Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
9 DECEMBER 2022. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende de nadere regels voor het verkrijgen van een ondersteuningstoeslag en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 november 2018 houdende de uitvoering van de Vlaamse sociale bescherming (Besluit Ondersteuningstoeslag van 2022)(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 30-12-2022 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Titre
9 DECEMBRE 2022. - Arrêté du Gouvernement flamand portant les modalités d'obtention d'un supplément de soutien et modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 30 novembre 2018 portant exécution de la protection sociale flamande(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 30-12-2022 et mise à jour au 28-11-2025)
Dokumentinformationen
Info du document
Inhoud
Tekst (24)
Texte (24)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
CHAPITRE 1. - Dispositions générales
Artikel 1. Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit Ondersteuningstoeslag van 2022.
Article 1er. Le présent arrêté est cité comme : l'arrêté relatif au Supplément de soutien de 2022.
Art. 2. In dit besluit wordt verstaan onder:
1° agentschap Opgroeien regie: het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Opgroeien regie, opgericht bij het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Opgroeien regie;
2° besluit van 30 november 2018: het besluit van de Vlaamse Regering van 30 november 2018 houdende de uitvoering van de Vlaamse sociale bescherming;
1° agentschap Opgroeien regie: het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Opgroeien regie, opgericht bij het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Opgroeien regie;
2° besluit van 30 november 2018: het besluit van de Vlaamse Regering van 30 november 2018 houdende de uitvoering van de Vlaamse sociale bescherming;
Art. 2. Dans le présent arrêté, on entend par :
1° agence Grandir régie : l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique, créée par le décret du 30 avril 2004 portant création de l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique " Grandir régie " (" Opgroeien regie ") ;
2° arrêté du 30 novembre 2018 : l'arrêté du Gouvernement flamand du 30 novembre 2018 portant exécution de la protection sociale flamande ;
1° agence Grandir régie : l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique, créée par le décret du 30 avril 2004 portant création de l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique " Grandir régie " (" Opgroeien regie ") ;
2° arrêté du 30 novembre 2018 : l'arrêté du Gouvernement flamand du 30 novembre 2018 portant exécution de la protection sociale flamande ;
HOOFDSTUK 2. - Voorwaarden voor de toekenning en schorsing van de ondersteuningstoeslag
CHAPITRE 2. - Conditions d'octroi et suspension du supplément de soutien
Afdeling 1. - Voorwaarden voor de toekenning
Section 1re. - Conditions d'octroi
Art. 3. Het recht op de ondersteuningstoeslag van een kind dat de Belgische nationaliteit niet bezit als vermeld in artikel 56/1, eerste lid, 1°, van het Groeipakketdecreet van 2018, ontstaat vanaf de datum waarop de beslissing tot toekenning van het verblijfsrecht wordt genomen conform de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
Met behoud van de toepassing van artikel 4, ontstaat het recht op ondersteuningstoeslag voor het kind dat erkend vluchteling is, vanaf de datum waarop de beslissing van erkenning van de vluchtelingenstatus wordt genomen conform artikel 48/3 van de voormelde wet.
Als voor het rechtgevend kind zelf niet aangetoond kan worden dat het de toelating heeft of dat het gemachtigd is in België te verblijven of er zich te vestigen conform de voormelde wet, wordt die voorwaarde gecontroleerd via de persoon die het verblijfsrecht van het kind opent als vermeld in het Rijksregister.
Met behoud van de toepassing van artikel 4, ontstaat het recht op ondersteuningstoeslag voor het kind dat erkend vluchteling is, vanaf de datum waarop de beslissing van erkenning van de vluchtelingenstatus wordt genomen conform artikel 48/3 van de voormelde wet.
Als voor het rechtgevend kind zelf niet aangetoond kan worden dat het de toelating heeft of dat het gemachtigd is in België te verblijven of er zich te vestigen conform de voormelde wet, wordt die voorwaarde gecontroleerd via de persoon die het verblijfsrecht van het kind opent als vermeld in het Rijksregister.
Art. 3. Le droit au supplément de soutien d'un enfant qui ne possède pas la nationalité belge, tel que visé à l'article 56/1, alinéa 1er, 1°, du décret relatif au Panier de croissance de 2018, naît à partir de la date à laquelle la décision d'octroi du droit de séjour est prise conformément à la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers.
Sans préjudice de l'application de l'article 4, le droit au supplément de soutien pour l'enfant qui est réfugié reconnu naît à partir de la date à laquelle la décision de reconnaissance du statut de réfugié est prise conformément à l'article 48/3 de la loi précitée.
S'il ne peut pas être démontré pour l'enfant bénéficiaire lui-même qu'il est admis ou autorisé à séjourner en Belgique ou à s'y établir conformément à la loi précitée, cette condition est contrôlée via la personne qui ouvre le droit de séjour de l'enfant telle que mentionnée dans le Registre national.
Sans préjudice de l'application de l'article 4, le droit au supplément de soutien pour l'enfant qui est réfugié reconnu naît à partir de la date à laquelle la décision de reconnaissance du statut de réfugié est prise conformément à l'article 48/3 de la loi précitée.
S'il ne peut pas être démontré pour l'enfant bénéficiaire lui-même qu'il est admis ou autorisé à séjourner en Belgique ou à s'y établir conformément à la loi précitée, cette condition est contrôlée via la personne qui ouvre le droit de séjour de l'enfant telle que mentionnée dans le Registre national.
Art. 4. Voor de volgende kinderen geldt een algemene vrijstelling van de toekenningsvoorwaarde voor de ondersteuningstoeslag, vermeld in artikel 56/1, eerste lid, 1°, van het Groeipakketdecreet van 2018:
1° een kind dat het slachtoffer is van mensenhandel of -smokkel als vermeld in titel II, hoofdstuk IV, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, geattesteerd door een centrum dat door de federale overheid erkend is en dat gespecialiseerd is in het onthaal van slachtoffers van mensenhandel of -smokkel, en dat recht heeft om voorlopig op het grondgebied te verblijven in afwachting van de definitieve beslissing over de verblijfsaanvraag conform de voormelde wet;
2° een niet-begeleide minderjarige vreemdeling die recht heeft om voorlopig op het grondgebied te verblijven in afwachting van de definitieve beslissing over de verblijfsaanvraag conform de voormelde wet. De voormelde niet-begeleide minderjarige vreemdeling voldoet aan de volgende cumulatieve voorwaarden:
a) minderjarig zijn;
b) niet-begeleide minderjarige vreemdeling zijn als vermeld in titel XIII, hoofdstuk 6, artikel 5 of 5/1, van de programmawet (I) van 24 december 2002. Het bewijs dat een minderjarig kind beschouwd kan worden als een niet-begeleide minderjarige vreemdeling wordt geleverd door een attest van de dienst Voogdij, vermeld in titel XIII, hoofdstuk 6, artikel 3, van de programmawet (I) van 24 december 2002, waarmee een voogd voor de niet-begeleide minderjarige vreemdeling wordt aangesteld;
3° een kind dat niet toegelaten of gemachtigd is in België te verblijven of er zich te vestigen, waarvan een van de ouders Belg is of toegelaten of gemachtigd is in België te verblijven of er zich te vestigen. Als de ouder erkend vluchteling is, geldt de vrijstelling vanaf de datum waarop de beslissing van erkenning van vluchtelingenstatus voor de ouder wordt genomen conform artikel 48/3 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
1° een kind dat het slachtoffer is van mensenhandel of -smokkel als vermeld in titel II, hoofdstuk IV, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, geattesteerd door een centrum dat door de federale overheid erkend is en dat gespecialiseerd is in het onthaal van slachtoffers van mensenhandel of -smokkel, en dat recht heeft om voorlopig op het grondgebied te verblijven in afwachting van de definitieve beslissing over de verblijfsaanvraag conform de voormelde wet;
2° een niet-begeleide minderjarige vreemdeling die recht heeft om voorlopig op het grondgebied te verblijven in afwachting van de definitieve beslissing over de verblijfsaanvraag conform de voormelde wet. De voormelde niet-begeleide minderjarige vreemdeling voldoet aan de volgende cumulatieve voorwaarden:
a) minderjarig zijn;
b) niet-begeleide minderjarige vreemdeling zijn als vermeld in titel XIII, hoofdstuk 6, artikel 5 of 5/1, van de programmawet (I) van 24 december 2002. Het bewijs dat een minderjarig kind beschouwd kan worden als een niet-begeleide minderjarige vreemdeling wordt geleverd door een attest van de dienst Voogdij, vermeld in titel XIII, hoofdstuk 6, artikel 3, van de programmawet (I) van 24 december 2002, waarmee een voogd voor de niet-begeleide minderjarige vreemdeling wordt aangesteld;
3° een kind dat niet toegelaten of gemachtigd is in België te verblijven of er zich te vestigen, waarvan een van de ouders Belg is of toegelaten of gemachtigd is in België te verblijven of er zich te vestigen. Als de ouder erkend vluchteling is, geldt de vrijstelling vanaf de datum waarop de beslissing van erkenning van vluchtelingenstatus voor de ouder wordt genomen conform artikel 48/3 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
Art. 4. Une exemption générale de la condition d'octroi pour le supplément de soutien, visée à l'article 56/1, alinéa 1er, 1°, du décret relatif au Panier de croissance de 2018, s'applique aux enfants suivants :
1° un enfant qui est victime de l'infraction de traite ou de trafic des êtres humains, telle que visée dans le titre II, chapitre IV, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, attestée par un centre reconnu par l'autorité fédérale et spécialisé dans l'accueil de victimes de traite ou de trafic des êtres humains, et qui a le droit de séjourner provisoirement sur le territoire dans l'attente de la décision définitive sur la demande de séjour conformément à la loi précitée ;
2° un mineur étranger non accompagné qui a le droit de séjourner provisoirement sur le territoire dans l'attente de la décision définitive sur la demande de séjour conformément à la loi précitée. Le mineur étranger non accompagné précité remplit les conditions cumulatives suivantes :
a) être mineur ;
b) être mineur étranger non accompagné tel que visé dans le titre XIII, chapitre 6, article 5 ou 5/1, de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002. La preuve qu'un enfant mineur peut être considéré comme un mineur étranger non accompagné est apportée par une attestation du service des Tutelles visé dans le titre XIII, chapitre VI, article 3, de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002, désignant un tuteur pour le mineur étranger non accompagné ;
3° un enfant qui n'a pas été admis ou autorisé à séjourner en Belgique ou à s'y établir, dont l'un des parents est Belge ou a été admis ou autorisé à séjourner en Belgique ou à s'y établir. Si le parent est réfugié reconnu, l'exemption s'applique à partir de la date à laquelle est prise la décision de reconnaissance du statut de réfugié pour le parent conformément à l'article 48/3 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers.
1° un enfant qui est victime de l'infraction de traite ou de trafic des êtres humains, telle que visée dans le titre II, chapitre IV, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, attestée par un centre reconnu par l'autorité fédérale et spécialisé dans l'accueil de victimes de traite ou de trafic des êtres humains, et qui a le droit de séjourner provisoirement sur le territoire dans l'attente de la décision définitive sur la demande de séjour conformément à la loi précitée ;
2° un mineur étranger non accompagné qui a le droit de séjourner provisoirement sur le territoire dans l'attente de la décision définitive sur la demande de séjour conformément à la loi précitée. Le mineur étranger non accompagné précité remplit les conditions cumulatives suivantes :
a) être mineur ;
b) être mineur étranger non accompagné tel que visé dans le titre XIII, chapitre 6, article 5 ou 5/1, de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002. La preuve qu'un enfant mineur peut être considéré comme un mineur étranger non accompagné est apportée par une attestation du service des Tutelles visé dans le titre XIII, chapitre VI, article 3, de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002, désignant un tuteur pour le mineur étranger non accompagné ;
3° un enfant qui n'a pas été admis ou autorisé à séjourner en Belgique ou à s'y établir, dont l'un des parents est Belge ou a été admis ou autorisé à séjourner en Belgique ou à s'y établir. Si le parent est réfugié reconnu, l'exemption s'applique à partir de la date à laquelle est prise la décision de reconnaissance du statut de réfugié pour le parent conformément à l'article 48/3 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers.
Art. 5. De ondersteuningstoeslag wordt toegekend op basis van een attestering die aantoont dat het kind recht heeft op zorgtoeslag voor kinderen met een specifieke ondersteuningsbehoefte, vermeld in artikel 16 van het Groeipakketdecreet van 2018. Er moeten minstens twaalf punten worden vastgesteld overeenkomstig het driepijlersysteem, vermeld in artikel 6 van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2018 betreffende de nadere regels voor het verkrijgen van een zorgtoeslag.
In afwijking van het eerste lid wordt voor een kind dat woont in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, de ondersteuningstoeslag toegekend op basis van een attestering die aantoont:
1° dat het kind recht heeft op de verhoogde kinderbijslag, vermeld in artikel 12 van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 25 april 2019 tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag;
2° dat minstens twaalf punten worden toegekend overeenkomstig het driepijlersysteem, vermeld in artikel 6 en 7 van het koninklijk besluit van 28 maart 2003 tot uitvoering van de artikelen 47, 56septies en 63 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders en van artikel 88 van de programmawet (I) van 24 december 2002;
3° voor welke termijn de verhoogde kinderbijslag wordt toegekend.
In afwijking van het eerste lid wordt voor een kind dat woont in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, de ondersteuningstoeslag toegekend op basis van een attestering die aantoont:
1° dat het kind recht heeft op de verhoogde kinderbijslag, vermeld in artikel 12 van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 25 april 2019 tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag;
2° dat minstens twaalf punten worden toegekend overeenkomstig het driepijlersysteem, vermeld in artikel 6 en 7 van het koninklijk besluit van 28 maart 2003 tot uitvoering van de artikelen 47, 56septies en 63 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders en van artikel 88 van de programmawet (I) van 24 december 2002;
3° voor welke termijn de verhoogde kinderbijslag wordt toegekend.
Art. 5. Le supplément de soutien est octroyé sur la base d'une attestation démontrant que l'enfant a droit à l'allocation de soins pour les enfants ayant un besoin de soutien spécifique visée à l'article 16 du décret relatif au Panier de croissance de 2018. Au moins douze points doivent être constatés conformément au système des trois piliers visé à l'article 6 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 décembre 2018 concernant les modalités d'obtention d'une allocation de soins.
Par dérogation à l'alinéa 1er, pour un enfant qui habite dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale, le supplément de soutien est octroyé sur la base d'une attestation démontrant :
1° que l'enfant a droit aux allocations familiales majorées visées à l'article 12 de l'ordonnance de la Commission communautaire commune du 25 avril 2019 réglant l'octroi des prestations familiales ;
2° qu'au moins douze points ont été attribués conformément au système des trois piliers visé aux articles 6 et 7 de l'arrêté royal du 28 mars 2003 portant exécution des articles 47, 56septies et 63 des lois coordonnées relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés et de l'article 88 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002 ;
3° la durée pour laquelle les allocations familiales majorées sont octroyées.
Par dérogation à l'alinéa 1er, pour un enfant qui habite dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale, le supplément de soutien est octroyé sur la base d'une attestation démontrant :
1° que l'enfant a droit aux allocations familiales majorées visées à l'article 12 de l'ordonnance de la Commission communautaire commune du 25 avril 2019 réglant l'octroi des prestations familiales ;
2° qu'au moins douze points ont été attribués conformément au système des trois piliers visé aux articles 6 et 7 de l'arrêté royal du 28 mars 2003 portant exécution des articles 47, 56septies et 63 des lois coordonnées relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés et de l'article 88 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002 ;
3° la durée pour laquelle les allocations familiales majorées sont octroyées.
Art. 6. In afwijking van artikel 5 wordt het recht op een ondersteuningstoeslag geopend voor de personen die op 31 december 2022 een recht hebben op een basisondersteuningsbudget als vermeld in artikel 640 van het besluit van 30 november 2018.
Art. 6. Par dérogation à l'article 5, le droit à un supplément de soutien est ouvert pour les personnes qui, au 31 décembre 2022, ont droit à un budget d'assistance de base tel que visé à l'article 640 de l'arrêté du 30 novembre 2018.
Art. 7. In afwijking van artikel 5 en 6 van dit besluit wordt voor de personen die op 31 december 2022 recht hebben op een basisondersteuningsbudget als vermeld in artikel 233, § 3 of artikel 641, eerste lid, 2°, van het besluit van 30 november 2018 geen recht op ondersteuningstoeslag geopend.
Art. 7. Par dérogation aux articles 5 et 6 du présent arrêté, aucun droit au supplément de soutien n'est ouvert pour les personnes qui, au 31 décembre 2022, ont droit à un budget d'assistance de base tel que visé à l'article 233, § 3, ou à l'article 641, alinéa 1er, 2°, de l'arrêté du 30 novembre 2018.
Afdeling 2. - Schorsing
Section 2. - Suspension
Art. 8. De maandelijkse ondersteuningstoeslag wordt geschorst als:
1°[2 ...]2;
2° het kind een beroep doet op een persoonlijk assistentiebudget als vermeld in hoofdstuk IV/1 van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap;
3° het kind een beroep doet op een multifunctioneel centrum voor minderjarige personen met een handicap, erkend door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap met toepassing van artikel 7 of 9, § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap, met uitzondering van het kind dat enkel ondersteuning geniet van een multifunctioneel centrum voor minderjarige personen met een handicap op basis van artikel 8, derde lid, van voormeld besluit [3 en met uitzondering van het kind dat ondersteuning geniet van een multifunctioneel centrum na aanmelding door het centraal permanent crisismeldpunt, vermeld in artikel 44, § 2, 1°, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp]3;
4° het kind in een residentiële gehandicaptenvoorziening verblijft die in België door een andere overheid dan de Vlaamse overheid erkend is;
5° het kind in een niet in België gevestigde residentiële gehandicaptenvoorziening verblijft die een vergelijkbare hulp- en dienstverlening aanbiedt als een voorziening als vermeld in punt 4° ;
6° het kind gebruik maakt van niet-rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp en verblijft in een organisatie voor bijzondere jeugdzorg;
7° het kind in een gemeenschapsinstelling verblijft;
8° het kind een beroep doet op een ambulante gehandicaptenvoorziening die een vergelijkbare hulp- en dienstverlening aanbiedt als de niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning als vermeld in artikel 6 van het decreet van 25 april 2014 houdende de persoonsvolgende financiering en die:
a) ofwel in België door een andere overheid dan de Vlaamse overheid erkend is;
b) ofwel niet in België gevestigd is;
9° het kind gebruik maakt van niet-rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp en verblijft in een centrum voor kinderzorg en gezinsondersteuning;
10° het kind gebruik maakt van persoonsvolgende middelen voor minderjarige personen met een handicap met dringende noden, vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 maart 2017 over persoonsvolgende middelen voor minderjarige personen met een handicap met dringende noden;
11° het kind gebruik maakt van een unit voor geïnterneerden, vermeld in artikel 11 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 november 2017 over de erkenning en subsidiëring van voorzieningen die ondersteuning bieden aan personen met een handicap in de gevangenis, en van units voor geïnterneerden;
12° het kind gebruik maakt van een observatie-, diagnose- of behandelingsunit, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2017 over de erkenning en subsidiëring van observatie-, diagnose- en behandelingsunits;
13° het kind een beroep doet op een budget voor niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning;
14° het kind, dat jonger is dan 21 jaar, een inkomensvervangende tegemoetkoming of integratietegemoetkoming ontvangt als vermeld in de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;
15° het kind opgesloten is in een gevangenis of opgenomen is in een inrichting, een afdeling tot bescherming van de maatschappij, georganiseerd door de federale overheid, of in een forensisch psychiatrisch centrum, georganiseerd door de federale overheid.
De minister kan nadere regels voor de schorsing van de tegemoetkomingen bepalen.
1°[2 ...]2;
2° het kind een beroep doet op een persoonlijk assistentiebudget als vermeld in hoofdstuk IV/1 van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap;
3° het kind een beroep doet op een multifunctioneel centrum voor minderjarige personen met een handicap, erkend door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap met toepassing van artikel 7 of 9, § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap, met uitzondering van het kind dat enkel ondersteuning geniet van een multifunctioneel centrum voor minderjarige personen met een handicap op basis van artikel 8, derde lid, van voormeld besluit [3 en met uitzondering van het kind dat ondersteuning geniet van een multifunctioneel centrum na aanmelding door het centraal permanent crisismeldpunt, vermeld in artikel 44, § 2, 1°, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp]3;
4° het kind in een residentiële gehandicaptenvoorziening verblijft die in België door een andere overheid dan de Vlaamse overheid erkend is;
5° het kind in een niet in België gevestigde residentiële gehandicaptenvoorziening verblijft die een vergelijkbare hulp- en dienstverlening aanbiedt als een voorziening als vermeld in punt 4° ;
6° het kind gebruik maakt van niet-rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp en verblijft in een organisatie voor bijzondere jeugdzorg;
7° het kind in een gemeenschapsinstelling verblijft;
8° het kind een beroep doet op een ambulante gehandicaptenvoorziening die een vergelijkbare hulp- en dienstverlening aanbiedt als de niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning als vermeld in artikel 6 van het decreet van 25 april 2014 houdende de persoonsvolgende financiering en die:
a) ofwel in België door een andere overheid dan de Vlaamse overheid erkend is;
b) ofwel niet in België gevestigd is;
9° het kind gebruik maakt van niet-rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp en verblijft in een centrum voor kinderzorg en gezinsondersteuning;
10° het kind gebruik maakt van persoonsvolgende middelen voor minderjarige personen met een handicap met dringende noden, vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 maart 2017 over persoonsvolgende middelen voor minderjarige personen met een handicap met dringende noden;
11° het kind gebruik maakt van een unit voor geïnterneerden, vermeld in artikel 11 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 november 2017 over de erkenning en subsidiëring van voorzieningen die ondersteuning bieden aan personen met een handicap in de gevangenis, en van units voor geïnterneerden;
12° het kind gebruik maakt van een observatie-, diagnose- of behandelingsunit, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2017 over de erkenning en subsidiëring van observatie-, diagnose- en behandelingsunits;
13° het kind een beroep doet op een budget voor niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning;
14° het kind, dat jonger is dan 21 jaar, een inkomensvervangende tegemoetkoming of integratietegemoetkoming ontvangt als vermeld in de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;
15° het kind opgesloten is in een gevangenis of opgenomen is in een inrichting, een afdeling tot bescherming van de maatschappij, georganiseerd door de federale overheid, of in een forensisch psychiatrisch centrum, georganiseerd door de federale overheid.
De minister kan nadere regels voor de schorsing van de tegemoetkomingen bepalen.
Art. 8. Le supplément de soutien mensuel est suspendu si :
1° [2 ...]2 ;
2° l'enfant a recours à un budget d'assistance personnelle tel que visé dans le chapitre IV/I du décret du 7 mai 2004 portant création de l'Agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap " (Agence flamande pour les Personnes handicapées) ;
3° l'enfant a recours à un centre multifonctionnel pour personnes handicapées mineures agréé par l'Agence flamande pour les personnes handicapées en application de l'article 7 ou de l'article 9, § 2, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 février 2016 portant agrément et subventionnement de centres multifonctionnels pour personnes handicapées mineures, à l'exception de l'enfant qui bénéficie uniquement de l'assistance d'un centre multifonctionnel pour personnes handicapées mineures en vertu de l'article 8, alinéa 3, de l'arrêté précité [3 et à l'exception de l'enfant qui bénéficie du soutien d'un centre multifonctionnel après inscription par le point central et permanent d'alerte de crise, visé à l'article 44, § 2, 1°, du décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse]3;
4° l'enfant séjourne dans une structure résidentielle pour personnes handicapées agréée en Belgique par une autorité autre que l'Autorité flamande ;
5° l'enfant séjourne dans une structure résidentielle pour personnes handicapées non établie en Belgique qui offre une aide et des services similaires à une structure visée au point 4° ;
6° l'enfant a recours à l'aide à la jeunesse non directement accessible et séjourne dans une organisation d'aide spéciale à la jeunesse ;
7° l'enfant séjourne dans une institution communautaire ;
8° l'enfant a recours à une structure ambulatoire pour personnes handicapées qui offre une aide et des services similaires aux soins et au soutien non directement accessibles visés à l'article 6 du décret 25 avril 2014 portant le financement qui suit la personne et qui :
a) soit est agréée en Belgique par une autorité autre que l'Autorité flamande ;
b) soit n'est pas établie en Belgique ;
9° l'enfant a recours à l'aide à la jeunesse non directement accessible et séjourne dans un centre d'aide aux enfants et d'assistance des familles ;
10° l'enfant a recours aux aides personnalisées pour personnes handicapées mineures ayant des besoins urgents, visées à l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 mars 2017 relatif au versement d'aides personnalisées aux personnes mineures handicapées ayant des besoins urgents ;
11° l'enfant a recours à une unité pour internés visée à l'article 11 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 novembre 2017 relatif à l'agrément et au subventionnement de structures offrant du soutien aux personnes handicapées en prison, et d'unités pour internés ;
12° l'enfant a recours à une unité d'observation, de diagnostic ou de traitement visée dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 décembre 2017 relatif à l'agrément et au subventionnement d'unités d'observation, de diagnostic et de traitement ;
13° l'enfant a recours à un budget de soins et de soutien non directement accessibles ;
14° l'enfant, âgé de moins de 21 ans, bénéficie d'une allocation de remplacement de revenus ou d'une allocation d'intégration telle que visée dans la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux personnes handicapées ;
15° l'enfant est incarcéré dans un établissement pénitentiaire ou a été admis dans un établissement ou une section de défense sociale organisés par l'autorité fédérale ou dans un centre de psychiatrie légale organisé par l'autorité fédérale.
Le ministre peut préciser les règles de la suspension des allocations.
1° [2 ...]2 ;
2° l'enfant a recours à un budget d'assistance personnelle tel que visé dans le chapitre IV/I du décret du 7 mai 2004 portant création de l'Agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap " (Agence flamande pour les Personnes handicapées) ;
3° l'enfant a recours à un centre multifonctionnel pour personnes handicapées mineures agréé par l'Agence flamande pour les personnes handicapées en application de l'article 7 ou de l'article 9, § 2, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 février 2016 portant agrément et subventionnement de centres multifonctionnels pour personnes handicapées mineures, à l'exception de l'enfant qui bénéficie uniquement de l'assistance d'un centre multifonctionnel pour personnes handicapées mineures en vertu de l'article 8, alinéa 3, de l'arrêté précité [3 et à l'exception de l'enfant qui bénéficie du soutien d'un centre multifonctionnel après inscription par le point central et permanent d'alerte de crise, visé à l'article 44, § 2, 1°, du décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse]3;
4° l'enfant séjourne dans une structure résidentielle pour personnes handicapées agréée en Belgique par une autorité autre que l'Autorité flamande ;
5° l'enfant séjourne dans une structure résidentielle pour personnes handicapées non établie en Belgique qui offre une aide et des services similaires à une structure visée au point 4° ;
6° l'enfant a recours à l'aide à la jeunesse non directement accessible et séjourne dans une organisation d'aide spéciale à la jeunesse ;
7° l'enfant séjourne dans une institution communautaire ;
8° l'enfant a recours à une structure ambulatoire pour personnes handicapées qui offre une aide et des services similaires aux soins et au soutien non directement accessibles visés à l'article 6 du décret 25 avril 2014 portant le financement qui suit la personne et qui :
a) soit est agréée en Belgique par une autorité autre que l'Autorité flamande ;
b) soit n'est pas établie en Belgique ;
9° l'enfant a recours à l'aide à la jeunesse non directement accessible et séjourne dans un centre d'aide aux enfants et d'assistance des familles ;
10° l'enfant a recours aux aides personnalisées pour personnes handicapées mineures ayant des besoins urgents, visées à l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 mars 2017 relatif au versement d'aides personnalisées aux personnes mineures handicapées ayant des besoins urgents ;
11° l'enfant a recours à une unité pour internés visée à l'article 11 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 novembre 2017 relatif à l'agrément et au subventionnement de structures offrant du soutien aux personnes handicapées en prison, et d'unités pour internés ;
12° l'enfant a recours à une unité d'observation, de diagnostic ou de traitement visée dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 décembre 2017 relatif à l'agrément et au subventionnement d'unités d'observation, de diagnostic et de traitement ;
13° l'enfant a recours à un budget de soins et de soutien non directement accessibles ;
14° l'enfant, âgé de moins de 21 ans, bénéficie d'une allocation de remplacement de revenus ou d'une allocation d'intégration telle que visée dans la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux personnes handicapées ;
15° l'enfant est incarcéré dans un établissement pénitentiaire ou a été admis dans un établissement ou une section de défense sociale organisés par l'autorité fédérale ou dans un centre de psychiatrie légale organisé par l'autorité fédérale.
Le ministre peut préciser les règles de la suspension des allocations.
Art. 9. De schorsing, vermeld in artikel 8, heeft uitwerking vanaf de eerste dag van de maand waarin de gebeurtenis zich voordoet.
Het einde van de schorsing, vermeld in artikel 8, heeft uitwerking vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin het einde van de gebeurtenis zich voordoet.
Het einde van de schorsing, vermeld in artikel 8, heeft uitwerking vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin het einde van de gebeurtenis zich voordoet.
Art. 9. La suspension visée à l'article 8, produit ses effets à partir du premier jour du mois au cours duquel l'événement est intervenu.
La fin de la suspension visée à l'article 8, produit ses effets à partir du premier jour du mois qui suit celui au cours duquel la fin de l'événement est intervenue.
La fin de la suspension visée à l'article 8, produit ses effets à partir du premier jour du mois qui suit celui au cours duquel la fin de l'événement est intervenue.
HOOFDSTUK 3. - Duurtijd en toekenning van de ondersteuningstoeslag
CHAPITRE 3. - Durée et octroi du supplément de soutien
Art. 10. In afwijking van artikel 56/1, derde lid, van het Groeipakketdecreet van 2018 wordt de ondersteuningstoeslag voor het kind toegekend tot het einde van de geldigheidsduur van de toekenningsbeslissing zoals die gold op 31 december 2022, en uiterlijk tot de leeftijd van 25 jaar, voor de kinderen, vermeld in artikel 6, als de voormelde geldigheidsduur later dan 21 jaar ligt.
Art. 10. Par dérogation à l'article 56/1, alinéa 3, du décret relatif au Panier de croissance de 2018, le supplément de soutien est octroyé pour l'enfant jusqu'à la fin de la durée de validité de la décision d'octroi telle qu'elle s'appliquait au 31 décembre 2022 et, au plus tard, jusqu'à l'âge de 25 ans pour les enfants visés à l'article 6, si la fin de la durée de validité précitée intervient après l'âge de 21 ans.
Art. 11. § 1. De ondersteuningstoeslag wordt uiterlijk uitbetaald op de achtste dag van iedere maand die volgt op de maand waarop het recht op die toeslag betrekking heeft.
Met behoud van de toepassing van het eerste lid wordt elke betaling in de loop van de maand die volgt op de maand waarop het recht op de toeslag betrekking heeft, beschouwd als een tijdige betaling.
Een gewijzigd bedrag van de ondersteuningstoeslag ten gevolge van een indexering of ten gevolge van een wijziging bij of krachtens een decreet, wordt uitbetaald in de maand die volgt op de maand waarin de indexering plaatsvindt of de wijziging in werking treedt.
§ 2. Met behoud van de toepassing van artikel 87 en 88 van het Groeipakketdecreet van 2018, wordt de ondersteuningstoeslag waarvan het recht op de betaaldata, vermeld in paragraaf 1, nog in onderzoek is, zodra het recht is vastgesteld, betaald op tussentijdse betaaldata.
De minister stelt de betaalkalender met tussentijdse betaaldata op.
Met behoud van de toepassing van het eerste lid wordt elke betaling in de loop van de maand die volgt op de maand waarop het recht op de toeslag betrekking heeft, beschouwd als een tijdige betaling.
Een gewijzigd bedrag van de ondersteuningstoeslag ten gevolge van een indexering of ten gevolge van een wijziging bij of krachtens een decreet, wordt uitbetaald in de maand die volgt op de maand waarin de indexering plaatsvindt of de wijziging in werking treedt.
§ 2. Met behoud van de toepassing van artikel 87 en 88 van het Groeipakketdecreet van 2018, wordt de ondersteuningstoeslag waarvan het recht op de betaaldata, vermeld in paragraaf 1, nog in onderzoek is, zodra het recht is vastgesteld, betaald op tussentijdse betaaldata.
De minister stelt de betaalkalender met tussentijdse betaaldata op.
Art. 11. § 1er. Le supplément de soutien est versé au plus tard le huitième jour de chaque mois suivant celui auquel se rapporte le droit à ce supplément.
Sans préjudice de l'application de l'alinéa 1er, tout paiement effectué au cours du mois suivant celui auquel se rapporte le droit à ce supplément est considéré comme un paiement dans les délais.
Un montant modifié du supplément de soutien suite à une indexation ou à une modification par ou en vertu d'un décret est payé au cours du mois suivant celui au cours duquel l'indexation intervient ou la modification entre en vigueur.
§ 2. Sans préjudice de l'application des articles 87 et 88 du décret relatif au Panier de croissance de 2018, le supplément de soutien dont le droit est encore à l'examen aux dates de paiement mentionnées au paragraphe 1er est payé à des dates de paiement intermédiaires une fois le droit établi.
Le ministre établit le calendrier des paiements avec des dates de paiement intermédiaires.
Sans préjudice de l'application de l'alinéa 1er, tout paiement effectué au cours du mois suivant celui auquel se rapporte le droit à ce supplément est considéré comme un paiement dans les délais.
Un montant modifié du supplément de soutien suite à une indexation ou à une modification par ou en vertu d'un décret est payé au cours du mois suivant celui au cours duquel l'indexation intervient ou la modification entre en vigueur.
§ 2. Sans préjudice de l'application des articles 87 et 88 du décret relatif au Panier de croissance de 2018, le supplément de soutien dont le droit est encore à l'examen aux dates de paiement mentionnées au paragraphe 1er est payé à des dates de paiement intermédiaires une fois le droit établi.
Le ministre établit le calendrier des paiements avec des dates de paiement intermédiaires.
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 november 2018
CHAPITRE 4. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 30 novembre 2018
Art. 12. In artikel 233 van het besluit van 30 november 2018 houdende de uitvoering van de Vlaamse sociale bescherming, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2020 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 november 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 2 wordt opgeheven;
2° in paragraaf 3, eerste lid, worden tussen de woorden "recht op een basisondersteuningsbudget wordt" en het woord "geopend" de zinsnede "tot en met 31 december 2022" ingevoegd.
1° paragraaf 2 wordt opgeheven;
2° in paragraaf 3, eerste lid, worden tussen de woorden "recht op een basisondersteuningsbudget wordt" en het woord "geopend" de zinsnede "tot en met 31 december 2022" ingevoegd.
Art. 12. A l'article 233 de l'arrêté du 30 novembre 2018 portant exécution de la protection sociale flamande, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 décembre 2020 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 novembre 2021, les modifications suivantes sont apportées :
1° le paragraphe 2 est abrogé ;
2° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, le membre de phrase " jusqu'au 31 décembre 2022 " est inséré entre les mots " est ouvert " et les mots " pour les personnes ".
1° le paragraphe 2 est abrogé ;
2° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, le membre de phrase " jusqu'au 31 décembre 2022 " est inséré entre les mots " est ouvert " et les mots " pour les personnes ".
Art. 13. In artikel 235 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 maart 2019, wordt het derde lid opgeheven.
Art. 13. A l'article 235 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 mars 2019, l'alinéa 3 est abrogé.
Art. 14. Artikel 640 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2020, wordt opgeheven.
Art. 14. L'article 640 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 décembre 2020, est abrogé.
Art. 15. In artikel 641, eerste lid, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2020, wordt punt 1° opgeheven.
Art. 15. A l'article 641, alinéa 1er, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 décembre 2020, le point 1° est abrogé.
HOOFDSTUK 5. - Slotbepalingen
CHAPITRE 5. - Dispositions finales
Art. 16. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2023.
Art. 16. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er janvier 2023.
Art. 17. De Vlaamse minister, bevoegd voor opgroeien, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 17. Le ministre flamand qui a le Grandir dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.