan, opnieuw erkend wil worden als opleidings- of vormingsinstelling, moet ze opnieuw voldoen aan de voorwaarden, vermeld in respectievelijk artikel 8.1.1 en 8.1.1/2.".
Art. 64. A l'article 8.1.3 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 janvier 2017 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 décembre 2020, dont le texte actuel formera le paragraphe 1er, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots " sous peine de nullité " sont insérés après les mots " un tel renoncement " ;
2° il est inséré un paragraphe 2, rédigé comme suit :
" § 2. Un établissement d'enseignement ou de formation agréé peut à tout moment renoncer volontairement à son agrément. La VEKA peut, sous peine de nullité, préciser la forme que prend le renoncement susmentionné. Si un établissement d'enseignement ou de formation qui a renoncé à son agrément veut à nouveau être agréé comme établissement d'enseignement ou de formation, il doit à nouveau remplir les conditions prévues respectivement aux articles 8.1.1 et 8.1.1/2. ".
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots " sous peine de nullité " sont insérés après les mots " un tel renoncement " ;
2° il est inséré un paragraphe 2, rédigé comme suit :
" § 2. Un établissement d'enseignement ou de formation agréé peut à tout moment renoncer volontairement à son agrément. La VEKA peut, sous peine de nullité, préciser la forme que prend le renoncement susmentionné. Si un établissement d'enseignement ou de formation qui a renoncé à son agrément veut à nouveau être agréé comme établissement d'enseignement ou de formation, il doit à nouveau remplir les conditions prévues respectivement aux articles 8.1.1 et 8.1.1/2. ".
Art. 65. In artikel 8.1.1/3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 22 december 2023 wordt de zinsnede "artikel 8.3.1" vervangen door de zinsnede "artikel 8.3.2".
Art. 65. Dans l'article 8.1.1/3 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 décembre 2023, le membre de phrase " article 8.3.1 " est remplacé par le membre de phrase " article 8.3.2 ".
Art. 66. In artikel 8.3.2, § 5, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 22 december 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het derde lid wordt vervangen door wat volgt:
"De energiedeskundigen die een totaalscore behalen van minder dan 40% op het examen met de hoogste totaalscore, kunnen pas opnieuw deelnemen aan een volgend examen, vermeld in artikel 8.3.1 nadat ze:
1° voor wat energiedeskundigen type A betreft, de opleiding, vermeld in artikel 8.1.1, eerste lid, 1°, opnieuw gevolgd hebben;
2° voor wat energiedeskundigen type D betreft, een wachttermijn van 6 maanden respecteren voor ze zich opnieuw inschrijven voor het centraal examen, vermeld in artikel 8.3.1.";
2° het vierde lid wordt vervangen door wat volgt:
"De energiedeskundigen die een totaalscore behalen tussen 40% en 60% of, die een totaalscore behalen van meer dan 60% maar geen 50% op elk opleidingsonderdeel van het examen, zoals vastgelegd door de minister, kunnen binnen het jaar nadat hun termijn, vermeld in artikel 8.1.1/3, eerste lid, verstreken is nog één keer deelnemen aan het centraal examen, vermeld in artikel 8.3.2. Wanneer ze voor dit examen niet slagen, kunnen ze pas opnieuw deelnemen aan een volgend examen, vermeld in artikel 8.3.1, nadat ze:
1° voor wat energiedeskundigen type A betreft, de opleiding, vermeld in artikel 8.1.1, eerste lid, 1°, opnieuw gevolgd hebben;
2° voor wat energiedeskundigen type D betreft, een wachttermijn van 6 maanden respecteren voor ze zich opnieuw inschrijven voor het centraal examen, vermeld in artikel 8.3.1.".
1° het derde lid wordt vervangen door wat volgt:
"De energiedeskundigen die een totaalscore behalen van minder dan 40% op het examen met de hoogste totaalscore, kunnen pas opnieuw deelnemen aan een volgend examen, vermeld in artikel 8.3.1 nadat ze:
1° voor wat energiedeskundigen type A betreft, de opleiding, vermeld in artikel 8.1.1, eerste lid, 1°, opnieuw gevolgd hebben;
2° voor wat energiedeskundigen type D betreft, een wachttermijn van 6 maanden respecteren voor ze zich opnieuw inschrijven voor het centraal examen, vermeld in artikel 8.3.1.";
2° het vierde lid wordt vervangen door wat volgt:
"De energiedeskundigen die een totaalscore behalen tussen 40% en 60% of, die een totaalscore behalen van meer dan 60% maar geen 50% op elk opleidingsonderdeel van het examen, zoals vastgelegd door de minister, kunnen binnen het jaar nadat hun termijn, vermeld in artikel 8.1.1/3, eerste lid, verstreken is nog één keer deelnemen aan het centraal examen, vermeld in artikel 8.3.2. Wanneer ze voor dit examen niet slagen, kunnen ze pas opnieuw deelnemen aan een volgend examen, vermeld in artikel 8.3.1, nadat ze:
1° voor wat energiedeskundigen type A betreft, de opleiding, vermeld in artikel 8.1.1, eerste lid, 1°, opnieuw gevolgd hebben;
2° voor wat energiedeskundigen type D betreft, een wachttermijn van 6 maanden respecteren voor ze zich opnieuw inschrijven voor het centraal examen, vermeld in artikel 8.3.1.".
Art. 66. A l'article 8.3.2, § 5, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 décembre 2023, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit :
" Les experts en énergie qui obtiennent un score total inférieur à 40 % à l'examen avec le score total le plus élevé ne peuvent participer à nouveau à un examen suivant, visé à l'article 8.3.1, qu'après :
1° avoir suivi à nouveau la formation mentionnée à l'article 8.1.1, alinéa 1er, 1°, pour les experts en énergie de type A ;
2° avoir respecté un délai d'attente de 6 mois avant de se réinscrire à l'examen central visé à l'article 8.3.1, pour les experts en énergie de type D. " ;
2° l'alinéa 4 est remplacé par ce qui suit :
" Les experts en énergie qui obtiennent un score total compris entre 40 % et 60 % ou qui obtiennent un score total supérieur à 60 % mais inférieur à 50 % pour chaque subdivision de formation de l'examen, tel que déterminé par le ministre, peuvent participer à l'examen central visé à l'article 8.3.2 encore une fois dans l'année qui suit l'expiration de leur délai mentionné à l'article 8.1.1/3, alinéa 1er. S'ils ne réussissent pas à cet examen, ils ne peuvent participer de nouveau à un examen suivant, visé à l'article 8.3.1, qu'après :
1° avoir suivi à nouveau la formation mentionnée à l'article 8.1.1, alinéa 1er, 1°, pour les experts en énergie de type A ;
2° avoir respecté un délai d'attente de 6 mois avant de se réinscrire à l'examen central visé à l'article 8.3.1, pour les experts en énergie de type D. ".
1° l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit :
" Les experts en énergie qui obtiennent un score total inférieur à 40 % à l'examen avec le score total le plus élevé ne peuvent participer à nouveau à un examen suivant, visé à l'article 8.3.1, qu'après :
1° avoir suivi à nouveau la formation mentionnée à l'article 8.1.1, alinéa 1er, 1°, pour les experts en énergie de type A ;
2° avoir respecté un délai d'attente de 6 mois avant de se réinscrire à l'examen central visé à l'article 8.3.1, pour les experts en énergie de type D. " ;
2° l'alinéa 4 est remplacé par ce qui suit :
" Les experts en énergie qui obtiennent un score total compris entre 40 % et 60 % ou qui obtiennent un score total supérieur à 60 % mais inférieur à 50 % pour chaque subdivision de formation de l'examen, tel que déterminé par le ministre, peuvent participer à l'examen central visé à l'article 8.3.2 encore une fois dans l'année qui suit l'expiration de leur délai mentionné à l'article 8.1.1/3, alinéa 1er. S'ils ne réussissent pas à cet examen, ils ne peuvent participer de nouveau à un examen suivant, visé à l'article 8.3.1, qu'après :
1° avoir suivi à nouveau la formation mentionnée à l'article 8.1.1, alinéa 1er, 1°, pour les experts en énergie de type A ;
2° avoir respecté un délai d'attente de 6 mois avant de se réinscrire à l'examen central visé à l'article 8.3.1, pour les experts en énergie de type D. ".
Art. 67. Aan artikel 8.6.4 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 januari 2017 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 11 december 2020, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste lid, worden tussen de woorden "een afstand" en "dient plaats te vinden" de woorden "op straffe van nietigheid" ingevoegd;
2° wordt een paragraaf 2 toegevoegd, die luidt als volgt:
" § 2. Een erkende opleidings- of vormingsinstelling kan altijd vrijwillig afstand doen van zijn erkenning. Het VEKA kan de vorm bepalen waaronder de voormelde afstand op straffe van nietigheid plaatsvindt. Als een opleidings- of vormingsinstelling die afstand heeft gedaan, opnieuw erkend wil worden als opleidingsinstelling, moet ze opnieuw voldoen aan de voorwaarden, vermeld in respectievelijk artikel 8.6.1 en 8.6.3.".
1° in paragraaf 1, eerste lid, worden tussen de woorden "een afstand" en "dient plaats te vinden" de woorden "op straffe van nietigheid" ingevoegd;
2° wordt een paragraaf 2 toegevoegd, die luidt als volgt:
" § 2. Een erkende opleidings- of vormingsinstelling kan altijd vrijwillig afstand doen van zijn erkenning. Het VEKA kan de vorm bepalen waaronder de voormelde afstand op straffe van nietigheid plaatsvindt. Als een opleidings- of vormingsinstelling die afstand heeft gedaan, opnieuw erkend wil worden als opleidingsinstelling, moet ze opnieuw voldoen aan de voorwaarden, vermeld in respectievelijk artikel 8.6.1 en 8.6.3.".
Art. 67. A l'article 8.6.4 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 janvier 2017 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 décembre 2020, dont le texte actuel formera le paragraphe 1er, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots " sous peine de nullité " sont insérés après les mots " un tel renoncement " ;
2° il est inséré un paragraphe 2, rédigé comme suit :
" § 2. Un établissement d'enseignement ou de formation agréé peut à tout moment renoncer volontairement à son agrément. La VEKA peut, sous peine de nullité, préciser la forme que prend le renoncement susmentionné. Si un établissement d'enseignement ou de formation qui a renoncé à son agrément veut à nouveau être agréé comme établissement de formation, il doit à nouveau remplir les conditions prévues respectivement aux articles 8.6.1 et 8.6.3. ".
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots " sous peine de nullité " sont insérés après les mots " un tel renoncement " ;
2° il est inséré un paragraphe 2, rédigé comme suit :
" § 2. Un établissement d'enseignement ou de formation agréé peut à tout moment renoncer volontairement à son agrément. La VEKA peut, sous peine de nullité, préciser la forme que prend le renoncement susmentionné. Si un établissement d'enseignement ou de formation qui a renoncé à son agrément veut à nouveau être agréé comme établissement de formation, il doit à nouveau remplir les conditions prévues respectivement aux articles 8.6.1 et 8.6.3. ".
Art. 68. Aan artikel 8.7.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 april 2014, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 september 2017 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 11 december 2020, wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Een erkende exameninstelling kan altijd vrijwillig afstand doen van haar erkenning. Het VEKA kan de vorm bepalen waaronder de voormelde afstand op straffe van nietigheid plaatsvindt. Als een exameninstelling die afstand gedaan heeft, opnieuw erkend wil worden als exameninstelling, moet ze opnieuw voldoen aan de voorwaarden, vermeld in dit artikel.".
"Een erkende exameninstelling kan altijd vrijwillig afstand doen van haar erkenning. Het VEKA kan de vorm bepalen waaronder de voormelde afstand op straffe van nietigheid plaatsvindt. Als een exameninstelling die afstand gedaan heeft, opnieuw erkend wil worden als exameninstelling, moet ze opnieuw voldoen aan de voorwaarden, vermeld in dit artikel.".
Art. 68. A l'article 8.7.1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 avril 2014, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 septembre 2017 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 décembre 2020, il est ajouté un alinéa 4, rédigé comme suit :
" Un institut d'examen agréé peut à tout moment renoncer volontairement à son agrément. La VEKA peut, sous peine de nullité, préciser la forme que prend le renoncement susmentionné. Si un institut d'examen qui a renoncé à son agrément veut à nouveau être agréé comme institut d'examen, il doit à nouveau remplir les conditions prévues respectivement au présent article. ".
" Un institut d'examen agréé peut à tout moment renoncer volontairement à son agrément. La VEKA peut, sous peine de nullité, préciser la forme que prend le renoncement susmentionné. Si un institut d'examen qui a renoncé à son agrément veut à nouveau être agréé comme institut d'examen, il doit à nouveau remplir les conditions prévues respectivement au présent article. ".
Art. 69. In artikel 9.1.12/2, eerste lid, 3°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 september 2012, wordt punt b) vervangen door wat volgt:
"b) de biomassaketel of biomassakachel voldoet aan de bepalingen uit de Europese Verordening (EU) n° 2015/1185 en 2015/1189. Bovendien voldoet de biomassakachel minstens aan de energie-efficiëntieklasse A+ zoals vermeld op het Europese energielabel van het toestel, vastgesteld conform de bepalingen van verordening (EU) 2015/1186. De biomassaketel voldoet minstens aan de energie-efficiëntieklasse A+, zoals vermeld op het Europese energielabel van het toestel, vastgesteld conform de bepalingen van verordening (EU) 2015/1187;".
"b) de biomassaketel of biomassakachel voldoet aan de bepalingen uit de Europese Verordening (EU) n° 2015/1185 en 2015/1189. Bovendien voldoet de biomassakachel minstens aan de energie-efficiëntieklasse A+ zoals vermeld op het Europese energielabel van het toestel, vastgesteld conform de bepalingen van verordening (EU) 2015/1186. De biomassaketel voldoet minstens aan de energie-efficiëntieklasse A+, zoals vermeld op het Europese energielabel van het toestel, vastgesteld conform de bepalingen van verordening (EU) 2015/1187;".
Art. 69. Dans l'article 9.1.12/2, alinéa 1er, 3° du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 septembre 2012, le point b) est remplacé par ce qui suit :
" b) la chaudière à biomasse ou le poêle à biomasse est conforme aux dispositions des règlements européens (UE) n° 2015/1185 et 2015/1189. En outre, le poêle à biomasse satisfait au moins à la classe d'efficacité énergétique A+ indiquée sur l'étiquette énergétique européenne de l'appareil, déterminée conformément aux dispositions du règlement (UE) 2015/1186. La chaudière à biomasse satisfait au moins à la classe d'efficacité énergétique A+ indiquée sur l'étiquette énergétique européenne de l'appareil, déterminée conformément aux dispositions du règlement (UE) 2015/1187 ; ".
" b) la chaudière à biomasse ou le poêle à biomasse est conforme aux dispositions des règlements européens (UE) n° 2015/1185 et 2015/1189. En outre, le poêle à biomasse satisfait au moins à la classe d'efficacité énergétique A+ indiquée sur l'étiquette énergétique européenne de l'appareil, déterminée conformément aux dispositions du règlement (UE) 2015/1186. La chaudière à biomasse satisfait au moins à la classe d'efficacité énergétique A+ indiquée sur l'étiquette énergétique européenne de l'appareil, déterminée conformément aux dispositions du règlement (UE) 2015/1187 ; ".
Art. 70. Aan artikel 9.1.12/4 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 januari 2017 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 2 december 2022 en 16 juni 2023, wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Het installatierendement ηinst,heatvan opwekkers op de eigen site voor centrale verwarming met water als warmtetransporterend fluïdum in nieuw op te richten EPW- en EPN-eenheden waarvan de melding gedaan wordt of de stedenbouwkundige vergunning of de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen aangevraagd wordt vanaf 1 januari 2025, bedraagt minimaal 130%. Het installatierendement ηinst,heatvan opwekkers voor centrale ruimteverwarming met water als warmtetransporterend fluïdum wordt bepaald conform bijlage V en VI, die bij dit besluit zijn gevoegd.".
"Het installatierendement ηinst,heatvan opwekkers op de eigen site voor centrale verwarming met water als warmtetransporterend fluïdum in nieuw op te richten EPW- en EPN-eenheden waarvan de melding gedaan wordt of de stedenbouwkundige vergunning of de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen aangevraagd wordt vanaf 1 januari 2025, bedraagt minimaal 130%. Het installatierendement ηinst,heatvan opwekkers voor centrale ruimteverwarming met water als warmtetransporterend fluïdum wordt bepaald conform bijlage V en VI, die bij dit besluit zijn gevoegd.".
Art. 70. Dans l'article 9.1.12/4 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 janvier 2017 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 2 décembre 2022 et 16 juin 2023, un alinéa 3 rédigé comme suit est ajouté :
" Le rendement d'installation ηinst,heatdes producteurs sur propre site pour le chauffage central utilisant l'eau comme fluide caloporteur dans les unités PER et PEN à construire pour lesquelles la déclaration est faite ou le permis d'urbanisme ou le permis d'environnement pour des actes urbanistiques est demandé à partir du 1er janvier 2025 s'élève à minimum 130 %. Le rendement d'installation ηinst,heatdes producteurs pour le chauffage central de locaux utilisant l'eau comme fluide caloporteur est déterminé conformément aux annexes V et VI, qui sont jointes au présent arrêté. ".
" Le rendement d'installation ηinst,heatdes producteurs sur propre site pour le chauffage central utilisant l'eau comme fluide caloporteur dans les unités PER et PEN à construire pour lesquelles la déclaration est faite ou le permis d'urbanisme ou le permis d'environnement pour des actes urbanistiques est demandé à partir du 1er janvier 2025 s'élève à minimum 130 %. Le rendement d'installation ηinst,heatdes producteurs pour le chauffage central de locaux utilisant l'eau comme fluide caloporteur est déterminé conformément aux annexes V et VI, qui sont jointes au présent arrêté. ".
Art. 71. In artikel 9.1.17 van hetzelfde besluit, hersteld bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 november 2013 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2022, wordt een paragraaf 5/1 ingevoegd, die luidt als volgt:
" § 5/1. Het installatierendement ηinst,heatvan opwekkers op de eigen site voor centrale verwarming met water als warmtetransporterend fluïdum in EPW- en EPN-eenheden die ingrijpend energetisch worden gerenoveerd en waarvan de melding gedaan wordt of de stedenbouwkundige vergunning of de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen aangevraagd wordt vanaf 1 januari 2025, bedraagt minimaal 130%. Het installatierendement ηinst,heatvan opwekkers voor centrale ruimteverwarming met water als warmtetransporterend fluïdum wordt bepaald conform bijlage V en VI, die bij dit besluit zijn gevoegd.".
" § 5/1. Het installatierendement ηinst,heatvan opwekkers op de eigen site voor centrale verwarming met water als warmtetransporterend fluïdum in EPW- en EPN-eenheden die ingrijpend energetisch worden gerenoveerd en waarvan de melding gedaan wordt of de stedenbouwkundige vergunning of de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen aangevraagd wordt vanaf 1 januari 2025, bedraagt minimaal 130%. Het installatierendement ηinst,heatvan opwekkers voor centrale ruimteverwarming met water als warmtetransporterend fluïdum wordt bepaald conform bijlage V en VI, die bij dit besluit zijn gevoegd.".
Art. 71. Dans l'article 9.1.17 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 novembre 2013 et modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juillet 2022, il est ajouté un paragraphe 5/1, rédigé comme suit :
" § 5/1. Le rendement d'installation ηinst,heatdes producteurs sur propre site pour le chauffage central utilisant l'eau comme fluide caloporteur dans les unités PER et PEN qui font l'objet d'une rénovation énergétique importante et pour lesquelles la déclaration est faite ou le permis d'urbanisme ou le permis d'environnement pour des actes urbanistiques est demandé à partir du 1er janvier 2025 s'élève à minimum 130 %. Le rendement d'installation ηinst,heatdes producteurs pour le chauffage central de locaux utilisant l'eau comme fluide caloporteur est déterminé conformément aux annexes V et VI, qui sont jointes au présent arrêté. ".
" § 5/1. Le rendement d'installation ηinst,heatdes producteurs sur propre site pour le chauffage central utilisant l'eau comme fluide caloporteur dans les unités PER et PEN qui font l'objet d'une rénovation énergétique importante et pour lesquelles la déclaration est faite ou le permis d'urbanisme ou le permis d'environnement pour des actes urbanistiques est demandé à partir du 1er janvier 2025 s'élève à minimum 130 %. Le rendement d'installation ηinst,heatdes producteurs pour le chauffage central de locaux utilisant l'eau comme fluide caloporteur est déterminé conformément aux annexes V et VI, qui sont jointes au présent arrêté. ".
Art. 72. In artikel 9.2.5 van hetzelfde besluit, vervangen bij besluit van de Vlaamse Regering van 16 juni 2023, wordt de volgende zin toegevoegd:
"De minister bepaalt welke delen van het energieprestatiecertificaat bij de bouw minstens gebruikt moeten worden om te voldoen aan deze verplichtingen.".
"De minister bepaalt welke delen van het energieprestatiecertificaat bij de bouw minstens gebruikt moeten worden om te voldoen aan deze verplichtingen.".
Art. 72. L'article 9.2.5 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 juin 2023, est complété par la phrase suivante :
" Le ministre détermine quelles parties du certificat de performance énergétique doivent au moins être utilisées lors de la construction pour répondre à ces obligations. ".
" Le ministre détermine quelles parties du certificat de performance énergétique doivent au moins être utilisées lors de la construction pour répondre à ces obligations. ".
Art. 73. In artikel 9.2.6/3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juni 2023, worden volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het tweede lid wordt tussen de woorden "In afwijking van het eerste lid voldoen" en de woorden "niet-residentiële eenheden" het woord "grote" ingevoegd;
2° er wordt een zesde lid toegevoegd dat luidt als volgt:
"In afwijking van het eerste en tweede lid en met behoud van toepassing van het vierde en vijfde lid, is de eigenaar, de houder van een zakelijk recht of in voorkomend geval de erfpachter of de opstalhouder van een grote niet-residentiële eenheid die al over een geldig energieprestatiecertificaat bij de bouw beschikt, tijdens de geldigheid van dit energieprestatiecertificaat vrijgesteld van de verplichtingen, vermeld in het eerste en tweede lid, op voorwaarde dat voldaan is aan de volgende eisen:
1° uit het energieprestatiecertificaat blijkt dat het gebouw of de gebouweenheid voldoet aan de E-peileis;
2° het energieprestatiecertificaat heeft betrekking op het volledige grote niet-residentiële gebouw of de gebouweenheid.".
1° in het tweede lid wordt tussen de woorden "In afwijking van het eerste lid voldoen" en de woorden "niet-residentiële eenheden" het woord "grote" ingevoegd;
2° er wordt een zesde lid toegevoegd dat luidt als volgt:
"In afwijking van het eerste en tweede lid en met behoud van toepassing van het vierde en vijfde lid, is de eigenaar, de houder van een zakelijk recht of in voorkomend geval de erfpachter of de opstalhouder van een grote niet-residentiële eenheid die al over een geldig energieprestatiecertificaat bij de bouw beschikt, tijdens de geldigheid van dit energieprestatiecertificaat vrijgesteld van de verplichtingen, vermeld in het eerste en tweede lid, op voorwaarde dat voldaan is aan de volgende eisen:
1° uit het energieprestatiecertificaat blijkt dat het gebouw of de gebouweenheid voldoet aan de E-peileis;
2° het energieprestatiecertificaat heeft betrekking op het volledige grote niet-residentiële gebouw of de gebouweenheid.".
Art. 73. A l'article 9.2.6/3 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 juin 2023, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 2, le mot " grandes " est inséré entre le membre de phrase " Par dérogation à l'alinéa 1er, les " et les mots " unités non résidentielles " ;
2° un alinéa 6 rédigé comme suit est ajouté :
" Par dérogation aux alinéas 1er et 2 et sans préjudice de l'application des alinéas 4 et 5, le propriétaire, le titulaire d'un droit réel ou, le cas échéant, l'emphytéote ou le superficiaire d'une grande unité non résidentielle, qui dispose déjà lors de la construction d'un certificat de performance énergétique valable, peut, pendant la validité de ce certificat de performance énergétique, est exempté des obligations visées aux alinéas 1er et 2, pour autant que les exigences suivantes soient respectées :
1° le certificat de performance énergétique indique que le bâtiment ou l'unité de bâtiment satisfait à l'exigence du niveau E ;
2° le certificat de performance énergétique porte sur l'ensemble du grand bâtiment non résidentiel ou de l'unité de bâtiment. ".
1° dans l'alinéa 2, le mot " grandes " est inséré entre le membre de phrase " Par dérogation à l'alinéa 1er, les " et les mots " unités non résidentielles " ;
2° un alinéa 6 rédigé comme suit est ajouté :
" Par dérogation aux alinéas 1er et 2 et sans préjudice de l'application des alinéas 4 et 5, le propriétaire, le titulaire d'un droit réel ou, le cas échéant, l'emphytéote ou le superficiaire d'une grande unité non résidentielle, qui dispose déjà lors de la construction d'un certificat de performance énergétique valable, peut, pendant la validité de ce certificat de performance énergétique, est exempté des obligations visées aux alinéas 1er et 2, pour autant que les exigences suivantes soient respectées :
1° le certificat de performance énergétique indique que le bâtiment ou l'unité de bâtiment satisfait à l'exigence du niveau E ;
2° le certificat de performance énergétique porte sur l'ensemble du grand bâtiment non résidentiel ou de l'unité de bâtiment. ".
Art. 74. In artikel 9.2.7/3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juni 2023, wordt een vierde en vijfde lid toegevoegd die luiden als volgt:
"In afwijking van het eerste lid dienen kleine niet-residentiële eenheden die in hun geheel afgebroken worden, niet te voldoen aan de verplichting, vermeld in het eerste lid, als cumulatief voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
1° voor de sloop van de kleine niet-residentiële eenheid is een omgevingsvergunning verleend dat het aspect afbraak bevat conform artikel 4.2.1, 1°, c) van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
2° de eigenaar, houder van een zakelijk recht, erfpachter of opstalhouder van de kleine niet-residentiële eenheid meldt dat bij het VEKA uiterlijk één maand voor de verplichting, vermeld in het eerste lid, in werking treedt, of in voorkomend geval, één maand voordat het energieprestatiecertificaat vernieuwd moet worden;
3° de eigenaar, houder van een zakelijk recht, erfpachter of opstalhouder van de kleine niet-residentiële eenheid bewijst uiterlijk binnen vijf jaar nadat de omgevingsvergunning is verleend als vermeld in 1°, het einde van de sloopwerken van de kleine niet-residentiële eenheid.
De melding, vermeld in het vierde lid, 2°, bevat minstens een kopie van de verleende vergunning, de ligging en de gegevens van de eigenaar, houder van een zakelijk recht, erfpachter of opstalhouder. De minister kan nadere regels bepalen voor de vorm en de inhoud van de melding.".
"In afwijking van het eerste lid dienen kleine niet-residentiële eenheden die in hun geheel afgebroken worden, niet te voldoen aan de verplichting, vermeld in het eerste lid, als cumulatief voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
1° voor de sloop van de kleine niet-residentiële eenheid is een omgevingsvergunning verleend dat het aspect afbraak bevat conform artikel 4.2.1, 1°, c) van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
2° de eigenaar, houder van een zakelijk recht, erfpachter of opstalhouder van de kleine niet-residentiële eenheid meldt dat bij het VEKA uiterlijk één maand voor de verplichting, vermeld in het eerste lid, in werking treedt, of in voorkomend geval, één maand voordat het energieprestatiecertificaat vernieuwd moet worden;
3° de eigenaar, houder van een zakelijk recht, erfpachter of opstalhouder van de kleine niet-residentiële eenheid bewijst uiterlijk binnen vijf jaar nadat de omgevingsvergunning is verleend als vermeld in 1°, het einde van de sloopwerken van de kleine niet-residentiële eenheid.
De melding, vermeld in het vierde lid, 2°, bevat minstens een kopie van de verleende vergunning, de ligging en de gegevens van de eigenaar, houder van een zakelijk recht, erfpachter of opstalhouder. De minister kan nadere regels bepalen voor de vorm en de inhoud van de melding.".
Art. 74. Dans l'article 9.2.7/3 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 juin 2023, il est ajouté des alinéas 4 et 5, rédigés comme suit :
" Par dérogation à l'alinéa 1er, les petites unités non résidentielles qui sont démolies dans leur ensemble ne doivent pas satisfaire à l'obligation visée à l'alinéa 1er, si les conditions suivantes sont cumulativement remplies :
1° pour la démolition de la petite unité non résidentielle, un permis d'environnement a été accordé, qui contient l'aspect démolition conformément à l'article 4.2.1, 1°, c) du Code flamand de l'Aménagement du Territoire ;
2° le propriétaire, le titulaire d'un droit réel, l'emphytéote ou le superficiaire de la petite unité non résidentielle le notifie à la VEKA au plus tard un mois avant l'entrée en vigueur de l'obligation visée à l'alinéa 1er ou, le cas échéant, un mois avant que le certificat de performance énergétique ne doive être renouvelé ;
3° le propriétaire, le titulaire d'un droit réel, l'emphytéote ou le superficiaire de la petite unité non résidentielle prouve, au plus tard dans les cinq ans suivant l'octroi du permis d'environnement tel que visé au point 1°, la fin des travaux de démolition de la petite unité non résidentielle. La notification visée à l'alinéa 4, 2°, contient au moins une copie du permis accordé, l'emplacement et les données du propriétaire, du titulaire d'un droit réel, de l'emphytéote ou du superficiaire. Le ministre peut préciser les modalités quant à la forme et au contenu de la notification. ".
" Par dérogation à l'alinéa 1er, les petites unités non résidentielles qui sont démolies dans leur ensemble ne doivent pas satisfaire à l'obligation visée à l'alinéa 1er, si les conditions suivantes sont cumulativement remplies :
1° pour la démolition de la petite unité non résidentielle, un permis d'environnement a été accordé, qui contient l'aspect démolition conformément à l'article 4.2.1, 1°, c) du Code flamand de l'Aménagement du Territoire ;
2° le propriétaire, le titulaire d'un droit réel, l'emphytéote ou le superficiaire de la petite unité non résidentielle le notifie à la VEKA au plus tard un mois avant l'entrée en vigueur de l'obligation visée à l'alinéa 1er ou, le cas échéant, un mois avant que le certificat de performance énergétique ne doive être renouvelé ;
3° le propriétaire, le titulaire d'un droit réel, l'emphytéote ou le superficiaire de la petite unité non résidentielle prouve, au plus tard dans les cinq ans suivant l'octroi du permis d'environnement tel que visé au point 1°, la fin des travaux de démolition de la petite unité non résidentielle. La notification visée à l'alinéa 4, 2°, contient au moins une copie du permis accordé, l'emplacement et les données du propriétaire, du titulaire d'un droit réel, de l'emphytéote ou du superficiaire. Le ministre peut préciser les modalités quant à la forme et au contenu de la notification. ".
Art. 75. In artikel 9.3.1 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juli 2021 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 4 februari 2022, 8 juli 2022 en 16 juni 2023, wordt een paragraaf 4/1 ingevoegd die luidt als volgt:
" § 4/1. In geval een gebouw of gebouweenheid dat valt onder de verplichtingen, vermeld in dit artikel, binnen de vijf jaar na de datum van het verlijden van de authentieke akte bij een notariële overdracht in volle eigendom, het vestigen of overdragen van een opstalrecht of het vestigen of overdragen van een erfpacht samengevoegd wordt met een ander gebouw of andere gebouweenheid, behaalt het samengevoegde gebouw of gebouweenheid, met behoud van de toepassing van de paragrafen 1, 2, 3, 4 en 5, artikel 9.3.2 en artikel 9.3.3, de vooropgestelde eisen vermeld in dit artikel of in geval van bestemmingswijziging, vermeld in artikel 9.3.7.
In geval een gebouw of gebouweenheid dat valt onder de verplichtingen, vermeld in dit artikel, binnen de vijf jaar na de datum van het verlijden van de authentieke akte bij een notariële overdracht in volle eigendom, het vestigen of overdragen van een opstalrecht of het vestigen of overdragen van een erfpacht opgesplitst wordt in meerdere gebouwen of gebouweenheden, behalen alle opgesplitste gebouwen of gebouweenheden, met behoud van de toepassing van paragrafen 1 tot en met 4 en paragraaf 5, de vooropgestelde eisen, vermeld in dit artikel of in geval van bestemmingswijziging, vermeld in artikel 9.3.7.".
" § 4/1. In geval een gebouw of gebouweenheid dat valt onder de verplichtingen, vermeld in dit artikel, binnen de vijf jaar na de datum van het verlijden van de authentieke akte bij een notariële overdracht in volle eigendom, het vestigen of overdragen van een opstalrecht of het vestigen of overdragen van een erfpacht samengevoegd wordt met een ander gebouw of andere gebouweenheid, behaalt het samengevoegde gebouw of gebouweenheid, met behoud van de toepassing van de paragrafen 1, 2, 3, 4 en 5, artikel 9.3.2 en artikel 9.3.3, de vooropgestelde eisen vermeld in dit artikel of in geval van bestemmingswijziging, vermeld in artikel 9.3.7.
In geval een gebouw of gebouweenheid dat valt onder de verplichtingen, vermeld in dit artikel, binnen de vijf jaar na de datum van het verlijden van de authentieke akte bij een notariële overdracht in volle eigendom, het vestigen of overdragen van een opstalrecht of het vestigen of overdragen van een erfpacht opgesplitst wordt in meerdere gebouwen of gebouweenheden, behalen alle opgesplitste gebouwen of gebouweenheden, met behoud van de toepassing van paragrafen 1 tot en met 4 en paragraaf 5, de vooropgestelde eisen, vermeld in dit artikel of in geval van bestemmingswijziging, vermeld in artikel 9.3.7.".
Art. 75. Dans l'article 9.3.1 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 juillet 2021 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 4 février 2022, 8 juillet 2022 et 16 juin 2023, un paragraphe 4/1 rédigé comme suit est ajouté :
" § 4/1. En cas de fusion d'un bâtiment ou d'une unité de bâtiment soumis aux obligations visées au présent article avec un autre bâtiment ou une autre unité de bâtiment dans les cinq ans après la date de passation de l'acte authentique en cas de transfert notarié en pleine propriété, d'établissement ou de transfert d'un droit de superficie ou d'établissement ou de transfert d'une emphytéose, le bâtiment ou l'unité de bâtiment fusionné répond, sans préjudice de l'application des paragraphes 1er, 2, 3, 4 et 5, article 9.3.2 et article 9.3.3, aux exigences prédéfinies énoncées dans le présent article ou, en cas de changement d'affectation, visées à l'article 9.3.7.
En cas de division d'un bâtiment ou d'une unité de bâtiment soumis aux obligations visées au présent article en plusieurs bâtiments ou unités de bâtiment dans les cinq ans après la date de passation de l'acte authentique en cas de transfert notarié en pleine propriété, d'établissement ou de transfert d'un droit de superficie ou d'établissement ou de transfert d'une emphytéose, tous les bâtiments ou unités de bâtiment ayant fait l'objet de la division répondent, sans préjudice de l'application des paragraphes 1er à 4 et du paragraphe 5, aux exigences prédéfinies énoncées dans le présent article ou, en cas de changement d'affectation, visées à l'article 9.3.7. ".
" § 4/1. En cas de fusion d'un bâtiment ou d'une unité de bâtiment soumis aux obligations visées au présent article avec un autre bâtiment ou une autre unité de bâtiment dans les cinq ans après la date de passation de l'acte authentique en cas de transfert notarié en pleine propriété, d'établissement ou de transfert d'un droit de superficie ou d'établissement ou de transfert d'une emphytéose, le bâtiment ou l'unité de bâtiment fusionné répond, sans préjudice de l'application des paragraphes 1er, 2, 3, 4 et 5, article 9.3.2 et article 9.3.3, aux exigences prédéfinies énoncées dans le présent article ou, en cas de changement d'affectation, visées à l'article 9.3.7.
En cas de division d'un bâtiment ou d'une unité de bâtiment soumis aux obligations visées au présent article en plusieurs bâtiments ou unités de bâtiment dans les cinq ans après la date de passation de l'acte authentique en cas de transfert notarié en pleine propriété, d'établissement ou de transfert d'un droit de superficie ou d'établissement ou de transfert d'une emphytéose, tous les bâtiments ou unités de bâtiment ayant fait l'objet de la division répondent, sans préjudice de l'application des paragraphes 1er à 4 et du paragraphe 5, aux exigences prédéfinies énoncées dans le présent article ou, en cas de changement d'affectation, visées à l'article 9.3.7. ".
Art. 76. In artikel 9.3.4 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2022 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juni 2023, wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd dat luidt als volgt:
"In geval een gebouw of gebouweenheid dat valt onder de verplichtingen, vermeld in dit artikel, binnen de vijf jaar na de datum van het verlijden van de authentieke akte bij een notariële overdracht in volle eigendom, het vestigen of overdragen van een opstalrecht of het vestigen of overdragen van een erfpacht samengevoegd wordt met een ander gebouw of andere gebouweenheid, behaalt het nieuw verkregen gebouw of gebouweenheid, met behoud van de toepassing van artikel 9.3.4, artikel 9.3.5 en artikel 9.3.6, de vooropgestelde eisen vermeld in dit artikel of in geval van bestemmingswijziging, vermeld in artikel 9.3.7.
In geval een gebouw of gebouweenheid dat valt onder de verplichtingen, vermeld in dit artikel, binnen de vijf jaar na de datum van het verlijden van de authentieke akte bij een notariële overdracht in volle eigendom, het vestigen of overdragen van een opstalrecht of het vestigen of overdragen van een erfpacht opgesplitst wordt in meerdere gebouwen of gebouweenheden, behalen alle gebouwen of gebouweenheden met behoud van de toepassing van artikel 9.3.4, artikel 9.3.5 en artikel 9.3.6, de vooropgestelde eisen, vermeld in dit artikel, of in geval van bestemmingswijziging, vermeld in artikel 9.3.7.".
"In geval een gebouw of gebouweenheid dat valt onder de verplichtingen, vermeld in dit artikel, binnen de vijf jaar na de datum van het verlijden van de authentieke akte bij een notariële overdracht in volle eigendom, het vestigen of overdragen van een opstalrecht of het vestigen of overdragen van een erfpacht samengevoegd wordt met een ander gebouw of andere gebouweenheid, behaalt het nieuw verkregen gebouw of gebouweenheid, met behoud van de toepassing van artikel 9.3.4, artikel 9.3.5 en artikel 9.3.6, de vooropgestelde eisen vermeld in dit artikel of in geval van bestemmingswijziging, vermeld in artikel 9.3.7.
In geval een gebouw of gebouweenheid dat valt onder de verplichtingen, vermeld in dit artikel, binnen de vijf jaar na de datum van het verlijden van de authentieke akte bij een notariële overdracht in volle eigendom, het vestigen of overdragen van een opstalrecht of het vestigen of overdragen van een erfpacht opgesplitst wordt in meerdere gebouwen of gebouweenheden, behalen alle gebouwen of gebouweenheden met behoud van de toepassing van artikel 9.3.4, artikel 9.3.5 en artikel 9.3.6, de vooropgestelde eisen, vermeld in dit artikel, of in geval van bestemmingswijziging, vermeld in artikel 9.3.7.".
Art. 76. Dans l'article 9.3.4 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juillet 2022 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 juin 2023, un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 1er et 2 :
" En cas de fusion d'un bâtiment ou d'une unité de bâtiment soumis aux obligations visées au présent article avec un autre bâtiment ou une autre unité de bâtiment dans les cinq ans après la date de passation de l'acte authentique en cas de transfert notarié en pleine propriété, d'établissement ou de transfert d'un droit de superficie ou d'établissement ou de transfert d'une emphytéose, le bâtiment ou l'unité de bâtiment nouvellement obtenu répond, sans préjudice de l'application des articles 9.3.4, 9.3.5 et 9.3.6, aux exigences prédéfinies énoncées dans le présent article ou, en cas de changement d'affectation, visées à l'article 9.3.7.
En cas de division d'un bâtiment ou d'une unité de bâtiment soumis aux obligations visées au présent article en plusieurs bâtiments ou unités de bâtiment dans les cinq ans après la date de passation de l'acte authentique en cas de transfert notarié en pleine propriété, d'établissement ou de transfert d'un droit de superficie ou d'établissement ou de transfert d'une emphytéose, tous les bâtiments ou unités de bâtiment répondent, sans préjudice de l'application des articles 9.3.4, 9.3.5 et 9.3.6, aux exigences prédéfinies énoncées dans le présent article ou, en cas de changement d'affectation, visées à l'article 9.3.7. ".
" En cas de fusion d'un bâtiment ou d'une unité de bâtiment soumis aux obligations visées au présent article avec un autre bâtiment ou une autre unité de bâtiment dans les cinq ans après la date de passation de l'acte authentique en cas de transfert notarié en pleine propriété, d'établissement ou de transfert d'un droit de superficie ou d'établissement ou de transfert d'une emphytéose, le bâtiment ou l'unité de bâtiment nouvellement obtenu répond, sans préjudice de l'application des articles 9.3.4, 9.3.5 et 9.3.6, aux exigences prédéfinies énoncées dans le présent article ou, en cas de changement d'affectation, visées à l'article 9.3.7.
En cas de division d'un bâtiment ou d'une unité de bâtiment soumis aux obligations visées au présent article en plusieurs bâtiments ou unités de bâtiment dans les cinq ans après la date de passation de l'acte authentique en cas de transfert notarié en pleine propriété, d'établissement ou de transfert d'un droit de superficie ou d'établissement ou de transfert d'une emphytéose, tous les bâtiments ou unités de bâtiment répondent, sans préjudice de l'application des articles 9.3.4, 9.3.5 et 9.3.6, aux exigences prédéfinies énoncées dans le présent article ou, en cas de changement d'affectation, visées à l'article 9.3.7. ".
Art. 77. In artikel 10.1.13, § 1, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 november 2023, wordt punt 3° opgeheven.
Art. 77. Dans l'article 10.1.13, § 1er, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 novembre 2023, le point 3° est abrogé.
Art. 78. In artikel 10.1.14, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 november 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt de zin "De aanvraag van een tegemoetkoming als vermeld in artikel 7.9.2/1, 5°, kan worden ingediend via het online platform, vermeld in artikel 10.1.13." vervangen door de zin "Voor de tegemoetkoming als vermeld in artikel 7.9.2/1, 5°, kan de aanvrager via het online platform controleren of hij aan de toekenningsvoorwaarden voldoet.";
2° in paragraaf 1, tweede lid, wordt de zinsnede ", vermeld in het eerste lid" vervangen door de zinsnede "als vermeld in artikel 6.4.1/4, tweede lid, 1° en 6.4.1/8, eerste lid";
3° aan paragraaf 1, tweede lid, wordt de volgende zin toegevoegd:
"Als de aanvrager voldoet aan de toekenningsvoorwaarden voor de tegemoetkoming als vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, 5°, ontvangt de aanvrager een attest met de bevestiging hiervan. De aanvrager ontvangt ook het overzicht van de gegevens waarmee de ontvankelijkheid van de aanvraag is gecontroleerd.";
4° aan paragraaf 1, derde lid, worden de zinnen "Als de aanvrager recht heeft op de tegemoetkoming, vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, 5°, wordt de ontvankelijke aanvraag geregistreerd in de systemen van de energiehuizen. Daarna gaan de energiehuizen over tot de toekenning van de tegemoetkoming aan de begunstigde, conform paragraaf 2" vervangen door de zin "Als de aanvrager voldoet aan de toekenningsvoorwaarden voor de tegemoetkoming als vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, 5°, kan de aanvrager op basis van het verkregen attest, vermeld in het tweede lid, de tegemoetkoming aanvragen bij het energiehuis.";
5° in paragraaf 1, vierde lid, wordt de zinsnede "met een elektronische formulier dat via het platform ter beschikking wordt gesteld, " vervangen door het woord "schriftelijk" en wordt de zinsnede "via het platform met een elektronisch bericht of met een brief, als de aanvrager daar expliciet om vraagt" opgeheven;
6° in paragraaf 1, vijfde lid, wordt de zinsnede ", vermeld in het tweede lid" vervangen door de zinsnede "als vermeld in artikel 6.4.1/4, tweede lid, 1° en 6.4.1/8, eerste lid, schriftelijk" en worden de woorden "door binnen dertig dagen een elektronisch formulier in te vullen dat via het platform ter beschikking wordt gesteld" vervangen door de woorden "binnen dertig dagen na ontvangst van de beslissing tot weigering";
7° in paragraaf 1, vijfde lid, wordt de zinsnede "via het platform met een elektronisch bericht of met een brief, als de aanvrager daar expliciet om vraagt" opgeheven;
8° in paragraaf 1, zesde lid, wordt tussen de woorden "van drie maanden" en de woorden "beroep aantekenen" het woord "schriftelijk" ingevoegd;
9° in paragraaf 1, zesde lid, worden de woorden "met een elektronisch formulier dat via het platform ter beschikking wordt gesteld" opgeheven;
10° in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden "de aanvragen" vervangen door de woorden "de controle van de toekenningsvoorwaarden".
1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt de zin "De aanvraag van een tegemoetkoming als vermeld in artikel 7.9.2/1, 5°, kan worden ingediend via het online platform, vermeld in artikel 10.1.13." vervangen door de zin "Voor de tegemoetkoming als vermeld in artikel 7.9.2/1, 5°, kan de aanvrager via het online platform controleren of hij aan de toekenningsvoorwaarden voldoet.";
2° in paragraaf 1, tweede lid, wordt de zinsnede ", vermeld in het eerste lid" vervangen door de zinsnede "als vermeld in artikel 6.4.1/4, tweede lid, 1° en 6.4.1/8, eerste lid";
3° aan paragraaf 1, tweede lid, wordt de volgende zin toegevoegd:
"Als de aanvrager voldoet aan de toekenningsvoorwaarden voor de tegemoetkoming als vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, 5°, ontvangt de aanvrager een attest met de bevestiging hiervan. De aanvrager ontvangt ook het overzicht van de gegevens waarmee de ontvankelijkheid van de aanvraag is gecontroleerd.";
4° aan paragraaf 1, derde lid, worden de zinnen "Als de aanvrager recht heeft op de tegemoetkoming, vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, 5°, wordt de ontvankelijke aanvraag geregistreerd in de systemen van de energiehuizen. Daarna gaan de energiehuizen over tot de toekenning van de tegemoetkoming aan de begunstigde, conform paragraaf 2" vervangen door de zin "Als de aanvrager voldoet aan de toekenningsvoorwaarden voor de tegemoetkoming als vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, 5°, kan de aanvrager op basis van het verkregen attest, vermeld in het tweede lid, de tegemoetkoming aanvragen bij het energiehuis.";
5° in paragraaf 1, vierde lid, wordt de zinsnede "met een elektronische formulier dat via het platform ter beschikking wordt gesteld, " vervangen door het woord "schriftelijk" en wordt de zinsnede "via het platform met een elektronisch bericht of met een brief, als de aanvrager daar expliciet om vraagt" opgeheven;
6° in paragraaf 1, vijfde lid, wordt de zinsnede ", vermeld in het tweede lid" vervangen door de zinsnede "als vermeld in artikel 6.4.1/4, tweede lid, 1° en 6.4.1/8, eerste lid, schriftelijk" en worden de woorden "door binnen dertig dagen een elektronisch formulier in te vullen dat via het platform ter beschikking wordt gesteld" vervangen door de woorden "binnen dertig dagen na ontvangst van de beslissing tot weigering";
7° in paragraaf 1, vijfde lid, wordt de zinsnede "via het platform met een elektronisch bericht of met een brief, als de aanvrager daar expliciet om vraagt" opgeheven;
8° in paragraaf 1, zesde lid, wordt tussen de woorden "van drie maanden" en de woorden "beroep aantekenen" het woord "schriftelijk" ingevoegd;
9° in paragraaf 1, zesde lid, worden de woorden "met een elektronisch formulier dat via het platform ter beschikking wordt gesteld" opgeheven;
10° in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden "de aanvragen" vervangen door de woorden "de controle van de toekenningsvoorwaarden".
Art. 78. A l'article 10.1.14, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 novembre 2023, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, la phrase " La demande d'une intervention telle que visée à l'article 7.9.2/1, 5°, peut être introduite via la plateforme en ligne prévue à l'article 10.1.13. " est remplacée par la phrase " Pour l'intervention telle que visée à l'article 7.9.2/1, 5°, le demandeur peut vérifier via la plateforme en ligne s'il satisfait aux conditions d'octroi. " ;
2° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, le membre de phrase " , figurant à l'alinéa 1er " est remplacé par le membre de phrase " , tel que visé à l'article 6.4.1/4, alinéa 2, 1° et à l'article 6.4.1/8, alinéa 1er " ;
3° le paragraphe 1er, alinéa 2, est complété par la phrase suivante :
" Si le demandeur remplit les conditions d'octroi de l'intervention telle que visée à l'article 7.9.2/1, § 1er, 5°, le demandeur reçoit une attestation le confirmant. Le demandeur reçoit également le résumé des données utilisées pour vérifier la recevabilité de la demande. " ;
4° dans le paragraphe 1er, alinéa 3, les phrases " Si le demandeur a droit à l'intervention, visée à l'article 7.9.2/1, § 1er, 5°, la demande recevable est enregistrée dans les systèmes des maisons de l'énergie. Ensuite, les maisons de l'énergie procèdent à l'octroi de l'intervention au bénéficiaire conformément au paragraphe 2 " sont remplacées par la phrase " Si le demandeur remplit les conditions d'octroi de l'intervention telle que visée à l'article 7.9.2/1, § 1er, 5°, le demandeur peut demander l'intervention à la maison de l'énergie sur la base de l'attestation obtenue, visée à l'alinéa 2. " ;
5° dans le paragraphe 1er, alinéa 4, le membre de phrase " un recours dans un délai de trente jours à compter de la réception de ce résumé, au moyen d'un formulaire électronique mis à disposition sur la plateforme " est remplacé par le membre de phrase " un recours écrit dans un délai de trente jours à compter de la réception de ce résumé " et le membre de phrase " par le biais de la plateforme par message électronique ou par lettre, si le demandeur en fait explicitement la demande " est abrogé ;
6° dans le paragraphe 1er, alinéa 5, le membre de phrase " contester la décision de refus de l'intervention, visée à l'alinéa 2 " est remplacé par le membre de phrase " contester par écrit la décision de refus de l'intervention, telle que visée à l'article 6.4.1/4, alinéa 2, 1° et à l'article 6.4.1/8, alinéa 1er " et les mots " en remplissant dans un délai de trente jours un formulaire électronique mis à disposition sur la plateforme " sont remplacés par les mots " dans un délai de trente jours après réception de la décision de refus " ;
7° dans le paragraphe 1er, alinéa 5, le membre de phrase " par le biais de la plateforme par message électronique ou par lettre, si le demandeur en fait explicitement la demande " est abrogé ;
8° dans le paragraphe 1er, alinéa 6, le mot " écrit " est inséré entre les mots " introduire un recours " et les mots " contre cette inaction " ;
9° dans le paragraphe 1er, alinéa 6, les mots " au moyen d'un formulaire électronique mis à disposition sur la plateforme " sont abrogés ;
10° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, les mots " des demandes " sont remplacés par les mots " du contrôle des conditions d'octroi ".
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, la phrase " La demande d'une intervention telle que visée à l'article 7.9.2/1, 5°, peut être introduite via la plateforme en ligne prévue à l'article 10.1.13. " est remplacée par la phrase " Pour l'intervention telle que visée à l'article 7.9.2/1, 5°, le demandeur peut vérifier via la plateforme en ligne s'il satisfait aux conditions d'octroi. " ;
2° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, le membre de phrase " , figurant à l'alinéa 1er " est remplacé par le membre de phrase " , tel que visé à l'article 6.4.1/4, alinéa 2, 1° et à l'article 6.4.1/8, alinéa 1er " ;
3° le paragraphe 1er, alinéa 2, est complété par la phrase suivante :
" Si le demandeur remplit les conditions d'octroi de l'intervention telle que visée à l'article 7.9.2/1, § 1er, 5°, le demandeur reçoit une attestation le confirmant. Le demandeur reçoit également le résumé des données utilisées pour vérifier la recevabilité de la demande. " ;
4° dans le paragraphe 1er, alinéa 3, les phrases " Si le demandeur a droit à l'intervention, visée à l'article 7.9.2/1, § 1er, 5°, la demande recevable est enregistrée dans les systèmes des maisons de l'énergie. Ensuite, les maisons de l'énergie procèdent à l'octroi de l'intervention au bénéficiaire conformément au paragraphe 2 " sont remplacées par la phrase " Si le demandeur remplit les conditions d'octroi de l'intervention telle que visée à l'article 7.9.2/1, § 1er, 5°, le demandeur peut demander l'intervention à la maison de l'énergie sur la base de l'attestation obtenue, visée à l'alinéa 2. " ;
5° dans le paragraphe 1er, alinéa 4, le membre de phrase " un recours dans un délai de trente jours à compter de la réception de ce résumé, au moyen d'un formulaire électronique mis à disposition sur la plateforme " est remplacé par le membre de phrase " un recours écrit dans un délai de trente jours à compter de la réception de ce résumé " et le membre de phrase " par le biais de la plateforme par message électronique ou par lettre, si le demandeur en fait explicitement la demande " est abrogé ;
6° dans le paragraphe 1er, alinéa 5, le membre de phrase " contester la décision de refus de l'intervention, visée à l'alinéa 2 " est remplacé par le membre de phrase " contester par écrit la décision de refus de l'intervention, telle que visée à l'article 6.4.1/4, alinéa 2, 1° et à l'article 6.4.1/8, alinéa 1er " et les mots " en remplissant dans un délai de trente jours un formulaire électronique mis à disposition sur la plateforme " sont remplacés par les mots " dans un délai de trente jours après réception de la décision de refus " ;
7° dans le paragraphe 1er, alinéa 5, le membre de phrase " par le biais de la plateforme par message électronique ou par lettre, si le demandeur en fait explicitement la demande " est abrogé ;
8° dans le paragraphe 1er, alinéa 6, le mot " écrit " est inséré entre les mots " introduire un recours " et les mots " contre cette inaction " ;
9° dans le paragraphe 1er, alinéa 6, les mots " au moyen d'un formulaire électronique mis à disposition sur la plateforme " sont abrogés ;
10° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, les mots " des demandes " sont remplacés par les mots " du contrôle des conditions d'octroi ".
Art. 79. Artikel 12.3.1 van hetzelfde besluit, opgeheven bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 december 2022, wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing:
"Art. 12.3.1. In afwijking van artikel 6.4.1/6, § 5, tweede lid komen voor aanvragen, uiterlijk ingediend op 31 januari 2025, van de premie als vermeld in artikel 6.4.1/1/1 en 6.4.1/5/1 voor werken aan de gemeenschappelijke delen, facturen in aanmerking die dateren van 1 juli 2020 tot de datum van de aanvraag. Voor deze aanvragen wordt het bedrag van de tegemoetkoming berekend op basis van de in aanmerking genomen facturen die dateren van 1 juli 2020 tot de datum van de aanvraag.".
"Art. 12.3.1. In afwijking van artikel 6.4.1/6, § 5, tweede lid komen voor aanvragen, uiterlijk ingediend op 31 januari 2025, van de premie als vermeld in artikel 6.4.1/1/1 en 6.4.1/5/1 voor werken aan de gemeenschappelijke delen, facturen in aanmerking die dateren van 1 juli 2020 tot de datum van de aanvraag. Voor deze aanvragen wordt het bedrag van de tegemoetkoming berekend op basis van de in aanmerking genomen facturen die dateren van 1 juli 2020 tot de datum van de aanvraag.".
Art. 79. L'article 12.3.1 du même arrêté, abrogé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 2 décembre 2022, est rétabli dans la rédaction suivante :
" Art. 12.3.1. Par dérogation à l'article 6.4.1/6, § 5, alinéa 2, sont prises en considération pour les demandes introduites au plus tard le 31 janvier 2025 de la prime visée aux articles 6.4.1/1/1 et 6.4.1/5/1 pour des travaux sur les parties communes, les factures datant du 1er juillet 2020 jusqu'à la date de la demande. Pour ces demandes, le montant de l'intervention est calculé sur la base des factures prises en considération qui datent du 1er juillet 2020 jusqu'à la date de la demande. ".
" Art. 12.3.1. Par dérogation à l'article 6.4.1/6, § 5, alinéa 2, sont prises en considération pour les demandes introduites au plus tard le 31 janvier 2025 de la prime visée aux articles 6.4.1/1/1 et 6.4.1/5/1 pour des travaux sur les parties communes, les factures datant du 1er juillet 2020 jusqu'à la date de la demande. Pour ces demandes, le montant de l'intervention est calculé sur la base des factures prises en considération qui datent du 1er juillet 2020 jusqu'à la date de la demande. ".
Art. 80. Artikel 12.3.4 van hetzelfde besluit, opgeheven door het besluit van de Vlaamse Regering van 2 december 2022, wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing:
"Art. 12.3.4. Ter uitvoering van artikel 4.1.8/1, tweede lid, van het Energiedecreet van 8 mei 2009 kunnen de elektriciteitsdistributienetbeheerders de organisatorische ondersteuning bij de uitvoering van de energiebesparende investeringen die uit het energiezorgsysteem voortkomen, vermeld in artikel 6.4.1/7, 3°, c) van dit besluit, in de lezing voorafgaand aan de opheffing ervan bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 2024, nog voortzetten tot uiterlijk 31 december 2027 op voorwaarde dat die activiteiten voor dat lokale bestuur in kwestie uiterlijk op 31 december 2024 al werden opgestart.".
"Art. 12.3.4. Ter uitvoering van artikel 4.1.8/1, tweede lid, van het Energiedecreet van 8 mei 2009 kunnen de elektriciteitsdistributienetbeheerders de organisatorische ondersteuning bij de uitvoering van de energiebesparende investeringen die uit het energiezorgsysteem voortkomen, vermeld in artikel 6.4.1/7, 3°, c) van dit besluit, in de lezing voorafgaand aan de opheffing ervan bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 2024, nog voortzetten tot uiterlijk 31 december 2027 op voorwaarde dat die activiteiten voor dat lokale bestuur in kwestie uiterlijk op 31 december 2024 al werden opgestart.".
Art. 80. L'article 12.3.4 du même arrêté, abrogé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 2 décembre 2022, est rétabli dans la rédaction suivante :
" Art. 12.3.4. En exécution de l'article 4.1.8/1, alinéa 2, du décret sur l'énergie du 8 mai 2009, les gestionnaires de réseaux de distribution d'électricité peuvent encore poursuivre l'aide à l'organisation de la réalisation d'investissements économisant l'énergie provenant du système de gestion d'énergie visé à l'article 6.4.1/7, 3°, c) du présent arrêté, dans la rédaction précédant son abrogation par l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 mai 2024, jusqu'au 31 décembre 2027 au plus tard, pour autant que ces activités aient déjà été entamées pour l'administration locale en question le 31 décembre 2024 au plus tard. ".
" Art. 12.3.4. En exécution de l'article 4.1.8/1, alinéa 2, du décret sur l'énergie du 8 mai 2009, les gestionnaires de réseaux de distribution d'électricité peuvent encore poursuivre l'aide à l'organisation de la réalisation d'investissements économisant l'énergie provenant du système de gestion d'énergie visé à l'article 6.4.1/7, 3°, c) du présent arrêté, dans la rédaction précédant son abrogation par l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 mai 2024, jusqu'au 31 décembre 2027 au plus tard, pour autant que ces activités aient déjà été entamées pour l'administration locale en question le 31 décembre 2024 au plus tard. ".
Art. 81. In bijlage V van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 december 2022 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juni 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in punt 2 wordt tussen de definitie van "In/exfiltratiedebiet" en de definitie van "Interne warmteproductie" de volgende definitie ingevoegd:
"Installatierendement: globale prestatie van de opwekkers in een installatie.";
2° in punt 10.1 wordt aan de eerste alinea de volgende zin toegevoegd:
"De globale prestatie van de installatie voor opwekking van ruimteverwarming wordt vereenvoudigd bepaald op basis van het installatierendement.";
1° in punt 2 wordt tussen de definitie van "In/exfiltratiedebiet" en de definitie van "Interne warmteproductie" de volgende definitie ingevoegd:
"Installatierendement: globale prestatie van de opwekkers in een installatie.";
2° in punt 10.1 wordt aan de eerste alinea de volgende zin toegevoegd:
"De globale prestatie van de installatie voor opwekking van ruimteverwarming wordt vereenvoudigd bepaald op basis van het installatierendement.";
Art. 81. A l'annexe V du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 2 décembre 2022 et modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 juin 2023, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le point 2, la définition suivante est insérée entre la définition de " Débit d'infiltration/exfiltration " et la définition de " Production de chaleur interne " :
" Rendement d'installation : performance globale des producteurs dans une installation. " ;
2° dans le point 10.1, la phrase suivante est ajoutée dans l'alinéa 1er :
" La performance globale de l'installation pour la production de chauffage de locaux est déterminée de manière simplifiée sur la base du rendement d'installation. " ;
1° dans le point 2, la définition suivante est insérée entre la définition de " Débit d'infiltration/exfiltration " et la définition de " Production de chaleur interne " :
" Rendement d'installation : performance globale des producteurs dans une installation. " ;
2° dans le point 10.1, la phrase suivante est ajoutée dans l'alinéa 1er :
" La performance globale de l'installation pour la production de chauffage de locaux est déterminée de manière simplifiée sur la base du rendement d'installation. " ;
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 25-06-2024, p. 78411)
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 25-06-2024, p. 78434)
-
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 25-06-2024, p. 78435)
Art. 82. In bijlage VI van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 december 2022 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juni 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in punt 7.1 wordt tussen de eerste en de tweede alinea een alinea ingevoegd, die luidt als volgt:
"De globale prestatie van de installatie voor opwekking van ruimteverwarming wordt vereenvoudigd bepaald op basis van het installatierendement.";
2° er wordt een punt 7.7 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"7.7 Installatierendement voor de opwekking van ruimteverwarming
Het installatierendement voor de opwekking van ruimteverwarming is een maat voor het globale opwekkingsrendement van een groep van opwekkers die samen een energiesector bedienen. Het installatierendement wordt alleen bepaald voor energiesectoren die bediend worden door opwekkers op de eigen site voor centrale ruimteverwarming met water als warmtetransporterend fluïdum.
Het installatierendement ηinst,heat,sec i wordt berekend conform punt 10.6 van bijlage V, die bij dit besluit is gevoegd. Het opwekkingsrendement wordt bepaald conform punt 7.5.1 van deze bijlage.
Als de EPB-eenheid meerdere energiesectoren bevat en het installatierendement voor ruimteverwarming verschilt per energiesector, wordt het volumegemiddelde installatierendement van de energiesectoren waarvoor een installatierendement is bepaald, gebruikt om na te gaan of er voldaan is aan de eis.".
1° in punt 7.1 wordt tussen de eerste en de tweede alinea een alinea ingevoegd, die luidt als volgt:
"De globale prestatie van de installatie voor opwekking van ruimteverwarming wordt vereenvoudigd bepaald op basis van het installatierendement.";
2° er wordt een punt 7.7 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"7.7 Installatierendement voor de opwekking van ruimteverwarming
Het installatierendement voor de opwekking van ruimteverwarming is een maat voor het globale opwekkingsrendement van een groep van opwekkers die samen een energiesector bedienen. Het installatierendement wordt alleen bepaald voor energiesectoren die bediend worden door opwekkers op de eigen site voor centrale ruimteverwarming met water als warmtetransporterend fluïdum.
Het installatierendement ηinst,heat,sec i wordt berekend conform punt 10.6 van bijlage V, die bij dit besluit is gevoegd. Het opwekkingsrendement wordt bepaald conform punt 7.5.1 van deze bijlage.
Als de EPB-eenheid meerdere energiesectoren bevat en het installatierendement voor ruimteverwarming verschilt per energiesector, wordt het volumegemiddelde installatierendement van de energiesectoren waarvoor een installatierendement is bepaald, gebruikt om na te gaan of er voldaan is aan de eis.".
Art. 82. A l'annexe VI du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 2 décembre 2022 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 juin 2023, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le point 7.1, il est inséré entre les alinéas 1er et 2 un alinéa rédigé comme suit :
" La performance globale de l'installation pour la production de chauffage de locaux est déterminée de manière simplifiée sur la base du rendement d'installation. " ;
2° il est inséré un point 7.7, rédigé comme suit :
" 7.7 Rendement d'installation pour la production de chauffage de locaux
Le rendement d'installation pour la production de chauffage de locaux est une mesure du rendement global de la production d'un groupe de producteurs qui, ensemble, desservent un secteur énergétique. Le rendement d'installation est déterminé uniquement pour les secteurs énergétiques desservis par des producteurs sur site propre pour le chauffage central de locaux utilisant l'eau comme fluide caloporteur.
Le rendement d'installation ηinst,heat,sec i est calculé conformément au point 10.6 de l'annexe V, qui est jointe au présent arrêté. Le rendement de production est déterminé conformément au point 7.5.1 de la présente annexe.
Si l'unité PEB est composée de plusieurs secteurs énergétiques et que le rendement d'installation pour le chauffage des locaux diffère d'un secteur énergétique à l'autre, le rendement d'installation moyen en volume des secteurs énergétiques pour lesquels un rendement d'installation a été déterminé est utilisé pour vérifier la conformité à l'exigence. ".
1° dans le point 7.1, il est inséré entre les alinéas 1er et 2 un alinéa rédigé comme suit :
" La performance globale de l'installation pour la production de chauffage de locaux est déterminée de manière simplifiée sur la base du rendement d'installation. " ;
2° il est inséré un point 7.7, rédigé comme suit :
" 7.7 Rendement d'installation pour la production de chauffage de locaux
Le rendement d'installation pour la production de chauffage de locaux est une mesure du rendement global de la production d'un groupe de producteurs qui, ensemble, desservent un secteur énergétique. Le rendement d'installation est déterminé uniquement pour les secteurs énergétiques desservis par des producteurs sur site propre pour le chauffage central de locaux utilisant l'eau comme fluide caloporteur.
Le rendement d'installation ηinst,heat,sec i est calculé conformément au point 10.6 de l'annexe V, qui est jointe au présent arrêté. Le rendement de production est déterminé conformément au point 7.5.1 de la présente annexe.
Si l'unité PEB est composée de plusieurs secteurs énergétiques et que le rendement d'installation pour le chauffage des locaux diffère d'un secteur énergétique à l'autre, le rendement d'installation moyen en volume des secteurs énergétiques pour lesquels un rendement d'installation a été déterminé est utilisé pour vérifier la conformité à l'exigence. ".
Art. 83. In bijlage XII, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 oktober 2020 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 10 december 2021 en 2 december 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in punt 5.4.1 wordt aan de derde alinea de volgende zin toegevoegd:
"De analoge gasmeter van de netbeheerder moet ook aan deze voorwaarde voldoen en daarenboven beschikken over een systeem (type impulsgever) dat een automatische opneming (dit wil zeggen niet manueel - visuele weergave) van de meterstand toelaat.";
2° in punt 6.2 wordt het woord "woren" vervangen door het woord "worden";
3° in punt 6.2 wordt de volgende zin toegevoegd:
"Directe elektrische verwarming in ruimten waar ook oppervlakteverwarming met water als transportmedium (zoals vloerverwarming, wandverwarming, ...) aanwezig is, hoeft niet meegerekend worden.";
4° aan punt 6.2 wordt een alinea toegevoegd, die luidt als volgt:
"Als waarde bij ontstentenis geldt een afgiftevermogen van 30 W/m2.";
5° in punt 8 wordt een alinea toegevoegd, die luidt als volgt:
"De eisen gelden niet voor EPB-eenheden met een residentiële bestemming.";
6° in punten 7.1.2, 8.4 en 9.4 wordt het woord "installatierendement" telkens vervangen door het woord "systeemrendement".
1° in punt 5.4.1 wordt aan de derde alinea de volgende zin toegevoegd:
"De analoge gasmeter van de netbeheerder moet ook aan deze voorwaarde voldoen en daarenboven beschikken over een systeem (type impulsgever) dat een automatische opneming (dit wil zeggen niet manueel - visuele weergave) van de meterstand toelaat.";
2° in punt 6.2 wordt het woord "woren" vervangen door het woord "worden";
3° in punt 6.2 wordt de volgende zin toegevoegd:
"Directe elektrische verwarming in ruimten waar ook oppervlakteverwarming met water als transportmedium (zoals vloerverwarming, wandverwarming, ...) aanwezig is, hoeft niet meegerekend worden.";
4° aan punt 6.2 wordt een alinea toegevoegd, die luidt als volgt:
"Als waarde bij ontstentenis geldt een afgiftevermogen van 30 W/m2.";
5° in punt 8 wordt een alinea toegevoegd, die luidt als volgt:
"De eisen gelden niet voor EPB-eenheden met een residentiële bestemming.";
6° in punten 7.1.2, 8.4 en 9.4 wordt het woord "installatierendement" telkens vervangen door het woord "systeemrendement".
Art. 83. A l'annexe XII, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 octobre 2020 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 10 décembre 2021 et 2 décembre 2022, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le point 5.4.1, la phrase suivante est ajoutée dans l'alinéa 3 :
" Le compteur de gaz analogique du gestionnaire de réseau doit également remplir cette condition et, en outre, disposer d'un système (de type impulsionnel) qui permet l'enregistrement automatique (c'est-à-dire non manuel - affichage visuel) du relevé du compteur. " ;
2° dans le point 6.2 du texte néerlandais, le mot " woren " est remplacé par le mot " worden " ;
3° le point 6.2 est complété par la phrase suivante :
" Le chauffage électrique direct dans les locaux où il y a également un chauffage de surface avec de l'eau comme moyen de transport (tels que le chauffage au sol, le chauffage mural, etc.) n'a pas besoin d'être pris en considération. " ;
4° dans le point 6.2, il est ajouté un alinéa ainsi rédigé :
" Une puissance d'émission de 30 W/m2 s'applique comme valeur par défaut. " ;
5° dans le point 8°, il est ajouté un alinéa ainsi rédigé :
" Les exigences ne s'appliquent pas aux unités PEB à usage résidentiel. " ;
6° dans les points 7.1.2, 8.4 et 9.4, les mots " rendement de l'installation " sont chaque fois remplacés par les mots " rendement du système ".
1° dans le point 5.4.1, la phrase suivante est ajoutée dans l'alinéa 3 :
" Le compteur de gaz analogique du gestionnaire de réseau doit également remplir cette condition et, en outre, disposer d'un système (de type impulsionnel) qui permet l'enregistrement automatique (c'est-à-dire non manuel - affichage visuel) du relevé du compteur. " ;
2° dans le point 6.2 du texte néerlandais, le mot " woren " est remplacé par le mot " worden " ;
3° le point 6.2 est complété par la phrase suivante :
" Le chauffage électrique direct dans les locaux où il y a également un chauffage de surface avec de l'eau comme moyen de transport (tels que le chauffage au sol, le chauffage mural, etc.) n'a pas besoin d'être pris en considération. " ;
4° dans le point 6.2, il est ajouté un alinéa ainsi rédigé :
" Une puissance d'émission de 30 W/m2 s'applique comme valeur par défaut. " ;
5° dans le point 8°, il est ajouté un alinéa ainsi rédigé :
" Les exigences ne s'appliquent pas aux unités PEB à usage résidentiel. " ;
6° dans les points 7.1.2, 8.4 et 9.4, les mots " rendement de l'installation " sont chaque fois remplacés par les mots " rendement du système ".
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen aan het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu
CHAPITRE 4. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010 établissant le règlement flamand en matière d'agréments relatifs à l'environnement
Art. 84. In artikel 4, § 1, 43°, b, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 januari 2021, worden de woorden " a) tot en met c)" vervangen door de woorden " a) tot en met b)".
Art. 84. Dans l'article 4, § 1er, 43°, b, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010 établissant le règlement flamand en matière d'agréments relatifs à l'environnement, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er mars 2013 et modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 janvier 2021, les mots " a) à c) " sont remplacés par les mots " a) à b) ".
Art. 85. In artikel 6 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 25 november 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in punt 2° wordt punt c) opgeheven;
2° in punt 4° wordt punt d) opgeheven.
1° in punt 2° wordt punt c) opgeheven;
2° in punt 4° wordt punt d) opgeheven.
Art. 85. A l'article 6 du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 25 novembre 2022, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le point 1° le point c) est abrogé ;
2° dans le point 4°, le point d) est abrogé.
1° dans le point 1° le point c) est abrogé ;
2° dans le point 4°, le point d) est abrogé.
Art. 86. Artikel 16 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2022, wordt opgeheven.
Art. 86. L'article 16 du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juin 2022, est abrogé.
Art. 87. Artikel 23 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, wordt opgeheven.
Art. 87. L'article 23 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er mars 2013, est abrogé.
Art. 88. In artikel 32, § 2, eerste lid, van hetzelfde besluit wordt punt 3° opgeheven.
Art. 88. Dans l'article 32, § 2, alinéa 1er, du même arrêté, le point 3° est abrogé.
Art. 89. In artikel 40 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid worden in de inleidende zin de woorden " a) tot en met d)" vervangen door de zinsnede "a), b) en d)";
2° in het eerste lid, 4°, wordt de zinsnede "of verwarmingsaudit, vermeld in artikel 12, 13, en 14 van het besluit" vervangen door de zinsnede ", vermeld in artikel 12 en 13 van het besluit";
3° in het tweede lid wordt de zinsnede "artikel 16, 3°, " opgeheven;
4° in het tweede lid wordt de zinsnede "1° tot en met 4°, " vervangen door de zinsnede "1°, 2° en 4°, ".
1° in het eerste lid worden in de inleidende zin de woorden " a) tot en met d)" vervangen door de zinsnede "a), b) en d)";
2° in het eerste lid, 4°, wordt de zinsnede "of verwarmingsaudit, vermeld in artikel 12, 13, en 14 van het besluit" vervangen door de zinsnede ", vermeld in artikel 12 en 13 van het besluit";
3° in het tweede lid wordt de zinsnede "artikel 16, 3°, " opgeheven;
4° in het tweede lid wordt de zinsnede "1° tot en met 4°, " vervangen door de zinsnede "1°, 2° en 4°, ".
Art. 89. A l'article 40 du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 mai 2019, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 1er, dans la phrase introductive, les mots " a) à d) " sont remplacés par les mots " a), b) et d) " ;
2° dans l'alinéa 1er, 4°, le membre de phrase " ou l'audit de chauffage, visé aux article 12, 13 et 14, de l'arrêté " est remplacé par le membre de phrase " , visé aux articles 12 et 13 de l'arrêté " ;
3° dans l'alinéa 2, le membre de phrase " l'article 16, 3°, " est abrogé ;
4° dans l'alinéa 2, le membre de phrase " 1° à 4° inclus. " est remplacé par le membre de phrase " 1°, 2° et 4°. ".
1° dans l'alinéa 1er, dans la phrase introductive, les mots " a) à d) " sont remplacés par les mots " a), b) et d) " ;
2° dans l'alinéa 1er, 4°, le membre de phrase " ou l'audit de chauffage, visé aux article 12, 13 et 14, de l'arrêté " est remplacé par le membre de phrase " , visé aux articles 12 et 13 de l'arrêté " ;
3° dans l'alinéa 2, le membre de phrase " l'article 16, 3°, " est abrogé ;
4° dans l'alinéa 2, le membre de phrase " 1° à 4° inclus. " est remplacé par le membre de phrase " 1°, 2° et 4°. ".
Art. 90. In artikel 43, § 1, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2023 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het tweede lid wordt het woord "vijf" vervangen door het woord "vier";
2° in het tweede lid wordt punt 5° opgeheven;
3° het derde lid wordt opgeheven;
4° in het vierde lid, dat het derde lid wordt, wordt punt 2° opgeheven.
1° in het tweede lid wordt het woord "vijf" vervangen door het woord "vier";
2° in het tweede lid wordt punt 5° opgeheven;
3° het derde lid wordt opgeheven;
4° in het vierde lid, dat het derde lid wordt, wordt punt 2° opgeheven.
Art. 90. A l'article 43, § 1er du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er mars 2023 et modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juin 2022, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 2, le mot " cinq " est remplacé par le mot " quatre " ;
2° dans l'alinéa 2, le point 5° est abrogé ;
3° l'alinéa 3 est abrogé ;
4° dans l'alinéa 4, qui devient l'alinéa 3, le point 2° est abrogé.
1° dans l'alinéa 2, le mot " cinq " est remplacé par le mot " quatre " ;
2° dans l'alinéa 2, le point 5° est abrogé ;
3° l'alinéa 3 est abrogé ;
4° dans l'alinéa 4, qui devient l'alinéa 3, le point 2° est abrogé.
Art. 91. In artikel 43/1, § 1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het derde lid wordt het woord "vijf" vervangen door het woord "vier";
2° in het derde lid wordt punt 5° opgeheven;
3° het vierde lid wordt opgeheven;
4° in het vijfde lid, dat het vierde lid wordt, wordt punt 2° opgeheven.
1° in het derde lid wordt het woord "vijf" vervangen door het woord "vier";
2° in het derde lid wordt punt 5° opgeheven;
3° het vierde lid wordt opgeheven;
4° in het vijfde lid, dat het vierde lid wordt, wordt punt 2° opgeheven.
Art. 91. A l'article 43/1, § 1er du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er mars 2013 et modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juin 2022, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 3, le mot " cinq " est remplacé par le mot " quatre " ;
2° dans l'alinéa 3, le point 5° est abrogé ;
3° l'alinéa 4 est abrogé ;
4° dans l'alinéa 5, qui devient l'alinéa 4, le point 2° est abrogé.
1° dans l'alinéa 3, le mot " cinq " est remplacé par le mot " quatre " ;
2° dans l'alinéa 3, le point 5° est abrogé ;
3° l'alinéa 4 est abrogé ;
4° dans l'alinéa 5, qui devient l'alinéa 4, le point 2° est abrogé.
Art. 92. Artikel 43/2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2022, wordt opgeheven.
Art. 92. L'article 43/2 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er mars 2013 et modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juin 2022, est abrogé.
Art. 93. In artikel 55, § 2 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2016, wordt de zinsnede "a) tot en met d), vervangen door de zinsnede "a, b) en d)".
Art. 93. Dans l'article 55, § 2, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er mars 2013 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 mars 2016, le membre de phrase " a) à d) " est remplacé par le membre de phrase " a), b) et d) ".
Art. 94. In artikel 58/1, § 1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 januari 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid worden de woorden "of aan een verwarmingsaudit onderworpen is" opgeheven;
2° in het tweede lid worden de woorden "en verwarmingsauditrapporten" opgeheven.
1° in het eerste lid worden de woorden "of aan een verwarmingsaudit onderworpen is" opgeheven;
2° in het tweede lid worden de woorden "en verwarmingsauditrapporten" opgeheven.
Art. 94. A l'article 58/1, § 1er du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er mars 2013 et modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 janvier 2021, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 1er, les mots " ou qui est soumis à un audit de chauffage " sont abrogés ;
2° dans l'alinéa 2, les mots " et rapports d'audit de chauffage " sont abrogés.
1° dans l'alinéa 1er, les mots " ou qui est soumis à un audit de chauffage " sont abrogés ;
2° dans l'alinéa 2, les mots " et rapports d'audit de chauffage " sont abrogés.
Art. 95. In artikel 58/2, eerste lid, 2°, a), van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 januari 2021, wordt de zinsnede ", gasvormige brandstof of verwarmingsaudit als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 1°, 2°, en 3°, " vervangen door de zinsnede "of gasvormige brandstof als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 1°, of 2°, ".
Art. 95. Dans l'article 58/2, alinéa 1er, 2°, a), du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er mars 2013 et modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 janvier 2021, le membre de phrase " , en combustibles gazeux ou en matière d'audit de chauffage tel que visé à l'article 32, § 2, alinéa premier, 1°, 2°, et 3°, " est remplacé par le membre de phrase " ou en combustibles gazeux tel que visé à l'article 32, § 2, alinéa 1er, 1° ou 2°, ".
Art. 96. In bijlage 1 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in hoofdstuk 1 wordt afdeling 3 opgeheven;
2° in hoofdstuk 3, afdeling 1, onderafdeling 1 wordt punt 24° opgeheven;
3° in hoofdstuk 3, afdeling 2, onderafdeling 2 wordt punt 10° opgeheven;
4° in hoofdstuk 3 wordt afdeling 3 opgeheven;
5° in hoofdstuk 3 wordt afdeling 4 opgeheven.
1° in hoofdstuk 1 wordt afdeling 3 opgeheven;
2° in hoofdstuk 3, afdeling 1, onderafdeling 1 wordt punt 24° opgeheven;
3° in hoofdstuk 3, afdeling 2, onderafdeling 2 wordt punt 10° opgeheven;
4° in hoofdstuk 3 wordt afdeling 3 opgeheven;
5° in hoofdstuk 3 wordt afdeling 4 opgeheven.
Art. 96. A l'annexe 1 du même arrêté, modifiée en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 mai 2019, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le chapitre 1er, la section 3 est abrogée ;
2° dans le chapitre 3, section 1re, sous-section 1re, le point 24° est abrogé ;
3° dans le chapitre 3, section 2, sous-section 2, le point 10° est abrogé ;
4° dans le chapitre 3, la section 3 est abrogée ;
5° dans le chapitre 3, la section 4 est abrogée.
1° dans le chapitre 1er, la section 3 est abrogée ;
2° dans le chapitre 3, section 1re, sous-section 1re, le point 24° est abrogé ;
3° dans le chapitre 3, section 2, sous-section 2, le point 10° est abrogé ;
4° dans le chapitre 3, la section 3 est abrogée ;
5° dans le chapitre 3, la section 4 est abrogée.
Art. 97. In het opschrift van bijlage 5 van hetzelfde besluit worden de woorden "of verwarmingsaudit" opgeheven.
Art. 97. Dans l'intitulé de l'annexe 5 du même arrêté, les mots " ou en matière d'audit de chauffage " sont abrogés.
Art. 98. In bijlage 18 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2016, en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 3 mei 2019 en 25 november 2022, wordt in punt b) de lijn "
Art. 98. Dans l'annexe 18 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er mars 2013, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 mars 2016 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 3 mai 2019 et 25 novembre 2022, dans le point b), la ligne "
| - technicus verwarmingsaudit | 25 euro |
" opgeheven.
| - technicien en audit de chauffage | 25 euros |
" est abrogée.
HOOFDSTUK 5. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
CHAPITRE 5. - Modification de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2008 portant exécution du titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement
Art. 99. Aan artikel 1 van bijlage VII bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 september 2018 en voor het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2023, wordt in de tabel tussen de rij
"
"
Art. 99. Dans l'article 1er de l'annexe VII à l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2008 portant exécution du titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 septembre 2018 et modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 décembre 2023, il est inséré dans le tableau entre la ligne
"
"
| 4.10.1.6 | Als een hinderlijke inrichting zijn hoedanigheid van BKG-installatie verliest, of als de activiteiten van de BKG-installatie worden stopgezet, dient de exploitant van de BKG-installatie binnen een termijn van veertien dagen een aanvraag tot schrapping van de toepasselijke Y rubrieken in. |
"
en de rij
"
| 4.10.1.6 | Lorsqu'un établissement incommodant perd sa qualité d'installation GES, ou lorsque les activités de l'installation GES sont arrêtées, l'exploitant de l'installation GES doit introduire dans un délai de quatorze jours une demande de radiation de la rubrique Y applicable. |
"
et la ligne
"
| 5.2.1.5, § 1 | Tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit en behalve in het geval dat in de inrichting uitsluitend afvalstoffen afkomstig van de eigen bedrijfsactiviteiten worden verwerkt, wordt bij de ingang van de inrichting een uithangbord van minstens 1 m2 grootte aangebracht waarop duidelijk leesbaar volgende vermeldingen voorkomen: 1° de aard van de inrichting; 2° de naam, het adres en het telefoonnummer van de exploitant; 3° de vervaldatum van de vergunning: "vergund tot ..."; 4° de normale openingsuren; 5° het adres en het telefoonnummer van de toezichthoudende overheid; 6° bij brand of onheil: telefoonnummer brandweer; |
1° de aard van de inrichting;
2° de naam, het adres en het telefoonnummer van de exploitant;
3° de vervaldatum van de vergunning: "vergund tot ...";
4° de normale openingsuren;
5° het adres en het telefoonnummer van de toezichthoudende overheid;
6° bij brand of onheil: telefoonnummer brandweer;
"
de volgende rij ingevoegd:
"
| 5.2.1.5, § 1er | Sauf dispositions contraires dans le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée et sauf si l'établissement traite uniquement des déchets provenant des propres activités de l'entreprise, un panneau d'au moins 1m2 est apposé à l'entrée de l'établissement, qui porte les mentions suivantes de manière clairement lisible : 1° la nature de l'établissement ; 2° le nom, l'adresse et le numéro de téléphone de l'exploitant ; 3° la date d'échéance du permis : " autorisé jusqu'au ... " ; 4° les heures d'ouverture normales ;5° l'adresse et le numéro de téléphone de l'autorité de contrôle ;6° en cas d'incendie ou de catastrophe : numéro de téléphone du service d'incendie ; |
1° la nature de l'établissement ;
2° le nom, l'adresse et le numéro de téléphone de l'exploitant ;
3° la date d'échéance du permis : " autorisé jusqu'au ... " ;
4° les heures d'ouverture normales ;5° l'adresse et le numéro de téléphone de l'autorité de contrôle ;6° en cas d'incendie ou de catastrophe : numéro de téléphone du service d'incendie ;
",
la ligne suivante :
"
| 4.10.1.7, § 1bis | De exploitant van een BKG-installatie controleert regelmatig of het monitoringmethodiekplan, zoals vermeld in paragraaf 1, overeenstemt met de aard en het functioneren van de installatie, en of de monitoringmethode vatbaar is voor verbetering. De exploitant van een BKG-installatie actualiseert het monitoringmethodiekplan conform artikel 9 van de gedelegeerde verordening (EU) 2019/331 van de Commissie van 19 december 2018 tot vaststelling van een voor de hele unie geldende overgangsregeling voor de geharmoniseerde kosteloze toewijzing van emissierechten overeenkomstig artikel 10 bis van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad. |
".
| 4.10.1.7, § 1bis | L'exploitant d'une installation de GES vérifie régulièrement que le plan méthodologique de surveillance, tel que visé au paragraphe 1er, est adapté à la nature et au fonctionnement de l'installation et que la méthode de surveillance ne nécessite pas d'améliorations. L'exploitant d'une installation de GES actualise le plan méthodologique de surveillance conformément à l'article 9 du règlement délégué (UE) 2019/331 de la Commission du 19 décembre 2018 définissant des règles transitoires pour l'ensemble de l'Union concernant l'allocation harmonisée de quotas d'émission à titre gratuit conformément à l'article 10 bis de la directive 2003/87/CE du Parlement européen et du Conseil. |
".
HOOFDSTUK 6. - Wijzigingen aan het besluit van de Vlaamse Regering van 6 september 2019 over verhandelbare emissierechten voor broeikasgassen voor vaste installaties voor de periode 2021-2030
CHAPITRE 6. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 septembre 2019 relatif au système d'échange de quotas de gaz à effet de serre pour les installations fixes pour la période 2021-2030
Art. 100. In artikel 4, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 september 2019 over verhandelbare emissierechten voor broeikasgassen voor vaste installaties voor de periode 2021-2030, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 11 december 2020, wordt tussen het woord "op" en het woord "een" het woord "minstens" ingevoegd.
Art. 100. Dans l'article 4, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 septembre 2019 relatif au système d'échange de quotas de gaz à effet de serre pour les installations fixes pour la période 2021-2030, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 décembre 2020, les mots " de l'une " sont remplacés par les mots " d'au moins l'une ".
Art. 101. In artikel 16, § 4, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 11 december 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden "voor de resterende kalenderjaren" worden vervangen door de woorden "voor het resterende deel";
2° de woorden "in het jaar nadat" worden vervangen door de woorden "vanaf het moment dat".
1° de woorden "voor de resterende kalenderjaren" worden vervangen door de woorden "voor het resterende deel";
2° de woorden "in het jaar nadat" worden vervangen door de woorden "vanaf het moment dat".
Art. 101. A l'article 16, § 4 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 décembre 2020, les modifications suivantes sont apportées :
1° les mots " pour les années civiles restantes " sont remplacés par les mots " pour la partie restante " ;
2° les mots " dans l'année après que " sont remplacés par les mots " à partir du moment où ".
1° les mots " pour les années civiles restantes " sont remplacés par les mots " pour la partie restante " ;
2° les mots " dans l'année après que " sont remplacés par les mots " à partir du moment où ".
Art. 102. In artikel 17 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 11 december 2020, worden een derde en een vierde lid toegevoegd, die luiden als volgt:
"De klimaatneutraliteitsplannen, zoals bedoeld in artikel 10bis, lid 1, vijfde alinea van Richtlijn 2003/87/EG worden voor de betrokken BKG-installaties openbaar gemaakt op de website van het VEKA.
In afwijking van het derde lid kan de betrokken BKG-installatie het VEKA verzoeken bepaalde elementen uit het klimaatneutraliteitsplan niet te publiceren wanneer het gaat om commercieel gevoelige elementen waarvan de openbaarmaking zijn commerciële belangen zou schaden. Wanneer het VEKA oordeelt dat dit verzoek gerechtvaardigd is, publiceert het VEKA het klimaatneutraliteitsplan zonder deze elementen.".
"De klimaatneutraliteitsplannen, zoals bedoeld in artikel 10bis, lid 1, vijfde alinea van Richtlijn 2003/87/EG worden voor de betrokken BKG-installaties openbaar gemaakt op de website van het VEKA.
In afwijking van het derde lid kan de betrokken BKG-installatie het VEKA verzoeken bepaalde elementen uit het klimaatneutraliteitsplan niet te publiceren wanneer het gaat om commercieel gevoelige elementen waarvan de openbaarmaking zijn commerciële belangen zou schaden. Wanneer het VEKA oordeelt dat dit verzoek gerechtvaardigd is, publiceert het VEKA het klimaatneutraliteitsplan zonder deze elementen.".
Art. 102. Dans l'article 17 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 décembre 2020, il est inséré des alinéas 3 et 4, rédigés comme suit :
" Les plans de neutralité climatique visés à l'article 10 bis, paragraphe 1er, alinéa 5, de la directive 2003/87/CE sont rendus publics sur le site internet de la VEKA pour les installations de GES concernées.
Par dérogation à l'alinéa 3, l'installation de GES concernée peut demander à la VEKA de ne pas publier certains éléments du plan de neutralité climatique s'il s'agit d'éléments commercialement sensibles dont la divulgation porterait atteinte à ses intérêts commerciaux. Si la VEKA estime que cette requête est justifiée, elle publie le plan de neutralité climatique sans ces éléments. ".
" Les plans de neutralité climatique visés à l'article 10 bis, paragraphe 1er, alinéa 5, de la directive 2003/87/CE sont rendus publics sur le site internet de la VEKA pour les installations de GES concernées.
Par dérogation à l'alinéa 3, l'installation de GES concernée peut demander à la VEKA de ne pas publier certains éléments du plan de neutralité climatique s'il s'agit d'éléments commercialement sensibles dont la divulgation porterait atteinte à ses intérêts commerciaux. Si la VEKA estime que cette requête est justifiée, elle publie le plan de neutralité climatique sans ces éléments. ".
HOOFDSTUK 7. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 april 2021 tot uitvoering van het decreet van 30 november 2018 betreffende de gebouwenpas
CHAPITRE 7. - Modification de l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 avril 2021 portant exécution du décret du 30 novembre 2018 relatif au passeport bâtiment
Art. 103. Artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 april 2021 tot uitvoering van het decreet van 30 november 2018 betreffende de gebouwenpas wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 3. De partijen die informatie aanleveren in de gebouwenpas, zijn verwerkingsverantwoordelijke voor de persoonsgegevens die ze aanleveren. De Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij, het Vlaams Energie- en Klimaatagentschap, Wonen in Vlaanderen, Departement Omgeving en het Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs zijn de gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken van de gegevens in de gebouwenpas.
De Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij neemt voor de gebouwenpas de leiding in het technisch beheer en de naleving van de wetgeving over gegevensbescherming.".
"Art. 3. De partijen die informatie aanleveren in de gebouwenpas, zijn verwerkingsverantwoordelijke voor de persoonsgegevens die ze aanleveren. De Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij, het Vlaams Energie- en Klimaatagentschap, Wonen in Vlaanderen, Departement Omgeving en het Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs zijn de gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken van de gegevens in de gebouwenpas.
De Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij neemt voor de gebouwenpas de leiding in het technisch beheer en de naleving van de wetgeving over gegevensbescherming.".
Art. 103. L'article 3 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 avril 2021 portant exécution du décret du 30 novembre 2018 relatif au passeport bâtiment est remplacé par ce qui suit :
" Art. 3. Les parties qui fournissent des informations dans le passeport bâtiment sont le responsable du traitement des données à caractère personnel qu'elles soumettent. La Société publique des Déchets de la Région flamande, l'Agence flamande pour l'Energie et le Climat, l'Agence Habiter en Flandre, le Département flamand de l'Environnement et de l'Aménagement du Territoire et l'Agence flamande de l'Infrastructure dans l'Enseignement sont les responsables du traitement communs des données contenues dans le passeport bâtiment.
La Société publique des Déchets de la Région flamande est responsable pour le passeport bâtiment de la gestion technique et du respect de la législation sur la protection des données. ".
" Art. 3. Les parties qui fournissent des informations dans le passeport bâtiment sont le responsable du traitement des données à caractère personnel qu'elles soumettent. La Société publique des Déchets de la Région flamande, l'Agence flamande pour l'Energie et le Climat, l'Agence Habiter en Flandre, le Département flamand de l'Environnement et de l'Aménagement du Territoire et l'Agence flamande de l'Infrastructure dans l'Enseignement sont les responsables du traitement communs des données contenues dans le passeport bâtiment.
La Société publique des Déchets de la Région flamande est responsable pour le passeport bâtiment de la gestion technique et du respect de la législation sur la protection des données. ".
HOOFDSTUK 8. - Wijziging aan het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2022 tot oprichting van een uniek loket voor de aanvraag en behandeling van bepaalde woon- en energiepremies en tot wijziging van het Energiebesluit van 19 november 2010 en het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021
CHAPITRE 8. - Modification de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 2022 créant un guichet unique pour la demande et l'examen de certaines primes au logement et primes énergie et modifiant l'arrêté relatif à l'énergie du 19 novembre 2010 et l'arrêté Code flamand du Logement de 2021
Art. 104. In artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2022 tot oprichting van een uniek loket voor de aanvraag en behandeling van bepaalde woon- en energiepremies en tot wijziging van het Energiebesluit van 19 november 2010 en het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juni 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° tussen het eerste en tweede lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid Vlaams Energie- en Klimaatagentschap, dat is opgericht bij titel II van het Energiebesluit van 19 november 2010, hierna het VEKA genoemd, wordt conform artikel 12.6.1, § 2, eerste lid van het Energiedecreet van 8 mei 2009 en artikel 5.75/1, § 2 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, belast met de behandeling en verwerking van de aanvragen, vermeld in artikel 1, in het kader van het unieke loket.";
2° in het zevende lid, dat het achtste lid wordt, wordt de zinsnede ", hierna het VEKA genoemd," opgeheven.
1° tussen het eerste en tweede lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid Vlaams Energie- en Klimaatagentschap, dat is opgericht bij titel II van het Energiebesluit van 19 november 2010, hierna het VEKA genoemd, wordt conform artikel 12.6.1, § 2, eerste lid van het Energiedecreet van 8 mei 2009 en artikel 5.75/1, § 2 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, belast met de behandeling en verwerking van de aanvragen, vermeld in artikel 1, in het kader van het unieke loket.";
2° in het zevende lid, dat het achtste lid wordt, wordt de zinsnede ", hierna het VEKA genoemd," opgeheven.
Art. 104. A l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 2022 créant un guichet unique pour la demande et l'examen de certaines primes au logement et primes énergie et modifiant l'arrêté relatif à l'Energie du 19 novembre 2010 et l'arrêté Code flamand du Logement de 2021, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 juin 2023, les modifications suivantes sont apportées :
1° il est inséré entre les alinéas 1er et 2 un alinéa, rédigé comme suit :
" L'agence autonomisée interne sans personnalité juridique " Agence flamande pour l'Energie et le Climat ", créée par le titre II de l'arrêté relatif à l'énergie du 19 novembre 2010, ci-après dénommée la VEKA, est chargée, conformément à l'article 12.6.1, § 2, alinéa 1er du décret sur l'énergie du 8 mai 2009 et à l'article 5.75/1, § 2 du Code flamand du Logement de 2021, de la gestion et du traitement des demandes, visées à l'article 1er, dans le cadre du guichet unique. " ;
2° dans l'alinéa 7, qui devient l'alinéa 8, le membre de phrase " , ci-après dénommée la VEKA " est abrogé.
1° il est inséré entre les alinéas 1er et 2 un alinéa, rédigé comme suit :
" L'agence autonomisée interne sans personnalité juridique " Agence flamande pour l'Energie et le Climat ", créée par le titre II de l'arrêté relatif à l'énergie du 19 novembre 2010, ci-après dénommée la VEKA, est chargée, conformément à l'article 12.6.1, § 2, alinéa 1er du décret sur l'énergie du 8 mai 2009 et à l'article 5.75/1, § 2 du Code flamand du Logement de 2021, de la gestion et du traitement des demandes, visées à l'article 1er, dans le cadre du guichet unique. " ;
2° dans l'alinéa 7, qui devient l'alinéa 8, le membre de phrase " , ci-après dénommée la VEKA " est abrogé.
Art. 105. Aan hoofdstuk 1 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 oktober 2023, wordt een afdeling 3 toegevoegd, die luidt als volgt:
"Afdeling 3. Vergoeding voor de personeelsinzet door de werkmaatschappij
"Afdeling 3. Vergoeding voor de personeelsinzet door de werkmaatschappij
Art. 105. Dans le chapitre 1er du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 octobre 2023, il est ajouté une section 3, rédigée comme suit :
" Section 3. Indemnité pour l'affectation de personnel par la société d'exploitation
" Section 3. Indemnité pour l'affectation de personnel par la société d'exploitation
Art. 5/1. § 1. Aan de werkmaatschappij, vermeld in artikel 2, kan een vergoeding worden gegeven voor de kost van de personeelsinzet bij de behandeling en de verwerking van de aanvragen, vermeld in artikel 1, in het kader van het unieke loket. De in aanmerking komende kost is beperkt tot het brutoloon van de personeelsleden, vermeld in het tweede lid, in fine, en de bijhorende werkgeversbijdrage.
De vergoeding wordt verstrekt binnen de perken van de daarvoor op de algemene uitgavenbegroting en het Energiefonds beschikbare middelen. De Vlaamse minister, bevoegd voor de energie, bepaalt jaarlijks het bedrag van de maximale vergoeding voor de werkmaatschappij op basis van de middelen die daarvoor beschikbaar gesteld zijn, alsook respectievelijk het aantal personeelsleden en hun niveau die worden vergoed.
De vergoedingen, vermeld in het eerste lid, worden vanaf kalenderjaar 2024 en maximaal tot in het kalenderjaar 2034 toegekend. De totaliteit van de gecumuleerde vergoedingen kunnen voor de werkmaatschappij met toepassing van besluit 2012/21/EU echter nooit meer bedragen dan 15 miljoen euro per jaar.
§ 2. Het VEKA is belast met de uitbetaling van de vergoedingen, vermeld in paragraaf 1. De minister kan nadere regels vastleggen voor de uitbetalingsprocedure.
Het VEKA houdt tot tien jaar na afloop van de verplichting, vermeld in dit besluit, alle gegevens bij die noodzakelijk zijn om vast te stellen of de verleende vergoeding verenigbaar is met het besluit 2012/21/EU en houdt die gegevens ter beschikking van de Europese Commissie.".
De vergoeding wordt verstrekt binnen de perken van de daarvoor op de algemene uitgavenbegroting en het Energiefonds beschikbare middelen. De Vlaamse minister, bevoegd voor de energie, bepaalt jaarlijks het bedrag van de maximale vergoeding voor de werkmaatschappij op basis van de middelen die daarvoor beschikbaar gesteld zijn, alsook respectievelijk het aantal personeelsleden en hun niveau die worden vergoed.
De vergoedingen, vermeld in het eerste lid, worden vanaf kalenderjaar 2024 en maximaal tot in het kalenderjaar 2034 toegekend. De totaliteit van de gecumuleerde vergoedingen kunnen voor de werkmaatschappij met toepassing van besluit 2012/21/EU echter nooit meer bedragen dan 15 miljoen euro per jaar.
§ 2. Het VEKA is belast met de uitbetaling van de vergoedingen, vermeld in paragraaf 1. De minister kan nadere regels vastleggen voor de uitbetalingsprocedure.
Het VEKA houdt tot tien jaar na afloop van de verplichting, vermeld in dit besluit, alle gegevens bij die noodzakelijk zijn om vast te stellen of de verleende vergoeding verenigbaar is met het besluit 2012/21/EU en houdt die gegevens ter beschikking van de Europese Commissie.".
Art. 5/1. § 1er. Une indemnité peut être octroyée à la société d'exploitation visée à l'article 2 pour le coût de l'affectation de personnel à la gestion et au traitement des demandes, visées à l'article 1er, dans le cadre du guichet unique. Le coût éligible est limité à la rémunération brute des membres du personnel visés à l'alinéa 2, in fine, et à la cotisation patronale y afférente.
L'indemnité est octroyée dans les limites des moyens disponibles à cet effet au budget général des dépenses et au Fonds de l'Energie. Le ministre flamand ayant l'énergie dans ses attributions détermine chaque année le montant de l'indemnité maximale de la société d'exploitation sur la base des fonds mis à disposition à cet effet, ainsi que le nombre de membres du personnel indemnisés et leur niveau, respectivement.
Les indemnités visées à l'alinéa 1er sont octroyées à partir de l'année civile 2024 jusqu'à l'année civile 2034 maximum. En application de la décision 2012/21/UE, la totalité des indemnités cumulées ne peut toutefois jamais dépasser 15 millions d'euros par an.
§ 2. La VEKA est chargée du paiement des indemnités visées au paragraphe 1er. Le ministre peut arrêter les modalités pour la procédure de paiement.
La VEKA conserve toutes les données nécessaires pour établir la compatibilité de l'indemnité octroyée avec la décision 2012/21/UE pendant un délai maximal de dix ans après l'expiration de l'obligation énoncée dans le présent arrêté et tient ces informations à la disposition de la Commission européenne. ".
L'indemnité est octroyée dans les limites des moyens disponibles à cet effet au budget général des dépenses et au Fonds de l'Energie. Le ministre flamand ayant l'énergie dans ses attributions détermine chaque année le montant de l'indemnité maximale de la société d'exploitation sur la base des fonds mis à disposition à cet effet, ainsi que le nombre de membres du personnel indemnisés et leur niveau, respectivement.
Les indemnités visées à l'alinéa 1er sont octroyées à partir de l'année civile 2024 jusqu'à l'année civile 2034 maximum. En application de la décision 2012/21/UE, la totalité des indemnités cumulées ne peut toutefois jamais dépasser 15 millions d'euros par an.
§ 2. La VEKA est chargée du paiement des indemnités visées au paragraphe 1er. Le ministre peut arrêter les modalités pour la procédure de paiement.
La VEKA conserve toutes les données nécessaires pour établir la compatibilité de l'indemnité octroyée avec la décision 2012/21/UE pendant un délai maximal de dix ans après l'expiration de l'obligation énoncée dans le présent arrêté et tient ces informations à la disposition de la Commission européenne. ".
HOOFDSTUK 9. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juni 2023 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006 betreffende het onderhoud en het nazicht van centrale stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater, het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, het Energiebesluit van 19 november 2010 en het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
CHAPITRE 9. - Modification de l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 juin 2023 modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 décembre 2006 relatif à l'entretien et au contrôle d'appareils de chauffage central pour le chauffage de bâtiments ou pour la production d'eau chaude utilitaire, l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2008 portant exécution du titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, l'Arrêté relatif à l'énergie du 19 novembre 2010 et l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 novembre 2015 portant exécution du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement
Art. 106. In artikel 112 van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juni 2023 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006 betreffende het onderhoud en het nazicht van centrale stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater, het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, het Energiebesluit van 19 november 2010 en het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 november 2023 wordt de datum "1 april 2024" vervangen door de datum "1 januari 2025".
Art. 106. Dans l'article 12 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 juin 2023 modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 décembre 2006 relatif à l'entretien et au contrôle d'appareils de chauffage central pour le chauffage de bâtiments ou pour la production d'eau chaude utilitaire, l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2008 portant exécution du titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, l'arrêté relatif à l'énergie du 19 novembre 2010 et l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 novembre 2015 portant exécution du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 novembre 2023, la date " 1er avril 2024 " est remplacée par la date " 1er janvier 2025 ".
Art. 107. In artikel 114 van hetzelfde besluit wordt de datum "1 april 2024" vervangen door de datum "1 januari 2025".
Art. 107. Dans l'article 114 du même arrêté, la date " 1er avril 2024 " est remplacée par la date " 1er janvier 2025 ".
Art. 108. In artikel 119, vijftiende lid van hetzelfde besluit, toegevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 november 2023, wordt de zinsnede "een door de Vlaamse minister, bevoegd voor de energie, vast te stellen datum" vervangen door de datum "1 januari 2025".
Art. 108. Dans l'article 119, alinéa 15 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 novembre 2023, le membre de phrase " à une date à fixer par le ministre flamand qui a l'énergie dans ses attributions " est remplacé par le membre de phrase " le 1er janvier 2025 ".
HOOFDSTUK 10. - Slotbepalingen
CHAPITRE 10. - Dispositions finales
Art. 109. Artikel 21 van het decreet van 2 april 2021 tot wijziging van het Energiedecreet van 8 mei 2009 tot gedeeltelijke omzetting van richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en tot omzetting van richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot wijziging van Richtlijn 2012/27/EU treedt in werking.
Art. 109. L'article 21 du décret du 2 avril 2021 modifiant le décret relatif à l'Energie du 8 mai 2009 transposant partiellement la directive (UE) 2018/2001 du Parlement européen et du Conseil du 11 décembre 2018 relative à la promotion de l'utilisation de l'énergie produite à partir de sources renouvelables et transposant la directive (UE) 2019/944 du Parlement européen et du Conseil du 5 juin 2019 concernant des règles communes pour le marché intérieur de l'électricité et modifiant la directive 2012/27/UE entre en vigueur.
Art. 110. Artikel 6.2/1.1, vierde en vijfde lid, van het Energiebesluit van 19 november 2010, zoals ingevoegd bij artikel 23 van dit besluit, zijn voor het eerst van toepassing op groenestroominstallaties en warmte-krachtinstallaties waarvoor bij inwerkingtreding van artikel 23 van dit besluit nog geen principe-aanvraag of definitieve aanvraag voor certificatensteun werd ingediend.
Art. 110. L'article 6.2/1.1, alinéas 4 et 5, de l'arrêté relatif à l'énergie du 19 novembre 2010, tel qu'inséré par l'article 23 du présent arrêté, s'applique pour la première fois aux installations d'électricité verte et aux installations de cogénération pour lesquelles aucune demande de principe ou demande définitive d'aide au certificat n'a encore été introduite lors de l'entrée en vigueur de l'article 23 du présent arrêté.
Art. 111. Artikel 6.7.4, § 2, zevende en negende lid, en artikel 6.7.9, § 2, zevende en negende lid, van het Energiebesluit van 19 november 2010, zoals gewijzigd bij artikel 44 en artikel 48 van dit besluit, zijn voor het eerst van toepassing op participatieovereenkomsten die worden aangegaan vanaf de inwerkingtreding van dit besluit.
Art. 111. L'article 6.7.4, § 2, alinéas 7 et 9, et l'article 6.7.9, § 2, alinéas 7 et 9, de l'arrêté relatif à l'énergie du 19 novembre 2010, tels que modifiés par les articles 44 et 48 du présent arrêté, s'appliquent pour la première fois aux conventions de participation conclues à partir de l'entrée en vigueur du présent arrêté.
Art. 112. Artikel 7.9.2/0/16 van hetzelfde besluit, zoals gewijzigd bij artikel 59 van dit besluit, is voor het eerst van toepassing op verbouwleningen waarbij de ontlener de premies, vermeld in artikel 6.4.1/1/1 tot en met 6.4.1/1/3 en artikel 6.4.1/3 tot en met 6.4.1/5/2, van dit besluit, en de tegemoetkomingen, die zijn berekend conform artikel 5.191 van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, voor de werkzaamheden, vermeld in artikel 5.189, § 2, eerste lid, 1° tot en met 7°, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, aanvraagt vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit.
Art. 112. L'article 7.9.2/0/16 du même arrêté, tel que modifié par l'article 59 du présent arrêté, s'applique pour la première fois aux prêts rénovation dans le cadre desquels l'emprunteur demande les primes visées aux articles 6.4.1/1/1 à 6.4.1/1/3 et aux articles 6.4.1/3 à 6.4.1/5/2 du présent arrêté, et les interventions calculées conformément à l'article 5.191 de l'Arrêté Code flamand du Logement de 2021 pour les travaux énumérés à l'article 5.189, § 2, alinéa 1er, 1° à 7°, de l'Arrêté Code flamand du Logement de 2021, à partir de la date d'entrée en vigueur du présent arrêté.
Art. 113. Artikel 7.2.22, § 1, vierde lid, van hetzelfde besluit, zoals gewijzigd bij artikel 52, 1°, van dit besluit, is voor het eerst van toepassing op de projecten waarvoor het OCMW steun vraagt vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit.
Art. 113. L'article 7.2.22, § 1er, alinéa 4, du même arrêté, tel que modifié par l'article 52, 1°, du présent arrêté, s'applique pour la première fois aux projets pour lesquels le CPAS demande une aide à partir de la date d'entrée en vigueur du présent arrêté.
Art. 114. Artikel 7.4.1 tot en met 7.4.4 van het Energiebesluit van 19 november 2010, zoals gewijzigd bij artikelen 54, 55, 1° en 2°, 57 en 58 van dit besluit, zijn voor het eerst van toepassing op projecten waarbij de steunaanvraag na de datum van de inwerkingtreding van artikelen 54, 55, 1° en 2°, 57 en 58 dit besluit is ingediend.
Art. 114. Les articles 7.4.1 à 7.4.4 de l'arrêté relatif à l'énergie du 19 novembre 2010, tels que modifiés par les articles 54, 55, 1° et 2°, 57 et 58 du présent arrêté, s'appliquent pour la première fois aux projets pour lesquels la demande d'aide a été introduite après la date d'entrée en vigueur des articles 54, 55, 1° et 2°, 57 et 58 du présent arrêté.
Art. 115. Bijlagen V, VI en XII bij het Energiebesluit van 19 november 2010, zoals gewijzigd bij artikel 81, 82, en 83 van dit besluit, zijn voor het eerst van toepassing op dossiers waarbij de melding of de aanvraag van een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen wordt ingediend vanaf 1 januari 2025.
Art. 115. Les annexes V, VI et XII à l'arrêté relatif à l'énergie du 19 novembre 2010, telles que modifiées par les articles 81, 82 et 83 du présent arrêté, s'appliquent pour la première fois aux dossiers pour lesquels la déclaration ou la demande de permis d'environnement pour des actes urbanistiques est introduite à partir du 1er janvier 2025.
Art. 116. De voor de uitoefening van het toezicht met betrekking tot het kalenderjaar 2024 reeds geïnde of nog verschuldigde retributie voor de uitoefening van het toezicht op de erkenning "technicus verwarmingsaudit", vermeld in artikel 54/1 en bijlage 18 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, wordt aan die erkende technicus kwijtgescholden. Het reeds betaalde bedrag van de retributie wordt aan die erkende technicus uiterlijk 31 december 2024 vanuit het Fonds voor de behandeling van de erkenningsaanvragen en de uitoefening van het toezicht op de erkenningen met betrekking tot het leefmilieu teruggestort.
Art. 116. La rétribution déjà perçue ou encore due pour l'exercice du contrôle de l'agrément " technicien en audit de chauffage ", visé à l'article 54/1 et à l'annexe 18 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010 établissant le règlement flamand en matière d'agréments relatifs à l'environnement, en ce qui concerne l'année civile 2024, est remise à ce technicien agréé. Le montant déjà payé de la rétribution est reversé à ce technicien agréé, au plus tard le 31 décembre 2024, par le Fonds pour le traitement des demandes d'agrément et l'exercice du contrôle des agréments relatifs à l'environnement.
Art. 117. Artikel 26 treedt in werking op de datum die de minister, bevoegd voor het woonbeleid, vaststelt.
Artikel 60 treedt in werking op een door de Vlaamse minister, bevoegd voor de energie, vast te stellen datum.
Artikelen 25, 2°, 31, 4° en artikel 58, 2° hebben uitwerking voor de tegemoetkomingen aangevraagd vanaf 1 januari 2024.
Artikel 31, 1° en 5° treden in werking op de datum van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.
Artikel 32, artikel 106 en artikel 107 hebben uitwerking met ingang van 31 maart 2024.
Artikel 50 treedt in werking op 1 juni 2024.
Artikel 2 tot en met artikel 8, artikel 72, de artikelen 84 tot en met 98 en artikel 116 treden in werking op 1 juli 2024.
Artikel 28, artikel 33, artikel 55, 3°, artikel 65 en 66 treden in werking op 1 januari 2025.
Artikel 25, 1°, artikel 31, 2°, 3° en 6°, en artikel 58, 1° zijn voor het eerst van toepassing op de tegemoetkomingen aangevraagd vanaf 1 januari 2025.
Artikel 60 treedt in werking op een door de Vlaamse minister, bevoegd voor de energie, vast te stellen datum.
Artikelen 25, 2°, 31, 4° en artikel 58, 2° hebben uitwerking voor de tegemoetkomingen aangevraagd vanaf 1 januari 2024.
Artikel 31, 1° en 5° treden in werking op de datum van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.
Artikel 32, artikel 106 en artikel 107 hebben uitwerking met ingang van 31 maart 2024.
Artikel 50 treedt in werking op 1 juni 2024.
Artikel 2 tot en met artikel 8, artikel 72, de artikelen 84 tot en met 98 en artikel 116 treden in werking op 1 juli 2024.
Artikel 28, artikel 33, artikel 55, 3°, artikel 65 en 66 treden in werking op 1 januari 2025.
Artikel 25, 1°, artikel 31, 2°, 3° en 6°, en artikel 58, 1° zijn voor het eerst van toepassing op de tegemoetkomingen aangevraagd vanaf 1 januari 2025.
Art. 117. L'article 26 entre en vigueur à la date fixée par le ministre qui a la politique du logement dans ses attributions.
L'article 60 entre en vigueur à une date à fixer par le ministre flamand qui a l'énergie dans ses attributions.
Les articles 25, 2°, 31, 4° et 58, 2° produisent leurs effets sur les interventions demandées à partir du 1er janvier 2024.
L'article 31, 1° et 5°, entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge.
Les articles 32, 106 et 107 produisent leurs effets à compter du 31 mars 2024.
L'article 50 entre en vigueur le 1er juin 2024.
Les articles 2 à 8, l'article 72 et les articles 84 à 98 et l'article 116 entrent en vigueur le 1er juillet 2024.
Les articles 28 et 33, l'article 55, 3°, et les articles 65 et 66 entrent en vigueur le 1er janvier 2025.
L'article 25, 1°, l'article 31, 2°, 3° et 6°, et l'article 58, 1° s'appliquent pour la première fois aux interventions demandées à partir du 1er janvier 2025.
L'article 60 entre en vigueur à une date à fixer par le ministre flamand qui a l'énergie dans ses attributions.
Les articles 25, 2°, 31, 4° et 58, 2° produisent leurs effets sur les interventions demandées à partir du 1er janvier 2024.
L'article 31, 1° et 5°, entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge.
Les articles 32, 106 et 107 produisent leurs effets à compter du 31 mars 2024.
L'article 50 entre en vigueur le 1er juin 2024.
Les articles 2 à 8, l'article 72 et les articles 84 à 98 et l'article 116 entrent en vigueur le 1er juillet 2024.
Les articles 28 et 33, l'article 55, 3°, et les articles 65 et 66 entrent en vigueur le 1er janvier 2025.
L'article 25, 1°, l'article 31, 2°, 3° et 6°, et l'article 58, 1° s'appliquent pour la première fois aux interventions demandées à partir du 1er janvier 2025.
Art. 118. De Vlaamse minister, bevoegd voor de energie, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 118. Le ministre flamand qui a l'Energie dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.