Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
27 NOVEMBER 2022. - Wet tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 september 2006 tot uitvoering van de artikelen 33, 33bis, 34 en 34bis van de herstelwet van 10 februari 1981 inzake pensioenen van de sociale sector en de wet 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen
Titre
27 NOVEMBRE 2022. - Loi modifiant l'arrêté royal du 28 septembre 2006 portant exécution des articles 33, 33bis, 34 et 34bis de la loi de redressement du 10 février 1981 relative aux pensions du secteur social et la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pensions
Dokumentinformationen
Info du document
Tekst (10)
Texte (10)
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 74 de la Constitution.
Art. 2. Artikel 2 van het koninklijk besluit van 28 september 2006 tot uitvoering van de artikelen 33, 33bis, 34 en 34bis van de herstelwet van 10 februari 1981 inzake pensioenen van de sociale sector, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 18 maart 2014, wordt aangevuld met de bepaling onder 4°, luidende :
"4° "onthaalouder":
a) de persoon bedoeld in artikel 3, 9°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
b) de persoon die instaat voor de opvang van kinderen in een woning voor de opvang in gezinsverband en die, in het kader van een pilootproject waarin voorzien is met toepassing van een decretale of reglementaire bepaling, tewerkgesteld is bij een erkende dienst inzake kinderopvang.".
"4° "onthaalouder":
a) de persoon bedoeld in artikel 3, 9°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
b) de persoon die instaat voor de opvang van kinderen in een woning voor de opvang in gezinsverband en die, in het kader van een pilootproject waarin voorzien is met toepassing van een decretale of reglementaire bepaling, tewerkgesteld is bij een erkende dienst inzake kinderopvang.".
Art. 2. L'article 2 de l'arrêté royal du 28 septembre 2006 portant exécution des articles 33, 33bis, 34 et 34bis de la loi de redressement du 10 février 1981 relative aux pensions du secteur social, modifié par l'arrêté royal du 18 mars 2014, est complété par le 4°, rédigé comme suit :
" 4° " accueillant d'enfants ":
a) la personne visée à l'article 3, 9°, de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs;
b) la personne qui assure l'accueil d'enfants dans une habitation destinée à un accueil à caractère familial et qui, dans le cadre d'un projet pilote prévu en vertu d'une disposition décrétale ou réglementaire, est engagée par un service d'accueil d'enfants agréé par l'organisme compétent. ".
" 4° " accueillant d'enfants ":
a) la personne visée à l'article 3, 9°, de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs;
b) la personne qui assure l'accueil d'enfants dans une habitation destinée à un accueil à caractère familial et qui, dans le cadre d'un projet pilote prévu en vertu d'une disposition décrétale ou réglementaire, est engagée par un service d'accueil d'enfants agréé par l'organisme compétent. ".
Art. 3. Artikel 5 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 18 maart 2014, wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende :
" § 4. Voor de toepassing van de paragrafen 1 en 2, wordt het aantal in aanmerking te nemen kalenderjaren van tewerkstelling als onthaalouder vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller gelijk is aan 45 en de noemer gelijk is aan het aantal kalenderjaren gelegen tussen 1 januari 2003 en 31 december van het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de betrokkene de leeftijd, bedoeld in artikel 2, § 1, van het koninklijk besluit van 23 december 1996, bereikt.".
" § 4. Voor de toepassing van de paragrafen 1 en 2, wordt het aantal in aanmerking te nemen kalenderjaren van tewerkstelling als onthaalouder vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller gelijk is aan 45 en de noemer gelijk is aan het aantal kalenderjaren gelegen tussen 1 januari 2003 en 31 december van het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de betrokkene de leeftijd, bedoeld in artikel 2, § 1, van het koninklijk besluit van 23 december 1996, bereikt.".
Art. 3. L'article 5 du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 18 mars 2014, est complété par un paragraphe 4, rédigé comme suit :
" § 4. Pour l'application des paragraphes 1er et 2, le nombre d'années civiles d'occupation comme accueillant d'enfants à prendre en compte est multiplié par une fraction dont le numérateur est égal à 45 et le dénominateur est égal au nombre d'années civiles comprises entre le 1er janvier 2003 et le 31 décembre de l'année civile précédant l'année civile au cours de laquelle l'intéressé atteint l'âge visé à l'article 2, § 1er, de l'arrêté royal du 23 décembre 1996. ".
" § 4. Pour l'application des paragraphes 1er et 2, le nombre d'années civiles d'occupation comme accueillant d'enfants à prendre en compte est multiplié par une fraction dont le numérateur est égal à 45 et le dénominateur est égal au nombre d'années civiles comprises entre le 1er janvier 2003 et le 31 décembre de l'année civile précédant l'année civile au cours de laquelle l'intéressé atteint l'âge visé à l'article 2, § 1er, de l'arrêté royal du 23 décembre 1996. ".
Art. 4. Artikel 6 van hetzelfde besluit, wordt aangevuld met een tweede lid, luidende:
"In uitvoering van het eerste lid, wordt, met toepassing van artikel 5, § § 1 en 2, het aantal in aanmerking te nemen kalenderjaren van tewerkstelling als onthaalouder vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller gelijk is aan de noemer van de breuk waarin het pensioen als werknemer wordt uitgedrukt en de noemer gelijk is aan het aantal kalenderjaren gelegen tussen 1 januari 2003 en 31 december van het kalenderjaar voorafgaand aan het overlijden, zonder dat de aldus bekomen breuk lager kan zijn dan de eenheid.".
"In uitvoering van het eerste lid, wordt, met toepassing van artikel 5, § § 1 en 2, het aantal in aanmerking te nemen kalenderjaren van tewerkstelling als onthaalouder vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller gelijk is aan de noemer van de breuk waarin het pensioen als werknemer wordt uitgedrukt en de noemer gelijk is aan het aantal kalenderjaren gelegen tussen 1 januari 2003 en 31 december van het kalenderjaar voorafgaand aan het overlijden, zonder dat de aldus bekomen breuk lager kan zijn dan de eenheid.".
Art. 4. L'article 6 du même arrêté, est complété par un alinéa 2, rédigé comme suit :
" En exécution de l'alinéa 1er, le nombre d'années civiles d'occupation comme accueillant d'enfants à prendre en compte en application de l'article 5, § § 1er et 2, est multiplié par une fraction dont le numérateur est égal au dénominateur de la fraction selon laquelle la pension de travailleur salarié est exprimée et le dénominateur est égal au nombre d'années civiles comprises entre le 1er janvier 2003 et le 31 décembre de l'année civile qui précède le décès, sans que la fraction ainsi obtenue puisse être inférieure à l'unité. ".
" En exécution de l'alinéa 1er, le nombre d'années civiles d'occupation comme accueillant d'enfants à prendre en compte en application de l'article 5, § § 1er et 2, est multiplié par une fraction dont le numérateur est égal au dénominateur de la fraction selon laquelle la pension de travailleur salarié est exprimée et le dénominateur est égal au nombre d'années civiles comprises entre le 1er janvier 2003 et le 31 décembre de l'année civile qui précède le décès, sans que la fraction ainsi obtenue puisse être inférieure à l'unité. ".
Art. 5. Artikel 8 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 18 maart 2014 en 9 december 2014, wordt aangevuld met een derde lid, luidende:
"Voor de toepassing van het tweede lid, wordt het aantal in aanmerking te nemen kalenderjaren van tewerkstelling als onthaalouder en dat voor elk kalenderjaar ten minste 208 voltijdse dagequivalenten omvat vóór toepassing van artikel 10bis van het koninklijk besluit nr. 50 en, naargelang het geval, van artikel 5, § 1, derde lid, en van artikel 7, § 1, vierde lid, van het koninklijk besluit van 23 december 1996, vermenigvuldigd met een breuk waarvan :
1° de teller gelijk is aan 45 en de noemer gelijk is aan het aantal kalenderjaren gelegen tussen 1 januari 2003 en 31 december van het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de betrokkene de leeftijd bedoeld in artikel 2, § 1, van het koninklijk besluit van 23 december 1996 bereikt wanneer het een rustpensioen betreft;
2° de teller gelijk is aan de noemer van de breuk waarin het pensioen als werknemer wordt uitgedrukt en de noemer gelijk is aan het aantal kalenderjaren gelegen tussen 1 januari 2003 en 31 december van het kalenderjaar voorafgaand aan het overlijden, zonder dat de aldus bekomen breuk lager kan zijn dan de eenheid, wanneer het een overlevingspensioen betreft.".
"Voor de toepassing van het tweede lid, wordt het aantal in aanmerking te nemen kalenderjaren van tewerkstelling als onthaalouder en dat voor elk kalenderjaar ten minste 208 voltijdse dagequivalenten omvat vóór toepassing van artikel 10bis van het koninklijk besluit nr. 50 en, naargelang het geval, van artikel 5, § 1, derde lid, en van artikel 7, § 1, vierde lid, van het koninklijk besluit van 23 december 1996, vermenigvuldigd met een breuk waarvan :
1° de teller gelijk is aan 45 en de noemer gelijk is aan het aantal kalenderjaren gelegen tussen 1 januari 2003 en 31 december van het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de betrokkene de leeftijd bedoeld in artikel 2, § 1, van het koninklijk besluit van 23 december 1996 bereikt wanneer het een rustpensioen betreft;
2° de teller gelijk is aan de noemer van de breuk waarin het pensioen als werknemer wordt uitgedrukt en de noemer gelijk is aan het aantal kalenderjaren gelegen tussen 1 januari 2003 en 31 december van het kalenderjaar voorafgaand aan het overlijden, zonder dat de aldus bekomen breuk lager kan zijn dan de eenheid, wanneer het een overlevingspensioen betreft.".
Art. 5. L'article 8 du même arrêté, modifié par les arrêtés royaux des 18 mars 2014 et 9 décembre 2014, est complété par un alinéa 3, rédigé comme suit :
" Pour l'application de l'alinéa 2, le nombre d'années civiles d'occupation comme accueillant d'enfants à prendre en compte et qui comprennent pour chaque année civile au minimum 208 jours équivalents temps plein avant l'application de l'article 10bis de l'arrêté royal n° 50 et, selon le cas, de l'article 5, § 1er, alinéa 3, et de l'article 7, § 1er, alinéa 4, de l'arrêté royal du 23 décembre 1996, est multiplié par une fraction dont :
1° le numérateur est égal à 45 et le dénominateur est égal au nombre d'années civiles comprises entre le 1er janvier 2003 et le 31 décembre de l'année civile précédant l'année civile au cours de laquelle l'intéressé atteint l'âge visé à l'article 2, § 1er, de l'arrêté royal du 23 décembre 1996, lorsqu'il s'agit d'une pension de retraite;
2° le numérateur est égal au dénominateur de la fraction selon laquelle la pension en tant que travailleur salarié est exprimée et le dénominateur est égal au nombre d'années civiles comprises entre le 1er janvier 2003 et le 31 décembre de l'année civile précédant le décès, sans que la fraction ainsi obtenue soit inférieure à l'unité, lorsqu'il s'agit d'une pension de survie. ".
" Pour l'application de l'alinéa 2, le nombre d'années civiles d'occupation comme accueillant d'enfants à prendre en compte et qui comprennent pour chaque année civile au minimum 208 jours équivalents temps plein avant l'application de l'article 10bis de l'arrêté royal n° 50 et, selon le cas, de l'article 5, § 1er, alinéa 3, et de l'article 7, § 1er, alinéa 4, de l'arrêté royal du 23 décembre 1996, est multiplié par une fraction dont :
1° le numérateur est égal à 45 et le dénominateur est égal au nombre d'années civiles comprises entre le 1er janvier 2003 et le 31 décembre de l'année civile précédant l'année civile au cours de laquelle l'intéressé atteint l'âge visé à l'article 2, § 1er, de l'arrêté royal du 23 décembre 1996, lorsqu'il s'agit d'une pension de retraite;
2° le numérateur est égal au dénominateur de la fraction selon laquelle la pension en tant que travailleur salarié est exprimée et le dénominateur est égal au nombre d'années civiles comprises entre le 1er janvier 2003 et le 31 décembre de l'année civile précédant le décès, sans que la fraction ainsi obtenue soit inférieure à l'unité, lorsqu'il s'agit d'une pension de survie. ".
Art. 6. Artikel 9 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 18 maart 2014 en 9 december 2014, wordt aangevuld met een derde lid, luidende :
"Voor de toepassing van het tweede lid, wordt het aantal in aanmerking te nemen kalenderjaren van tewerkstelling als onthaalouder en dat voor elk kalenderjaar ten minste 208 voltijdse dagequivalenten omvat vóór toepassing van artikel 10bis van het koninklijk besluit nr. 50 en, naargelang het geval, van artikel 5, § 1, derde lid, en van artikel 7, § 1, vierde lid, van het koninklijk besluit van 23 december 1996, vermenigvuldigd met een breuk waarvan :
1° de teller gelijk is aan 45 en de noemer gelijk is aan het aantal kalenderjaren gelegen tussen 1 januari 2003 en 31 december van het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de betrokkene de leeftijd bedoeld in artikel 2, § 1, van het koninklijk besluit van 23 december 1996 bereikt wanneer het een rustpensioen betreft;
2° de teller gelijk is aan de noemer van de breuk waarin het pensioen als werknemer wordt uitgedrukt en de noemer gelijk is aan het aantal kalenderjaren gelegen tussen 1 januari 2003 en 31 december van het kalenderjaar voorafgaand aan het overlijden, zonder dat de aldus bekomen breuk lager kan zijn dan de eenheid, wanneer het een overlevingspensioen betreft.".
"Voor de toepassing van het tweede lid, wordt het aantal in aanmerking te nemen kalenderjaren van tewerkstelling als onthaalouder en dat voor elk kalenderjaar ten minste 208 voltijdse dagequivalenten omvat vóór toepassing van artikel 10bis van het koninklijk besluit nr. 50 en, naargelang het geval, van artikel 5, § 1, derde lid, en van artikel 7, § 1, vierde lid, van het koninklijk besluit van 23 december 1996, vermenigvuldigd met een breuk waarvan :
1° de teller gelijk is aan 45 en de noemer gelijk is aan het aantal kalenderjaren gelegen tussen 1 januari 2003 en 31 december van het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de betrokkene de leeftijd bedoeld in artikel 2, § 1, van het koninklijk besluit van 23 december 1996 bereikt wanneer het een rustpensioen betreft;
2° de teller gelijk is aan de noemer van de breuk waarin het pensioen als werknemer wordt uitgedrukt en de noemer gelijk is aan het aantal kalenderjaren gelegen tussen 1 januari 2003 en 31 december van het kalenderjaar voorafgaand aan het overlijden, zonder dat de aldus bekomen breuk lager kan zijn dan de eenheid, wanneer het een overlevingspensioen betreft.".
Art. 6. L'article 9 du même arrêté, modifié par les arrêtés royaux du 18 mars 2014 et 9 décembre 2014, est complété par un alinéa 3 rédigé comme suit :
" Pour l'application de l'alinéa 2, le nombre d'années civiles d'occupation comme accueillant d'enfants à prendre en compte et qui comprennent pour chaque année civile au minimum 208 jours équivalents temps plein avant l'application de l'article 10bis de l'arrêté royal n° 50 et, selon le cas, de l'article 5, § 1er, alinéa 3, et de l'article 7, § 1er, alinéa 4, de l'arrêté royal du 23 décembre 1996, est multiplié par une fraction dont :
1° le numérateur est égal à 45 et le dénominateur est égal au nombre d'années civiles comprises entre le 1er janvier 2003 et le 31 décembre de l'année civile précédant l'année civile au cours de laquelle l'intéressé atteint l'âge visé à l'article 2, § 1er, de l'arrêté royal du 23 décembre 1996, lorsqu'il s'agit d'une pension de retraite;
2° le numérateur est égal au dénominateur de la fraction selon laquelle la pension en tant que travailleur salarié est exprimée et le dénominateur est égal au nombre d'années civiles comprises entre le 1er janvier 2003 et le 31 décembre de l'année civile précédant le décès, sans que la fraction ainsi obtenue puisse être inférieure à l'unité, dans le cas d'une pension de survie. ".
" Pour l'application de l'alinéa 2, le nombre d'années civiles d'occupation comme accueillant d'enfants à prendre en compte et qui comprennent pour chaque année civile au minimum 208 jours équivalents temps plein avant l'application de l'article 10bis de l'arrêté royal n° 50 et, selon le cas, de l'article 5, § 1er, alinéa 3, et de l'article 7, § 1er, alinéa 4, de l'arrêté royal du 23 décembre 1996, est multiplié par une fraction dont :
1° le numérateur est égal à 45 et le dénominateur est égal au nombre d'années civiles comprises entre le 1er janvier 2003 et le 31 décembre de l'année civile précédant l'année civile au cours de laquelle l'intéressé atteint l'âge visé à l'article 2, § 1er, de l'arrêté royal du 23 décembre 1996, lorsqu'il s'agit d'une pension de retraite;
2° le numérateur est égal au dénominateur de la fraction selon laquelle la pension en tant que travailleur salarié est exprimée et le dénominateur est égal au nombre d'années civiles comprises entre le 1er janvier 2003 et le 31 décembre de l'année civile précédant le décès, sans que la fraction ainsi obtenue puisse être inférieure à l'unité, dans le cas d'une pension de survie. ".
Art. 7. In artikel 131ter van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 26 april 2019, wordt een § 1ter ingevoegd, luidende:
" § 1ter. Voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaan op 1 januari 2023, wordt, in afwijking van § 1, eerste lid, 2°, aan de zelfstandige en/of aan de meewerkende echtgenoot, bedoeld in artikel 7bis, § 1, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, een minimumpensioen toegekend voor zover die beantwoordt aan de bepalingen van artikel 5, § 4, of van artikel 6, tweede lid, of van artikel 9, derde lid, van het koninklijk besluit van 28 september 2006 tot uitvoering van de artikelen 33, 33bis, 34 en 34bis van de herstelwet van 10 februari 1981 inzake pensioenen van de sociale sector.
Dat minimumpensioen is gelijk aan een breukgedeelte van één van de bedragen, bedoeld in artikel 152 van de wet van 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980, voor wat het rustpensioen betreft, of in artikel 33 van de herstelwet van 10 februari 1981 inzake de pensioenen van de sociale sector, dat gelijk is, naargelang het geval, aan de breuk die na de toepassing van artikel 19 van het koninklijk besluit nr. 72 in aanmerking genomen werd voor de berekening van het rust- of overlevingspensioen in de regeling voor zelfstandigen.".
" § 1ter. Voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaan op 1 januari 2023, wordt, in afwijking van § 1, eerste lid, 2°, aan de zelfstandige en/of aan de meewerkende echtgenoot, bedoeld in artikel 7bis, § 1, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, een minimumpensioen toegekend voor zover die beantwoordt aan de bepalingen van artikel 5, § 4, of van artikel 6, tweede lid, of van artikel 9, derde lid, van het koninklijk besluit van 28 september 2006 tot uitvoering van de artikelen 33, 33bis, 34 en 34bis van de herstelwet van 10 februari 1981 inzake pensioenen van de sociale sector.
Dat minimumpensioen is gelijk aan een breukgedeelte van één van de bedragen, bedoeld in artikel 152 van de wet van 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980, voor wat het rustpensioen betreft, of in artikel 33 van de herstelwet van 10 februari 1981 inzake de pensioenen van de sociale sector, dat gelijk is, naargelang het geval, aan de breuk die na de toepassing van artikel 19 van het koninklijk besluit nr. 72 in aanmerking genomen werd voor de berekening van het rust- of overlevingspensioen in de regeling voor zelfstandigen.".
Art. 7. A l'article 131ter de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pensions, modifié en dernier lieu par la loi du 26 avril 2019, il est inséré un § 1ter rédigé comme suit:
" § 1ter. Pour les pensions qui prennent cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2023, par dérogation au § 1er, alinéa 1er, 2°, une pension minimum est attribuée au travailleur indépendant et/ou au conjoint aidant visé à l'article 7bis, § 1er, de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants dans la mesure où il est satisfait aux dispositions de l'article 5, § 4, ou de l'article 6, alinéa 2, ou de l'article 9, alinéa 3, de l'arrêté royal du 28 septembre 2006 portant exécution des articles 33, 33bis, 34 et 34bis de la loi de redressement du 10 février 1981 relative aux pensions du secteur social.
Cette pension minimale est égale à une fraction d'un des montants, visés à l'article 152 de la loi du 8 août 1980 relative aux propositions budgétaires 1979-1980, en ce qui concerne la pension de retraite, ou à l'article 33 de la loi de redressement du 10 février 1981 relative aux pensions du secteur social, qui est égale, selon le cas, à la fraction utilisée après application de l'article 19 de l'arrêté royal n° 72 pour le calcul de la pension de retraite ou de survie dans le régime des travailleurs indépendants. ".
" § 1ter. Pour les pensions qui prennent cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2023, par dérogation au § 1er, alinéa 1er, 2°, une pension minimum est attribuée au travailleur indépendant et/ou au conjoint aidant visé à l'article 7bis, § 1er, de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants dans la mesure où il est satisfait aux dispositions de l'article 5, § 4, ou de l'article 6, alinéa 2, ou de l'article 9, alinéa 3, de l'arrêté royal du 28 septembre 2006 portant exécution des articles 33, 33bis, 34 et 34bis de la loi de redressement du 10 février 1981 relative aux pensions du secteur social.
Cette pension minimale est égale à une fraction d'un des montants, visés à l'article 152 de la loi du 8 août 1980 relative aux propositions budgétaires 1979-1980, en ce qui concerne la pension de retraite, ou à l'article 33 de la loi de redressement du 10 février 1981 relative aux pensions du secteur social, qui est égale, selon le cas, à la fraction utilisée après application de l'article 19 de l'arrêté royal n° 72 pour le calcul de la pension de retraite ou de survie dans le régime des travailleurs indépendants. ".
Art. 8. De bepalingen van deze wet zijn van toepassing op de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ingaan:
1° ten vroegste op 1 januari 2023, met uitzondering van de overlevingspensioenen berekend op basis van een rustpensioen dat daadwerkelijk en voor de eerste maal ten laatste op 1 december 2022 ingegaan is en;
2° ten laatste op 1 januari 2033, met uitzondering van de overlevingspensioenen ten gevolge van een overlijden voor 1 januari 2033.
1° ten vroegste op 1 januari 2023, met uitzondering van de overlevingspensioenen berekend op basis van een rustpensioen dat daadwerkelijk en voor de eerste maal ten laatste op 1 december 2022 ingegaan is en;
2° ten laatste op 1 januari 2033, met uitzondering van de overlevingspensioenen ten gevolge van een overlijden voor 1 januari 2033.
Art. 8. Les dispositions de la présente loi s'appliquent aux pensions qui prennent cours effectivement et pour la première fois:
1° au plus tôt le 1er janvier 2023, à l'exception des pensions de survie calculées sur base d'une pension de retraite qui a pris cours effectivement et pour la première fois au plus tard le 1er décembre 2022, et;
2° au plus tard le 1er janvier 2033, à l'exception des pensions de survie suite à un décès avant le 1er janvier 2033.
1° au plus tôt le 1er janvier 2023, à l'exception des pensions de survie calculées sur base d'une pension de retraite qui a pris cours effectivement et pour la première fois au plus tard le 1er décembre 2022, et;
2° au plus tard le 1er janvier 2033, à l'exception des pensions de survie suite à un décès avant le 1er janvier 2033.
Art. 9. De Koning kan de bepalingen, gewijzigd bij deze wet opheffen, aanvullen, wijzigen of vervangen.
Art. 9. Le Roi peut abroger, completer, modifier ou remplacer les dispositions modifiees par la presente loi.
Art. 10. Deze wet treedt in werking op 1 januari 2023.
Art. 10. La présente loi entre en vigueur le 1er janvier 2023.