Zum Hauptinhalt

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
29 FEBRUARI 2024. - Wet tot invoering van boek II van het Strafwetboek(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 08-04-2024 en tekstbijwerking tot 16-02-2026)
Titre
29 FEVRIER 2024. - Loi introduisant le livre II du Code pénal(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 08-04-2024 et mise à jour au 16-02-2026)
Dokumentinformationen
Numac: 2024002088
Datum: 2024-02-29
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2024002088
Date: 2024-02-29
Moniteur: Voir
Inhoud
HOOFDSTUK 1. - Voorafgaande bepaling HOOFDSTUK 2. - Boek II van het Strafwetboek Voorafgaande titel. Gemeenschappelijke bepalingen Titel I. Ernstige schendingen van het internati... Titel 2. Misdaad van ecocide Titel 3. Misdrijven tegen de persoon Hoofdstuk 1. Misdrijven tegen het leven Afdeling 1. Doden met het oogmerk om te doden Afdeling 2. Doden door een ernstig gebrek aan v... Afdeling 3. Aanzetting tot zelfdoding Hoofdstuk 2. Foltering, onmenselijke behandelin... Afdeling 1. Foltering Afdeling 2. Onmenselijke behandeling Afdeling 3. Onterende behandeling Afdeling 4. Gemeenschappelijke bepaling Hoofdstuk 3. Misdrijven tegen de seksuele integ... Afdeling 1. Aantasting van de seksuele integrit... Onderafdeling 1. Toestemming met betrekking tot... Onderafdeling 2. Basismisdrijven Onderafdeling 3. Verzwaarde misdrijven Onderafdeling 4. Algemene bepaling Afdeling 2. Seksuele uitbuiting van minderjarigen Onderafdeling 1. Benaderen van een minderjarige... Onderafdeling 2. Seksuele uitbuiting van minder... Onderafdeling 3. Beelden van seksueel misbruik ... Onderafdeling 4. Inhoud die bedoeld is om het p... Onderafdeling 5. Algemene bepaling Afdeling 3. Openbare zedenschennis Afdeling 4. Gemeenschappelijke bepalingen Hoofdstuk 4. Misdrijven tegen de fysieke of psy... Afdeling 1. Opzettelijke misdrijven tegen de fy... Onderafdeling 1. Gewelddaden Onderafdeling 2. Vrouwelijke genitale verminking Onderafdeling 3. Zwangerschapsverlies zonder to... Afdeling 2. Aantasting van de fysieke of psychi... Hoofdstuk 5. Misdrijven tegen de persoonlijke v... Afdeling 1. Vrijheidsberoving Afdeling 2. Ontvoering Afdeling 3. Gijzeling Afdeling 4. Gemeenschappelijke bepalingen Hoofdstuk 6. Misdrijven tegen de persoonlijke r... Afdeling 1. Bedreiging Afdeling 2. Belaging Afdeling 3. Laster en belediging Afdeling 4. Smaad Hoofdstuk 7. Schendingen van de persoonlijke wa... Afdeling 1. Misdrijven inzake de bestraffing va... Afdeling 2. Mensenhandel en mensensmokkel Afdeling 3. Misbruik van prostitutie Afdeling 4. Verkoop van kinderen Afdeling 5. Handel in menselijke organen Afdeling 6. Uitbuiting van bedelarij Afdeling 7. Wanpraktijken van huisjesmelkers Afdeling 8. Gedwongen huwelijk en gedwongen wet... Afdeling 9. Gemeenschappelijke bepalingen Hoofdstuk 8. Misdrijven met betrekking tot het ... Afdeling 1. Hulpverzuim Afdeling 2. Misbruik van de zwakke toestand van... Afdeling 3. Conversiepraktijken Afdeling 4. Verkeersbelemmering Afdeling 5. Het in gevaar brengen van de volksg... Afdeling 6. Het in gevaar brengen van minderjar... Onderafdeling 1. Verlaten of in behoeftige toes... Onderafdeling 2. Gebrek aan voeding of verzorging Onderafdeling 3. Gebruik of lokken met het oog ... Hoofdstuk 9. Misdrijven tegen het privéleven Afdeling 1. Misdrijven betreffende het geheim v... Afdeling 2. Schending van plaatsen die tot woni... Afdeling 3. Bescherming van het beroepsgeheim Afdeling 4. Misdrijven betreffende de vrije uit... Afdeling 5. Bescherming van de persoonlijke lev... Afdeling 6. Gemeenschappelijke bepaling Hoofdstuk 10. Misdrijven tegen de burgerlijke s... Afdeling 1. Misdrijven met betrekking tot het b... Afdeling 2. Misdrijven met betrekking tot de ad... Afdeling 3. Misdrijven met betrekking tot het h... Afdeling 4. Gemeenschappelijke bepaling Hoofdstuk 11. Misdrijven tegen het lijk en de l... Afdeling 1. Zonder voorafgaande toestemming een... Afdeling 2. Lijk- en grafschennis Titel 4. Misdrijven tegen de openbare veiligheid Hoofdstuk 1. Terrorisme Hoofdstuk 2. Aanslag op en samenspanning tegen ... Hoofdstuk 3. Vorming van gewapende groepen en d... Hoofdstuk 4. Vereniging met het oog op het pleg... Afdeling 1. Vereniging met het oog op het plege... Afdeling 2. Criminele organisatie Hoofdstuk 5. Externe beveiliging van kernmateri... Hoofdstuk 6. Schending van havengebieden of bin... Hoofdstuk 7. Verbod van gezichtsbedekking in de... Titel 5. Valsheden Hoofdstuk 1. Bescherming van de munt, van de ef... Afdeling 1. Betekenis van enkele in dit hoofdst... Afdeling 2. Bescherming van de munt, van de eff... Afdeling 3. Illegaal in omloop brengen van de m... Afdeling 4. Bescherming van niet-contante betaa... Afdeling 5. Bescherming van `s Lands zegel, van... Afdeling 6. Bescherming van de keurmerken van h... Afdeling 7. Bescherming van de zegels, de stemp... Afdeling 8. Bescherming van plakpostzegels en a... Afdeling 9. Bescherming van de naam van de fabr... Afdeling 10. Gemeenschappelijke bepaling Hoofdstuk 2. Valsheid in geschriften of op ande... Hoofdstuk 3. Aanmatiging van functies, titels o... Titel 6. Misdrijven tegen het vermogen Hoofdstuk 1. Misdrijven met betrekking tot de o... Afdeling 1. Diefstal en afpersing Onderafdeling 1. Definities Onderafdeling 2. Diefstal zonder geweld of bedr... Onderafdeling 3. Diefstal met geweld of bedreig... Onderafdeling 4. Diefstal en afpersing van kern... Onderafdeling 5. Gemeenschappelijke bepaling Afdeling 2. Bedrog Onderafdeling 1. Misbruik van vertrouwen of and... Onderafdeling 2. Oplichting en bedriegerij Onderafdeling 3. Private omkoping Onderafdeling 4. Bedrog met behulp van een info... Onderafdeling 5. Misdrijven die verband houden ... Onderafdeling 6. Overige vormen van bedrog Afdeling 3. Heling en witwassen Hoofdstuk 2. Misdrijven met betrekking tot de b... Afdeling 1. Misdrijven die een maatschappelijk ... Afdeling 2. Vandalisme Hoofdstuk 3. Misdrijven betreffende informatica... Afdeling 1. Hacking Afdeling 2. Aantasting van de integriteit van e... Titel 7. Economische misdrijven Hoofdstuk 1. Overtreding van de wetten op de lo... Hoofdstuk 2. Misdrijven betreffende nijverheid ... Titel 8. Misdrijven tegen de Staat en zijn func... Hoofdstuk 1. Misdrijven tegen de staatsordening... Afdeling 1. Misdrijven tegen de staatsordening Afdeling 2. Misdrijven tegen een wetgevende ver... Afdeling 3. Misdrijven tegen de monarchie Afdeling 4. Gemeenschappelijke bepalingen Hoofdstuk 2. Misdrijven tegen de landsverdedigi... Afdeling 1. Definities Afdeling 2. Uitlokken of veroorzaken van oorlog Afdeling 3. Militaire collaboratie Afdeling 4. Economische collaboratie Afdeling 5. Politieke en intellectuele collabor... Afdeling 6. Misdrijven met betrekking tot staat... Afdeling 7. Aangifte aan de vijand Afdeling 8. Verberging van vijanden of plegers ... Afdeling 9. Vernieling of brandstichting in str... Afdeling 10. Samenspanning tegen de landsverded... Afdeling 11. Aanzetten tot misdrijven tegen de ... Hoofdstuk 3. Misdrijven tegen de internationale... Afdeling 1. Aanslagen tegen een vreemde Staat o... Afdeling 2. Misdrijven tegen diplomatieke en co... Afdeling 3. Huurlingschap Hoofdstuk 4. Ambtsmisdrijven Afdeling 1. Schending van fundamentele rechten ... Afdeling 2. Gedragingen met het oog op het ontw... Afdeling 3. Aanmatiging van macht Afdeling 4. Misbruik van gezag Afdeling 5. Rechtsweigering Afdeling 6. Verduistering, knevelarij en belang... Afdeling 7. Publieke omkoping Afdeling 8. Misdrijven met betrekking tot het h... Afdeling 9. Algemene bepaling Hoofdstuk 5. Misdrijven tegen de rechtsbedeling Afdeling 1. Belemmering van onderzoeksdaden en ... Onderafdeling 1. Weerspannigheid Onderafdeling 2. Valse getuigenis, valse verkla... Onderafdeling 3. Weigeren van medewerking aan h... Onderafdeling 4. Verberging van een vervolgde p... Onderafdeling 5. De verborgen ruimte Onderafdeling 6. Misdrijven tegen procedurestuk... Onderafdeling 7. Zegelverbreking Onderafdeling 8. Inbreuken op het geheim karakt... Onderafdeling 9. Uitgeven of verspreiden van ge... Afdeling 2. Belemmering van de rechterlijke uit... Afdeling 3. Belemmering van de uitvoering of ni... Onderafdeling 1. Familieverlating Onderafdeling 2. Niet-afgeven van kinderen Onderafdeling 3. Niet-naleving van de voorwaard... Onderafdeling 4. Belemmering van de uitvoering ... Onderafdeling 5. Het overgooien van voorwerpen ... Onderafdeling 6. Niet-naleving van een beslissi... Hoofdstuk 6. Belemmering van openbare werken Hoofdstuk 7. Subsidiefraude HOOFDSTUK 3. - Wijzigingsbepalingen Afdeling 1. - Wijzigingen van het Militair Stra... Afdeling 2. - Wijzigingen van de voorafgaande t... Afdeling 3. - Wijzigingen van het Wetboek van s... Afdeling 4. - Wijzigingen van het Gerechtelijk ... Afdeling 5. - Wijzigingen van het Sociaal straf... Afdeling 6. - Wijzigingen van de wet van 17 mei... Afdeling 7. - Wijzigingen van het Wetboek van e... Afdeling 8. - Wijzigingen van verscheidene teks... HOOFDSTUK 4. - Opheffingsbepalingen HOOFDSTUK 5. - Inwerkingtredingsbepaling
Inhoud
CHAPITRE 1er. - Disposition préliminaire CHAPITRE 2. - Livre II du Code pénal Titre préliminaire. Les dispositions communes Titre Ier. Les violations graves du droit inter... Titre 2. Le crime d'écocide Titre 3. Les infractions contre la personne Chapitre 1er. Les infractions contre la vie Section 1re. Les homicides commis avec intentio... Section 2. L'homicide par défaut grave de prévo... Section 3. L'incitation au suicide Chapitre 2. La torture, le traitement inhumain ... Section 1re. La torture Section 2. Le traitement inhumain Section 3. Le traitement dégradant Section 4. La disposition commune Chapitre 3. Les infractions portant atteinte à ... Section 1re. De l'atteinte à l'intégrité sexuel... Sous-section 1re. Du consentement en matière de... Sous-section 2. Les infractions de base Sous-section 3. Les infractions aggravées Sous-section 4. La disposition générale Section 2. L'exploitation sexuelle de mineurs Sous-section 1re. L'approche d'un mineur à des ... Sous-section 2. L'exploitation sexuelle de mine... Sous-section 3. Les images d'abus sexuels de mi... Sous-section 4. Les contenus destinés à promouv... Sous-section 5. La disposition générale Section 3. L'outrage public aux bonnes moeurs Section 4. Les dispositions communes Chapitre 4. Les infractions contre l'intégrité ... Section 1re. Les infractions intentionnelles co... Sous-section 1re. Les actes de violence Sous-section 2. Les mutilations génitales fémin... Sous-section 3. La perte de grossesse sans cons... Section 2. L'atteinte à l'intégrité physique ou... Chapitre 5. Les infractions contre la liberté i... Section 1re. La privation de liberté Section 2. L'enlèvement Section 3. La prise d'otages Section 4. Les dispositions communes Chapitre 6. Les infractions contre la tranquill... Section 1re. La menace Section 2. Le harcèlement Section 3. La calomnie et l'injure Section 4. L'outrage Chapitre 7. Les atteintes à la dignité humaine ... Section 1re. Les infractions relatives à la rép... Section 2. La traite et le trafic des êtres hum... Section 3. L'abus de prostitution Section 4. La vente d'enfants Section 5. Le trafic d'organes humains Section 6. L'exploitation de la mendicité Section 7. Les pratiques abusives des marchands... Section 8. Le mariage forcé et la cohabitation ... Section 9. Les dispositions communes Chapitre 8. Les infractions en rapport avec la ... Section 1re. L'abstention d'aide Section 2. L'abus de la situation de faiblesse ... Section 3. Les pratiques de conversion Section 4. L'entrave à la circulation Section 5. La mise en danger de la santé publique Section 6. La mise en danger de mineurs ou de p... Sous-section 1re. Le délaissement ou l'abandon ... Sous-section 2. Le défaut d'aliments ou de soins Sous-section 3. L'utilisation ou le leurre en v... Chapitre 9. Les infractions contre la vie privé... Section 1re. Les infractions relatives au secre... Section 2. La violation de lieux servant d'habi... Section 3. La protection du secret professionnel Section 4. Les infractions relatives au libre e... Section 5. La protection de la vie privée des m... Section 6. La disposition commune Chapitre 10. Les infractions contre l'état civi... Section 1re. Les infractions relatives à la pre... Section 2. Les infractions relatives à l'adoption Section 3. Les infractions relatives au mariage Section 4. La disposition commune Chapitre 11. Les infractions contre les cadavre... Section 1re. L'inhumation ou la crémation sans ... Section 2. La profanation de cadavres et de sép... Titre 4. Les infractions contre la sécurité pub... Chapitre 1er. Le terrorisme Chapitre 2. Les attentats et complots contre la... Chapitre 3. La constitution de groupes armés et... Chapitre 4. L'association en vue de commettre u... Section 1re. L'association en vue de commettre ... Section 2. L'organisation criminelle Chapitre 5. La protection physique des matières... Chapitre 6. La violation de zones portuaires ou... Chapitre 7. L'interdiction de se cacher le visa... Titre 5. Les faux Chapitre 1er. La protection de la monnaie, des ... Section 1re. La définition de quelques termes u... Section 2. La protection de la monnaie, des tit... Section 3. La mise en circulation illicite de l... Section 4. La protection des instruments de pai... Section 5. La protection du sceau de l'Etat, de... Section 6. La protection des marques du bureau ... Section 7. La protection des sceaux, des timbre... Section 8. La protection des timbres-poste adhé... Section 9. La protection du nom du fabricant et... Section 10. La disposition commune Chapitre 2. Le faux en écritures ou sur d'autre... Chapitre 3. L'usurpation de fonctions, de titre... Titre 6. Les infractions contre les biens Chapitre 1er. Les infractions relatives à l'app... Section 1re. Le vol et l'extorsion Sous-section 1re. Les définitions Sous-section 2. Le vol commis sans violences ni... Sous-section 3. Le vol commis avec violences ou... Sous-section 4. Le vol et l'extorsion de matièr... Sous-section 5. La disposition commune Section 2. Les fraudes Sous-section 1re. Les abus de la confiance ou d... Sous-section 2. L'escroquerie et les tromperies Sous-section 3. La corruption privée Sous-section 4. La fraude à l'aide d'un système... Sous-section 5. Les infractions liées à l'insol... Sous-section 6. Les autres formes de fraude Section 3. Le recel et le blanchiment Chapitre 2. Les infractions relatives à la dégr... Section 1re. Les infractions qui font naître un... Section 2. Le vandalisme Chapitre 3. Les infractions relatives aux systè... Section 1re. Les accès non autorisés dans un sy... Section 2. Les atteintes à l'intégrité d'un sys... Titre 7. Les infractions économiques Chapitre 1er. Les infractions aux lois sur les ... Chapitre 2. Les infractions relatives à l'indus... Titre 8. Les infractions contre l'Etat et son f... Chapitre 1er. Les infractions contre la structu... Section 1re. Les infractions contre la structur... Section 2. Les infractions contre une assemblée... Section 3. Les infractions contre la monarchie Section 4. Les dispositions communes Chapitre 2. Les infractions contre la défense n... Section 1re. Les définitions Section 2. Le déclenchement ou les causes de la... Section 3. La collaboration militaire Section 4. La collaboration économique Section 5. La collaboration politique et intell... Section 6. Les infractions concernant les secre... Section 7. La dénonciation à l'ennemi Section 8. Le recel d'ennemis ou d'auteurs d'in... Section 9. La destruction ou l'incendie contre ... Section 10. Le complot contre la défense nationale Section 11. L'incitation à commettre des infrac... Chapitre 3. Les infractions contre les relation... Section 1re. Les attentats contre un Etat étran... Section 2. Les infractions contre des représent... Section 3. Le mercenariat Chapitre 4. Les forfaitures Section 1re. La violation des droits fondamenta... Section 2. Les comportements visant à déstabili... Section 3. L'usurpation de pouvoir Section 4. L'abus d'autorité Section 5. Le déni de justice Section 6. Le détournement, la concussion et la... Section 7. La corruption publique Section 8. Les infractions relatives à la tenue... Section 9. La disposition générale Chapitre 5. Les infractions contre l'administra... Section 1re. L'entrave aux actes d'instruction ... Sous-section 1re. La rébellion Sous-section 2. Le faux témoignage, la fausse d... Sous-section 3. Le refus de collaboration à l'e... Sous-section 4. Le recel d'une personne poursui... Sous-section 5. Le compartiment caché Sous-section 6. Les infractions contre les pièc... Sous-section 7. Le bris de scellés Sous-section 8. L'infraction au caractère secre... Sous-section 9. La publication ou la distributi... Section 2. L'entrave à la décision judiciaire Section 3. L'entrave à l'exécution ou non-respe... Sous-section 1re. L'abandon de famille Sous-section 2. La non-représentation d'enfant Sous-section 3. Le non-respect des conditions l... Sous-section 4. L'entrave à l'exécution ou non-... Sous-section 5. Les jets d'objets au-dessus des... Sous-section 6. Le non-respect d'une décision o... Chapitre 6. L'entrave aux travaux publics Chapitre 7. La fraude aux subsides CHAPITRE 3. - Dispositions modificatives Section 1re. - Modifications du Code pénal mili... Section 2. - Modifications du titre préliminair... Section 3. - Modifications du Code d'instructio... Section 4. - Modifications du Code judiciaire Section 5. - Modification du Code pénal social Section 6. - Modifications de la loi du 17 mai ... Section 7. - Modifications du Code de droit éco... Section 8. - Modifications de divers textes ren... CHAPITRE 4. - Dispositions abrogatoires CHAPITRE 5. - Disposition d'entrée en vigueur
Tekst (887)
Texte (886)
HOOFDSTUK 1. - Voorafgaande bepaling
CHAPITRE 1er. - Disposition préliminaire
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 74 de la Constitution.
HOOFDSTUK 2. - Boek II van het Strafwetboek
CHAPITRE 2. - Livre II du Code pénal
Art. 2. De hiernavolgende bepalingen vormen boek II van het Strafwetboek:
  "Boek II. De gemeenrechtelijke misdrijven en hun straffen
Art. 2. Les dispositions qui suivent forment le livre II du Code pénal:
  "Livre II. Les infractions de droit commun et leurs peines
Voorafgaande titel. Gemeenschappelijke bepalingen
Titre préliminaire. Les dispositions communes
Art. 79. Artikel 548, § 5, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 7 januari 2014, wordt vervangen als volgt:
  "De gerechtsdeurwaarder of kandidaat-gerechtsdeurwaarder die, nadat hij officieel kennis van een preventieve schorsing heeft gekregen, zijn bediening blijft uitoefenen, wordt gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en met geldboete van zesentwintig euro tot vijfhonderd euro.".
Art. 79. L'article 548, § 5, du même Code, remplacé par la loi du 7 janvier 2014, est remplacé comme suit:
  "L'huissier de justice ou le candidat-huissier de justice qui, après en avoir eu la connaissance officielle d'une mesure de suspension préventive, aura continué l'exercice de ses fonctions, sera puni d'une peine d'emprisonnement de huit jours à un an et d'une amende de vingt-six euros à cinq cents euros.".
Art. 80. In artikel 555/1bis, § 6, derde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 mei 2019, worden de woorden "Artikel 458 van het Strafwetboek" vervangen door de woorden "Artikel 352 van het Strafwetboek".
Art. 80. Dans l'article 555/1bis, § 6, alinéa 3, du même Code, inséré par la loi du 5 mai 2019, les mots "L'article 458 du Code pénal" sont remplacés par les mots "L'article 352 du Code pénal".
Art. 81. In artikel 569 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 19 januari 2022, worden de woorden "door artikel 391octies van het Strafwetboek" telkens vervangen door de woorden "door artikel 296 van het Strafwetboek".
Art. 81. Dans l'article 569 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 19 janvier 2022, les mots "par l'article 391octies du Code pénal" sont chaque fois remplacés par les mots "par l'article 296 du Code pénal".
Titel I. Ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht
Titre Ier. Les violations graves du droit international humanitaire
Art. 82. In artikel 572bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 30 juli 2013 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 juli 2022, worden de woorden "artikel 391octies van het Strafwetboek" telkens vervangen door de woorden "artikel 296 van het Strafwetboek".
Art. 82. Dans l'article 572bis du même Code, inséré par la loi du 30 juillet 2013 et modifié en dernier lieu par la loi du 20 juillet 2022, les mots "par l'article 391octies du Code pénal" sont chaque fois remplacés par les mots "par l'article 296 du Code pénal".
Art. 83. In artikel 1253/4, § 2, derde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 21 december 2018, worden de woorden "Artikel 458 van het Strafwetboek" vervangen door de woorden "Artikel 352 van het Strafwetboek".
Art. 83. Dans l'article 1253/4, § 2, alinéa 3, du même Code, inséré par la loi du 21 décembre 2018, les mots "L'article 458 du Code pénal" sont remplacés par les mots "L'article 352 du Code pénal".
Art. 84. In artikel 1253ter/5, derde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 30 juli 2013 en gewijzigd bij de wet van 8 mei 2014, worden de woorden "de artikelen 375, 398 tot 400, 402, 403 of 405 van het Strafwetboek, of heeft gepoogd een feit te plegen als bedoeld in de artikelen 375, 393, 394 of 397" vervangen door de woorden "de artikelen 138, 143, vijfde streepje, 144, vijfde streepje, 194, 195, 196, 198 van het Strafwetboek, of heeft gepoogd een feit te plegen als bedoeld in de artikelen 96, 97, 138, 143, vijfde streepje of 144, vijfde streepje".
Art. 84. Dans l'article 1253ter/5, alinéa 3, du même Code, inséré par la loi du 30 juillet 2013 et modifié par la loi du 8 mai 2014, les mots "l'article 375, 398 à 400, 402, 403 ou 405 du Code pénal ou a tenté de commettre un fait visé à l'article 375, 393, 394 ou 397" sont remplacés par les mots "l'article 138, 143, cinquième tiret, 144, cinquième tiret, 194, 195, 196, 198 du Code pénal ou a tenté de commettre un fait visé à l'article 96, 97, 138, 143, cinquième tiret ou 144, cinquième tiret".
Art. 85. In artikel 1253sexies, § 2, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 14 juli 1976, worden de woorden "van artikel 507 van het Strafwetboek" vervangen door de woorden "van artikel 665 van het Strafwetboek".
Art. 85. Dans l'article 1253sexies, § 2, du même Code, inséré par la loi du 14 juillet 1976, les mots "l'article 507 du Code pénal" sont remplacés par les mots "l'article 665 du Code pénal".
Art. 86. In artikel 1389bis/4 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 29 mei 2000, worden de woorden "Artikel 458 van het Strafwetboek" vervangen door de woorden "Artikel 352 van het Strafwetboek".
Art. 86. Dans l'article 1389bis/4 du même Code, inséré par la loi du 29 mai 2000, les mots "L'article 458 du Code pénal" sont remplacés par les mots "mots "L'article 352 du Code pénal".
Art. 87. In artikel 1391/3, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 18 juni 2018, worden de woorden "Artikel 458 van het Strafwetboek" vervangen door de woorden "Artikel 352 van het Strafwetboek".
Art. 87. Dans l'article 1391/3, alinéa 2, du même Code, inséré par la loi du 18 juin 2018, les mots "L'article 458 du Code pénal" sont remplacés par les mots "L'article 352 du Code pénal".
Art. 88. In artikel 1394/3 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 12 mei 2014, worden de woorden "Artikel 458 van het Strafwetboek" vervangen door de woorden "Artikel 352 van het Strafwetboek".
Art. 88. Dans l'article 1394/3 du même Code, inséré par la loi du 12 mai 2014, les mots "L'article 458 du Code pénal" sont remplacés par les mots "L'article 352 du Code pénal".
Art. 89. In artikel 1394/27, § 4, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 oktober 2015, worden de woorden "Artikel 458 van het Strafwetboek" vervangen door de woorden "Artikel 352 van het Strafwetboek".
Art. 89. Dans l'article 1394/27, § 4, du même Code, inséré par la loi du 19 octobre 2015, les mots "L'article 458 du Code pénal" sont remplacés par les mots "L'article 352 du Code pénal".
Art. 90. In artikel 1502, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 29 mei 2000, worden de woorden "de artikelen 490bis en 507" vervangen door de woorden "de artikelen 495, 496 en 665".
Art. 90. Dans l'article 1502, alinéa 1er, du même Code, remplacé par la loi du 29 mai 2000, les mots "les articles 490bis et 507" sont remplacés par les mots "les articles 495, 496 et 665".
Art. 91. In artikel 1675/18 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 juli 1998, worden de woorden "Artikel 458 van het Strafwetboek" vervangen door de woorden "Artikel 352 van het Strafwetboek".
Art. 91. Dans l'article 1675/18 du même Code, inséré par la loi du 5 juillet 1998, les mots "L'article 458 du Code pénal" sont remplacés par les mots "L'article 352 du Code pénal".
Art. 92. In artikel 1675/22, § 2, derde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 25 december 2016, worden de woorden "Artikel 458 van het Strafwetboek" vervangen door de woorden "Artikel 352 van het Strafwetboek".
Art. 92. Dans l'article 1675/22, § 2, alinéa 3, du même Code, inséré par la loi du 25 décembre 2016, les mots "L'article 458 du Code pénal" sont remplacés par les mots "L'article 352 du Code pénal".
Art. 93. In artikel 1728, § 2, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 21 februari 2005 en vervangen bij de wet van 18 juni 2018, worden de woorden "Artikel 458 van het Strafwetboek" vervangen door de woorden "Artikel 352 van het Strafwetboek".
Art. 93. Dans l'article 1728, § 2, alinéa 2, du même Code, inséré par la loi du 21 février 2005 et remplacé par la loi du 18 juin 2018, les mots "L'article 458 du Code pénal" sont remplacés par les mots "L'article 352 du Code pénal".
Titel 2. Misdaad van ecocide
Titre 2. Le crime d'écocide
Art. 94. In artikel 51 van het Sociaal strafwetboek worden de woorden "in de artikelen 433quinquies tot 433octies van het Strafwetboek en in de artikelen 77bis tot 77quinquies van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen" vervangen door de woorden "in de artikelen 258 tot 261 van het Strafwetboek".
Art. 94. Dans l'article 51 du Code pénal social, les mots "dans les articles 433quinquies à 433octies du Code pénal et dans les articles 77bis à 77quinquies de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers" sont remplacés par les mots "dans les articles 258 à 261 du Code pénal".
Titel 3. Misdrijven tegen de persoon
Titre 3. Les infractions contre la personne
Art. 95. In artikel 79, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, worden de woorden "Artikel 460ter van het Strafwetboek" vervangen door de woorden "Artikel 669 van het Strafwetboek".
Art. 95. Dans l'article 79, alinéa 1er, du même Code, les mots "L'article 460ter du Code pénal" sont remplacés par les mots "L'article 669 du Code pénal".
Hoofdstuk 1. Misdrijven tegen het leven
Chapitre 1er. Les infractions contre la vie
Afdeling 1. Doden met het oogmerk om te doden
Section 1re. Les homicides commis avec intention de donner la mort
Art. 96. In artikel 231 van hetzelfde Wetboek worden de woorden "de artikelen 196, 197, 210bis en 496 van het Strafwetboek en van de bepalingen van het koninklijk besluit van 31 mei 1933 betreffende de verklaringen af te leggen in verband met subsidies, vergoedingen en toelagen" vervangen door de woorden "de artikelen 451, 479, 480 en 691 van het Strafwetboek".
Art. 96. Dans l'article 231 du même Code, les mots "des articles 196, 197, 210bis et 496 du Code pénal et des dispositions de l'arrêté royal du 31 mai 1933 concernant les déclarations à faire en matière de subventions, d'indemnités et d'allocations" sont remplacés par les mots "des articles 451, 479, 480 et 691 du Code pénal".
Art. 97..   Moord is doodslag gepleegd met voorbedachtheid.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 8.
Art. 97. A l'article 25, § 2, d), de la loi du 17 mai 2006 relative au statut juridique externe des personnes condamnées à une peine privative de liberté et aux droits reconnus à la victime dans le cadre des modalités d'exécution de la peine, modifié en dernier lieu par la loi du 4 mai 2020, les modifications suivantes sont apportées:
  1° le premier tiret est remplacé par ce qui suit:
  "aux articles 82 à 88, 90 à 92, 96 à 98, 100, 101, 112 à 119, 121 à 127, 134 à 149, 151 à 166, 171 à 174, 183, 185, 196, 197, 198, 200, alinéa 1er, 2° à 4°, 201, alinéa 1er, 2° à 4°, 202, 2° à 4°, 206 à 212, 214, 215, 219 à 222, 223 à 225, 227 à 229, 230, 231, 232, 233, 236, 258 à 261, 265, 288, 289, 290, 291, 307 et 308, 318 à 321, 322 à 324, 328 à 331, 333 à 335, 338, 339, 371, 373 à 375, 384 à 386, 404 et 405, 407 à 409, 413, §§ 1er, 1° et 2, 464, 469, §§ 1er, 4°, 2 et 3, 473, §§ 2, 3° et 3, 509, 520, 523, 552, 557 à 560, 685, deuxième tiret, du Code pénal";
  2° le deuxième et le sixième tirets sont abrogés.
Art. 98. In artikel 26, § 2, d), van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 4 mei 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het eerste streepje wordt vervangen als volgt:
  "artikelen 82 tot 88, 90 tot 92, 96 tot 98, 100, 101, 112 tot 119, 121 tot 127, 134 tot 149, 151 tot 166, 171 tot 174, 183, 185, 196, 197, 198, 200, eerste lid, 2° tot 4°, 201, eerste lid, 2° tot 4°, 202, 2° tot 4°, 206 tot 212, 214, 215, 219 tot 222, 223 tot 225, 227 tot 229, 230, 231, 232, 233, 236, 258 tot 261, 265, 288, 289, 290, 291, 307 en 308, 318 tot 321, 322 tot 324, 328 tot 331, 333 tot 335, 338, 339, 371, 373 tot 375, 384 tot 386, 404 en 405, 407 tot 409, 413, §§ 1, 1° en 2, 464, 469, §§ 1, 4°, 2 en 3, 473, §§ 2, 3° en 3, 509, 520, 523, 552, 557 tot 560, 685, tweede streepje van het Strafwetboek";
  2° het tweede streepje en het zesde streepje worden opgeheven.
Art. 98. A l'article 26, § 2, d), de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 4 mai 2020, les modifications suivantes sont apportées:
  1° le premier tiret est remplacé par ce qui suit:
  "aux articles 82 à 88, 90 à 92, 96 à 98, 100, 101, 112 à 119, 121 à 127, 134 à 149, 151 à 166, 171 à 174, 183, 185, 196, 197, 198, 200, alinéa 1er, 2° à 4°, 201, alinéa 1er, 2° à 4°, 202, 2° à 4°, 206 à 212, 214, 215, 219 à 222, 223 à 225, 227 à 229, 230, 231, 232, 233, 236, 258 à 261, 265, 288, 289, 290, 291, 307 et 308, 318 à 321, 322 à 324, 328 à 331, 333 à 335, 338, 339, 371, 373 à 375, 384 à 386, 404 et 405, 407 à 409, 413, §§ 1er, 1° et 2, 464, 469, §§ 1er, 4°, 2 et 3, 473, §§ 2, 3° et 3, 509, 520, 523, 552, 557 à 560, 685, deuxième tiret, du Code pénal";
  2° le deuxième et le sixième tirets sont abrogés.
Art. 99. In titel V, hoofdstuk IV, van dezelfde wet, wordt in artikel 26/1, ingevoegd bij de wet van 14 december 2012, de woorden "in artikel 382bis, eerste lid, 4,° " vervangen door de woorden "in artikel 189".
Art. 99. Dans le titre V, chapitre IV, de la même loi, dans l'article 26/1, inséré par la loi du 14 décembre 2012, les mots "à l'article 382bis, alinéa 1er, 4°, " sont remplacés par les mots "à l'article 189".
Art. 100. In artikel 32 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 29 juni 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "in de artikelen 371/1 tot 378 van het Strafwetboek, of voor feiten bedoeld in de artikelen 379 tot 387" vervangen door de woorden "in de artikelen 134 tot 149 of 151 van het Strafwetboek, of voor feiten bedoeld in de artikelen 152 tot 168, 171 tot 174, 183 of 185";
  2° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden "in titel 1ter van boek II van het Strafwetboek" vervangen door de woorden "in hoofdstuk 1 van titel 4 van boek II van het Strafwetboek".
Art. 100. A l'article 32 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 29 juin 2021, les modifications suivantes sont apportées:
  1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots "aux articles 371/1 à 378 du Code pénal, ou pour des faits visés aux articles 379 à 387" sont remplacés par les mots "aux articles 134 à 149 ou 151 du Code pénal ou pour des faits visés aux articles 152 à 168, 171 à 174, 183 ou 185";
  2° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, les mots "au titre 1erter du livre II du Code pénal" sont remplacés par les mots "au chapitre 1er du titre 4 du livre II du Code pénal".
Art. 101. In artikel 41 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 5 mei 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1, worden de woorden "in de artikelen 371/1 tot 378 van het Strafwetboek, of voor feiten bedoeld in de artikelen 379 tot 387" vervangen door de woorden "in de artikelen 134 tot 149 of 151 van het Strafwetboek, of voor feiten bedoeld in de artikelen 152 tot 168, 171 tot 174, 183 of 185";
  2° in paragraaf 2, worden de woorden "in titel 1ter van boek II van het Strafwetboek" vervangen door de woorden "in hoofdstuk 1 van titel 4 van boek II van het Strafwetboek".
Art. 101. A l'article 41 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 5 mai 2019, les modifications suivantes sont apportées:
  1° dans le paragraphe 1er, les mots "aux articles 371/1 à 378 du Code pénal, ou pour des faits visés aux articles 379 à 387" sont remplacés par les mots "aux articles 134 à 149 ou 151 du Code pénal ou pour des faits visés aux articles 152 à 168, 171 à 174, 183 ou 185";
  2° dans le paragraphe 2, les mots "au titre 1erter du livre II du Code pénal" sont remplacés par les mots "au chapitre 1er du titre 4 du livre II du Code pénal".
Art. 102. In artikel 95/1, § 1, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 14 december 2012, worden de woorden "in artikel 382bis, eerste lid, 4°, van het Strafwetboek" vervangen door de woorden "in artikel 189 van het Strafwetboek".
Art. 102. Dans l'article 95/1, § 1er, de la même loi, inséré par la loi du 14 décembre 2012, les mots "à l'article 382bis, alinéa 1er, 4°, du Code pénal" sont remplacés par les mots "à l'article 189 du Code pénal".
Art. 103. In artikel 95/3, § 2, derde lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 26 april 2007 en gewijzigd bij de wetten van 1 februari 2016 en van 5 februari 2016, worden de woorden "in de artikelen 371/1 tot 378 van het Strafwetboek, of voor feiten bedoeld in de artikelen 379 tot 387" vervangen door de woorden "in de artikelen 134 tot 149 of 151 van het Strafwetboek, of voor feiten bedoeld in de artikelen 152 tot 168, 171 tot 174, 183 of 185".
Art. 103. Dans l'article 95/3, § 2, alinéa 3, de la même loi, inséré par la loi du 26 avril 2007 et modifié par les lois du 1er février 2016 et du 5 février 2016, les mots "aux articles 371/1 à 378 du Code pénal, ou pour des faits visés aux articles 379 à 387" sont remplacés par les mots "aux articles 134 à 149 ou 151 du Code pénal ou pour des faits visés aux articles 152 à 168, 171 à 174, 183 ou 185".
Art. 104. In artikel 95/7, § 2, derde lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 26 april 2017 en gewijzigd bij de wetten van 1 februari 2016 en van 4 mei 2020, worden de woorden "artikelen 371/1, 371/2, 372, 373, tweede en derde lid, 375, 376, tweede en derde lid, 377, eerste, tweede, vierde en zesde lid van het Strafwetboek" vervangen door de woorden "artikelen 135 tot 146, 148 of 149 van het Strafwetboek".
Art. 104. Dans l'article 95/7, § 2, alinéa 3, de la même loi, inséré par la loi du 26 avril 2007 et modifié par les lois du 1er février 2016 et du 4 mai 2020, les mots "articles 371/1, 371/2, 372, 373, alinéas 2 et 3, 375, 376, alinéas 2 et 3, ou 377, alinéas 1er, 2, 4 et 6, du Code pénal" sont remplacés par les mots "articles 135 à 146, 148 ou 149 du Code pénal".
Art. 105. In artikel III.34, § 3, 1°, van het Wetboek van economisch recht, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, worden de woorden "in de artikelen 486, 489bis en 489ter" vervangen door de woorden "in de artikelen 490 en 491".
Art. 105. Dans l'article III.34, § 3, 1°, du Code de droit économique, inséré par la loi du 17 juillet 2013, les mots "aux articles 486, 489bis et 489ter" sont remplacés par les mots "aux articles 490 et 491".
Afdeling 2. Doden door een ernstig gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid
Section 2. L'homicide par défaut grave de prévoyance ou de précaution
Art. 106. In artikel XV.6/1, § 2, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 18 april 2017, worden de woorden "artikel 458 van het Strafwetboek" vervangen door de woorden "artikel 352 van het Strafwetboek".
Art. 106. Dans l'article XV.6/1, § 2, du même Code, inséré par la loi du 18 avril 2017, les mots "l'article 458 du Code pénal" sont remplacés par les mots "l'article 352 du Code pénal".
Art. 107. In artikel XV.8, § 2, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 20 november 2013 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 juli 2018, worden de woorden "in de artikelen 196, 197, 210bis, 299, 494 en Boek 2, Titel IX, Hoofdstuk II, afdeling III" vervangen door de woorden "in de artikelen 451, 478, 479 tot 485, 489 tot 497 en 671".
Art. 107. Dans l'article XV.8, § 2, du même Code, inséré par la loi du 20 novembre 2013 et modifié en dernier lieu par la loi du 30 juillet 2018, les mots "aux articles 196, 197, 210bis, 299, 494 et le Livre 2, Titre IX, Chapitre II, section III, du Code pénal" sont remplacés par les mots "aux articles 451, 478, 479 à 485, 489 à 497 et 671".
Art. 108. In artikel XV.60/9, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 29 september 2020, worden de woorden "Artikel 460ter van het Strafwetboek" vervangen door de woorden "Artikel 669 van het Strafwetboek".
Art. 108. Dans l'article XV.60/9, alinéa 2, du même Code, inséré par la loi du 29 septembre 2020, les mots "L'article 460ter du Code pénal" sont remplacés par les mots "L'article 669 du Code pénal".
Afdeling 3. Aanzetting tot zelfdoding
Section 3. L'incitation au suicide
Art. 109. In artikel XX.18, § 3, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de woorden "Artikel 458 van het Strafwetboek" vervangen door de woorden "Artikel 352 van het Strafwetboek".
Art. 109. Dans l'article XX.18, § 3, alinéa 2, du même Code, inséré par la loi du 11 août 2017, les mots "L'article 458 du Code pénal" sont remplacés par les mots "L'article 352 du Code pénal".
Art. 110. In artikel XX.23, § 3, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017 en gewijzigd bij de wet van 7 juni 2023, worden de woorden "artikel 458 van het Strafwetboek" vervangen door de woorden "artikel 352 van het Strafwetboek".
Art. 110. Dans l'article XX.23, § 3, du même Code, inséré par la loi du 11 août 2017 et modifié par la loi du 7 juin 2023, les mots "l'article 458 du Code pénal" sont remplacés par les mots "l'article 352 du Code pénal".
Art. 111. In artikel XX.25, § 3, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017 en gewijzigd bij de wet van 7 juni 2023, worden de woorden "artikel 458 van het Strafwetboek" vervangen door de woorden "artikel 352 van het Strafwetboek".
Art. 111. Dans l'article XX.25, § 3, alinéa 2, du même Code, inséré par la loi du 11 août 2017 et modifié par la loi du 7 juin 2023, les mots "l'article 458 du Code pénal" sont remplacés par les mots "l'article 352 du Code pénal".
Hoofdstuk 2. Foltering, onmenselijke behandeling en onterende behandeling
Chapitre 2. La torture, le traitement inhumain et le traitement dégradant
Afdeling 1. Foltering
Section 1re. La torture
Art. 112. In artikel XX.154 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de woorden "in de artikelen 489, 489bis, 489ter, 490bis of 492bis" vervangen door de woorden "in de artikelen 476, 490, 491 of 496".
Art. 112. Dans l'article XX.154 du même Code, inséré par la loi du 11 août 2017, les mots "aux articles 489, 489bis, 489ter, 490bis ou 492bis" sont remplacés par les mots "aux articles 476, 490, 491 ou 496".
Art. 113. In artikel 26 van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenophobie ingegeven daden worden de woorden "gevangenisstraf van een maand tot een jaar en met geldboete van vijftig euro tot duizend euro of met een van die straffen alleen" vervangen door de woorden "een straf van niveau 1".
Art. 113. Dans l'article 26 de la loi du 30 juillet 1981 tendant à réprimer certains actes inspirés par le racisme et la xénophobie, les mots "un emprisonnement d'un mois à un an et d'une amende de cinquante euros à mille euros, ou de l'une de ces peines seulement" sont remplacés par les mots "une peine de niveau 1".
Art. 114. Artikel 7 van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten, gewijzigd bij de wet van 15 december 2013, wordt vervangen als volgt:
  "Met uitzondering van artikel 6, § 10, worden de overtredingen van de voorgaande artikelen, van de besluiten tot uitvoering ervan en van de in artikel 5 bedoelde gemeentelijke verordeningen bestraft met een straf van niveau 1.".
Art. 114. L'article 7 de la loi du 19 juillet 1991 relative aux registres de la population, aux cartes d'identité, aux cartes d'étranger et aux documents de séjour, modifié par la loi du 15 décembre 2013, est remplacé par ce qui suit:
  "A l'exception de l'article 6, § 10, les infractions aux articles précédents, à leurs arrêtés d'exécution et aux règlements communaux visés à l'article 5 sont punies d'une peine de niveau 1.".
Art. 115. In artikel 4 van de wet van 23 maart 1995 tot bestraffing van het ontkennen, minimaliseren, rechtvaardigen of goedkeuren van de genocide die tijdens de tweede wereldoorlog door het Duitse nationaal-socialistische regime is gepleegd, laatstelijk gewijzigd bij de wet 21 december 2018, worden de woorden "deze wet" vervangen door de woorden "artikel 256 van het Strafwetboek".
Art. 115. Dans l'article 4 de la loi du 23 mars 1995 tendant à réprimer la négation, la minimisation, la justification ou l'approbation du génocide commis par le régime national-socialiste allemand pendant la Seconde Guerre mondiale, modifié en dernier lieu par la loi du 21 décembre 2018, les mots "la présente loi" sont remplacés par les mots "l'article 256 du Code pénal".
Art. 116. In artikel 24 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie worden de woorden "gevangenisstraf van een maand tot een jaar en met geldboete van vijftig euro tot duizend euro of met een van die straffen alleen" vervangen door de woorden "een straf van niveau 1".
Art. 116. Dans l'article 24 de la loi du 10 mai 2007 tendant à lutter contre certaines formes de discrimination, les mots "un emprisonnement d'un mois à un an et d'une amende de cinquante euros à mille euros, ou de l'une de ces peines seulement" sont remplacés par les mots "une peine de niveau 1".
Art. 117. In artikel 29 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen worden de woorden "gevangenisstraf van een maand tot een jaar en met geldboete van vijftig euro tot duizend euro of met een van die straffen alleen" vervangen door de woorden "een straf van niveau 1".
Art. 117. Dans l'article 29 de la loi du 10 mai 2007 tendant à lutter contre la discrimination entre les femmes et les hommes, les mots "un emprisonnement d'un mois à un an et d'une amende de cinquante euros à mille euros, ou de l'une de ces peines seulement" sont remplacés par les mots "une peine de niveau 1".
Art. 118. De hierna opgesomde bepalingen worden opgeheven:
  1° het boek 2 van het Strafwetboek van 8 juni 1867;
  2° in het Wetboek van strafvordering:
  a) in artikel 28quinquies, § 1, ingevoegd bij de wet van 12 maart 1998, in artikel 57, § 1, ingevoegd bij de wet van 12 maart 1998, in artikel 464/1, § 5, tweede lid, en in artikel 524bis, § 3, ingevoegd bij de wet van 19 december 2002, de zin "Hij die dit geheim schendt, wordt gestraft met de straffen bepaald in artikel 458 van het Strafwetboek.";
  b) het artikel 34, laatste lid;
  c) artikel 46bis, § 4, tweede lid, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 6 december 2022;
  d) artikel 46bis/1, § 2, laatste lid, ingevoegd bij de wet van 17 mei 2017 en gewijzigd bij de wet van 6 december 2022;
  e) artikel 46ter, § 2, laatste lid, ingevoegd bij de wet van 6 januari 2003 en gewijzigd bij de wet van 6 december 2022;
  f) artikel 46quater, § 4, laatste lid, ingevoegd bij de wet van 29 maart 2012 en gewijzigd bij de wet van 6 december 2022;
  g) in artikel 62, § 1, laatste lid, vervangen bij de wet van 21 november 2016, de zin "Hij die de geheimhoudingsplicht schendt, wordt gestraft met de bij artikel 458 van het Strafwetboek bepaalde straffen.";
  h) artikel 77, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 8 april 2002;
  i) artikel 90quater, § 4, derde lid, ingevoegd bij de wet van 30 juni 1994 en vervangen bij de wet van 6 december 2022;
  j) artikel 112undecies, ingevoegd bij de wet van 25 december 2016;
  k) artikel 163, derde en vierde lid, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 7 februari 2003;
  l) in artikel 195, tweede lid, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 24 december 1993, de zin "Wanneer hij veroordeelt tot een geldboete houdt hij voor de vaststelling van het bedrag ervan rekening met de door de beklaagde aangevoerde elementen over zijn sociale toestand.";
  m) artikel 195, zesde lid, ingevoegd bij de wet van 20 juli 2005;
  n) artikel 317, laatste lid, vervangen bij de wet van 21 december 2009;
  o) artikel 328, laatste lid, vervangen bij de wet van 21 december 2009 en gewijzigd bij de wet van 5 februari 2016;
  p) in artikel 448, de woorden "; een en ander op straffe van geldboete van vijftig frank tegen de griffier die het stuk in ontvangst heeft genomen zonder dat die formaliteit vervuld is";
  q) in artikel 449, de woorden ", op straffe van dezelfde geldboete";
  r) artikel 450, laatste lid;
  s) in artikel 453, de woorden ", en onder dezelfde straffen";
  t) in artikel 463, tweede lid, de woorden ", op straffe van geldboete van vijftig frank tegen de griffier";
  u) artikel 464/12, § 3, tweede en derde lid, ingevoegd bij de wet van 11 februari 2014 en gewijzigd bij wet van 28 november 2021;
  v) artikel 464/24, § 3, eerste lid, ingevoegd bij de wet van 11 februari 2014 en gewijzigd bij de wet van 18 maart 2018;
  3° de wet van 12 december 1817 houdende bepaling van straffen tegen de genen, die niet aan den militairen rechtsdwang onderworpen, de desertie van het krijgsvolk begunstigen;
  4° in het decreet van 20 juli 1831 op de drukpers:
  a) artikel 2;
  b) artikel 3, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 6 april 1847;
  c) de artikelen 4 tot en met 6;
  d) de artikelen 7 en 8, laatstelijk gewijzigd bij het regentsbesluit van 26 juni 1947 houdende het Wetboek van zegelrechten;
  e) artikel 10;
  f) artikel 12, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 maart 1891;
  g) artikel 15, laatstelijk gewijzigd bij het Strafwetboek van 6 juni 1867;
  5° de wet van 6 april 1847 tot bestraffing van de beledigingen aan den Koning, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 14 februari 2014;
  6° de wet van 12 maart 1858 betreffende de misdaden en de wanbedrijven die afbreuk doen aan de internationale betrekkingen, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 23 januari 2003;
  7° de wet van 11 juni 1889 betreffende de drukwerken en formulieren die het voorkomen van bankbiljetten of andere papieren waarden hebben;
  8° de besluitwet van 20 augustus 1915 met betrekking tot de vernietiging of beschadiging van door het leger opgerichte verdedigingswerken;
  9° het koninklijk besluit van 31 mei 1933 betreffende de verklaringen af te leggen in verband met subsidies, vergoedingen en toelagen laatstelijk gewijzigd bij de wet van 17 februari 2021;
  10° de wet van 29 juli 1934 waarbij de private milities verboden worden, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 juli 2008;
  11° de besluitwet van 10 april 1941 betreffende het verbod van economische betrekkingen met den vijand;
  12° in de wet van 2 maart 1954 tot voorkoming en beteugeling der aanslagen op de vrije uitoefening van de door de Grondwet ingestelde soevereine machten:
  a) artikel 1, tweede lid, vervangen bij de wet van 6 juli 2017;
  b) de artikelen 2 en 3, vervangen bij de wet van 6 juli 2017;
  c) de artikelen 4 en 5;
  13° de wet van 1 augustus 1979 betreffende diensten bij een vreemde leger- of troepenmacht die zich op het grondgebied van een vreemde Staat bevindt, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 22 april 2003;
  14° in de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen:
  a) de artikelen 77bis en 77ter, respectievelijk ingevoegd bij de wetten van 13 april 1995 en 10 augustus 2005 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 24 juni 2013;
  b) artikel 77quater, ingevoegd bij de wet van 10 augustus 2005 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 31 mei 2016;
  c) artikel 77quinquies, ingevoegd bij de wet van 10 augustus 2005 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 24 juni 2013;
  d) artikel 77sexies, ingevoegd bij de wet van 10 augustus 2005 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 31 mei 2016;
  15° in de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenophobie ingegeven daden:
  a) de artikelen 19 tot en met 25, gewijzigd bij de wet 5 mei 2019;
  16° in de wet van 23 maart 1995 tot bestraffing van het ontkennen, minimaliseren, rechtvaardigen of goedkeuren van de genocide die tijdens de tweede wereldoorlog door het Duitse nationaalsocialistische regime is gepleegd:
  a) artikel 1, gewijzigd bij de wetten van 7 mei 1999 en 26 juni 2000;
  b) de artikelen 2 en 3;
  17° artikel 145, § 3bis, van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie, ingevoegd bij de wet van 25 april 2007;
  18° artikelen 21 tot 23, van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie;
  19° in de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen:
  a) de artikelen 26 tot 28;
  b) de artikelen 28/1 en 28/2, ingevoegd bij de wet van 22 mei 2014;
  20° de wet van 22 mei 2014 ter bestrijding van seksisme in de openbare ruimte en tot aanpassing van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie teneinde de daad van discriminatie te bestraffen.
Art. 118. Les dispositions énumérées ci-après sont abrogées:
  1° le livre 2 du Code pénal du 8 juin 1867;
  2° dans le Code d'instruction criminelle:
  a) à l'article 28quinquies, § 1er, inséré par la loi du 12 mars 1998, à l'article 57, § 1er, inséré par la loi du 12 mars 1998, à l'article 464/1, § 5, alinéa 2, et à l'article 524bis, § 3, inséré par la loi du 19 décembre 2002, la phrase "Celui qui viole ce secret est puni des peines prévues à l'article 458 du Code pénal.";
  b) l'article 34, dernier alinéa;
  c) l'article 46bis, § 4, alinéa 2, modifié en dernier lieu par la loi du 6 décembre 2022;
  d) l'article 46bis/1, § 2, dernier alinéa, inséré par la loi du 17 mai 2017 et modifié par la loi du 6 décembre 2022;
  e) l'article 46ter, § 2, dernier alinéa, inséré par la loi du 6 janvier 2003 et modifié par la loi du 6 décembre 2022;
  f) l'article 46quater, § 4, dernier alinéa, inséré par la loi du 29 mars 2012 et modifié par la loi du 6 décembre 2022;
  g) à l'article 62, § 1er, dernier alinéa, remplacé par la loi du 21 novembre 2016, la phrase "Celui qui viole ce secret est puni des peines prévues à l'article 458 du Code pénal.";
  h) l'article 77, modifié en dernier lieu par la loi du 8 avril 2002;
  i) l'article 90quater, § 4, alinéa 3, inséré par la loi du 30 juin 1994 et remplacé par la loi du 6 décembre 2022;
  j) l'article 112undecies, inséré par la loi du 25 décembre 2016;
  k) l'article 163, alinéas 3 et 4, modifiés en dernier lieu par la loi du 7 février 2003;
  l) à l'article 195, alinéa 2, modifié en dernier lieu par la loi du 24 décembre 1993, la phrase "Lorsqu'il condamne à une peine d'amende, il tient compte pour la détermination de son montant, des éléments invoqués par le prévenu eu égard à sa situation sociale.";
  m) l'article 195, alinéa 6, inséré par la loi du 20 juillet 2005;
  n) l'article 317, dernier alinéa, remplacé par la loi du 21 décembre 2009;
  o) l'article 328, dernier alinéa, remplacé par la loi du 21 décembre 2009 et modifié par la loi du 5 février 2016;
  p) à l'article 448, les mots "; le tout à peine de cinquante francs d'amende contre le greffier qui l'aura reçue sans que cette formalité ait été remplie";
  q) à l'article 449, les mots ", sous peine d'une pareille amende";
  r) l'article 450, dernier alinéa;
  s) à l'article 453, les mots ", et sous les mêmes peines";
  t) à l'article 463, alinéa 2, les mots ", à peine d'une amende de cinquante francs contre le greffier";
  u) l'article 464/12, § 3, alinéas 2 et 3, inséré par la loi du 11 février 2014 et modifié par la loi du 28 novembre 2021;
  v) l'article 464/24, § 3, alinéa 1er, inséré par la loi du 11 février 2014 et modifié par la loi du 18 mars 2018;
  3° la loi du 12 décembre 1817 établissant des peines contre ceux qui, n'étant pas soumis à la juridiction militaire, favorisent la désertion d'individus appartenant aux armées de terre ou de mer;
  4° dans le décret du 20 juillet 1831 sur la presse:
  a) l'article 2;
  b) l'article 3, modifié en dernier lieu par la loi du 6 avril 1847;
  c) les articles 4 à 6;
  d) les articles 7 et 8, modifiés en dernier lieu par l'arrêté du Régent du 26 juin 1947 contenant le Code des droits de timbre;
  e) l'article 10;
  f) l'article 12, modifié en dernier lieu par la loi du 25 mars 1891;
  g) l'article 15, modifié en dernier lieu par le Code pénal du 6 juin 1867;
  5° la loi du 6 avril 1847 portant répression des offenses envers le Roi, modifié en dernier lieu par la loi du 14 février 2014;
  6° la loi du 12 mars 1858 concernant les crimes et délits qui portent atteinte aux relations internationales, modifiée en dernier lieu par la loi du 23 janvier 2003;
  7° la loi du 11 juin 1889 relative aux imprimés ou formules ayant l'apparence de billets de banque ou autres valeurs fiduciaires;
  8° l'arrêté-loi du 20 août 1915 concernant la destruction et dégradation des dispositifs de défense établis par l'armée;
  9° l'arrêté royal du 31 mai 1933 concernant les déclarations à faire en matière de subventions et allocations, modifié en dernier lieu par la loi du 17 février 2021;
  10° la loi du 29 juillet 1934 interdisant les milices privées, modifiée en dernier lieu par la loi du 25 juillet 2008;
  11° l'arrêté-loi du 10 avril 1941 concernant l'interdiction de relations économiques avec l'ennemi;
  12° dans la loi du 2 mars 1954 tendant à prévenir et réprimer les atteintes au libre exercice des pouvoirs souverains établis par la Constitution:
  a) l'article 1er, alinéa 2, remplacé par la loi du 6 juillet 2017;
  b) les articles 2 et 3, remplacés par la loi du 6 juillet 2017;
  c) les articles 4 et 5;
  13° la loi du 1er août 1979 concernant les services dans une armée ou une troupe étrangère se trouvant sur le territoire d'un Etat étranger, modifié en dernier lieu par la loi du 22 avril 2003;
  14° dans la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers:
  a) les articles 77bis et 77ter, respectivement insérés par les lois du 13 avril 1995 et 10 août 2005 et modifiés en dernier lieu par la loi du 24 juin 2013;
  b) l'article 77quater, inséré par la loi du 10 août 2005 et modifié en dernier lieu par la loi du 31 mai 2016;
  c) l'article 77quinquies, inséré par la loi du 10 août 2005 et modifié en dernier lieu par la loi du 24 juin 2013;
  d) l'article 77sexies, inséré par la loi du 10 août 2005 et modifié en dernier lieu par la loi du 31 mai 2016;
  15° dans la loi du 30 juillet 1981 tendant à réprimer certains actes inspirés par le racisme et la xénophobie:
  a) les articles 19 à 25, modifiés par la loi du 5 mai 2019;
  16° dans la loi du 23 mars 1995 tendant à réprimer la négation, la minimisation, la justification ou l'approbation du génocide commis par le régime national-socialiste allemand pendant la Seconde Guerre mondiale:
  a) l'article 1er, modifié par les lois du 7 mai 1999 et du 26 juin 2000;
  b) les articles 2 et 3;
  17° l'article 145, § 3bis, de la loi du 13 juin 2005 relative aux communications électroniques, inséré par la loi du 25 avril 2007;
  18° les articles 21 à 23, de la loi du 10 mai 2007 tendant à lutter contre certaines formes de discrimination;
  19° dans la loi du 10 mai 2007 tendant à lutter contre les discriminations entre les femmes et les hommes:
  a) les articles 26 à 28;
  b) les articles 28/1 et 28/2, insérés par la loi du 22 mai 2014;
  20° la loi du 22 mai 2014 tendant à lutter contre le sexisme dans l'espace public et modifiant la loi du 10 mai 2007 tendant à lutter contre la discrimination entre les femmes et les hommes afin de pénaliser l'acte de discrimination.
Art. 119. Deze wet treedt in werking twee jaar na de dag van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.
Art. 119. La présente loi entre en vigueur deux ans après le jour de sa publication au Moniteur belge.
Afdeling 2. Onmenselijke behandeling
Section 2. Le traitement inhumain
Art. 120. Onmenselijke behandeling
  Onmenselijke behandeling is elke opzettelijke gedraging waarmee ernstig geestelijk of lichamelijk leed wordt toegebracht.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 120. Le traitement inhumain
  Le traitement inhumain consiste à, délibérément, infliger de graves souffrances mentales ou physiques.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
Art. 121. Onmenselijke behandeling met een integriteitsaantasting van de derde graad tot gevolg
  De onmenselijke behandeling die een integriteitsaantasting van de derde graad tot gevolg heeft, wordt bestraft met een straf van niveau 4.
Art. 121. Le traitement inhumain ayant entraîné une atteinte à l'intégrité du troisième degré
  Le traitement inhumain ayant entraîné une atteinte à l'intégrité du troisième degré est puni d'une peine de niveau 4.
Art. 122. Onmenselijke behandeling door een persoon met een openbare functie
  De onmenselijke behandeling gepleegd door een persoon met een openbare functie in het kader van de uitoefening van deze functie, wordt bestraft met een straf van niveau 4.
Art. 122. Le traitement inhumain commis par une personne exerçant une fonction publique
  Le traitement inhumain commis par une personne exerçant une fonction publique dans le cadre de l'exercice de cette fonction est puni d'une peine de niveau 4.
Art. 123. Onmenselijke behandeling van een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand
  De onmenselijke behandeling van een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand wordt bestraft met een straf van niveau 4.
  Indien de onmenselijke behandeling van een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand een integriteitsaantasting van de derde graad tot gevolg heeft, wordt dit bestraft met een straf van niveau 5.
  Bij de keuze van de straf of de maatregel en de zwaarte ervan neemt de rechter in overweging dat de dader de vader, de moeder of een andere bloed- of aanverwant in de rechte lijn, dan wel in de zijlijn tot de derde graad, is van het slachtoffer, dat hij de partner is van het slachtoffer, dat hij gezag heeft over het slachtoffer, hem onder zijn bewaring heeft of occasioneel of gewoonlijk met het slachtoffer samenwoont.
Art. 123. Le traitement inhumain commis sur un mineur ou une personne en situation de vulnérabilité
  Le traitement inhumain commis sur un mineur ou une personne en situation de vulnérabilité est puni d'une peine de niveau 4.
  Le traitement inhumain commis sur un mineur ou une personne en situation de vulnérabilité ayant entraîné une atteinte à l'intégrité du troisième degré est puni d'une peine de niveau 5.
  Lors du choix de la peine ou de la mesure et de la sévérité de celle-ci, le juge prend en considération le fait que l'auteur est le père, la mère ou un autre parent ou allié en ligne directe, ou en ligne collatérale jusqu'au troisième degré, de la victime, qu'il est le partenaire de la victime, qu'il a autorité sur celle-ci, qu'il en a la garde ou cohabite occasionnellement ou habituellement avec elle.
Art. 124. Onmenselijke behandeling van een persoon met een maatschappelijke functie
  Onmenselijke behandeling gepleegd op een persoon met een maatschappelijke functie wordt bestraft met een straf van niveau 5 indien het misdrijf is gepleegd naar aanleiding van de uitoefening van deze functie.
Art. 124. Le traitement inhumain commis sur une personne exerçant une fonction sociétale
  Le traitement inhumain commis sur une personne exerçant une fonction sociétale est puni d'une peine de niveau 5 lorsqu'il est commis à l'occasion de l'exercice de cette fonction.
Art. 125. Intrafamiliale onmenselijke behandeling
  De onmenselijke behandeling van een bloedverwant of aanverwant in de rechte opgaande of neerdalende lijn, een bloedverwant of aanverwant in de zijlijn tot de derde graad, een partner of ieder ander persoon die een soortgelijke positie heeft in het gezin van voornoemde personen wordt bestraft met een straf van niveau 4.
  Indien de onmenselijke behandeling zoals gedefinieerd in het eerste lid een integriteitsaantasting van de derde graad tot gevolg heeft, wordt dit bestraft met een straf van niveau 5.
Art. 125. Le traitement inhumain intrafamilial
  Le traitement inhumain commis envers un parent ou allié ascendant ou descendant en ligne directe, un parent ou allié en ligne collatérale jusqu'au troisième degré, un partenaire ou toute autre personne occupant une position similaire au sein de la famille des personnes précitées est punie d'une peine de niveau 4.
  Lorsque le traitement inhumain tel que défini à l'alinéa 1er a entraîné une atteinte à l'intégrité du troisième degré, cette infraction est punie d'une peine de niveau 5.
Art. 126. Onmenselijke behandeling met de dood tot gevolg
  De onmenselijke behandeling die de dood tot gevolg heeft, zonder dat de dader handelde met het oogmerk te doden, wordt bestraft met een straf van niveau 6.
Art. 126. Le traitement inhumain ayant entraîné la mort
  Le traitement inhumain ayant entraîné la mort, sans intention de la donner, est puni d'une peine de niveau 6.
Art. 127. Uitgesloten rechtvaardigingsgrond
  De onmenselijke behandeling kan niet worden gerechtvaardigd door het bevel van de overheid.
Art. 127. L'exclusion d'une cause de justification
  Le traitement inhumain ne peut être justifié par l'ordre de l'autorité.
Afdeling 3. Onterende behandeling
Section 3. Le traitement dégradant
Art. 128. Onterende behandeling
  Onterende behandeling is het opzettelijk onderwerpen van een persoon aan een behandeling die in de ogen van het slachtoffer of van derden een ernstige krenking of aantasting van de menselijke waardigheid uitmaakt.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 128. Le traitement dégradant
  Le traitement dégradant consiste à, délibérément, soumettre une personne à un traitement qui lui cause, aux yeux d'autrui ou aux siens, une humiliation ou un avilissement grave.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Art. 129. Onterende behandeling van een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand
  De onterende behandeling van een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand wordt bestraft met een straf van niveau 3.
  Bij de keuze van de straf of de maatregel en de zwaarte ervan neemt de rechter in overweging dat de dader de vader, de moeder of een andere bloed- of aanverwant in de rechte lijn, dan wel in de zijlijn tot de derde graad, is van het slachtoffer, dat hij de partner is van het slachtoffer, dat hij gezag heeft over het slachtoffer, hem onder zijn bewaring heeft of occasioneel of gewoonlijk met het slachtoffer samenwoont.
Art. 129. Le traitement dégradant commis sur un mineur ou une personne en situation de vulnérabilité
  Le traitement dégradant commis sur un mineur ou une personne en situation de vulnérabilité est puni d'une peine de niveau 3.
  Lors du choix de la peine ou de la mesure et de la sévérité de celle-ci, le juge prend en considération le fait que l'auteur est le père, la mère ou un autre parent ou allié en ligne directe, ou en ligne collatérale jusqu'au troisième degré, de la victime, qu'il est le partenaire de la victime, qu'il a autorité sur celle-ci, qu'il en a la garde ou cohabite occasionnellement ou habituellement avec elle.
Art. 130. Intrafamiliale onterende behandeling
  De onterende behandeling van een bloedverwant of aanverwant in de rechte opgaande of neerdalende lijn, een bloedverwant of aanverwant in de zijlijn tot de derde graad, een partner of ieder ander persoon die een soortgelijke positie heeft in het gezin van voornoemde personen wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 130. Le traitement dégradant intrafamilial
  Le traitement inhumain commis sur un parent ou allié ascendants ou descendants en ligne directe, un parent ou allié en ligne collatérale jusqu'au troisième degré, un partenaire ou toute autre personne occupant une position similaire au sein de la famille des personnes précitées est punie d'une peine de niveau 3.
Afdeling 4. Gemeenschappelijke bepaling
Section 4. La disposition commune
Art. 131. Verzwarende factoren
  Bij de keuze van de straf of de maatregel en de zwaarte ervan voor een misdrijf omschreven in dit hoofdstuk neemt de rechter in overweging het feit dat:
  1° het misdrijf werd gepleegd in het bijzijn van een minderjarige;
  2° het misdrijf werd gepleegd door twee of meer personen die gezamenlijk optreden;
  3° het misdrijf werd gepleegd met behulp van of onder bedreiging van een wapen;
  4° het misdrijf werd gepleegd omwille van culturele drijfveren, gewoontes, tradities, religie of de zogenaamde "eer".
Art. 131. Les facteurs aggravants
  Lors du choix de la peine ou de la mesure et de la sévérité de celle-ci, pour une infraction définie dans ce chapitre, le juge prend en considération:
  1° le fait que l'infraction a été commise en présence d'un mineur;
  2° le fait que l'infraction a été commise par deux ou plusieurs personnes agissant de concert;
  3° le fait que l'infraction a été commise à l'aide ou sous la menace d'une arme;
  4° le fait que l'infraction a été commise au nom de la culture, de la coutume, de la tradition, de la religion ou du prétendu "honneur".
Hoofdstuk 3. Misdrijven tegen de seksuele integriteit, het seksueel zelfbeschikkingsrecht en de goede zeden
Chapitre 3. Les infractions portant atteinte à l'intégrité sexuelle, au droit à l'autodétermination sexuelle et aux bonnes moeurs
Afdeling 1. Aantasting van de seksuele integriteit, voyeurisme, niet-consensuele verspreiding van seksueel getinte inhoud en verkrachting
Section 1re. De l'atteinte à l'intégrité sexuelle, du voyeurisme, de la diffusion non consentie de contenus à caractère sexuel et du viol
Onderafdeling 1. Toestemming met betrekking tot het seksueel zelfbeschikkingsrecht
Sous-section 1re. Du consentement en matière de droit à l'autodétermination sexuelle
Art. 132. Definitie van toestemming met betrekking tot het seksueel zelfbeschikkingsrecht
  Toestemming veronderstelt dat deze uit vrije wil is gegeven. Dit wordt beoordeeld in het licht van de omstandigheden van de zaak. De toestemming kan niet worden afgeleid uit de loutere ontstentenis van verweer van het slachtoffer. De toestemming kan worden ingetrokken op elk ogenblik voor of tijdens de seksuele handeling.
  Toestemming is er niet wanneer de seksuele handeling is gepleegd door gebruik te maken van de kwetsbare toestand van het slachtoffer ten gevolge van onder meer angst, invloed van alcohol, verdovende middelen, psychotrope stoffen of enige andere substantie met een soortgelijke uitwerking, een ziekte of een handicapsituatie, waardoor de vrije wil is aangetast.
  Toestemming is er in ieder geval niet indien de seksuele handeling het gevolg is van een bedreiging, fysiek of psychisch geweld, dwang, verrassing, list of van enige andere strafbare gedraging.
  Toestemming is er in ieder geval niet wanneer de seksuele handeling is gepleegd ten nadele van een bewusteloos of slapend slachtoffer.
Art. 132. La définition du consentement en matière de droit à l'autodétermination sexuelle
  Le consentement suppose que celui-ci a été donné librement. Ceci est apprécié au regard des circonstances de l'affaire. Le consentement ne peut pas être déduit de la simple absence de résistance de la victime. Le consentement peut être retiré à tout moment avant ou pendant l'acte à caractère sexuel.
  Il n'y a pas de consentement lorsque l'acte à caractère sexuel a été commis en profitant de la situation de vulnérabilité de la victime due notamment à un état de peur, à l'influence de l'alcool, de stupéfiants, de substances psychotropes ou de toute autre substance ayant un effet similaire, à une maladie ou à une situation de handicap, altérant le libre arbitre.
  En tout état de cause, il n'y a pas de consentement si l'acte à caractère sexuel résulte d'une menace, de violences physiques ou psychologiques, d'une contrainte, d'une surprise, d'une ruse ou de tout autre comportement punissable.
  En tout état de cause, il n'y a pas de consentement lorsque l'acte à caractère sexuel a été commis au préjudice d'une victime inconsciente ou endormie.
Art. 133. Beperkingen aan de mogelijkheid tot toestemming door de minderjarige
  § 1. Onder voorbehoud van paragraaf 2 wordt een minderjarige die de volle leeftijd van zestien jaar niet heeft bereikt, niet geacht uit vrije wil te kunnen toestemmen.
  § 2. Een minderjarige die de volle leeftijd van veertien jaar heeft bereikt, maar niet de volle leeftijd van zestien jaar, kan uit vrije wil toestemmen indien het leeftijdsverschil met de andere persoon niet meer dan drie jaar bedraagt.
  Er is geen misdrijf tussen minderjarigen die de volle leeftijd van veertien jaar hebben bereikt en die met wederzijdse toestemming handelen wanneer het onderlinge leeftijdsverschil meer dan drie jaar bedraagt.
  § 3. Een minderjarige kan nooit uit vrije wil toestemmen indien:
  1° de dader een bloedverwant of aanverwant is in de rechte opgaande lijn of een bloedverwant of aanverwant in de zijlijn tot en met de derde graad of ieder ander persoon die een soortgelijke positie heeft in het gezin of ongeacht welke persoon die gewoonlijk of occasioneel met de minderjarige samenwoont en die over die minderjarige gezag heeft, of
  2° de daad mogelijk is gemaakt doordat de dader gebruik heeft gemaakt van een erkende positie van vertrouwen, gezag of invloed ten aanzien van de minderjarige, of
  3° de daad wordt beschouwd als een daad van ontucht of prostitutie als bedoeld in afdeling 2, onderafdeling 2, luidende "Seksuele uitbuiting van minderjarigen met het oog op prostitutie".
Art. 133. Les restrictions à la faculté de consentir du mineur
  § 1er. Sous réserve du paragraphe 2, un mineur qui n'a pas atteint l'âge de seize ans accomplis n'est pas réputé avoir la possibilité d'exprimer librement son consentement.
  § 2. Un mineur qui a atteint l'âge de quatorze ans accomplis mais pas l'âge de seize ans accomplis, peut consentir librement si la différence d'âge avec l'autre personne n'est pas supérieure à trois ans.
  Il n'y pas d'infraction entre mineurs ayant atteint l'âge de quatorze ans accomplis qui agissent avec consentement mutuel lorsque la différence d'âge entre ceux-ci est supérieure à trois ans.
  § 3. Un mineur n'est jamais réputé avoir la possibilité d'exprimer librement son consentement si:
  1° l'auteur est un parent ou un allié en ligne directe ascendante, ou un parent ou un allié en ligne collatérale jusqu'au troisième degré, ou toute autre personne qui occupe une position similaire au sein de la famille, ou toute personne cohabitant habituellement ou occasionnellement avec le mineur et qui a autorité sur lui, ou si;
  2° l'acte a été rendu possible en raison de l'utilisation, dans le chef de l'auteur, d'une position reconnue de confiance, d'autorité ou d'influence sur le mineur, ou si;
  3° l'acte est considéré comme un acte de débauche ou un acte de prostitution visé dans la section 2, sous-section 2, intitulée "L'exploitation sexuelle de mineurs à des fins de prostitution".
Onderafdeling 2. Basismisdrijven
Sous-section 2. Les infractions de base
Art. 134. Aantasting van de seksuele integriteit
  Aantasting van de seksuele integriteit is het opzettelijk stellen van een seksuele handeling op een persoon die daar niet in toestemt, al dan niet met behulp van een derde persoon die daar niet in toestemt, dan wel het laten stellen van een seksuele handeling door een persoon die daar niet in toestemt. Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
  Wordt met aantasting van de seksuele integriteit gelijkgesteld het opzettelijk bewerkstelligen dat een persoon die daarmee niet instemt, getuige is van seksuele handelingen, of van seksueel misbruik, ook zonder dat deze daaraan hoeft deel te nemen.
  Aantasting bestaat zodra er een begin van uitvoering is.
Art. 134. L'atteinte à l'intégrité sexuelle
  L'atteinte à l'intégrité sexuelle consiste à, délibérément, accomplir un acte à caractère sexuel sur une personne qui n'y consent pas, avec ou sans l'aide d'un tiers qui n'y consent pas, ou à faire exécuter un acte à caractère sexuel par une personne qui n'y consent pas. Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
  Est assimilé à l'atteinte à l'intégrité sexuelle le fait de faire assister délibérément une personne qui n'y consent pas à des actes à caractère sexuel ou à des abus sexuels, même sans qu'elle doive y participer.
  L'atteinte existe dès qu'il y a commencement d'exécution.
Art. 135. Voyeurisme
  Voyeurisme is het opzettelijk observeren of doen observeren van een persoon of opzettelijk van deze persoon een beeld- of geluidsopname maken of doen maken,
  - rechtstreeks of door middel van een technisch of ander hulpmiddel;
  - zonder de toestemming van die persoon of buiten zijn medeweten;
  - terwijl die persoon ontbloot is of een expliciete seksuele daad stelt, en;
  - terwijl die persoon zich in omstandigheden bevindt, waarin hij redelijkerwijs mag verwachten beschut te zijn voor ongewenste blikken.
  Onder ontblote persoon wordt begrepen de persoon die zonder toestemming of buiten zijn medeweten een deel van zijn lichaam toont dat op grond van zijn seksuele integriteit verhuld zou zijn gebleven indien die persoon had geweten dat hij werd geobserveerd of dat er een beeld- of geluidsopname van hem werd gemaakt.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
  Voyeurisme bestaat, zodra er begin van uitvoering is.
Art. 135. Le voyeurisme
  Le voyeurisme consiste à observer ou faire observer délibérément une personne ou réaliser ou faire réaliser délibérément un enregistrement visuel ou audio de celle-ci,
  - directement ou par un moyen technique ou autre;
  - sans le consentement de cette personne ou à son insu;
  - alors que cette personne est dénudée ou se livre à une activité sexuelle explicite, et ;
  - alors que cette personne se trouve dans des circonstances où elle peut raisonnablement considérer qu'elle est à l'abri des regards indésirables.
  Par personne dénudée, on entend la personne qui, sans son consentement ou à son insu, montre une partie de son corps, laquelle, en raison de son intégrité sexuelle, aurait été gardée cachée si cette personne avait su qu'elle était observée ou faisait l'objet d'un enregistrement visuel ou audio.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
  Le voyeurisme existe dès qu'il y a commencement d'exécution.
Art. 136. Niet-consensuele verspreiding van seksueel getinte inhoud
  Niet-consensuele verspreiding van seksueel getinte inhoud is het opzettelijk tonen, toegankelijk maken of verspreiden van visuele of geluidsinhoud van een ontblote persoon of een persoon die een expliciete seksuele daad stelt zonder diens toestemming of buiten diens medeweten, ook al heeft die persoon ingestemd met het maken ervan.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
  Niet-consensuele verspreiding van seksueel getinte inhoud bestaat, zodra er begin van uitvoering is.
Art. 136. La diffusion non consentie de contenus à caractère sexuel
  La diffusion non consentie de contenus à caractère sexuel consiste à montrer, rendre accessible ou diffuser délibérément du contenu visuel ou audio d'une personne dénudée ou d'une personne qui se livre à une activité sexuelle explicite sans son accord ou à son insu, même si cette personne a consenti à leur réalisation.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
  La diffusion non consentie de contenus à caractère sexuel existe dès qu'il y a commencement d'exécution.
Art. 137. Niet-consensuele verspreiding, met kwaadwillig opzet of uit winstbejag, van seksueel getinte inhoud
  Niet-consensuele verspreiding, met kwaadwillig opzet of uit winstbejag, van seksueel getinte inhoud is het met kwaadwillig opzet of uit winstbejag tonen, toegankelijk maken of verspreiden van visuele of geluidsinhoud van een ontblote persoon of een persoon die een expliciete seksuele daad stelt zonder diens toestemming of buiten diens medeweten, ook al heeft die persoon ingestemd met het maken ervan.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
  Niet-consensuele verspreiding, met kwaadwillig opzet of uit winstbejag, van seksueel getinte inhoud bestaat, zodra er begin van uitvoering is.
Art. 137. La diffusion non consentie avec une intention méchante ou dans un but lucratif de contenus à caractère sexuel
  La diffusion non consentie avec une intention méchante ou dans un but lucratif de contenus à caractère sexuel consiste à montrer, rendre accessible ou diffuser, avec une intention méchante ou dans un but lucratif, du contenu visuel ou audio d'une personne dénudée ou d'une personne qui se livre à une activité sexuelle explicite sans son accord ou à son insu, même si cette personne a consenti à leur réalisation.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
  La diffusion non consentie avec une intention méchante ou dans un but lucratif de contenus à caractère sexuel existe dès qu'il y a commencement d'exécution.
Art. 138. Verkrachting
  Verkrachting is elke opzettelijk gestelde daad die bestaat of mede bestaat uit een seksuele penetratie van welke aard en met welk middel ook, gepleegd op een persoon of met behulp van een persoon die daar niet in toestemt.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 4.
Art. 138. Le viol
  On entend par viol tout acte délibéré qui consiste en ou se compose d'une pénétration sexuelle de quelque nature et par quelque moyen que ce soit, commis sur une personne ou avec l'aide d'une personne qui n'y consent pas.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 4.
Onderafdeling 3. Verzwaarde misdrijven
Sous-section 3. Les infractions aggravées
Art. 139. Niet-consensuele seksuele handelingen met de dood tot gevolg
  Niet-consensuele seksuele handelingen die de dood tot gevolg hebben, zonder dat de dader handelde met het oogmerk te doden, worden als volgt bestraft:
  - aantasting van de seksuele integriteit wordt bestraft met een straf van niveau 7;
  - verkrachting wordt bestraft met een straf van niveau 7.
Art. 139. Les actes à caractère sexuel non consentis ayant entraîné la mort
  Les actes à caractère sexuel non consentis ayant entraîné la mort, sans intention de la donner, sont punis comme suit:
  - l'atteinte à l'intégrité sexuelle est punie d'une peine de niveau 7;
  - le viol est puni d'une peine de niveau 7.
Art. 140. Niet-consensuele seksuele handelingen voorafgegaan door of gepaard gaand met foltering, opsluiting of zwaar geweld
  Niet-consensuele seksuele handelingen voorafgegaan door of gepaard gaand met foltering, opsluiting of met zwaar geweld die een integriteitsaantasting van de derde graad tot gevolg heeft, worden als volgt bestraft:
  - aantasting van de seksuele integriteit wordt bestraft met een straf van niveau 5;
  - verkrachting wordt bestraft met een straf van niveau 5.
  De rechter kan geen straf onder elektronisch toezicht, probatiestraf of werkstraf uitspreken in geval van niet-consensuele seksuele handelingen voorafgegaan door of gepaard gaand met foltering, opsluiting of zwaar geweld.
Art. 140. Les actes à caractère sexuel non consentis précédés ou accompagnés de torture, de séquestration ou de violence grave
  Les actes à caractère sexuel non consentis précédés ou accompagnés de torture, de séquestration ou de violence grave ayant entraîné une atteinte à l'intégrité du troisième degré sont punis comme suit:
  - l'atteinte à l'intégrité sexuelle est punie d'une peine de niveau 5;
  - le viol est puni d'une peine de niveau 5.
  Le juge ne peut pas prononcer de peine de surveillance électronique, de probation ou de travail en cas d'actes à caractère sexuel non consentis précédés ou accompagnés de torture, de séquestration ou de violence grave.
Art. 141. Niet-consensuele seksuele handelingen gepleegd onder bedreiging van een wapen of op een wapen gelijkend voorwerp of na toediening van weerloosmakende of remmingsverlagende stoffen
  Niet-consensuele seksuele handelingen gepleegd onder bedreiging van een wapen of op een wapen gelijkend voorwerp of na toediening van weerloosmakende of remmingsverlagende stoffen worden als volgt bestraft:
  - aantasting van de seksuele integriteit wordt bestraft met een straf van niveau 5;
  - verkrachting wordt bestraft met een straf van niveau 5.
Art. 141. Les actes à caractère sexuel non consentis commis sous la menace d'une arme ou d'un objet qui y ressemble ou après administration de substances inhibitives ou désinhibitives
  Les actes à caractère sexuel non consentis commis sous la menace d'une arme ou d'un objet qui y ressemble ou après administration de substances inhibitives ou désinhibitives sont punis comme suit:
  - l'atteinte à l'intégrité sexuelle est punie d'une peine de niveau 5;
  - le viol est puni d'une peine de niveau 5.
Art. 142. Niet-consensuele seksuele handelingen gepleegd ten nadele van een persoon in een kwetsbare toestand
  Niet-consensuele seksuele handelingen gepleegd ten nadele van een persoon in een kwetsbare toestand, worden als volgt bestraft:
  - aantasting van de seksuele integriteit wordt bestraft met een straf van niveau 5;
  - voyeurisme wordt bestraft met een straf van niveau 4;
  - niet-consensuele verspreiding van seksueel getinte inhoud wordt bestraft met een straf van niveau 5;
  - niet-consensuele verspreiding, met kwaadwillig opzet of uit winstbejag, van seksueel getinte inhoud wordt bestraft met een straf van niveau 5;
  - verkrachting wordt bestraft met een straf van niveau 6.
Art. 142. Les actes à caractère sexuel non consentis commis au préjudice d'une personne en situation de vulnérabilité
  Les actes à caractère sexuel non consentis commis au préjudice d'une personne en situation de vulnérabilité, sont punis comme suit:
  - l'atteinte à l'intégrité sexuelle est punie d'une peine de niveau 5;
  - le voyeurisme est puni d'une peine de niveau 4;
  - la diffusion non consentie de contenus à caractère sexuel est punie d'une peine de niveau 5;
  - la diffusion non consentie avec une intention méchante ou dans un but lucratif de contenus à caractère sexuel est punie d'une peine de niveau 5;
  - le viol est puni d'une peine de niveau 6.
Art. 143. Niet-consensuele seksuele handelingen gepleegd ten nadele van een minderjarige die geen volle zestien jaar oud is
  Niet-consensuele seksuele handelingen gepleegd ten nadele van een minderjarige die geen volle zestien jaar oud is, worden als volgt bestraft:
  - aantasting van de seksuele integriteit wordt bestraft met een straf van niveau 5;
  - voyeurisme wordt bestraft met een straf van niveau 4;
  - niet-consensuele verspreiding van seksueel getinte inhoud wordt bestraft met een straf van niveau 5;
  - niet-consensuele verspreiding met kwaadwillig opzet of uit winstbejag van seksueel getinte inhoud wordt bestraft met een straf van niveau 5;
  - verkrachting wordt bestraft met een straf van niveau 6.
Art. 143. Les actes à caractère sexuel non consentis commis au préjudice d'un mineur de moins de seize ans accomplis
  Les actes à caractère sexuel non consentis commis au préjudice d'un mineur de moins de seize ans accomplis sont punis comme suit:
  - l'atteinte à l'intégrité sexuelle est punie d'une peine de niveau 5;
  - le voyeurisme est puni d'une peine de niveau 4;
  - la diffusion non consentie de contenus à caractère sexuel est punie d'une peine de niveau 5;
  - la diffusion non consentie avec une intention méchante ou dans un but lucratif de contenus à caractère sexuel est punie d'une peine de niveau 5;
  - le viol est puni d'une peine de niveau 6.
Art. 144. Niet-consensuele seksuele handelingen gepleegd ten nadele van een minderjarige boven de volle leeftijd van zestien jaar
  Niet-consensuele seksuele handelingen gepleegd ten nadele van een minderjarige boven de volle leeftijd van zestien jaar worden als volgt bestraft:
  - aantasting van de seksuele integriteit wordt bestraft met een straf van niveau 4;
  - voyeurisme wordt bestraft met een straf van niveau 3;
  - niet-consensuele verspreiding van seksueel getinte inhoud wordt bestraft met een straf van niveau 4;
  - niet-consensuele verspreiding, met kwaadwillig opzet of uit winstbejag, van seksueel getinte inhoud wordt bestraft met een straf van niveau 4;
  - verkrachting wordt bestraft met een straf van niveau 5.
Art. 144. Les actes à caractère sexuel non consentis commis au préjudice d'un mineur de plus de seize ans accomplis
  Les actes à caractère sexuel non consentis commis au préjudice d'un mineur de plus de seize ans accomplis sont punis comme suit:
  - l'atteinte à l'intégrité sexuelle est punie d'une peine de niveau 4;
  - le voyeurisme est puni d'une peine de niveau 3;
  - la diffusion non consentie de contenus à caractère sexuel est punie d'une peine de niveau 4;
  - la diffusion non consentie avec une intention méchante ou dans un but lucratif de contenus à caractère sexuel est punie d'une peine de niveau 4;
  - le viol est puni d'une peine de niveau 5.
Art. 145. Incest
  Onder incest wordt begrepen de seksuele handelingen gepleegd ten nadele van een minderjarige door een bloedverwant of aanverwant in de rechte opgaande lijn, door een bloedverwant of aanverwant in de zijlijn tot de derde graad of ieder ander persoon die een soortgelijke positie heeft in het gezin van voornoemde personen.
  Incest wordt als volgt bestraft:
  - aantasting van de seksuele integriteit wordt bestraft met een straf van niveau 5;
  - voyeurisme wordt bestraft met een straf van niveau 4;
  - niet-consensuele verspreiding van seksueel getinte inhoud wordt bestraft met een straf van niveau 5;
  - niet-consensuele verspreiding met kwaadwillig opzet of uit winstbejag van seksueel getinte inhoud wordt bestraft met een straf van niveau 5;
  - verkrachting wordt bestraft met een straf van niveau 6.
Art. 145. L'inceste
  On entend par inceste les actes à caractère sexuel commis au préjudice d'un mineur par un parent ou allié ascendant en ligne directe, par un parent ou allié en ligne collatérale jusqu'au troisième degré, ou toute autre personne occupant une position similaire au sein de la famille des personnes précitées.
  L'inceste est puni comme suit:
  - l'atteinte à l'intégrité sexuelle est punie d'une peine de niveau 5;
  - le voyeurisme est puni d'une peine de niveau 4;
  - la diffusion non consentie de contenus à caractère sexuel est punie d'une peine de niveau 5;
  - la diffusion non consentie avec une intention méchante ou dans un but lucratif de contenus à caractère sexuel est punie d'une peine de niveau 5;
  - le viol est puni d'une peine de niveau 6.
Art. 146. Niet-consensuele intrafamiliale seksuele handelingen
  Onder niet-consensuele intrafamiliale seksuele handelingen worden begrepen de niet-consensuele seksuele handelingen gepleegd door een bloedverwant of aanverwant in de rechte opgaande of neerdalende lijn, door een bloedverwant of aanverwant in de zijlijn tot de derde graad, door een partner of ieder ander persoon die een soortgelijke positie heeft in het gezin van voornoemde personen.
  Niet-consensuele intrafamiliale seksuele handelingen worden als volgt bestraft:
  - aantasting van de seksuele integriteit wordt bestraft met een straf van niveau 4;
  - voyeurisme wordt bestraft met een straf van niveau 3;
  - niet-consensuele verspreiding van seksueel getinte inhoud wordt bestraft met een straf van niveau 4;
  - niet-consensuele verspreiding, met kwaadwillig opzet of uit winstbejag, van seksueel getinte inhoud wordt bestraft met een straf van niveau 4;
  - verkrachting wordt bestraft met een straf van niveau 5.
Art. 146. Les actes à caractère sexuel intrafamiliaux non consentis
  On entend par actes à caractère sexuel intrafamiliaux non consentis les actes à caractère sexuel non consentis commis par un parent ou allié ascendants ou descendants en ligne directe, par un parent ou allié en ligne collatérale jusqu'au troisième degré, par un partenaire ou toute autre personne occupant une position similaire au sein de la famille des personnes précitées.
  Les actes à caractère sexuel intrafamiliaux non consentis sont punis comme suit:
  - l'atteinte à l'intégrité sexuelle est punie d'une peine de niveau 4;
  - le voyeurisme est puni d'une peine de niveau 3;
  - la diffusion non consentie de contenus à caractère sexuel est punie d'une peine de niveau 4;
  - la diffusion non consentie avec une intention méchante ou dans un but lucratif de contenus à caractère sexuel est punie d'une peine de niveau 4;
  - le viol est puni d'une peine de niveau 5.
Art. 147. Niet-consensuele seksuele handelingen gepleegd vanuit een discriminerende drijfveer
  Niet-consensuele seksuele handelingen gepleegd vanuit een discriminerende drijfveer bedoeld in artikel 29, worden als volgt bestraft:
  - aantasting van de seksuele integriteit wordt bestraft met een straf van niveau 4;
  - voyeurisme wordt bestraft met een straf van niveau 3;
  - niet-consensuele verspreiding van seksueel getinte inhoud wordt bestraft met een straf van niveau 4;
  - niet-consensuele verspreiding, met kwaadwillig opzet of uit winstbejag, van seksueel getinte inhoud wordt bestraft met een straf van niveau 4;
  - verkrachting wordt bestraft met een straf van niveau 5.
  Dezelfde straffen worden opgelegd wanneer een van de drijfveren van de dader erin bestaat dat het slachtoffer een band of vermeende band heeft met een persoon ten aanzien van wie hij haat, misprijzen of vijandigheid koestert wegens een of meer van de in het artikel 29 aangehaalde werkelijke of vermeende kenmerken.
Art. 147. Les actes à caractère sexuel non consentis commis avec un mobile discriminatoire
  Les actes à caractère sexuel non consentis commis avec un mobile discriminatoire visé à l'article 29, sont punis comme suit:
  - l'atteinte à l'intégrité sexuelle est punie d'une peine de niveau 4;
  - le voyeurisme est puni d'une peine de niveau 3;
  - la diffusion non consentie de contenus à caractère sexuel est punie d'une peine de niveau 4;
  - la diffusion non consentie avec une intention méchante ou dans un but lucratif de contenus à caractère sexuel est punie d'une peine de niveau 4;
  - le viol est puni d'une peine de niveau 5.
  Les mêmes peines sont infligées lorsque l'un des mobiles de l'auteur réside en un lien ou un lien supposé entre la victime et une personne à l'égard de laquelle il nourrit de la haine, du mépris ou de l'hostilité pour une ou plusieurs des caractéristiques réelles ou supposées énoncées à l'article 29.
Art. 148. Niet-consensuele seksuele handelingen gepleegd door een persoon die zich in een gezags- of vertrouwenspositie bevindt ten aanzien van het slachtoffer
  Niet-consensuele seksuele handelingen gepleegd door een persoon die zich in een erkende positie van vertrouwen, gezag of invloed ten aanzien van het slachtoffer bevindt, worden als volgt bestraft:
  - aantasting van de seksuele integriteit wordt bestraft met een straf van niveau 4;
  - voyeurisme wordt bestraft met een straf van niveau 3;
  - niet-consensuele verspreiding van seksueel getinte inhoud wordt bestraft met een straf van niveau 4;
  - niet-consensuele verspreiding, met kwaadwillig opzet of uit winstbejag, van seksueel getinte inhoud wordt bestraft met een straf van niveau 4;
  - verkrachting wordt bestraft met een straf van niveau 5.
Art. 148. Les actes à caractère sexuel non consentis commis par une personne qui se trouve en position d'autorité ou de confiance à l'égard de la victime
  Les actes à caractère sexuel non consentis commis par une personne qui se trouve dans une position reconnue de confiance, d'autorité ou d'influence sur la victime sont punis comme suit:
  - l'atteinte à l'intégrité sexuelle est punie d'une peine de niveau 4;
  - le voyeurisme est puni d'une peine de niveau 3;
  - la diffusion non consentie de contenus à caractère sexuel est punie d'une peine de niveau 4;
  - la diffusion non consentie avec une intention méchante ou dans un but lucratif de contenus à caractère sexuel est punie d'une peine de niveau 4;
  - le viol est puni d'une peine de niveau 5.
Art. 149. Niet-consensuele seksuele handelingen gepleegd met de hulp of in aanwezigheid van een of meer personen
  Niet-consensuele seksuele handelingen gepleegd met de hulp of in aanwezigheid van een of meer personen worden als volgt bestraft:
  - aantasting van de seksuele integriteit wordt bestraft met een straf van niveau 4;
  - voyeurisme wordt bestraft met een straf van niveau 3;
  - niet-consensuele verspreiding van seksueel getinte inhoud wordt bestraft met een straf van niveau 4;
  - niet-consensuele verspreiding, met kwaadwillig opzet of uit winstbejag, van seksueel getinte inhoud wordt bestraft met een straf van niveau 4;
  - verkrachting wordt bestraft met een straf van niveau 5.
Art. 149. Les actes à caractère sexuel non consentis commis avec l'aide ou en présence d'une ou de plusieurs personnes
  Les actes à caractère sexuel non consentis commis avec l'aide ou en présence d'une ou de plusieurs personnes sont punis comme suit:
  - l'atteinte à l'intégrité sexuelle est punie d'une peine de niveau 4;
  - le voyeurisme est puni d'une peine de niveau 3;
  - la diffusion non consentie de contenus à caractère sexuel est punie d'une peine de niveau 4;
  - la diffusion non consentie avec une intention méchante ou dans un but lucratif de contenus à caractère sexuel est punie d'une peine de niveau 4;
  - le viol est puni d'une peine de niveau 5.
Onderafdeling 4. Algemene bepaling
Sous-section 4. La disposition générale
Art. 150. Verzwarende factoren
  Bij de keuze van de straf of de maatregel en de zwaarte ervan voor feiten die niet-consensuele seksuele handelingen uitmaken, houdt de rechter in het bijzonder rekening met het feit dat:
  - de dader een bloedverwant in de rechte opgaande of neerdalende of in de zijlijn tot de derde graad is van het slachtoffer, dan wel een aanverwant in de rechte lijn of in de zijlijn tot de derde graad, dat hij gezag heeft over het slachtoffer, hem onder zijn bewaring heeft of occasioneel of gewoonlijk met het slachtoffer samenwoont of heeft samengewoond;
  - het misdrijf werd gepleegd door een persoon met een openbare functie in het kader van de uitoefening van deze functie;
  - het misdrijf werd gepleegd door een arts of een andere gezondheidswerker in het kader van de uitoefening van zijn functie;
  - het misdrijf werd gepleegd op een minderjarige beneden de volle leeftijd van tien jaar;
  - het misdrijf werd gepleegd op een minderjarige beneden de volle leeftijd van zestien jaar en is voorafgegaan door een benadering van deze minderjarige vanwege de dader met het oogmerk op een later tijdstip de in deze afdeling bepaalde feiten te plegen;
  - het misdrijf werd gepleegd in het bijzijn van een minderjarige;
  - het misdrijf werd gepleegd omwille van culturele drijfveren, gewoontes, tradities, religie of de zogenaamde "eer".
Art. 150. Les facteurs aggravants
  Lors du choix de la peine ou de la mesure et de la sévérité de celle-ci, pour des faits constitutifs d'actes à caractère sexuel non consentis, le juge tient plus particulièrement compte du fait que:
  - l'auteur est un parent ascendant ou descendant en ligne directe ou en ligne collatérale jusqu'au troisième degré ou un allié en ligne directe ou en ligne collatérale jusqu'au troisième degré de la victime, qu'il a autorité sur celle-ci, qu'il en a la garde ou cohabite ou a cohabité occasionnellement ou habituellement avec elle;
  - l'infraction a été commise par une personne exerçant une fonction publique dans le cadre de l'exercice de cette fonction;
  - l'infraction a été commise par un médecin ou un autre professionnel de la santé dans le cadre de l'exercice de sa fonction;
  - l'infraction a été commise sur un mineur de moins de dix ans accomplis;
  - l'infraction a été commise sur un mineur de moins de seize ans accomplis et a été précédée par une approche de ce mineur par l'auteur dans le but de commettre ultérieurement les faits visés à la présente section;
  - l'infraction a été commise en présence d'un mineur;
  - l'infraction a été commise au nom de la culture, de la coutume, de la tradition, de la religion ou du prétendu "honneur".
Afdeling 2. Seksuele uitbuiting van minderjarigen
Section 2. L'exploitation sexuelle de mineurs
Onderafdeling 1. Benaderen van een minderjarige voor seksuele doeleinden
Sous-section 1re. L'approche d'un mineur à des fins sexuelles
Art. 151. Benaderen van een minderjarige voor seksuele doeleinden
  Benaderen van een minderjarige voor seksuele doeleinden is het aan een minderjarige een voorstel tot ontmoeting doen, op welke manier dan ook, met het oogmerk om een misdrijf te plegen bedoeld in dit hoofdstuk, voor zover dit voorstel is gevolgd door materiële handelingen die tot een dergelijke ontmoeting kunnen leiden.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 151. L'approche d'un mineur à des fins sexuelles
  L'approche d'un mineur à des fins sexuelles consiste à proposer, par quelque moyen que ce soit, une rencontre à un mineur dans l'intention de commettre une infraction visée au présent chapitre, si cette proposition a été suivie d'actes matériels pouvant conduire à ladite rencontre.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
Onderafdeling 2. Seksuele uitbuiting van minderjarigen met het oog op prostitutie
Sous-section 2. L'exploitation sexuelle de mineurs à des fins de prostitution
Art. 152. Bewegen van een minderjarige tot het plegen van ontucht of prostitutie
  Bewegen van een minderjarige tot het plegen van ontucht of prostitutie is opzettelijk de ontucht of de prostitutie van een minderjarige opwekken, begunstigen of vergemakkelijken.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 4.
Art. 152. L'incitation d'un mineur à la débauche ou à la prostitution
  L'incitation d'un mineur à la débauche ou à la prostitution consiste à délibérément susciter, favoriser ou faciliter la débauche ou la prostitution d'un mineur.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 4.
Art. 153. Bewegen van een minderjarige beneden de volle leeftijd van zestien jaar tot het plegen van ontucht of prostitutie
  Bewegen van een minderjarige beneden de volle leeftijd van zestien jaar tot het plegen van ontucht of prostitutie, wordt bestraft met een straf van niveau 5.
Art. 153. L'incitation d'un mineur de moins de seize ans accomplis à la débauche ou à la prostitution
  L'incitation d'un mineur de moins de seize ans accomplis à la débauche ou à la prostitution est punie d'une peine de niveau 5.
Art. 154. Werven van een minderjarige voor ontucht of prostitutie
  Werven van een minderjarige voor ontucht of prostitutie is het, onverminderd de in artikel 258 bedoelde gevallen, rechtstreeks of via een tussenpersoon, opzettelijk aanwerven, meenemen, wegbrengen of bij zich houden van een minderjarige met het oog op het plegen van ontucht of prostitutie.
  Dit misdrijf wordt bestraft een straf van niveau 4.
  De geldboete wordt zo veel keer toegepast als er slachtoffers zijn.
Art. 154. Le recrutement d'un mineur à des fins de débauche ou de prostitution
  Le recrutement d'un mineur à des fins de débauche ou de prostitution consiste, sans préjudice des cas visés à l'article 258, à embaucher, entraîner, détourner ou retenir délibérément, soit directement soit par un intermédiaire, un mineur en vue de la débauche ou de la prostitution.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 4.
  L'amende est appliquée autant de fois qu'il y a de victimes.
Art. 155. Werven van een minderjarige beneden de volle leeftijd van zestien jaar voor ontucht of prostitutie
  Onverminderd de in artikel 258 bedoelde gevallen wordt het werven van een minderjarige beneden de volle leeftijd van zestien jaar voor ontucht of prostitutie bestraft met een straf van niveau 5.
  De geldboete wordt zo veel keer toegepast als er slachtoffers zijn.
Art. 155. Le recrutement d'un mineur de moins de seize ans accomplis à des fins de débauche ou de prostitution
  Sans préjudice des cas visés à l'article 258, le recrutement d'un mineur de moins de seize ans accomplis à des fins de débauche ou de prostitution est puni d'une peine de niveau 5.
  L'amende est appliquée autant de fois qu'il y a de victimes.
Art. 156. Houden van een huis van ontucht of prostitutie waar een minderjarige ontucht of prostitutie pleegt
  Houden van een huis van ontucht of prostitutie waar een minderjarige ontucht of prostitutie pleegt, is het opzettelijk, rechtstreeks of via een tussenpersoon, houden van een huis van ontucht of prostitutie waar een minderjarige ontucht of prostitutie pleegt.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 4.
  De geldboete wordt zo veel keer toegepast als er slachtoffers zijn.
Art. 156. La tenue d'une maison de débauche ou de prostitution où un mineur se livre à la débauche ou à la prostitution
  La tenue d'une maison de débauche ou de prostitution où un mineur se livre à la débauche ou à la prostitution consiste à délibérément tenir, soit directement soit par un intermédiaire, une maison de débauche ou de prostitution où un mineur se livre à la débauche ou à la prostitution.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 4.
  L'amende est appliquée autant de fois qu'il y a de victimes.
Art. 157. Houden van een huis van ontucht of prostitutie waar een minderjarige beneden de volle leeftijd van zestien jaar ontucht of prostitutie pleegt
  Houden van een huis van ontucht of prostitutie waar een minderjarige beneden de volle leeftijd van zestien jaar ontucht of prostitutie pleegt, wordt bestraft met een straf van niveau 5.
  De geldboete wordt zo veel keer toegepast als er slachtoffers zijn.
Art. 157. La tenue d'une maison de débauche ou de prostitution où un mineur de moins de seize ans accomplis se livre à la débauche ou à la prostitution
  La tenue d'une maison de débauche ou de prostitution où un mineur de moins de seize ans accomplis se livre à la débauche ou à la prostitution est punie d'une peine de niveau 5.
  L'amende est appliquée autant de fois qu'il y a de victimes.
Art. 158. Ter beschikking stellen van een ruimte aan een minderjarige met het oog op ontucht of prostitutie
  Ter beschikking stellen van een ruimte aan een minderjarige met het oog op ontucht of prostitutie is het verkopen, verhuren of ter beschikking stellen van een kamer of enige andere ruimte aan een minderjarige met het oogmerk de ontucht of prostitutie van een minderjarige mogelijk te maken.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 4.
  De geldboete wordt zo veel keer toegepast als er slachtoffers zijn.
Art. 158. La mise à disposition d'un local à un mineur à des fins de débauche ou de prostitution
  La mise à disposition d'un local à un mineur à des fins de débauche ou de prostitution consiste à vendre, louer ou mettre à la disposition d'un mineur une chambre ou tout autre local dans l'intention de permettre la débauche ou la prostitution d'un mineur.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 4.
  L'amende est appliquée autant de fois qu'il y a de victimes.
Art. 159. Ter beschikking stellen van een ruimte aan een minderjarige beneden de volle leeftijd van zestien jaar met het oog op ontucht of prostitutie
  Ter beschikking stellen van een ruimte aan een minderjarige beneden de volle leeftijd van zestien jaar met het oog op ontucht of prostitutie wordt bestraft met een straf van niveau 5.
  De geldboete wordt zo veel keer toegepast als er slachtoffers zijn.
Art. 159. La mise à disposition d'un local à un mineur de moins de seize ans accomplis à des fins de débauche ou de prostitution
  La mise à disposition d'un local à un mineur de moins de seize ans accomplis à des fins de débauche ou de prostitution est punie d'une peine de niveau 5.
  L'amende est appliquée autant de fois qu'il y a de victimes.
Art. 160. Exploitatie van de ontucht of prostitutie van een minderjarige
  Exploitatie van de ontucht of prostitutie van een minderjarige is het, onverminderd de in artikel 258 bedoelde gevallen, opzettelijk op welke manier ook, exploiteren van de ontucht of prostitutie van een minderjarige.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 4.
  De geldboete wordt zo veel keer toegepast als er slachtoffers zijn.
Art. 160. L'exploitation de la débauche ou de la prostitution d'un mineur
  L'exploitation de la débauche ou de la prostitution d'un mineur consiste, sans préjudice des cas visés à l'article 258, à délibérément exploiter de quelque manière que ce soit, la débauche ou la prostitution d'un mineur.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 4.
  L'amende est appliquée autant de fois qu'il y a de victimes.
Art. 161. Exploitatie van de ontucht of prostitutie van een minderjarige beneden de volle leeftijd van zestien jaar
  Onverminderd de in artikel 258 bedoelde gevallen wordt exploitatie van de ontucht of prostitutie van een minderjarige beneden de volle leeftijd van zestien jaar bestraft met een straf van niveau 5.
  De geldboete wordt zo veel keer toegepast als er slachtoffers zijn.
Art. 161. L'exploitation de la débauche ou de la prostitution d'un mineur de moins de seize ans accomplis
  Sans préjudice des cas visés à l'article 258, l'exploitation de la débauche ou de la prostitution d'un mineur de moins de seize ans accomplis est punie d'une peine de niveau 5.
  L'amende est appliquée autant de fois qu'il y a de victimes.
Art. 162. Verkrijgen van de ontucht of de prostitutie van een minderjarige
  Verkrijgen van de ontucht of de prostitutie van een minderjarige is het opzettelijk verkrijgen van de ontucht of de prostitutie van een minderjarige door de overhandiging, het aanbod of de belofte van een materieel of financieel voordeel.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 4.
  De geldboete wordt zo veel keer toegepast als er slachtoffers zijn.
Art. 162. L'obtention de la débauche ou de la prostitution d'un mineur
  L'obtention de la débauche ou de la prostitution d'un mineur consiste à délibérément obtenir par la remise, l'offre ou la promesse d'un avantage matériel ou financier, la débauche ou la prostitution d'un mineur.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 4.
  L'amende est appliquée autant de fois qu'il y a de victimes.
Art. 163. Verkrijgen van de ontucht of de prostitutie van een minderjarige beneden de volle leeftijd van zestien jaar
  Verkrijgen van de ontucht of de prostitutie van een minderjarige beneden de volle leeftijd van zestien jaar wordt bestraft met een straf van niveau 5.
  De geldboete wordt zo veel keer toegepast als er slachtoffers zijn.
Art. 163. L'obtention de la débauche ou de la prostitution d'un mineur de moins de seize ans accomplis
  L'obtention de la débauche ou de la prostitution d'un mineur de moins de seize ans accomplis est punie d'une peine de niveau 5.
  L'amende est appliquée autant de fois qu'il y a de victimes.
Art. 164. Organisatie van ontucht of prostitutie van een minderjarige in vereniging
  Indien een in het tweede lid bedoeld misdrijf wordt gepleegd als daad van deelneming aan de hoofdbedrijvigheid of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging, ongeacht of de schuldige de hoedanigheid van leidend persoon heeft in deze vereniging of niet, wordt dit misdrijf bestraft met een straf van niveau 6.
  Het eerste lid is van toepassing op:
  - het bewegen van een minderjarige tot het plegen van ontucht of prostitutie bedoeld in de artikelen 152 en 153;
  - het werven van een minderjarige voor ontucht of prostitutie bedoeld in de artikelen 154 en 155;
  - het houden van een huis van ontucht of prostitutie waar een minderjarige ontucht of prostitutie pleegt bedoeld in de artikelen 156 en 157;
  - het ter beschikking stellen van een ruimte aan een minderjarige met het oog op ontucht of prostitutie bedoeld in de artikelen 158 en 159;
  - de exploitatie van de ontucht of prostitutie van een minderjarige bedoeld in de artikelen 160 en 161; en
  - het verkrijgen van de ontucht of de prostitutie van een minderjarige bedoeld in de artikelen 162 en 163.
Art. 164. L'organisation de la débauche ou de la prostitution d'un mineur en association
  Lorsqu'une infraction visée à l'alinéa 2 est commise comme un acte de participation à l'activité principale ou accessoire d'une association et ce, que le coupable ait ou non la qualité de dirigeant de cette association, cette infraction est punie d'une peine de niveau 6.
  L'alinéa 1er s'applique à:
  - l'incitation d'un mineur à la débauche ou à la prostitution visée aux articles 152 et 153;
  - le recrutement d'un mineur à des fins de débauche ou de prostitution visé aux articles 154 et 155;
  - la tenue d'une maison de débauche ou de prostitution où un mineur se livre à la débauche ou à la prostitution visée aux articles 156 et 157;
  - la mise à disposition d'un local à un mineur à des fins de débauche ou de prostitution visée aux articles 158 et 159;
  - l'exploitation de la débauche ou de la prostitution d'un mineur visée aux articles 160 et 161; et
  - l'obtention de la débauche ou de la prostitution d'un mineur visée aux articles 162 et 163.
Art. 165. Bijwonen van ontucht of prostitutie van een minderjarige
  Bijwonen van ontucht of prostitutie van een minderjarige is het rechtstreeks, inbegrepen door middel van informatie- en communicatietechnologie, opzettelijk bijwonen van ontucht of prostitutie van een minderjarige.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
  De geldboete wordt zo veel keer toegepast als er slachtoffers zijn.
Art. 165. Le fait d'assister à la débauche ou à la prostitution d'un mineur
  Le fait d'assister à la débauche ou à la prostitution d'un mineur consiste à délibérément assister en direct, y compris au moyen des technologies de l'information et de la communication, à la débauche ou à la prostitution d'un mineur.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
  L'amende est appliquée autant de fois qu'il y a de victimes.
Art. 166. Reclame maken voor ontucht en prostitutie van een minderjarige
  Reclame maken voor ontucht en prostitutie van een minderjarige is:
  - het met welk middel ook op enigerlei wijze, direct of indirect, opzettelijk reclame maken, uitgeven, verdelen of verspreiden voor een aanbod van diensten van seksuele aard, indien die reclame specifiek gericht is op een minderjarige of indien zij gewag maakt van diensten aangeboden door een minderjarige of door een persoon van wie wordt beweerd dat hij minderjarig is, zelfs indien het aanbod wordt verhuld onder bedekte bewoordingen;
  - het door enig reclamemiddel, zowel expliciet als impliciet, opzettelijk kenbaar maken dat een minderjarige zich aan prostitutie overgeeft, dat men de prostitutie van een minderjarige vergemakkelijkt of dat men wenst in contact te komen met een minderjarige die zich aan ontucht overgeeft.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 166. La publicité pour la débauche et la prostitution d'un mineur
  La publicité pour la débauche et la prostitution d'un mineur consiste à:
  - par quelque moyen que ce soit, quelle qu'en soit la manière, délibérément faire, publier, distribuer ou diffuser de la publicité, de façon directe ou indirecte, même en dissimulant la nature sous des artifices de langage, pour une offre de services à caractère sexuel, lorsque cette publicité s'adresse spécifiquement à un mineur ou lorsqu'elle fait état de services proposés soit par un mineur, soit par une personne prétendue telle;
  - par un moyen quelconque de publicité, explicite ou implicite, délibérément faire connaître qu'un mineur se livre à la prostitution, que l'on facilite la prostitution d'un mineur ou que l'on désire entrer en relation avec un mineur se livrant à la débauche.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Art. 167. Verzwaard reclame maken voor ontucht en prostitutie van een minderjarige
  Indien het reclame maken voor ontucht en prostitutie van een minderjarige tot doel of tot gevolg heeft, direct of indirect, dat ontucht of prostitutie van een minderjarige of zijn exploitatie wordt vergemakkelijkt, wordt dit misdrijf bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 167. La publicité aggravée pour la débauche ou la prostitution d'un mineur
  Lorsque la publicité pour la débauche et la prostitution d'un mineur a pour but ou pour conséquence de faciliter, de façon directe ou indirecte, la débauche ou la prostitution d'un mineur ou son exploitation, cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
Art. 168. Aanzetten tot het plegen van ontucht of tot exploitatie van de prostitutie van een minderjarige in het openbaar of door enig reclamemiddel
  Aanzetten tot het plegen van ontucht of tot exploitatie van de prostitutie van een minderjarige in het openbaar of door enig reclamemiddel is:
  - het met welk middel ook in het openbaar de minderjarige opzettelijk tot ontucht aanzetten;
  - het door enig reclamemiddel, impliciet of expliciet, opzettelijk aanzetten tot de exploitatie van de prostitutie van een minderjarige, of gebruik maken van zulke reclame naar aanleiding van een aanbod van diensten.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 168. L'incitation à la débauche ou à l'exploitation de la prostitution d'un mineur en public ou par un moyen quelconque de publicité
  L'incitation à la débauche ou à l'exploitation de la prostitution d'un mineur en public ou par un moyen quelconque de publicité consiste à:
  - inciter délibérément en public, par quelque moyen que ce soit, le mineur à la débauche;
  - inciter délibérément par un moyen quelconque de publicité, implicitement ou explicitement, à l'exploitation de la prostitution d'un mineur, ou utiliser une telle publicité à l'occasion d'une offre de services.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Art. 169. Verbeurdverklaring van het instrument van het misdrijf
  In afwijking van artikel 53, § 2, eerste lid, 2°, worden de zaken die gediend hebben of bestemd waren tot het plegen van de misdrijven omschreven in deze onderafdeling verbeurd verklaard, ook al zijn ze geen eigendom van de veroordeelde, onverminderd de rechten die derden kunnen laten gelden op die goederen.
  De verbeurdverklaring wordt eveneens toegepast, onder dezelfde voorwaarden, op de onroerende goederen of gedeelten ervan die gediend hebben of bestemd waren tot het plegen van het misdrijf.
  Indien deze roerende of onroerende goederen worden vervreemd tussen het plegen van het misdrijf en de definitieve rechterlijke beslissing, kan de rechter hun geldwaarde bepalen en de verbeurdverklaring uitspreken van een geldsom die hiermee overeenstemt overeenkomstig artikel 53, § 2, tweede lid.
Art. 169. La confiscation de l'instrument de l'infraction
  Par dérogation à l'article 53, § 2, alinéa 1er, 2°, les choses qui ont servi ou qui ont été destinées à commettre les infractions décrites dans la présente sous-section sont confisquées, même si la propriété n'en appartient pas au condamné, sans préjudice des droits que les tiers peuvent faire valoir sur ces biens.
  La confiscation est également appliquée, dans les mêmes circonstances, aux immeubles ou parties d'immeuble qui ont servi ou qui ont été destinés à commettre l'infraction.
  Si ces meubles ou immeubles ont été aliénés entre la commission de l'infraction et la décision judiciaire définitive, le juge peut procéder à leur évaluation monétaire et prononcer la confiscation qui porte sur une somme d'argent qui leur est équivalente conformément à l'article 53, § 2, alinéa 2.
Onderafdeling 3. Beelden van seksueel misbruik van minderjarigen
Sous-section 3. Les images d'abus sexuels de mineurs
Art. 170. Definitie van beelden van seksueel misbruik van minderjarigen
  Onder beelden van seksueel misbruik van minderjarigen moet worden begrepen:
  - elk materiaal dat de visuele weergave op welke wijze dan ook behelst van een minderjarige die deelneemt aan echte of gesimuleerde expliciete seksuele gedragingen, of dat de weergave behelst van de geslachtsorganen van een minderjarige voor primair seksuele doeleinden;
  - elk materiaal dat de visuele weergave op welke wijze dan ook behelst van een persoon die er als een minderjarige uitziet en die deelneemt aan echte of gesimuleerde expliciete seksuele gedragingen, of dat de weergave behelst van de geslachtsorganen van deze persoon voor primair seksuele doeleinden;
  - realistische afbeeldingen die de weergave behelzen van een niet-bestaande minderjarige die deelneemt aan expliciete seksuele gedragingen, of die de weergave behelzen van de geslachtsorganen van deze minderjarige voor primair seksuele doeleinden.
Art. 170. La définition d'images d'abus sexuels de mineurs
  On entend par images d'abus sexuels de mineurs:
  - tout matériel représentant de manière visuelle, par quelque moyen que ce soit, un mineur se livrant à un comportement sexuellement explicite, réel ou simulé, ou représentant les organes sexuels d'un mineur à des fins principalement sexuelles;
  - tout matériel représentant de manière visuelle, par quelque moyen que ce soit, une personne qui paraît être un mineur se livrant à un comportement sexuellement explicite, réel ou simulé, ou représentant les organes sexuels de cette personne, à des fins principalement sexuelles;
  - des images réalistes représentant un mineur qui n'existe pas, se livrant à un comportement sexuellement explicite, ou représentant les organes sexuels de ce mineur à des fins principalement sexuelles.
Art. 171. Vervaardigen of verspreiden van beelden van seksueel misbruik van minderjarigen
  Vervaardigen of verspreiden van beelden van seksueel misbruik van minderjarigen is het opzettelijk tentoonstellen, aanbieden, verkopen, verhuren, uitzenden, leveren, verspreiden, ter beschikking stellen, overhandigen, vervaardigen of invoeren, met welk middel ook, van beelden van seksuele misbruik van een minderjarige.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 171. La production ou la diffusion d'images d'abus sexuel de mineurs
  La production ou la diffusion d'images d'abus sexuels de mineurs consiste à délibérément exposer, offrir, vendre, louer, transmettre, fournir, diffuser, mettre à disposition, remettre, fabriquer ou importer des images d'abus sexuels d'un mineur, par quelque moyen que ce soit.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
Art. 172. Vervaardigen of verspreiden van beelden van seksueel misbruik van minderjarigen in vereniging
  Indien het vervaardigen of het verspreiden van beelden van seksueel misbruik van minderjarigen een daad van deelneming aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging betreft, ongeacht of de dader de hoedanigheid van leidend persoon heeft of niet, wordt dit misdrijf bestraft met een straf van niveau 4.
Art. 172. La production ou la diffusion d'images d'abus sexuel de mineurs en association
  Lorsque la production ou la diffusion d'images d'abus sexuels de mineurs constitue un acte de participation à l'activité principale ou accessoire d'une association et ce, que l'auteur ait ou non la qualité de dirigeant, cette infraction est punie d'une peine de niveau 4.
Art. 173. Bezitten en verwerven van beelden van seksueel misbruik van minderjarigen
  Bezitten en verwerven van beelden van seksueel misbruik van minderjarigen is het opzettelijk bezitten of verwerven, al dan niet voor een derde, van beelden van seksueel misbruik van minderjarigen.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 173. La détention et l'acquisition d'images d'abus sexuels de mineurs
  La détention et l'acquisition d'images d'abus sexuels de mineurs consistent à délibérément détenir ou acquérir des images d'abus sexuels de mineurs pour un tiers ou non.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
Art. 174. Zich toegang verschaffen tot beelden van seksueel misbruik van minderjarigen
  Zich toegang verschaffen tot beelden van seksueel misbruik van minderjarigen is het zich opzettelijk toegang verschaffen tot beelden van seksueel misbruik van minderjarigen door middel van informatie- en communicatietechnologie.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 174. L'accès à des images d'abus sexuels de mineurs
  L'accès à des images d'abus sexuels de mineurs consiste à délibérément accéder à des images d'abus sexuels de mineurs par le biais des technologies de l'information et de la communication.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Art. 175. Rechtvaardigingsgrond inzake het rechtens ontvangen, analyseren en overzenden van beelden van seksueel misbruik van minderjarigen
  Een door de Koning erkende organisatie kan rechtens meldingen die beelden van seksueel misbruik van minderjarigen zouden kunnen bevatten, ontvangen, de inhoud en de herkomst ervan analyseren en ze aan de politiediensten en gerechtelijke overheden overzenden.
  Met het oog daarop voert die organisatie de haar toevertrouwde opdracht uit volgens de nadere regels bepaald door de Koning inzonderheid met betrekking tot:
  - de verplichting lid te zijn van een internationale vereniging van internet hotlines ter bestrijding van beelden van seksueel misbruik van minderjarigen;
  - de overzending van de voormelde meldingen aan de politiediensten en gerechtelijke overheden;
  - de overzending van de voormelde meldingen met betrekking tot de in het buitenland gehoste beelden, aan de voornoemde internationale vereniging;
  - het toezicht op de personen belast met de ontvangst van de meldingen, met de analyse van de inhoud en van de herkomst ervan en met de overzending ervan, alsmede op die van de personen belast met de controle van die taken in de organisatie, via het laten voorleggen van een uittreksel uit het strafregister overeenkomstig artikel 596, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering door deze personen en het inwinnen van inlichtingen omtrent de moraliteit van deze personen;
  - de jaarlijkse overzending van een activiteitenverslag aan de minister van Justitie;
  - het verbod een gegevensbank op te richten op grond van de beelden die haar werden gemeld.
  De Koning bepaalt de procedure voor de toekenning en de intrekking van de erkenning.
Art. 175. La cause de justification concernant la réception de droit, l'analyse et la transmission d'images d'abus sexuels de mineurs
  Une organisation agréée par le Roi peut de droit recevoir des signalements susceptibles de contenir des images d'abus sexuels de mineurs, analyser leur contenu et leur origine et les transmettre aux services de police et autorités judiciaires.
  Dans ce but, cette organisation exécute la mission qui lui est confiée, selon les modalités fixées par le Roi et ayant trait plus particulièrement:
  - à l'obligation d'être membre d'une association internationale de hotlines Internet luttant contre les images d'abus sexuels de mineurs;
  - à la transmission des signalements précités aux services de police et autorités judiciaires;
  - à la transmission des signalements précités qui sont relatifs à des images hébergées à l'étranger, à l'association internationale précitée;
  - au contrôle des personnes chargées de la réception des signalements, de l'analyse de leur contenu et de leur origine et de leur transmission, et de celle des personnes chargées du contrôle de ces tâches au sein de l'organisation, en faisant présenter par ces personnes un extrait du casier judiciaire conformément à l'article 596, alinéa 2, du Code d'Instruction criminelle et en recueillant des informations sur la moralité de ces personnes;
  - à la transmission annuelle d'un rapport d'activités au ministre de la Justice;
  - à l'interdiction de constituer une banque de données à partir des images qui lui ont été signalées.
  Le Roi détermine la procédure d'octroi et de retrait de l'agrément.
Art. 176. Rechtvaardigingsgrond inzake het consensueel maken, bezitten en onderling delen van seksueel getinte inhoud
  Er is geen misdrijf wanneer minderjarigen boven de volle leeftijd van zestien jaar met wederzijdse toestemming zelf seksueel getinte inhoud maken en deze zelf gemaakte seksueel getinte inhoud onderling delen en in bezit houden.
  Wederzijdse toestemming is nodig zowel voor het maken, het bezitten en het onderling delen van deze inhoud.
  Deze rechtvaardigingsgrond geldt niet indien:
  - de seksueel getinte inhoud wordt getoond of verspreid aan een derde;
  - een derde de seksueel getinte inhoud tracht te bekomen,
  - de dader een bloedverwant of aanverwant is in de rechte opgaande lijn of een bloedverwant of aanverwant in de zijlijn tot de derde graad of ieder ander persoon die een soortgelijke positie heeft in het gezin of onverschillig welke persoon die gewoonlijk of occasioneel met de minderjarige samenwoont en die over die minderjarige gezag heeft, of;
  - de daad mogelijk is gemaakt doordat de dader gebruik heeft gemaakt van een erkende positie van vertrouwen, gezag of invloed ten aanzien van de minderjarige.
Art. 176. La cause de justification concernant la réalisation consentie, la possession et la transmission mutuelle de contenus à caractère sexuel
  Il n'y a pas d'infraction lorsque des mineurs de plus de seize ans accomplis réalisent leurs propres contenus à caractère sexuel avec leur consentement mutuel, s'envoient ces contenus à caractère sexuel réalisés par eux-mêmes et les possèdent.
  Le consentement mutuel est nécessaire pour la réalisation, la possession et la transmission mutuelle de ces contenus.
  Cette cause de justification ne s'applique pas si:
  - les contenus à caractère sexuel sont montrés ou distribués à un tiers;
  - un tiers tente d'obtenir les contenus à caractère sexuel;
  - l'auteur est un parent ou un allié en ligne directe ascendante, ou un parent ou un allié en ligne collatérale jusqu'au troisième degré, ou toute autre personne qui occupe une position similaire au sein de la famille, ou toute personne cohabitant habituellement ou occasionnellement avec le mineur et qui a autorité sur lui, ou si;
  - l'acte a été rendu possible en raison de l'utilisation, dans le chef de l'auteur, d'une position reconnue de confiance, d'autorité ou d'influence sur le mineur.
Onderafdeling 4. Inhoud die bedoeld is om het plegen van seksueel misbruik of seksuele uitbuiting ten nadele van een minderjarige te bevorderen
Sous-section 4. Les contenus destinés à promouvoir la commission d'une infraction d'abus sexuels ou d'exploitation sexuelle au préjudice d'un mineur
Art. 177. Vervaardigen of verspreiden van inhoud die bedoeld is om het plegen van seksueel misbruik of seksuele uitbuiting ten nadele van een minderjarige te bevorderen
  Vervaardigen of verspreiden van inhoud met als doel een misdrijf uit dit hoofdstuk ten nadele van een minderjarige te bevorderen, te vergemakkelijken of aan te moedigen is het tentoonstellen, aanbieden, verkopen, verhuren, uitzenden, leveren, verspreiden, ter beschikking stellen, overhandigen, vervaardigen of invoeren, met welk middel ook, van inhoud met als doel een misdrijf uit dit hoofdstuk ten nadele van een minderjarige te bevorderen, te vergemakkelijken of aan te moedigen.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 177. La production ou la diffusion de contenus destinés à promouvoir la commission d'une infraction d'abus sexuels ou d'exploitation sexuelle au préjudice d'un mineur
  La production ou la diffusion de contenus dans le but de promouvoir, faciliter ou favoriser la commission d'une infraction visée au présent chapitre au préjudice d'un mineur consiste à exposer, offrir, vendre, louer, transmettre, fournir, diffuser, mettre à disposition, remettre, fabriquer ou importer, par quelque moyen que ce soit, des contenus dans le but de promouvoir, faciliter ou favoriser la commission d'une infraction visée au présent chapitre, au préjudice d'un mineur.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
Art. 178. Bezitten of verwerven van inhoud die bedoeld is om het plegen van een strafbaar feit van seksueel misbruik of seksuele uitbuiting ten nadele van een minderjarige te bevorderen
  Het bezitten of verwerven van inhoud die bedoeld is om het plegen van een strafbaar feit van seksueel misbruik of seksuele uitbuiting ten nadele van een minderjarige te bevorderen, is het bezitten of verwerven van inhoud die bedoeld is om het plegen van een strafbaar feit van seksueel misbruik of seksuele uitbuiting ten nadele van een minderjarige te bevorderen, te vergemakkelijken of aan te moedigen, met het oogmerk om ten nadele van een minderjarige een strafbaar feit te plegen als bedoeld in dit hoofdstuk.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 178. La détention ou l'acquisition de contenus destinés à promouvoir la commission d'une infraction d'abus sexuels ou d'exploitation sexuelle au préjudice d'un mineur
  La détention ou l'acquisition de contenus destinés à promouvoir la commission d'une infraction d'abus sexuels ou d'exploitation sexuelle au préjudice d'un mineur consiste à détenir ou acquérir des contenus destinés à promouvoir, faciliter ou favoriser la commission d'une infraction sexuelle ou d'une infraction d'exploitation sexuelle au préjudice d'un mineur, dans l'intention de commettre une infraction visée au présent chapitre, au préjudice d'un mineur.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
Art. 179. Zich toegang verschaffen tot inhoud die bedoeld is om het plegen van een strafbaar feit van seksueel misbruik of seksuele uitbuiting ten nadele van een minderjarige te bevorderen
  Zich toegang verschaffen tot inhoud die bedoeld is om het plegen van een strafbaar feit van seksueel misbruik of seksuele uitbuiting ten nadele van een minderjarige te bevorderen, is het zich toegang verschaffen tot inhoud die bedoeld is om het plegen van een strafbaar feit van seksueel misbruik of seksuele uitbuiting ten nadele van een minderjarige door middel van informatie- en communicatietechnologie te bevorderen, te vergemakkelijken of aan te moedigen, met het oogmerk een in dit hoofdstuk bedoeld strafbaar feit ten nadele van een minderjarige te plegen.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 179. L'accès à des contenus destinés à promouvoir la commission d'une infraction d'abus sexuels ou d'exploitation sexuelle au préjudice d'un mineur
  L'accès à des contenus destinés à promouvoir la commission d'une infraction d'abus sexuels ou d'exploitation sexuelle au préjudice d'un mineur consiste à accéder, par le biais des technologies de l'information et de la communication, à des contenus destinés à promouvoir, faciliter ou favoriser la commission d'une infraction sexuelle ou d'une infraction d'exploitation sexuelle au préjudice d'un mineur, dans l'intention de commettre une infraction visée au présent chapitre, au préjudice d'un mineur.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Art. 180. Rechtvaardigingsgrond inzake het rechtens ontvangen, analyseren en overzenden van inhoud die bedoeld is om het plegen van seksueel misbruik of seksuele uitbuiting ten nadele van een minderjarige te bevorderen
  Een door de Koning in toepassing van artikel 175 erkende organisatie kan rechtens meldingen die inhoud bedoeld om het plegen van seksueel misbruik of seksuele uitbuiting ten nadele van een minderjarige te bevorderen zouden kunnen bevatten, ontvangen, de inhoud van die meldingen en de herkomst ervan analyseren en ze aan de politiediensten en gerechtelijke overheden overzenden.
Art. 180. La cause de justification concernant la réception de droit, l'analyse et la transmission de contenus destinés à promouvoir la commission d'une infraction d'abus sexuels ou d'exploitation sexuelle au préjudice d'un mineur
  Une organisation agréée par le Roi, en application de l'article 175, peut de droit recevoir des signalements susceptibles de comporter des contenus destinés à promouvoir la commission d'une infraction d'abus sexuels ou d'exploitation sexuelle au préjudice d'un mineur, analyser le contenu de ces signalements et leur origine, et les transmettre aux services de police et autorités judiciaires.
Onderafdeling 5. Algemene bepaling
Sous-section 5. La disposition générale
Art. 181. Verzwarende factoren
  Bij de keuze van de straf of de maatregel en de zwaarte ervan voor een misdrijf bedoeld in deze afdeling houdt de rechter in het bijzonder rekening met het feit dat:
  - het misdrijf werd gepleegd door een persoon met een openbare functie in het kader van de uitoefening van deze functie;
  - het misdrijf werd gepleegd door een persoon die zich in een erkende positie van vertrouwen, gezag of invloed ten aanzien van de minderjarige bevindt;
  - het misdrijf werd gepleegd op een minderjarige beneden de volle leeftijd van tien jaar;
  - het misdrijf werd gepleegd op een minderjarige beneden de volle leeftijd van zestien jaar en is voorafgegaan door een benadering van deze minderjarige vanwege de dader met het oogmerk om op een later tijdstip de in die afdeling bepaalde feiten te plegen;
  - het misdrijf werd gepleegd omwille van culturele drijfveren, gewoontes, tradities, religie of de zogenaamde "eer".
Art. 181. Les facteurs aggravants
  Lors du choix de la peine ou de la mesure et de la sévérité de celle-ci, pour une infraction visée dans la présente section, le juge tient plus particulièrement compte du fait que:
  - l'infraction a été commise par une personne exerçant une fonction publique dans le cadre de l'exercice de cette fonction;
  - l'infraction a été commise par une personne qui se trouve dans une position reconnue de confiance, d'autorité ou d'influence sur le mineur;
  - l'infraction a été commise sur un mineur de moins de dix ans accomplis;
  - l'infraction a été commise sur un mineur de moins de seize ans accomplis et a été précédée par une approche de ce mineur par l'auteur dans le but de commettre ultérieurement les faits visés à la présente section;
  - l'infraction a été commise au nom de la culture, de la coutume, de la tradition, de la religion ou du prétendu "honneur".
Afdeling 3. Openbare zedenschennis
Section 3. L'outrage public aux bonnes moeurs
Art. 182. Vervaardigen of verspreiden van inhoud van extreem pornografische of gewelddadige aard
  Vervaardigen of verspreiden van inhoud van extreem pornografische of gewelddadige aard is het opzettelijk tentoonstellen, aanbieden, verkopen, verhuren, uitzenden, leveren, verspreiden, ter beschikking stellen, overhandigen, vervaardigen of invoeren, met welk middel ook, van inhoud van extreem pornografische of gewelddadige aard.
  Onder extreem wordt begrepen elke inhoud die dermate pornografisch of gewelddadig is dat zij van aard is om bij een normaal en redelijk persoon traumatiserende of andere psychisch schadelijke gevolgen te weeg te brengen.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 182. La production ou la diffusion de contenus à caractère extrêmement pornographique ou violent
  La production ou la diffusion de contenus à caractère extrêmement pornographique ou violent consiste à, délibérément, exposer, offrir, vendre, louer, transmettre, fournir, diffuser, mettre à disposition, remettre, fabriquer ou importer des contenus à caractère extrêmement pornographique ou violent, par quelque moyen que ce soit.
  On entend par extrêmement tout contenu à ce point pornographique ou violent qu'il est de nature à induire, chez une personne normale et raisonnable, des effets traumatisants ou d'autres conséquences dommageables sur le plan psychique.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Art. 183. Vervaardigen of verspreiden van inhoud van extreem pornografische of gewelddadige aard gepleegd tegenover een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand
  Vervaardigen of verspreiden van inhoud van extreem pornografische of gewelddadige aard gepleegd tegenover een minderjarige of een persoon in kwetsbare toestand, wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 183. La production ou la diffusion de contenus à caractère extrêmement pornographique ou violent adressé à un mineur ou une personne en situation de vulnérabilité
  La production ou la diffusion de contenus à caractère extrêmement pornographique ou violent adressé à un mineur ou une personne en situation de vulnérabilité est punie d'une peine de niveau 3.
Art. 184. Exhibitionisme
  Exhibitionisme is het opzettelijk opdringen aan andermans zicht van de eigen ontblote geslachtsdelen of van een seksuele daad op een openbare plaats of op een plaats die zichtbaar is voor het publiek.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 184. L'exhibitionnisme
  L'exhibitionnisme consiste à délibérément imposer à la vue d'autrui ses propres organes génitaux dénudés ou un acte à caractère sexuel dans un lieu public, ou accessible aux regards publics.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
Art. 185. Exhibitionisme in aanwezigheid van een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand
  Exhibitionisme in aanwezigheid van een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand, wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 185. L'exhibitionnisme en présence d'un mineur ou d'une personne en situation de vulnérabilité
  L'exhibitionnisme en présence d'un mineur ou d'une personne en situation de vulnérabilité, est puni d'une peine de niveau 2.
Art. 186. Verzwarende factoren
  Bij de keuze van de straf of de maatregel en de zwaarte ervan voor een misdrijf bedoeld in deze afdeling houdt de rechter in het bijzonder rekening met het feit dat:
  - het misdrijf werd gepleegd door een persoon met een openbare functie in het kader van de uitoefening van deze functie;
  - het misdrijf werd gepleegd door een persoon die zich in een gezags- of vertrouwenspositie bevindt ten opzichte van het slachtoffer;
  - het misdrijf werd gepleegd op een minderjarige beneden de volle leeftijd van zestien jaar;
  - het misdrijf werd gepleegd op een minderjarige beneden de volle leeftijd van zestien jaar en is voorafgegaan door een benadering van deze minderjarige vanwege de dader met het oogmerk om op een later tijdstip de in deze afdeling bepaalde feiten te plegen;
  - het misdrijf werd gepleegd omwille van culturele drijfveren, gewoontes, tradities, religie of de zogenaamde "eer".
Art. 186. Les facteurs aggravants
  Lors du choix de la peine ou de la mesure et de la sévérité de celle-ci, pour une infraction visée dans la présente section, le juge tient plus particulièrement compte du fait que:
  - l'infraction a été commise par une personne exerçant une fonction publique dans le cadre de l'exercice de cette fonction;
  - l'infraction a été commise par une personne qui se trouve en position d'autorité ou de confiance par rapport à la victime;
  - l'infraction a été commise sur un mineur de moins de seize ans accomplis;
  - l'infraction a été commise sur un mineur de moins de seize ans accomplis et a été précédée par une approche de ce mineur par l'auteur dans le but de commettre ultérieurement les faits visés à la présente section;
  - l'infraction a été commise au nom de la culture, de la coutume, de la tradition, de la religion ou du prétendu "honneur".
Afdeling 4. Gemeenschappelijke bepalingen
Section 4. Les dispositions communes
Art. 187. Weigering tot verlening van technische medewerking aan de verwijdering van bepaalde seksueel getinte en extreem pornografische en gewelddadige beelden
  Weigering tot verlening van technische medewerking aan de verwijdering van niet-consensueel verspreide seksueel getinte beelden, van beelden van seksueel misbruik van minderjarigen en van extreem pornografische en gewelddadige beelden is het opzettelijk weigeren technische medewerking te verlenen:
  - aan de mondelinge of schriftelijke bevelen die de procureur des Konings uitvaardigt overeenkomstig artikel 39bis, § 6, zesde lid, van het Wetboek van strafvordering, binnen de termijnen en volgens de voorwaarden die worden aangegeven in die vorderingen;
  - aan de uitvoering van de beslissing die is vervat in de beschikking van de rechtbank van eerste aanleg, bedoeld in artikel 584, vijfde lid, 7°, van het Gerechtelijk Wetboek, binnen de termijnen en volgens de voorwaarden die in die beschikking zijn bepaald.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 187. Le refus de prêter son concours technique à la suppression de certaines images à caractère sexuel ou à caractère extrêmement pornographique ou violent
  Le refus de prêter son concours technique à la suppression d'images à caractère sexuel faisant l'objet d'une diffusion non consentie, d'images d'abus sexuel de mineurs et d'images à caractère extrêmement pornographique ou violent consiste à délibérément refuser de prêter son concours technique:
  - aux injonctions orales ou écrites du procureur du Roi prises conformément à l'article 39bis, § 6, alinéa 6, du Code d'instruction criminelle dans les délais et selon les conditions précisés dans ces réquisitions;
  - à l'exécution de la décision contenue dans l'ordonnance du tribunal de première instance visée à l'article 584, alinéa 5, 7°, du Code judiciaire dans les délais et selon les conditions qu'elle définit.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
Art. 188. Sluiting van de inrichting
  Onverminderd andere wettelijke bepalingen, kan de rechter in de in dit hoofdstuk bedoelde gevallen, ongeacht de hoedanigheid van natuurlijke- of rechtspersoon, van de uitbater, eigenaar, huurder of zaakvoerder, de sluiting van de inrichting bevelen waar de inbreuken werden gepleegd, voor een termijn van één maand tot drie jaar.
  Wanneer de veroordeelde niet de eigenaar, uitbater, huurder of zaakvoerder van de inrichting is, kan de sluiting slechts worden bevolen indien de ernst van de specifieke omstandigheden dit vereist, en dit voor een periode van ten hoogste twee jaar, na dagvaarding op verzoek van het openbaar ministerie, de eigenaar, de uitbater, de huurder of de zaakvoerder van de inrichting.
  De dagvaarding voor de rechtbank wordt op verzoek van de gerechtsdeurwaarder die de dagvaarding heeft uitgebracht, overgeschreven in het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie van de plaats waar het goed zich bevindt.
  De dagvaarding bevat de gegevens van het betrokken onroerend goed bedoeld in artikel 141 van de Hypotheekwet van 16 december 1851 en de identificatiegegevens van de eigenaar ervan bedoeld in de artikelen 139 en 140 van de Hypotheekwet.
  Elke beslissing wordt op de kant van de overschrijving van het proces-verbaal van de dagvaarding vermeld overeenkomstig de procedure van artikel 84 van de Hypotheekwet. De griffier van het gerecht zendt de uittreksels en de verklaring dat geen hoger beroep werd ingesteld toe aan het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie.
  De sluiting van de inrichting houdt het verbod in hierin enige activiteit uit te oefenen die verband houdt met diegene die geleid heeft tot het plegen van het misdrijf. De sluiting gaat in vanaf de dag waarop de veroordeling in kracht van gewijsde is getreden. Bij gebreke aan vrijwillige sluiting gebeurt deze op initiatief van het openbaar ministerie op kosten van de veroordeelde.
Art. 188. La fermeture de l'établissement
  Sans préjudice d'autres dispositions légales, le juge peut, dans les cas visés au présent chapitre, sans avoir égard à la qualité de la personne physique ou morale de l'exploitant, propriétaire, locataire ou gérant, ordonner la fermeture de l'établissement dans lequel les infractions ont été commises, pour une durée d'un mois à trois ans.
  Lorsque le condamné n'est ni propriétaire, ni exploitant, ni locataire, ni gérant de l'établissement, la fermeture ne peut être ordonnée que si la gravité des circonstances concrètes l'exige, et ce, pour une durée de deux ans au plus, après citation sur requête du ministère public, du propriétaire, de l'exploitant, du locataire ou du gérant de l'établissement.
  La citation devant le tribunal est transcrite au bureau compétent de l'Administration générale de la Documentation patrimoniale de la situation du bien à la diligence de l'huissier de justice auteur de l'exploit.
  La citation contient les données de l'immeuble concerné visées à l'article 141 de la loi hypothécaire du 16 décembre 1851 et les données d'identification de son propriétaire visées aux articles 139 et 140 de la loi hypothécaire.
  Toute décision rendue en la cause est mentionnée en marge de la transcription du procès-verbal de la citation selon la procédure prévue par l'article 84 de la loi hypothécaire. Le greffier de la juridiction fait parvenir au bureau compétent de l'Administration générale de la Documentation patrimoniale les extraits et la déclaration selon laquelle aucun recours n'est introduit.
  La fermeture de l'établissement implique l'interdiction d'y exercer toute activité liée à celle qui a conduit à la commission de l'infraction. La fermeture prend cours le jour où la condamnation est passée en force de chose jugée. A défaut de fermeture volontaire, celle-ci s'effectue à l'initiative du ministère public aux frais du condamné.
Art. 189. Verblijfs-, plaats- of contactverbod
  Onverminderd andere wettelijke bepalingen, kan de rechter in de in dit hoofdstuk bedoelde gevallen de veroordeelde, voor een termijn van een jaar tot ten hoogste twintig jaar, de ontzetting opleggen uit het recht te wonen, te verblijven of zich op te houden in het door de rechter bepaalde gebied of contact te hebben met de personen die hij individueel aanwijst.
  De oplegging van deze straf moet met bijzondere redenen worden omkleed en rekening houden met de ernst van de feiten en met de reclasseringsmogelijkheden voor de veroordeelde.
  Het verblijfs-, plaats- of contactverbod gaat in vanaf de dag waarop de veroordeling in kracht van gewijsde is getreden. De termijn wordt evenwel verlengd met de duur van de periode waarin de vrijheidsstraf wordt uitgevoerd, met uitzondering gedurende dewelke de straf wordt uitgevoerd onder de modaliteit van het elektronisch toezicht en periodes van voorwaardelijke of voorlopige invrijheidstelling.
  Indien daartoe grond bestaat, kan de strafuitvoeringsrechtbank beslissen een in kracht van gewijsde getreden veroordeling waarbij een verblijfs-, plaats- of contactverbod is opgelegd, te wijzigen teneinde de duur of de omvang van het verbod te beperken, de nadere regels of de voorwaarden ervan aan te passen, het op te schorten of het te beëindigen.
Art. 189. L'interdiction de résidence, de lieu ou de contact
  Sans préjudice d'autres dispositions légales, le juge peut, dans les cas visés au présent chapitre, imposer au condamné, pour une durée d'un an à vingt ans au plus, l'interdiction du droit d'habiter, de résider ou de se tenir dans la zone déterminée par le juge ou d'entrer en contact avec les personnes qu'il désigne individuellement.
  L'imposition de cette peine doit être spécialement motivée et tenir compte de la gravité des faits et de la capacité de réinsertion du condamné.
  L'interdiction de résidence, de lieu ou de contact prend cours le jour où la condamnation est passée en force de chose jugée. Le délai est toutefois prolongé de la durée pendant laquelle la peine privative de liberté se trouve exécutée, à l'exception de la période pendant laquelle la peine est exécutée sous la modalité de la surveillance électronique et des périodes de libération conditionnelle ou provisoire.
  S'il y a lieu, le tribunal de l'application des peines peut décider de modifier une condamnation passée en force de chose jugée d'interdiction de résidence, de lieu ou de contact, en diminuant la durée ou l'étendue de l'interdiction, en adaptant les modalités ou les conditions de l'interdiction, en la suspendant ou en y mettant fin.
Art. 190. Specifieke verboden en ontzettingen
  § 1. In de gevallen omschreven in dit hoofdstuk worden de schuldigen veroordeeld tot de ontzetting uit de rechten bedoeld in artikel 47, eerste lid.
  § 2. Onverminderd andere wettelijke bepalingen, kan de rechter in de in dit hoofdstuk bedoelde gevallen de veroordeelde verbieden tijdelijk of levenslang, rechtstreeks of onrechtstreeks een rusthuis, een home, een bejaardenverblijf of elke andere structuur voor gemeenschappelijk verblijf van personen in een kwetsbare toestand uit te baten, of als vrijwilliger, contractueel of statutair personeelslid dan wel als lid van de bestuurs- en beheersorganen deel uit te maken van enige instelling of vereniging waarvan de hoofdactiviteit gericht is op personen in een kwetsbare toestand.
  Onverminderd andere wettelijke bepalingen, kan de rechter in de in dit hoofdstuk bedoelde gevallen wegens feiten gepleegd ten nadele van een minderjarige of met zijn deelneming, de ontzetting uitspreken uit het recht om, voor een termijn van een jaar tot twintig jaar:
  - in welke hoedanigheid ook deel te nemen aan onderwijs in een openbare of particuliere instelling die minderjarigen opvangt;
  - deel uit te maken, als vrijwilliger, lid van het statutair of contractueel personeel dan wel als lid van de bestuurs- en beheersorganen, van elke rechtspersoon of feitelijke vereniging waarvan de activiteit in hoofdzaak op minderjarigen gericht is;
  - een activiteit toegewezen te krijgen die de veroordeelde in een vertrouwens- of een gezagsrelatie tegenover minderjarigen plaatst, als vrijwilliger, lid van het statutair of contractueel personeel dan wel als lid van de bestuurs- en beheersorganen, van elke rechtspersoon of feitelijke vereniging.
  § 3. De verboden en ontzettingen bedoeld in dit artikel gaan in vanaf de dag waarop de veroordeling in kracht van gewijsde is getreden. De termijn wordt evenwel verlengd met de duur van de periode waarin de gevangenisstraf of de opsluiting wordt uitgevoerd, met uitzondering van de periode gedurende dewelke de straf wordt uitgevoerd onder de modaliteit van het elektronisch toezicht en periodes van voorwaardelijke of voorlopige invrijheidstelling.
Art. 190. Les interdictions spécifiques et déchéances
  § 1er. Dans les cas prévus par le présent chapitre, les coupables sont condamnés à la déchéance des droits visés à l'article 47, alinéa 1er.
  § 2. Sans préjudice d'autres dispositions légales, le juge peut, dans les cas visés au présent chapitre, interdire au condamné, à terme ou à titre perpétuel, d'exploiter directement ou indirectement une maison de repos, un home, une seigneurie ou toute autre structure d'hébergement collectif de personnes en situation de vulnérabilité, ou de faire partie, comme membre bénévole, membre du personnel statutaire ou contractuel ou comme membre des organes d'administration et de gestion, de toute institution ou association dont l'activité concerne à titre principal des personnes en situation de vulnérabilité.
  Sans préjudice d'autres dispositions légales, le juge peut, dans les cas visés au présent chapitre, pour des faits commis au préjudice d'un mineur ou avec sa participation, prononcer pour une période d'un à vingt ans l'interdiction du droit:
  - de participer, à quelque titre que ce soit, à un enseignement donné dans un établissement public ou privé qui accueille des mineurs;
  - de faire partie, comme membre bénévole, membre du personnel statutaire ou contractuel, ou comme membre des organes d'administration et de gestion, de toute personne morale ou association de fait dont l'activité concerne à titre principal les mineurs;
  - d'être affecté à une activité qui place le condamné en relation de confiance ou d'autorité vis-à-vis de mineurs, comme membre bénévole, membre du personnel statutaire ou contractuel ou comme membre des organes d'administration et de gestion, de toute personne morale ou association de fait.
  § 3. Les interdictions et les déchéances visées au présent article prennent cours le jour où la condamnation est passée en force de chose jugée. Le délai est toutefois prolongé de la durée pendant laquelle la peine d'emprisonnement ou la réclusion se trouve exécutée, à l'exception de la période de la période pendant laquelle la peine est exécutée sous la modalité de la surveillance électronique et des périodes de libération conditionnelle ou provisoire.
Art. 191. Overzending van een rechterlijke beslissing
  De rechter kan in de in dit hoofdstuk bedoelde gevallen de overzending bevelen van het strafrechtelijk gedeelte van het beschikkend gedeelte van de rechterlijke beslissing aan de desbetreffende werkgever, rechtspersoon of tuchtrechtelijke overheid wanneer de dader wegens zijn hoedanigheid of beroep contact heeft met minderjarigen en er een werkgever, rechtspersoon of een overheid die over hem het tuchtrechtelijk gezag uitoefent, bekend is.
  Die maatregel wordt hetzij ambtshalve genomen, hetzij op verzoek van de burgerlijke partij of van het openbaar ministerie, bij een met bijzondere redenen omklede rechterlijke beslissing wegens de ernst van de feiten, het vermogen tot reclassering of het risico op recidive.
Art. 191. La transmission d'une décision judiciaire
  Dans les cas visés au présent chapitre, lorsque l'auteur est en contact, en raison de son état ou de sa profession, avec des mineurs et qu'un employeur, une personne morale ou une autorité qui exerce le pouvoir disciplinaire sur lui est connu, le juge peut ordonner la transmission de la partie pénale du dispositif de la décision judiciaire à cet employeur, cette personne morale ou ce pouvoir disciplinaire.
  Cette mesure est prise soit d'office, soit à la demande de la partie civile ou du ministère public dans une décision judiciaire spécialement motivée en raison de la gravité des faits, de la capacité de réinsertion ou du risque de récidive.
Art. 192. Bescherming van de identiteit van het slachtoffer
  § 1. Het publiceren en verspreiden door middel van boeken, pers, film, radio, televisie of op enige andere wijze, van teksten, tekeningen, foto's, enigerlei beelden of geluidsfragmenten waaruit de identiteit kan blijken van het slachtoffer van een in dit hoofdstuk bedoeld misdrijf zijn verboden, tenzij met schriftelijke toestemming van het slachtoffer of met toestemming, ten behoeve van het opsporingsonderzoek of het gerechtelijk onderzoek, van de procureur des Konings of van de met het onderzoek belaste magistraat.
  Noch het minderjarige slachtoffer, noch de personen aan wie diens ouderlijk gezag is toevertrouwd, kunnen hun toestemming geven.
  § 2. Het overtreden van dit artikel wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 192. La protection de l'identité de la victime
  § 1er. La publication et la diffusion par le livre , la presse, la cinématographie, la radiophonie, la télévision ou par quelque autre manière, de textes, de dessins, de photographies, d'images quelconques ou de messages audio de nature à révéler l'identité de la victime d'une infraction visée au présent chapitre sont interdites, sauf si cette dernière a donné son accord écrit ou si le procureur du Roi ou le magistrat chargé de l'instruction a donné son accord pour les besoins de l'information ou de l'instruction.
  Ni la victime mineure, ni les personnes auxquelles l'autorité parentale sur celle-ci a été confiée ne peuvent donner leur accord.
  § 2. Le fait de violer le présent article est puni d'une peine de niveau 2.
Hoofdstuk 4. Misdrijven tegen de fysieke of psychische integriteit
Chapitre 4. Les infractions contre l'intégrité physique ou psychique
Afdeling 1. Opzettelijke misdrijven tegen de fysieke of psychische integriteit
Section 1re. Les infractions intentionnelles contre l'intégrité physique ou psychique
Onderafdeling 1. Gewelddaden
Sous-section 1re. Les actes de violence
Art. 193. Definitie van gewelddaden
  Gewelddaden zijn alle opzettelijk gestelde gedragingen die bestaan uit:
  1° het aanwenden van fysieke kracht of macht tegen een ander persoon en die uit hun aard de mogelijkheid hebben te resulteren in een lichamelijk letsel, pijn of schade aan de gezondheid, of;
  2° het op eender welke wijze toebrengen aan een ander persoon van een lichamelijk letsel of schade aan zijn gezondheid.
Art. 193. La définition d'actes de violence
  Les actes de violence sont tous les comportements accomplis délibérément qui consistent à:
  1° recourir à la force physique ou à la contrainte envers autrui et qui, par leur nature, sont susceptibles de provoquer une lésion ou une douleur corporelle, voire une atteinte à la santé, ou;
  2° infliger, de quelque manière que ce soit, une lésion corporelle à autrui ou porter atteinte à sa santé.
Art. 194. Gewelddaden met een integriteitsaantasting van de eerste graad of zonder integriteitsaantasting tot gevolg
  Gewelddaden die een integriteitsaantasting van de eerste graad tot gevolg hebben, dan wel niet resulteren in een integriteitsaantasting, worden bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 194. Les actes de violence ayant entraîné une atteinte à l'intégrité du premier degré ou n'ayant pas entraîné d'atteinte à l'intégrité
  Les actes de violence ayant entraîné une atteinte à l'intégrité du premier degré ou n'ayant pas entraîné d'atteinte à l'intégrité sont punis d'une peine de niveau 1.
Art. 195. Gewelddaden met een integriteitsaantasting van de tweede graad tot gevolg
  Gewelddaden die een integriteitsaantasting van de tweede graad tot gevolg hebben, worden bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 195. Les actes de violence ayant entraîné une atteinte à l'intégrité du deuxième degré
  Les actes de violence ayant entraîné une atteinte à l'intégrité du deuxième degré sont punis d'une peine de niveau 2.
Art. 196. Gewelddaden met een integriteitsaantasting van de derde graad tot gevolg
  Gewelddaden die een integriteitsaantasting van de derde graad tot gevolg hebben, worden bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 196. Les actes de violence ayant entraîné une atteinte à l'intégrité du troisième degré
  Les actes de violence ayant entraîné une atteinte à l'intégrité du troisième degré sont punis d'une peine de niveau 3.
Art. 197. Gewelddaden met de dood tot gevolg
  Gewelddaden die de dood tot gevolg hebben, zonder dat de dader handelde met het oogmerk te doden, worden bestraft met een straf van niveau 4.
Art. 197. Les actes de violence ayant entraîné la mort
  Les actes de violence ayant entraîné la mort, sans intention de la donner, sont punis d'une peine de niveau 4.
Art. 198. Voorbedachte gewelddaden
  Gewelddaden gepleegd met voorbedachtheid worden als volgt bestraft:
  1° gewelddaden met een integriteitsaantasting van de eerste graad of zonder integriteitsaantasting tot gevolg worden bestraft met een straf van niveau 2;
  2° gewelddaden met een integriteitsaantasting van de tweede graad tot gevolg worden bestraft met een straf van niveau 3;
  3° gewelddaden met een integriteitsaantasting van de derde graad tot gevolg worden bestraft met een straf van niveau 4;
  4° gewelddaden met de dood tot gevolg worden bestraft met een straf van niveau 5.
Art. 198. Les actes de violence prémédités
  Les actes de violence commis avec préméditation sont punis comme suit:
  1° les actes de violence ayant entraîné une atteinte à l'intégrité du premier degré ou n'ayant pas entraîné d'atteinte à l'intégrité sont punis d'une peine de niveau 2;
  2° les actes de violence ayant entraîné une atteinte à l'intégrité du deuxième degré sont punis d'une peine de niveau 3;
  3° les actes de violence ayant entraîné une atteinte à l'intégrité du troisième degré sont punis d'une peine de niveau 4;
  4° les actes de violence ayant entraîné la mort sont punis d'une peine de niveau 5.
Art. 199. Gewelddaden gepleegd vanuit een discriminerende drijfveer
  Gewelddaden gepleegd vanuit een discriminerende drijfveer worden als volgt bestraft:
  1° gewelddaden met een integriteitsaantasting van de eerste graad of zonder integriteitsaantasting tot gevolg worden bestraft met een straf van niveau 2;
  2° gewelddaden met een integriteitsaantasting van de tweede graad tot gevolg worden bestraft met een straf van niveau 3;
  3° gewelddaden met een integriteitsaantasting van de derde graad tot gevolg worden bestraft met een straf van niveau 4;
  4° gewelddaden met de dood tot gevolg worden bestraft met een straf van niveau 5.
  Bij de keuze van de straf of de maatregel en de zwaarte ervan neemt de rechter in overweging dat het misdrijf werd gepleegd in het bijzijn van een minderjarige.
Art. 199. Les actes de violence commis avec un mobile discriminatoire
  Les actes de violence commis avec un mobile discriminatoire sont punis comme suit:
  1° les actes de violence ayant entraîné une atteinte à l'intégrité du premier degré ou n'ayant pas entraîné d'atteinte à l'intégrité sont punis d'une peine de niveau 2;
  2° les actes de violence ayant entraîné une atteinte à l'intégrité du deuxième degré sont punis d'une peine de niveau 3;
  3° les actes de violence ayant entraîné une atteinte à l'intégrité du troisième degré sont punis d'une peine de niveau 4;
  4° les actes de violence ayant entraîné la mort sont punis d'une peine de niveau 5.
  Lors du choix de la peine ou de la mesure et de la sévérité de celle-ci, le juge prend en considération le fait que l'infraction a été commise en présence d'un mineur.
Art. 200. Gewelddaden gepleegd op een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand
  Gewelddaden gepleegd op een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand worden als volgt bestraft:
  1° gewelddaden met een integriteitsaantasting van de eerste graad of zonder integriteitsaantasting tot gevolg worden bestraft met een straf van niveau 2;
  2° gewelddaden met een integriteitsaantasting van de tweede graad tot gevolg worden bestraft met een straf van niveau 3;
  3° gewelddaden met een integriteitsaantasting van de derde graad tot gevolg worden bestraft met een straf van niveau 4;
  4° gewelddaden met de dood tot gevolg worden bestraft met een straf van niveau 5.
  Bij de keuze van de straf of de maatregel en de zwaarte ervan neemt de rechter in overweging dat de dader de vader, de moeder of een andere bloed- of aanverwant in de rechte lijn, dan wel in de zijlijn tot de derde graad, is van het slachtoffer, dat hij gezag heeft over het slachtoffer, hem onder zijn bewaring heeft of occasioneel of gewoonlijk met het slachtoffer samenwoont.
Art. 200. Les actes de violence commis sur un mineur ou sur une personne en situation de vulnérabilité
  Les actes de violence commis sur un mineur ou sur une personne en situation de vulnérabilité sont punis comme suit:
  1° les actes de violence ayant entraîné une atteinte à l'intégrité du premier degré ou n'ayant pas entraîné d'atteinte à l'intégrité sont punis d'une peine de niveau 2;
  2° les actes de violence ayant entraîné une atteinte à l'intégrité du deuxième degré sont punis d'une peine de niveau 3;
  3° les actes de violence ayant entraîné une atteinte à l'intégrité du troisième degré sont punis d'une peine de niveau 4;
  4° les actes de violence ayant entraîné la mort sont punis d'une peine de niveau 5.
  Lors du choix de la peine ou de la mesure et de la sévérité de celle-ci, le juge prend en considération le fait que l'auteur est le père, la mère ou un autre parent ou allié en ligne directe, ou en ligne collatérale jusqu'au troisième degré, de la victime, qu'il a autorité sur celle-ci, qu'il en a la garde ou cohabite occasionnellement ou habituellement avec elle.
Art. 201. Intrafamiliale gewelddaden
  Gewelddaden gepleegd op een bloedverwant of aanverwant in de rechte opgaande of neerdalende lijn, een bloedverwant of aanverwant in de zijlijn tot de derde graad, een partner of ieder ander persoon die een soortgelijke positie heeft in het gezin van voornoemde personen worden als volgt bestraft:
  1° gewelddaden met een integriteitsaantasting van de eerste graad of zonder integriteitsaantasting tot gevolg worden bestraft met een straf van niveau 2;
  2° gewelddaden met een integriteitsaantasting van de tweede graad tot gevolg worden bestraft met een straf van niveau 3;
  3° gewelddaden met een integriteitsaantasting van de derde graad tot gevolg worden bestraft met een straf van niveau 4;
  4° gewelddaden met de dood tot gevolg worden bestraft met een straf van niveau 5.
  Bij de keuze van de straf of de maatregel en de zwaarte ervan neemt de rechter in overweging dat het misdrijf werd gepleegd in het bijzijn van een minderjarige.
Art. 201. Les actes de violence intrafamiliale
  Les actes de violence commis sur un parent ou allié ascendants ou descendants en ligne directe, un parent ou allié en ligne collatérale jusqu'au troisième degré, un partenaire ou toute autre personne occupant une position similaire au sein de la famille des personnes précitées sont punis comme suit:
  1° les actes de violence ayant entraîné une atteinte à l'intégrité du premier degré ou n'ayant pas entraîné d'atteinte à l'intégrité sont punis d'une peine de niveau 2;
  2° les actes de violence ayant entraîné une atteinte à l'intégrité du deuxième degré sont punis d'une peine de niveau 3;
  3° les actes de violence ayant entraîné une atteinte à l'intégrité du troisième degré sont punis d'une peine de niveau 4;
  4° les actes de violence ayant entraîné la mort sont punis d'une peine de niveau 5.
  Lors du choix de la peine ou de la mesure et de la sévérité de celle-ci, le juge prend en considération le fait que l'infraction a été commise en présence d'un mineur.
Art. 202. Gewelddaden gepleegd op een persoon met een maatschappelijke functie
  Gewelddaden gepleegd op een persoon met een maatschappelijke functie worden, indien het misdrijf is gepleegd naar aanleiding van de uitoefening van deze functie, als volgt bestraft:
  1° gewelddaden met een integriteitsaantasting van de eerste graad of zonder integriteitsaantasting tot gevolg worden bestraft met een straf van niveau 2;
  2° gewelddaden met een integriteitsaantasting van de tweede graad tot gevolg worden bestraft met een straf van niveau 3;
  3° gewelddaden met een integriteitsaantasting van de derde graad tot gevolg worden bestraft met een straf van niveau 4;
  4° gewelddaden met de dood tot gevolg worden bestraft met een straf van niveau 5.
Art. 202. Les actes de violence commis sur une personne exerçant une fonction sociétale
  Les actes de violence commis sur une personne exerçant une fonction sociétale, si l'infraction a été commise à l'occasion de l'exercice de cette fonction, sont punis comme suit:
  1° les actes de violence ayant entraîné une atteinte à l'intégrité du premier degré ou n'ayant pas entraîné d'atteinte à l'intégrité sont punis d'une peine de niveau 2;
  2° les actes de violence ayant entraîné une atteinte à l'intégrité du deuxième degré sont punis d'une peine de niveau 3;
  3° les actes de violence ayant entraîné une atteinte à l'intégrité du troisième degré sont punis d'une peine de niveau 4;
  4° les actes de violence ayant entraîné la mort sont punis d'une peine de niveau 5.
Art. 203. Uitgelokte gewelddaden
  De gewelddaden zijn uitgelokt indien deze werden gepleegd onder de onmiddellijke invloed van opzettelijk gepleegd, onrechtmatig, ernstig en ogenblikkelijk fysiek of psychisch geweld tegen de persoon van de dader of tegen een derde.
  Indien op de gewelddaden een straf van niveau 5, 4 of 3 is gesteld, wordt deze vervangen door een straf van niveau 2 wanneer zij zijn uitgelokt.
  Indien op de gewelddaden een straf van niveau 2 is gesteld, wordt deze vervangen door een straf van niveau 1 wanneer zij zijn uitgelokt.
  Indien op de gewelddaden een straf van niveau 1 is gesteld, kan deze straf worden vervangen door een op het misdrijf gestelde bijkomende straf wanneer zij zijn uitgelokt.
Art. 203. Les actes de violence provoqués
  Les actes de violence sont provoqués s'ils ont été commis sous l'influence directe de violences physiques ou psychiques intentionnelles, injustes, graves et instantanées envers la personne de l'auteur ou d'un tiers.
  Si les actes de violence sont punissables d'une peine de niveau 5, 4 ou 3, cette peine est remplacée par une peine de niveau 2 lorsqu'ils ont été provoqués.
  Si les actes de violence sont punissables d'une peine de niveau 2, cette peine est remplacée par une peine de niveau 1 lorsqu'ils ont été provoqués.
  Si les actes de violence sont punissables d'une peine de niveau 1, cette peine peut être remplacée par une peine accessoire prévue pour l'infraction lorsqu'ils ont été provoqués.
Art. 204. Verzwarende factoren
  Bij de keuze van de straf of de maatregel en de zwaarte ervan voor een misdrijf omschreven in deze onderafdeling neemt de rechter in overweging het feit dat:
  1° de dader een bloedverwant in de zijlijn tot de derde graad is van het slachtoffer, dan wel een aanverwant in de rechte lijn of in de zijlijn tot de derde graad, dat hij gezag heeft over het slachtoffer, hem onder zijn bewaring heeft of occasioneel of gewoonlijk met het slachtoffer samenwoont;
  2° het misdrijf werd gepleegd op een scheidsrechter of seingever bij een sportwedstrijd, indien het misdrijf is gepleegd naar aanleiding van de uitoefening van deze functie;
  3° het misdrijf werd gepleegd door een persoon met een openbare functie, in het kader van de uitoefening van deze functie.
  4° het misdrijf werd gepleegd door twee of meer personen die gezamenlijk optreden;
  5° het misdrijf werd gepleegd met behulp van of onder bedreiging van een wapen;
  6° het misdrijf werd gepleegd omwille van culturele drijfveren, gewoontes, tradities, religie of de zogenaamde "eer".
Art. 204. Les facteurs aggravants
  Lors du choix de la peine ou de la mesure et de la sévérité de celle-ci, pour une infraction visée dans la présente sous-section, le juge prend en considération:
  1° le fait que l'auteur est un parent en ligne collatérale jusqu'au troisième degré, voire un allié en ligne directe ou en ligne collatérale jusqu'au troisième degré, qu'il a autorité sur la victime, qu'il en a la garde ou cohabite occasionnellement ou habituellement avec elle;
  2° le fait que l'infraction a été commise sur l'arbitre ou le signaleur d'une compétition sportive, si l'infraction a été commise à l'occasion de l'exercice de cette fonction;
  3° le fait que l'infraction a été commise par une personne exerçant une fonction publique, dans le cadre de l'exercice de cette fonction;
  4° le fait que l'infraction a été commise par deux ou plusieurs personnes agissant de concert;
  5° le fait que l'infraction a été commise avec l'aide ou sous la menace d'une arme;
  6° le fait que l'infraction a été commise au nom de la culture, de la coutume, de la tradition, de la religion ou du prétendu "honneur".
Art. 205. Bijkomende straf
  Onverminderd de toepassing van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek kan de rechter de onwaardigheid om te erven uitspreken voor alle vormen van gewelddaden bedoeld in deze onderafdeling, behoudens de gewelddaden die de dood tot gevolg hebben gehad.
Art. 205. La peine accessoire
  Sans préjudice de l'application des dispositions du Code civil, le juge peut prononcer l'indignité successorale pour toutes les formes d'actes de violence visées dans cette sous-section, sauf pour les actes de violence ayant causé la mort.
Onderafdeling 2. Vrouwelijke genitale verminking
Sous-section 2. Les mutilations génitales féminines
Art. 206. Vrouwelijke genitale verminking
  Vrouwelijke genitale verminking is het opzettelijk op eender welke wijze verminken van de vrouwelijke genitaliën, met of zonder toestemming van het slachtoffer, alsook het vergemakkelijken of bevorderen hiervan.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 206. Les mutilations génitales féminines
  On entend par mutilations génitales féminines les mutilations faites, délibérément, de quelque manière que ce soit, aux organes génitaux féminins, avec ou sans le consentement de la victime, ainsi que le fait de faciliter ou de favoriser de telles mutilations.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
Art. 207. Vrouwelijke genitale verminking gepleegd uit winstbejag
  Vrouwelijke genitale verminking gepleegd uit winstoogmerk wordt bestraft met een straf van niveau 4.
Art. 207. Les mutilations génitales féminines commises dans un but lucratif
  Les mutilations génitales féminines commises dans un but de lucre sont punies d'une peine de niveau 4.
Art. 208. Vrouwelijke genitale verminking met een integriteitsaantasting van de derde graad tot gevolg
  De vrouwelijke genitale verminking die een integriteitsaantasting van de derde graad tot gevolg heeft, wordt bestraft met een straf van niveau 4.
Art. 208. Les mutilations génitales féminines ayant entraîné une atteinte à l'intégrité du troisième degré
  Les mutilations génitales féminines ayant entraîné une atteinte à l'intégrité du troisième degré sont punies d'une peine de niveau 4.
Art. 209. Vrouwelijke genitale verminking met de dood tot gevolg
  De vrouwelijke genitale verminking die de dood tot gevolg heeft, zonder dat de dader handelde met het oogmerk te doden, wordt bestraft met een straf van niveau 5.
Art. 209. Les mutilations génitales féminines ayant entraîné la mort
  Les mutilations génitales féminines ayant entraîné la mort, sans intention de la donner, sont punies d'une peine de niveau 5.
Art. 210. Vrouwelijke genitale verminking gepleegd op een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand
  De vrouwelijke genitale verminking die op een minderjarige of persoon in een kwetsbare toestand wordt gepleegd, wordt bestraft met een straf van niveau 4. Indien de feiten een integriteitsaantasting van de derde graad tot gevolg hebben, worden zij evenwel bestraft met een straf van niveau 5. Indien de feiten de dood tot gevolg hebben, worden zij bestraft met een straf van niveau 6.
  De rechter neemt bij de keuze van de straf of de maatregel en de zwaarte ervan in overweging dat de dader de vader, de moeder of een andere bloed- of aanverwant in de rechte lijn, dan wel in de zijlijn tot de derde graad, is van het slachtoffer, dat hij de partner is van het slachtoffer, dat hij gezag heeft over het slachtoffer, haar onder zijn bewaring heeft of occasioneel of gewoonlijk met het slachtoffer samenwoont.
Art. 210. Les mutilations génitales féminines commises sur une mineure ou sur une personne en situation de vulnérabilité
  Les mutilations génitales féminines commises sur une mineure ou sur une personne en situation de vulnérabilité sont punies d'une peine de niveau 4. Les faits ayant entraîné une atteinte à l'intégrité du troisième degré sont toutefois punis d'une peine de niveau 5. Les faits ayant entraîné la mort sont punis d'une peine de niveau 6.
  Lors du choix de la peine ou de la mesure et de la sévérité de celle-ci, le juge prend en considération le fait que l'auteur est le père, la mère ou un autre parent ou allié en ligne directe, ou en ligne collatérale jusqu'au troisième degré, de la victime, qu'il est le partenaire de la victime, qu'il a autorité sur celle-ci, qu'il en a la garde ou cohabite occasionnellement ou habituellement avec elle.
Art. 211. Aanzetten tot of reclame maken voor vrouwelijke genitale verminking
  Aanzetten tot of reclame maken voor vrouwelijke genitale verminking is het opzettelijk direct of indirect, schriftelijk of mondeling aanzetten tot of reclame maken voor vrouwelijke genitale verminking of het uitgeven, verdelen of verspreiden van dergelijke reclame.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 211. L'incitation à la pratique de mutilations génitales féminines ou sa promotion
  L'incitation à la pratique de mutilations génitales féminines ou sa promotion consiste à, délibérément, directement ou indirectement, de manière orale ou écrite, inciter à ou promouvoir la pratique de mutilations génitales féminines ou éditer, partager ou diffuser une telle publicité.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Art. 212. Verzwarende factor
  Bij de keuze van de straf of de maatregel en de zwaarte ervan voor de in de artikelen 206 tot 210 bedoelde misdrijven neemt de rechter in overweging dat het misdrijf werd gepleegd in het bijzijn van een minderjarige.
Art. 212. Le facteur aggravant
  Lors du choix de la peine ou de la mesure et de la sévérité de celle-ci, pour une infraction visée aux articles 206 à 210, le juge prend en considération le fait que l'infraction a été commise en présence d'un mineur.
Art. 213. Bijkomende straf
  Onverminderd de toepassing van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek kan de rechter de onwaardigheid om te erven uitspreken voor alle vormen van vrouwelijke genitale verminking bedoeld in deze onderafdeling, behoudens de vrouwelijke genitale verminking die de dood tot gevolg heeft gehad.
Art. 213. La peine accessoire
  Sans préjudice de l'application des dispositions du Code civil, le juge peut prononcer l'indignité successorale pour toutes les formes de mutilations génitales féminines visées dans cette sous-section à l'exception des mutilations génitales féminines ayant entraîné la mort.
Onderafdeling 3. Zwangerschapsverlies zonder toestemming
Sous-section 3. La perte de grossesse sans consentement
Art. 214. Zwangerschapsverlies zonder toestemming
  Het, met het oogmerk een zwangerschapsverlies te veroorzaken, door welk middel dan ook veroorzaken van een zwangerschapsverlies bij een persoon die daarin niet heeft toegestemd, wordt bestraft met een straf van niveau 4.
Art. 214. La perte de grossesse sans consentement
  La perte de grossesse pratiquée par quelque moyen que ce soit, dans le but de causer la perte de grossesse chez une personne qui n'y a pas consenti, est punie d'une peine de niveau 4.
Art. 215. Zwangerschapsverlies zonder toestemming met de dood tot gevolg
  Het, met het oogmerk een zwangerschapsverlies te veroorzaken, door welk middel dan ook veroorzaken van een zwangerschapsverlies bij een persoon die daarin niet heeft toegestemd, wordt bestraft met een straf van niveau 5 indien deze feiten de dood tot gevolg hebben.
Art. 215. La perte de grossesse sans consentement ayant entraîné la mort
  La perte de grossesse pratiquée par quelque moyen que ce soit, dans le but de causer la perte de grossesse, chez une personne qui n'y a pas consenti, est punie d'une peine de niveau 5 si ces faits ont entraîné la mort.
Art. 216. Verzwarende factor
  Bij de keuze van de straf of de maatregel en de zwaarte ervan voor de in de artikelen 214 en 215 bedoelde misdrijven neemt de rechter in overweging dat het misdrijf werd gepleegd in het bijzijn van een minderjarige.
Art. 216. Le facteur aggravant
  Lors du choix de la peine ou de la mesure et de la sévérité de celle-ci, pour une infraction visée aux articles 214 et 215, le juge prend en considération le fait que l'infraction a été commise en présence d'un mineur.
Afdeling 2. Aantasting van de fysieke of psychische integriteit door een ernstig gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid
Section 2. L'atteinte à l'intégrité physique ou psychique due à un défaut grave de prévoyance ou de précaution
Art. 217. Veroorzaken van een integriteitsaantasting door een ernstig gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid
  Het op eender welke wijze veroorzaken van een integriteitsaantasting van de eerste, tweede of derde graad bij een ander persoon door een ernstig gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 217. L'atteinte à l'intégrité due à un défaut grave de prévoyance ou de précaution
  L'atteinte, de quelque manière que ce soit, à l'intégrité du premier, deuxième ou troisième degré commise sur une autre personne en conséquence d'un défaut grave de prévoyance et de précaution, est punie d'une peine de niveau 1.
Art. 218. Veroorzaken van een integriteitsaantasting in een verkeersongeval
  Het op eender welke wijze veroorzaken van een integriteitsaantasting van de eerste, tweede of derde graad bij een ander persoon door een ernstig gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid in het kader van een verkeersongeval wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 218. L'atteinte à l'intégrité dans le cadre d'un accident de la circulation
  L'atteinte, de quelque manière que ce soit, à l'intégrité du premier, deuxième ou troisième degré commise sur une autre personne en conséquence d'un défaut grave de prévoyance et de précaution dans le cadre d'un accident de la circulation, est punie d'une peine de niveau 2.
Hoofdstuk 5. Misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid
Chapitre 5. Les infractions contre la liberté individuelle
Afdeling 1. Vrijheidsberoving
Section 1re. La privation de liberté
Art. 219. Vrijheidsberoving
  De vrijheidsberoving is elke opzettelijk gestelde gedraging waardoor men een persoon wederrechtelijk zijn vrijheid van komen en gaan ontneemt of onthoudt door hem te overmeesteren, op te sluiten of enige andere hindernis op te werpen.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 219. La privation de liberté
  La privation de liberté est tout comportement adopté délibérément, par lequel une personne est illégalement privée de sa liberté d'aller et venir ou est retenue, en la maîtrisant, en l'enfermant ou en faisant usage de tout autre entrave.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
Art. 220. Vrijheidsberoving gepleegd op een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand
  De vrijheidsberoving gepleegd op een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand wordt bestraft met een straf van niveau 4.
Art. 220. La privation de liberté commise à l'égard d'un mineur ou d'une personne en situation de vulnérabilité
  La privation de liberté commise à l'égard d'un mineur ou d'une personne en situation de vulnérabilité est punie d'une peine de niveau 4.
Art. 221. Vrijheidsberoving met een integriteitsaantasting van de derde graad tot gevolg
  De vrijheidsberoving die een integriteitsaantasting van de derde graad tot gevolg heeft, wordt bestraft met een straf van niveau 4.
Art. 221. La privation de liberté ayant entraîné une atteinte à l'intégrité du troisième degré
  La privation de liberté ayant entraîné une atteinte à l'intégrité du troisième degré est punie d'une peine de niveau 4.
Art. 222. Vrijheidsberoving met de dood tot gevolg
  De vrijheidsberoving die de dood tot gevolg heeft, zonder dat de dader handelde met het oogmerk te doden, wordt bestraft met een straf van niveau 5.
Art. 222. La privation de liberté ayant entraîné la mort
  La privation de liberté ayant entraîné la mort, sans intention de la donner, est punie d'une peine de niveau 5.
Afdeling 2. Ontvoering
Section 2. L'enlèvement
Art. 223. Ontvoering
  Ontvoering is elke opzettelijk gestelde gedraging waardoor men een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand onttrekt of onttrokken houdt aan het gezag dat over hem wordt uitgeoefend door de personen belast met de bewaring ervan of die op regelmatige wijze het feitelijke gezag over de minderjarige of persoon in een kwetsbare toestand uitoefenen. Behoudens indien het slachtoffer een minderjarige beneden de leeftijd van twaalf jaar of een persoon in een kwetsbare toestand is, is de ontvoering slechts strafbaar indien hierbij gebruik werd gemaakt van geweld, bedreiging of list.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 4.
Art. 223. L'enlèvement
  L'enlèvement est tout comportement adopté délibérément, par lequel un mineur ou une personne en situation de vulnérabilité est soustraite à ou est maintenue hors de l'autorité qu'exercent sur lui ou sur elle les personnes chargées de sa garde ou qui exercent régulièrement l'autorité de fait sur le mineur ou la personne en situation de vulnérabilité. Sauf si la victime est un mineur de moins de douze ans ou une personne en situation de vulnérabilité, l'enlèvement n'est punissable que s'il a été fait usage de violence, de menace ou de ruse.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 4.
Art. 224. Ontvoering met een integriteitsaantasting van de derde graad tot gevolg
  De ontvoering die een integriteitsaantasting van de derde graad tot gevolg heeft, wordt bestraft met een straf van niveau 5.
Art. 224. L'enlèvement ayant entraîné une atteinte à l'intégrité du troisième degré
  L'enlèvement ayant entraîné une atteinte à l'intégrité du troisième degré est puni d'une peine de niveau 5.
Art. 225. Ontvoering met de dood tot gevolg
  De ontvoering die de dood tot gevolg heeft, zonder dat de dader handelde met het oogmerk te doden, wordt bestraft met een straf van niveau 6.
Art. 225. L'enlèvement ayant entraîné la mort
  L'enlèvement ayant entraîné la mort, sans intention de la donner, est puni d'une peine de niveau 6.
Afdeling 3. Gijzeling
Section 3. La prise d'otages
Art. 226. Gijzeling
  Gijzeling is de vrijheidsberoving of ontvoering gepleegd met het oogmerk het slachtoffer borg te doen staan voor de voldoening aan een bevel of voorwaarde.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 5.
Art. 226. La prise d'otages
  La prise d'otages est la privation de liberté ou l'enlèvement commis dans le but que la victime réponde de l'exécution d'un ordre ou d'une condition.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 5.
Art. 227. Verzwaarde gijzeling
  De gijzeling wordt bestraft met een straf van niveau 6 indien:
  1° het slachtoffer een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand is;
  2° de feiten een integriteitsaantasting van de derde graad tot gevolg hebben;
  3° het slachtoffer werd onderworpen aan foltering.
Art. 227. La prise d'otages aggravée
  La prise d'otages est punie d'une peine de niveau 6 si:
  1° la victime est un mineur ou une personne en situation de vulnérabilité;
  2° les faits entraînent une atteinte à l'intégrité du troisième degré;
  3° la victime a été soumise à des actes de torture.
Art. 228. Gijzeling met de dood tot gevolg
  De gijzeling die de dood tot gevolg heeft, zonder dat de dader handelde met het oogmerk te doden, wordt bestraft met een straf van niveau 7.
Art. 228. La prise d'otages ayant entraîné la mort
  La prise d'otages ayant entraîné la mort, sans que l'auteur ait eu l'intention de la donner, est punie d'une peine de niveau 7.
Afdeling 4. Gemeenschappelijke bepalingen
Section 4. Les dispositions communes
Art. 229. Strafverminderende verschoningsgrond
  De dader die het slachtoffer vrijwillig vrijlaat of terugbrengt onder het gezag dat over hem wordt uitgeoefend binnen de vijf dagen na aanvang van de vrijheidsberoving, ontvoering of gijzeling, wordt bestraft met een straf van het onmiddellijk lagere niveau . Deze strafvermindering is niet van toepassing indien de feiten een integriteitsaantasting van de derde graad of de dood tot gevolg hebben gehad. In geval van gijzeling geldt deze strafvermindering bovendien slechts voor zover niet aan het bevel of de voorwaarde werd voldaan en het slachtoffer niet aan foltering werd onderworpen.
Art. 229. Les causes d'excuses atténuantes
  L'auteur qui libère volontairement la victime ou la ramène sous l'autorité exercée à l'égard de celle-ci dans les cinq jours à compter du début de la privation de liberté, de l'enlèvement ou de la prise d'otages, est puni d'une peine du niveau immédiatement inférieur. Cette réduction de peine ne s'applique pas si les faits ont entraîné une atteinte à l'intégrité du troisième degré ou la mort. En outre, en cas de prise d'otages, cette réduction de peine s'applique uniquement dans la mesure où il n'a pas été répondu à l'ordre ou à la condition et où la victime n'a pas été soumise à des actes de torture.
Art. 230. Verzwarende factoren
  Bij de keuze van de straf of de maatregel en de zwaarte ervan voor een misdrijf omschreven in dit hoofdstuk neemt de rechter de volgende omstandigheden in overweging:
  1° het feit dat de dader het misdrijf heeft gepleegd door zich te beroepen op een vals bevel van het openbaar gezag of door gebruik te maken van de kledij, herkenningstekens, de naam of hoedanigheid van een agent van het openbaar gezag;
  2° het feit dat de dader het slachtoffer met de dood heeft bedreigd;
  3° het feit dat het misdrijf werd gepleegd door een persoon met een openbare functie, in het kader van de uitoefening van deze functie;
  4° het feit dat het misdrijf werd gepleegd omwille van culturele drijfveren, gewoontes, tradities, religie of de zogenaamde "eer".
Art. 230. Les facteurs aggravants
  Lors du choix de la peine ou de la mesure et de la sévérité de celle-ci, pour une infraction visée dans le présent chapitre, le juge prend en considération:
  1° le fait que l'auteur a commis l'infraction en alléguant un faux ordre de l'autorité publique ou en faisant usage de vêtements, de signes distinctifs, du nom ou de la qualité d'un agent de l'autorité publique;
  2° le fait que l'auteur a menacé la victime de mort;
  3° le fait que l'infraction a été commise par une personne exerçant une fonction publique, dans le cadre de l'exercice de cette fonction;
  4° le fait que l'infraction a été commise au nom de la culture, de la coutume, de la tradition, de la religion ou du prétendu "honneur".
Hoofdstuk 6. Misdrijven tegen de persoonlijke rust en de morele integriteit
Chapitre 6. Les infractions contre la tranquillité personnelle et l'intégrité morale
Afdeling 1. Bedreiging
Section 1re. La menace
Art. 231. Bedreiging met een aanslag op personen of op eigendommen
  Bedreiging met een aanslag op personen of op eigendommen is het met welk middel ook opzettelijk veroorzaken van een ernstige vrees voor een aanslag op personen of op eigendommen die door de bedreigde persoon is gekend of minstens van zulke aard is geweest dat deze door hem had kunnen worden gekend.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2 indien het een bedreiging betreft met een aanslag waarop een straf van niveau 4 tot 8 is gesteld. Betreft het een aanslag waarop een straf van niveau 2 of 3 is gesteld, wordt het misdrijf bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 231. La menace d'attentat contre les personnes ou les propriétés
  La menace d'attentat contre les personnes ou les propriétés consiste à, délibérément, causer, par quelque moyen que ce soit, une crainte sérieuse d'attentat contre les personnes ou les propriétés qui soit connue de la personne menacée ou du moins qui ait été de nature telle que celle-ci aurait pu la connaître.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2 s'il s'agit de la menace d'un attentat passible d'une peine de niveau 4 à 8. Elle est punie d'une peine de niveau 1 s'il s'agit d'un attentat passible d'une peine de niveau 2 ou 3.
Art. 232. Verzwaarde bedreiging met een aanslag op personen of op eigendommen
  Bedreiging met een aanslag op personen of op eigendommen onder een bevel of onder een voorwaarde wordt bestraft:
  1° met een straf van niveau 3 indien het een bedreiging betreft met een aanslag waarop een straf van niveau 4 tot 8 is gesteld;
  2° met een straf van niveau 2 indien het een bedreiging betreft met een aanslag waarop een straf van niveau 2 of 3 is gesteld.
Art. 232. La menace aggravée d'attentat contre les personnes ou contre les propriétés
  La menace d'attentat contre les personnes ou les propriétés avec ordre ou sous condition est punie:
  1° d'une peine de niveau 3 s'il s'agit de la menace d'un attentat passible d'une peine de niveau 4 à 8;
  2° d'une peine de niveau 2 s'il s'agit de la menace d'un attentat passible d'une peine de niveau 2 ou 3.
Art. 233. Bedreiging met behulp van radioactief materiaal, kernmateriaal en biologische of chemische wapens
  Bedreiging met behulp van radioactief materiaal, kernmateriaal en biologische of chemische wapens is:
  1° met het oogmerk de dood van of ernstige letsels aan een persoon, dan wel aanzienlijke schade aan goederen of aan het milieu te veroorzaken, dreigen radioactief materiaal of radioactieve instrumenten te gebruiken of een gerichte handeling te begaan tegen een nucleaire installatie of de werking van zo'n installatie te verstoren;
  2° met het oogmerk een natuurlijke persoon of een rechtspersoon, een internationale organisatie of een Staat dwingen iets te doen of na te laten, dreigen diefstal van kernmateriaal te zullen plegen;
  3° opzettelijk dreigen biologische of chemische wapens of producten te zullen gebruiken voor een aanslag op personen, op eigendommen, op rechtspersonen, op internationale organisaties of op een Staat.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 233. La menace à l'aide de matières radioactives, de matières nucléaires et d'armes biologiques ou chimiques
  La menace à l'aide de matières radioactives, de matières nucléaires et d'armes biologiques ou chimiques consiste à:
  1° menacer d'utiliser des matières ou engins radioactifs ou de commettre un acte dirigé contre une installation nucléaire ou de perturber le fonctionnement d'une telle installation, dans le but de causer la mort ou des blessures graves à autrui ou des dommages substantiels aux biens ou à l'environnement;
  2° menacer de commettre un vol de matières nucléaires dans le but de contraindre une personne physique ou une personne morale, une organisation internationale ou un Etat, à faire ou à s'abstenir de faire un acte;
  3° délibérément, menacer d'utiliser des armes ou des produits biologiques ou chimiques en vue d'un attentat contre des personnes, des propriétés, des personnes morales, des organisations internationales ou un Etat.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
Art. 234. Het geven van een vals bericht
  Het geven van een vals bericht is het met welk middel ook opzettelijk geven van een vals bericht over het bestaan van gevaar voor een aanslag op personen of op eigendommen.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2 indien het een bedreiging betreft met een aanslag waarop een straf van niveau 4 tot 8 is gesteld. Betreft het een aanslag waarop een straf van niveau 2 of 3 is gesteld, wordt het misdrijf bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 234. La communication d'une fausse information
  La communication d'une fausse information consiste à, délibérément, par quelque moyen que ce soit, donner une fausse information concernant l'existence d'un danger d'attentat contre les personnes ou les propriétés.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2 s'il s'agit de la menace d'un attentat passible d'une peine de niveau 4 à 8. Elle est punie d'une peine de niveau 1 s'il s'agit d'un attentat passible d'une peine de niveau 2 ou 3.
Art. 235. Het verspreiden van ogenschijnlijk gevaarlijke stoffen
  Het verspreiden van ogenschijnlijk gevaarlijke stoffen is het op om het even welke wijze opzettelijk verspreiden van stoffen die, zonder op zichzelf gevaar in te houden, de indruk geven gevaarlijk te zijn en waarvan men weet of moet weten dat hierdoor ernstige gevoelens van vrees kunnen worden teweeggebracht voor een aanslag op personen of op eigendommen waarop een straf van ten minste niveau 2 is gesteld.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 235. La diffusion de substances apparemment dangereuses
  La diffusion de substances apparemment dangereuses consiste à, délibérément, diffuser, de quelque manière que ce soit, des substances qui, ne présentant en soi aucun danger, donnent l'impression d'être dangereuses, et dont on sait ou doit savoir qu'elles peuvent inspirer de vives craintes d'attentat contre les personnes ou les propriétés passible d'une peine de niveau 2 au moins.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Art. 236. Verzwarende factor
  Bij de keuze van de straf of de maatregel en de zwaarte ervan voor een misdrijf omschreven in deze afdeling neemt de rechter in overweging dat het slachtoffer een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand is en dat het misdrijf werd gepleegd omwille van culturele drijfveren, gewoontes, tradities, religie of de zogenaamde "eer".
Art. 236. Le facteur aggravant
  Lors du choix de la peine ou de la mesure et de la sévérité de celle-ci, pour une infraction visée dans la présente section, le juge prend en considération le fait que la victime est un mineur ou une personne en situation de vulnérabilité et le fait que l'infraction a été commise au nom de la culture, de la coutume, de la tradition, de la religion ou du prétendu "honneur".
Afdeling 2. Belaging
Section 2. Le harcèlement
Art. 237. Belaging
  Belaging is het opzettelijk ernstig verstoren van de rust van een persoon zelfs al is het eenmalig of bestaat het uit een enkele handeling terwijl men wist of had moeten weten dat men door dit gedrag de rust van die bewuste persoon ernstig zou verstoren.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 237. Le harcèlement
  Le harcèlement consiste à, délibérément, perturber la tranquillité d'une personne, même s'il s'agit d'une seule fois ou que cela résulte d'un seul acte, alors qu'on savait ou aurait dû savoir qu'on affecterait gravement par ce comportement la tranquillité de la personne visée.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Art. 238. Verzwaarde belaging
  Belaging wordt bestraft met een straf van niveau 3 indien:
  1° het slachtoffer een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand is;
  2° het misdrijf werd gepleegd door een persoon die zich in een gezags- of vertrouwenspositie bevindt ten opzichte van het slachtoffer;
  3° het misdrijf werd gepleegd door twee of meer personen.
Art. 238. Le harcèlement aggravé
  Le harcèlement est puni d'une peine de niveau 3 si:
  1° la victime est un mineur ou une personne en situation de vulnérabilité;
  2° l'infraction a été commise par une personne qui se trouve en position d'autorité ou de confiance par rapport à la victime;
  3° l'infraction a été commise par deux ou plusieurs personnes.
Art. 239. Verzwarende factoren
  Bij de keuze van de straf of de maatregel en de zwaarte ervan voor een misdrijf omschreven in deze afdeling neemt de rechter in overweging het feit dat:
  1° het misdrijf erop gericht is een niet-consensuele seksuele handeling te stellen of te laten stellen op de persoon van het slachtoffer;
  2° het misdrijf werd gepleegd in het bijzijn van een minderjarige;
  3° het misdrijf werd gepleegd omwille van culturele drijfveren, gewoontes, tradities, religie of de zogenaamde "eer".
Art. 239. Les facteurs aggravants
  Lors du choix de la peine ou de la mesure et de la sévérité de celle-ci, pour une infraction visée dans la présente section, le juge prend en considération:
  1° le fait que l'infraction vise à poser ou à faire poser un acte sexuel non consensuel sur la personne de la victime;
  2° le fait que l'infraction a été commise en présence d'un mineur;
  3° le fait que l'infraction a été commise au nom de la culture, de la coutume, de la tradition, de la religion ou du prétendu "honneur".
Afdeling 3. Laster en belediging
Section 3. La calomnie et l'injure
Art. 240. Laster
  Laster is het in het openbaar met kwaadwillig opzet aan een persoon een bepaald feit ten laste leggen dat zijn eer kan krenken of hem aan de openbare verachting kan blootstellen.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
  Er is geen laster indien de van laster betichte persoon door enig middel geloofwaardig maakt dat het ten laste gelegde feit aannemelijk is. Dit kan niet wanneer de aantijging van een bepaald feit geschied is met het oogmerk om te schaden zonder enige reden van openbaar of privaat belang.
Art. 240. La calomnie
  La calomnie consiste à, en public et méchamment, imputer à une personne un fait précis qui est de nature à porter atteinte à l'honneur de cette personne ou à l'exposer au mépris public.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
  Il n'y a pas de calomnie si la personne prévenue de calomnie rend crédible, par quelque moyen que ce soit, que le fait imputé est plausible. Tel ne peut être le cas lorsque l'imputation d'un certain fait est effectuée dans le but de nuire sans motif d'intérêt public ou privé.
Art. 241. Schorsing vervolging wegens laster
  Indien het ten laste gelegde feit het voorwerp is van een strafvervolging of een aangifte waarover nog geen uitspraak is gedaan, wordt de vordering wegens laster geschorst tot een in kracht van gewijsde getreden vonnis of arrest of tot de eindbeslissing van de bevoegde overheid.
  Zo de strafvordering of de tuchtvordering met betrekking tot het ten laste gelegde feit vervallen is, wordt het betrokken dossier bij het dossier van het geding wegens laster gevoegd en wordt de vordering wegens laster hervat.
  In geval van een beslissing van seponering of buitenvervolgingstelling betreffende de vordering met betrekking tot het ten laste gelegde feit, wordt de vordering wegens laster hervat, onverminderd een schorsing van deze vordering wanneer het onderzoek met betrekking tot het ten laste gelegde feit een nieuwe gerechtelijke ontwikkeling kent.
Art. 241. La suspension des poursuites pour calomnie
  Si le fait imputé fait l'objet d'une poursuite répressive ou d'une dénonciation sur laquelle il n'a pas été statué, l'action en calomnie sera suspendue jusqu'à un jugement ou arrêt passé en force de chose jugée ou jusqu'à la décision définitive de l'autorité compétente.
  Dans le cas où l'action publique ou l'action disciplinaire relative au fait imputé est éteinte, le dossier concernant cette action est joint au dossier de l'action en calomnie et l'action en calomnie est reprise.
  Dans le cas d'une décision de classement sans suite ou de non-lieu quant à l'action relative au fait imputé, l'action en calomnie est reprise, sans préjudice d'une suspension de cette action si l'enquête relative au fait imputé connaît de nouveaux développements judiciaires.
Art. 242. Lasterlijke aangifte
  Lasterlijke aangifte is het met kwaadwillig opzet schriftelijk een lasterlijke aangifte indienen bij de overheid.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 242. La dénonciation calomnieuse
  La dénonciation calomnieuse consiste à, méchamment et par écrit, faire une dénonciation calomnieuse à l'autorité.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
Art. 243. Lasterlijke aantijging tegen een ondergeschikte
  Lasterlijke aantijging tegen een ondergeschikte is het met kwaadwillig opzet met welk middel ook melden aan een persoon van lasterlijke aantijgingen tegen zijn ondergeschikte.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 243. L'imputation calomnieuse contre un subordonné
  L'imputation calomnieuse contre un subordonné consiste à, méchamment et par quelque moyen que ce soit, communiquer à une personne des imputations calomnieuses contre son subordonné.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
Art. 244. Belediging
  Belediging is het met kwaadwillig opzet en met welk middel ook in het openbaar beledigen van een bepaald persoon.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 244. L'injure
  L'injure consiste à, méchamment et par quelque moyen que ce soit injurier une personne déterminée en public.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
Art. 245. Verzwarende factor
  Bij de keuze van de straf of de maatregel en de zwaarte ervan voor een misdrijf omschreven in deze afdeling neemt de rechter in overweging dat het slachtoffer een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand is.
Art. 245. Le facteur aggravant
  Lors du choix de la peine ou de la mesure et de la sévérité de celle-ci, pour une infraction visée dans la présente section, le juge prend en considération le fait que la victime est un mineur ou une personne en situation de vulnérabilité.
Art. 246. Bijzondere grond van onschendbaarheid
  Vóór de rechtbank gesproken woorden of aan de rechtbank overlegde geschriften, geven geen aanleiding tot strafvervolging wanneer die woorden of die geschriften op de zaak of op de partijen betrekking hebben.
  Lasterlijke of beledigende tenlasteleggingen die aan de zaak of aan de partijen vreemd zijn, kunnen aanleiding geven hetzij tot een strafvordering hetzij tot burgerlijke rechtsvordering van de partijen of van derden.
Art. 246. Le motif particulier d'immunité
  Ne donneront lieu à aucune poursuite répressive les discours prononcés ou les écrits produits devant les tribunaux, lorsque ces discours ou ces écrits sont relatifs à la cause ou aux parties.
  Les imputations calomnieuses ou injurieuses étrangères à la cause ou aux parties pourront donner lieu soit à l'action publique, soit à l'action civile des parties ou de tiers.
Afdeling 4. Smaad
Section 4. L'outrage
Art. 247. Smaad
  Smaad is het met het oogmerk de beschermde persoon belachelijk te maken, smaden door daden, woorden, gebaren of bedreigingen van een minister of staatssecretaris, een parlementslid, een magistraat, een juridisch medewerker van een rechtscollege of het openbaar ministerie, een persoon met een openbare functie, een getuige, een jurylid, een bedienaar van de eredienst of een voorganger in plechtigheden van een niet-confessionele levensbeschouwing, indien het misdrijf is gepleegd naar aanleiding van de uitoefening van deze functie.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 247. L'outrage
  L'outrage consiste à, dans le but de ridiculiser la personne protégée, outrager, par faits, paroles, gestes ou menaces, un ministre ou secrétaire d'Etat, un parlementaire, un magistrat, un collaborateur juridique d'une juridiction ou du ministère public, une personne exerçant une fonction publique, un témoin, un membre de jury, un ministre du culte ou un officiant lors des cérémonies d'une obédience philosophique non confessionnelle, lorsque l'infraction est commise à l'occasion de l'exercice de cette fonction.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
Art. 248. Verzwarende factor
  Bij de keuze van de straf of de maatregel en de zwaarte ervan voor een misdrijf omschreven in deze afdeling neemt de rechter de volgende omstandigheden in overweging dat het misdrijf werd gepleegd in een wetgevende vergadering of op de terechtzitting van een hof of van een rechtbank.
Art. 248. Le facteur aggravant
  Lors du choix de la peine ou de la mesure et de la sévérité de celle-ci, pour une infraction visée dans la présente section, le juge prend en considération le fait que l'infraction a été commise dans une assemblée législative ou à l'audience d'une cour ou d'un tribunal.
Hoofdstuk 7. Schendingen van de persoonlijke waardigheid en misbruik van de kwetsbare positie van het slachtoffer
Chapitre 7. Les atteintes à la dignité humaine et l'abus de la position vulnérable de la victime
Afdeling 1. Misdrijven inzake de bestraffing van de discriminatie, de aanzetting tot haat en het negationisme
Section 1re. Les infractions relatives à la répression de la discrimination, des incitations à la haine et du négationnisme
Art. 249. Definitie van discriminatie
  Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder discriminatie verstaan elke vorm van directe opzettelijke discriminatie, indirecte opzettelijke discriminatie, opdracht tot discriminatie, intimidatie of seksuele intimidatie op grond van een of meer beschermde criteria bedoeld in het tweede lid, alsook de weigering om redelijke aanpassingen te treffen ten voordele van een persoon met een handicap.
  De beschermde criteria zijn: zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, nationale of etnische afstamming, nationaliteit, geslacht, zwangerschap, bevalling, het geven van borstvoeding, medisch begeleide voortplanting, moederschap, gezinsverantwoordelijkheden, medische of sociale transitie, genderidentiteit, genderexpressie, seksekenmerken, seksuele oriëntatie, burgerlijke staat, geboorte, leeftijd, vermogen, geloof of levensbeschouwing, gezondheidstoestand, handicap, taal, politieke overtuiging, syndicale overtuiging, fysieke of genetische eigenschap of sociale afkomst of toestand, ongeacht of dit criterium daadwerkelijk aanwezig is of slechts vermeend is door de dader.
  Deze beschermde criteria kunnen werkelijke of vermeende, eigen of bij associatie toegekende beschermde criteria zijn, en kunnen alleenstaand zijn, of worden gecombineerd met een of meer van de beschermde criteria bedoeld in het tweede lid.
Art. 249. La définition de la discrimination
  Pour l'application du présent chapitre, la discrimination s'entend de toute forme de discrimination directe délibérée, de discrimination indirecte délibérée, d'injonction de discriminer, de harcèlement, de harcèlement sexuel, fondée sur un ou plusieurs des critères protégés visés à l'alinéa 2, ainsi que le refus de mettre en place des aménagements raisonnables en faveur d'une personne handicapée.
  Les critères protégés sont: la prétendue race, la couleur de peau, l'ascendance, l'origine nationale ou ethnique, la nationalité, le sexe, la grossesse, l'accouchement, l'allaitement, la procréation médicalement assistée, la maternité, les responsabilités familiales, la transition médicale ou sociale, l'identité de genre, l'expression de genre, les caractéristiques sexuelles, l'orientation sexuelle, l'état civil, la naissance, l'âge, la fortune, la conviction religieuse ou philosophique, l'état de santé, le handicap, la langue, la conviction politique, la conviction syndicale, la caractéristique physique ou génétique ou l'origine ou la condition sociale, que ce critère soit présent de manière effective ou seulement supposée par l'auteur.
  Ces critères protégés peuvent être réels ou supposés, octroyés en propre ou par association, pris seuls ou en combinaison avec un ou plusieurs critères protégés énoncés à l'alinéa 2.
Art. 250. Aanzetting tot discriminatie of rassenhaat
  De aanzetting tot discriminatie of rassenhaat is het aannemen van een van de volgende gedragingen in het openbaar:
  1° aanzetten tot discriminatie jegens een persoon op grond van een of meer beschermde criteria bedoeld in artikel 249, tweede lid;
  2° aanzetten tot haat of geweld jegens een persoon op grond van een of meer beschermde criteria bedoeld in artikel 249, tweede lid;
  3° aanzetten tot discriminatie of segregatie jegens een groep, een gemeenschap of de leden ervan op grond van een of meer beschermde criteria bedoeld in artikel 249, tweede lid;
  4° aanzetten tot haat of geweld jegens een groep, een gemeenschap of de leden ervan op grond van een of meer beschermde criteria bedoeld in artikel 249, tweede lid;
  5° feiten overeenstemmend met een misdaad van genocide bedoeld in artikel 82, een misdaad tegen de mensheid bedoeld in artikel 83 of een oorlogsmisdaad bedoeld in artikelen 84 tot 88, en als dusdanig vastgesteld door een eindbeslissing van een internationaal gerecht, ontkennen, schromelijk minimaliseren, pogen te rechtvaardigen of goedkeuren, wetende of verondersteld zijnde te weten dat dit gedrag hetzij een persoon, hetzij een groep, een gemeenschap of leden ervan zou kunnen blootstellen aan discriminatie, haat of geweld wegens een van een or meer beschermde criteria bedoeld in artikel 249, tweede lid, of godsdienst, in de zin van artikel 1, § 3, van het kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie van 28 november 2008 betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 250. L'incitation à la discrimination ou à la haine raciale
  L'incitation à la discrimination ou à la haine raciale consiste à adopter, en public, un des comportements suivants:
  1° inciter à la discrimination à l'égard d'une personne, en raison d'un ou plusieurs des critères protégés visés à l'article 249, alinéa 2;
  2° inciter à la haine ou à la violence à l'égard d'une personne, en raison d'un ou plusieurs des critères protégés visés à l'article 249, alinéa 2;
  3° inciter à la discrimination ou à la ségrégation à l'égard d'un groupe, d'une communauté ou de leurs membres, en raison d'un ou plusieurs des critères protégés visés à l'article 249, alinéa 2;
  4° inciter à la haine ou à la violence à l'égard d'un groupe, d'une communauté ou de leurs membres, en raison d'un ou plusieurs des critères protégés visés à l'article 249, alinéa 2;
  5° nier, minimiser grossièrement, chercher à justifier ou approuver des faits correspondant à un crime de génocide visé à l'article 82, à un crime contre l'humanité visé à l'article 83 ou à un crime de guerre tel que visé aux articles 84 à 88, établis comme tels par une décision définitive rendue par une juridiction internationale, sachant ou devant savoir que ce comportement risque d'exposer soit une personne, soit un groupe, une communauté ou leurs membres, à la discrimination, à la haine ou à la violence, en raison d'un ou plusieurs des critères protégés visés à l'article 249, alinéa 2, ou de la religion, au sens de l'article 1er, § 3, de la décision-cadre du Conseil de l'Union européenne du 28 novembre 2008 sur la lutte contre certaines formes et manifestations de racisme et de xénophobie au moyen du droit pénal.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Art. 251. Verspreiding van raciale denkbeelden
  De verspreiding van raciale denkbeelden is het in het openbaar verspreiden van denkbeelden gegrond op rassenhaat of rassuperioriteit.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 251. La diffusion d'idées raciales
  La diffusion d'idées raciales consiste à diffuser en public des idées fondées sur la supériorité ou la haine raciale.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Art. 252. Deelneming aan een groepering die discriminatie of segregatie verkondigt
  De deelneming aan een groepering die discriminatie of segregatie verkondigt, is het behoren tot een groepering of een vereniging, dan wel er medewerking aan verlenen, terwijl die groepering of vereniging kennelijk en herhaaldelijk discriminatie of segregatie verkondigt in het openbaar op grond van een of meer beschermde criteria bedoeld in artikel 249, tweede lid.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 252. L'adhésion à un groupement prônant la discrimination ou la ségrégation
  L'adhésion à un groupement prônant la discrimination ou la ségrégation consiste à faire partie d'un groupement ou d'une association ou de lui prêter son concours alors que ce groupement ou cette association prône, en public et de manière manifeste et répétée, la discrimination ou la ségrégation fondée sur un ou plusieurs des critères protégés visés à l'article 249, alinéa 2.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Art. 253. Discriminatie gepleegd door een persoon die een openbare functie uitoefent of in zijn naam gepleegd door middel van een valse handtekening
  § 1. De discriminatie gepleegd door een persoon die een openbare functie uitoefent is het plegen van een discriminatie jegens een persoon, een groep, een gemeenschap of de leden ervan op grond van een of meer beschermde criteria bedoeld in artikel 249, tweede lid, door een persoon met een openbare functie in het kader van de uitoefening van deze functie.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
  § 2. Indien de dader bewijst dat hij heeft gehandeld op bevel van zijn meerderen, in zaken die tot hun bevoegdheid behoren en waarin hij hun als ondergeschikte gehoorzaamheid verschuldigd was, worden de straffen enkel toegepast op de meerderen die het bevel hebben gegeven.
  § 3. Indien personen met een openbare functie ervan beticht worden een van voormelde daden van willekeur te hebben bevolen, toegelaten of vergemakkelijkt, en zij beweren dat hun handtekening bij verrassing is verkregen, zijn zij in voorkomend geval verplicht de daad van willekeur te doen ophouden en de schuldige aan te geven; anders worden zij zelf vervolgd.
  § 4. Indien een van voormelde daden van willekeur wordt gepleegd door middel van de valse handtekening van een persoon met een openbare functie, worden de daders van de valsheid en zij die er kwaadwillig of bedrieglijk gebruik van maken, bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 253. La discrimination commise par une personne exerçant une fonction publique ou commise en son nom au moyen d'une fausse signature
  § 1er. La discrimination commise par une personne exerçant une fonction publique consiste pour une personne exerçant une fonction publique à commettre dans l'exercice de cette fonction une discrimination à l'égard d'une personne, d'un groupe, d'une communauté et de leurs membres, en raison d'un ou plusieurs des critères protégés visés à l'article 249, alinéa 2.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
  § 2. Si l'auteur justifie qu'il a agi sur ordre de ses supérieurs pour des objets du ressort de ceux-ci et sur lesquels il leur était dû obéissance hiérarchique, les peines sont appliquées seulement aux supérieurs qui ont donné l'ordre.
  § 3. Si des personnes exerçant une fonction publique prévenus d'avoir ordonné, autorisé ou facilité les actes arbitraires susmentionnés prétendent que leur signature a été surprise, ils sont tenus en faisant, le cas échéant, cesser l'acte, de dénoncer le coupable; sinon, ils sont poursuivis personnellement.
  § 4. Si l'un des actes arbitraires susmentionnés est commis au moyen de la fausse signature d'une personne exerçant une fonction publique, les auteurs du faux et ceux qui, méchamment ou frauduleusement, en font usage sont punis d'une peine de niveau 3.
Art. 254. Discriminatie bij de toegang tot goederen of diensten
  Discriminatie bij de toegang tot goederen of diensten is het bij de toegang tot goederen of diensten en het aanbod van goederen of diensten die publiekelijk beschikbaar zijn, plegen van discriminatie jegens een persoon, een groep, een gemeenschap of de leden ervan op grond van een of meer beschermde criteria bedoeld in artikel 249, tweede lid.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 254. La discrimination commise dans l'accès aux biens ou aux services
  La discrimination commise dans l'accès aux biens ou aux services consiste à commettre, dans l'accès aux biens ou services et la fourniture de biens ou services à la disposition du public, une discrimination à l'égard d'une personne d'un groupe, d'une communauté ou leurs membres, en raison d'un ou plusieurs des critères protégés visés à l'article 249, alinéa 2.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Art. 255. Discriminatie binnen de arbeidsrelaties
  Discriminatie binnen de arbeidsrelaties is het binnen de arbeidsrelaties, plegen van discriminatie jegens een persoon, een groep, een gemeenschap of de leden ervan op grond van een of meer beschermde criteria bedoeld in artikel 249, tweede lid.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 255. La discrimination commise dans le domaine des relations de travail
  La discrimination commise dans le domaine des relations de travail consiste à commettre, dans le domaine des relations de travail, une discrimination à l'égard d'une personne, d'un groupe, d'une communauté ou leurs membres, en raison d'un ou plusieurs des critères protégés visés à l'article 249, alinéa 2.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Art. 256. Negationisme
  Negationisme is het ontkennen, schromelijk minimaliseren, pogen te rechtvaardigen of goedkeuren, in het openbaar, van de genocide die tijdens de Tweede Wereldoorlog door het Duitse nationaalsocialistische regime is gepleegd.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
  De rechter kan bovendien de bekendmaking van de beslissing bevelen overeenkomstig artikel 58.
  Voor de toepassing van het eerste lid wordt de term genocide begrepen in de zin van artikel 2 van het Internationaal Verdrag van 9 december 1948 inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide.
Art. 256. Le négationnisme
  Le négationnisme consiste à nier, minimiser grossièrement, chercher à justifier ou approuver, en public, le génocide commis par le régime national-socialiste allemand pendant la seconde guerre mondiale.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
  En outre, le juge peut ordonner également la publication de la décision conformément à l'article 58.
  Pour l'application de l'alinéa premier, le terme génocide s'entend au sens de l'article 2 de la Convention internationale du 9 décembre 1948 pour la prévention et la répression du crime de génocide.
Art. 257. Seksisme
  Seksisme is het in het openbaar aannemen van elk gebaar of handeling die klaarblijkelijk bedoeld is om minachting uit te drukken jegens een persoon wegens zijn geslacht, of deze, om dezelfde reden, als minderwaardig te beschouwen of te reduceren tot diens geslachtelijke dimensie, en die een ernstige aantasting van de waardigheid van deze persoon tot gevolg heeft.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 257. Le sexisme
  Le sexisme consiste à adopter en public tout geste ou comportement qui, a manifestement pour objet d'exprimer un mépris à l'égard d'une personne, en raison de son sexe, ou de la considérer, pour la même raison, comme inférieure ou comme réduite à sa dimension sexuelle et qui entraîne une atteinte grave à sa dignité.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Afdeling 2. Mensenhandel en mensensmokkel
Section 2. La traite et le trafic des êtres humains
Art. 258. Mensenhandel
  § 1. Mensenhandel is het werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten, opvangen van een persoon, alsook het nemen of overdragen van de controle over een persoon met als doel:
  1° de uitbuiting van prostitutie of andere vormen van seksuele uitbuiting;
  2° de uitbuiting van bedelarij;
  3° het verrichten van werk of het verlenen van diensten, in omstandigheden die in strijd zijn met de menselijke waardigheid;
  4° de uitbuiting door het wegnemen van organen of van menselijk lichaamsmateriaal;
  5° deze persoon tegen zijn wil een misdrijf te doen plegen;
  6° de uitbuiting van een illegale adoptie;
  7° de uitbuiting van een gedwongen huwelijk.
  Behalve in het in 5° bedoelde geval is de toestemming van de in het eerste lid bedoelde persoon met de voorgenomen of daadwerkelijke uitbuiting van geen belang.
  § 2. Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
  § 3. De geldboete als bijkomende straf bedoeld in artikel 52 wordt zo veel keer toegepast als er slachtoffers zijn.
Art. 258. La traite des êtres humains
  § 1er. La traite des êtres humains consiste à recruter, à transporter, à transférer, à héberger, à accueillir une personne, à prendre ou à transférer le contrôle exercé sur elle:
  1° à des fins d'exploitation de la prostitution ou d'autres formes d'exploitation sexuelle;
  2° à des fins d'exploitation de la mendicité;
  3° à des fins de travail ou de services, dans des conditions contraires à la dignité humaine;
  4° à des fins d'exploitation par le prélèvement d'organes ou de matériel corporel humain;
  5° afin de faire commettre par cette personne une infraction, contre son gré;
  6° à des fins d'exploitation d'une adoption illégale;
  7° à des fins d'exploitation d'un mariage forcé.
  Sauf dans le cas visé au 5°, le consentement de la personne visée à l'alinéa 1er à l'exploitation envisagée ou effective est indifférent.
  § 2. Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
  § 3. L'amende à titre de peine accessoire visée à l'article 52 est appliquée autant de fois qu'il y a de victimes.
Art. 259. Mensensmokkel
  § 1. Mensensmokkel is het, op welke manier ook, rechtstreeks of via een tussenpersoon, ertoe bijdragen dat een persoon die geen onderdaan is van een lidstaat van de Europese Unie het grondgebied van een lidstaat van de Europese Unie of van een Staat die partij is bij een internationale overeenkomst betreffende de overschrijding van de buitengrenzen, die België bindt, binnenkomt, erdoor reist of er verblijft, in strijd met de wetgeving van deze staat, met het oog op het direct of indirect verkrijgen van een vermogensvoordeel.
  § 2. Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
  § 3. De geldboete als bijkomende straf bedoeld in artikel 52 wordt zo veel keer toegepast als er slachtoffers zijn.
Art. 259. Le trafic des êtres humains
  § 1er. Le trafic des êtres humains consiste à contribuer, de quelque manière que ce soit, soit directement, soit par un intermédiaire, à permettre l'entrée, le transit ou le séjour d'une personne non ressortissante d'un Etat membre de l'Union européenne sur ou par le territoire d'un tel Etat ou d'un Etat partie à une convention internationale relative au franchissement des frontières extérieures et liant la Belgique, en violation de la législation de cet Etat, en vue d'obtenir, directement ou indirectement, un avantage patrimonial.
  § 2. Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
  § 3. L'amende à titre de peine accessoire visée à l'article 52 est appliquée autant de fois qu'il y a de victimes.
Art. 260. Verzwaarde mensenhandel en mensensmokkel
  § 1. Mensenhandel en mensensmokkel worden bestraft met een straf van niveau 4 indien:
  1° het misdrijf is gepleegd ten opzichte van een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand;
  2° het misdrijf is gepleegd door misbruik te maken van de kwetsbare toestand waarin een persoon verkeert ten gevolge van zijn onwettige of precaire administratieve toestand, zijn precaire sociale toestand, zijn leeftijd, zwangerschap, een ziekte dan wel een lichamelijk of een geestelijk gebrek, zodanig dat de betrokken persoon in feite geen andere echte en aanvaardbare keuze heeft dan zich te laten misbruiken;
  3° het misdrijf is gepleegd door direct of indirect gebruik te maken van listige kunstgrepen, geweld, bedreigingen of enige vorm van dwang, of door ontvoering, machtsmisbruik of bedrog;
  4° het misdrijf is gepleegd door het aanbieden of aanvaarden van betalingen of om het even welk voordeel om de toestemming te verkrijgen van een persoon die gezag heeft over het slachtoffer;
  5° het leven van het slachtoffer opzettelijk of door grove nalatigheid in gevaar is gebracht;
  6° het misdrijf een integriteitsaantasting van de derde graad heeft veroorzaakt;
  7° van de betrokken activiteit een gewoonte wordt gemaakt;
  8° het misdrijf werd gepleegd met een discriminerende drijfveer;
  9° het misdrijf een daad van deelneming aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging betreft, ongeacht of de schuldige de hoedanigheid van leidend persoon heeft of niet.
  De geldboete als bijkomende straf bedoeld in artikel 52 wordt zo veel keer toegepast als er slachtoffers zijn.
  Indien de mensenhandel met als doel de uitbuiting van prostitutie of andere vormen van seksuele uitbuiting werd gepleegd ten aanzien van een minderjarige, zijn de bepalingen van hoofdstuk 3, afdeling 2, van toepassing.
  § 2. Mensenhandel en mensensmokkel worden bestraft met een straf van niveau 5 indien:
  1° het misdrijf de dood van het slachtoffer heeft veroorzaakt, zonder dat het misdrijf werd gepleegd met het oogmerk te doden;
  2° het een daad van deelneming aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een criminele organisatie betreft, ongeacht of de schuldige de hoedanigheid van leidend persoon heeft of niet.
  De geldboete als bijkomende straf bedoeld in artikel 52 wordt zo veel keer toegepast als er slachtoffers zijn.
Art. 260. La traite et le trafic des êtres humains aggravés
  § 1er. La traite et le trafic des êtres humains sont punis d'une peine de niveau 4:
  1° lorsque l'infraction a été commise sur un mineur ou une personne en situation de vulnérabilité;
  2° lorsque l'infraction a été commise en abusant de la situation de vulnérabilité dans laquelle se trouve une personne en raison de sa situation administrative illégale ou précaire, de sa situation sociale précaire, de son âge, d'un état de grossesse, d'une maladie, d'une infirmité physique ou mentale, de manière telle que la personne n'a en fait pas d'autre choix véritable et acceptable que de se soumettre à cet abus;
  3° lorsque l'infraction a été commise en faisant usage, de façon directe ou indirecte, de manoeuvres frauduleuses, de violence, de menaces ou d'une forme quelconque de contrainte ou en recourant à l'enlèvement, à l'abus de l'autorité ou à la tromperie;
  4° lorsque l'infraction a été commise au moyen de l'offre ou de l'acceptation de paiements ou d'avantages quelconques pour obtenir le consentement d'une personne ayant autorité sur la victime;
  5° lorsque la vie de la victime a été mise en danger délibérément ou par négligence grave;
  6° lorsque l'infraction a causé une atteinte à l'intégrité du troisième degré;
  7° lorsque l'activité concernée constitue une activité habituelle;
  8° lorsque l'infraction a été commise avec un mobile discriminatoire;
  9° lorsque l'infraction constitue un acte de participation à l'activité principale ou accessoire d'une association, et ce, que le coupable ait ou non la qualité de dirigeant.
  L'amende à titre de peine accessoire visée à l'article 52 est appliquée autant de fois qu'il y a de victimes.
  Lorsque la traite des êtres humains à des fins d'exploitation de la prostitution ou d'autres formes d'exploitation sexuelle a été commise à l'égard d'un mineur, les dispositions du chapitre 3, section 2, sont appliquées.
  § 2. La traite et le trafic des êtres humains sont punis d'une peine de niveau 5:
  1° lorsque l'infraction a causé la mort de la victime sans intention de la donner;
  2° lorsqu'elle constitue un acte de participation à l'activité principale ou accessoire d'une organisation criminelle, et ce, que le coupable ait ou non la qualité de dirigeant.
  L'amende à titre de peine accessoire visée à l'article 52 est appliquée autant de fois qu'il y a de victimes.
Art. 261. Verzwarende factoren van mensenhandel en mensensmokkel
  Bij de keuze van de straf of maatregel en de zwaarte ervan voor een in deze afdeling bedoeld misdrijf neemt de rechter in overweging dat het misdrijf werd gepleegd:
  1° door een persoon die gezag heeft over het slachtoffer of door een persoon die misbruik heeft gemaakt van het gezag of de mogelijkheden die zijn functies hem verschaffen;
  2° door een persoon met een openbare functie in het kader van de uitoefening van deze functie.
Art. 261. Les facteurs aggravants de la traite et du trafic des êtres humains
  Lors du choix de la peine ou de la mesure et de la sévérité de celle-ci, pour une infraction visée dans la présente section, le juge prend en considération le fait que l'infraction a été commise:
  1° par une personne qui a autorité sur la victime, ou par une personne qui a abusé de l'autorité ou des facilités que lui confèrent ses fonctions;
  2° par une personne exerçant une fonction publique dans le cadre de l'exercice de cette fonction.
Art. 262. Verbeurdverklaring van het instrument van het misdrijf
  In afwijking van artikel 53, § 2, 2°, worden de zaken die gediend hebben of bestemd waren tot het plegen van een van de misdrijven bedoeld in deze afdeling verbeurd verklaard, ook al zijn zij geen eigendom van de veroordeelde, onverminderd de rechten die derden kunnen laten gelden op die zaken.
  De verbeurdverklaring wordt eveneens toegepast, onder dezelfde voorwaarden, op de onroerende goederen of gedeelten ervan die gediend hebben of bestemd waren tot het plegen van het misdrijf.
  Indien deze roerende of onroerende goederen worden vervreemd tussen het plegen van het misdrijf en de definitieve rechterlijke beslissing, kan de rechter hun geldwaarde bepalen en de verbeurdverklaring uitspreken van een geldsom die hiermee overeenstemt overeenkomstig artikel 53, § 2, tweede lid.
Art. 262. La confiscation de l'instrument de l'infraction
  Par dérogation à l'article 53, § 2, 2°, les choses qui ont servi ou qui ont été destinées à commettre une des infractions visées dans la présente section sont confisquées, même si la propriété n'en appartient pas au condamné, sans préjudice des droits que les tiers peuvent faire valoir sur ces choses.
  La confiscation est également appliquée, dans les mêmes circonstances, aux immeubles ou parties d'immeuble qui ont servi ou qui ont été destinés à commettre l'infraction.
  Si ces meubles ou immeubles ont été aliénés entre la commission de l'infraction et la décision judiciaire définitive, le juge peut procéder à leur évaluation monétaire et prononcer la confiscation qui porte sur une somme d'argent qui leur est équivalente conformément à l'article 53, § 2, alinéa 2.
Art. 263. Specifieke verboden in geval van veroordeling wegens mensenhandel
  § 1. Ingeval van veroordeling wegens mensenhandel kan de rechter ten aanzien van de veroordeelde het verbod uitspreken om gedurende een jaar tot twintig jaar een drankgelegenheid, een bureau voor arbeidsbemiddeling, een onderneming die vertoningen organiseert, een zaak voor verhuur of verkoop van visuele dragers, een hotel, een bureau voor verhuur van kamers of appartementen, een reisbureau, een huwelijksbureau, een adoptie-instelling, een instelling waaraan de bewaring van minderjarigen wordt toevertrouwd, een bedrijf dat instaat voor het vervoer van leerlingen en jeugdgroepen, een gelegenheid voor ontspanning of vakantie, of een inrichting die lichaamsverzorging of psychologische begeleiding aanbiedt, hetzij persoonlijk, hetzij door bemiddeling van een tussenpersoon, uit te baten of er, in welke hoedanigheid ook, werkzaam te zijn, of een beroepsactiviteit of sociale activiteit verbonden aan het plegen van het misdrijf uit te oefenen.
  § 2. Ook kan de rechter, voor een termijn van een jaar tot twintig jaar, het verbod uitspreken om:
  1° in welke hoedanigheid ook deel te nemen aan onderwijs in een openbare of particuliere instelling die minderjarigen opvangt;
  2° als vrijwilliger, als lid van het statutair of contractueel personeel of als lid van de organen van bestuur en beheer, deel uit te maken van elke rechtspersoon of feitelijke vereniging waarvan de activiteit in hoofdzaak op minderjarigen is gericht;
  3° als vrijwilliger, als lid van het statutair of contractueel personeel of als lid van de organen van bestuur en beheer, van elke rechtspersoon of feitelijke vereniging een activiteit toegewezen te krijgen die de veroordeelde in een vertrouwens- of een gezagsrelatie tegenover minderjarigen plaatst;
  Het opleggen van die maatregel moet bijzonder gemotiveerd worden en er moet in dat verband rekening worden gehouden met de ernst van de feiten en het re-integratievermogen van de veroordeelde.
  § 3. Artikel 48, derde en vierde lid, is van toepassing op de in paragrafen 1 en 2 bedoelde verboden.
Art. 263. Les interdictions spécifiques en cas de condamnation du chef de traite des êtres humains
  § 1er. En cas de condamnation du chef de traite des êtres humains, le juge peut interdire, pour un terme d'un an à vingt ans, au condamné d'exploiter, soit par lui-même, soit par personne interposée, un débit de boissons, un bureau de placement, une entreprise de spectacles, une agence de location ou de vente de supports visuels, un hôtel, une agence de location de chambres ou appartements, une agence de voyage, une entreprise de courtage matrimonial, une institution d'adoption, un établissement à qui l'on confie la garde des mineurs, une entreprise qui assure le transport d'élèves et de groupements de jeunesse, un établissement de loisirs ou de vacances, ou tout établissement proposant des soins corporels ou psychologiques, ou d'y être employé à quelque titre que ce soit, ou encore d'exercer une activité professionnelle ou sociale liée à la commission de l'infraction.
  § 2. De même, le juge peut ordonner, pour un terme d'un an à vingt ans, l'interdiction:
  1° du droit de participer, à quelque titre que ce soit, à un enseignement donné dans un établissement public ou privé qui accueille des mineurs;
  2° du droit de faire partie, comme membre bénévole, membre du personnel statutaire ou contractuel, ou comme membre des organes d'administration et de gestion, de toute personne morale ou association de fait dont l'activité concerne à titre principal les mineurs;
  3° du droit d'être affecté à une activité qui place le condamné en relation de confiance ou d'autorité vis-à-vis de mineurs, comme membre bénévole, membre du personnel statutaire ou contractuel ou comme membre des organes d'administration et de gestion, de toute personne morale ou association de fait;
  L'imposition de cette mesure doit être spécialement motivée et tenir compte de la gravité des faits et de la capacité de réinsertion du condamné.
  § 3. L'article 48, alinéas 3 et 4, est applicable aux interdictions prévues aux paragraphes 1er et 2.
Art. 264. Verschoningsgrond ten gunste van het slachtoffer van mensenhandel
  Het slachtoffer van mensenhandel dat deelneemt aan misdrijven waarop door de wet een straf van niveau 1, 2, 3, 4, 5 of 6 is gesteld als direct gevolg van zijn uitbuiting wordt niet gestraft voor die misdrijven.
Art. 264. La cause d'excuse au profit de la victime de traite des êtres humains
  La victime de traite des êtres humains qui prend part à des infractions pour lesquelles la loi prévoit une peine de niveau 1, 2, 3, 4, 5 ou 6 en conséquence directe de son exploitation n'encourt aucune peine du chef de ces infractions.
Afdeling 3. Misbruik van prostitutie
Section 3. L'abus de prostitution
Art. 265. Het pooierschap
  Het pooierschap bestaat, onverminderd de toepassing van artikel 258, uit een van de volgende daden gepleegd tegen een meerderjarig persoon:
  - het organiseren van de prostitutie van een ander met als doel het bekomen van een voordeel, behalve in de gevallen die de wet bepaalt;
  - het bevorderen, ertoe aanzetten, aanmoedigen of vergemakkelijken van prostitutie met als doel het, rechtstreeks of onrechtstreeks, bekomen van een abnormaal economisch voordeel of elk ander abnormaal voordeel;
  - maatregelen nemen om het verlaten van de prostitutie te verhinderen of te bemoeilijken.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
  In afwijking van artikel 52, § 1, tweede lid, kan de rechter als bijkomende straf een geldboete tussen 200 euro en 200.000 euro opleggen voor het gepleegde misdrijf en een geldboete tussen 200 euro en 40.000 euro voor de poging tot het plegen van het misdrijf. De boetes worden zo vaak opgelegd als er slachtoffers zijn.
Art. 265. Le proxénétisme
  Le proxénétisme consiste, sans préjudice de l'application de l'article 258, en l'un des actes suivants commis à l'encontre d'un majeur:
  - organiser la prostitution d'autrui dans le but d'en retirer un avantage, sauf dans les cas prévus par la loi;
  - promouvoir, inciter, favoriser ou faciliter la prostitution dans le but de retirer, directement ou indirectement, un avantage anormal économique ou tout autre avantage anormal;
  - prendre des mesures pour empêcher ou rendre plus difficile l'abandon de la prostitution.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
  Par dérogation à l'article 52, § 1er, alinéa 2, le juge peut prononcer à titre de peine accessoire une amende de 200 euros à 200.000 euros pour l'infraction consommée et une amende de 200 euros à 40.000 euros pour la tentative de commettre l'infraction. Les amendes sont appliquées autant de fois qu'il y a de victimes.
Art. 266. Reclame maken voor prostitutie
  § 1. Reclame maken voor prostitutie is:
  - het met welk middel ook, op enigerlei wijze, direct of indirect, opzettelijk reclame maken, uitgeven, verdelen of verspreiden voor een aanbod van diensten van seksuele aard door een meerderjarige, zelfs indien het aanbod wordt verhuld onder bedekte bewoordingen;
  - het door enig reclamemiddel, zowel expliciet als impliciet, opzettelijk kenbaar maken dat een meerderjarige zich laat prostitueren;
  - het door enig reclamemiddel, zowel expliciet als impliciet, opzettelijk vergemakkelijken van de prostitutie van een meerderjarige.
  § 2. Reclame maken voor prostitutie van een meerderjarige is verboden.
  Het verbod is niet van toepassing:
  - ten aanzien van een meerderjarige die reclame maakt voor eigen seksuele diensten achter een raam in een ruimte die specifiek voor prostitutie is bestemd;
  - ten aanzien van een meerderjarige die reclame plaatst voor eigen seksuele diensten op een internetplatform of enig ander medium of een onderdeel ervan, die specifiek voor dit doel zijn bestemd;
  - ten aanzien van de aanbieder van een internetplatform of enig ander medium of een onderdeel ervan, die specifiek voor dit doel zijn bestemd, die reclame voor diensten van seksuele aard of voor een plaats gewijd aan het aanbieden van diensten van seksuele aard door meerderjarigen publiceert, voor zover hij maatregelen neemt ter bescherming van de sekswerker en ter voorkoming van misbruik van prostitutie en mensenhandel, door mogelijke gevallen van misbruik en uitbuiting onmiddellijk aan de politiediensten of gerechtelijke overheden te melden en door zich te houden aan de nadere regels die door de Koning zijn vastgesteld.
  De Koning bepaalt wat wordt begrepen onder internetplatform of enig ander medium of onderdeel ervan die specifiek voor dit doel zijn bestemd.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 266. La publicité pour la prostitution
  § 1er. Par la publicité pour la prostitution, l'on entend:
  - par quelque moyen que ce soit, quelle qu'en soit la manière, faire, publier, distribuer ou diffuser délibérément de la publicité, de façon directe ou indirecte, pour une offre de services à caractère sexuel d'une personne majeure, même en dissimulant l'offre sous des artifices de langage;
  - par un moyen quelconque de publicité, explicite ou implicite, faire connaître délibérément qu'un majeur se livre à la prostitution;
  - par un moyen quelconque de publicité, explicite ou implicite, faciliter délibérément la prostitution d'une personne majeure.
  § 2. La publicité pour la prostitution d'un majeur est interdite.
  L'interdiction ne s'applique pas:
  - à l'égard d'un majeur qui fait de la publicité pour ses propres services sexuels derrière une vitrine dans un lieu qui est destiné spécifiquement à la prostitution;
  - à l'égard d'un majeur qui place de la publicité pour ses propres services sexuels sur une plateforme internet ou un autre support ou une partie d'un support, destinés spécifiquement à cet effet;
  - à l'égard du fournisseur d'une plateforme internet, de tout autre support ou partie de support, destinés spécifiquement à cet effet, qui diffuse de la publicité pour des services à caractère sexuel ou pour un lieu dédié à l'offre de services à caractère sexuel par des majeurs, lorsqu'il prend des mesures pour protéger le travailleur du sexe et pour éviter l'abus de la prostitution et la traite des êtres humains en signalant immédiatement les éventuels cas d'abus ou d'exploitation aux services de police ou aux autorités judiciaires, et en se conformant aux modalités fixées par le Roi.
  Le Roi détermine ce qu'il y a lieu d'entendre par plateforme internet ou tout autre support ou partie de support, destinés spécifiquement à cet effet.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
Art. 267. Het openbaar aanzetten tot het zich prostitueren
  Het openbaar aanzetten tot het zich prostitueren is:
  - het door enig reclamemiddel, impliciet of expliciet, opzettelijk aanzetten van een meerderjarige tot het zich prostitueren;
  - het met welk middel ook, in het openbaar, een meerderjarige opzettelijk aanzetten tot het zich prostitueren.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 267. L'incitation publique à la prostitution
  L'incitation publique à la prostitution consiste à:
  - inciter délibérément, implicitement ou explicitement, par tout moyen de publicité, un majeur à se prostituer;
  - inciter délibérément en public, par quelque moyen que ce soit, un majeur à se prostituer.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
Art. 268. Verzwaard misbruik van prostitutie
  Misbruik van prostitutie bedoeld in de artikelen 265 tot 267 is verzwaard indien het misdrijf werd gepleegd tegen een meerderjarige in een kwetsbare toestand ten gevolge van zijn onwettige of precaire administratieve toestand, zijn precaire sociale toestand, zijn leeftijd, een zwangerschap, een ziekte dan wel een lichamelijk of geestelijk gebrek.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 4.
  In het geval van misbruik van prostitutie bedoeld in artikel 265, wordt de boete zo veel keer toegepast als er slachtoffers zijn.
Art. 268. L'abus aggravé de la prostitution.
  L'abus de la prostitution visé aux articles 265 à 267, est aggravé quand l'infraction a été commise à l'encontre d'un majeur en situation de vulnérabilité en raison de sa situation administrative illégale ou précaire, de sa situation sociale précaire, de son âge, d'un état de grossesse, d'une maladie, d'une infirmité physique ou mentale.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 4.
  En cas d'abus de la prostitution visé à l'article 265, l'amende est appliquée autant de fois qu'il y a de victimes.
Art. 269. Sluiting van de inrichting
  Onverminderd andere wettelijke bepalingen, kan de rechter in de in dit hoofdstuk bedoelde gevallen, ongeacht de hoedanigheid van natuurlijke- of rechtspersoon, van de uitbater, eigenaar, huurder of zaakvoerder, de sluiting van de inrichting bevelen waar de inbreuken werden gepleegd, voor een termijn van één maand tot drie jaar.
  Wanneer de veroordeelde niet de eigenaar, uitbater, huurder of zaakvoerder van de inrichting is, kan de sluiting slechts worden bevolen indien de ernst van de specifieke omstandigheden dit vereist, en dit voor een periode van ten hoogste twee jaar, na dagvaarding op verzoek van het openbaar ministerie, de eigenaar, uitbater, huurder of zaakvoerder van de inrichting.
  De dagvaarding voor de rechtbank wordt op verzoek van de gerechtsdeurwaarder die de dagvaarding heeft uitgebracht, overgeschreven in het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie van de plaats waar het goed zich bevindt.
  De dagvaarding bevat de gegevens van het betrokken onroerend goed bedoeld in artikel 141 van de Hypotheekwet en de identificatiegegevens van de eigenaar ervan bedoeld in de artikelen 139 en 140 van de Hypotheekwet.
  Elke beslissing wordt op de kant van de overschrijving van het proces-verbaal van de dagvaarding vermeld overeenkomstig de procedure van artikel 84 van de Hypotheekwet. De griffier van het gerecht zendt de uittreksels en de verklaring dat geen hoger beroep werd ingesteld toe aan het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie.
  De sluiting van de inrichting houdt het verbod in om hierin enige activiteit uit te oefenen die verband houdt met diegene die geleid heeft tot het plegen van het misdrijf. De sluiting gaat in vanaf de dag waarop de veroordeling in kracht van gewijsde is getreden. Bij gebreke aan vrijwillige sluiting gebeurt deze op initiatief van het openbaar ministerie op kosten van de veroordeelde.
Art. 269. La fermeture de l'établissement
  Sans préjudice d'autres dispositions légales, le juge peut, dans les cas visés au présent chapitre, sans avoir égard à la qualité de la personne physique ou morale de l'exploitant, propriétaire, locataire ou gérant, ordonner la fermeture de l'établissement dans lequel les infractions ont été commises, pour une durée d'un mois à trois ans.
  Lorsque le condamné n'est ni propriétaire, ni exploitant, ni locataire, ni gérant de l'établissement, la fermeture peut seulement être ordonnée si la gravité des circonstances concrètes l'exige, et ce, pour une durée de deux ans au plus, après citation sur requête du ministère public, du propriétaire, de l'exploitant, du locataire ou du gérant de l'établissement.
  La citation devant le tribunal est transcrite au bureau compétent de l'Administration générale de la Documentation patrimoniale de la situation du bien à la diligence de l'huissier de justice auteur de l'exploit.
  La citation contient les données de l'immeuble concerné visées à l'article 141 de la loi hypothécaire et les données d'identification de son propriétaire visées aux articles 139 et 140 de la loi hypothécaire.
  Toute décision rendue en la cause est mentionnée en marge de la transcription du procès-verbal de la citation selon la procédure prévue par l'article 84 de la loi hypothécaire. Le greffier de la juridiction fait parvenir au bureau compétent de l'Administration générale de la Documentation patrimoniale les extraits et la déclaration selon laquelle aucun recours n'est introduit.
  La fermeture de l'établissement implique l'interdiction d'y exercer toute activité liée à celle qui a conduit à la commission de l'infraction. La fermeture prend cours le jour où la condamnation est passée en force de chose jugée. A défaut de fermeture volontaire, celle-ci s'effectue à l'initiative du ministère public aux frais du condamné.
Art. 270. Specifieke verboden
  In de gevallen bedoeld in dit hoofdstuk worden de schuldigen veroordeeld tot de ontzetting uit de rechten bedoeld in artikel 47, eerste lid.
  Onverminderd andere wettelijke bepalingen, kan de rechter in de in dit hoofdstuk bedoelde gevallen ten aanzien van de veroordeelde het verbod uitspreken om gedurende een jaar tot twintig jaar een drankgelegenheid, een bureau voor arbeidsbemiddeling, een onderneming die vertoningen organiseert, een zaak voor verhuur of verkoop van visuele dragers, een hotel, een bureau voor verhuur van kamers of appartementen, een reisbureau, een huwelijksbureau, een adoptie-instelling, een instelling waaraan de bewaring van minderjarigen wordt toevertrouwd, een bedrijf dat instaat voor het vervoer van leerlingen en jeugdgroepen, een gelegenheid voor ontspanning of vakantie, of een inrichting die lichaamsverzorging of psychologische begeleiding aanbiedt, hetzij persoonlijk, hetzij door bemiddeling van een tussenpersoon, uit te baten of er, in welke hoedanigheid ook, werkzaam te zijn, of een beroepsactiviteit of sociale activiteit verbonden aan het plegen van het misdrijf uit te oefenen.
  Artikel 48, derde en vierde lid, is van toepassing op deze verboden.
Art. 270. Les interdictions spécifiques
  Dans les cas visés au présent chapitre, les coupables sont condamnés à la déchéance des droits visés à l'article 47, alinéa 1er.
  Sans préjudice d'autres dispositions légales, le juge peut, dans les cas visés au présent chapitre, interdire, pour un terme d'un an à vingt ans, au condamné d'exploiter, soit par lui-même, soit par personne interposée, un débit de boissons, un bureau de placement, une entreprise de spectacles, une agence de location ou de vente de supports visuels, un hôtel, une agence de location de chambres ou appartements, une agence de voyage, une entreprise de courtage matrimonial, une institution d'adoption, un établissement à qui l'on confie la garde des mineurs, une entreprise qui assure le transport d'élèves et de groupements de jeunesse, un établissement de loisirs ou de vacances, ou tout établissement proposant des soins corporels ou psychologiques, ou d'y être employés à quelque titre que ce soit, ou encore d'exercer une activité professionnelle ou sociale liée à la commission de l'infraction.
  L'article 48, alinéas 3 et 4, est applicable à ces interdictions.
Art. 271. Verbeurdverklaring van het instrument van het misdrijf
  In afwijking van artikel 53, § 2, 2°, worden de zaken die gediend hebben of bestemd waren tot het plegen van een van de misdrijven bedoeld in deze afdeling verbeurd verklaard, ook al zijn ze geen eigendom van de veroordeelde, onverminderd de rechten die derden kunnen laten gelden op die goederen.
  De verbeurdverklaring wordt eveneens toegepast, onder dezelfde voorwaarden, op de onroerende goederen of gedeelten ervan die gediend hebben of bestemd waren tot het plegen van het misdrijf.
  Indien deze roerende of onroerende goederen worden vervreemd tussen het plegen van het misdrijf en de definitieve rechterlijke beslissing, kan de rechter hun geldwaarde bepalen en de verbeurdverklaring uitspreken van een geldsom die hiermee overeenstemt overeenkomstig artikel 53, § 2, tweede lid.
Art. 271. La confiscation de l'instrument de l'infraction
  Par dérogation à l'article 53, § 2, 2°, les choses qui ont servi ou qui ont été destinées à commettre une des infractions visées dans la présente section sont confisquées, même si la propriété n'en appartient pas au condamné, sans préjudice des droits que les tiers peuvent faire valoir sur ces biens.
  La confiscation est également appliquée, dans les mêmes circonstances, aux immeubles ou parties d'immeuble qui ont servi ou qui ont été destinés à commettre l'infraction.
  Si ces meubles ou immeubles ont été aliénés entre la commission de l'infraction et la décision judiciaire définitive, le juge peut procéder à leur évaluation monétaire et prononcer la confiscation qui porte sur une somme d'argent qui leur est équivalente conformément à l'article 53, § 2, alinéa 2.
Art. 272. Multidisciplinaire evaluatie
  § 1. De Kamer van volksvertegenwoordigers wordt ermee belast de toepassing van de bepalingen van deze afdeling te evalueren om de vier jaar.
  Die evaluatie is multidisciplinair en stoelt in het bijzonder op de expertise van vertegenwoordigers van het gerecht en van de politie, van vertegenwoordigers van openbare gespecialiseerde organen, van vertegenwoordigers van middenveldorganisaties, alsook van gespecialiseerde academici. De door de drie laatstgenoemde categorieën vertegenwoordigde expertisegebieden moeten minstens de volgende thema's omvatten: de bestrijding van mensenhandel, de steun aan mensen in de prostitutie, de gelijkheid tussen vrouwen en mannen, de verdediging van de economische en sociale rechten van de werknemers en de toegang tot gezondheid.
Art. 272. L'évaluation multidisciplinaire
  § 1er. La Chambre des représentants est chargée d'évaluer l'application des dispositions de la présente section tous les quatre ans.
  L'évaluation est multidisciplinaire et s'appuie notamment sur l'expertise de représentants des acteurs de la justice et de la police, de représentants d'organismes publics spécialisés, de représentants d'organisations de la société civile et d'experts académiques. Les domaines d'expertise représentés par les trois dernières catégories doivent inclure au moins la lutte contre la traite des êtres humains, le soutien aux personnes prostituées, l'égalité entre les femmes et les hommes, la défense des droits économiques et sociaux des travailleurs et l'accès à la santé.
Afdeling 4. Verkoop van kinderen
Section 4. La vente d'enfants
Art. 273. Verkoop van kinderen
  Verkoop van kinderen is het opzettelijk voorstellen, beloven, afleveren of aanvaarden van een minderjarige, ongeacht op welke wijze, tegen een profijt of een vergelijkbaar voordeel voor zichzelf of een ander.
  De vergoeding van kosten en uitgaven, met inbegrip van redelijke honoraria van de bij de adoptie betrokken personen, bedoeld in artikel 32 van het op 29 mei 1993 te `s-Gravenhage gesloten Verdrag inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van de interlandelijke adoptie, vormt geen profijt of vergelijkbaar voordeel in de zin van het eerste lid.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
  De geldboete als bijkomende straf, bedoeld in artikel 52 kan zo veel keer worden toegepast als er slachtoffers zijn.
Art. 273. La vente d'enfants
  La vente d'enfants consiste à, délibérément, proposer, promettre, remettre ou accepter, un mineur d'âge, quel que soit le moyen utilisé, contre un profit ou un avantage comparable pour soi-même ou pour autrui.
  Ne constituent pas un profit ou un avantage comparable au sens de l'alinéa 1er, l'indemnisation des frais et dépenses, y compris les honoraires raisonnables des personnes qui sont intervenues dans l'adoption, visés par l'article 32 de la Convention sur la protection des enfants et la coopération en matière d'adoption internationale conclue à La Haye le 29 mai 1993.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
  L'amende à titre de peine accessoire visée à l'article 52 peut être appliquée autant de fois qu'il y a de victimes.
Art. 274. Verzwaarde verkoop van kinderen
  § 1. De verkoop van kinderen wordt bestraft met een straf van niveau 4 wanneer deze als doel heeft:
  1° de uitbuiting van prostitutie of andere vormen van seksuele uitbuiting;
  2° de uitbuiting van bedelarij;
  3° het verrichten van werk of het verlenen van diensten, in omstandigheden die in strijd zijn met de menselijke waardigheid;
  4° de uitbuiting door het wegnemen van organen of van menselijk lichaamsmateriaal;
  5° deze persoon tegen zijn wil een misdrijf te doen plegen.
  § 2. De verkoop van kinderen wordt bestraft met een straf van niveau 5 indien:
  1° het misdrijf de dood van het slachtoffer heeft veroorzaakt zonder dat het misdrijf werd gepleegd met het oogmerk te doden;
  2° het een daad van deelneming aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een criminele organisatie betreft, ongeacht of de schuldige de hoedanigheid van leidend persoon heeft of niet.
  § 3. In de gevallen bedoeld in paragrafen 1 en 2 kan de geldboete als bijkomende straf, bedoeld in artikel 52 zo veel keer worden toegepast als er slachtoffers zijn.
Art. 274. La vente d'enfants aggravée
  § 1er. La vente d'enfants est punie d'une peine de niveau 4 lorsqu'elle est pratiquée aux fins:
  1° d'exploitation de la prostitution ou d'autres formes d'exploitation sexuelle;
  2° d'exploitation de la mendicité;
  3° de travail ou de services, dans des conditions contraires à la dignité humaine;
  4° d'exploitation par le prélèvement d'organes ou de matériel corporel;
  5° de faire commettre par cette personne une infraction, contre son gré.
  § 2. La vente d'enfants est punie d'une peine de niveau 5:
  1° lorsque l'infraction a causé la mort de la victime sans intention de la donner;
  2° lorsqu'elle constitue un acte de participation à l'activité principale ou accessoire d'une organisation criminelle, et ce, que le coupable ait ou non la qualité de dirigeant.
  § 3. Dans les cas visés aux paragraphes 1er et 2, l'amende à titre de peine accessoire visée à l'article 52 peut être appliquée autant de fois qu'il y a de victimes.
Art. 275. Verzwarende factoren inzake verkoop van kinderen
  Bij de keuze van de straf of maatregel en de zwaarte ervan voor een misdrijf bedoeld in deze afdeling, neemt de rechter in overweging dat het misdrijf gepleegd werd:
  1° door een persoon die gezag heeft over het slachtoffer of door een persoon die misbruik heeft gemaakt van het gezag of de mogelijkheden die zijn functies hem verschaffen;
  2° door een persoon met een openbare functie, in het kader van de uitoefening van deze functie.
Art. 275. Les facteurs aggravants de la vente d'enfants
  Lors du choix de la peine ou de la mesure et de la sévérité de celle-ci, pour une infraction visée dans la présente section, le juge prend en considération le fait que l'infraction a été commise:
  1° par une personne qui a autorité sur la victime, ou par une personne qui a abusé de l'autorité ou des facilités que lui confèrent ses fonctions;
  2° par une personne exerçant une fonction publique dans le cadre de l'exercice de cette fonction.
Afdeling 5. Handel in menselijke organen
Section 5. Le trafic d'organes humains
Art. 276. Illegaal wegnemen van een menselijk orgaan
  Illegaal wegnemen van een menselijk orgaan is het opzettelijk wegnemen van een orgaan bij een persoon in de volgende gevallen:
  1° wanneer het wegnemen bij een levende gebeurt zonder zijn vrije, geïnformeerde en specifieke toestemming, of wanneer het wegnemen bij een overledene gebeurt in strijd met de in de wet bepaalde voorwaarden inzake toestemming of verzet;
  2° wanneer, in ruil voor het wegnemen van het orgaan, die persoon of een derde, rechtstreeks of onrechtstreeks, een profijt of een vergelijkbaar voordeel werd voorgesteld, aangeboden, beloofd of hij dit heeft verkregen, voor zichzelf of een ander, zelfs indien de persoon heeft toegestemd in het wegnemen;
  3° wanneer het wegnemen gebeurt door een persoon die daartoe niet is gemachtigd door de wet, of buiten een door de wet gemachtigde verzorgingsinrichting.
  Vormen geen "profijt of vergelijkbaar voordeel" in de zin van het eerste lid, 2° :
  1° de vergoeding van de rechtstreekse en onrechtstreekse kosten, bedoeld in artikel 4, § 2, van de wet van 13 juni 1986 betreffende het wegnemen en transplanteren van organen, en in artikel 6, § 2, van de wet van 19 december 2008 inzake het verkrijgen en het gebruik van menselijk lichaamsmateriaal met het oog op de geneeskundige toepassing op de mens of het wetenschappelijk onderzoek;
  2° de vergoeding van de inkomstenderving die met de orgaandonatie verband houdt.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 4.
Art. 276. Le prélèvement illégal d'un organe humain
  Le prélèvement illégal d'un organe humain consiste à prélever, délibérément, un organe sur une personne dans les cas suivants:
  1° lorsque le prélèvement est réalisé sur une personne vivante sans son consentement libre, éclairé et spécifique, ou lorsque le prélèvement est réalisé sur une personne décédée en violation des conditions de consentement ou d'opposition prévues par la loi;
  2° lorsqu'en échange du prélèvement de l'organe, cette personne ou un tiers s'est vu proposer, offrir, promettre ou a obtenu, directement ou indirectement, un profit ou un avantage comparable pour soi-même ou pour autrui et ce, même si la personne a consenti au prélèvement;
  3° lorsque le prélèvement est réalisé par une personne qui n'y est pas autorisée par la loi, ou en dehors d'un établissement de soins autorisé par la loi.
  Ne constituent pas "un profit ou un avantage comparable" au sens de l'alinéa 1er, 2° :
  1° l'indemnisation des dépenses directes et indirectes, prévue par l'article 4, § 2, de la loi du 13 juin 1986 sur le prélèvement et la transplantation d'organes, et par l'article 6, § 2, de la loi du 19 décembre 2008 relative à l'obtention et à l'utilisation de matériel corporel humain destiné à des applications médicales humaines ou à des fins de recherche scientifique;
  2° l'indemnisation de la perte de revenus liée au don d'organe.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 4.
Art. 277. Illegaal transplanteren of gebruiken van een menselijk orgaan
  Illegaal transplanteren van een menselijk orgaan is:
  1° het opzettelijk transplanteren bij een persoon van een menselijk orgaan dat is weggenomen in strijd met artikel 276 of dat is weggenomen in een andere Staat onder de in voornoemd artikel bedoelde voorwaarden;
  2° het, transplanteren bij een persoon van een menselijk orgaan zonder daartoe te zijn gemachtigd door de wet of buiten een door de wet gemachtigde verzorgingsinrichting.
  Het illegaal gebruik van een menselijk orgaan is het opzettelijk gebruiken van een onder een van de drie omstandigheden omschreven in artikel 276 of in een andere Staat onder een van diezelfde omstandigheden illegaal weggenomen menselijk orgaan voor andere doeleinden dan transplantatie.
  Deze misdrijven worden bestraft met een straf van niveau 4.
Art. 277. La transplantation ou l'utilisation illégales d'un organe humain
  La transplantation illégale d'un organe humain consiste:
  1° à transplanter délibérément sur une personne un organe humain prélevé en violation de l'article 276 ou prélevé dans un autre Etat dans les conditions visées à l'article précité;
  2° à transplanter sur une personne un organe humain sans y être autorisé par la loi ou en dehors d'un établissement de soins autorisé par la loi.
  L'utilisation illégale d'un organe humain consiste à, délibérément utiliser à d'autres fins que la transplantation un organe humain prélevé illégalement dans l'une des trois circonstances définies à l'article 276 ou prélevé dans un autre Etat dans une de ces mêmes circonstances.
  Ces infractions sont punies d'une peine de niveau 4.
Art. 278. Illegaal beheren van menselijke organen
  Illegaal beheren van menselijke organen is het opzettelijk:
  1° voorbereiden, bewaren, opslaan, vervoeren, overbrengen, ontvangen of exporteren van een orgaan dat is weggenomen in strijd met artikel 276 of dat is weggenomen in een andere Staat onder de in voornoemd artikel bedoelde voorwaarden;
  2° invoeren of laten doorvoeren van een orgaan dat illegaal is weggenomen in een andere Staat onder de omstandigheden omschreven in artikel 276.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 4.
Art. 278. La gestion illégale d'organes humains
  La gestion illégale d'organes humains consiste à délibérément:
  1° préparer, préserver, stocker, transporter, transférer, réceptionner ou exporter un organe prélevé en violation de l'article 276 ou qui est prélevé dans un autre Etat dans les conditions visées à l'article précité;
  2° importer ou faire transiter un organe prélevé dans un autre Etat dans les conditions visées à l'article 276.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 4.
Art. 279. Ongeoorloofd ronselen van een donor of ontvanger van menselijke organen
  Ongeoorloofd ronselen van een donor of ontvanger van menselijke organen is het vragen of werven van een kandidaat-orgaandonor of -ontvanger met het oogmerk, rechtstreeks of onrechtstreeks, een profijt of een vergelijkbaar voordeel voor zichzelf of voor een derde te verkrijgen.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 4.
Art. 279. Le démarchage illicite de donneurs ou de receveurs d'organes humains
  Le démarchage illicite de donneurs ou de receveurs d'organes humains consiste à solliciter ou à recruter un candidat donneur d'organes ou receveur, en vue d'obtenir, directement ou indirectement, un profit ou un avantage comparable pour soi-même ou pour un tiers.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 4.
Art. 280. Verzwaard illegaal wegnemen, transplanteren, gebruiken of beheren en ongeoorloofd ronselen van een donor of ontvanger van menselijke organen
  § 1. Het illegaal wegnemen, illegaal transplanteren of gebruiken, illegaal beheren en het ongeoorloofd ronselen van een donor of ontvanger van menselijke organen wordt bestraft met een straf van niveau 5 wanneer:
  1° het misdrijf is gepleegd op een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand;
  2° het misdrijf is gepleegd door een persoon die misbruik heeft gemaakt van het gezag of de faciliteiten die zijn functies hem verlenen;
  3° het leven van het slachtoffer opzettelijk of door grove nalatigheid in gevaar is gebracht;
  4° het misdrijf de lichamelijke of geestelijke gezondheid van het slachtoffer ernstig heeft aangetast;
  5° van de betrokken activiteit een gewoonte wordt gemaakt;
  6° het een daad van deelneming aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging betreft, ongeacht of de schuldige de hoedanigheid van leidend persoon heeft of niet;
  7° de dader reeds werd veroordeeld voor een in deze afdeling bedoeld misdrijf, onder voorbehoud van de toepassing van artikel 60;
  8° het misdrijf werd gepleegd vanuit een discriminerende drijfveer.
  § 2. Deze misdrijven worden bestraft met een straf van niveau 6 wanneer:
  1° het misdrijf de dood van het slachtoffer heeft veroorzaakt zonder dat het misdrijf werd gepleegd met het oogmerk te doden;
  2° het een daad van deelneming aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een criminele organisatie betreft, ongeacht of de schuldige de hoedanigheid van leidend persoon heeft of niet.
Art. 280. L'infraction aggravée de prélèvement illégal, de transplantation illégale, d'utilisation illégale, de gestion illégale et de démarchage illicite de donneur ou de receveur d'organes humains
  § 1er. Le prélèvement illégal, la transplantation illégale, l'utilisation illégale, la gestion illégale et le démarchage illicite de donneur ou de receveur d'organes humains sont punis d'une peine de niveau 5:
  1° lorsque l'infraction a été commise sur un mineur ou une personne en situation de vulnérabilité;
  2° lorsqu'elle a été commise par une personne qui a abusé de l'autorité ou des facilités que lui confèrent ses fonctions;
  3° lorsque la vie de la victime a été mise en danger délibérément ou par négligence grave;
  4° lorsque l'infraction a porté gravement atteinte à la santé physique ou mentale de la victime;
  5° lorsque l'activité concernée constitue une activité habituelle;
  6° lorsqu'elle constitue un acte de participation à l'activité principale ou accessoire d'une association, et ce, que le coupable ait ou non la qualité de dirigeant;
  7° lorsque l'auteur a déjà été condamné pour une infraction prévue dans la présente section, sous réserve de l'application de l'article 60;
  8° Lorsque l'infraction a été commise avec un mobile discriminatoire.
  § 2. Ces infractions sont punies d'une peine de niveau 6:
  1° lorsque l'infraction a causé la mort de la victime sans intention de la donner;
  2° lorsqu'elle constitue un acte de participation à l'activité principale ou accessoire d'une organisation criminelle, et ce, que le coupable ait ou non la qualité de dirigeant.
Art. 281. Faciliteren of verspreiden van illegale praktijken van handel in menselijke organen
  Het faciliteren of verspreiden van illegale praktijken van handel in menselijke organen is het, op enerlei wijze:
  1° opzettelijk faciliteren of bevorderen van de praktijken bedoeld in de artikelen 276 tot 278, of aanzetten tot dergelijke praktijken;
  2° opzettelijk, direct of indirect reclame maken, uitgeven, verdelen of verspreiden voor die praktijken;
  3° de behoefte aan of de beschikbaarheid van organen rechtstreeks of onrechtstreeks onder de aandacht brengen met het oogmerk, rechtstreeks of onrechtstreeks, een profijt of een vergelijkbaar voordeel voor zichzelf of voor een derde aan te bieden of te behalen.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 281. La facilitation ou la diffusion de pratiques illégales de trafic d'organes humains
  La facilitation ou la diffusion de pratiques illégales de trafic d'organes humains consiste à, quel qu'en soit le moyen:
  1° délibérément, faciliter, favoriser les pratiques visées aux articles 276 à 278, ou inciter à de telles pratiques;
  2° délibérément, publier, distribuer ou diffuser de la publicité, de façon directe ou indirecte, en faveur de ces pratiques;
  3° rendre public, de façon directe ou indirecte, le besoin ou la disponibilité d'organes dans le but d'offrir ou de rechercher, directement ou indirectement, un profit ou un avantage comparable pour soi-même ou pour un tiers.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
Art. 282. Aanvaarden van een illegale transplantatie van een menselijk orgaan
  Aanvaarden van een illegale transplantatie van een menselijk orgaan is het opzettelijk voor zichzelf aanvaarden van de transplantatie van een menselijk orgaan dat is weggenomen in strijd met artikel 276 of weggenomen in een andere Staat in de omstandigheden uit voormeld artikel.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
  Poging tot het in dit artikel bedoelde misdrijf is niet strafbaar.
Art. 282. L'acceptation d'une transplantation illégale d'un organe humain
  L'acceptation d'une transplantation illégale d'un organe humain consiste à, délibérément, accepter pour soi-même, la transplantation d'un organe humain prélevé en violation de l'article 276 ou prélevé dans un autre Etat dans les conditions visées à l'article précité.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
  La tentative de commettre l'infraction visée au présent article n'est pas punissable.
Art. 283. Aanbieden of aanvaarden van een voordeel in het kader van de handel in menselijke organen
  Aanbieden of aanvaarden van een voordeel in het kader van de handel in menselijke organen is het opzettelijk:
  1° rechtstreeks of via tussenpersonen beloven, aanbieden of overhandigen aan een persoon van een voordeel van welke aard dan ook, voor zichzelf of voor een derde, opdat hij een orgaan wegneemt, transplanteert of gebruikt in strijd met de artikelen 276 tot 278, of het faciliteren van een dergelijke handeling;
  2° rechtstreeks of via tussenpersonen vragen, aanvaarden of ontvangen van een voordeel van welke aard dan ook, voor zichzelf of voor een derde, teneinde een orgaan weg te nemen, te transplanteren of te gebruiken in strijd met de artikelen 276 tot 278, of het faciliteren van een dergelijke handeling.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
  Poging tot het in dit artikel bedoelde misdrijf is niet strafbaar.
Art. 283. L'offre ou l'acceptation d'un avantage dans le cadre du trafic d'organes humains
  L'offre ou l'acceptation d'un avantage dans le cadre du trafic d'organes humains consiste à, délibérément:
  1° promettre, offrir, donner, directement ou par interposition de personnes, à une personne un avantage de toute nature, pour lui-même ou pour un tiers, afin qu'elle prélève, transplante ou utilise un organe en violation des articles 276 à 278, ou qu'elle facilite la commission d'un tel acte;
  2° solliciter, accepter ou recevoir, directement ou par interposition de personnes, un avantage de toute nature, pour elle-même ou pour un tiers, afin de prélever, de transplanter ou d'utiliser un organe en violation des articles 276 à 278, ou de faciliter la commission d'un tel acte.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
  La tentative de commettre l'infraction visée au présent article n'est pas punissable.
Art. 284. Verzwaard faciliteren of verspreiden van illegale praktijken en aanbieden of aanvaarden van een onterecht voordeel in het kader van de handel in menselijke organen
  § 1. Het faciliteren of verspreiden van illegale praktijken en het aanbieden of aanvaarden van een onterecht voordeel in het kader van de handel in menselijke organen worden bestraft met een straf van niveau 4 wanneer:
  1° het misdrijf is gepleegd op een minderjarige of persoon in een kwetsbare toestand;
  2° het misdrijf is gepleegd door een persoon die misbruik heeft gemaakt van het gezag of de faciliteiten die zijn functies hem verlenen;
  3° het leven van het slachtoffer opzettelijk of door grove nalatigheid in gevaar is gebracht;
  4° het misdrijf de lichamelijke of geestelijke gezondheid van het slachtoffer ernstig heeft aangetast;
  5° van de betrokken activiteit een gewoonte wordt gemaakt;
  6° het een daad van deelneming aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging betreft, ongeacht of de schuldige de hoedanigheid van leidend persoon heeft of niet;
  7° de dader reeds werd veroordeeld voor een in deze afdeling bedoeld misdrijf, onder voorbehoud van de toepassing van artikel 60;
  8° het misdrijf werd gepleegd vanuit een discriminerende drijfveer.
  § 2. Deze misdrijven worden bestraft met een straf van niveau 5 wanneer:
  1° het misdrijf de dood van het slachtoffer heeft veroorzaakt zonder dat het misdrijf werd gepleegd met het oogmerk te doden;
  2° het een daad van deelneming aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een criminele organisatie betreft, ongeacht of de schuldige de hoedanigheid van leidend persoon heeft of niet.
Art. 284. L'infraction aggravée de facilitation ou de diffusion de pratiques illégales et d'offre ou d'acceptation d'un avantage dans le cadre du trafic d'organes humains
  § 1er. La facilitation ou la diffusion de pratiques illégales et l'offre ou l'acceptation d'un avantage dans le cadre du trafic d'organes humains sont punis d'une peine de niveau 4:
  1° lorsque l'infraction a été commise sur un mineur ou une personne en situation de vulnérabilité;
  2° lorsqu'elle a été commise par une personne qui a abusé de l'autorité ou des facilités que lui confèrent ses fonctions;
  3° lorsque la vie de la victime a été mise en danger délibérément ou par négligence grave;
  4° lorsque l'infraction a porté gravement atteinte à la santé physique ou mentale de la victime;
  5° lorsque l'activité concernée constitue une activité habituelle;
  6° lorsqu'elle constitue un acte de participation à l'activité principale ou accessoire d'une association, et ce, que le coupable ait ou non la qualité de dirigeant;
  7° lorsque l'auteur a déjà été condamné pour une infraction prévue dans la présente section, sous réserve de l'application de l'article 60;
  8° lorsque l'infraction a été commise avec un mobile discriminatoire.
  § 2. Ces infractions sont punies d'une peine de niveau 5:
  1° lorsque l'infraction a causé la mort de la victime sans que l'infraction ait été commise dans l'intention de la donner;
  2° lorsqu'elle constitue un acte de participation à l'activité principale ou accessoire d'une organisation criminelle, et ce, que le coupable ait ou non la qualité de dirigeant.
Art. 285. Vermoeden omtrent de wettige oorsprong van de menselijke organen die weggenomen zijn binnen de Europese Unie
  Voor de toepassing van de bepalingen van deze afdeling worden de organen die zijn weggenomen in België of in een andere lidstaat van de Europese Unie vermoed, tot bewijs van het tegendeel, niet illegaal te zijn weggenomen onder een van de drie omstandigheden bedoeld in artikel 276 of te zijn weggenomen in een andere Staat onder een van diezelfde omstandigheden indien zij werden toegewezen door een openbare of private non-profitorganisatie die zich bezighoudt met nationale en grensoverschrijdende orgaanuitwisselingen.
Art. 285. La présomption quant à l'origine licite des organes humains prélevés au sein de l'Union européenne
  Pour l'application des dispositions de la présente section, les organes humains prélevés en Belgique ou dans un autre Etat membre de l'Union européenne sont présumés, jusqu'à preuve du contraire, ne pas avoir été prélevés illégalement dans l'une des trois circonstances définies à l'article 276 ou prélevé dans un autre Etat dans une de ces mêmes circonstances, s'ils ont été alloués par une organisation à but non lucratif, publique ou privée, se consacrant aux échanges nationaux et transfrontaliers d'organes.
Art. 286. Verbeurdverklaring van het instrument van het misdrijf
  In afwijking van artikel 53, § 2, 2°, worden de zaken die gediend hebben of bestemd waren tot het plegen van een van de in deze afdeling bedoelde misdrijven verbeurd verklaard, ook al zijn zij geen eigendom van de veroordeelde, onverminderd de rechten die derden kunnen laten gelden op die zaken.
  De verbeurdverklaring wordt eveneens toegepast, onder dezelfde voorwaarden, op de onroerende goederen of gedeelten ervan die gediend hebben of bestemd waren tot het plegen van het misdrijf.
  Indien deze roerende of onroerende goederen worden vervreemd tussen het plegen van het misdrijf en de definitieve rechterlijke beslissing, kan de rechter hun geldwaarde bepalen en de verbeurdverklaring uitspreken van een geldsom die hiermee overeenstemt overeenkomstig artikel 53, § 2, tweede lid.
Art. 286. La confiscation de l'instrument de l'infraction
  Par dérogation à l'article 53, § 2, 2°, les choses qui ont servi ou qui ont été destinées à commettre une des infractions visées dans la présente section sont confisquées, même si la propriété n'en appartient pas au condamné, sans préjudice des droits que les tiers peuvent faire valoir sur ces choses.
  La confiscation est également appliquée, dans les mêmes circonstances, aux immeubles ou parties d'immeuble qui ont servi ou qui ont été destinés à commettre l'infraction.
  Si ces meubles ou immeubles ont été aliénés entre la commission de l'infraction et la décision judiciaire définitive, le juge peut procéder à leur évaluation monétaire et prononcer la confiscation qui porte sur une somme d'argent qui leur est équivalente conformément à l'article 53, § 2, alinéa 2.
Art. 287. Specifiek verbod in geval van veroordeling voor handel in menselijke organen
  De rechter kan de personen die veroordeeld zijn voor feiten bedoeld in deze afdeling, voor een termijn van een jaar tot twintig jaar, verbieden een beroepsactiviteit of sociale activiteit uit te oefenen die verband houdt met het plegen van een van de in deze afdeling strafbaar gestelde feiten.
  Artikel 48, derde en vierde lid, is van toepassing op dit verbod.
Art. 287. L'interdiction spécifique en cas de condamnation du chef de trafic d'organes humains
  Le juge peut interdire aux personnes condamnées pour des faits visés à la présente section, pour un terme d'un an à vingt ans, d'exercer une activité professionnelle ou sociale liée à la commission de l'une des infractions établies à la présente section.
  L'article 48, alinéas 3 et 4, est applicable à cette interdiction.
Afdeling 6. Uitbuiting van bedelarij
Section 6. L'exploitation de la mendicité
Art. 288. Uitbuiting van bedelarij
  Uitbuiting van bedelarij is het:
  1° aanwerven, meenemen, wegbrengen of bij zich houden van een persoon met als doel hem over te leveren aan bedelarij;
  2° opzettelijk aanzetten van een persoon tot bedelen of tot doorgaan met bedelen;
  3° ter beschikking stellen van een persoon aan een bedelaar opdat deze laatste zich van hem zou bedienen om het publieke medelijden op te wekken;
  4° opzettelijk uitbuiten op welke manier ook, van de bedelarij van een ander persoon.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
  De geldboete als bijkomende straf bedoeld in artikel 52 kan zo veel keer worden toegepast als er slachtoffers zijn.
Art. 288. L'exploitation de la mendicité
  L'exploitation de la mendicité consiste à:
  1° embaucher, entraîner, détourner ou retenir une personne en vue de la livre r à la mendicité;
  2° inciter, délibérément, une personne à mendier ou à continuer de le faire;
  3° mettre une personne à disposition d'un mendiant afin qu'il s'en serve pour susciter la commisération publique;
  4° exploiter délibérément, de quelque manière que ce soit, la mendicité d'autrui.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
  L'amende à titre de peine accessoire visée à l'article 52 peut être appliquée autant de fois qu'il y a de victimes.
Art. 289. Verzwaarde uitbuiting van bedelarij
  Uitbuiting van bedelarij wordt bestraft met een straf van niveau 3 ingeval zij wordt gepleegd:
  1° ten aanzien van een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand;
  2° door misbruik te maken van de kwetsbare toestand waarin een persoon verkeert ten gevolge van zijn onwettige of precaire administratieve toestand, zijn precaire sociale toestand, zijn leeftijd, zwangerschap, een ziekte dan wel een lichamelijk of een geestelijk gebrek, zodat de persoon in feite geen echte en aanvaardbare andere keuze heeft dan zich te laten misbruiken;
  3° door direct of indirect gebruik te maken van listige kunstgrepen, geweld, bedreigingen of enige vorm van dwang, of door ontvoering, machtsmisbruik of bedrog.
  De geldboete als bijkomende straf bedoeld in artikel 52 kan zo veel keer worden toegepast als er slachtoffers zijn.
Art. 289. L'exploitation de la mendicité aggravée
  L'exploitation de la mendicité est punie d'une peine de niveau 3 lorsqu'elle est commise:
  1° à l'égard d'un mineur ou d'une personne en situation de vulnérabilité;
  2° en abusant de la situation de vulnérabilité dans laquelle se trouve une personne en raison de sa situation administrative illégale ou précaire, de sa situation sociale précaire, de son âge, d'un état de grossesse, d'une maladie, d'une infirmité physique ou mentale, de manière telle que la personne n'a en fait pas d'autre choix véritable et acceptable que de se soumettre à cet abus;
  3° en faisant usage, de façon directe ou indirecte, de manoeuvres frauduleuses, de violence, de menaces ou d'une forme quelconque de contrainte, ou en recourant à l'enlèvement, à l'abus de l'autorité ou à la tromperie.
  L'amende à titre de peine accessoire visée à l'article 52 peut être appliquée autant de fois qu'il y a de victimes.
Afdeling 7. Wanpraktijken van huisjesmelkers
Section 7. Les pratiques abusives des marchands de sommeil
Art. 290. Huisjesmelkerij
  Huisjesmelkerij is het direct of via een tussenpersoon, misbruiken van de kwetsbare toestand waarin een persoon zich bevindt ten gevolge van zijn onwettige of precaire administratieve toestand, zijn precaire sociale toestand, zijn leeftijd, zwangerschap, een ziekte dan wel een lichamelijk of een geestelijk gebrek, door de verkoop, verhuur of terbeschikkingstelling van een roerend goed, een deel ervan, een onroerend goed of elke andere locatie die tot woning dient, in omstandigheden die in strijd zijn met de menselijke waardigheid, met de bedoeling een abnormaal profijt te realiseren.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
  De geldboete als bijkomende straf bedoeld in artikel 52 kan zo veel keer worden toegepast als er slachtoffers zijn.
Art. 290. L'exploitation abusive d'autrui par un marchand de sommeil
  L'exploitation abusive d'autrui par un marchand de sommeil consiste à abuser soit directement, soit par un intermédiaire, de la situation de vulnérabilité dans laquelle se trouve une personne en raison de sa situation administrative illégale ou précaire, de sa situation sociale précaire, de son âge, d'un état de grossesse, d'une maladie, d'une infirmité physique ou mentale, en vendant, louant ou mettant à disposition, dans l'intention de réaliser un profit anormal, un bien meuble, une partie de celui-ci, un bien immeuble ou tout autre lieu servant d'habitation dans des conditions incompatibles avec la dignité humaine.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
  L'amende à titre de peine accessoire visée à l'article 52 peut être appliquée autant de fois qu'il y a de victimes.
Art. 291. Verzwaarde huisjesmelkerij
  Huisjesmelkerij wordt bestraft met een straf van niveau 3 wanneer:
  1° van de betrokken activiteit een gewoonte wordt gemaakt;
  2° het een daad van deelneming aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging betreft, ongeacht of de schuldige de hoedanigheid van leidend persoon heeft of niet.
  De geldboete als bijkomende straf bedoeld in artikel 52 kan zo veel keer worden toegepast als er slachtoffers zijn.
Art. 291. L'exploitation abusive d'autrui par un marchand de sommeil aggravée
  L'exploitation abusive d'autrui par un marchand de sommeil est punie d'une peine de niveau 3:
  1° lorsque l'activité concernée constitue une activité habituelle;
  2° lorsqu'elle constitue un acte de participation à l'activité principale ou accessoire d'une association, et ce, que le coupable ait ou non la qualité de dirigeant.
  L'amende à titre de peine accessoire visée à l'article 52 peut être appliquée autant de fois qu'il y a de victimes.
Art. 292. Verbeurdverklaring van het instrument van het misdrijf
  In afwijking van artikel 53, § 2, 2°, worden de zaken die gediend hebben of bestemd waren tot het plegen van een van de in deze afdeling bedoelde misdrijven verbeurd verklaard, ook al zijn zij geen eigendom van de veroordeelde, onverminderd de rechten die derden kunnen laten gelden op die zaken.
  De verbeurdverklaring wordt eveneens toegepast, onder dezelfde voorwaarden, op de onroerende goederen of gedeelten ervan die gediend hebben of bestemd waren tot het plegen van het misdrijf.
  Indien deze roerende of onroerende goederen worden vervreemd tussen het plegen van het misdrijf en de definitieve rechterlijke beslissing, kan de rechter hun geldwaarde bepalen en de verbeurdverklaring uitspreken van een geldsom die hiermee overeenstemt overeenkomstig artikel 53, § 2, tweede lid.
Art. 292. La confiscation de l'instrument de l'infraction
  Par dérogation à l'article 53, § 2, 2°, les choses qui ont servi ou qui ont été destinées à commettre une des infractions visées dans la présente section sont confisquées, même si la propriété n'en appartient pas au condamné, sans préjudice des droits que les tiers peuvent faire valoir sur ces choses.
  La confiscation est également appliquée, dans les mêmes circonstances, aux immeubles ou parties d'immeuble qui ont servi ou qui ont été destinés à commettre l'infraction.
  Si ces meubles ou immeubles ont été aliénés entre la commission de l'infraction et la décision judiciaire définitive, le juge peut procéder à leur évaluation monétaire et prononcer la confiscation qui porte sur une somme d'argent qui leur est équivalente conformément à l'article 53, § 2, alinéa 2.
Afdeling 8. Gedwongen huwelijk en gedwongen wettelijke samenwoning
Section 8. Le mariage forcé et la cohabitation légale forcée
Art. 293. Gedwongen huwelijk
  Gedwongen huwelijk is iemand opzettelijk, door geweld of bedreiging, dwingen een huwelijk aan te gaan.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 293. Le mariage forcé
  Le mariage forcé consiste à, délibérément, contraindre une personne par des violences ou des menaces à contracter un mariage.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
Art. 294. Gedwongen wettelijke samenwoning
  Gedwongen wettelijke samenwoning is iemand opzettelijk, door geweld of bedreiging, dwingen een wettelijke samenwoning aan te gaan.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 294. La cohabitation légale forcée
  La cohabitation légale forcée consiste à, délibérément, contraindre une personne par des violences ou des menaces à contracter une cohabitation légale.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
Art. 295. Verzwarende factor
  Bij de keuze van de straf of de maatregel en de zwaarte ervan voor een misdrijf bedoeld in de artikelen 293 en 294 neemt de rechter in overweging dat het misdrijf werd gepleegd op een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand of in het bijzijn van een minderjarige.
Art. 295. Le facteur aggravant
  Lors du choix de la peine ou de la mesure et de la sévérité de celle-ci, pour une infraction visée aux articles 293 et 294, le juge prend en considération le fait que l'infraction a été commise sur un mineur ou une personne en situation de vulnérabilité ou en présence d'un mineur.
Art. 296. Nietigverklaring van het huwelijk of de wettelijke samenwoning
  § 1. De rechter die het misdrijf van gedwongen huwelijk of van gedwongen wettelijke samenwoning bewezen verklaart, kan ook de nietigheid van het huwelijk of van de wettelijke samenwoning uitspreken op vordering van de procureur des Konings of van enige in het geding belanghebbende partij.
  § 2. De nietigverklaring kan enkel worden uitgesproken indien de echtgenoten of de wettelijk samenwonenden in het geding partij zijn geweest of daarin zijn geroepen.
  § 3. Elk exploot van betekening van een vonnis of arrest dat een huwelijk of een wettelijke samenwoning nietig verklaart, wordt door de optredende gerechtsdeurwaarder onmiddellijk in afschrift meegedeeld aan de griffier van het gerecht dat de beslissing heeft uitgesproken.
  § 4. Wanneer de nietigheid van het huwelijk is uitgesproken bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest, stuurt de griffier onmiddellijk de gegevens van het vonnis of arrest naar de DABS, met vermelding van de dag van het in kracht van gewijsde treden.
  Indien de huwelijksakte in België werd opgemaakt of in België werd overgeschreven voor 31 maart 2019, verzoekt de griffier de ambtenaar van de burgerlijke stand die de akte heeft opgemaakt of ingeschreven tot opname van de akte in de DABS. Indien de huwelijksakte in het buitenland werd opgemaakt, verzoekt hij de verzoekende partij om een akte van huwelijk te laten opmaken op basis van de buitenlandse akte naar analogie met afdeling 15 van boek I, titel II, hoofdstuk 2, van het oud Burgerlijk Wetboek door de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand.
  De DABS maakt op basis hiervan een melding op en verbindt deze met de huwelijksakte.
  De nietigverklaring, met vermelding van de datum van het in kracht van gewijsde treden van de rechterlijke beslissing, wordt onmiddellijk via de DABS aan de Dienst Vreemdelingenzaken genotificeerd.
  De griffier brengt de partijen hiervan onmiddellijk in kennis.
  § 5. Wanneer de nietigheid van de wettelijke samenwoning is uitgesproken bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest, stuurt de griffier, onverwijld, een uittreksel bevattende het beschikkende gedeelte en de vermelding van de dag van het in kracht van gewijsde treden van het vonnis of het arrest aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats waar de verklaring van wettelijke samenwoning werd afgelegd en aan de Dienst Vreemdelingenzaken.
  De griffier brengt de partijen hiervan in kennis.
  De ambtenaar van de burgerlijke stand maakt onverwijld melding van de nietigverklaring van de wettelijke samenwoning in het bevolkingsregister.
Art. 296. L'annulation du mariage ou de la cohabitation légale
  § 1er. Le juge qui déclare établie l'infraction de mariage forcé ou de cohabitation forcée, peut également prononcer la nullité du mariage ou de la cohabitation légale, à la demande du procureur du Roi ou de toute partie ayant un intérêt à la cause.
  § 2. L'annulation ne peut être prononcée que si les époux ou les cohabitants légaux ont été parties ou appelés à la cause.
  § 3. Tout exploit de signification d'un jugement ou arrêt portant annulation d'un mariage ou d'une cohabitation légale est immédiatement communiqué en copie par l'huissier de justice instrumentant au greffier de la juridiction qui a prononcé la décision.
  § 4. Lorsque la nullité du mariage a été prononcée par un jugement ou un arrêt passé en force de chose jugée, le greffier transmet immédiatement les données du jugement ou de l'arrêt à la BAEC, avec mention de la date à laquelle la décision a acquis force de chose jugée.
  Si l'acte de mariage a été établi en Belgique ou a été transcrit en Belgique avant le 31 mars 2019, le greffier demande à l'officier de l'état civil qui a établi ou transcrit l'acte d'enregistrer l'acte dans la BAEC. Si l'acte de mariage a été établi à l'étranger, il demande à la partie demanderesse de faire établir un acte de mariage sur la base de l'acte étranger, par analogie avec la section 15 du livre Ier, titre II, chapitre 2, de l'ancien Code civil, par l'officier de l'état civil compétent.
  La BAEC établit une mention sur cette base et l'associe à l'acte de mariage.
  L'annulation, avec l'indication de la date de l'autorité de la chose jugée de la décision de justice, est immédiatement notifiée à l'Office des étrangers par l'intermédiaire de la BAEC.
  Le greffier en informe immédiatement les parties.
  § 5. Lorsque la nullité de la cohabitation légale a été prononcée par un jugement ou un arrêt coulé en force de chose jugée, un extrait reprenant le dispositif du jugement ou de l'arrêt et la mention du jour où celui-ci a acquis force de chose jugée est adressé, sans délai, par le greffier à l'officier de l'état civil du lieu où la déclaration de cohabitation légale a été faite et à l'Office des étrangers.
  Le greffier en avertit les parties.
  L'officier de l'état civil mentionne sans délai l'annulation de la cohabitation légale dans le registre de la population.
Afdeling 9. Gemeenschappelijke bepalingen
Section 9. Les dispositions communes
Art. 297. Sluiting van de inrichting
  In geval van veroordeling wegens een in dit hoofdstuk omschreven misdrijf kan de rechter daarenboven de definitieve gehele of gedeeltelijke sluiting bevelen van de inrichting waarin het misdrijf werd gepleegd.
  In afwijking van artikel 59 kan de sluiting worden bevolen zonder rekening te houden met de hoedanigheid van de natuurlijke persoon of rechtspersoon als uitbater, eigenaar, huurder of zaakvoerder.
  Wanneer de veroordeelde niet de uitbater, eigenaar, huurder of zaakvoerder van de inrichting is, kan de sluiting enkel worden bevolen indien de ernst van de concrete omstandigheden zulks vereist en na de uitbater, eigenaar, huurder of zaakvoerder van de inrichting te hebben gehoord.
Art. 297. La fermeture de l'établissement
  En cas de condamnation du chef d'une infraction visée au présent chapitre, le juge peut ordonner en outre la fermeture définitive complète ou partielle de l'établissement dans laquelle l'infraction a été commise.
  Par dérogation à l'article 59, la fermeture peut être ordonnée sans avoir égard à la qualité de la personne physique ou morale de l'exploitant, propriétaire, locataire ou gérant.
  Lorsque le condamné n'est ni l'exploitant, ni le propriétaire, ni le locataire, ni le gérant de l'établissement, la fermeture ne peut être ordonnée que si la gravité des circonstances concrètes l'exige et après avoir entendu le propriétaire, l'exploitant, le locataire ou le gérant de l'établissement.
Art. 298. Specifieke verboden en ontzettingen
  § 1. Onverminderd andere wettelijke bepalingen, kan de rechter in de in dit hoofdstuk omschreven gevallen de veroordeelde verbieden tijdelijk of levenslang, rechtstreeks of onrechtstreeks een rusthuis, een home, een bejaardenverblijf of elke andere structuur voor gemeenschappelijk verblijf van personen in een kwetsbare toestand uit te baten, of als vrijwilliger, contractueel of statutair personeelslid dan wel als lid van de bestuurs- en beheersorganen deel uit te maken van enige instelling of vereniging waarvan de hoofdactiviteit gericht is op personen in een kwetsbare toestand.
  Onverminderd andere wettelijke bepalingen, kan de rechter in de in dit hoofdstuk omschreven gevallen wegens feiten gepleegd op een minderjarige of met zijn deelneming, de ontzetting uitspreken uit het recht om, voor een termijn van een jaar tot twintig jaar:
  1° in welke hoedanigheid ook deel te nemen aan onderwijs in een openbare of particuliere instelling die minderjarigen opvangt;
  2° als vrijwilliger, als lid van het statutair of contractueel personeel of als lid van de organen van bestuur en beheer, deel uit te maken van elke rechtspersoon of feitelijke vereniging waarvan de activiteit in hoofdzaak op minderjarigen gericht is;
  3° als vrijwilliger, als lid van het statutair of contractueel personeel of als lid van de organen van bestuur en beheer, van elke rechtspersoon of feitelijke vereniging, een activiteit toegewezen te krijgen die de veroordeelde in een vertrouwens- of een gezagsrelatie tegenover minderjarigen plaatst.
  § 2. De verboden en ontzettingen bedoeld in paragraaf 1, gaan in op de dag waarop de veroordeling in kracht van gewijsde is getreden. De termijn wordt evenwel verlengd met de tijd waarin de gevangenisstraf wordt uitgevoerd, met uitzondering van de periode gedurende dewelke de straf wordt uitgevoerd onder de modaliteit van het elektronisch toezicht en periodes van voorwaardelijke of voorlopige invrijheidstelling.
Art. 298. Les interdictions spécifiques et déchéances
  § 1er. Sans préjudice d'autres dispositions légales, le juge peut, dans les cas visés au présent chapitre, interdire au condamné, à terme ou à titre perpétuel, d'exploiter directement ou indirectement une maison de repos, un home, une seigneurie ou toute structure d'hébergement collectif de personnes en situation de vulnérabilité, ou de faire partie, comme membre bénévole, membre du personnel statutaire ou contractuel ou comme membre des organes d'administration et de gestion, de toute institution ou association dont l'activité concerne à titre principal des personnes en situation de vulnérabilité.
  Sans préjudice d'autres dispositions légales, le juge peut, dans les cas visés au présent chapitre, pour des faits commis sur un mineur ou avec sa participation, prononcer pour une période d'un an à vingt ans la déchéance du droit:
  1° de participer, à quelque titre que ce soit, à un enseignement donné dans un établissement public ou privé qui accueille des mineurs;
  2° de faire partie, comme membre bénévole, membre du personnel statutaire ou contractuel ou membre des organes d'administration et de gestion, de toute personne morale ou association de fait dont l'activité concerne à titre principal des mineurs;
  3° d'être affecté à une activité qui place le condamné comme membre bénévole, membre du personnel statutaire ou contractuel ou membre des organes d'administration et de gestion de toute personne morale ou association de fait, en relation de confiance ou d'autorité vis-à-vis de mineurs.
  § 2. Les interdictions et les déchéances visées au paragraphe 1er, prennent cours le jour où la condamnation est passée en force de chose jugée. Le délai est toutefois prolongé de la durée pendant laquelle la peine d'emprisonnement se trouve exécutée à l'exception de la période pendant laquelle la peine est exécutée sous la modalité de la surveillance électronique et des périodes de libération conditionnelle ou provisoire.
Hoofdstuk 8. Misdrijven met betrekking tot het in gevaar brengen van personen
Chapitre 8. Les infractions en rapport avec la mise en danger de personnes
Afdeling 1. Hulpverzuim
Section 1re. L'abstention d'aide
Art. 299. Schuldig verzuim
  Schuldig verzuim is het opzettelijk nalaten hulp te verlenen of te verschaffen aan iemand die in groot gevaar verkeert nadat de verzuimer deze toestand zelf heeft vastgesteld of nadat die toestand aan hem is beschreven door diegenen die zijn hulp inroepen.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 299. L'abstention coupable
  L'abstention coupable consiste à, délibérément, négliger de venir en aide ou de procurer une aide à une personne exposée à un péril grave, après que l'abstenant a constaté par lui-même cette situation ou après que cette situation lui a été décrite par ceux qui sollicitent son intervention.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Art. 300. Niet-naleving van een bevel tot hulpverlening
  De niet-naleving van een bevel tot hulpverlening is het opzettelijk weigeren of nalaten:
  1° hulp te bieden aan iemand die in gevaar verkeert, terwijl men hiertoe wettelijk werd opgevorderd;
  2° het werk of de dienst te doen of de hulp te verlenen waartoe men wordt opgevorderd bij een ongeval, oproer, schipbreuk, overstroming, brand of andere rampen, alsook in geval van overval, vernieling, ontdekking op heterdaad, vervolging door het openbaar geroep of van gerechtelijke tenuitvoerlegging.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 300. Le non-respect d'un ordre de porter secours
  Le non-respect d'un ordre de porter secours consiste à, délibérément, refuser ou négliger:
  1° de porter secours à une personne en péril, alors que l'abstenant a été légalement requis à cet effet;
  2° de faire les travaux, le service, ou de porter le secours dont l'abstenant aura été requis dans les circonstances d'accidents, d'émeutes, de naufrage, d'inondation, d'incendie ou d'autres calamités, ainsi qu'en cas d'attaque, de destruction, de flagrant délit, de clameur publique ou d'exécution judiciaire.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Art. 301. Hulpverzuim met de dood tot gevolg
  Het schuldig verzuim of de niet-naleving van een bevel tot hulpverlening met de dood tot gevolg, zonder dat de dader handelde met het oogmerk te doden, wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 301. L'abstention d'aide ayant entraîné la mort
  L'abstention coupable ou le non-respect d'un ordre de porter secours ayant entraîné la mort, sans intention de la donner, est puni d'une peine de niveau 3.
Art. 302. Rechtvaardigingsgrond
  Er is geen misdrijf wanneer de verzuimer door hulp te verlenen of te verschaffen of door een werk of een dienst te doen zichzelf of anderen in ernstig gevaar zou hebben gebracht.
Art. 302. La cause de justification
  Il n'y a pas d'infraction lorsque l'abstenant se mettrait lui-même ou mettrait autrui gravement en danger en venant en aide ou en procurant une aide ou en effectuant les travaux ou le service.
Art. 303. Strafuitsluitende verschoningsgrond
  Schuldig verzuim wordt niet bestraft indien de verzuimer het gevaar waarin de hulpbehoevende persoon verkeerde niet persoonlijk heeft vastgesteld en hij op grond van de omstandigheden waarin hij werd verzocht te helpen, kon geloven dat dit verzoek niet ernstig was of dat er gevaar aan was verbonden.
Art. 303. La cause d'excuse d'exemption de peine
  L'abstention coupable n'est pas punie si l'abstenant n'a pas constaté personnellement le péril auquel se trouvait exposée la personne à assister et lorsque les circonstances dans lesquelles il a été invité à intervenir pouvaient lui faire croire au manque de sérieux de l'appel ou à l'existence de risques.
Art. 304. Verzwarende factor
  Bij de keuze van de straf of de maatregel en de zwaarte ervan voor een misdrijf omschreven in deze afdeling neemt de rechter in overweging dat het misdrijf werd gepleegd op een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand.
Art. 304. Le facteur aggravant
  Lors du choix de la peine ou de la mesure et de la sévérité de celle-ci, pour une infraction visée dans la présente section, le juge prend en considération le fait que l'infraction a été commise sur un mineur ou une personne en situation de vulnérabilité.
Art. 305. Bijkomende straf
  Onverminderd de toepassing van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek kan de rechter de onwaardigheid om te erven uitspreken voor de misdrijven vermeld in deze afdeling.
Art. 305. La peine accessoire
  Sans préjudice de l'application des dispositions du Code civil, le juge peut prononcer l'indignité successorale pour les infractions visées dans cette section.
Afdeling 2. Misbruik van de zwakke toestand van personen
Section 2. L'abus de la situation de faiblesse de personnes
Art. 306. Misbruik van de zwakke toestand van personen
  Misbruik van de zwakke toestand van personen bestaat erin om, met kennis van de fysieke of psychische zwakheid die het oordeelsvermogen van het slachtoffer ernstig verstoort, bedrieglijk misbruik te maken van deze zwakheid om deze persoon ertoe te brengen een handeling te verrichten of zich van een handeling te onthouden, waarbij dit de fysieke of psychische integriteit dan wel het vermogen van het slachtoffer ernstig aantast.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 306. L'abus de la situation de faiblesse de personnes
  L'abus de la situation de faiblesse de personnes consiste à, en connaissant la situation de faiblesse physique ou psychique qui altère gravement la capacité de discernement de la victime, frauduleusement abuser de cette faiblesse pour conduire cette personne à un acte ou à une abstention portant gravement atteinte à son intégrité physique ou psychique ou à son patrimoine.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Art. 307. Verzwaard misbruik van de zwakke toestand van personen
  Misbruik van de zwakke toestand van personen wordt bestraft met een straf van niveau 3:
  1° indien de handeling of onthouding van een handeling voortvloeit uit een toestand van fysieke of psychische onderwerping door aanwending van zware of herhaalde druk of van specifieke technieken om het oordeelsvermogen te verstoren;
  2° indien het slachtoffer een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand is;
  3° indien het misdrijf een integriteitsaantasting van de derde graad tot gevolg heeft;
  4° indien het misdrijf een daad van deelneming aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging betreft.
Art. 307. L'abus aggravé de la situation de faiblesse de personnes
  L'abus de la situation de faiblesse de personnes est puni d'une peine de niveau 3:
  1° si l'acte ou l'abstention résulte d'une mise en état de sujétion physique ou psychologique par l'exercice de pressions graves ou réitérées ou de techniques propres à altérer la capacité de discernement;
  2° si la victime est un mineur ou une personne en situation de vulnérabilité;
  3° si l'infraction entraîne une atteinte à l'intégrité du troisième degré;
  4° si l'infraction constitue un acte de participation à l'activité principale ou accessoire d'une association.
Art. 308. Misbruik van de zwakke toestand van personen met de dood tot gevolg
  Het misbruik van de zwakke toestand van personen met de dood tot gevolg, zonder dat de dader handelde met het oogmerk te doden, wordt bestraft met een straf van niveau 4.
Art. 308. L'abus de la situation de faiblesse de personnes ayant entraîné la mort
  L'abus de la situation de faiblesse de personnes ayant entraîné la mort, sans intention de la donner, est puni d'une peine de niveau 4.
Art. 309. Bijkomende straf
  De rechter kan voor een misdrijf omschreven in deze afdeling de bekendmaking van de beslissing houdende veroordeling opleggen als bijkomende straf.
Art. 309. La peine accessoire
  Pour une infraction décrite dans la présente section, le juge peut imposer la publication de la décision de condamnation comme peine accessoire.
Afdeling 3. Conversiepraktijken
Section 3. Les pratiques de conversion
Art. 310. Conversiepraktijken
  Onder conversiepraktijk wordt begrepen elke praktijk die bestaat uit een fysieke interventie of het uitoefenen van psychische druk, waarvan door de dader wordt aangenomen of voorgehouden dat die erop gericht is de seksuele oriëntatie, de genderidentiteit of de genderexpressie van een persoon te onderdrukken of te wijzigen, ongeacht of dit kenmerk daadwerkelijk aanwezig is of vermeend is door de dader.
  Worden niet als conversiepraktijken beschouwd: de hulp- en dienstverlening aangeboden in het kader van de geestelijke en fysieke gezondheidszorg in verband met de verkenning en de ontplooiing van de seksuele oriëntatie, de genderidentiteit of de genderexpressie van een persoon.
  Worden evenmin als conversiepraktijk beschouwd: de behandelingen of ingrepen in het kader van een sociale of medische transitie die worden aangeboden door beroepsbeoefenaars in het kader van de gezondheidszorg, overeenkomstig de voorwaarden en binnen het kader van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt.
Art. 310. Les pratiques de conversion
  Par pratique de conversion, on entend toute pratique consistant en une intervention physique ou l'exercice d'une pression psychique, dont l'auteur croit ou prétend qu'elle vise à réprimer ou à modifier l'orientation sexuelle, l'identité de genre ou l'expression de genre d'une personne, que cette caractéristique soit présente de manière effective ou seulement supposée par l'auteur.
  Ne sont pas considérées comme des pratiques de conversion: l'aide et l'assistance offertes dans le cadre des soins de santé mentale et physique en rapport avec l'exploration et le développement de l'orientation sexuelle, de l'identité de genre ou de l'expression de genre d'une personne.
  Ne sont pas non plus considérées comme des pratiques de conversion, les traitements ou interventions dans le cadre d'une transition sociale ou médicale fournis par des professionnels de la santé dans le cadre des soins de santé, conformément aux conditions et dans le cadre de la loi du 22 août 2002 relative aux droits du patient.
Art. 311. Het uitvoeren van conversiepraktijken
  Het opzettelijk uitvoeren van conversiepraktijken wordt gestraft met een straf van niveau 2.
Art. 311. La réalisation des pratiques de conversion
  La réalisation délibérée de pratiques de conversion est punie d'une peine de niveau 2.
Art. 312. Verzwarende factoren
  Bij de keuze van de straf of maatregel en de zwaarte ervan voor een misdrijf bedoeld in artikel 311, neemt de rechter in overweging dat het misdrijf gepleegd werd:
  - door een persoon die zich in een erkende positie van vertrouwen, gezag of invloed ten aanzien van het slachtoffer bevindt;
  - op een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand.
Art. 312. Les facteurs aggravants
  Lors du choix de la peine ou de la mesure et de la sévérité de celle-ci, pour l'infraction visée à l'article 311, le juge prend en considération le fait que l'infraction a été commise:
  - par une personne qui se trouve dans une position reconnue de confiance, d'autorité ou d'influence sur la victime;
  - sur un mineur ou une personne en situation de vulnérabilité.
Art. 313. Het aanbieden van conversiepraktijken
  Het opzettelijk aanbieden van conversiepraktijken, direct of indirect, wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 313. Le fait de proposer des pratiques de conversion
  Le fait de délibérément proposer des pratiques de conversion de façon directe ou indirecte est puni d'une peine de niveau 1.
Art. 314. Het aanzetten om conversiepraktijken te ondergaan, het aanzetten van personen om andere personen conversiepraktijken te doen ondergaan of het maken van reclame voor conversiepraktijken
  Het opzettelijk aanzetten om conversiepraktijken te ondergaan, het opzettelijk aanzetten van personen om andere personen conversiepraktijken te doen ondergaan of het opzettelijk met welk middel ook op enigerlei wijze, direct of indirect, reclame maken, uitgeven, verdelen of verspreiden voor een aanbod van conversiepraktijken, wordt gestraft met een straf van niveau 1.
Art. 314. L'incitation à se soumettre à des pratiques de conversion, l'incitation à soumettre d'autres personnes à des pratiques de conversion, ou le fait de faire de la publicité pour des pratiques de conversion
  L'incitation délibérée à se soumettre à des pratiques de conversion, l'incitation délibérée de personnes à soumettre d'autres personnes à des pratiques de conversion, ou le fait de faire, de publier, de distribuer ou de diffuser, délibérément, de la publicité pour une offre de pratiques de conversion, par quelque moyen que ce soit, quelle qu'en soit la manière, de façon directe ou indirecte est puni d'une peine de niveau 1.
Art. 315. Het verzwaard aanzetten om conversiepraktijken te ondergaan of om andere personen conversiepraktijken te doen ondergaan of het verzwaard maken van reclame voor conversiepraktijken
  Het aanzetten om conversiepraktijken te ondergaan, het aanzetten van personen om andere personen conversiepraktijken te doen ondergaan of het maken van reclame voor conversiepraktijken, in geval dit tot het plegen van het misdrijf bedoeld in artikel 311 heeft geleid, wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 315. L'incitation aggravée à se soumettre à des pratiques de conversion ou à soumettre d'autres personnes à des pratiques de conversion ou le fait de faire de la publicité pour des pratiques de conversion aggravé
  L'incitation à se soumettre à des pratiques de conversion, l'incitation de personnes à soumettre d'autres personnes à des pratiques de conversion, ou le fait de faire de la publicité pour des pratiques de conversion, dans le cas où elle a entraîné la réalisation de l'infraction visée à l'article 311, est puni d'une peine de niveau 2.
Art. 316. Specifiek verbod
  De rechtbanken kunnen de personen die veroordeeld zijn voor feiten bedoeld in deze afdeling, voor een maximale duur van vijf jaar, verbieden een beroepsactiviteit of sociale activiteit uit te oefenen die verband houdt met het plegen van de in deze afdeling strafbaar gestelde feiten.
Art. 316. L'interdiction spécifique
  Les tribunaux pourront interdire aux personnes condamnées pour des faits visés dans la présente section, pour une durée maximale de cinq ans, d'exercer une activité professionnelle ou sociale liée à la commission des infractions punies par cette section.
Afdeling 4. Verkeersbelemmering
Section 4. L'entrave à la circulation
Art. 317. Verkeersbelemmering
  Verkeersbelemmering is elke gedraging die het verkeer op de weg, de spoorweg, de binnenwateren of op zee belemmert, aangenomen met het oogmerk om te schaden.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 317. L'entrave à la circulation
  L'entrave à la circulation consiste à entraver la circulation routière, ferroviaire, fluviale ou maritime, par tout comportement adopté à dessein de nuire.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
Art. 318. Gevaarlijke verkeersbelemmering
  Indien de verkeersbelemmering bestaat uit een aanslag op de verkeersinfrastructuur of indien de verkeersbelemmering het zich verplaatsen in het verkeer gevaarlijk kan maken of ongevallen kan veroorzaken bij het deelnemen aan het verkeer, wordt dit misdrijf bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 318. L'entrave dangereuse à la circulation
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2 lorsque l'entrave à la circulation consiste à attenter à l'infrastructure de transport ou lorsque l'entrave à la circulation consiste à entraver la circulation de manière telle que cela puisse rendre les déplacements dans la circulation dangereux ou puisse provoquer des accidents lors de la circulation sur la voie publique.
Art. 319. Verkeersbelemmering met een integriteitsaantasting van de tweede graad tot gevolg
  De verkeersbelemmering die een integriteitsaantasting van de tweede graad tot gevolg heeft, wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 319. L'entrave à la circulation ayant entraîné une atteinte à l'intégrité du deuxième degré
  L'entrave à la circulation ayant entraîné une atteinte à l'intégrité du deuxième degré est punie d'une peine de niveau 3.
Art. 320. Verkeersbelemmering met een integriteitsaantasting van de derde graad tot gevolg
  De verkeersbelemmering die een integriteitsaantasting van de derde graad tot gevolg heeft, wordt bestraft met een straf van niveau 4.
Art. 320. L'entrave à la circulation ayant entraîné une atteinte à l'intégrité du troisième degré
  L'entrave à la circulation ayant entraîné une atteinte à l'intégrité du troisième degré est punie d'une peine de niveau 4.
Art. 321. Verkeersbelemmering met de dood tot gevolg
  De verkeersbelemmering die de dood tot gevolg heeft, zonder dat de dader handelde met het oogmerk te doden, wordt bestraft met een straf van niveau 5.
Art. 321. L'entrave à la circulation ayant entraîné la mort
  L'entrave à la circulation ayant entraîné la mort, sans intention de la donner, est punie d'une peine de niveau 5.
Afdeling 5. Het in gevaar brengen van de volksgezondheid
Section 5. La mise en danger de la santé publique
Art. 322. Aantasting van voedingsmiddelen
  Aantasting van voedingsmiddelen is het opzettelijk mengen van stoffen die de dood kunnen teweegbrengen of de gezondheid zwaar kunnen schaden in voedingsmiddelen of dranken bestemd om te worden verkocht of aan het publiek ter beschikking te worden gesteld.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 322. L'atteinte aux denrées alimentaires
  L'atteinte aux denrées alimentaires consiste à, délibérément, mêler des substances de nature à entraîner la mort ou à altérer gravement la santé à des denrées alimentaires ou des boissons destinées à être vendues ou à être mises à la disposition du public.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
Art. 323. Verkoop van aangetaste voedingsmiddelen of van stoffen
  Verkoop van aangetaste voedingsmiddelen of stoffen is het opzettelijk:
  1° verkopen of te koop aanbieden van voedingsmiddelen of dranken waaronder stoffen die de dood kunnen teweegbrengen of de gezondheid zwaar kunnen schaden, werden gemengd;
  2° verkopen of te koop aanbieden van stoffen die de dood kunnen teweegbrengen of de gezondheid zwaar kunnen schaden, wetende dat zij tot aantasting van voedingsmiddelen moeten dienen.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 323. La vente de denrées alimentaires ou de substances affectées
  La vente de denrées alimentaires ou de substances affectées consiste à, délibérément:
  1° vendre ou offrir à la vente des denrées alimentaires ou des boissons auxquelles des substances de nature à entraîner la mort ou à altérer gravement la santé ont été mêlées;
  2° vendre ou offrir à la vente des substances de nature à entraîner la mort ou à altérer gravement la santé, sachant que celles-ci doivent servir à porter atteinte aux denrées alimentaires.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
Art. 324. Opslag van aangetaste voedingsmiddelen
  Opslag van aangetaste voedingsmiddelen is het opzettelijk bewaren van voedingsmiddelen of dranken waaronder stoffen die de dood kunnen teweegbrengen of de gezondheid zwaar kunnen schaden, werden gemengd en die bestemd zijn om te worden verkocht.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 324. Le stockage de denrées alimentaires affectées
  Le stockage de denrées alimentaires affectées consiste à, délibérément, conserver des denrées alimentaires ou des boissons auxquelles des substances de nature à entraîner la mort ou à altérer gravement la santé ont été mêlées et qui sont destinées à être vendues.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Art. 325. Bijkomende straffen
  De rechter kan bij de veroordeling voor een misdrijf omschreven in de artikelen 322 tot 324 de bekendmaking van de beslissing houdende veroordeling en de sluiting van de inrichting opleggen als bijkomende straf.
Art. 325. Les peines accessoires
  En cas de condamnation pour une infraction décrite aux articles 322 à 324, le juge peut imposer la publication de la décision de condamnation et la fermeture de l'établissement comme peine accessoire.
Art. 326. Kwaadwillige verspreiding van ziekteverwekkers
  Kwaadwillige verspreiding van ziekteverwekkers is het, met kwaad opzet, verspreiden van een virus, bacterie, parasiet of andere stof die van aard is de gezondheid van personen negatief te beïnvloeden.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 326. La dissémination malveillante d'agents pathogènes
  La dissémination malveillante d'agents pathogènes consiste à, dans une intention méchante, propager un virus, une bactérie, un parasite ou une autre substance de nature à influencer négativement la santé de personnes.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
Art. 327. Verzwarende factor
  Bij de keuze van de straf of de maatregel en de zwaarte ervan neemt de rechter in overweging dat minderjarigen of personen in een kwetsbare toestand werden geviseerd.
Art. 327. Le facteur aggravant
  Lors du choix de la peine ou de la mesure et de la sévérité de celle-ci, le juge prend en considération le fait que l'infraction vise des mineurs ou des personnes en situation de vulnérabilité.
Afdeling 6. Het in gevaar brengen van minderjarigen of personen in een kwetsbare toestand
Section 6. La mise en danger de mineurs ou de personnes en situation de vulnérabilité
Onderafdeling 1. Verlaten of in behoeftige toestand achterlaten
Sous-section 1re. Le délaissement ou l'abandon dans le besoin
Art. 328. Verlating van personen
  Verlating van personen is het opzettelijk verlaten van een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand die niet in staat is om in zijn onderhoud te voorzien, waardoor er een onderbreking is van het toezicht of de zorgen die het slachtoffer nodig heeft.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 328. Le délaissement de personnes
  Le délaissement de personnes consiste à, délibérément, délaisser un mineur ou une personne en situation de vulnérabilité qui n'est pas à même de pourvoir à son entretien, de sorte qu'il y a interruption de la surveillance ou des soins dont la victime a besoin.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Art. 329. Verlating van personen met een integriteitsaantasting van de derde graad tot gevolg
  De verlating van personen die een integriteitsaantasting van de derde graad tot gevolg heeft, wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 329. Le délaissement de personnes ayant entraîné une atteinte à l'intégrité du troisième degré
  Le délaissement de personnes ayant entraîné une atteinte à l'intégrité du troisième degré est puni d'une peine de niveau 3.
Art. 330. Verlating van personen met de dood tot gevolg
  De verlating van personen die de dood tot gevolg heeft, zonder dat de dader handelde met het oogmerk te doden, wordt bestraft met een straf van niveau 4.
Art. 330. Le délaissement de personnes ayant entraîné la mort
  Le délaissement de personnes ayant entraîné la mort, sans intention de la donner, est puni d'une peine de niveau 4.
Art. 331. Verzwarende factoren
  Bij de keuze van de straf of de maatregel en de zwaarte ervan neemt de rechter voor de verlating van personen in overweging dat:
  1° het slachtoffer de vader, moeder of andere bloedverwant in de rechte opgaande lijn is van de dader;
  2° de dader de vader, de moeder of andere bloedverwant in de rechte opgaande lijn is van het slachtoffer, dan wel de partner is van het slachtoffer, het gezag over het slachtoffer heeft of er de bewaring van heeft.
Art. 331. Les facteurs aggravants
  Lors du choix de la peine ou de la mesure et de la sévérité de celle-ci, pour le délaissement de personnes, le juge prend en considération le fait que:
  1° la victime est le père, la mère ou un autre parent en ligne directe ascendante de l'auteur;
  2° l'auteur est le père, la mère ou un autre parent en ligne directe ascendante de la victime ou qu'il est le partenaire de la victime, qu'il a une autorité sur celle-ci ou qu'il en a la garde.
Art. 332. In behoeftige toestand achterlaten van personen
  Het in behoeftige toestand achterlaten van personen is het opzettelijk in behoeftige toestand achterlaten van een persoon ten aanzien van wie men onderhoud is verschuldigd op basis van artikel 203 of 205 van het oud Burgerlijk Wetboek, ook al wordt deze niet alleen gelaten, het weigeren deze persoon weer bij zich te nemen of het weigeren zijn onderhoud te betalen als men hem aan een derde heeft toevertrouwd of als hij bij rechterlijke beslissing aan een derde is toevertrouwd.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 332. L'abandon de personnes dans le besoin
  L'abandon de personnes dans le besoin consiste à, délibérément, abandonner dans le besoin une personne à l'égard de laquelle un entretien est dû sur la base de l'article 203 ou 205 de l'ancien Code civil, encore que celle-ci n'ait pas été laissée seule, refuser de reprendre cette personne ou refuser de payer son entretien lorsqu'on l'a confiée à un tiers ou que celle-ci a été confiée à un tiers par décision judiciaire.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
Onderafdeling 2. Gebrek aan voeding of verzorging
Sous-section 2. Le défaut d'aliments ou de soins
Art. 333. Onthouding van voedsel of verzorging
  Onthouding van voedsel of verzorging is het opzettelijk onthouden van voedsel of verzorging aan een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand in die mate dat zijn gezondheid in het gedrang wordt gebracht of zijn lichamelijke of geestelijke ontwikkeling wordt geschaad, door de vader, de moeder of een andere bloed- of aanverwant in de rechte lijn, dan wel in de zijlijn tot de derde graad, van het slachtoffer, door de partner van het slachtoffer, door een persoon die gezag heeft over het slachtoffer, hem onder zijn bewaring heeft of occasioneel of gewoonlijk met het slachtoffer samenwoont, dan wel door een persoon op wie een conventionele plicht rust om zorg te dragen voor het slachtoffer.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 333. La privation d'aliments ou de soins
  La privation d'aliments ou de soins consiste à, délibérément, priver d'aliments ou de soins un mineur ou une personne en situation de vulnérabilité, au point de compromettre sa santé ou de porter atteinte à son développement physique ou mental, alors que le privant est le père, la mère ou un autre parent ou allié en ligne directe, ou en ligne collatérale jusqu'au troisième degré, de la victime, ou le partenaire de la victime, ou est une personne qui a autorité sur la victime, en a la garde ou cohabite occasionnellement ou habituellement avec elle, ou est une personne sur laquelle repose une obligation conventionnelle de prendre soin de la victime.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Art. 334. Onthouding van voedsel of verzorging met een integriteitsaantasting van de derde graad tot gevolg
  De onthouding van voedsel of verzorging die een integriteitsaantasting van de derde graad tot gevolg heeft, wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 334. La privation d'aliments ou de soins ayant entraîné une atteinte à l'intégrité du troisième degré
  La privation d'aliments ou de soins ayant entraîné une atteinte à l'intégrité du troisième degré est punie d'une peine de niveau 3.
Art. 335. Onthouding van voedsel of verzorging met de dood tot gevolg
  De onthouding van voedsel of verzorging die de dood tot gevolg heeft, zonder dat de dader handelde met het oogmerk te doden, wordt bestraft met een straf van niveau 4.
Art. 335. La privation d'aliments ou de soins ayant entraîné la mort
  La privation d'aliments ou de soins ayant entraîné la mort, sans intention de la donner, est punie d'une peine de niveau 4.
Art. 336. Nalaten van onderhoud
  Nalaten van onderhoud is het door een ernstig gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid nalaten van het onderhoud van een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand in die mate dat hierdoor de gezondheid van het slachtoffer in het gedrang wordt gebracht of zijn lichamelijke of geestelijke ontwikkeling wordt geschaad, door de vader, de moeder of een andere bloed- of aanverwant in de rechte lijn, dan wel in de zijlijn tot de derde graad, van het slachtoffer, door de partner van het slachtoffer, door een persoon die gezag heeft over het slachtoffer, hem onder zijn bewaring heeft of occasioneel of gewoonlijk met het slachtoffer samenwoont, dan wel door een persoon op wie een conventionele plicht rust om zorg te dragen voor het slachtoffer.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 336. Le défaut d'entretien
  Le défaut d'entretien consiste à négliger, par un défaut grave de prévoyance ou de précaution, l'entretien d'un mineur ou d'une personne en situation de vulnérabilité, au point de compromettre sa santé ou de porter atteinte à son développement physique ou mental, par le père, la mère ou un autre parent ou allié en ligne directe, ou en ligne collatérale jusqu'au troisième degré, de la victime, par le partenaire de la victime, par une personne qui a autorité sur la victime, en a la garde ou cohabite occasionnellement ou habituellement avec elle, ou par une personne sur laquelle repose une obligation conventionnelle de prendre soin de la victime.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
Art. 337. Nalaten van onderhoud met de dood tot gevolg
  Het nalaten van onderhoud dat de dood tot gevolg heeft, wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 337. Le défaut d'entretien ayant entraîné la mort
  Le défaut d'entretien ayant entraîné la mort est puni d'une peine de niveau 2.
Art. 338. Verzwarende factoren
  Bij de keuze van de straf of de maatregel en de zwaarte ervan, voor een in deze onderafdeling omschreven misdrijf, neemt de rechter in overweging dat:
  1° het slachtoffer de vader, moeder of andere bloedverwant in de rechte opgaande lijn is van de dader;
  2° de dader de vader, de moeder of andere bloedverwant in de rechte opgaande lijn is van het slachtoffer, dan wel de partner is van het slachtoffer, het gezag over het slachtoffer heeft of er de bewaring van heeft.
Art. 338. Les facteurs aggravants
  Lors du choix de la peine ou de la mesure et de la sévérité de celle-ci, pour une infraction visée dans la présente sous-section, le juge prend en considération le fait que:
  1° la victime est le père, la mère ou un autre parent en ligne directe ascendante de l'auteur;
  2° l'auteur est le père, la mère ou un autre parent en ligne directe ascendante de la victime, ou le partenaire de la victime, ou qu'il a autorité sur celle-ci ou qu'il en a la garde.
Onderafdeling 3. Gebruik of lokken met het oog op het plegen van een misdrijf
Sous-section 3. L'utilisation ou le leurre en vue de commettre une infraction
Art. 339. Gebruik van personen met het oog op het plegen van een misdrijf
  Het gebruik van personen met het oog op het plegen van een misdrijf is het opzettelijk, rechtstreeks of via een tussenpersoon, aantrekken of gebruiken van een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand om een misdrijf te plegen of hieraan deel te nemen.
  Dit misdrijf wordt bestraft met dezelfde straf als deze gesteld op het misdrijf waarvoor de minderjarige of persoon in een kwetsbare toestand wordt aangetrokken of gebruikt.
Art. 339. L'utilisation de personnes en vue de commettre une infraction
  L'utilisation de personnes en vue de commettre une infraction consiste à, délibérément, attirer ou utiliser, directement ou par un intermédiaire, un mineur ou une personne en situation de vulnérabilité en vue de commettre une infraction ou d'y participer.
  Cette infraction est punie de la même peine que celle sanctionnant l'infraction pour laquelle le mineur ou la personne en situation de vulnérabilité est attirée ou utilisée.
Art. 340. Technologisch lokken van personen met het oog op het plegen van een misdrijf
  Het technologisch lokken van personen met het oog op het plegen van een misdrijf is het opzettelijk door een meerderjarige communiceren met een kennelijk of vermoedelijk minderjarige of persoon in een kwetsbare toestand door middel van informatie- of communicatietechnologieën om het plegen van een misdrijf op dit slachtoffer te vergemakkelijken:
  1° indien de dader zijn identiteit, leeftijd of hoedanigheid heeft verzwegen of hierover heeft gelogen;
  2° indien de dader nadruk heeft gelegd op de in acht te nemen discretie over hun gesprekken;
  3° indien de dader enig geschenk of voordeel heeft aangeboden of voorgespiegeld;
  4° indien de dader een andere list heeft gebruikt.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 340. Le leurre technologique de personnes en vue de commettre une infraction
  Le leurre technologique de personnes en vue de commettre une infraction consiste, pour une personne majeure, à, délibérément, communiquer avec un mineur ou une personne en situation de vulnérabilité avérée ou supposée par le biais de technologies de l'information et de la communication, en vue de faciliter la perpétration d'une infraction à l'égard de cette victime:
  1° si l'auteur a dissimulé ou menti sur son identité ou son âge ou sa qualité;
  2° si l'auteur a insisté sur la discrétion à observer quant à leurs échanges;
  3° si l'auteur a offert ou fait miroiter un cadeau ou un avantage quelconque;
  4° si l'auteur a usé de toute autre manoeuvre.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
Art. 341. Verzwarende factoren
  Bij de keuze van de straf of de maatregel en de zwaarte ervan voor een misdrijf omschreven in deze onderafdeling neemt de rechter in overweging dat:
  1° de minderjarige jonger is dan zestien jaar;
  2° de dader gebruik maakt van de bijzonder kwetsbare positie waarin de minderjarige verkeert;
  3° de dader de vader, de moeder of een andere bloedverwant in de opgaande lijn is van het slachtoffer, dan wel de partner is van het slachtoffer, het gezag over het slachtoffer heeft of er de bewaring van heeft;
  4° een gewoonte wordt gemaakt van het gebruiken van een persoon met het oog op het plegen van een misdrijf.
Art. 341. Les facteurs aggravants
  Lors du choix de la peine ou de la mesure et de la sévérité de celle-ci, pour une infraction visée dans la présente sous-section, le juge prend en considération le fait que:
  1° le mineur est âgé de moins de seize ans;
  2° l'auteur abuse de la position particulièrement vulnérable dans laquelle se trouve le mineur;
  3° l'auteur est le père, la mère ou un autre parent en ligne ascendante de la victime, ou le partenaire de la victime, ou qu'il a une autorité sur celle-ci ou qu'il en a la garde;
  4° l'action d'utiliser une personne en vue de commettre une infraction constitue une activité habituelle.
Hoofdstuk 9. Misdrijven tegen het privéleven
Chapitre 9. Les infractions contre la vie privée des personnes
Afdeling 1. Misdrijven betreffende het geheim van communicatie, privégegevens van een informaticasysteem en brieven
Section 1re. Les infractions relatives au secret des communications, des données privées d'un système informatique et des lettres
Art. 342. Schending van het geheim van privécommunicatie of privégegevens van een informaticasysteem
  Schending van het geheim van privécommunicatie en privégegevens van een informaticasysteem is het:
  1° opzettelijk, met behulp van enig toestel, onderscheppen, kennis nemen van of opnemen van niet voor het publiek toegankelijke communicatie, waaraan men zelf niet deelneemt, zonder de toestemming van alle deelnemers aan die communicatie;
  2° opstellen van enig toestel met het oogmerk een van de in de bepaling onder 1° omschreven misdrijven te plegen;
  3° opzettelijk onder zich houden, aan een andere persoon onthullen of verspreiden, of enig gebruik maken van de inhoud van niet voor het publiek toegankelijke communicatie of van niet voor het publiek toegankelijke gegevens van een informaticasysteem die onwettig onderschept of opgenomen zijn of waarvan onwettig kennis genomen is.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 342. La violation du secret des communications privées ou des données privées d'un système informatique
  La violation du secret des communications privées et des données privées d'un système informatique consiste à:
  1° délibérément, à l'aide d'un appareil quelconque, intercepter, prendre connaissance ou enregistrer des communications non accessibles au public, auxquelles on ne prend pas part, sans le consentement de tous les participants à ces communications;
  2° dans l'intention de commettre une des infractions mentionnées au 1°, installer un appareil quelconque;
  3° délibérément, détenir, révéler ou divulguer à une autre personne le contenu de communications non accessibles au public ou de données non accessibles au public d'un système informatique illégalement interceptées ou enregistrées, ou dont on a pris connaissance illégalement, ou utiliser d'une manière quelconque une information obtenue de cette façon.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Art. 343. Verzwaarde schending van het geheim van privécommunicatie of privégegevens van een informaticasysteem
  Schending van het geheim van privécommunicatie en privégegevens van een informaticasysteem wordt bestraft met een straf van niveau 3 wanneer zij wordt gepleegd door een persoon met een openbare functie in het kader van de uitoefening van deze functie, buiten de gevallen die de wet bepaalt of zonder inachtneming van de vormen die zij voorschrijft.
Art. 343. La violation du secret des communications privées ou des données privées d'un système informatique aggravée
  La violation du secret des communications privées et des données privées d'un système informatique est punie d'une peine de niveau 3 lorsqu'elle est commise par une personne exerçant une fonction publique dans le cadre de l'exercice de cette fonction, hors les cas prévus par la loi ou sans respecter les formalités qu'elle prescrit.
Art. 344. Bedrieglijk gebruik van wettig gemaakte opnamen van privécommunicatie of privégegevens van een informaticasysteem
  Bedrieglijk gebruik van wettig gemaakte opnamen van privécommunicatie of privégegevens van een informaticasysteem is het, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden en buiten de gevallen die de wet bepaalt of zonder inachtneming van de vormen die zij voorschrijft, gebruik maken van een wettig gemaakte opname van voor het publiek niet toegankelijke communicatie of voor het publiek niet toegankelijke gegevens van een informaticasysteem.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 344. L'utilisation frauduleuse d'enregistrements légalement effectués de communications privées ou de données privées d'un système informatique
  L'utilisation frauduleuse d'enregistrements légalement effectués de communications privées ou de données privées d'un système informatique consiste, avec une intention frauduleuse ou à dessein de nuire, à utiliser, hors les cas prévus par la loi ou sans respecter les formalités qu'elle prescrit, un enregistrement, légalement effectué, de communications non accessibles au public ou de données non accessibles au public d'un système informatique.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Art. 345. Verzwaard bedrieglijk gebruik van wettig gemaakte opnamen van privécommunicatie of privégegevens van een informaticasysteem
  Bedrieglijk gebruik van wettig gemaakte opnamen van privécommunicatie of privégegevens van een informaticasysteem wordt bestraft met een straf van niveau 3 wanneer het wordt gepleegd door een persoon met een openbare functie in het kader van de uitoefening van deze functie.
Art. 345. L'utilisation frauduleuse d'enregistrements légalement effectués de communications privées ou de données privées d'un système informatique aggravée
  L'utilisation frauduleuse d'enregistrements légalement effectués de communications privées ou de données privées d'un système informatique est punie d'une peine de niveau 3 lorsqu'elle est commise par une personne exerçant une fonction publique, dans le cadre de l'exercice de cette fonction.
Art. 346. Onwettig bezit of onwettige terbeschikkingstelling van afluistermateriaal
  Onwettig bezit of terbeschikkingstelling van afluistermateriaal is het opzettelijk onrechtmatig bezitten, produceren, verkopen, verkrijgen met het oog op het gebruik ervan, invoeren, verspreiden of op enige andere manier ter beschikking stellen, buiten de gevallen die de wet bepaalt of zonder inachtneming van de vormen die zij voorschrijft, van een instrument, met inbegrip van informaticagegevens, dat hoofdzakelijk is ontworpen of aangepast om het misdrijf van schending van het geheim van privécommunicatie en gegevens van een informaticasysteem mogelijk te maken.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 346. La possession ou la mise à disposition illégales de matériel d'écoute
  La possession ou la mise à disposition illégales de matériel d'écoute consiste à, délibérément, indûment, posséder, produire, vendre, obtenir en vue de son utilisation, importer, diffuser ou mettre à disposition sous une autre forme, hors les cas prévus par la loi ou sans respecter les formalités qu'elle prescrit, un dispositif, y compris des données informatiques, principalement conçu ou adapté pour permettre la commission d'une infraction de violation du secret des communications privées et des données d'un système informatique.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Art. 347. Schending van het briefgeheim
  Schending van het briefgeheim is het opzettelijk:
  - wegmaken van een aan een postoperator toevertrouwde brief of openen van een zodanige brief om het geheim ervan te schenden;
  - wegmaken van een brief van een gerechtsdeurwaarder of openen van een zodanige brief, om het geheim ervan te schenden, behalve, in dit laatste geval, wanneer de dader de vader of de moeder is van het betrokken minderjarig kind, ofwel de echtgenoot, de voogd, de bewindvoerder of de curator van de betrokken persoon.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 347. La violation du secret des lettres
  La violation du secret des lettres consiste à, délibérément:
  - supprimer une lettre confiée à un opérateur postal ou l'ouvrir pour en violer le secret;
  - supprimer une lettre d'huissier de justice ou l'ouvrir pour en violer le secret, à moins, dans ce dernier cas, qu'il s'agisse du père ou de la mère de l'enfant mineur concerné, ou du conjoint, du tuteur, de l'administrateur ou du curateur de la personne intéressée.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
Afdeling 2. Schending van plaatsen die tot woning dienen
Section 2. La violation de lieux servant d'habitation
Art. 348. Huisvredebreuk of schending van een bewoonde plaats
  Huisvredebreuk of schending van een bewoonde plaats is het opzettelijk binnentreden in een door een ander bewoonde woonplaats, huis, appartement, kamer of verblijf, of in de aanhorigheden ervan, dit goed bezetten of erin verblijven zonder toestemming van de bewoners, buiten de gevallen die de wet bepaalt of zonder inachtneming van de vormen die zij voorschrijft.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 348. La violation de domicile ou d'un lieu habité
  La violation de domicile ou d'un lieu habité consiste à, délibérément, hors les cas prévus par la loi et sans respecter les formalités prescrites par celle-ci, pénétrer dans un domicile, une maison, un appartement, une chambre ou un logement habités par autrui, ou leurs dépendances, occuper ce bien ou y séjourner sans autorisation des habitants.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Art. 349. Verzwaarde huisvredebreuk of verzwaarde schending van een bewoonde plaats
  Huisvredebreuk of schending van een bewoonde plaats wordt bestraft met een straf van niveau 3 wanneer:
  1° de feiten werden gepleegd met behulp van bedreiging of geweld;
  2° het feit werd gepleegd door zich te beroepen op een vals bevel van het openbaar gezag of door gebruik te maken van de kledij, herkenningstekens, de naam of hoedanigheid van een agent van het openbaar gezag;
  3° de dader of een van de daders een wapen bij zich had.
Art. 349. La violation de domicile ou d'un lieu habité aggravée
  La violation de domicile ou d'un lieu habité est punie d'une peine de niveau 3 lorsque:
  1° les faits ont été commis à l'aide de menaces ou de violences;
  2° le fait a été commis en alléguant un faux ordre de l'autorité publique ou en faisant usage de vêtements, de signes distinctifs, du nom ou de la qualité d'un agent de l'autorité publique;
  3° l'auteur ou un des auteurs était porteur d'une arme.
Art. 350. Onwettige bezetting van een niet-bewoonde plaats
  Onwettige bezetting van een niet-bewoonde plaats is het opzettelijk, zonder een bevel van de overheid of zonder toestemming van een houder van een titel die of een recht dat toegang verschaft tot de betrokken plaats of gebruik van of verblijf in het betrokken goed toestaat en buiten de gevallen waarin de wet het toelaat, op eender welke manier binnendringen in, bezetten van of verblijven in andermans niet bewoonde huis, appartement, kamer of verblijf, of de aanhorigheden ervan, of enige andere niet bewoonde ruimte of andermans roerend goed dat al dan niet als verblijf kan dienen, zonder zelf houder te zijn van voormelde titel of recht.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 350. L'occupation illicite d'un lieu non habité
  L'occupation illicite d'un lieu non habité consiste à, délibérément, sans ordre de l'autorité ou sans autorisation d'une personne possédant un titre ou un droit qui donne accès au bien concerné ou qui permet de l'utiliser ou de séjourner dans le bien et hors les cas où la loi l'autorise, pénétrer dans la maison, l'appartement, la chambre ou le logement non habité d'autrui, ou leurs dépendances ou tout autre local ou le bien meuble non habité d'autrui pouvant ou non servir de logement, soit l'occuper, soit y séjourner de quelque façon que ce soit, sans être soi-même détenteur du droit ou du titre précité.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
Art. 351. Weigering om gevolg te geven aan een beslissing tot ontruiming of tot uithuiszetting
  Weigering om gevolg te geven aan een beslissing tot ontruiming of tot uithuiszetting is het opzettelijk geen gevolg geven, binnen de gestelde termijn, aan het bevel tot ontruiming bedoeld in artikel 12, § 1, van de wet van 18 oktober 2017 betreffende het onrechtmatig binnendringen in, bezetten van of verblijven in andermans goed of tot uithuiszetting bedoeld in artikel 1344decies van het Gerechtelijk Wetboek.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 351. Le refus d'obtempérer à une décision d'évacuation ou d'expulsion
  Le refus d'obtempérer à une décision d'évacuation ou d'expulsion consiste à, délibérément, ne pas donner suite, dans le délai fixé, à l'ordonnance d'évacuation visée à l'article 12, § 1er, de la loi du 18 octobre 2017 relative à la pénétration, à l'occupation ou au séjour illégitimes dans le bien d'autrui ou à l'expulsion visée à l'article 1344decies du Code judiciaire.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
Afdeling 3. Bescherming van het beroepsgeheim
Section 3. La protection du secret professionnel
Art. 352. Schending van het beroepsgeheim
  Schending van het beroepsgeheim is het opzettelijk door een persoon die uit hoofde van zijn staat of beroep kennis draagt van geheimen die hem zijn toevertrouwd, bekend maken van deze geheimen buiten het geval dat hij geroepen wordt om in rechte of voor een parlementaire onderzoekscommissie getuigenis af te leggen en buiten het geval dat de wet hem verplicht of toelaat die geheimen bekend te maken.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 352. La violation du secret professionnel
  La violation du secret professionnel consiste pour une personne dépositaire, par état ou par profession, des secrets qu'on lui confie, qui, hors le cas où elle est appelée à rendre témoignage en justice ou devant une commission d'enquête parlementaire et celui où la loi l'oblige ou l'autorise à faire connaître ces secrets, à révéler, délibérément, ces secrets.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Art. 353. Afwijkingen van het beroepsgeheim
  § 1. Eenieder, die uit hoofde van zijn staat of beroep houder is van geheimen en hierdoor kennis heeft van een misdrijf zoals omschreven in de artikelen 96 tot 101, 134 tot 149, 151 tot 165, 171 tot 174, 194 tot 202, 206 tot 211, 258, 310 tot 315, 328 tot 330, en 333 tot 337, gepleegd op een minderjarige, op een persoon in een kwetsbare toestand in de zin van artikel 79, 2°, of op een persoon in een kwetsbare toestand ten gevolge van partnergeweld of het gebruiken van geweld in naam van culturele drijfveren, gewoontes, religie, tradities of de zogenaamde "eer", kan, onverminderd de verplichtingen hem opgelegd door artikel 299, het misdrijf ter kennis brengen van de procureur des Konings in de volgende gevallen:
  - hetzij wanneer er een ernstig en dreigend gevaar bestaat voor de fysieke of psychische integriteit van de minderjarige of de bedoelde persoon in een kwetsbare toestand en hij deze integriteit niet zelf of met hulp van anderen kan beschermen;
  - hetzij wanneer er aanwijzingen zijn van een gewichtig en reëel gevaar dat andere minderjarigen of zoals hierboven bedoelde personen in een kwetsbare toestand het slachtoffer zouden worden van de in voormelde artikelen bedoelde misdrijven en hij deze integriteit niet zelf of met hulp van anderen kan beschermen.
  § 2. Er is geen misdrijf wanneer iemand die uit hoofde van zijn staat of beroep houder is van geheimen, deze meedeelt in het kader van een overleg dat wordt georganiseerd, hetzij bij of krachtens een wet, hetzij bij een met redenen omklede toestemming van de procureur des Konings.
  Dit overleg kan uitsluitend worden georganiseerd, hetzij met het oog op de bescherming van de fysieke en psychische integriteit van de persoon of van derden, hetzij ter voorkoming van de terroristische misdrijven bedoeld in titel 4, hoofdstuk 1, of van de misdrijven gepleegd in het raam van een criminele organisatie, bedoeld in artikel 406.
  De in het eerste lid bedoelde wet of de met redenen omklede toestemming van de procureur des Konings bepalen ten minste wie aan het overleg kan deelnemen, met welke finaliteit en volgens welke modaliteiten het overleg zal plaatsvinden.
  De deelnemers zijn tot geheimhouding verplicht wat betreft de tijdens het overleg meegedeelde geheimen. Eenieder die dit geheim schendt, wordt gestraft met een straf van niveau 2. De geheimen die tijdens dit overleg worden meegedeeld, kunnen slechts aanleiding geven tot de strafrechtelijke vervolging van de misdrijven waarvoor het overleg werd georganiseerd.
  § 3. De paragrafen 1 en 2 zijn niet van toepassing op de advocaat voor wat betreft het meedelen van vertrouwelijke informatie van zijn cliënt wanneer die zijn cliënt mogelijk aan strafvervolging blootstelt.
Art. 353. Les dérogations au secret professionnel
  § 1er. Toute personne qui, par état ou par profession, est dépositaire de secrets et a de ce fait connaissance d'une infraction prévue aux articles 96 à 101, 134 à 149, 151 à 165, 171 à 174, 194 à 202, 206 à 211, 258, 310 à 315, 328 à 330 et 333 à 337, commise sur un mineur, sur une personne en situation de vulnérabilité au sens de l'article 79, 2° ou sur une personne en situation de vulnérabilité en raison de violence entre partenaires ou d'actes de violence perpétrés au nom de la culture, de la coutume, de la religion, de la tradition ou du prétendu "honneur", peut, sans préjudice des obligations que lui impose l'article 299, en informer le procureur du Roi lorsqu'une des situations suivantes est présente:
  - soit il existe un danger grave et imminent pour l'intégrité physique ou mentale du mineur ou de la personne en situation de vulnérabilité visée, et elle n'est pas en mesure, seule ou avec l'aide de tiers, de protéger cette intégrité;
  - soit il y a des indices d'un danger sérieux et réel que d'autres mineurs ou personnes en situation de vulnérabilité telles que visées ci-dessus soient victimes d'une des infractions prévues aux articles précités et elle n'est pas en mesure, seule ou avec l'aide de tiers, de protéger cette intégrité.
  § 2. Il n'y a pas d'infraction lorsqu'une personne qui, par état ou par profession, est dépositaire de secrets, communique ceux-ci dans le cadre d'une concertation organisée soit par ou en vertu d'une loi, soit moyennant une autorisation motivée du procureur du Roi.
  Cette concertation peut exclusivement être organisée soit en vue de protéger l'intégrité physique et psychique de la personne ou de tiers, soit en vue de prévenir les infractions terroristes visées au titre 4, chapitre 1er, ou les délits commis dans le cadre d'une organisation criminelle visée à l'article 406.
  La loi ou l'autorisation motivée du procureur du Roi, visées à l'alinéa 1er, déterminent au moins qui peut participer à la concertation, avec quelle finalité et selon quelles modalités la concertation aura lieu.
  Les participants sont tenus au secret relativement aux secrets communiqués durant la concertation. Toute personne violant ce secret sera punie d'un peine de niveau 2. Les secrets qui sont communiqués pendant cette concertation, ne peuvent donner lieu à la poursuite pénale que des seules infractions pour lesquelles la concertation a été organisée.
  § 3. Les paragraphes 1er et 2 ne s'appliquent pas à l'avocat en ce qui concerne la communication d'informations confidentielles de son client lorsque ces informations sont susceptibles d'exposer son client à des poursuites pénales.
Afdeling 4. Misdrijven betreffende de vrije uitoefening van de erediensten
Section 4. Les infractions relatives au libre exercice des cultes
Art. 354. Aantasting van de vrije uitoefening van een eredienst
  De aantasting van de vrije uitoefening van een eredienst is het opzettelijk:
  1° door geweld of bedreiging een of meer personen dwingen of verhinderen een eredienst uit te oefenen, de uitoefening van die eredienst bij te wonen, bepaalde godsdienstige feesten te vieren, bepaalde rustdagen te onderhouden en dientengevolge hun werkhuizen, winkels of magazijnen te openen of te sluiten en een bepaalde arbeid te verrichten of te staken;
  2° door het verwekken van stoornis of wanorde verhinderen, belemmeren of onderbreken van de uitoefening van een eredienst, gehouden in een plaats die bestemd is of gewoonlijk dient voor de eredienst of bij openbare plechtigheden van die eredienst;
  3° door daden, woorden, gebaren of bedreigingen beschimpen van de voorwerpen van een eredienst, hetzij in plaatsen die bestemd zijn of gewoonlijk dienen voor de uitoefening ervan, hetzij bij openbare plechtigheden van die eredienst.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 354. L'atteinte au libre exercice d'un culte
  L'atteinte au libre exercice d'un culte consiste à délibérément:
  1° par des violences ou des menaces, contraindre ou empêcher une ou plusieurs personnes d'exercer un culte, d'assister à l'exercice de ce culte, de célébrer certaines fêtes religieuses, d'observer certains jours de repos, et, en conséquence, d'ouvrir ou de fermer leurs ateliers, boutiques ou magasins, et de faire ou de quitter certains travaux;
  2° par des troubles ou des désordres, empêcher, retarder ou interrompre l'exercice d'un culte qui se pratique dans un lieu destiné ou servant habituellement au culte ou dans les cérémonies publiques de ce culte;
  3° par faits, paroles, gestes ou menaces, outrager les objets d'un culte, soit dans les lieux destinés ou servant habituellement à son exercice, soit dans des cérémonies publiques de ce culte.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
Art. 355. Verzwarende factor bij de aantasting van de vrije uitoefening van een eredienst
  Bij de keuze van de straf of de maatregel en de zwaarte ervan voor het misdrijf bedoeld in artikel 354, 1°, neemt de rechter in overweging dat het misdrijf werd gepleegd ten nadele van een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand.
Art. 355. Le facteur aggravant de l'atteinte au libre exercice d'un culte
  Lors du choix de la peine ou de la mesure et de la sévérité de celle-ci, pour l'infraction visée à l'article 354, 1°, le juge prend en considération le fait que l'infraction a été commise au préjudice d'un mineur ou d'une personne en situation de vulnérabilité.
Afdeling 5. Bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de minderjarigen in het kader van de gerechtelijke procedures
Section 5. La protection de la vie privée des mineurs dans le cadre des procédures judiciaires
Art. 356. Schending van de persoonlijke levenssfeer van de minderjarigen
  Schending van de persoonlijke levenssfeer van de minderjarigen is het opzettelijk publiceren of verspreiden, door welk procedé ook, van:
  1° het verslag van de debatten voor de jeugdrechtbank, voor de onderzoeksrechter of voor de kamers van het hof van beroep die bevoegd zijn om over het hoger beroep tegen hun beslissingen te oordelen, uitgezonderd de motieven en het beschikkend gedeelte van de in openbare terechtzitting uitgesproken rechterlijke beslissing onder voorbehoud van de toepassing van de bepaling onder 2° ;
  2° teksten, tekeningen, foto's, beelden of geluidsfragmenten waaruit de identiteit kan blijken van een persoon die wordt vervolgd wegens het plegen van een als misdrijf omschreven feit terwijl hij minderjarig was of ten aanzien van wie een beschermingsmaatregel is genomen door een jeugdgerecht.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 356. L'atteinte à la vie privée des mineurs
  L'atteinte à la vie privée des mineurs consiste à, délibérément, publier ou diffuser, par tout procédé:
  1° le compte rendu des débats devant le tribunal de la jeunesse, devant le juge d'instruction ou devant les chambres de la cour d'appel compétentes pour se prononcer sur l'appel introduit contre leurs décisions, les motifs et le dispositif de la décision judiciaire prononcée en audience publique faisant exception à cet égard sous réserve de l'application du 2° ;
  2° des textes, dessins, photographies, images ou des messages audios de nature à révéler l'identité d'une personne qui est poursuivie pour avoir commis un fait qualifié infraction alors qu'elle était mineure ou qui fait l'objet d'une mesure protectionnelle prise par une juridiction de la jeunesse.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Afdeling 6. Gemeenschappelijke bepaling
Section 6. La disposition commune
Art. 357. Strafuitsluitende verschoningsgrond
  De in dit hoofdstuk bedoelde gedragingen kunnen niet worden bestraft indien de persoon met een openbare functie die een niet-manifest onrechtmatig bevel uitvoert, heeft gehandeld op bevel van zijn meerderen, in zaken die tot hun bevoegdheid behoren en waarin hij zijn meerdere als ondergeschikte gehoorzaamheid verschuldigd was.
Art. 357. La cause d'excuse d'exemption de peine
  Les comportements visés dans le présent chapitre ne sont pas punissables si la personne exerçant une fonction publique, qui exécute un ordre qui n'est pas manifestement illégal, a agi sur ordre de ses supérieurs, pour des objets du ressort de ceux-ci et sur lesquels il leur était dû une obéissance hiérarchique.
Hoofdstuk 10. Misdrijven tegen de burgerlijke staat van personen
Chapitre 10. Les infractions contre l'état civil des personnes
Afdeling 1. Misdrijven met betrekking tot het bewijs van de burgerlijke staat van kinderen
Section 1re. Les infractions relatives à la preuve de l'état civil des enfants
Art. 358. Niet-aangifte van de geboorte van een kind
  De niet-aangifte van de geboorte van een kind is het opzettelijk nalaten aangifte te doen overeenkomstig het artikel 43 van het oud Burgerlijk Wetboek door de persoon die krachtens het artikel 43, § 1, van hetzelfde Wetboek gehouden is dit te doen.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 358. Le défaut de déclaration de naissance d'un enfant
  Le défaut de déclaration de naissance d'un enfant consiste, pour une personne à, délibérément, s'abstenir de faire la déclaration prévue à l'article 43 de l'ancien Code civil alors qu'elle y est tenue en vertu de l'article 43, § 1er, du même Code.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
Art. 359. Niet-kennisgeving van een bevalling
  De niet-kennisgeving van een bevalling is het opzettelijk nalaten kennisgeving te doen van een bevalling aan de ambtenaar van de burgerlijke stand door de persoon die krachtens artikel 42 van het oud Burgerlijk Wetboek gehouden is dit te doen.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 359. Le défaut de notification d'accouchement
  Le défaut de notification d'accouchement consiste pour une personne à, délibérément, s'abstenir de notifier un accouchement à l'officier de l'état civil alors qu'elle y est tenue en vertu de l'article 42 de l'ancien Code civil.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
Art. 360. Niet-kennisgeving van een vondeling
  De niet-kennisgeving van een vondeling is het opzettelijk nalaten onmiddellijk kennisgeving te doen van een gevonden pasgeboren kind aan de openbare hulpdiensten, zoals bij artikel 45 van het oud Burgerlijk Wetboek is voorgeschreven.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 360. Le défaut de notification d'un enfant abandonné
  Le défaut de notification d'un enfant abandonné consiste à, délibérément, omettre de déclarer immédiatement un enfant nouveau-né trouvé aux services de secours publics comme le prescrit l'article 45 de l'ancien Code civil.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
Art. 361. Strafuitsluitende verschoningsgrond
  De niet-afgifte van een vondeling wordt niet bestraft wanneer de persoon erin heeft toegestemd het kind te zijnen laste te nemen en dienaangaande een verklaring heeft afgelegd bij de gemeenteoverheid van de plaats waar het kind is gevonden.
Art. 361. La cause d'excuse d'exemption de peine
  Le défaut de déclaration d'un enfant abandonné n'est pas puni lorsque la personne a consenti à prendre l'enfant à sa charge et a fait, à cet égard, une déclaration devant l'autorité communale du lieu où l'enfant a été trouvé.
Art. 362. Onderschuiving van een kind
  De onderschuiving van een kind is het opzettelijk verwisselen van een kind met een ander kind of het toeschrijven van een kind aan een vrouw die niet van dit kind is bevallen.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 362. La substitution d'enfant
  La substitution d'enfant consiste à, délibérément, échanger un enfant avec un autre enfant ou attribuer à une femme un enfant dont elle n'a pas accouché.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Art. 363. Obstructie van het bewijs van de burgerlijke staat van een kind
  De obstructie van het bewijs van de burgerlijke staat van een kind is het opzettelijk vernietigen of het verhinderen van de opmaak van het bewijs van de burgerlijke staat van een kind.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 363. L'obstruction à la preuve de l'état civil d'un enfant
  L'obstruction à la preuve de l'état civil d'un enfant consiste à, délibérément, détruire la preuve de l'état civil d'un enfant ou en empêcher l'établissement.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Afdeling 2. Misdrijven met betrekking tot de adoptie
Section 2. Les infractions relatives à l'adoption
Art. 364. Onwettige adoptie voor eigen rekening
  De onwettige adoptie voor eigen rekening is het met bedrieglijk opzet voor zichzelf verkrijgen of proberen te verkrijgen van een adoptie die strijdig is met de wet.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 364. L'adoption illégale pour compte propre
  L'adoption illégale pour compte propre consiste à, dans une intention frauduleuse, obtenir ou tenter d'obtenir pour soi, une adoption contraire à la loi.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Art. 365. Onwettige adoptie door tussenkomst van derden
  De onwettige adoptie door tussenkomst van derden is het opzettelijk:
  1° optreden als tussenpersoon en voor een derde een adoptie verkrijgen of proberen te verkrijgen zonder lid te zijn van een daartoe vooraf door de bevoegde gemeenschap erkende adoptiedienst;
  2° als lid van een erkende adoptiedienst voor een derde een adoptie verkrijgen of proberen te verkrijgen die strijdig is met de wet.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 365. L'adoption illégale commise par un intermédiaire
  L'adoption illégale commise par un intermédiaire consiste à, délibérément:
  1° intervenir en tant que personne intermédiaire et obtenir ou tenter d'obtenir une adoption pour un tiers sans être membre d'un service d'adoption préalablement agréé à cette fin par la communauté compétente;
  2° en tant que membre d'un service d'adoption agrée, obtenir ou tenter d'obtenir pour un tiers une adoption contraire à la loi.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
Afdeling 3. Misdrijven met betrekking tot het huwelijk
Section 3. Les infractions relatives au mariage
Art. 366. Bigamie
  Bigamie is het opzettelijk aangaan van een ander huwelijk vóór de ontbinding van het voorgaande wettige huwelijk.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 366. La bigamie
  La bigamie consiste à, délibérément, contracter un autre mariage avant la dissolution du mariage légal précédent.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
Afdeling 4. Gemeenschappelijke bepaling
Section 4. La disposition commune
Art. 367. Verzwarende factor
  Bij de keuze van de straf of de maatregel en de zwaarte ervan voor een misdrijf als bedoeld in dit hoofdstuk neemt de rechter in overweging dat het misdrijf werd gepleegd door een persoon met een openbare functie in het kader van de uitoefening van deze functie.
Art. 367. Le facteur aggravant
  Lors du choix de la peine ou de la mesure et de la sévérité de celle-ci, pour une infraction visée par le présent chapitre, le juge prend en considération le fait que l'infraction a été commise par une personne exerçant une fonction publique dans le cadre de l'exercice de cette fonction.
Hoofdstuk 11. Misdrijven tegen het lijk en de lijk- bezorging
Chapitre 11. Les infractions contre les cadavres et les sépultures
Afdeling 1. Zonder voorafgaande toestemming een begraving of crematie verrichten
Section 1re. L'inhumation ou la crémation sans consentement préalable
Art. 368. Zonder voorafgaande toestemming een begraving of crematie verrichten
  Het zonder voorafgaande toestemming een begraving of crematie verrichten is het opzettelijk zonder voorafgaande toestemming van de openbare ambtenaar een begraving of crematie verrichten.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 368. L'inhumation ou la crémation sans consentement préalable
  L'inhumation ou la crémation sans consentement préalable consiste à, délibérément, procéder à une inhumation ou à une crémation sans le consentement préalable de l'officier public.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
Afdeling 2. Lijk- en grafschennis
Section 2. La profanation de cadavres et de sépultures
Art. 369. Lijkschennis
  Lijkschennis is het opzettelijk aantasten van de integriteit van het lijk waardoor de nagedachtenis van de overledene werd beledigd of gekwetst.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 369. La profanation de cadavres
  La profanation de cadavres est l'atteinte, faite délibérément, à l'intégrité du cadavre, de sorte à offenser ou à blesser la mémoire du défunt.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Art. 370. Grafschennis
  Grafschennis is het opzettelijk vernielen, neerhalen of beschadigen van graven, gedenktekens opgericht ter nagedachtenis van de overledenen, funeraire urnen of asverspreidingsweiden waardoor de nagedachtenis van de overledene werd beledigd of gekwetst.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 370. La profanation de sépultures
  La profanation de sépultures consiste à, délibérément, détruire, démolir ou dégrader, des tombes, des signes commémoratifs créés à la mémoire des défunts, des urnes funéraires ou des aires de dispersion des cendres, de sorte à offenser ou à blesser la mémoire du défunt.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Titel 4. Misdrijven tegen de openbare veiligheid
Titre 4. Les infractions contre la sécurité publique
Hoofdstuk 1. Terrorisme
Chapitre 1er. Le terrorisme
Art. 371. Terroristisch misdrijf
  § 1. Een terroristisch misdrijf is het plegen van een misdrijf bedoeld in de paragrafen 2 en 3 dat door zijn aard of context een land of een internationale organisatie ernstig kan schaden en opzettelijk gepleegd is met het oogmerk om een bevolking ernstige vrees aan te jagen of om de overheid of een internationale organisatie op onrechtmatige wijze te dwingen tot het verrichten of het zich onthouden van een handeling, of om de politieke, constitutionele, economische of sociale basisstructuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen.
  § 2. Als terroristisch misdrijf wordt onder de voorwaarden bepaald in paragraaf 1, aangemerkt:
  1° het opzettelijk doden bedoeld in titel 3, hoofdstuk 1, afdeling 1;
  2° de foltering bedoeld in titel 3, hoofdstuk 2, afdeling 1 en de onmenselijke behandeling bedoeld in titel 3, hoofdstuk 2, afdeling 2;
  3° de gewelddaden bedoeld in titel 3, hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 1 en de vrouwelijke genitale verminking bedoeld in titel 3, hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 2;
  4° de misdrijven die een aanslag zijn op de individuele vrijheid bedoeld in titel 3, hoofdstuk 5;
  5° de grootschalige vernieling of beschadiging bedoeld in de artikelen 514, 516, 517, 518, 526, 3°, 532 en 533, in artikel 2.4.5.6 van het Belgisch Scheepvaartwetboek, en in artikel 114, § 4, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, waardoor mensenlevens in gevaar worden gebracht of aanzienlijke economische schade wordt aangericht;
  6° de informaticasabotage bedoeld in de artikelen 531 en 532;
  7° het kapen van vliegtuigen bedoeld in artikel 30, § 1, 2°, van de wet van 27 juni 1937 houdende herziening van de wet van 16 november 1919 betreffende de regeling der luchtvaart;
  8° de misdrijven van piraterij en daarmee gelijkgestelde misdrijven bedoeld in artikel 4.5.2.2 en 4.5.2.3 van het Belgisch Scheepvaartwetboek;
  9° de misdrijven bedoeld in het koninklijk besluit van 23 september 1958 houdende algemeen reglement betreffende het fabriceren, opslaan, onder zich houden, verkopen, vervoeren en gebruiken van springstoffen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 1 februari 2000, en die strafbaar zijn gesteld door de artikelen 5 tot 7 van de wet van 28 mei 1956 betreffende ontplofbare en voor de deflagratie vatbare stoffen en mengsels en de daarmee geladen tuigen;
  10° de misdrijven bedoeld in de artikelen 505, 506, 507, 508, 509, 510, 511, 513, tweede lid, alsook in artikel 2.4.5.5 van het Belgisch Scheepvaartwetboek in de omstandigheden bedoeld in artikel 4.1.2.17, § 2, van het Belgisch Scheepvaartwetboek, waardoor mensenlevens in gevaar worden gebracht;
  11° de misdrijven bedoeld in de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens;
  12° de misdrijven bedoeld in artikel 2, eerste lid, 2°, van de wet van 10 juli 1978 houdende goedkeuring van het Verdrag tot verbod van de ontwikkeling, de productie en de aanleg van voorraden van bacteriologische (biologische) en toxinewapens en inzake de vernietiging van deze wapens, opgemaakt te Londen, Moskou en Washington op 10 april 1972;
  13° de poging, in de zin van artikel 9, § 1, tot het plegen van een van de misdrijven bedoeld in de bepalingen onder 1° tot 12°.
  Behalve indien het misdrijf strafbaar is met een straf van niveau 8, worden de straffen voorzien voor de misdrijven opgesomd in het voorgaande lid, vervangen door een straf van het onmiddellijk hoger niveau .
  § 3. Als terroristisch misdrijf wordt onder de voorwaarden bedoeld in paragraaf 1 eveneens aangemerkt:
  1° andere dan in paragraaf 2 bedoelde grootschalige vernieling of beschadiging, of het veroorzaken van een overstroming van een infrastructurele voorziening, een vervoerssysteem, een publiek of privaat eigendom, waardoor mensenlevens in gevaar worden gebracht of aanzienlijke economische schade wordt aangericht;
  2° het kapen van andere transportmiddelen dan die bedoeld in de bepalingen onder 7° en 8° van paragraaf 2;
  3° het vervaardigen, bezitten, verwerven, vervoeren, of leveren van kernwapens, radiologische wapens of chemische wapens, het gebruik van kernwapens, biologische, radiologische of chemische wapens, alsmede het verrichten van onderzoek in en het ontwikkelen van radiologische of chemische wapens;
  4° het laten ontsnappen van gevaarlijke stoffen waardoor mensenlevens in gevaar worden gebracht;
  5° het verstoren of onderbreken van de toevoer van water, elektriciteit of andere essentiële natuurlijke hulpbronnen waardoor mensenlevens in gevaar worden gebracht;
  6° de bedreiging met het plegen van één van de strafbare feiten bedoeld in paragraaf 2 of in deze paragraaf.
  De misdrijven bedoeld in het eerste lid worden als volgt bestraft:
  a) het misdrijf bedoeld in de bepaling onder 6° wordt bestraft met een straf van niveau 3 wanneer de dreiging betrekking heeft op een misdrijf strafbaar met een straf van niveau 2 of 3; het wordt bestraft met een straf van niveau 4 wanneer de dreiging betrekking heeft op een misdrijf strafbaar met een straf van niveau 4 of meer;
  b) de misdrijven bedoeld in de bepalingen onder 1°, 2° en 5° worden bestraft met een straf van niveau 5;
  c) de misdrijven bedoeld in 3° en 4° worden bestraft met een straf van niveau 8.
Art. 371. L'infraction terroriste
  § 1er. L'infraction terroriste consiste à commettre une des infractions visées aux paragraphes 2 et 3 qui, de par sa nature ou son contexte, peut porter gravement atteinte à un pays ou à une organisation internationale et est commise intentionnellement dans le but d'intimider gravement une population ou de contraindre indûment des pouvoirs publics ou une organisation internationale à accomplir ou à s'abstenir d'accomplir un acte, ou de gravement déstabiliser ou détruire les structures fondamentales politiques, constitutionnelles, économiques ou sociales d'un pays ou d'une organisation internationale.
  § 2. Les infractions suivantes constituent, aux conditions déterminées au paragraphe 1er, une infraction terroriste:
  1° l'homicide volontaire visé au titre 3, chapitre 1er, section 1re;
  2° la torture visée au titre 3, chapitre 2, section 1re et le traitement inhumain visé au titre 3, chapitre 2, section 2;
  3° les actes de violence visés au titre 3, chapitre 4, section 1re, sous-section 1re et les mutilations des organes génitaux féminins visées au titre 3, chapitre 4, section 1re, sous-section 2;
  4° les infractions portant atteinte à la liberté individuelle visées au titre 3, chapitre 5;
  5° la destruction ou la dégradation massives visées aux articles 514, 516, 517, 518, 526, 3°, 532 et 533, à l'article 2.4.5.6 du Code belge de la Navigation, ainsi qu'à l'article 114, § 4, de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques, ayant pour effet de mettre en danger des vies humaines ou de produire des pertes économiques considérables;
  6° le sabotage informatique visé aux articles 531 et 532;
  7° la capture d'aéronef visée à l'article 30, § 1er, 2°, de la loi du 27 juin 1937 portant révision de la loi du 16 novembre 1919 relative à la règlementation de la navigation aérienne;
  8° les infractions de piraterie et une infraction assimilée visées à l'article 4.5.2.2 et 4.5.2.3 du Code belge de la Navigation;
  9° les infractions visées par l'arrêté royal du 23 septembre 1958 portant règlement général sur la fabrication, l'emmagasinage, la détention, le débit, le transport et l'emploi des produits explosifs, modifié par l'arrêté royal du 1er février 2000, et punies par les articles 5 à 7 de la loi du 28 mai 1956 relative aux substances et mélanges explosibles ou susceptibles de déflagrer et aux engins qui en sont chargés;
  10° les infractions visées aux articles 505, 506, 507, 508, 509, 510, 511, 513, alinéa 2, ainsi qu'à l'article 2.4.5.5 du Code belge de la Navigation dans les circonstances visées à l'article 4.1.2.17, § 2, du Code belge de la Navigation, ayant pour effet de mettre en danger des vies humaines;
  11° les infractions visées par la loi du 28 juin 2006 réglant des activités économiques et individuelles avec des armes;
  12° les infractions visées à l'article 2, alinéa 1er, 2°, de la loi du 10 juillet 1978 portant approbation de la Convention sur l'interdiction de la mise au point, de la fabrication et du stockage des armes bactériologiques (biologiques) ou à toxines et sur leur destruction, faite à Londres, Moscou et Washington le 10 avril 1972;
  13° la tentative, au sens de l'article 9, § 1er, de commettre une des infractions visées aux 1° à 12°.
  Sauf lorsque l'infraction est punissable d'une peine de niveau 8, les peines prévues aux infractions énumérées à l'alinéa précédent, sont remplacées par une peine du niveau immédiatement supérieur.
  § 3. Les infractions suivantes constituent également, aux conditions visées au paragraphe 1er, une infraction terroriste:
  1° la destruction ou la dégradation massives, ou la provocation d'une inondation d'une infrastructure, d'un système de transport, d'une propriété publique ou privée, ayant pour effet de mettre en danger des vies humaines ou de produire des pertes économiques considérables, autres que celles visées au paragraphe 2;
  2° la capture d'autres moyens de transport que ceux visés aux 7° et 8° du paragraphe 2;
  3° la fabrication, la possession, l'acquisition, le transport ou la fourniture d'armes nucléaires, radiologiques ou chimiques, l'utilisation d'armes nucléaires, biologiques, radiologiques ou chimiques, ainsi que la recherche et le développement d'armes radiologiques ou chimiques;
  4° la libération de substances dangereuses ayant pour effet de mettre en danger des vies humaines;
  5° la perturbation ou l'interruption de l'approvisionnement en eau, en électricité ou en toute autre ressource naturelle fondamentale ayant pour effet de mettre en danger des vies humaines;
  6° la menace de réaliser l'une des infractions énumérées au paragraphe 2 ou au présent paragraphe.
  Les infractions visées à l'alinéa 1er sont punies comme suit:
  a) l'infraction visée au 6° est punie d'une peine de niveau 3 lorsque la menace porte sur une infraction punissable d'une peine de niveau 2 ou 3; elle est punissable d'une peine de niveau 4, lorsque la menace porte sur une infraction punissable d'une peine de niveau 4 ou plus;
  b) les infractions visées aux 1°, 2° et 5° sont punies d'une peine de niveau 5;
  c) les infractions visées aux 3° et 4° sont punies d'une peine de niveau 8.
Art. 372. Definitie van terroristische groep
  Een terroristische groep is iedere gestructureerde vereniging van meer dan twee personen die sinds enige tijd bestaat en die in onderling overleg optreedt om terroristische misdrijven te plegen, bedoeld in artikel 371.
  Een organisatie waarvan het feitelijk oogmerk uitsluitend politiek, vakorganisatorisch, menslievend, levensbeschouwelijk of godsdienstig is of die uitsluitend enig ander rechtmatig oogmerk nastreeft, kan als zodanig niet beschouwd worden als een terroristische groep in de zin van het eerste lid.
Art. 372. La définition du groupe terroriste
  Un groupe terroriste est l'association structurée de plus de deux personnes, établie dans le temps, et qui agit de façon concertée en vue de commettre des infractions terroristes visées à l'article 371.
  Une organisation dont l'objet réel est exclusivement d'ordre politique, syndical, philanthropique, philosophique ou religieux ou qui poursuit exclusivement tout autre but légitime ne peut, en tant que telle, être considérée comme un groupe terroriste au sens de l'alinéa 1er.
Art. 373. Deelname aan een terroristische groep
  Deelname aan een terroristische groep is het opzettelijk deelnemen aan enige activiteit van een terroristische groep, onder meer door het verstrekken van gegevens of materiële middelen aan een terroristische groep of door het in enigerlei vorm financieren van enige activiteit van een terroristische groep, terwijl men wist of moest weten dat zijn deelname zou kunnen bijdragen tot het plegen van een misdrijf door de terroristische groep.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 4.
Art. 373. La participation à un groupe terroriste
  La participation à un groupe terroriste consiste à participer délibérément à une activité d'un groupe terroriste, y compris par la fourniture d'informations ou de moyens matériels au groupe terroriste, ou par toute forme de financement d'une activité du groupe terroriste, en ayant eu ou en ayant dû avoir connaissance que cette participation pourrait contribuer à commettre une infraction du groupe terroriste.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 4.
Art. 374. Deelname aan het nemen van een beslissing binnen een terroristische groep
  Deelname aan het nemen van een beslissing binnen een terroristische groep is het opzettelijk deelnemen aan het nemen van een beslissing in het kader van de activiteiten van een terroristische groep, terwijl men wist of moest weten dat deze deelname zou kunnen bijdragen tot het plegen van een misdrijf door deze terroristische groep.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 5.
Art. 374. La participation à la prise de décision dans un groupe terroriste
  La participation à la prise de décision dans un groupe terroriste consiste à délibérément participer à la prise de décision dans le cadre des activités du groupe terroriste, en ayant eu ou en ayant dû avoir connaissance que cette participation pourrait contribuer à commettre une infraction du groupe terroriste.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 5.
Art. 375. Verzwaarde deelname aan een terroristische groep
  De deelname aan een terroristische groep als leidend persoon wordt bestraft met een straf van niveau 6.
Art. 375. La participation aggravée à un groupe terroriste
  La participation à un groupe terroriste en qualité de dirigeant du groupe est punie d'une peine de niveau 6.
Art. 376. Aanzetten tot het plegen van terroristische misdrijven en verheerlijken van terrorisme
  Aanzetten tot het plegen van terroristische misdrijven is, onverminderd de toepassing van de artikelen 373, 374 en 375, het verspreiden of anderszins publiekelijk ter beschikking stellen van een boodschap met het oogmerk aan te zetten tot het plegen van één van de in de artikelen 371 en 382, bedoelde misdrijven, met uitzondering van het in artikel 371, § 3, 6°, bedoelde misdrijf, indien dergelijk gedrag, ongeacht of het al dan niet rechtstreeks aanstuurt op het plegen van terroristische misdrijven, het risico oplevert dat één of meer van deze misdrijven mogelijk worden gepleegd.
  Verheerlijken van terrorisme is het in het openbaar, ontkennen, schromelijk minimaliseren, pogen te rechtvaardigen of goedkeuren van een van de in de artikelen 371 en 382 bedoelde misdrijven, met uitzondering van het in artikel 371, § 3, 6°, bedoelde misdrijf, wanneer dit gedrag een ernstig en reëel gevaar oplevert dat een of meer van deze misdrijven mogelijk worden gepleegd en het gedrag met dat oogmerk werd gepleegd.
  Deze misdrijven worden bestraft met een straf van niveau 3 wanneer zij betrekking hebben op een terroristisch misdrijf strafbaar met een straf van niveau 2 of meer of niveau 4 wanneer zij betrekking hebben op een terroristisch misdrijf strafbaar met een straf van niveau 5 of meer.
Art. 376. L'incitation à la commission d'infractions terroristes et l'apologie du terrorisme
  Sans préjudice de l'application des articles 373, 374 et 375, l'incitation à la commission d'infractions terroristes consiste à diffuser ou mettre à la disposition du public de toute autre manière un message, avec l'intention d'inciter à la commission d'une des infractions visées aux articles 371 et 382, à l'exception de celle visée à l'article 371, § 3, 6°, lorsqu'un tel comportement, qu'il préconise directement ou non la commission d'infractions terroristes, crée le risque qu'une ou plusieurs de ces infractions puissent être commises.
  L'apologie du terrorisme consiste à, en public, nier, minimiser grossièrement, chercher à justifier ou approuver une des infractions visées aux articles 371 et 382, à l'exception de celle visée à l'article 371, § 3, 6°, lorsqu'un tel comportement crée un risque sérieux et réel qu'une ou plusieurs de ces infractions puissent être commises et que ce comportement a été commis dans cette intention.
  Ces infractions sont punies d'une peine de niveau 3 lorsqu'elles portent sur une infraction terroriste passible d'une peine de niveau 2 ou plus, ou de niveau 4 lorsqu'elles portent sur une infraction terroriste passible d'une peine de niveau 5 ou plus.
Art. 377. Aanzetten tot het plegen van terroristische misdrijven en verheerlijken van terrorisme ten aanzien van een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand
  Het aanzetten tot het plegen van terroristische misdrijven en het verheerlijken van terrorisme worden bestraft met een straf van niveau 5 wanneer zij zich specifiek richten tot een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand.
Art. 377. L'incitation à la commission d'infractions terroristes et l'apologie du terrorisme envers un mineur d'âge ou une personne en situation de vulnérabilité
  L'incitation à la commission d'infractions terroristes et l'apologie du terrorisme sont punies d'une peine de niveau 5 lorsqu'elles s'adressent spécifiquement à un mineur ou une personne en situation de vulnérabilité.
Art. 378. Aanwerven met het oog op het plegen van een terroristisch misdrijf
  Aanwerven met het oog op het plegen van een terroristisch misdrijf is het aanwerven van een andere persoon met het oog op het plegen of het bijdragen tot het plegen van een van de in de artikelen 371, 373, 374, 375 of 382 bedoelde misdrijven, met uitzondering van het misdrijf bedoeld in artikel 371, § 3, 6°.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 4.
Art. 378. Le recrutement en vue de la commission d'une infraction terroriste
  Le recrutement en vue de la commission d'une infraction terroriste consiste à recruter une autre personne pour commettre ou contribuer à commettre l'une des infractions visées aux articles 371, 373, 374, 375 ou 382, à l'exception de celle visée à l'article 371, § 3, 6°.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 4.
Art. 379. Aanwerven met het oog op het plegen van een terroristisch misdrijf gericht tot een minderjarige of persoon in een kwetsbare toestand
  Het aanwerven met het oog op het plegen van een terroristisch misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 5 wanneer het aanwerven zich specifiek richt tot een minderjarige of persoon in een kwetsbare toestand.
Art. 379. Le recrutement en vue de la commission d'une infraction terroriste visant un mineur d'âge ou une personne en situation de vulnérabilité
  Le recrutement en vue de la commission d'une infraction terroriste est puni d'une peine de niveau 5 lorsque le recrutement s'adresse spécifiquement à un mineur ou une personne en situation de vulnérabilité.
Art. 380. Onderrichten of opleiden met het oog op het plegen van een terroristisch misdrijf
  Onderrichten of opleiden met het oog op het plegen van een terroristisch misdrijf is:
  1° het geven van onderrichtingen of het verschaffen van een opleiding voor de vervaardiging of het gebruik van explosieven, vuurwapens of andere wapens of schadelijke of gevaarlijke stoffen, dan wel voor andere specifieke methoden en technieken met het oog op het plegen of het bijdragen tot het plegen van een van de misdrijven bedoeld in artikel 371, met uitzondering van het misdrijf bedoeld in artikel 371, § 3, 6° ;
  2° zich in België of in het buitenland onderrichtingen doen geven of een opleiding volgen als bedoeld in de bepaling onder 1°, met het oog op het plegen of het bijdragen tot het plegen van een van de in artikel 371 bedoelde misdrijven, met uitzondering van het misdrijf bedoeld in artikel 371, § 3, 6° ;
  3° in België of in het buitenland door zelf kennis verwerven of zichzelf vormen in de materies bedoeld in de bepaling onder 1° met het oog op het plegen of het bijdragen tot het plegen van een van de in artikel 371 bedoelde misdrijven, met uitzondering van het misdrijf als bedoeld in artikel 371, § 3, 6°.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 4.
Art. 380. L'instruction ou la formation en vue de la commission d'une infraction terroriste
  L'instruction ou la formation en vue de la commission d'une infraction terroriste consiste à:
  1° donner des instructions ou une formation pour la fabrication ou l'utilisation d'explosifs, d'armes à feu ou d'autres armes ou de substances nocives ou dangereuses, ou pour d'autres méthodes et techniques spécifiques en vue de commettre ou de contribuer à commettre l'une des infractions visées à l'article 371, à l'exception de celle visée à l'article 371, § 3, 6° ;
  2° en Belgique ou à l'étranger, se faire donner des instructions ou suivre une formation telle que visée au 1°, en vue de commettre ou de contribuer à commettre l'une des infractions visées à l'article 371, à l'exception de celle visée à l'article 371, § 3, 6° ;
  3° en Belgique ou à l'étranger, acquérir des connaissances par soi-même ou se former soi-même aux matières visées au 1° en vue de commettre ou de contribuer à commettre l'une des infractions visées à l'article 371, à l'exception de celle visée à l'article 371, § 3, 6°.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 4.
Art. 381. Onderrichten of opleiden met het oog op het plegen van een terroristisch misdrijf gericht tot een minderjarige of persoon in een kwetsbare toestand
  Onderrichten of opleiden met het oog op het plegen van een terroristisch misdrijf bedoeld in de bepaling onder 1° van het artikel 380 wordt bestraft met een straf van niveau 5 indien de onderrichtingen of de opleiding zich specifiek richten tot een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand.
Art. 381. L'instruction ou la formation en vue de la commission d'une infraction terroriste visant un mineur d'âge ou une personne en situation de vulnérabilité
  L'instruction ou la formation en vue de la commission d'une infraction terroriste visée au 1° de l'article 380 est punie d'une peine de niveau 5 lorsque les instructions ou la formation s'adressent spécifiquement à un mineur ou une personne en situation de vulnérabilité.
Art. 382. Binnenkomen of verlaten van het nationaal grondgebied met het oog op het plegen van een terroristisch misdrijf en het organiseren of op enige andere wijze faciliteren van reizen met terroristisch oogmerk
  Binnenkomen of verlaten van het nationaal grondgebied met het oog op het plegen van een terroristisch misdrijf is, onverminderd de toepassing van de artikelen 373, 374 en 375:
  1° het nationaal grondgebied verlaten met het oog op het plegen of het bijdragen tot het plegen, in België of in het buitenland, van een misdrijf bedoeld in de artikelen 371, 373 tot 381, 384 tot 386, met uitzondering van het misdrijf bedoeld in artikel 371, § 3, 6° ;
  2° het binnenkomen van het nationaal grondgebied met het oog op het plegen of het bijdragen tot het plegen, in België of in het buitenland, van een misdrijf bedoeld in de artikelen 371, 373 tot 381, 384 tot 386, met uitzondering van het misdrijf bedoeld in artikel 371, § 3, 6°.
  Het organiseren of op enige andere wijze faciliteren van reizen met terroristische oogmerk is, onverminderd de toepassing van de artikelen 373, 374, en 375, het organiseren of op enige andere wijze faciliteren van een reis vanuit of naar België voor een persoon met het oog op het, in België of het buitenland, plegen van of het bijdragen tot het plegen van een misdrijf bedoeld in de artikelen 371, 373 tot 381, 384 tot 386, met uitzondering van het misdrijf bedoeld in artikel 371, § 3, 6°.
  Deze misdrijven worden bestraft met een straf van niveau 4.
Art. 382. L'entrée dans le territoire ou la sortie du territoire en vue de la commission d'une infraction terroriste et l'organisation et autres facilitations de voyages à des fins terroristes
  Sans préjudice de l'application des articles 373, 374 et 375, l'entrée dans le territoire ou la sortie du territoire en vue de la commission d'une infraction terroriste consiste à:
  1° quitter le territoire national en vue de la commission ou de la contribution à la commission, en Belgique ou à l'étranger, d'une infraction visée aux articles 371, 373 à 381, 384 à 386, à l'exception de celle visée à l'article 371, § 3, 6° ;
  2° entrer sur le territoire national en vue de la commission ou de la contribution à la commission, en Belgique ou à l'étranger, d'une infraction visée aux articles 371, 373 à 381, 384 à 386, à l'exception de celle visée à l'article 371, § 3, 6°.
  Sans préjudice de l'application des articles 373, 374, et 375, l'organisation et autres facilitations de voyages à des fins terroristes consiste à organiser ou faciliter de toute autre manière le voyage à partir de la Belgique ou vers ce pays d'une personne en vue de la commission ou de la contribution à la commission, en Belgique ou à l'étranger, d'une infraction visée aux articles 371, 373 à 381, 384 à 386, à l'exception de celle visée à l'article 371, § 3, 6°.
  Ces infractions sont punies d'une peine de niveau 4.
Art. 383. Voorbereiden van het plegen van een terroristisch misdrijf
  § 1. Voorbereiden van het plegen van een terroristisch misdrijf is het opzettelijk voorbereiden van het plegen van een misdrijf bedoeld in artikel 371, met uitzondering van het misdrijf bedoeld in artikel 371, § 3, 6°, en van de misdrijven bestraft met een straf van niveau 2.
  Dit misdrijf wordt bestraft:
  - met een straf van niveau 3 indien het voorbereide misdrijf bestraft wordt met een straf van niveau 3 of van niveau 4;
  - met een straf van niveau 4 indien het voorbereide misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 5 of van niveau 6;
  - met een straf van niveau 5 indien het voorbereide misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 7 of van niveau 8.
  § 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "voorbereiden" onder meer verstaan:
  1° het verzamelen van inlichtingen over locaties, gebeurtenissen, evenementen of personen waardoor het mogelijk is een actie te plegen op die locaties of gedurende deze gebeurtenissen of evenementen of schade toe te brengen aan die personen, en het observeren van die locaties, gebeurtenissen, evenementen of personen;
  2° het voorhanden hebben, zoeken, aanschaffen, vervoeren of vervaardigen van voorwerpen of stoffen die van aard zijn dat zij een gevaar kunnen uitmaken voor een ander of aanzienlijke economische schade kunnen aanrichten;
  3° het voorhanden hebben, zoeken, aanschaffen, vervoeren of vervaardigen van financiële of materiële middelen, valse of illegaal verkregen documenten, informaticadragers, communicatiemiddelen, transportmiddelen;
  4° het voorhanden hebben, zoeken of aanschaffen van ruimten die een schuilplaats, vergaderplaats, ontmoetingsplaats of onderdak kunnen bieden;
  5° het voorafgaandelijk opeisen van het plegen van een terroristisch misdrijf, met uitzondering van het misdrijf bedoeld in artikel 371, § 3, 6°, om het even in welke vorm en via welk middel deze opeising plaatsvindt.
Art. 383. La préparation de la commission d'une infraction terroriste
  § 1er. La préparation de la commission d'une infraction terroriste consiste à, préparer délibérément la commission d'une infraction visée à l'article 371, à l'exception de celle visée à l'article 371, § 3, 6°, et de celles punissables d'une peine de niveau 2.
  Cette infraction est punie:
  - d'une peine de niveau 3 si l'infraction préparée est punie d'une peine de niveau 3 ou niveau 4;
  - d'une peine de niveau 4 si l'infraction préparée est punie d'une peine de niveau 5 ou niveau 6;
  - d'une peine de niveau 5 si l'infraction préparée est punie d'une peine de niveau 7 ou niveau 8.
  § 2. Pour l'application du présent article, on entend par préparer notamment:
  1° collecter des renseignements concernant des lieux, des événements ou des personnes de manière à pouvoir commettre un acte sur ces lieux ou durant ces événements ou à porter atteinte à ces personnes, et observer ces lieux, ces événements ou ces personnes;
  2° détenir, chercher, acquérir, transporter ou fabriquer des objets ou des substances susceptibles de présenter un danger pour autrui ou de provoquer des pertes économiques considérables;
  3° détenir, chercher, acquérir, transporter ou fabriquer des moyens financiers ou matériels, des faux documents ou des documents obtenus illégalement, des supports informatiques, des moyens de communication, des moyens de transports;
  4° détenir, chercher ou acquérir des locaux pouvant servir de retraite, de lieu de réunion, de lieu de rencontre ou de logement;
  5° revendiquer à l'avance, sous quelque forme et par quelque moyen que ce soit, la commission d'une infraction terroriste, à l'exception de l'infraction visée à l'article 371, § 3, 6°.
Art. 384. Ter beschikking stellen van gegevens of materiële middelen met het oog op het plegen van een terroristisch misdrijf
  Ter beschikking stellen van gegevens of materiële middelen met het oog op het plegen van een terroristisch misdrijf is het, op enigerlei wijze, direct of indirect, verstrekken of inzamelen van gegevens of materiële middelen, daaronder begrepen financiële hulp, met het oogmerk dat deze worden gebruikt of in de wetenschap dat zij, geheel of gedeeltelijk, zullen worden gebruikt, om een misdrijf als bedoeld in de artikelen 371 of 373 tot 383 te plegen of eraan bij te dragen.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3 wanneer het ter beschikking stellen gelinkt is aan een misdrijf strafbaar met een straf van niveau 4 of lager of niveau 4 wanneer het ter beschikking stellen gelinkt is aan een misdrijf strafbaar met een straf van niveau 5 of meer.
Art. 384. La fourniture d'informations ou de moyens matériels en vue de la commission d'une infraction terroriste
  La fourniture d'informations ou de moyens matériels en vue de la commission d'une infraction terroriste consiste à fournir ou réunir, par quelque moyen que ce soit, directement ou indirectement, des informations ou des moyens matériels, y compris une aide financière, avec l'intention qu'ils soient utilisés ou en sachant qu'ils seront utilisés, en tout ou en partie, en vue de commettre ou de contribuer à une infraction visée aux articles 371 ou 373 à 383.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3 lorsque la mise à disposition est liée à une infraction passible d'une sanction de niveau 4 ou inférieur ou de niveau 4 lorsque la mise à disposition est liée à une infraction passible d'une sanction de niveau 5 ou supérieur.
Art. 385. Ter beschikking stellen van gegevens of materiële middelen aan een terroristische persoon
  Ter beschikking stellen van gegevens of materiële middelen aan een terroristische persoon is het, op enigerlei wijze, direct of indirect, opzettelijk verstrekken of inzamelen van gegevens of materiële middelen, daaronder begrepen financiële hulp, met het oogmerk dat deze worden gebruikt of in de wetenschap dat zij, geheel of gedeeltelijk, zullen worden gebruikt, door een andere persoon wanneer de persoon die de materiële middelen verstrekt of inzamelt weet dat die andere persoon een misdrijf als bedoeld in artikel 371 pleegt of zal plegen.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 4 wanneer het ter beschikking stellen gelinkt is aan een misdrijf strafbaar met een straf van niveau 4 of lager of niveau 5 wanneer het ter beschikking stellen gelinkt is aan een misdrijf strafbaar met een straf van niveau 5 of meer.
Art. 385. La fourniture d'informations ou de moyens matériels à une personne terroriste
  La fourniture d'informations ou de moyens matériels à une personne terroriste consiste à délibérément fournir ou réunir, par quelque moyen que ce soit, directement ou indirectement, des informations ou des moyens matériels, y compris une aide financière, avec l'intention qu'ils soient utilisés ou en sachant qu'ils seront utilisés, en tout ou en partie, par une autre personne lorsque la personne qui fournit ou réunit les moyens matériels sait que cette autre personne commet ou va commettre une infraction visée à l'article 371.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 4 lorsque la mise à disposition est liée à une infraction passible d'une sanction de niveau 4 ou inférieur ou de niveau 5 lorsque la mise à disposition est liée à une infraction passible d'une sanction de niveau 5 ou supérieur.
Art. 386. Verzwaard ter beschikking stellen van gegevens of materiële middelen met het oog op het plegen van een terroristisch misdrijf of aan een terroristische persoon
  Het ter beschikking stellen van gegevens of materiële middelen met het oog op het plegen van een terroristisch misdrijf of aan een terroristisch persoon wordt bestraft met een straf van niveau 4 wanneer het ter beschikking stellen gelinkt is aan een misdrijf strafbaar met een straf van niveau 4 of lager, of niveau 5 wanneer het ter beschikking stellen gelinkt is aan een misdrijf strafbaar met een straf van niveau 5 of meer, indien het verstrekken of het inzamelen van de gegevens of materiële middelen plaatsvindt met het oogmerk dat ze geheel of gedeeltelijk gebruikt zouden worden door een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand met het oog op het plegen of het bijdragen tot het plegen van een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel 371.
Art. 386. La fourniture aggravée d'informations ou de moyens matériels en vue de la commission d'une infraction terroriste ou à une personne terroriste
  La fourniture d'informations ou de moyens matériels en vue de la commission d'une infraction terroriste ou à une personne terroriste est punie d'une peine de niveau 4 lorsque la mise à disposition est liée à une infraction passible d'une sanction de niveau 4 ou inférieur, ou de niveau 5 lorsque la mise à disposition est liée à une infraction passible d'une sanction de niveau 5 ou supérieur, lorsque la fourniture ou la réunion d'informations ou des moyens matériels a lieu avec l'intention qu'ils soient utilisés en tout ou en partie par un mineur ou une personne en situation de vulnérabilité en vue de commettre ou de contribuer à commettre une infraction visée à l'article 371.
Art. 387. Toepassingsgebied
  Dit hoofdstuk is niet van toepassing op daden gepleegd in het kader van een internationaal gewapend conflict of een gewapend conflict van niet-internationale aard, door strijdkrachten van een partij bij het conflict wanneer deze daden vallen onder de toepasselijke regels van het internationaal humanitair recht en ermee overeenstemmen.
  Dit hoofdstuk is evenmin van toepassing op handelingen, buiten een gewapend conflict, van de strijdkrachten van een Staat in het kader van de uitoefening van hun officiële taken.
Art. 387. Le champ d'application
  Le présent chapitre ne s'applique pas aux actes commis dans le cadre d'un conflit armé international ou d'un conflit armé ne présentant pas un caractère international par des forces armées d'une partie au conflit lorsque ces actes sont couverts par les règles applicables du droit international humanitaire et sont conformes à celles-ci.
  Le présent chapitre ne s'applique pas non plus aux activités menées, hors conflit armé, par les forces armées d'un Etat dans le cadre de l'exercice de leurs fonctions officielles.
Art. 388. Vrijwaringsclausule van de fundamentele rechten en vrijheden
  Geen enkele bepaling van dit hoofdstuk kan worden gelezen in die zin dat zij een beperking of belemmering beoogt van fundamentele rechten of vrijheden, zoals het stakingsrecht, de vrijheid van vergadering en vereniging, waaronder het recht om, voor de verdediging van de eigen belangen, samen met anderen vakbonden op te richten dan wel zich erbij aan te sluiten, evenals het daarmee samenhangende recht van betoging, de vrijheid van meningsuiting, in het bijzonder de vrijheid van drukpers en de vrijheid van meningsuiting in andere media, en zoals onder meer verankerd in de artikelen 8 tot 11 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Art. 388. La clause de protection des libertés et droits fondamentaux
  Aucune disposition du présent chapitre ne peut être interprétée comme visant à réduire ou entraver des libertés ou droits fondamentaux tels que le droit de grève, la liberté de réunion et d'association, y compris le droit de fonder avec d'autres des syndicats et de s'y affilier pour la défense de ses intérêts, et le droit de manifester qui s'y rattache, la liberté d'expression, en particulier la liberté de la presse et la liberté d'expression dans d'autres médias, et tels que consacrés notamment par les articles 8 à 11 de la Convention européenne de sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales.
Hoofdstuk 2. Aanslag op en samenspanning tegen de burgerlijke vrede
Chapitre 2. Les attentats et complots contre la paix civile
Art. 389. Aanslag op de burgerlijke vrede
  Aanslag op de burgerlijke vrede is:
  1° het wapenen van de burgers of het aanzetten van de burgers zich te wapenen tegen elkaar, met het oogmerk een burgeroorlog uit te lokken;
  2° het plegen van een aanslag met het oogmerk een verwoesting, een massamoord of een plundering op een of meer plaatsen aan te richten.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 5.
Art. 389. L'attentat contre la paix civile
  L'attentat contre la paix civile consiste à:
  1° armer ou à amener les citoyens à s'armer les uns contre les autres dans le but de provoquer la guerre civile;
  2° commettre un attentat dans le but de provoquer la dévastation, le massacre ou le pillage dans une ou plusieurs localités.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 5.
Art. 390. Samenspanning tegen de burgerlijke vrede
  Samenspanning tegen de burgerlijke vrede is elke samenspanning met het oogmerk een aanslag op de burgerlijke vrede te plegen.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 4.
Art. 390. Le complot contre la paix civile
  Le complot contre la paix civile consiste à former un complot en vue de commettre un attentat contre la paix civile.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 4.
Art. 391. Voorbereiding van een aanslag op de burgerlijke vrede
  Voorbereiding van een aanslag op de burgerlijke vrede is elke samenspanning tegen de burgerlijke vrede die is gevolgd door enige opzettelijk aangenomen gedraging om de uitvoering ervan voor te bereiden.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 5.
Art. 391. La préparation d'un attentat contre la paix civile
  La préparation d'un attentat contre la paix civile consiste à former un complot contre la paix civile suivi d'un acte quelconque adopté délibérément pour en préparer l'exécution.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 5.
Art. 392. Strafuitsluitende verschoningsgrond
  De persoon die, vóór het plegen van een aanslag en vóór het aanvangen van enige vervolging, een samenspanning of een voorbereiding van een aanslag en alle informatie waarover hij beschikt omtrent de omstandigheden en daders van het misdrijf aan de overheid ter kennis brengt, wordt niet gestraft.
Art. 392. La cause d'excuse d'exemption de peine
  La personne qui, avant qu'un attentat soit commis et avant le début de toute poursuite, informe l'autorité d'un complot ou d'une préparation d'attentat ainsi que de l'intégralité des informations qu'elle détient sur les circonstances et les auteurs de l'infraction, n'encourt aucune peine.
Hoofdstuk 3. Vorming van gewapende groepen en deelneming aan dergelijke groepen
Chapitre 3. La constitution de groupes armés et la participation à de tels groupes
Art. 393. Onwettige lichting van gewapende krijgsbenden
  Onwettige lichting van gewapende krijgsbenden is het opzettelijk lichten van gewapende krijgsbenden, aanwerven of ronselen van krijgslieden of het leveren of verschaffen van wapens of munitie aan hen, zonder bevel of toelating van de regering.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 393. La levée illégale de troupes armées
  La levée illégale de troupes armées consiste à lever délibérément des troupes armées, engager ou enrôler des soldats ou leur fournir ou leur procurer des armes ou des munitions, sans ordre ni autorisation du gouvernement.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
Art. 394. Deelneming aan een private militie
  Deelneming aan een private militie is het opzettelijk deel uitmaken van een private militie of elke andere organisatie van private personen, opgericht buiten de gevallen in de wet bepaald, waarvan het doel is geweld te gebruiken of het leger of de politie te vervangen, zich met hun werking in te laten of in hun plaats op te treden.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 394. La participation à une milice privée
  La participation à une milice privée consiste à, délibérément faire partie, lorsqu'elle est créée en dehors des cas prévus par la loi, d'une milice privée ou de toute autre organisation de particuliers dont l'objet est de recourir à la force, ou de suppléer l'armée ou la police, de s'immiscer dans leur action ou de se substituer à elles.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Art. 395. Verzwaarde deelneming aan een private militie
  Deelneming aan een private militie in de hoedanigheid van leidend persoon wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 395. La participation aggravée à une milice privée
  La participation à une milice privée en qualité de dirigeant est punie d'une peine de niveau 3.
Art. 396. Onwettig optreden van een groep met militair voorkomen
  Onwettig optreden van een groep met militair voorkomen is het opzettelijk organiseren van of deelnemen aan het in het openbaar optreden van private personen in groep die, hetzij door de door hen gehouden oefeningen, hetzij door het uniform of de uitrustingsstukken die zij dragen het voorkomen van militaire troepen hebben.
  Het eerste lid is van toepassing noch op groepen die uitsluitend een cultureel of liefdadig doel beogen, noch op oefeningen die uitsluitend uitgevoerd worden in het kader van een door de bevoegde overheid erkende sport, noch op vooraf aan de lokale overheden aangekondigde en wettig georganiseerde activiteiten die bestaan uit de reconstructie van historische gebeurtenissen, noch op in het kader van de wet van 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid daartoe erkende opleidingsinstellingen.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 396. L'exhibition illégale d'un groupe ayant l'apparence militaire
  L'exhibition illégale d'un groupe ayant l'apparence militaire consiste à organiser ou participer délibérément à des exhibitions en public de particuliers en groupe qui, soit par les exercices auxquels ils se livre nt, soit par l'uniforme ou les pièces d'équipement qu'ils portent, ont l'apparence de troupes militaires.
  L'alinéa 1er ne s'applique ni aux groupes qui poursuivent exclusivement un but culturel ou charitable ni aux exercices qui sont exclusivement exécutés dans le cadre d'un sport reconnu par l'autorité compétente, ni aux activités de reconstitution d'événements historiques annoncées préalablement aux autorités locales et organisées légitimement, ni aux organismes de formation agréés à cet effet dans le cadre de la loi du 2 octobre 2017 réglementant la sécurité privée et particulière.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
Art. 397. Collectieve geweldstraining
  Collectieve geweldstraining is het opzettelijk organiseren van of deelnemen aan collectieve oefeningen, met of zonder wapens, bestemd om particulieren in het gebruik van geweld te onderrichten.
  Het eerste lid is van toepassing noch op oefeningen die uitsluitend beoefend worden in het kader van een door de bevoegde overheid erkende sport, noch op vooraf aan de lokale overheden aangekondigde en wettig georganiseerde activiteiten die bestaan uit de reconstructie van historische gebeurtenissen, noch op in het kader van de wet van 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid daartoe erkende opleidingsinstellingen.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 397. L'entrainement collectif à la violence
  L'entraînement collectif à la violence consiste à organiser ou participer délibérément à des exercices collectifs, avec ou sans armes, destinés à apprendre l'utilisation de la violence à des particuliers.
  L'alinéa 1er ne s'applique pas aux exercices qui sont exclusivement exécutés dans le cadre d'un sport reconnu par l'autorité compétente, ni aux activités de reconstitution d'événements historiques annoncées préalablement aux autorités locales et organisées légitimement, ni aux organismes de formation agréés à cet effet dans le cadre de la loi du 2 octobre 2017 réglementant la sécurité privée et particulière.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Art. 398. Onwettige militaire bevelvoering
  Onwettige militaire bevelvoering is het opzettelijk:
  1° nemen van het bevel over een legerkorps, een troepeneenheid, een oorlogsschip, een versterkte vesting, een post, een haven of een stad, zonder daar het recht of een wettige reden toe te hebben;
  2° behouden van enig militair bevel, tegen het bevel van de regering;
  3° bijeenhouden, door een bevelhebber, van zijn leger of zijn troepeneenheid nadat de afdanking of de ontbinding ervan is gelast.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 4.
Art. 398. L'exercice illégal d'un commandement militaire
  L'exercice illégal d'un commandement militaire consiste à, délibérément:
  1° prendre, sans droit ni motif légitime, le commandement d'un corps d'armée, d'une troupe, d'un bâtiment de guerre, d'une place forte, d'un poste, d'un port ou d'une ville;
  2° retenir, contre l'ordre du gouvernement, un commandement militaire quelconque;
  3° pour un commandant, de tenir son armée ou sa troupe rassemblée, après que le licenciement ou la séparation en auront été ordonnés.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 4.
Art. 399. Leiding over en organisatie van een oproerige gewapende bende
  Leiding over en organisatie van een oproerige gewapende bende is het lichten, leiden of organiseren van een gewapende bende of het vervullen van enige functie daarin of voeren van enig bevel daarover:
  1° met het oogmerk zich openbare goederen toe te eigenen, openbare eigendommen of gebouwen te overmeesteren of de openbare macht bij haar optreden tegen de daders van die misdrijven aan te vallen of te weerstaan;
  2° met het oogmerk openbare eigendommen of eigendommen van een algemeenheid van burgers te plunderen of te verdelen of de openbare macht bij haar optreden tegen de daders van die misdrijven aan te vallen of te weerstaan.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 5.
Art. 399. La direction et l'organisation d'une bande armée séditieuse
  La direction et l'organisation d'une bande armée séditieuse consiste à lever, diriger ou organiser une bande armée ou y exercer une fonction ou un commandement quelconque:
  1° dans le but soit de s'approprier des biens publics, soit d'envahir des propriétés ou bâtiments publics, soit d'attaquer ou de résister envers la force publique agissant contre les auteurs de ces infractions;
  2° dans le but soit de piller ou de partager des propriétés publiques ou celles d'une généralité de citoyens, soit d'attaquer ou de résister envers la force publique agissant contre les auteurs de ces infractions.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 5.
Art. 400. Deelneming aan een oproerige gewapende bende
  Deelneming aan een oproerige gewapende bende is het opzettelijk deel uitmaken van een gewapende bende bedoeld in het artikel 399 zonder daarin enig bevel te voeren of enige bediening uit te oefenen.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 4.
Art. 400. La participation à une bande armée séditieuse
  La participation à une bande armée séditieuse consiste à délibérément faire partie d'une bande armée visée à l'article 399 sans y exercer aucun commandement ni emploi.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 4.
Art. 401. Strafuitsluitende verschoningsgrond
  Diegene die van een oproerige gewapende bende deel uitmaakt zonder daarover enig bevel te voeren en zonder daarin enige bediening of enige functie uit te oefenen en die zich terugtrekt op de eerste waarschuwing van de burgerlijke of de militaire overheid, of zelfs naderhand, wanneer hij buiten de plaats van de oproerige bijeenkomst wordt gevat zonder tegenstand te bieden en zonder wapens, wordt niet gestraft.
Art. 401. La cause d'excuse d'exemption de peine
  Celui qui, ayant fait partie d'une bande armée séditieuse sans y exercer aucun commandement et sans y remplir aucun emploi ni fonction, se sera retiré au premier avertissement des autorités civiles ou militaires, ou même par après, lorsqu'il aura été saisi hors des lieux de la réunion séditieuse, sans opposer de résistance et sans armes, n'encourt aucune peine.
Art. 402. Verschaffen van onderdak aan een oproerige gewapende bende
  Verschaffen van onderdak aan een oproerige gewapende bende is het opzettelijk verschaffen van onderdak, een schuilplaats of een vergaderplaats aan een oproerige gewapende bende of een deel ervan, met kennis van het doel of de aard van die bende.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
  Deze bepaling laat de toepassing van artikel 19 onverlet.
Art. 402. La fourniture de logement à une bande armée séditieuse
  La fourniture de logement à une bande armée séditieuse consiste à délibérément fournir un logement, ou un lieu de retraite ou de réunion à une bande armée séditieuse ou à une partie de celle-ci en connaissant le but ou le caractère de ladite bande.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
  La présente disposition ne porte pas préjudice à l'application de l'article 19.
Hoofdstuk 4. Vereniging met het oog op het plegen van een misdrijf en criminele organisatie
Chapitre 4. L'association en vue de commettre une infraction et l'organisation criminelle
Afdeling 1. Vereniging met het oog op het plegen van een misdrijf
Section 1re. L'association en vue de commettre une infraction
Art. 403. Definitie van vereniging van misdadigers
  Een vereniging van misdadigers is elke vereniging van meer dan twee personen met het oogmerk een aanslag te plegen op personen of op eigendommen. Zij bestaat door het enkel feit van het inrichten van de bende.
Art. 403. La définition de l'association de malfaiteurs
  L'association de malfaiteurs est toute association de plus de deux personnes formée dans le but d'attenter aux personnes ou aux propriétés, qui existe par le seul fait de l'organisation de la bande.
Art. 404. Deelneming aan een vereniging van misdadigers
  Deelneming aan een vereniging van misdadigers is het opzettelijk:
  1° deel uitmaken van een vereniging van misdadigers;
  2° verschaffen van wapens, materiaal voor het plegen van misdrijven, onderdak, een schuilplaats of een vergaderplaats aan die vereniging of een deel ervan.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3 wanneer de vereniging tot doel heeft misdrijven te plegen die strafbaar zijn met een straf van niveau 5 of van een hoger niveau .
  Het wordt bestraft met een straf van niveau 2 wanneer de vereniging tot doel heeft misdrijven te plegen die strafbaar zijn met een straf van niveau 4 of van een lager niveau .
Art. 404. La participation à une association de malfaiteurs
  La participation à une association de malfaiteurs consiste à, délibérément:
  1° faire partie d'une association de malfaiteurs;
  2° fournir à celle-ci ou à une partie de celle-ci des armes, du matériel en vue de commettre des infractions, un logement ou un lieu de retraite ou de réunion.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3 lorsque l'association a pour but la commission d'infractions punissables d'une peine de niveau 5 ou d'un niveau supérieur.
  Elle est punie d'une peine de niveau 2 lorsque l'association a pour but la commission d'infractions punissables d'une peine de niveau 4 ou d'un niveau inférieur.
Art. 405. Deelneming aan een vereniging van misdadigers als leidend persoon
  Deelneming aan een vereniging van misdadigers als leidend persoon is het opzettelijk de aanstoker of het hoofd zijn van een vereniging van misdadigers of enig bevel daarin voeren.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 4 wanneer de vereniging tot doel heeft misdrijven te plegen die strafbaar zijn met een straf van niveau 5 of van een hoger niveau .
  Het wordt bestraft met een straf van niveau 3 wanneer de vereniging tot doel heeft misdrijven te plegen die strafbaar zijn met een straf van niveau 4 of van een lager niveau .
Art. 405. La participation à une association de malfaiteurs en qualité de dirigeant
  La participation à une association de malfaiteurs en qualité de dirigeant consiste à, délibérément, être le provocateur ou le chef d'une association de malfaiteurs ou à y exercer un commandement quelconque.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 4 lorsque l'association a pour but la commission d'infractions punissables d'une peine de niveau 5 ou d'un niveau supérieur.
  Elle est punie d'une peine de niveau 3 lorsque l'association a pour but la commission d'infractions punissables d'une peine de niveau 4 ou d'un niveau inférieur.
Afdeling 2. Criminele organisatie
Section 2. L'organisation criminelle
Art. 406. Definitie van criminele organisatie
  Een criminele organisatie is iedere gestructureerde vereniging van meer dan twee personen die duurt in de tijd, met als oogmerk het in onderling overleg plegen van misdrijven die strafbaar zijn met een straf van niveau 3 of van een hoger niveau , om direct of indirect vermogensvoordelen te verkrijgen.
Art. 406. La définition de l'organisation criminelle
  Une organisation criminelle est l'association structurée de plus de deux personnes, établie dans le temps, en vue de commettre de façon concertée, des infractions punissables d'une peine de niveau 3 ou d'un niveau supérieur, pour obtenir, directement ou indirectement, des avantages patrimoniaux.
Art. 407. Deelneming aan een criminele organisatie
  Deelneming aan een criminele organisatie is het opzettelijk:
  1° deel uitmaken van een criminele organisatie die gebruik maakt van intimidatie, bedreiging, geweld, listige kunstgrepen of omkoping of commerciële of andere structuren aanwendt om het plegen van de misdrijven te verbergen of te vergemakkelijken, ook al heeft de dader niet de bedoeling een misdrijf in het raam van die organisatie te plegen of daaraan deel te nemen op één van de in artikel 19 bedoelde wijzen;
  2° deelnemen aan de voorbereiding of de uitvoering van enige geoorloofde activiteit van die criminele organisatie, terwijl de dader weet dat zijn deelneming bijdraagt tot de doelstellingen van deze criminele organisatie, zoals omschreven in artikel 406.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 407. La participation à une organisation criminelle
  La participation à une organisation criminelle consiste à, délibérément:
  1° faire partie d'une organisation criminelle qui utilise l'intimidation, la menace, la violence, des manoeuvres frauduleuses ou la corruption ou recourt à des structures commerciales ou autres pour dissimuler ou faciliter la réalisation des infractions, même si l'auteur n'a pas l'intention de commettre une infraction dans le cadre de cette organisation ni de s'y associer d'une des manières visées à l'article 19;
  2° participer à la préparation ou à la réalisation de toute activité licite d'une organisation criminelle, alors que l'auteur sait que sa participation contribue aux objectifs de celle-ci, tels qu'ils sont prévus à l'article 406.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Art. 408. Deelneming aan een criminele organisatie als beslissingsnemer
  Deelneming aan een criminele organisatie als beslissingsnemer is het deelnemen aan het nemen van welke beslissing dan ook in het kader van activiteiten van de criminele organisatie, terwijl de dader weet dat zijn deelneming bijdraagt tot de doelstellingen van deze criminele organisatie, zoals omschreven in artikel 406.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 408. La participation à une organisation criminelle en tant que preneur de décision
  La participation à une organisation criminelle en tant que preneur de décision consiste à participer à toute prise de décision dans le cadre des activités de l'organisation criminelle, alors que l'auteur sait que sa participation contribue aux objectifs de celle-ci, tels qu'ils sont prévus à l'article 406.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
Art. 409. Deelneming aan een criminele organisatie als leidend persoon
  Deelneming aan een criminele organisatie wordt bestraft met een straf van niveau 4 wanneer de dader een leidend persoon is in de criminele organisatie.
Art. 409. La participation à une organisation criminelle en qualité de dirigeant
  La participation à une organisation criminelle est punie d'une peine de niveau 4 lorsque l'auteur est un dirigeant de l'organisation criminelle.
Art. 410. Strafuitsluitende verschoningsgrond
  De persoon die, vóór enige poging tot het plegen van een van de misdrijven die het doel van de vereniging zijn, en vóór enige vervolging, het bestaan van de verenigingen en organisaties bedoeld in de afdelingen 1 en 2 en alle informatie waarover hij beschikt omtrent de omstandigheden van het misdrijf en de namen van de personen die daarin een bevelvoerende functie uitoefenen aan de overheid kenbaar maakt, wordt niet gestraft.
Art. 410. La cause d'excuse d'exemption de peine
  La personne qui, avant toute tentative d'une des infractions faisant l'objet de l'association et avant toute poursuite, aura révélé à l'autorité l'existence des associations et des organisations visées aux sections 1re et 2 et l'intégralité des informations qu'elle détient sur les circonstances de l'infraction et les noms des personnes y exerçant une fonction de commandement, n'encourt aucune peine.
Art. 411. Verbeurdverklaring
  De rechter spreekt de verbeurdverklaring uit van de goederen waarover de criminele organisatie beschikt en waarvan is aangetoond dat ze nuttig zijn geweest om bij te dragen aan de criminele activiteiten die de organisatie ten laste worden gelegd, behoudens wanneer dit voor gevolg zou hebben dat de veroordeelde wordt onderworpen aan een onredelijk zware straf.
  Artikel 53, § 2, tweede lid, § 3 en §§ 6 tot 9, is van toepassing op deze verbeurdverklaring.
Art. 411. La confiscation
  Sauf lorsqu'elle aurait pour effet de soumettre le condamné à une peine déraisonnablement lourde, le juge prononce la confiscation des biens dont dispose l'organisation criminelle et pour lesquels il est établi qu'ils ont été utiles pour contribuer à l'activité criminelle imputée à l'organisation.
  L'article 53, § 2, alinéa 2, § 3 et §§ 6 à 9, s'applique à cette confiscation.
Hoofdstuk 5. Externe beveiliging van kernmateriaal en ander radioactief materiaal
Chapitre 5. La protection physique des matières nucléaires et des autres matières radioactives
Art. 412. Behandeling zonder vergunning van kernmateriaal
  De behandeling zonder vergunning van kernmateriaal is dat een persoon opzettelijk en zonder vergunning, verleend door het bevoegd gezag, of niet op de voorwaarden daarin gesteld, zich kernmateriaal laat afgeven, dan wel zodanig materiaal verkrijgt, in zijn bezit houdt, gebruikt, verandert, afstaat, achterlaat, vervoert of verspreidt.
  Dit misdrijf wordt gestraft met een straf van niveau 3.
Art. 412. La manipulation sans habilitation de matières nucléaires
  La manipulation sans habilitation de matières nucléaires consiste pour une personne à, délibérément et sans y être habilitée par l'autorité compétente ou en dehors des conditions prévues lors de l'habilitation, se faire remettre, acquérir, détenir, utiliser, altérer, céder, abandonner, transporter ou disperser des matières nucléaires.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
Art. 413. Verzwaarde behandeling zonder vergunning van kernmateriaal
  § 1. De behandeling zonder vergunning van kernmateriaal wordt gestraft met een straf van niveau 4, indien het strafbaar feit voor een ander heeft veroorzaakt:
  1° een schending van de integriteit van de derde graad;
  2° de algemene of gedeeltelijke vernietiging van gebouwen, bruggen, dijken, straatwegen, spoorwegen, sluizen, magazijnen, werkplaatsen, loodsen, schepen, vaartuigen, vliegtuigen of andere kunstwerken of bouwwerken die aan een ander toebehoren.
  § 2. De behandeling zonder vergunning van kernmateriaal wordt gestraft met een straf van niveau 5, indien het strafbaar feit, gepleegd zonder het oogmerk om te doden, toch de dood heeft veroorzaakt.
Art. 413. La manipulation aggravée sans habilitation de matières nucléaires
  § 1er. La manipulation sans habilitation de matières nucléaires est punie d'une peine de niveau 4 si le fait a entraîné pour autrui:
  1° une atteinte à l'intégrité du troisième degré;
  2° la destruction en tout ou en partie des édifices, ponts, digues, chaussées, chemins de fer, écluses, magasins, chantiers, hangars, navires, bateaux, aéronefs ou autres ouvrages d'art, ou constructions appartenant à autrui.
  § 2. La manipulation sans habilitation de matières nucléaires est punie d'une peine de niveau 5 si le fait commis sans intention de donner la mort l'a pourtant causée.
Art. 414. Sabotage van kernmateriaal of van nucleaire installaties
  De sabotage van kernmateriaal of van nucleaire installaties is dat een persoon opzettelijk en zonder door het bevoegd gezag verleende vergunning, of buiten de hierin gestelde voorwaarden, een handeling begaat die gericht is tegen kernmateriaal of tegen een installatie waarin kernmateriaal vervaardigd, verwerkt, gebruikt, behandeld, opgeslagen of definitief geborgen wordt of een handeling die de werking van een dergelijke installatie verstoort, indien hij door die handelingen en ingevolge blootstelling aan stralingen of vrijlating van radioactieve stoffen:
  1° de dood van of ernstige letsels aan een persoon, dan wel aanzienlijke schade aan goederen of aan het milieu met opzet veroorzaakt of weet dat hij dit kan veroorzaken, of;
  2° een natuurlijke persoon of rechtspersoon, een internationale organisatie of een regering met opzet ertoe dwingt een handeling te verrichten, dan wel zich daarvan te onthouden.
  Dit misdrijf wordt gestraft met een straf van niveau 5.
Art. 414. Le sabotage de matières ou d'installations nucléaires
  Le sabotage de matières ou d'installations nucléaires consiste pour une personne à, délibérément et sans y être habilitée par l'autorité compétente ou en dehors des conditions prévues lors de l'habilitation, commettre un acte dirigé contre des matières nucléaires ou contre une installation dans laquelle des matières nucléaires sont produites, traitées, utilisées, manipulées, entreposées ou stockées définitivement ou un acte perturbant le fonctionnement d'une telle installation, si, par ces actes et par suite de l'exposition à des rayonnements ou du relâchement de substances radioactives:
  1° elle provoque intentionnellement ou sait qu'elle peut provoquer la mort ou des blessures graves pour autrui ou des dommages substantiels aux biens ou à l'environnement, ou;
  2° elle contraint intentionnellement une personne physique ou morale, une organisation internationale ou un gouvernement à accomplir un acte ou à s'en abstenir.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 5.
Art. 415. Illegaal bezit van radioactief materiaal of van radioactieve instrumenten
  Het illegaal bezit van radioactief materiaal of van radioactieve instrumenten is dat een persoon opzettelijk en zonder door het bevoegd gezag verleende vergunning, of buiten de hierin gestelde voorwaarden, radioactief materiaal ander dan kernmateriaal of radioactieve instrumenten op enige wijze bewaart, vervaardigt of gebruikt, indien hij door die handelingen:
  1° de dood van of ernstige letsels aan een persoon, dan wel aanzienlijke schade aan goederen of aan het milieu met opzet veroorzaakt of weet dat hij dit kan veroorzaken;
  2° een natuurlijke persoon of rechtspersoon, een internationale organisatie of een regering met opzet ertoe dwingt een handeling te verrichten, dan wel zich daarvan te onthouden.
  Dit misdrijf wordt gestraft met een straf van niveau 4.
Art. 415. La possession illicite de matières ou d'engins radioactifs
  La possession illicite de matières ou d'engins radioactifs consiste pour une personne à, délibérément et sans y être habilitée par l'autorité compétente ou en dehors des conditions prévues lors de l'habilitation, détenir, fabriquer, utiliser de quelque manière que ce soit des matières radioactives autres que nucléaires ou des engins radioactifs si, par ces actes:
  1° elle provoque intentionnellement ou sait qu'elle peut provoquer la mort ou des blessures graves pour autrui ou des dommages substantiels aux biens ou à l'environnement;
  2° elle contraint intentionnellement une personne physique ou morale, une organisation internationale ou un gouvernement à accomplir un acte ou à s'en abstenir.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 4.
Art. 416. Sabotage van radioactief materiaal of van radioactieve instrumenten
  De sabotage van radioactief materiaal of van radioactieve instrumenten is dat een persoon opzettelijk en zonder door het bevoegd gezag verleende vergunning, of buiten de hierin gestelde voorwaarden, een handeling begaat gericht tegen radioactief materiaal ander dan kernmateriaal of radioactieve instrumenten, indien hij door die handelingen:
  1° de dood van of ernstige letsels aan een persoon, dan wel aanzienlijke schade aan goederen of aan het milieu met opzet veroorzaakt of weet dat hij dit kan veroorzaken, of;
  2° een natuurlijke persoon of rechtspersoon, een internationale organisatie of een regering met opzet ertoe dwingt een handeling te verrichten, dan wel zich daarvan te onthouden.
  Dit misdrijf wordt gestraft met een straf van niveau 4.
Art. 416. Le sabotage de matières radioactives ou d'engins radioactifs
  Le sabotage de matières radioactives ou d'engins radioactifs consiste pour une personne à, délibérément et sans y être habilitée par l'autorité compétente ou en dehors des conditions prévues lors de l'habilitation, commettre un acte dirigé contre des matières radioactives autres que nucléaires ou des engins radioactifs si, par ces actes:
  1° elle provoque intentionnellement ou sait qu'elle peut provoquer la mort ou des blessures graves pour autrui ou des dommages substantiels aux biens ou à l'environnement, ou;
  2° elle contraint intentionnellement une personne physique ou morale, une organisation internationale ou un gouvernement à accomplir un acte ou à s'en abstenir.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 4.
Art. 417. Gebruik van dwang met het oog op de overdracht van radioactief materiaal of radioactieve instrumenten of van nucleaire installaties
  Het gebruik van dwang met het oog op de overdracht van radioactief materiaal of radioactieve instrumenten of van nucleaire installaties is dat een persoon opzettelijk en zonder door het bevoegd gezag verleende vergunning, of buiten de hierin gestelde voorwaarden, de overdracht van radioactief materiaal of radioactieve instrumenten of van nucleaire installaties eist door bedreiging, in omstandigheden die deze geloofwaardig maken, of door gebruik van geweld.
  Dit misdrijf wordt gestraft met een straf van niveau 3.
Art. 417. Le recours à la contrainte en vue de la remise de matières ou engins radioactifs ou d'installations nucléaires
  La recours à la contrainte en vue de la remise de matières ou engins radioactifs ou d'installations nucléaires consiste pour une personne à, délibérément et sans y être habilitée par l'autorité compétente ou en dehors des conditions prévues lors de l'habilitation, exiger la remise de matières ou engins radioactifs ou d'installations nucléaires en recourant à la menace, dans des circonstances qui la rendent crédible, ou à l'emploi de la force.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
Art. 418. Wederrechtelijke binnendringing in een nucleaire installatie
  De wederrechtelijke binnendringing in een nucleaire installatie is dat een persoon die extern is aan een installatie waarin kernmateriaal vervaardigd, verwerkt, gebruikt, behandeld, opgeslagen of definitief geborgen wordt, opzettelijk en zonder een bevel van de overheid en buiten de gevallen waarin de wet het toelaat, binnendringt of tracht binnen te dringen in de gedeeltes van een dergelijke installatie waarvan de toegang beperkt is tot de in artikel 8bis, §§ 1 tot 4, van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen bedoelde personen, hetzij zonder hiervoor de toestemming te hebben gekregen van de exploitant of zijn aangestelde, hetzij door gebruik te maken van listige kunstgrepen om de exploitant of zijn aangestelde te misleiden over zijn bevoegdheid om in deze gedeeltes van de installatie binnen te dringen.
  Dit misdrijf wordt gestraft met een straf van niveau 2.
Art. 418. L'intrusion illicite dans une installation nucléaire
  L'intrusion illicite dans une installation nucléaire consiste pour une personne extérieure à une installation où des matières nucléaires sont produites, traitées, utilisées, manipulées, entreposées ou stockées définitivement à, délibérément et sans ordre de l'autorité et hors les cas où la loi le permet, pénétrer ou tenter de pénétrer dans les parties d'une telle installation pour lesquelles l'accès est limité aux personnes visées à l'article 8bis, §§ 1er à 4, de la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification et aux habilitations, attestations et avis de sécurité, soit sans y avoir été autorisée par l'exploitant ou son préposé, soit en recourant à des manoeuvres frauduleuses de nature à abuser l'exploitant ou son préposé sur sa légitimité à pénétrer dans ces parties de l'installation.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Hoofdstuk 6. Schending van havengebieden of binnendringen van een voertuig
Chapitre 6. La violation de zones portuaires ou l'intrusion dans un véhicule
Art. 419. Binnendringing in een havengebied
  Binnendringing in een havengebied is het opzettelijk zonder daartoe gemachtigd of toegelaten te zijn, binnenkomen of binnendringen in een havenfaciliteit, bedoeld in artikel 2.5.2.3, 5°, van het Belgisch Scheepvaartwetboek, of in een onroerend dan wel roerend goed binnen de grenzen van een haven in de zin van dezelfde wet.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 419. L'intrusion dans une zone portuaire
  L'intrusion dans une zone portuaire consiste à, délibérément, entrer ou faire intrusion, sans y avoir été habilité ni autorisé, dans une installation portuaire visée à l'article 2.5.2.3, 5°, du Code belge de la navigation, ou dans un bien immobilier ou mobilier situé à l'intérieur du périmètre du port au sens de la même loi.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
Art. 420. Verzwaarde binnendringing in een havengebied
  Binnendringing in een havengebied wordt bestraft met een straf van niveau 2 indien:
  1° van de betrokken activiteit een gewoonte wordt gemaakt;
  2° het misdrijf gepleegd werd bij nacht;
  3° het misdrijf gepleegd werd door twee of meer personen;
  4° het misdrijf gepleegd werd met bedrieglijk opzet of het oogmerk te schaden;
  5° het misdrijf gepleegd werd door middel van geweld of bedreiging;
  6° de dader een kritieke infrastructuur in de zin van de wet van 1 juli 2011 betreffende de beveiliging en de bescherming van de kritieke infrastructuren is binnengegaan of binnengedrongen.
Art. 420. L'intrusion aggravée dans une zone portuaire
  L'intrusion dans une zone portuaire est punie d'une peine de niveau 2 si:
  1° l'activité concernée constitue une activité habituelle;
  2° l'infraction a été commise pendant la nuit;
  3° l'infraction a été commise par deux personnes ou plus;
  4° l'infraction a été commise avec une intention frauduleuse ou à dessein de nuire;
  5° l'infraction a été commise à l'aide de violences ou de menaces;
  6° l'auteur est entré ou a fait intrusion dans une infrastructure critique au sens de la loi du 1er juillet 2011 relative à la sécurité et la protection des infrastructures critiques.
Art. 421. Binnendringen in een voertuig
  In de context van de misdrijven voorzien in de artikelen 258 tot 260 bestaat het binnendringen in een voertuig in het opzettelijk binnengaan van een voertuig, een vaartuig, een wagon, een container, een oplegger of een vliegtuig, zonder daartoe gemachtigd of toegelaten te zijn.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 421. L'intrusion dans un véhicule
  Dans le contexte des infractions visées aux articles 258 à 260, l'intrusion dans un véhicule, consiste à, délibérément, entrer ou faire intrusion, sans y avoir été habilité ni autorisé, dans un véhicule, un navire, un wagon, un conteneur, un semi-remorque ou un avion.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
Art. 422. Strafuitsluitende verschoningsgrond
  Behoudens toepassing van artikel 264 dat reeds een strafuitsluitende verschoningsgrond voor slachtoffers van mensenhandel bevat, worden slachtoffers van mensensmokkel die als rechtstreeks gevolg van de op hen uitgeoefende dwang deelnemen aan de misdrijven bedoeld in dit hoofdstuk, niet gestraft voor die misdrijven.
Art. 422. La cause d'excuse d'exemption de peine
  Sous réserve de l'application de l'article 264 qui contient déjà une cause d'excuse pour les victimes de traite des êtres humains, les victimes de trafic des êtres humains qui prennent part aux infractions prévues au présent chapitre en conséquence directe de la contrainte exercée sur elles, n'encourent aucune peine du chef de ces infractions.
Hoofdstuk 7. Verbod van gezichtsbedekking in de publieke ruimte
Chapitre 7. L'interdiction de se cacher le visage dans l'espace public
Art. 423. Verbod van gezichtsbedekking in de publieke ruimte
  Het verbod van gezichtsbedekking in de publieke ruimte is het zich opzettelijk, behoudens andersluidende wetsbepalingen, in de voor het publiek toegankelijke plaatsen begeven met het gezicht geheel of gedeeltelijk bedekt of verborgen, zodat men niet herkenbaar is.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 423. L'interdiction de se cacher le visage dans l'espace public
  L'interdiction de se cacher le visage dans l'espace public consiste à, délibérément, sauf dispositions légales contraires, se présenter dans des lieux accessibles au public avec le visage masqué ou dissimulé en tout ou en partie, de manière telle que l'on ne soit pas identifiable.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
Art. 424. Rechtvaardigingsgrond
  Er is geen misdrijf wanneer diegenen die zich op plaatsen die voor het publiek toegankelijk zijn begeven met hun gezicht geheel of gedeeltelijk bedekt of verborgen, zodanig dat ze niet kunnen worden geïdentificeerd, dit doen op grond van arbeidsreglementen of een politieverordening naar aanleiding van feestactiviteiten.
Art. 424. La cause de justification
  Il n'y a pas d'infraction lorsque, ceux qui circulent dans des lieux accessibles au public avec le visage masqué ou dissimulé en tout ou en partie, de manière telle qu'ils ne soient pas identifiables, le font en vertu de règlements de travail ou d'une ordonnance de police à l'occasion de manifestations festives.
Titel 5. Valsheden
Titre 5. Les faux
Hoofdstuk 1. Bescherming van de munt, van de effecten, van de veiligheidskenmerken en van de zegels, stempels, keurstempels en merken en van de niet-contante betaalinstrumenten.
Chapitre 1er. La protection de la monnaie, des titres, des dispositifs de sécurité et des sceaux, timbres, poinçons et marques et des instruments de paiement autres que les espèces.
Afdeling 1. Betekenis van enkele in dit hoofdstuk gebruikte termen
Section 1re. La définition de quelques termes utilisés dans ce chapitre
Art. 425. Definities
  Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
  1° de effecten: de obligaties en de daartoe behorende rentebewijzen, de kasbonnen, de cheques of de overschrijvingen uitgegeven door de schatkist, alsook de obligaties van de openbare schuld van een andere Staat, de aandelen, de obligaties of de andere effecten die wettig zijn uitgegeven door de gewesten, de gemeenschappen, de provincies, de gemeenten, de openbare besturen of instellingen, onder welke benaming ook, door vennootschappen of particulieren, alsook de rente- of dividendbewijzen behorende tot die verschillende effecten, ongeacht of zij zijn uitgegeven in België of in een andere Staat;
  2° het materiaal bestemd tot het vervaardigen van de munt of de effecten: de muntstempels, muntmatrijzen, giet- of drukvormen, platen of andere voorwerpen of middelen bestemd tot het vervaardigen van de munt of van effecten;
  3° de plakpostzegels en de andere zegels: de plakpostzegels, de andere nationale of buitenlandse plakzegels, de zegels die gedrukt worden op de documenten die bpost of de post van een andere staat uitgeeft, de frankeerwaarde die vertegenwoordigd worden door afdrukken van machines of door symbolen die door bpost of door de post van een andere Staat erkend zijn;
  De zegels die gedrukt worden op de documenten en de frankeerwaarde die vertegenwoordigd wordt door afdrukken van machines of door symbolen die uitgegeven worden of erkend worden door een onderneming die postdiensten aanbiedt vallen onder toepassing van deze definitie.
  4° de veiligheidskenmerken: hologrammen, watermerken of andere muntbestanddelen die worden gebruikt om de munt tegen namaking of vervalsing te beveiligen;
  5° het niet-contant betaalinstrument: een immaterieel of materieel, beveiligd apparaat of voorwerp of een immateriële of materiële, beveiligde registratie, of een combinatie daarvan, waarmee de houder of gebruiker, al dan niet in combinatie met een procedure of geheel van procedures, geld of monetaire waarde kan overmaken, waaronder door middel van digitale betaalmiddelen, en dat niet wordt bedoeld in artikel 79, 27°.
Art. 425. Les définitions
  Aux fins du présent chapitre, on entend par:
  1° les titres: les obligations et les coupons d'intérêts y afférents, les bons, les chèques ou les virements émis par le Trésor public ainsi que les obligations de la dette publique d'un autre Etat, les actions, les obligations ou les autres titres légalement émis par les régions, les communautés, les provinces, les communes, les administrations ou les établissements publics, sous quelque dénomination que ce soit, par des sociétés ou des particuliers ainsi que les coupons d'intérêts ou de dividendes afférents à ces différents titres, que ceux-ci soient émis en Belgique ou dans un autre Etat;
  2° le matériel destiné à la fabrication de la monnaie ou des titres: les poinçons, coins, carrés, matrices, clichés, planches ou autres objets ou moyens destinés à la fabrication de la monnaie ou des titres;
  3° les timbres-poste adhésifs et les autres timbres: les timbres-poste adhésifs, les autres timbres adhésifs nationaux ou étrangers, les timbres imprimés sur les documents émis par bpost ou par la poste d'un autre Etat, les valeurs d'affranchissement représentées par des empreintes de machines ou par des symboles agréés par bpost ou par la poste d'un autre Etat;
  Les timbres qui sont imprimés sur les documents et sur des valeurs d'affranchissement représentées par des empreintes de machines ou par des symboles émis ou reconnus par une entreprise offrant des services postaux tombent sous l'application de la présente définition.
  4° les dispositifs de sécurité: les hologrammes, les filigranes et les autres éléments servant à protéger la monnaie contre la contrefaçon ou la falsification;
  5° l'instrument de paiement autre que les espèces: un dispositif, objet ou enregistrement protégé non matériel ou matériel ou une combinaison de ces éléments, qui, à lui seul ou en liaison avec une procédure ou un ensemble de procédures, permet à son titulaire ou à son utilisateur d'effectuer un transfert d'argent ou de valeur monétaire, y compris par des moyens d'échange numériques et qui n'est pas visé par l'article 79, 27°.
Afdeling 2. Bescherming van de munt, van de effecten, van het materiaal voor het vervaardigen van de munt of de effecten en van de veiligheidskenmerken
Section 2. La protection de la monnaie, des titres, du matériel de fabrication de la monnaie ou des titres et des dispositifs de sécurité
Art. 426. Gemeenschappelijke bepaling
  De bepalingen van afdeling 2 zijn zonder onderscheid van toepassing op de munten die reeds zijn uitgegeven en in omloop zijn gebracht als wettig betaalmiddel en op de munten die, hoewel zij bestemd zijn om in omloop te worden gebracht als wettig betaalmiddel, nog niet zijn uitgegeven.
  De straffen waarin is voorzien voor de misdrijven betreffende de euro omschreven in afdeling 2 zijn van toepassing op dezelfde misdrijven gepleegd ten overstaan van de munt die niet wettelijk gangbaar meer is of waarvan de uitgifte niet meer toegelaten is ingevolge de introductie of de aanneming van de chartale euro.
Art. 426. La disposition commune
  Les dispositions de la section 2 s'appliquent indistinctement aux monnaies qui ont déjà été émises et mises en circulation en tant que monnaie ayant cours légal et aux monnaies qui, bien que destinées à être mises en circulation en tant que monnaie ayant cours légal, n'ont pas encore été émises.
  Les peines prévues pour les infractions concernant l'euro décrites dans la section 2 sont applicables aux mêmes infractions commises à l'égard de la monnaie n'ayant plus cours légal ou dont l'émission n'est plus autorisée à la suite de l'introduction ou l'adoption de l'euro fiduciaire.
Art. 427. Namaking en vervalsing van de munt, van de effecten en van het materiaal bestemd tot het vervaardigen van de munt of de effecten
  § 1. Namaking van de munt, van de effecten en van het materiaal bestemd tot het vervaardigen van de munt of van de effecten is het met bedrieglijk opzet nabootsen van de munt, van effecten of van het echte materiaal bestemd tot het vervaardigen van de munt of de effecten, door het vervaardigen van niet-authentieke munten, niet-authentieke effecten of niet-authentiek materiaal bestemd tot het vervaardigen van de munt of de effecten.
  Vervalsing van de munt, van de effecten en van het materiaal bestemd tot het vervaardigen van de munt of de effecten is het met bedrieglijk opzet aantasten van de munt, van de effecten of van het materiaal bestemd tot het vervaardigen van de munt of de effecten teneinde er wijzigingen in aan te brengen.
  § 2. De namaking en de vervalsing van de munt en van de effecten worden bestraft met een straf van niveau 4.
  De namaking en de vervalsing van het materiaal voor het vervaardigen van de munt of de effecten worden bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 427. La contrefaçon et la falsification de la monnaie, des titres et du matériel destiné à la fabrication de la monnaie ou des titres
  § 1er. La contrefaçon de la monnaie, des titres et du matériel destiné à la fabrication de la monnaie ou des titres consiste à imiter, dans une intention frauduleuse, de la monnaie, des titres ou du matériel destiné à la fabrication de la monnaie ou des titres véritables par la fabrication de monnaies, de titres ou de matériel destiné à la fabrication de la monnaie ou des titres non authentiques.
  La falsification de la monnaie, des titres et du matériel destiné à la fabrication de la monnaie ou des titres consiste à porter atteinte, dans une intention frauduleuse, à la monnaie, aux titres ou au matériel destiné à la fabrication de la monnaie ou des titres avec une intention frauduleuse pour leur faire subir des modifications.
  § 2. La contrefaçon et la falsification de la monnaie et des titres sont punies d'une peine de niveau 4.
  La contrefaçon et la falsification du matériel de fabrication de la monnaie ou des titres sont punies d'une peine de niveau 3.
Art. 428. In omloop brengen van valse munten of valse effecten
  In omloop brengen van valse munten of valse effecten is het met bedrieglijk opzet in omloop brengen van de nagemaakte, vervalste of beschadigde munt of effecten.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 428. La mise en circulation de fausses monnaies ou de faux titres
  La mise en circulation de fausses monnaies ou de faux titres consiste à mettre en circulation, dans une intention frauduleuse, de la monnaie ou des titres contrefaits, falsifiés ou endommagés.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
Art. 429. Overdracht van valse munten of valse effecten
  Overdracht van valse munten of valse effecten is het invoeren, uitvoeren, vervoeren, ontvangen of zich aanschaffen van de nagemaakte, vervalste of beschadigde munt of effecten met het oogmerk deze in omloop te brengen.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 429. Le transfert de fausses monnaies ou de faux titres
  Le transfert de fausses monnaies ou de faux titres consiste à importer, exporter, transporter, recevoir ou se procurer de la monnaie ou des titres contrefaits, falsifiés ou endommagés dans le but de les mettre en circulation.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
Art. 430. Overdracht van materiaal bestemd tot het vervaardigen van de munt of van de veiligheidskenmerken
  Overdracht van materiaal bestemd tot het vervaardigen van de munt of van de veiligheidskenmerken is het met bedrieglijk opzet ontvangen, zich aanschaffen of in bezit hebben van:
  - het nagemaakte of vervalste materiaal bestemd tot het vervaardigen van de munt;
  - het echte materiaal bestemd tot het vervaardigen van de munt;
  - de veiligheidskenmerken.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 430. Le transfert de matériel destiné à la fabrication de la monnaie ou des dispositifs de sécurité
  Le transfert de matériel destiné à la fabrication de la monnaie ou des dispositifs de sécurité consiste à recevoir, se procurer ou posséder dans une intention frauduleuse:
  - du matériel contrefait ou falsifié destinés à la fabrication de la monnaie;
  - du vrai matériel destiné à la fabrication de la monnaie;
  - des dispositifs de sécurité.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Art. 431. Weer in omloop brengen van de valse munten of valse effecten die te goeder trouw ontvangen zijn
  Weer in omloop brengen van de valse munten of valse effecten die te goeder trouw ontvangen zijn, is het met bedrieglijk opzet weer in omloop brengen van de nagemaakte, vervalste of beschadigde munt of effecten, die voor echt ontvangen zijn, maar waarvan men het nagemaakte, vervalste of beschadigde karakter na ontvangst heeft vastgesteld.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 431. La remise en circulation de fausses monnaies ou de faux titres reçus de bonne foi
  La remise en circulation de fausses monnaies ou de faux titres reçus de bonne foi consiste à remettre en circulation, dans une intention frauduleuse, de la monnaie ou des titres contrefaits, falsifiés ou endommagés, reçus pour bons mais dont on a constaté le caractère contrefait, falsifié ou endommagé après réception.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
Afdeling 3. Illegaal in omloop brengen van de munt en vervaardigen en in omloop brengen van de drukwerken of formulieren die een munt, effecten, plakpostzegels en andere zegels nabootsen
Section 3. La mise en circulation illicite de la monnaie et la fabrication et la mise en circulation des imprimés ou formules imitant de la monnaie, des titres, des timbres-poste adhésifs et des autres timbres
Art. 432. Illegaal in omloop brengen van een geldteken
  Illegaal in omloop brengen van een geldteken is het opzettelijk uitgeven van het geldteken bestemd om in het publiek te circuleren als betaalmiddel zonder hiertoe gemachtigd te zijn door de bevoegde overheid.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 432. La mise en circulation illicite d'un signe monétaire
  La mise en circulation illicite d'un signe monétaire consiste à émettre, délibérément, un signe monétaire destiné à circuler dans le public comme moyen de paiement sans y avoir été habilité par l'autorité compétente.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
Art. 433. Vervaardigen en in omloop brengen van drukwerken of formulieren die het voorkomen van de munt, effecten, plakpostzegels of andere zegels hebben
  Vervaardigen en het in omloop brengen van drukwerken of formulieren die het voorkomen van de munt, effecten, plakpostzegels of andere zegels hebben, is het opzettelijk vervaardigen, verkopen, colporteren of verspreiden van drukwerken of formulieren die, door hun uiterlijke vorm, een gelijkenis vertonen met de munt, effecten, plakpostzegels of andere zegels, die van zodanige aard is dat zij het aannemen van die drukwerken of formulieren in de plaats van de nagebootste munt, effecten of zegels vergemakkelijkt.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 433. La fabrication et la mise en circulation des imprimés ou formules ayant l'apparence de la monnaie, des titres, des timbres-poste adhésifs ou des autres timbres
  La fabrication et la mise en circulation des imprimés ou formules ayant l'apparence de la monnaie, des titres, des timbres-poste adhésifs ou des autres timbres consiste à fabriquer, à vendre, à colporter ou à distribuer, délibérément, des imprimés ou des formules qui, par leur forme extérieure, présentent avec la monnaie, les titres, les timbres-poste adhésifs ou les autres timbres une ressemblance de nature à faciliter l'acceptation des imprimés ou des formules à la place de la monnaie, des titres ou des timbres imités.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
Afdeling 4. Bescherming van niet-contante betaalinstrumenten
Section 4. La protection des instruments de paiement autres que les espèces
Art. 434. Namaking en vervalsing van niet-contante betaalinstrumenten
  § 1. Namaking van niet-contante betaalinstrumenten is het met bedrieglijk opzet nabootsen van het niet-contante betaalinstrument, door het vervaardigen van niet-authentieke niet-contante betaalinstrumenten.
  Vervalsing van niet-contante betaalinstrumenten is het met bedrieglijk opzet aantasten van het niet-contante betaalinstrument teneinde er wijzigingen in aan te brengen.
  § 2. De namaking en de vervalsing van niet-contante betaalinstrumenten worden bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 434. La contrefaçon et la falsification des instruments de paiement autres que les espèces
  § 1er. La contrefaçon des instruments de paiement autres que les espèces consiste à imiter, dans une intention frauduleuse l'instrument de paiement autre que les espèces par la fabrication d'instruments de paiement autres que les espèces non authentiques.
  La falsification des instruments de paiement autres que les espèces consiste à porter atteinte, dans une intention frauduleuse, aux instruments de paiement autres que les espèces pour leur faire subir des modifications.
  § 2. La contrefaçon et la falsification des instruments de paiement autres que les espèces sont punies d'une peine de niveau 2.
Art. 435. Gebruik van valse of nagemaakte niet-contante betaalinstrumenten
  Gebruik van valse of nagemaakte niet-contante betaalinstrumenten is het met bedrieglijk opzet gebruiken of pogen te gebruiken van een vals of nagemaakt niet-contant betaalinstrument.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 435. L'utilisation des instruments de paiement autres que les espèces contrefaits ou falsifiés
  L'utilisation des instruments de paiement autres que les espèces contrefaits ou falsifiés consiste à utiliser ou tenter d'utiliser un instrument de paiement autre que les espèces, contrefait ou falsifié, dans une intention frauduleuse.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Art. 436. Overdracht van onrechtmatig verkregen, valse of nagemaakte niet-contante betaalinstrumenten.
  Overdracht van een onrechtmatig verkregen, vals of nagemaakt niet-contant betaalinstrument is het bezitten, voorhanden hebben, aanschaffen voor zichzelf of voor een ander, invoeren, uitvoeren, vervoeren, verkopen of verspreiden met het oogmerk om deze te gebruiken, van een onrechtmatig verkregen, vals of nagemaakt niet-contant betaalinstrument.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 436. Le transfert des instruments de paiements autres que les espèces contrefaits ou falsifiés, obtenus par des moyens illégaux.
  Le transfert des instruments de paiements autres que les espèces contrefaits ou falsifiés, obtenus par des moyens illégaux, consiste à posséder, détenir, obtenir pour soi-même ou pour autrui, importer, exporter, transporter, vendre ou distribuer dans l'intention de les utiliser, des instruments de paiement autres que les espèces contrefaits ou falsifiés, obtenus par des moyens illégaux.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Art. 437. Hergebruik van nagemaakte, vervalste of beschadigde niet-contante betaalinstrumenten
  Hergebruik van nagemaakte, vervalste of beschadigde niet-contante betaalinstrumenten is het opnieuw gebruiken of pogen te gebruiken van nagemaakte, vervalse of beschadigde niet-contante betaalinstrumenten die te goeder trouw ontvangen zijn, maar waarvan men het nagemaakte, vervalste of beschadigde karakter na ontvangst heeft vastgesteld.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 437. La réutilisation d'instruments de paiement autres que les espèces contrefaits, falsifiés ou endommagés
  La réutilisation d'instruments de paiement autres que les espèces contrefaits, falsifiés ou endommagés consiste à réutiliser ou tenter de réutiliser des instruments de paiement autres que les espèces contrefaits, falsifiés ou endommagés qui ont été reçus pour bon, après en avoir constaté le caractère contrefaits, falsifiés ou endommagés après réception.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
Art. 438. Overdracht van materiaal bestemd tot het vervaardigen van niet-contante betaalinstrumenten
  Overdracht van materiaal bestemd tot het vervaardigen van niet-contante betaalinstrumenten is het met bedrieglijk opzet vervaardigen, aanschaffen voor zichzelf of voor een ander, invoeren, uitvoeren, verkopen, vervoeren, verspreiden of op enige andere manier ter beschikking stellen van enig instrument, met inbegrip van informaticagegevens, dat hoofdzakelijk is ontworpen of aangepast om de in deze afdeling bedoelde misdrijven mogelijk te maken.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 438. Le transfert de matériel destiné à la fabrication des instruments de paiement autres que les espèces
  Le transfert de matériel destiné à la fabrication des instruments de paiement autres que les espèces consiste à, dans une intention frauduleuse, produire, obtenir pour soi-même ou pour autrui, importer, exporter, vendre, transporter, diffuser ou mettre à disposition sous une autre forme, un quelconque dispositif, y compris des données informatiques, principalement conçu ou adapté pour permettre la commission des infractions prévues par la présente section.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Afdeling 5. Bescherming van `s Lands zegel, van de rijksstempels en van de keurstempels die dienen voor het merken van goud, zilver en platina
Section 5. La protection du sceau de l'Etat, des timbres nationaux et des poinçons servant à marquer les matières d'or, d'argent et de platine
Art. 439. Namaking, vervalsing of gebruik van `s Lands zegel, van de rijksstempels of van de keurstempels die dienen voor het merken van goud, zilver en platina
  § 1. Namaking van `s Lands zegel, van de rijksstempels of van de keurstempels die dienen voor het merken van goud, zilver en platina is het met bedrieglijk opzet nabootsen van `s Lands zegel, van de rijksstempels of van de keurstempels die dienen voor het merken van goud, zilver en platina door het vervaardigen van een niet-authentiek zegel, van niet-authentieke stempels of van niet-authentieke keurstempels.
  Vervalsing van `s Lands zegel, van de rijksstempels of van de keurstempels die dienen voor het merken van goud, zilver en platina is het met bedrieglijk opzet aantasten van `s Lands zegel, van de rijksstempels of van de keurstempels die dienen voor het merken van goud, zilver en platina teneinde er wijzigingen in aan te brengen.
  Deze misdrijven worden bestraft met een straf van niveau 3.
  § 2. Gebruik van `s Lands zegel, van de rijksstempels of van de keurstempels die dienen voor het merken van goud, zilver en platina is het met bedrieglijk opzet gebruiken van het nagemaakte of vervalste zegel, van de nagemaakte of vervalste stempels of van de nagemaakte of vervalste keurstempels.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
  § 3. De straffen waarin is voorzien in de paragrafen 1 en 2 zijn tevens van toepassing op de namaking, de vervalsing en het gebruik van het zegel, van de stempels of van de keurstempels die aan andere Staten toebehoren.
Art. 439. La contrefaçon, la falsification ou l'usage du sceau de l'Etat, des timbres nationaux ou des poinçons servant à marquer les matières d'or, d'argent et de platine
  § 1er. La contrefaçon du sceau de l'Etat, des timbres nationaux ou des poinçons servant à marquer les matières d'or, d'argent et de platine consiste à imiter, dans une intention frauduleuse, le sceau de l'Etat, les timbres nationaux véritables ou les poinçons servant à marquer les matières d'or, d'argent et de platine par la fabrication d'un sceau, de timbres ou de poinçons non authentiques.
  La falsification du sceau de l'Etat, des timbres nationaux ou des poinçons servant à marquer les matières d'or, d'argent et de platine consiste à porter atteinte, dans une intention frauduleuse, au sceau de l'Etat, aux timbres nationaux ou aux poinçons servant à marquer les matières d'or, d'argent et de platine pour leur faire subir des modifications.
  Ces infractions sont punies d'une peine de niveau 3.
  § 2. L'usage du sceau de l'Etat, des timbres nationaux ou des poinçons servant à marquer les matières d'or, d'argent et de platine consiste, dans une intention frauduleuse, à utiliser le sceau, les timbres ou les poinçons contrefaits ou falsifiés.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
  § 3. Les peines prévues aux paragraphes 1er et 2 sont également applicables à la contrefaçon, à la falsification et à l'usage du sceau, des timbres ou des poinçons appartenant à d'autres Etats.
Art. 440. Nadelig gebruik van `s Lands zegel, van de rijksstempels of van de keurstempels die dienen voor het merken van goud, zilver en platina
  § 1. Nadelig gebruik van `s Lands zegel, van de rijksstempels of van de keurstempels die dienen voor het merken van goud, zilver en platina is het zich onrechtmatig verschaffen van echte zegels, stempels of keurstempels en dit opzettelijk aanwenden of gebruiken op een wijze die de rechten en belangen van de Staat, van enige overheid of van een particulier benadeelt.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
  § 2. De straf waarin is voorzien in paragraaf 1 is tevens van toepassing op het nadelig gebruik van het zegel, van de rijksstempels of van de keurstempels die aan andere Staten toebehoren.
Art. 440. L'usage préjudiciable du sceau de l'Etat, des timbres nationaux ou des poinçons servant à marquer les matières d'or, d'argent et de platine
  § 1er. L'usage préjudiciable du sceau de l'Etat, des timbres nationaux ou des poinçons servant à marquer les matières d'or, d'argent et de platine consiste à se procurer indûment les vrais sceau, timbres ou poinçons et à en faire, délibérément, une application ou un usage préjudiciable aux droits et aux intérêts de l'Etat, d'une autorité quelconque ou d'un particulier.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
  § 2. La peine prévue au paragraphe 1er est également applicable à l'usage préjudiciable du sceau, des timbres nationaux ou des poinçons appartenant à d'autres Etats.
Art. 441. Handel in papier of goud, zilver of platina, gemerkt met een nagemaakte of vervalste zegel of keurstempel
  Handel in papier of goud, zilver of platina, gemerkt met een nagemaakte of vervalste zegel of keurstempel, is het opzettelijk verkopen of te koop stellen van het papier of van het goud, zilver of platina, gemerkt met een nagemaakte of vervalste zegel of keurstempel.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 441. Le commerce des papiers ou des matières d'or, d'argent ou de platine marqués d'un timbre ou d'un poinçon contrefaits ou falsifiés
  Le commerce des papiers ou des matières d'or, d'argent ou de platine marqués d'un timbre ou d'un poinçon contrefait ou falsifié consiste à vendre ou à mettre en vente, délibérément, des papiers ou des matières d'or, d'argent ou de platine marqués d'un timbre ou d'un poinçon contrefait ou falsifié.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
Art. 442. Gebruik van het papier, gemerkt met een nagemaakt of vervalst zegel
  Gebruik van het papier, gemerkt met een nagemaakte of vervalste zegel, is het met bedrieglijk opzet gebruik maken van een papier, gemerkt met een nagemaakte of vervalste zegel, dat men zich heeft aangeschaft.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 442. L'usage du papier marqué d'un timbre contrefait ou falsifié
  L'usage du papier marqué d'un timbre contrefait ou falsifié consiste à faire usage, dans une intention frauduleuse, d'un papier marqué d'un timbre contrefait ou falsifié que l'on s'est procuré.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
Afdeling 6. Bescherming van de keurmerken van het waarborgkantoor
Section 6. La protection des marques du bureau de garantie
Art. 443. Bedrieglijk aanbrengen van de door het waarborgkantoor geplaatste keurmerken
  Bedrieglijk aanbrengen van de door het waarborgkantoor geplaatste keurmerken is het met bedrieglijk opzet aanbrengen van een door het waarborgkantoor geplaatst keurmerk op een ander voorwerp.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 443. L'application frauduleuse des marques apposées par le bureau de garantie
  L'application frauduleuse des marques apposées par le bureau de garantie consiste à appliquer, dans une intention frauduleuse, la marque apposée par le bureau de garantie sur un autre objet.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Art. 444. Namaking van de door het waarborgkantoor geplaatste keurmerken of van de zegelafdruk
  Namaking van de door het waarborgkantoor geplaatste keurmerken of van de zegelafdruk is het met bedrieglijk opzet namaken van de door het waarborgkantoor geplaatste keurmerken of van de zegelafdruk zonder van een nagemaakte keurstempel of zegel gebruik te maken.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 444. La contrefaçon des marques apposées par le bureau de garantie ou de l'empreinte d'un timbre
  La contrefaçon des marques apposées par le bureau de garantie ou de l'empreinte d'un timbre consiste à contrefaire, dans une intention frauduleuse, les marques apposées par le bureau de garantie ou l'empreinte d'un timbre sans emploi d'un poinçon ou d'un timbre contrefait.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Afdeling 7. Bescherming van de zegels, de stempels en de merken van de overheden en van particulieren
Section 7. La protection des sceaux, des timbres et des marques des autorités et des particuliers
Art. 445. Namaking of gebruik van het zegel, de stempel of het merk van enige overheid, van een private inrichting of van een particulier
  § 1. Namaking van het zegel, de stempel of het merk van enige overheid, van een private inrichting of van een particulier is het met bedrieglijk opzet nabootsen van het zegel, de stempel of het merk van enige overheid, van een private inrichting of van een particulier door het vervaardigen van een niet-authentiek zegel, een niet-authentieke stempel of een niet-authentiek merk.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
  § 2. Gebruik van het zegel, de stempel of het merk van enige overheid, van een private inrichting of van een particulier is het met bedrieglijk opzet gebruiken van het nagemaakte zegel, de nagemaakte stempel of het nagemaakte merk van enige overheid, van een private inrichting of van een particulier.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
  § 3. De straffen waarin is voorzien in de paragrafen 1 en 2 zijn tevens van toepassing op de namaking en het gebruik van het zegel, de stempel of het merk van enige vreemde overheid.
Art. 445. La contrefaçon ou l'usage du sceau, du timbre ou de la marque d'une autorité quelconque, d'un établissement privé ou d'un particulier
  § 1er. La contrefaçon du sceau, du timbre ou de la marque d'une autorité quelconque, d'un établissement privé ou d'un particulier consiste à imiter, dans une intention frauduleuse, le sceau, le timbre ou la marque d'une autorité quelconque, d'un établissement privé ou d'un particulier par la fabrication d'un sceau, d'un timbre ou d'une marque non authentique.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
  § 2. L'usage du sceau, du timbre ou de la marque d'une autorité quelconque, d'un établissement privé, ou d'un particulier consiste à utiliser, dans une intention frauduleuse, le sceau contrefait, le timbre contrefait ou la marque contrefaite d'une autorité quelconque, d'un établissement privé ou d'un particulier.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
  § 3. Les peines prévues aux paragraphes 1er et 2 sont également applicables à la contrefaçon et à l'usage du sceau, du timbre ou de la marque d'une autorité étrangère quelconque.
Afdeling 8. Bescherming van plakpostzegels en andere zegels
Section 8. La protection des timbres-poste adhésifs et des autres timbres
Art. 446. Namaking of gebruik van plakpostzegels of andere zegels
  § 1. Namaking van plakpostzegels of andere zegels is het met bedrieglijk opzet nabootsen van plakpostzegels of andere zegels door het vervaardigen van niet-authentieke zegels.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
  § 2. Gebruik van nagemaakte plakpostzegels of andere nagemaakte zegels is het met bedrieglijk opzet gebruiken van nagemaakte plakpostzegels of andere nagemaakte zegels die de dader zich heeft verschaft.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 446. La contrefaçon ou l'usage des timbres-poste adhésifs ou des autres timbres
  § 1er. La contrefaçon des timbres-poste adhésifs ou des autres timbres consiste à imiter, dans une intention frauduleuse, les timbres-poste adhésifs ou autres timbres par la fabrication de timbres non authentiques.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
  § 2. L'usage des timbres-poste adhésifs contrefaits ou des autres timbres contrefaits consiste à utiliser, dans une intention frauduleuse, les timbres-poste adhésifs ou les autres timbres contrefaits que l'auteur s'est procuré.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
Art. 447. In omloop brengen van nagemaakte plakpostzegels of andere nagemaakte zegels
  In omloop brengen van nagemaakte plakpostzegels of andere nagemaakte zegels is het met bedrieglijk opzet in omloop brengen van nagemaakte plakpostzegels of andere nagemaakte zegels.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 447. La mise en circulation des timbres-poste adhésifs contrefaits ou des autres timbres contrefaits
  La mise en circulation des timbres-poste adhésifs contrefaits ou des autres timbres contrefaits consiste à mettre en circulation, dans une intention frauduleuse, des timbres-poste adhésifs ou des autres timbres contrefaits.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
Afdeling 9. Bescherming van de naam van de fabrikant en van de handelsnaam van een fabriek
Section 9. La protection du nom du fabricant et de la raison commerciale d'une fabrique
Art. 448. Plaatsen van een niet-authentieke naam van een fabrikant of van een niet-authentieke handelsnaam van een fabriek
  Plaatsen van een niet-authentieke naam van een fabrikant of van een niet-authentieke handelsnaam van een fabriek is het met bedrieglijk opzet, door bijvoeging, wegneming of om het even welke verandering plaatsen op fabricaten van de naam van een andere fabrikant dan de producent, of van de handelsnaam van een andere fabriek dan die, welke de goederen gemaakt heeft.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 448. L'apposition du nom d'un fabriquant ou de la raison commerciale d'une fabrique non authentiques
  L'apposition du nom d'un fabriquant ou de la raison commerciale d'une fabrique non authentiques consiste à apposer, dans une intention frauduleuse, par addition, retranchement ou par une altération quelconque, sur des objets fabriqués le nom d'un fabriquant autre que celui qui en est l'auteur ou la raison commerciale d'une fabrique autre que celle de la fabrication.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
Art. 449. In omloop brengen van met een valse naam of een valse handelsnaam gemerkte goederen
  In omloop brengen van met een valse naam of een valse handelsnaam gemerkte goederen is het opzettelijk door enige handelaar, commissionair of kleinhandelaar in omloop brengen van de in artikel 448 bedoelde goederen.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 449. La mise en circulation des objets marqués d'un faux nom ou d'une fausse raison commerciale
  La mise en circulation des objets marqués d'un faux nom ou d'une fausse raison commerciale consiste, dans le chef d'un marchand, d'un commissionnaire ou d'un débitant quelconque, à mettre en circulation, délibérément, des objets visés à l'article 448.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
Afdeling 10. Gemeenschappelijke bepaling
Section 10. La disposition commune
Art. 450. Strafuitsluitende verschoningsgrond
  Personen die schuldig zijn aan een van de misdrijven, omschreven in dit hoofdstuk, worden niet gestraft, indien zij, vóór enig in omloop brengen van de nagemaakte, vervalste of beschadigde munt, zegel of effect of met een valse naam gemerkt goed, of vóór enig gebruik van de nagemaakte, vervalste of beschadigde niet-contante betaalinstrumenten en vóór enige vervolging, alle informatie waarover zij beschikken omtrent de omstandigheden en daders van die misdrijven ter kennis van de overheid brengen.
Art. 450. La cause d'excuse d'exemption de peine
  Les personnes coupables des infractions mentionnées dans le présent chapitre sont exemptées de peines si, avant toute mise en circulation de monnaie, titre ou timbre contrefait, falsifié ou endommagé, ou d'objet marqué d'un faux nom, ou avant toute utilisation des instruments de paiement autres que les espèces contrefaits, falsifiés ou endommagés et avant toute poursuite, elles ont porté à la connaissance de l'autorité l'intégralité des informations qu'elles détiennent sur les circonstances et les auteurs de ces infractions.
Hoofdstuk 2. Valsheid in geschriften of op andere duurzame dragers en het gebruik van valse stukken
Chapitre 2. Le faux en écritures ou sur d'autres supports durables et l'usage de faux
Art. 451. Valsheid in geschriften of op andere duurzame dragers en het gebruik van valse stukken
  § 1. Valsheid in geschriften of op andere duurzame dragers is het met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden produceren van valse stukken of vervalsen van de uiting van een gedachte in enig geschrift dat of op enige andere duurzame drager die, in samenhang met een rechtens relevant feit, tot bewijs kan dienen.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
  § 2. Het gebruik van valse stukken is het met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden gebruiken van de valsheid in geschriften of op andere duurzame dragers.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 451. Le faux en écritures ou sur d'autres supports durables et l'usage de faux
  § 1er. Le faux en écritures ou sur d'autres supports durables consiste à, dans une intention frauduleuse ou à dessein de nuire, fabriquer un faux ou falsifier l'expression d'une pensée dans tout écrit ou tout autre support durable, pouvant faire preuve, en relation avec un fait pertinent en droit.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
  § 2. L'usage de faux consiste à, dans une intention frauduleuse ou à dessein de nuire, utiliser le faux en écriture ou sur d'autres supports durables.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
Art. 452. De verzwarende factoren bij de valsheid in geschriften of op andere duurzame dragers en het gebruik van valse stukken
  Bij de keuze van de straf of de maatregel en de zwaarte ervan neemt de rechter in overweging dat:
  1° de valsheid of het gebruik van valse stukken wordt gepleegd door een persoon met een openbare functie in het kader van de uitoefening van deze functie;
  2° de valsheid of het gebruik van valse stukken betrekking heeft op een authentiek geschrift of een authentieke dager of op een geschrift of drager afgegeven door een overheidsinstantie.
Art. 452. Les facteurs aggravants du faux en écritures ou sur d'autres supports durables et de l'usage de faux
  Lors du choix de la peine ou de la mesure et de la sévérité de celle-ci, le juge prend en considération le fait que:
  1° le faux ou l'usage de faux est commis par une personne exerçant une fonction publique dans le cadre de l'exercice de cette fonction;
  2° le faux ou l'usage de faux porte sur un écrit ou un support authentique ou délivré par une autorité publique.
Art. 453. Overdracht van een reis- of identiteitsdocument
  Overdracht van een reis- of identiteitsdocument is het met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden gebruiken, verschaffen aan een derde of verkrijgen van een derde, van een paspoort, een reisdocument, een identiteitskaart of een als zodanig geldend document, alsook van de formulieren die voor de afgifte ervan dienen, of het niet eerbiedigen van de daarin opgelegde verboden en beperkende voorwaarden.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 453. La cession d'un titre de voyage ou d'un document d'identité
  La cession d'un titre de voyage ou d'un document d'identité consiste à, dans une intention frauduleuse ou à dessein de nuire, utiliser, procurer à un tiers ou obtenir d'un tiers, un passeport, un titre de voyage, une carte d'identité ou un document en tenant lieu, ainsi que les formulaires qui servent à leur délivrance, ou à ne pas respecter les interdictions et les restrictions qui y sont imposées.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
Art. 454. Niet-eerbiediging van een beslissing tot intrekking van een paspoort, een identiteitskaart of een als zodanig geldend document
  Niet-eerbiediging van een beslissing tot intrekking van een paspoort, een identiteitskaart of een als zodanig geldend document is het opzettelijk geen gevolg geven aan een door de bevoegde overheid genomen beslissing tot intrekking van een paspoort, een identiteitskaart of een als zodanig geldend document binnen de opgelegde termijn.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 454. Le non-respect d'une décision de retrait d'un passeport, d'une carte d'identité ou d'un document en tenant lieu
  Le non-respect d'une décision de retrait d'un passeport, d'une carte d'identité ou d'un document en tenant lieu consiste à, délibérément, ne pas donner suite dans le délai imparti à une décision, prise par l'autorité compétente, de retrait d'un passeport, d'une carte d'identité ou d'un document en tenant lieu.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
Hoofdstuk 3. Aanmatiging van functies, titels of een naam
Chapitre 3. L'usurpation de fonctions, de titres ou de nom
Art. 455. Aanmatiging van openbare functies
  Aanmatiging van openbare functies is het zich met bedrieglijk opzet inmengen in openbare functies, hetzij burgerlijke of militaire.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 455. L'usurpation de fonctions publiques
  L'usurpation de fonctions publiques consiste à s'immiscer, dans une intention frauduleuse, dans des fonctions publiques, civiles ou militaires.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Art. 456. Aanmatiging van een openbare titel of graad
  Aanmatiging van een openbare titel of graad is het met bedrieglijk opzet wederrechtelijk en in het openbaar, als titularis of plaatsvervanger, aannemen van de titel of de graad die toebehoort aan personen die deelnemen aan de uitoefening van openbare macht dan wel een burgerlijke of militaire openbare functie uitoefenen.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 456. L'usurpation de titre ou de grade public
  L'usurpation de titre ou de grade public consiste à s'attribuer, dans une intention frauduleuse, sans droit et en public, le titre ou le grade appartenant, comme titulaire ou suppléant, à des personnes participant à l'exercice d'un pouvoir public ou exerçant une fonction publique, civile ou militaire.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
Art. 457. Aanmatiging van de titel van advocaat
  Aanmatiging van de titel van advocaat is het met bedrieglijk opzet in het openbaar aannemen van de titel van advocaat zonder ingeschreven te zijn op het tableau van de Orde of op een lijst van stagiairs, of van de titel van ereadvocaat zonder in het bezit te zijn van de in artikel 436 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde machtiging.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 457. L'usurpation du titre d'avocat
  L'usurpation du titre d'avocat consiste à s'attribuer, dans une intention frauduleuse, en public, soit le titre d'avocat, sans être inscrit au tableau de l'Ordre ou sur une liste de stagiaires, soit le titre d'avocat honoraire, sans posséder l'autorisation visée à l'article 436 du Code judiciaire.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
Art. 458. Aanmatiging van de functie of de titel van erkend bemiddelaar
  Aanmatiging van de functie of titel van erkend bemiddelaar is het met bedrieglijk opzet:
  1° beroepsmatig bemiddelen in de zin van het Gerechtelijk Wetboek zonder dat hij is opgenomen op de lijst van erkende bemiddelaars bedoeld in artikel 1727 van hetzelfde Wetboek en zonder van erkenning vrijgesteld te zijn met uitzondering van hij die beroepsmatig bemiddelt in de zin van het Gerechtelijk Wetboek in het kader van geschillen tussen ondernemingen;
  2° zonder daartoe gemachtigd te zijn, zich openbaar een beroepstitel van erkend bemiddelaar toeëigenen of een titel voeren of aan de beroepstitel die hij voert een vermelding toevoegen welke tot verwarring kan leiden met die van erkend bemiddelaar.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 458. L'usurpation de la fonction ou du titre de médiateur agréé
  L'usurpation de la fonction ou du titre de médiateur agréé consiste à, dans une intention frauduleuse:
  1° agir professionnellement en tant que médiateur au sens du Code judiciaire, sans figurer sur la liste des médiateurs agréés visée à l'article 1727 du même Code et sans être dispensé de l'agrément à l'exception de celui qui agit professionnellement en tant que médiateur au sens du Code judiciaire dans des litiges entre entreprises;
  2° sans y être autorisé, s'attribuer publiquement le titre professionnel de médiateur agréé ou porter un titre ou ajouter à celui porté une mention pouvant prêter à confusion avec le titre professionnel de médiateur agréé.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
Art. 459. Aanmatiging van de titel van gerechtsdeurwaarder
  Aanmatiging van de titel van gerechtsdeurwaarder is het met bedrieglijk opzet in het openbaar voeren van de titel van gerechtsdeurwaarder of kandidaat-gerechtsdeurwaarder of uitoefenen van het beroep van gerechtsdeurwaarder of kandidaat-gerechtsdeurwaarder, zonder ingeschreven te zijn op de lijst bedoeld in artikel 555/1, § 1, 15°, van het Gerechtelijk Wetboek.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 459. L'usurpation du titre d'huissier de justice
  L'usurpation du titre d'huissier de justice consiste à, dans une intention frauduleuse et en public, porter le titre d'huissier de justice ou de candidat-huissier de justice, ou exercer la profession d'huissier de justice ou de candidat-huissier de justice, sans être inscrit sur la liste visée à l'article 555/1, § 1er, 15°, du Code judiciaire.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
Art. 460. Aanmatiging van kleding of tekens van een orde
  Aanmatiging van kleding of tekens van een orde is het met bedrieglijk opzet in het openbaar dragen van een kledingstuk, een uniform, een ereteken, een lint of andere onderscheidingstekens van een orde die de betrokken persoon niet toekomt.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 460. L'usurpation d'habits ou de signes d'un ordre
  L'usurpation d'habits ou de signes d'un ordre consiste à porter, dans une intention frauduleuse, en public, un costume, un uniforme, une décoration, un ruban ou autres insignes d'un ordre qui ne lui appartient pas.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
Art. 461. Aanmatiging van adellijke titels
  Aanmatiging van adellijke titels is het met bedrieglijk opzet in het openbaar aannemen van een adellijke titel die de betrokken persoon niet toekomt.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 461. L'usurpation des titres de noblesse
  L'usurpation des titres de noblesse consiste à s'attribuer, dans une intention frauduleuse, en public, des titres de noblesse qui ne lui appartiennent pas.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
Art. 462. Aanmatiging van een naam
  De aanmatiging van een naam is het met bedrieglijk opzet in het openbaar aannemen van een naam die de betrokken persoon niet toekomt.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 462. L'usurpation du nom
  L'usurpation du nom consiste à prendre, dans une intention frauduleuse, en public, un nom qui ne lui appartient pas.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
Titel 6. Misdrijven tegen het vermogen
Titre 6. Les infractions contre les biens
Hoofdstuk 1. Misdrijven met betrekking tot de onrechtmatige toe-eigening van goederen
Chapitre 1er. Les infractions relatives à l'appropriation frauduleuse de biens
Afdeling 1. Diefstal en afpersing
Section 1re. Le vol et l'extorsion
Onderafdeling 1. Definities
Sous-section 1re. Les définitions
Art. 463. Diefstal
  Diefstal is het bedrieglijk wegnemen, zelfs kortstondig, van een zaak die aan een ander toebehoort.
Art. 463. Le vol
  Le vol consiste à soustraire frauduleusement, même de façon momentanée, une chose qui appartient à autrui.
Art. 464. Afpersing
  Afpersing is het opzettelijk met behulp van geweld of bedreiging verkrijgen van hetzij een goed, hetzij een ongeoorloofd voordeel.
Art. 464. L'extorsion
  L'extorsion consiste à, délibérément, obtenir, à l'aide de violences ou de menaces, soit un bien, soit un avantage illicite.
Onderafdeling 2. Diefstal zonder geweld of bedreiging
Sous-section 2. Le vol commis sans violences ni menaces
Art. 465. Diefstal zonder geweld of bedreiging
  Diefstal zonder geweld of bedreiging wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 465. Le vol commis sans violences ni menaces
  Le vol commis sans violences ni menaces est puni d'une peine de niveau 2.
Art. 466. Verzwaarde diefstal zonder geweld of bedreiging
  Diefstal zonder geweld of bedreiging wordt bestraft met een straf van niveau 3 indien:
  1° de dader een niet voor het publiek toegankelijke plaats is binnengedrongen om de diefstal te plegen, terwijl hij moest vermoeden dat zich daar een of meer personen bevonden;
  2° de diefstal werd gepleegd ten nadele van een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand;
  3° de daders of een van hen een valse identiteit of hoedanigheid hebben aangenomen of een vals bevel van het openbaar gezag hebben ingeroepen;
  4° het misdrijf werd gepleegd bij nacht.
Art. 466. Le vol commis sans violences ni menaces aggravé
  Le vol commis sans violences ni menaces est puni d'une peine de niveau 3 si:
  1° l'auteur s'est introduit dans un lieu non accessible au public pour commettre le vol alors qu'il a dû présumer qu'il s'y trouvait une ou plusieurs personnes;
  2° le vol a été commis au préjudice d'un mineur ou une personne en situation de vulnérabilité;
  3° les auteurs ou l'un d'eux ont adopté une fausse identité ou une fausse qualité, ou ont allégué un faux ordre de l'autorité publique;
  4° l'infraction a été commise la nuit.
Onderafdeling 3. Diefstal met geweld of bedreiging en afpersing
Sous-section 3. Le vol commis avec violences ou menaces et l'extorsion
Art. 467. Diefstal met geweld of bedreiging
  Diefstal met geweld of bedreiging wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 467. Le vol commis avec violences ou menaces
  Le vol commis avec violences ou menaces est puni d'une peine de niveau 3.
Art. 468. Afpersing
  Afpersing wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 468. L'extorsion
  L'extorsion est punie d'une peine de niveau 3.
Art. 469. Verzwaarde diefstal met geweld of bedreiging en verzwaarde afpersing
  § 1. Diefstal met geweld of bedreiging en afpersing worden bestraft met een straf van niveau 4 indien:
  1° de daders of een van hen een valse identiteit of hoedanigheid hebben aangenomen of een vals bevel van het openbaar gezag hebben ingeroepen;
  2° het misdrijf werd gepleegd bij nacht;
  3° het misdrijf werd gepleegd door twee of meer personen;
  4° het misdrijf werd gepleegd ten nadele van een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand.
  § 2. Diefstal met geweld of bedreiging en afpersing worden bestraft met een straf van niveau 5 indien:
  1° wapens of op wapens gelijkende voorwerpen werden gebruikt of getoond, of indien de schuldige deed geloven dat hij gewapend was;
  2° de schuldige, om het misdrijf te plegen of zijn vlucht te verzekeren, gebruik heeft gemaakt van weerloos makende of giftige stoffen;
  3° het geweld of de bedreiging een integriteitsaantasting van de derde graad heeft veroorzaakt.
  § 3. Diefstal met geweld of bedreiging, afpersing en de poging om die misdrijven te plegen worden bestraft met een straf van niveau 6 indien:
  1° de persoon aan foltering werd onderworpen;
  2° het geweld of de bedreiging de dood tot gevolg heeft, zonder dat het misdrijf werd gepleegd met het oogmerk om te doden.
Art. 469. Le vol avec violences ou menaces et l'extorsion aggravés
  § 1er. Le vol avec violences ou menaces et l'extorsion sont punis d'une peine de niveau 4 si:
  1° les auteurs ou l'un d'eux ont adopté une fausse identité ou une fausse qualité, ou ont allégué un faux ordre de l'autorité publique;
  2° l'infraction a été commise la nuit;
  3° l'infraction a été commise par deux ou plusieurs personnes;
  4° l'infraction a été commise au préjudice d'un mineur ou d'une personne en situation de vulnérabilité.
  § 2. Le vol avec violences ou menaces et l'extorsion sont punis d'une peine de niveau 5 si:
  1° des armes ou des objets qui y ressemblent ont été employés ou montrés, ou si le coupable a fait croire qu'il était armé;
  2° le coupable a fait usage de substances inhibitives ou toxiques pour commettre l'infraction ou assurer sa fuite;
  3° les violences ou les menaces ont causé une atteinte à l'intégrité du troisième degré.
  § 3. Le vol avec violences ou menaces et l'extorsion ou la tentative de commettre ces infractions sont punis d'une peine de niveau 6 si:
  1° la personne a été soumise à la torture;
  2° les violences ou les menaces exercées ont causé la mort sans intention de la donner.
Onderafdeling 4. Diefstal en afpersing van kernmateriaal
Sous-section 4. Le vol et l'extorsion de matières nucléaires
Art. 470. Diefstal van kernmateriaal zonder geweld of bedreiging
  Diefstal van kernmateriaal zonder geweld of bedreiging wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 470. Le vol de matières nucléaires commis sans violences ni menaces
  Le vol de matières nucléaires commis sans violences ni menaces est puni d'une peine de niveau 3.
Art. 471. Verzwaarde diefstal van kernmateriaal zonder geweld of bedreiging
  Diefstal van kernmateriaal zonder geweld of bedreiging wordt bestraft met een straf van niveau 4 indien:
  1° de dader een niet voor het publiek toegankelijke plaats is binnengedrongen om de diefstal te plegen, terwijl hij moest vermoeden dat zich daar een of meer personen bevonden;
  2° de daders of een van hen een valse identiteit of hoedanigheid hebben aangenomen of een vals bevel van het openbaar gezag hebben ingeroepen.
Art. 471. Le vol de matières nucléaires commis sans violence ni menaces aggravé
  Le vol de matières nucléaires commis sans violence ni menace est puni d'une peine de niveau 4 si:
  1° l'auteur s'est introduit dans un lieu non accessible au public pour commettre le vol alors qu'il a dû présumer qu'il s'y trouvait une ou plusieurs personnes;
  2° les auteurs ou l'un d'eux ont adopté une fausse identité ou une fausse qualité, ou ont allégué un faux ordre de l'autorité publique.
Art. 472. Diefstal van kernmateriaal met geweld of bedreiging en afpersing van kernmateriaal
  Diefstal van kernmateriaal met geweld of bedreiging wordt bestraft met een straf van niveau 4. Afpersing van kernmateriaal wordt bestraft met dezelfde straf.
Art. 472. Le vol commis avec violences ou menaces et l'extorsion de matières nucléaires
  Le vol de matière nucléaire commis avec violences ou menaces est puni d'une peine de niveau 4. L'extorsion de matières nucléaires est punie de la même peine.
Art. 473. Verzwaarde diefstal van kernmateriaal met geweld of bedreiging en verzwaarde afpersing van kernmateriaal
  § 1. Diefstal van kernmateriaal met geweld of bedreiging en afpersing van kernmateriaal wordt bestraft met een straf van niveau 5 indien:
  1° de daders of een van hen een valse identiteit of hoedanigheid hebben aangenomen of een vals bevel van het openbaar gezag hebben ingeroepen;
  2° het misdrijf werd gepleegd bij nacht;
  3° het misdrijf werd gepleegd door twee of meer personen.
  § 2. Diefstal van kernmateriaal met geweld of bedreiging en afpersing van kernmateriaal wordt bestraft met een straf van niveau 6 indien:
  1° wapens of op wapens gelijkende voorwerpen werden gebruikt of getoond, of indien de schuldige deed geloven dat hij gewapend was;
  2° de schuldige, om het misdrijf te plegen of zijn vlucht te verzekeren, gebruik heeft gemaakt van weerloos makende of giftige stoffen;
  3° het geweld of de bedreiging een integriteitsaantasting van de derde graad heeft veroorzaakt.
  § 3. Diefstal van kernmateriaal met geweld of bedreiging, afpersing van kernmateriaal met geweld of bedreiging en de poging om die misdrijven te plegen wordt eveneens bestraft met een straf van niveau 6 indien:
  1° de persoon aan foltering werd onderworpen;
  2° het geweld of de bedreiging de dood tot gevolg heeft, zonder dat het misdrijf werd gepleegd met het oogmerk om te doden.
Art. 473. Le vol avec violences ou menaces et l'extorsion de matières nucléaires aggravés
  § 1er. Le vol avec violences ou menaces et l'extorsion de matières nucléaires sont punis d'une peine de niveau 5 si:
  1° les auteurs ou l'un d'eux ont adopté une fausse identité ou une fausse qualité, ou ont allégué un faux ordre de l'autorité publique;
  2° l'infraction a été commise la nuit;
  3° l'infraction a été commise par deux ou plusieurs personnes.
  § 2. Le vol avec violences ou menaces et l'extorsion de matières nucléaires sont punis d'une peine de niveau 6 si:
  1° des armes ou des objets qui y ressemblent ont été employés ou montrés, ou si le coupable a fait croire qu'il était armé;
  2° le coupable a fait usage de substances inhibitives ou toxiques pour commettre l'infraction ou assurer sa fuite;
  3° les violences ou les menaces ont causé une atteinte à l'intégrité du troisième degré.
  § 3. Le vol avec violences ou menaces de matières nucléaires et l'extorsion de matières nucléaires ou la tentative de commettre ces infractions sont également punis d'une peine de niveau 6 si:
  1° la personne a été soumise à la torture;
  2° les violences ou les menaces exercées ont causé la mort sans intention de la donner.
Onderafdeling 5. Gemeenschappelijke bepaling
Sous-section 5. La disposition commune
Art. 474. Verzwarende factoren van diefstal en afpersing
  Bij de keuze van de straf of maatregel en de zwaarte ervan voor een in deze afdeling bedoeld misdrijf neemt de rechter in overweging dat:
  1° het misdrijf werd gepleegd ten nadele van de werkgever van de dader;
  2° het misdrijf werd gepleegd door een persoon met een openbare functie in het kader van de uitoefening van deze functie;
  3° de dader een voertuig of enig ander al dan niet met een motor aangedreven tuig heeft gebruikt, om het misdrijf te vergemakkelijken of zijn vlucht te verzekeren;
  4° het misdrijf werd gepleegd vanuit een discriminerende drijfveer.
Art. 474. Les facteurs aggravants du vol et de l'extorsion
  Lors du choix de la peine ou de la mesure et de la sévérité de celle-ci, pour une infraction visée dans la présente section, le juge prend en considération le fait que:
  1° l'infraction a été commise par l'auteur sur son employeur;
  2° l'infraction a été commise par une personne exerçant une fonction publique dans l'exercice de cette fonction;
  3° l'auteur a utilisé un véhicule ou tout autre engin motorisé ou non pour faciliter l'infraction ou pour assurer sa fuite;
  4° l'infraction a été commise avec un mobile discriminatoire.
Afdeling 2. Bedrog
Section 2. Les fraudes
Onderafdeling 1. Misbruik van vertrouwen of andermans kwetsbare toestand
Sous-section 1re. Les abus de la confiance ou de la vulnérabilité d'autrui
Art. 475. Misbruik van vertrouwen
  Misbruik van vertrouwen is het met bedrieglijk opzet en ten nadele van een andere persoon verduisteren of verspillen van een roerend goed met economische waarde dat hem overhandigd is onder verplichting om het terug te geven of het voor een bepaald doel te gebruiken of aan te wenden.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 475. L'abus de confiance
  L'abus de confiance consiste dans le chef de son auteur à détourner ou dissiper frauduleusement au préjudice d'autrui un bien mobilier ayant une valeur économique qui lui avait été remis à la condition de le rendre ou d'en faire un usage ou un emploi déterminé.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
Art. 476. Misbruik van vennootschapsgoederen
  Misbruik van vennootschapsgoederen is het met bedrieglijk opzet, door een bestuurder, in feite of in rechte, van een privaatrechtelijke rechtspersoon, rechtstreeks of onrechtstreeks gebruik maken van de goederen of van het krediet van de rechtspersoon voor persoonlijke doeleinden, hoewel de dader wist dat dit op betekenisvolle wijze in het nadeel was van de vermogensbelangen van die rechtspersoon en van die van zijn schuldeisers of vennoten.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 476. L'abus de biens sociaux
  L'abus de biens sociaux consiste dans le chef d'un dirigeant de droit ou de fait d'une personne morale de droit privé à faire, avec une intention frauduleuse et à des fins personnelles, directement ou indirectement, des biens ou du crédit de la personne morale un usage qu'il savait significativement préjudiciable aux intérêts patrimoniaux de celle-ci et à ceux de ses créanciers ou associés.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
Art. 477. Misbruik van andermans kwetsbare toestand om een nadelige akte te doen tekenen
  Misbruik van de kwetsbare toestand om een nadelige akte te doen tekenen, is het opzettelijk misbruik maken van de behoeften, de zwakheden, de hartstochten of de onwetendheid van een minderjarige of van een persoon in een kwetsbare toestand om hem enige vorm van juridische verbintenis of schuldbevrijding te doen tekenen die voor hem nadelig is, ongeacht de wijze waarop de onderhandeling ook verricht of vermomd mag zijn.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 477. L'abus de l'état de vulnérabilité en vue de faire souscrire un acte préjudiciable
  L'abus de l'état de vulnérabilité en vue de faire souscrire un acte préjudiciable consiste à abuser, délibérément, des besoins, des faiblesses, des passions ou de l'ignorance d'un mineur ou d'une personne en situation de vulnérabilité pour lui faire souscrire, à son préjudice, toute forme d'engagement juridique ou de décharge, peu importe la façon dont la négociation a été faite ou déguisée.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
Art. 478. Woeker
  Woeker is het opzettelijk doen beloven, voor zichzelf of voor een ander, wegens een op gelijk welke wijze aangegane geldlening, van een interest of andere voordelen die de normale interest en de dekking van het risico van die lening manifest overschrijden, door misbruik te maken van de zwakheden, de hartstochten, de behoeften of de onwetendheid van de lener.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
  In de gevallen bedoeld in dit artikel vermindert de rechter, op vordering van een benadeelde partij, haar verplichtingen overeenkomstig artikel 1907ter van het oud Burgerlijk Wetboek.
Art. 478. L'usure
  L'usure consiste à faire promettre, délibérément, pour soi-même ou pour autrui, en raison d'un prêt d'une somme d'argent, contracté sous quelque forme que ce soit, un intérêt ou d'autres avantages excédant manifestement l'intérêt normal et la couverture des risques de ce prêt, en abusant des faiblesses, des passions, des besoins ou de l'ignorance de l'emprunteur.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
  Dans les cas prévus au présent article, le juge, à la demande de toute partie lésée, réduit ses obligations conformément à l'article 1907ter de l'ancien Code civil.
Onderafdeling 2. Oplichting en bedriegerij
Sous-section 2. L'escroquerie et les tromperies
Art. 479. Oplichting
  Oplichting is het met bedrieglijk opzet beogen te verwerven van een onrechtmatig economisch voordeel voor zichzelf of voor een ander, hetzij door gebruik te maken van valse namen of valse hoedanigheden, hetzij door listige kunstgrepen aan te wenden om andermans vertrouwen op slinkse wijze te winnen.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 479. L'escroquerie
  L'escroquerie consiste à chercher à se procurer, pour soi-même ou pour autrui, avec une intention frauduleuse, un avantage économique illégal, soit en faisant usage de faux noms ou de fausses qualités, soit en employant des manoeuvres frauduleuses pour surprendre la confiance d'autrui.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
Art. 480. Verzwaarde oplichting
  Indien zij gepleegd wordt ten nadele van een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand, wordt oplichting bestraft met een straf van niveau 4.
Art. 480. L'escroquerie aggravée
  Lorsqu'elle est commise au préjudice d'un mineur ou d'une personne en situation de vulnérabilité, l'escroquerie est punie d'une peine de niveau 4.
Art. 481. Bedriegerij omtrent de waarde van de munt
  Bedriegerij omtrent de waarde van de munt is het opzettelijk:
  - aan een munt het voorkomen geven van een munt van grotere waarde;
  - munten uitgeven waaraan het voorkomen is gegeven van munten van grotere waarde, of dergelijke munten in het land invoeren met het doel die daar in omloop te brengen;
  - zich aanschaffen of ontvangen van munten waaraan het voorkomen is gegeven van munten van grotere waarde, met het doel die in omloop te brengen.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 481. La tromperie sur la valeur de la monnaie
  La tromperie sur la valeur de la monnaie consiste à, délibérément:
  - donner à une monnaie l'apparence d'une monnaie de valeur supérieure;
  - émettre des monnaies auxquelles on a donné l'apparence de monnaies d'une valeur supérieure ou, dans le but de les mettre en circulation, introduire ces monnaies dans le pays;
  - dans le but de les mettre en circulation, se procurer ou recevoir des monnaies auxquelles on a donné l'apparence de monnaies d'une valeur supérieure.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Art. 482. Bedriegerij omtrent het verkochte goed
  Bedriegerij omtrent het verkochte goed is:
  - het met bedrieglijk opzet misleiden van de koper omtrent de identiteit van het verkochte goed, door een ander goed te leveren dan het bepaalde voorwerp waarop de overeenkomst betrekking had;
  - het met bedrieglijk opzet misleiden van de koper omtrent de aard of de oorsprong van het verkochte goed, door een goed te verkopen of te leveren dat in voorkomen gelijkaardig is aan dat welke hij heeft gekocht of heeft gemeend te kopen;
  - het met bedrieglijk opzet misleiden van de koper of de verkoper omtrent de hoeveelheid van de verkochte goederen, door het gebruiken van listige kunstgrepen.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 482. La tromperie sur le bien vendu
  La tromperie sur le bien vendu consiste à:
  - tromper frauduleusement l'acheteur sur l'identité du bien vendu, en livrant un bien autre que l'objet déterminé sur lequel a porté la transaction;
  - tromper frauduleusement l'acheteur sur la nature ou l'origine du bien vendu en vendant ou en livrant un bien semblable en apparence à celui qu'il a acheté ou qu'il a cru acheter;
  - tromper frauduleusement l'acheteur ou le vendeur sur la quantité des biens vendus en recourant à des manoeuvres frauduleuses.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
Art. 483. Bedriegerij omtrent de huur van werk
  Bedriegerij omtrent de huur van werk is het met bedrieglijk opzet en door het aanwenden van listige kunstgrepen misleiden van de partijen verbonden door een contract van huur van werk, of een van hen, hetzij omtrent de hoeveelheid, hetzij omtrent de hoedanigheid van het geleverde werk indien in dit tweede geval de bepaling van de hoedanigheid van het werk moet dienen om het bedrag van het loon vast te stellen.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 483. La tromperie dans le louage d'ouvrage
  La tromperie dans le louage d'ouvrage consiste à tromper frauduleusement en recourant à des manoeuvres frauduleuses les parties engagées dans un contrat de louage d'ouvrage ou l'une d'elles, soit sur la quantité, soit sur la qualité d'ouvrage fourni, lorsque, dans ce second cas, la détermination de la qualité d'ouvrage doit servir pour fixer le montant du salaire.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
Art. 484. Vervalsing van voedingsmiddelen
  § 1. Vervalsing van voedingsmiddelen is het opzettelijk vervalsen van voedingsmiddelen of dranken die bestemd zijn om te worden verkocht of aan het publiek ter beschikking te worden gesteld.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1. Daarenboven kan de rechter de bekendmaking van de beslissing houdende veroordeling bevelen als bijkomende straf.
  § 2. De straffen bedoeld in paragraaf 1 zijn eveneens van toepassing op de persoon die door aanplakbiljetten of door berichten, al dan niet gedrukt, kwaadwillig of met bedrieglijk opzet het procedé om voedingsmiddelen of dranken te vervalsen, verspreidt of bekendmaakt.
Art. 484. La falsification de denrées alimentaires
  § 1er. La falsification de denrées alimentaires consiste à falsifier, délibérément, des denrées alimentaires ou des boissons destinées à être vendues ou à être mises à la disposition du public.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1. En outre, le juge peut ordonner la publication de la décision de condamnation comme peine accessoire.
  § 2. Les peines visées au paragraphe 1er sont également applicables à celui qui, par affiches ou par avis, imprimés ou non, aura méchamment ou frauduleusement propagé ou révélé des procédés de falsification des denrées alimentaires ou des boissons.
Art. 485. Te koop aanbieden van vervalste voedingsmiddelen
  Te koop aanbieden van vervalste voedingsmiddelen is het opzettelijk in bezit houden met het oog op verkoop, het verkopen of het te koop aanbieden van vervalste voedingsmiddelen.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1. Daarenboven kan de rechter de bekendmaking van de beslissing houdende veroordeling bevelen als bijkomende straf.
Art. 485. La mise en vente de denrées alimentaires falsifiées
  La mise en vente de denrées alimentaires falsifiées consiste à, délibérément, détenir en vue de la vente, vendre ou exposer en vente de telles denrées alimentaires.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1. En outre, le juge peut ordonner la publication de la décision de condamnation comme peine accessoire.
Art. 486. Bedrieglijke aantasting van handelsgoederen
  De bedrieglijke aantasting van handelsgoederen is het kwaadwillig of met bedrieglijk opzet veranderen of beschadigen van productiegoederen of -grondstoffen.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 486. L'atteinte frauduleuse aux biens de commerce
  L'atteinte frauduleuse aux biens de commerce consiste à, méchamment ou frauduleusement, altérer ou détériorer des marchandises ou des matières servant à la fabrication.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
Onderafdeling 3. Private omkoping
Sous-section 3. La corruption privée
Art. 487. Actieve en passieve private omkoping
  § 1. Passieve private omkoping is het opzettelijk, door een bestuurder of zaakvoerder van een rechtspersoon of door een lasthebber of aangestelde van een rechtspersoon of van een natuurlijke persoon, rechtstreeks of door tussenpersonen, voor zichzelf of voor een derde, vragen, aannemen of ontvangen van een aanbod, een belofte of een voordeel van welke aard dan ook, om zonder medeweten en zonder machtiging van, naar gelang van het geval, de raad van bestuur of de algemene vergadering, de lastgever of de werkgever, een handeling van zijn functie of een door zijn functie vergemakkelijkte handeling te verrichten of na te laten.
  § 2. Actieve private omkoping is het opzettelijk, rechtstreeks of door tussenpersonen, voorstellen aan een bestuurder of zaakvoerder van een rechtspersoon of aan een lasthebber of aangestelde van een rechtspersoon of van een natuurlijke persoon, van een aanbod, een belofte of een voordeel van welke aard dan ook voor zichzelf of voor een derde, om zonder medeweten en zonder machtiging van, naar gelang van het geval, de raad van bestuur of de algemene vergadering, de lastgever of de werkgever, een handeling van zijn functie of een door zijn functie vergemakkelijkte handeling te verrichten of na te laten.
  § 3. Actieve of passieve private omkoping wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 487. La corruption privée active et passive
  § 1er. La corruption privée passive consiste pour une personne qui a la qualité d'administrateur ou de gérant d'une personne morale, de mandataire ou de préposé d'une personne morale ou physique, à, délibérément, solliciter, accepter ou recevoir directement ou par interposition de personnes, une offre, une promesse ou un avantage de toute nature, pour elle-même ou pour un tiers, pour faire ou s'abstenir de faire un acte de sa fonction ou facilité par sa fonction, à l'insu et sans l'autorisation, selon le cas, du conseil d'administration ou de l'assemblée générale, du mandant ou de l'employeur.
  § 2. La corruption privée active consiste à, délibérément, proposer, directement ou par interposition de personnes, à une personne qui a la qualité d'administrateur ou de gérant d'une personne morale, de mandataire ou de préposé d'une personne morale ou physique, une offre, une promesse ou un avantage de toute nature, pour elle-même ou pour un tiers, pour faire ou s'abstenir de faire un acte de sa fonction ou facilité par sa fonction, à l'insu et sans l'autorisation, selon le cas, du conseil d'administration ou de l'assemblée générale, du mandant ou de l'employeur.
  § 3. La corruption privée active ou passive est punie d'une peine de niveau 2.
Onderafdeling 4. Bedrog met behulp van een informaticasysteem
Sous-section 4. La fraude à l'aide d'un système informatique
Art. 488. Informaticabedrog
  Informaticabedrog is het met bedrieglijk opzet beogen te verwerven van een onrechtmatig economisch voordeel voor zichzelf of voor een ander, door het invoeren, wijzigen of wissen van gegevens die zijn opgeslagen, verwerkt of overgedragen in of door een informaticasysteem, of door met enig ander technologisch middel de normale aanwending van gegevens in een informaticasysteem te veranderen.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 488. La fraude informatique
  La fraude informatique consiste à chercher à se procurer, pour soi-même ou pour autrui, avec une intention frauduleuse, un avantage économique illégal en introduisant dans un système informatique, en modifiant ou effaçant des données qui sont stockées, traitées ou transmises par un système informatique, ou en modifiant par tout moyen technologique l'utilisation normale des données dans un système informatique.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
Onderafdeling 5. Misdrijven die verband houden met de insolventie van ondernemingen
Sous-section 5. Les infractions liées à l'insolvabilité des entreprises
Art. 489. Staat van faillissement
  De strafvordering wegens bankbreuk wordt gevoerd los van enige vordering die bij de ondernemingsrechtbank mocht zijn ingesteld. De staat van faillissement kan evenwel niet worden betwist voor de strafrechter indien deze is vastgesteld bij een in kracht van gewijsde getreden beslissing van de ondernemingsrechtbank of van het hof van beroep aan het einde van een procedure waarbij de beklaagde partij was, hetzij persoonlijk, hetzij als vertegenwoordiger van de gefailleerde onderneming.
Art. 489. L'état de faillite
  L'action publique du chef de banqueroute est poursuivie indépendamment de toute action qui pourrait être poursuivie devant le tribunal de l'entreprise. L'état de faillite ne pourra néanmoins pas être contesté devant le juge pénal, si cet état a fait l'objet d'une décision du tribunal de l'entreprise ou de la cour d'appel, passée en force de chose jugée, au terme d'une procédure à laquelle le prévenu a été partie, soit à titre personnel, soit en tant que représentant de l'entreprise faillie.
Art. 490. Eenvoudige bankbreuk
  Eenvoudige bankbreuk is het door een onderneming bedoeld in artikel I.1, eerste lid, 1°, van het Wetboek van economisch recht of door een bestuurder in rechte of in feite van een vennootschap of van een rechtspersoon in staat van faillissement:
  1° opzettelijk, ten behoeve van derden en zonder voldoende tegenprestatie, aangaan van al te aanzienlijke verbintenissen gelet op de financiële toestand van de onderneming;
  2° opzettelijk, zonder wettelijk verhinderd te zijn, verzuimen de verplichtingen vastgelegd bij artikel XX.146 van het Wetboek van economisch recht na te leven;
  3° doen van aankopen tot wederverkoop beneden de koers of toestemmen in leningen, effectencirculaties en andere al te kostelijke middelen om zich geld te verschaffen, met het oogmerk om de faillietverklaring uit te stellen;
  4° opzettelijk verhullen van uitgaven of verliezen of geen verantwoording afleggen over het bestaan of over de aanwending van de activa of een deel ervan, zoals zij uit de boekhoudkundige stukken blijken op de datum van staking van betaling, en van alle goederen van welke aard ook, die zij naderhand zouden hebben verkregen;
  5° betalen of bevoordelen van een schuldeiser ten nadele van de boedel met het oogmerk de faillietverklaring uit te stellen;
  6° verzuimen om binnen de termijn gesteld bij artikel XX.102 van het Wetboek van economisch recht aangifte te doen van het faillissement, met het oogmerk de faillietverklaring uit te stellen;
  7° opzettelijk verzuimen om, naar aanleiding van de aangifte van het faillissement, de inlichtingen vereist bij artikel XX.103 van hetzelfde Wetboek, te verstrekken;
  8° opzettelijk verstrekken van onjuiste inlichtingen naar aanleiding van de aangifte van het faillissement of naderhand in antwoord op de vragen van de rechter-commissaris of van de curators.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
  De poging tot het misdrijf bedoeld in dit artikel is niet strafbaar.
Art. 490. La banqueroute simple
  La banqueroute simple consiste pour une entreprise visée à l'article I.1, alinéa 1er, 1°, du Code de droit économique ou un dirigeant, de droit ou de fait, d'une société ou d'une personne morale en état de faillite, à:
  1° avoir contracté délibérément, au profit de tiers, sans contrepartie suffisante, des engagements trop considérables eu égard à la situation financière de l'entreprise;
  2° sans empêchement légitime, délibérément, avoir omis d'exécuter les obligations prescrites par l'article XX.146 du Code de droit économique;
  3° dans l'intention de retarder la déclaration de faillite, faire des achats pour revendre au-dessous du cours ou s'être livré à des emprunts, circulations d'effets et autres moyens ruineux de se procurer des fonds;
  4° avoir supposé, délibérément, des dépenses ou des pertes ou ne pas avoir pu justifier de l'existence ou de l'emploi de tout ou partie de l'actif, tel qu'il apparaît des documents et livre s comptables à la date de cessation de paiement et de tous biens de quelque nature que ce soit obtenus postérieurement;
  5° dans l'intention de retarder la déclaration de faillite, avoir payé ou favorisé un créancier au préjudice de la masse;
  6° dans l'intention de retarder la déclaration de faillite, avoir omis de faire l'aveu de la faillite dans le délai prescrit par l'article XX.102 du Code de droit économique;
  7° délibérément, avoir omis de fournir, à l'occasion de l'aveu de la faillite, les renseignements exigés par l'article XX.103 du même Code;
  8° délibérément, avoir fourni des renseignements inexacts à l'occasion de l'aveu de la faillite ou ultérieurement aux demandes adressées par le juge-commissaire ou par les curateurs.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
  La tentative de commettre l'infraction visée au présent article n'est pas punissable.
Art. 491. Bedrieglijke bankbreuk
  Bedrieglijke bankbreuk is door een onderneming bedoeld in artikel I.1, eerste lid, 1°, van het Wetboek van economisch recht of door een bestuurder, in rechte of in feite, van een vennootschap of van een rechtspersoon in staat van faillissement, het, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden:
  1° verduisteren of verbergen van een gedeelte van de activa;
  2° geheel of gedeeltelijk doen verdwijnen van de boeken of bescheiden, bedoeld in hoofdstuk 2 van titel 3 van boek III van het Wetboek van economisch recht.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 491. La banqueroute frauduleuse
  La banqueroute frauduleuse consiste pour une entreprise visée à l'article I.1, alinéa 1er, 1°, du Code de droit économique ou un dirigeant, de droit ou de fait, d'une société ou d'une personne morale en état de faillite à, avec une intention frauduleuse ou à dessein de nuire:
  1° avoir détourné ou dissimulé une partie de l'actif;
  2° avoir soustrait, en tout ou en partie, des livre s ou documents comptables visés au chapitre 2 du titre 3 du livre III du Code de droit économique.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
Art. 492. Bedrieglijke aantasting van de activa of passiva van een gefailleerde persoon
  Bedrieglijke aantasting van de activa of passiva van een gefailleerde persoon is het met bedrieglijk opzet door een derde:
  1° geheel of ten dele wegnemen, verbergen of helen van de activa in het belang van de gefailleerde onderneming, zelfs zonder de medewerking van deze onderneming of van de bestuurders, in rechte of in feite, van die vennootschap of rechtspersoon;
  2° indienen of bevestigen, in eigen naam of door tussenpersonen, van verhulde of overdreven schuldvorderingen bij het faillissement.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
  De poging tot het misdrijf bedoeld in dit artikel is niet strafbaar.
Art. 492. L'atteinte frauduleuse à l'actif ou au passif d'une personne faillie
  L'atteinte frauduleuse à l'actif ou au passif d'une personne faillie consiste pour un tiers à avoir, dans une intention frauduleuse:
  1° dans l'intérêt de l'entreprise faillie même en l'absence d'intervention de cette dernière ou des dirigeants, de droit ou de fait, de cette société ou personne morale, soustrait, dissimulé ou recelé tout ou partie de l'actif;
  2° présenté dans la faillite et affirmé, soit en leur nom, soit par interposition de personnes, des créances supposées ou exagérées.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
  La tentative de commettre l'infraction visée au présent article n'est pas punissable.
Art. 493. Ontrouw in het beheer van het faillissement
  Ontrouw in het beheer van het faillissement is het, met bedrieglijk opzet, aantasten van de belangen die door het instituut van het faillissement moeten worden beschermd door een curator in het kader van de uitoefening van deze functie.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
  De curator wordt daarenboven veroordeeld tot teruggave en schadeloosstelling die aan de boedel zijn verschuldigd.
Art. 493. La malversation dans la gestion de la curatelle
  La malversation dans la gestion de la curatelle consiste pour le curateur, dans l'exercice de cette fonction, à porter atteinte, dans une intention frauduleuse, aux intérêts que l'institution de la faillite a pour objet de protéger.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
  Le curateur est, en outre, condamné aux restitutions et dommages et intérêts dus à la masse des créanciers.
Art. 494. Schending van de procedure van gerechtelijke reorganisatie door een schuldenaar
  Schending van de procedure van gerechtelijke reorganisatie door een schuldenaar is het door een schuldenaar, met het oogmerk de procedure van gerechtelijke reorganisatie te verkrijgen of te vergemakkelijken:
  1° verbergen van een gedeelte van zijn activa of passiva, de activa overdrijven of de passiva minimaliseren, op welke manier ook;
  2° doen of laten optreden bij de beraadslagingen van een of meer vermeende schuldeisers of schuldeisers waarvan de schuldvorderingen overdreven zijn;
  3° weglaten van een of meer schuldeisers uit de lijst van schuldeisers;
  4° doen of laten doen van onjuiste of onvolledige verklaringen aan de rechtbank of aan een gerechtsmandataris over de staat van zijn zaken of de vooruitzichten van reorganisatie.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
  De poging tot het misdrijf bedoeld in dit artikel is niet strafbaar.
Art. 494. L'atteinte par un débiteur à la procédure de réorganisation judiciaire
  L'atteinte par un débiteur à la procédure de réorganisation judiciaire consiste pour le débiteur à avoir, dans l'intention d'obtenir ou de faciliter la procédure de réorganisation judiciaire:
  1° de quelque manière que ce soit, dissimulé une partie de son actif ou de son passif, ou exagéré cet actif ou minimalisé ce passif;
  2° fait ou laissé intervenir dans les délibérations un ou plusieurs créanciers supposés ou dont les créances ont été exagérées;
  3° omis un ou plusieurs créanciers de la liste des créanciers;
  4° fait ou laissé faire au tribunal ou à un mandataire de justice des déclarations inexactes ou incomplètes sur l'état de ses affaires ou sur les perspectives de réorganisation.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
  La tentative de commettre l'infraction visée au présent article n'est pas punissable.
Art. 495. Bedrieglijke schending van de procedure van gerechtelijke reorganisatie door derden
  Bedrieglijke schending van de procedure van gerechtelijke reorganisatie door derden is het met bedrieglijk opzet:
  1° deelnemen aan de stemming bedoeld in artikel XX.78 of XX.83/14 van het Wetboek van economisch recht, zonder schuldeiser te zijn;
  2° als schuldeiser zijn schuldvorderingen overdrijven;
  3° hetzij met de schuldenaar, hetzij met enige andere persoon, bijzondere voordelen bedingen om de stemming over het reorganisatieplan in een bepaalde richting te sturen, of een bijzondere overeenkomst sluiten waaruit voor hen een voordeel zou voortvloeien ten laste van de activa van de schuldenaar.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
  De poging tot het misdrijf bedoeld in dit artikel is niet strafbaar.
Art. 495. L'atteinte frauduleuse par un tiers à la procédure de réorganisation judiciaire
  L'atteinte frauduleuse par un tiers à la procédure de réorganisation judiciaire consiste à avoir dans une intention frauduleuse:
  1° sans être créancier, pris part au vote visé aux articles XX.78 ou XX.83/14 du Code de droit économique;
  2° étant créancier, exagéré ses créances;
  3° stipulé, soit avec le débiteur, soit avec toutes autres personnes, des avantages particuliers pour orienter le sens de leur vote sur le plan de réorganisation ou conclu un accord particulier en vertu duquel résulterait en leur faveur un avantage à charge de l'actif du débiteur.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
  La tentative de commettre l'infraction visée au présent article n'est pas punissable.
Onderafdeling 6. Overige vormen van bedrog
Sous-section 6. Les autres formes de fraude
Art. 496. Bedrieglijk bewerkstelligen van onvermogen
  § 1. Het bedrieglijk bewerkstelligen van onvermogen is het met bedrieglijk opzet bewerkstelligen van zijn onvermogen en het niet voldoen aan de op hem rustende verbintenissen.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
  § 2. Dat de schuldenaar zijn onvermogen heeft bewerkstelligt, kan worden afgeleid uit elke omstandigheid waaruit blijkt dat hij zich onvermogend heeft willen maken.
  § 3. Poging tot het in dit artikel bedoelde misdrijf is niet strafbaar.
Art. 496. L'organisation frauduleuse d'insolvabilité
  § 1er. L'organisation frauduleuse d'insolvabilité consiste pour son auteur à frauduleusement organiser son insolvabilité et à ne pas exécuter les obligations dont il est tenu.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
  § 2. L'organisation de son insolvabilité par le débiteur peut être déduite de toute circonstance de nature à révéler sa volonté de se rendre insolvable.
  § 3. La tentative de commettre l'infraction visée au présent article n'est pas punissable.
Art. 497. Strafuitsluitende verschoningsgrond
  De derde die deelneemt aan het bedrieglijk bewerkstelligen van onvermogen wordt niet gestraft indien hij de hem overhandigde goederen teruggeeft.
Art. 497. La cause d'excuse d'exemption de peine
  Le tiers participant à l'organisation frauduleuse d'insolvabilité bénéficie d'une exemption de peine s'il restitue les biens qui lui avaient été remis.
Art. 498. Bedrieglijke verberging
  Bedrieglijke verberging is het zich met bedrieglijk opzet toe-eigenen, door verberging of overdracht, van een roerend goed dat aan een ander toebehoort en dat door de dader is gevonden of bij toeval in zijn bezit is gekomen, alsook het zich met bedrieglijk opzet meester maken van het geheel van een schat die men heeft ontdekt op andermans grond.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
  Poging tot het in dit artikel bedoelde misdrijf is niet strafbaar.
Art. 498. Le cel frauduleux
  Le cel frauduleux consiste à s'approprier frauduleusement, par cel ou cession, un bien mobilier appartenant à autrui que l'auteur a trouvé ou obtenu par hasard ou à s'emparer frauduleusement de la totalité d'un trésor qu'il a découvert sur le fond d'autrui.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
  La tentative de commettre l'infraction visée au présent article n'est pas punissable.
Art. 499. Afzetterij
  Afzetterij van dranken, voeding, logies of vervoer is het zich opzettelijk in een daartoe bestemde inrichting laten opdienen van dranken of voeding die men daar geheel of gedeeltelijk verbruikt, het verblijven in te betalen logies, het gebruik maken van een taxidienst of het huren van een huurrijtuig, wetende dat men in de volstrekte onmogelijkheid verkeert om te betalen.
  Afzetterij van brandstof is het zich met bedrieglijk opzet onttrekken aan de onmiddellijke betaling van brandstof, energie of smeerolie na een voertuig daarvan te hebben laten voorzien.
  Deze misdrijven worden bestraft met een straf van niveau 1.
  Poging tot het in dit artikel bedoelde misdrijf is niet strafbaar.
Art. 499. La grivèlerie
  La grivèlerie de boissons, d'aliments, de logement ou de transport consiste à, délibérément, se faire servir, dans un établissement à ce destiné, des boissons ou des aliments qu'on y aura consommés en tout ou en partie, séjourner dans un logement payant, utiliser un service de taxi ou prendre en location une voiture de louage alors que l'on sait qu'on est dans l'impossibilité absolue de payer.
  La grivèlerie de carburant consiste à se soustraire frauduleusement au paiement immédiat de carburant, d'énergie ou de lubrifiant après en avoir fait approvisionner un véhicule.
  Ces infractions sont punies d'une peine de niveau 1.
  La tentative de commettre l'infraction visée au présent article n'est pas punissable.
Art. 500. Uitgifte van cheques zonder dekking
  Uitgifte van cheques zonder dekking is een van de volgende gedragingen:
  1° het opzettelijk uitgeven van een cheque of enig andere titel die gelijkgesteld is met een cheque, zonder toereikende en beschikbare dekking;
  2° het opzettelijk overdragen van een van deze titels, wetende dat de dekking niet toereikend en beschikbaar is;
  3° het, na een van deze titels te hebben uitgegeven, opzettelijk geheel of gedeeltelijk afhalen van hun dekking in de loop van de aanbiedingstermijn;
  4° het, na een van deze titels te hebben uitgegeven, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden, geheel of ten dele onbeschikbaar maken of afhalen van de dekking.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
  Poging tot het in dit artikel bedoelde misdrijf is niet strafbaar.
Art. 500. L'émission de chèques sans provision
  L'émission de chèques sans provision consiste en l'un des actes suivants:
  1° délibérément, émettre sans provision suffisante et disponible, un chèque ou tout autre titre assimilé au chèque;
  2° céder délibérément un de ces titres, sachant que la provision n'est pas suffisante et disponible;
  3° après avoir émis un de ces titres, retirer délibérément tout ou partie de leur provision au cours du délai de présentation;
  4° après avoir émis un de ces titres, en rendre ou en retirer, dans une intention frauduleuse ou à dessein de nuire, tout ou partie de la provision indisponible.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
  La tentative de commettre l'infraction visée au présent article n'est pas punissable.
Afdeling 3. Heling en witwassen
Section 3. Le recel et le blanchiment
Art. 501. Heling
  Heling is het opzettelijk in bezit nemen van een goed dat verkregen is door middel van een misdrijf dat begaan is door een andere persoon.
  Heling bestaat, ook wanneer het misdrijf waaruit het goed voortkomt in het buitenland is gepleegd en in België niet kan worden vervolgd.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 501. Le recel
  Le recel consiste à prendre possession, délibérément, d'un bien obtenu à l'aide d'une infraction commise par une autre personne.
  Le recel existe même lorsque l'infraction d'où provient le bien a été commise à l'étranger et ne peut pas être poursuivie en Belgique.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
Art. 502. Witwassen
  Witwassen is het:
  1° opzettelijk verwerven, om niet ontvangen, bewaren, beheren of bezitten van de uit een misdrijf verkregen vermogensvoordelen, van de in de plaats gestelde goederen of waarden of van de inkomsten uit die belegde voordelen terwijl de dader de herkomst van de zaken kende of moest kennen op het ogenblik van de aanvang van deze handelingen, of;
  2° omzetten of overdragen van de zaken bedoeld in de bepaling onder 1°, met de bedoeling de illegale herkomst ervan te verbergen of te verdoezelen of een persoon betrokken bij het oorspronkelijk misdrijf te helpen ontkomen aan de rechtsgevolgen van zijn daden, terwijl de dader weet of moest weten dat deze uit een criminele activiteit zijn verkregen, of;
  3° opzettelijk verhelen of verhullen van de aard, de oorsprong, de vindplaats, de vervreemding, de verplaatsing of de eigendom van de zaken bedoeld in de bepaling onder 1°, terwijl de dader weet of moest weten dat deze uit een criminele activiteit zijn verkregen.
  Witwassen bestaat, ook wanneer het misdrijf waaruit de vermogensvoordelen, de in de plaats gestelde goederen of waarden of de inkomsten uit die belegde voordelen voortkomen, in het buitenland is gepleegd en in België niet kan worden vervolgd.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
  In afwijking op artikel 52, § 1, tweede lid, kan de rechter als bijkomende straf een geldboete uitspreken van 200 euro tot 2.000.000 euro of van een omvang die verhoogd kan worden tot het equivalente bedrag van de waarde van de witgewassen goederen.
  In afwijking op artikel 53, § 2, eerste lid, 1°, worden de zaken die het voorwerp uitmaken van het witwassen verbeurd verklaard, ook al zijn zij geen eigendom van de veroordeelde, onverminderd de rechten die derden kunnen laten gelden op die zaken.
Art. 502. Le blanchiment
  Le blanchiment consiste pour une personne à:
  1° acquérir, recevoir à titre gratuit, garder, gérer ou posséder délibérément des avantages patrimoniaux tirés d'une infraction, des biens ou valeurs qui leur ont été substitués ou les revenus de ces avantages investis alors que l'auteur connaissait ou devait connaître l'origine de ces choses au début de ces opérations, ou;
  2° convertir ou transférer des choses visées au 1°, dans le but de dissimuler ou de déguiser leur origine illicite ou d'aider toute personne qui est impliquée dans l'infraction initiale, à échapper aux conséquences juridiques de ses actes, alors que l'auteur sait ou devait savoir qu'elles proviennent d'une activité criminelle, ou;
  3° dissimuler ou déguiser délibérément la nature, l'origine, l'emplacement, la disposition, le mouvement ou la propriété des choses visées au 1° alors que l'auteur sait ou devait savoir qu'elles proviennent d'une activité criminelle.
  Le blanchiment existe, même lorsque l'infraction d'où proviennent les avantages patrimoniaux, les biens ou valeurs qui leur ont été substitués ou les revenus de ces avantages investis, a été commise à l'étranger et ne peut pas être poursuivie en Belgique.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
  Par dérogation à l'article 52, § 1er, alinéa 2, le juge peut prononcer, à titre de peine accessoire, une amende de 200 euros à 2.000.000 euros ou d'un montant pouvant s'élever jusqu'à une somme équivalente à la valeur des biens blanchis.
  Par dérogation à l'article 53, § 2, alinéa 1er, 1°, les choses qui forment l'objet du blanchiment sont confisquées même si la propriété n'en appartient pas au condamné, sans préjudice des droits que les tiers peuvent faire valoir sur ces choses.
Art. 503. Verzwarende factoren van heling en witwassen
  Bij de keuze van de straf of maatregel en de zwaarte ervan voor een misdrijf omschreven in deze afdeling, neemt de rechter in overweging dat:
  1° de dader wist dat een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand werd ingezet voor het plegen van het misdrijf waaruit de witgewassen vermogensvoordelen voortkomen;
  2° de geheelde of witgewassen vermogensvoordelen voortkomen uit een misdrijf strafbaar met een straf van niveau 7 of 8 en de dader kennis had van de bestanddelen waaraan de wet een dergelijke straf hecht;
  3° de dader van het misdrijf een meldingsplichtige entiteit is volgens artikel 2 van de Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie, gevestigd in België, in een ander land van de Europese Economische Ruimte of een derde land dat verplichtingen oplegt die gelijkaardig zijn aan die uit de voornoemde Richtlijn, en deze het misdrijf heeft gepleegd in het kader van de uitoefening van zijn beroepsactiviteiten;
  4° het misdrijf werd gepleegd in het kader van een criminele organisatie.
Art. 503. Les facteurs aggravants du recel et du blanchiment
  Lors du choix de la peine ou de la mesure et de la sévérité de celle-ci, pour une infraction visée dans la présente section, le juge prend en considération le fait que:
  1° l'auteur avait connaissance qu'un mineur ou une personne en situation de vulnérabilité a été utilisé pour commettre l'infraction d'où proviennent les avantages patrimoniaux blanchis;
  2° les avantages patrimoniaux recelés ou blanchis proviennent d'une infraction punissable d'une peine de niveau 7 ou 8 et que l'auteur avait connaissance des éléments auxquels la loi attache une telle peine;
  3° l'auteur de l'infraction est une entité assujettie visée à l'article 2 de la directive (UE) 2015/849 du Parlement européen et du Conseil du 20 mai 2015 relative à la prévention de l'utilisation du système financier aux fins du blanchiment de capitaux ou du financement du terrorisme, modifiant le règlement (UE) n° 648/2012 du Parlement européen et du Conseil et abrogeant la directive 2005/60/CE du Parlement européen et du Conseil et la directive 2006/70/CE de la Commission, établie en Belgique, dans un autre pays de l'Espace économique européen ou dans un pays tiers qui impose des obligations équivalentes à celles prévues par la directive précitée, et a commis l'infraction dans l'exercice de ses activités professionnelles;
  4° l'infraction est commise dans le cadre d'une organisation criminelle.
Art. 504. Strafuitsluitende verschoningsgrond
  De onderworpen entiteiten als bedoeld in artikel 5, §§ 1 en 4, van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten, alsmede hun bestuurders, aangestelden en lasthebbers, blijven vrij van straf voor de in artikel 502 eerste lid, 1° en 3°, genoemde misdrijven, voor zover zij zich, ten aanzien van de betrokken feiten gepleegd in het raam van andere fiscale fraude dan ernstige fiscale fraude, al dan niet georganiseerd, hebben geconformeerd aan de wetgeving en reglementering inzake de bestrijding van fiscale fraude waaronder deze die voortvloeien uit voornoemde wet van 18 september 2017.
Art. 504. La cause d'excuse d'exemption de peine
  Les entités assujetties telles que visées à l'article 5, §§ 1er et 4, de la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces, ainsi que leurs administrateurs, préposés et mandataires, sont exempts de peine pour les infractions visées à l'article 502, alinéa 1er, 1° et 3°, dans la mesure où, en ce qui concerne les faits concernés commis dans le cadre de la fraude fiscale autre que la fraude fiscale grave, organisée ou non, ils se sont conformés à la législation et à la réglementation en matière de lutte contre la fraude fiscale y compris celles découlant de la loi précitée du 18 septembre 2017.
Hoofdstuk 2. Misdrijven met betrekking tot de beschadiging en vernieling van goederen
Chapitre 2. Les infractions relatives à la dégradation et la destruction de biens
Afdeling 1. Misdrijven die een maatschappelijk gevaar doen ontstaan
Section 1re. Les infractions qui font naître un danger sociétal
Art. 505. Brandstichting
  Brandstichting is het opzettelijk stichten van brand op enig goed waardoor schade aan een ander wordt veroorzaakt of een maatschappelijk gevaar ontstaat.
  Met brandstichting wordt gelijkgesteld het in brand steken van enig goed, zodanig geplaatst dat de brand zal overslaan op het goed dat men wil beschadigen.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 505. L'incendie
  L'incendie consiste à, délibérément, mettre le feu à un bien quelconque, causant un dommage à autrui ou faisant naître un danger sociétal.
  Est assimilé à l'incendie le fait de mettre le feu à un bien quelconque, placé de manière telle que le feu se communique au bien qu'on voulait endommager.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Art. 506. Brandstichting met ernstige schade tot gevolg
  Brandstichting met ernstige schade tot gevolg wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 506. L'incendie ayant entraîné un dommage grave
  L'incendie ayant entraîné un dommage grave est puni d'une peine de niveau 3.
Art. 507. Brandstichting van een goed met een bijzonder belang
  Brandstichting van een goed met een bijzonder belang is de brandstichting van een gebouw, maatschappelijke infrastructuur, vervoermiddel, één of meer bomen, een bos, een natuurgebied, een boomgaard of een akker.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
  Indien het misdrijf ernstige schade tot gevolg heeft, wordt het bestraft met een straf van niveau 4.
Art. 507. L'incendie d'un bien ayant un intérêt particulier
  L'incendie d'un bien ayant un intérêt particulier consiste à incendier un édifice, une infrastructure sociétale, un moyen de transport, un ou plusieurs arbres, un bois, une zone naturelle, un verger ou un champ.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
  Si l'infraction a entraîné un dommage grave, elle est punie d'une peine de niveau 4.
Art. 508. Brandstichting indien de dader moest vermoeden dat zich aldaar op het ogenblik van de brand een of meer personen bevonden
  Brandstichting indien de dader moest vermoeden dat zich aldaar op het ogenblik van de brand een of meer personen bevonden, wordt bestraft met een straf van niveau 5.
Art. 508. L'incendie lorsque l'auteur devait présumer qu'une ou plusieurs personnes se trouvaient sur les lieux au moment de l'incendie
  L'incendie lorsque l'auteur devait présumer qu'une ou plusieurs personnes se trouvaient sur les lieux au moment de l'incendie est puni d'une peine de niveau 5.
Art. 509. Brandstichting met een integriteitsaantasting van de derde graad of de dood tot gevolg
  Indien de brandstichting een integriteitsaantasting van de derde graad of de dood tot gevolg heeft zonder dat de dader het oogmerk had te doden, wordt de straf in de vorige artikelen vermeld met één niveau verhoogd zonder dat evenwel een zwaardere straf dan een straf van niveau 6 kan worden opgelegd.
Art. 509. L'incendie ayant entraîné une atteinte à l'intégrité du troisième degré ou la mort
  Lorsque l'incendie a entraîné une atteinte à l'intégrité du troisième degré ou la mort sans intention de la donner, la peine visée aux articles précédents est augmentée d'un niveau , sans toutefois qu'une peine plus lourde qu'une peine de niveau 6 puisse être imposée.
Art. 510. Brandstichting bij nacht
  Indien de brandstichting bij nacht is gepleegd, wordt de straf in de vorige artikelen vermeld met één niveau verhoogd zonder dat evenwel een zwaardere straf dan een straf van niveau 6 kan worden opgelegd.
Art. 510. L'incendie allumé pendant la nuit
  Lorsque l'incendie est commis pendant la nuit, la peine visée aux articles précédents est augmentée d'un niveau , sans toutefois qu'une peine plus lourde qu'une peine de niveau 6 puisse être imposée.
Art. 511. Verzwarende factoren
  Bij de keuze van de straf of de maatregel en de zwaarte ervan voor een misdrijf omschreven in de artikelen van deze afdeling neemt de rechter in overweging dat:
  1° het misdrijf werd gepleegd vanuit een discriminerende drijfveer;
  2° het slachtoffer een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand is;
  3° het misdrijf met twee of meer personen is gepleegd;
  4° het slachtoffer een persoon is met een openbare functie naar aanleiding van de uitoefening van deze functie.
Art. 511. Les facteurs aggravants
  Lors du choix de la peine ou de la mesure et de la sévérité de celle-ci, pour une infraction visée aux articles de la présente section, le juge prend en considération le fait que:
  1° l'infraction a été commise avec un mobile discriminatoire;
  2° la victime est une personne mineure ou en situation de vulnérabilité;
  3° l'infraction a été commise par deux personnes ou plus;
  4° la victime est une personne exerçant une fonction publique, à l'occasion de l'exercice de cette fonction.
Art. 512. Veroorzaken van brand door een ernstig gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid
  Het op eender welke wijze veroorzaken van brand door een ernstig gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 512. Le feu provoqué par défaut grave de prévoyance ou de précaution
  Le feu provoqué, de quelque manière que ce soit, par défaut grave de prévoyance ou de précaution est puni d'une peine de niveau 1.
Art. 513. Vernieling door ontploffing of overstroming
  Vernieling door ontploffing of overstroming is het opzettelijk of het door een ernstig gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid veroorzaken van een ontploffing of een overstroming waardoor schade wordt veroorzaakt of een maatschappelijk gevaar ontstaat.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf als bedoeld in de artikelen 505 tot 511 indien het misdrijf opzettelijk wordt gepleegd.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf als bedoeld in het artikel 512 indien het misdrijf wordt gepleegd door een ernstig gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid.
Art. 513. La destruction par explosion ou inondation
  La destruction par explosion ou inondation consiste à, soit délibérément, soit par défaut grave de prévoyance ou de précaution, provoquer une explosion ou une inondation causant un dommage ou faisant naître un danger social.
  Cette infraction est punie d'une peine visée aux articles 505 à 511 si elle est commise délibérément.
  Cette infraction est punie d'une peine visée à l'article 512 si elle est commise par défaut grave de prévoyance ou de précaution.
Afdeling 2. Vandalisme
Section 2. Le vandalisme
Art. 514. Definitie van vandalisme
  Vandalisme is alle opzettelijk op enig goed dat aan een ander toebehoort gestelde gedraging die bestaat in het vernielen, het beschadigen, het onbruikbaar maken of het aanbrengen van graffiti zonder toestemming.
Art. 514. La définition du vandalisme
  Le vandalisme consiste à, délibérément, détruire, endommager ou rendre inutilisable un bien quelconque appartenant à autrui, ou à réaliser sans autorisation des graffitis sur ce bien.
Art. 515. Vandalisme
  Vandalisme wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 515. Le vandalisme
  Le vandalisme est puni d'une peine de niveau 1.
Art. 516. Vandalisme met ernstige schade tot gevolg
  Vandalisme met ernstige schade tot gevolg wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 516. Le vandalisme ayant entraîné un dommage grave
  Le vandalisme ayant entraîné un dommage grave est puni d'une peine de niveau 2.
Art. 517. Vandalisme aan een goed met een bijzonder belang
  Vandalisme aan een goed met een bijzonder belang is het vandalisme aan een gebouw, maatschappelijke infrastructuur, een vervoermiddel, één of meer bomen, een bos, een natuurgebied, een boomgaard of een akker.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
  Indien het misdrijf ernstige schade tot gevolg heeft, wordt het bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 517. Le vandalisme sur un bien ayant un intérêt particulier
  Le vandalisme sur un bien ayant un intérêt particulier est le vandalisme causé à un édifice, une infrastructure sociétale, un moyen de transport, un ou plusieurs arbres, un bois, une zone naturelle, un verger ou un champ.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
  Si l'infraction a entraîné un dommage grave, elle est punie d'une peine de niveau 3.
Art. 518. Vandalisme met geweld of bedreiging
  Vandalisme met geweld of bedreiging wordt als volgt bestraft:
  1° vandalisme wordt bestraft met een straf van niveau 2;
  2° vandalisme met ernstige schade tot gevolg wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 518. Le vandalisme à l'aide de violences ou de menaces
  Le vandalisme à l'aide de violences ou de menaces est puni comme suit:
  1° le vandalisme est puni d'une peine de niveau 2;
  2° le vandalisme ayant entraîné un dommage grave est puni d'une peine de niveau 3.
Art. 519. Vandalisme met geweld of bedreiging aan of in een bewoond huis of de aanhorigheden ervan
  Vandalisme met geweld of bedreiging aan of in een bewoond huis of de aanhorigheden ervan wordt bestraft met een straf van niveau 4.
Art. 519. Le vandalisme à l'aide de violences ou de menaces sur ou dans une maison habitée ou ses dépendances
  Le vandalisme à l'aide de violences ou de menaces sur ou dans une maison habitée ou ses dépendances est puni d'une peine de niveau 4.
Art. 520. Vandalisme gepaard gaande met gewelddaden met een integriteitsaantasting van de derde graad tot gevolg
  Vandalisme gepaard gaande met gewelddaden met een integriteitsaantasting van de derde graad wordt bestraft met een straf van niveau 4.
Art. 520. Le vandalisme accompagné d'actes de violence ayant entraîné une atteinte à l'intégrité du troisième degré
  Le vandalisme accompagné d'actes de violence ayant entraîné une atteinte à l'intégrité du troisième degré est puni d'une peine de niveau 4.
Art. 521. Vandalisme gepaard gaande met gewelddaden met de dood tot gevolg
  Vandalisme gepaard gaande met gewelddaden met de dood tot gevolg zonder dat de dader het oogmerk had te doden wordt bestraft met een straf van niveau 5.
Art. 521. Le vandalisme accompagné d'actes de violence ayant entraîné la mort
  Le vandalisme accompagné d'actes de violence ayant entraîné la mort sans intention de la donner est puni d'une peine de niveau 5.
Art. 522. Vernietiging van authentieke akten, overeenkomsten of overheidsdocumenten
  Vernietiging van authentieke akten, overeenkomsten of overheidsdocumenten is het kwaadwillig of met bedrieglijk opzet vernietigen van registers, minuten of originele akten van het openbaar gezag, authentieke akten of enig document dat een verbintenis, beschikking of schuldbevrijding inhoudt of teweegbrengt.
  Dit misdrijf wordt bestraft overeenkomstig de bepalingen van de eerste afdeling van het eerste hoofdstuk van deze titel.
Art. 522. La destruction d'actes authentiques, de conventions ou de documents administratifs
  La destruction d'actes authentiques, de conventions ou de documents administratifs consiste à, méchamment ou avec une intention frauduleuse, détruire des registres, minutes ou actes originaux de l'autorité publique, ou tout document contenant ou opérant obligation, disposition ou décharge.
  Cette infraction est punie conformément aux dispositions de la section 1re du premier chapitre du présent titre.
Art. 523. Verzwarende factoren
  Bij de keuze van de straf of de maatregel en de zwaarte ervan voor een misdrijf omschreven in deze afdeling neemt de rechter in overweging dat:
  1° het misdrijf werd gepleegd vanuit een discriminerende drijfveer;
  2° het slachtoffer een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand is;
  3° het misdrijf bij nacht werd gepleegd;
  4° het misdrijf met twee of meer personen is gepleegd;
  5° het slachtoffer een persoon is met een openbare functie naar aanleiding van de uitoefening van deze functie.
Art. 523. Les facteurs aggravants
  Lors du choix de la peine ou de la mesure et de la sévérité de celle-ci, pour une infraction décrite dans la présente section, le juge prend en considération le fait que:
  1° l'infraction a été commise avec un mobile discriminatoire;
  2° la victime est une personne mineure ou en situation de vulnérabilité;
  3° l'infraction a été commise pendant la nuit;
  4° l'infraction a été commise par deux personnes ou plus;
  5° la victime est une personne exerçant une fonction publique, à l'occasion de l'exercice de cette fonction.
Hoofdstuk 3. Misdrijven betreffende informatica- systemen
Chapitre 3. Les infractions relatives aux systèmes informatiques
Afdeling 1. Hacking
Section 1re. Les accès non autorisés dans un système informatique
Art. 524. Externe hacking
  Externe hacking is het zich opzettelijk toegang verschaffen tot een informaticasysteem of zich daarin handhaven, wetende daar niet toe gerechtigd te zijn.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 524. L'accès non autorisé externe dans un système informatique
  L'accès non autorisé externe dans un système informatique consiste, pour une personne sachant qu'elle n'y est pas autorisée, à, délibérément, accéder à un système informatique ou s'y maintenir.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Art. 525. Interne hacking
  Interne hacking is het met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, zijn toegangsbevoegdheid tot een informaticasysteem overschrijden.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 525. L'accès non autorisé interne dans un système informatique
  L'accès non autorisé interne dans un système informatique consiste pour une personne à, avec une intention frauduleuse ou dans le dessein de nuire, outrepasser son pouvoir d'accès à un système informatique.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Art. 526. Verzwaarde interne of externe hacking
  Interne of externe hacking wordt bestraft met een straf van niveau 3 wanneer de dader:
  1° de gegevens die worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen door middel van het informaticasysteem op enige manier overneemt;
  2° enig gebruik maakt van een informaticasysteem van een derde of zich bedient van het informaticasysteem om toegang te verkrijgen tot een informaticasysteem van een derde, of;
  3° enige schade, zelfs onopzettelijk, veroorzaakt aan het informaticasysteem of aan de gegevens die door middel van het informaticasysteem worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen of aan een informaticasysteem van een derde of aan de gegevens die door middel van het laatstgenoemde informaticasysteem worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen.
Art. 526. L'accès non autorisé interne ou externe dans un système informatique aggravé
  L'accès non autorisé interne ou externe dans un système informatique est puni d'une peine de niveau 3 lorsque l'auteur:
  1° reprend, de quelque manière que ce soit, les données stockées, traitées ou transmises par le système informatique;
  2° fait un usage quelconque d'un système informatique appartenant à un tiers ou se sert du système informatique pour accéder au système informatique d'un tiers, ou;
  3° cause un dommage quelconque, même non intentionnellement, au système informatique ou aux données qui sont stockées traitées ou transmises par ce système ou au système informatique d'un tiers ou aux données qui sont stockées, traitées ou transmises par ce système.
Art. 527. Poging tot hacking
  In afwijking van artikel 9, § 1, vierde lid, wordt de poging tot het plegen van een van de misdrijven bedoeld in de artikelen 524 tot 526 bestraft met dezelfde straf als het voltooide misdrijf.
Art. 527. La tentative d'accès non autorisé dans un système informatique
  Par dérogation à l'article 9, § 1er, alinéa 4, la tentative de commettre l'une des infractions visées aux articles 524 à 526 est punie de la même peine que l'infraction consommée.
Art. 528. Bezit of terbeschikkingstelling van een instrument dat hacking mogelijk moet maken
  Bezit of terbeschikkingstelling van een instrument dat hacking mogelijk moet maken is het onrechtmatig, opzettelijk, bezitten, produceren, verkopen, verkrijgen met het oog op het gebruik ervan, invoeren, verspreiden of op enige andere manier ter beschikking stellen van een instrument, met inbegrip van informaticagegevens, dat hoofdzakelijk is ontworpen of aangepast om het plegen van een van de misdrijven bedoeld in de artikelen 524 tot 527 mogelijk te maken.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 528. La possession ou la mise à disposition d'un dispositif destiné à permettre un accès non autorisé dans un système informatique
  La possession ou la mise à disposition d'un dispositif destiné à permettre un accès non autorisé dans un système informatique consiste à, indûment, délibérément, posséder, produire, vendre, obtenir en vue de son utilisation, importer, diffuser ou mettre à disposition sous une autre forme, un dispositif, y compris des données informatiques, principalement conçu ou adapté pour permettre la commission des infractions visées aux articles 524 à 527.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Art. 529. Uitlokking van hacking
  Uitlokking van hacking is het opzettelijk de opdracht geven of aanzetten tot het plegen van een van de misdrijven bedoeld in de artikelen 524 tot 528.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 529. La provocation à commettre un accès non autorisé dans un système informatique
  La provocation à commettre un accès non autorisé dans un système informatique consiste à, délibérément, ordonner la commission d'une des infractions visées aux articles 524 à 528 ou y inciter.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
Art. 530. Heling van informaticagegevens
  Heling van informaticagegevens is het opzettelijk, onder zich houden, aan een andere persoon onthullen of verspreiden, of enig gebruik maken van gegevens die verkregen zijn door het plegen van een van de misdrijven bedoeld in de artikelen 524 tot 526, terwijl de dader weet dat die gegevens aldus verkregen zijn.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 530. Le recel de données informatiques
  Le recel de données informatiques consiste à, délibérément, détenir, révéler à une autre personne ou divulguer des données obtenues par la commission d'une des infractions visées aux articles 524 à 526, ou en faire un usage quelconque alors que l'auteur sait que ces données ont été ainsi obtenues.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Afdeling 2. Aantasting van de integriteit van een informaticasysteem
Section 2. Les atteintes à l'intégrité d'un système informatique
Art. 531. Informaticasabotage
  Informaticasabotage is het opzettelijk, rechtstreeks of onrechtstreeks, in een informaticasysteem invoeren, wijzigen of wissen van gegevens, dan wel met enig ander technologisch middel de normale aanwending van gegevens in een informaticasysteem veranderen, wetende daartoe niet gerechtigd te zijn.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
  In afwijking van artikel 9, § 1, vierde lid, wordt de poging tot het plegen van dit misdrijf bestraft met dezelfde straf als het voltooide misdrijf.
Art. 531. Le sabotage informatique
  Le sabotage informatique consiste, pour une personne sachant qu'elle n'y est pas autorisée, à, délibérément, de façon directe ou indirecte, introduire dans un système informatique, y modifier ou y effacer des données, ou modifier par tout moyen technologique l'utilisation normale de données dans un système informatique.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
  Par dérogation à l'article 9, § 1er, alinéa 4, la tentative de commettre cette infraction est punie de la même peine que l'infraction consommée.
Art. 532. Verzwaarde informaticasabotage
  Informaticasabotage wordt bestraft met een straf van niveau 3 wanneer:
  1° de dader handelt met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden;
  2° het misdrijf wordt gepleegd op een informatiesysteem van een kritieke infrastructuur, bedoeld in artikel 3, 4°, van de wet van 1 juli 2011 betreffende de beveiliging en de bescherming van de kritieke infrastructuren;
  3° de dader, ten gevolge van de informaticasabotage, schade berokkent aan gegevens in het desbetreffende informaticasysteem of in enig ander informaticasysteem;
  4° de dader de correcte werking van het desbetreffende informaticasysteem of van enig ander informaticasysteem geheel of gedeeltelijk verhindert ten gevolge van de informaticasabotage.
Art. 532. Le sabotage informatique aggravé
  Le sabotage informatique est puni d'une peine de niveau 3 lorsque:
  1° l'auteur agit avec une intention frauduleuse ou dans le dessein de nuire;
  2° l'infraction est commise contre un système informatique d'une infrastructure critique telle que visée à l'article 3, 4°, de la loi du 1er juillet 2011 relative à la sécurité et la protection des infrastructures critiques;
  3° l'auteur cause, à la suite du sabotage informatique, un dommage à des données dans le système informatique concerné ou dans tout autre système informatique;
  4° l'auteur empêche, totalement ou partiellement, à la suite du sabotage informatique, le fonctionnement correct du système informatique concerné ou de tout autre système informatique.
Art. 533. Bezit of terbeschikkingstelling van een instrument dat informaticasabotage mogelijk moet maken
  Bezit of terbeschikkingstelling van een instrument dat informaticasabotage mogelijk moet maken is het onrechtmatig, opzettelijk bezitten, produceren, verkopen, verkrijgen met het oog op het gebruik ervan, invoeren, verspreiden of op enige andere manier ter beschikking stellen van een instrument, met inbegrip van informaticagegevens, dat hoofdzakelijk is ontworpen of aangepast voor het plegen van een van de misdrijven bedoeld in de artikelen 531 en 532, terwijl de betrokkene weet dat dit instrument of deze gegevens aangewend kunnen worden om schade te berokkenen aan gegevens of, geheel of gedeeltelijk, de correcte werking van een informaticasysteem te verhinderen.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 533. La possession ou la mise à disposition d'un dispositif destiné à commettre un sabotage informatique
  La possession ou la mise à disposition d'un dispositif destiné à commettre un sabotage informatique consiste à, indûment, délibérément, posséder, produire, vendre, obtenir en vue de son utilisation, importer, diffuser ou mettre à disposition sous une autre forme, un dispositif, y compris des données informatiques, principalement conçu ou adapté pour commettre l'une des infractions visées aux articles 531 et 532 alors que ce dispositif ou ces données peuvent être utilisés pour causer un dommage à des données ou empêcher, totalement ou partiellement, le fonctionnement correct d'un système informatique.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Titel 7. Economische misdrijven
Titre 7. Les infractions économiques
Hoofdstuk 1. Overtreding van de wetten op de loterijen en op de pandhuizen
Chapitre 1er. Les infractions aux lois sur les loteries et sur les maisons de prêt sur gage
Art. 534. Definitie van illegale loterijen
  Illegale loterijen zijn alle verrichtingen die het publiek aangeboden worden en die bestemd zijn om winst te verschaffen door middel van het lot en die niet zijn toegelaten door of krachtens de wet.
Art. 534. La définition de la loterie illicite
  La loterie illicite consiste en toute opération offerte au public et destinée à procurer un gain par la voie du sort qui n'est pas autorisée par la loi ou en vertu de celle-ci.
Art. 535. Deelneming aan de organisatie van illegale loterijen
  Deelneming aan de organisatie van illegale loterijen is het opzettelijk deelnemen aan de organisatie van een illegale loterij.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 535. La participation à l'organisation d'une loterie illicite
  La participation à l'organisation d'une loterie illicite consiste à, délibérément, participer à l'organisation d'une loterie illicite.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
Art. 536. Verspreiding van briefjes van illegale loterijen
  Verspreiding van briefjes van illegale loterijen is het opzettelijk verspreiden of verkopen van briefjes van een illegale loterij.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 536. La distribution de billets de loterie illicite
  La distribution de billets de loterie illicite consiste à, délibérément, distribuer ou vendre des billets de loterie illicite.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
Art. 537. Reclame maken voor een illegale loterij
  Reclame maken voor een illegale loterij is het opzettelijk in het openbaar verspreiden van aankondigingen of reclame voor een illegale loterij.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 537. La publicité en faveur d'une loterie illicite
  La publicité en faveur d'une loterie illicite consiste à, délibérément, faire en public des annonces ou de la réclame sur une loterie illicite.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
Art. 538. Illegale exploitatie van een pandhuis
  Illegale exploitatie van een pandhuis is het opzettelijk houden van een pandhuis zonder voorafgaande toestemming.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 538. L'exploitation illicite d'une maison de prêt sur gage
  L'exploitation illicite d'une maison de prêt sur gage consiste à, délibérément, tenir sans autorisation préalable une maison de prêt sur gage ou nantissement.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
Hoofdstuk 2. Misdrijven betreffende nijverheid en koophandel
Chapitre 2. Les infractions relatives à l'industrie et au commerce
Art. 539. Onthulling van fabricatie- geheimen
  Onthulling van fabricatiegeheimen is het met kwaad of bedrieglijk opzet meedelen aan derden van de fabricatiegeheimen waarvan men kennis heeft kunnen nemen bij de uitoefening van zijn beroep.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 539. La divulgation de secrets de fabrication
  La divulgation de secrets de fabrication consiste pour une personne à, méchamment ou frauduleusement, communiquer à des tiers des secrets de fabrication dont elle a eu connaissance dans l'exercice de sa profession.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Art. 540. Bedrieglijk gebruik van een fabricatiegeheim
  Bedrieglijk gebruik van een fabricatiegeheim is het met bedrieglijk opzet verkrijgen of gebruiken van een onrechtmatig onthuld fabricatiegeheim.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 540. L'utilisation frauduleuse d'un secret de fabrication
  L'utilisation frauduleuse d'un secret de fabrication consiste à, dans une intention frauduleuse, obtenir ou utiliser un secret de fabrication divulgué illicitement.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Art. 541. Belemmering of verstoring van de vrijheid van opbod of van inschrijving
  Belemmering of verstoring van de vrijheid van opbod of van inschrijving is het bedrieglijk of met het oogmerk om te schaden artificieel beperken van de oproep tot mededinging of het vertekenen van de normale mededingingsvoorwaarden, door middel van geweld, bedreiging of gelijk welk ander bedrieglijk middel, bij het toewijzen van rechten op roerende of onroerende goederen, een aanneming, een levering, een uitbating of enige dienst, dan wel bij de plaatsing van een overheidsopdracht of een concessieovereenkomst.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
  Worden vrijgesteld van straffen zij die, voor elke vervolging, alle informatie waarover zij beschikken met betrekking tot de omstandigheden en de daders van deze inbreuken ter kennis brengen aan het openbaar ministerie en indien zij hiervoor een verzoek tot immuniteit van vervolging hebben ingediend bij de Belgische Mededingingsautoriteit overeenkomstig artikel IV.54/4 van het Wetboek van economisch recht met betrekking tot dezelfde feiten.
  In geval van toepassing van het derde lid, stelt het openbaar ministerie de Belgische Mededingingsautoriteit onverwijld in kennis van de zaak en verzekert zij de nodige contacten met de Belgische Mededingingsautoriteit.
Art. 541. L'entrave ou le trouble à la liberté des enchères et des soumissions
  L'entrave ou le trouble à la liberté des enchères et des soumissions consiste, à l'occasion de l'adjudication de droits sur des choses mobilières ou immobilières, d'une entreprise, d'une fourniture, d'une exploitation ou d'un service quelconque ou lors de la passation d'un marché public ou d'un contrat de concession, à, frauduleusement ou avec l'intention de nuire, par violences, menaces ou tout moyen frauduleux, limiter artificiellement l'appel à la concurrence ou fausser les conditions normales de la concurrence.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
  Sont exemptés de peines ceux qui, avant toute poursuite, ont porté à la connaissance du ministère public l'intégralité des informations qu'ils détiennent sur les circonstances et les auteurs de ces infractions et s'ils ont fait, à cet égard, une demande d'immunité de poursuites auprès de l'Autorité belge de la concurrence conformément à l'article IV.54/4 du Code de droit économique portant sur les mêmes faits.
  En cas d'application de l'alinéa 3, le ministère public informe sans délai l'Autorité belge de la concurrence de l'affaire et assure les contacts nécessaires avec l'Autorité belge de la concurrence.
Titel 8. Misdrijven tegen de Staat en zijn functioneren
Titre 8. Les infractions contre l'Etat et son fonctionnement
Hoofdstuk 1. Misdrijven tegen de staatsordening en de staatsmachten
Chapitre 1er. Les infractions contre la structure et les pouvoirs de l'Etat
Afdeling 1. Misdrijven tegen de staatsordening
Section 1re. Les infractions contre la structure de l'Etat
Art. 542. Aanslag op de staatsordening
  De aanslag op de staatsordening is elke aanslag gepleegd met het oogmerk om de grondwettelijke staatsordening of de volgorde van de troonopvolging te vernietigen of te wijzigen, dan wel om de wapens te doen opnemen tegen een wetgevende vergadering of het grondwettelijk gezag.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 7.
Art. 542. L'attentat contre la structure de l'Etat
  L'attentat contre la structure de l'Etat consiste à commettre un attentat dans le but soit de détruire ou de modifier la structure constitutionnelle de l'Etat ou l'ordre de successibilité au trône, soit de faire prendre les armes contre une assemblée législative ou l'autorité constitutionnelle.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 7.
Art. 543. Samenspanning tegen de staatsordening
  De samenspanning tegen de staatsordening is elke samenspanning met het oogmerk om een aanslag op de staatsordening te plegen.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 543. Le complot contre la structure de l'Etat
  Le complot contre la structure de l'Etat consiste à former tout complot dans le but de commettre un attentat contre la structure de l'Etat.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
Art. 544. Voorbereiding van een aanslag op de staatsordening
  De voorbereiding van een aanslag op de staatsordening is:
  1° elke samenspanning tegen de staatsordening die is gevolgd door enige opzettelijk aangenomen gedraging om de uitvoering ervan voor te bereiden;
  2° elke opzettelijk aangenomen gedraging om de uitvoering van een aanslag op de staatsordening voor te bereiden.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 4.
Art. 544. La préparation d'un attentat contre la structure de l'Etat
  La préparation d'un attentat contre la structure de l'Etat consiste:
  1° en un complot quelconque contre la structure de l'Etat, qui est suivi d'un comportement quelconque adopté délibérément pour en préparer l'exécution;
  2° à adopter, délibérément, tout comportement pour préparer l'exécution d'un attentat contre la structure de l'Etat.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 4.
Art. 545. Voorstel tot samenspanning tegen de staatsordening
  Het voorstel tot samenspanning tegen de staatsordening is het opzettelijk voorstellen om samen te spannen tegen de staatsordening, zonder dat dit voorstel wordt aangenomen.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 545. La proposition de complot contre la structure de l'Etat
  La proposition de complot contre la structure de l'Etat consiste à, délibérément, proposer de former un complot contre la structure de l'Etat, sans que cette proposition soit agréée.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Art. 546. Aanvaarding van buitenlandse steun aan ondermijning van de essentiële nationale belangen
  Aanvaarding van buitenlandse steun aan ondermijning van de essentiële nationale belangen is het beïnvloeden of trachten te beïnvloeden van een democratisch beslissingsproces, met het oogmerk om de democratische en grondwettelijke orde, de soevereiniteit of onafhankelijkheid van het Rijk, de veiligheid van de Staat, de verdediging van het Rijk, de internationale betrekkingen, het economisch of wetenschappelijk potentieel van het land of de werking van de besluitvormingsorganen van de Staat aan te tasten, ten dienste van een vreemde Staat of een persoon, onderneming of organisatie, uit het buitenland of onder controle van een vreemde Staat of van een persoon, onderneming of organisatie uit het buitenland:
  1° door onwettige of frauduleuze middelen;
  2° het ontvangen van giften of enig ander voordeel van een buitenlandse persoon of organisatie dat geheel of gedeeltelijk bestemd is om in het Rijk activiteiten die de voormelde belangen kunnen aantasten, te ontplooien.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 546. L'acceptation d'une aide étrangère pour saper les intérêts nationaux essentiels
  L'acceptation d'une aide étrangère pour saper les intérêts nationaux essentiels consiste à influencer ou essayer d'influencer un processus décisionnel démocratique, dans le but de porter atteinte à l'ordre démocratique et constitutionnel, à la souveraineté et à l'indépendance du Royaume, à la sûreté de l'Etat, à la défense du Royaume, aux relations internationales, au potentiel économique ou scientifique du pays ou au fonctionnement des organes décisionnels de l'Etat, en faveur d'un Etat étranger ou d'une personne, entreprise ou organisation étrangères ou sous contrôle d'un Etat étranger ou d'une personne, entreprise ou organisation étrangères:
  1° par des moyens illégaux ou frauduleux;
  2° en recevant d'une personne ou d'une organisation étrangères des dons ou autres avantages destinés, en tout ou en partie, à développer dans le Royaume des activités de nature à porter atteinte aux intérêts précités.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
Art. 547. Kwaadwillige aantasting van het overheidsgezag
  Kwaadwillige aantasting van het overheidsgezag is het met kwaad opzet en in het openbaar aantasten van de bindende kracht van de wet of van de rechten of het gezag van de grondwettelijke instellingen en dit door het rechtstreeks aanzetten om een wet niet na te komen waardoor er een ernstige en reële bedreiging van de nationale veiligheid, de openbare volksgezondheid of de goede zeden is.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1 wanneer zij betrekking heeft op een niet-strafrechtelijke wet, of een strafrechtelijke wet en een misdrijf strafbaar met een straf van niveau 2 of meer.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2 wanneer zij betrekking heeft op een strafrechtelijke wet en een misdrijf strafbaar met een straf van niveau 5 of meer.
Art. 547. L'atteinte méchante à l'autorité de l'Etat
  L'atteinte méchante à l'autorité de l'Etat consiste à, dans une intention méchante et en public, porter atteinte à la force obligatoire de la loi ou des droits ou à l'autorité des institutions constitutionnelles et ce, en provoquant directement à la désobéissance à une loi, causant une menace grave et réelle pour la sécurité nationale, la santé publique ou la moralité.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1 lorsqu'elle porte sur une loi non-pénale, ou une loi pénale avec une infraction passible d'une peine de niveau 2 ou plus.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2 lorsqu'elle porte sur une loi pénale et une infraction passible d'une peine de niveau 5 ou plus.
Afdeling 2. Misdrijven tegen een wetgevende vergadering
Section 2. Les infractions contre une assemblée législative
Art. 548. Verstoring van parlementaire werkzaamheden
  De verstoring van parlementaire werkzaamheden is het opzettelijk in een lokaal van een wetgevende vergadering aannemen van een gedraging die van aard is de parlementaire werkzaamheden te verstoren, door een persoon die niet tot deze vergadering of haar diensten behoort.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 548. La perturbation des travaux parlementaires
  La perturbation des travaux parlementaires consiste à, délibérément, adopter dans les locaux de l'assemblée législative un comportement de nature à troubler les travaux parlementaires sans faire partie de cette assemblée ni de ses services.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
Art. 549. Demonstratie in de buurt van een wetgevende vergadering
  Demonstratie in de buurt van een wetgevende vergadering is elke gedraging, gesteld met het oogmerk om ongeoorloofde druk uit te oefenen op de parlementsleden of de normale werking van een wetgevende vergadering te verstoren, die bestaat uit:
  1° een samenscholing in open lucht of individuele demonstratie in de buurt van een wetgevende vergadering;
  2° het op onregelmatige wijze trachten te betreden van de buurt van een wetgevende vergadering op een moment waarop de toegang daartoe verboden is;
  3° het overtreden van de besluiten, reglementen of verordeningen die in het bijzonder werden genomen met het oog op de handhaving van de rust en de orde in de buurt van een wetgevende vergadering.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
  Voor de toepassing van deze bepaling wordt als de buurt van een wetgevende vergadering beschouwd:
  1° het gedeelte van het grondgebied van de hoofdstad dat de hierna vermelde openbare wegen omvat: Hertogstraat, Noordstraat (van de Leuvenseweg tot het Surlet de Chokierplein), IJzerenkruisstraat, Koningsstraat (van het kruispunt van de IJzerenkruisstraat, de Onderrichtsstraat en de Treurenberg tot het Koningsplein), Koloniënstraat (van de Koningsstraat tot de Jonkersstraat), Paleizenplein en Brederodestraat, alsook binnen het door die openbare wegen begrensde gebied;
  2° het gedeelte van het grondgebied van de stad Namen dat de hierna vermelde openbare wegen omvat: place Kegeljan tot aan de rue Bord de l'Eau, rue Notre-Dame (van het place Kegeljan tot de rue de la Sarrasse) en de linkerzijde van de avenue Baron Louis Huart (van de rue de la Sarrasse tot het place Kegeljan), alsook binnen het door die openbare wegen begrensde gebied;
  3° het gedeelte van het grondgebied van de stad Eupen binnen een perimeter van 200 meter rond de zetel van het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap, gelegen op het Platz des Parlaments 1 te Eupen.
Art. 549. La manifestation aux alentours d'une assemblée législative
  La manifestation aux alentours d'une assemblée législative consiste à, dans le but de faire pression illégalement sur les parlementaires ou de perturber le fonctionnement normal d'une assemblée parlementaire, adopter tout comportement qui constitue:
  1° un rassemblement en plein air ou une démonstration individuelle aux alentours d'une assemblée législative;
  2° une tentative de pénétrer irrégulièrement dans les alentours d'une assemblée législative au moment où l'accès à celle-ci est interdit;
  3° une violation des arrêtés, règlements ou ordonnances spécialement pris en vue du maintien de la tranquillité et de l'ordre aux alentours d'une assemblée législative.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
  Pour l'application de la présente disposition, sont considérés comme les alentours d'une assemblée législative:
  1° la partie du territoire de la capitale comprenant les voies publiques ci-après dénommées: rue Ducale, rue du Nord (de la rue de Louvain à la place Surlet de Chokier), rue de la Croix-de-Fer, rue Royale (du carrefour des rues de la Croix-de-Fer, de l'Enseignement et du Treurenberg à la place Royale), rue des Colonies (de la rue Royale à la rue du Gentilhomme), place des Palais et rue Brederode, ainsi qu'à l'intérieur de la zone délimitée par ces voies publiques;
  2° la partie du territoire de la ville de Namur comprenant les voies publiques ci-après dénommées: place Kegeljan jusqu'à la rue Bord de l'Eau, rue Notre-Dame (de la place Kegeljan à la rue de la Sarasse) et le côté gauche de l'avenue Baron Louis Huart (de la rue de la Sarasse à la place Kegeljan), ainsi qu'à l'intérieur de la zone délimitée par ces voies publiques;
  3° la partie du territoire de la ville d'Eupen comprise dans un périmètre de 200 mètres autour du siège du Parlement de la Communauté germanophone, situé au Platz des Parlaments 1, à Eupen.
Art. 550. Rechtvaardigingsgrond
  Er is geen sprake van een demonstratie in de buurt van een wetgevende vergadering indien het gaat om samenscholingen die worden veroorzaakt door de vereisten van het verkeer, de uitvoering van een openbare dienst, de militaire optochten en wapenschouwingen, de plechtigheden, feesten en vermakelijkheden ingericht door de openbare overheid, de begrafenisplechtigheden alsook de bijeenkomsten waartoe een bijzondere machtiging werd verleend bij besluit van de burgemeester van de stad Brussel voor het gebied bedoeld in artikel 549, derde lid, 1°, van de burgemeester van de stad Namen voor het gebied bedoeld in artikel 549, derde lid, 2°, of van de burgemeester van de stad Eupen voor het gebied bedoeld in artikel 549, derde lid, 3°.
Art. 550. La cause de justification
  Il n'y a pas de manifestation aux alentours d'une assemblée législative s'il s'agit de rassemblements occasionnés par les nécessités de la circulation, l'exécution d'un service public, les défilés et revues militaires, les cérémonies, fêtes et divertissements organisés par l'autorité publique, les cérémonies funèbres ainsi que les rassemblements spécialement autorisés par arrêté du bourgmestre de la ville de Bruxelles pour la zone visée à l'article 549, alinéa 3, 1°, du bourgmestre de la ville de Namur pour la zone visée à l'article 549, alinéa 3, 2°, ou du bourgmestre de la ville d'Eupen pour la zone visée à l'article 549, alinéa 3, 3°.
Afdeling 3. Misdrijven tegen de monarchie
Section 3. Les infractions contre la monarchie
Art. 551. Aanslag op het leven van de Koning of de vermoedelijke troonopvolger
  De aanslag op het leven van de Koning of de vermoedelijke troonopvolger is elke aanslag die gericht is tegen het leven van de Koning of de vermoedelijke troonopvolger.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 8.
Art. 551. L'attentat contre la vie du Roi ou de l'héritier présomptif de la couronne
  L'attentat contre la vie du Roi ou de l'héritier présomptif de la couronne consiste à commettre un attentat dirigé contre la vie du Roi ou de l'héritier présomptif de la couronne.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 8.
Art. 552. Aanslag op de persoon van de Koning
  De aanslag op de persoon van de Koning is elke aanslag die gericht is tegen de persoon van de Koning.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 6.
Art. 552. L'attentat contre la personne du Roi
  L'attentat contre la personne du Roi consiste à commettre un attentat dirigé contre la personne du Roi.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 6.
Art. 553. Zware aanslag op de persoon van de Koning
  De zware aanslag op de persoon van Koning is elke aanslag op de persoon van de Koning die een integriteitsaantasting van de derde graad of de dood dan wel een vrijheidsberoving tot gevolg heeft.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 7.
Art. 553. L'attentat grave contre la personne du Roi
  L'attentat grave contre la personne du Roi est tout attentat contre la personne du Roi ayant entraîné soit une atteinte à l'intégrité du troisième degré ou la mort, soit une privation de liberté.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 7.
Art. 554. Aanslag op de persoon van de vermoedelijke troonopvolger
  De aanslag op de persoon van de vermoedelijke troonopvolger is elke aanslag die gericht is tegen de persoon van de vermoedelijke troonopvolger.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 5.
Art. 554. L'attentat contre la personne de l'héritier présomptif de la couronne
  L'attentat contre la personne de l'héritier présomptif de la couronne consiste à commettre un attentat dirigé contre la personne de l'héritier présomptif de la couronne.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 5.
Art. 555. Zware aanslag op de persoon van de vermoedelijke troonopvolger
  De zware aanslag op de persoon van de vermoedelijke troonopvolger is elke aanslag op de persoon van de troonopvolger die een integriteitsaantasting van de derde graad of de dood dan wel een vrijheidsberoving tot gevolg heeft.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 6.
Art. 555. L'attentat grave contre la personne de l'héritier présomptif de la couronne
  L'attentat grave contre la personne de l'héritier présomptif de la couronne est tout attentat contre la personne de l'héritier de la couronne ayant entraîné soit une atteinte à l'intégrité du troisième degré ou la mort, soit une privation de liberté.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 6.
Art. 556. Aanslag op de echtgenoot of echtgenote van de Koning of vermoedelijke troonopvolger of op waarnemers van de koninklijke functie
  De aanslag op de echtgenoot of echtgenote van de Koning of vermoedelijke troonopvolger of op waarnemers van de koninklijke functie is elke aanslag die gericht is tegen de persoon van de echtgenoot of echtgenote van de Koning of de vermoedelijke troonopvolger, tegen de regent of tegen de ministers die, in de gevallen bij de Grondwet bepaald, de grondwettelijke macht van de Koning uitoefenen.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 4.
  Elke aanslag op het leven van de in het eerste lid vermelde personen wordt bestraft als een voltooid misdrijf.
Art. 556. L'attentat contre le conjoint du Roi ou de l'héritier présomptif de la couronne ou contre des dépositaires de la fonction royale
  L'attentat contre le conjoint du Roi ou de l'héritier présomptif de la couronne ou contre des dépositaires de la fonction royale consiste à commettre un attentat dirigé contre la personne du conjoint du Roi ou de l'héritier présomptif de la couronne, contre le régent ou contre les ministres qui exercent les pouvoirs constitutionnels du Roi dans les cas prévus dans la Constitution.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 4.
  Tout attentat contre la vie des personnes mentionnées à l'alinéa 1er est puni comme une infraction consommée.
Art. 557. Zware aanslag op de echtgenoot of echtgenote van de Koning of vermoedelijke troonopvolger of op waarnemers van de koninklijke functie
  De zware aanslag op de echtgenoot of echtgenote van de Koning of vermoedelijke troonopvolger of op waarnemers van de koninklijke functie is elke aanslag op de persoon van de echtgenoot of echtgenote van de Koning of vermoedelijke troonopvolger of op waarnemers van de koninklijke functie die een integriteitsaantasting van de derde graad of de dood dan wel een vrijheidsberoving tot gevolg heeft.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 5.
Art. 557. L'attentat grave contre le conjoint du Roi ou de l'héritier présomptif de la couronne ou contre des dépositaires de la fonction royale
  L'attentat grave contre le conjoint du Roi ou de l'héritier présomptif de la couronne ou contre des dépositaires de la fonction royale est toute attentat contre la personne du conjoint du Roi ou de l'héritier présomptif de la couronne ou contre des dépositaires de la fonction royale ayant entraîné soit une atteinte à l'intégrité du troisième degré ou la mort, soit une privation de liberté.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 5.
Art. 558. Samenspanning tegen de monarchie
  De samenspanning tegen de monarchie is elke samenspanning met het oogmerk om een aanslag te plegen:
  1° op het leven van de Koning of de vermoedelijke troonopvolger;
  2° op de persoon van de Koning;
  3° op de persoon van de vermoedelijke troonopvolger;
  4° op de echtgenoot of echtgenote van de Koning of vermoedelijke troonopvolger of op waarnemers van de koninklijke functie.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van:
  1° niveau 4 in de situatie omschreven onder het eerste lid, 1° en 2° ;
  2° niveau 3 in de situatie omschreven onder het eerste lid, 3° ;
  3° niveau 2 in de situatie omschreven onder het eerste lid, 4°.
Art. 558. Le complot contre la monarchie
  Le complot contre la monarchie consiste à former un complot dans le but de commettre un attentat:
  1° contre la vie du Roi ou de l'héritier présomptif de la couronne;
  2° contre la personne du Roi;
  3° contre la personne de l'héritier présomptif de la couronne;
  4° contre le conjoint du Roi ou de l'héritier présomptif de la couronne ou contre des dépositaires de la fonction royale.
  Cette infraction est punie d'une peine:
  1° de niveau 4 dans la situation définie à l'alinéa 1er, 1° et 2° ;
  2° de niveau 3 dans la situation définie à l'alinéa 1er, 3° ;
  3° de niveau 2 dans la situation définie à l'alinéa 1er, 4°.
Art. 559. Voorbereiding van een aanslag tegen de monarchie
  De voorbereiding van een aanslag tegen de monarchie is:
  1° elke samenspanning tegen de monarchie die is gevolgd door enige opzettelijk aangenomen gedraging om de uitvoering ervan voor te bereiden;
  2° elke opzettelijk aangenomen gedraging om de uitvoering van een aanslag tegen de monarchie voor te bereiden.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van:
  1° niveau 5 indien het gaat om een aanslag op het leven van de Koning of de vermoedelijke troonopvolger of op de persoon van de Koning;
  2° niveau 4 indien het gaat om een aanslag op de persoon van de vermoedelijke troonopvolger;
  3° niveau 3 indien het gaat om een aanslag op de echtgenoot of echtgenote van de Koning of van de vermoedelijke troonopvolger of op waarnemers van de koninklijke functie.
Art. 559. La préparation d'un attentat contre la monarchie
  La préparation d'un attentat contre la monarchie consiste:
  1° en un complot quelconque contre la monarchie, suivi de tout comportement adopté, délibérément, pour en préparer l'exécution;
  2° à adopter, délibérément, tout comportement pour préparer l'exécution d'un attentat contre la monarchie.
  Cette infraction est punie d'une peine:
  1° de niveau 5 lorsqu'il s'agit d'un attentat contre la vie du Roi ou de l'héritier présomptif de la couronne ou contre la personne du Roi;
  2° de niveau 4 lorsqu'il s'agit d'un attentat contre la personne de l'héritier présomptif de la couronne;
  3° de niveau 3 lorsqu'il s'agit d'un attentat contre le conjoint du Roi ou de l'héritier présomptif de la couronne ou contre des dépositaires de la fonction royale.
Art. 560. Voorstel tot samenspanning tegen de monarchie
  Het voorstel tot samenspanning tegen de monarchie is het opzettelijk voorstellen om samen te spannen tegen het leven of de persoon van de Koning of de vermoedelijke troonopvolger, zonder dat dit voorstel wordt aangenomen.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 560. La proposition de complot contre la monarchie
  La proposition de complot contre la monarchie consiste à, délibérément, proposer de comploter contre la vie ou la personne du Roi ou de l'héritier présomptif de la couronne, sans que cette proposition soit agréée.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Art. 561. Majesteitsschennis
  Majesteitsschennis is het met het oogmerk de beschermde persoon belachelijk te maken, smaden door daden, woorden, gebaren of bedreigingen van de Koning, de vermoedelijke troonopvolger of hun echtgenoot of echtgenote, dan wel de regent.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 561. La lèse-majesté
  La lèse-majesté consiste à, dans le but de ridiculiser la personne protégée, outrager, par faits, paroles, gestes ou menaces, le Roi, l'héritier présomptif de la couronne ou leur époux ou épouse, ou le régent.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1
Afdeling 4. Gemeenschappelijke bepalingen
Section 4. Les dispositions communes
Art. 562. Onderdak verschaffen aan samenspanners of aanslagplegers
  Het onderdak verschaffen aan samenspanners of aanslagplegers is het opzettelijk een onderdak, schuilplaats of vergaderzaal verschaffen aan personen die samenspannen of een aanslag voorbereiden of hebben gepleegd.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
  Deze bepaling laat de toepassing van artikel 19 onverlet.
Art. 562. La fourniture de logement à des comploteurs ou à des auteurs d'attentat
  La fourniture de logement à des comploteurs ou à des auteurs d'attentat, consiste à, délibérément, fournir un logement, ou un lieu de retraite ou de réunion à des personnes qui complotent ou qui préparent ou ont commis un attentat.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
  La présente disposition ne porte pas préjudice à l'application de l'article 19.
Art. 563. Strafuitsluitende verschoningsgrond
  De persoon die voor het plegen van een aanslag en voor het aanvangen van enige vervolging een samenspanning, voorbereiding van een aanslag of een voorstel tot samenspanning en alle informatie waarover hij beschikt omtrent de omstandigheden en de daders van het misdrijf aan de overheid ter kennis brengt, wordt niet gestraft.
Art. 563. La cause d'excuse d'exemption de peine
  La personne qui, avant qu'un attentat soit commis et avant le début de toute poursuite, informe l'autorité d'un complot, d'une préparation d'attentat ou d'une proposition de complot ainsi que de l'intégralité des informations qu'elle détient sur les circonstances et les auteurs de l'infraction, n'encourt aucune peine.
Hoofdstuk 2. Misdrijven tegen de landsverdediging en de essentiële belangen van België
Chapitre 2. Les infractions contre la défense nationale et les intérêts essentiels de la Belgique
Afdeling 1. Definities
Section 1re. Les définitions
Art. 564. Definities
  Voor de toepassing van dit hoofdstuk moet onder de volgende begrippen worden begrepen:
  1° bondgenoot: elke Staat die, zelfs zonder bondgenootschapsverdrag, oorlog voert tegen een Staat waarmee België zelf in oorlog is, tenzij België ook met de eerste Staat in oorlog is;
  2° vijand: elke Staat waarmee België in een gewapend conflict verwikkeld is, alsook alle organisaties, vennootschappen en particulieren uit deze Staat van wie de activiteiten ertoe bijdragen de inspanningen van die Staat in het kader van het gewapend conflict te helpen;
  3° staatsgeheim: voorwerpen, plannen, documenten of inlichtingen die geheim moeten worden gehouden aangezien hun bekendmaking van dien aard is het voortbestaan van de democratische en grondwettelijke orde, de veiligheid van de Staat, de verdediging van het grondgebied, de internationale betrekkingen, het economisch of wetenschappelijk potentieel van het land, de veiligheid van Belgen in het buitenland of de werking van de besluitvormingsorganen van de Staat aan te tasten.
Art. 564. Les définitions
  Pour l'application du présent chapitre, il convient d'entendre par les notions suivantes:
  1° allié: tout Etat qui, même indépendamment d'un traité d'alliance, poursuit la guerre contre un Etat avec lequel la Belgique elle-même est en guerre, à moins que la Belgique soit également en guerre avec ce premier Etat;
  2° ennemi: tout Etat avec lequel la Belgique se trouve en conflit armé, ainsi que toutes les organisations, toutes les sociétés et tous les particuliers de cet Etat dont les activités participent aux efforts de cet Etat dans le cadre de ce conflit armé;
  3° secret d'Etat: objets, plans, documents ou renseignements qui doivent être tenus secrets vu que leur divulgation est de nature à compromettre la pérennité de l'ordre démocratique et constitutionnel, la sûreté de l'Etat, la défense du territoire, les relations internationales, le potentiel économique ou scientifique du pays, la sécurité des Belges à l'étranger ou le fonctionnement des organes décisionnels de l'Etat.
Afdeling 2. Uitlokken of veroorzaken van oorlog
Section 2. Le déclenchement ou les causes de la guerre
Art. 565. Oorlogsuitlokking
  Oorlogsuitlokking is elke machinatie of in verstandhouding treden met een vreemde Staat of een persoon die in het belang van die Staat handelt, gesteld met het oogmerk om een vreemde Staat tot het voeren van oorlog tegen België te bewegen of haar daartoe de middelen te verschaffen.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 7.
Art. 565. Le déclenchement de la guerre
  Le déclenchement de la guerre consiste en toute machination ou entente avec un Etat étranger ou une personne agissant dans l'intérêt de cet Etat, en vue d'engager un Etat étranger à entreprendre la guerre contre la Belgique, ou de lui en procurer les moyens.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 7.
Art. 566. Geslaagde oorlogsuitlokking
  Er is geslaagde oorlogsuitlokking indien de oorlogsuitlokking vijandelijkheden tot gevolg heeft.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 8.
Art. 566. Le déclenchement abouti de la guerre
  Le déclenchement de la guerre est abouti s'il entraîne des hostilités.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 8.
Art. 567. Blootstelling aan oorlogsdreiging
  Blootstelling aan oorlogsdreiging is het opzettelijk blootstellen van de Staat aan vijandelijkheden van een vreemde Staat door het stellen van vijandelijke handelingen die niet door de regering werden goedgekeurd.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 4.
Art. 567. L'exposition à la menace de guerre
  L'exposition à la menace de guerre consiste à, délibérément, exposer l'Etat aux hostilités d'un Etat étranger par des actes hostiles, non approuvés par le gouvernement.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 4.
Art. 568. Blootstelling aan oorlogsdreiging met vijandelijkheden tot gevolg
  Indien de blootstelling aan oorlogsdreiging vijandelijkheden door een vreemde Staat tot gevolg heeft, wordt dit misdrijf bestraft met een straf van niveau 5.
Art. 568. L'exposition à la menace de guerre entraînant des hostilités
  Lorsque l'exposition à la menace de guerre entraîne des hostilités dans le chef d'un Etat étranger, cette infraction est punie d'une peine de niveau 5.
Afdeling 3. Militaire collaboratie
Section 3. La collaboration militaire
Art. 569. Opnemen van de wapens tegen België of een bondgenoot
  Het opnemen van de wapens tegen België of een bondgenoot is het opzettelijk door een Belg of een persoon met een verblijfstitel voor België ten voordele van de vijand direct deelnemen aan de vijandelijkheden. Deze gedraging is strafbaar wanneer zij is gesteld tegen België of een bondgenoot.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 8.
Art. 569. Le fait de porter les armes contre la Belgique ou un allié
  Le fait de porter les armes contre la Belgique ou un allié consiste, dans le chef d'un Belge ou d'une personne ayant un titre de séjour en Belgique, à, délibérément, participer directement aux hostilités, en faveur de l'ennemi. Ce comportement est punissable lorsqu'il a été adopté à l'encontre de la Belgique ou d'un allié.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 8.
Art. 570. Vergemakkelijken van de opmars van de vijand
  Het vergemakkelijken van de opmars van de vijand is het opzettelijk voor de vijand vergemakkelijken van het betreden van het grondgebied van het Rijk, alsook het aan hem overleveren van steden, vestingen, plaatsen, posten, havens, magazijnen, arsenalen, schepen of vaartuigen, die aan België of een bondgenoot toebehoren.
  Dit misdrijf, alsook de poging daartoe, wordt bestraft met een straf van niveau 8.
Art. 570. La facilitation de la progression de l'ennemi
  La facilitation de la progression de l'ennemi consiste à, délibérément, faciliter l'entrée de l'ennemi sur le territoire du Royaume et lui livre r des villes, forteresses, magasins, arsenaux, vaisseaux ou bâtiments appartenant à la Belgique ou à un allié.
  Cette infraction, ainsi que sa tentative, est punie d'une peine de niveau 8.
Afdeling 4. Economische collaboratie
Section 4. La collaboration économique
Art. 571. Verschaffen van mankracht of goederen aan de vijand
  Verschaffen van mankracht of goederen aan de vijand is het opzettelijk verschaffen van soldaten, manschappen, geld, levensmiddelen, wapens of munitie aan de vijand, alsook de poging daartoe. Deze gedraging is strafbaar wanneer zij is gesteld tegen België of een bondgenoot.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 8.
  Een persoon die verblijft in een deel van het grondgebied van het Rijk dat door de vijand is bezet, pleegt dit misdrijf alleen indien hij opzettelijk:
  1° hetzij rechtstreeks, hetzij door een tussenpersoon of als tussenpersoon, de vijand helpt door het verschaffen van soldaten, manschappen, geld, levensmiddelen bestemd voor de ravitaillering van de vijand, oorlogsmateriaal voor aanval of verdediging, eigenlijke oorlogsmunitie, onderdelen bestemd voor de vervaardiging van oorlogsmateriaal of -munitie, kleding- of uitrustingsstukken waarvan hij weet dat zij voor militair gebruik zijn bestemd of indien hij ten behoeve van de vijand een onderneming van werken tot het aanleggen, inrichten of camoufleren van versterkingen, vliegvelden of alle andere voor militaire doeleinden bestemde bouwwerken of installaties opricht of leidt;
  2° de vijand hetzij rechtstreeks, hetzij door een tussenpersoon of als tussenpersoon, grondstoffen, materialen of producten verschaft, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn voor de productie van oorlogsmateriaal of -munitie, van de kleding- of uitrustingsstukken of de uitvoering van de werken bedoeld in de bepaling onder 1°, tenzij hij bij deze leveringen alle middelen waarover hij kon beschikken heeft aangewend om zich tegen het uitvoeren van de bestellingen van de vijand te verzetten;
  3° de vijand hetzij rechtstreeks, hetzij door een tussenpersoon of als tussenpersoon, grondstoffen of bewerkte stoffen, producten, levensmiddelen of dieren verschaft, wanneer die levering is gebeurd ten gevolge van aanzoeken of stappen gedaan bij de vijand of tussenpersonen die voor zijn rekening handelen, of wanneer zij de oprichting, de verbouwing of de vergroting van de onderneming of de wijziging van de aard of van de bedrijfsmethoden daarvan heeft nodig gemaakt, of wanneer de productie op een abnormaal peil is gehouden of tot dat peil is opgevoerd om zijn bestellingen te kunnen uitvoeren of wanneer de leverancier zijn hulp heeft ingeroepen om sociale geschillen te beslechten of hij diensten van tegensabotage heeft ingericht;
  4° zijn werkzaamheid ten dienste van de vijand stelt om voor zijn rekening de grondstoffen, bewerkte stoffen, producten, levensmiddelen of dieren, bedoeld in de bepalingen onder 1°, 2° en 3°, te verzamelen.
Art. 571. La fourniture de main-d'oeuvre ou de biens à l'ennemi
  La fourniture de main-d'oeuvre ou de biens à l'ennemi consiste à, délibérément, fournir des soldats, du personnel, de l'argent, des vivres, des armes ou des munitions, ou tenter de le faire. Ce comportement est punissable lorsqu'il a été adopté à l'encontre de la Belgique ou d'un allié.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 8.
  Une personne qui réside sur une partie du territoire du Royaume occupée par l'ennemi commet cette infraction seulement si, délibérément:
  1° soit directement, soit par intermédiaire ou en cette qualité, elle aide l'ennemi en fournissant des soldats, des hommes, de l'argent, des vivres destinés au ravitaillement de l'ennemi, du matériel de guerre offensif ou défensif, des munitions de guerre proprement dites, des pièces détachées destinées à la fabrication de matériel de guerre ou de munitions de guerre, des effets d'habillement ou d'équipement qu'elle savait à usage militaire, ou si, au profit de l'ennemi, elle a organisé ou dirigé une entreprise de travaux pour l'établissement, l'aménagement ou le camouflage de fortifications, d'aérodromes ou de toutes autres constructions ou installations à destination militaire;
  2° soit directement, soit par intermédiaire ou en cette qualité, elle a fourni à l'ennemi des matières premières, des matériaux ou des produits qu'elle savait destinés à la production de matériel de guerre ou de munitions de guerre ou d'effets d'habillement ou d'équipement ou à l'exécution des travaux visés au 1°, sauf si elle a fait usage, lors de ces fournitures, de tous moyens à sa disposition pour s'opposer à l'exécution des commandes de l'ennemi;
  3° soit directement, soit par intermédiaire ou en cette qualité, elle a fourni à l'ennemi des matières premières ou manufacturées, produits, denrées ou animaux, lorsque cette fourniture a fait suite à des sollicitations ou à des démarches faites auprès de l'ennemi ou d'intermédiaires agissant pour son compte ou lorsqu'elle a nécessité la création, la transformation ou l'agrandissement de l'entreprise ou la modification de sa nature ou de ses méthodes d'exploitation, ou lorsque la production a été maintenue ou portée à un niveau anormal pour satisfaire à ses commandes, ou lorsque le fournisseur a eu recours à son aide pour régler des conflits sociaux ou qu'il a organisé des services de contre-sabotage;
  4° elle a mis son activité au service de l'ennemi en vue de rassembler, pour son compte, les matières premières ou manufacturées, produits, vivres ou animaux visés aux 1°, 2° et 3°.
Art. 572. Overeenkomst sluiten of uitvoeren met de vijand
  Overeenkomst sluiten of uitvoeren met de vijand is het opzettelijk, rechtstreeks of door een tussenpersoon, zonder machtiging van de bevoegde minister sluiten of uitvoeren van een overeenkomst tijdens een gewapend conflict of het pogen dit te doen, door een Belg die zich buiten het grondgebied van de vijand of het door hem bezette of gecontroleerde gebied bevindt met:
  1° een onderdaan van de vijand of een daarmee gelijkgesteld persoon;
  2° een persoon die zich op het grondgebied van de vijand of het door hem bezette of gecontroleerde gebied bevindt, of;
  3° een andere persoon waarvan de dader wist of moest weten dat deze overeenkomst van aard was, al dan niet rechtstreeks, hulp te verlenen aan de vijand.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
  De lijst van met een onderdaan van de vijand gelijkgestelde personen wordt vastgesteld bij koninklijk besluit.
Art. 572. La conclusion ou l'exécution d'une convention avec l'ennemi
  La conclusion ou l'exécution d'une convention avec l'ennemi consiste pour un Belge se trouvant hors du territoire de l'ennemi ou du territoire occupé ou contrôlé par lui, à, délibérément, conclure ou exécuter en temps de conflit armé, directement ou par un intermédiaire, sans l'autorisation du ministre compétent, une convention ou tenter de le faire, avec:
  1° un ressortissant de l'ennemi ou une personne assimilée;
  2° une personne qui se trouve sur le territoire de l'ennemi ou sur le territoire occupé ou contrôlé par lui, ou;
  3° une autre personne dont l'auteur savait ou devait savoir que cette convention était, directement ou non, de nature à aider l'ennemi.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
  La liste des personnes assimilées à un ressortissant de l'ennemi est fixée par arrêté royal.
Afdeling 5. Politieke en intellectuele collaboratie
Section 5. La collaboration politique et intellectuelle
Art. 573. Steun aan de politiek of doelstellingen van de vijand
  Steun aan de politiek of doelstellingen van de vijand is opzettelijk deelnemen aan het vervormen van de wettelijke instellingen of organisaties door de vijand of het dienen van de politiek of de doelstellingen van de vijand.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 7.
Art. 573. Le soutien à la politique ou aux objectifs de l'ennemi
  Le soutien à la politique ou aux objectifs de l'ennemi consiste à, délibérément, participer à la déformation par l'ennemi des institutions ou organisations légales ou servir la politique ou les objectifs de l'ennemi.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 7.
Art. 574. Aan het wankelen brengen van de trouw aan de Staat
  Het aan het wankelen brengen van de trouw aan de Staat is het opzettelijk
  1° doen wankelen van de trouw van de burgers aan de Staat en zijn grondwettelijke instellingen in oorlogstijd;
  2° bevorderen van de voortgang van de vijand op het grondgebied van het Rijk of een bondgenoot of tegenwerken van de Belgische strijdkrachten of die van een bondgenoot door de trouw van officieren, soldaten, matrozen of andere burgers aan de Staat en zijn grondwettelijke instellingen te doen wankelen.
  Dit misdrijf, alsook de poging tot het plegen van het misdrijf vermeld onder 2°, wordt bestraft met een straf van niveau 6.
Art. 574. L'ébranlement de la fidélité envers l'Etat
  L'ébranlement de la fidélité envers l'Etat consiste à, délibérément,
  1° ébranler la fidélité des citoyens envers l'Etat et ses institutions constitutionnelles en temps de guerre;
  2° favoriser la progression de l'ennemi sur le territoire du Royaume ou d'un allié ou faire obstacle aux forces armées belges ou alliées en ébranlant la fidélité des officiers, soldats, matelots ou autres citoyens envers l'Etat et ses institutions constitutionnelles.
  Cette infraction, ainsi que la tentative de commettre l'infraction mentionnée au 2°, sont punies d'une peine de niveau 6.
Art. 575. Propaganderen tegen het verzet
  Propaganderen tegen het verzet is het opzettelijk leiden, voeren, uitlokken, helpen of begunstigen van enige propaganda gericht tegen het verzet tegen de vijand of zijn bondgenoten of die ertoe strekt steun aan de politiek of doelstellingen van de vijand of het doen wankelen van de trouw van de burgers aan de Staat en zijn grondwettelijke instellingen in oorlogstijd te verwekken.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 6.
Art. 575. La propagande contre la résistance
  La propagande contre la résistance consiste à, délibérément, diriger, mener, inciter à, aider ou favoriser toute propagande contre la résistance à l'ennemi ou à ses alliés ou visant à soutenir la politique ou les objectifs de l'ennemi ou susciter l'ébranlement de la fidélité des citoyens envers l'Etat et ses institutions constitutionnelles en temps de guerre.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 6.
Afdeling 6. Misdrijven met betrekking tot staatsgeheimen
Section 6. Les infractions concernant les secrets d'Etat
Art. 576. Reproductie, bekendmaking of overdracht van een staatsgeheim aan een vreemde Staat of een buitenlandse gewapende groep
  De reproductie, bekendmaking of overdracht van een staatsgeheim aan een vreemde Staat of een buitenlandse gewapende groep is het opzettelijk, geheel of ten dele, in origineel of reproductie, reproduceren voor, bekendmaken of overdragen van een staatsgeheim aan een vreemde Staat of een buitenlandse gewapende groep of een persoon die in het belang van een vreemde Staat of dergelijke buitenlandse gewapende groep handelt, of de poging om dit te doen, alsook het opzettelijk onderhouden van contacten met het oog op het plegen van dergelijke reproductie, bekendmaking of overdracht van staatsgeheim, alsook de poging om dit te doen.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 4.
Art. 576. La reproduction, la divulgation ou la transmission d'un secret d'Etat à un Etat ou un groupe armé étrangers
  La reproduction, la divulgation ou la transmission d'un secret d'Etat à un Etat ou un groupe armé étrangers consiste à, délibérément, reproduire pour, divulguer ou transmettre, en tout ou partie, en original ou en reproduction, à un Etat ou à un groupe armé étrangers ou à une personne agissant dans l'intérêt d'un Etat ou d'un tel groupe armé étrangers, un secret d'Etat, ou tenter de le faire, ainsi qu'à délibérément entretenir des contacts en vue de commettre une telle reproduction, divulgation ou transmission d'un secret d'Etat, ou tenter de le faire.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 4.
Art. 577. Reproductie, bekendmaking of overdracht van een staatsgeheim aan een vreemde Staat of een buitenlandse gewapende groep door bijzondere personen
  Reproductie, bekendmaking of overdracht van een staatsgeheim aan een vreemde Staat of een buitenlandse gewapende groep door bijzondere personen is het opzettelijk reproduceren voor, bekendmaken of overdragen van een staatsgeheim aan een vreemde Staat of een buitenlandse gewapende groep door een persoon met een openbare functie, met een openbaar mandaat of aan wie een Belgische regering of een lid daarvan een opdracht of werk heeft toevertrouwd, alsook de poging om dit te doen.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 5.
Art. 577. La reproduction, la divulgation ou la transmission d'un secret d'Etat à un Etat ou un groupe armé étrangers par des personnes spécifiques
  La reproduction, la divulgation ou la transmission d'un secret d'Etat à un Etat ou groupe armé étrangers par des personnes spécifiques consiste à, délibérément, reproduire pour, divulguer ou transmettre un secret d'Etat à un Etat ou un groupe armé étrangers par une personne exerçant une fonction ou un mandat public ou à qui un gouvernement belge ou un de ses membres a confié une mission ou un travail, ou tenter de le faire.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 5.
Art. 578. Reproductie, bekendmaking of overdracht van een staatsgeheim aan een vreemde Staat of een buitenlandse gewapende groep in oorlogstijd
  Indien de reproductie, bekendmaking of overdracht van een staatsgeheim aan een vreemde Staat of een buitenlandse gewapende groep is gepleegd in oorlogstijd, wordt dit misdrijf bestraft met een straf van niveau 6.
Art. 578. La reproduction, la divulgation ou la transmission d'un secret d'Etat à un Etat ou un groupe armé étrangers en temps de guerre
  Lorsque la reproduction, la divulgation ou la transmission d'un secret d'Etat à un Etat ou un groupe armé étranger a eu lieu en temps de guerre, cette infraction est punie d'une peine de niveau 6.
Art. 579. Strafuitsluitende verschoningsgrond
  De persoon die vóór dat enig staatsgeheim wordt overgedragen aan een vreemde Staat of een buitenlandse gewapende groep of aan een derde met het oog op de latere verdere overdracht aan een vreemde Staat of een buitenlandse gewapende groep, zijn contacten met het oog op het plegen van dergelijke overdracht aan de overheid ter kennis brengt, wordt niet gestraft.
Art. 579. La cause d'excuse d'exemption de peine
  La personne qui, avant qu'un secret d'Etat soit transmis à un Etat ou un groupe armé étrangers, ou à un tiers en vue de sa transmission ultérieure à un Etat ou un groupe armé étrangers, informe l'autorité de ses contacts en vue d'une telle transmission n'encourt aucune peine.
Art. 580. Strafverminderende verschoningsgrond
  De persoon die de essentiële elementen van de door hem gepleegde overdracht van een staatsgeheim aan een vreemde Staat of een buitenlandse gewapende groep, dan wel aan een derde met het oog op de latere verdere overdracht aan een vreemde Staat of een buitenlandse gewapende groep, ter kennis brengt aan de overheid wordt bestraft met een straf van het onmiddellijk lagere niveau .
Art. 580. La cause d'excuse atténuante
  La personne qui communique à l'autorité les éléments essentiels relatifs à la transmission d'un secret d'Etat qu'il a effectué à un Etat ou un groupe armé étrangers, ou à un tiers en vue de sa transmission ultérieure à un Etat ou un groupe armé étrangers est puni d'une peine du niveau immédiatement inférieur.
Art. 581. Reproductie, bekendmaking of overdracht van een staatsgeheim aan de vijand
  De reproductie, bekendmaking of overdracht van een staatsgeheim aan de vijand is het opzettelijk, geheel of ten dele, in origineel of reproductie, reproduceren, bekendmaken of overdragen van een staatsgeheim aan de vijand of een persoon die in het belang van de vijand handelt, alsook de poging om dit te doen.
  Deze gedraging is strafbaar wanneer zij is gesteld tegen België of een bondgenoot.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 7.
Art. 581. La reproduction, la divulgation ou la transmission d'un secret d'Etat à l'ennemi
  La reproduction, la divulgation ou la transmission d'un secret d'Etat à l'ennemi consiste à, délibérément, reproduire, divulguer ou transmettre, en tout ou partie, en original ou en reproduction, à l'ennemi ou à une personne agissant dans l'intérêt de l'ennemi, un secret d'Etat, ou tenter de le faire.
  Ce comportement est punissable lorsqu'il est posé contre la Belgique ou un allié.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 7.
Art. 582. Reproductie, bekendmaking of overdracht aan onbevoegden van een staatsgeheim
  Reproductie, bekendmaking of overdracht aan onbevoegden van een staatsgeheim is het, geheel of ten dele,
  1° in origineel of reproductie, overleveren of meedelen aan een persoon die onbevoegd is om die in ontvangst te nemen of er kennis van te nemen;
  2° zonder toelating van de bevoegde overheid reproduceren, openbaar of bekendmaken;
  van een staatsgeheim met het oogmerk afbreuk te doen aan de essentiële belangen van België of van een Staat waarmee België met het oog op een gemeenschappelijke verdediging door een internationale overeenkomst is verbonden, alsook de poging om dit te doen.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 4.
Art. 582. La reproduction, la divulgation ou la transmission d'un secret d'Etat à des personnes non autorisées
  La reproduction, la divulgation ou la transmission d'un secret d'Etat à des personnes non autorisées consiste à, en tout ou partie,
  1° remettre ou communiquer, en original ou en reproduction, à une personne non autorisée à les recevoir ou à en prendre connaissance;
  2° reproduire, divulguer ou publier, sans l'autorisation de l'autorité compétente;
  un secret d'Etat ou tenter de le faire, en vue de porter atteinte aux intérêts essentiels de la Belgique ou d'un Etat avec lequel la Belgique est liée par un accord international aux fins d'une défense commune.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 4.
Art. 583. Reproductie, bekendmaking of overdacht aan onbevoegden van een staatsgeheim met betrekking tot de verdediging van het grondgebied of de uitwendige veiligheid van de Staat
  Reproductie, bekendmaking of overdracht aan onbevoegden van een staatsgeheim met betrekking tot de verdediging van het grondgebied of de uitwendige veiligheid van de Staat is het opzettelijk, geheel of ten dele
  1° in origineel of reproductie, overleveren of meedelen aan een persoon die onbevoegd is om die in ontvangst te nemen of er kennis van te nemen;
  2° zonder toelating van de bevoegde overheid reproduceren, openbaar of bekendmaken;
  van een staatsgeheim dat geheim moeten worden gehouden in het belang van de verdediging van het grondgebied of van de uitwendige veiligheid van de Staat, alsook de poging om dit te doen.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 4.
Art. 583. La reproduction, la divulgation ou la transmission à des personnes non autorisées d'un secret d'Etat ayant trait à la défense du territoire ou à la sûreté extérieure de l'Etat
  La reproduction, la divulgation ou la transmission à des personnes non autorisées d'un secret d'Etat ayant trait à la défense du territoire ou à la sûreté extérieure de l'Etat consiste à, délibérément, en tout ou partie,
  1° remettre ou communiquer, en original ou en reproduction, à une personne non autorisée à les recevoir ou à en prendre connaissance;
  2° reproduire, divulguer ou publier, sans l'autorisation de l'autorité compétente;
  un secret d'Etat dont le caractère secret intéresse la défense du territoire ou la sûreté extérieure de l'Etat, ou tenter de le faire.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 4.
Art. 584. Verzwaarde reproductie, bekendmaking of overdracht aan onbevoegden van een staatsgeheim met betrekking tot de verdediging van het grondgebied of de uitwendige veiligheid van de Staat
  Indien de reproductie, bekendmaking of overdracht aan onbevoegden van een staatsgeheim met betrekking tot de verdediging van het grondgebied of de uitwendige veiligheid van de Staat wordt gepleegd met het oogmerk afbreuk te doen aan de essentiële belangen van België of van een Staat waarmee België met het oog op een gemeenschappelijke verdediging door een regionale regeling is verbonden, wordt dit misdrijf bestraft met een straf van niveau 5.
Art. 584. La reproduction, la divulgation ou la transmission à des personnes non autorisées aggravées d'un secret d'Etat concernant la défense du territoire ou la sûreté extérieure de l'Etat
  Si la reproduction, la divulgation ou la transmission à des personnes non autorisées d'un secret d'Etat concernant la défense du territoire ou la sûreté extérieure de l'Etat est commise dans le but de porter atteinte aux intérêts essentiels de la Belgique ou d'un Etat avec lequel la Belgique est liée par un accord régional de défense commune, cette infraction est punie d'une peine de niveau 5.
Art. 585. Reproductie, bekendmaking of overdracht aan onbevoegden van een staatsgeheim in oorlogstijd
  Indien de reproductie, bekendmaking of overdracht aan onbevoegden van een staatsgeheim is gepleegd in oorlogstijd, wordt dit misdrijf bestraft met een straf van niveau 6.
Art. 585. La reproduction, la divulgation ou la transmission d'un secret d'Etat à des personnes non autorisées en temps de guerre
  Lorsque la reproduction, la publication ou la transmission d'un secret d'Etat à des personnes non autorisées a eu lieu en temps de guerre, cette infraction est punie d'une peine de niveau 6.
Art. 586. Onbevoegd ontvangen van een staatsgeheim
  Onbevoegd ontvangen van een staatsgeheim is het opzettelijk, geheel of ten dele, in origineel of reproductie, aanschaffen of ontvangen, zonder bevoegd te zijn dit in ontvangst te nemen of er kennis van te nemen, van een staatsgeheim, alsook de poging om dit te doen.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 586. La réception non autorisée d'un secret d'Etat
  La réception non autorisée d'un secret d'Etat consiste à, délibérément, acquérir ou recevoir un secret d'Etat, en tout ou partie, en original ou en reproduction, sans être autorisé à le recevoir ou à en prendre connaissance, ou tenter de le faire.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
Art. 587. Onbevoegd ontvangen van een staatsgeheim met betrekking tot de verdediging van het grondgebied of de uitwendige veiligheid van de Staat in oorlogstijd
  Indien het onbevoegd ontvangen van een staatsgeheim met betrekking tot de verdediging van het grondgebied of de uitwendige veiligheid van de Staat is gepleegd in oorlogstijd, wordt dit misdrijf bestraft met een straf van niveau 6.
Art. 587. La réception non autorisée d'un secret d'Etat concernant la défense du territoire ou la sûreté extérieure de l'Etat en temps de guerre
  Lorsque la réception non autorisée d'un secret d'Etat concernant la défense du territoire ou la sûreté extérieure de l'Etat a eu lieu en temps de guerre, cette infraction est punie d'une peine de niveau 6.
Art. 588. Vergaren of overmaken van militaire inlichtingen
  Het vergaren of overmaken van militaire inlichtingen is het
  1° zich, met het oogmerk inlichtingen te vergaren, onder een vermomming of met verhulling van zijn identiteit, beroep, hoedanigheid of nationaliteit dan wel door een handeling die tot doel heeft de voor de bewaking aangestelde personen te misleiden of hun waakzaamheid te omzeilen, toegang verschaffen tot een militaire installatie of een door de Staat opgeëist of bevracht schip, luchtvaartuig of gebouw, alsook de infrastructuur waar werken of diensten in opdracht van Landsverdediging worden uitgevoerd, alsook de poging om dit te doen;
  2° opzettelijk, onder een vermomming of met verhulling van zijn identiteit, beroep, hoedanigheid of nationaliteit dan wel door een handeling die tot doel heeft de voor de bewaking aangestelde personen te misleiden of hun waakzaamheid te omzeilen, een plan maken, verkeerswegen of infrastructuur voor communicatie verkennen of inlichtingen inwinnen die van belang zijn voor de verdediging van het grondgebied of de uitwendige veiligheid van de Staat, alsook de poging om dit te doen;
  3° organiseren of gebruiken van communicatiekanalen met het oogmerk om inlichtingen die van belang zijn voor de verdediging van het grondgebied of de uitwendige veiligheid van de Staat in te winnen of over te maken zonder daartoe bevoegd te zijn, alsook de poging om dit te doen;
  4° zonder toestemming militaire communicatie- en informaticasystemen binnendringen met het oogmerk om inlichtingen die van belang zijn voor de verdediging van het grondgebied of de uitwendige veiligheid van de Staat in te winnen of over te maken zonder daartoe bevoegd te zijn, alsook de poging om dit te doen.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 588. Le recueil ou la transmission de renseignements militaires
  Le recueil ou la transmission de renseignements militaires consiste à
  1° s'introduire, dans l'intention de recueillir des informations, sous un déguisement ou en dissimulant son identité, sa profession, sa qualité ou sa nationalité, ou à l'aide d'une manoeuvre ayant pour but de tromper les agents préposés à la garde ou de déjouer leur surveillance, dans une installation militaire ou un navire, un aéronef ou un bâtiment réquisitionné ou affrété par l'Etat, de même que les infrastructures où s'exécutent des travaux ou services commandés par la Défense nationale, ou tenter de le faire;
  2° délibérément, sous un déguisement ou en dissimulant son identité, sa profession, sa qualité ou sa nationalité, ou à l'aide d'une manoeuvre ayant pour but de tromper les agents préposés à la garde ou de déjouer leur surveillance, dresser un plan, reconnaître des voies de communication ou des infrastructures de communication ou collecter des renseignements qui intéressent la défense du territoire ou la sûreté extérieure de l'Etat, ou tenter de le faire;
  3° organiser ou utiliser des canaux de communication en vue de collecter ou de transmettre des renseignements qui intéressent la défense du territoire ou la sûreté extérieure de l'Etat sans y être autorisé, ou tenter de le faire;
  4° s'introduire, sans autorisation, dans les systèmes de communications et les systèmes informatiques militaires, en vue de recueillir ou de transférer des informations qui intéressent la défense du territoire ou la sûreté extérieure de l'Etat sans y être autorisé, ou tenter de le faire.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
Art. 589. Vergaren of overmaken van militaire inlichtingen in oorlogstijd
  Indien het vergaren of overmaken van militaire inlichtingen is gepleegd in oorlogstijd, wordt dit misdrijf bestraft met een straf van niveau 6.
Art. 589. Le recueil ou la transmission de renseignements militaires en temps de guerre
  Lorsque le recueil ou la transmission de renseignements militaires a eu lieu en temps de guerre, cette infraction est punie d'une peine de niveau 6.
Art. 590. Hulp verschaffen aan daders van bepaalde misdrijven met betrekking tot een staatsgeheim
  Het verschaffen van hulp aan daders van bepaalde misdrijven met betrekking tot een staatsgeheim is het opzettelijk een onderdak, schuilplaats of vergaderruimte verschaffen aan personen die de misdrijven van het onbevoegd ontvangen van een staatsgeheim of het vergaren of overmaken van militaire inlichtingen hebben gepleegd of hebben gepoogd dit te doen, het hulp bieden aan deze personen bij hun communicatie of het verbergen van de zaken die gediend hebben of moesten dienen voor het plegen van die misdrijven.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
  Deze bepaling laat de toepassing van artikel 19 onverlet.
Art. 590. L'assistance aux auteurs de certaines infractions relatives à un secret d'Etat
  L'assistance aux auteurs de certaines infractions relatives à un secret d'Etat consiste à, délibérément, fournir un logement, une retraite ou un lieu de réunion à des personnes qui ont commis ou tenté de commettre l'infraction de réception non autorisée d'un secret d'Etat ou de recueil ou transmission de renseignements militaires, de prêter assistance à ces personnes dans leur communication ou la dissimulation de choses qui ont servi ou devaient servir à commettre ces infractions.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
  La présente disposition ne porte pas préjudice à l'application de l'article 19.
Art. 591. Opnames of opmetingen maken van militaire installaties, militaire domeinen of militaire communicatie of de verspreiding hiervan
  Opnames of opmetingen maken van militaire installaties, militaire domeinen of militaire communicatie of de verspreiding hiervan is het opzettelijk, zonder vergunning van de militaire overheid afgeleverd onder de voorwaarden bepaald door de minister van Landsverdediging:
  1° maken van beeld- of andere opnames, het beschrijven van of doen van topografische of andere opmetingen of verrichtingen van een militaire installatie of een militair domein, ongeacht het procedé waarmee deze installaties of domeinen worden afgebeeld, geregistreerd of opgemeten, alsook de poging daartoe;
  2° publiceren, reproduceren, uitgeven, tentoonstellen, verkopen of verspreiden van al dan niet volledige opnames, beschrijvingen, opmetingen of andere verrichtingen bedoeld in de bepaling onder 1°, ongeacht het gebruikte medium, alsook de poging daartoe;
  3° maken van opnames of beschrijven van communicatie met betrekking tot de uitvoering van militaire operaties of oefeningen, alsook het publiceren, reproduceren, uitgeven, verkopen of verspreiden van deze opnames of beschrijvingen, alsook de poging daartoe.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 591. Les prises de vue ou les mesurages d'installations militaires, de domaines militaires ou de communications militaires ou leur diffusion
  Les prises de vue ou les mesurages d'installations militaires, de domaines militaires ou de communications militaires ou leur diffusion consiste à, délibérément, sans autorisation de l'autorité militaire délivrée selon les conditions fixées par le ministre de la Défense:
  1° réaliser des clichés ou d'autres prises de vue, décrire ou effectuer des relevés ou des opérations topographiques ou autres d'une installation militaire ou d'un domaine militaire, quel que soit le procédé par lequel ces installations ou domaines sont représentés, enregistrés ou mesurés, ou tenter de le faire;
  2° publier, reproduire, éditer, exposer, vendre ou diffuser des prises de vue complètes ou non, des descriptions, des mesures ou d'autres opérations visées sous le 1°, quel que soit le moyen utilisé, ou tenter de le faire;
  3° enregistrer ou décrire des communications relatives à l'exécution d'opérations ou d'exercices militaires, ainsi que publier, reproduire, éditer, vendre ou diffuser ces enregistrements ou ces descriptifs, ou tenter de le faire.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Art. 592. Betreden van een militaire installatie of een militair domein
  Betreden van een militaire installatie of een militair domein is het opzettelijk, zonder vergunning van de militaire overheid afgeleverd onder de voorwaarden bepaald door de minister van Landsverdediging, betreden van een militaire installatie of een militair domein of een door de militaire overheid opgeëist bevracht schip, luchtvaartuig of gebouw, alsook de infrastructuur waar militaire operaties en oefeningen, of werken en diensten in opdracht van defensie worden uitgevoerd, alsook de poging om dit te doen.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 592. La pénétration dans une installation ou un domaine militaires
  La pénétration dans une installation ou un domaine militaires consiste à, délibérément, sans autorisation de l'autorité militaire délivrée selon les conditions fixées par le ministre de la Défense, pénétrer dans une installation ou un domaine militaires, dans un navire ou un aéronef réquisitionné ou affrété par l'autorité militaire ou dans un bâtiment réquisitionné par elle, ou dans l'infrastructure où s'exécutent des opérations et exercices militaires, ou des travaux et services pour le compte de la Défense, ou à tenter de le faire.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Art. 593. Betreden van of opnames of opmetingen maken van een militaire installatie of een militair domein of van militaire communicatie of het verspreiden ervan in oorlogstijd
  Indien het betreden van een militaire installatie of een militair domein of het maken van opnames of opmetingen van een militaire installatie of een militair domein of van militaire communicatie met betrekking tot de uitvoering van militaire operaties of oefeningen of het verspreiden ervan is gepleegd in oorlogstijd, worden deze misdrijven bestraft met een straf van niveau 5.
Art. 593. La pénétration dans une installation ou un domaine militaires ou les prises de vue ou les mesurages d'une installation ou d'un domaine militaires ou de communications militaires ou la diffusion de telles informations en temps de guerre
  Si la pénétration dans une installation ou un domaine militaires, les prises de vue ou les mesurages d'une installation ou d'un domaine militaires ou de communications militaires relatives à l'exécution d'opérations ou d'exercices militaires ou la diffusion de telles informations ont lieu en temps de guerre, ces infractions sont punies d'une peine de niveau 5.
Art. 594. Foute omgang met een staatsgeheim
  Foute omgang met een staatsgeheim is het door een ernstig gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid en in strijd met de geldende regelgeving:
  1° verplaatsen of in zijn bezit houden van een staatsgeheim, of;
  2° geheel of ten dele laten vernietigen, ontvreemden of wegnemen, zelfs tijdelijk, of geheel of ten dele kennis, afschrift of reproductie laten nemen van een staatsgeheim.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 594. L'utilisation fautive d'un secret d'Etat
  L'utilisation fautive d'un secret d'Etat consiste à, par un défaut grave de prévoyance ou de précaution et en infraction avec la réglementation en vigueur:
  1° déplacer ou détenir un secret d'Etat, ou;
  2° laisser détruire, soustraire ou enlever, même momentanément, tout ou partie d'un secret d'Etat ou en laisser prendre connaissance, copie ou reproduction, en tout ou partie.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Art. 595. Foute omgang met een staatsgeheim in oorlogstijd
  Indien de foute omgang met een staatsgeheim is gepleegd in oorlogstijd, wordt dit misdrijf bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 595. L'utilisation fautive d'un secret d'Etat en temps de guerre
  Lorsque l'utilisation fautive d'un secret d'Etat a eu lieu en temps de guerre, cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
Art. 596. Verstrekken van foute essentiële informatie
  Verstrekken van foute essentiële informatie is het met bedrieglijk opzet verstrekken van foute informatie of overhandigen van vervalste of gewijzigde documenten aan een Belgische overheid, dan wel het verbergen van correcte informatie, die van aard is het voortbestaan van de democratische en grondwettelijke orde, de veiligheid van de Staat, de verdediging van het grondgebied, de internationale betrekkingen, het economisch of wetenschappelijk potentieel van het land, de veiligheid van Belgen in het buitenland of de werking van de besluitvormingsorganen van de Staat aan te tasten.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 596. La communication d'informations essentielles erronées
  La communication d'informations essentielles erronées consiste à fournir, dans une intention frauduleuse, des informations erronées ou à transmettre des documents falsifiés ou modifiés à une autorité belge, voire à dissimuler des informations correctes qui sont de nature à compromettre la pérennité de l'ordre démocratique et constitutionnel, la sûreté de l'Etat, la défense du territoire, les relations internationales, le potentiel économique ou scientifique du pays, la sécurité des Belges à l'étranger ou le fonctionnement des organes décisionnels de l'Etat.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
Afdeling 7. Aangifte aan de vijand
Section 7. La dénonciation à l'ennemi
Art. 597. Aangifte aan de vijand
  Aangifte aan de vijand is het met kwaad opzet of met het oogmerk de vijand te ondersteunen, blootstellen van een persoon aan opsporingen, vervolgingen of sanctionering vanwege de vijand, door aangifte van een echt of denkbeeldig feit.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 597. La dénonciation à l'ennemi
  La dénonciation à l'ennemi consiste à, méchamment ou dans le but de soutenir l'ennemi, exposer une personne à des recherches, poursuites ou sanctions de la part de l'ennemi en déclarant un fait réel ou imaginaire.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
Art. 598. Aangifte aan de vijand met langdurige vrijheidsberoving tot gevolg
  Indien de aangifte aan de vijand een vrijheidsberoving van meer dan een maand tot gevolg heeft, zonder dat deze is veroorzaakt door een andere aangifte, wordt dit misdrijf bestraft met een straf van niveau 4.
Art. 598. La dénonciation à l'ennemi entraînant une privation de liberté de longue durée
  Lorsque la dénonciation à l'ennemi a entraîné une privation de liberté de plus d'un mois, sans que celle-ci ait été provoquée par une autre dénonciation, cette infraction est punie d'une peine de niveau 4.
Art. 599. Aangifte aan de vijand met een integriteitsaantasting van de derde graad tot gevolg
  Indien de aangifte aan de vijand een integriteitsaantasting van de derde graad tot gevolg heeft, zonder dat deze is veroorzaakt door een andere aangifte, wordt dit misdrijf bestraft met een straf van niveau 5.
Art. 599. La dénonciation à l'ennemi ayant entraîné une atteinte à l'intégrité du troisième degré
  Lorsque la dénonciation à l'ennemi a entraîné une atteinte à l'intégrité du troisième degré, sans que celle-ci ait été provoquée par une autre dénonciation, cette infraction est punie d'une peine de niveau 5.
Art. 600. Aangifte aan de vijand met de dood tot gevolg
  Indien de aangifte aan de vijand de dood tot gevolg heeft, zonder dat deze is veroorzaakt door een andere aangifte en zonder dat de dader deze aangifte deed met het oogmerk de dood te veroorzaken, wordt dit misdrijf bestraft met een straf van niveau 6.
Art. 600. La dénonciation à l'ennemi ayant entraîné la mort
  Lorsque la dénonciation à l'ennemi a entraîné la mort, sans que celle-ci ait été provoquée par une autre dénonciation et sans que l'auteur ait fait cette dénonciation en vue de provoquer la mort, cette infraction est punie d'une peine de niveau 6.
Afdeling 8. Verberging van vijanden of plegers van misdrijven tegen de landsverdediging
Section 8. Le recel d'ennemis ou d'auteurs d'infractions contre la défense nationale
Art. 601. Verbergen van daders van misdrijven tegen de landsverdediging
  Het verbergen van daders van misdrijven tegen de landsverdediging is het opzettelijk verbergen van een persoon die vervolgd wordt of veroordeeld is wegens een van de misdrijven uit dit hoofdstuk of de artikelen 17 of 18 van het Militair Strafwetboek of het helpen van deze personen zich aan het gerecht te onttrekken.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
  Deze bepaling laat de toepassing van artikel 19 onverlet.
  Deze bepaling is niet van toepassing op bloed- of aanverwanten in opgaande of neerdalende rechte lijn, echtgenoten of bloed- of aanverwanten in de zijlijn tot de tweede graad van de daders van de bedoelde misdrijven.
Art. 601. Le recel d'auteurs d'infractions contre la défense nationale
  Le recel d'auteurs d'infractions contre la défense nationale consiste à, délibérément, cacher une personne poursuivie ou condamnée pour une des infractions visées au présent chapitre ou aux articles 17 ou 18 du Code pénal militaire ou aider cette personne à se soustraire à la justice.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
  La présente disposition ne porte pas préjudice à l'application de l'article 19.
  Cette disposition n'est pas d'application aux parents ou alliés ascendants ou descendants en ligne directe, aux époux, ou aux parents ou alliés en ligne collatérale jusqu'au deuxième degré des auteurs des infractions visées.
Art. 602. Verbergen van vijandelijke spionnen of verkenners
  Het verbergen van vijandelijke spionnen of verkenners is het opzettelijk verbergen van een vijandelijke spion of een vijandelijke verkenner die zich, in uniform, binnen de linies van het Belgische leger beweegt om inlichtingen te verzamelen voor zijn eigen leger.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 6.
Art. 602. Le recel d'espions ou d'éclaireurs ennemis
  Le recel d'espions ou d'éclaireurs ennemis consiste à, délibérément, receler un espion ou un éclaireur ennemi qui, en uniforme, se déplace dans les lignes de l'armée belge afin de collecter des renseignements pour sa propre armée.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 6.
Art. 603. Verbergen van vijandelijke agenten of soldaten
  Het verbergen van vijandelijke agenten of soldaten is het opzettelijk verbergen van vijandelijke agenten of soldaten of het helpen van deze personen om zich aan de overheid te onttrekken.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 5.
Art. 603. Le recel d'agents ou de soldats ennemis
  Le recel d'agents ou de soldats ennemis consiste à, délibérément, receler des agents ou des soldats ennemis ou aider ces personnes à se soustraire aux autorités.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 5.
Art. 604. Verbergen van vijandelijke agenten of soldaten bij staat van beleg
  Indien het verbergen van vijandelijke agenten of soldaten wordt gepleegd bij staat van beleg, wordt dit misdrijf bestraft met een straf van niveau 6.
Art. 604. Le recel d'agents ou de soldats ennemis en état de siège
  Lorsque le recel d'agents ou de soldats ennemis est commis en état de siège, cette infraction est punie d'une peine de niveau 6.
Art. 605. Verbergen van onderdanen van de vijand
  Het verbergen van onderdanen van de vijand is het opzettelijk verbergen van een onderdaan van de vijand of zijn bondgenoten of het helpen van deze personen zich aan de overheid te onttrekken, indien zij direct deelnemen of hebben deelgenomen aan de vijandelijkheden, mankracht of goederen aan de vijand verschaffen of hebben verschaft, of anderszins een risico uitmaken voor de nationale veiligheid.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 605. Le recel de ressortissants de l'ennemi
  Le recel de ressortissants de l'ennemi consiste à, délibérément, receler des ressortissants de l'ennemi ou de ses alliés ou aider ces personnes à se soustraire aux autorités, lorsque celles-ci participent ou ont participé directement aux hostilités, fournissent ou ont fourni de la main d'oeuvre ou des biens à l'ennemi, ou présentent autrement un risque pour la sûreté nationale.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
Art. 606. Verbergen van onderdanen van de vijand bij staat van beleg
  Indien het verbergen van onderdanen van de vijand wordt gepleegd bij staat van beleg, wordt dit misdrijf bestraft met een straf van niveau 4.
Art. 606. Le recel de ressortissants de l'ennemi en état de siège
  Lorsque le recel de ressortissants de l'ennemi est commis en état de siège, cette infraction est punie d'une peine de niveau 4.
Afdeling 9. Vernieling of brandstichting in strijd met de landsverdediging
Section 9. La destruction ou l'incendie contre la défense nationale
Art. 607. Vernieling of brandstichting ter bevoordeling van de vijand
  Vernieling of brandstichting ter bevoordeling van de vijand is het plegen van een misdrijf zoals bedoeld in hoofdstuk 2 van titel 6 met het oogmerk hierdoor de vijand te bevoordelen.
  Dit misdrijf wordt bestraft:
  1° indien op dit misdrijf van hoofdstuk 2 van titel 6 een straf van niveau 1, 2, 3 is gesteld, wordt de straf vervangen door een straf van niveau 4;
  2° indien op dit misdrijf van hoofdstuk 2 van titel 6 een straf van niveau 4 is gesteld, wordt de straf vervangen door een straf van niveau 5;
  3° indien op dit misdrijf van hoofdstuk 2 van titel 6 een straf van niveau 5 is gesteld, wordt de straf vervangen door een straf van niveau 6;
  4° indien op dit misdrijf van hoofdstuk 2 van titel 6 een straf van niveau 6 of 7 is gesteld, wordt de straf vervangen door een straf van niveau 8.
  De poging tot het plegen van dit misdrijf wordt bestraft zoals het voltooid misdrijf.
Art. 607. La destruction ou l'incendie au profit de l'ennemi
  La destruction ou l'incendie au profit de l'ennemi consiste à commettre une infraction visée au chapitre 2 du titre 6 en vue de favoriser l'ennemi.
  Cette infraction est punie:
  1° d'une peine de niveau 4, si l'infraction du chapitre 2 du titre 6 est punie d'une peine de niveau 1, 2 ou 3;
  2° d'une peine de niveau 5, si l'infraction du chapitre 2 du titre 6 est punie d'une peine de niveau 4;
  3° d'une peine de niveau 6, si l'infraction du chapitre 2 du titre 6 est punie d'une peine de niveau 5;
  4° d'une peine de niveau 8, si l'infraction du chapitre 2 du titre 6 est punie d'une peine de niveau 6 ou 7;
  La tentative de commettre cette infraction est punie comme l'infraction consommée.
Afdeling 10. Samenspanning tegen de landsverdediging
Section 10. Le complot contre la défense nationale
Art. 608. Samenspanning ter ondersteuning van de vijand
  De samenspanning ter ondersteuning van de vijand is het samenspannen met het oogmerk een van de volgende misdrijven te plegen:
  1° vergemakkelijken van de opmars van de vijand;
  2° verschaffen van mankracht of goederen aan de vijand;
  3° aan het wankelen brengen van de trouw aan de Staat, voor wat betreft de situatie bedoeld in artikel 574, eerste lid, 2°.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 608. Le complot en vue de soutenir l'ennemi
  Le complot en vue de soutenir l'ennemi consiste à comploter en vue de commettre l'une des infractions suivantes:
  1° faciliter la progression de l'ennemi;
  2° fournir de la main-d'oeuvre ou des biens à l'ennemi;
  3° ébranler la fidélité envers l'Etat, en ce qui concerne la situation visée à l'article 574, alinéa 1er, 2°.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
Art. 609. Voorbereiding van de ondersteuning van de vijand
  Voorbereiding van de ondersteuning van de vijand is de samenspanning ter ondersteuning van de vijand die is gevolgd door enige opzettelijk aangenomen gedraging om de uitvoering ervan voor te bereiden.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 5.
Art. 609. La préparation du soutien à l'ennemi
  La préparation du soutien à l'ennemi consiste en un complot quelconque en vue de soutenir l'ennemi, qui est suivi de tout comportement adopté, délibérément, pour en préparer l'exécution.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 5.
Art. 610. Samenspanning met het oog op een misdrijf dat de landsverdediging kan belemmeren
  De samenspanning met het oog op een misdrijf dat de landsverdediging kan belemmeren is het samenspannen om een misdrijf tegen personen of goederen te plegen met het oogmerk om in oorlogstijd de verdediging van het grondgebied, de mobilisatie of de wapen-, munitie- of levensmiddelenvoorziening van het leger te belemmeren.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 610. Le complot en vue d'une infraction qui peut entraver la défense nationale
  Le complot en vue d'une infraction qui peut entraver la défense nationale, consiste à former un complot dans le but de commettre une infraction contre des personnes ou des biens en vue d'entraver, en temps de guerre, la défense du territoire, la mobilisation ou le ravitaillement en armes, munitions ou vivres de l'armée.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Art. 611. Samenspanning met het oog op een misdrijf dat de landsverdediging kan belemmeren in oorlogstijd
  Indien de samenspanning met het oog op een misdrijf dat de landsverdediging kan belemmeren wordt gepleegd in oorlogstijd, wordt dit misdrijf bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 611. Le complot en vue d'une infraction qui peut entraver la défense nationale en temps de guerre
  Lorsque le complot en vue d'une infraction qui peut entraver la défense nationale a eu lieu en temps de guerre, cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
Art. 612. Strafuitsluitende verschoningsgrond
  De persoon die voor het begin van uitvoering van een misdadig voornemen en voor enige vervolging het bestaan van een samenspanning of voorbereiding als bedoeld in deze afdeling en hun daders aan de overheid ter kennis brengt, wordt niet gestraft.
Art. 612. La cause d'excuse d'exemption de peine
  La personne qui, avant le début de l'exécution d'un projet criminel et avant toutes poursuites informe l'autorité de l'existence d'un complot ou d'une préparation visée dans la présente section ainsi que de leurs auteurs n'encourt aucune peine.
Afdeling 11. Aanzetten tot misdrijven tegen de landsverdediging
Section 11. L'incitation à commettre des infractions contre la défense nationale
Art. 613. Aanzetten tot misdrijven tegen de landsverdediging
  Aanzetten tot misdrijven tegen de landsverdediging is het opzettelijk, op vasthoudende en zekere wijze aanbieden of voorstellen om een misdrijf uit dit hoofdstuk strafbaar met een straf van niveau 3 of hoger te plegen, alsook de aanvaarding van dit aanbod of voorstel, terwijl dit geen uitwerking heeft gehad wegens omstandigheden onafhankelijk van de wil van de dader.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van het tweede lagere strafniveau dan datgene gesteld op het voltooide misdrijf.
  Deze bepaling laat de toepassing van artikel 19 onverlet.
Art. 613. L'incitation à commettre des infractions contre la défense nationale
  L'incitation à commettre des infractions contre la défense nationale consiste à, délibérément, offrir ou proposer, de façon ferme et certaine, de commettre une infraction visée au présent chapitre et punissable d'une peine de niveau 3 ou plus lorsque cela n'a pas eu d'effet en raison de circonstances indépendantes de la volonté de l'auteur.
  Cette infraction est punie d'une peine du deuxième niveau de peine inférieur à celui qui sanctionne l'infraction consommée.
  La présente disposition ne porte pas préjudice à l'application de l'article 19.
Hoofdstuk 3. Misdrijven tegen de internationale betrekkingen
Chapitre 3. Les infractions contre les relations internationales
Afdeling 1. Aanslagen tegen een vreemde Staat of buitenlands staatshoofd
Section 1re. Les attentats contre un Etat étranger ou un chef d'Etat étranger
Art. 614. Aanslag op de persoon van een buitenlands staatshoofd
  De aanslag op de persoon van een buitenlands staatshoofd is elke aanslag die gericht is tegen de persoon van een buitenlands staatshoofd.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 5.
Art. 614. L'attentat contre la personne d'un chef d'Etat étranger
  L'attentat contre la personne d'un chef d'Etat étranger consiste à commettre un attentat dirigé contre la personne d'un chef d'Etat étranger.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 5.
Art. 615. Voorbereiding van een aanslag tegen een buitenlands staatshoofd
  De voorbereiding van een aanslag tegen een buitenlands staatshoofd is elke samenspanning tegen het leven of de persoon van een buitenlands staatshoofd die is gevolgd door enige opzettelijk aangenomen gedraging om de uitvoering ervan voor te bereiden.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 615. La préparation d'un attentat contre un chef d'Etat étranger
  La préparation d'un attentat contre un chef d'Etat étranger consiste en tout complot contre la vie ou la personne d'un chef d'Etat étranger, qui est suivi de tout comportement adopté, délibérément, pour en préparer l'exécution.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
Art. 616. Voorbereiding van een aanslag tegen de staatsordening van een vreemde staat
  De voorbereiding van een aanslag tegen de staatsordening van een vreemde staat is elke samenspanning met het oogmerk om de grondwettelijke staatsordening van een vreemde staat te vernietigen of te wijzigen, dan wel om de inwoners van een ander land de wapens te doen opnemen tegen het grondwettelijk gezag van dat land, en die is gevolgd door enige opzettelijk aangenomen gedraging om de uitvoering ervan voor te bereiden.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 616. La préparation d'un attentat contre la structure d'un Etat étranger
  La préparation d'un attentat contre la structure d'un Etat étranger consiste en un complot ourdi en vue de détruire ou de modifier la structure constitutionnelle d'un Etat étranger ou d'inciter les habitants d'un autre pays à prendre les armes contre l'autorité constitutionnelle de ce pays, qui est suivi de tout comportement adopté délibérément, pour en préparer l'exécution.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
Art. 617. Strafuitsluitende verschoningsgronden
  De persoon die voor het plegen van een aanslag en voor het aanvangen van enige vervolging een samenspanning of voorbereiding van een aanslag tegen een buitenlands staatshoofd of de staatsordening van een vreemde staat en alle informatie waarover hij beschikt omtrent de omstandigheden en de daders van het misdrijf aan de overheid ter kennis brengt, wordt niet gestraft.
  Onverminderd de gevallen waarin dit aanleiding geeft tot verval van de strafvordering, wordt evenmin gestraft de persoon die voor een in het eerste lid bedoelde feit wordt vervolgd wanneer de verdachte in het buitenland reeds werd vervolgd en op tegenspraak veroordeeld.
Art. 617. Les causes d'excuse d'exemption de peine
  La personne qui, avant qu'un attentat soit commis et avant le début de toute poursuite, informe l'autorité d'un complot ou d'une préparation d'attentat contre un chef d'Etat étranger ou la structure d'un Etat étranger ainsi que de l'intégralité des informations qu'elle détient sur les circonstances et les auteurs de l'infraction, n'encourt aucune peine.
  Sans préjudice des cas où cela donne lieu à une extinction de l'action publique, la personne poursuivie pour un fait visé à l'alinéa 1er n'est pas non plus punie lorsque l'inculpé aura déjà été poursuivi et jugé contradictoirement en pays étranger.
Afdeling 2. Misdrijven tegen diplomatieke en consulaire vertegenwoordigers van vreemde staten
Section 2. Les infractions contre des représentants diplomatiques et consulaires d'Etats étrangers
Art. 618. Gewelddaden gepleegd op een diplomatieke of consulaire ambtenaar
  Gewelddaden gepleegd op een diplomatieke of consulaire ambtenaar zijn de in artikel 193 bedoelde gewelddaden gepleegd op een bij de Belgische regering of een in België gevestigde internationale publiekrechtelijke organisatie geaccrediteerde diplomatieke of consulaire ambtenaar naar aanleiding van de uitoefening van deze functie.
  Dit misdrijf wordt bestraft zoals gewelddaden gepleegd op een persoon met een maatschappelijke functie.
Art. 618. Les actes de violence commis sur un agent diplomatique ou consulaire
  Les actes de violence commis sur un agent diplomatique ou consulaire consistent à commettre des actes de violence visés à l'article 193 sur un agent diplomatique ou consulaire accrédité auprès du gouvernement belge ou d'une organisation de droit international public établie en Belgique, dans le cadre de l'exercice de cette fonction.
  Cette infraction est punie de la même manière que les actes de violence commis sur une personne exerçant une fonction sociétale.
Art. 619. Smaad aan een diplomatieke of consulaire ambtenaar
  Smaad aan een diplomatieke of consulaire ambtenaar is het misdrijf bedoeld in artikel 247, gepleegd op een bij de Belgische regering of een in België gevestigde internationale publiekrechtelijke organisatie geaccrediteerde diplomatieke of consulaire ambtenaar naar aanleiding van de uitoefening van deze functie.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 619. L'outrage à un agent diplomatique ou consulaire
  L'outrage à un agent diplomatique ou consulaire est l'infraction visée à l'article 247, commise sur un agent diplomatique ou consulaire accrédité auprès du gouvernement belge ou d'une organisation de droit international public établie en Belgique, dans le cadre de l'exercice de cette fonction.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
Art. 620. Brandstichting, vernieling door ontploffing of overstroming en vandalisme aan diplomatieke of consulaire infrastructuur
  Brandstichting, vernieling door ontploffing of overstroming of vandalisme aan diplomatieke of consulaire infrastructuur is het plegen van brandstichting, van vernieling door ontploffing of overstroming of van vandalisme, zoals gedefinieerd in hoofdstuk 2 van titel 6, ten aanzien van de officiële gebouwen, de particuliere woning of de vervoermiddelen van een bij de Belgische regering of bij een in België gevestigde internationale publiekrechtelijke organisatie geaccrediteerde diplomatieke of consulaire ambtenaar.
  Dit misdrijf wordt bestraft zoals de brandstichting, vernieling door ontploffing of overstroming of vandalisme, gepleegd op een goed met een bijzonder belang.
Art. 620. L'incendie, la destruction par explosion ou inondation d'une infrastructure diplomatique ou consulaire et le vandalisme sur celle-ci
  L'incendie, la destruction par explosion ou inondation d'une infrastructure diplomatique ou consulaire ou le vandalisme sur celle-ci consiste à incendier, à détruire par explosion ou inondation ou à vandaliser, comme défini dans le chapitre 2 du titre 6, les locaux officiels, la demeure privée ou les moyens de transport d'un agent diplomatique ou consulaire accrédité auprès du gouvernement belge ou d'une organisation de droit international public établie en Belgique.
  Cette infraction est sanctionnée de la même manière que l'incendie, la destruction par explosion ou inondation ou le vandalisme, commis sur un bien ayant un intérêt particulier.
Afdeling 3. Huurlingschap
Section 3. Le mercenariat
Art. 621. Huurlingschap
  Huurlingschap is het opzettelijk dienstnemen, vertrekken of doorreizen, alsook de poging daartoe, met het oog op het dienstnemen bij een vreemd leger of troepenmacht die zich op het grondgebied van een vreemde staat bevindt in de gevallen bepaald in een met redenen omkleed besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 621. Le mercenariat
  Le mercenariat consiste à, délibérément, s'engager, partir ou transiter, ainsi qu'à tenter de le faire, en vue de servir dans une armée ou une troupe étrangère se trouvant sur le territoire d'un Etat étranger, dans les cas prévus par arrêté royal motivé et délibéré en Conseil des ministres.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
Art. 622. Werven van huurlingen
  Werven van huurlingen is het opzettelijk, buiten de militaire technische bijstand die een staat aan een vreemde staat verleent en onverminderd de internationale verplichtingen van een staat of zijn deelneming aan internationale politieoperaties waartoe besloten wordt door publiekrechtelijke instellingen waarvan de staat lid is, aanwerven van personen ten behoeve van een vreemd leger of troepenmacht die zich op het grondgebied van een vreemde staat bevindt en het stellen van handelingen die zulke aanwerving kunnen uitlokken of vergemakkelijken, alsook de poging daartoe.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 622. Le recrutement de mercenaires
  Le recrutement de mercenaires consiste à, délibérément, procéder en dehors de l'assistance technique militaire prêtée par un Etat à un Etat étranger et sans préjudice des obligations internationales d'un Etat ou de sa participation à des opérations de police internationales décidées par des organismes de droit public dont est membre l'Etat, au recrutement de personnes au profit d'une armée ou une troupe étrangère se trouvant sur le territoire d'une Etat étranger et à poser des actes qui peuvent susciter ou faciliter un tel recrutement ainsi que la tentative en ce sens.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
Art. 623. Uitsluiting van strafbaarheid
  De strafbaarstellingen uit deze afdeling zijn niet van toepassing in geval van:
  1° aanwerving door een staat van zijn eigen onderdanen, of;
  2° aanwerving door een staat, op zijn grondgebied, van een vreemdeling als regelmatig lid van de strijdkrachten van die staat, op een andere wijze dan in het kader van militaire technische bijstand die een staat aan een andere staat verleent en onverminderd de internationale verplichtingen van die staat of zijn deelneming aan internationale politieoperaties waartoe besloten wordt door publiekrechtelijke instellingen waarvan het lid is, onverminderd de toepassing van artikel 624.
Art. 623. L'exclusion de l'incrimination
  Les incriminations de la présente section ne s'appliquent pas en cas de:
  1° recrutement par un Etat de ses propres ressortissants, ou;
  2° recrutement par un Etat, sur son territoire, d'un étranger en tant que membre régulier des forces armées de cet Etat, d'une manière autre que dans le cadre de l'assistance technique militaire prêtée par un Etat à un autre Etat et sans préjudice des obligations internationales de cet Etat ou de sa participation à des opérations de police internationales décidées par des organismes de droit public dont il est membre, sans préjudice de l'application de l'article 624.
Art. 624. Werven van een minderjarige voor een vreemd leger
  Werven van een minderjarige voor een vreemd leger is het opzettelijk verkrijgen van een minderjarige dat deze dienst neemt in een vreemd leger of een vreemde troep, zonder de toestemming van zijn ouders of voogd, alsook de poging daartoe.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 624.. Le recrutement d'un mineur pour une armée étrangère
  Le recrutement d'un mineur pour une armée étrangère consiste à, délibérément, obtenir ou tenter d'obtenir d'un mineur un engagement à servir dans une armée ou une troupe étrangère sans l'autorisation de ses parents ou de son tuteur.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
Hoofdstuk 4. Ambtsmisdrijven
Chapitre 4. Les forfaitures
Afdeling 1. Schending van fundamentele rechten van de burgers
Section 1re. La violation des droits fondamentaux des citoyens
Art. 625. Het verzuim om op te treden tegen een wederrechtelijke vrijheidsberoving
  Het verzuim om op te reden tegen een wederrechtelijke vrijheidsberoving is het opzettelijk nalaten of weigeren een wederrechtelijke vrijheidsberoving vast te stellen, aan te geven of te beëindigen door een persoon met een openbare functie.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 625. Le défaut d'intervention contre une détention illégale
  Le défaut d'intervention contre une détention illégale consiste pour une personne exerçant une fonction publique à, délibérément, s'abstenir ou refuser de constater, dénoncer ou mettre fin à une détention illégale.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
Art. 626. De willekeurige inbreuk op de grondrechten
  De willekeurige inbreuk op de grondrechten is elke opzettelijk gepleegde daad van willekeur door een persoon met een openbare functie die een inbreuk maakt op de door de grondwet of door België geratificeerde verdragen gewaarborgde rechten en vrijheden en die niet strafbaar is onder een andere bepaling van dit Wetboek.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 626. L'atteinte arbitraire aux droits fondamentaux
  L'atteinte arbitraire aux droits fondamentaux consiste pour une personne exerçant une fonction publique à, délibérément, commettre tout acte arbitraire, qui constitue une violation des droits et libertés garantis par la Constitution ou par des traités ratifiés par la Belgique et qui n'est pas punissable en vertu d'une autre disposition du présent Code.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Afdeling 2. Gedragingen met het oog op het ontwrichten van de openbare dienst
Section 2. Les comportements visant à déstabiliser le service public
Art. 627. Beramen van maatregelen in strijd met de geldende normen
  Het beramen van maatregelen in strijd met de geldende normen is het beramen van maatregelen in strijd met de vigerende wetten of uitvoeringsbesluiten door een persoon met een openbare functie, hetzij op bijeenkomsten, hetzij via onderlinge communicatie, met kwaad opzet of met het oogmerk de openbare dienst te ontwrichten door de normale werking ervan lam te leggen.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 627. La planification de mesures contraires aux normes en vigueur
  La planification de mesures contraires aux normes en vigueur consiste pour une personne exerçant une fonction publique à planifier des mesures contraires aux lois ou aux arrêtés d'exécution en vigueur, soit lors de réunions, soit par le biais d'une communication réciproque, dans une intention malveillante ou dans l'intention de déstabiliser le service public en paralysant son fonctionnement normal.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Art. 628. Verhinderen van de uitvoering van de geldende normen
  Het verhinderen van de uitvoering van de geldende normen is het beramen van maatregelen tegen de uitvoering van een wet of een uitvoeringsbesluit door personen met een openbare functie, hetzij op bijeenkomsten, hetzij via onderlinge communicatie, met kwaad opzet of met het oogmerk de openbare dienst te ontwrichten door de normale werking ervan lam te leggen.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 628. L'entrave à l'exécution des normes en vigueur
  L'entrave à l'exécution des normes en vigueur consiste pour une personne exerçant une fonction publique à préparer des mesures contraires à l'exécution d'une loi ou d'un arrêté d'exécution, soit lors de réunions, soit par le biais d'une communication réciproque, dans une intention malveillante ou dans l'intention de déstabiliser le service public en paralysant son fonctionnement normal.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Afdeling 3. Aanmatiging van macht
Section 3. L'usurpation de pouvoir
Art. 629. Aanmatiging van macht door magistraten of leden van de politiediensten
  De aanmatiging van macht door magistraten of leden van de politiediensten is de opzettelijk gepleegde wederrechtelijke inmenging door een magistraat of een lid van een politiedienst in de uitoefening van de wetgevende macht, hetzij door wetten te maken of de uitvoering ervan te stuiten of te schorsen, en in de uitvoerende macht, hetzij door verordeningen te maken, hetzij door de uitvoering van de administratieve bevelen te verbieden.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 629. L'usurpation de pouvoir par des magistrats ou des membres des services de police
  L'usurpation de pouvoir par des magistrats ou des membres des services de police consiste pour un magistrat ou un membre d'un service de police à, délibérément, commettre une immixtion illégale dans l'exercice du pouvoir législatif, soit en légiférant, soit en arrêtant ou en suspendant l'exécution des lois, et dans l'exercice du pouvoir exécutif, soit en faisant des règlements, soit en interdisant l'exécution d'ordres administratifs.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Art. 630. Aanmatiging van macht door leden van de lokale uitvoerende macht of van bestuurslichamen
  De aanmatiging van macht door leden van de lokale uitvoerende macht of van bestuurslichamen is de opzettelijk gepleegde wederrechtelijke inmenging door een provinciegouverneur, arrondissementscommissaris, burgemeester of lid van een bestuurslichaam in de uitoefening van de wetgevende macht, hetzij door wetten te maken, hetzij door de uitvoering ervan te stuiten of te schorsen, dan wel door zich aan te matigen besluiten te nemen die ertoe strekken een bevel of verbod aan de hoven of rechtbanken uit te vaardigen.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 630. L'usurpation de pouvoir par des membres du pouvoir exécutif local ou d'organes administratifs
  L'usurpation de pouvoir par des membres du pouvoir exécutif local ou d'organes administratifs consiste pour un gouverneur de province, un commissaire d'arrondissement, un bourgmestre ou un membre d'un corps administratif à, délibérément, commettre une immixtion illégale dans l'exercice du pouvoir législatif, soit en légiférant, soit en arrêtant ou en suspendant l'exécution des lois, ou encore en s'arrogeant le droit de prendre des arrêtés visant à édicter un ordre ou une interdiction aux cours ou aux tribunaux.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Afdeling 4. Misbruik van gezag
Section 4. L'abus d'autorité
Art. 631. Onwettig vorderen of bevelen van de openbare macht
  § 1. Het onwettig vorderen of bevelen van de openbare macht is het opzettelijk vorderen of bevelen door een persoon met een openbare functie van het optreden van de openbare macht, tegen de uitvoering van een wet of van een uitvoeringsbesluit, tegen de inning van een wettelijk ingevoerde belasting of tegen de uitvoering van een rechterlijke beschikking of bevel, of van enig ander bevel van de overheid.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
  § 2. Indien de bevelen of vorderingen de rechtstreekse oorzaak zijn van andere misdrijven, strafbaar met een straf van een zwaarder strafniveau dan het niveau bedoeld in paragraaf 1, wordt dat zwaarder strafniveau toegepast.
Art. 631. La réquisition ou l'ordre illégal du pouvoir public
  § 1er. La réquisition ou l'ordre illégal du pouvoir public consiste pour une personne exerçant une fonction publique à, délibérément, réquisitionner ou ordonner l'intervention de la force publique, contre l'exécution d'une loi ou d'un arrêté d'exécution, contre la perception d'un impôt légalement établi ou contre l'exécution d'une ordonnance ou d'un mandat de justice, ou de tout autre ordre émanant de l'autorité.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
  § 2. Si les ordres ou les réquisitions sont la cause directe d'autres infractions punissables d'une peine d'un niveau plus élevé que celui prévu au paragraphe 1er, c'est le niveau de peine le plus élevé qui s'applique.
Art. 632. Gevolg geven aan een onwettige vordering of bevel
  § 1. Het gevolg geven aan een onwettige vordering of bevel is het opzettelijk gevolg geven aan de onwettige vordering of bevel van de openbare macht door een persoon met een openbare functie tegen de uitvoering van een wet of van een uitvoeringsbesluit, tegen de inning van een wettelijk ingevoerde belasting of tegen de uitvoering van een rechterlijke beschikking of bevel, of van enig ander bevel van de overheid.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
  § 2. Indien de bevelen of vorderingen de rechtstreekse oorzaak zijn van andere misdrijven, strafbaar met een straf van een zwaarder strafniveau dan het niveau bedoeld in paragraaf 1, wordt dat zwaarder strafniveau toegepast.
Art. 632. Le fait de donner suite à une réquisition ou un ordre illégal
  § 1er. Le fait de donner suite à une réquisition ou un ordre illégal consiste pour une personne exerçant une fonction publique à, délibérément, donner suite à la réquisition ou l'ordre illégal de la force publique, contre l'exécution d'une loi ou d'un arrêté d'exécution, contre la perception d'un impôt légalement établi ou contre l'exécution d'une ordonnance ou d'un mandat de justice, ou de tout autre ordre émanant de l'autorité.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
  § 2. Si les ordres ou les réquisitions sont la cause directe d'autres infractions punissables par une peine d'un niveau de peine plus élevé que celui prévu au paragraphe 1er, c'est le niveau de peine le plus élevé qui s'applique.
Afdeling 5. Rechtsweigering
Section 5. Le déni de justice
Art. 633. Rechtsweigering
  Rechtsweigering is het opzettelijk weigeren door een rechter, raadsheer of enige andere persoon belast met een rechtsprekende functie om onder enig voorwendsel het aan de partijen verschuldigde recht te spreken.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 633. Le déni de justice
  Le déni de justice consiste pour un juge, un conseiller ou toute autre personne chargée de la fonction de juger à, délibérément, refuser, sous quelque prétexte que ce soit, de rendre la justice qu'il doit aux parties.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
Afdeling 6. Verduistering, knevelarij en belangenneming
Section 6. Le détournement, la concussion et la prise d'intérêt
Art. 634. Verduistering door een persoon met een openbare functie
  Verduistering is het zich door een persoon met een openbare functie met het oog op het verschaffen voor zichzelf of voor een ander van een onrechtmatig voordeel, wederrechtelijk toe-eigenen van lichamelijke of onlichamelijke roerende goederen die aan hem zijn toevertrouwd of waartoe hij uit hoofde van zijn functie toegang heeft gehad.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 634. Le détournement par une personne exerçant une fonction publique
  Le détournement consiste pour une personne exerçant une fonction publique à s'approprier illégalement des biens meubles corporels ou incorporels qui lui ont été confiés ou auxquels elle a eu accès en raison de sa fonction, en vue de procurer pour elle-même ou pour autrui un avantage illicite.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
Art. 635. Vernietigen of wegmaken van officiële akten, stukken of voorwerpen
  Het vernietigen of wegmaken van officiële akten, stukken of voorwerpen is het door een persoon met een openbare functie met bedrieglijk opzet vernietigen of wegmaken van akten, stukken of voorwerpen waarvan hij in de hoedanigheid van zijn functie de bewaarder was, die hem zijn bezorgd of waartoe hij uit hoofde van zijn functie toegang heeft gehad.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 635. La suppression ou la soustraction d'actes, de pièces ou d'objets officiels
  La suppression ou la soustraction d'actes, de pièces ou d'objets officiels consiste pour une personne exerçant une fonction publique à, dans une intention frauduleuse, supprimer ou soustraire des actes, des documents ou des objets dont elle était dépositaire en cette qualité, qui lui ont été confiés ou auxquels elle a eu accès en raison de sa fonction.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
Art. 636. Knevelarij
  Knevelarij is het opzettelijk door een persoon met een openbare functie bevel geven om rechten of gelden te innen of die te vorderen of te ontvangen wetende dat zij niet verschuldigd zijn of het verschuldigde te boven gaan.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 636. La concussion
  La concussion consiste pour une personne exerçant une fonction publique à, délibérément, ordonner de percevoir, exiger ou recevoir des droits ou des sommes d'argent en sachant qu'ils ne sont pas dus ou qu'ils excèdent ce qui est dû.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
Art. 637. Belangenneming
  § 1. Belangenneming is het opzettelijk door een persoon met een openbare functie hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenpersonen of door schijnhandelingen enig belang nemen of aanvaarden in de verrichtingen, aanbestedingen, aannemingen of werken in regie waarover hij ten tijde van de handeling geheel of deels het beheer of het toezicht had of het, belast met het bevel of de machtiging tot betaling of de vereffening van de zaak, daarin enig belang nemen.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
  § 2. Deze bepaling is niet van toepassing op de dader die, hoewel hij in het kader van zijn functie zijn private belangen heeft bevorderd, openlijk handelde en volgens de publieke belangen die hij diende te beschermen en waarbij hij aan deze publieke belangen op geen enkele manier afbreuk deed.
Art. 637. La prise d'intérêt
  § 1er. La prise d'intérêt consiste pour une personne exerçant une fonction publique à, délibérément, soit directement, soit par interposition de personnes ou par actes simulés, prendre ou accepter quelque intérêt que ce soit dans les actes, adjudications, entreprises ou régies dont elle avait, au temps de l'acte, en tout ou en partie, l'administration ou la surveillance, ou, ayant mission d'ordonnancer le paiement ou de faire la liquidation d'une affaire, y prendre un intérêt quelconque.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
  § 2. Cette disposition ne s'applique pas à l'auteur qui, bien qu'il ait promu ses intérêts privés dans le cadre de sa fonction, a agi publiquement et selon les intérêts publics qu'il devait protéger et qui n'a en aucune manière porté atteinte à ces intérêts publics.
Afdeling 7. Publieke omkoping
Section 7. La corruption publique
Art. 638. Publieke omkoping
  § 1. Publieke omkoping is het opzettelijk
  1° door een persoon met een openbare functie rechtstreeks of door tussenpersonen, voor zichzelf of voor een derde een aanbod, een belofte of een voordeel van welke aard dan ook vragen, aannemen of ontvangen, of;
  2° rechtstreeks of door tussenpersonen aan een persoon met een openbare functie een aanbod, een belofte of een voordeel van welke aard dan ook voor zichzelf of voor een derde doen.
  § 2. Deze gedraging is strafbaar indien zij wordt gesteld met als doel een persoon met een openbare functie:
  1° een rechtmatige maar niet aan betaling onderworpen handeling van zijn functie te laten verrichten;
  2° de echte of vermeende invloed waarover hij uit hoofde van zijn functie beschikt om een handeling van een openbare overheid of een openbaar bestuur of het nalaten van die handeling te verkrijgen te laten misbruiken;
  3° een onrechtmatige handeling naar aanleiding van de uitoefening van zijn functie of het nalaten van een handeling die tot zijn ambtsplichten behoort, te laten verrichten;
  4° een misdrijf naar aanleiding van de uitoefening van zijn functie te laten plegen.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
  § 3. Voor de toepassing van deze bepaling wordt gelijkgesteld met een persoon met een openbare functie:
  1° een persoon met een openbare functie in een vreemde Staat of in een internationale publiekrechtelijke organisatie;
  2° elke persoon die zich kandidaat heeft gesteld voor een dergelijke functie, die doet geloven een dergelijke functie te zullen uitoefenen of die, door gebruik te maken van valse hoedanigheden, doet geloven een dergelijke functie uit te oefenen;
  3° een arbiter.
Art. 638. La corruption publique
  § 1er. La corruption publique consiste à, délibérément
  1° dans le chef d'une personne exerçant une fonction publique, solliciter, accepter ou recevoir, soit directement, soit par interposition de personnes, pour elle-même ou pour un tiers, une offre, une promesse ou un avantage de toute nature, ou;
  2° proposer, soit directement, soit par interposition de personnes, à une personne exerçant une fonction publique une offre, une promesse ou un avantage de toute nature, pour elle-même ou pour un tiers.
  § 2. Ce comportement est punissable lorsqu'il est adopté dans le but:
  1° d'amener la personne exerçant une fonction publique à accomplir un acte de sa fonction, juste mais non sujet à salaire;
  2° d'amener une personne exerçant une fonction publique à abuser de l'influence réelle ou supposée dont elle dispose du fait de sa fonction, afin d'obtenir un acte d'une autorité ou d'une administration publique ou l'abstention d'un tel acte;
  3° d'amener une personne exerçant une fonction publique à accomplir un acte injuste à l'occasion de l'exercice de sa fonction ou à s'abstenir d'accomplir un acte qui relève de ses devoirs;
  4° d'amener une personne exerçant une fonction publique à commettre une infraction à l'occasion de l'exercice de sa fonction.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
  § 3. Pour l'application de la présente disposition, est assimilée à une personne exerçant une fonction publique:
  1° une personne qui exerce une fonction publique dans un Etat étranger ou dans une organisation de droit international public;
  2° toute personne qui s'est portée candidate à une telle fonction, qui fait croire qu'elle exercera une telle fonction, ou qui, en usant de fausses qualités, fait croire qu'elle exerce une telle fonction;
  3° un arbitre.
Art. 639. Bijkomende straf
  In afwijking van artikel 52 is het maximumbedrag van de geldboete:
  - voor de feiten bedoeld in artikel 638, § 2, eerste lid, 1° en 2° : 80.000 euro;
  - voor de feiten bedoeld in artikel 638, § 2, eerste lid, 3° : 400.000 euro;
  - voor de feiten bedoeld in artikel 638, § 2, eerste lid, 4° : 600.000 euro.
  Het maximumbedrag van de geldboete wordt verder verhoogd indien de persoon met een openbare functie:
  1° de invloed waarover hij uit hoofde van zijn functie beschikte, effectief heeft aangewend;
  2° de onrechtmatige handeling heeft verricht of nagelaten heeft een handeling te verrichten die tot zijn ambtsplichten behoort;
  3° een lid van de politiediensten, een magistraat, een juridisch medewerker van een rechtscollege of het openbaar ministerie of een jurylid is;
  4° een persoon met een openbare functie in een vreemde Staat of in een internationale publiekrechtelijke organisatie is.
  In deze gevallen is het maximumbedrag van de geldboete:
  - voor de feiten bedoeld in artikel 638, § 2, eerste lid, 1° en 2° : 200.000 euro;
  - voor de feiten bedoeld in artikel 638, § 2, eerste lid, 3° : 600.000 euro;
  - voor de feiten bedoeld onder artikel 638, § 2, eerste lid, 4° : 800.000 euro.
Art. 639. La peine accessoire
  Par dérogation à l'article 52, le montant maximum de l'amende est porté à:
  - pour les faits visés à l'article 638, § 2, alinéa 1er, 1° et 2° : 80.000 euros;
  - pour les faits visés à l'article 638, § 2, alinéa 1er, 3° : 400.000 euros;
  - pour les faits visés à l'article 638, § 2, alinéa 1er, 4° : 600.000 euros.
  Le montant maximum de l'amende est encore augmenté lorsque la personne exerçant une fonction publique:
  1° a effectivement usé de l'influence dont elle disposait du fait de sa fonction;
  2° a accompli l'acte injuste ou s'est abstenue de faire un acte qui relève de ses devoirs;
  3° est un membre des services de police, un magistrat, un collaborateur juridique d'une juridiction ou du ministère public ou un membre du jury;
  4° est une personne qui exerce une fonction publique dans un Etat étranger ou dans une organisation de droit international public.
  Dans ces cas, le maximum de l'amende est porté à:
  - pour les faits visés à l'article 638, § 2, alinéa 1er, 1° et 2° : 200.000 euros;
  - pour les faits visés à l'article 638, § 2, alinéa 1er, 3° : 600.000 euros;
  - pour les faits visés à l'article 638, § 2, alinéa 1er, 4° : 800.000 euros.
Afdeling 8. Misdrijven met betrekking tot het houden van de akten van de burgerlijke stand
Section 8. Les infractions relatives à la tenue des actes de l'état civil
Art. 640. Inbreuk op de formele verplichtingen van de ambtenaar van de burgerlijke stand
  De inbreuk op de formele verplichtingen van de ambtenaar van de burgerlijke stand is elke opzettelijk gepleegde overtreding van een van de bepalingen van titel 2 van boek I van het oud Burgerlijk Wetboek door een ambtenaar van de burgerlijke stand.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 640. L'infraction aux obligations formelles de l'officier de l'état civil
  L'infraction aux obligations formelles de l'officier de l'état civil consiste pour un officier de l'état civil à, délibérément, violer l'une des dispositions du titre 2 du livre I de l'ancien Code civil.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
Art. 641. Voltrekking van een huwelijk zonder voorafgaande toestemming
  De voltrekking van een huwelijk zonder voorafgaande toestemming is het opzettelijk voltrekken van een huwelijk door een ambtenaar van de burgerlijke stand, zonder dat deze zich voorafgaand vergewist heeft van de vereiste toestemming.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 641. La célébration d'un mariage sans consentement préalable
  La célébration d'un mariage sans consentement préalable consiste pour un officier de l'état civil à, délibérément, célébrer un mariage sans s'assurer préalablement du consentement requis.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
Art. 642. Voltrekking van het religieuze huwelijk of van het niet-confessionele huwelijk vóór de voltrekking van het burgerlijk huwelijk
  De voltrekking van het religieuze huwelijk of van het niet-confessionele huwelijk vóór de voltrekking van het burgerlijk huwelijk bestaat erin dat een bedienaar van de erediensten of een afgevaardigde die morele diensten verleent op basis van een niet-confessionele levensbeschouwing het religieuze huwelijk of het niet-confessionele huwelijk opzettelijk voltrekt vóór de voltrekking van het burgerlijk huwelijk.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 642. La célébration du mariage religieux ou du mariage non-confessionnel avant la célébration du mariage civil
  La célébration du mariage religieux ou du mariage non-confessionnel avant la célébration du mariage civil consiste à, pour un ministre des cultes ou pour un délégué qui offre une assistance morale selon une conception philosophique non confessionnelle, célébrer, délibérément, le mariage religieux ou le mariage non-confessionnel avant la célébration du mariage civil.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
Afdeling 9. Algemene bepaling
Section 9. La disposition générale
Art. 643. Strafuitsluitende verschoningsgrond
  De gedragingen in dit hoofdstuk worden niet bestraft indien de persoon met een openbare functie die een niet-manifest onrechtmatig bevel uitvoert, heeft gehandeld op bevel van zijn meerderen, in zaken die tot hun bevoegdheid behoren en waarin hij zijn meerderen als ondergeschikte gehoorzaamheid verschuldigd was.
Art. 643. La cause d'excuse d'exemption de peine
  Les comportements du présent chapitre ne sont pas punis si la personne exerçant une fonction publique, qui exécute un ordre qui n'est pas manifestement illégal, a agi sur ordre de ses supérieurs, pour des objets du ressort de ceux-ci et sur lesquels il leur était dû obéissance hiérarchique.
Hoofdstuk 5. Misdrijven tegen de rechtsbedeling
Chapitre 5. Les infractions contre l'administration de la justice
Afdeling 1. Belemmering van onderzoeksdaden en beveiligings- of bewaringsmaatregelen
Section 1re. L'entrave aux actes d'instruction et aux mesures de sécurisation ou de conservation
Onderafdeling 1. Weerspannigheid
Sous-section 1re. La rébellion
Art. 644. Weerspannigheid
  Weerspannigheid is het zich opzettelijk met geweld of bedreiging verzetten tegen of aanvallen van een persoon met een openbare functie die handelt ter uitvoering van de wetten, de bevelen of de beschikkingen van het openbaar gezag of van een rechterlijke beslissing, dan wel het plegen van deze feiten ten aanzien van iedere persoon die bijstand levert aan de uitoefening van deze functie.
  Als de weerspannigheid gepleegd is zonder wapens, dan wordt het misdrijf bestraft met een straf van niveau 1. Als de weerspannigheid gepleegd is met wapens, dan wordt het misdrijf bestraft met een straf van niveau 2.
  Indien de weerspannigheid een ziekte of ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijk werk tot gevolg heeft, wordt het misdrijf bestraft met een straf van niveau 2 indien het gepleegd is zonder wapens of met een straf van niveau 3 indien het gepleegd is met wapens.
Art. 644. La rébellion
  La rébellion consiste à, délibérément, à l'aide de violences ou de menaces, résister à ou attaquer une personne exerçant une fonction publique agissant pour l'exécution des lois, des ordres ou ordonnances de l'autorité publique ou d'une décision judiciaire ou commettre ces faits à l'égard de toute personne prêtant assistance à l'exercice de cette fonction.
  Si la rébellion est commise sans armes, cette infraction est punie d'une peine de niveau 1. Si la rébellion est commise avec armes, cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
  Si la rébellion a causé une maladie ou une incapacité de travail personnel, l'infraction est punie d'une peine de niveau 2 si elle est commise sans armes ou d'une peine de niveau 3 si elle est commise avec armes.
Art. 645. Collectieve weerspannigheid
  Indien de weerspannigheid wordt gepleegd door twee of meer personen die zich, al dan niet na een voorafgaande afspraak, daartoe verenigen, wordt dit misdrijf bestraft met een straf van niveau 3.
  Bij de keuze van de straf of de maatregel en de zwaarte ervan neemt de rechter in overweging dat het misdrijf een ziekte of ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijk werk tot gevolg heeft.
Art. 645. La rébellion collective
  Si la rébellion est commise par deux ou plusieurs personnes qui, après concert préalable ou non, s'associent à cette fin, cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
  Lors du choix de la peine ou de la mesure et de la sévérité de celle-ci, le juge prend en considération le fait que l'infraction a causé une maladie ou une incapacité de travail personnel.
Art. 646. Strafuitsluitende verschoningsgrond
  De persoon die zich schuldig maakt aan collectieve weerspannigheid wordt niet gestraft indien hij geen leidende functie had in de weerspannigheid en hij op het eerste verzoek van het openbaar gezag zich onthoudt van verdere weerspannigheid of, zelfs naderhand, zonder nieuw verzet wordt gevat buiten de plaats waar de weerspannigheid is gepleegd.
Art. 646. La cause d'excuse d'exemption de peine
  La personne qui se rend coupable de rébellion collective n'est pas punie si elle n'exerçait pas une fonction dirigeante dans la rébellion et si à la première demande de l'autorité publique elle s'abstient de toute rébellion ultérieure ou, même par après, est saisie sans nouvelle résistance hors du lieu de la rébellion.
Onderafdeling 2. Valse getuigenis, valse verklaring en meineed
Sous-section 2. Le faux témoignage, la fausse déclaration et le faux serment
Art. 647. Valse getuigenis
  Valse getuigenis is het met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden afleggen van een getuigenis onder eed of optreden als tolk of deskundige, tegenover een onderzoeksrechter of een vonnisgerecht en waarbij de waarheid wordt verdraaid op een manier die een voordeel of nadeel kan opleveren voor een van de andere partijen in het geding.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 647. Le faux témoignage
  Le faux témoignage consiste à, dans une intention frauduleuse ou à dessein de nuire, faire un témoignage sous serment ou agir en qualité d'interprète ou d'expert, devant un juge d'instruction ou une juridiction de jugement, la vérité étant travestie d'une manière qui peut présenter un avantage ou un inconvénient pour une des autres parties à la cause.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
Art. 648. Valse verklaring
  Valse verklaring is het met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden afleggen van een verklaring als inlichting tegenover een onderzoeksrechter of een vonnisgerecht, waarbij de waarheid wordt verdraaid en die een voordeel of nadeel kan opleveren voor een van de andere partijen in het geding.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 648. La fausse déclaration
  La fausse déclaration consiste à, dans une intention frauduleuse ou à dessein de nuire, faire une déclaration à titre d'information devant un juge d'instruction ou une juridiction de jugement, la vérité étant travestie et pouvant présenter un avantage ou un inconvénient pour une des autres parties à la cause.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Art. 649. Verleiding tot valse getuigenis of valse verklaring
  Verleiding tot valse getuigenis of valse verklaring is het opzettelijk uitlokken van een valse getuigenis, of een valse verklaring.
  Dit misdrijf wordt bestraft met de straf gesteld op het uitgelokte misdrijf.
Art. 649. L'incitation au faux témoignage ou à la fausse déclaration
  L'incitation au faux témoignage ou à la fausse déclaration consiste à, délibérément, susciter un faux témoignage ou une fausse déclaration.
  Cette infraction est punie de la peine appliquée à l'infraction suscitée.
Art. 650. Strafuitsluitende verschoningsgronden
  De volgende personen worden niet gestraft wegens valse getuigenis of valse verklaring:
  1° personen die hun valse getuigenis of valse verklaring intrekken ten overstaan van het gerecht waarvoor zij deze valse getuigenis of valse verklaring hebben afgelegd voor de sluiting van de debatten, voor de schorsing van de debatten met het oog op onderzoek van een eventuele vervolging wegens valse getuigenis of valse verklaring of voor de bestraffing met toepassing van artikel 181 van het Wetboek van strafvordering;
  2° personen die een valse getuigenis of valse verklaring hebben afgelegd voor een onderzoeksrechter en deze intrekken ten overstaan van deze onderzoeksrechter voor zijn ontlasting door het onderzoeksgerecht of ten overstaan van het rechtscollege dat in eerste aanleg kennis neemt van de zaak voor de sluiting van de debatten, voor de schorsing van de debatten met het oog op onderzoek van een eventuele vervolging wegens valse getuigenis of valse verklaring of voor de bestraffing met toepassing van artikel 181 van het Wetboek van strafvordering;
  3° personen die ten gevolge van hun bloed- of aanverwantschap met een beklaagde of beschuldigde buiten ede worden gehoord, wanneer die verklaringen zijn afgelegd ten voordele van deze beklaagde of beschuldigde.
Art. 650. Les causes d'excuse d'exemption de peine
  Les personnes suivantes ne sont pas punies pour faux témoignage ou fausse déclaration:
  1° les personnes qui retirent leur faux témoignage ou leur fausse déclaration devant la juridiction devant laquelle elles ont fait ce faux témoignage ou cette fausse déclaration avant la clôture des débats, avant la suspension des débats en vue de l'examen de poursuites éventuelles pour faux témoignage ou fausse déclaration ou avant la sanction en application de l'article 181 du Code d'instruction criminelle;
  2° les personnes qui ont fait un faux témoignage ou une fausse déclaration devant un juge d'instruction et qui les retirent devant ce juge d'instruction avant son dessaisissement par la juridiction d'instruction ou devant la juridiction qui connaît de l'affaire en première instance avant la clôture des débats, avant la suspension des débats en vue de l'examen de poursuites éventuelles pour faux témoignage ou fausse déclaration ou avant la sanction en application de l'article 181 du Code d'instruction criminelle;
  3° les personnes qui en raison de leur parenté ou alliance avec un prévenu ou un accusé sont entendues hors serment, lorsqu'elles ont fait ces déclarations en faveur de ce prévenu ou de cet accusé.
Art. 651. Meineed
  Meineed is het met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden afleggen van een valse eed door iemand aan wie deze eed in burgerlijke zaken wordt opgedragen of teruggewezen, waarbij de waarheid wordt verdraaid en die een voordeel of nadeel kan opleveren voor een van de partijen in de zaak.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 651. Le faux serment
  Le faux serment consiste à, dans une intention frauduleuse ou à dessein de nuire, faire un faux serment dans le chef d'une personne à laquelle ce serment est déféré ou référé en matière civile, la vérité étant travestie et pouvant présenter un avantage ou un inconvénient pour une des parties à la cause.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Art. 652. Valse eed bij verzegeling of boedel-beschrijving
  Valse eed bij verzegeling of boedelbeschrijving is het opzettelijk afleggen van een valse eed bij een verzegeling of boedelbeschrijving.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 652. Le faux serment lors de la mise sous scellés ou de l'inventaire
  Le faux serment lors de la mise sous scellés ou de l'inventaire consiste à, délibérément, faire un faux serment lors d'une mise sous scellés ou d'un inventaire.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Onderafdeling 3. Weigeren van medewerking aan het onderzoek
Sous-section 3. Le refus de collaboration à l'enquête
Art. 653. Ontvluchten van de plaats van het onderzoek
  Ontvluchten van de plaats van het onderzoek is het opzettelijk verlaten van de plaats van het onderzoek indien dit was verboden op grond van artikel 34 van het Wetboek van strafvordering.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 653. La fuite du lieu de l'instruction
  La fuite du lieu de l'instruction consiste à, délibérément, quitter le lieu de l'instruction si c'était interdit sur la base de l'article 34 du Code d'instruction criminelle.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
Art. 654. Geen gevolg geven aan een dagvaarding als getuige
  Geen gevolg geven aan een dagvaarding als getuige is het opzettelijk niet voldoen aan de verplichting te verschijnen als getuige en een getuigenis af te leggen na dagvaarding voor de onderzoeksrechter of een vonnisgerecht.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 654. L'absence de suite donnée à une citation en qualité de témoin
  L'absence de suite donnée à une citation en qualité de témoin consiste à, délibérément, ne pas satisfaire à l'obligation de comparaître en tant que témoin et de faire un témoignage après citation devant le juge d'instruction ou une juridiction de jugement.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
Art. 655. Miskenning van de plicht tot medewerking aan het onderzoek
  Miskenning van de plicht tot medewerking aan het onderzoek is het opzettelijk weigeren mee te werken aan een onderzoeksmaatregel, deze onderzoeksmaatregel niet uitvoeren op de gevorderde wijze of het gevorderde tijdstip, dan wel de gevorderde gegevens doen verdwijnen, vernietigen of wijzigen, in de gevallen waarin de wet de medewerking aan de onderzoeksmaatregel verplicht stelt.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2. In afwijking van artikel 52, bedraagt de geldboete als bijkomende straf ten minste 200 euro en ten hoogste 160.000 euro.
Art. 655. La méconnaissance de l'obligation de collaborer à l'instruction
  La méconnaissance de l'obligation de collaborer à l'instruction consiste à, délibérément, refuser de collaborer à une mesure d'instruction, ne pas exécuter cette mesure d'instruction de la manière ou au moment requis, ou faire disparaître, détruire ou modifier les éléments requis dans les cas où la loi rend obligatoire la collaboration à la mesure d'instruction.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2. Par dérogation à l'article 52, l'amende à titre de peine accessoire s'élève à 200 euros au moins et à 160.000 euros au plus.
Art. 656. Verzwaarde miskenning van de plicht tot medewerking aan het onderzoek
  Indien de miskenning van de plicht tot medewerking aan het onderzoek wordt gepleegd in een situatie waarin de gevorderde medewerking de uitvoering van een misdrijf kon verhinderen of de gevolgen ervan kon beperken, wordt dit misdrijf bestraft met een straf van niveau 3 en bedraagt de geldboete als bijkomende straf, in afwijking van artikel 52, ten minste 200 euro en ten hoogste 400.000 euro.
Art. 656. La méconnaissance aggravée de l'obligation de collaborer à l'instruction
  Si la méconnaissance de l'obligation de collaborer à l'instruction est commise dans une situation où la collaboration requise pouvait empêcher l'exécution d'une infraction ou pouvait en limiter les conséquences, l'infraction est punie d'une peine de niveau 3 et l'amende s'élève à titre de peine accessoire à 200 euros au moins et à 400.000 euros au plus, par dérogation à l'article 52.
Onderafdeling 4. Verberging van een vervolgde persoon, een lijk of bewijs
Sous-section 4. Le recel d'une personne poursuivie, d'un cadavre ou d'une preuve
Art. 657. Verberging van een vervolgde persoon
  Verberging van een vervolgde persoon is het opzettelijk verbergen van een persoon die vervolgd wordt of veroordeeld is wegens een misdrijf dat strafbaar is met een straf van niveau 4 tot 8.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 657. Le recel d'une personne poursuivie
  Le recel d'une personne poursuivie consiste à, délibérément, cacher une personne poursuivie ou condamnée pour une infraction punissable d'une peine de niveau 4 à 8.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Art. 658. Lijkverberging
  Lijkverberging is het opzettelijk verbergen of wegmaken van het lijk van iemand die ten gevolge van een misdrijf is overleden.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 658. Le recel de cadavre
  Le recel de cadavre consiste à, délibérément, cacher ou faire disparaître le cadavre d'une personne qui est décédée à la suite d'une infraction.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Art. 659. Verberging van bewijs
  Verberging van bewijs is het met het oogmerk om een door een derde gepleegd misdrijf te verdoezelen of de opsporing, vervolging of bestraffing ervan te beletten of te bemoeilijken, vernietigen, verbergen of aan het onderzoek onttrekken van:
  1° voorwerpen waarop of waarmee het misdrijf is gepleegd of van andere sporen van het misdrijf;
  2° voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 659. La dissimulation d'une preuve
  La dissimulation d'une preuve consiste à, dans l'intention d'occulter une infraction commise par un tiers ou d'en empêcher ou d'en rendre plus difficile la recherche, la poursuite ou la répression, détruire, dissimuler ou soustraire à l'enquête:
  1° des objets sur lesquels ou avec lesquels une infraction a été commise ou des autres traces de l'infraction;
  2° des objets qui peuvent servir à la manifestation de la vérité.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Art. 660. Strafuitsluitende verschoningsgrond
  Bloedverwanten in de opgaande of neerdalende lijn, partners, broers of zussen of aanverwanten in dezelfde graden van de verborgen persoon of van de dader van het misdrijf dat de dood van het verborgen lijk veroorzaakt heeft of waarvan het bewijs wordt verborgen, worden niet gestraft voor een misdrijf omschreven in deze onderafdeling.
Art. 660. La cause d'excuse d'exemption de peine
  Les ascendants ou descendants, partenaires, frères ou soeurs ou alliés aux mêmes degrés de la personne recelée ou de l'auteur de l'infraction qui a causé la mort du cadavre recelé ou dont la preuve est dissimulée ne sont pas punis pour une infraction définie dans la présente sous-section.
Onderafdeling 5. De verborgen ruimte
Sous-section 5. Le compartiment caché
Art. 661. Het uitrusten van een voertuig met een verborgen ruimte
  Het uitrusten van een voertuig met een verborgen ruimte is het opzettelijk uitrusten van een voertuig, een boot, een vliegtuig of elk ander vervoermiddel met een niet-fabriekseigen ruimte voor het heimelijk in bezit hebben of heimelijk vervoeren van illegale voorwerpen, verboden en vergunningsplichtige wapens of geld met een illegale herkomst.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 661. Le fait d'équiper un véhicule avec un compartiment caché
  Le fait d'équiper un véhicule avec un compartiment caché consiste- à délibérément, équiper un véhicule, un bateau, un avion ou tout autre moyen de transport d'un compartiment non conçus en usine pour la possession secrète ou transporter secrètement des objets illicites, des armes interdites et soumises à autorisation ou de l'argent d'origine illicite.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
Art. 662. Het bezit van een voertuig met een verborgen ruimte
  Het bezit van een voertuig met een verborgen ruimte is het opzettelijk in bezit hebben van een voertuig, een boot, een vliegtuig of enig ander vervoermiddel dat is uitgerust met een niet-fabriekseigen ruimte die wordt gebruikt voor het heimelijk bezit of voor het heimelijk vervoeren van illegale voorwerpen, verboden en vergunningsplichtige wapens of geld met een illegale herkomst.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 662. Le fait de posséder un véhicule avec un compartiment caché
  Le fait de posséder un véhicule avec un compartiment caché consiste à, délibérément, posséder un véhicule, un bateau, un avion ou tout autre moyen de transport qui est équipé d'un compartiment non conçu en usine qui sert à la possession secrète ou transporter secrètement des objets illicites, des armes interdites et soumises à autorisation ou de l'argent d'origine illicite.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Art. 663. Verzwaard uitrusten van een voertuig met een verborgen ruimte
  Het uitrusten van een voertuig met een verborgen niet-fabriekseigen ruimte voor het heimelijk in bezit hebben of voor het heimelijk vervoeren van illegale voorwerpen, verboden en vergunningsplichtige wapens of geld met een illegale herkomst wordt bestraft met een straf van niveau 3 wanneer de betrokken activiteit een beroep of een gewoonlijke activiteit is.
Art. 663. Le fait d'équiper un véhicule avec un compartiment caché aggravé
  Le fait d'équiper un véhicule avec un compartiment caché non conçus en usine pour la possession secrète ou pour le transport secret des objets illicites, des armes interdites ou soumises à autorisation ou de l'argent d'origine illicite est puni d'une peine de niveau 3 lorsque l'activité concernée constitue une profession ou une activité habituelle.
Onderafdeling 6. Misdrijven tegen procedurestukken of goederen waarop een maatregel rust
Sous-section 6. Les infractions contre les pièces de procédure ou les biens sur lesquels repose une mesure
Art. 664. Verduistering van een stuk dat in een rechtsgeding werd overgelegd
  Verduistering van een stuk dat in een rechtsgeding werd overgelegd is het met kwaad opzet of bedrieglijk opzet verduisteren van enige titel, enig stuk of enige memorie, na dit document in een rechtsgeding te hebben overgelegd.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1. Deze straf wordt uitgesproken door de rechtbank waarbij het geschil aanhangig is.
Art. 664. Le détournement d'une pièce produite dans une contestation judiciaire
  Le détournement d'une pièce produite dans une contestation judiciaire consiste à détourner dans une intention malveillante ou frauduleuse tout titre, toute pièce ou tout mémoire après avoir produit ce document dans une contestation judiciaire.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1. Cette peine est prononcée par la juridiction saisie du litige.
Art. 665. Aantasting van goederen waarop een maatregel rust
  Aantasting van goederen waarop een maatregel rust is het met bedrieglijk opzet vernietigen, beschadigen of wegmaken van:
  1° in beslag genomen zaken door de beslagene of eenieder die in zijn belang handelt, of;
  2° roerende goederen ten aanzien waarvan een maatregel is uitgevaardigd als bedoeld in artikel 223 van het oud Burgerlijk Wetboek en in de artikelen 1253septies, tweede lid, en 1280 van het Gerechtelijk wetboek door de echtgenoot of eenieder die in zijn belang handelt, of;
  3° goederen die het voorwerp uitmaken van een in artikel 464/12, § 2, van het Wetboek van Strafvordering bedoelde maatregel door eenieder die deze goederen bewaart of beheert.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 665. L'atteinte aux biens sur lesquels repose une mesure
  L'atteinte aux biens sur lesquels repose une mesure consiste à détruire, à dégrader ou à détourner dans une intention frauduleuse:
  1° des choses saisies dans le chef du saisi ou de quiconque qui agit dans son intérêt, ou;
  2° des biens meubles qui ont fait l'objet d'une mesure visée à l'article 223 de l'ancien Code civil et aux articles 1253septies, alinéa 2, et 1280 du Code judiciaire dans le chef du conjoint ou de quiconque qui agit dans son intérêt, ou;
  3° des biens qui font l'objet d'une mesure visée à l'article 464/12, § 2, du Code d'instruction criminelle dans le chef de quiconque qui garde ou gère ces biens.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Onderafdeling 7. Zegelverbreking
Sous-section 7. Le bris de scellés
Art. 666. Zegelverbreking
  Zegelverbreking is het opzettelijk verbreken van zegels die gelegd werden op bevel van het openbaar gezag.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 666. Le bris de scellés
  Le bris de scellés consiste à, délibérément, briser les scellés posés sur ordre de l'autorité publique.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Art. 667. Verzwaarde zegelverbreking
  De zegelverbreking wordt bestraft met een straf van niveau 3 indien:
  1° dit misdrijf wordt gepleegd met gebruik van geweld of bedreigingen, of;
  2° het misdrijf wordt gepleegd door de bewaarder van de verzegelde zaak of de persoon met een openbare functie die de verzegeling heeft gelast of verricht.
Art. 667. Le bris de scellés aggravé
  Le bris de scellé est puni d'une peine de niveau 3 si:
  1° cette infraction est commise en usant de violences ou de menaces, ou;
  2° l'infraction est commise par le gardien de la chose scellée ou par la personne exerçant une fonction publique qui a ordonné ou opéré l'apposition.
Onderafdeling 8. Inbreuken op het geheim karakter van het strafrechtelijk onderzoek
Sous-section 8. L'infraction au caractère secret de l'enquête pénale
Art. 668. Misbruik van het inzagerecht in een gerechtelijk dossier
  Misbruik van het inzagerecht in een gerechtelijk dossier is het gebruik van inlichtingen verkregen door inzage in of het nemen van een afschrift van een gerechtelijk dossier of door het met eigen middelen tijdens een inzage gemaakte kopie van stukken van het dossier, met het oogmerk om het verloop van het opsporingsonderzoek of het gerechtelijk onderzoek te hinderen of inbreuk te maken op het privéleven, de fysieke of de morele integriteit of de goederen van een in het dossier genoemde persoon, voor zover dit gevolg ook wordt gerealiseerd.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 668. L'abus du droit de consultation d'un dossier judiciaire
  L'abus du droit de consultation d'un dossier judiciaire est l'utilisation d'informations obtenues en consultant ou en obtenant copie d'un dossier judiciaire, ou en prenant copie des pièces du dossier par ses propres moyens lors de la consultation, en vue d'entraver le cours de l'information ou de l'instruction ou de porter atteinte à la vie privée, à l'intégrité physique ou morale ou aux biens d'une personne citée dans le dossier, pour autant que cette conséquence se concrétise.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Art. 669. Schending van het geheim van het onderzoek
  Schending van het geheim van het onderzoek is het opzettelijk overtreden van een geheimhoudingsplicht die door de wet wordt opgelegd met betrekking tot een strafonderzoek.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 669. La violation du secret de l'instruction
  La violation du secret de l'instruction consiste à, délibérément, enfreindre l'obligation de secret imposée par la loi concernant une enquête pénale.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Art. 670. Onthulling van de identiteit van een politie-ambtenaar
  Onthulling van de identiteit van een politieambtenaar is het opzettelijk kenbaar maken van de identiteit van een lid van de politiediensten die overeenkomstig de wet moet worden afgeschermd, alsook het zich opzettelijk onrechtmatig toegang verschaffen tot het register bedoeld in artikel 112septies van het Wetboek van strafvordering.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 670. La divulgation de l'identité d'un fonctionnaire de police
  La divulgation de l'identité d'un fonctionnaire de police consiste à, délibérément, rendre publique l'identité d'un membre des services de police qui, conforment à la loi, doit être protégée et à, délibérément, accéder illégitimement au registre visé à l'article 112septies du Code d'instruction criminelle.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Onderafdeling 9. Uitgeven of verspreiden van geschriften zonder vermelding van de oorsprong
Sous-section 9. La publication ou la distribution d'écrits sans indication de l'origine
Art. 671. Uitgeven of verspreiden van geschriften zonder vermelding van de oorsprong
  Uitgeven of verspreiden van geschriften zonder vermelding van de oorsprong is het opzettelijk uitgeven of verspreiden van drukwerk dat een strafbare mening, gedachte of informatie bevat, zonder dat daarin de naam en woonplaats van de schrijver of de drukker zijn vermeld, behalve indien het drukwerk deel uitmaakt van een uitgave waarvan de herkomst bekend is door hetgeen daarvan vroeger is verschenen.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 671. La publication ou la distribution d'écrits sans indication de l'origine
  La publication ou la distribution d'écrits sans indication de l'origine consiste à, délibérément, publier ou distribuer des imprimés qui renferment des idées, pensées ou informations punissables, dans lesquels ne se trouve pas l'indication du nom et du domicile de l'auteur ou de l'imprimeur, sauf si les imprimés font partie d'une publication dont l'origine est connue par sa parution antérieure.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
Art. 672. Strafuitsluitende verschoningsgronden
  De volgende personen die het misdrijf bedoeld in artikel 671 hebben gepleegd worden niet gestraft:
  1° zij die de drukker doen kennen;
  2° de omroepers, aanplakkers, verkopers of verspreiders die de persoon doen kennen van wie zij het gedrukte stuk hebben gekregen.
Art. 672. Les causes d'excuses d'exemption de peine
  Les personnes suivantes qui ont commis l'infraction visée à l'article 671 ne sont pas punies:
  1° ceux qui ont fait connaître l'imprimeur;
  2° les crieurs, afficheurs, vendeurs ou distributeurs qui ont fait connaître la personne de laquelle ils tiennent l'écrit imprimé.
Afdeling 2. Belemmering van de rechterlijke uitspraak
Section 2. L'entrave à la décision judiciaire
Art. 673. Belemmering van de samenstelling van de lijst van juryleden
  Belemmering van de samenstelling van de lijst van juryleden is het:
  1° opzettelijk nalaten te antwoorden op de onderzoeken die werden gelast door de overheden met het oog op de samenstelling van de lijsten van juryleden, of;
  2° het afleggen van een valse verklaring met het oogmerk om vrijgesteld te worden van de vervulling van het ambt van jurylid.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 673. L'entrave à la constitution de la liste des membres du jury
  L'entrave à la constitution de la liste des membres du jury consiste à:
  1° délibérément, s'abstenir de répondre aux enquêtes ordonnées par l'autorité en vue d'établir les listes des membres du jury, ou;
  2° faire une déclaration inexacte en vue d'être dispensé de remplir la fonction de membre du jury.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
Art. 674. Onttrekking aan het ambt van jurylid
  Onttrekking aan het ambt van jurylid is het opzettelijk, als gezworene:
  1° zich, zonder vrijgesteld te zijn, niet aanmelden bij het hof van assisen op de dag en het uur die voor de opening van de debatten zijn gesteld, op de dagvaarding die hem is betekend of op de oproeping die hij heeft ontvangen;
  2° zich, na het beantwoorden van de dagvaarding of de oproeping, terugtrekken zonder verlof van de voorzitter voordat zijn ambt voleindigd is.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 674. La soustraction à la fonction de membre du jury
  La soustraction à la fonction de membre du jury consiste à, délibérément:
  1° ne pas se présenter, sans en être dispensé, à la cour d'assises au jour et à l'heure indiqués pour l'ouverture des débats, sur la citation que l'on s'est vu signifier ou sur la convocation que l'on a reçue;
  2° se retirer, après avoir répondu à la citation ou à la convocation, sans autorisation du président, avant la fin de sa fonction.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
Art. 675. Schending van de afzondering van de jury
  Schending van de afzondering van de jury is het opzettelijk overtreden of niet doen uitvoeren van een bevel van de voorzitter van het hof van assisen bedoeld in artikel 328 van het Wetboek van strafvordering.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 675. La violation de l'isolement du jury
  La violation de l'isolement du jury consiste à, délibérément, enfreindre ou à ne pas faire exécuter un ordre du président de la cour d'assises visée à l'article 328 du Code de l'instruction criminelle.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
Afdeling 3. Belemmering van de uitvoering of niet-naleving van de rechterlijke beslissing
Section 3. L'entrave à l'exécution ou non-respect de la décision judiciaire
Onderafdeling 1. Familieverlating
Sous-section 1re. L'abandon de famille
Art. 676. Familieverlating
  Familieverlating is het opzettelijk:
  1° meer dan twee maanden in gebreke blijven de uitkering tot onderhoud te betalen aan zijn echtgenoot of aan zijn bloedverwanten in neerdalende of opgaande lijn, waartoe men werd veroordeeld door een rechterlijke beslissing waartegen geen verzet of hoger beroep meer open staat;
  2° zich als echtgenoot onttrekken aan de gevolgen van de machtiging die door de rechter werd verleend krachtens de artikelen 203ter, 221 en 301, § 11, van het oud Burgerlijk Wetboek en de artikelen 1253ter/5 en 6 van het Gerechtelijk Wetboek, wanneer tegen die machtiging geen verzet of hoger beroep meer openstaat;
  3° meer dan twee maanden in gebreke zijn om te voldoen aan de verplichtingen van de artikelen 203bis, 206, 207, 301, 336 en 353-14 van het oud Burgerlijk Wetboek en in artikel 1288, eerste lid, 3° en 4°, van het Gerechtelijk Wetboek, de naleving waartoe men is veroordeeld door een rechterlijke beslissing waartegen geen verzet of hoger beroep meer open staat;
  4° als echtgenoot nalaten de door de sociale wetgeving voorgeschreven formaliteiten te vervullen, na te zijn veroordeeld, hetzij tot een van de verplichtingen waarvan de niet-nakoming wordt bestraft in de bepalingen onder 1° en 3°, hetzij ingevolge de artikelen 203ter, 221 en 301, § 11, van het oud Burgerlijk Wetboek en 1253ter/5 en 6, van het Gerechtelijk Wetboek, en daardoor zijn echtgenoot of zijn kinderen berooft van de voordelen waarop zij aanspraak konden maken;
  5° als bloedverwant in de rechte neerdalende lijn nalaten de door de sociale wetgeving voorgeschreven formaliteiten te vervullen, na te zijn veroordeeld tot onderhoudsplicht, en daardoor zijn bloedverwant in de opgaande lijn berooft van de voordelen waarop deze aanspraak kon maken;
  6° belemmeren van het toezicht op de gezinsbijslag of andere sociale uitkeringen door na te laten de nodige documenten te bezorgen aan de instellingen belast met de vereffening van die uitkeringen door valse of onvolledige aangiften te doen, of door de bestemming te wijzingen die de daartoe aangewezen persoon of overheid eraan gegeven heeft.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 676. L'abandon de famille
  L'abandon de famille consiste à, délibérément:
  1° être resté durant plus de deux mois en défaut de paiement de la pension alimentaire à son conjoint ou à ses descendants ou ascendants à laquelle on a été condamné par une décision judiciaire qui ne peut plus être frappée d'opposition ou d'appel;
  2° s'être soustrait en tant que conjoint aux effets de l'autorisation accordée par le juge en vertu des articles 203ter, 221 et 301, § 11, de l'ancien Code civil et des articles 1253ter/5 et 6 du Code judiciaire, si cette autorisation ne peut plus être frappée d'opposition ou d'appel;
  3° être resté durant plus de deux mois en défaut de satisfaire aux obligations prévues aux articles 203bis, 206, 207, 301, 336 et 353-14 de l'ancien Code civil et à l'article 1288, alinéa 1er, 3° et 4°, du Code judiciaire, au respect desquelles on a été condamné par une décision judiciaire qui ne peut plus être frappée d'opposition ou d'appel;
  4° négliger en tant que conjoint de remplir les formalités prescrites par la législation sociale, après avoir été condamné à, soit une des obligations dont le non-respect est puni aux 1° et 3°, soit conformément aux articles 203ter, 221 et 301, § 11, de l'ancien Code civil et 1253ter/5 et 6 du Code judiciaire, et avoir de ce fait privé son conjoint ou ses enfants des avantages auxquels ils pouvaient prétendre;
  5° négliger en tant que descendant en ligne directe de remplir les formalités prescrites par la législation sociale, après avoir été condamné à l'obligation alimentaire, et avoir de ce fait privé son ascendant en ligne directe des avantages auxquels celui-ci pouvait prétendre;
  6° entraver la tutelle sur les prestations familiales ou autres allocations sociales, en négligeant de fournir les documents nécessaires aux organismes chargés de la liquidation de ces allocations en faisant des déclarations fausses ou incomplètes ou en modifiant l'affectation qui leur a été donnée par la personne ou l'autorité désignée à cet effet.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
Onderafdeling 2. Niet-afgeven van kinderen
Sous-section 2. La non-représentation d'enfant
Art. 677. Niet-afgeven van kinderen
  Niet-afgeven van kinderen is het opzettelijk:
  1° niet afgeven van een minderjarige aan de personen die het recht hebben hem op te eisen;
  2° naast zich neerleggen van een beslissing van de jeugdrechter of de uitvoering ervan verhinderen of helpen te verhinderen.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 677. La non-représentation d'enfant
  La non-représentation d'enfant consiste à, délibérément:
  1° ne pas présenter un mineur aux personnes qui ont le droit de le réclamer;
  2° ne pas respecter une décision du juge de la jeunesse, empêcher ou aider à empêcher l'exécution d'une telle décision.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Art. 678. Verzwaard niet-afgeven van kinderen
  Niet-afgeven van kinderen wordt gestraft met een straf van niveau 3 indien:
  1° de minderjarige meer dan vijf dagen verborgen wordt gehouden voor diegenen die het recht hebben hem op te eisen, of;
  2° de minderjarige onrechtmatig buiten het grondgebied van het Rijk wordt vastgehouden.
Art. 678. La non-représentation d'enfant aggravée
  La non-représentation d'enfant est punie d'une peine de niveau 3 si:
  1° le mineur est caché plus de cinq jours à ceux qui ont le droit de le réclamer, ou;
  2° le mineur est retenu indûment hors du territoire du Royaume.
Art. 679. Niet-afgeven van kinderen door ouders
  Niet-afgeven van kinderen door ouders is het opzettelijk, door een vader of moeder:
  1° onttrekken of pogen te onttrekken van het minderjarig kind aan de rechtsvervolging die tegen dit kind is ingesteld op basis van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming of de jeugdbijstand, of;
  2° onttrekken of pogen te onttrekken van het minderjarig kind aan de bewaring van de personen aan wie de bevoegde overheid hem heeft toevertrouwd;
  3° niet-afgeven van het minderjarig kind aan diegene die het recht heeft hem op te eisen;
  4° ontvoeren van het minderjarig kind, zelfs met diens toestemming.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 679. La non-présentation d'enfant par les parents
  La non-présentation d'enfant par les parents consiste pour un père ou une mère à, délibérément:
  1° soustraire ou tenter de soustraire l'enfant mineur à la procédure intentée contre cet enfant sur la base de la législation relative à la protection de la jeunesse ou à l'aide à la jeunesse, ou;
  2° soustraire ou tenter de soustraire l'enfant mineur à la garde des personnes auxquelles l'autorité compétente l'a confié;
  3° ne pas présenter l'enfant mineur à celui qui a le droit de le réclamer;
  4° enlever l'enfant mineur, même avec son consentement.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Art. 680. Verzwaard niet-afgeven van kinderen door ouders
  Niet-afgeven van kinderen door ouders wordt bestraft met een straf van niveau 3 indien:
  1° het minderjarig kind meer dan vijf dagen verborgen wordt gehouden voor diegenen die het recht hebben hem op te eisen, of;
  2° het minderjarig kind onrechtmatig buiten het grondgebied van het Rijk wordt vastgehouden.
Art. 680. La non-représentation d'enfant par les parents aggravée
  La non-représentation d'enfant par les parents est punie d'une peine de niveau 3 si:
  1° l'enfant mineur est caché plus de cinq jours à ceux qui ont le droit de le réclamer, ou;
  2° l'enfant mineur est retenu indûment hors du territoire du Royaume.
Art. 681. Niet-naleving van de regeling omtrent het omgangsrecht
  Niet-naleving van de regeling omtrent het omgangsrecht is het opzettelijk door een ouder niet naleven van:
  1° de rechterlijke beslissing over de bewaring van het minderjarig kind genomen tijdens of ten gevolge van een geding tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed, hetzij in andere bij de wet bepaalde omstandigheden, of;
  2° de aan de rechtspleging voorafgaande minnelijke schikking over de bewaring van het minderjarig kind, vanaf de datum van de overschrijving van de echtscheiding door onderlinge toestemming.
  Deze gedraging is strafbaar indien dit gebeurt door:
  1° het minderjarig kind te onttrekken aan de bewaring van hen aan wie het krachtens de rechterlijke beslissing of minnelijke schikking is toevertrouwd, of de poging daartoe;
  2° het minderjarig kind niet af te geven aan diegene die het recht heeft het op te eisen, of;
  3° het minderjarig kind te ontvoeren, zelfs met zijn toestemming.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 681. Le non-respect de l'organisation du droit de visite
  Le non-respect de l'organisation du droit de visite consiste pour un parent à, délibérément, ne pas respecter:
  1° la décision judiciaire relative à la garde de l'enfant mineur prise au cours ou à la suite d'une instance en divorce ou en séparation de corps, soit dans d'autres circonstances prévues par la loi, ou;
  2° la conciliation préalable à la procédure concernant la garde de l'enfant mineur, à partir de la date de la transcription du divorce par consentement mutuel.
  Ce comportement est punissable s'il consiste à:
  1° soustraire ou tenter de soustraire l'enfant mineur à la garde de ceux à qui il a été confié en vertu de la décision judiciaire ou de la conciliation;
  2° ne pas présenter l'enfant mineur à celui qui a le droit de le réclamer, ou;
  3° enlever l'enfant mineur, même avec son consentement.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Art. 682. Verzwarende factor
  Bij de keuze van de straf of de maatregel en de zwaarte ervan voor een misdrijf bedoeld in deze onderafdeling neemt de rechter in overweging dat de schuldige geheel of ten dele ontzet is uit het onderlijk gezag over het minderjarig kind.
Art. 682. Le facteur aggravant
  Lors du choix de la peine ou de la mesure et de la sévérité de celle-ci, pour une infraction visée à la présente sous-section, le juge prend en considération le fait que le coupable a été déchu partiellement ou totalement de l'autorité parentale sur l'enfant mineur.
Onderafdeling 3. Niet-naleving van de voorwaarden bij de opheffing van een opsporings- of onderzoekshandeling
Sous-section 3. Le non-respect des conditions lors de la levée d'un acte d'information ou d'instruction
Art. 683. Niet-naleving van de voorwaarden bij de opheffing van een opsporings- of onderzoekshandeling
  Niet-naleving van de voorwaarden bij de opheffing van een opsporings- of onderzoekshandeling is het opzettelijk niet naleven van de opgelegde voorwaarden bij de opheffing van een opsporings- of onderzoekshandeling.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 683. Le non-respect des conditions lors de la levée d'un acte d'information ou d'instruction
  Le non-respect des conditions lors de la levée d'un acte d'information ou d'instruction consiste à, délibérément, ne pas respecter les conditions imposées lors de la levée d'un acte d'information ou d'instruction.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Onderafdeling 4. Belemmering van de uitvoering of niet-naleving van een straf of een vrijheidsbenemende maatregel
Sous-section 4. L'entrave à l'exécution ou non-respect d'une peine ou d'une mesure privative de liberté
Art. 684. [1 Ontsnapping van gevangenen
   Ontsnapping van gevangenen is het zich opzettelijk onttrekken door een persoon:
   1° aan de voorlopige hechtenis, de gevangenisstraf of de hem in het kader van een strafrechtelijke procedure opgelegde vrijheidsberovende maatregel door te ontsnappen uit een gevangenis, een inrichting waar een geïnterneerde persoon geplaatst is, een gerechtsgebouw, een politiecommissariaat, een ziekenhuis, een voertuig van de politie of enige andere plaats waar hij onder bewaking of toezicht staat van een personeelslid van de geïntegreerde politie belast met bewakings- of beveiligingstaken, met inbegrip van de beveiligingsagenten en de beveiligingsassistenten van politie van de Directie Beveiliging;
   2° aan de controle door elektronische middelen, opgelegd ter uitvoering van een gerechtelijke beslissing bedoeld in de bepaling onder 1°.
   Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.]1

  
Art. 684. [1 L'évasion de détenus
   L'évasion de détenus consiste pour une personne à, délibérément, se soustraire:
   1° à la détention préventive, à l'emprisonnement ou à la mesure privative de liberté qui lui a été imposée dans le cadre d'une procédure pénale en s'évadant d'une prison, d'un établissement où est placé une personne internée, d'un bâtiment de justice, d'un commissariat de police, d'un hôpital, d'un véhicule de la police ou de tout autre lieu où il se trouve sous la garde ou la surveillance d'un membre du personnel de la police intégrée chargé de missions de surveillance ou de sécurisation, y inclus les agents et les assistants de sécurisation de police de la Direction de la Sécurité;
   2° au contrôle par des moyens électroniques, imposé en exécution d'une décision judiciaire visée par le 1°.
   Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.]1

  
Art. 685. [1 Verzwaarde ontsnapping van gevangenen
   De ontsnapping van gevangenen wordt bestraft met een straf van niveau 3 indien het misdrijf werd gepleegd door middel van geweld of bedreigingen.
   Dezelfde straf wordt uitgesproken ten aanzien van een deelnemer die een persoon met een openbare functie is en dit misdrijf pleegt in het kader van de uitoefening van deze functie.]1

  
Art. 685. [1 L'évasion de détenus aggravée
   L'évasion de détenus est punie d'une peine de niveau 3 si l'infraction a été commise à l'aide de violence ou de menaces.
   La même peine est prononcée à l'égard du participant qui exerce une fonction publique lorsque l'infraction est commise dans le cadre de l'exercice de cette fonction.]1

  
Art. 685/1. [1 Strafuitsluitende verschoningsgrond
   De dader van en de deelnemers aan de ontsnapping worden niet gestraft indien de ontsnapping gebeurde zonder geweld of bedreiging en de ontsnapte persoon zich binnen een periode van achtenveertig uren na de ontsnapping spontaan aanbiedt bij de gevangenis of de inrichting waar hij verbleef, dan wel bij een politiedienst.]1

  
Art. 685/1. [1 La cause d'excuse d'exemption de peine
   L'auteur de et les participants à l'évasion ne sont pas punis si l'évasion a eu lieu sans violence ou menace et que la personne évadée se présente spontanément dans un délai de quarante-huit heures suivant l'évasion à la prison ou à l'établissement où elle séjournait, ou à un service de police.]1

  
Art. 685/2. [1 Beschadiging of verduistering van het elektronisch toezichtsmateriaal
   Beschadiging of verduistering van het elektronisch toezichtsmateriaal is het opzettelijk beschadigen of verduisteren van elektronisch toezichtsmateriaal.
   Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2. In afwijking van artikel 52, § 1, tweede lid, 7°, bedraagt de geldboete ten hoogste 32.000 euro.
   Onder elektronisch toezichtsmateriaal moet worden verstaan het geheel aan elektronische middelen dat de diensten van de gemeenschappen bevoegd voor de organisatie en de controle van het elektronisch toezicht inzetten bij de uitvoering van hun opdrachten.]1

  
Art. 685/2. [1 La dégradation ou le détournement du matériel de surveillance électronique
   La dégradation ou le détournement du matériel de surveillance électronique consiste à délibérément endommager ou détourner le matériel de surveillance électronique.
   Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2. Par dérogation à l'article 52, § 1er, alinéa 2, 7°, l'amende s'élève à 32.000 euros au plus.
   Par matériel de surveillance électronique, il y a lieu d'entendre l'ensemble des moyens électroniques utilisés par les services des communautés compétents pour l'organisation et le contrôle de la surveillance électronique dans le cadre de l'exécution de leurs missions.]1

  
Art. 686. Niet-naleving van een straf bestaande uit een verbod
  Niet-naleving van een straf bestaande uit een verbod is het opzettelijk overtreden van een van de volgende straffen:
  1° het verbod om een activiteit die deel uitmaakt van het voorwerp uit te oefenen, bedoeld in artikel 57;
  2° het beroepsverbod, bedoeld in artikel 48 of enig ander beroepsverbod dat op basis van dit wetboek kan worden opgelegd;
  3° het verval van het recht tot sturen, bedoeld in artikel 49;
  4° het verblijfs-, plaats- of contactverbod, bedoeld in artikel 50 of enig ander verblijfs-, plaats- of contactverbod dat op basis van dit wetboek kan worden opgelegd;
  5° de sluiting van de inrichting, bedoeld in artikelen 188, 269 en 297.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 686. Le non-respect d'une peine consistant en une interdiction
  Le non-respect d'une peine consistant en une interdiction consiste à, délibérément, enfreindre une des peines suivantes:
  1° l'interdiction d'exercer une activité relevant de l'objet, visée à l'article 57;
  2° l'interdiction professionnelle, visée à l'article 48 ou toute autre interdiction professionnelle pouvant être imposée sur la base du présent code;
  3° la déchéance du droit de conduire, visée à l'article 49;
  4° l'interdiction de résidence, de lieu ou de contact, visée à l'article 50, ou toute autre interdiction de résidence, de lieu ou de contact pouvant être imposée sur la base du présent code;
  5° la fermeture de l'établissement visée aux articles 188, 269 et 297.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Onderafdeling 5. Het overgooien van voorwerpen over de muren of afsluitingen van een gevangenis, een afdeling of een inrichting tot bescherming van de maatschappij
Sous-section 5. Les jets d'objets au-dessus des murs ou des grillages d'une prison, d'une section ou d'un établissement de défense sociale
Art. 687. Het overgooien van voorwerpen over de muren of afsluitingen van een gevangenis, een afdeling of een inrichting tot bescherming van de maatschappij
  Het overgooien van voorwerpen over de muren of afsluitingen van een gevangenis, een afdeling of een inrichting tot bescherming van de maatschappij is het opzettelijk overgooien van voorwerpen over de muren of afsluitingen van een gevangenis, een afdeling of een inrichting tot bescherming van de maatschappij, op directe of indirecte wijze.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 687. Les jets d'objets au-dessus des murs ou des grillages d'une prison, d'une section ou d'un établissement de défense sociale
  Les jets d'objets au-dessus des murs ou des grillages d'une prison, d'une section ou d'un établissement de défense sociale consiste à, délibérément jeter des objets, directement ou indirectement, au-dessus des murs ou des grillages d'une prison, d'une section ou d'un établissement de défense sociale.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
Onderafdeling 6. Niet-naleving van een beslissing tot overlegging van een stuk
Sous-section 6. Le non-respect d'une décision ordonnant la production d'une pièce
Art. 688. Niet-naleving van een beslissing tot overlegging van een stuk
  Niet-naleving van een beslissing tot overlegging van een stuk is het met bedrieglijk opzet vernietigen, veranderen of verbergen van een stuk dat men onder zich heeft en waarvan de overlegging in rechte bij een vonnis wordt bevolen.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 688. Le non-respect d'une décision ordonnant la production d'une pièce
  Le non-respect d'une décision ordonnant la production d'une pièce consiste à, dans une intention frauduleuse, détruire, altérer ou dissimuler une pièce que l'on détient et dont la production en justice est ordonnée par un jugement.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Hoofdstuk 6. Belemmering van openbare werken
Chapitre 6. L'entrave aux travaux publics
Art. 689. Belemmering van openbare werken
  Belemmering van openbare werken is het zich opzettelijk verzetten tegen de voorbereiding of uitvoering van werken waartoe de bevoegde overheid bevel of machtiging heeft gegeven door het stellen van enige materiële gedraging die ertoe strekt de werken te verhinderen of te onderbreken.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 689. L'entrave aux travaux publics
  L'entrave aux travaux publics consiste à, délibérément, s'opposer à la préparation ou à l'exécution de travaux ordonnés ou autorisés par l'autorité compétente en posant tout acte matériel visant à empêcher ou interrompre les travaux.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 1.
Art. 690. Belemmering van openbare werken door geweld of bedreiging
  Indien de belemmering van openbare werken gebeurt door geweld of bedreiging, wordt dit misdrijf bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 690. L'entrave aux travaux publics par violence ou menace
  Si l'entrave aux travaux publics a lieu par violence ou menace, cette infraction est punie d'une peine de niveau 2.
Hoofdstuk 7. Subsidiefraude
Chapitre 7. La fraude aux subsides
Art. 691. Subsidiefraude
  Subsidiefraude is het opzettelijk:
  1° afleggen van een onjuiste of onvolledige verklaring in verband met een aanvraag tot het bekomen of behouden van een subsidie;
  2° nalaten de betrokken diensten op de hoogte te brengen van het feit dat men geen recht meer heeft op een subsidie of slechts op een deel van dit bedrag en het aanvaarden of behouden van een subsidie of een gedeelte daarvan, wetende dat men daarop geen of slechts gedeeltelijk recht heeft;
  3° aanwenden van een subsidie voor andere doelstellingen dan waarvoor ze werd toegekend.
  Voor de toepassing van deze bepaling wordt als subsidie beschouwd: elke subsidie, vergoeding of toelage, die geheel of gedeeltelijk ten laste van de Staat, een gemeenschap, een gewest of een andere publiekrechtelijke rechtspersoon, instellingen, organen en instanties van de Europese Unie of een andere internationale instelling is, dan wel geheel of gedeeltelijk bestaat uit openbare gelden.
  Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
  In afwijking van artikel 52 is de maximale geldboete:
  1° voor de feiten bedoeld in het eerste lid, 1° : 400.000 euro; indien deze verklaring leidt tot het ontvangen of behouden van een subsidie wordt de maximale geldboete gebracht op 800.000 euro;
  2° voor de feiten bedoeld in het eerste lid, 2° : 120.000 euro;
  3° voor de feiten bedoeld in het eerste lid, 3° : 600.000 euro.
Art. 691. La fraude aux subsides
  La fraude aux subsides consiste à, délibérément:
  1° faire une déclaration inexacte ou incomplète en lien avec une demande d'obtention ou de maintien d'un subside;
  2° s'abstenir de prévenir les services concernés du fait que l'on n'a plus droit à un subside ou seulement à une partie de celui-ci et accepter ou conserver un subside ou une partie de celui-ci en sachant que l'on n'y a pas droit ou que l'on n'y a que partiellement droit;
  3° utiliser un subside à d'autres fins que celles pour lesquelles il a été alloué.
  Pour l'application de la présente disposition, est considéré comme subside: tout subside, indemnité ou allocation, qui est, totalement ou partiellement, à charge de l'Etat, d'une communauté, d'une région ou d'une autre personne de droit public, des institutions, organes et organismes de l'Union européenne ou d'une autre institution internationale, ou qui est constitué, totalement ou partiellement, de deniers publics.
  Cette infraction est punie d'une peine de niveau 3.
  Par dérogation à l'article 52, le montant maximum de l'amende s'élève à:
  1° pour les faits visés à l'alinéa 1er, 1° : 400.000 euros; si la déclaration conduit à l'obtention ou au maintien d'un subside, le maximum de la peine d'amende est porté à 800.000 euros;
  2° pour les faits visés à l'alinéa 1er, 2° : 120.000 euros;
  3° pour les faits visés à l'alinéa 1er, 3° : 600.000 euros.
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingsbepalingen
CHAPITRE 3. - Dispositions modificatives
Afdeling 1. - Wijzigingen van het Militair Strafwetboek
Section 1re. - Modifications du Code pénal militaire
Art. 3. In artikel 14quater, eerste lid, van het Militair Strafwetboek, ingevoegd bij de wet van 10 april 2003, worden de woorden "de artikelen 443 tot 452" vervangen door de woorden "de artikelen 240 tot 246".
Art. 3. Dans l'article 14quater, alinéa 1er, du Code pénal militaire, inséré par la loi du 10 avril 2003, les mots "aux articles 443 à 452" sont remplacés par les mots "aux articles 240 à 246".
Art. 4. In artikel 15 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 19 juli 1934 worden de woorden "de artikelen 113 tot 119, 121 tot 123 en 123quater" vervangen door de woorden "de artikelen 565 tot 571, 573 tot 577, 581 tot 584 en 597 tot 611".
Art. 4. Dans l'article 15 du même Code, remplacé par la loi du 19 juillet 1934, les mots "les articles 113 à 119, 121 à 123 et 123quater" sont remplacés par les mots "les articles 565 à 571, 573 à 577, 581 à 584 et 597 à 611".
Art. 5. Artikel 18bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet 30 juni 1961, wordt opgeheven.
Art. 5. L'article 18bis du même Code, inséré par la loi du 30 juin 1961, est abrogé.
Art. 6. In artikel 32 van hetzelfde Wetboek worden de woorden "Het artikel 134" vervangen door de woorden "Het artikel 401".
Art. 6. Dans l'article 32 du même Code, les mots "L'article 134" sont remplacés par les mots "L'article 401".
Art. 7. In artikel 33 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 24 juli 1923 en gewijzigd bij de wet van 23 januari 2003, worden de volgende wijzingen aangebracht:
  1° in het tweede lid worden de woorden "bij artikel 399" vervangen door de woorden "bij artikel 195";
  2° in het derde lid worden de woorden "in artikel 400" vervangen door de woorden "in artikel 196" en worden de woorden "in artikel 401" vervangen door de woorden "in artikel 197".
Art. 7. A l'article 33 du même Code, remplacé par la loi du 24 juillet 1923 et modifié par la loi du 23 janvier 2003, les modifications suivantes sont apportées:
  1° dans l'alinéa 2, les mots "par l'article 399" sont remplacés par les mots "par l'article 195";
  2° dans l'alinéa 3, les mots "par l'article 400" sont remplacés par les mots "par l'article 196" et les mots "par l'article 401" sont remplacés par les mots "par l'article 197".
Art. 8. In artikel 35 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 23 januari 2003, worden de woorden "artikel 399" vervangen door de woorden "artikel 195", worden de woorden "artikel 400" vervangen door de woorden "artikel 196" en worden de woorden "artikel 401" vervangen door de woorden "artikel 197".
Art. 8. Dans l'article 35 du même Code, remplacé par la loi du 23 janvier 2003, les mots "l'article 399" sont remplacés par les mots "l'article 195", les mots "l'article 400" sont remplacés par les mots "l'article 196", et les mots "l'article 401" sont remplacés par les mots "l'article 197".
Art. 9. In artikel 39 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 23 januari 2003, worden de woorden "artikel 401, § 1," vervangen door de woorden "artikel 197" en worden de woorden "artikel 401, § 2" vervangen door de woorden "artikel 198, 4° ".
Art. 9. Dans l'article 39 du même Code, remplacé par la loi du 23 janvier 2003, les mots "l'article 401, § 1er," sont remplacés par les mots "l'article 197" et les mots "l'article 401, § 2" sont remplacés par les mots "l'article 198, 4° ".
Art. 10. In artikel 41 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet 23 januari 2003, worden de woorden "de artikelen 398, 399, 400 en 401" vervangen door de woorden "de artikelen 194, 195, 196, 197 en 198".
Art. 10. Dans l'article 41 du même Code, modifié par la loi du 23 janvier 2003, les mots "les articles 398, 399, 400 et 401" sont remplacés par les mots "les articles 194, 195, 196, 197 et 198".
Afdeling 2. - Wijzigingen van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering
Section 2. - Modifications du titre préliminaire du Code de procédure pénale
Art. 11. In artikel 5ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering, ingevoegd bij de wet van 19 december 2002 en gewijzigd bij de wet van 10 augustus 2005, worden de woorden "of op de zaken bedoeld in artikel 505 van het Strafwetboek" vervangen door de woorden "of op de zaken bedoeld in artikelen 501, 502 en 503 van het Strafwetboek".
Art. 11. Dans l'article 5ter du titre préliminaire du Code de procédure pénale, inséré par la loi du 19 décembre 2002 et modifié par la loi du 10 août 2005, les mots "ou sur les choses visées à l'article 505 du Code pénal" sont remplacés par les mots "ou sur les choses visées aux articles 501, 502 et 503 du Code pénal".
Art. 12. In artikel 6 van dezelfde voorafgaande titel, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 19 december 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in de bepaling onder 1°, worden de woorden "Aan een misdaad of een wanbedrijf tegen de veiligheid van de Staat" vervangen door de woorden "aan een misdrijf tegen de landsverdediging en de essentiële belangen van België of tegen de internationale betrekkingen";
  2° in de bepaling onder 1° bis, worden de woorden "in boek II, titel Ibis, van het Strafwetboek" vervangen door de woorden "in boek II titel 1, van het Strafwetboek";
  3° in de bepaling onder 1° ter, worden de woorden "bedoeld in Boek II, Titel Iter, van het Strafwetboek" vervangen door de woorden "bedoeld in boek II, titel 4, hoofdstuk 1, van het Strafwetboek";
  4° in de bepaling onder 2°, wordt de zin "Aan een misdaad of een wanbedrijf tegen de openbare trouw, in boek II, titel III, hoofdstukken I, II en III van het Strafwetboek omschreven, of aan een wanbedrijf in de artikelen 497 en 497bis omschreven, indien de misdaad of het wanbedrijf tot voorwerp heeft hetzij de euro hetzij munten die in België wettelijk gangbaar zijn, of voorwerpen bestemd om die munten te vervaardigen, na te maken of te vervalsen, hetzij effecten, papier, zegels, stempels of merken van de Staat of van Belgische openbare besturen of instellingen" vervangen door de zin "aan een misdrijf op de bepalingen inzake de bescherming van de munt, van de effecten, van de veiligheidskenmerken en van de zegels, stempels, keurstempels en merken bedoeld in hoofdstuk 1 van titel 5 van boek II van het Strafwetboek of aan een misdrijf bedoeld in artikel 481 van het Strafwetboek, indien het misdrijf tot voorwerp heeft munten die in België wettelijk gangbaar zijn, effecten, voorwerpen bestemd om munten of effecten te vervaardigen, veiligheidskenmerken en zegels, stempels, keurstempels en merken";
  5° in de bepaling onder 3°, wordt de zin "Aan een misdaad of een wanbedrijf tegen de openbare trouw, in dezelfde bepalingen omschreven, indien de misdaad of het wanbedrijf tot voorwerp heeft hetzij munten die in België niet wettelijk gangbaar zijn, of voorwerpen bestemd om die munten te vervaardigen, na te maken of te vervalsen, hetzij effecten, papier, zegels, stempels of merken van een vreemd land" vervangen door de zin "aan een misdrijf op de bepalingen inzake de bescherming van de munt, van de effecten, van de veiligheidskenmerken en van de zegels, stempels, keurstempels en merken bedoeld in dezelfde bepalingen indien het misdrijf tot voorwerp heeft munten die in België niet wettelijk gangbaar zijn, effecten, voorwerpen bestemd om munten of effecten te vervaardigen, veiligheidskenmerken en zegels, stempels, keurstempels en merken van een andere Staat".
Art. 12. A l'article 6 du même titre préliminaire, modifié en dernier lieu par la loi du 19 décembre 2003, les modifications suivantes sont apportées:
  1° au 1°, les mots "D'un crime ou d'un délit contre la sûreté de l'Etat" sont remplacés par les mots "d'une infraction contre la défense nationale et les intérêts essentiels de la Belgique ou contre les relations internationales";
  2° au 1° bis, les mots "dans le livre II, titre Ibis, du Code pénal" sont remplacés par les mots "dans le livre II, titre 1er, du Code pénal";
  3° au 1° ter, les mots "visée au Livre II, Titre Iter, du Code pénal" sont remplacés par les mots "visée au livre II, titre 4, chapitre 1er, du Code pénal";
  4° au 2°, la phrase "D'un crime ou d'un délit contre la foi publique prévu par les chapitres Ier, II et III du titre III du livre II du Code pénal ou d'une infraction prévue par les articles 497 et 497bis, si le crime ou le délit a pour objet l'euro soit des monnaies ayant cours légal en Belgique ou des objets destinés à leur fabrication, contrefaçon, altération ou falsification, soit des effets, papiers, sceaux, timbres, marques ou poinçons de l'Etat ou des administrations ou établissements publics belges" est remplacée par la phrase "d'une infraction aux dispositions relatives à la protection de la monnaie, des titres, des dispositifs de sécurité et des sceaux, timbres, poinçons et marques visées par le chapitre 1er du titre 5 du livre II du Code pénal ou d'une infraction visée à l'article 481 du Code pénal si l'infraction a pour objet de la monnaie ayant cours légal en Belgique, des titres, du matériel destiné à la fabrication de la monnaie ou des titres, des dispositifs de sécurité et des sceaux, timbres, poinçons et marques";
  5° au 3°, la phrase "D'un crime ou d'un délit contre la foi publique prévu par les mêmes dispositions, si le crime ou le délit a pour objet soit des monnaies n'ayant pas cours légal en Belgique ou des objets destinés à leur fabrication, contrefaçon, altération ou falsification, soit des effets, papiers, sceaux, timbres, marques ou poinçons d'un pays étranger" est remplacé par "d'une infraction aux dispositions relatives à la protection de la monnaie, des titres, des dispositifs de sécurité et des sceaux, timbres, poinçons et marques visées par les mêmes dispositions si l'infraction a pour objet des monnaies n'ayant pas cours légal en Belgique, des titres, du matériel destiné à la fabrication de la monnaie ou des titres, des dispositifs de sécurité et des sceaux, timbres, poinçons et marques d'un autre Etat".
Art. 13. In artikel 7, § 2, tweede lid, van dezelfde voorafgaande titel , vervangen bij de wet van 16 maart 1964, worden de woorden "in de zin van artikel 117, tweede lid, van het Strafwetboek," vervangen door de woorden "in de zin van artikel 564, 1°, van het Strafwetboek,".
Art. 13. Dans l'article 7, § 2, alinéa 2, du même titre préliminaire, remplacé par la loi du 16 mars 1964, les mots "au sens du deuxième alinéa de l'article 117 du Code pénal," sont remplacés par les mots "au sens de l'article 564, 1°, du Code pénal,".
Art. 14. In artikel 10 van dezelfde voorafgaande titel , laatstelijk gewijzigd bij de wet van 15 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in de bepaling onder 1°, worden de woorden "Aan een misdaad of een wanbedrijf tegen de veiligheid van de Staat" vervangen door de woorden "Aan een misdrijf tegen de landsverdediging en de essentiële belangen van België of tegen de internationale betrekkingen";
  2° in de bepaling onder 1° bis, eerste lid, worden de woorden "in boek II, titel Ibis van het Strafwetboek" vervangen door de woorden "in boek II, titel 1, van het Strafwetboek";
  3° in de bepaling onder 1° bis, derde lid, 2°, worden de woorden "bedoeld in boek II, titel Ibis, van het Strafwetboek" vervangen door de woorden "bedoeld in boek II, titel 1, van het Strafwetboek";
  4° in de bepaling onder 4°, worden de woorden "aan opzettelijk doden of opzettelijk toebrengen van lichamelijk letsel, aan verkrachting, aantasting van de seksuele integriteit of aan aanklacht bij de vijand, gepleegd tegen een Belgisch onderdaan, tegen een vreemdeling die bij het uitbreken van de vijandelijkheden in België verbleef, of tegen een onderdaan van een land dat bondgenoot van België is in de zin van artikel 117, tweede lid, van het Strafwetboek" vervangen door de woorden "aan opzettelijk doden of opzettelijk toebrengen van integriteitsaantasting, aan verkrachting, aanranding van de eerbaarheid of aan aanklacht bij de vijand, gepleegd tegen een Belgisch onderdaan, tegen een vreemdeling die bij het uitbreken van de vijandelijkheden in België verbleef, of tegen een onderdaan van een land dat bondgenoot van België is in de zin van artikel 564, 1°, van het Strafwetboek";
  5° in de bepaling onder 5°, tweede lid, worden de woorden "bedoeld in de artikelen 347bis, 393 tot 397 en 475 van het Strafwetboek" vervangen door de woorden "bedoeld in de artikelen 226 tot 229, 96 tot 99 en 101 van het Strafwetboek";
  6° in de bepaling onder 5°, derde lid, 2°, worden de woorden "in de artikelen 347bis, 393 tot 397 en 475 van het Strafwetboek" vervangen door de woorden "in de artikelen 226 tot 229, 96 tot 99 en 101 van het Strafwetboek".
Art. 14. A l'article 10 du même titre préliminaire, modifié en dernier lieu par la loi du 15 juillet 2013, les modifications suivantes sont apportées:
  1° au 1°, les mots "Un crime ou un délit contre la sûreté de l'Etat" sont remplacés par les mots "Une infraction contre la défense nationale et les intérêts essentiels de la Belgique ou contre les relations internationales";
  2° au 1° bis, alinéa 1er, les mots "visée au livre II, titre Ibis du Code pénal" sont remplacés par les mots "visée au livre II, titre 1er, du Code pénal";
  3° au 1° bis, alinéa 3, 2°, les mots "visées au livre II, titre Ibis, du Code pénal" sont remplacés par les mots "visées au livre II, titre 1er, du Code pénal";
  4° au 4°, les mots "contre un ressortissant belge, un étranger résidant en Belgique au moment de l'ouverture des hostilités, ou un ressortissant d'un pays allié de la Belgique au sens de l'alinéa 2 de l'article 117 du Code pénal, une infraction d'homicide ou de lésion corporelle volontaires, de viol, d'attentat à la pudeur ou de dénonciation à l'ennemi" sont remplacés par les mots "contre un ressortissant belge, un étranger résidant en Belgique au moment de l'ouverture des hostilités, ou un ressortissant d'un pays allié de la Belgique au sens de l'article 564, 1°, du Code pénal, une infraction d'homicide ou d'atteinte à l'intégrité délibérés, de viol, d'atteinte à l'intégrité sexuelle ou de dénonciation à l'ennemi";
  5° au 5°, alinéa 2, les mots "visées par les articles 347bis, 393 à 397, et 475 du Code pénal" sont remplacés par les mots "visées par les articles 226 à 229, 96 à 99 et 101 du Code pénal";
  6° au 5°, alinéa 3, 2°, les mots "aux articles 347bis, 393 à 397 et 475 du Code pénal" sont remplacés par les mots "aux articles 226 à 229, 96 à 99 et 101 du Code pénal".
Art. 15. In artikel 10ter van dezelfde voorafgaande titel , ingevoegd bij de wet van 13 april 1995 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 maart 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid, 1°, worden de woorden "in de artikelen 417/25 tot 417/38, 417/44, 417/45, 433quater/1 en 433quater/4, 433quinquies tot 433octies van het Strafwetboek" vervangen door de woorden "in de artikelen 152 tot 165, 171, 172, 258 tot 261, 265 en 268 van het Strafwetboek";
  2° in het eerste lid, 1° bis, worden de woorden "in de artikelen 433novies/2 tot 433novies/10" vervangen door de woorden "in de artikelen 276 tot 284";
  3° in het eerste lid, 2°, worden de woorden "in de artikelen 417/7 tot 417/19, 417/21, 417/22, 417/24 en 417/56, en 409, van hetzelfde Wetboek" vervangen door de woorden "in de artikelen 134 tot 146, 148, 149, 151, 206 tot 211 van hetzelfde Wetboek";
  4° in het eerste lid, 3°, worden de woorden "in de artikelen 77bis tot 77quinquies, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en" opgeheven;
  5° in het eerste lid, 4°, worden de woorden "bepaald in boek II, titel Iter, van het Strafwetboek" vervangen door de woorden "bepaald in boek II, titel 4, hoofdstuk 1, van het Strafwetboek";
  6° in het derde lid, 2°, worden de woorden "in het artikel 137 van het Strafwetboek" vervangen door de woorden "in het artikel 371 van het Strafwetboek".
Art. 15. A l'article 10ter du même titre préliminaire, inséré par la loi du 13 avril 1995 et modifié en dernier lieu par la loi du 21 mars 2022, les modifications suivantes sont apportées:
  1° à l'alinéa 1er, 1°, les mots "aux articles 417/25 à 417/38, 417/44, 417/45, 433quater/1 et 433quater/4, 433quinquies à 433octies du Code pénal" sont remplacés par les mots "aux articles 152 à 165, 171, 172, 258 à 261, 265 et 268 du Code pénal";
  2° à l'alinéa 1er, 1° bis, les mots "aux articles 433novies/2 à 433novies/10" sont remplacés par les mots "aux articles 276 à 284";
  3° à l'alinéa 1er, 2°, les mots "aux articles 417/7 à 417/19, 417/21, 417/22, 417/24 et 417/56, et 409, du même Code" sont remplacés par les mots "aux articles 134 à 146, 148, 149, 151, 206 à 211 du même Code";
  4° à l'alinéa 1er, 3°, les mots "aux articles 77bis à 77quinquies, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers et" sont abrogés;
  5° à l'alinéa 1er, 4°, les mots "prévues au livre II, titre Ierter, du Code pénal" sont remplacés par les mots "prévues au livre II, titre 4, chapitre 1er, du Code pénal";
  6° à l'alinéa 3, 2°, les mots "visées à l'article 137 du Code pénal" sont remplacés par les mots "visées à l'article 371 du Code pénal".
Art. 16. In artikel 10quater van dezelfde voorafgaande titel , ingevoegd bij de wet van 10 februari 1999 en vervangen bij de wet van 11 mei 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1, 1°, worden de woorden "in de artikelen 246 tot 249 van het Strafwetboek" vervangen door de woorden "in artikel 638, §§ 1, 2 en 3, 2° en 3°, van het Strafwetboek";
  2° in paragraaf 1, 2°, worden de woorden "in artikel 250 van hetzelfde Wetboek" vervangen door de woorden "in artikel 638, § 3, 1°, van hetzelfde Wetboek";
  3° in paragraaf 2 worden de woorden "in artikel 250 van het Strafwetboek" vervangen door de woorden "in artikel 638, § 3, 1°, van het Strafwetboek".
Art. 16. A l'article 10quater du même titre préliminaire, inséré par la loi du 10 février 1999 et remplacé par la loi du 11 mai 2007, les modifications suivantes sont apportées:
  1° au paragraphe 1er, 1°, les mots "aux articles 246 à 249 du Code pénal" sont remplacés par les mots "à l'article 638, §§ 1er, 2 et 3, 2° et 3°, du Code pénal";
  2° au paragraphe 1er, 2°, les mots "à l'article 250 du même Code" sont remplacés par les mots "à l'article 638, § 3, 1°, du même Code";
  3° au paragraphe 2, les mots "à l'article 250 du code pénal" sont remplacés par les mots "à l'article 638, § 3, 1°, du Code pénal".
Art. 17. In artikel 12, eerste lid, van dezelfde voorafgaande titel , vervangen bij de wet van 6 februari 2012 en gewijzigd bij de wet van 5 mei 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in de bepaling onder 1°, worden de woorden "in artikel 137 van het Strafwetboek" vervangen door de woorden "in artikel 371 van het Strafwetboek";
  2° in de bepaling onder 1/1, worden de woorden "in de artikelen 347bis, 393 tot 397 en 475 van het Strafwetboek" vervangen door de woorden "in de artikelen 96 tot 98, 100, 101 en 226 tot 230 van het Strafwetboek";
  3° in de bepaling onder 2, worden de woorden "in de artikelen 347bis, 393 tot 397 en 475 van het Strafwetboek" vervangen door de woorden "in de artikelen 96 tot 98, 100, 101 en 226 tot 230 van het Strafwetboek";
  4° in de bepaling onder 4°, worden de woorden "in artikel 137 van het Strafwetboek" vervangen door de woorden "in artikel 371 van het Strafwetboek".
Art. 17. A l'article 12, alinéa 1er, du même titre préliminaire, remplacé par la loi du 6 février 2012 et modifié par la loi du 5 mai 2019, les modifications suivantes sont apportées:
  1° au 1°, les mots "par l'article 137 du Code pénal" sont remplacés par les mots "par l'article 371 du Code pénal";
  2° au 1/1, les mots "par les articles 347bis, 393 à 397, et 475 du Code pénal" sont remplacés par les mots "par les articles 96 à 98, 100, 101 et 226 à 230 du Code pénal";
  3° au 2, les mots "par les articles 347bis, 393 à 397, et 475 du Code pénal" sont remplacés par les mots "par les articles 96 à 98, 100, 101 et 226 à 230 du Code pénal";
  4° au 4°, les mots "par l'article 137 du Code pénal" sont remplacés par les mots "par l'article 371 du Code pénal".
Art. 18. In artikel 12bis, derde lid, 2°, van dezelfde voorafgaande titel , ingevoegd bij de wet van 17 april 1986 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 22 december 2003, worden de woorden "bedoeld in boek II, titel Ibis, van het Strafwetboek" vervangen door de woorden "bedoeld in boek II, titel 1, van het Strafwetboek".
Art. 18. Dans l'article 12bis, alinéa 3, 2°, du même titre préliminaire, inséré par la loi du 17 avril 1986 et modifié en dernier lieu par la loi du 22 décembre 2003, les mots "visées au livre II, titre Ibis, du Code pénal" sont remplacés par les mots "visées au livre II, titre 1er, du Code pénal".
Art. 19. In artikel 21, eerste lid, van dezelfde voorafgaande titel , vervangen bij de wet van 5 februari 2016 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 maart 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in de bepaling onder 1°, tweede streepje, worden de woorden "in de artikelen 102, tweede lid, 122, derde punt, 138, § 1, eerste lid, 9°, 393 of 417/2, derde lid, van het Strafwetboek" vervangen door de woorden "in de artikelen 96, 117 en 118, 371, § 2, voor de misdrijven met een straf van niveau 6 of een opsluiting van vijftien tot twintig jaar, 555 en 607, 3°, van het Strafwetboek";
  2° in de bepaling onder 2°, worden de woorden "in artikel 417/12 van het Strafwetboek" vervangen door de woorden "in artikel 139 van het Strafwetboek".
Art. 19. A l'article 21, alinéa 1er, du même titre préliminaire, remplacé par la loi du 5 février 2016 et modifié en dernier lieu par la loi du 21 mars 2022, les modifications suivantes sont apportées:
  1° au 1°, deuxième tiret, les mots "aux articles 102, alinéa 2, 122, troisième point, 138, § 1er, alinéa 1er, 9°, 393 ou 417/2, alinéa 3, du Code pénal" sont remplacés par les mots "aux articles 96, 117 et 118, 371, § 2, pour les infractions assorties d'une peine de niveau 6 ou d'une peine de réclusion de quinze ans à vingt ans, 555 et 607, 3°, du Code pénal";
  2° au 2°, les mots "à l'article 417/12 du Code pénal" sont remplacés par les mots "à l'article 139 du Code pénal".
Art. 20. In artikel 21bis van dezelfde voorafgaande titel , vervangen bij de wet van 14 november 2019 en gewijzigd bij de wet van 21 maart 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in de bepaling onder 1°, worden de woorden "in de artikelen 136bis, 136ter en 136quater van het Strafwetboek" vervangen door de woorden "in de artikelen 82 tot 88 van het Strafwetboek";
  2° in de bepaling onder 2°, worden de woorden "in de artikelen 417/7 tot 417/22, 417/24 tot 417/38, 417/44 en 417/56, 409 en 433quinquies, § 1, eerste lid, 1°, van het Strafwetboek" vervangen door de woorden "in de artikelen 134 tot 149, 151 tot 165, 171, 206 tot 211 en 258, § 1, eerste lid, 1°, van het Strafwetboek".
Art. 20. A l'article 21bis du même titre préliminaire, remplacé par la loi du 14 novembre 2019 et modifié par la loi du 21 mars 2022, les modifications suivantes sont apportées:
  1° au 1°, les mots "aux articles 136bis, 136ter et 136quater du Code pénal" sont remplacés par les mots "aux articles 82 à 88 du Code pénal";
  2° au 2°, les mots "aux articles 417/7 à 417/22, 417/24 à 417/38, 417/44, et 417/56, 409 et 433quinquies, § 1er, alinéa 1er, 1°, du Code pénal" sont remplacés par les mots "aux articles 134 à 149, 151 à 165, 171, 206 à 211 et 258, § 1er, alinéa 1er, 1°, du Code pénal".
Afdeling 3. - Wijzigingen van het Wetboek van strafvordering
Section 3. - Modifications du Code d'instruction criminelle
Art. 21. In artikel 28sexies, § 3, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, ingevoegd bij de wet van 12 maart 1998, worden de woorden "artikel 507bis" vervangen door de woorden "artikel 683".
Art. 21. Dans l'article 28sexies, § 3, alinéa 2, du Code d'instruction criminelle, inséré par la loi du 12 mars 1998, les mots "l'article 507bis" sont remplacés par les mots "l'article 683".
Art. 22. In artikel 39bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 november 2000 en laatstelijk gewijzigd bij wet van 21 maart 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 6, eerste lid, worden de woorden "de artikelen 137, § 3, 6°, 140bis, 417/9, 417/10 of 417/44," vervangen door de woorden "de artikelen 136, 137, 171, 371, § 3, eerste lid, 6°, 376, 377";
  2° in paragraaf 9, tweede lid, worden de woorden "artikel 458" vervangen door de woorden "artikel 352".
Art. 22. A l'article 39bis du même Code, inséré par la loi du 28 novembre 2000 et modifié en dernier lieu par la loi du 21 mars 2022, les modifications suivantes sont apportées:
  1° dans le paragraphe 6, alinéa 1er, les mots "aux articles 137, § 3, 6° 140bis, 417/9, 417/10 ou 417/44," sont remplacés par les mots "aux articles 136, 137, 171, 371, § 3, alinéa 1er, 6°, 376, 377";
  2° dans le paragraphe 9, alinéa 2, les mots "l'article 458" sont remplacés par les mots "l'article 352".
Art. 23. In artikel 39ter van hetzelfde Wetboek wordt paragraaf 3, ingevoegd bij de wet van 25 december 2016 en gewijzigd bij de wet van 6 december 2022, vervangen als volgt:
  " § 3. Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening kennis krijgt van de maatregel of daaraan zijn medewerking verleent, is tot geheimhouding verplicht.
  De natuurlijke personen of rechtspersonen bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, zijn verplicht hun medewerking te verlenen.".
Art. 23. Dans l'article 39ter du même Code, le paragraphe 3, inséré par la loi du 25 décembre 2016 et modifié par la loi du 6 décembre 2022, est remplacé par ce qui suit:
  " § 3. Toute personne qui, du chef de sa fonction, a connaissance de la mesure ou y prête son concours, est tenue de garder le secret.
  Les personnes physiques ou personnes morales visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, sont tenues de prêter leur concours.".
Art. 24. In artikel 46, 2°, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet 14 november 1997, worden de woorden "artikelen 398 tot 405" vervangen door de woorden "artikelen 194 tot 198".
Art. 24. Dans l'article 46, 2°, du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 24 novembre 1997, les mots "articles 398 à 405" sont remplacés par les mots "articles 194 à 198".
Art. 25. In artikel 46bis, § 2, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 10 juni 1998 en vervangen bij de wet van 25 december 2016, worden de woorden "zijn verplicht hun medewerking te verlenen en" ingevoegd tussen de woorden "mee te delen," en het woord "verstrekken".
Art. 25. Dans l'article 46bis, § 2, alinéa 1er, du même Code, inséré par la loi du 10 juin 1998 et remplacé par la loi du 25 décembre 2016, les mots "sont tenues de prêter leur concours et" sont insérés entre les mots "paragraphe 1er" et le mot "communiquent".
Art. 26. In artikel 46bis/1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 mei 2017 en gewijzigd bij de wet van 6 december 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "in boek II, Titel Iter" vervangen door de woorden "in boek II, titel 4, hoofdstuk 1";
  2° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden "in artikel 458" vervangen door de woorden "in artikel 352";
  3° in paragraaf 2 wordt het eerste lid aangevuld met de volgende zin: "Zij zijn verplicht hun medewerking te verlenen.".
Art. 26. A l'article 46bis/1 du même Code, inséré par loi du 17 mai 2017 et modifié par la loi du 6 décembre 2022, les modifications suivantes sont apportées:
  1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots "au livre II, titre Ierter" sont remplacés par les mots "au livre II, titre 4, chapitre 1er";
  2° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, les mots "à l'article 458" sont remplacés par les mots "à l'article 352";
  3° dans le paragraphe 2, l'alinéa 1er est complété par la phrase suivante: "Elles sont tenues de prêter leur concours.".
Art. 27. In artikel 46quinquies, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet 27 december 2005 en gewijzigd bij de wet 25 december 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid worden de woorden "in artikel 324bis" vervangen door de woorden "in artikel 406";
  2° in het tweede lid, tweede streepje, worden de woorden "in de zin van de artikelen 479, 480 en 481 van het Strafwetboek" opgeheven.
Art. 27. A l'article 46quinquies, § 1er, du même Code, inséré par la loi du 27 décembre 2005 et modifié par la loi du 25 décembre 2016, les modifications suivantes sont apportées:
  1° dans l'alinéa 1er, les mots "à l'article 324bis" sont remplacés par les mots "à l'article 406";
  2° dans l'alinéa 2, deuxième tiret, les mots "au sens des articles 479, 480 et 481 du Code pénal" sont abrogés.
Art. 28. In artikel 47bis, § 6, 8), van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij wet van 21 november 2016, worden de woorden "bij artikel 458" vervangen door de woorden "bij artikel 669".
Art. 28. Dans l'article 47bis, § 6, 8), du même Code, inséré par la loi du 21 novembre 2016, les mots "à l'article 458" sont remplacés par les mots "à l'article 669".
Art. 29. In artikel 47octies, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 6 januari 2003, worden de woorden "in artikel 324bis" door de woorden "in artikel 406".
Art. 29. Dans l'article 47octies, § 1er, alinéa 1er, du même Code, inséré par la loi du 6 janvier, 2003, les mots "à l'article 324bis" sont remplacés par les mots "à l'article 406".
Art. 30. In artikel 47novies/1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 22 juli 2018, worden de woorden "artikel 324bis van het Strafwetboek, of een van de strafbare feiten bedoeld in boek 2, titel Iter" telkens vervangen door de woorden "artikel 406 van het Strafwetboek, of een van de strafbare feiten bedoeld in boek II, titel 4, hoofdstuk 1".
Art. 30. Dans l'article 47novies/1 du même Code, inséré par la loi du 22 juillet 2018, les mots "l'article 324bis du Code pénal, ou une des infractions visées au livre 2, titre Ierter" sont chaque fois remplacés par les mots "l'article 406 du Code pénal, ou une des infractions visées au livre II, titre 4, chapitre 1er".
Art. 31. In artikel 47novies/2, § 4, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 22 juli 2018, worden de woorden "artikel 458" vervangen door de woorden "artikel 352".
Art. 31. Dans l'article 47novies/2, § 4, du même Code, inséré par la loi du 22 juillet 2018, les mots "à l'article 458" sont remplacés par les mots "à l'article 352".
Art. 32. In artikel 47duodecies, § 3, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 27 december 2005, worden de woorden "artikelen 137 tot 141" telkens vervangen door de woorden "artikelen 371 tot 386".
Art. 32. Dans l'article 47duodecies, § 3, du même Code, inséré par la loi du 27 décembre 2005, les mots "articles 137 à 141" sont chaque fois remplacés par les mots "articles 371 à 386".
Art. 33. In artikel 56bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 6 januari 2003 en laatstelijk gewijzigd bij wet van 22 juli 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de woorden "in artikel 324bis" worden telkens vervangen door de woorden "in artikel 406";
  2° in het tweede lid, tweede streepje, worden de woorden "in de zin van de artikelen 479, 480 en 481 van het Strafwetboek" opgeheven;
  3° in het derde lid, worden de woorden "boek 2, titel Iter" vervangen door de woorden "boek II, titel 4, hoofdstuk 1".
Art. 33. A l'article 56bis du même Code, inséré par la loi du 6 janvier 2003 et modifié en dernier lieu par la loi du 22 juillet 2018, les modifications suivantes sont apportées:
  1° les mots "à l'article 324bis" sont chaque fois remplacés par les mots "à l'article 406";
  2° dans l'alinéa 2, deuxième tiret, les mots "au sens des articles 479, 480 et 481 du Code pénal" sont abrogés;
  3° dans l'alinéa 3, les mots "livre 2, titre Iter" sont remplacés par les mots "livre II, titre 4, chapitre 1er".
Art. 34. In artikel 61quater, § 3, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 12 maart 1998, worden de woorden "in artikel 507bis" vervangen door de woorden "in artikel 683".
Art. 34. Dans l'article 61quater, § 3, alinéa 2, du même Code, inséré par la loi du 12 mars 1998, les mots "à l'article 507bis" sont remplacés par les mots "à l'article 683".
Art. 35. In artikel 62bis, vierde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 27 maart 1969 en vervangen bij de wet van 27 december 2005, worden de woorden "artikelen 137 tot 141" vervangen door de woorden "artikelen 371 tot 386".
Art. 35. Dans l'article 62bis, alinéa 4, du même Code, inséré par la loi du 27 mars 1969 et remplacé par la loi du 27 décembre 2005, les mots "articles 137 à 141" sont remplacés par les mots "articles 371 à 386".
Art. 36. In artikel 80 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 december 2009, worden de woorden "een geldboete van ten hoogste duizend euro" vervangen door de woorden "de bij de wet bepaalde straf".
Art. 36. Dans l'article 80 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 21 décembre 2009, les mots "une amende qui n'excédera pas mille euros" sont remplacés par les mots "la peine prévue par la loi".
Art. 37. In artikel 86bis, § 2, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 8 april 2002 en gewijzigd bij wet van 5 augustus 2003, worden de woorden "in artikel 324bis" vervangen door de woorden "in artikel 406".
Art. 37. Dans l'article 86bis, § 2, du même Code, inséré par la loi du 8 avril 2002 et modifié par la loi du 5 août 2003, les mots "à l'article 324bis" sont remplacés par les mots "à l'article 406".
Art. 38. In artikel 86ter, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 8 april 2002, worden de woorden "hoofdstuk V van titel III of in hoofdstuk V van titel VIII" vervangen door de woorden "afdeling 3 van hoofdstuk 6 van titel 3 of onderafdeling 2 van afdeling 1 van hoofdstuk 5 van titel 8".
Art. 38. Dans l'article 86ter, alinéa 2, du même Code, inséré par la loi du 8 avril 2002, les mots "au chapitre V du titre III ou au chapitre V du titre VIII" sont remplacés par les mots "à la section 3 du chapitre 6 du titre 3 ou à la sous-section 2 de la section 1re du chapitre 5 du titre 8".
Art. 39. In artikel 86quater van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 8 april 2002, worden de woorden "hoofdstuk V van titel III of in hoofdstuk V van titel VIII" vervangen door de woorden "afdeling 3 van hoofdstuk 6 van titel 3 of onderafdeling 2 van afdeling 1 van hoofdstuk 5 van titel 8".
Art. 39. Dans l'article 86quater du même Code, inséré par la loi du 8 avril 2002, les mots "chapitre V du titre III ou au chapitre V du titre VIII" sont remplacés par les mots "à la section 3 du chapitre 6 du titre 3 ou à la sous-section 2 de la section 1re du chapitre 5 du titre 8".
Art. 40. In artikel 86quinquies, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 8 april 2002 en gewijzigd bij de wet van 5 augustus 2003, worden de woorden "in artikel 324bis" vervangen door de woorden "in artikel 406".
Art. 40. Dans l'article 86quinquies, alinéa 1er, du même Code, inséré par la loi du 8 avril 2002 et modifié par la loi du 5 août 2003, les mots "à l'article 324bis" sont remplacés par les mots "à l'article 406".
Art. 41. In artikel 88quater van hetzelfde Wetboek, wordt paragraaf 3, ingevoegd bij de wet van 28 november 2000, vervangen bij de wet van 25 december 2016 en gewijzigd bij de wet van 6 december 2022, vervangen als volgt:
  "De personen waarvan de medewerking op grond van de paragrafen 1 of 2 wordt gevorderd, zijn verplicht hun medewerking te verlenen.".
Art. 41. Dans l'article 88quater du même Code, le paragraphe 3, inséré par la loi du 28 novembre 2000, remplacé par la loi du 25 décembre 2016 et modifié par la loi du 6 décembre 2022, est remplacé par ce qui suit:
  "Les personnes dont le concours est demandé sur la base des paragraphes 1er ou 2, sont tenues de prêter leur concours.".
Art. 42. In artikel 90ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 30 juni 1994 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 31 juli 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt:
  " § 2. De strafbare feiten die de maatregel bedoeld in paragraaf 1 kunnen wettigen zijn degene die bedoeld worden in:
  1° de artikelen 542 tot 545 en 551 tot 559 van het Strafwetboek;
  2° de artikelen 82 tot 88 van hetzelfde Wetboek en artikel 41 van de wet van 29 maart 2004 betreffende de samenwerking met het Internationaal Strafgerechtshof en de internationale straftribunalen;
  3° boek II, titel 4, hoofdstuk 1, van hetzelfde Wetboek;
  4° artikel 219 van hetzelfde Wetboek indien aan de voorwaarden bedoeld in artikel 230, 1°, van hetzelfde Wetboek is voldaan;
  5° de artikelen 427 en 428 van hetzelfde Wetboek;
  6° de artikelen 439 en 445 van hetzelfde Wetboek;
  7° artikel 451 van hetzelfde Wetboek;
  8° de artikelen 638 en 639 van hetzelfde Wetboek;
  9° de artikelen 342 tot 346 van hetzelfde Wetboek;
  10° de artikelen 406 tot 409 van hetzelfde Wetboek;
  11° de artikelen 231, 232 en 234 van hetzelfde Wetboek, voor zover een klacht is ingediend;
  12° artikel 233 van hetzelfde Wetboek;
  13° de artikelen 226 tot 229 van hetzelfde Wetboek;
  14° de artikelen 134 tot 149 van hetzelfde Wetboek;
  15° artikel 151 van hetzelfde Wetboek;
  16° de artikelen 152 tot 165, 171 en 172, 265, 268 van hetzelfde Wetboek;
  17° artikel 96 van hetzelfde Wetboek;
  18° de artikelen 97 en 98 van hetzelfde Wetboek;
  19° de artikelen 223 tot 225 van hetzelfde Wetboek;
  20° artikel 340 van hetzelfde Wetboek;
  21° artikel 258 tot 261 van hetzelfde Wetboek;
  22° de artikelen 276 tot 284 van hetzelfde Wetboek;
  23° artikel 219 van hetzelfde Wetboek;
  24° de artikelen 467 tot 469 van hetzelfde Wetboek;
  25° boek II, titel 4, hoofdstuk 5, en titel 6, hoofdstuk 1, afdeling 1, onderafdeling 4, van hetzelfde Wetboek;
  26° artikel 487 van hetzelfde Wetboek;
  27° artikel 488 van hetzelfde Wetboek;
  28° artikel 501 van hetzelfde Wetboek wanneer de betrokken zaken werden weggenomen, verduisterd of verkregen door een misdrijf bedoeld in dat artikel;
  29° artikel 502, eerste lid, 1°, 2° en 3°, van hetzelfde Wetboek;
  30° de artikelen 507 en 508 van hetzelfde Wetboek;
  31° artikel 513 van hetzelfde Wetboek, indien de omstandigheden bedoeld in de artikelen 507 of 508 van hetzelfde Wetboek verenigd zijn;
  32° de artikelen 524 tot 533 van hetzelfde Wetboek;
  33° artikel 2bis van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen;
  34° de wet van 28 mei 1956 betreffende ontplofbare en voor de deflagratie vatbare stoffen en mengsels en de daarmede geladen tuigen;
  35° artikel 1 van het koninklijk besluit van 12 april 1974 betreffende sommige verrichtingen in verband met stoffen met hormonale, anti-hormonale, anabole, anti-infectieuze, anti-parasitaire, en anti-inflammatoire werking, welk artikel betrekking heeft op strafbare feiten waarop overeenkomstig de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van de gifstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen straffen worden gesteld;
  36° artikel 10, § 1, 2°, van de wet van 15 juli 1985 betreffende het gebruik bij dieren van stoffen met hormonale, anti-hormonale, bèta-adrenergische of productie-stimulerende werking;
  37° artikel 10 van de wet van 5 augustus 1991 betreffende de in-, uit- en doorvoer van wapens, munitie en speciaal voor militair gebruik dienstig materieel en daaraan verbonden technologie;
  38° artikel 145, § 3, van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie;
  39° de artikelen 8 tot 11, 14, 16, 19, 1°, 2°, 3°, 5° en 6°, 20, 22, 27 en 33 van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens, ook "wapenwet" genoemd;
  40° de artikelen 21 tot 26 van het Samenwerkings-akkoord van 2 maart 2007 tussen de Federale Staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de uitvoering van de overeenkomst tot verbod van de ontwikkeling, de productie, de aanleg van voorraden en het gebruik van chemische wapens en inzake de vernietiging van deze wapens, gedaan te Parijs op 13 januari 1993;
  41° artikel 47 van het decreet van het Vlaams Parlement van 15 juni 2012 betreffende de in-, uit-, doorvoer en overbrenging van defensiegerelateerde producten, ander voor militair gebruik dienstig materiaal, ordehandhavingsmateriaal, civiele vuurwapens, onderdelen en munitie;
  42° artikel 20 van het decreet van het Waals Gewest van 21 juni 2012 betreffende de invoer, uitvoer, doorvoer en overdracht van civiele wapens en van defensiegerelateerde producten;
  43° artikel 42 van de ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk gewest van 20 juni 2013 betreffende de in-, uit-, doorvoer en overbrenging van defensiegerelateerde producten, ander voor militair gebruik dienstig materiaal, ordehandhavingsmateriaal, civiele vuurwapens, onderdelen, toebehoren en munitie ervan;
  2° in paragraaf 4, worden de woorden "artikelen 322 of 323" vervangen door de woorden "artikelen 405 of 407" en worden de woorden "artikel 467, eerste lid," vervangen door de woorden "artikel 466";
  3° in de eerste zin van paragraaf 5, worden de woorden "artikelen 137, 347bis, 434 of 470" vervangen door de woorden "artikelen 219, 226 tot 229, 371 of 464";
  4° in de tweede zin van paragraaf 5, worden de woorden "artikel 137 van het Strafwetboek bedoelde strafbare feit, met uitzondering van het in artikel 137, § 3, 6° " vervangen door de woorden "artikel 371 van het Strafwetboek bedoelde strafbare feit, met uitzondering van het artikel 371, § 3, eerste lid, 6° ".
Art. 42. A l'article 90ter du même Code, inséré par la loi du 30 juin 1994 et modifié en dernier lieu par la loi du 31 juillet 2023, les modifications suivantes sont apportées:
  1° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit:
  " § 2. Les infractions pouvant justifier la mesure visée au paragraphe 1er sont celles qui sont visées:
  1° aux articles 542 à 545 et 551 à 559 du Code pénal;
  2° aux articles 82 à 88 du même Code et à l'article 41 de la loi du 29 mars 2004 concernant la coopération avec la Cour pénale internationale et les tribunaux pénaux internationaux;
  3° au livre II, titre 4, chapitre 1er, du même Code;
  4° à l'article 219 du même Code, si les conditions prévues par l'article 230, 1°, du même Code sont rencontrées;
  5° aux articles 427 et 428 du même Code;
  6° aux articles 439 et 445 du même Code;
  7° à l'article 451 du même Code;
  8° aux articles 638 et 639 du même Code;
  9° aux articles 342 à 346 du même Code;
  10° aux articles 406 à 409 du même Code;
  11° aux articles 231, 232 et 234 du même Code, pour autant qu'une plainte ait été déposée;
  12° à l'article 233 du même Code;
  13° à l'article 226 à 229 du même Code;
  14° aux articles 134 à 149 du même Code;
  15° à l'article 151 du même Code;
  16° aux articles 152 à 165, 171 et 172, 265, 268 du même Code;
  17° à l'article 96 du même Code;
  18° aux articles 97 et 98 du même Code;
  19° aux articles 223 à 225 du même Code;
  20° à l'article 340 du même Code;
  21° aux articles 258 à 261 du même Code;
  22° aux articles 276 à 284 du même Code;
  23° à l'article 219 du même Code;
  24° aux articles 467 à 469 du même Code;
  25° au livre II, titre 4, chapitre 5, et titre 6, chapitre 1er, section 1re, sous-section 4, du même Code;
  26° à l'article 487 du même Code;
  27° à l'article 488 du même Code;
  28° à l'article 501 du même Code lorsque les choses concernées ont été enlevées, détournées ou obtenues à l'aide d'une infraction visée à cet article;
  29° à l'article 502, alinéa 1er, 1°, 2° et 3°, du même Code;
  30° aux articles 507 et 508 du même Code;
  31° à l'article 513 du même Code, si les circonstances visées aux articles 507 ou 508 du même Code sont réunies;
  32° aux articles 524 à 533 du même Code;
  33° à l'article 2bis de la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques et des substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes;
  34° à la loi du 28 mai 1956 relative aux substances et mélanges explosibles ou susceptibles de déflagrer et aux engins qui en sont chargés;
  35° à l'article 1er de l'arrêté royal du 12 avril 1974 relatif à certaines opérations concernant les substances à action hormonale, antihormonale, anabolisante, bêta-adrénergique, anti-infectieuse, antiparasitaire et anti-inflammatoire, article précité visant des infractions punies conformément à la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques et des substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes;
  36° à l'article 10, § 1er, 2°, de la loi du 15 juillet 1985 relative à l'utilisation de substances à effet hormonal, à effet antihormonal, à effet bêta-adrénergique ou à effet stimulateur de production chez les animaux;
  37° à l'article 10 de la loi du 5 août 1991 relative à l'importation, à l'exportation et au transit d'armes, de munitions et de matériel devant servir spécialement à un usage militaire et de la technologie y afférente;
  38° à l'article 145, § 3, de la loi du 13 juin 2005 relative aux communications électroniques;
  39° aux articles 8 à 11, 14, 16, 19, 1°, 2°, 3°, 5° et 6°, 20, 22, 27 et 33 de la loi du 8 juin 2006 réglant des activités économiques et individuelles avec des armes, aussi appelée "Loi sur les armes";
  40° aux articles 21 à 26 de l'Accord de Coopération du 2 mars 2007 entre l'Etat fédéral, la Région flamande, la Région wallonne et la Région de Bruxelles-Capitale relatif à l'exécution de la Convention sur l'interdiction de la mise au point, de la fabrication, du stockage et de l'emploi des armes chimiques et sur leur destruction, faite à Paris le 13 janvier 1993;
  41° à l'article 47 du décret du Parlement flamand du 15 juin 2012 concernant l'importation, l'exportation, le transit et le transfert de produits liés à la défense, d'autre matériel à usage militaire, de matériel de maintien de l'ordre, d'armes à feu civiles, de pièces et de munitions;
  42° à l'article 20 du décret de la Région wallonne du 21 juin 2012 relatif à l'importation, à l'exportation, au transit et au transfert d'armes civiles et de produits liés à la défense;
  43° à l'article 42 de l'ordonnance de la Région de Bruxelles-Capitale du 20 juin 2013 relative à l'importation, à l'exportation, au transit et au transfert de produits liés à la défense, d'autre matériel pouvant servir à un usage militaire, de matériel lié au maintien de l'ordre, d'armes à feu à usage civil, de leurs pièces, accessoires et munitions;
  2° dans le paragraphe 4, les mots "articles 322 ou 323" sont remplacés par les mots "articles 405 ou 407" et les mots "l'article 467, alinéa 1er," sont remplacés par les mots "l'article 466";
  3° dans la première phrase du paragraphe 5, les mots "articles 137, 347bis, 434 ou 470" sont remplacés par les mots "articles 219, 226 à 229, 371 ou 464";
  4° dans la deuxième phrase du paragraphe 5, les mots "l'article 137 du Code pénal, à l'exception de l'infraction visée à l'article 137, § 3, 6° " sont remplacés par les mots "l'article 371 du Code pénal, à l'exception de l'infraction visée à l'article 371, § 3, alinéa 1er, 6° ".
Art. 43. In artikel 90quater van hetzelfde Wetboek ingevoegd bij de wet van 30 juni 1994, vervangen bij de wet van 25 december 2016 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 31 juli 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 2, wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd, luidende:
  "De in het eerste lid genoemde personen zijn verplicht hun medewerking te verlenen. De nadere regels van deze medewerking worden bepaald door de Koning, op voorstel van de minister van Justitie en de minister bevoegd voor Telecommunicatie.";
  2° paragraaf 4, tweede lid, wordt aangevuld met de volgende zin:
  "Zij zijn verplicht hun medewerking te verlenen.".
Art. 43. A l'article 90quater du même Code, inséré par la loi du 30 juin 1994, remplacé par la loi du 25 décembre 2016 et modifié en dernier lieu par la loi du 31 juillet 2023, les modifications suivantes sont apportées:
  1° au paragraphe 2, un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 1er et 2:
  "Les personnes indiquées à l'alinéa 1er sont tenues de prêter leur concours. Les modalités de ce concours sont déterminées par le Roi, sur proposition du ministre de la Justice et du ministre qui a les Télécommunications dans ses attributions.";
  2° le paragraphe 4, alinéa 2, est complété avec la phrase suivante:
  "Elles sont tenues de prêter leur concours.".
Art. 44. In artikel 91bis, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 13 april 1995 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 maart 2022, worden de woorden "artikelen 347bis, 417/7 tot 417/22, 417/24 tot 417/47, 417/52 tot 417/54, 417/56, 433quater/1, 433quater/4, 398 tot 405ter, 409, 410, 422bis, 422ter, 423, 425, 426, 428, 433quinquies tot 433octies van het Strafwetboek, en de artikelen 77bis tot 77quinquies van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen" vervangen door de woorden "artikelen 134 tot 149, 151 tot 174, 183 tot 185, 187, 194 tot 198, 200, 201, 206 tot 211, 223 tot 225, 226 tot 229, 265, 268, 299 tot 304, 328 tot 330, 333 tot 335, 336 en 337 van het Strafwetboek".
Art. 44. Dans l'article 91bis, alinéa 1er, du même Code, rétabli par la loi du 13 avril 1995 et modifié en dernier lieu par la loi du 21 mars 2022, les mots "articles 347bis, 417/7 à 417/22, 417/24 à 417/47, 417/52 à 417/54, 417/56, 433quater/1, 433quater/4, 398 à 405ter, 409, 410, 422bis, 422ter, 423, 425, 426, 428, 433quinquies à 433octies du Code pénal, et aux articles 77bis à 77quinquies de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers" sont remplacés par les mots "articles 134 à 149, 151 à 174, 183 à 185, 187, 194 à 198, 200, 201, 206 à 211, 223 à 225, 226 à 229, 265, 268, 299 à 304, 328 à 330, 333 à 335, 336 et 337 du Code pénal".
Art. 45. In artikel 92, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 28 november 2000, vervangen bij de wet van 30 november 2011 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 maart 2022, worden de woorden "artikelen 417/7 tot 417/19, 417/21, 417/22, 417/24 tot 417/36, 417/38, 417/56 en 409" vervangen door de woorden "artikelen 134 tot 146, 148, 149, 151 tot 163, 165 en 206 tot 211".
Art. 45. Dans l'article 92, § 1er, alinéa 1er, du même Code, rétabli par la loi du 28 novembre 2000, remplacé par la loi du 30 novembre 2011 et modifié en dernier lieu par la loi du 21 mars 2022, les mots "articles 417/7 à 417/19, 417/21, 417/22, 417/24 à 417/36, 417/38, 417/56 et 409" sont remplacés par les mots "articles 134 à 146, 148, 149, 151 à 163, 165 et 206 à 211".
Art. 46. In artikel 104, § 2, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 7 juli 2002 en gewijzigd bij de wet van 5 augustus 2003, worden de woorden "in artikel 324bis" vervangen door de woorden "in artikel 406".
Art. 46. Dans l'article 104, § 2, alinéa 1er, du même Code, inséré par la loi du 7 juillet 2002 et modifié par la loi du 5 août 2003, les mots "à l'article 324bis" sont remplacés par les mots "à l'article 406".
Art. 47. In artikel 111quater, § 1, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 mei 2019, worden de woorden "in artikel 324bis" vervangen door de woorden "in artikel 406".
Art. 47. Dans l'article 111quater, § 1er, alinéa 2, du même Code, inséré par la loi du 5 mai 2019, les mots "à l'article 324bis" sont remplacés par les mots "à l'article 406".
Art. 48. Artikel 112quinquies, § 2, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 25 december 2016, wordt vervangen als volgt:
  " § 2. De misdrijven die de afschermingsmaatregel bedoeld in paragraaf 1 kunnen wettigen, zijn deze bedoeld in:
  -boek II, titel 4, hoofdstuk 1, van het Strafwetboek;
  - de artikelen 405, tweede lid, en 407 tot 409 van hetzelfde Wetboek indien er een redelijk vermoeden bestaat dat de vereniging of organisatie gebruik maakt van intimidatie, bedreiging of geweld;
  - in artikel 405, derde lid, van hetzelfde Wetboek, indien er een redelijk vermoeden bestaat dat de vereniging gebruikt maakt van intimidatie, bedreiging of geweld om misdrijven bedoeld in artikel 90ter, § 2, te plegen.".
Art. 48. L'article 112quinquies, § 2, du même Code, inséré par la loi du 25 décembre 2016, est remplacé par ce qui suit:
  " § 2. Les infractions pouvant justifier la mesure de protection prévue au paragraphe 1er sont celles qui sont visées:
  -au livre II, titre 4, chapitre 1er, du Code pénal;
  - aux articles 405, alinéa 2, et 407 à 409 du même Code, s'il existe une présomption raisonnable que l'association ou l'organisation utilise l'intimidation, la menace ou la violence;
  - à l'article 405, alinéa 3, du même Code, s'il existe une présomption raisonnable que l'association utilise l'intimidation, la menace ou la violence afin de commettre des infractions visées à l'article 90ter, § 2.".
Art. 49. In artikel 138 van hetzelfde Wetboek wordt de bepaling onder 6° bis, ingevoegd bij de wet van 21 februari 1959, vervangen bij de wet van 7 februari 2003 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 december 2009, vervangen als volgt:
  "6° bis. Van de misdrijven bedoeld in de artikelen 106 tot 107 en 217 tot 218 van het Strafwetboek, wanneer de doding, de slagen of verwondingen het gevolg zijn van een verkeersongeval.".
Art. 49. Dans l'article 138 du même Code, le 6° bis, inséré par la loi du 21 février 1959, remplacé par la loi du 7 février 2003 et modifié en dernier lieu par la loi du 30 décembre 2009, est remplacé par ce qui suit:
  "6° bis. Des infractions prévues aux articles 106 à 107 et 217 à 218 du Code pénal, lorsque l'homicide, les coups ou blessures résultent d'un accident de la circulation.".
Art. 50. In artikel 157 van hetzelfde Wetboek wordt het woord "geldboete" vervangen door de woorden "de bij de wet bepaalde straf".
Art. 50. Dans l'article 157 du même Code, le mot "l'amende" est remplacé par les mots "la peine prévue par la loi".
Art. 51. In artikel 184ter, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 10 april 2003, worden de woorden "Artikel 458 van het Strafwetboek" vervangen door de woorden "Artikel 352 van het Strafwetboek".
Art. 51. Dans l'article 184ter, alinéa 2, du même Code, inséré par la loi du 10 avril 2003, les mots "L'article 458 du Code pénal" sont remplacés par les mots "L'article 352 du Code pénal".
Art. 52. In artikel 190, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 maart 2022, worden de woorden "de artikelen 417/7 tot 417/36, 417/38, 417/44, 417/46, 417/47, 417/56, 433quater/1, 433quater/4 of op artikel 433quinquies" vervangen door de woorden "de artikelen 134 tot 163, 165, 171, 173, 174, 187, 265, 268 of op artikel 258".
Art. 52. Dans l'article 190, alinéa 1er, du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 21 mars 2022, les mots "les articles 417/7 à 417/36, 417/38, 417/44, 417/46, 417/47, 417/56, 433quater/1, 433quater/4 ou sur l'article 433quinquies" sont remplacés par les mots "les articles 134 à 163, 165, 171, 173, 174, 187, 265, 268 ou sur l'article 258".
Art. 53. In artikel 195, vierde lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 27 april 1987 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 maart 2022, worden de woorden "in boek II, titel s I, Ibis en Iter, in artikel 417/12, in artikel 394, indien gepleegd ten aanzien van één of meer politieambtenaren wegens hun hoedanigheid, in artikel 417/2, derde lid, 2°, of in artikel 428, § 5," vervangen door de woorden "in boek II, titel I, titel 4, hoofdstuk 1 en titel 8, hoofdstukken 1 tot 3, in artikel 139, in artikel 97, indien gepleegd ten aanzien van één of meer politieambtenaren wegens hun hoedanigheid, in artikel 118, of in artikel 225".
Art. 53. Dans l'article 195, alinéa 4, du même Code, remplacé par la loi du 27 avril 1987 et modifié en dernier lieu par la loi du 21 mars 2022, les mots "dans le livre II, titres Ier, Ierbis et Ierter, dans l'article 417/12, dans l'article 394, s'ils ont été commis à l'égard d'un ou plusieurs fonctionnaires de police en raison de leur qualité, dans l'article 417/2, alinéa 3, 2°, ou dans l'article 428, § 5," sont remplacés par les mots "dans le livre II, titre Ier, titre 4, chapitre 1er et titre 8, chapitres 1er à 3, dans l'article 139, dans l'article 97, s'ils ont été commis à l'égard d'un ou plusieurs fonctionnaires de police en raison de leur qualité, dans l'article 118 ou dans l'article 225".
Art. 54. In artikel 216, § 1, derde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 februari 2016 en gewijzigd bij de wet van 21 maart 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in de bepaling onder 2°, worden de woorden "in de artikelen 417/11 tot 417/22" vervangen door de woorden "in de artikelen 138 tot 149";
  2° in de bepaling onder 3°, worden de woorden "in de artikelen 417/25 tot 417/41, 417/44 tot 417/47, 417/52 en 417/54" vervangen door de woorden "in de artikelen 152 tot 168, 171 tot 174, 183, 185";
  3° in de bepaling onder 4°, worden de woorden "in de artikelen 393 tot 397" worden vervangen door de woorden "in de artikelen 96 tot 98, 100 en 101".
Art. 54. A l'article 216, § 1er, alinéa 3, du même Code, inséré par la loi du 5 février 2016 et modifié par la loi du 21 mars 2022, les modifications suivantes sont apportées:
  1° dans le 2°, les mots "aux articles 417/11 à 417/22" sont remplacés par les mots "aux articles 138 à 149";
  2° dans le 3°, les mots "aux articles 417/25 à 417/41, 417/44 à 417/47, 417/52 et 417/54" sont remplacés par les mots "aux articles 152 à 168, 171 à 174, 183, 185";
  3° dans le 4°, les mots "aux articles 393 à 397" sont remplacés par les mots "aux articles 96 à 98, 100 et 101".
Art. 55. In artikel 216/5, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 22 juli 2018, worden de woorden "titel 1ter van boek 2" telkens vervangen door de woorden "hoofdstuk 1 van titel 4 van boek II".
Art. 55. Dans l'article 216/5, § 1er, alinéa 1er, du même Code, inséré par la loi du 22 juillet 2018, les mots "titre 1ter du livre 2" sont chaque fois remplacés par les mots "chapitre 1er du titre 4 du livre II".
Art. 56. In artikel 216bis, § 2, van hetzelfde Wetboek, worden in het tiende lid, ingevoegd bij de wet van 18 maart 2018, de woorden "in artikel 460ter" vervangen door de woorden "in artikel 669".
Art. 56. Dans l'article 216bis, § 2, du même Code, dans l'alinéa 10, inséré par la loi du 18 mars 2018, les mots "à l'article 460ter" sont remplacés par les mots "à l'article 669".
Art. 57. In artikel 216ter, § 6, zevende lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 10 februari 1994 en vervangen bij de wet van 18 maart 2018, worden de woorden "in artikel 460ter" vervangen door de woorden "in artikel 669".
Art. 57. Dans l'article 216ter, § 6, alinéa 7, du même Code, inséré par la loi du 10 février 1994 et remplacé par la loi du 18 mars 2018, les mots "à l'article 460ter" sont remplacés par les mots "à l'article 669".
Art. 58. In artikel 344, derde lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 21 december 2009 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 maart 2022, worden de woorden "boek II, titel s I, Ibis en Iter, in artikel 417/12, in artikel 394, indien gepleegd ten aanzien van één of meer politieambtenaren wegens hun hoedanigheid, in artikel 417/2, derde lid, 2°, of in artikel 428, § 5, van het Strafwetboek" vervangen door de woorden "in boek II, titel I, titel 4, hoofdstuk 1 en titel 8, hoofdstukken 1 tot 3, in artikel 139, in artikel 97, indien gepleegd ten aanzien van één of meer politieambtenaren wegens hun hoedanigheid, in artikel 118, of in artikel 225 van het Strafwetboek".
Art. 58. Dans l'article 344, alinéa 3, du même Code, remplacé par la loi du 21 décembre 2009 et modifié en dernier lieu par la loi du 21 mars 2022, les mots "livre II, titres Ier, Ierbis et Ierter, dans l'article 417/12, dans l'article 394, s'ils ont été commis à l'égard d'un ou plusieurs fonctionnaires de police en raison de leur qualité, dans l'article 417/2, alinéa 3, 2°, ou dans l'article 428, § 5, du Code pénal" sont remplacés par les mots "dans le livre II, titre Ier, titre 4, chapitre 1er et titre 8, chapitres 1er à 3, dans l'article 139, dans l'article 97, s'ils ont été commis à l'égard d'un ou plusieurs fonctionnaires de police en raison de leur qualité, dans l'article 118 ou dans l'article 225 du Code pénal".
Art. 59. In artikel 464/1, § 5, achtste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 februari 2014 en gewijzigd bij de wet van 5 mei 2019, worden de woorden "overeenkomstig artikel 460ter" vervangen door de woorden "overeenkomstig artikel 669".
Art. 59. Dans l'article 464/1, § 5, alinéa 8, du même Code, inséré par la loi du 11 février 2014, et modifié par la loi du 5 mai 2019, les mots "conformément l'article 460ter" sont remplacés par les mots "conformément à l'article 669".
Art. 60. In artikel 464/12, § 3, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 februari 2014 en gewijzigd bij de wet van 28 november 2021, wordt het eerste lid vervangen als volgt:
  "De in paragraaf 1 bedoelde aangezochte persoon of onderneming is verplicht onverwijld zijn of haar medewerking aan de uitvoering van de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde maatregelen te verlenen.".
Art. 60. Dans l'article 464/12, § 3, du même Code, inséré par la loi du 11 février 2014 et modifié par la loi du 28 novembre 2021, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit:
  "La personne requise ou l'organisme requis visé au paragraphe 1er est tenu de prêter son concours sans délai à l'exécution des mesures visées aux paragraphes 1er et 2.".
Art. 61. In artikel 464/13, § 2, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 februari 2014 en vervangen bij de wet van 25 december 2016, wordt het tweede lid vervangen als volgt:
  "Zij zijn verplicht hun medewerking te verlenen."
Art. 61. Dans l'article 464/13, § 2, du même Code, inséré par la loi du 11 février 2014 et remplacé par la loi du 25 décembre 2016, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit:
  "Elles sont tenues de prêter leur concours."
Art. 62. In artikel 464/27 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 februari 2014 en hersteld bij de wet van 18 maart 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "in de zin van de artikelen 479, 480 en 481 van het Strafwetboek" opgeheven;
  2° in paragraaf 3, eerste lid, 1°, worden de woorden "in artikel 324bis" vervangen door de woorden "in artikel 406".
Art. 62. A l'article 464/27 du même Code, inséré par la loi du 11 février 2014 et rétabli par la loi du 18 mars 2018, les modifications suivantes sont apportées:
  1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots "au sens des articles 479, 480 et 481 du Code pénal" sont abrogés;
  2° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, 1°, les mots "à l'article 324bis" sont remplacés par les mots "à l'article 406".
Art. 63. In artikel 464/31, § 2, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 februari 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in de bepaling onder 1°, worden de woorden "van artikel 507" vervangen door de woorden "van artikel 665";
  2° in de bepaling onder 2°, worden de woorden "van artikel 507, eerste lid" vervangen door de woorden "van artikel 665, eerste lid, 1° ".
Art. 63. A l'article 464/31, § 2, alinéa 2, du même Code, inséré par la loi du 11 février 2014, les modifications suivantes sont apportées:
  1° au 1°, les mots "de l'article 507" sont remplacés par les mots "de l'article 665";
  2° au 2°, les mots "de l'article 507, alinéa 1er" sont remplacés par les mots "de l'article 665, alinéa 1er, 1° ".
Art. 64. In artikel 464/33, § 2, tweede lid, 5°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 februari 2014, worden de woorden "van artikel 507, eerste lid" vervangen door de woorden "van artikel 665, eerste lid, 1° ".
Art. 64. Dans l'article 464/33, § 2, alinéa 2, 5°, du même Code, inséré par la loi du 11 février 2014, les mots "de l'article 507, alinéa 1er" sont remplacés par les mots "de l'article 665, alinéa 1er, 1° ".
Art. 65. In artikel 464/34, § 2, derde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 februari 2014, worden de woorden "van artikel 507, eerste lid" vervangen door de woorden "van artikel 665, eerste lid, 1° ".
Art. 65. Dans l'article 464/34, § 2, alinéa 3, du même Code, inséré par la loi du 11 février 2014, les mots "de l'article 507, alinéa 1er" sont remplacés par les mots "de l'article 665, alinéa 1er, 1° ".
Art. 66. In artikel 520quinquies, § 3, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 mei 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het tweede lid, worden de woorden "in de zin van de artikelen 479, 480 en 481 van het Strafwetboek" opgeheven en worden de woorden "in artikel 324bis" vervangen door de woorden "in artikel 406";
  2° in het derde lid, worden de woorden "in artikel 324bis" vervangen door de woorden "in artikel 406";
  3° in het vierde lid, worden de woorden "artikel 458" vervangen door de woorden "artikel 352".
Art. 66. A l'article 520quinquies, § 3, du même Code, inséré par la loi du 5 mai 2019, les modifications suivantes sont apportées:
  1° dans l'alinéa 2, les mots "au sens des articles 479, 480 et 481 du Code pénal" sont abrogés et les mots "à l'article 324bis" sont remplacés par les mots "à l'article 406";
  2° dans l'alinéa 3, les mots "à l'article 324bis" sont remplacés par les mots "à l'article 406";
  3° dans l'alinéa 4, les mots "à l'article 458" sont remplacés par les mots "à l'article 352".
Art. 67. In artikel 555, § 3, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 22 juni 2005, worden de woorden "Artikel 458 van" vervangen door de woorden "Artikel 352 van".
Art. 67. Dans l'article 555, § 3, alinéa 2, du même Code, rétabli par la loi du 22 juin 2005, les mots "L'article 458 du" sont remplacés par les mots "L'article 352 du".
Art. 68. In artikel 601, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 8 augustus 1997, worden de woorden "Artikel 458 van het Strafwetboek" vervangen door de woorden "Artikel 352 van het Strafwetboek".
Art. 68. Dans l'article 601, alinéa 1er, du même Code, remplacé par la loi du 8 août 1997, les mots "L'article 458 du Code pénal" sont remplacés par les mots "L'article 352 du Code pénal".
Art. 69. In artikel 623, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 7 april 1964 en gewijzigd bij de wet van 8 augustus 1997, worden de woorden "van artikel 489ter" vervangen door de woorden "van artikel 491".
Art. 69. Dans l'article 623, alinéa 1er, du même Code, remplacé par la loi du 7 avril 1964 et modifié par la loi du 8 août 1997, les mots "à l'article 489ter" sont remplacés par les mots "à l'article 491".
Art. 70. In artikel 629, § 3, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 25 december 2016 en gewijzigd bij de wet van 21 maart 2022, worden de woorden "in de artikelen 417/7 tot 417/24, 417/55 en 417/58 van het Strafwetboek of voor feiten bedoeld in de artikelen 417/25 tot 417/48, 417/52 tot 417/54, 417/59, 417/62 en 417/63 van hetzelfde Wetboek" vervangen door de woorden "in de artikelen 134 tot 151, 186 en 189 van het Strafwetboek of voor feiten bedoeld in de artikelen 152 tot 175, 183 tot 185, 190, 191 en 192 van hetzelfde Wetboek".
Art. 70. Dans l'article 629, § 3, alinéa 2, du même Code, remplacé par la loi du 25 décembre 2016 et modifié par la loi du 21 mars 2022, les mots "aux articles 417/7 à 417/24, 417/55 et 417/58 du Code pénal, ou pour des faits visés aux articles 417/25 à 417/48, 417/52 à 417/54, 417/59, 417/62 et 417/63 du même Code" sont remplacés par les mots "aux articles 134 à 151, 186 et 189 du Code pénal, ou pour des faits visés aux articles 152 à 175, 183 à 185, 190, 191 et 192 du même Code".
Afdeling 4. - Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek
Section 4. - Modifications du Code judiciaire
Art. 71. In artikel 32quater/2, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 4 mei 2016, worden de woorden "Artikel 458 van het Strafwetboek" vervangen door de woorden "Artikel 352 van het Strafwetboek".
Art. 71. Dans l'article 32quater/2, § 4, du Code judiciaire, inséré par la loi du 4 mai 2016, les mots "L'article 458 du Code pénal" sont remplacés par les mots "L'article 352 du Code pénal".
Art. 72. In artikel 79 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 18 juli 1991 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 17 februari 2021, worden de woorden "de artikelen 137 tot 141" telkens vervangen door de woorden "de artikelen 371 tot 386".
Art. 72. Dans l'article 79 du même Code, remplacé par la loi du 18 juillet 1991 et modifié en dernier lieu par la loi du 17 février 2021, les mots "aux articles 137 à 141" sont chaque fois remplacés par les mots "aux articles 371 à 386".
Art. 73. In artikel 144ter, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 21 juni 2001 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 3 augustus 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de bepaling onder 1° worden vervangen als volgt:
  "1° de misdrijven welke bedoeld zijn in:
  - de artikelen 542 tot 546 en 551 tot 613 van het Strafwetboek;
  - de artikelen 233, 412 tot 418 en 470 tot 473 van het Strafwetboek;
  - de artikelen 260 en 261 van het Strafwetboek;";
  2° in de bepaling onder 2°, worden de woorden "in boek II, titel Iter" vervangen door de woorden "in boek II, titel 4, hoofdstuk 1";
  3° in de bepaling onder 5°, worden de woorden "in hoofdstuk I van titel VI van boek II" vervangen door de woorden "in hoofdstuk 4 van titel 4 van boek II".
Art. 73. A l'article 144ter, § 1er, du même Code, inséré par la loi du 21 juin 2001 et modifié en dernier lieu par la loi du 3 août 2016, les modifications suivantes sont apportées:
  1° le 1° est remplacé par ce qui suit:
  "1° les infractions visées:
  - aux articles 542 à 546 et 551 à 613 du Code pénal;
  - aux articles 233, 412 à 418 et 470 à 473 du Code pénal;
  - aux articles 260 et 261 Code pénal;";
  2° dans le 2°, les mots "au livre II, titre Iter" sont remplacés par les mots "au livre II, titre 4, chapitre 1er";
  3° dans le 5°, les mots "au chapitre Ier du titre VI du livre II" sont remplacés par les mots "au chapitre 4 du titre 4 du livre II".
Art. 74. In artikel 144quater van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 augustus 2003 en gewijzigd bij de wetten van 30 december 2009 en van 8 mei 2019, worden de woorden "in boek II, titel Ibis, van het Strafwetboek" vervangen door de woorden "in boek II, titel 1, van het Strafwetboek".
Art. 74. Dans l'article 144quater du même Code, inséré par la loi du 5 août 2003 et modifié par les lois du 30 décembre 2009 et du 8 mai 2019, les mots "au livre II, titre Ibis, du Code pénal" sont remplacés par les mots "au livre II, titre 1er, du Code pénal".
Art. 75. In artikel 162, § 2, van hetzelfde Wetboek, worden in het vierde lid, ingevoegd bij de wet van 5 februari 2016, de woorden "op artikel 419, tweede lid," vervangen door de woorden "op artikel 107".
Art. 75. Dans l'article 162, § 2, du même Code, dans l'alinéa 4, inséré par la loi du 5 février 2016, les mots "à l'article 419, alinéa 2," sont remplacés par les mots "à l'article 107".
Art. 76. In artikel 259bis19, § 3, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 22 december 1998, worden de woorden "Artikel 458 van het Strafwetboek" vervangen door de woorden "Artikel 352 van het Strafwetboek".
Art. 76. Dans l'article 259bis19, § 3, du même Code, inséré par la loi du 22 décembre 1998, les mots "L'article 458 du Code pénal" sont remplacés par les mots "L'article 352 du Code pénal".
Art. 77. In artikel 315ter van hetzelfde Wetboek, worden in paragraaf 6, ingevoegd bij de wet van 5 mei 2019 en gewijzigd bij de wet van 28 november 2021, en in paragraaf 7, derde lid, ingevoegd bij de wet van 28 november 2021, de woorden "Artikel 458 van het Strafwetboek" telkens vervangen door de woorden "Artikel 352 van het Strafwetboek".
Art. 77. Dans l'article 315ter du même Code, dans le paragraphe 6, inséré par la loi du 5 mai 2019 et modifié par la loi du 28 novembre 2021, et dans le paragraphe 7, alinéa 3, inséré par la loi du 28 novembre 2021, les mots "L'article 458 du Code pénal" sont chaque fois remplacés par les mots "L'article 352 du Code pénal".
Art. 78. In artikel 434/1, § 6, derde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 mei 2019, worden de woorden "Artikel 458 van het Strafwetboek" vervangen door de woorden "Artikel 352 van het Strafwetboek".
Art. 78. Dans l'article 434/1, § 6, alinéa 3, du même Code, inséré par la loi du 5 mai 2019, les mots "L'article 458 du Code pénal" sont remplacés par les mots "L'article 352 du Code pénal".
Afdeling 5. - Wijzigingen van het Sociaal strafwetboek
Section 5. - Modification du Code pénal social
Afdeling 6. - Wijzigingen van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten
Section 6. - Modifications de la loi du 17 mai 2006 relative au statut juridique externe des personnes condamnées à une peine privative de liberté et aux droits reconnus à la victime dans le cadre des modalités d'exécution de la peine
Art. 97. In artikel 25, § 2, d), van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 4 mei 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
Section 7. - Modifications du Code de droit économique
Afdeling 7. - Wijzigingen van het Wetboek van economisch recht
Section 8. - Modifications de divers textes rendues nécessaires par la réforme du Code pénal
Afdeling 8. - Wijzigingen van verscheidene teksten die nodig zijn wegens de hervorming van het Strafwetboek
CHAPITRE 4. - Dispositions abrogatoires
HOOFDSTUK 4. - Opheffingsbepalingen
CHAPITRE 5. - Disposition d'entrée en vigueur
HOOFDSTUK 5. - Inwerkingtredingsbepaling
-