Zum Hauptinhalt

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
10 MAART 2023. - Decreet tot wijziging van het decreet van 24 januari 2003 houdende bescherming van het roerend cultureel erfgoed van uitzonderlijk belang en de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat betreft de inbetalinggeving van cultuurgoederen ter voldoening van de erfbelasting(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-03-2023 en tekstbijwerking tot 03-06-2024)
Titre
10 MARS 2023. - Décret modifiant le décret du 24 janvier 2003 portant protection du patrimoine culturel mobilier présentant un intérêt exceptionnel et le Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013, en ce qui concerne la dation en paiement de biens culturels en paiement des droits de succession(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 23-03-2023 et mise à jour au 03-06-2024)
Dokumentinformationen
Numac: 2023041125
Datum: 2023-03-10
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2023041125
Date: 2023-03-10
Moniteur: Voir
Tekst (18)
Texte (18)
HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepaling
CHAPITRE 1er. - Disposition introductive
Artikel 1. Dit decreet regelt een gemeenschaps- en gewestaangelegenheid.
Article 1er. Le présent décret règle des matières communautaire et régionale.
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het decreet van 24 januari 2003 houdende bescherming van het roerend cultureel erfgoed van uitzonderlijk belang
CHAPITRE 2. - Modifications du décret du 24 janvier 2003 portant protection du patrimoine culturel mobilier présentant un intérêt exceptionnel
Art. 2. In het decreet van 24 januari 2003 houdende bescherming van het roerend cultureel erfgoed van uitzonderlijk belang, het laatst gewijzigd bij het decreet van 18 december 2020, wordt een hoofdstuk Vbis ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "Hoofdstuk Vbis. Aanvaarding van cultuurgoederen tot betaling van de erfbelasting".
Art. 2. Dans le décret du 24 janvier 2003 portant protection du patrimoine culturel mobilier présentant un intérêt exceptionnel, modifié en dernier lieu par le décret du 18 décembre 2020, il est inséré un chapitre Vbis, rédigé comme suit :
  " Chapitre Vbis. Acceptation de biens culturels en paiement des droits de succession ".
Art. 3. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 18 december 2020, wordt in hoofdstuk Vbis, ingevoegd bij artikel 2, een artikel 18bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "Art. 18bis. Iedereen die, al dan niet samen met vermoedelijke erfgenamen, legatarissen of begiftigden, voor het geheel in volle eigendom eigenaar is van cultuurgoederen waarvan hij vermoedt dat ze voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 3.4.3.0.2, § 1, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, kan, voorafgaand aan het openvallen van een nalatenschap, bij de Raad een verzoek indienen met het oog op een beslissing van de Vlaamse Regering als vermeld in het derde lid, dat de cultuurgoederen behoren tot een van de categorieën, vermeld in artikel 3.4.3.0.2, § 1, eerste lid, van de voormelde codex, en over de bestemming van die cultuurgoederen als de inbetalinggeving conform artikel 3.4.3.0.2, § 4, van de voormelde codex, wordt aanvaard.
  De Raad geeft een advies aan de Vlaamse Regering over het verzoek, vermeld in het eerste lid. Het advies van de Raad over de vraag of de ter betaling aangeboden cultuurgoederen behoren tot een van de categorieën, vermeld in artikel 3.4.3.0.2, § 1, eerste lid, van de voormelde codex, is bindend voor de Vlaamse Regering.
  De Vlaamse Regering neemt een beslissing over het verzoek.
  De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen over de wijze waarop het verzoek moet worden ingediend en bepalen welke gegevens en documenten de aanvraag moet bevatten. De Vlaamse Regering kan de procedure voor de afhandeling van het verzoek nader bepalen, met inbegrip van de wijze waarop de kennisgeving van de beslissing, vermeld in het derde lid, moet gebeuren.".
Art. 3. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 18 décembre 2020, il est inséré au chapitre Vbis, inséré par l'article 2, un article 18bis, rédigé comme suit :
  " Art. 18bis. Quiconque, avec ou sans les héritiers, légataires ou donataires présumés, est propriétaire en pleine propriété de biens culturels dont il présume qu'ils satisfont aux conditions visées à l'article 3.4.3.0.2, § 1er, du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013, peut, avant l'ouverture d'une succession, introduire une demande auprès du Conseil, en vue d'une décision du Gouvernement flamand telle que visée à l'alinéa 3, que les biens culturels appartiennent à l'une des catégories, visées à l'article 3.4.3.0.2, § 1er, alinéa 1er, du Code précité, et sur la destination de ces biens culturels si la dation en paiement conformément à l'article 3.4.3.0.2, § 4, du Code précité est acceptée.
  Le Conseil émet un avis au Gouvernement flamand sur la demande visée à l'alinéa 1er. L'avis du Conseil sur la question de savoir si les biens culturels présentés au paiement appartiennent à l'une des catégories, visées à l'article 3.4.3.0.2, § 1er, alinéa 1er, du code précité, est contraignant pour le Gouvernement flamand.
  Le Gouvernement flamand se prononcera sur cette demande.
  Le Gouvernement flamand peut préciser les modalités sur la manière dont la demande doit être introduite et déterminer les informations et les documents que la demande doit contenir. Le Gouvernement flamand peut préciser la procédure de traitement de la demande, y compris les modalités de notification de la décision visée à l'alinéa 3. ".
Art. 4. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 18 december 2020, wordt in hetzelfde hoofdstuk Vbis een artikel 18ter ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "Art. 18ter. Als het verzoek tot inbetalinggeving, vermeld in artikel 3.4.3.0.2, § 1, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, conform artikel 3.4.3.0.2, § 2 en § 3, van de voormelde codex, ontvankelijk is verklaard, geeft de Raad aan de Vlaamse Regering een advies over :
  1° de vraag of de ter betaling aangeboden cultuurgoederen behoren tot een van de categorieën, vermeld in artikel 3.4.3.0.2, § 1, eerste lid, van de voormelde codex;
  2° de waarde van de aangeboden cultuurgoederen bij een positief advies over de vraag, vermeld in punt 1°. De ter betaling aangeboden cultuurgoederen worden, ongeacht of ze deel uitmaken van de nalatenschap, geschat op hun waarde op het ogenblik van het openvallen van de nalatenschap;
  3° de bestemming van de aangeboden cultuurgoederen in geval van aanvaarding van de inbetalinggeving bij een positief advies over de vraag, vermeld in punt 1°. Indien de verzoekers een voorkeur van bestemming hebben aangegeven voor de aangeboden cultuurgoederen, adviseert de Raad de Vlaamse Regering over de haalbaarheid van de voorgestelde bestemming.
  Het advies van de Raad over de punten, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, is bindend voor de Vlaamse Regering.
  De Vlaamse Regering beslist over de punten, vermeld in het eerste lid, en ook over de aanvaarding van de inbetalinggeving van de cultuurgoederen die het voorwerp uitmaken van het verzoek tot inbetalinggeving, vermeld in het eerste lid.
  Als het verzoek tot inbetalinggeving, vermeld in het eerste lid, cultuurgoederen bevat waarvoor de Vlaamse Regering conform artikel 18bis een beslissing heeft genomen over de punten, vermeld in het eerste lid, 1° en 3°, verstrekt de Raad voor die goederen enkel een bindend advies over de waarde van de aangeboden cultuurgoederen, vermeld in het eerste lid, 2°.
  De Vlaamse Regering beslist in het geval, vermeld in het vierde lid, over de waarde van de aangeboden cultuurgoederen, vermeld in het eerste lid, 2°, en over de aanvaarding van de inbetalinggeving van de cultuurgoederen die het voorwerp uitmaken van het verzoek tot inbetalinggeving, vermeld in het eerste lid.
  Na aanvaarding wordt de Vlaamse Gemeenschap eigenaar van die cultuurgoederen, met uitzondering van het aandeel dat in mede-eigendom is verworven door de erfgoedinstelling die het saldo heeft betaald met toepassing van artikel 18quater, tweede lid.".
Art. 4. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 18 décembre 2020, il est inséré dans le même chapitre Vbis un article 18ter, rédigé comme suit :
  " Art. 18ter. Si la demande de dation en paiement visée à l'article 3.4.3.0.2, § 1er, du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013 est déclarée recevable, conformément à l'article 3.4.3.0.2, § 2 et § 3, du code précité, le Conseil émet un avis au Gouvernement flamand sur :
  1° la question de savoir si les biens culturels présentés au paiement appartiennent à l'une des catégories visées à l'article 3.4.3.0.2, § 1er, alinéa 1er, du code précité ;
  2° la valeur des biens culturels présentés en cas d'avis positif sur la question visée au point 1°. Les biens culturels présentés en paiement, qu'ils fassent ou non partie de la succession, sont estimés à leur valeur au moment de l'ouverture de la succession ;
  3° la destination des biens culturels présentés en cas d'acceptation de la dation en paiement en cas d'avis positif sur la question mentionnée au point 1°. Si les demandeurs ont indiqué une destination préférée pour les biens culturels présentés, le Conseil fournit des avis au Gouvernement flamand sur la faisabilité de la destination proposée.
  L'avis du Conseil sur les points visés à l'alinéa 1er, points 1° et 2°, est contraignant pour le Gouvernement flamand.
  Le Gouvernement flamand décide des points visés à l'alinéa 1er, ainsi que de l'acceptation de la dation en paiement des biens culturels qui font l'objet de la demande de dation en paiement visée à l'alinéa 1er.
  Lorsque la demande de dation en paiement visée à l'alinéa 1er contient des biens culturels pour lesquels le Gouvernement flamand, conformément à l'article 18bis, a pris une décision sur les points visés à l'alinéa 1er, 1° et 3°, le Conseil n'émet, en ce qui concerne ces biens, qu'un avis contraignant sur la valeur des biens culturels présentés figurant à l'alinéa 1er, 2°.
  Dans le cas visé à l'alinéa 4, le Gouvernement flamand décide de la valeur des biens culturels présentés visés à l'alinéa 1er, 2°, et de l'acceptation de la dation en paiement des biens culturels qui font l'objet de la demande de dation en paiement visée à l'alinéa 1er.
  Après l'acceptation, la Communauté flamande devient propriétaire de ces biens culturels, à l'exception de la part acquise en copropriété par l'organisme du patrimoine qui a payé le solde en application de l'article 18quater, alinéa 2. ".
Art. 5. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 18 december 2020, wordt in hetzelfde hoofdstuk Vbis een artikel 18quater ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "Art. 18quater. Als de Vlaamse Regering conform artikel 18ter, derde of vijfde lid, van dit decreet beslist dat de cultuurgoederen worden aanvaard om de verschuldigde erfbelasting en toebehoren te voldoen, wordt de waarde van de cultuurgoederen, die is vastgesteld door de Vlaamse Regering conform artikel 18ter, derde of vijfde lid, van dit decreet, vermeerderd met 20 procent. Indien deze vermeerderde waarde met 20 procent meer bedraagt dan de verschuldigde erfbelasting en toebehoren, kan de Vlaamse Regering, in het geval het gaat om cultuurgoederen als vermeld in artikel 3.4.3.0.2, § 1, eerste lid, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, beslissen om het saldo aan de aanvragers uit te betalen via het Topstukkenfonds, vermeld in hoofdstuk VI van dit decreet. De voormelde beslissing maakt onderdeel uit van de beslissing, vermeld in artikel 18ter, derde en vijfde lid, van dit decreet.
  In het geval het om cultuurgoederen gaat als vermeld in artikel 3.4.3.0.2, § 1, eerste lid, 2°, 3° en 4°, van de voormelde codex, kan de erfgoedinstelling waarvoor de aangeboden cultuurgoederen als een sleutelwerk voor de collectie gelden, instaan voor de uitbetaling van het saldo. De erfgoedinstelling verwerft de mede-eigendom van die cultuurgoederen in verhouding tot haar bijdrage. De beslissing daartoe wordt genomen door de erfgoedinstelling of haar inrichtende macht en wordt meegedeeld aan de Vlaamse Regering.
  Indien de Vlaamse Gemeenschap de inrichtende macht is van de erfgoedinstelling waarvoor de aangeboden cultuurgoederen als een sleutelwerk voor de collectie gelden, dan worden die cultuurgoederen in volle eigendom verworven door de Vlaamse Gemeenschap. De beslissing daartoe wordt genomen door de Vlaamse Regering.
  De Vlaamse Regering kan aanvullende regels vastleggen voor de verwerving van deze cultuurgoederen en de uitbetaling van de saldi.".
Art. 5. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 18 décembre 2020, il est inséré dans le même chapitre Vbis un article 18quater, rédigé comme suit :
  " Art. 18quater. Si le Gouvernement flamand décide, conformément à l'article 18ter, alinéa 3 ou 5, du présent décret, que les biens culturels sont admis en paiement des droits de succession et des accessoires dus, la valeur des biens culturels déterminée par le Gouvernement flamand conformément à l'article 18ter, alinéa 3 ou 5, du présent décret est majorée de 20 pour cent. Si cette plus-value de 20 pour cent dépasse les droits de succession et les accessoires dus, le Gouvernement flamand peut, dans le cas des biens culturels tels que visés à l'article 3.4.3.0.2, § 1er, alinéa 1er, 1°, du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013, décider de verser le solde aux demandeurs par l'intermédiaire du " Topstukkenfonds " (Fonds des Pièces maîtresses), visés à l'article 3 au chapitre VI du présent décret. La décision précitée fait partie de la décision mentionnée à l'article 18ter, alinéas 3 et 5, du présent décret.
  Dans le cas des biens culturels tels que visés à l'article 3.4.3.0.2, § 1er, alinéa 1er, 2°, 3° et 4°, du code précité, l'organisme du patrimoine pour lequel les biens culturels présentés sont considérés comme une oeuvre clé pour la collection est chargé du paiement du solde. L'organisme du patrimoine acquiert la copropriété de ces biens culturels au prorata de sa contribution. La décision à cet effet sera prise par l'organisme du patrimoine ou son pouvoir organisateur et communiquée au Gouvernement flamand.
  Si la Communauté flamande est le pouvoir organisateur de l'organisme du patrimoine pour lequel les biens culturels présentés sont considérés des oeuvres clés pour la collection, ces biens culturels seront acquis en pleine propriété par la Communauté flamande. La décision à cet effet sera prise par le Gouvernement flamand.
  Le Gouvernement flamand peut fixer des règles supplémentaires pour l'acquisition de ces biens culturels et le paiement des soldes ".
Art. 6. Aan artikel 19, § 2, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 30 april 2009 en gewijzigd bij de decreten van 25 april 2014 en 18 december 2020, wordt een punt 6° toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "6° de eigendom of mede-eigendom te verwerven van cultuurgoederen, die conform artikel 3.4.3.0.2 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 ter betaling zijn aangeboden, door de saldi, vermeld in hoofdstuk Vbis van dit decreet, uit te betalen.".
Art. 6. L'article 19, § 2, du même décret, remplacé par le décret du 30 avril 2009 et modifié par les décrets des 25 avril 2014 et 18 décembre 2020 est complété par un point 6°, rédigé comme suit :
  " 6° à l'acquisition de la propriété ou la copropriété de biens culturels, qui ont été présentés au paiement conformément à l'article 3.4.3.0.2 du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013, en versant les soldes mentionnés au chapitre Vbis du présent décret. ".
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013
CHAPITRE 3. - Modifications du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013
Art. 7. In artikel 3.3.1.0.8 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, ingevoegd bij het decreet van 19 december 2014 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 19 maart 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° aan paragraaf 1, eerste lid, 8°, wordt de volgende zin toegevoegd :
  "Als de erfgenamen, algemene legatarissen en begiftigden en iedereen die ertoe gehouden is een aangifte van nalatenschap in te dienen met toepassing van artikel 3.4.3.0.2 van deze codex, een verzoek tot inbetalinggeving indienen, wordt de raming vervangen door een verwijzing naar artikel 3.4.3.0.2 van deze codex als het cultuurgoed in zijn geheel deel uitmaakt van de nalatenschap of op de dag van het overlijden in zijn geheel toebehoort aan de overledene en zijn overlevende echtgenoot of zijn wettelijk samenwonende partner of op de dag van het overlijden in zijn geheel toebehoort aan de overledene en een van zijn erfgenamen, legatarissen en begiftigden;";
  2° aan paragraaf 1, eerste lid, 14°, wordt een punt n) toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "n) het verzoek tot inbetalinggeving, vermeld in artikel 3.4.3.0.2 van deze codex, als het cultuurgoed in zijn geheel deel uitmaakt van de nalatenschap of op de dag van het overlijden in zijn geheel toebehoort aan de overledene en zijn overlevende echtgenoot of zijn wettelijk samenwonende partner of op de dag van het overlijden in zijn geheel toebehoort aan de overledene en een van zijn erfgenamen, legatarissen en begiftigden;";
  3° in paragraaf 2 wordt het tweede lid vervangen door wat volgt :
  "Het eerste lid geldt niet voor cultuurgoederen die worden aangeboden om de erfbelasting en toebehoren te betalen met toepassing van artikel 3.4.3.0.2.".
Art. 7. A l'article 3.3.1.0.8 du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013, inséré par le décret du 19 décembre 2014 et modifié en dernier lieu par le décret du 19 mars 2021, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le paragraphe 1er, alinéa 1er, 8°, est complété par la phrase suivante :
  " Si les héritiers, les légataires universels, les donateurs et toute personne tenue de déposer une déclaration de succession en application de l'article 3.4.3.0.2 du présent code déposent une demande de dation en paiement, l'estimation est remplacée par une référence à l'article 3.4.3.0.2 du présent code si le bien culturel fait partie de la succession dans son intégralité ou, au jour du décès, appartient dans son intégralité au défunt et à son conjoint survivant ou à son cohabitant légal ou, au jour du décès, appartient dans son intégralité au défunt et à l'un de ses héritiers, légataires et donataires ; " ;
  2° le paragraphe 1er, alinéa 1er, 14°, est complété par un point n), rédigé comme suit :
  " n) la demande de dation en paiement visée à l'article 3.4.3.0.2 du présent code, si le bien culturel fait partie de la succession dans son intégralité ou, au jour du décès, appartient dans son intégralité au défunt et à son conjoint survivant ou à son cohabitant légal ou, au jour du décès, appartient dans son intégralité au défunt et à l'un de ses héritiers, légataires et donataires ; " ;
  3° au paragraphe 2, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
  " L'alinéa 1er ne s'applique pas aux biens culturels qui sont présentés en paiement des droits de succession et accessoires en application de l'article 3.4.3.0.2. ".
Art. 8. Artikel 3.4.3.0.2 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 19 december 2014, wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. 3.4.3.0.2. § 1. Iedere erfgenaam, legataris of begiftigde kan verzoeken de erfbelasting en toebehoren die invorderbaar zijn op grond van een nalatenschap, geheel of gedeeltelijk te betalen door de afgifte van de geheelheid volle eigendom van de volgende cultuurgoederen :
  1° de topstukken, vermeld in artikel 2bis van het decreet van 24 januari 2003 houdende bescherming van het roerend cultureel erfgoed van uitzonderlijk belang, die al dan niet zijn opgenomen in de lijst van het roerend cultureel erfgoed van de Vlaamse Gemeenschap, vermeld in artikel 3, § 1, van het voormelde decreet;
  2° de cultuurgoederen, vermeld in artikel 2, 9°, van het decreet van 24 januari 2003 houdende bescherming van het roerend cultureel erfgoed van uitzonderlijk belang, die een bijzondere verrijking kunnen betekenen voor de collectie van collectiebeherende cultureelerfgoedorganisaties die aangewezen zijn als cultureelerfgoedinstellingen met toepassing van artikel 17 van het Cultureelerfgoeddecreet van 23 december 2021, en die daarom als sleutelwerken voor die collecties beschouwd moeten worden;
  3° de cultuurgoederen, vermeld in artikel 2, 9°, van het decreet van 24 januari 2003 houdende bescherming van het roerend cultureel erfgoed van uitzonderlijk belang, die een bijzondere verrijking kunnen betekenen voor de collectie van collectiebeherende cultureelerfgoedorganisaties die met een kwaliteitslabel ingedeeld zijn bij het landelijke niveau met toepassing van artikel 24 van het Cultureelerfgoeddecreet van 23 december 2021, en die daarom als sleutelwerken voor die collecties beschouwd moeten worden;
  4° de cultuurgoederen, vermeld in artikel 2, 9°, van het decreet van 24 januari 2003 houdende bescherming van het roerend cultureel erfgoed van uitzonderlijk belang, die een bijzondere verrijking kunnen betekenen voor de collectie van universiteitsarchieven en universiteitsbibliotheken die een kwaliteitslabel hebben met toepassing van artikel 7 van het Cultureelerfgoeddecreet van 23 december 2021, en die daarom als sleutelwerken voor die collecties beschouwd moeten worden.
  Alleen de cultuurgoederen, vermeld in het eerste lid, die op de dag van het overlijden in hun geheel in volle eigendom toebehoren aan de overledene en/of aan zijn langstlevende echtgenoot of zijn wettelijk samenwonende partner en/of aan zijn erfgenamen, legatarissen of begiftigden, kunnen als betaling als vermeld in het eerste lid worden aangeboden. Het bewijs dat de voormelde voorwaarde is vervuld, kan worden geleverd door alle bewijsmiddelen, met uitsluiting van de eed.
  § 2. De bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie onderzoekt de ontvankelijkheid van het verzoek tot inbetalinggeving en brengt de aanvrager op de hoogte van haar beslissing. Als het verzoek tot inbetalinggeving, vermeld in paragraaf 1, onontvankelijk is verklaard en het cultuurgoed deel uitmaakt van de nalatenschap, dient de erfgenaam, legataris of begiftigde, vermeld in paragraaf 1, in voorkomend geval, binnen twee maanden vanaf de kennisgeving van de onontvankelijkheid een aanvullende aangifte in bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.
  § 3. Als het verzoek tot inbetalinggeving, vermeld in paragraaf 1, ontvankelijk is verklaard, bezorgt de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het verzoek aan de Raad, vermeld in artikel 2, 4°, van het decreet van 24 januari 2003 houdende bescherming van het roerend cultureel erfgoed van uitzonderlijk belang, met het oog op een beslissing van de Vlaamse Regering conform artikel 18ter van het voormelde decreet.
  § 4. Als de Vlaamse Regering conform artikel 18ter van het decreet van 24 januari 2003 houdende bescherming van het roerend cultureel erfgoed van uitzonderlijk belang beslist dat de cultuurgoederen die het voorwerp uitmaken van het verzoek, in betaling mogen worden gegeven, worden de cultuurgoederen geacht voor 120 procent van de waarde die is vastgesteld in de beslissing van de Vlaamse Regering, in betaling te zijn gegeven om de verschuldigde erfbelasting en toebehoren te voldoen.
  De aanvrager wordt op de hoogte gebracht van de beslissing van de Vlaamse Regering over het verzoek.
  De waarde die conform artikel 18ter, derde of vijfde lid, van het voormelde decreet is vastgesteld bij een beslissing van de Vlaamse Regering, neemt de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie in aanmerking om de erfbelasting en toebehoren te berekenen als het cultuurgoed deel uitmaakt van de nalatenschap.
  In het geval, vermeld in het derde lid, behoudt de aanvrager de mogelijkheid om conform artikel 3.5.3.0.1 een bezwaar in te dienen tegen de gevestigde aanslag, behalve voor de waardering van het cultuurgoed, zoals die is vastgesteld bij een beslissing van de Vlaamse Regering.
  § 5. De aanvragers kunnen aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie meedelen dat ze hun verzoek tot inbetalinggeving volledig of gedeeltelijk intrekken. Bij intrekking van het verzoek tot inbetalinggeving dient de erfgenaam, legataris of begiftigde, vermeld in paragraaf 1, binnen twee maanden vanaf de kennisgeving van de intrekking een aanvullende aangifte in bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie als het cultuurgoed deel uitmaakt van de nalatenschap, behalve als de waarde is bepaald bij een beslissing van de Vlaamse Regering conform artikel 18ter, derde of vijfde lid, van het decreet van 24 januari 2003 houdende bescherming van het roerend cultureel erfgoed van uitzonderlijk belang.
  § 6. Als de Vlaamse Regering binnen vijf maanden na de kennisgeving van het verzoek door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie aan de Raad geen beslissing heeft genomen, wordt het verzoek tot inbetalinggeving geacht te zijn afgewezen. Als het cultuurgoed deel uitmaakt van de nalatenschap, dient de erfgenaam, legataris of begiftigde, vermeld in paragraaf 1, binnen twee maanden na de kennisgeving van het verstrijken van voormelde termijn van vijf maanden, een aanvullende aangifte in bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.
  Als de Vlaamse Regering het verzoek tot inbetalinggeving weigert, wordt de aanvullende aangifte, vermeld in het eerste lid, ingediend binnen twee maanden vanaf de kennisgeving van de beslissing van de Vlaamse Regering.
  § 7. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen over de wijze en het tijdstip waarop het verzoek moet worden ingediend, en kan bepalen welke gegevens en documenten de aanvraag moet bevatten. De Vlaamse Regering kan de procedure voor de afhandeling of intrekking van het verzoek nader bepalen.".
Art. 8. L'article 3.4.3.0.2 du même code, inséré par le décret du 19 décembre 2014, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 3.4.3.0.2. § 1er. Tout héritier, légataire ou donataire peut demander le paiement de tout ou partie des droits de succession et accessoires récupérables en vertu d'une succession en abandonnant la pleine et entière propriété des biens culturels suivants :
  1° les pièces maîtresses mentionnées à l'article 2bis du décret du 24 janvier 2003 portant protection du patrimoine culturel mobilier présentant un intérêt exceptionnel, qui sont reprises ou non dans la liste du patrimoine culturel mobilier de la Communauté flamande mentionnée à l'article 3, § 1er, du décret précité ;
  2° les biens culturels visés à l'article 2, 9°, du décret du 24 janvier 2003 portant protection du patrimoine culturel mobilier présentant un intérêt exceptionnel, qui peuvent représenter un enrichissement particulier pour la collection des organisations gestionnaires de collection du patrimoine culturel désignés comme organismes du patrimoine culturel en application de l'article 17 du décret du 23 décembre 2021 portant le soutien de l'exploitation du patrimoine culturel, et qui doivent donc être considérés comme des oeuvres clés pour ces collections ;
  3° les biens culturels visés à l'article 2, 9°, du décret du 24 janvier 2003 portant protection du patrimoine culturel mobilier présentant un intérêt exceptionnel, qui peuvent représenter un enrichissement particulier pour la collection des organisations gestionnaires de collection du patrimoine culturel classés avec un label de qualité au niveau national en application de l'article 24 du décret du 23 décembre 2021 portant le soutien de l'exploitation du patrimoine culturel, et qui doivent donc être considérés comme des oeuvres clés pour ces collections ;
  4° les biens culturels visés à l'article 2, 9°, du décret du 24 janvier 2003 portant protection du patrimoine culturel mobilier présentant un intérêt exceptionnel, qui peuvent particulièrement enrichir les collections des archives universitaires et des bibliothèques universitaires bénéficiant d'un label de qualité en application de l'article 7 du décret du 23 décembre 2021 portant le soutien de l'exploitation du patrimoine culturel et qui doivent donc être considérés comme des oeuvres clés pour ces collections.
  Seuls les biens culturels visés à l'alinéa 1er, qui sont en pleine propriété du défunt et/ou de son conjoint survivant ou de son cohabitant légal et/ou de ses héritiers, légataires ou donataires au jour du décès, peuvent être présentés comme paiement tel que mentionné à l'alinéa 1er. La preuve que la condition précitée est remplie peut être apportée par tous moyens de preuve, à l'exclusion du serment.
  § 2. L'entité compétente de l'administration flamande examine la recevabilité de la demande de dation en paiement et informe le demandeur de sa décision. Si la demande de dation en paiement visée à l'alinéa 1er est déclarée irrecevable et que le bien culturel fait partie de la succession, l'héritier, le légataire ou le donataire visé à l'alinéa 1er soumet, le cas échéant, une déclaration complémentaire à l'entité compétente de l'administration flamande dans un délai de deux mois à compter de la notification de l'irrecevabilité.
  § 3. Si la demande de dation en paiement visée à l'alinéa 1er est déclarée recevable, l'entité compétente de l'administration flamande remet la demande au Conseil visé à l'article 2, 4°, du décret du 24 janvier 2003 portant protection du patrimoine culturel mobilier présentant un intérêt exceptionnel, en vue d'une décision du Gouvernement flamand conformément à l'article 18ter du décret précité.
  § 4. Si le Gouvernement flamand décide, conformément à l'article 18ter du décret du 24 janvier 2003 portant protection du patrimoine culturel mobilier présentant un intérêt exceptionnel, que les biens culturels faisant l'objet de la demande peuvent être donnés en paiement, les biens culturels sont réputés avoir été donnés en paiement pour 120 % de la valeur déterminée dans la décision du Gouvernement flamand pour le paiement des droits de succession et des accessoires dus.
  Le demandeur est informé de la décision du Gouvernement flamand concernant la demande.
  La valeur déterminée conformément à l'article 18ter, alinéa 3 ou 5, du décret précité par une décision du Gouvernement flamand est prise en compte par l'entité compétente de l'administration flamande pour le calcul des droits de succession et des accessoires si le bien culturel fait partie de la succession.
  Dans le cas, visé à l'alinéa 3, le demandeur conserve la possibilité d'introduire une réclamation contre l'imposition établie, conformément à l'article 3.5.3.0.1, sauf pour la valorisation du bien culturel, telle que fixée par une décision du Gouvernement flamand.
  § 5. Les demandeurs peuvent notifier à l'entité compétente de l'administration flamande qu'ils renoncent à tout ou partie de leur demande de dation en paiement. En cas de retrait de la demande de dation en paiement, l'héritier, le légataire ou le donataire visé au paragraphe 1 introduit une déclaration complémentaire à l'entité compétente de l'Administration flamande dans un délai de deux mois à compter de la notification du retrait si le bien culturel fait partie de la succession, sauf si la valeur a été déterminée par une décision du Gouvernement flamand conformément à l'article 18ter, alinéa 3 ou 5, du décret du 24 janvier 2003 portant protection du patrimoine culturel mobilier présentant un intérêt exceptionnel.
  § 6. Si le Gouvernement flamand n'a pas pris de décision dans un délai de cinq mois à compter de la notification de la demande par l'entité compétente de l'administration flamande au Conseil, la demande de dation en paiement est réputée rejetée. Si le bien culturel fait partie de la succession, l'héritier, le légataire ou le donataire visé au paragraphe 1 introduit une déclaration complémentaire à l'entité compétente de l'administration flamande dans un délai précité de deux mois à compter de la notification de l'expiration du délai de cinq mois.
  Si le Gouvernement flamand refuse la demande de dation en paiement, la déclaration complémentaire visée à l'alinéa 1er doit être présentée dans un délai de deux mois à compter de la notification de la décision du Gouvernement flamand.
  § 7. Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres règles sur la manière et l'heure dont la demande doit être introduite, et déterminer les informations et les documents que la demande doit contenir. Le Gouvernement flamand peut préciser la procédure de traitement ou de retrait de la demande ".
Art. 9. In artikel 3.6.0.0.5 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 19 december 2014, worden de woorden "Als de erfbelasting is betaald met kunstwerken" vervangen door de woorden "Als de erfbelasting en toebehoren zijn betaald met cultuurgoederen".
Art. 9. Dans l'article 3.6.0.0.5 du même code, inséré par le décret du 19 décembre 2014, les mots " Si les droits de succession sont payés avec des oeuvres d'art " sont remplacés par les mots " Si les droits de succession et les accessoires sont payés par des biens culturels ".
Art. 10. Artikel 3.10.3.1.4 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 19 december 2014, wordt opgeheven.
Art. 10. L'article 3.10.3.1.4 du même code, inséré par le décret du 19 décembre 2014, est abrogé.
Art. 11. Artikel 3.14.1.0.2 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 19 december 2014, wordt opgeheven.
Art. 11. L'article 3.14.1.0.2 du même code, inséré par le décret du 19 décembre 2014, est abrogé.
HOOFDSTUK 4.
CHAPITRE 4.
HOOFDSTUK 5. - Slotbepaling
CHAPITRE 5. - Disposition finale
Art. 13. Dit decreet treedt in werking op een datum die de Vlaamse Regering vaststelt en uiterlijk op 1 juli 2023.
Art. 13. Le présent décret entre en vigueur à une date à fixer par le Gouvernement flamand et au plus tard le 1er juillet 2023.