Zum Hauptinhalt

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
12 MEI 2024. - Wet houdende diverse fiscale bepalingen(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 29-05-2024 en tekstbijwerking tot 31-12-2025)
Titre
12 MAI 2024. - Loi portant des dispositions fiscales diverses(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 29-05-2024 et mise à jour au 31-12-2025)
Dokumentinformationen
Numac: 2024004641
Datum: 2024-05-12
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2024004641
Date: 2024-05-12
Moniteur: Voir
Tekst (132)
Texte (132)
TITEL 1. - ALGEMENE BEPALING
TITRE 1er. - DISPOSITION GENERALE
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 74 de la Constitution.
TITEL 2. - WIJZIGINGEN BETREFFENDE DE INKOMSTENBELASTINGEN
TITRE 2. - MODIFICATIONS RELATIVES AUX IMPOTS SUR LES REVENUS
HOOFDSTUK 1. - Investeringsaftrek
CHAPITRE 1er. - La déduction pour investissement
Art. 2. In artikel 64ter van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd bij de wet van 8 juni 2008 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 6 februari 2024, worden het eerste lid, 3°, het tweede lid en het derde lid opgeheven.
Art. 2. Dans l'article 64ter du Code des impôts sur les revenus 1992, inséré par la loi du 8 juin 2008 et modifié en dernier lieu par la loi du 6 février 2024, l'alinéa 1er, 3°, l'alinéa 2 et l'alinéa 3 sont abrogés.
Art. 3. Artikel 68 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met een lid, luidende:
  "Wanneer evenwel in de aanschaffingswaarde of beleggingswaarde van de vaste activa die in nieuwe staat tot stand worden gebracht, bezoldigingen zijn begrepen, waarvan de werkgever in toepassing van titel 6, hoofdstuk 1, afdeling 4, onderafdeling 3, een deel of het geheel van de bedrijfsvoorheffing niet in de Schatkist heeft gestort, mag deze niet doorgestorte bedrijfsvoorheffing niet in de berekeningsbasis van de investeringsaftrek worden opgenomen.".
Art. 3. L'article 68 du même Code est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  "Toutefois, lorsque la valeur d'investissement ou de revient des immobilisations constituées à l'état neuf comprend des rémunérations dont l'employeur n'a pas versé au Trésor, en application du titre 6, chapitre 1er, section 4, sous-section 3, tout ou partie du précompte professionnel, ce précompte professionnel qui n'a pas été versé ne peut pas être inclus dans la base de calcul de la déduction pour investissement.".
Art. 4. Artikel 69 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 28 juli 1992 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 november 2021, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 69. De investeringsaftrek komt in mindering van de winst of de baten van het belastbare tijdperk waarin de vaste activa zijn verkregen of tot stand gebracht en kent volgende aftrekcategorieën:
  1° de basisaftrek van 10 pct.;
  2° de verhoogde thematische aftrek van 40 pct.;
  3° de technologie-aftrek van 13,5 pct.
  De belastingplichtige kan voor éénzelfde vast actief slechts één aftrekcategorie kiezen.
  De in het eerste lid, 1°, bedoelde basisaftrek wordt verhoogd met 10 percentpunten indien het digitale vaste activa betreft."
Art. 4. L'article 69 du même Code, remplacé par la loi du 28 juillet 1992 et modifié en dernier lieu par la loi du 25 novembre 2021, est remplacé par ce qui suit:
  "Art. 69. La déduction pour investissement est opérée sur les bénéfices ou profits de la période imposable au cours de laquelle les immobilisations ont été acquises ou constituées et comporte les catégories de déduction suivantes :
  1° la déduction de base de 10 p.c. ;
  2° la déduction majorée thématique de 40 p.c. ;
  3° la déduction technologique de 13,5 p.c.
  Le contribuable ne peut choisir qu'une seule catégorie de déduction pour une même immobilisation.
  La déduction de base visée à l'alinéa 1er, 1°, est majorée de 10 points s'il concerne des immobilisations numériques."
Art. 5. In titel II, hoofdstuk II, afdeling IV, onderafdeling III, onderdeel B, 2°, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 69/1 ingevoegd, luidende:
  "Art. 69/1. § 1. De verhoogde thematische aftrek bedoeld in artikel 69, eerste lid, 2°, kent volgende thema's waarbinnen de investeringen moeten gebeuren:
  1° investering in efficiënt energieverbruik en hernieuwbare energie;
  2° investering in koolstofemissievrij vervoer;
  3° milieuvriendelijke investering;
  4° ondersteunende digitale investering.
  De verhoogde thematische aftrek kan niet worden toegepast door ondernemingen in moeilijkheden of door een onderneming waarvoor een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een besluit van de Commissie die een door België verleende steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt heeft verklaard.
  De verhoogde thematische aftrek kan bovendien enkel worden toegepast op vaste activa waarvoor geen gewestelijke steun wordt aangevraagd, behalve in de gevallen die door de Koning worden bepaald.
  § 2. De aftrek voor investeringen in efficiënt energieverbruik en hernieuwbare energie bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, betreffen aanschaffingen van vaste activa voor de productie van hernieuwbare energie en het efficiënt verbruik van energie.
  De Koning bepaalt, wijzigt of vervangt in een besluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad, op basis van het energiebeleid en de budgettaire impact, de lijst van de in het eerste lid bedoelde vaste activa, na voorafgaandelijk advies van de Overleggroep Staat-Gewesten voor de energie ingericht door het samenwerkingsakkoord van 18 december 1991 tussen de Staat, het Waals gewest, het Vlaams gewest en het Brussels gewest betreffende de coördinatie van de activiteiten verbonden aan Energie. Deze lijst wordt de "energie-investeringslijst" genoemd.
  Het in het tweede lid bedoelde advies wordt verwacht binnen de drie maanden na de vraag van de minister van Financiën tot advies.
  Indien de in het tweede lid bedoelde overleggroep geen advies overmaakt binnen de drie maanden, wordt door de minister van Financiën een adviesvraag gesteld aan de verschillende ministers van Energie in België afzonderlijk, met een antwoordtermijn van één maand.
  Indien in het vierde lid bedoelde geval, één of meerdere van de bevoegde ministers van Energie geen antwoord op de adviesvraag geven binnen de termijn van een maand, kan zonder hun advies overgegaan worden tot de overlegging van het ontwerp van besluit houdende de opmaak, wijziging of vervanging van de energie-investeringslijst.
  De energie-investeringslijst, een wijziging of een latere toevoeging eraan is drie jaar geldig.
  Bij gebrek aan een tijdige aanneming van een nieuwe lijst zal de Koning de geldigheidstermijn van de energie-investeringslijst éénmalig met een termijn van twee jaar verlengen.
  § 3. De aftrek voor investeringen in koolstofemissievrij vervoer bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 2°, betreffen aanschaffingen van vaste activa voor vervoersmiddelen die geen CO2 uitstoten.
  De Koning bepaalt, wijzigt of vervangt in een besluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad, op basis van het transportbeleid en de budgettaire impact, de lijst van de in het eerste lid bedoelde vaste activa, na voorafgaandelijk advies gevraagd aan de minister bevoegd voor Mobiliteit. Deze lijst wordt de "vervoer-investeringslijst" genoemd.
  Het in het tweede lid bedoelde advies wordt verwacht binnen de drie maanden na de vraag van de minister van Financiën tot advies.
  Indien de minister bevoegd voor Mobiliteit geen antwoord op de adviesvraag geeft binnen de drie maanden, kan, in afwijking van het tweede lid, zonder voorafgaandelijk advies overgegaan worden tot de overlegging van het ontwerp van besluit houdende de opmaak, wijziging of vervanging van de vervoer-investeringslijst.
  De vervoer-investeringslijst, een wijziging of een latere toevoeging eraan is drie jaar geldig.
  Bij gebrek aan een tijdige aanneming van een nieuwe lijst zal de Koning de geldigheidstermijn van de vervoer-investeringslijst éénmalig met een termijn van twee jaar verlengen.
  § 4. De aftrek voor milieuvriendelijke investeringen bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 3°, betreft aanschaffingen van vaste activa die een gunstige milieu-impact hebben buiten de in de paragrafen 2 en 3 bedoelde specifieke gevallen.
  De Koning bepaalt, wijzigt of vervangt in een besluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad, op basis van het milieubeleid en de budgettaire impact, de lijst van de in het eerste lid bedoelde vaste activa, na voorafgaandelijk advies van de bij samenwerkingsakkoord opgerichte thematische overleggroepen binnen de bevoegdheden Leefmilieu en Omgeving, of van de Interministeriële conferentie leefmilieu opgericht overeenkomstig artikel 31bis van de gewone wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. Deze lijst wordt de "milieu-investeringslijst" genoemd.
  Het in het tweede lid bedoelde advies wordt verwacht binnen de drie maanden na de vraag van de minister van Financiën tot advies.
  Indien de in het tweede lid bedoelde overleggroepen geen advies overmaken binnen de drie maanden, wordt opnieuw een adviesvraag gesteld aan de verschillende ministers bevoegd voor Leefmilieu afzonderlijk, met een antwoordtermijn van één maand.
  Indien, in het vierde lid bedoelde geval, één of meerdere van de bevoegde ministers geen antwoord op de adviesvraag geven binnen de termijn van een maand, kan zonder hun advies overgegaan worden tot de overlegging van het ontwerp van besluit houdende de opmaak, wijziging of vervanging van de milieu-investeringslijst.
  De milieu-investeringslijst, een wijziging of een latere toevoeging eraan is drie jaar geldig.
  Bij gebrek aan een tijdige aanneming van een nieuwe lijst zal de Koning de geldigheidstermijn van de milieu-investeringslijst éénmalig met een termijn van twee jaar verlengen.
  § 5. De investeringsaftrek voor ondersteunende digitale investeringen bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 4°, betreft aanschaffingen van digitale vaste activa ter ondersteuning van de in paragraaf 1, eerste lid, 1° tot 3° bedoelde investeringen.
  De Koning bepaalt, wijzigt of vervangt, in een besluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad, op basis van de budgettaire impact, de lijst van de in het eerste lid bedoelde vaste activa, na voorafgaandelijk advies van de minister bevoegd voor Digitalisering. Deze lijst wordt de "investeringslijst voor digitale ondersteuning" genoemd.
  Het in het tweede lid bedoelde advies wordt verwacht binnen de drie maanden na de vraag van de minister van Financiën tot advies.
  Indien de minister bevoegd voor Digitalisering geen antwoord op de adviesvraag geeft binnen de drie maanden, kan, in afwijking van het tweede lid, zonder voorafgaandelijk advies overgegaan worden tot de overlegging van het ontwerp van besluit houdende de opmaak, wijziging of vervanging van de investeringslijst voor digitale ondersteuning.
  De investeringslijst voor digitale ondersteuning, een wijziging of een latere toevoeging eraan is drie jaar geldig.
  Bij gebrek aan een tijdige aanneming van een nieuwe lijst zal de Koning de geldigheidstermijn van de investeringslijst voor digitale ondersteuning éénmalig met een termijn van twee jaar verlengen."
Art. 5. Dans le titre II, chapitre II, section IV, sous-section III, partie B, 2°, du même Code, il est inséré un article 69/1, rédigé comme suit :
  "Art. 69/1. § 1er. La déduction majorée thématique visée à l'article 69, alinéa 1er, 2°, comporte les thèmes suivants au sein desquels les investissements doivent être réalisés :
  1° investissement dans l'utilisation efficiente de l'énergie et les énergies renouvelables ;
  2° investissement dans des transports sans émission carbone ;
  3° investissement respectueux de l'environnement ;
  4° investissement de soutien numérique.
  La déduction majorée thématique ne peut pas être appliquée par les entreprises en difficulté ou par une entreprise pour laquelle il y a une injonction de récupération non exécutée, en vertu d'une décision de la Commission déclarant des aides octroyées par la Belgique illégales et incompatibles avec le marché intérieur.
  En outre, la déduction majorée thématique ne peut être appliquée qu'aux immobilisations pour lesquelles aucune aide régionale n'est demandée, sauf dans les cas déterminés par le Roi.
  § 2. La déduction pour investissement dans l'utilisation efficiente de l'énergie et les énergies renouvelables visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, concerne les acquisitions d'immobilisations destinées à la production d'énergies renouvelables et à l'utilisation efficiente de l'énergie.
  Le Roi établit, modifie ou remplace par arrêté délibéré en Conseil des ministres la liste des immobilisations visées à l'alinéa 1er, sur la base de la politique énergétique et de l'impact budgétaire, après avis préalable du Groupe de concertation Etat-Régions pour l'Energie institué par l'accord de coopération du 18 décembre 1991 entre l'Etat, la Région wallonne, la Région flamande et la Région de Bruxelles-Capitale relatif à la coordination des activités liées à l'énergie. Cette liste est dénommée "liste des investissements énergétiques".
  L'avis visé à l'alinéa 2 est attendu endéans les trois mois suivant la demande d'avis du ministre des Finances.
  Si le groupe de concertation visé à l'alinéa 2 ne transmet aucun avis endéans les trois mois, une demande d'avis du ministre des Finances est adressée individuellement à chaque ministre compétent en matière d'Energie en Belgique, avec un délai de réponse d'un mois.
  Si dans le cas visé à l'alinéa 4, un ou plusieurs ministres compétents en matière d'Energie ne répondent pas à la demande d'avis endéans le délai d'un mois, il peut être procédé sans leur avis à la délibération du projet d'arrêté portant l'établissement, la modification ou le remplacement de la liste des investissements énergétiques.
  La liste des investissements énergétiques, une modification ou un ajout à celle-ci est valable trois ans.
  A défaut d'une adoption à temps d'une nouvelle liste, le Roi prolongera la période de validité de la liste des investissements énergétiques une seule fois pour une période de deux ans.
  § 3. La déduction pour investissement dans des transports sans émission carbone visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°, concerne les acquisitions d'immobilisations destinées aux moyens de transport qui n'émettent pas de CO2.
  Le Roi établit, modifie ou remplace, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, sur la base de la politique des transports et de l'impact budgétaire, la liste des immobilisations visées à l'alinéa 1er, après avis préalable demandé au ministre qui a la Mobilité dans ses attributions. Cette liste est dénommée "liste des investissements dans les transports".
  L'avis visé à l'alinéa 2 est attendu endéans les trois mois suivant la demande d'avis du ministre des Finances.
  Si le ministre qui a la Mobilité dans ses attributions ne répond pas à la demande d'avis endéans les trois mois, il peut, par dérogation à l'alinéa 2, être procédé sans avis préalable à la délibération du projet d'arrêté portant l'établissement, la modification ou le remplacement de la liste des investissements dans les transports.
  La liste des investissements dans les transports, une modification ou un ajout à celle-ci est valable trois ans.
  A défaut d'une adoption à temps d'une nouvelle liste, le Roi prolongera la période de validité de la liste des investissements dans les transports une seule fois pour une période de deux ans.
  § 4. La déduction pour investissements respectueux de l'environnement visée au paragraphe 1er, alinéa 1er 3°, concerne les acquisitions d'immobilisations qui ont un impact favorable sur l'environnement hormis les cas spécifiques visés aux paragraphes 2 et 3.
  Le Roi établit, modifie ou remplace, par arrêté délibéré en Conseil des ministres sur la base de la politique environnementale et de l'impact budgétaire, la liste des immobilisations visées à l'alinéa 1er, après avis préalable des groupes thématiques de concertation relevant de la compétence de la Nature et de l'Environnement institués par accord de coopération, ou de la conférence interministérielle de l'environnement constituée conformément à l'article 31bis de la loi ordinaire du 9 août 1980 de réformes institutionnelles. Cette liste est dénommée "liste des investissements environnementaux".
  L'avis visé à l'alinéa 2 est attendu endéans les trois mois suivant la demande d'avis du ministre des Finances.
  Si les groupes de concertation visés à l'alinéa 2 n'ont transmis aucun avis endéans le délai de trois mois, une demande d'avis est à nouveau adressée aux différents ministres compétents pour l'Environnement individuellement, avec un délai de réponse d'un mois.
  Si, dans le cas visé à l'alinéa 4, un ou plusieurs des ministres compétents ne répondent pas à la demande d'avis endéans le délai d'un mois, il peut sans leur avis être procédé à la délibération du projet d'arrêté portant l'établissement, la modification ou le remplacement de la liste des investissements environnementaux.
  La liste des investissements environnementaux, une modification ou un ajout à celle-ci est valable trois ans.
  A défaut d'une adoption à temps d'une nouvelle liste, le Roi prolongera la période de validité de la liste des investissements environnementaux une seule fois pour une période de deux ans.
  § 5. La déduction pour les investissements de soutien numérique visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, 4°, concerne les acquisitions d'immobilisations numériques destinées à soutenir les investissements visés au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1° à 3°.
  Le Roi établit, modifie ou remplace, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, sur la base de l'impact budgétaire, la liste des immobilisations visées à l'alinéa 1er, après avis préalable du ministre qui a la Digitalisation dans ses attributions. Cette liste est dénommée "liste des investissements de soutien numérique".
  L'avis visé à l'alinéa 2 est attendu endéans les trois mois suivant la demande d'avis du ministre des Finances.
  Si le ministre qui a la Digitalisation dans ses attributions ne répond pas à la demande de l'avis endéans le délai de trois mois, il peut, par dérogation à l'alinéa 2, être procédé sans avis préalable à la délibération de l'arrêté portant l'établissement, la modification ou le remplacement de la liste des investissements de soutien numérique.
  La liste des investissements de soutien numérique, une modification ou un ajout à celle-ci est valable trois ans.
  A défaut d'une adoption à temps d'une nouvelle liste, le Roi prolongera la période de validité de la liste des investissements de soutien numérique une seule fois pour une période de deux ans."
Art. 6. In titel II, hoofdstuk II, afdeling IV, onderafdeling III, onderdeel B, 2°, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 69/2 ingevoegd, luidende:
  "Art. 69/2. De technologieaftrek bedoeld in artikel 69, eerste lid, 3°, wordt toegekend voor:
  1° octrooien;
  2° vaste activa die worden gebruikt ter bevordering van het onderzoek en de ontwikkeling van nieuwe producten en toekomstgerichte technologieën die geen effect hebben op het leefmilieu of die beogen het negatieve effect op het leefmilieu van bestaande producten en technologieën zoveel mogelijk te beperken."
Art. 6. Dans le titre II, chapitre II, section IV, sous-section III, partie B, 2°, du même Code, il est inséré un article 69/2, rédigé comme suit :
  "Art. 69/2. La déduction technologique visée à l'article 69, alinéa 1er, 3°, est accordée en ce qui concerne :
  1° les brevets ;
  2° les immobilisations qui tendent à promouvoir la recherche et le développement de produits nouveaux et de technologies avancées n'ayant pas d'effets sur l'environnement, ou visant à minimiser les effets négatifs sur l'environnement de produits et technologies existants."
Art. 7. In titel II, hoofdstuk II, afdeling IV, onderafdeling III, onderdeel B, 2°, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 69/3 ingevoegd, luidende:
  "Art. 69/3. § 1. Om te kunnen genieten van de in artikel 69/1, § 1, bedoelde investeringsaftrek moet de belastingplichtige een attest bij de aangifte voegen van het door dit artikel aangewezen gewest of de door dit artikel aangewezen federale minister.
  § 2. De overheid die instaat voor de attestering van het vast actief opgenomen in de energie-investeringslijst bedoeld in artikel 69/1, § 2, en de milieu-investeringslijst bedoeld in artikel 69/1, § 4, is deze die door de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen als bevoegd wordt aangewezen.
  Voor vaste activa opgenomen op de lijsten bedoeld in artikel 69/1 in de zeegebieden onder Belgische rechtsbevoegdheid, staat de federale overheid in.
  Voor vaste activa opgenomen in de vervoer-investeringslijst bedoeld in artikel 69/1, § 3, staat de federale overheid in.
  Voor vaste activa opgenomen in de investeringslijst voor digitale ondersteuning bedoeld in artikel 69/1, § 5, staat de federale overheid in.
  § 3. De minister die instaat voor de attestering van de investeringen die door paragraaf 2 toegewezen is aan de federale overheid is:
  - voor de investeringen op de energie-investeringslijst: de minister van Energie;
  - voor de investeringen op de vervoer-investeringslijst: de minister van Mobiliteit;
  - voor de investeringen op de milieu-investeringslijst: de minister van Leefmilieu;
  - voor de investeringen op de investeringslijst voor digitale ondersteuning: de minister van Digitalisering.
  De materieel bevoegde minister of instantie voor investeringen die door de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen toegewezen zijn aan de gewesten, wordt bepaald in een samenwerkingsakkoord.
  De in artikel 69/1 bedoelde investeringsaftrek wordt niet verleend indien de investering onredelijke schade voor het leefmilieu met zich meebrengt of als er geen conformiteit is met een investering op de respectievelijke lijst.
  § 4. Er wordt een attest uitgereikt door de bevoegde overheid waarin wordt gemotiveerd waarom aan de specificaties vermeld in de lijsten bedoeld in artikel 69/1 is voldaan. Bij gebrek aan een motivering waaruit blijkt dat de investering aan deze specificaties werd getoetst, is het attest niet tegenstelbaar aan de administratie, tenzij de belastingplichtige alsnog aantoont dat aan de specificaties is voldaan.
  Onverminderd de gebruikelijke rechtsmiddelen, heeft de verwerping van de attestering de weigering van de investeringsaftrek tot gevolg.
  § 5. De conformiteit van het vast actief met de lijsten bedoeld in artikel 69/1 wordt beoordeeld op basis van de lijst die van kracht is op het moment van de indiening van de aanvraag van de attestering."
Art. 7. Dans le titre II, chapitre II, section IV, sous-section III, partie B, 2°, du même Code, il est inséré un article 69/3, rédigé comme suit :
  "Art. 69/3. § 1er. Pour bénéficier de la déduction pour investissement visée à l'article 69/1, § 1er, le contribuable doit joindre à la déclaration une attestation de la région ou du ministre fédéral désigné par le présent article.
  § 2. L'autorité compétente pour l'attestation des immobilisations reprises sur la liste des investissements énergétiques visée à l'article 69/1, § 2, et sur la liste des investissements environnementaux visée à l'article 69/1, § 4, est celle désignée comme compétente par la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles.
  L'autorité fédérale est compétente pour les immobilisations reprises sur les listes visées à l'article 69/1 dans les espaces marins sous la compétence juridictionnelle de la Belgique.
  L'autorité fédérale est compétente pour les immobilisations reprises sur la liste des investissements dans les transports visée à l'article 69/1, § 3.
  L'autorité fédérale est compétente pour les immobilisations reprises sur la liste des investissements de soutien numérique visée à l'article 69/1, § 5.
  § 3. Le ministre chargé de l'attestation des investissements allouée au gouvernement fédéral par le paragraphe 2 est :
  - pour les investissements sur la liste d'investissements énergétiques : le ministre de l'Energie ;
  - pour les investissements sur la liste des investissements dans les transports : le ministre de la Mobilité ;
  - pour les investissements sur la liste des investissements environnementaux : le ministre de l'Environnement ;
  - pour les investissements sur la liste des investissements de soutien numérique: le ministre de la Digitalisation.
  Le ministre ou l'organisme matériellement compétent pour les investissements attribués aux régions par la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles est déterminé dans un accord de coopération.
  La déduction pour investissement visée à l'article 69/1 n'est pas accordée si l'investissement cause des préjudices déraisonnables à l'environnement ou s'il n'est pas conforme à un investissement figurant sur la liste correspondante.
  § 4. Une attestation est délivrée par l'autorité compétente justifiant que les spécifications mentionnées dans les listes visées à l'article 69/1 ont été respectées. En l'absence d'une justification démontrant que l'investissement a été évalué en fonction de ces spécifications, l'attestation n'est pas opposable à l'administration sauf si le contribuable démontre que les spécifications ont été respectées.
  Sans préjudice des voies de recours habituelles, le rejet de l'attestation entraîne le refus de la déduction pour investissement.
  § 5. La conformité de l'immobilisation aux listes visées à l'article 69/1, est appréciée sur la base de la liste en vigueur au moment de l'introduction de la demande d'attestation."
Art. 8. In artikel 70 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 25 december 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid worden de woorden "die worden gebruikt ter bevordering van het onderzoek en de ontwikkeling van nieuwe producten en toekomstgerichte technologieën die geen effect op het leefmilieu hebben of die het negatieve effect op het leefmilieu zoveel mogelijk proberen te beperken" vervangen door de woorden "bedoeld in artikel 69/2, 2°, ";
  2° in het tweede lid worden de woorden "op het in artikel 69, § 1, eerste lid, 2°, bedoelde basispercentage verhoogd met 17 percentpunten" vervangen door de woorden "op 20,5 pct.";
  3° het derde lid wordt opgeheven.
Art. 8. A l'article 70 du même Code, remplacé par la loi du 25 décembre 2017, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 1er, les mots "qui tendent à promouvoir la recherche et le développement de produits nouveaux et de technologies avancées n'ayant pas d'effets sur l'environnement ou visant à minimiser les effets négatifs sur l'environnement" sont remplacés par les mots "visées à l'article 69/2, 2°, " ;
  2° dans l'alinéa 2, les mots "au pourcentage de base visé à l'article 69, § 1er, alinéa 1er, 2°, majoré de 17 points" sont remplacés par les mots "à 20,5 p.c." ;
  3° l'alinéa 3 est abrogé.
Art. 9. In artikel 71 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 6 juli 1994, worden de woorden "zoals het van toepassing was voor het belastbaar tijdperk waarin de betrokken vaste activa zijn verkregen of tot stand gebracht," ingevoegd tussen de woorden "overeenkomstig artikel 69," en de woorden "wordt een aanvullende".
Art. 9. Dans l'article 71 du même Code, remplacé par la loi du 6 juillet 1994, les mots "tels que celui-ci était d'application pour la période imposable au cours de laquelle les immobilisations concernées ont été acquises ou constituées," sont insérés entre les mots "conformément à l'article 69," et les mots "une déduction complémentaire".
Art. 10. In artikel 74 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 4 mei 1999, worden de woorden "artikel 69, § 1, eerste lid, 2° " vervangen door de woorden "artikel 69, eerste lid, 2° en 3° ".
Art. 10. Dans l'article 74 du même Code, modifié par la loi du 4 mai 1999, les mots "l'article 69, § 1er, alinéa 1er, 2°, " sont remplacés par les mots "l'article 69, alinéa 1er, 2° et 3°, ".
Art. 11. In artikel 75 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet 13 december 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in de bepaling onder 6° wordt het woord "produktiekosten" vervangen door het woord "productiekosten";
  2° het artikel wordt aangevuld met een bepaling onder 7°, luidende:
  "7° voor wat betreft de in artikel 69, eerste lid, 1°, bedoelde basisaftrek, vaste activa gebaseerd op of die gebruik maken van voor het milieu en klimaat schadelijke stoffen, met uitzondering van de vaste activa waarvoor er geen economisch vergelijkbaar koolstofemissievrij alternatief is.";
  3° het artikel wordt aangevuld met vier leden, luidende:
  "De Koning bepaalt, wijzigt of vervangt, in een besluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad welke investeringen onder de in het eerste lid, 7°, bedoelde uitsluiting vallen op basis van de noodwendigheden van de markt, de stand van de technologie en de rentabiliteit voor de investeerder in een te actualiseren lijst. Deze lijst wordt de "klimaat- en milieu-uitsluitingslijst" genoemd.
  De klimaat- en milieu-uitsluitingslijst wordt opgemaakt of gewijzigd na voorafgaandelijk advies gevraagd door de minister van Financiën aan de bij samenwerkingsakkoord opgerichte thematische overleggroepen of, bij gebrek daaraan, aan de interministeriële conferentie in de zin van artikel 31bis van de gewone wet tot hervorming instellingen van 9 augustus 1980 binnen de bevoegdheden energie en omgeving, en aan de minister bevoegd voor Mobiliteit.
  Indien de in het derde lid aangeduide overleggroepen en minister geen advies overmaken binnen de drie maanden na de vraag van de minister van Financiën wordt de adviesvraag opnieuw gesteld aan de verschillende ministers van Leefmilieu en Energie in België, net als aan de minister bevoegd voor Mobiliteit, met een antwoordtermijn van een maand.
  Indien, in het vierde lid bedoelde geval, één of meerdere van de bevoegde ministers geen antwoord op de adviesvraag geven binnen de termijn van een maand, kan de Ministerraad zonder hun advies overgaan tot de overlegging van het ontwerp van besluit houdende de opmaak, wijziging of vervanging van de klimaat- en milieu-uitsluitingslijst."
Art. 11. A l'article 75 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 13 décembre 2012, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le texte néerlandais du 6°, le mot "produktiekosten" est remplacé par le mot "productiekosten" ;
  2° l'article est complété par un 7° rédigé comme suit :
  "7° en ce qui concerne la déduction de base visée à l'article 69, alinéa 1er, 1°, aux immobilisations fondées sur ou utilisant des substances nocives pour l'environnement et le climat, à l'exception des immobilisations pour lesquelles il n'existe pas d'alternative sans émission carbone économiquement comparable." ;
  3° l'article est complété par quatre alinéas rédigés comme suit :
  "Le Roi établit, modifie ou remplace, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, dans une liste à actualiser, quels investissements seront soumis à l'exclusion visée à l'alinéa 1er, 7°, en fonction des nécessités du marché, de l'état de la technologie et de la rentabilité pour l'investisseur. Cette liste est dénommée "liste d'exclusion climatique et environnementale".
  La liste d'exclusion climatique et environnementale est établie ou modifiée après avis préalable demandé par le ministre des Finances aux groupes de concertation thématiques institués par accord de coopération ou, à défaut d'un tel groupe, de la conférence interministérielle constituée conformément à l'article 31bis de la loi ordinaire du 9 août 1980 de réformes institutionnelles au titre des compétences en matière d'énergie et d'environnement et au ministre qui a la Mobilité dans ses attributions.
  Si les groupes de concertation et le ministre mentionnés à l'alinéa 3 n'ont transmis aucun avis endéans les trois mois de la demande du ministre des Finances, une nouvelle demande d'avis est faite aux différents ministres compétents pour l'Environnement et l'Energie en Belgique, tout comme au ministre qui a la Mobilité dans ses attributions, avec un délai de réponse d'un mois.
  Si, dans le cas visé à l'alinéa 4, un ou plusieurs des ministres compétents ne répondent pas à la demande d'avis endéans le délai d'un mois, le Conseil des ministres peut procéder sans leur avis à la délibération du projet d'arrêté portant l'établissement, la modification ou le remplacement de la liste d'exclusion climatique et environnementale."
Art. 12. In artikel 77 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 10 augustus 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid worden de woorden "ingevolge artikel 69, § 1, eerste lid, 2°, f)" telkens vervangen door de woorden "bedoeld in artikel 69, derde lid";
  2° tussen het eerste lid en het tweede lid, dat het derde lid wordt, wordt een lid ingevoegd, luidende:
  "De Koning kan in de in artikel 69/1, §§ 2 tot 5 bedoelde lijsten een maximumbedrag inschrijven voor één of meerdere specifieke vaste activa die in aanmerking komen voor de verhoogde thematische aftrek.";
  3° het vroegere tweede lid, dat het derde lid wordt, wordt vervangen als volgt:
  "De Koning zal bij de Kamer van volksvertegenwoordigers, onmiddellijk indien ze in zitting is, zo niet bij de opening van de eerstvolgende zitting, een ontwerp van wet indienen tot bekrachtiging van de in de artikelen 69/1, §§ 2 tot 5, en 75 bedoelde lijsten en hun eventuele éénmalige verlenging met inbegrip van de in het tweede lid bedoelde maximumbedragen, en van de in uitvoering van het eerste lid, eerste streepje, genomen besluiten. De bekrachtiging heeft uitwerking vanaf die datum. Bij gebreke van deze bekrachtiging binnen de 12 maanden na de datum van hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad worden de lijsten en besluiten geacht nooit uitwerking te hebben gehad."
  4° in het vroegere derde lid, dat het vierde lid wordt, worden de woorden "op de verhoogde aftrek ingevolge artikel 69, § 1, eerste lid, 2°, a) tot e) en 3° " vervangen door de woorden "op de aftrekken bedoeld in artikel 69, eerste lid, 2° en 3° ";
  5° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende:
  "De Koning bepaalt de aanvraagprocedure, de vorm en inhoud van het in artikel 69/3 bedoelde attest dat de bevoegde ministers moeten afleveren."
Art. 12. A l'article 77 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 10 août 2015, les modifications suivantes sont apportées :
  1' dans l'alinéa 1er, les mots "conformément à l'article 69, § 1er, alinéa 1er, 2°, f)" sont à chaque fois remplacés par les mots "visée à l'article 69, alinéa 3" ;
  2° 'entre l'alinéa 1er et l'alinéa 2, qui devient l'alinéa 3, un alinéa est inséré rédigé comme suit :
  "Le Roi peut prévoir, dans les listes visées à l'article 69/1, §§ 2 à 5, un montant maximum pour une ou plusieurs immobilisations spécifiques éligibles à la déduction majorée thématique." ;
  3° l'ancien alinéa 2, qui devient l'alinéa 3, est remplacé comme suit :
  "Le Roi saisira la Chambre des représentants immédiatement si elle est réunie, sinon dès l'ouverture de sa plus prochaine session, d'un projet de loi de confirmation des listes et de leurs prolongation unique éventuelle visées aux articles 69/1, §§ 2 à 5 et 75, en ce compris les montants maximum visés à l'alinéa 2, et les arrêtés pris en exécution de l'alinéa 1er, premier tiret. La confirmation produit ses effets à partir de cette date En l'absence d'une telle confirmation dans le délai de 12 mois à compter de la date de leur publication au Moniteur belge, les listes et arrêtés sont censés n'avoir jamais produit leurs effets."
  4° dans l'ancien alinéa 3, qui devient l'alinéa 4, les mots "à la déduction majorée conformément à l'article 69, § 1er, alinéa 1er, 2°, a) à e) et 3° " sont remplacés par les mots "aux déductions visées à l'article 69, alinéa 1er, 2° et 3° ";
  5° l'article est complété par un alinéa, rédigé comme suit :
  "Le Roi détermine la procédure de demande, la forme et le contenu de l'attestation visée à l'article 69/3 qui doit être délivrée par les ministres compétents."
Art. 13. In artikel 201 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 28 juli 1992 en laatstelijk gewijzigd bij de programmawet van 26 december 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de inleidende zin van paragraaf 1, eerste lid, wordt vervangen als volgt:
  " § 1. De in artikel 69, eerste lid, 1°, bedoelde basisaftrek van de investeringsaftrek bedraagt:";
  2° paragraaf 1, eerste lid, 1°, wordt vervangen als volgt:
  "1° voor vaste activa verkregen of tot stand gebracht door een vennootschap die als kleine vennootschap wordt aangemerkt voor het aanslagjaar dat verbonden is aan het belastbare tijdperk waarin die investeringen worden verricht, 10 pct. van de aanschaffings- of beleggingswaarde van de nieuwe materiële of immateriële vaste activa voor zover deze vaste activa rechtstreeks verband houden met de bestaande of geplande economische werkzaamheid die door de vennootschap werkelijk wordt uitgeoefend. Evenwel wordt dit basispercentage verhoogd met 10 percentpunten als het digitale vaste activa betreft;";
  3° in paragraaf 1, derde lid, worden de woorden "en met betrekking tot de van 1 januari 2019 tot 31 december 2021 verkregen of tot stand gebrachte vaste activa, in de twee volgende belastbare tijdperken" opgeheven;
  4° in paragraaf 1, worden het vierde, vijfde en zesde lid opgeheven;
  5° in paragraaf 1, zevende lid, dat het vierde lid wordt, worden de woorden "artikelen 69, § 1, eerste lid, 2°, a) en b) en 70, eerste lid, 1°, " vervangen door de woorden "artikelen 69, eerste lid, 2° en 3°, en 70,";
  6° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt:
  " § 2. Het percentage van de verhoogde thematische aftrek bedoeld in artikel 69, eerste lid, 2°, bedraagt 30 pct. voor vennootschappen die niet als kleine vennootschappen worden aangemerkt voor het aanslagjaar dat verbonden is aan het belastbare tijdperk waarin die investeringen worden verricht."
Art. 13. A l'article 201 du même Code, remplacé par la loi du 28 juillet 1992 et modifié en dernier lieu par la loi-programme du 26 décembre 2022, les modifications suivantes sont apportées :
  1° la phrase liminaire du paragraphe 1er, alinéa 1er, est remplacée par ce qui suit :
  " § 1er. La déduction de base de la déduction pour investissement visée à l'article 69, alinéa 1er, 1°, est fixée à :" ;
  2° le paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, est remplacé par ce qui suit :
  "1° pour les immobilisations acquises ou constituées par une société qui est considérée comme petite société pour l'exercice d'imposition lié à la période imposable au cours de laquelle elle a effectué ces investissements, 10 p.c. de la valeur d'investissement ou de revient des nouvelles immobilisations corporelles ou incorporelles pour autant que ces immobilisations soient directement liées à l'activité économique existante ou prévue qui est réellement exercée par la société. Toutefois, le pourcentage de base est majoré de 10 points en ce qui concerne les immobilisations numériques ;" ;
  3° dans le paragraphe 1er, alinéa 3, les mots "et aux deux périodes imposables suivantes pour les immobilisations acquises ou constituées du 1er janvier 2019 au 31 décembre 2021" sont abrogés ;
  4° dans le paragraphe 1er, les alinéas 4, 5 et 6 sont abrogés ;
  5° dans le paragraphe 1er, alinéa 7, qui devient l'alinéa 4, les mots "articles 69, § 1er, alinéa 1er, 2°, a) et b), et 70, alinéa 1er, 1°, " sont remplacés par les mots "articles 69, alinéa 1er, 2° et 3°, et 70," ;
  6° le paragraphe 2 est remplacé comme suit :
  " § 2. Le pourcentage de la déduction majorée thématique visée à l'article 69, alinéa 1er, 2°, s'élève à 30 p.c. pour les sociétés qui ne sont pas considérées comme petites sociétés pour l'exercice d'imposition lié à la période imposable au cours de laquelle ces investissements ont été effectués."
Art. 14. In artikel 289quater, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 23 december 2005 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 22 december 2008, worden de woorden "artikel 69, § 1, eerste lid, 2°, a) en b)," vervangen door de woorden "artikel 69/2".
Art. 14. Dans l'article 289quater, alinéa 1er, du même Code, inséré par la loi du 23 décembre 2005 et modifié en dernier lieu par la loi du 22 décembre 2008, les mots "à l'article 69, § 1er, alinéa 1er, 2°, a) et b)," sont remplacés par les mots "à l'article 69/2,".
Art. 15. In artikel 289quinquies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 23 december 2005, worden de woorden "artikel 69, § 1, eerste lid, 2° " vervangen door de woorden "artikel 69, eerste lid, 3° ".
Art. 15. Dans l'article 289quinquies du même Code, inséré par la loi du 23 décembre 2005, les mots "l'article 69, § 1er, alinéa 1er, 2° " sont remplacés par les mots "l'article 69, alinéa 1er, 3° ".
Art. 16. In artikel 289sexies, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 23 december 2005, worden de woorden "artikel 69, § 1, eerste lid, 2°, b)" vervangen door de woorden "artikel 69/2, 2° ".
Art. 16. Dans l'article 289sexies, alinéa 1er, du même Code, inséré par la loi du 23 décembre 2005, les mots "article 69, § 1er, alinéa 1er, 2°, b)" sont remplacés par les mots "article 69/2, 2° ".
Art. 17. In artikel 289novies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 23 december 2005, worden de woorden "de octrooien en de vaste activa" vervangen door de woorden "de in artikel 69/2 vermelde vaste activa".
Art. 17. Dans l'article 289novies du même Code, inséré par la loi du 23 décembre 2005, les mots "les brevets et les immobilisations" sont remplacés par les mots "les immobilisations visées à l'article 69/2".
Art. 18. In artikel 307, § 2/2, eerste lid van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 december 2023, worden de woorden ", met uitzondering van het onroerend goed dat overeenkomstig de pachtwetgeving of een vergelijkbaar buitenlands recht dat de pachtprijzen beperkt, is verhuurd en wordt gebruikt voor land- of tuinbouw," ingevoegd tussen de woorden "op een onroerend goed" en de woorden "en de belastingplichtige een rechtspersoon".
Art. 18. Dans l'article 307, § 2/2, alinéa 1er, du même Code, inséré par la loi du 28 décembre 2023, les mots ", à l'exception du bien immobilier donné en location conformément à la législation sur le bail à ferme ou un droit étranger équivalent limitant les fermages, et affecté à des fins agricoles ou horticoles," sont insérés entre les mots "droit réel d'usage sur un bien immobilier" et les mots "et que le contribuable est une personne morale".
Art. 19. In artikel 530, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 23 december 2005 en gewijzigd bij de wet van 22 december 2008, worden de woorden "zoals ze bestonden voor ze werden gewijzigd bij de artikelen 4 en 8 van de wet van 12 mei 2024 houdende diverse fiscale bepalingen, of de artikelen 69, eerste lid, 3°, en 70, tweede lid," ingevoegd tussen de woorden de woorden "bepaalde investeringsaftrekken" en de woorden "voor de drie voorafagaande aanslagjaren".
Art. 19. Dans l'article 530, § 1er, alinéa 1er, du même Code, inséré par la loi du 23 décembre 2005 et modifié par la loi du 22 décembre 2008, les mots "tels qu'ils existaient avant d'être modifiés par les articles 4 et 8 de la loi du 12 mai 2024 portant des dispositions fiscales diverses, ou des articles 69, alinéa 1er, 3°, et 70, alinéa 2," sont insérés entre les mots "70, alinéa 2," et les mots "pour les trois".
Art. 20. In titel X van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 552 ingevoegd, luidende:
  "Art. 552. Voor de activa die werden verkregen of tot stand gebracht voor 1 januari 2025, worden de artikelen 69 tot 77, 201 en 289quater tot novies toegepast zoals deze bestonden voor te zijn vervangen of gewijzigd door de wet van 12 mei 2024 houdende diverse fiscale bepalingen."
Art. 20. Dans le titre X du même Code, il est inséré un article 552 rédigé comme suit :
  "Art. 552. Pour les immobilisations acquises ou constituées avant le 1er janvier 2025, les articles 69 à 77, 201 et 289quater à novies s'appliquent tels qu'ils existaient avant d'être remplacés ou modifiés par la loi du 12 mai 2024 portant des dispositions fiscales diverses."
Art. 21. Artikel 2 treedt in werking op 1 januari 2025 en is van toepassing vanaf aanslagjaar 2026 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2025.
  De artikelen 3 tot 17 en 20 zijn van toepassing op vanaf 1 januari 2025 verkregen of tot stand gebrachte vaste activa.
  Artikel 18 treedt in werking vanaf aanslagjaar 2024.
  Artikel 19 is van toepassing vanaf aanslagjaar 2026.
Art. 21. L'article 2 entre en vigueur le 1er janvier 2025 et est applicable à partir de l'exercice d'imposition 2026 se rattachant à une période imposable qui débute au plus tôt le 1er janvier 2025.
  Les articles 3 à 17 et 20 sont applicables aux immobilisations acquises ou constituées à partir du 1er janvier 2025.
  L'article 18 entre en vigueur à partir de l'exercice d'imposition 2024.
  L'article 19 est applicable à partir de l'exercice d'imposition 2026.
HOOFDSTUK 2. - Overige wijzigingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
CHAPITRE 2. - Autres modifications du Code des impôts sur les revenus 1992
Art. 22. In artikel 17, § 1, 5°, vierde streepje, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de programmawet van 26 december 2022, worden de woorden "artikel 6" vervangen door de woorden "artikel 7".
Art. 22. Dans l'article 17, § 1er, 5°, quatrième tiret, du même Code, remplacé par la loi-programme du 26 décembre 2022, les mots "l'article 6" sont remplacés par les mots "l'article 7".
Art. 23. In artikel 38, § 1, eerste lid, 14°, a), van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 22 december 2023, wordt het bedrag "1.285 euro" vervangen door het bedrag "1.795 euro".
Art. 23. Dans l'article 38, § 1er, alinéa 1er, 14°, a), du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 22 décembre 2023, le montant "1.285 euros" est remplacé par le montant "1.795 euros".
Art. 24. Artikel 205/1, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 9 februari 2017, wordt aangevuld met twee leden, luidende:
  "In afwijking van artikel 207, tweede lid, derde streepje, en derde lid, tweede streepje, kan de vennootschap er voor kiezen om een deel of het geheel van de in het eerste lid bedoelde aftrek voor innovatie-inkomsten, alsook van de in artikel 207, derde lid, tweede streepje, bedoelde aftrek van de overgedragen aftrek voor innovatie-inkomsten niet in mindering te brengen op de winst van het belastbare tijdperk, maar overeenkomstig de artikelen 289decies en 292ter om te zetten in een niet-terugbetaalbaar belastingkrediet voor innovatie-inkomsten.
  De in artikel 207 bedoelde bedragen van de overige aftrekken en de resterende saldi worden bepaald alsof de vennootschap niet zou hebben gekozen voor de in het derde lid bedoelde omzetting in een belastingkrediet."
Art. 24. L'article 205/1, § 1er, du même Code, inséré par la loi du 9 février 2017, est complété par deux alinéas, rédigés comme suit :
  "Par dérogation à l'article 207, alinéa 2, troisième tiret, et à l'alinéa 3, deuxième tiret, la société peut choisir de ne pas déduire une partie ou la totalité de la déduction pour revenus d'innovation visée à l'alinéa 1er, ainsi que de la déduction pour revenus d'innovation reportée visée à l'article 207, alinéa 3, deuxième tiret, des bénéfices de la période imposable, mais de la convertir, conformément aux articles 289decies et 292ter, en un crédit d'impôt non remboursable.
  Les montants des autres déductions et des soldes subsistants visés à l'article 207 sont déterminés comme si la société n'avait pas opté pour la conversion en un crédit d'impôt visée à l'alinéa 3."
Art. 25. In titel VI, hoofdstuk II, afdeling IVbis, onderafdeling II, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 289decies ingevoegd, luidende:
  "Art. 289decies. Wat de in artikel 205/1, § 1, derde lid, bedoelde aftrek voor innovatie-inkomsten betreft die niet of niet volledig in mindering werd gebracht op de winst in het voorgaande belastbare tijdperk, kan een belastingkrediet worden verrekend met de vennootschapsbelasting of met de belasting van niet-inwoners voor de in artikel 227, 2°, vermelde belastingplichtigen, dat gelijk is aan het bedrag van de aftrek voor innovatie-inkomsten dat niet werd afgetrokken, vermenigvuldigd met het in artikel 215, eerste lid, voorziene tarief. Dit belastingkrediet wordt het "belastingkrediet voor innovatie-inkomsten" genoemd."
Art. 25. Au titre VI, chapitre II, section IVbis, sous-section II, du même Code, il est inséré un article 289decies, rédigé comme suit :
  "Art. 289decies. En ce qui concerne la déduction pour revenus d'innovation visée à l'article 205/1, § 1er, alinéa 3, qui n'a pas été déduite ou n'a pas été entièrement déduite des bénéfices au cours de la période imposable précédente, il peut être imputé sur l'impôt des sociétés ou sur l'impôt des non-résidents pour les contribuables visés à l'article 227, 2°, un crédit d'impôt égal au montant de la déduction pour revenus d'innovation qui n'a pas été déduite, multiplié par le taux prévu à l'article 215, alinéa 1er. Ce crédit d'impôt est dénommé "crédit d'impôt pour revenus d'innovation."
Art. 26. In titel VI, hoofdstuk II, afdeling V, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 292ter ingevoegd, luidende:
  "Art. 292ter. § 1. Het belastingkrediet voor innovatie-inkomsten wordt volledig met de vennootschapsbelasting of met de belasting van niet-inwoners voor de in artikel 227, 2°, vermelde belastingplichtigen verrekend.
  De belastingplichtige kan er voor opteren om een deel of het geheel van het in het eerste lid bedoelde belastingkrediet voor innovatie-inkomsten niet te laten verrekenen.
  Indien een aanslagjaar geen of onvoldoende belasting oplevert om het belastingkrediet voor innovatie-inkomsten te kunnen verrekenen en/of indien de belastingplichtige er overeenkomstig het tweede lid voor opteert om het geheel of een gedeelte van het belastingkrediet niet te verrekenen, wordt het voor dat aanslagjaar niet verrekende belastingkrediet overgedragen naar de volgende aanslagjaren.
  § 2. Indien, in de loop van het belastbare tijdperk, een verwerving van of een wijziging van de controle over een vennootschap plaatsgrijpt die niet beantwoordt aan rechtmatige financiële of economische behoeften, wordt het nog niet verrekende belastingkrediet niet overgedragen op de vennootschapsbelasting met betrekking tot dat belastbare tijdperk, noch tot enig ander later belastbaar tijdperk."
Art. 26. Au titre VI, chapitre II, section V, du même Code, il est inséré un article 292ter, rédigé comme suit :
  "Art. 292ter. § 1er. Le crédit d'impôt pour revenus d'innovation est imputé intégralement sur l'impôt des sociétés ou sur l'impôt des non-résidents pour les contribuables visés à l'article 227, 2°.
  Le contribuable peut choisir de ne pas laisser imputer tout ou partie du crédit d'impôt pour revenus d'innovation visé à l'alinéa 1er.
  En cas d'absence ou d'insuffisance d'impôt pour un exercice d'imposition sur lequel le crédit d'impôt pour revenus d'innovation peut être imputé et/ou si le contribuable choisit de ne pas imputer tout ou partie du crédit d'impôt, le crédit d'impôt non imputé pour cet exercice d'imposition est reporté successivement aux exercices d'imposition suivants.
  § 2. En cas de prise ou de changement du contrôle d'une société au cours de la période imposable, qui ne répond pas à des besoins légitimes de caractère économique ou financier, le crédit d'impôt non encore imputé n'est pas reporté sur l'impôt des sociétés afférent à cette période imposable, ni à aucune autre période imposable ultérieure."
Art. 27. Vanaf 2026 worden ieder jaar de effecten van het belastingkrediet voor innovatie-inkomsten geëvalueerd waarbij er bijzondere aandacht besteed wordt aan de budgettaire kostprijs van de maatregel en de concurrentiepositie van België ten opzichte van de buurlanden.
  Het verslag van deze evaluatie wordt door de minister van Financiën overgezonden aan de Kamer van volksvertegenwoordigers.
Art. 27. A partir de 2026 les effets du crédit d'impôt pour revenus d'innovation seront évalués chaque année avec une attention particulière pour le coût budgétaire de la mesure et la position concurrentielle de la Belgique par rapport aux pays voisins.
  Le rapport de cette évaluation est transmis à la Chambre des représentants par le ministre des Finances.
Art. 28. Artikel 22 treedt in werking op 1 januari 2023 en is van toepassing op de vanaf 1 januari 2023 betaalde of toegekende inkomsten.
  Artikel 23 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2024 en is van toepassing vanaf het belastbaar tijdperk dat aanvangt vanaf 1 januari 2024.
  De artikelen 24 tot 26 zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2025.
Art. 28. L'article 22 entre en vigueur le 1er janvier 2023 et est applicable aux revenus payés ou attribués à partir du 1er janvier 2023.
  L'article 23 produit ses effets le 1er janvier 2024 et est applicable à partir de la période imposable qui débute à partir du 1er janvier 2024.
  Les articles 24 à 26 sont applicables à partir de l'exercice d'imposition 2025.
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van de wet van 19 december 2023 houdende de invoering van een minimum- belasting voor multinationale ondernemingen en omvangrijke binnenlandse groepen
CHAPITRE 3. - Modifications de la loi du 19 décembre 2023 concernant l'introduction d'un impôt minimum pour les groupes d'entreprises multinationales et les groupes nationaux de grande envergure
Art. 29. Artikel 2 van de wet van 19 december 2023 houdende de invoering van een minimumbelasting voor multinationale ondernemingen en omvangrijke binnenlandse groepen, wordt aangevuld met een paragraaf, luidende:
  " § 3. De in paragraaf 2 bedoelde multinationale ondernemingen of omvangrijke binnenlandse groepen worden geregistreerd bij de Kruispuntbank van Ondernemingen volgens de nadere regels bepaald door de Koning."
Art. 29. L'article 2 de la loi du 19 décembre 2023 concernant l'introduction d'un impôt minimum pour les groupes d'entreprises multinationales et les groupes nationaux de grande envergure, est complété par un paragraphe, rédigé comme suit :
  " § 3. Les groupes d'entreprises multinationales ou les groupes nationaux de grande envergure visés au paragraphe 2 sont enregistrés à la Banque-Carrefour des Entreprises selon les modalités déterminées par le Roi."
Art. 30. In artikel 3 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) in de bepaling onder 38° wordt het eerste lid aangevuld met een bepaling onder c), luidende:
  "c) een belastingtegoed dat overdraagbaar is en dat door de houder van het tegoed gebruikt kan worden om zijn aansprakelijkheid voor een betrokken belasting te verminderen in de jurisdictie die het belastingtegoed heeft uitgegeven en dat voldoet aan de wettelijke overdraagbaarheidsnorm en de verhandelbaarheidsnorm in handen van de houder;";
  b) de bepaling onder 38° wordt aangevuld met een lid, luidende:
  "Voor de toepassing van het eerste lid, c), wordt verstaan onder:
  - wettelijke overdraagbaarheidsnorm: een norm die ervoor zorgt dat het belastingtegoed zodanig is ontworpen dat de initiële verkrijger het tegoed kan overdragen aan een niet-verbonden partij in het verslagjaar waarin hij voldoet aan de criteria om in aanmerking te komen voor het tegoed of binnen vijf maanden na het einde van dat verslagjaar;
  - verhandelbaarheidsnorm: een norm die ervoor zorgt dat het belastingtegoed wordt verhandeld aan een niet-verbonden partij voor een bedrag dat meer bedraagt dan 80 pct. van de netto contante waarde van dat belastingtegoed;";
  c) de bepaling onder 39° wordt aangevuld met de woorden "of overdraagbaar";
  d) de bepaling onder 49° wordt aangevuld met een lid, luidende:
  "De indienende groepsentiteit kan ervoor kiezen om in afwijking van het eerste lid een eigendomsbelang van een groep in een entiteit waaraan rechten verbonden zijn op minder dan 10 pct. van de winst, het kapitaal of de reserves, of stemrechten van die entiteit op de datum van de uitdeling of vervreemding, die op de datum van uitdeling meer dan één jaar economisch eigendom is van de groepsentiteit die de dividenden of de andere uitkeringen ontvangt of opbouwt niet als uitgesloten dividend te beschouwen;".
Art. 30. Dans l'article 3 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
  a) au 38° l'alinéa 1er est complété par un c), rédigé comme suit :
  "c) un crédit d'impôt qui est transférable et qui peut être utilisé par le détenteur du crédit pour réduire sa dette fiscale dans la juridiction qui a émis le crédit d'impôt et qui répond à la norme juridique de transférabilité et à la norme de négociabilité entre les mains du détenteur ;" ;
  b) le 38° est complété par un alinéa, rédigé comme suit :
  "Pour l'application d'alinéa 1er, c), il y a lieu d'entendre par :
  - norme juridique de transférabilité : norme garantissant que le crédit d'impôt soit conçu de manière à permettre au bénéficiaire initial de transférer le crédit à une partie non liée au cours de l'année fiscale durant laquelle il remplit les critères d'éligibilité au crédit ou dans les cinq mois suivant la fin de cette année fiscale ;
  - norme de négociabilité : une norme qui garantit que le crédit d'impôt soit négocié avec une partie non liée pour un montant supérieur à 80 p.c. de la valeur actuelle nette de ce crédit d'impôt ;";
  c) le 39° est complété par les mots "ou qui est transférable";
  d) le 49° est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  "L'entité constitutive déclarante peut exercer une option selon laquelle, par dérogation à l'alinéa 1er, des dividendes ne sont pas des dividendes exclus lorsqu'une participation détenue par le groupe dans une entité dont les droits se rattachent à moins de 10 p.c. des bénéfices, des capitaux ou des réserves, ou à des droits de vote de cette entité à la date de la distribution ou de la disposition, et qui, à la date de la distribution, a été la propriété économique pendant plus d'un an de l'entité constitutive recueillant ou se constituant les dividendes ou autres distributions ;".
Art. 31. In titel 2, hoofdstuk 4, van dezelfde wet, wordt een artikel 17/1 ingevoegd, luidende:
  "Art. 17/1. In afwijking van artikel 17, § 5, e), omvat het totale bedrag van aanpassing voor uitgestelde belastingen het bedrag van uitgestelde belastinglasten ter zake van het ontstaan en het gebruik van belastingtegoeden wanneer:
  a) de jurisdictie vereist dat inkomsten van buitenlandse oorsprong worden afgezet tegen binnenlandse verliezen voordat buitenlandse belastingkredieten kunnen worden verrekend met de belasting op inkomsten uit buitenlandse bronnen;
  b) de groepsentiteit een binnenlands fiscaal verlies heeft geleden dat geheel of gedeeltelijk wordt gecompenseerd door inkomsten van buitenlandse oorsprong; en
  c) het binnenlandse belastingregime toestaat dat buitenlandse belastingkredieten worden gebruikt om een belastingverplichting in een volgend jaar te compenseren met betrekking tot inkomen dat is opgenomen in de berekening van het kwalificerende inkomen of verlies van de groepsentiteit."
Art. 31. Dans le titre 2, chapitre 4, de la même loi, il est inséré un article 17/1, rédigé comme suit :
  "Art. 17/1. Par dérogation à l'article 17, § 5, e), le montant total de l'ajustement pour impôt différé comprend le montant de la charge d'impôts différés au titre de la création et de l'utilisation de crédits d'impôt lorsque :
  a) la juridiction exige que les revenus de source étrangère soient compensés par des pertes nationales avant que les crédits d'impôt étrangers puissent être imputés sur l'impôt sur les revenus de source étrangère ;
  b) l'entité constitutive a subi une perte fiscale nationale qui est compensée en tout ou en partie par des revenus d'origine étrangère ; et que
  c) le régime fiscal national permet d'utiliser les crédits d'impôt étrangers pour compenser un impôt dû au cours d'une année ultérieure relatif aux revenus entrant dans le calcul du bénéfice ou de la perte admissibles de l'entité constitutive."
Art. 32. Artikel 22, § 3, van dezelfde wet wordt aangevuld met twee leden, luidende:
  "Geen vermindering wordt toegepast voor het bedrag van de binnenlandse bijheffing dat:
  i) de MNO-groep of omvangrijke binnenlandse groep direct of indirect betwist in het kader van een gerechtelijke of administratieve procedure; of
  ii) niet kan worden geïnd op grond van grondwettelijke regels of andere wettelijke akkoorden, zoals een zetelakkoord.
  Wanneer in een later verslagjaar de betwisting vervalt, of de inning toch kan plaatsvinden wordt het bedrag van binnenlandse bijheffing in dat jaar afgetrokken overeenkomstig het eerste lid."
Art. 32. L'article 22, § 3, de la même loi, est complété par deux alinéas rédigés comme suit :
  "Aucune minoration n'est appliquée pour le montant de l'impôt national complémentaire :
  i) que le groupe d'EMN ou le groupe national de grande envergure conteste directement ou indirectement dans le cadre d'une procédure judiciaire ou administrative ; ou
  ii) qui n'est pas recouvrable en vertu de règles constitutionnelles ou d'autres accords juridiques, tels qu'un accord de siège.
  Si, au cours d'une année fiscale ultérieure, le litige expire ou si le recouvrement peut encore avoir lieu, le montant de l'impôt national complémentaire pour cette année est déduit conformément à l'alinéa 1er."
Art. 33. In artikel 27 van dezelfde wet wordt de bepaling onder 1° vervangen als volgt:
  "1° het bedrag van aangepaste betrokken binnenlandse belastingen van de in België gevestigde groepsentiteiten: het in artikel 15, § 1, bedoelde bedrag van aangepaste betrokken belastingen van de in België gevestigde groepsentiteiten van een MNO-groep of omvangrijke binnenlandse groep, verminderd met de aan in België gevestigde groepsentiteiten toegekende bedragen overeenkomstig artikel 19, §§ 1 en 3, alsook verminderd met de aan in België gevestigde groepsentiteiten toegekende bedragen overeenkomstig artikel 19, §§ 4 en 5, waarbij evenwel roerende voorheffing die door België wordt geheven op uitkeringen van een groepsentiteit die is gevestigd in België niet verminderd wordt;".
Art. 33. A l'article 27, de la même loi, le 1° est remplacé comme suit :
  "1° le montant des impôts nationaux concernés ajustés des entités constitutives établies en Belgique : le montant visé à l'article 15, § 1er, des impôts concernés ajustés des entités constitutives d'un groupe d'EMN ou d'un groupe national de grande envergure établies en Belgique, diminué des montants attribués aux entités constitutives établies en Belgique conformément à l'article 19, §§ 1er et 3, ainsi que des montants accordés aux entités constitutives établies en Belgique conformément à l'article 19, §§ 4 et 5, étant entendu que le précompte mobilier prélevé par la Belgique sur les distributions provenant d'une entité constitutive établie en Belgique n'est cependant pas diminué ;".
Art. 34. In artikel 31, § 3, van dezelfde wet worden de woorden "direct of indirect een zeggenschapsbelang" vervangen door de woorden "direct of indirect alle zeggenschapsbelang".
Art. 34. Dans l'article 31, § 3, de la même loi, les mots "directement ou indirectement, une participation de contrôle" sont remplacés par les mots "directement ou indirectement, toute participation de contrôle".
Art. 35. In titel 2, hoofdstuk 11, afdeling 3, van dezelfde wet wordt een artikel 57/1 ingevoegd, luidende:
  "Art. 57/1. De in België gevestigde groepsentiteit of de aangewezen lokale entiteit namens die groepsentiteit, dient een aangifte in, binnen de termijnen bedoeld in artikel 57, waarvan het formulier door de Koning wordt vastgelegd en dat wordt uitgereikt door de door de Koning aangewezen dienst waarop het in België verschuldigde bedrag inzake de IIR-bijheffing en UTPR-bijheffing vermeld staat."
Art. 35. Dans le titre 2, chapitre 11, section 3, de la même loi, un article 57/1 est inséré, rédigé comme suit :
  "Art. 57/1. L'entité constitutive établie en Belgique ou l'entité locale désignée agissant pour son compte dépose une déclaration, dans les délais visés à l'article 57, dont le formulaire est déterminé par le Roi et délivré par le service désigné par le Roi sur lequel est indiqué le montant dû en Belgique au titre de l'impôt complémentaire en vertu de la RIR et de l'impôt complémentaire en vertu de la RBII."
Art. 36. In artikel 58 van dezelfde wet worden tussen de woorden "in artikel" en de woorden "6, tweede lid" de woorden "3, 49°, tweede lid, in artikel" ingevoegd.
Art. 36. Dans l'article 58 de la même loi, les mots "3, 49°, alinéa 2, à l'article" sont insérés entre les mots "à l'article" et les mots "6, alinéa 2".
Art. 37. In artikel 59 van dezelfde wet worden de woorden "en artikel 43" vervangen door de woorden ", artikel 43, artikel 62/1, artikel 64, en artikel 67/1".
Art. 37. Dans l'article 59 de la même loi, les mots "et à l'article 43" sont remplacés par les mots "à l'article 43, à l'article 62/1, à l'article 64, et à l'article 67/1".
Art. 38. In titel 2, hoofdstuk 11, van dezelfde wet wordt een afdeling VIII ingevoegd, met als opschrift:
  "Afdeling VIII. Permanente veilige havens".
Art. 38. Dans le titre 2, chapitre 11 de la même loi, il est inséré une section VIII, intitulée :
  "Section VIII. Régimes de protection permanents".
Art. 39. In titel 2, hoofdstuk 11 afdeling VIII, van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 38, wordt een artikel 62/1 ingevoegd, luidende:
  "Art. 62/1. In afwijking van de artikelen 21 tot 24 en artikel 26 wordt bij de keuze van de indienende groepsentiteit de verschuldigde bijheffing voor de in een jurisdictie gevestigde groepsentiteiten geacht gelijk te zijn aan nul wanneer in die jurisdictie een gekwalificeerde binnenlandse bijheffing geldt in de zin van artikel 3, 28°. "
Art. 39. Dans le titre 2, chapitre 11, section VIII, de la même loi, insérée par l'article 38, il est inséré un article 62/1, rédigé comme suit :
  "Art. 62/1. Par dérogation aux articles 21 à 24 et à l'article 26, l'entité constitutive déclarante peut exercer une option selon laquelle l'impôt complémentaire dû pour les entités constitutives établies dans une juridiction est réputé égal à zéro lorsqu'un impôt national complémentaire qualifié au sens de l'article 3, 28°, s'applique dans cette juridiction."
Art. 40. In titel 2, hoofdstuk 11, afdeling VIII, van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 38, wordt een artikel 62/2 ingevoegd, luidende:
  "Art. 62/2. Bij de keuze van de indienende groepsentiteit overeenkomstig artikel 59, wordt met betrekking tot een niet materiële groepsentiteit:
  - het bedrag van het kwalificerende inkomen of verlies gelijkgesteld met het totaal aan opbrengsten van die groepsentiteit zoals die blijken uit het betreffende landenrapport;
  - het bedrag van de kwalificerende opbrengsten gelijkgesteld met het totaal aan opbrengsten van die groepsentiteit zoals die blijken uit het betreffende landenrapport;
  - het bedrag van de aangepaste betrokken belastingen gelijkgesteld met het bedrag van verschuldigde inkomstenbelastingen van het huidig jaar zoals dat blijkt uit het betreffende landenrapport.
  Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
  - niet-materiële groepsentiteit: een groepsentiteit die enkel op grond van haar beperkte omvang of op grond van materialiteit, niet is opgenomen in die geconsolideerde jaarrekening op voorwaarde dat:
  1° de geconsolideerde jaarrekening is opgesteld overeenkomstig artikel 3, 6°, a) of c);
  2° de geconsolideerde jaarrekening aan een externe audit onderworpen is; en dat
  3° in het geval van een entiteit met een totaal aan opbrengsten van meer dan 50 miljoen euro, de financiële rekeningen die worden gebruikt om het betreffende landenrapport te voltooien opgesteld worden in overeenstemming met een aanvaardbare standaard voor financiële verslaglegging of een goedgekeurde standaard voor financiële verslaglegging.
  - betreffende landenrapport: het landenrapport van de MNO-groep opgesteld overeenkomstig de vereisten bedoeld in artikel 321/1, 15°, van het Wetboek van de Inkomstenbelasting 1992."
Art. 40. Dans le titre 2, chapitre 11, section VIII, de la même loi, insérée par l'article 38, il est inséré un article 62/2, rédigé comme suit :
  "Art. 62/2. L'entité constitutive déclarante peut exercer une option, conformément à l'article 59, selon laquelle, en ce qui concerne une entité constitutive non matérielle :
  - le montant du bénéfice ou de la perte admissible est égal aux produits totaux de l'entité constitutive, tel qu'ils figurent dans la déclaration pays par pays concernée ;
  - le montant de chiffre d'affaires admissible est égal aux produits totaux de l'entité constitutive, telles qu'ils figurent dans la déclaration pays par pays concernée ;
  - le montant ajusté des impôts concernés est égal au montant des impôts sur les revenus encore dus de l'année en cours, tel qu'il figure dans la déclaration pays par pays concernée.
  Aux fins du présent article, il y a lieu d'entendre par :
  - entité constitutive non matérielle : une entité constitutive qui, uniquement pour des raison de taille ou de matérialité, n'est pas reprise dans ces états financiers consolidés, à condition que :
  1° les états financiers consolidés aient été établis conformément à l'article 3, 6°, a) ou c) ;
  2° les états financiers consolidés fassent l'objet d'un audit externe ; et que
  3° dans le cas d'une entité dont les produits totaux sont supérieurs à 50 millions d'euros, les états financiers utilisés pour compléter la déclaration pays par pays concernée soient établis conformément à une norme de comptabilité financière admissible ou à une norme de comptabilité financière agréée.
  - déclaration pays par pays concernée : la déclaration pays par pays concernée du groupe d'EMN préparée conformément aux exigences visées à l'article 321/1, 15°, du Code des impôts sur les revenus de 1992."
Art. 41. In artikel 63 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in de bepaling onder 2° worden de woorden "met gebruikmaking van gekwalificeerde financiële verslaglegging" vervangen door de woorden "met gebruikmaking van per jurisdictie consistente gekwalificeerde financiële verslaglegging";
  2° in de bepaling onder 4°, eerste lid, worden de woorden "waarbij uitgaven of verliezen met betrekking tot hybride arbitrage regelingen worden uitgesloten" ingevoegd tussen de woorden "de winst (het verlies)" en de woorden "van een MNO-groep";
  3° de bepaling onder 5° wordt aangevuld met de woorden "alsook na aftrek van de lasten uit hoofde van winstbelastingen met betrekking tot hybride arbitrage regelingen";
  4° het artikel wordt aangevuld met een bepaling onder 9°, luidende:
  "9° hybride arbitrage regelingen: alle handelingen die een groepsentiteit aangaat na 18 december 2023 en die betrekking hebben op, of leiden tot:
  - een aftrek bij een groepsentiteit zonder dat daarvoor een evenredige stijging van het inkomen ontstaat bij de tegenpartij;
  - een dubbele erkenning van een verlies of uitgave voor zover dat verlies of die uitgave zowel is opgenomen bij éen groepsentiteit als bij een andere groepsentiteit, al dan niet in een andere jurisdictie gevestigd; of
  - een opname van lasten uit hoofde van winstbelastingen bij meerdere groepsentiteiten in de aangepaste betrokken belasting of het vereenvoudigd effectief belastingtarief tenzij er een evenredige opname van inkomen onderworpen aan belasting bij de groepsentiteiten plaatsvindt."
Art. 41. A l'article 63 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au 2°, les mots "au moyen d'une comptabilité financière qualifiée" sont remplacés par les mots "au moyen d'une comptabilité financière qualifiée cohérente par juridiction" ;
  2° au 4°, alinéa 1er, les mots "dont les dépenses ou pertes relatives aux régimes d'arbitrage hybrides sont exclues" sont insérés entre les mots "le bénéfice (la perte)" et les mots "d'un groupe d'EMN" ;
  3° le 5° est complété par les mots "ainsi qu'après déduction des charges résultant des impôts sur les bénéfices relatifs aux régimes d'arbitrage hybrides" ;
  4° l'article est complété par un 9°, rédigé comme suit :
  "9° régimes d'arbitrage hybrides : toute opération impliquant une entité constitutive après le 18 décembre 2023 et qui est relative à, ou entraîne :
  - une déduction dans le chef d'une entité constitutive sans qu'il existe pour celle-ci une augmentation proportionnelle des revenus dans le chef de la contrepartie ;
  - une double comptabilisation d'une perte ou de dépenses pour autant que cette perte ou ces dépenses soient bien reprises dans le chef d'une entité constitutive comme dans le chef d'une autre entité constitutive, établie ou non dans une autre juridiction ; ou
  - une comptabilisation de charges résultant des impôts sur les bénéfices dans le chef de plusieurs entités constitutives dans le montant ajusté des impôts concernés ou le taux effectif d'imposition simplifié, à moins qu'il y ait une reprise proportionnelle des revenus assujettis à l'impôt dans le chef des entités constitutives."
Art. 42. In titel 2, hoofdstuk 12, afdeling 1, van dezelfde wet wordt een artikel 64/1 ingevoegd, luidende:
  "Art. 64/1. In afwijking van artikel 36 wordt bij de keuze van de indienende groepsentiteit het bedrag van de UTPR-bijheffing geacht gelijk aan nul te zijn gedurende een verslagjaar dat aanvangt voor 1 januari 2026 en afsluit voor 31 december 2026 indien de uiteindelijke moederentiteit gevestigd is in een jurisdictie waarvan het nominale tarief van de vennootschapsbelasting minstens 20 pct. bedraagt."
Art. 42. Dans le titre 2, chapitre 12, section 1re, de la même loi, il est inséré un article 64/1, rédigé comme suit :
  "Art. 64/1. Par dérogation à l'article 36, l'entité constitutive déclarante peut exercer une option selon laquelle le montant de l'impôt complémentaire pour la RBII est réputé égal à zéro au cours d'une année fiscale commençant avant le 1er janvier 2026 et se clôturant avant le 31 décembre 2026 si l'entité mère ultime est établie dans une juridiction dont le taux nominal de l'impôt des sociétés est d'au moins 20 p.c."
Art. 43. Artikel 65, § 1, tweede lid, van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
  "In afwijking van het eerste lid is het overgangsjaar voor een jurisdictie het eerste verslagjaar waarin een MNO-groep of een omvangrijke binnenlandse groep met betrekking tot die jurisdictie niet langer de in artikel 64, § 1, bedoelde keuze uitoefent, of niet of niet langer voldoet aan één van de voorwaarden van dat artikel."
Art. 43. L'article 65, § 1er, alinéa 2, de la même loi, est remplacé par ce qui suit :
  "Par dérogation à l'alinéa 1er, l'année de transition est, pour une juridiction, la première année fiscale au cours de laquelle un groupe d'EMN ou un groupe national de grande envergure n'exerce plus l'option visée à l'article 64, § 1er, ou ne satisfait pas, ou ne satisfait plus, à une des conditions dudit article en ce qui concerne cette juridiction."
Art. 44. In artikel 67 van dezelfde wet worden de paragrafen 1 en 2 vervangen als volgt:
  "Art. 67. § 1. De bijheffing die verschuldigd is door een in België gevestigde uiteindelijke moederentiteit overeenkomstig artikel 31, § 1, 1°, of door een in België gevestigde tussenliggende moederentiteit overeenkomstig artikel 31, § 1, 2°, indien de uiteindelijke moederentiteit een uitgesloten entiteit is, ter zake van zichzelf en de in België gevestigde groepsentiteiten, wordt tot nul verminderd:
  1° in de eerste vijf jaar van het beginstadium van de internationale activiteit van de MNO-groep, niettegenstaande de vereisten van hoofdstuk 5;
  2° in de eerste vijf jaar, met ingang van de eerste dag van het verslagjaar waarin de omvangrijke binnenlandse groep voor het eerst onder de toepassing van deze wet valt.
  § 2. De overeenkomstig artikel 36, § 2, door een in België gevestigde groepsentiteit verschuldigde bijheffing wordt tot nul verminderd in de eerste vijf jaar van het beginstadium van de internationale activiteit van de MNO-groep, niettegenstaande de vereisten van hoofdstuk 5.".
Art. 44. Dans l'article 67 de la même loi, les paragraphes 1er et 2 sont remplacés par ce qui suit :
  "Art. 67. § 1er. L'impôt complémentaire dû par une entité mère ultime établie en Belgique conformément à l'article 31, § 1er, 1°, ou par une entité mère intermédiaire établie en Belgique conformément à l'article 31, § 1er, 2°, lorsque l'entité mère ultime est une entité exclue, à son égard et à l'égard de ses entités constitutives qui sont établies dans Belgique est ramené à zéro :
  1° au cours des cinq premières années de la phase de démarrage des activités internationales du groupe d'EMN, nonobstant les obligations énoncées au chapitre 5 ;
  2° au cours des cinq premières années, à compter du premier jour de l'année fiscale durant laquelle le groupe national de grande envergure entre pour la première fois dans le champ d'application de la présente loi.
  § 2. L'impôt complémentaire dû par une entité constitutive établie en Belgique conformément à l'article 36, § 2, est ramené à zéro au cours des cinq premières années de la phase de démarrage des activités internationales du groupe d'EMN, nonobstant les obligations énoncées au chapitre 5.".
Art. 45. In titel 2, hoofdstuk 12, afdeling 2, van dezelfde wet, wordt een artikel 67/1 ingevoegd, luidende:
  "Art. 67/1. § 1. In afwijking van artikel 19, § 3, wordt het bedrag van de betrokken belasting in het kader van een fiscaal regime inzake gecontroleerde buitenlandse vennootschappen toegerekend volgens een formule waarbij de samengevoegde gecontroleerde buitenlandse vennootschappen allocatiesleutel gedeeld wordt door de som van alle samengevoegde gecontroleerde buitenlandse vennootschappen allocatiesleutels en vervolgens vermenigvuldigd wordt met het toe te rekenen bedrag aan betrokken belasting in het kader van een fiscaal regime inzake gecontroleerde buitenlandse vennootschappen.
  Voor de toepassing van het eerste lid wordt verstaan onder samengevoegde gecontroleerde buitenlandse vennootschappen allocatiesleutel: het bedrag van aan de entiteit toerekenbaar inkomen vermenigvuldigd met het verschil tussen het toepasbaar tarief en het effectief belastingtarief van de jurisdictie.
  Voor de toepassing van het tweede lid wordt verstaan onder:
  - toerekenbaar inkomen: het evenredig aandeel van de eigenaar van de groepsentiteit in het inkomen van de gecontroleerde buitenlandse vennootschap in de jurisdictie waar de groepsentiteit gevestigd is voor doeleinden van het belastingregime van samengevoegde gecontroleerde buitenlandse vennootschappen;
  - toepasbaar tarief: de drempel voor de kwalificatie als lage belasting, om opgenomen te worden onder een belastingregime van samengevoegde gecontroleerde buitenlandse vennootschappen;
  - effectief belastingtarief van de jurisdictie: het belastingtarief voor de jurisdictie bepaald overeenkomstig artikel 21 waarbij van de aangepaste betrokken belasting het bedrag dat zou worden toegerekend overeenkomstig artikel 19, § 3, wordt afgetrokken.
  Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder belastingregime van samengevoegde gecontroleerde buitenlandse vennootschappen: fiscaal regime inzake gecontroleerde buitenlandse vennootschappen waarin inkomsten, verliezen en verrekenbare belastingen van alle gecontroleerde buitenlandse vennootschappen worden samengevoegd ten behoeve van de berekening van de belastingverplichting van de aandeelhouder onder het regime en dat een toepasselijk tarief heeft van minder dan 15 pct.
  § 2. Paragraaf 1 is van toepassing voor zover het verslagjaar begonnen is voor 1 januari 2026 of niet wordt afgesloten na 30 juni 2027."
Art. 45. Dans le titre 2, chapitre 12, section 2, de la même loi, il est inséré un article 67/1, rédigé comme suit :
  "Art. 67/1. § 1er. Par dérogation à l'article 19, § 3, le montant de l'impôt concerné par un régime fiscal des sociétés étrangères contrôlées est réparti selon une formule selon laquelle la clé de répartition des sociétés étrangères contrôlées agrégées est divisée par la somme de toutes les clés de répartition des sociétés étrangères contrôlées agrégées, puis multipliée par le montant de l'impôt concerné à répartir dans le cadre d'un régime fiscal des sociétés étrangères contrôlées.
  Aux fins de l'alinéa 1er, il est entendu par clé de répartition des sociétés étrangères contrôlées agrégées : le montant du revenu attribuable à l'entité multiplié par la différence entre le taux applicable et le taux effectif d'imposition de la juridiction.
  Aux fins de l'alinéa 2, il y a lieu d'entendre par :
  - revenu attribuable : la part proportionnelle du propriétaire de l'entité constitutive dans le revenu de la société étrangère contrôlée dans la juridiction où l'entité constitutive est établie aux fins du régime fiscal des sociétés étrangères contrôlées agrégées ;
  - taux applicable : le seuil de la qualification de faible imposition, à reprendre dans un régime fiscal de sociétés étrangères contrôlées agrégées ;
  - taux effectif d'imposition de la juridiction : le taux d'imposition de la juridiction déterminé conformément à l'article 21, en vertu duquel le montant qui serait affecté conformément à l'article 19, § 3, est déduit du montant ajusté des impôts concernés.
  Aux fins du présent article, on entend par régime fiscal des sociétés étrangères contrôlées agrégées: un régime fiscal des sociétés étrangères contrôlées dans lequel les revenus, les pertes et les impôts imputables de toutes les sociétés étrangères contrôlées sont agrégés aux fins du calcul de l'impôt dû par l'actionnaire au titre du régime et dont le taux applicable est inférieur à 15 p.c.
  § 2. Le paragraphe 1er s'applique pour autant que l'année fiscale ait commencé avant le 1er janvier 2026 ou ne soit pas clôturée après le 30 juin 2027."
Art. 46. Dit hoofdstuk is van toepassing op verslagjaren beginnend vanaf 31 december 2023.
  Artikel 29 heeft uitwerking met ingang van op 31 december 2023.
Art. 46. Le présent chapitre est applicable aux années fiscales commençant à partir du 31 décembre 2023.
  L'article 29 produit ses effets le 31 décembre 2023.
HOOFDSTUK 4. - Fiscaal regime voor de verdeling van papieren publicaties
CHAPITRE 4. - Régime fiscal applicable à la distribution de publications papier
Art. 47. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
  1° zelfstandige dagbladhandel: een vestigingseenheid die een persaanbod aanbiedt van minstens 200 verschillende titels van kranten, week- en maandbladen met een actuele verschijningsdatum en die, op de eerste dag van het belastbaar tijdperk waarin de verhoogde kostenaftrek bedoeld in artikel 48, wordt toegepast, een gereserveerde ruimte van minimum 50 pct. van de totale oppervlakte van de winkel heeft voor het tentoonstellen van deze bladen en de volgende productengroepen: boeken, schrijfwaren, kaarten, tabaksproducten en aanverwanten, elektronische sigaretten en producten op basis van nicotine, producten van de Nationale Loterij en sportweddenschappen;
  2° kosten voor de levering: de kosten die door de zelfstandige dagbladhandels zijn gedaan of gedragen voor de leveringen van papieren kranten en tijdschriften bestemd voor rechtstreekse doorverkoop in de kleinhandel; voor de toepassing van dit hoofdstuk is als rechtstreekse doorverkoop in de kleinhandel te beschouwen de verkoop bij detaillisten wier beroepswerkzaamheid hoofdzakelijk bestaat in de verkoop van kranten en periodieken;
  3° verdeelkostprijzen: de bedragen die de uitgevers moeten betalen voor het leveren van papieren publicaties, inclusief btw;
  4° dunbevolkt gewest: gewestelijk grondgebied met een bevolkingsdichtheid van maximaal 250 inwoners per km2 op 1 januari van het betreffende kalenderjaar;
  5° gemiddeld bevolkt gewest: een gewestelijk grondgebied met een bevolkingsdichtheid van meer dan 250 en maximaal 5.000 inwoners per km2 op 1 januari van het betreffende kalenderjaar;
  6° Wetboek: het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
Art. 47. Pour l'application du présent chapitre, on entend par :
  1° librairie de presse indépendante : une unité d'établissement qui propose une offre de presse de minimum 200 titres différents de journaux, hebdomadaires et mensuels avec une date de publication actuelle et dont l'espace réservé à l'exposition de cette presse et aux groupes de produits suivants : livre, papeterie, carterie, produits du tabac et accessoires, cigarettes électroniques et produits dérivés à base de nicotine, les produits de la Loterie Nationale et paris sportifs, par rapport à la superficie totale du magasin, est de minimum 50 p.c. le premier jour de la période imposable au cours de laquelle la déduction de frais majorée visée à l'article 48 est appliquée ;
  2° frais de port : les frais faits ou supportés par les librairies de presse indépendantes pour l'approvisionnement en journaux et écrits périodiques papier destinés à la revente directe au détail ; pour l'application du présent chapitre, on entend par revente directe au détail, la vente par des détaillants dont l'activité principale consiste dans la vente de journaux et écrits périodiques ;
  3° coûts de distribution : les montants, T.V.A. comprise, que les éditeurs doivent payer pour la livraison des publications papier ;
  4° région peu peuplée : territoire régional dont la densité de population est de maximum 250 habitants par km2 au 1er janvier de l'année civile concernée ;
  5° région moyennement peuplée : territoires régionaux ayant une densité de population comprise entre 250 et 5.000 habitants par km2 au 1er janvier de l'année civile concernée ;
  6 ° Code : le Code des impôts sur les revenus 1992.
Art. 48. Onverminderd artikel 49 van het Wetboek, en in afwijking van de artikelen 183 en 235 van het Wetboek, zijn de kosten voor de levering die worden gedaan of gedragen in de loop van de kalenderjaren 2024 tot 2026 door zelfstandige dagbladhandels, ten belope van 180 pct. aftrekbaar.
Art. 48. Sans préjudice de l'article 49 du Code, et par dérogation aux articles 183 et 235 du Code, les frais de ports faits ou supportés par les librairies de presse indépendantes au cours des années civiles 2024 à 2026 sont déductibles à concurrence de 180 p.c.
Art. 49. § 1. Er wordt een verrekenbaar en terugbetaalbaar belastingkrediet verleend aan de belastingplichtigen die uitgever zijn van papieren publicaties waarvoor ze verdeelkosten ten laste nemen gedurende de kalenderjaren 2024 tot 2026 en onderworpen zijn aan:
  - de personenbelasting of belasting van niet-inwoners bedoeld in artikel 227, 1°, van het Wetboek;
  - de rechtspersonenbelasting of de belasting van niet-inwoners bedoeld in artikel 227, 3°, van het Wetboek.
  § 2. Het in paragraaf 1 bedoelde belastingkrediet wordt verleend ten belope van de behoorlijk verantwoorde bijkomende verdeelkostprijs gedaan of gedragen in respectievelijk 2024, 2025 of 2026 ten opzichte van de kosten gedaan of gedragen in 2023 in hoofde van de uitgever voor de verdeling van papieren publicaties.
  De in het eerste lid bedoelde bijkomende verdeelkostprijs heeft uitsluitend betrekking op het geheel of een deel van de werkelijk door de uitgever ten laste genomen verdeelkostprijs.
  § 3. Het in paragraaf 1 vermelde belastingkrediet wordt enkel toegekend voor de bijkomende verdeelkostprijzen voor de levering van papieren publicaties op papier bij de abonnee.
  § 4. In afwijking van de artikelen 49, 66 en 235, van het Wetboek, is de bijkomende verdeelkostprijs waarvoor het in dit artikel bedoelde belastingkrediet wordt verleend, niet als beroepskost aftrekbaar.
  § 5. Het belastingkrediet wordt volledig met de in de paragraaf 1 bedoelde belastingen verrekend en het eventuele saldo wordt terugbetaald indien het tenminste 2,50 euro bedraagt.
  Voor Rijksinwoners wordt het in dit hoofdstuk bedoelde belastingkrediet tevens verrekend met de in titel VIII van hetzelfde Wetboek bedoelde aanvullende belastingen op de personenbelasting.
Art. 49. § 1er. Un crédit d'impôt imputable et remboursable est octroyé aux contribuables qui sont des éditeurs de publications papier dont il prend en charge des frais de distribution au cours des années civiles 2024 à 2026 et qui sont assujettis à :
  - l'impôt des personnes physiques ou à l'impôt des non-résidents visé à l'article 227, 1°, du Code ;
  - l'impôt des personnes morales ou à l'impôt des non-résidents visé à l'article 227, 3°, du Code.
  § 2. Le crédit d'impôt visé au paragraphe 1er est accordé à hauteur du surcoût de distribution fait ou supporté respectivement en 2024, 2025 ou 2026 et dûment justifié par rapport au coût fait ou supporté en 2023 dans le chef de l'éditeur pour la distribution de publications papier.
  Le surcoût de distribution visé à l'alinéa 1er porte exclusivement sur tout ou partie du coût de distribution effectivement pris en charge par l'éditeur.
  § 3. Le crédit d'impôt visé au paragraphe 1er, est uniquement octroyé pour les surcoûts de distribution se rapportant à la livraison de publications papier sur papier aux abonnés.
  § 4. Par dérogation aux articles 49, 66 et 235, du Code, le surcoût de distribution pour lequel le crédit d'impôt visé au présent article est accordé n'est pas déductible à titre de frais professionnels.
  § 5. Le crédit d'impôt est imputé intégralement sur les impôts visés au paragraphe 1er et le solde éventuel est restitué pour autant qu'il atteigne 2,50 euros.
  Pour les habitants du Royaume, le crédit d'impôt visé au présent chapitre est également imputé sur les taxes additionnelles à l'impôt des personnes physiques visées au titre VIII du Code.
Art. 50. § 1. Er wordt een verrekenbaar en terugbetaalbaar belastingkrediet verleend aan de belastingplichtigen die uitgever zijn van papieren kranten en/of tijdschriften waarvoor ze verdeelkosten ten laste nemen gedurende de kalenderjaren 2024 tot 2026 en die onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting of de belasting van niet-inwoners bedoeld in artikel 227, 2°, van het Wetboek.
  § 2. Het in paragraaf 1 bedoelde belastingkrediet wordt verleend ten belope van:
  1° het gedeelte van de verdeelkostprijzen per publicatie tussen 0,30 euro en [1 0,73]1 euro voor verdelingen van kranten in een dunbevolkt gewest;
  2° het gedeelte van de verdeelkostprijzen per publicatie tussen 0,40 euro en [1 0,55]1 euro voor verdelingen van kranten in een gemiddeld bevolkt gewest;
  3° het gedeelte van de verdeelkostprijzen per publicatie tussen 0,40 euro en 0,50 euro voor verdelingen van magazines in een dunbevolkt gewest of gemiddeld bevolkt gewest.
  De in het eerste lid bedoelde verdeelkostprijs heeft uitsluitend betrekking op het geheel of een deel van de werkelijk door de uitgever ten laste genomen verdeelkostprijs.
  § 3. Het in paragraaf 1 vermelde belastingkrediet kan enkel worden toegekend wanneer aan alle onderstaande voorwaarden is voldaan:
  1° het belastingkrediet wordt enkel toegekend voor de verdeelkostprijzen voor de levering van kranten en tijdschriften op papier bij de abonnee;
  2° met betrekking tot tijdschriften wordt het belastingkrediet enkel toegekend voor tijdschriften die niet uitsluitend of hoofdzakelijk bestaan uit reclamemateriaal;
  § 4. In afwijking van de artikelen 49, 66, 183 en 235, van het Wetboek, is de verdeelkostprijs waarvoor het in dit artikel bedoelde belastingkrediet wordt verleend, niet als beroepskost aftrekbaar.
  § 5. Het belastingkrediet wordt volledig met de vennootschapsbelasting of met de belasting van niet-inwoners voor de in artikel 227, 2°, van hetzelfde Wetboek vermelde niet-inwoners verrekend en het eventuele saldo wordt terugbetaald indien het tenminste 2,50 euro bedraagt.
  
Art. 50. § 1er. Un crédit d'impôt imputable et remboursable est octroyé aux contribuables qui sont des éditeurs de journaux et/ou d'écrits périodiques dont ils prennent en charge des frais de distribution au cours des années civiles 2024 à 2026 et qui sont assujettis à l'impôt des sociétés ou à l'impôt des non-résidents visé à l'article 227, 2°, du Code.
  § 2. Le crédit d'impôt visé au paragraphe 1er est accordé à hauteur de :
  1° la part des coûts de distribution par publication comprise entre 0,30 euro et [1 0,73]1 euro pour les diffusions de journaux dans une région peu peuplée ;
  2° la part des coûts de distribution par publication comprise entre 0,40 euro et [1 0,55]1 euro pour les diffusions de journaux dans une région moyennement peuplée ;
  3° la part des coûts de distribution par publication comprise entre 0,40 euro et 0,50 euro pour les diffusions de magazines dans une région peu peuplée ou une région moyennement peuplée.
  Le coût de distribution visé à l'alinéa 1er porte exclusivement sur tout ou partie du coût de distribution effectivement pris en charge par l'éditeur.
  § 3. Le crédit d'impôt visé au paragraphe 1er, ne peut être octroyé que si toutes les conditions suivantes sont respectées :
  1° le crédit d'impôt est uniquement octroyé pour les surcoûts de distribution se rapportant à la livraison de journaux et d'écrits périodiques sur papier aux abonnés ;
  2° en ce qui concerne les magazines, le crédit d'impôt n'est accordé que pour les magazines qui ne sont pas entièrement ou d'une manière prédominante consacrés à la publicité ;
  § 4. Par dérogation aux articles 49, 66, 183 et 235, du Code, le coût de distribution pour lequel le crédit d'impôt visé au présent article est accordé n'est pas déductible au titre de frais professionnels.
  § 5. Le crédit d'impôt est imputé intégralement sur l'impôt des sociétés ou sur l'impôt des non-résidents pour les contribuables visés à l'article 227, 2°, du même Code, et le solde éventuel est restitué pour autant qu'il atteigne 2,50 euros.
  
Art. 51. In artikel 50, § 2, van deze wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het bedrag "0,79" wordt vervangen door het bedrag "0,73";
  2° het bedrag "0,57" wordt vervangen door het bedrag "0,55".
Art. 51. Dans l'article 50, § 2, de la présente loi, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le montant "0,79" est remplacé par le montant "0,73" ;
  2° le montant "0,57" est remplacé par le montant "0,55".
Art. 52. Het in dit hoofdstuk bedoelde belastingkrediet wordt:
  1° voor de toepassing van artikel 158 van het Wetboek aangemerkt als een belastingkrediet dat betrekking heeft op de in dat artikel vermelde inkomsten;
  2° voor de toepassing van artikel 245, eerste lid, van het Wetboek gelijkgesteld met het in artikel 289ter van hetzelfde Wetboek bedoelde belastingkrediet;
  3° voor de toepassing van artikel 413/1, § 1, tweede lid, eerste en derde streepje, van het Wetboek gelijkgesteld met het in artikel 289ter van hetzelfde Wetboek bedoelde belastingkrediet;
  4° voor de toepassing van artikel 413/1, § 1, tweede lid, tweede en vierde streepje, van het Wetboek gelijkgesteld met de in de artikelen 289quater tot 295 van hetzelfde Wetboek bedoelde voorafbetalingen, voorheffingen en andere elementen.
Art. 52. Le crédit d'impôt visé au présent chapitre est :
  1° pour l'application de l'article 158 du Code, considéré comme un crédit d'impôt qui se rattache aux revenus mentionnés audit article ;
  2° pour l'application de l'article 245, alinéa 1er, du Code, assimilé au crédit d'impôt visé à l'article 289ter du même Code ;
  3° pour l'application de l'article 413/1, § 1er, alinéa 2, premier et troisième tirets, du Code, assimilé au crédit d'impôt visé à l'article 289ter du même Code ;
  4° pour l'application de l'article 413/1, § 1er, alinéa 2, deuxième et quatrième tirets, du Code, assimilé aux versements anticipés, aux précomptes, et aux autres éléments visés aux articles 289quater à 295 du même Code.
Art. 53. De bepalingen van de artikelen 47 tot 52 worden voor de toepassing van artikel 344, § 1, van het Wetboek gelijkgesteld met bepalingen van hetzelfde Wetboek.
Art. 53. Pour l'application de l'article 344, § 1er, du Code, les dispositions des articles 47 à 52 sont assimilées à des dispositions du même Code.
Art. 54. De Koning kan de nadere regels vastleggen voor het leveren van het bewijs dat aan de voorwaarden voor de toepassing van het in dit hoofdstuk bedoelde belastingkrediet is voldaan.
Art. 54. Le Roi peut déterminer les modalités d'administration de la preuve qu'il est satisfait aux conditions d'application du crédit d'impôt visé au présent chapitre.
Art. 55. De artikelen 47 tot 50 en 52 tot 54 treden in werking op 1 januari 2024 en zijn van toepassing op de kosten voor de levering die worden gedaan of gedragen in de loop van 1 januari 2024 tot 31 december 2026 en de verdeelkostprijzen die worden gedaan of gedragen in de loop van 1 juli 2024 tot 31 december 2026.
  Artikel 51 treedt in werking op 1 januari 2026 en is van toepassing op de kosten voor de levering die worden gedaan of gedragen in de loop van 1 januari 2026 tot 31 december 2026 en de verdeelkostprijzen die worden gedaan of gedragen in de loop van 1 januari 2026 tot 31 december 2026.
Art. 55. Les articles 47 à 50 et 52 à 54 entrent en vigueur le 1er janvier 2024 et s'appliquent aux frais de ports faits ou supportés à partir du 1er janvier 2024 au 31 décembre 2026 et aux coûts de distribution faits ou supportés à partir du 1er juillet 2024 au 31 décembre 2026.
  L'article 51 entre en vigueur le 1er janvier 2026 et s'applique aux frais de ports faits ou supportés à partir du 1er janvier 2026 au 31 décembre 2026 et aux coûts de distribution faits ou supportés à partir du 1er janvier 2026 jusqu'au 31 décembre 2026.
HOOFDSTUK 5. - Belastingkrediet voor de verhoging van de tussenkomst van de werkgever in een treinabonnement
CHAPITRE 5. - Crédit d'impôt pour l'augmentation de l'intervention de l'employeur dans un abonnement de train
Art. 56. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
  1° treinabonnement: een vervoersbewijs op naam voor verplaatsingen met de trein dat in hoofdzaak is ontworpen voor verplaatsingen tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling en geldig is voor de verplaatsingen tussen een bepaalde vertrek- en aankomstplaats. Een gecombineerd of geïntegreerd vervoerbewijs voor meerdere vervoersmiddelen waaronder de trein wordt gelijkgesteld met een treinabonnement voor het gedeelte dat op de trein betrekking heeft;
  2° referentie-abonnement: een treinabonnement voor de duur van een jaar in tweede klasse;
  3° tussenkomst van de werkgever: de tussenkomst in een treinabonnement die bij toepassing van artikel 38, § 1, eerste lid, 9°, a, van het Wetboek is vrijgesteld van inkomstenbelastingen, desgevallend beperkt tot de tussenkomst die zou verschuldigd zijn voor een treinabonnement voor dezelfde periode/duur en dezelfde afstand in tweede klasse;
  4° referentietussenkomst van de werkgever: het percentage dat de verhouding weergeeft tussen, enerzijds, de tussenkomst van de werkgever in een referentie-abonnement zoals opgelegd door een collectieve of individuele arbeidsovereenkomst of een arbeidsreglement op 31 december 2023, en anderzijds, de prijs van een referentie-abonnement op diezelfde datum; dit percentage wordt afgerond op de hogere of lagere tweede decimaal naargelang het cijfer van de derde decimaal al dan niet 5 bereikt;
  5° verhoogde tussenkomst van de werkgever: het percentage dat de verhouding weergeeft tussen, enerzijds, de tussenkomst van de werkgever in een treinabonnement zoals opgelegd door een collectieve of individuele arbeidsovereenkomst op de datum van de betaling of toekenning van de tussenkomst van de werkgever en, anderzijds, de prijs van het referentie-abonnement voor dezelfde afstand op diezelfde datum; dit percentage wordt afgerond op de hogere of lagere tweede decimaal naargelang het cijfer van de derde decimaal al dan niet 5 bereikt;
  6° verhogingspercentage: het percentage gelijk aan het verschil tussen de referentietussenkomst van de werkgever, met een minimum van 59,57 pct., en de verhoogde tussenkomst van de werkgever; dit percentage wordt desgevallend beperkt tot 7,5 p.c.t.;
  7° Wetboek: het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
Art. 56. Pour l'application du présent chapitre, on entend par :
  1° abonnement de train : un titre de transport nominatif pour les trajets en train conçu principalement pour les déplacements entre le domicile et le lieu de travail et qui est valable pour les trajets entre un point de départ et d'arrivée déterminé. Un titre de transport combiné ou intégré pour plusieurs moyens de transport dont le train, est assimilé à un abonnement de train pour la partie relative au train ;
  2° abonnement de référence : un abonnement de train pour une durée d'un an en deuxième classe ;
  3° intervention de l'employeur : l'intervention dans un abonnement de train qui est exonérée d'impôt sur les revenus en application de l'article 38, § 1er, alinéa 1er, 9°, a, du Code, le cas échéant, limitée à l'intervention qui serait due pour un abonnement de train pour la même période/durée et même distance en deuxième classe ;
  4° intervention de référence de l'employeur : le pourcentage qui exprime le rapport entre, d'une part, l'intervention de l'employeur dans l'abonnement de référence telle qu'imposée par une convention collective ou individuelle de travail ou règlement de travail au 31 décembre 2023 et, d'autre part, le prix d'un abonnement de référence à cette même date ; ce pourcentage est arrondi à la deuxième décimale supérieure ou inférieure selon que le chiffre de la troisième décimale atteint ou non 5 ;
  5° intervention majorée de l'employeur : le pourcentage qui exprime le rapport entre, d'une part, l'intervention de l'employeur dans un abonnement de train telle qu'imposée par une convention collective ou individuelle de travail à la date de paiement ou d'attribution de l'intervention de l'employeur et, d'autre part, le prix de l'abonnement de référence pour la même distance à cette même date ; ce pourcentage est arrondi à la deuxième décimale supérieure ou inférieure selon que le chiffre de la troisième décimale atteint ou non 5 ;
  6° pourcentage de majoration : le pourcentage égal à la différence entre l'intervention de référence de l'employeur, avec un minimum de 59,57 p.c. et l'intervention majorée de l'employeur ; le cas échéant, ce pourcentage est limité à 7,5 p.c. ;
  7 ° Code : le Code des impôts sur les revenus 1992.
Art. 57. § 1. Aan de belastingplichtigen die onderworpen zijn aan de personenbelasting, de vennootschapsbelasting, de rechtspersonenbelasting of de belasting van niet-inwoners en een werkgever zijn als bedoeld in het tweede lid, wordt onder de in het derde en vierde lid vermelde voorwaarden een belastingkrediet verleend voor de verhoging van de tussenkomst van de werkgever in een treinabonnement.
  Het in het eerste lid bedoelde belastingkrediet wordt verleend aan:
  1° de werkgevers die onderworpen zijn aan de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités;
  2° de volgende autonome overheidsbedrijven: de naamloze vennootschap van publiek recht Proximus en de naamloze vennootschap van publiek recht bpost;
  3° de naamloze vennootschap van publiek recht HR Rail met uitzondering van het door haar ter beschikking gesteld personeel aan de naamloze vennootschap van publiek recht NMBS en de naamloze vennootschap van publiek recht Infrabel in het kader van hun activiteiten van openbare dienstverlening.
  Het belastingkrediet wordt enkel verleend wanneer de verhoogde tussenkomst van de werkgever minstens 79,3 pct. bedraagt.
  Het belastingkrediet wordt:
  1° verleend voor zover de tussenkomst van de werkgever niet door derden wordt vergoed;
  2° niet verleend voor de tussenkomst van de werkgever in een treinabonnement waarvoor de derde betalersregeling als bedoeld in artikel 40 van het openbaredienstcontract gesloten tussen de Staat en de NMBS van toepassing is;
  3° niet verleend voor de tussenkomst van de werkgever die wordt betaald of toegekend aan een werknemer die van dezelfde werkgever een mobiliteitsbudget ontvangt met toepassing van de wet van 17 maart 2019 betreffende de invoering van een mobiliteitsbudget;
  4° niet verleend voor de tussenkomst van de werkgever die ten laste is van een buitenlandse inrichting van de belastingplichtige;
  5° wat de aan de belasting van niet-inwoners onderworpen belastingplichtigen betreft, enkel verleend voor de tussenkomst van de werkgever die, de toepassing van paragraaf 4 buiten beschouwing gelaten, drukt op de in België behaalde of verkregen inkomsten die aan één van de in het eerste lid vermelde belastingen zijn onderworpen;
  6° enkel verleend wanneer de tussenkomst van de werkgever is vastgelegd in een collectieve arbeidsovereenkomst, arbeidsreglement of individuele arbeidsovereenkomst en geldt zonder beperking in de tijd.
  § 2. Het bedrag van het belastingkrediet voor de verhoging van de tussenkomst van de werkgever in een treinabonnement is gelijk aan het product van:
  - het bedrag van de tussenkomst van de werkgever die in het betrokken belastbare tijdperk is betaald of toegekend, gedeeld door de verhoogde tussenkomst van de werkgever, en
  - het verhogingspercentage.
  § 3. Het belastingkrediet wordt verleend voor elk belastbaar tijdperk dat verbonden is met de aanslagjaren 2024, 2025, 2026, 2027 of 2028 voor de tussenkomsten van de werkgever die worden betaald of toegekend in de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2027.
  § 4. In afwijking van de artikelen 49, 183 en 235, van het Wetboek, is de tussenkomst van de werkgever in een treinabonnement ten belope van het bedrag van het belastingkrediet dat voor die tussenkomst wordt verleend, niet als beroepskost aftrekbaar.
Art. 57. § 1er. Aux contribuables assujettis à l'impôt des personnes physiques, l'impôt des sociétés, l'impôt des personnes morales ou à l'impôt des non-résidents qui sont des employeurs tels que visés à l'alinéa 2, il est octroyé, aux conditions prévues aux alinéas 3 et 4, un crédit d'impôt pour l'augmentation de l'intervention de l'employeur dans un abonnement de train.
  Le crédit d'impôt visé à l'alinéa 1er est octroyé:
  1° aux employeurs soumis à la loi du 5 décembre 1968 relative aux conventions collectives de travail et aux commissions paritaires ;
  2° aux entreprises publiques autonomes suivantes : la société anonyme de droit public Proximus et la société anonyme de droit public bpost ;
  3° à la société anonyme de droit public HR Rail à l'exception du personnel qu'elle met à la disposition de la société anonyme de droit public SNCB et de la société anonyme de droit public Infrabel dans le cadre de leurs activités de service public.
  Le crédit d'impôt n'est accordé que pour lorsque l'intervention majorée de l'employeur est d'au moins 79,3 p.c.
  Le crédit d'impôt :
  1° est octroyé pour autant que l'intervention de l'employeur ne soit pas compensée par des tiers ;
  2° n'est pas octroyé pour l'intervention de l'employeur dans un abonnement de train pour lequel le système de tiers payant tel que visé à l'article 40 du contrat de service public conclu entre l'Etat et la SNCB s'applique ;
  3° n'est pas octroyé pour l'intervention de l'employeur payée ou attribuée à un travailleur qui perçoit du même employeur un budget mobilité en application de la loi du 17 mars 2019 concernant l'instauration d'un budget mobilité ;
  4° n'est pas octroyé pour l'intervention de l'employeur qui est à charge d'un établissement étranger du contribuable ;
  5° pour ce qui concerne les contribuables assujettis à l'impôt des non-résidents, n'est octroyé que pour l'intervention qui, abstraction faite de l'application du paragraphe 4, grève les revenus produits ou recueillis en Belgique qui sont soumis à l'un des impôts visés à l'alinéa 1er ;
  6° n'est octroyé que si l'intervention de l'employeur est stipulée dans une convention collective de travail, d'un règlement de travail ou d'un contrat de travail individuel et pour autant qu'elle s'applique sans limitation dans le temps.
  § 2. Le montant du crédit d'impôt pour l'augmentation de l'intervention de l'employeur dans un abonnement de train est égal au produit:
  - du montant de l' intervention de l'employeur payée ou attribuée au cours de la période imposable concernée divisé par l'intervention majorée de l'employeur, et
  - du pourcentage de majoration.
  § 3. Le crédit d'impôt est octroyé pour chaque période imposable liée aux exercices d'imposition 2024, 2025, 2026, 2027 ou 2028 pour les interventions de l'employeurs payées ou accordées au cours de la période allant du 1er janvier 2024 au 31 décembre 2027.
  § 4. Par dérogation aux articles 49, 183 et 235, du Code, l'intervention de l'employeur dans un abonnement de train n'est pas déductible en tant que frais professionnels à concurrence du montant du crédit d'impôt qui est octroyé pour cette intervention.
Art. 58. § 1. Het in dit hoofdstuk bedoelde belastingkrediet wordt volledig met de personenbelasting, vennootschapsbelasting, rechtspersonenbelasting of belasting van niet-inwoners verrekend.
  Het belastingkrediet wordt tevens verrekend met de in titel VIII van het Wetboek bedoelde aanvullende belastingen op de personenbelasting.
  Het gedeelte van het belastingkrediet dat niet kan worden verrekend, wordt terugbetaald indien het tenminste 2,50 euro bedraagt.
  § 2. Het in dit hoofdstuk bedoelde belastingkrediet wordt:
  1° voor de toepassing van artikel 158 van het Wetboek aangemerkt als een belastingkrediet dat betrekking heeft op de in dat artikel vermelde inkomsten;
  2° voor de toepassing van artikel 245, eerste lid, van het Wetboek gelijkgesteld met het in artikel 289ter van het Wetboek bedoelde belastingkrediet;
  3° voor de toepassing van artikel 413/1, § 1, tweede lid, eerste en derde streepje, van het Wetboek gelijkgesteld met het in artikel 289ter van het Wetboek bedoelde belastingkrediet;
  4° voor de toepassing van artikel 413/1, § 1, tweede lid, tweede en vierde streepje, van het Wetboek gelijkgesteld met de in de artikelen 289quater tot 295 van het Wetboek bedoelde voorafbetalingen, voorheffingen en andere elementen.
Art. 58. § 1er. Le crédit d'impôt visé au présent chapitre est imputé intégralement sur l'impôt des personnes physiques, l'impôt des sociétés, l'impôt des personnes morales ou l'impôt des non-résidents.
  Le crédit d'impôt est également imputé sur les taxes additionnelles à l'impôt des personnes physiques visées au titre VIII du Code.
  La partie du crédit d'impôt qui ne peut pas être imputée, est restituée pour autant que cette partie atteigne 2,50 euros.
  § 2. Le crédit d'impôt visé au présent chapitre est :
  1° pour l'application de l'article 158 du Code, considéré comme un crédit d'impôt qui se rattache aux revenus mentionnés audit article ;
  2° pour l'application de l'article 245, alinéa 1er, du Code, assimilé au crédit d'impôt visé à l'article 289ter du Code ;
  3° pour l'application de l'article 413/1, § 1er, alinéa 2, premier et troisième tirets, du Code, assimilé au crédit d'impôt visé à l'article 289ter du Code ;
  4° pour l'application de l'article 413/1, § 1er, alinéa 2, deuxième et quatrième tiret, du Code, assimilé aux versements anticipés, aux précomptes, et aux autres éléments visés aux articles 289quater à 295 du Code.
Art. 59. De bepalingen van de artikelen 56 tot 58 worden voor de toepassing van artikel 344, § 1, van het Wetboek gelijkgesteld met een bepaling van hetzelfde Wetboek.
Art. 59. Pour l'application de l'article 344, § 1er, du Code, les dispositions des articles 56 à 58 sont assimilées à une disposition du même Code.
Art. 60. De Koning kan:
  - de nadere regels vastleggen voor het leveren van het bewijs dat aan de voorwaarden voor de toepassing van het in dit hoofdstuk bedoelde belastingkrediet is voldaan;
  - nadere regels vastleggen voor de toepassing van het in dit hoofdstuk bedoelde belastingkrediet op de tussenkomst in een gecombineerd of geïntegreerd vervoerbewijs.
Art. 60. Le Roi peut :
  - déterminer les modalités d'administration de la preuve qu'il est satisfait aux conditions d'application du crédit d'impôt visé au présent chapitre ;
  - déterminer les règles pour l'application du crédit d'impôt visé au présent chapitre aux interventions dans un titre de transport combiné ou intégré.
Art. 61. Dit hoofdstuk is van toepassing op de tussenkomsten van de werkgever die worden betaald of toegekend in de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2027.
Art. 61. Le présent chapitre est applicable aux interventions de l'employeur payées ou attribués dans la période allant du 1er janvier 2024 jusqu'au 31 décembre 2027.
TITEL 3. - WIJZIGINGEN VAN DE PROGRAMMAWET VAN 27 DECEMBER 2004
TITRE 3. - MODIFICATIONS DE LA LOI-PROGRAMME DU 27 DECEMBRE 2004
Art. 62. In artikel 429, § 5, van de programmawet van 27 december 2004, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 22 december 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in punt 2) worden de woorden "en dit op schriftelijke aanvraag ingediend bij de diensten aangeduid door de administrateur-generaal van de douane en accijnzen." vervangen door de woorden "en dit op elektronische wijze ingediend via de online applicatie PDIE van de FOD Financiën via dewelke de aanvragers online een aanvraag indienen voor de terugbetaling van accijnzen zoals omschreven in punt 1).";
  2° punt 6), opgeheven bij de programmawet van 19 december 2014, wordt hersteld als volgt:
  "6) a) De in het kader van punt 2) ingezamelde persoonsgegevens worden verwerkt in het kader van de artikelen 4 en 209/2 van de algemene wet van 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen.
  b) De verwerkingsverantwoordelijke voor de in het kader van punt 2) verzamelde en verwerkte persoonsgegevens is de Federale Overheidsdienst Financiën.
  c) De personen die toegang hebben tot deze gegevens zijn de personeelsleden van de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen.
  d) De volgende categorieën van persoonsgegevens worden verwerkt:
  1° naam, adres, e-mailadres en telefoonnummer;
  2° KBO-nummer of rijksregisternummer voor de in België gevestigde personen;
  3° BIS-nummer en btw-nummer voor de niet in België gevestigde personen;
  4° indien van toepassing adres van de zetel;
  5° vergunningsnummer van de vergunning energieproducten en elektriciteit;
  6° het bedrag van de terugbetaling;
  7° het bankrekeningnummer waarop de terugbetaling moet uitgevoerd worden en de naam en het adres van de begunstigde.
  e) De bewaartermijn van de in het kader van punt 2) ingezamelde persoonsgegevens bedraagt tien jaar na indiening van de terugbetalingsaanvraag bedoeld in punt 2)."
Art. 62. Dans l'article 429, § 5, de la loi-programme du 27 décembre 2004, modifié en dernier lieu par la loi du 22 décembre 2023 les modifications suivantes sont apportées :
  1° au point 2) les mots "sur demande écrite déposée auprès des services désignés par l'administrateur général des douanes et accises" sont remplacés par les mots "sur demande introduite par voie électronique via l'application en ligne PDIE du SPF Finances par laquelle les demandeurs introduisent en ligne leur demande de remboursement des accises comme décrit au point 1)." ;
  2° le point 6), abrogé par la loi-programme du 19 décembre 2014, est rétabli dans la rédaction suivante :
  "6) a) Les données à caractère personnel collectées dans le cadre du point 2), sont traitées au titre des articles 4 et 209/2 de la loi générale du 18 juillet 1977 sur les douanes et accises.
  b) Le responsable du traitement des données à caractère personnel collectées et traitées dans le cadre du point 2), est le Service public fédéral Finances.
  c) Les personnes qui ont accès à ces données sont les membres du personnel de l'Administration générale des Douanes et Accises.
  d) Les catégories de données à caractère personnel suivantes sont traitées :
  1° nom, adresse, adresse électronique et numéro de téléphone ;
  2° numéro BCE ou numéro de registre national pour les personnes établies en Belgique ;
  3° numéro BIS et numéro T.V.A. pour les personnes non établies en Belgique ;
  4° l'adresse du siège le cas échéant ;
  5° numéro d'autorisation de l'autorisation produits énergétiques et électricité ;
  6° le montant du remboursement ;
  7° le numéro du compte bancaire sur lequel le remboursement doit être exécuté et le nom et l'adresse du bénéficiaire.
  e) La période de conservation des données à caractère personnel collectées dans le cadre du point 2) est de dix ans après l'introduction de la demande de remboursement visée au point 2)."
Art. 63. Deze titel treedt in werking op 1 juni 2024.
Art. 63. Le présent titre entre en vigueur le 1er juin 2024.
TITEL 4. - AANPASSING VAN HET AANTAL FISCAAL VOORDELIGE OVERUREN MET OVERWERKTOESLAG IN DE BOUWSECTOR
TITRE 4. - MODIFICATIONS DU NOMBRE D'HEURES SUPPLEMENTAIRES AVEC SURSALAIRE FISCALEMENT AVANTAGEUSES DANS LE SECTEUR DE LA CONSTRUCTION
Art. 64. Titel 2, hoofdstuk 1, afdeling 7 van de programmawet van 27 december 2021, dat de artikelen 29 tot 31 omvat, wordt ingetrokken.
Art. 64. Le titre 2, chapitre 1er, section 7, de la loi-programme du 27 décembre 2021, qui comporte les articles 29 à 31, est retiré.
Art. 65. Artikel 154bis, vierde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 3 juli 2005 en vervangen bij de wet van 16 november 2015, wordt vervangen als volgt:
  "Het in het tweede lid bepaalde maximum van 130 uren overwerk wordt opgetrokken tot:
  - 180 uren voor de werknemers tewerkgesteld bij werkgevers die werken in onroerende staat verrichten op voorwaarde dat zij gebruik maken van een in hoofdstuk V, afdeling 4, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk bedoeld elektronisch aanwezigheidsregistratiesysteem;
  - 280 uren voor de werknemers tewerkgesteld bij werkgevers die hoofdzakelijk wegenwerken uitvoeren, met uitsluiting van het aanleggen van ondergrondse leidingen en kabels, of spoorwegwerken en voor wie de overheid oplegt om in het weekend, op feestdagen of `s nachts te werken, op voorwaarde dat die werkgevers gebruik maken van een in hoofdstuk V, afdeling 4, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk bedoeld elektronisch aanwezigheidsregistratiesysteem en op voorwaarde en in de mate dat die werknemers daadwerkelijk wegenwerken of spoorwegwerken waarvoor de overheid oplegt om in het weekend, op feestdagen of `s nachts te werken hebben uitgevoerd tijdens de overuren die voor die werkgevers worden gepresteerd. De Koning kan de nadere regels bepalen voor de toepassing van dit streepje.
Art. 65. L'article 154bis, alinéa 4, du même Code, inséré par la loi du 3 juillet 2005 et remplacé par la loi du 16 décembre 2015, est remplacé par ce qui suit :
  "Le maximum de 130 heures de travail supplémentaire déterminé à l'alinéa 2 est augmenté à :
  - 180 heures pour les travailleurs occupés par des employeurs qui exécutent des travaux immobiliers à condition que ces derniers utilisent un système électronique d'enregistrement de présence visé au chapitre V, section 4, de la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail ;
  - 280 heures pour les travailleurs occupés par des employeurs qui effectuent principalement des travaux routiers, à l'exclusion des travaux de pose de canalisations souterraines et de câbles, ou des travaux ferroviaires et pour lesquels les autorités imposent de travailler le week-end, les jours fériés ou la nuit, à condition que ces employeurs utilisent un système électronique d'enregistrement de présence visé au chapitre V, section 4, de la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail et à condition que et dans la mesure où ces travailleurs aient effectivement effectué des travaux routiers ou ferroviaires pour lesquels les autorités imposent de travailler le week-end, les jours fériés ou la nuit pendant les heures supplémentaires prestées pour ces employeurs. Le Roi peut fixer les modalités d'application du présent tiret.
Art. 66. Artikel 2751, achtste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd bij de wet van 3 juli 2005 en vervangen bij de wet van 16 november 2015, wordt vervangen als volgt:
  "Het in het zesde lid bepaalde maximum van 130 uren overwerk wordt opgetrokken tot:
  - 180 uren voor de werkgevers die werken in onroerende staat verrichten op voorwaarde dat deze werkgevers gebruik maken van een in hoofdstuk V, afdeling 4, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk bedoeld elektronisch aanwezigheidsregistratiesysteem;
  - 280 uren voor de werkgevers die hoofdzakelijk wegenwerken uitvoeren, met uitsluiting van het aanleggen van ondergrondse leidingen en kabels, of spoorwegwerken en voor wie de overheid oplegt om in het weekend, op feestdagen of `s nachts te werken, op voorwaarde dat zij gebruik maken van een in hoofdstuk V, afdeling 4, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk bedoeld elektronisch aanwezigheidsregistratiesysteem en op voorwaarde dat het verhoogde maximum enkel wordt toegepast voor de werknemers die daadwerkelijk wegenwerken of spoorwegwerken waarvoor de overheid oplegt om in het weekend, op feestdagen of `s nachts te werken, hebben uitgevoerd tijdens alle overuren waarvoor de vrijstelling wordt gevraagd De Koning kan de nadere modaliteiten bepalen voor de toepassing van dit streepje."
Art. 66. L'article 2751, alinéa 8, du Code des impôts sur les revenus 1992, inséré par la loi du 3 juillet 2005 et remplacé par la loi du 16 décembre 2015, est remplacé par ce qui suit :
  "Le maximum de 130 heures de travail supplémentaire déterminé à l'alinéa 6 est augmenté à :
  - 180 heures pour les employeurs qui exécutent des travaux immobiliers à condition que ces employeurs utilisent un système électronique d'enregistrement de présence visé au chapitre V, section 4, de la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail ;
  - 280 heures pour les employeurs qui effectuent principalement des travaux routiers, à l'exclusion des travaux de pose de canalisations souterraines et de câbles, ou des travaux ferroviaires et auxquels les autorités imposent de travailler le week-end, les jours fériés ou la nuit, à condition que ces employeurs utilisent un système électronique d'enregistrement de présence visé au chapitre V, section 4, de la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail et à condition que le maximum augmenté soit uniquement appliqué pour les travailleurs qui ont effectivement effectué des travaux routiers ou ferroviaires pour lesquels les autorités imposent de travailler le week-end, les jours fériés ou la nuit pendant toutes les heures supplémentaires pour lesquelles la dispense est demandée. Le Roi peut fixer les modalités d'application du présent tiret."
Art. 67. Deze titel treedt in werking op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt en is van toepassing op het overwerk dat vanaf die datum wordt gepresteerd.
Art. 67. Le présent titre entre en le premier jour du mois suivant le mois de la publication de la présente loi au Moniteur belge et s'applique aux heures supplémentaires prestées à partir de cette date.
TITEL 5. - WIJZIGINGEN AAN DE VRIJSTELLING VAN DOORSTORTING VAN BEDRIJFSVOORHEFFING VOOR PLOEGENARBEID
TITRE 5. - MODIFICATIONS A LA DISPENSE DE VERSEMENT DE PRECOMPTE PROFESSIONNEL POUR LE TRAVAIL EN EQUIPE
Art. 68. In artikel 2755 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 december 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° er wordt een paragraaf 1/1 ingevoegd, luidende:
  " § 1/1. De ondernemingen waarin ploegenarbeid wordt verricht, die een ploegenpremie betalen of toekennen en die krachtens artikel 270, eerste lid, 1°, schuldenaar zijn van de bedrijfsvoorheffing op die premie, worden ervan vrijgesteld het in het vierde lid bedoelde bedrag aan bedrijfsvoorheffing in de Schatkist te storten, op voorwaarde dat de genoemde voorheffing volledig op die bezoldigingen en premies wordt ingehouden.
  Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder ondernemingen waar ploegenarbeid wordt verricht, de ondernemingen begrepen waar het werk wordt verricht in minstens twee ploegen van minstens twee werknemers, die qua inhoud hetzelfde werk doen, en die elkaar in de loop van de dag opvolgen zonder dat er een onderbreking is tussen de opeenvolgende ploegen, zonder dat de overlapping meer bedraagt dan een vierde van hun dagtaak en waarbij alle werknemers die ploegenarbeid verrichten een ploegenpremie ontvangen:
  a) hetzij door werknemers van categorie 1 bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002;
  b) hetzij door statutaire werknemers bij de volgende autonome overheidsbedrijven: de naamloze vennootschap van publiek recht Proximus en de naamloze vennootschap van publiek recht bpost;
  c) hetzij door werknemers bij de naamloze vennootschap van publiek recht HR Rail met uitzondering van de door haar ter beschikking gestelde werknemers aan de naamloze vennootschap van publiek recht NMBS en de naamloze vennootschap van publiek recht Infrabel in het kader van hun activiteiten van openbare dienstverlening.
  Voor de toepassing van het tweede lid wordt een onderbreking tussen de opeenvolgende ploegen die 15 minuten of minder bedraagt, niet in aanmerking genomen.
  Het bedrag aan bedrijfsvoorheffing dat in toepassing van deze paragraaf wordt vrijgesteld, wordt als volgt bepaald:
  1) er wordt voor de betrokken maand waarvoor het voordeel wordt gevraagd, een bedrag vastgesteld van 22,8 pct. van het totaal van de belastbare bezoldigingen waarin de in het eerste lid bedoelde ploegenpremies zijn begrepen van al de werknemers op wie deze paragraaf van toepassing is samen;
  2) vervolgens wordt voor elke werkdag dat er ploegenarbeid wordt verricht in die maand, enerzijds het verschil in omvang van het werk tussen de opeenvolgende ploegen ten opzichte van de ploeg met de kleinste omvang van het werk vastgesteld, en anderzijds de totale omvang van het werk van de opeenvolgende ploegen;
  3) vervolgens wordt de afwijking op de omvang van het werk die betrekking heeft op die maand vastgesteld door middel van een breuk en uitgedrukt als een percentage, met in de teller de som van het voor elke werkdag van die maand vastgestelde verschil in omvang van het werk van de opeenvolgende ploegen en in de noemer de som van de voor elke werkdag van die maand vastgestelde totale omvang van het werk van de opeenvolgende ploegen;
  4) tot slot wordt het bedrag aan bedrijfsvoorheffing dat in toepassing van deze paragraaf wordt vrijgesteld bekomen door het in 1) vastgestelde bedrag verhoudingsgewijs te verminderen a rato van het in 3) vastgestelde percentage van de afwijking van de omvang van het werk.
  De in het vierde lid bedoelde belastbare bezoldigingen, ploegenpremies inbegrepen, zijn de overeenkomstig artikel 31, tweede lid, 1° en 2°, vastgestelde belastbare bezoldigingen van de werknemers met uitsluiting van het dubbel vakantiegeld, de eindejaarspremie en de achterstallige bezoldigingen.
  De in deze paragraaf bedoelde vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing wordt enkel toegekend voor zover het bezoldigingen betreft voor werknemers die, overeenkomstig de arbeidsregeling waarin zij tewerkgesteld zijn, over de betrokken maand waarvoor het voordeel wordt gevraagd, tenminste een derde van hun arbeidstijd in ploegenarbeid zijn tewerkgesteld. Perioden van schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst zonder loon, worden niet in aanmerking genomen. Voor de toepassing van deze norm omvat:
  - de teller: het aantal effectief in ploegenarbeid gepresteerde arbeidsuren waarvoor de werknemer eveneens een ploegenpremie heeft verkregen evenals de uren waarvoor de uitvoering van de arbeidsovereenkomst werd geschorst en waarvoor het loon door de werkgever werd doorbetaald, indien kan worden aangetoond dat de betrokken werknemer, overeenkomstig zijn arbeidsregeling, zou tewerkgesteld zijn in ploegenarbeid en hiervoor eveneens een ploegenpremie zou hebben verkregen;
  - de noemer: het totaal aantal effectief gepresteerde arbeidsuren evenals het totale aantal uren waarvoor de uitvoering van de arbeidsovereenkomst werd geschorst maar waarvoor het loon wordt doorbetaald.
  De in deze paragraaf bedoelde vrijstelling van doorstorting kan niet worden verleend indien een in paragraaf 1, 2, 3, 4 of 5 bedoelde vrijstelling op dezelfde bezoldiging wordt toegepast.
  Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder ploegenpremie, de premie verstaan bedoeld in paragraaf 1, zevende lid.
  De ondernemingen die erkend zijn voor uitzendarbeid die uitzendkrachten ter beschikking stellen van de in deze paragraaf bedoelde ondernemingen die deze uitzendkrachten tewerkstellen in een systeem van ploegenarbeid in de functie van een werknemer van categorie 1, worden, wat de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing op de belastbare bezoldigingen van die uitzendkrachten waarin ploegenpremies zijn begrepen, betreft, gelijkgesteld met die ondernemingen, voor zover aan de voorwaarden van paragraaf 1, achtste lid is voldaan.
  Om de in deze paragraaf bedoelde vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing te verkrijgen, moet de werkgever, ter gelegenheid van zijn aangifte in de bedrijfsvoorheffing, het bewijs leveren dat de werknemers voor wie de vrijstelling wordt gevraagd ploegenarbeid hebben verricht en voor deze prestaties ploegenpremies hebben verkregen tijdens de periode waarop die aangifte in de bedrijfsvoorheffing betrekking heeft. De Koning bepaalt de nadere modaliteiten voor het leveren van dit bewijs.
  Deze paragraaf is enkel van toepassing op bezoldigingen die tot 31 december 2026 worden betaald of toegekend.";
  2° er wordt een paragraaf 3/1 ingevoegd, luidende:
  " § 3/1. Het in § 1/1, vierde lid, 1), bedoelde bedrag wordt verhoogd met 2,2 procentpunten van het totaal van de belastbare bezoldigingen van al de werknemers op wie deze paragraaf van toepassing is samen, voor ondernemingen die werken in een volcontinu arbeidssysteem.
  Onder ondernemingen die werken in een volcontinu arbeidssysteem wordt verstaan, de ondernemingen waar het werk wordt verricht door de werknemers van categorie 1 bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002, in minstens vier ploegen van minstens 2 werknemers, die qua inhoud hetzelfde werk doen, die een continue bezetting tijdens de gehele week en het weekend garanderen, en die elkaar opvolgen zonder dat er een onderbreking is tussen de opeenvolgende ploegen en, zonder dat de overlapping meer bedraagt dan een vierde van hun dagtaak en waarbij alle werknemers die ploegenarbeid verrichten in een volcontinu arbeidssysteem een ploegenpremie ontvangen. De bedrijfstijd in dergelijke ondernemingen, zijnde de tijd dat het bedrijf functioneert, bedraagt minstens 160 uur op weekbasis.
  Voor de toepassing van het tweede lid wordt een onderbreking tussen de opeenvolgende ploegen die 15 minuten of minder bedraagt, niet in aanmerking genomen.
  Deze paragraaf is enkel van toepassing op bezoldigingen die tot 31 december 2026 worden betaald of toegekend."
Art. 68. Dans l'article 2755 du Code des impôts sur les revenus 1992, modifié en dernier lieu par la loi de 21 décembre 2022, les modifications suivantes sont apportées :
  1° il est inséré un paragraphe 1er/1, rédigé comme suit :
  " § 1er/1. Les entreprises où s'effectue un travail en équipe, qui paient ou attribuent une prime d'équipe et qui sont redevables du précompte professionnel sur cette prime en vertu de l'article 270, alinéa 1er, 1°, sont dispensées de verser au Trésor le montant de précompte professionnel visé à l'alinéa 4, à condition de retenir sur ces rémunérations et primes la totalité dudit précompte.
  Pour l'application de l'alinéa 1er, on entend par entreprises où s'effectue un travail en équipe, les entreprises où le travail est effectué en au moins deux équipes comprenant au moins deux travailleurs, lesquelles font le même travail en ce qui concerne son objet, et qui se succèdent dans le courant de la journée sans qu'il y ait d'interruption entre les équipes successives, sans que le chevauchement excède un quart de leurs tâches journalières, et pour lequel tous les travailleurs qui effectuent un travail en équipe reçoivent une prime d'équipe :
  a) soit par des travailleurs de catégorie 1 visés à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002 ;
  b) soit par des travailleurs sous statut auprès d'une des entreprises publiques autonomes suivantes : la société anonyme de droit public Proximus et la société anonyme de droit public bpost ;
  c) soit par des travailleurs auprès de la société anonyme de droit public HR Rail à l'exception des travailleurs mis par celle-ci à la disposition de la société anonyme de droit public SNCB et de la société anonyme de droit public Infrabel dans le cadre de leurs activités de service public.
  Pour l'application de l'alinéa 2, une interruption entre les équipes successives qui dure 15 minutes ou moins n'est pas prise en ligne de compte.
  Le montant de précompte professionnel qui est dispensé en application du présent paragraphe, est déterminé comme suit :
  1) il est établi un montant égal à 22,8 p.c. de l'ensemble des rémunérations imposables, primes d'équipe visées à l'alinéa 1er comprises, de tous les travailleurs concernés par le présent paragraphe pour le mois pour lequel l'avantage est demandé ;
  2) il est ensuite établi, pour chaque jour de travail où un travail en équipe est effectué au cours de ce mois, d'une part la différence d'ampleur du travail entre les équipes successives par rapport à l'équipe ayant la plus petite ampleur de travail, et d'autre part l'ampleur totale du travail des équipes successives ;
  3) ensuite, l'écart de l'ampleur du travail relatif à ce mois est déterminé par une fraction et exprimé en pourcentage, dont le numérateur est la somme de la différence en ampleur du travail des équipes successives, établie pour chaque jour de travail de ce mois, et dont le dénominateur est la somme de l'ampleur totale du travail des équipes successives, établie pour chaque jour de travail de ce mois ;
  4) enfin le montant de précompte professionnel qui est dispensé en application du présent paragraphe est obtenu en réduisant le montant déterminé au 1) au prorata du pourcentage de l'écart de l'ampleur du travail établi au 3).
  Les rémunérations imposables, primes d'équipe comprises, visées à l'alinéa 4 sont les rémunérations imposables des travailleurs déterminées conformément à l'article 31, alinéa 2, 1° et 2°, à l'exclusion du double pécule de vacances, de la prime de fin d'année et des arriérés de rémunérations.
  La dispense de versement de précompte professionnel visée au présent paragraphe n'est accordée que pour autant qu'il s'agit de rémunérations pour les travailleurs qui, conformément au régime de travail auquel ils sont soumis, travaillent au minimum un tiers de leur temps en équipes durant le mois pour lequel l'avantage est demandé. Les périodes de suspension de l'exécution du contrat de travail sans maintien de salaire ne sont pas prises en compte. Pour l'application de cette norme sont prises en considération :
  - le numérateur : le nombre d'heures de travail effectivement prestées en travail en équipe pour lesquelles le travailleur a également obtenu une prime d'équipe ainsi que les heures pour lesquelles l'exécution du contrat de travail a été suspendue et pour lesquelles le salaire a été maintenu par l'employeur, s'il peut être démontré que le travailleur concerné, conformément à son règlement de travail, aurait travaillé en travail en équipe et aurait également obtenu pour cela une prime d'équipe ;
  - le dénominateur : le nombre total d'heures de travail effectivement prestées ainsi que le nombre total d'heures pour lesquelles l'exécution du contrat de travail a été suspendue mais avec maintien du salaire.
  La dispense de versement visée au présent paragraphe ne peut pas être accordée si une dispense prévue au paragraphe 1er, 2, 3, 4 ou 5, est appliquée à la même rémunération.
  Pour l'application du présent paragraphe, on entend par prime d'équipe, la prime visée au paragraphe 1er, alinéa 7.
  Les entreprises agréées pour le travail intérimaire qui mettent des intérimaires à disposition d'entreprises visées au présent paragraphe qui emploient ces intérimaires dans un système de travail en équipe dans la fonction d'un travailleur de catégorie 1, sont, en ce qui concerne la dispense de versement de précompte professionnel sur les rémunérations imposables de ces intérimaires dans lesquelles sont incluses des primes d'équipe, assimilées à ces entreprises pour autant que les conditions prévues au paragraphe 1er, alinéa 8, sont remplies.
  Pour bénéficier de la dispense de versement de précompte professionnel visée au présent paragraphe, l'employeur doit fournir, à l'occasion de sa déclaration au précompte professionnel, la preuve que les travailleurs, pour lesquels la dispense est demandée, ont effectué un travail en équipe et ont obtenu des primes d'équipe pour ces prestations pendant la période à laquelle se rapporte la déclaration au précompte professionnel. Le Roi fixe les modalités d'administration de cette preuve.
  Le présent paragraphe ne s'applique qu'aux rémunérations qui sont payées ou attribuées jusqu'au 31 décembre 2026." ;
  2° il est inséré un paragraphe 3/1 rédigé comme suit :
  " § 3/1. Le montant visé au § 1er/1, alinéa 4, 1), sera augmenté de 2,2 points de l'ensemble des rémunérations imposables de tous les travailleurs concernés par le présent paragraphe, pour les entreprises qui travaillent dans un système de travail en continu.
  Par entreprises qui travaillent dans un système de travail en continu, il faut entendre les entreprises où le travail est effectué par des travailleurs de catégorie 1 visés à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002, en au moins quatre équipes comprenant 2 travailleurs au moins, lesquelles font le même travail tant en ce qui concerne son objet, qui assurent une occupation continue tout au long de la semaine et le week-end, et qui se succèdent sans qu'il n'y ait d'interruption entre les équipes successives sans que le chevauchement excède un quart de leurs tâches journalières et pour lequel tous les travailleurs qui effectuent un travail en équipe dans un système de travail en continu recueillent une prime d'équipe. Le temps de fonctionnement dans de telles entreprises, soit le temps durant lequel l'entreprise opère, est d'au moins 160 heures sur une base hebdomadaire.
  Pour l'application de l'alinéa 2, une interruption entre les équipes successives qui dure 15 minutes ou moins n'entre pas en ligne de compte.
  Le présent paragraphe ne s'applique qu'aux rémunérations qui sont payées ou attribuées jusqu'au 31 décembre 2026."
Art. 69. In het jaar 2026, 2027 en 2028 wordt de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor ploegenarbeid geëvalueerd waarbij er bijzondere aandacht besteed wordt aan de budgettaire kostprijs van de maatregel en de concurrentiepositie van België ten opzichte van de buurlanden.
  Het verslag van deze evaluatie wordt door de minister van Financiën overgezonden aan de Kamer van volksvertegenwoordigers.
Art. 69. En 2026, 2027 et 2028, la dispense de versement de précompte professionnel pour le travail en équipe sera évalué avec une attention particulière pour le coût budgétaire de la mesure et la position concurrentielle de la Belgique par rapport aux pays voisins.
  Le rapport de cette évaluation est transmis à la Chambre des représentants par le ministre des Finances.
Art. 70. Deze afdeling is van toepassing op de bezoldigingen die worden betaald of toegekend vanaf 1 januari 2021.
Art. 70. La présente section s'applique aux rémunérations qui sont payées ou attribuées à partir du 1er janvier 2021.
TITEL 6. - WIJZIGINGEN AAN DE VRIJSTELLING VAN DOORSTORTING VAN BEDRIJFSVOORHEFFING VOOR WERKGEVERS DIE GETROFFEN WORDEN DOOR EEN NATUURRAMP
TITRE 6. - MODIFICATIONS A LA DISPENSE DE VERSEMENT DE PRECOMPTE PROFESSIONNEL POUR LES EMPLOYEURS TOUCHES PAR UNE CALAMITE NATURELLE
Art. 71. In artikel 2759/1 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd bij de wet van 26 december 2022 en gewijzigd bij de wetten van 31 juli 2023 en 28 december 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 2, eerste lid, tweede streepje, worden de woorden "die worden betaald of toegekend voor de prestaties die werden geleverd in een periode van 40 maanden die start vanaf" vervangen door de woorden "voor de prestaties die werden geleverd in een periode van 40 maanden die start vanaf";
  2° in paragraaf 4, eerste lid, worden in de Franse tekst de woorden "endéans lequel" vervangen door de woorden "au cours duquel";
  3° in paragraaf 4, derde lid, worden in de Franse tekst de woorden "endéans lequel" vervangen door de woorden "au cours duquel";
  4° in paragraaf 4, vierde lid, worden in de Franse tekst de woorden "endéans lequel" vervangen door de woorden "au cours duquel";
  5° in paragraaf 4, zesde lid, worden in de Franse tekst de woorden "endéans lequel" vervangen door de woorden "au cours duquel".
Art. 71. A l'article 2759/1 du Code des impôts sur les revenus 1992, inséré par la loi du 26 décembre 2022 et modifié par les lois du 31 juillet 2023 et 28 décembre 2023, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 2, alinéa 1er, deuxième tiret, les mots "qui ont été payées ou attribuées pour les prestations fournies dans le cours d'une période de 40 mois qui débute à partir du mois qui suit le mois au cours duquel lequel" sont remplacés par les mots "pour les prestations fournies dans le cours d'une période de 40 mois qui débute à partir du mois qui suit le mois au cours duquel" ;
  2° au paragraphe 4, alinéa 1er, les mots "endéans lequel" sont remplacés par les mots "au cours duquel" ;
  3° au paragraphe 4, alinéa 3, les mots "endéans lequel" sont remplacés par les mots "au cours duquel" ;
  4° au paragraphe 4, alinéa 4, les mots "endéans lequel" sont remplacés par les mots "au cours duquel" ;
  5° au paragraphe 4, alinéa 6, les mots "endéans lequel" sont remplacés par les mots "au cours duquel".
Art. 72. Artikel 368/1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 maart 2022, wordt aangevuld met een lid, luidende:
  "In afwijking van artikel 368 en het eerste lid, verjaart de vordering tot terugbetaling van de voorheffing na afloop van vijf jaar te rekenen van 1 januari van het jaar dat volgt op datgene waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd wanneer de vordering wordt ingediend op basis van de in artikel 2759/1 bedoelde vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing."
Art. 72. L'article 368/1 du même Code, inséré par la loi du 28 mars 2022, est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  "Par dérogation à l'article 368 et à l'alinéa 1er, l'action en restitution de précompte se prescrit par cinq ans à compter du premier janvier de l'année qui suit celle dont le millésime désigne l'exercice d'imposition lorsque l'action est introduite sur la base de la dispense de versement du précompte professionnel visée à l'article 2759/1."
TITEL 7. - WIJZIGINGEN VAN HET WETBOEK DER SUCCESSIERECHTEN EN VAN HET WETBOEK DER REGISTRATIE-, HYPOTHEEK- EN GRIFFIERECHTEN
TITRE 7. - MODIFICATIONS DU CODE DES DROITS DE SUCCESSION ET DU CODE DES DROITS D'ENREGISTREMENT, D'HYPOTHEQUE ET DE GREFFE
Art. 73. Artikel 45, derde lid, van het Wetboek der successierechten, vervangen bij de wet van 28 december 2023, wordt vervangen als volgt:
  "De Koning kan:
  1° de nadere regels voor de verzending van de aangifte bepalen alsmede de noodzakelijke maatregelen voor de juiste heffing van de rechten. Hierbij mag hij afwijken van de artikelen 38 en 1232;
  2° onder voorbehoud van de bepalingen van de Archiefwet van 24 juni 1955, de bewaartermijn en de wijze van bewaring van de aangiften van nalatenschap bepalen."
Art. 73. L'article 45, alinéa 3, du Code des droits de succession, remplacé par la loi du 28 décembre 2023, est remplacé par ce qui suit :
  "Le Roi peut déterminer :
  1° les modalités de transmission de la déclaration et les mesures nécessaires à la juste perception des droits. A cet effet, il peut déroger aux articles 38 et 1232 ;
  2° sous réserve des dispositions de la loi du 24 juin 1955 relative aux archives, le délai et les modalités de conservation des déclarations de succession."
Art. 74. In artikel 90, derde lid, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 31 juli 2023, worden de woorden ", tegen betaling van een door de Koning vast te stellen retributie," geschrapt.
Art. 74. Dans l'article 90, alinéa 3, du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 31 juillet 2023, les mots ", moyennant le paiement d'une rétribution à fixer par le Roi," sont supprimés.
Art. 75. Artikel 144 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 31 juli 2023, wordt aangevuld met een lid, luidende:
  "In afwijking van het eerste lid, is de aflevering van een eigendomstitel kosteloos wanneer deze titel bestemd is om een akte van erfopvolging op te stellen, de instrumenterende ambtenaar voor het opstellen van de akte geen vacaties of kosten vraagt en de akte opgesteld wordt binnen de 6 maanden na het overlijden."
Art. 75. L'article 144 du même Code, remplacé par la loi du 31 juillet 2023, est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  "Par dérogation à l'alinéa 1er, la délivrance d'un titre de propriété a lieu gratuitement lorsque ce titre est destiné à l'établissement d'un acte d'hérédité, que le fonctionnaire instrumentant ne réclame pas de vacations ou de frais pour l'établissement de cet acte et que celui-ci est établi dans les 6 mois du décès."
Art. 76. Artikel 146/1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 31 juli 2023, wordt aangevuld met een bepaling onder 4°, luidende:
  "4° onder voorbehoud van de bepalingen van de Archiefwet van 24 juni 1955, de bewaartermijnen en wijze van bewaring bepalen van de vragen om inlichtingen en van de verstrekte antwoorden."
Art. 76. L'article 146/1 du même Code, inséré par la loi du 31 juillet 2023, est complété par un 4° rédigé comme suit :
  "4° sous réserve des dispositions de la loi du 24 juin 1955 relative aux archives, les délais et les modalités de conservation des demandes de renseignements et des réponses fournies."
Art. 77. In artikel 151 van hetzelfde Wetboek, wordt het tweede lid, vervangen bij de wet van 28 december 2023, vervangen als volgt:
  "De Koning kan:
  1° de nadere regels bepalen voor de verzending alsmede de noodzakelijke maatregelen voor de juiste heffing van de taks. Hierbij mag Hij afwijken van het eerste en het derde lid;
  2° onder voorbehoud van de bepalingen van de Archiefwet van 24 juni 1955, de bewaartermijn en de wijze van bewaring van de aangiften in de jaarlijkse taks tot vergoeding der successierechten bepalen."
Art. 77. Dans l'article 151 du même Code, l'alinéa 2 remplacé par la loi du 28 décembre 2023, est remplacé par ce qui suit :
  "Le Roi peut déterminer :
  1° les modalités pour la transmission ainsi que les mesures nécessaires à la juste perception de la taxe. A cet effet, Il peut déroger aux alinéas 1er et 3 ;
  2° sous réserve des dispositions de la loi du 24 juin 1955 relative aux archives, le délai et les modalités de conservation des déclarations à la taxe annuelle compensatoire des droits de succession."
Art. 78. Artikel 160, tweede lid, van hetzelfde Wetboek vervangen bij de wet van 31 juli 2023, wordt aangevuld met een bepaling onder 4°, luidende:
  "4° onder voorbehoud van de bepalingen van de Archiefwet van 24 juni 1955, de bewaartermijnen en de wijze van bewaring bepalen van de vragen om inlichtingen en van de verstrekte antwoorden."
Art. 78. L'article 160, alinéa 2, du même Code, remplacé par la loi du 31 juillet 2023, est complété par un 4° rédigé comme suit :
  "4° sous réserve des dispositions de la loi du 24 juin 1955 relative aux archives, les délais et les modalités de conservation des demandes de renseignements et des réponses fournies."
Art. 79. Artikel 236/2, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, ingevoegd bij de wet van 31 juli 2023, wordt aangevuld met een bepaling onder 3°, luidende:
  "3° onder voorbehoud van de bepalingen van de Archiefwet van 24 juni 1955, de bewaartermijnen en de wijze van bewaring bepalen van de vragen om inlichtingen en van de verstrekte antwoorden."
Art. 79. L'article 236/2, du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe, inséré par la loi du 31 juillet 2023, est complété par un 3° rédigé comme suit :
  "3° sous réserve des dispositions de la loi du 24 juin 1955 relative aux archives, les délais et les modalités de conservation des demandes de renseignements et des réponses fournies."
Art. 80. De artikelen 74 en 75 hebben uitwerking met ingang van 1 januari 2024.
Art. 80. Les articles 74 et 75 produisent leurs effets le 1er janvier 2024.
TITEL 8. - WIJZIGINGEN VAN HET WETBOEK DIVERSE RECHTEN EN TAKSEN
TITRE 8. - MODIFICATIONS DU CODE DES DROITS ET TAXES DIVERS
HOOFDSTUK 1. - Jaarlijkse taks op de verzekeringsverrichtingen
CHAPITRE 1er. - Taxe annuelle sur les opérations d'assurance
Art. 81. In artikel 177 van het Wetboek diverse rechten en taksen wordt de bepaling onder 3°, vervangen bij de wet van 27 december 2005, vervangen als volgt:
  "3° door de verzekeringnemers of, indien de verzekeringnemer een rechtspersoon is, de Belgische inrichting waarop het contract betrekking heeft in de in artikel 1792, § 2, bedoelde gevallen."
Art. 81. Dans l'article 177 du Code des droits et taxes divers, le 3°, remplacé par la loi du 27 décembre 2005, est remplacé par ce qui suit :
  "3° par les preneurs d'assurance ou, si le preneur d'assurance est une personne morale, l'établissement belge auquel le contrat se rapporte dans les cas visés à l'article 1792, § 2."
Art. 82. Artikel 1792 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 11 juli 1960, 27 december 2005 en 28 december 2023, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 1792. § 1. De artikelen 1791 en 180 zijn van toepassing op de aansprakelijke vertegenwoordiger bedoeld in artikel 178, eerste en tweede lid.
  De verzekeringsonderneming en zijn aansprakelijke vertegenwoordiger zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van elke verschuldigde som met betrekking tot de belastbare verzekeringsverrichtingen.
  § 2. Bij gebrek aan aansprakelijke vertegenwoordiger of in geval van afwezigheid van betaling van de taks, is de verzekeringnemer of, indien de verzekeringnemer een rechtspersoon is, de Belgische inrichting op wie het contract van toepassing is, gehouden tot het betalen van de taks binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de vastgestelde vervaldatum voor elke premie.
  De aangifte wordt ingediend uiterlijk de laatste werkdag voorafgaand aan de uiterste betaaldatum. De aangifte vermeldt voor de belastingschuldige en, in voorkomend geval, zijn lasthebber, de naam, het adres, het ondernemingsnummer in geval van rechtspersonen, het rijksregisternummer in geval van natuurlijke personen, alsook met name de periode waarop de aangifte betrekking heeft, de belastbare basis, de vrijstellingen, de verrekeningen en het verschuldigd saldo.
  De nadere regels, de vorm en de inhoud van de aangifte worden door de Koning vastgesteld.
  Indien de aangifte niet binnen de bepaalde termijn wordt ingediend, wordt een boete verbeurd van 12,50 euro per week vertraging. Iedere begonnen week wordt voor een gehele week aangerekend."
Art. 82. L'article 1792 du même Code, modifié par les lois du 11 juillet 1960, 27 décembre 2005 et 28 décembre 2023, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 1792. § 1er. Les articles 1791 et 180 sont applicables au représentant responsable visé à l'article 178, alinéas 1er et 2.
  L'entreprise d'assurances et son représentant responsable sont solidairement tenus au paiement de toutes les sommes dues relatives aux opérations d'assurance imposables.
  § 2. A défaut de représentant responsable ou en cas d'absence de paiement de la taxe, le preneur d'assurance ou, lorsque le preneur d'assurance est une personne morale, l'établissement belge auquel le contrat se rapporte, est tenu de payer la taxe dans un délai de trois mois à compter de l'échéance stipulée pour chaque prime.
  La déclaration est introduite au plus tard le dernier jour ouvrable précédant la date limite de paiement. La déclaration précise pour le redevable et, le cas échéant, son mandataire, le nom, l'adresse, le numéro d'entreprise pour les personnes morales, le numéro de registre national pour les personnes physiques, ainsi que notamment la période à laquelle la déclaration se rapporte, la base imposable, les exonérations, les imputations et le solde dû.
  Les modalités, la forme et le contenu de la déclaration sont déterminés par le Roi.
  Si la déclaration n'est pas introduite dans le délai fixé, il est encouru une amende de 12,50 euros par semaine de retard. Toute semaine commencée est comptée comme complète."
HOOFDSTUK 2. - Modernisering van de aangifte-, controle-, verreken- en teruggaveformulieren en -procedures voor de taksen opgenomen in het Wetboek diverse rechten en taksen
CHAPITRE 2. - Modernisation des formulaires et des procédures de déclaration, de contrôle, d'imputation et de restitution pour les taxes reprises dans le Code des droits et taxes divers
Art. 83. In artikel 125 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 25 december 2016 en gewijzigd bij de wet van 20 november 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
  " § 1. De belastingschuldige dient alvorens de taks te betalen bij de bevoegde dienst een aangifte in met vermelding voor de belastingschuldige en, in voorkomend geval, zijn aansprakelijke vertegenwoordiger of hun lasthebber, van de naam, het adres, het ondernemingsnummer in geval van rechtspersonen of het rijksregisternummer in geval van natuurlijke personen, alsook met name de periode waarop de aangifte betrekking heeft, de belastbare basis, de vrijstellingen, de verrekeningen en het verschuldigd saldo.
  De Koning bepaalt de nadere regels, de vorm en de inhoud van de aangifte.
  De aangifte wordt uiterlijk de laatste werkdag ingediend:
  1° van de tweede maand die volgt op die waarin de verrichting werd aangegaan of uitgevoerd, wanneer de ordergever de belastingschuldige is;
  2° van de maand die volgt op die waarin de verrichting werd aangegaan of uitgevoerd, in de andere gevallen.
  De taks is betaalbaar uiterlijk op de dag waarop de indieningstermijn van de aangifte verstrijkt.";
  b) in paragraaf 2, eerste lid wordt het woord "opgave" vervangen door het woord "aangifte";
  c) in paragraaf 2 wordt het tweede lid vervangen als volgt:
  "Iedere onjuistheid of onvolledigheid in de aangifte bedoeld in paragraaf 1 met betrekking tot de belastbare verrichtingen wordt gestraft met een boete gelijk aan vijf maal de ontdoken taks zonder dat ze minder dan 250 euro kan bedragen.";
  d) in paragraaf 2, wordt tussen het tweede en derde lid een lid ingevoegd luidende:
  "Iedere onjuistheid of onvolledigheid in de in paragraaf 1 bedoelde aangifte met betrekking tot de vrijgestelde verrichtingen wordt bestraft met een niet-proportionele fiscale boete van 80 euro tot 500 euro per inbreuk. Het bedrag van deze boete wordt bepaald volgens de aard en de ernst van de inbreuk volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.";
  e) paragraaf 3 wordt opgeheven.
Art. 83. A l'article 125 du même Code, remplacé par la loi du 25 décembre 2016 et modifié par la loi du 20 novembre 2022, les modifications suivantes sont apportées :
  a) le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
  " § 1er. Avant d'acquitter la taxe, le redevable introduit auprès du service compétent une déclaration mentionnant pour le redevable et, le cas échéant, son représentant responsable ou leur mandataire, le nom, l'adresse, le numéro d'entreprise pour les personnes morales ou le numéro de registre national pour les personnes physiques, ainsi que notamment la période à laquelle se rapporte la déclaration, la base imposable, les exonérations, les imputations et le solde dû.
  Le Roi détermine les modalités, la forme et le contenu de la déclaration.
  La déclaration est introduite au plus tard le dernier jour ouvrable :
  1° du deuxième mois suivant celui au cours duquel l'opération a été conclue ou exécutée, lorsque le donneur d'ordre est le redevable ;
  2° du mois suivant celui au cours duquel l'opération a été conclue ou exécutée, dans les autres cas.
  La taxe est payable au plus tard le jour où expire le délai d'introduction de la déclaration." ;
  b) dans le paragraphe 2, alinéa 1er, dans le texte néerlandaise, le mot "opgave" est remplacé par le mot "aangifte" ;
  c) dans le paragraphe 2, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
  "Toute inexactitude ou omission relative aux opérations taxables constatée dans la déclaration visée au paragraphe 1er est punie d'une amende égale à cinq fois le droit éludé, sans qu'elle puisse être inférieure à 250 euros." ;
  d) dans le paragraphe 2, il est inséré entre les alinéas 2 et 3, un alinéa rédigé comme suit :
  "Toute inexactitude ou omission relative aux opérations exemptées constatée dans la déclaration visée au paragraphe 1er est punie d'une amende fiscale non proportionnelle de 80 euros à 500 euros par infraction. Le montant de cette amende est fixé d'après la nature et la gravité de l'infraction selon une échelle dont les graduations sont déterminées par le Roi." ;
  e) le paragraphe 3 est abrogé.
Art. 84. Artikel 136 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 28 november 1939 en 13 juli 2001 en bij de wet van 10 december 2001, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 136. De taks wordt verrekend overeenkomstig artikel 20137/2, § 2, of, op een met redenen omkleed verzoek en mits werkelijk voldaan, terugbetaald:
  1° wanneer de aangegeven taks de belasting overtreft waartoe de verrichting aanleiding geeft;
  2° wanneer de intrekking, wijziging of verbetering van de beurskoersen de nietigverklaring of wijziging van het oorspronkelijk verstrekte borderel tot gevolg heeft.
  Er wordt geen gevolg gegeven aan aanvragen van terugbetaling indien de terug te betalen minder dan 0,25 euro bedraagt."
Art. 84. L'article 136 du même Code, modifié par les arrêtés royaux des 28 novembre 1939 et 13 juillet 2001 et par la loi du 10 décembre 2001, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 136. La taxe est imputée conformément à l'article 20137/2, § 2, ou restituée sur demande motivée si elle a été effectivement payée :
  1° lorsque la taxe déclarée excède l'impôt auquel l'opération donne lieu ;
  2° lorsque le retrait, la modification ou la rectification des cours de bourse a entraîné l'annulation ou la modification du bordereau délivré à l'origine.
  Il n'est pas donné suite aux demandes de restitution dont le montant à rembourser est inférieur à 0,25 euros."
Art. 85. In artikel 166 van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 28 maart 2022 en gewijzigd bij de wet van 20 november 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
  " § 1. De belastingschuldige dient alvorens de taks te betalen bij de bevoegde dienst een aangifte in met vermelding voor de belastingschuldige en, in voorkomend geval, zijn aansprakelijk vertegenwoordiger of hun lasthebber, van de naam, het adres, het ondernemingsnummer in geval van rechtspersonen of het rijksregisternummer in geval van natuurlijke personen, of, in geval van een buitenlandse belastingschuldige, de volledige naam, het volledige adres en het bis-identificatienummer toegekend door de Federale Overheidsdienst Financiën of het fiscaal identificatienummer toegekend in het land van herkomst, alsook met name de periode waarop de aangifte betrekking heeft, de belastbare basis, de vrijstellingen, de verrekeningen en het verschuldigde saldo.
  De Koning bepaalt de nadere regels, de vorm en de inhoud van de aangifte.
  De aangifte wordt uiterlijk op de laatste werkdag van de maand volgend op die waarin de taks verschuldigd wordt, ingediend.
  De taks is betaalbaar uiterlijk op de dag waarop de indieningstermijn van de aangifte verstrijkt."
  b) paragraaf 3 wordt aangevuld met een lid, luidende:
  "Iedere onjuistheid of onvolledigheid in de in paragraaf 1 bedoelde aangifte met betrekking tot de vrijgestelde verrichtingen wordt bestraft met een niet-proportionele fiscale boete van 80 euro tot 500 euro per inbreuk. Het bedrag van deze boete wordt bepaald volgens de aard en de ernst van de inbreuk volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld."
Art. 85. A l'article 166 du même Code, rétabli par la loi du 28 mars 2022 et modifié par la loi du 20 novembre 2022, les modifications suivantes sont apportées :
  a) le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
  " § 1er. Avant d'acquitter la taxe, le redevable introduit auprès du service compétent une déclaration mentionnant pour le redevable et, le cas échéant, son représentant responsable ou leur mandataire, le nom, l'adresse, le numéro d'entreprise pour les personnes morales ou le numéro de registre national pour les personnes physiques, ou, dans le cas d'un redevable étranger, le nom complet, l'adresse complète et le numéro d'identification bis attribué par le Service public fédéral Finances ou le numéro d'identification fiscal attribué dans le pays d'origine, ainsi que notamment, la période à laquelle se rapporte la déclaration, la base imposable, les exonérations, les imputations et le solde dû.
  Le Roi détermine les modalités, la forme et le contenu de la déclaration.
  La déclaration est introduite au plus tard le dernier jour ouvrable du mois suivant celui au cours duquel la taxe est due.
  La taxe est payable au plus tard le jour de l'expiration du délai d'introduction de la déclaration."
  b) le paragraphe 3 est complété par un alinéa, rédigé comme suit :
  "Toute inexactitude ou omission relative aux opérations exemptées constatée dans la déclaration visée au paragraphe 1er est punie d'une amende fiscale non proportionnelle de 80 euros à 500 euros par infraction. Le montant de cette amende est fixé d'après la nature et la gravité de l'infraction selon une échelle dont les graduations sont déterminées par le Roi."
Art. 86. Artikel 166/2 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 maart 2022, wordt opgeheven.
Art. 86. L'article 166/2 du même Code, inséré par la loi du 28 mars 2022, est abrogé.
Art. 87. Artikel 1791 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 28 december 2023, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 1791. De in artikel 177, 1°, 2° en 2° bis, bedoelde belastingschuldigen dienen alvorens de taks te betalen bij de bevoegde dienst en uiterlijk op de twintigste van de maand welke volgt op ofwel de maand waarin een premie inzake verzekeringen betreffende risico's die behoren tot de groep "Niet-Leven" vervallen is, ofwel de maand waarin een premie, werkgeversbijdrage of persoonlijke bijdrage inzake verzekeringen betreffende risico's die behoren tot de groep "Leven" betaald werd, een aangifte in met vermelding voor de belastingschuldige en, in voorkomend geval, zijn aansprakelijke vertegenwoordiger of hun lasthebber van de naam, het adres, het ondernemingsnummer in geval van rechtspersonen of het rijksregisternummer in geval van natuurlijke personen, alsook met name van de periode waarop de aangifte betrekking heeft, de belastbare basis, de vrijstellingen, de verrekeningen en het verschuldigd saldo.
  De jaarlijkse taks is betaalbaar uiterlijk op de dag waarop de indieningstermijn van de aangifte verstrijkt.
  Een voorschot op de in januari verschuldigde bedragen is betaalbaar de vijftiende van de eraan voorafgaande maand, na indiening van een ad hoc aangifte. Dit voorschot is gelijk aan het bedrag van de jaarlijks verschuldigde taks aan de tarieven bepaald in de artikelen 1751, § 1, en 1752 en betaald in november van het voorafgaande jaar.
  De Koning bepaalt de nadere regels, de vorm en de inhoud van de aangifte bedoeld in het eerste lid, en deze met betrekking tot de ad-hoc-aangifte bedoeld in het derde lid.
  Wanneer de aangifte bedoeld in het eerste of het derde lid niet binnen de vastgestelde termijnen ingediend is, wordt een boete verbeurd van 12,50 euro per week vertraging. Iedere begonnen week wordt voor een gehele week gerekend."
Art. 87. L'article 1791 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 28 décembre 2023, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 1791. Avant d'acquitter la taxe, les redevables visés à l'article 177, 1°, 2° et 2° bis introduisent auprès du service compétent et au plus tard le 20 du mois qui suit soit le mois de l'échéance d'une prime d'assurance relative à des risques appartenant au groupe "Non-vie", soit le mois au cours duquel une prime, une contribution patronale ou une contribution personnelle d'assurance relative à des risques appartenant au groupe "Vie" a été payée, une déclaration mentionnant pour le redevable et, le cas échéant, son représentant responsable ou leur mandataire, le nom, l'adresse, le numéro d'entreprise pour les personnes morales ou le numéro de registre national pour les personnes physiques, ainsi que notamment, la période à laquelle se rapporte la déclaration, la base imposable, les exonérations, les imputations et le solde dû.
  La taxe annuelle est payable au plus tard le jour de l'expiration du délai d'introduction de la déclaration.
  Un acompte sur les montants dus en janvier est payable le 15 du mois qui précède, après introduction d'une déclaration ad hoc. Cet acompte est égal au montant de la taxe annuelle due aux taux fixés aux articles 1751, § 1er, et 1752 et payée en novembre de l'année précédente.
  Le Roi détermine les modalités, la forme et le contenu de la déclaration visée à l'alinéa 1er et de ceux relatifs à la déclaration ad hoc visée à l'alinéa 3.
  Si la déclaration visée à l'alinéa 1er ou 3 n'est pas introduite dans les délais fixés, il est encouru une amende de 12,50 euros par semaine de retard. Toute semaine commencée est comptée comme complète."
Art. 88. Artikel 180 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 14 april 1933, 14 augustus 1947 en 22 juli 1993 en bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000 en bij de wet van 27 december 2005, wordt aangevuld met een tweede lid, luidende:
  "Iedere onjuistheid of onvolledigheid in de aangifte met betrekking tot de vrijgestelde verrichtingen wordt bestraft met een niet-proportionele fiscale boete van 80 euro tot 500 euro per inbreuk. Het bedrag van deze boete wordt bepaald volgens de aard en de ernst van de inbreuk volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.".
Art. 88. L'article 180 du même Code, modifié par les lois du 14 avril 1933, 14 août 1947 et 22 juillet 1993, et par l'arrêté royal du 20 juillet 2000 et par la loi du 27 décembre 2005, est complété par un alinéa 2 rédigé comme suit :
  "Toute inexactitude ou omission relative aux opérations exemptées constatée dans la déclaration est punie d'une amende fiscale non proportionnelle de 80 euros à 500 euros par infraction. Le montant de cette amende est fixé d'après la nature et la gravité de l'infraction selon une échelle dont les graduations sont déterminées par le Roi.".
Art. 89. Artikel 181 van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 13 augustus 1947, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 181. De Koning bepaalt de termijn binnen welke de terugbetaling bedoeld in artikel 20137/2, § 4 wordt gevraagd.".
Art. 89. L'article 181 du même Code, rétabli par la loi du 13 août 1947, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 181. Le Roi fixe le délai dans lequel la restitution visée à l'article 20137/2, § 4, est demandée.".
Art. 90. In artikel 183 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 april 2016, wordt het vierde lid opgeheven.
Art. 90. Dans l'article 183 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 27 avril 2016, l'alinéa 4 est abrogé.
Art. 91. Artikel 183octies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 7 december 1988 en gewijzigd bij de wet van 22 juli 1993, het koninklijk besluit van 20 juli 2000 en de wet van 20 november 2022, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 183octies. De belastingschuldige dient alvorens de taks te betalen bij de bevoegde dienst een aangifte in met vermelding voor de belastingschuldige en, in voorkomend geval, zijn aansprakelijke vertegenwoordiger of hun lasthebber van de naam, het adres, het ondernemingsnummer in geval van rechtspersonen of het rijksregisternummer in geval van natuurlijke personen, alsook met name het aanslagjaar, de belastbare basis, de vrijstellingen en het verschuldigde bedrag.
  De Koning bepaalt de nadere regels, de vorm en de inhoud van de aangifte.
  De aangifte wordt binnen drie maanden te rekenen vanaf de datum van de beslissing tot verdeling van de winstdeelnemingen, ingediend.
  De taks is betaalbaar uiterlijk op de dag waarop de indieningstermijn van de aangifte verstrijkt.
  Wanneer de aangifte niet binnen de bedoelde termijn werd ingediend, wordt een boete verbeurd van 12,50 euro per week vertraging. Iedere begonnen week wordt voor een gehele week gerekend."
Art. 91. L'article 183octies du même Code, inséré par la loi du 7 décembre 1988 et modifié par la loi du 22 juillet 1993, l'arrêté royal du 20 juillet 2000 et la loi du 20 novembre 2022, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 183octies. Avant d'acquitter la taxe, le redevable introduit auprès du service compétent une déclaration mentionnant pour le redevable et, le cas échéant, son représentant responsable ou leur mandataire, le nom, l'adresse, le numéro d'entreprise pour les personnes morales ou le numéro de registre national pour les personnes physiques, ainsi que notamment l'année d'imposition, la base imposable, les exonérations et le montant dû.
  Le Roi détermine les modalités, la forme et le contenu de la déclaration.
  La déclaration est introduite dans un délai de trois mois à compter de la date de la décision de répartition des participations bénéficiaires.
  La taxe est payable au plus tard le jour de l'expiration du délai d'introduction de la déclaration.
  Si la déclaration n'est pas introduite dans le délai fixé, il est encouru une amende de 12,50 euros par semaine de retard. Toute semaine commencée est comptée comme complète."
Art. 92. Artikel 183nonies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 7 december 1988 en gewijzigd bij de wet van 22 juli 1993 en bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000, wordt aangevuld met een tweede lid, luidende:
  "Iedere onjuistheid of onvolledigheid in de aangifte met betrekking tot de vrijgestelde verrichtingen wordt bestraft met een niet-proportionele fiscale boete van 80 euro tot 500 euro per inbreuk. Het bedrag van deze boete wordt bepaald volgens de aard en de ernst van de inbreuk volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld."
Art. 92. L'article 183nonies du même Code, inséré par la loi du 7 décembre 1988 et modifié par la loi du 22 juillet 1993 et par l'arrêté royal du 20 juillet 2000, est complété par un alinéa 2 rédigé comme suit :
  "Toute inexactitude ou omission relative aux opérations exemptées constatée dans la déclaration est punie d'une amende fiscale non proportionnelle de 80 euros à 500 euros par infraction. Le montant de cette amende est fixé d'après la nature et la gravité de l'infraction selon une échelle dont les graduations sont déterminées par le Roi."
Art. 93. Artikel 183decies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 7 december 1988, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 183decies. De Koning bepaalt de termijn binnen welke de terugbetaling bedoeld in artikel 20137/2, § 4 wordt gevraagd."
Art. 93. L'article 183decies du même Code, inséré par la loi du 7 décembre 1988, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 183decies. Le Roi fixe le délai dans lequel la restitution visée à l'article 20137/2, § 4 est demandée."
Art. 94. Artikel 1873 van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 28 december 1992 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000 en de wetten van 19 december 2014 en 20 november 2022, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 1873. De belastingschuldige dient alvorens de taks te betalen bij de bevoegde dienst een aangifte in met vermelding voor de belastingschuldige en, in voor komend geval, zijn lasthebber van de naam, het adres, het ondernemingsnummer in geval van rechtspersonen of het rijksregisternummer in geval van natuurlijke personen, alsook met name de periode waarop de aangifte betrekking heeft, de belastbare basis, de verrekeningen en het verschuldigd bedrag.
  De Koning bepaalt de nadere regels, de vorm en de inhoud van de aangifte.
  De aangifte wordt uiterlijk op de laatste werkdag van de maand die volgt op die waarin het belastbare feit zich heeft voorgedaan, ingediend.
  De taks is betaalbaar uiterlijk op de dag waarop de indieningstermijn van de aangifte verstrijkt.
  Wanneer de aangifte niet binnen de vastgestelde termijn is ingediend, wordt een boete verbeurd van 12,50 euro per week vertraging. Iedere begonnen week wordt voor een gehele week gerekend."
Art. 94. L'article 1873 du même Code, rétabli par la loi du 28 décembre 1992 et modifié par l'arrêté royal du 20 juillet 2000 et les lois des 19 décembre 2014 et 20 novembre 2022, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 1873. Avant d'acquitter la taxe, le redevable introduit auprès du service compétent une déclaration mentionnant pour le redevable et, le cas échéant, son mandataire, le nom, l'adresse, le numéro d'entreprise pour les personnes morales ou le numéro de registre national pour les personnes physiques, ainsi que notamment la période à laquelle se rapporte la déclaration, la base imposable, les imputations et le montant dû.
  Le Roi détermine les modalités, la forme et le contenu de la déclaration.
  La déclaration est introduite au plus tard le dernier jour ouvrable du mois suivant celui au cours duquel le fait générateur est intervenu.
  La taxe est payable au plus tard le jour de l'expiration du délai d'introduction de la déclaration.
  Si la déclaration n'est pas introduite dans le délai fixé, il est encouru une amende de 12,50 euros par semaine de retard. Toute semaine commencée est comptée comme complète."
Art. 95. Artikel 1874 van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 28 december 1992 en gewijzigd bij de wet van 22 juli 1993 en bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 1874. Iedere onjuistheid of onvolledigheid in de aangifte wordt bestraft met een boete gelijk aan vijfmaal de ontdoken taks, zonder dat ze minder dan 250 euro mag bedragen."
Art. 95. L'article 1874 du même Code, rétabli par la loi du 28 décembre 1992 et modifié par la loi du 22 juillet 1993 et par l'arrêté royal du 20 juillet 2000, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 1874. Toute inexactitude ou omission constatée dans la déclaration est punie d'une amende égale à cinq fois le droit éludé, sans qu'elle puisse être inférieure à 250 euros."
Art. 96. Artikel 1875 van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 28 december 1992, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 1875. De taks wordt verrekend overeenkomstig artikel 20137/2, § 2, of, op een met redenen omkleed verzoek en mits werkelijk voldaan, terugbetaald:
  1° wanneer de aangegeven taks meer bedraagt dan de taks die wettelijk verschuldigd was op het ogenblik van de betaling;
  2° wanneer het gaat om een verzekeringscontract bij leven waarvoor de verzekeraar, op het ogenblik dat de verzekerde gebeurtenis zich voordoet, van elke verbintenis bevrijd is."
Art. 96. L'article 1875 du même Code, rétabli par la loi du 28 décembre 1992, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 1875. La taxe est imputée conformément à l'article 20137/2, § 2, ou bien restituée sur demande motivée si elle a été effectivement acquittée :
  1° lorsque la taxe déclarée est supérieure à la taxe qui était légalement due au moment du paiement ;
  2° lorsqu'il s'agit d'un contrat d'assurance en cas de vie pour lequel l'assureur est libéré de tous engagements à l'arrivée de l'événement assuré."
Art. 99. In artikel 201/9/2, § 2, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 februari 2021, wordt tussen het eerste en tweede lid een lid ingevoegd, luidende:
  "Iedere onjuistheid of onvolledigheid in de aangifte met betrekking tot de vrijgestelde effectenrekeningen wordt bestraft met een niet-proportionele fiscale boete van 80 euro tot 500 euro per inbreuk. Het bedrag van deze boete wordt bepaald volgens de aard en de ernst van de inbreuk volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld."
Art. 99. Dans l'article 201/9/2, § 2, du même Code, inséré par la loi du 17 février 2021, un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 1er et 2 :
  "Toute inexactitude ou omission relative aux comptes-titres exemptés constatée dans la déclaration est punie d'une amende fiscale non proportionnelle de 80 euros à 500 euros par infraction. Le montant de cette amende est fixé d'après la nature et la gravité de l'infraction selon une échelle dont les graduations sont déterminées par le Roi."
Art. 101. In artikel 20114 van hetzelfde Wetboek ingevoegd bij de wet van 22 juni 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) in het eerste lid worden de woorden "op het bevoegde kantoor" opgeheven;
  b) in het derde lid worden de woorden "de nadere regels," ingevoegd tussen de woorden "De Koning bepaalt" en de woorden "de vorm".
Art. 101. A l'article 20114 du même Code inséré par la loi du 22 juin 2012, les modifications suivantes sont apportées :
  a) dans l'alinéa 1er, les mots "au bureau compétent" sont abrogés ;
  b) dans l'alinéa 3, les mots "les modalités," sont insérés entre les mots "Le Roi détermine" et les mots "la forme".
Art. 102. In artikel 20117, tweede lid van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 22 juni 2012, worden de woorden "de nadere regels," ingevoegd tussen de woorden "De Koning bepaalt" en de woorden "de wijze".
Art. 102. Dans l'article 20117, alinéa 2, du même Code, inséré par la loi du 22 juin 2012, les mots "les modalités," sont insérés entre les mots "Le Roi détermine" et les mots "le mode".
Art. 103. In artikel 20125 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 13 april 2019 en gewijzigd bij de wet van 7 februari 2021, worden de woorden "de nadere regels," ingevoegd tussen de woorden "De Koning bepaalt" en de woorden "de vorm".
Art. 103. Dans l'article 20125 du même Code, inséré par la loi du 13 avril 2019 et modifié par la loi du 7 février 2021, les mots "les modalités," sont insérés entre les mots "Le Roi arrête" et les mots "la forme".
Art. 104. In artikel 20127, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 13 april 2019, worden de woorden "de nadere regels," ingevoegd tussen de woorden "De Koning bepaalt" en de woorden "de wijze".
Art. 104. Dans l'article 20127, alinéa 2, du même Code, inséré par la loi du 13 avril 2019, les mots "les modalités," sont insérés entre les mots "Le Roi détermine" et les mots "le mode".
Art. 105. In artikel 20134 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 13 april 2019 en gewijzigd bij de wet van 7 februari 2021, worden de woorden "de nadere regels," ingevoegd tussen de woorden "De Koning bepaalt" en de woorden "de vorm".
Art. 105. Dans l'article 20134 du même Code, inséré par la loi du 13 avril 2019 et modifié par la loi du 7 février 2021, les mots "les modalités," sont insérés entre les mots "Le Roi arrête" et les mots "la forme".
Art. 106. In artikel 20136, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 13 april 2019, worden de woorden "de nadere regels," ingevoegd tussen de woorden "De Koning bepaalt" en de woorden "de wijze".
Art. 106. Dans l'article 20136, alinéa 2, du même Code, inséré par la loi du 13 avril 2019, les mots "les modalités," sont insérés entre les mots "Le Roi détermine" et les mots "le mode".
Art. 107. In boek II, titel XIV, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 20137/2 ingevoegd, luidende:
  "Art. 20137/2. § 1. In geval van aangifte van een bedrag hoger dan het verschuldigde bedrag kan het te veel aangegeven bedrag worden verrekend overeenkomstig paragraaf 2, of, in geval van werkelijke betaling, op met redenen omkleed verzoek teruggegeven.
  In afwijking van het eerste lid kan, wanneer de wettelijke grondslag van een taks wordt betwist, alleen een verzoek tot teruggave worden ingediend.
  § 2. Voor de taksen bedoeld in boek II, titels I, III, V, VIII en IX, kan de belastingschuldige een teveel aangegeven verschuldigd bedrag van de taks of het voorschot verrekenen in een daarop volgende aangifte met opgave van het identificatienummer van de oorspronkelijke aangifte indien de aangifte elektronisch wordt ingediend, of, in geval er geen identificatienummer is, de betrokken periode, en de initieel aangegeven bedragen van de te corrigeren verrichtingen en taksen, het totaal bedrag van de te verrekenen taks en het saldo na verrekening, alsook de oorzaak van de verrekening, zonder dat deze aangifte evenwel een negatief saldo mag vertonen. Kan een verrekening niet volledig verrekend worden op de erop volgende aangifte, kan deze op de daaropvolgende aangiftes verrekend worden uiterlijk binnen de zes maanden volgend op de periode waarop de oorspronkelijke aangifte betrekking heeft waarin het teveel aangegeven bedrag werd vermeld of, in geval van een aangifte met betrekking tot de belasting op aanplakking, binnen de zes maanden volgend op de datum waarop de oorspronkelijke aangifte betrekking heeft waarin het teveel aangegeven bedrag werd vermeld.
  De verrekening van een te veel aangegeven bedrag doet het recht op terugbetaling vervallen voor ditzelfde bedrag.
  § 3. Voor alle taksen kan de belastingschuldige een te weinig aangegeven verschuldigd bedrag van de taks rechtzetten in een daaropvolgende aangifte met betrekking tot dezelfde periode met vermelding van de juist verschuldigde taks verminderd met het bedrag van de reeds aangegeven taks. De rechtzetting kan, zonder dat de aangifte als onnauwkeurig wordt gekwalificeerd, gebeuren tot de kennisgeving van de eerste onderzoeksdaad tot controle van de verschuldigde taks.
  § 4. Op straffe van onontvankelijkheid van het verzoek is een verzoek tot terugbetaling van een teveel aangegeven verschuldigd bedrag van de taks met redenen omkleed en bevat het alle elementen die een controle mogelijk maken, te weten dezelfde vermeldingen als de oorspronkelijke aangifte en de datum en bedrag van de betaling en wordt het gericht aan de bevoegde dienst.
  Een verzoek tot terugbetaling van een teveel aangegeven bedrag doet het recht tot verrekening vervallen met betrekking tot hetzelfde bedrag.
  De fiscale administratie beschikt over een termijn van zes maanden vanaf de indiening van het verzoek tot terugbetaling om zich uit te spreken over dit verzoek. Artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek is van toepassing op dit verzoek.
  De Koning bepaalt de nadere regels, de vorm en de inhoud van het formulier tot verzoek tot terugbetaling."
Art. 107. Dans le livre II, titre XIV, du même Code, il est inséré un article 20137/2 rédigé comme suit :
  "Art. 20137/2. § 1er. En cas de déclaration d'un montant supérieur au montant dû, l'excédent du montant déclaré peut être imputé conformément au paragraphe 2, ou, s'il a été effectivement payé, restitué sur demande motivée.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, lorsque le fondement légal d'une taxe est contesté, seule une demande de restitution peut être introduite.
  § 2. En ce qui concerne les taxes visées au livre II, titres I, III, V, VIII et IX, le redevable peut imputer un montant déclaré en excédent de la taxe due ou de l'acompte dans une déclaration ultérieure, en fournissant le numéro d'identification de la déclaration initiale si la déclaration est introduite de manière électronique, ou, en l'absence de numéro d'identification, la période concernée et les montants initialement déclarés des opérations et taxes à corriger, le montant total de la taxe à imputer et le solde après imputation, ainsi que la cause de l'imputation, sans toutefois que cette déclaration puisse faire apparaître un solde négatif. Si une imputation ne peut pas être effectuée intégralement dans la déclaration suivante, elle peut l'être dans les déclarations ultérieures introduites au plus tard dans les six mois qui suivent la période à laquelle se rapporte la déclaration initiale dans laquelle le montant déclaré en excédent a été mentionné ou, dans le cas d'une déclaration concernant la taxe d'affichage, dans les six mois qui suivent la date à laquelle se rapporte la déclaration initiale dans laquelle le montant déclaré en excédent a été mentionné.
  L'imputation d'un montant déclaré en excédent annule le droit à la restitution de ce même montant.
  § 3. Pour toutes les taxes, le redevable peut rectifier une insuffisance de déclaration d'un montant de taxe due dans une déclaration ultérieure relative à la même période, en indiquant la taxe correctement due diminuée du montant de la taxe déjà déclarée. La rectification peut, sans que la déclaration soit qualifiée d'inexacte, avoir lieu jusqu'à la notification du premier acte d'investigation visant à contrôler la taxe due.
  § 4. Sous peine d'irrecevabilité de la demande, la demande motivée de restitution d'un montant déclaré en excédent de la taxe due contient tous les éléments permettant d'effectuer un contrôle, à savoir les mêmes mentions que celles de la déclaration originale ainsi que la date et le montant du paiement, et est adressée au service compétent.
  Une demande de restitution d'un montant déclaré en excédent annule le droit à imputation de ce même montant.
  L'administration fiscale dispose d'un délai de six mois à dater de l'introduction de la demande de restitution pour se prononcer sur cette demande. L'article 1385undecies du Code judiciaire est applicable à cette demande.
  Le Roi détermine les modalités, la forme et le contenu du formulaire de demande de restitution."
Art. 108. In boek III, titel II, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 2028/1 ingevoegd, luidende:
  "Art. 2028/1. Een verzoek tot terugbetaling met betrekking tot een aangifte, ingediend bij de administratie binnen de voorziene vervaltermijn, heeft de schorsing van de verjaring voor de in dit verzoek opgenomen bedrag tot gevolg totdat de fiscale administratie zich uitspreekt over dit verzoek."
Art. 108. Dans le livre III, titre II, du même Code, il est inséré un article 2028/1 rédigé comme suit :
  "Art. 2028/1. Une demande de restitution relative à une déclaration, introduite auprès de l'administration dans le délai prévu, entraîne la suspension de la prescription pour le montant repris dans cette demande jusqu'à ce que l'administration fiscale se soit prononcée sur cette demande."
Art. 109. In artikel 2051, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 28 juli 1938, hernummerd bij het koninklijk besluit nr. 63 van 28 november 1939, gewijzigd bij het regentsbesluit van 25 november 1947 en bij de wetten van 10 juli 1969, 2 mei 2002, 19 december 2006, 25 april 2014, 27 april 2016 en 18 mei 2022, worden de woorden ", handelende krachtens een bijzondere machtiging van de administrateur-generaal van deze administratie," opgeheven.
Art. 109. Dans l'article 2051, alinéa 1er, du même Code, remplacé par la loi du 28 juillet 1938, renuméroté par l'arrêté royal n° 63 du 28 novembre 1939, modifié par l'arrêté du Régent du 25 novembre 1947 et par les lois du 10 juillet 1969, 2 mai 2002, 19 décembre 2006, 25 avril 2014, 27 avril 2016 et 18 mai 2022, les mots ", agissant en vertu d'une autorisation spéciale de l'administrateur général de cette administration," sont abrogés.
Art. 110. De artikelen 83 tot 107 treden in werking op 1 januari 2028. De Koning kan per taks en voor alle of bepaalde categorieën van belastingschuldigen een vroegere inwerkingtreding voorzien.
Art. 110. Les articles 83 à 107 entrent en vigueur le 1er janvier 2028. Le Roi peut déterminer une entrée en vigueur anticipée par taxe et pour toutes ou certaines catégories de redevables.
Art. 111. In de gevallen dat het belastbaar feit van de taks plaatsvindt in een periode voorafgaand aan de inwerkingtreding van de bepalingen die op haar van toepassing zijn in toepassing van dit hoofdstuk, blijven de bepalingen die van toepassing waren vóór deze inwerkingtreding van toepassing.
Art. 111. Dans les cas où le fait générateur d'une taxe a lieu au cours d'une période précédant l'entrée en vigueur des dispositions qui lui sont applicables en vertu du présent chapitre, les dispositions qui étaient applicables avant cette entrée en vigueur restent d'application.
TITEL 9. - INVOERING VAN HET BEGRIP "STAATSREKENING" EN BIJHORENDE DEFINITIE
TITRE 9. - INTRODUCTION DE LA NOTION DE "COMPTE D'ETAT" ET DEFINITION ASSOCIEE
Art. 112. Een Staatsrekening is een financiële rekening, geopend bij een door de Staat aangewezen financiële instelling en voorbehouden aan:
  1° de Staat;
  2° de institutionele eenheden bedoeld in artikel 114 van de wet van 21 december 2013 houdende diverse fiscale en financiële bepalingen;
  3° met akkoord van de Staat, andere personen van publiek recht of van privaat recht;
  4° de Nationale Bank van België.
Art. 112. Un compte d'Etat est un compte financier ouvert auprès d'une institution financière désignée par l'Etat et réservé à :
  1° l'Etat ;
  2° les unités institutionnelles visées à l'article 114 de la loi du 21 décembre 2013 portant des dispositions fiscales et financières diverses ;
  3° avec l'accord de l'Etat, d'autres personnes de droit public ou privé ;
  4° la Banque nationale de Belgique.
Art. 113. Een staatsrekening kent de identificatiecode "679", zijnde de eerste drie cijfers van een Belgisch IBAN-nummer, en is toegekend aan een financiële instelling zoals opgenomen in de codelijst van financiële instellingen bij de Nationale Bank van België.
  Deze identificatiecode kent het principe van overdraagbaarheid. Dit wil zeggen dat de opdrachtnemer de identificatiecode na de duur van deze opdracht kosteloos overdraagt aan de nieuwe opdrachtnemer. De Nationale Bank van België stelt hiertoe dan de identificatiecode ter beschikking aan de nieuwe opdrachtnemer en past in die zin de codelijst aan.
  De identificatiecode maakt integraal deel uit van het IBAN-nummer. Aldus draagt de opdrachtnemer, het IBAN-nummer, na de duur van deze opdracht, kosteloos over aan de nieuwe opdrachtnemer, om redenen van continuïteit van de openbare dienst.
Art. 113. Un compte d'Etat porte le code d'identification "679", soit les trois premiers chiffres d'un numéro IBAN belge, et est attribué à une institution financière, telle qu'elle figure dans la liste de codes des institutions financières de la Banque nationale de Belgique.
  Ce code d'identification est soumis au principe de transférabilité. Cela signifie que le contractant transfère gratuitement le code d'identification au nouveau contractant après la durée dudit contrat. La Banque nationale de Belgique met alors le code d'identification à la disposition du nouveau contractant et adapte en conséquence la liste des codes.
  Le code d'identification fait partie intégrante du numéro IBAN. Ainsi, le contractant transfère gratuitement le numéro IBAN au nouveau contractant après la durée dudit contrat pour des raisons de continuité du service public.
TITEL 10. - VERLAAGD BTW-TARIEF MET BETREKKING TOT DE AFBRAAK EN DE HEROPBOUW VAN WONINGEN
TITRE 10. - TAUX DE T.V.A. REDUIT EN CE QUI CONCERNE LA DEMOLITION ET LA RECONSTRUCTION DE BATIMENTS D'HABITATION
Art. 114. Rubriek XXXVII van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en diensten bij die tarieven, ingevoegd bij de programmawet van 27 december 2006 en vervangen bij de programmawet van 22 december 2023, wordt vervangen als volgt:
  "XXXVII. Afbraak en heropbouw van woningen
  § 1. Het verlaagd tarief van zes pct. is van toepassing op het werk in onroerende staat en de andere in rubriek XXXI, § 3, 3° tot 6°, opgesomde handelingen die tot voorwerp hebben de afbraak van een gebouw en de daarmee gepaard gaande heropbouw van een woning bestemd voor bewoning door de bouwheer-natuurlijke persoon en gelegen op hetzelfde kadastraal perceel als dat gebouw.
  Het voordeel van het verlaagd tarief is onderworpen aan de volgende voorwaarden:
  1° de handelingen hebben betrekking op een gebouw dat, na de uitvoering van de werken:
  a) op het ogenblik van de eerste ingebruikneming of eerste inbezitneming, als enige woning en hoofdzakelijk als eigen woning in de zin van artikel 5/5, § 4, tweede tot achtste lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten wordt gebruikt door de bouwheer-natuurlijke persoon die er zonder uitstel zijn domicilie zal hebben;
  b) een totale bewoonbare oppervlakte heeft van niet meer dan 200 m2;
  2° de bouwheer-natuurlijke persoon:
  a) verstuurt vóór het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt overeenkomstig de artikelen 22 en 22bis, § 1, van het Wetboek, een verklaring aan het elektronisch adres aangeduid door de minister van Financiën of zijn gemachtigde. Deze verklaring vermeldt dat het gebouw dat hij laat afbreken en heroprichten bedoeld is om als enige woning en hoofdzakelijk als eigen woning in de zin van artikel 5/5, § 4, tweede tot achtste lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten te worden gebruikt door de bouwheer-natuurlijke persoon die er zonder uitstel zijn domicilie zal hebben en een totale bewoonbare oppervlakte zal hebben van niet meer dan 200 m2, en is vergezeld van een afschrift van:
  - de omgevingsvergunning;
  - het (de) aannemingscontract(en);
  b) overhandigt aan de dienstverrichter(s) een afschrift van de verklaring bedoeld in de bepaling onder a);
  3° het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt overeenkomstig de artikelen 22 en 22bis, § 1, van het Wetboek, doet zich voor uiterlijk op 31 december van het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van de woning;
  4° de door de dienstverrichter uitgereikte facturen en de dubbels die hij bewaart, vermelden, op basis van het afschrift van de verklaring bedoeld in de bepaling onder 2°, b), het voorhanden zijn van de elementen die de toepassing van het verlaagd tarief rechtvaardigen; behalve in geval van samenspanning tussen de partijen of de klaarblijkelijke niet-naleving van onderhavige bepaling, ontlast de verklaring van de afnemer bedoeld in de bepaling onder 2°, a), de dienstverrichter van de aansprakelijkheid betreffende de vaststelling van het tarief.
  Voor de toepassing van het tweede lid, 1°, a), wordt om te bepalen of de woning de enige woning is die de bouwheer-natuurlijke persoon zelf betrekt, geen rekening gehouden met:
  - andere woningen waarvan hij, ingevolge erfenis, mede-eigenaar, naakte eigenaar of vruchtgebruiker is;
  - een andere woning die hij bewoont als eigen woning waar hij zijn domicilie heeft gevestigd en die uiterlijk op 31 december van het jaar dat volgt op het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van de woning bedoeld in het tweede lid, 1°, a), is verkocht.
  Het verlaagd tarief is niet van toepassing op:
  1° werken in onroerende staat en andere onroerende handelingen die geen betrekking hebben op de eigenlijke woning, zoals bebouwingswerkzaamheden, tuinaanleg en oprichten van afsluitingen;
  2° werken in onroerende staat en andere onroerende handelingen die tot voorwerp hebben de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van zwembaden, sauna's, midgetgolfbanen, tennisterreinen en dergelijke installaties;
  3° gehele of gedeeltelijke reiniging van een woning.
  § 2. Het verlaagd tarief van zes pct. is van toepassing op het werk in onroerende staat en de andere in rubriek XXXI, § 3, 3° tot 6°, opgesomde handelingen die tot voorwerp hebben de afbraak van een gebouw en de daarmee gepaard gaande heropbouw van een woning bestemd voor langdurende verhuur aan of door tussenkomst van een in het tweede lid, 1°, bedoeld organisme en gelegen op hetzelfde kadastraal perceel als dat gebouw.
  Het voordeel van het verlaagd tarief is onderworpen aan de volgende voorwaarden:
  1° de handelingen hebben betrekking op een gebouw dat, na de uitvoering van de werken, door de bouwheer als woning wordt verhuurd:
  a) aan een sociaal verhuurkantoor dan wel aan een door de bevoegde overheid inzake sociaal huisvestingsbeleid erkende maatschappij voor sociale huisvesting of andere publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersoon met sociaal oogmerk;
  b) in het kader van een door de bouwheer toegekend beheersmandaat aan een sociaal verhuurkantoor dan wel aan een door de bevoegde overheid inzake sociaal huisvestingsbeleid erkende maatschappij voor sociale huisvesting of andere publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersoon met sociaal oogmerk;
  2° de bouwheer:
  a) verstuurt vóór het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt overeenkomstig de artikelen 22 en 22bis, § 1, van het Wetboek, een verklaring aan het elektronisch adres aangeduid door de minister van Financiën of zijn gemachtigde. Deze verklaring vermeldt dat het gebouw dat hij laat afbreken en heroprichten bedoeld is om gedurende een periode van ten minste vijftien jaar aan of door bemiddeling van een sociaal verhuurkantoor dan wel aan of door bemiddeling van een door de bevoegde overheid inzake sociaal huisvestingsbeleid erkende maatschappij voor sociale huisvesting of andere publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersoon met sociaal oogmerk te verhuren als woning en is vergezeld van een afschrift van:
  - de omgevingsvergunning;
  - het (de) aannemingscontract(en);
  b) overhandigt aan de dienstverrichter(s) een afschrift van de verklaring bedoeld in de bepaling onder a);
  3° het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt overeenkomstig de artikelen 22 en 22bis, § 1, van het Wetboek, doet zich voor uiterlijk op 31 december van het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van de woning;
  4° de door de dienstverrichter uitgereikte facturen en de dubbels die hij bewaart, vermelden, op basis van het afschrift van de verklaring bedoeld in de bepaling onder 2°, b), het voorhanden zijn van de elementen die de toepassing van het verlaagd tarief rechtvaardigen; behalve in geval van samenspanning tussen de partijen of de klaarblijkelijke niet-naleving van onderhavige bepaling, ontlast de verklaring van de afnemer bedoeld in de bepaling onder 2°, a), de dienstverrichter van de aansprakelijkheid betreffende de vaststelling van het tarief.
  Het verlaagd tarief is niet van toepassing op:
  1° werken in onroerende staat en andere onroerende handelingen die geen betrekking hebben op de eigenlijke woning, zoals bebouwingswerkzaamheden, tuinaanleg en oprichten van afsluitingen;
  2° werken in onroerende staat en andere onroerende handelingen die tot voorwerp hebben de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van zwembaden, sauna's, midgetgolfbanen, tennisterreinen en dergelijke installaties;
  3° gehele of gedeeltelijke reiniging van een woning.
  § 3. Het verlaagd tarief van zes pct. is van toepassing op de levering van woningen en het bijhorend terrein, alsook op de vestiging, overdracht of wederoverdracht van de zakelijke rechten in de zin van artikel 9, tweede lid, 2°, van het Wetboek, op een woning en het bijhorend terrein, die niet overeenkomstig artikel 44, § 3, 1°, van het Wetboek van de belasting zijn vrijgesteld, door de belastingplichtige die de afbraak van een gebouw en de daarmee gepaard gaande heropbouw heeft uitgevoerd van een woning gelegen op hetzelfde kadastraal perceel als dat gebouw, wanneer:
  1° de aanvraag voor de omgevingsvergunning met betrekking tot de handelingen inzake de heropbouw van een woning werd ingediend bij de bevoegde overheid vóór 1 juli 2023;
  2° de op die handelingen verschuldigde belasting uiterlijk op 31 december 2024 opeisbaar is overeenkomstig artikel 17, § 1, van het Wetboek.
  Het voordeel van het verlaagd tarief is onderworpen aan de volgende voorwaarden:
  1° de handeling bedoeld in het eerste lid heeft betrekking op een woning die, na de levering:
  a) hetzij op het tijdstip van de eerste ingebruikneming of eerste inbezitneming als enige woning en hoofdzakelijk als eigen woning in de zin van artikel 5/5, § 4, tweede tot achtste lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten wordt gebruikt door de verkrijger-natuurlijke persoon die er zonder uitstel zijn domicilie zal hebben en een totale bewoonbare oppervlakte heeft van niet meer dan 200 m2;
  b) hetzij door de verkrijger aan een sociaal verhuurkantoor dan wel aan een door de bevoegde overheid inzake sociaal huisvestingsbeleid erkende maatschappij voor sociale huisvesting wordt verhuurd of wordt verhuurd in het kader van een door de verkrijger aan hen toegekend beheersmandaat;
  2° de leverancier:
  a) verstuurt vóór het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt overeenkomstig artikel 17, § 1, van het Wetboek, of, in geval van een verkoop op plan, vóór het tijdstip waarop het belastbaar feit zich voordoet overeenkomstig artikel 16, § 1, eerste lid, van het Wetboek, een verklaring aan het elektronisch adres aangeduid door de minister van Financiën of zijn gemachtigde. Deze verklaring, medeondertekend door de verkrijger van het gebouw, vermeldt dat het gebouw dat de leverancier heeft laten afbreken en heroprichten en het voorwerp uitmaakt van een handeling bedoeld in het eerste lid, bedoeld is om hetzij, als enige woning en hoofdzakelijk als eigen woning in de zin van artikel 5/5, § 4, tweede tot achtste lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten te worden gebruikt door de verkrijger-natuurlijke persoon die er zonder uitstel zijn domicilie zal hebben waarbij die woning een totale bewoonbare oppervlakte zal hebben van niet meer dan 200 m2, hetzij om door de verkrijger aan een sociaal verhuurkantoor dan wel aan een door de bevoegde overheid inzake sociaal huisvestingsbeleid erkende maatschappij voor sociale huisvesting te worden verhuurd of te worden verhuurd in het kader van een aan hen toegekend beheersmandaat, en is vergezeld van een afschrift van:
  - de omgevingsvergunning;
  - het (de) aannemingscontract(en) met betrekking tot de afbraak van het gebouw en de heropbouw van de woning;
  - het compromis of de authentieke akte met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde handeling;
  b) overhandigt een afschrift van de in de bepaling onder a) bedoelde verklaring aan zijn medecontractant(en);
  3° de door de leverancier van de goederen uitgereikte facturen en de dubbels die hij bewaart alsook de overeenkomsten of de authentieke akten met betrekking tot de handelingen bedoeld in het eerste lid, vermelden, op basis van het afschrift van de verklaring bedoeld in de bepaling onder 2°, b), het voorhanden zijn van de elementen die de toepassing van het verlaagd tarief rechtvaardigen; behalve in geval van samenspanning tussen de partijen of klaarblijkelijk niet-naleving van onderhavige bepaling, ontlast de medeondertekening van de verkrijger van de verklaring bedoeld in de bepaling onder 2°, a), de leverancier van de goederen van de aansprakelijkheid betreffende de vaststelling van het tarief.
  Voor de toepassing van het tweede lid, 1°, a), wordt om te bepalen of de woning de enige woning is die de verkrijger-natuurlijke persoon zelf betrekt, geen rekening gehouden met:
  - andere woningen waarvan hij, ingevolge erfenis, mede-eigenaar, naakte eigenaar of vruchtgebruiker is;
  - een andere woning die hij betrekt als eigen woning waar hij zijn domicilie heeft gevestigd en die uiterlijk op 31 december van het jaar dat volgt op het jaar van ingebruikneming of inbezitneming van de woning bedoeld in het tweede lid, 1°, a), is verkocht.
  Het verlaagd tarief is niet van toepassing op het gedeelte van de prijs van de levering dat betrekking heeft op zwembaden, sauna's, midgetgolfbanen, tennisterreinen en dergelijke installaties.
  § 4. Het verlaagd tarief van zes pct. is van toepassing op het werk in onroerende staat en de andere in rubriek XXXI, § 3, 3° tot 6°, opgesomde handelingen die tot voorwerp hebben de afbraak van een gebouw en de daarmee gepaard gaande heropbouw van een woning bestemd voor langdurende verhuur en gelegen op hetzelfde kadastraal perceel als dat gebouw.
  Het voordeel van het verlaagd tarief is onderworpen aan de volgende voorwaarden:
  1° de handelingen hebben betrekking op een gebouw dat na de uitvoering van de werken:
  a) door de bouwheer als woning wordt verhuurd aan een natuurlijke persoon die er zonder uitstel zijn domicilie zal hebben;
  b) een totale bewoonbare oppervlakte heeft van niet meer dan 200 m2;
  2° de bouwheer:
  a) verstuurt vóór het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt overeenkomstig de artikelen 22 en 22bis, § 1, van het Wetboek, een verklaring aan het elektronisch adres aangeduid door de minister van Financiën of zijn gemachtigde. Deze verklaring vermeldt dat het gebouw dat hij laat afbreken en heroprichten bedoeld is om als woning te verhuren aan een natuurlijk persoon die er zonder uitstel zijn domicilie zal hebben en is vergezeld van een afschrift van:
  - de omgevingsvergunning;
  - het (de) aannemingscontract(en);
  b) overhandigt aan de dienstverrichter(s) een afschrift van de verklaring bedoeld in de bepaling onder a);
  3° het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt overeenkomstig de artikelen 22 en 22bis, § 1, van het Wetboek, doet zich voor uiterlijk op 31 december van het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van de woning;
  4° de door de dienstverrichter uitgereikte facturen en de dubbels die hij bewaart, vermelden, op basis van het afschrift van de verklaring bedoeld in de bepaling onder 2°, b), het voorhanden zijn van de elementen die de toepassing van het verlaagd tarief rechtvaardigen; behalve in geval van samenspanning tussen de partijen of de klaarblijkelijke niet-naleving van onderhavige bepaling, ontlast de verklaring van de afnemer bedoeld in de bepaling onder 2°, a), de dienstverrichter van de aansprakelijkheid betreffende de vaststelling van het tarief.
  Het verlaagd tarief is niet van toepassing op:
  1° werken in onroerende staat en andere onroerende handelingen die geen betrekking hebben op de eigenlijke woning, zoals bebouwingswerkzaamheden, tuinaanleg en oprichten van afsluitingen;
  2° werken in onroerende staat en andere onroerende handelingen die tot voorwerp hebben de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van zwembaden, sauna's, midgetgolfbanen, tennisterreinen en dergelijke installaties;
  3° gehele of gedeeltelijke reiniging van een woning.
  § 5. De voorwaarden bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 1°, en paragraaf 3, tweede lid, 1°, a), blijven vervuld gedurende een periode die ten vroegste eindigt op:
  1° wat de afbraak van een gebouw en heropbouw van een woning betreft, 31 december van het vijfde jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van de woning door de bouwheer-natuurlijke persoon;
  2° wat de levering van een woning en het bijhorend terrein en de vestiging, overdracht en wederoverdracht van zakelijke rechten op een woning en het bijhorend terrein die niet zijn vrijgesteld van de belasting overeenkomstig artikel 44, § 3, 1°, van het Wetboek, betreft, 31 december van het vijfde jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van de woning door de verkrijger-natuurlijke persoon.
  Indien zich tijdens de voormelde periode wijzigingen voordoen waardoor de voorwaarden bedoeld in respectievelijk paragraaf 1, tweede lid, 1°, en paragraaf 3, tweede lid, 1°, a), niet meer vervuld zijn:
  1° maakt de bouwheer-natuurlijke persoon of de verkrijger-natuurlijke persoon daar melding van in een verklaring die hij toestuurt aan het elektronisch adres aangeduid door de minister van Financiën of zijn gemachtigde, binnen de termijn van drie maanden vanaf de datum waarop de wijzigingen aanvangen;
  2° stort de bouwheer-natuurlijke persoon of de verkrijger-natuurlijke persoon, binnen de termijn bedoeld in 1°, het belastingvoordeel dat hij heeft genoten terug aan de Staat voor het jaar waarin de wijziging zich voordoet en voor de nog te lopen jaren tot beloop van een vijfde per jaar.
  De in het tweede lid, 2°, bedoelde storting wordt niet uitgevoerd in geval van overlijden van de bouwheer-natuurlijke persoon of van de verkrijger-natuurlijke persoon of bij elk behoorlijk verantwoord geval van overmacht dat hem definitief verhindert nog te voldoen aan de voorwaarden bedoeld in respectievelijk paragraaf 1, tweede lid, 1°, en paragraaf 3, tweede lid, 1°, a).
  § 6. De voorwaarden bedoeld in paragraaf 2, tweede lid, 1°, paragraaf 3, tweede lid, 1°, b), en paragraaf 4, tweede lid, 1°, blijven vervuld gedurende een periode die ten vroegste eindigt op 31 december van het vijftiende jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming of eerste inbezitneming van de woning. Die minimumverhuurtermijn wordt, al naargelang het geval, vastgelegd in de met het sociaal verhuurkantoor dan wel met de door de bevoegde overheid inzake sociaal huisvestingsbeleid erkende maatschappij voor sociale huisvesting of andere publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersoon met sociaal oogmerk afgesloten verhuurovereenkomst of overeenkomst inzake het beheersmandaat, of vloeit voort uit de geregistreerde huurovereenkomst of de opeenvolgende geregistreerde huurovereenkomsten, gesloten met de huurder(s).
  Indien zich tijdens de voormelde periode wijzigingen voordoen waardoor de voorwaarden bedoeld in respectievelijk paragraaf 2, tweede lid, 1°, paragraaf 3, tweede lid, 1°, b), of paragraaf 4, tweede lid, 1°, niet meer vervuld zijn:
  1° maakt de bouwheer of de verkrijger daar melding van in een verklaring die hij toestuurt aan het elektronisch adres aangeduid door de minister van Financiën of zijn gemachtigde, binnen de termijn van drie maanden vanaf de datum waarop de wijzigingen aanvangen;
  2° stort de bouwheer of de verkrijger, binnen de termijn bedoeld in 1°, het belastingvoordeel dat hij heeft genoten terug aan de Staat voor het jaar waarin de wijziging zich voordoet en voor de nog te lopen jaren, tot beloop van een vijftiende per jaar.
  De in het tweede lid, 2°, bedoelde storting wordt niet uitgevoerd bij elk behoorlijk verantwoord geval van overmacht dat de bouwheer of de verkrijger definitief verhindert nog te voldoen aan de voorwaarden bedoeld in respectievelijk paragraaf 2, tweede lid, 1°, paragraaf 3, tweede lid, 1°, b), en paragraaf 4, tweede lid, 1°.
  § 7. Voor de toepassing van deze rubriek wordt de totale bewoonbare oppervlakte van een eengezinswoning bepaald door de oppervlakten van alle woonvertrekken samen te tellen, gemeten vanaf en tot de binnenkanten van de opgaande muren.
  Voor de toepassing van deze rubriek wordt de totale bewoonbare oppervlakte van een appartement bepaald door de oppervlakten van alle vlakke delen van woonvertrekken van het appartement samen te tellen, gemeten vanaf en tot de binnenkant van de gemeenschappelijke muren. De oppervlakte van gemeenschappelijke delen of ruimten, met inbegrip van plat dak, centrale hal, trappen en de buitenzijde wordt niet in aanmerking genomen.
  Voor de toepassing van deze rubriek wordt de totale bewoonbare oppervlakte van een wooneenheid die deel uitmaakt van een geïntegreerd vastgoedproject van gemeenschappelijk wonen bepaald door de oppervlakten van alle woonvertrekken van die wooneenheid samen te tellen, gemeten vanaf en tot de binnenkant van de gemeenschappelijke muren. De oppervlakte van de woonvertrekken voor gemeenschappelijk gebruik door de bewoners van de verschillende wooneenheden van het project, wordt ten aanzien van elke individuele wooneenheid van het project slechts in aanmerking genomen in evenredigheid met aan het aantal wooneenheden van het project.
  Voor de toepassing van deze paragraaf worden als woonvertrekken beschouwd, de keukens, de woonkamers, de eetkamers, de slaapkamers, de bewoonbare zolder- en kelderruimten, de bureaus en alle andere voor huisvesting bedoelde ruimtes. Worden gelijkgesteld met woonvertrekken, alle voor de uitoefening van een economische activiteit gebruikte ruimtes.
  Voor de toepassing van deze paragraaf wordt de oppervlakte van de woonvertrekken bedoeld in het vierde lid maar in aanmerking genomen op voorwaarde dat die vertrekken een minimumoppervlakte hebben van 4 m2 en een minimumhoogte boven de vloer van 2 meter.
  De Koning kan deze paragraaf wijzigen, aanvullen, vervangen of opheffen.
  § 8. Deze rubriek, in de versie die van toepassing is op 31 december 2023, blijft van toepassing op de in die rubriek bedoelde handelingen die niet bedoeld zijn in deze rubriek in de versie van toepassing na 31 december 2023, wanneer:
  1° de aanvraag voor de omgevingsvergunning met betrekking tot de handelingen inzake de heropbouw van de woning werd ingediend bij de bevoegde overheid vóór 1 januari 2024;
  2° de op die handelingen verschuldigde belasting uiterlijk op 31 december 2024 opeisbaar is overeenkomstig artikelen 22 en 22bis, § 1, van het Wetboek.
  § 9. De handelingen bedoeld in deze rubriek, in de versie van toepassing op 31 december 2023, maken het voorwerp uit van de in paragraaf 1, tweede lid, 2°, of in paragraaf 2, tweede lid, 2°, bedoelde formaliteiten, wanneer die handelingen vanaf 1 januari 2025 aan het verlaagd btw-tarief van zes pct. worden onderworpen krachtens paragraaf 1 of paragraaf 2 van deze rubriek in de versie van toepassing na 31 december 2023.
  In het in het eerste lid bedoelde geval wordt de in paragraaf 1, tweede lid, 2°, a), of in paragraaf 2, tweede lid, 2°, a), bedoelde verklaring uiterlijk op 31 maart 2025 verzonden overeenkomstig de in die bepalingen bedoelde nadere regels.
  De handelingen bedoeld in deze rubriek, in de versie van toepassing op 31 mei 2024, maken het voorwerp uit van de in paragraaf 4, tweede lid, 2°, bedoelde formaliteiten, wanneer die handelingen vanaf 1 juni 2024 aan het verlaagd btw-tarief van zes pct. worden onderworpen krachtens paragraaf 4 van deze rubriek in de versie van toepassing na 31 mei 2024.
  In het in het derde lid bedoelde geval wordt de in paragraaf 4, tweede lid, 2°, a), bedoelde verklaring uiterlijk op 31 maart 2025 verzonden overeenkomstig de in die bepaling bedoelde nadere regels.".
Art. 114. La rubrique XXXVII du tableau A de l'annexe à l'arrêté royal n° 20, du 20 juillet 1970, fixant les taux de la taxe sur la valeur ajoutée et déterminant la répartition des biens et des services selon ces taux, insérée par la loi-programme du 27 décembre 2006 et remplacée par la loi-programme du 22 décembre 2023, est remplacée par ce qui suit :
  "XXXVII. Démolition et reconstruction de bâtiments d'habitation
  § 1er. Le taux réduit de six p.c. s'applique aux travaux immobiliers et autres opérations énumérées à la rubrique XXXI, § 3, 3° à 6°, ayant pour objet la démolition d'un bâtiment et la reconstruction conjointe d'un bâtiment d'habitation destiné au logement du maître d'ouvrage-personne physique et situé sur la même parcelle cadastrale que ce bâtiment.
  Le bénéfice du taux réduit est subordonné aux conditions suivantes :
  1° les opérations sont relatives à un bâtiment qui, après l'exécution des travaux :
  a) est utilisé, au moment de la première occupation ou de la première utilisation, comme habitation unique et à titre principal comme habitation propre au sens de l'article 5/5, § 4, alinéas 2 à 8, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des Communautés et des Régions, par le maître d'ouvrage-personne physique qui y aura son domicile sans délai ;
  b) a une superficie totale habitable qui n'excède pas 200 m2 ;
  2° le maître d'ouvrage-personne physique :
  a) envoie avant le moment où la taxe devient exigible conformément aux articles 22 et 22bis, § 1er, du Code, une déclaration à l'adresse électronique indiquée par le ministre des Finances ou son délégué. Cette déclaration mentionne que le bâtiment qu'il fait démolir et reconstruire est destiné à être utilisé comme habitation unique et à titre principal comme habitation propre au sens de l'article 5/5, § 4, alinéas 2 à 8, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des Communautés et des Régions, par le maître d'ouvrage-personne physique qui y aura son domicile sans délai et aura une superficie totale habitable qui n'excède pas 200 m2, et est accompagnée d'une copie :
  - du permis d'urbanisme ;
  - du (des) contrat(s) d'entreprise ;
  b) produit au(x) prestataire(s) de services une copie de la déclaration visée au a) ;
  3° le moment où la taxe devient exigible conformément aux articles 22 et 22bis, § 1er, du Code survient au plus tard le 31 décembre de l'année de la première occupation ou de la première utilisation du bâtiment d'habitation ;
  4° les factures émises par le prestataire de services, et les doubles qu'il conserve, constatent, sur la base de la copie de la déclaration visée au 2°, b), l'existence des éléments justifiant l'application du taux réduit ; sauf collusion entre les parties ou méconnaissance évidente de la présente disposition, la déclaration du client visée au 2°, a), décharge la responsabilité du prestataire de services pour la détermination du taux.
  Pour l'application de l'alinéa 2, 1°, a), il n'est pas tenu compte, pour déterminer si le bâtiment d'habitation est l'habitation unique du maître d'ouvrage-personne physique :
  - des autres habitations dont il est, en vertu d'une succession, copropriétaire, nu-propriétaire ou usufruitier ;
  - d'une autre habitation qu'il occupe comme habitation propre où il a établi son domicile et qui a été vendue au plus tard le 31 décembre de l'année qui suit celle de la première occupation ou de la première utilisation de l'habitation visée à l'alinéa 2, 1°, a).
  Le taux réduit n'est pas applicable :
  1° aux travaux et autres opérations de nature immobilière, qui ne sont pas affectés au bâtiment d'habitation proprement dit, tels que les travaux de culture ou de jardinage et les travaux de clôture ;
  2° aux travaux et autres opérations de nature immobilière, qui ont pour objet tout ou partie des éléments constitutifs de piscines, saunas, mini-golfs, courts de tennis et installations similaires ;
  3° au nettoyage de tout ou partie d'un bâtiment d'habitation.
  § 2. Le taux réduit de six p.c. s'applique aux travaux immobiliers et autres opérations énumérées à la rubrique XXXI, § 3, 3° à 6°, ayant pour objet la démolition d'un bâtiment et la reconstruction conjointe d'un bâtiment d'habitation destiné à une location de longue durée en faveur de ou par l'intermédiaire d'un organisme visé à l'alinéa 2, 1° et situé sur la même parcelle cadastrale que ce bâtiment.
  Le bénéfice du taux réduit est subordonné aux conditions suivantes :
  1° les opérations sont relatives à un bâtiment qui, après l'exécution des travaux, est donné en location par le maître d'ouvrage en tant que bâtiment d'habitation :
  a) à une agence immobilière sociale ou à une société de logement social ou une autre personne de droit public ou de droit privé à finalité sociale reconnue par l'autorité compétente en matière de politique sociale du logement ;
  b) dans le cadre d'un mandat de gestion par le maître d'ouvrage accordé à une agence immobilière sociale ou à une société de logement social ou une autre personne de droit public ou de droit privé à finalité sociale reconnue par l'autorité compétente en matière de politique sociale du logement ;
  2° le maître d'ouvrage :
  a) envoie avant le moment où la taxe devient exigible conformément aux articles 22 et 22bis, § 1er, du Code, une déclaration à l'adresse électronique indiquée par le ministre des Finances ou son délégué. Cette déclaration mentionne que le bâtiment qu'il fait démolir et reconstruire est destiné à être donné en location en tant que bâtiment d'habitation à une agence immobilière sociale ou à une société de logement social ou une autre personne de droit public ou de droit privé à finalité sociale reconnue par l'autorité compétente en matière de politique sociale du logement, ou par leur intermédiation, pendant une période d'au moins quinze années, et est accompagnée d'une copie :
  - du permis d'urbanisme ;
  - du (des) contrat(s) d'entreprise ;
  b) produit au(x) prestataire(s) de services une copie de la déclaration visée au a) ;
  3° le moment où la taxe devient exigible conformément aux articles 22 et 22bis, § 1er, du Code survient au plus tard le 31 décembre de l'année de la première occupation ou de la première utilisation du bâtiment d'habitation ;
  4° les factures émises par le prestataire de services, et les doubles qu'il conserve, constatent, sur la base de la copie de la déclaration visée au 2°, b), l'existence des éléments justifiant l'application du taux réduit ; sauf collusion entre les parties ou méconnaissance évidente de la présente disposition, la déclaration du client visée au 2°, a), décharge la responsabilité du prestataire de services pour la détermination du taux.
  Le taux réduit n'est pas applicable :
  1° aux travaux et autres opérations de nature immobilière, qui ne sont pas affectés au bâtiment d'habitation proprement dit, tels que les travaux de culture ou de jardinage et les travaux de clôture ;
  2° aux travaux et autres opérations de nature immobilière, qui ont pour objet tout ou partie des éléments constitutifs de piscines, saunas, mini-golfs, courts de tennis et installations similaires ;
  3° au nettoyage de tout ou partie d'un bâtiment d'habitation.
  § 3. Le taux réduit de six p.c. s'applique aux livraisons de bâtiments d'habitation et le sol y attenant, ainsi qu'aux constitutions, cessions ou rétrocessions de droits réels au sens de l'article 9, alinéa 2, 2°, du Code, portant sur un bâtiment d'habitation et le sol y attenant, qui ne sont pas exemptées de la taxe conformément à l'article 44, § 3, 1°, du Code, par l'assujetti qui a procédé à la démolition d'un bâtiment et la reconstruction conjointe d'un bâtiment d'habitation situé sur la même parcelle cadastrale que ce bâtiment, lorsque :
  1° la demande du permis d'urbanisme concernant les opérations relatives à la reconstruction du bâtiment d'habitation a été introduite auprès de l'autorité compétente avant le 1er juillet 2023 ;
  2° la taxe due sur ces opérations est exigible conformément à l'article 17, § 1er, du Code au plus tard le 31 décembre 2024.
  Le bénéfice du taux réduit est subordonné aux conditions suivantes :
  1° l'opération visée à l'alinéa 1er est relative à un bâtiment d'habitation qui après la livraison :
  a) soit au moment de la première utilisation ou de la première occupation, est utilisé comme habitation unique et à titre principal comme habitation propre au sens de l'article 5/5, § 4, alinéas 2 à 8, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des Communautés et des Régions, par l'acquéreur-personne physique qui y aura son domicile sans délai et a une superficie totale habitable qui n'excède pas 200 m2 ;
  b) soit est donné en location par l'acquéreur à une agence immobilière sociale ou à une société de logement social reconnue par l'autorité compétente en matière de politique sociale du logement ou est donné en location dans le cadre d'un mandat de gestion qui leur est accordé par l'acquéreur ;
  2° le fournisseur :
  a) envoie avant le moment où la taxe devient exigible conformément à l'article 17, § 1er, du Code, ou, en cas d'une vente sur plan, avant le moment où intervient le fait générateur de la taxe conformément à l'article 16, § 1er, alinéa 1er, du Code, une déclaration à l'adresse électronique indiquée par le ministre des Finances ou son délégué. Cette déclaration, contresignée par l'acquéreur du bâtiment, mentionne que le bâtiment que le fournisseur a fait démolir et reconstruire et qui fait l'objet d'une opération visée à l'alinéa 1er, est destiné soit à être utilisé comme habitation unique et à titre principal comme habitation propre au sens de l'article 5/5, § 4, alinéas 2 à 8, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des Communautés et des Régions par l'acquéreur-personne physique, qui y aura son domicile sans délai et que cette habitation aura une superficie totale habitable qui n'excède pas 200 m2, soit à être donné en location par l'acquéreur à une agence immobilière sociale ou à une société de logement social reconnue par l'autorité compétente en matière de politique sociale du logement ou à être donné en location dans le cadre d'un mandat de gestion qui leur est accordé, et est accompagnée d'une copie :
  - du permis d'urbanisme ;
  - du (des) contrat(s) d'entreprise relatifs à la démolition du bâtiment et la reconstruction du bâtiment d'habitation ;
  - du compromis ou de l'acte authentique portant sur l'opération visée à l'alinéa 1er ;
  b) produit à son (ses) cocontractant(s) une copie de la déclaration visée au a) ;
  3° les factures émises par le fournisseur de biens et les doubles qu'il conserve ainsi que les conventions ou actes authentiques relatifs aux opérations visées à l'alinéa 1er, constatent, sur la base de la copie de la déclaration visée au 2°, b), l'existence des éléments justifiant de l'application du taux réduit ; sauf collusion entre les parties ou méconnaissance évidente de la présente disposition, la contresignature de l'acquéreur sur la déclaration visée au 2°, a), décharge la responsabilité du fournisseur de biens pour la détermination du taux.
  Pour l'application de l'alinéa 2, 1°, a), il n'est pas tenu compte, pour déterminer si le bâtiment d'habitation est l'habitation unique de l'acquéreur-personne physique :
  - des autres habitations dont il est, en vertu d'une succession, copropriétaire, nu-propriétaire ou usufruitier ;
  - d'une autre habitation qu'il occupe comme habitation propre où il a établi son domicile et qui a été vendue au plus tard le 31 décembre de l'année qui suit celle de la première mise en service ou de la première occupation de l'habitation visée à l'alinéa 2, 1°, a).
  Le taux réduit n'est pas applicable à la partie du prix relative aux piscines, saunas, mini-golfs, courts de tennis et installations similaires.
  § 4. Le taux réduit de six p.c. s'applique aux travaux immobiliers et autres opérations énumérées à la rubrique XXXI, § 3, 3° à 6°, ayant pour objet la démolition d'un bâtiment et la reconstruction conjointe d'un bâtiment d'habitation destiné à une location de longue durée et situé sur la même parcelle cadastrale que ce bâtiment.
  Le bénéfice du taux réduit est subordonné aux conditions suivantes :
  1° les opérations sont relatives à un bâtiment qui, après l'exécution des travaux :
  a) est donné en location par le maître d'ouvrage en tant que bâtiment d'habitation à une personne physique qui y aura son domicile sans délai ;
  b) a une superficie totale habitable qui n'excède pas 200 m2 ;
  2° le maître d'ouvrage :
  a) envoie avant le moment où la taxe devient exigible conformément aux articles 22 et 22bis, § 1er, du Code, une déclaration à l'adresse électronique indiquée par le ministre des Finances ou son délégué. Cette déclaration mentionne que le bâtiment qu'il fait démolir et reconstruire est destiné à être donné en location en tant que bâtiment d'habitation à une personne physique qui y aura son domicile sans délai, et est accompagnée d'une copie :
  - du permis d'urbanisme ;
  - du (des) contrat(s) d'entreprise ;
  b) produit au(x) prestataire(s) de services une copie de la déclaration visée au a) ;
  3° le moment où la taxe devient exigible conformément aux articles 22 et 22bis, § 1er, du Code survient au plus tard le 31 décembre de l'année de la première occupation ou de la première utilisation du bâtiment d'habitation ;
  4° les factures émises par le prestataire de services, et les doubles qu'il conserve, constatent, sur la base de la copie de la déclaration visée au 2°, b), l'existence des éléments justifiant l'application du taux réduit ; sauf collusion entre les parties ou méconnaissance évidente de la présente disposition, la déclaration du client visée au 2°, a), décharge la responsabilité du prestataire de services pour la détermination du taux.
  Le taux réduit n'est pas applicable :
  1° aux travaux et autres opérations de nature immobilière, qui ne sont pas affectés au bâtiment d'habitation proprement dit, tels que les travaux de culture ou de jardinage et les travaux de clôture ;
  2° aux travaux et autres opérations de nature immobilière, qui ont pour objet tout ou partie des éléments constitutifs de piscines, saunas, mini-golfs, courts de tennis et installations similaires ;
  3° au nettoyage de tout ou partie d'un bâtiment d'habitation.
  § 5. Les conditions visées aux paragraphe 1er, alinéa 2, 1°, et paragraphe 3, alinéa 2, 1°, a), restent réunies pendant une période qui prend fin au plus tôt :
  1° en ce qui concerne la démolition d'un bâtiment et la reconstruction d'un bâtiment d'habitation, le 31 décembre de la cinquième année qui suit celle au cours de laquelle a lieu la première occupation ou la première utilisation du bâtiment d'habitation par le maître d'ouvrage-personne physique ;
  2° en ce qui concerne la livraison d'un bâtiment d'habitation et le sol y attenant et la constitution, cession, rétrocession de droits réels portant sur un bâtiment d'habitation et le sol y attenant qui ne sont pas exemptées de la taxe par l'article 44, § 3, 1°, du Code, le 31 décembre de la cinquième année qui suit celle au cours de laquelle a lieu la première occupation ou la première utilisation du bâtiment d'habitation par l'acquéreur-personne physique.
  Si, durant la période susvisée, des modifications interviennent telles que les conditions respectivement visées aux paragraphe 1er, alinéa 2, 1°, et paragraphe 3, alinéa 2, 1°, a), ne sont plus remplies, le maître d'ouvrage-personne physique ou l'acquéreur-personne physique :
  1° en fait mention dans une déclaration qu'il envoie à l'adresse électronique indiquée par le ministre des Finances ou son délégué, dans le délai de trois mois à compter de la date du début des modifications ;
  2° reverse à l'Etat, dans le délai visé au 1°, le montant de l'avantage fiscal dont il a bénéficié pour l'année au cours de laquelle intervient ce changement et les années restant à courir, à concurrence d'un cinquième par année.
  Le versement visé à l'alinéa 2, 2°, n'est pas opéré en cas de décès du maître d'ouvrage-personne physique ou de l'acquéreur-personne physique ou pour tout cas de force majeure dûment justifié qui l'empêche définitivement de remplir les conditions visées respectivement au paragraphe 1er, alinéa 2, 1°, et au paragraphe 3, alinéa 2, 1°, a).
  § 6. Les conditions visées au paragraphe 2, alinéa 2, 1°, au paragraphe 3, alinéa 2, 1°, b), et au paragraphe 4, alinéa 2, 1°, restent réunies pendant une période qui prend fin au plus tôt le 31 décembre de la quinzième année suivant l'année de la première utilisation ou de la première occupation du bâtiment d'habitation. Cette période de location minimale est fixée, selon le cas, dans la convention de location ou dans la convention relative au mandat de gestion, conclue avec l'agence immobilière sociale ou la société de logement social ou une autre personne de droit public ou de droit privé à finalité sociale reconnue par l'autorité compétente en matière de politique sociale du logement ou résulte de la convention de bail enregistrée ou des conventions successives de bail enregistrées, conclues avec le ou les locataire(s).
  Si, durant la période susvisée, des modifications interviennent telles que les conditions respectivement visées au paragraphe 2, alinéa 2, 1°, au paragraphe 3, alinéa 2, 1°, b), ou au paragraphe 4, alinéa 2, 1°, ne sont plus remplies, le maître d'ouvrage ou l'acquéreur :
  1° en fait mention dans une déclaration qu'il envoie à l'adresse électronique indiquée par le ministre des Finances ou son délégué, dans le délai de trois mois à compter de la date du début des modifications ;
  2° reverse à l'Etat, dans le délai visé en 1°, le montant de l'avantage fiscal dont il a bénéficié pour l'année au cours de laquelle intervient ce changement et les années restant à courir, à concurrence d'un quinzième par année.
  Le versement visé à l'alinéa 2, 2°, n'est pas opéré pour tout cas de force majeure dûment justifié qui empêche le maître d'ouvrage ou l'acquéreur définitivement de remplir les conditions visées respectivement au paragraphe 2, alinéa 2, 1°, au paragraphe 3, alinéa 2, 1°, b), et au paragraphe 4, alinéa 2, 1°.
5§ 7. Pour l'application de la présente rubrique, la superficie totale habitable d'une maison unifamiliale est déterminée en additionnant les superficies de toutes les pièces d'habitation, mesurée à partir de et jusqu'aux côtés intérieurs des murs en élévation.
  Pour l'application de la présente rubrique, la superficie totale habitable d'un appartement est déterminée en additionnant les superficies de chaque partie plane de l'appartement, calculée à partir de et jusqu'aux côtés intérieurs des murs mitoyens. La superficie des parties ou espaces communs, en ce compris le toit plat, le vestibule central, les cages d'escaliers et la façade externe, n'est pas prise en considération.
  Pour l'application de la présente rubrique, la superficie totale habitable d'une habitation qui fait partie d'un projet immobilier intégré d'habitat groupé est déterminée en additionnant les superficies de toutes les pièces d'habitation de cette habitation, mesurées à partir de et jusqu'aux côtés intérieurs des murs mitoyens. La superficie des pièces d'habitation utilisées en commun par les habitants des différentes habitations du projet, est prise en considération par rapport à chaque habitation individuelle du projet en proportion du nombre d'habitations dans le projet.
  Pour l'application de ce paragraphe, sont considérées comme pièces d'habitation, les cuisines, les salles de séjour, les salles à manger, les chambres à coucher, les mansardes et sous-sols habitables, les bureaux et autres espaces destinés à l'habitation. Sont assimilés à des pièces d'habitation tous les espaces utilisés à l'exercice d'une activité économique.
  Pour l'application de ce paragraphe, la superficie des pièces d'habitations visées à l'alinéa 4 n'est prise en compte qu'à la condition que ces pièces aient une superficie minimum de 4 m2 et une hauteur minimum de 2 mètres au-dessus du plancher.
  Le Roi peut modifier, compléter, remplacer ou abroger ce paragraphe.
  § 8. La présente rubrique, dans sa version applicable au 31 décembre 2023, reste applicable aux opérations visées par cette rubrique et qui ne sont pas visées par la présente rubrique, dans sa version applicable après le 31 décembre 2023, lorsque :
  1° la demande du permis d'urbanisme concernant les opérations relatives à la reconstruction du bâtiment d'habitation a été introduite auprès de l'autorité compétente avant le 1er janvier 2024 ;
  2° la taxe due sur ces opérations est exigible conformément aux articles 22 et 22bis, § 1er, du Code au plus tard le 31 décembre 2024.
  § 9. Les opérations visées par la présente rubrique, dans sa version applicable au 31 décembre 2023, font l'objet des formalités visées au paragraphe 1er, alinéa 2, 2°, ou au paragraphe 2, alinéa 2, 2°, lorsqu'elles sont soumises, dès le 1er janvier 2025, au taux réduit de six p.c. en vertu du paragraphe 1er ou du paragraphe 2 de la présente rubrique, dans sa version applicable après le 31 décembre 2023.
  Dans l'hypothèse visée à l'alinéa 1er, la déclaration visée au paragraphe 1er, alinéa 2, 2°, a), ou au paragraphe 2, alinéa 2, 2°, a), est envoyée au plus tard le 31 mars 2025 selon les modalités visées par ces dispositions.
  Les opérations visées par la présente rubrique, dans sa version applicable au 31 mai 2024, font l'objet des formalités visées au paragraphe 4, alinéa 2, 2°, lorsqu'elles sont soumises, dès le 1er juin 2024, au taux réduit de six p.c. en vertu du paragraphe 4 de la présente rubrique, dans sa version applicable après le 31 mai 2024.
  Dans l'hypothèse visée à l'alinéa 3, la déclaration visée au paragraphe 4, alinéa 2, 2°, a), est envoyée au plus tard le 31 mars 2025 selon les modalités visées par cette disposition.".
Art. 115. Artikel 114 treedt in werking op de eerste dag van de maand na die waarin deze wet bekendgemaakt is in het Belgisch Staatsblad.
Art. 115. L'article 114 entre en vigueur le premier jour du mois qui suit la publication de la présente loi au Moniteur belge.