Zum Hauptinhalt

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
30 JUNI 2023. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 5 december 2003 ter uitvoering van het decreet van 24 januari 2003 houdende bescherming van het roerend cultureel erfgoed van uitzonderlijk belang en het besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit van 20 december 2013, wat betreft de inbetalinggeving van cultuurgoederen ter voldoening van de erfbelasting
Titre
30 JUIN 2023. - Arrêté du Gouvernement flamand modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 décembre 2003 portant exécution du décret du 24 janvier 2003 relatif à la protection du patrimoine culturel mobilier présentant un intérêt exceptionnel et l'arrêté relatif au Code flamand de la Fiscalité du 20 décembre 2013, en ce qui concerne la dation de biens culturels en paiement des droits de succession
Dokumentinformationen
Numac: 2023044041
Datum: 2023-06-30
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2023044041
Date: 2023-06-30
Moniteur: Voir
Tekst (18)
Texte (18)
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse regering van 5 december 2003 ter uitvoering van het decreet van 24 januari 2003 houdende bescherming van het roerend cultureel erfgoed van uitzonderlijk belang
CHAPITRE 1er. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 décembre 2003 portant exécution du décret du 24 janvier 2003 relatif à la protection du patrimoine culturel mobilier présentant un intérêt exceptionnel
Artikel 1. Aan artikel 1 van het besluit van 5 december 2003 van de Vlaamse regering ter uitvoering van het decreet van 24 januari 2003 houdende bescherming van het roerend cultureel erfgoed van uitzonderlijk belang, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 11 september 2015, worden een punt 10° en een punt 11° toegevoegd, die luiden als volgt:
  "10° sleutelwerk: een cultuurgoed dat een bijzondere verrijking kan betekenen voor de volgende collecties:
  a) collecties van collectiebeherende cultureelerfgoedorganisaties die aangewezen zijn als cultureelerfgoedinstellingen met toepassing van artikel 17 van het Cultureelerfgoeddecreet van 23 december 2021;
  b) collecties van collectiebeherende cultureelerfgoedorganisaties die met een kwaliteitslabel ingedeeld zijn bij het landelijke niveau met toepassing van artikel 24 van het Cultureelerfgoeddecreet van 23 december 2021;
  c) collecties van universiteitsarchieven en universiteitsbibliotheken met een kwaliteitslabel met toepassing van artikel 7 van het Cultureelerfgoeddecreet van 23 december 2021;
  11° Vlaamse Belastingdienst: het agentschap dat is opgericht bij het besluit van de Vlaamse Regering van 11 juni 2004 tot oprichting van het agentschap Vlaamse Belastingdienst.".
Article 1er. L'article 1er de l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 décembre 2003 portant exécution du décret du 24 janvier 2003 relatif à la protection du patrimoine culturel mobilier présentant un intérêt exceptionnel, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 septembre 2015, est complété par un point 10° et un point 11°, rédigés comme suit :
  " 10° oeuvre clé : un bien culturel pouvant signifier un enrichissement particulier pour les collections suivantes :
  a) les collections de gestionnaires de collections du patrimoine culturel désignés comme organismes du patrimoine culturel en application de l'article 17 du Décret sur le Patrimoine culturel du 23 décembre 2021 ;
  b) les collections de gestionnaires de collections du patrimoine culturel disposant d'un label de qualité classés au niveau national en application de l'article 24 du Décret sur le Patrimoine culturel du 23 décembre 2021 ;
  c) les collections d'archives et bibliothèques universitaires disposant d'un label de qualité en application de l'article 7 du Décret sur le Patrimoine culturel du 23 décembre 2021 ;
  11° Service flamand des Impôts : l'agence créée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 juin 2004 portant création de l'agence " Vlaamse Belastingdienst " (Service flamand des Impôts). ".
Art. 2. In hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 11 september 2015, wordt een hoofdstuk IX/1, dat bestaat uit een artikel 55/1 tot en met 55/5, ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Hoofdstuk IX/1. Verzoek tot aanvaarding van cultuurgoederen tot betaling van de erfbelasting
Art. 2. Dans le même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 septembre 2015, il est inséré un chapitre IX/1, comprenant les articles 55/1 à 55/5 inclus, rédigés comme suit :
  " Chapitre IX/1. Demande d'acceptation de biens culturels en paiement des droits de succession
Afdeling 1. - Verzoek tot aanvaarding van cultuurgoederen tot betaling van de erfbelasting voorafgaand aan het openvallen van een nalatenschap1. §
Section 1re. - Demande d'acceptation de biens culturels en paiement des droits de succession préalablement à l'ouverture d'une succession1.
Art. 55/1. Het verzoek, voorafgaand aan het openvallen van een nalatenschap, vermeld in artikel 18bis van het decreet, wordt met een brief of een e-mail ingediend bij de Raad.
  § 2. Een verzoek als vermeld in paragraaf 1, is volledig als het al de volgende informatie bevat:
  1° de naam, het adres en de contactgegevens van de aanvrager;
  2° een toereikende identificatie van het cultuurgoed, met inbegrip van toereikend beeldmateriaal;
  3° de herkomst- en eigendomsgeschiedenis van de cultuurgoederen als die bekend is;
  4° een verklaring op erewoord dat, bij weten van de aanvrager, het cultuurgoed niet is uitgevoerd in overtreding met een beschermingswetgeving van een andere overheid.
  Als de aanvrager dat wil, kan hij in het verzoek, vermeld in paragraaf 1, de volgende bijkomende informatie opnemen:
  1° de reden waarom hij meent dat het cultuurgoed een topstuk is als vermeld in artikel 2bis van het decreet, of een sleutelwerk;
  2° welke bestemming hij voor het cultuurgoed voorstelt.
  Als een verzoek als vermeld in paragraaf 1, conform het eerste lid, onvolledig is, brengt de administratie de aanvrager daarvan op de hoogte en nodigt ze hem uit om alsnog de ontbrekende informatie te bezorgen.
  § 3. Om het advies, vermeld in paragraaf 6, te formuleren, kan de Raad een beroep doen op externe deskundigen. De kosten van externe deskundigen zijn ten laste van de Vlaamse Gemeenschap.
  § 4. Nadat de Raad het verzoek, vermeld in paragraaf 1, heeft ontvangen, kan de Raad vragen dat de cultuurgoederen worden getoond aan de Raad of ter beschikking worden gesteld van de externe deskundigen die de Raad heeft aangewezen, voor nader onderzoek naar de echtheid en naar de bewaartoestand ervan. De kosten die verbonden zijn aan het voormelde nader onderzoek, zijn ten laste van de Vlaamse Gemeenschap.
  § 5. Als het verzoek, vermeld in paragraaf 1, verschillende individuele voorwerpen betreft, formuleert de Raad een advies over elk voorwerp afzonderlijk.
  Als het verzoek, vermeld in paragraaf 1, een verzameling betreft, geeft de Raad een advies over het geheel van de verzameling. Als de Raad van mening is dat de aangeboden verzameling geen topstuk of sleutelwerk is, maar wel een of meer topstukken als vermeld in artikel 2bis van het decreet, of een of meer sleutelwerken bevat, kan de Raad adviseren om niet de verzameling maar de cultuurgoederen te aanvaarden die de Raad als topstukken als vermeld in artikel 2bis van het decreet, of als sleutelwerken ïdentificeert.
  § 6. De Raad formuleert een advies uiterlijk drie maanden na de dag waarop een volledig dossier is ingediend.
  Als de Raad van mening is dat het aangeboden cultuurgoed beschouwd moet worden als topstuk of als sleutelwerk, geeft de Raad ook een advies over de bestemming van dat cultuurgoed.
  De Raad brengt de minister en de Vlaamse minister, bevoegd voor de fiscaliteit, op de hoogte van zijn advies.
  De minister legt het verzoek, vermeld in paragraaf 1, samen met het voormelde advies van de Raad voor aan de Vlaamse Regering met het oog op een beslissing als vermeld in artikel 18bis, derde lid, van het decreet.
Art. 55/1. § 1er. La demande, préalablement à l'ouverture d'une succession, visée à l'article 18bis du décret, est introduite par lettre ou par e-mail auprès du Conseil.
  § 2. Une demande telle que visée au paragraphe 1er, est complète si elle contient les informations suivantes :
  1° le nom, l'adresse et les coordonnées du demandeur ;
  2° une identification suffisante du bien culturel, y compris un matériel graphique suffisant ;
  3° l'origine et l'historique de propriété des biens culturels s'ils sont connus ;
  4° une déclaration sur l'honneur que, à la connaissance du demandeur, le bien culturel n'a pas été effectué en violation d'une législation de protection d'une autre autorité.
  Si le demandeur le souhaite, il peut reprendre les informations complémentaires suivantes dans la demande, visée au paragraphe 1er :
  1° la raison pour laquelle il estime que le bien culturel est une pièce maîtresse telle que visée à l'article 2bis du décret, ou une oeuvre clé ;
  2° la destination qu'il propose pour le bien culturel.
  Si une demande telle que visée au paragraphe 1er, conformément à l'alinéa 1er, est incomplète, l'administration en informe le demandeur et l'invite à fournir les informations manquantes.
  § 3. Pour formuler l'avis visé au paragraphe 6, le Conseil peut faire appel à des experts externes. Les coûts d'experts externes sont à charge de la Communauté flamande.
  § 4. Après que le Conseil a reçu la demande, visée au paragraphe 1er, le Conseil peut demander que les biens culturels soient montrés au Conseil ou mis à disposition des experts externes désignés par le Conseil, pour un examen plus approfondi de leur authenticité et de leur état de conservation. Les coûts afférents à l'examen plus approfondi précité sont à charge de la Communauté flamande.
  § 5. Si la demande, visée au paragraphe 1er, concerne différents objets individuels, le Conseil formule un avis pour chaque objet séparément.
  Si la demande, visée au paragraphe 1er, concerne une collection, le Conseil donne un avis sur l'ensemble de la collection. Si le Conseil estime que la collection proposée n'est pas une pièce maîtresse ou une oeuvre clé, mais contient une ou plusieurs pièces maîtresses telles que visées à l'article 2bis du décret, ou une ou plusieurs oeuvres clés, le Conseil peut conseiller d'accepter non pas la collection mais les biens culturels que le Conseil identifie comme pièces maîtresses telles que visées à l'article 2bis du décret ou comme oeuvres clés.
  § 6. Le Conseil formule un avis au plus tard trois mois suivant le jour où un dossier complet a été introduit.
  Si le Conseil estime que le bien culturel proposé doit être considéré comme une pièce maîtresse ou comme une oeuvre clé, le Conseil donne également un avis sur la destination de ce bien culturel.
  Le Conseil informe le ministre et le ministre flamand, qui a la fiscalité dans ses attributions, de son avis.
  Le ministre soumet la demande, visée au paragraphe 1er, ainsi que l'avis précité du Conseil au Gouvernement flamand en vue d'une décision telle que visée à l'article 18bis, alinéa 3, du décret.
Art. 55/2. De Vlaamse Regering beslist of de aangeboden cultuurgoederen gelden als een topstuk of sleutelwerk en ook over de bestemming als de inbetalinggeving wordt aanvaard.
  De administratie brengt de aanvragers op de hoogte van de beslissing van de Vlaamse Regering.
Art. 55/2. Le Gouvernement flamand décide si les biens culturels proposés sont une pièce maîtresse ou une oeuvre clé, et de la destination si la dation en paiement est acceptée.
  L'administration informe les demandeurs de la décision du Gouvernement flamand.
Afdeling 2. - Verzoek tot aanvaarding van cultuurgoederen tot betaling van de erfbelasting na het openvallen van een nalatenschap
Section 2. - Demande d'acceptation de biens culturels en paiement des droits de succession après l'ouverture d'une succession
Art. 55/3. § 1. Ter uitvoering van artikel 18ter van het decreet formuleert de Raad een advies als vermeld in artikel 18ter van het decreet, na de kennisgeving aan de Raad door de Vlaamse Belastingdienst van het verzoek tot inbetalinggeving, vermeld in artikel 3.4.3.0.2, § 3, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 20 december 2013.
  § 2. Om het advies, vermeld in paragraaf 1, te formuleren, kan de Raad een beroep doen op externe deskundigen. De kosten van de externe deskundigen zijn ten laste van de Vlaamse Gemeenschap.
  § 3. De Raad kan de aanvragers van het verzoek tot inbetalinggeving, vermeld in paragraaf 1, vragen dat de cultuurgoederen worden getoond aan de Raad of ter beschikking worden gesteld van de externe deskundigen die de Raad heeft aangewezen, voor nader onderzoek naar de echtheid en naar de bewaartoestand ervan. De kosten die verbonden zijn aan het voormelde nader onderzoek, zijn ten laste van de Vlaamse Gemeenschap.
  § 4. Als het verzoek tot inbetalinggeving, vermeld in paragraaf 1, verschillende individuele voorwerpen betreft, formuleert de Raad een advies over elk voorwerp afzonderlijk.
  Als het verzoek tot inbetalinggeving, vermeld in paragraaf 1, een verzameling betreft, geeft de Raad een advies over het geheel van de verzameling. Als de Raad van mening is dat de aangeboden verzameling geen topstuk als vermeld in artikel 2bis van het decreet, of sleutelwerk is, maar wel een of meer topstukken als vermeld in artikel 2bis van het decreet, of een of meer sleutelwerken bevat, kan de Raad adviseren om niet de verzameling maar de cultuurgoederen te aanvaarden die de Raad als topstukken als vermeld in artikel 2bis van het decreet, of sleutelwerken identificeert.
  § 5. Om een advies als vermeld in artikel 55/4, te formuleren, kan de Raad in overleg treden met de aanvragers van het verzoek tot inbetalinggeving, vermeld in paragraaf 1.
  § 6. De administratie kan met het oog op de mogelijke uitbetaling van het saldo, vermeld in artikel 18quater, tweede lid, van het decreet, ter voorbereiding van de beslissing van de Vlaamse Regering, vermeld in artikel 18ter, derde of vijfde lid, van het decreet, in onderhandeling treden met de erfgoedinstelling of haar inrichtende macht waarvoor de aangeboden cultuurgoederen als een sleutelwerk voor de collectie gelden.
Art. 55/3. § 1er. En exécution de l'article 18ter du décret, le Conseil formule un avis tel que visé à l'article 18ter du décret, après la notification au Conseil par le Service flamand des Impôts de la demande de dation en paiement, visée à l'article 3.4.3.0.2, § 3 du Code flamand de la Fiscalité du 20 décembre 2013.
  § 2. Pour formuler l'avis visé au paragraphe 1er, le Conseil peut faire appel à des experts externes. Les coûts des experts externes sont à charge de la Communauté flamande.
  § 3. Le Conseil peut demander aux demandeurs de la demande de dation, visée au paragraphe 1er, que les biens culturels soient montrés au Conseil ou mis à disposition des experts externes désignés par le Conseil, pour un examen plus approfondi de leur authenticité et de leur état de conservation. Les coûts afférents à l'examen plus approfondi précité sont à charge de la Communauté flamande.
  § 4. Si la demande de dation en paiement, visée au paragraphe 1er, concerne différents objets individuels, le Conseil formule un avis pour chaque objet séparément.
  Si la demande de dation en paiement, visée au paragraphe 1er, concerne une collection, le Conseil donne un avis sur l'ensemble de la collection. Si le Conseil estime que la collection proposée n'est pas une pièce maîtresse telle que visée à l'article 2bis du décret ou une oeuvre clé, mais contient une ou plusieurs pièces maîtresses telles que visées à l'article 2bis du décret, ou une ou plusieurs oeuvres clés, le Conseil peut conseiller d'accepter non pas la collection mais les biens culturels que le Conseil identifie comme pièces maîtresses telles que visées à l'article 2bis du décret ou comme oeuvres clés.
  § 5. Pour formuler un avis tel que visé à l'article 55/4, le Conseil peut se concerter avec les demandeurs de la demande de dation en paiement, visée au paragraphe 1er.
  § 6. En vue du paiement possible du solde, visé à l'article 18quater, alinéa 2, du décret, en préparation de la décision du Gouvernement flamand, visée à l'article 18ter, alinéa 3 ou 5, du décret, l'administration peut entrer en négociation avec l'organisme du patrimoine ou son pouvoir organisateur pour la collection duquel les biens culturels proposés constituent une oeuvre clé.
Art. 55/4. De Raad formuleert een advies uiterlijk drie maanden na de kennisgeving van het verzoek door de Vlaamse Belastingdienst.
  De Raad brengt de minister en de Vlaamse minister, bevoegd voor de fiscaliteit, op de hoogte van zijn advies.
  De minister en de Vlaamse minister, bevoegd voor de fiscaliteit, leggen het verzoek tot inbetalinggeving, vermeld in paragraaf 1, samen met het advies van de Raad, vermeld in het eerste lid, voor aan de Vlaamse Regering met het oog op een beslissing als vermeld in artikel 18ter, derde of vijfde lid, van het decreet.
Art. 55/4. Le Conseil formule un avis au plus tard trois mois suivant la notification de la demande par le Service flamand des Impôts.
  Le Conseil informe le ministre et le ministre flamand, qui a la fiscalité dans ses attributions, de son avis.
  Le ministre et le ministre flamand qui a la fiscalité dans ses attributions soumettent la demande de dation en paiement, visée au paragraphe 1er, ainsi que l'avis du Conseil, visé à l'alinéa 1er, au Gouvernement flamand en vue d'une décision telle que visée à l'article 18ter, alinéa 3 ou 5, du décret.
Art. 55/5. De aanvragers leveren de cultuurgoederen aan de ontvanger die de administratie daarvoor heeft aangewezen, binnen twee maanden vanaf de datum van de beslissing van de Vlaamse Regering, vermeld in artikel 18ter, derde of vijfde lid, van het decreet. De voormelde ontvanger bevestigt schriftelijk de ontvangst van de cultuurgoederen.
  De eigendom en het risico van de in betaling gegeven cultuurgoederen gaan over op het moment dat de ontvanger, vermeld in het eerste lid, de cultuurgoederen heeft ontvangen.
  De kosten die verbonden zijn aan de levering, worden gedragen door de Vlaamse Gemeenschap.
  De ontvanger, vermeld in het eerste lid, bevestigt de levering van de cultuurgoederen aan de administratie.
  De administratie brengt de Vlaamse Belastingdienst op de hoogte van de levering of de niet tijdige levering van de cultuurgoederen en ook van een relevante wijziging of beschadiging van de cultuurgoederen.".
Art. 55/5. Les demandeurs remettent les biens culturels au receveur désigné à cet effet par l'administration, dans les deux mois suivant la date de la décision du Gouvernement flamand, visée à l'article 18ter, alinéa 3 ou 5, du décret. Le receveur précité confirme par écrit la réception des biens culturels.
  La propriété et le risque des biens culturels donnés en paiement sont transférés au moment où le receveur, visé à l'alinéa 1er, a réceptionné les biens culturels.
  Les coûts afférents à la livraison sont supportés par la Communauté flamande.
  Le receveur, visé à l'alinéa 1er, confirme la livraison des biens culturels à l'administration.
  L'administration informe le Service flamand des Impôts de la livraison ou de la livraison tardive des biens culturels, ainsi que d'une modification ou d'un endommagement pertinent des biens culturels. ".
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit van 20 december 2013
CHAPITRE 2. - Modifications de l'arrêté relatif au Code flamand de la Fiscalité du 20 décembre 2013
Art. 3. Artikel 3.4.3.0.3 van het besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit van 20 december 2013, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 2014, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 3.4.3.0.3. § 1. Het verzoek tot inbetalinggeving, vermeld in artikel 3.4.3.0.2, § 1, eerste lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wordt met een brief of met een e-mail ingediend bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie vóór de aangifte en uiterlijk vóór een van de volgende termijnen is verstreken:
  1° de aangiftetermijn, vermeld in artikel 3.3.1.0.5, § 2, en artikel 3.3.1.0.6 van de voormelde codex;
  2° de aangiftetermijn die conform artikel 3.3.1.0.7 van de voormelde codex is verlengd.
  § 2. Het verzoek tot inbetalinggeving, vermeld in artikel 3.4.3.0.2, § 1, eerste lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, vermeldt al de volgende gegevens:
  1° de volgende gegevens van de erflater:
  a) het rijksregisternummer of het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid;
  b) de voornamen en de achternaam;
  c) de laatste fiscale woonplaats;
  d) de plaats en de datum van overlijden;
  2° de volgende gegevens van de aanvragers:
  a) hetzij het rijksregisternummer of het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, de voornamen, de achternaam en de woonplaats van iedere aanvrager;
  b) hetzij het ondernemingsnummer dat bekend is bij de Kruispuntbank van Ondernemingen, de naam en zetel van de aanvrager, de titel krachtens welke ze tot de nalatenschap komen en de vermelding of ze al dan niet gehouden zijn tot de indiening van de aangifte van nalatenschap;
  3° de keuze van de woonplaats in België van een van de aanvragers als plaats waarnaar alle kennisgevingen aan en communicatie met de aanvragers kunnen worden gestuurd;
  4° een beschrijving van ieder cultuurgoed waarop het voormelde verzoek tot inbetalinggeving betrekking heeft waarvan de inbetalinggeving wordt gevraagd;
  5° de uitdrukkelijke bevestiging dat ieder cultuurgoed dat het voorwerp uitmaakt van het voormelde verzoek tot inbetalinggeving, voldoet aan de eigendomsvoorwaarde, vermeld in artikel 3.4.3.0.2, § 1, tweede lid, van de voormelde codex, met specificatie van de wijze waarop de titel van eigendom van de aanvragers tot stand is gekomen.
  Als de aanvragers dat willen, kunnen ze in het voormelde verzoek de volgende bijkomende informatie opnemen:
  1° de redenen waarom ze menen dat het cultuurgoed een topstuk is als vermeld in artikel 2bis van het decreet van 24 januari 2003 houdende bescherming van het roerend cultureel erfgoed van uitzonderlijk belang, of een sleutelwerk;
  2° welke bestemming ze voor het cultuurgoed voorstellen.
  De aanvragers ondertekenen het voormelde verzoek tot inbetalinggeving en verklaren dat ze gerechtigd zijn om ieder cultuurgoed dat het voorwerp uitmaakt van het verzoek tot inbetalinggeving, voor de geheelheid in volle eigendom af te geven ter betaling van de erfbelasting en toebehoren. Als niet elke mede-eigenaar aanvrager is van het verzoek tot inbetalinggeving, brengen de aanvragers daarvoor de nodige bewijsstukken aan.
  § 3. Het verzoek tot inbetalinggeving, vermeld in artikel 3.4.3.0.2, § 1, eerste lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, bevat ook een bijgevoegd dossier met daarin al de volgende elementen:
  1° beeldmateriaal voor een identificatie van de cultuurgoederen;
  2° de herkomst- en eigendomsgeschiedenis van de cultuurgoederen als die bekend is;
  3° een verklaring op erewoord dat, bij weten van de aanvragers, het cultuurgoed niet is uitgevoerd in overtreding met een beschermingswetgeving van een andere overheid;
  4° in voorkomend geval de beslissing van de Vlaamse Regering dat de cultuurgoederen behoren tot een van de categorieën, vermeld in artikel 3.4.3.0.2, § 1, eerste lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 en over de bestemming van die cultuurgoederen, vermeld in artikel 18bis, eerste lid, van het decreet van 24 januari 2003 houdende bescherming van het roerend cultureel erfgoed van uitzonderlijk belang;
  § 4. Als het verzoek tot inbetalinggeving of het bijgevoegde dossier, vermeld in paragraaf 2 en 3, conform paragraaf 2 en 3 onvolledig is, vraagt de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie de nodige aanvullingen op bij de aanvragers.
  § 5. In de volgende gevallen beslist de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie dat het verzoek tot inbetalinggeving, vermeld in artikel 3.4.3.0.2, § 1, eerste lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, onontvankelijk is:
  1° het verzoek voldoet niet aan de vereisten, vermeld in paragraaf 2 en 3;
  2° de aanvragers leveren de aanvullingen, vermeld in paragraaf 4, niet binnen dertig dagen, te rekenen vanaf de datum van het verzoek tot aanvulling, vermeld in paragraaf 4;
  3° het verzoek tot inbetalinggeving is laattijdig ingediend conform paragraaf 1.
  § 6. Als het verzoek tot inbetalinggeving, vermeld in artikel 3.4.3.0.2, § 1, eerste lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, ontvankelijk is, bezorgt de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het verzoek binnen vijftien dagen aan de Raad vermeld in artikel 2, 4°, van het decreet van 24 januari 2003 houdende bescherming van het roerend cultureel erfgoed van uitzonderlijk belang en brengt hij de aanvragers daarvan op de hoogte.".
Art. 3. L'article 3.4.3.0.3 de l'arrêté relatif au Code flamand de la Fiscalité du 20 décembre 2013, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 décembre 2014, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 3.4.3.0.3. § 1er. La demande de dation en paiement, visée à l'article 3.4.3.0.2, § 1er, alinéa 1er, du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013, est introduite par lettre ou par e-mail auprès de l'entité compétente de l'administration flamande avant la déclaration et au plus tard avant l'expiration de l'un des délais suivants :
  1° le délai de déclaration, visé à l'article 3.3.1.0.5, § 2, et à l'article 3.3.1.0.6 du code précité ;
  2° le délai de déclaration qui est prolongé conformément à l'article 3.3.1.0.7 du code précité.
  § 2. La demande de dation en paiement, visée à l'article 3.4.3.0.2, § 1er, alinéa 1er, du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013, mentionne toutes les données suivantes :
  1° les informations suivantes du testateur :
  a) le numéro du registre national ou le numéro d'identification, visé à l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale ;
  b) les nom et prénoms ;
  c) le dernier domicile fiscal ;
  d) le lieu et la date du décès ;
  2° les données suivantes des demandeurs :
  a) soit le numéro du registre national ou le numéro d'identification, visé à l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale, les prénoms, le nom de famille et le domicile de chaque demandeur ;
  b) soit le numéro d'entreprise qui est connu à la Banque-Carrefour des Entreprises, le nom et le siège des demandeurs, le titre en vertu duquel ils ont droit à la succession et la mention s'ils sont tenus ou non au dépôt de la déclaration de succession ;
  3° le choix du domicile en Belgique de l'un des demandeurs comme lieu auquel toutes les notifications et communications avec les demandeurs peuvent être envoyées ;
  4° une description de chaque bien culturel auquel a trait la demande de dation en paiement précitée, dont la dation en paiement est demandée ;
  5° la confirmation expresse que chaque bien culturel qui fait l'objet de la demande de dation en paiement précitée, remplit les conditions de propriété, visées à l'article 3.4.3.0.2, § 1er, alinéa 2, du code précité, en précisant la manière dont le titre de propriété des demandeurs a été réalisé.
  Si les demandeurs le souhaitent, ils peuvent reprendre les informations complémentaires suivantes dans la demande précitée :
  1° les raisons pour lesquelles ils estiment que le bien culturel est une pièce maîtresse telle que visée à l'article 2bis du décret du 24 janvier 2003 relatif à la protection du patrimoine culturel mobilier présentant un intérêt exceptionnel, ou une oeuvre clé ;
  2° la destination qu'ils proposent pour le bien culturel.
  Les demandeurs signent la demande de dation en paiement précitée et déclarent qu'ils sont habilités à donner chaque bien culturel qui fait l'objet de la demande de dation, pour la totalité en pleine propriété, en paiement des droits de succession et accessoires. Si tout copropriétaire n'est pas demandeur de la demande de dation en paiement, les demandeurs en fournissent les pièces justificatives nécessaires.
  § 3. La demande de dation en paiement, visée à l'article 3.4.3.0.2, § 1er, alinéa 1er, du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013, contient aussi un dossier joint avec tous les éléments suivants :
  1° du matériel graphique pour une identification des biens culturels ;
  2° l'origine et l'historique de propriété des biens culturels s'ils sont connus ;
  3° une déclaration sur l'honneur que, à la connaissance des demandeurs, le bien culturel n'a pas été effectué en violation d'une législation de protection d'une autre autorité ;
  4° le cas échéant, la décision du Gouvernement flamand que les biens culturels font partie de l'une des catégories, visées à l'article 3.4.3.0.2, § 1er, alinéa 1er, du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013 et sur la destination de ces biens culturels, visée à l'article 18bis, alinéa 1er, du décret du 24 janvier 2003 relatif à la protection du patrimoine culturel mobilier présentant un intérêt exceptionnel ;
  § 4. Si la demande de dation en paiement ou le dossier joint, visés au paragraphe 2 et 3, est incomplet conformément aux paragraphes 2 et 3, l'entité compétente de l'administration flamande demande les compléments nécessaires aux demandeurs.
  § 5. Dans les cas suivants, l'entité compétente de l'administration flamande décide que la demande de dation en paiement, visée à l'article 3.4.3.0.2, § 1er, alinéa 1er, du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013, est irrecevable :
  1° la demande ne répond pas aux exigences, visées aux paragraphes 2 et 3 ;
  2° les demandeurs ne fournissent pas les compléments, visés au paragraphe 4, dans les trente jours, à compter de la date de la demande de complément, visée au paragraphe 4 ;
  3° la demande de dation en paiement a été introduite tardivement conformément au paragraphe 1er.
  § 6. Si la demande de dation en paiement, visée à l'article 3.4.3.0.2, § 1er, du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013, est irrecevable, l'entité compétente de l'administration flamande remet la demande dans les quinze jours au Conseil visé à l'article 2, 4°, du décret du 24 janvier 2003 relatif à la protection du patrimoine culturel mobilier présentant un intérêt exceptionnel et il en informe les demandeurs. ".
Art. 4. Artikel 3.4.3.0.4 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 2014, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 3.4.3.0.4. De bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie brengt de aanvragers op de hoogte van de beslissing van de Vlaamse Regering, vermeld in artikel 18ter van het decreet van 24 januari 2003 houdende bescherming van het roerend cultureel erfgoed van uitzonderlijk belang.
  De aanvragers kunnen hun verzoek tot inbetalinggeving, vermeld in artikel 3.4.3.0.2, § 1, eerste lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, volledig of gedeeltelijk intrekken uiterlijk tot vijftien dagen vanaf de kennisgeving. De aanvragers brengen de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie met een brief of een e-mail op de hoogte van de voormelde intrekking.
  Het ogenblik van levering, vermeld in artikel 55/5, eerste lid, van het besluit van 5 december 2003 van de Vlaamse Regering ter uitvoering van het decreet van 24 januari 2003 houdende bescherming van het roerend cultureel erfgoed van uitzonderlijk belang, geldt als datum van betaling van de erfbelasting en toebehoren in het kader van de nalatenschap die op het voormelde ogenblik van de levering verschuldigd is en waarvoor het voormelde verzoek tot inbetalinggeving is ingediend voor het bedrag van de waarde, vermeld in artikel 18quater van het decreet van 24 januari 2003 houdende bescherming van het roerend cultureel erfgoed van uitzonderlijk belang, in voorkomend geval verminderd met het saldo, vermeld in het artikel 18quater van het voormelde decreet.
  Als de aanvragers nalaten de cultuurgoederen te leveren conform artikel 55/5, eerste lid, van het besluit van 5 december 2003 van de Vlaamse Regering ter uitvoering van het decreet van 24 januari 2003 houdende bescherming van het roerend cultureel erfgoed van uitzonderlijk belang of als er een relevante wijziging of beschadiging van de cultuurgoederen plaatsvindt tussen het tijdstip van de indiening van het verzoek tot inbetalinggeving en het tijdstip van de levering, betalen de aanvragers na de kennisgeving van de niet-levering of van de wijziging of beschadiging van de cultuurgoederen de verschuldigde erfbelasting en toebehoren aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie op een van de wijzen, vermeld in artikel 3.4.3.0.1 van dit besluit.".
Art. 4. L'article 3.4.3.0.4 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 décembre 2014, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 3.4.3.0.4. L'entité compétente de l'administration flamande informe les demandeurs de la décision du Gouvernement flamand, visée à l'article 18ter du décret du 24 janvier 2003 relatif à la protection du patrimoine culturel mobilier présentant un intérêt exceptionnel.
  Les demandeurs peuvent retirer totalement ou partiellement leur demande de dation en paiement, visée à l'article 3.4.3.0.2, § 1er, alinéa 1er, du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013, jusqu'à quinze jours à partir de la notification. Les demandeurs informent l'entité compétente de l'administration flamande par lettre ou par e-mail du retrait précité.
  Le moment de la livraison, visé à l'article 55/5, alinéa 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 décembre 2003 en exécution du décret du 24 janvier 2003 relatif à la protection du patrimoine culturel mobilier présentant un intérêt exceptionnel, est considéré comme la date de paiement des droits de succession et accessoires dans le cadre de la succession qui sont dus au moment précité de la livraison et pour lesquels la demande de dation en paiement précitée a été introduite pour le montant de la valeur, visée à l'article 18quater du décret du 24 janvier 2003 relatif à la protection du patrimoine culturel mobilier présentant un intérêt exceptionnel, le cas échéant sous déduction du solde, visé à l'article 18 quater du décret précité.
  Si les demandeurs omettent de livrer les biens culturels conformément à l'article 55/5, alinéa 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 décembre 2003 en exécution du décret du 24 janvier 2003 relatif à la protection du patrimoine culturel mobilier présentant un intérêt exceptionnel ou si une modification ou un endommagement pertinent des biens culturels se produit entre le moment de l'introduction de la demande de dation en paiement et le moment de la livraison, les demandeurs paient, après la notification de non-livraison ou de modification ou endommagement des biens culturels, les droits de succession et accessoires dus à l'entité compétente de l'administration flamande de l'une des manières visées à l'article 3.4.3.0.1 du présent arrêté. ".
Art. 5. Artikel 3.4.3.0.5 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 2014, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 3.4.3.0.5. Als de Vlaamse Regering beslist dat het cultuurgoed in betaling mag worden gegeven en het cultuurgoed deel uitmaakt van de nalatenschap, wordt het bedrag van de erfbelasting en toebehoren, verschuldigd door de erfgenamen, legatarissen of begiftigden van het cultuurgoed, geacht te zijn voldaan naar evenredigheid van ieders aandeel in de eigendom van het cultuurgoed na de devolutie, tenzij voormelde erfgenamen, legatarissen of begiftigden voor een andere aanrekening opteren.
  Als het cultuurgoed op de dag van het overlijden in het geheel toebehoort aan de overlevende echtgenoot of aan de wettelijk samenwonende partner of aan de erfgenamen, legatarissen of begiftigden, wordt het bedrag van de erfbelasting en toebehoren, verschuldigd door de aanvragers, geacht te zijn voldaan naar evenredigheid van ieders aandeel in de eigendom van het cultuurgoed, tenzij de aanvragers voor een andere aanrekening opteren.
  Behalve als de Vlaamse Regering conform artikel 18quater van het decreet van 24 januari 2003 houdende bescherming van het roerend cultureel erfgoed van uitzonderlijk belang beslist tot uitbetaling van het saldo, wordt in geval van het verstrijken van de termijn tot intrekking, vermeld in artikel 3.4.3.0.4, tweede lid, van dit besluit, en als de aanvragers daarvoor opteren, het eventuele saldo toegerekend op de erfbelasting en toebehoren, berekend ten laste van andere bij naam genoemde erfgenamen, legatarissen of begiftigden. Als er na de voormelde toerekening nog een saldo overblijft, wordt dat toegerekend op na te vorderen erfbelasting en toebehoren ten laste van de aanvragers en, in voorkomend geval, op na te vorderen erfbelasting en toebehoren ten laste van de andere bij naam genoemde erfgenamen, legatarissen of begiftigden.".
Art. 5. L'article 3.4.3.0.5 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 décembre 2014, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 3.4.3.0.5. Si le Gouvernement flamand décide que le bien culturel peut être donné en paiement et que le bien culturel fait partie de la succession, le montant des droits de succession et accessoires, dû par les héritiers, légataires ou bénéficiaires du bien culturel, est censé être payé proportionnellement à la part de chacun dans la propriété du bien culturel après la dévolution, sauf si les héritiers, légataires ou bénéficiaires précités optent pour une autre facturation.
  Si le jour du décès, le bien culturel appartient dans sa totalité au conjoint survivant ou au partenaire cohabitant légal ou aux héritiers, légataires ou bénéficiaires, le montant des droits de succession et accessoires, dû par les demandeurs, est censé être payé proportionnellement à la part de chacun dans la propriété du bien culturel après la dévolution, sauf si les demandeurs optent pour une autre facturation.
  Sauf si le Gouvernement flamand, conformément à l'article 18quater du décret du 24 janvier 2003 relatif à la protection du patrimoine culturel mobilier présentant un intérêt exceptionnel, décide du paiement du solde, en cas d'expiration du délai de retrait, visé à l'article 3.4.3.0.4, alinéa 2, du présent arrêté, et si les demandeurs optent en ce sens, le solde éventuel est imputé aux droits de succession et accessoires, calculés à charge d'autres héritiers, légataires ou bénéficiaires nommément cités. S'il reste encore un solde après l'imputation précitée, il est imputé à des droits de succession et accessoires à récupérer à charge des demandeurs et, le cas échéant, à des droits de succession et accessoires à récupérer à charge des autres héritiers, légataires ou bénéficiaires nommément cités. ".
Art. 6. Artikel 3.4.3.0.6, 3.4.3.0.7 en 3.4.3.0.8 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 2014, worden opgeheven.
Art. 6. Les articles 3.4.3.0.6, 3.4.3.0.7 et 3.4.3.0.8 du même arrêté, insérés par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 décembre 2014, sont abrogés.
HOOFDSTUK 3. - Slotbepalingen
CHAPITRE 3. - Dispositions finales
Art. 7. Dit besluit treedt in werking op 1 juli 2023.
Art. 7. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er juillet 2023.
Art. 8. De Vlaamse minister, bevoegd voor de cultuur, en de Vlaamse minister, bevoegd voor de fiscaliteit, zijn, ieder wat hem of haar betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 8. Le ministre flamand ayant la culture dans ses attributions et le ministre flamand ayant la fiscalité dans ses attributions sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l'exécution du présent arrêté.