Zum Hauptinhalt

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
25 MEI 2023. - Besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie betreffende de toekenning van kinderbijslag voor kinderen met een aandoening
Titre
25 MAI 2023. - Arrêté du Collège réuni de la Commission communautaire commune relatif à l'octroi des allocations familiales en faveur de l'enfant atteint d'une affection
Dokumentinformationen
Numac: 2023042678
Datum: 2023-05-25
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2023042678
Date: 2023-05-25
Moniteur: Voir
Tekst (25)
Texte (25)
HOOFDSTUK 1. - Definities
CHAPITRE 1er. - Définitions
Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit dient te worden begrepen onder:
  1° "Iriscare": de bicommunautaire Dienst voor Gezondheid, Bijstand aan personen en Gezinsbijslag bedoeld in artikel 2 van de ordonnantie van 23 maart 2017;
  2° "Centrum": Centrum voor Evaluatie van de Autonomie en de Handicap bij Iriscare;
  3° "kinderbijslaginstelling": de kinderbijslag-instellingen in de zin van artikel 2, 7°, van de ordonnantie van 4 april 2019 tot vaststelling van het betaalcircuit voor de gezinsbijslag;
  4° "koninklijk besluit van 3 mei 1991": koninklijk besluit van 3 mei 1991 tot uitvoering van de artikelen 47, 56septies en 63 van de sa-mengeordende wetten betreffende de kinder-bijslag voor loonarbeiders en van artikel 96 van de wet van 29 december 1990 houdende sociale bepalingen;
  5° "koninklijk besluit van 28 maart 2003": koninklijk besluit van 28 maart 2003 tot uitvoering van de artikelen 47, 56septies en 63 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders en van artikel 88 van de programmawet (I) van 24 december 2002;
  6° "multidisciplinair team": team dat is samengesteld uit een arts en, desgevallend, uit andere beroepsbeoefenaars in de gezondheidszorg. De teamleden behoren tot het personeel van Iriscare of worden door Iriscare aangewezen;
  7° "Ordonnantie van 25 april 2019": ordonnantie van 25 april 2019 tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag.
Article 1er. Pour l'application du présent arrêté, il y a lieu d'entendre par:
  1° "Iriscare": l'Office bicommunautaire de la santé, de l'aide aux personnes et des prestations familiales visé à l'article 2 de l'ordonnance du 23 mars 2017;
  2° "Centre": Centre d'évaluation de l'autonomie et du handicap auprès d'Iriscare;
  3° "organisme d'allocations familiales": les organismes d'allocations familiales au sens de l'article 2, 7°, de l'ordonnance du 4 avril 2019 établissant le circuit de paiement des prestations familiales;
  4° "arrêté royal du 3 mai 1991": arrêté royal du 3 mai 1991 portant exécution des articles 47, 56septies, et 63 des lois coordonnées relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés et de l'article 96 de la loi du 29 décembre 1990 portant des dispositions sociales ;
  5° "arrêté royal du 28 mars 2003": arrêté royal du 28 mars 2003 portant exécution des articles 47, 56septies et 63 des lois coordonnées relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés et de l'article 88 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002;
  6° "équipe multidisciplinaire": équipe composée d'un médecin et, le cas échéant d'autres professionnels des soins de santé. Les membres de l'équipe font partie du personnel d'Iriscare ou sont désignés par Iriscare;
  7° "Ordonnance du 25 avril 2019": ordonnance du 25 avril 2019 réglant l'octroi des prestations familiales.
HOOFDSTUK 2. - Uitvoering van de artikelen 12, derde lid, en 26, tweede lid, van de ordonnantie van 25 april 2019
CHAPITRE 2. - Exécution des articles 12, alinéa 3, et 26, alinéa 2, de l'ordonnance du 25 avril 2019
Art. 2. § 1. De gevolgen van de aandoening van het kind, bedoeld in de artikelen 12, derde lid, en 26, tweede lid, van de ordonnantie van 25 april 2019 bestaan uit de hiernavolgende pijlers:
  1° pijler 1 behelst de gevolgen van de aandoening op het vlak van de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van het kind;
  2° pijler 2 behelst de gevolgen van de aandoening op het vlak van de activiteit en de participatie van het kind;
  3° pijler 3 behelst de gevolgen van de aandoening voor de familiale omgeving van het kind.
  § 2. De gevolgen bedoeld in paragraaf 1 worden vastgesteld aan de hand van de als bijlage 1 bij dit besluit gevoegde medisch-sociale schaal:
  1° in pijler 1 worden, naargelang het percentage lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van het kind, vastgesteld overeenkomstig artikel 3, op de volgende wijze punten toegekend:
  a) 0 % tot 24 % : 0 punten;
  b) 25 % tot 49 % : 1 punt;
  c) 50 % tot 65 % : 2 punten;
  d) 66 % tot 79 % : 4 punten;
  e) 80 % tot 100 % : 6 punten;
  2° pijler 2 bestaat uit de volgende functionele categorieën, die desgevallend onderverdeeld zijn in subcategorieën en waaraan punten worden toegekend volgens graduele criteria:
  a) leren, opleiding en sociale integratie;
  b) communicatie;
  c) mobiliteit en verplaatsing;
  d) zelfverzorging.
  Voor de totalisatie van de punten in pijler 2 wordt het hoogste aantal punten, toegekend binnen elk van de vier functionele categorieën, samengeteld. Voor deze pijler bedraagt het maximum aantal punten 12;
  3° pijler 3 bestaat uit de volgende categorieën, die desgevallend onderverdeeld zijn in subcategorieën en waaraan punten worden toegekend volgens graduele criteria:
  a) opvolging van de behandeling thuis;
  b) verplaatsing voor medisch toezicht en behandeling;
  c) aanpassing van het leefmilieu en leefwijze.
  Voor de totalisatie van de punten in pijler 3 wordt het hoogste aantal punten, toegekend binnen elk van de drie categorieën, samengeteld en wordt het aldus berekende aantal punten vermenigvuldigd met twee. Voor deze pijler bedraagt het maximum aantal punten, na vermenigvuldiging met twee, 18;
  4° het eindresultaat van de vaststelling van de gevolgen van de aandoening wordt bekomen door samentelling van de getotaliseerde punten van elke pijler en bedraagt maximaal 36 punten.
  § 3. Voor de toepassing van artikel 26, tweede lid, van de ordonnantie van 25 april 2019 worden de gevolgen van de aandoening van het kind in aanmerking genomen indien het kind als eindresultaat, bedoeld in paragraaf 2, 4°, minimum 6 punten behaalt of indien het kind in pijler 1, bedoeld in paragraaf 2, 1°, minimum 4 punten behaalt.
Art. 2. § 1er. Les conséquences de l'affection de l'enfant, visées aux articles 12, alinéa 3 et 26, alinéa 2, de l'ordonnance du 25 avril 2019, se composent des piliers suivants :
  1° le pilier 1 a trait aux conséquences de l'affection sur le plan de l'incapacité physique ou mentale de l'enfant;
  2° le pilier 2 a trait aux conséquences de l'affection sur le plan de l'activité et la participation de l'enfant;
  3° le pilier 3 a trait aux conséquences de l'affection pour l'entourage familial de l'enfant.
  § 2. Les conséquences visées au paragraphe 1er sont constatées à l'aide de l'échelle médico-sociale jointe en annexe 1redu présent arrêté :
  1° pour le pilier 1, les points sont attribués de la manière suivante, en fonction du pourcentage d'incapacité physique ou mentale de l'enfant, constatée conformément à l'article 3 :
  a) 0 % à 24 %: 0 point;
  b) 25 % à 49 %: 1 point;
  c) 50 % à 65 %: 2 points;
  d) 66 % à 79 %: 4 points;
  e) 80 % à 100 %: 6 points;
  2° le pilier 2 comprend les catégories fonctionnelles suivantes qui sont, le cas échéant, subdivisées en sous-catégories et dont les points sont attribués en fonction de critères gradués:
  a) apprentissage, éducation et intégration sociale;
  b) communication;
  c) mobilité et déplacement;
  d) soins corporels.
  Pour la totalisation des points du pilier 2, le nombre de points le plus élevé, attribué dans chacune des quatre catégories fonctionnelles, est totalisé. Pour ce pilier, le nombre maximum de points s'élève à 12;
  3° le pilier 3 comprend les catégories suivantes qui sont, le cas échéant, subdivisées en sous-catégories et dont les points sont attribués en fonction de critères gradués:
  a) traitement dispensé à domicile;
  b) déplacement pour surveillance médicale et traitement;
  c) adaptation du milieu de vie et des habitudes de vie.
  Pour la totalisation des points du pilier 3, le nombre de points le plus élevé, attribué dans chacune des trois catégories, est totalisé et le nombre de points ainsi obtenu est multiplié par deux. Pour ce pilier, le nombre maximum de points, après multiplication par deux, s'élève à 18;
  4° le résultat final de la constatation des conséquences de l'affection s'obtient par l'addition des points totalisés pour chaque pilier et s'élève à 36 points au maximum.
  § 3. Pour l'application de l'articles 26, alinéa 2, de l'ordonnance du 25 avril 2019, les conséquences de l'affection de l'enfant sont prises en considération lorsque l'enfant obtient comme résultat final visé au paragraphe 2, 4°, 6 points au minimum ou lorsque l'enfant obtient pour le pilier 1, visé au paragraphe 2, 1°, 4 points au minimum.
Art. 3. § 1. De vaststelling van de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van het kind, bedoeld in artikel 2, gebeurt :
  1° aan de hand van de "Lijst van pediatrische aandoeningen zoals toegepast door het Centrum voor Evaluatie van de Autonomie en de Handicap" opgenomen als bijlage 2 bij dit besluit;
  2° aan de hand van de " Officiële Belgische Schaal ter bepaling van de graad van invaliditeit ", goedgekeurd bij Regentbesluit van 12 februari 1946, met uitzondering van het voorwoord.
  De onder 1° bedoelde Lijst bevat een limitatieve opsomming van aandoeningen.
  De onder 2° bedoelde Schaal wordt aangewend voor alle aandoeningen of functies die niet in de Lijst zijn opgenomen, alsook voor die aandoeningen van de Lijst die verwijzen naar een artikel van deze Schaal.
  Bij de evaluatie heeft de Lijst voorrang op het gebruik van de Schaal.
  Dit betekent dat de criteria en de ongeschiktheidpercentages die sommige nummers van de Lijst vermelden, imperatief moeten opgevolgd worden.
  § 2. Voor het gebruik van de Lijst en de Schaal, bedoeld in paragraaf 1, gelden de volgende regels:
  1° In geval van meervoudige ongeschiktheid wordt het globale ongeschiktheidpercentage berekend op de volgende wijze. In het geval waarbij geen enkele van de gedeeltelijke aandoeningen een totale ongeschiktheid met zich meebrengt, wordt het ongeschiktheidpercentage volledig toegekend voor de zwaarste aandoening en voor elk van de bijkomende aandoeningen wordt het proportioneel berekend volgens de overblijvende geschiktheid. De verscheidene aandoeningen worden daartoe gerangschikt in dalende orde van het werkelijke ongeschiktheidpercentage. Deze berekeningswijze wordt slechts toegepast wanneer de gedeeltelijke aandoeningen verschillende ledematen of functies aantasten;
  2° Een rationele ramingswijze wordt toegepast indien één lidmaat of functie aangetast is door verschillende ongeschiktheden en wanneer de berekening bedoeld in 1° tot een hoger percentage leidt dan het totale verlies van het betrokken lidmaat of de functie : het ongeschiktheidpercentage kan het percentage dat is voorzien voor het totaal verlies van het desbetreffende lidmaat of functie nooit overschrijden;
  3° De Lijst en de Schaal zijn bindend of indicatief naargelang zij een vast percentage aanduiden dan wel ruimte laten bij de evaluatie. Nochtans blijven zij in dit laatste geval bindend voor de minimale en maximale percentages.
Art. 3. § 1er. La constatation de l'incapacité physique ou mentale de l'enfant, visée à l'article 2, est établie:
  1° selon la "Liste des affections pédiatriques telle qu'appliquée par le Centre d'évaluation de l'autonomie et du handicap", jointe en annexe 2 du présent arrêté;
  2° selon le "Barème officiel belge des invalidités" approuvé par l'arrêté du Régent du 12 février 1946, à l'exception de la préface.
  La Liste visée au 1° contient une énumération limitative d'affections.
  Le Barème visé au 2° est utilisé pour toutes les affections ou fonctions qui ne sont pas reprises dans la Liste, ainsi que pour les affections de la Liste qui font référence à un article de ce Barème.
  Lors de l'évaluation, la Liste doit être utilisée en priorité par rapport au Barème.
  Cela signifie que les critères et pourcentages d'incapacité mentionnant certains numéros de la Liste doivent être appliqués impérativement.
  § 2. Les règles suivantes sont d'application pour l'utilisation de la Liste et du Barème, visés au paragraphe 1er:
  1° En cas d'incapacités multiples, le pourcentage global d'incapacité est calculé de la manière suivante. Dans le cas où aucune des affections partielles n'entraîne une incapacité totale, le pourcentage d'incapacité est attribué entièrement pour l'affection la plus grave et, pour chacune des affections supplémentaires, il est calculé proportionnellement à la validité restante. A cet effet, les diverses affections seront rangées dans l'ordre décroissant de leur pourcentage réel d'incapacité. Ce mode de calcul n'est applicable que lorsque les affections partielles affectent des membres ou des fonctions différentes;
  2° Un mode d'évaluation rationnelle est utilisé dans le cas où un membre ou une fonction est atteint(e) par des lésions multiples et lorsque le calcul visé au 1° conduit à un pourcentage plus élevé que la perte totale du membre ou de la fonction concerné(e) : le pourcentage d'incapacité ne peut jamais dépasser le pourcentage prévu pour la perte totale de ce membre ou cette fonction;
  3° La Liste et le Barème sont impératifs ou indicatifs suivant qu'ils indiquent un pourcentage fixe ou qu'ils laissent une marge dans l'évaluation.Toutefois, dans ce dernier cas, ils restent impératifs pour les pourcentages minima et les pourcentages maxima.
Art. 4. § 1. Ten behoeve van het kind bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de ordonnantie van 25 april 2019, dat een aandoening heeft die gevolgen heeft zoals bedoeld in artikel 2, § 3, wordt de basiskinderbijslag bedoeld in artikel 7 van de voormelde ordonnantie verhoogd met de bijslag bedoeld in paragraaf 2, onder de voorwaarden bepaald in paragraaf 3.
  § 2. De toeslag bedoeld in artikel 12, derde lid, van de ordonnantie van 25 april 2019, wordt toegekend naargelang de ernst van de gevolgen van de aandoening.
  Indien het kind als eindresultaat bedoeld in artikel 2, § 2, 4°, minimum 6 punten behaalt, worden de volgende bedragen toegekend :
  a) 111,89 euro indien het kind minimum 6 punten en maximum 8 punten behaalt;
  b) 261,09 euro indien het kind minimum 9 punten en maximum 11 punten behaalt;
  c) 430,99 euro indien het kind minimum 12 punten en maximum 14 punten behaalt;
  d) 490,07 euro indien het kind minimum 15 punten en maximum 17 punten behaalt;
  e) 525,08 euro indien het kind minimum 18 punten en maximum 20 punten behaalt;
  f) 560,08 euro indien het kind meer dan 20 punten behaalt.
  In afwijking van het tweede lid, wordt het bedrag van 84,02 euro toegekend indien het kind minimum 4 punten behaalt in pijler 1 bedoeld in artikel 2, § 2, 1°.
  In afwijking van het tweede en het derde lid, wordt het bedrag van 430,99 euro eveneens toegekend indien het kind minimum 4 punten behaalt in pijler 1 bedoeld in artikel 2, § 2, 1° en bovendien minimum 6 punten en maximum 11 punten behaalt als eindresultaat bedoeld in artikel 2, § 2, 4°.
  § 3. De toeslag bedoeld in artikel 12, derde lid, van de ordonnantie van 25 april 2019 wordt enkel toegekend indien het kind voldoet aan onderstaande vereisten :
  1° het kind voldoet aan de voorwaarden die bepaald zijn bij of krachtens artikel 26, eerste en tweede lid, van de ordonnantie van 25 april 2019;
  2° de gevolgen van de aandoening zoals bedoeld in artikel 12, derde lid, van de voormelde ordonnantie moeten een aanvang genomen hebben vooraleer het kind wegens het bereiken van de bij artikel 25 van die ordonnantie bepaalde leeftijdsgrens niet langer gerechtigd was op kinderbijslag;
  3° het kind mag geen activiteit uitoefenen die aanleiding geeft tot verzekeringsplicht ingevolge één van de regelingen van sociale zekerheid, behoudens wanneer deze activiteit wordt uitgeoefend:
  a) hetzij in het raam van een arbeidsovereenkomst gesloten met een door de hiertoe bevoegde overheden erkende beschutte werkplaats, sociale werkplaats of bedrijf voor aangepast werk;
  b) hetzij in uitvoering van een leercontract zoals bedoeld in artikel 25, § 2, a), van de voormelde ordonnantie die geen aanleiding geeft tot een winstgevende activiteit die meer bedraagt dan de norm die is vastgesteld in uitvoering van het laatst vermelde artikel;
  4° het kind mag geen sociale uitkering genieten bij toepassing van een Belgische of een buitenlandse regeling betreffende arbeidsongeschiktheid of onvrijwillige werkloosheid, die haar oorsprong vindt in de uitoefening van een activiteit, behalve deze bedoeld onder 3° ;
  Indien het kind bedoeld in het eerste lid voldoet aan de toekenningsvoorwaarden die bepaald zijn bij of krachtens artikel 25 van de voormelde ordonnantie, dient het niet te voldoen aan de vereisten bedoeld in het eerste lid, 3° en 4°.
Art. 4. § 1er. Les montants de base fixés à l'article 7 de l'ordonnance du 25 avril 2019 sont majorés du supplément visé au paragraphe 2, aux conditions fixées au paragraphe 3, en faveur de l'enfant visé à l'article 26, alinéa 1er, de la même ordonnance, qui est atteint d'une affection qui a des conséquences telles que visées à l'article 2, § 3.
  § 2. Le supplément visé à l'article 12, alinéa 3, de l'ordonnance du 25 avril 2019, est octroyé en fonction de la gravité des conséquences de l'affection.
  Lorsque l'enfant obtient comme résultat final visé à l'article 2, § 2, 4°, 6 points au minimum, les montants suivants sont octroyés:
  a) 111,89 euros lorsque l'enfant obtient 6 points au minimum et 8 points au maximum;
  b) 261,09 euros lorsque l'enfant obtient 9 points au minimum et 11 points au maximum;
  c) 430,99 euros lorsque l'enfant obtient 12 points au minimum et 14 points au maximum;
  d) 490,07 euros lorsque l'enfant obtient 15 points au minimum et 17 points au maximum;
  e) 525,08 euros lorsque l'enfant obtient 18 points au minimum et 20 points au maximum;
  f) 560,08 euros lorsque l'enfant obtient plus de 20 points.
  Par dérogation à l'alinéa 2, le montant de 84,02 euros est octroyé lorsque l'enfant obtient 4 points au minimum pour le pilier 1 visé à l'article 2, § 2, 1°.
  Par dérogation aux alinéas 2 et 3, le montant de 430,99 euros est également octroyé lorsque l'enfant obtient 4 points au minimum pour le pilier 1 visé à l'article 2, § 2, 1° et, en plus, obtient 6 points au minimum et 11 points au maximum comme résultat final visé à l'article 2, § 2, 4°.
  § 3. Le supplément visé à l'article 12, alinéa 3, de l'ordonnance du 25 avril 2019 n'est accordé que si l'enfant remplit les conditions suivantes :
  1° l'enfant remplit les conditions prévues par ou en vertu de l'article 26, alinéas 1er et 2, de l'ordonnance du 25 avril 2019;
  2° les conséquences de l'affection visées à l'article 12, alinéa 3, de la même ordonnance doivent avoir débuté avant que l'enfant ait cessé d'être bénéficiaire des allocations familiales parce qu'il a atteint la limite d'âge fixée à l'article 25 de ladite ordonnance ;
  3° l'enfant ne peut exercer une activité donnant lieu à assujettissement à un régime de sécurité sociale, sauf lorsque cette activité s'exerce:
  a) soit dans le cadre d'un contrat de travail conclu avec un atelier protégé, un atelier social ou une entreprise de travail adapté agréés par les autorités compétentes en la matière;
  b) soit en exécution d'un contrat d'apprentissage ou d'un engagement d'apprentissage visés à l'article 25, § 2, a), de la même ordonnance, ne donnant pas lieu à une activité lucrative qui dépasse la norme fixée en exécution du dernier article précité;
  4° l'enfant ne peut bénéficier d'une prestation sociale en application d'un régime belge ou étranger en matière d'incapacité de travail ou de chômage involontaire, qui trouve son origine dans l'exercice d'une activité, à l'exception de celles visées au 3° ;
  Si l'enfant visé à l'alinéa 1er remplit les conditions d'octroi prévues par ou en vertu de l'article 25 de la même ordonnance, il ne doit pas satisfaire aux conditions visées à l'alinéa 1er, 3° et 4°.
Art. 5. Voor de toepassing van artikel 26, eerste lid, van de ordonnantie van 25 april 2019 moet het kind een aandoening hebben die gevolgen heeft zoals bedoeld in artikel 2, § 3. Deze gevolgen moeten een aanvang genomen hebben vooraleer het kind wegens het bereiken van de bij artikel 25 van dezelfde ordonnantie bepaalde leeftijdsgrens niet langer gerechtigd was op kinderbijslag.
Art. 5. Pour l'application de l'article 26, alinéa 1er, de l'ordonnance du 25 avril 2019, l'enfant doit être atteint d'une affection qui a des conséquences telles que visées à l'article 2, § 3. Ces conséquences doivent avoir débuté avant que l'enfant n'ait cessé d'être bénéficiaire des allocations familiales en raison du fait qu'il a atteint la limite d'âge fixée à l'article 25 de la même ordonnance.
HOOFDSTUK 3. - Procedure
CHAPITRE 3. - Procédure
Art. 6. § 1. De aanvragen om kinderbijslag bedoeld in de artikelen 12, eerste lid, en 26, eerste lid, van de ordonnantie van 25 april 2019 worden ingediend bij de bevoegde kinderbijslaginstelling.
  De kinderbijslaginstelling onderzoekt of alle toekenningsvoorwaarden, met uitzondering van deze betreffende de gevolgen van de aandoening, vervuld zijn.
  De kinderbijslaginstelling deelt de aanvraag mee aan het Centrum onder de vorm van een elektronische mededeling waarvan het model is vastgesteld door Iriscare.
  Het Centrum bezorgt een algemeen inlichtingenformulier en een medisch inlichtingenformulier aan de aanvrager.
  De aanvrager bezorgt het behoorlijk ingevulde algemeen inlichtingenformulier en het medisch inlichtingenformulier aan het Centrum. Hij kan hieraan reeds medische of sociale verslagen toevoegen.
  § 2. In afwijking van de bepalingen in paragraaf 1, derde, vierde en vijfde lid, en de artikelen 7, 8 en 9, kunnen de evaluaties van de gevolgen van de aandoening die door een andere gefedereerde deelentiteit werden uitgevoerd, overgenomen worden voor de evaluatie van de gevolgen van de aandoening bedoeld in artikel 12, derde lid, en 26, tweede lid, van de ordonnantie van 25 april 2019, op voorwaarde dat het Centrum oordeelt dat de ernst van de gevolgen van de aandoening van het kind werd beoordeeld volgens toepassingsvoorwaarden die conform zijn aan deze die zijn bepaald in de artikelen 2 en 3.
Art. 6. § 1er. Les demandes d'allocations familiales visées aux articles 12, alinéa 1er, et 26, alinéa 1er, de l'ordonnance du 25 avril 2019 sont introduites auprès de l'organisme d'allocations familiales compétent.
  L'organisme d'allocations familiales examine si toutes les conditions d'octroi, à l'exception de celles concernant les conséquences de l'affection, sont remplies.
  L'organisme d'allocations familiales communique la demande au Centre sous la forme d'un message électronique dont le modèle est fixé par Iriscare.
  Le Centre fournit un formulaire d'informations générales et un formulaire d'informations médicales au demandeur.
  Le demandeur fournit le formulaire d'informations générales et le formulaire d'informations médicales dûment remplis au Centre. Il peut déjà y joindre des rapports médicaux ou sociaux.
  § 2. Par dérogation aux dispositions du paragraphe 1er, alinéas 3, 4 et 5, et des articles 7, 8 et 9, les évaluations des conséquences de l'affection réalisées par une autre entité fédérée peuvent être reprises pour l'évaluation des conséquences de l'affection visée aux articles 12, alinéa 3, et 26, alinéa 2, de l'ordonnance du 25 avril 2019, à condition que le Centre considère que la gravité des conséquences de l'affection de l'enfant a été évaluée selon des conditions d'application qui sont conformes à celles déterminées aux articles 2 et 3.
Art. 7. De gevolgen van de aandoening, bedoeld in de artikelen 12, derde lid, en 26, tweede lid, van de ordonnantie van 25 april 2019, worden vastgesteld door een multidisciplinair team.
  De leden van het multidisciplinair team leven de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt na bij het uitvoeren van de onderzoeken bedoeld in het eerste lid.
Art. 7. Les conséquences de l'affection, visées aux articles 12, alinéa 3, et 26, alinéa 2, de l'ordonnance du 25 avril 2019 réglant l'octroi des prestations familiales sont constatées par une équipe multidisciplinaire.
  Les membres de l'équipe multidisciplinaire se conforment à la loi du 22 août 2002 relative aux droits du patient lorsqu'ils effectuent les examens visés à l'alinéa 1er.
Art. 8. § 1. Het multidisciplinair team vordert van de aanvrager de medische, sociale en andere verslagen die noodzakelijk worden geacht.
  Het multidisciplinair team zal voor het nemen van een beslissing, naast zijn eigen vaststellingen, rekening houden met de medische, sociale en ande-re verslagen die hem overgemaakt zijn. Daarnaast steunt het multidisciplinair team zich desgevalend op gesprekken met het kind en met de personen die de toestand van het kind kennen en/of op een observationeel onderzoek van het kind.
  Indien de aanvrager de gevraagde documenten of informatie niet toezendt binnen de 30 kalenderdagen, stuurt het multidisciplinair team een herinneringsschrijven.
  Indien de aanvrager, ondanks het in het derde lid bedoelde herinneringsschrijven, gedurende meer dan 30 kalenderdagen geheel of gedeeltelijk nalaat de gevraagde documenten of informatie te verschaffen, en onverminderd de mogelijkheid bepaald in artikel 9 en uitgezonderd de situatie waarbij de aanvrager een reden opgeeft die een langere antwoordtermijn rechtvaardigt, gaat het multidisciplinair team over tot:
  1° de oproeping of vraag tot instemming bedoeld in paragraaf 2, dan wel;
  2° een beslissing op grond van de inlichtingen waarover zij beschikt.
  § 2. Onverminderd de mogelijkheid bepaald in artikel 9, wordt zodra de gevraagde documenten of informatie zijn ontvangen of in het geval bedoeld in paragraaf 1, vierde lid, 1°, aan de ouders of de wettelijke vertegenwoordiger van het kind een oproeping gestuurd, dan wel een vraag tot instemming met het onderzoek bedoeld in het vierde lid, teneinde de onderzoeken te kunnen verrichten. Indien zij, naargelang het geval, nalaten zich voor het onderzoek aan te melden of de vraag tot instemming te beantwoorden binnen de gestelde termijn, wordt een tweede oproeping of vraag tot instemming gestuurd.
  Indien zij geen gevolg geven aan de tweede op-roeping of vraag tot instemming, wordt ten vroegste de dag volgend op de datum die wordt vermeld in de tweede oproeping of vraag en ten laatste op het moment bedoeld in paragraaf 3, een beslissing genomen op grond van elementen waarover het multidisciplinair team beschikt.
  Indien het multidisciplinair team niet over voldoende elementen beschikt om in het dossier een beslissing te kunnen nemen, deelt het dit ten vroegste de dag volgend op de datum die wordt vermeld in de tweede oproeping of vraag en ten laatste op het moment bedoeld in paragraaf 3, mee aan de kinderbijslaginstelling. Deze laatste beslist dat er geen recht is op kinderbijslag in het raam van artikel 26, eerste lid, van de ordonnantie van 25 april 2019 of op de toeslag bedoeld in arti-kel 12, eerste lid, van dezelfde ordonnantie.
  Indien de aard van de aandoening of de gezondheidstoestand van het kind hier aanleiding toe geeft, wordt het onderzoek op de feitelijke verblijfplaats van het kind verricht, voor zover het multidisciplinaire team dit opportuun acht en met goedkeuring van de ouders of de wettelijke vertegenwoordiger van het kind.
  De ouders of de wettelijke vertegenwoordiger van het kind, en het kind hebben het recht om zich bij de onderzoeken bedoeld in dit artikel te laten bijstaan door een vertrouwenspersoon, bedoeld in de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt.
  § 3. Het resultaat van de vaststelling, bedoeld in artikel 7, eerste lid, wordt medegedeeld aan de aanvrager en aan de kinderbijslaginstelling binnen de zes kalendermaanden te rekenen vanaf de kalendermaand volgend op de ontvangst van de in artikel 6 bedoelde aanvraag door het Centrum.
  Na verloop van de 30 kalenderdagen bedoeld in paragraaf 1, derde lid, wordt de termijn waarbinnen een beslissing moet worden genomen, geschorst tot de aanvrager de gevraagde documenten of informatie heeft meegedeeld. De termijn waarbinnen een beslissing moet worden genomen, wordt ook geschorst tijdens de periode tussen het verzenden van de tweede oproeping of vraag tot instemming bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, en de datum van het onderzoek.
  § 4. In afwijking van de paragrafen 1, 2 en 3, mag de tegemoetkoming echter zonder nader onderzoek geweigerd worden als er voldoende elementen voorhanden zijn waaruit blijkt dat het kind niet voldoet aan de voorwaarden om de tegemoetkoming te verkrijgen.
Art. 8. § 1er. L'équipe multidisciplinaire sollicite auprès du demandeur les rapports médicaux, sociaux et autres, qu'elle estime nécessaires.
  Pour la prise d'une décision, l'équipe multidisciplinaire tiendra compte, non seulement de ses propres constatations médicales, mais également des rapports médicaux, sociaux et autres qui lui ont été transmis. Par ailleurs, l'équipe multidisciplinaire se base le cas échéant sur des entretiens avec l'enfant et les personnes qui connaissent la situation de l'enfant et/ou sur un examen d'observation de l'enfant.
  Lorsque le demandeur n'envoie pas dans les 30 jours calendriers, les documents ou les informations demandés, l'équipe multidisciplinaire envoie une lettre de rappel.
  Si, malgré la lettre de rappel visée à l'alinéa 3, le demandeur ne fournit pas tout ou partie des documents ou informations demandés pendant plus de 30 jours calendriers, et sans préjudice de la possibilité prévue à l'article 9 et à l'exception de la situation où le demandeur fournit une raison justifiant un délai de réponse plus long, l'équipe pluridisciplinaire procède :
  1° à la convocation ou à la demande de consentement visée au paragraphe 2,
  2° ou le cas échéant prend une décision sur base des informations dont il dispose.
  § 2. Sans préjudice de la possibilité prévue à l'article 9, dès réception des documents ou informations demandés ou dans le cas visé au paragraphe 1er, alinéa 4, 1°, une convocation ou une demande de consentement à l'examen visée à l'alinéa 4 est adressée aux parents ou au représentant légal de l'enfant pour permettre la réalisation des examens. S'ils ne se présentent pas, selon le cas, à l'examen ou ne répondent pas à la demande de consentement dans le délai prescrit, une deuxième convocation ou demande de consentement est envoyée.
  S'ils ne répondent pas à la seconde convocation ou à la demande de consentement, une décision est prise sur la base des éléments dont dispose l'équipe multidisciplinaire au plus tôt le lendemain de la date indiquée dans la seconde convocation ou demande et au plus tard au moment visé au paragraphe 3.
  Si l'équipe multidisciplinaire ne dispose pas d'élé-ments suffisants pour prendre une décision dans le dossier, elle le communique à l'organisme d'allocations familiales au plus tôt le jour suivant la date mentionnée dans la deuxième convocation ou demande et au plus tard au moment visé au paragraphe 3. Ce dernier décide qu'il n'existe pas de droit aux allocations familiales dans le cadre de l'article 26, alinéa 1er, de l'ordonnance du 25 avril 2019 ou au supplément visé à l'article 12, alinéa 1er, de la même ordonnance.
  Si la nature de la maladie ou l'état de santé de l'enfant l'exige, l'examen est effectué au lieu de résidence de fait de l'enfant, si l'équipe multidisci-plinaire le juge approprié et avec le consentement des parents ou du représentant légal de l'enfant.
  Les parents ou le représentant légal de l'enfant et l'enfant ont le droit de se faire accompagner, lors des examens visés par cet article, par une per-sonne de confiance, visée par la loi du 22 août 2002 relative aux droits du patient.
  § 3. Le résultat de la constatation visée à l'article 7, alinéa 1er, est communiqué au demandeur et à l'organisme d'allocations familiales dans les six mois calendriers suivant le mois calendrier de la réception de la demande visée à l'article 6 par le Centre.
  Après l'échéance des 30 jours calendriers visés au paragraphe 1er, alinéa 3, le délai dans lequel une décision doit être prise est suspendu jusqu'à ce que le demandeur ait communiqué les documents ou informations demandés. Le délai dans lequel une décision doit être prise est également suspendu pendant la période comprise entre l'envoi de la deuxième convocation ou demande d'assentiment visée au paragraphe 2, alinéa 1er, et la date de l'examen.
  § 4. Par dérogation aux paragraphes 1er, 2 et 3, l'allocation peut être refusée sans examen complémentaire s'il apparaît, sur la base d'éléments suffisants, que l'enfant ne remplit pas les conditions pour obtenir l'allocation.
Art. 9. In afwijking van artikel 8, § 2, kan het multidisciplinair team zijn onderzoek verrichten op grond van stukken indien het van oordeel is dat het beschikt over voldoende informatie om een gefundeerde beslissing te nemen.
  In dat geval worden de ouders of de wettelijke vertegenwoordiger van het kind door het Centrum ingelicht over de beslissing om het onderzoek te laten plaatsvinden op grond van stukken.
  De ouders of de wettelijke vertegenwoordiger van het kind beschikken vanaf de inlichting bedoeld in het tweede lid over 14 kalenderdagen om te eisen dat het kind in afwijking van het eerste lid toch wordt onderzocht door een multidisciplinair team.
Art. 9. Par dérogation à l'article 8, § 2, l'équipe multidisciplinaire peut effectuer son examen sur la base de pièces si elle estime qu'elle dispose d'informations suffisantes pour prendre une décision fondée.
  Dans ce cas, les parents ou le représentant légal de l'enfant sont informés par le Centre de la décision de procéder à l'examen sur pièces.
  Les parents ou le représentant légal de l'enfant disposent d'un délai de 14 jours calendriers à compter de l'information visée au deuxième alinéa pour exiger que l'enfant soit examiné par une équipe multidisciplinaire en dérogation au premier alinéa.
Art. 10. De gerechtigden op kinderbijslag krachtens de artikelen 12, eerste lid, en 26, eerste lid, van de ordonnantie van 25 april 2019 kunnen een aanvraag tot herziening indienen bij de bevoegde kinderbijslaginstelling.
  De aanvraag tot herziening brengt een nieuwe evaluatie mee van de gevolgen van de aandoening van het kind.
  Het medisch inlichtingenformulier vermeldt de aard van de verandering van de aandoening en de gevolgen voor het kind en het gezin.
  De herziening kan ook worden verricht op initiatief van het multidisciplinair team, inzonderheid op basis van nieuwe inlichtingen die worden medegedeeld door de bevoegde kinderbijslaginstelling. De inschrijving als werkzoekende overeenkomstig artikel 25, § 2, eerste lid, d), van de ordonnantie van 25 april 2019 mag op zich geen aanleiding geven tot een herziening.
  Telkens ten gevolge van de herziening uitgevoerd krachtens dit artikel een hoger bedrag kan worden toegekend, betaalt de kinderbijslaginstelling het verschil.
Art. 10. Les bénéficiaires d'allocations familiales en vertu des articles 12, alinéa 1er, et 26, alinéa 1er, de l'ordonnance du 25 avril 2019 peuvent introduire une demande en révision auprès de l'organisme compétent.
  La demande en révision implique une nouvelle évaluation des conséquences de l'affection de l'enfant.
  Le formulaire d'informations médicales mentionne la nature du changement dans l'affection et les conséquences pour l'enfant et la famille.
  La révision peut aussi être effectuée à l'initiative de l'équipe multidisciplinaire, notamment sur base d'informations nouvelles communiquées par l'organisme d'allocations familiales compétent. L'inscription comme demandeur d'emploi conformément à l'article 25, § 2, alinéa 1er, d), de la même ordonnance ne peut pas en soi donner lieu à une révision.
  Suite à une révision opérée en vertu du présent article, l'organisme d'allocations familiales prend une décision de paiement de la différence chaque fois qu'un montant plus élevé peut être payé.
Art. 11. Een ambtshalve herziening vindt plaats ingeval een multidisciplinaire beslissing of de evaluatie bedoeld in artikel 6, § 2, voor een bepaalde duur genomen werd.
  De procedure van ambtshalve herziening wordt ingeleid door het Centrum.
  Indien de beslissing die voortvloeit uit een ambtshalve herziening betrekking heeft op een periode voorafgaand aan de datum waarop de geldigheid van de vorige beslissing of de evaluatie bedoeld in artikel 6, § 2, een einde neemt, kan de kinderbijslaginstelling voor die periode enkel rekening houden met beslissingen die aanleiding geven tot de toekenning van een hoger bedrag. In dat geval betaalt de instelling het verschil.
Art. 11. Une révision d'office a lieu en cas de décision multidisciplinaire ou en cas d'évaluation visée à l'article 6, § 2, pour une durée déterminée.
  La procédure de révision d'office est entamée par le Centre.
  Lorsqu'une décision découlant d'une revision d'office porte sur une période précédant la date de fin de la validité de la décision précédente ou de l'évaluation visée à l'article 6, § 2, l'organisme d'allocations familiales ne peut tenir compte, pour cette période, que des décisions qui donnent lieu à l'octroi d'un montant plus élevé. Dans ce cas, l'organisme paie la différence.
Art. 12. Onverminderd artikel 10, derde en vierde lid, worden de aanvragen tot herziening bedoeld in artikel 10 onderzocht overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 6, 7, 8 en 9.
Art. 12. Sans préjudice de l'article 10, alinéas 3 et 4, les demandes en révision visées à l'article 10 sont instruites conformément aux dispositions des articles 6, 7, 8 et 9.
Art. 13. De ambtshalve herzieningen bedoeld in artikel 11 worden onderzocht overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 6, § 1, vierde en vijfde lid, 7, 8, §§ 1 en 2, en 9.
Art. 13. Les révisions d'office visées à l'article 11 sont instruites conformément aux dispositions des articles 6, § 1er, alinéas 4 et 5, 7, 8, §§ 1er et 2, et 9.
HOOFDSTUK 4. - Diverse bepalingen
CHAPITRE 4. - Dispositions diverses
Art. 14. Met het oog op de bevestiging bedoeld in de volgende bepalingen, dient het gezin of de kinderbijslaginstelling een aanvraag in bij de bevoegde kinderbijslaginstelling:
  1° artikel 15 van het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 9 juli 2019 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder kinderbijslag wordt verleend ten behoeve van kinderen die lessen volgen of een opleiding doorlopen;
  2° artikel 1, derde lid, van het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 9 juli 2019 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder kinderbijslag wordt verleend ten voordele van kinderen die verbonden zijn door een leerovereenkomst;
  3° artikel 3, eerste lid, van het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 9 juli 2019 tot vastelling van de voorwaarden waaronder kinderbijslag wordt verleend ten voordele van de kinderen die een stage volgen om in een ambt te kunnen worden benoemd;
  4° artikel 3, eerste lid, van het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 9 juli 2019 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder kinderbijslag wordt verleend ten behoeve van het kind dat een eindverhandeling voor hogere studies voorbereidt.
  Voor het uitvoeren van de daaropvolgende evaluatie zijn de regels bepaald in artikel 6, paragraaf 1, derde tot vijfde lid, artikel 8, paragraaf 1, en paragraaf 2, eerste lid, tweede lid, derde lid, eerste zin, vierde en vijfde lid, en artikel 9 van toepassing.
  De leden van het multidisciplinair team leven de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt na bij het uitvoeren van de bevestiging bedoeld in de bepalingen vermeld in het eerste lid.
  Het resultaat van de evaluatie wordt meegedeeld aan de aanvrager binnen de drie maanden te rekenen vanaf het begin van de maand volgend op de maand waarin het Centrum de in het eerste lid bedoelde aanvraag ontvangt.
  Bij verzending van de herinneringsschrijven bedoeld in artikel 8, § 1, derde lid, wordt de termijn waarbinnen het resultaat moet worden meegedeeld, geschorst tot de aanvrager de gevraagde documenten of informatie heeft meegedeeld. De termijn waarbinnen een beslissing moet worden genomen, wordt ook geschorst tijdens de periode tussen het verzenden van de tweede oproeping dan wel vraag tot instemming bedoeld in artikel 8, § 2, eerste lid, en de datum van het onderzoek.
Art. 14. En vue de la confirmation visée dans les dispositions suivantes, la famille ou la l'organisme d'allocation familiales introduit une demande à l'organisme d'allocations familiales compétent:
  1° l'article 15 de l'arrêté du Collège réuni de la Commission communautaire commune du 9 juillet 2019 fixant les conditions d'octroi des allocations familiales au bénéfice des enfants qui suivent des cours ou sont engagés dans une formation ;
  2° l'article 1er, alinéa 3, de l'arrêté du Collège réuni de la Commission communautaire commune du 9 juillet 2019 fixant les conditions d'octroi des allocations familiales au bénéfice des apprentis ;
  3° l'article 3, alinéa 1er,de l'arrêté du Collège réuni de la Commission communautaire commune dun 9 juillet 2019 fixant les conditions d'octroi des allocations familiales au bénéfice d' enfants qui effectuent un stage pour pouvoir être nommés à une charge;
  4° l'article 3, alinéa 1er, de l'arrêté du Collège réuni de la Commission communautaire commune du 9 juillet 2019 fixant les conditions d'octroi des allocations familiales au bénéfice d' enfants qui préparent un mémoire de fin d'études supérieures.
  Pour l'évaluation qui en découle, les règles prévues à l'article 6, § 1er, alinéas 3 à 5, à l'article 8, §§ 1er et 2, alinéa 1er, alinéa 2, alinéa 3, première phrase, alinéas 4 et 5, et à l'article 9, sont applicables.
  Les membres de l'équipe multidisciplinaire respectent la loi du 22 août 2002 relative aux droits du patient lors de la confirmation visée par les dispositions du premier alinéa.
  Le résultat de l'évaluation est communiqué au demandeur dans un délai de 3 mois à compter du début du mois suivant celui au cours duquel le Centre a reçu la demande visée au premier alinéa.
  Lors de l'envoi du rappel visé à l'article 8, § 1er, alinéa 3, le délai dans lequel le résultat doit être communiqué est suspendu jusqu'à ce que le demandeur ait communiqué les documents ou informations demandés. Le délai dans lequel une décision doit être prise est également suspendu pendant la période comprise entre l'envoi de la deuxième convocation ou le cas échéant de la demande d'assentiment visée à l'article 8, § 2, alinéa 1er, et la date de l'examen.
HOOFDSTUK 5. - Overgangs-, opheffings- en slotbepalingen
CHAPITRE 5. - Dispositions transitoires et finales
Art. 15. In afwijking van artikel 7, eerste lid, behoudt het kind waarvoor een beslissing is genomen op grond van het koninklijk besluit van 28 maart 2003 en dat ten gevolge van die beslissing een recht opent op de kinderbijslagen krachtens de artikelen 12, eerste lid, 26, eerste lid, of 39 van de ordonnantie van 25 april 2019, dit recht zolang de voormelde beslissing beslissing onverminderd van toepassing blijft omdat er geen ambtshalve herziening of aanvraag tot herziening plaatsvond en op voorwaarde dat het kind de leeftijd van 21 jaar niet heeft bereikt.
Art. 15. Par dérogation à l'article 7, alinéa 1er, l'enfant pour lequel une décision a été prise sur la base de l'arrêté royal du 28 mars 2003 et qui, par suite de ladite décision ouvre un droit aux allocations familiales en vertu des articles 12, alinéa 1er, 26, alinéa 1er, ou 39 de l'ordonnance du 25 avril 2019 conserve ce droit tant que ladite décision reste entièrement applicable parce qu'il n'y a pas eu de révision sur demande ou d'office, et à condition que l'enfant n'ait pas atteint l'âge de 21 ans.
Art. 16. Onverminderd de toepassing van artikel 15 worden opgeheven:
  1° het koninklijk besluit van 3 mei 1991;
  2° het koninklijk besluit van 28 maart 2003;
  3° het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 16 december 2021 betreffende de evaluatie van de aandoening van het kind dat rechtgevend is op kinderbijslag.
Art. 16. Sans préjudice de l'application de l'article 15, sont abrogés:
  1° l'arrêté royal du 3 mai 1991 ;
  2° l'arrêté royal du 28 mars 2003 ;
  3° l'arrêté du Collège réuni de la Commission communautaire commune du 16 décembre 2021 relatif à l'évaluation de l'affection de l'enfant bénéficiaire d'allocations familiales.
Art. 17. Het hoofdstuk 1 van ordonnantie van 15 december 2022 tot wijziging van de ordonnantie van 4 april 2019 tot vaststelling van het betaalcircuit voor de gezinsbijslag en van de ordonnantie van 4 april 2019 tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag, treedt in werking op dezelfde dag als dit besluit.
Art. 17. Le chapitre premier de l'ordonnance du 15 décembre 2022 modifiant l'ordonnance du 4 avril 2019 établissant le circuit de paiement des prestations familiales et l'ordonnance du 25 avril 2019 réglant l'octroi des prestations familiales entre en vigueur à la même date que celle du présent arrêté.
Art. 18. De Leden van het Verenigd College, bevoegd voor de Gezinsbijslagen, worden belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 18. Les Membres du Collège réuni, en charge des Prestations familiales, sont chargés de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N.   (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 16-06-2023, p. 55561)
Art. N.   (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 16 juin 2023, p. 55561)