Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
21 NOVEMBER 2021. - Wet tot wijziging van de wet van 15 juli 2016 tot uitvoering van de Verordening (EU) nr. 98/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2013 over het op de markt brengen en het gebruik van precursoren voor explosieven en houdende bepalingen betreffende de leningen toegekend aan reisorganisatoren voor de terugbetalingen van de tegoedbonnen uitgegeven conform het ministerieel besluit van 19 maart 2020 betreffende de terugbetaling van opgezegde pakketreizen(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 26-11-2021 en tekstbijwerking tot 16-12-2021)
Titre
21 NOVEMBRE 2021. - Loi modifiant la loi du 15 juillet 2016 portant exécution du Règlement (UE) n° 98/2013 du Parlement européen et du Conseil du 15 janvier 2013 sur la commercialisation et l'utilisation de précurseurs d'explosifs et portant des dispositions relatives aux prêts octroyés aux organisateurs de voyages et destinés à procéder aux remboursements des bons à valoir émis conformément à l'arrêté ministériel du 19 mars 2020 relatif au remboursement des voyages à forfait annulés(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 26-11-2021 et mise à jour au 16-12-2021)
Dokumentinformationen
Info du document
Inhoud
TITEL 1. - Algemene bepaling
TITEL -. 2 Bepalingen tot wijziging van de wet ...
TITEL 3. - Bepalingen betreffende de leningen t...
HOOFDSTUK 1. - Definities
HOOFDSTUK 2. - De leningen
HOOFDSTUK 3. - Toekenningsvoorwaarden en inform...
HOOFDSTUK 4. - Afsluitingsmodaliteiten van de l...
HOOFDSTUK 5. - Terugbetaling van de in aanmerki...
HOOFDSTUK 6. - Invordering van de leningen
HOOFDSTUK 7. - Zekerheid
HOOFDSTUK 8. - Bewaring van documenten en contr...
HOOFDSTUK 9. - Opsporing en vaststelling van in...
HOOFDSTUK 10. - Verwerkingen van persoonsgegeve...
HOOFDSTUK 11. - Protocollen
HOOFDSTUK 12. - Slotbepalingen
BIJLAGE.
Inhoud
TITRE 1er. - Disposition générale
TITRE 2. - Dispositions modifiant la loi du 15 ...
TITRE 3. - Dispositions relatives aux prêts oct...
CHAPITRE 1er. - Définitions
CHAPITRE 2. - Les prêts
CHAPITRE 3. - Conditions d'éligibilité et infor...
CHAPITRE 4. - Modalités de conclusion des prêts
CHAPITRE 5. - Remboursement des bons à valoir é...
CHAPITRE 6. - Recouvrement des prêts
CHAPITRE 7. - Sûreté
CHAPITRE 8. - Conservation des documents et con...
CHAPITRE 9. - Recherche et constatation des inf...
CHAPITRE 10. - Traitements des données à caract...
CHAPITRE 11. - Protocoles
CHAPITRE 12. - Dispositions finales
ANNEXE.
Tekst (60)
Texte (60)
TITEL 1. - Algemene bepaling
TITRE 1er. - Disposition générale
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée a l'article 74 de la Constitution.
TITEL -. 2 Bepalingen tot wijziging van de wet van 15 juli 2016 tot uitvoering van de Verordening (EU) nr. 98/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2013 over het op de markt brengen en het gebruik van precursoren voor explosieven
TITRE 2. - Dispositions modifiant la loi du 15 juillet 2016 portant exécution du Règlement (UE) n° 98/2013 du Parlement européen et du Conseil du 15 janvier 2013 sur la commercialisation et l'utilisation de précurseurs d'explosifs
Art. 2. Het opschrift van de wet van 15 juli 2016 tot uitvoering van de Verordening (EU) nr. 98/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2013 over het op de markt brengen en het gebruik van precursoren voor explosieven wordt vervangen als volgt:
"Wet tot uitvoering van de Verordening (EU) 2019/1148 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 over het op de markt brengen en het gebruik van precursoren voor explosieven, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 98/2013".
"Wet tot uitvoering van de Verordening (EU) 2019/1148 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 over het op de markt brengen en het gebruik van precursoren voor explosieven, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 98/2013".
Art. 2. L'intitulé de la loi du 15 juillet 2016 portant exécution du Règlement (UE) n° 98/2013 du Parlement européen et du Conseil du 15 janvier 2013 sur la commercialisation et l'utilisation de précurseurs d'explosifs est remplacé par ce qui suit:
"Loi portant exécution du Règlement (UE) 2019/1148 du Parlement européen et du Conseil du 20 juin 2019 relatif à la commercialisation et à l'utilisation de précurseurs d'explosifs, modifiant le Règlement (CE) n° 1907/2006 et abrogeant le Règlement (UE) n° 98/2013".
"Loi portant exécution du Règlement (UE) 2019/1148 du Parlement européen et du Conseil du 20 juin 2019 relatif à la commercialisation et à l'utilisation de précurseurs d'explosifs, modifiant le Règlement (CE) n° 1907/2006 et abrogeant le Règlement (UE) n° 98/2013".
Art. 3. In artikel 2 van dezelfde wet wordt het eerste lid vervangen als volgt:
"Deze wet beoogt de uitvoering van Verordening (EU) 2019/1148 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 over het op de markt brengen en het gebruik van precursoren voor explosieven, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 98/2013, hierna genoemd "de Verordening"."
"Deze wet beoogt de uitvoering van Verordening (EU) 2019/1148 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 over het op de markt brengen en het gebruik van precursoren voor explosieven, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 98/2013, hierna genoemd "de Verordening"."
Art. 3. Dans l'article 2 de la même loi, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit:
"La présente loi vise l'exécution du Règlement (UE) 2019/1148 du Parlement européen et du Conseil du 20 juin 2019 relatif à la commercialisation et à l'utilisation de précurseurs d'explosifs, modifiant le Règlement (CE) n° 1907/2006 et abrogeant le Règlement (UE) n° 98/2013, dénommé ci-après "le Règlement"."
"La présente loi vise l'exécution du Règlement (UE) 2019/1148 du Parlement européen et du Conseil du 20 juin 2019 relatif à la commercialisation et à l'utilisation de précurseurs d'explosifs, modifiant le Règlement (CE) n° 1907/2006 et abrogeant le Règlement (UE) n° 98/2013, dénommé ci-après "le Règlement"."
Art. 4. In artikel 3 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden "van artikel 4" worden vervangen door de woorden "van artikel 5";
2° de woorden "vergunnings- en/of registratieregeling vastleggen" worden vervangen door de woorden "vergunningsregeling vastleggen, in overeenstemming met artikel 6 van de Verordening,";
3° in de Franstalige tekst worden de woorden "aux particuliers" vervangen door de woorden "aux membres du grand public".
1° de woorden "van artikel 4" worden vervangen door de woorden "van artikel 5";
2° de woorden "vergunnings- en/of registratieregeling vastleggen" worden vervangen door de woorden "vergunningsregeling vastleggen, in overeenstemming met artikel 6 van de Verordening,";
3° in de Franstalige tekst worden de woorden "aux particuliers" vervangen door de woorden "aux membres du grand public".
Art. 4. Dans l'article 3 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées:
1° les mots "à l'article 4" sont remplacés par les mots "à l'article 5";
2° les mots "un régime de licence et/ou d'enregistrement" sont remplacés par les mots "un régime de licence, conformément à l'article 6 du Règlement,";
3° les mots "aux particuliers" sont remplacés par les mots "aux membres du grand public".
1° les mots "à l'article 4" sont remplacés par les mots "à l'article 5";
2° les mots "un régime de licence et/ou d'enregistrement" sont remplacés par les mots "un régime de licence, conformément à l'article 6 du Règlement,";
3° les mots "aux particuliers" sont remplacés par les mots "aux membres du grand public".
Art. 5. In artikel 4 van dezelfde wet worden de woorden "de artikelen 3, 8° " vervangen door de woorden "de artikelen 3, 7)".
Art. 5. Dans l'article 4 de la même loi, les mots "aux articles 3, 8° " sont remplacés par les mots "aux articles 3, 7)".
Art. 6. In dezelfde wet wordt een artikel 4/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 4/1. De Koning kan het model bepalen van de verklaring van de klant zoals bedoeld in artikel 8, paragraaf 2, van de Verordening."
"Art. 4/1. De Koning kan het model bepalen van de verklaring van de klant zoals bedoeld in artikel 8, paragraaf 2, van de Verordening."
Art. 6. Dans la même loi, il est inséré un article 4/1 rédigé comme suit:
"Art. 4/1. Le Roi peut déterminer le modèle de déclaration du client visé a l'article 8, paragraphe 2, du Règlement."
"Art. 4/1. Le Roi peut déterminer le modèle de déclaration du client visé a l'article 8, paragraphe 2, du Règlement."
TITEL 3. - Bepalingen betreffende de leningen toegekend aan reisorganisatoren voor de terugbetalingen van de tegoedbonnen uitgegeven conform het ministerieel besluit van 19 maart 2020 betreffende de terugbetaling van opgezegde pakketreizen
TITRE 3. - Dispositions relatives aux prêts octroyés aux organisateurs de voyages et destinés à procéder aux remboursements des bons à valoir émis conformément à l'arrêté ministériel du 19 mars 2020 relatif au remboursement des voyages à forfait annulés
HOOFDSTUK 1. - Definities
CHAPITRE 1er. - Définitions
Art. 7. Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder:
1° ministerieel besluit van 19 maart 2020: het ministerieel besluit van 19 maart 2020 betreffende de terugbetaling van opgezegde pakketreizen, zoals gewijzigd door het ministerieel besluit van 3 april 2020 en bevestigd door het koninklijk besluit van 18 juni 2020 tot bevestiging van ministeriële besluiten op grond van boek XVIII van het Wetboek van economisch recht;
2° organisator: de reisorganisator zoals bedoeld in artikel 1, paragraaf 1, van het ministerieel besluit van 19 maart 2020, waarvan de zetel gevestigd is in België;
3° tegoedbon: de tegoedbon verstrekt door een organisator in overeenstemming met het ministerieel besluit van 19 maart 2020;
4° in aanmerking komende tegoedbon: de tegoedbon die nog niet werd terugbetaald of die nog niet werd gebruikt door de reiziger op het ogenblik dat de organisator de informatie en documenten voor de aanvraag van de lening overeenkomstig artikel 17 heeft overgemaakt;
5° reiziger: de titularis van een in aanmerking komende tegoedbon;
6° lening: een leningsovereenkomst afgesloten tussen de Staat, in de hoedanigheid van kredietgever, en de organisator, in de hoedanigheid van kredietnemer;
7° verzekeraar: een verzekeringsonderneming die de terugbetaling van de tegoedbonnen dekt zoals voorzien in artikel 3 van het ministerieel besluit van 19 maart 2020;
8° toekenningsvoorwaarden: het geheel van criteria bedoeld in artikel 14 waaraan voldaan moet zijn door de organisatoren om de leningen te kunnen verkrijgen;
9° informatie en documenten voor de aanvraag van de lening: het geheel van informatie en documenten als bedoeld in artikel 15, paragraaf 1, die verstrekt moeten worden door elke organisator om een lening te kunnen verkrijgen;
10° beslissing genomen omtrent de lening: een beslissing die individueel en schriftelijk gericht is aan elke organisator waarin de toekenning van de lening wordt bevestigd of geweigerd;
11° leningsovereenkomst: geschreven overeenkomst die een lening formaliseert;
12° bewijsstukken: het geheel van documenten aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat een organisator het bedrag van de lening wel degelijk heeft aangewend voor de terugbetalingen van de tegoedbonnen overeenkomstig artikel 8, tweede lid;
13° jaarlijkse termijn: jaarlijkse betalingstermijn te respecteren door een organisator voor de terugbetaling van de lening die aan hem is toegekend;
14° verordening (EU) nr. 651/2014: de Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard;
15° verordening (EU) 2016/679: de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming);
16° wet van 30 juli 2018: de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens;
17° persoonsgegevens: de persoonsgegevens in de zin van artikel 4, 1) van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming);
18° verklaring op eer: een schriftelijke verklaring waarvan het model ter beschikking wordt gesteld door de Staat en die wordt afgelegd in naam en voor rekening van een organisator door een natuurlijk persoon die bevoegd is om die organisator jegens derden te verbinden en hem in rechte te vertegenwoordigen;
19° Europese tijdelijke kaderregeling: de Mededeling van de Commissie "Tijdelijke kaderregeling inzake staatssteun ter ondersteuning van de economie vanwege de huidige COVID-19-uitbraak".
1° ministerieel besluit van 19 maart 2020: het ministerieel besluit van 19 maart 2020 betreffende de terugbetaling van opgezegde pakketreizen, zoals gewijzigd door het ministerieel besluit van 3 april 2020 en bevestigd door het koninklijk besluit van 18 juni 2020 tot bevestiging van ministeriële besluiten op grond van boek XVIII van het Wetboek van economisch recht;
2° organisator: de reisorganisator zoals bedoeld in artikel 1, paragraaf 1, van het ministerieel besluit van 19 maart 2020, waarvan de zetel gevestigd is in België;
3° tegoedbon: de tegoedbon verstrekt door een organisator in overeenstemming met het ministerieel besluit van 19 maart 2020;
4° in aanmerking komende tegoedbon: de tegoedbon die nog niet werd terugbetaald of die nog niet werd gebruikt door de reiziger op het ogenblik dat de organisator de informatie en documenten voor de aanvraag van de lening overeenkomstig artikel 17 heeft overgemaakt;
5° reiziger: de titularis van een in aanmerking komende tegoedbon;
6° lening: een leningsovereenkomst afgesloten tussen de Staat, in de hoedanigheid van kredietgever, en de organisator, in de hoedanigheid van kredietnemer;
7° verzekeraar: een verzekeringsonderneming die de terugbetaling van de tegoedbonnen dekt zoals voorzien in artikel 3 van het ministerieel besluit van 19 maart 2020;
8° toekenningsvoorwaarden: het geheel van criteria bedoeld in artikel 14 waaraan voldaan moet zijn door de organisatoren om de leningen te kunnen verkrijgen;
9° informatie en documenten voor de aanvraag van de lening: het geheel van informatie en documenten als bedoeld in artikel 15, paragraaf 1, die verstrekt moeten worden door elke organisator om een lening te kunnen verkrijgen;
10° beslissing genomen omtrent de lening: een beslissing die individueel en schriftelijk gericht is aan elke organisator waarin de toekenning van de lening wordt bevestigd of geweigerd;
11° leningsovereenkomst: geschreven overeenkomst die een lening formaliseert;
12° bewijsstukken: het geheel van documenten aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat een organisator het bedrag van de lening wel degelijk heeft aangewend voor de terugbetalingen van de tegoedbonnen overeenkomstig artikel 8, tweede lid;
13° jaarlijkse termijn: jaarlijkse betalingstermijn te respecteren door een organisator voor de terugbetaling van de lening die aan hem is toegekend;
14° verordening (EU) nr. 651/2014: de Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard;
15° verordening (EU) 2016/679: de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming);
16° wet van 30 juli 2018: de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens;
17° persoonsgegevens: de persoonsgegevens in de zin van artikel 4, 1) van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming);
18° verklaring op eer: een schriftelijke verklaring waarvan het model ter beschikking wordt gesteld door de Staat en die wordt afgelegd in naam en voor rekening van een organisator door een natuurlijk persoon die bevoegd is om die organisator jegens derden te verbinden en hem in rechte te vertegenwoordigen;
19° Europese tijdelijke kaderregeling: de Mededeling van de Commissie "Tijdelijke kaderregeling inzake staatssteun ter ondersteuning van de economie vanwege de huidige COVID-19-uitbraak".
Art. 7. Pour l'application du présent titre, on entend par:
1° arrêté ministériel du 19 mars 2020: l'arrêté ministériel du 19 mars 2020 relatif au remboursement des voyages à forfait annulés, tel que modifié par l'arrêté ministériel du 3 avril 2020 et confirmé par l'arrêté royal du 18 juin 2020 confirmant des arrêtés ministériels basés sur le livre XVIII du Code de droit économique;
2° organisateur: l'organisateur de voyages visé à l'article 1er, paragraphe 1er, de l'arrêté ministériel du 19 mars 2020, dont le siège est établi en Belgique;
3° bon à valoir: le bon à valoir délivré par un organisateur conformément à l'arrêté ministériel du 19 mars 2020;
4° bon à valoir éligible: le bon à valoir qui n'a pas déjà fait l'objet d'un remboursement ou qui n'a pas encore été utilisé par le voyageur au moment où l'organisateur adresse les informations et documents de demande de prêt conformément à l'article 17;
5° voyageur: le détenteur d'un bon à valoir éligible;
6° prêt: contrat de prêt conclu entre l'Etat, en qualité de prêteur, et un organisateur, en qualité d'emprunteur;
7° assureur: une entreprise d'assurance qui couvre le remboursement des bons à valoir comme prévu à l'article 3 de l'arrêté ministériel du 19 mars 2020;
8° conditions d'éligibilité: ensemble des critères visés à l'article 14 devant être remplis par les organisateurs afin de se voir octroyer un prêt;
9° informations et documents de demande de prêt: ensemble des informations et documents visés à l'article 15, paragraphe 1er, devant être communiqués par chaque organisateur afin de se voir octroyer un prêt;
10° décision relative au prêt: décision adressée individuellement et par écrit à chaque organisateur et leur confirmant ou refusant l'octroi d'un prêt;
11° convention de prêt: convention écrite qui formalise un prêt;
12° documents probants: ensemble des documents qui permettent d'établir qu'un organisateur a bien affecté le montant du prêt aux remboursements des bons à valoir conformément à l'article 8, alinéa 2;
13° annuité: échéance de paiement annuelle due par un organisateur pour le remboursement du prêt qui lui est octroyé;
14° règlement (UE) n° 651/2014: le Règlement (UE) n° 651/2014 de la Commission du 17 juin 2014 déclarant certaines catégories d'aides compatibles avec le marché intérieur en application des articles 107 et 108 du traité;
15° règlement (UE) 2016/679: le Règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données);
16° loi du 30 juillet 2018: la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l'égard des traitements de données à caractère personnel;
17° données à caractère personnel: les données à caractère personnel au sens de l'article 4, 1), du Règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données);
18° déclaration sur l'honneur: une déclaration écrite dont le modèle est fourni par l'Etat et faite au nom et pour le compte d'un organisateur par une personne physique habilitée à engager cet organisateur envers les tiers et à le représenter en justice;
19° encadrement temporaire europeen: la communication de la commission "encadrement temporaire des mesures d'aide d'état visant a soutenir l'economie dans le contexte actuel de la flambée de COVID-19".
1° arrêté ministériel du 19 mars 2020: l'arrêté ministériel du 19 mars 2020 relatif au remboursement des voyages à forfait annulés, tel que modifié par l'arrêté ministériel du 3 avril 2020 et confirmé par l'arrêté royal du 18 juin 2020 confirmant des arrêtés ministériels basés sur le livre XVIII du Code de droit économique;
2° organisateur: l'organisateur de voyages visé à l'article 1er, paragraphe 1er, de l'arrêté ministériel du 19 mars 2020, dont le siège est établi en Belgique;
3° bon à valoir: le bon à valoir délivré par un organisateur conformément à l'arrêté ministériel du 19 mars 2020;
4° bon à valoir éligible: le bon à valoir qui n'a pas déjà fait l'objet d'un remboursement ou qui n'a pas encore été utilisé par le voyageur au moment où l'organisateur adresse les informations et documents de demande de prêt conformément à l'article 17;
5° voyageur: le détenteur d'un bon à valoir éligible;
6° prêt: contrat de prêt conclu entre l'Etat, en qualité de prêteur, et un organisateur, en qualité d'emprunteur;
7° assureur: une entreprise d'assurance qui couvre le remboursement des bons à valoir comme prévu à l'article 3 de l'arrêté ministériel du 19 mars 2020;
8° conditions d'éligibilité: ensemble des critères visés à l'article 14 devant être remplis par les organisateurs afin de se voir octroyer un prêt;
9° informations et documents de demande de prêt: ensemble des informations et documents visés à l'article 15, paragraphe 1er, devant être communiqués par chaque organisateur afin de se voir octroyer un prêt;
10° décision relative au prêt: décision adressée individuellement et par écrit à chaque organisateur et leur confirmant ou refusant l'octroi d'un prêt;
11° convention de prêt: convention écrite qui formalise un prêt;
12° documents probants: ensemble des documents qui permettent d'établir qu'un organisateur a bien affecté le montant du prêt aux remboursements des bons à valoir conformément à l'article 8, alinéa 2;
13° annuité: échéance de paiement annuelle due par un organisateur pour le remboursement du prêt qui lui est octroyé;
14° règlement (UE) n° 651/2014: le Règlement (UE) n° 651/2014 de la Commission du 17 juin 2014 déclarant certaines catégories d'aides compatibles avec le marché intérieur en application des articles 107 et 108 du traité;
15° règlement (UE) 2016/679: le Règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données);
16° loi du 30 juillet 2018: la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l'égard des traitements de données à caractère personnel;
17° données à caractère personnel: les données à caractère personnel au sens de l'article 4, 1), du Règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données);
18° déclaration sur l'honneur: une déclaration écrite dont le modèle est fourni par l'Etat et faite au nom et pour le compte d'un organisateur par une personne physique habilitée à engager cet organisateur envers les tiers et à le représenter en justice;
19° encadrement temporaire europeen: la communication de la commission "encadrement temporaire des mesures d'aide d'état visant a soutenir l'economie dans le contexte actuel de la flambée de COVID-19".
HOOFDSTUK 2. - De leningen
CHAPITRE 2. - Les prêts
Art. 8. De Staat kan een lening toekennen aan elke organisator om hem in staat te stellen de in aanmerking komende tegoedbonnen terug te betalen.
De organisatoren die leningen aangaan, gebruiken de geleende middelen uitsluitend voor de terugbetalingen van de tegoedbonnen zoals bedoeld in het eerste lid en maken deze terugbetalingen rechtstreeks over aan de reizigers.
De organisatoren die leningen aangaan, gebruiken de geleende middelen uitsluitend voor de terugbetalingen van de tegoedbonnen zoals bedoeld in het eerste lid en maken deze terugbetalingen rechtstreeks over aan de reizigers.
Art. 8. L'Etat peut octroyer un prêt à chaque organisateur afin de lui permettre de rembourser les bons à valoir éligibles.
Les organisateurs qui bénéficient de prêts affectent les fonds prêtés exclusivement aux remboursements des bons à valoir visés à l'alinéa 1er et procèdent à ces remboursements directement aux voyageurs.
Les organisateurs qui bénéficient de prêts affectent les fonds prêtés exclusivement aux remboursements des bons à valoir visés à l'alinéa 1er et procèdent à ces remboursements directement aux voyageurs.
Art. 9. Het totale en gecumuleerde bedrag van de leningen mag niet hoger zijn dan 210 miljoen euro.
Art. 9. Les montants totaux et cumulés des prêts ne peuvent pas excéder 210 millions d'euros.
Art. 10. Het bedrag van de lening toegekend aan elke organisator overeenkomstig artikel 8 mag niet meer bedragen dan 80 % van de totale waarde van de in aanmerking komende tegoedbonnen uitgegeven door deze organisator.
De leningen worden toegekend tegen een jaarlijkse rentevoet van 3 %.
De leningen hebben een looptijd van vijf jaar te rekenen vanaf de dag van ondertekening van de leningsovereenkomst. Zij worden terugbetaald in vier gelijke jaarlijkse termijnen, met inbegrip van het nominale bedrag en de intresten berekend overeenkomstig artikel 24, tweede lid, die elk jaar worden betaald aan de Staat uiterlijk op de jaarlijkse vervaldatum van de leningsovereenkomst. De eerste jaarlijkse termijn wordt uiterlijk op de tweede vervaldatum van de leningsovereenkomst terugbetaald. De laatste jaarlijkse termijn wordt uiterlijk op de vijfde vervaldatum van de leningsovereenkomst terugbetaald.
De leningen kunnen vervroegd worden terugbetaald door middel van een eenmalige terugbetaling van het uitstaande saldo en de lopende rente.
De Minister van Economie is bevoegd om de leningsovereenkomsten af te sluiten, of, in voorkomend geval, te beëindigen. Hij kan aan de ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie de bevoegdheid geven om leningsovereenkomsten te ondertekenen of te beëindigen.
De leningen worden toegekend tegen een jaarlijkse rentevoet van 3 %.
De leningen hebben een looptijd van vijf jaar te rekenen vanaf de dag van ondertekening van de leningsovereenkomst. Zij worden terugbetaald in vier gelijke jaarlijkse termijnen, met inbegrip van het nominale bedrag en de intresten berekend overeenkomstig artikel 24, tweede lid, die elk jaar worden betaald aan de Staat uiterlijk op de jaarlijkse vervaldatum van de leningsovereenkomst. De eerste jaarlijkse termijn wordt uiterlijk op de tweede vervaldatum van de leningsovereenkomst terugbetaald. De laatste jaarlijkse termijn wordt uiterlijk op de vijfde vervaldatum van de leningsovereenkomst terugbetaald.
De leningen kunnen vervroegd worden terugbetaald door middel van een eenmalige terugbetaling van het uitstaande saldo en de lopende rente.
De Minister van Economie is bevoegd om de leningsovereenkomsten af te sluiten, of, in voorkomend geval, te beëindigen. Hij kan aan de ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie de bevoegdheid geven om leningsovereenkomsten te ondertekenen of te beëindigen.
Art. 10. Le montant du prêt octroyé à chaque organisateur conformément à l'article 8 ne peut pas excéder 80 % de la valeur totale des bons à valoir éligibles émis par cet organisateur.
Les prêts sont octroyés au taux d'intérêt annuel de 3 %.
Les prêts ont une durée de cinq ans à compter du jour de la signature de la convention de prêt. Ils sont remboursés par quatre annuités constantes, nominal et intérêts compris, calculées conformément à l'article 24, alinéa 2, versées chaque année à l'Etat au plus tard à la date d'anniversaire de la convention de prêt. La première annuité est remboursée au plus tard à la date du deuxième anniversaire de la convention de prêt. La dernière annuité est remboursée au plus tard à la date du cinquième anniversaire de la convention de prêt.
Les prêts peuvent faire l'objet d'un remboursement anticipé au moyen d'un remboursement unique du solde restant dû et des intérêts échus.
Le Ministre de l'Economie est habilité à conclure, ou le cas échéant à résilier, les conventions de prêt. Il peut déléguer à des agents du Service Public Fédéral Economie, P.M.E., Classes Moyennes et Energie, le pouvoir de signer ou de résilier les conventions de prêts.
Les prêts sont octroyés au taux d'intérêt annuel de 3 %.
Les prêts ont une durée de cinq ans à compter du jour de la signature de la convention de prêt. Ils sont remboursés par quatre annuités constantes, nominal et intérêts compris, calculées conformément à l'article 24, alinéa 2, versées chaque année à l'Etat au plus tard à la date d'anniversaire de la convention de prêt. La première annuité est remboursée au plus tard à la date du deuxième anniversaire de la convention de prêt. La dernière annuité est remboursée au plus tard à la date du cinquième anniversaire de la convention de prêt.
Les prêts peuvent faire l'objet d'un remboursement anticipé au moyen d'un remboursement unique du solde restant dû et des intérêts échus.
Le Ministre de l'Economie est habilité à conclure, ou le cas échéant à résilier, les conventions de prêt. Il peut déléguer à des agents du Service Public Fédéral Economie, P.M.E., Classes Moyennes et Energie, le pouvoir de signer ou de résilier les conventions de prêts.
Art. 11. § 1. Het bedrag van de lening toegekend aan elke organisator mag niet hoger zijn dan het hoogste van de volgende bedragen:
1° het dubbele van de jaarlijkse loonkosten van de organisator (inclusief sociale lasten en de kosten van het personeel dat op de locatie van de organisator werkt, maar officieel als onderaannemers worden beschouwd) voor 2019 of voor het meest recente beschikbare jaar. In het geval van organisatoren die op of na 1 januari 2019 zijn opgericht, mag het maximumbedrag van de lening niet hoger zijn dan de geraamde jaarlijkse loonkost voor de eerste twee jaar van activiteit; of
2° 25 % van de totale omzet van de organisator in 2019; of
3° het bedrag van de liquiditeitsbehoeften van de organisator:
a) voor een periode van 18 maanden voor kmo's in de zin van verordening (EU) nr. 651/2014; of
b) voor een periode van 12 maanden voor andere ondernemingen.
§ 2. De liquiditeitsbehoeften van de organisator bedoeld in § 1, 3°, worden door de organisator beoordeeld in een naar behoren gemotiveerde verklaring op eer, waarin de organisator tevens aangeeft of en in welke mate hij, of een met hem verbonden persoon, andere kredietaanvragen heeft ingediend of voornemens is in te dienen ter dekking van die liquiditeitsbehoeften.
1° het dubbele van de jaarlijkse loonkosten van de organisator (inclusief sociale lasten en de kosten van het personeel dat op de locatie van de organisator werkt, maar officieel als onderaannemers worden beschouwd) voor 2019 of voor het meest recente beschikbare jaar. In het geval van organisatoren die op of na 1 januari 2019 zijn opgericht, mag het maximumbedrag van de lening niet hoger zijn dan de geraamde jaarlijkse loonkost voor de eerste twee jaar van activiteit; of
2° 25 % van de totale omzet van de organisator in 2019; of
3° het bedrag van de liquiditeitsbehoeften van de organisator:
a) voor een periode van 18 maanden voor kmo's in de zin van verordening (EU) nr. 651/2014; of
b) voor een periode van 12 maanden voor andere ondernemingen.
§ 2. De liquiditeitsbehoeften van de organisator bedoeld in § 1, 3°, worden door de organisator beoordeeld in een naar behoren gemotiveerde verklaring op eer, waarin de organisator tevens aangeeft of en in welke mate hij, of een met hem verbonden persoon, andere kredietaanvragen heeft ingediend of voornemens is in te dienen ter dekking van die liquiditeitsbehoeften.
Art. 11. § 1er. Le montant du prêt octroyé à chaque organisateur ne peut pas dépasser le plus élevé des montants ci-dessous:
1° le double de la masse salariale annuelle de l'organisateur (incluant les charges sociales ainsi que le coût des effectifs travaillant sur le site de l'organisateur mais considérés officiellement comme des sous-traitants) pour 2019 ou pour la dernière année disponible. Dans le cas des organisateurs créés le 1er janvier 2019 ou après cette date, le montant maximal du prêt ne doit pas excéder la masse salariale annuelle estimée pour les deux premières années d'activité; ou
2° 25 % du chiffre d'affaires total réalisé par l'organisateur en 2019; ou
3° le montant des besoins de liquidités de l'organisateur:
a) pendant une période de 18 mois pour les PME au sens du règlement (UE) n° 651/2014; ou
b) pendant une période de 12 mois pour les autres entreprises.
§ 2. Les besoins de liquidités de l'organisateur visés au § 1er, 3°, sont évalués par l'organisateur dans une déclaration sur l'honneur dûment motivée, dans laquelle cet organisateur indique également si et dans quelle mesure lui, ou une personne liée à lui, a introduit ou a l'intention d'introduire d'autres demandes de crédits pour couvrir ces besoins de liquidités.
1° le double de la masse salariale annuelle de l'organisateur (incluant les charges sociales ainsi que le coût des effectifs travaillant sur le site de l'organisateur mais considérés officiellement comme des sous-traitants) pour 2019 ou pour la dernière année disponible. Dans le cas des organisateurs créés le 1er janvier 2019 ou après cette date, le montant maximal du prêt ne doit pas excéder la masse salariale annuelle estimée pour les deux premières années d'activité; ou
2° 25 % du chiffre d'affaires total réalisé par l'organisateur en 2019; ou
3° le montant des besoins de liquidités de l'organisateur:
a) pendant une période de 18 mois pour les PME au sens du règlement (UE) n° 651/2014; ou
b) pendant une période de 12 mois pour les autres entreprises.
§ 2. Les besoins de liquidités de l'organisateur visés au § 1er, 3°, sont évalués par l'organisateur dans une déclaration sur l'honneur dûment motivée, dans laquelle cet organisateur indique également si et dans quelle mesure lui, ou une personne liée à lui, a introduit ou a l'intention d'introduire d'autres demandes de crédits pour couvrir ces besoins de liquidités.
Art. 12. § 1. Het bedrag van elke lening die toegekend is aan een organisator wordt gestort op een derdenrekening die door de organisator werd geopend bij een financiële instelling van zijn keuze. [1 ...]1
§ 2. [1 De derdenrekening heeft de volgende kenmerken:
1° de schuldvorderingen op de gelden uit derdenrekening vormen een afgescheiden vermogen van de organisator in de zin van art. 3.37 BW;
2° de derdenrekening zal door de organisator specifiek en uitsluitend worden gebruikt voor de toekenning van het geleende bedrag en voor de terugbetalingen van de in aanmerking komende tegoedbonnen;
3° de derdenrekening mag nooit een debetsaldo vertonen;
4° op de derdenrekening wordt uitsluitend het bedrag van de toegestane lening gestort en er mag bijgevolg geen enkel ander krediet in welke vorm ook, worden toegestaan. De derdenrekening kan nooit tot zekerheid dienen;
5° elke schuldvergelijking, fusie of bepaling van eenheid van rekening tussen de derdenrekening en andere bankrekeningen is uitgesloten. Nettingovereenkomsten kunnen op deze rekeningen geen toepassing vinden.]1
§ 3. In geval van faillissement van een organisator tussen het tijdstip waarop de in paragraaf 1 bedoelde rekening werd gecrediteerd met het geleende bedrag en het tijdstip waarop deze organisator de mogelijkheid had om de in aanmerking komende tegoedbonnen terug te betalen, moet de curator, vanaf het moment van zijn aanstelling, onverwijld en zonder dat de reizigers hun vorderingen moeten aangeven overeenkomstig artikel XX.155 van het Wetboek van economisch recht, het geleende bedrag aanwenden voor de terugbetalingen van de in aanmerking komende tegoedbonnen.
Indien de curator in het in het eerste lid bedoelde geval niet in staat is om over te gaan tot de integrale terugbetalingen van de in aanmerking komende tegoedbonnen aan de reizigers of indien één of meerdere van deze in aanmerking komende tegoedbonnen werden terugbetaald of werden gebruikt door de reizigers tussen het tijdstip waarop de lening werd toegekend en het faillissement van de organisator, betaalt de curator aan de Staat het ongebruikte saldo van het bedrag van de lening dat niet gebruikt werd, terug. Deze terugbetaling wordt verricht op de bankrekening van de Staat vermeld in de leningsovereenkomst.
§ 2. [1 De derdenrekening heeft de volgende kenmerken:
1° de schuldvorderingen op de gelden uit derdenrekening vormen een afgescheiden vermogen van de organisator in de zin van art. 3.37 BW;
2° de derdenrekening zal door de organisator specifiek en uitsluitend worden gebruikt voor de toekenning van het geleende bedrag en voor de terugbetalingen van de in aanmerking komende tegoedbonnen;
3° de derdenrekening mag nooit een debetsaldo vertonen;
4° op de derdenrekening wordt uitsluitend het bedrag van de toegestane lening gestort en er mag bijgevolg geen enkel ander krediet in welke vorm ook, worden toegestaan. De derdenrekening kan nooit tot zekerheid dienen;
5° elke schuldvergelijking, fusie of bepaling van eenheid van rekening tussen de derdenrekening en andere bankrekeningen is uitgesloten. Nettingovereenkomsten kunnen op deze rekeningen geen toepassing vinden.]1
§ 3. In geval van faillissement van een organisator tussen het tijdstip waarop de in paragraaf 1 bedoelde rekening werd gecrediteerd met het geleende bedrag en het tijdstip waarop deze organisator de mogelijkheid had om de in aanmerking komende tegoedbonnen terug te betalen, moet de curator, vanaf het moment van zijn aanstelling, onverwijld en zonder dat de reizigers hun vorderingen moeten aangeven overeenkomstig artikel XX.155 van het Wetboek van economisch recht, het geleende bedrag aanwenden voor de terugbetalingen van de in aanmerking komende tegoedbonnen.
Indien de curator in het in het eerste lid bedoelde geval niet in staat is om over te gaan tot de integrale terugbetalingen van de in aanmerking komende tegoedbonnen aan de reizigers of indien één of meerdere van deze in aanmerking komende tegoedbonnen werden terugbetaald of werden gebruikt door de reizigers tussen het tijdstip waarop de lening werd toegekend en het faillissement van de organisator, betaalt de curator aan de Staat het ongebruikte saldo van het bedrag van de lening dat niet gebruikt werd, terug. Deze terugbetaling wordt verricht op de bankrekening van de Staat vermeld in de leningsovereenkomst.
Art. 12. § 1er. Le montant de chaque prêt octroyé à un organisateur est versé sur un compte de tiers ouvert par l'organisateur auprès d'une institution financière de son choix. [1 ...]1
§ 2. [1 Le compte tiers présente les caractéristiques suivantes:
1° les créances sur les sommes du comptes tiers constituent un patrimoine distinct de l'organisateur au sens de l'article 3.37 C. civ.;
2° le compte tiers doit être dédié spécialement et uniquement, par l'organisateur, à l'octroi du montant du prêt et aux remboursements des bons à valoir éligibles;
3° le compte tiers ne peut jamais être en débit;
4° seul le montant du prêt accordé peut être versé sur le compte tiers; par conséquent, aucun autre crédit sous quelque forme que ce soit ne peut y être consenti. Le compte tiers ne peut jamais servir de sûreté;
5° toute compensation, fusion, ou stipulation d'unicité de compte entre le compte tiers et d'autres comptes en banque est exclue. Aucune convention de netting ne peut s'appliquer à ces comptes.]1
§ 3. En cas de faillite d'un organisateur entre le moment où le compte visé au paragraphe 1er a été crédité du montant du prêt et le moment où cet organisateur a eu la possibilité de rembourser les bons à valoir éligibles, le curateur doit, dès son entrée en fonction, sans délai et sans qu'il soit nécessaire que les voyageurs ne déclarent leur créance conformément à l'article XX.155 du Code de droit économique, affecter le montant du prêt aux remboursements des bons à valoir éligibles.
Si, dans l'hypothèse visée à l'alinéa 1er, le curateur n'est pas en mesure de procéder à l'ensemble des remboursements des bons à valoir éligibles aux voyageurs ou si un ou plusieurs bons à valoir éligibles ont été remboursés ou utilisés par les voyageurs entre le moment de l'octroi du prêt et la faillite de l'organisateur, le curateur reverse à l'Etat le solde du montant du prêt non utilisé. Ce remboursement s'effectue sur le compte bancaire de l'Etat repris dans la convention de prêt.
§ 2. [1 Le compte tiers présente les caractéristiques suivantes:
1° les créances sur les sommes du comptes tiers constituent un patrimoine distinct de l'organisateur au sens de l'article 3.37 C. civ.;
2° le compte tiers doit être dédié spécialement et uniquement, par l'organisateur, à l'octroi du montant du prêt et aux remboursements des bons à valoir éligibles;
3° le compte tiers ne peut jamais être en débit;
4° seul le montant du prêt accordé peut être versé sur le compte tiers; par conséquent, aucun autre crédit sous quelque forme que ce soit ne peut y être consenti. Le compte tiers ne peut jamais servir de sûreté;
5° toute compensation, fusion, ou stipulation d'unicité de compte entre le compte tiers et d'autres comptes en banque est exclue. Aucune convention de netting ne peut s'appliquer à ces comptes.]1
§ 3. En cas de faillite d'un organisateur entre le moment où le compte visé au paragraphe 1er a été crédité du montant du prêt et le moment où cet organisateur a eu la possibilité de rembourser les bons à valoir éligibles, le curateur doit, dès son entrée en fonction, sans délai et sans qu'il soit nécessaire que les voyageurs ne déclarent leur créance conformément à l'article XX.155 du Code de droit économique, affecter le montant du prêt aux remboursements des bons à valoir éligibles.
Si, dans l'hypothèse visée à l'alinéa 1er, le curateur n'est pas en mesure de procéder à l'ensemble des remboursements des bons à valoir éligibles aux voyageurs ou si un ou plusieurs bons à valoir éligibles ont été remboursés ou utilisés par les voyageurs entre le moment de l'octroi du prêt et la faillite de l'organisateur, le curateur reverse à l'Etat le solde du montant du prêt non utilisé. Ce remboursement s'effectue sur le compte bancaire de l'Etat repris dans la convention de prêt.
Änderungen
Art. 13. § 1. De Minister van Economie of zijn afgevaardigde kunnen, zonder voorafgaande ingebrekestelling, de lening beëindigen en vervroegde terugbetaling van het saldo van de lening alsook de opgelopen rente eisen in de volgende gevallen:
1° indien de organisator frauduleuze informatie en documenten voor de aanvraag van de lening heeft verstrekt;
2° in geval van niet-naleving door de organisator om een jaarlijkse termijn te betalen;
3° wanneer de organisator het geleende bedrag heeft aangewend voor een ander doeleinde dan dat voorzien in artikel 8, tweede lid;
4° indien de in artikel 23 bedoelde afrekening frauduleus blijkt te zijn;
5° in geval van faillissement, insolventie, ontbinding, vrijwillige of gedwongen vereffening, overname of wijziging van controle van de organisator;
6° in geval van stopzetting of tijdelijke of definitieve onderbreking van de activiteiten van de organisator;
7° in geval van een verhuizing van de zetel of verplaatsing van de activiteiten van de organisator naar het buitenland;
8° in geval van niet-nakoming door de organisator van de verplichting tot het bewaren van bewijsstukken, bedoeld in artikel 29, paragraaf 1; of
9° in geval van weigering van de organisator om zich aan de in artikel 29, paragraaf 3, bedoelde controle te onderwerpen.
§ 2. De organisator is verplicht de Staat in kennis te stellen van de gebeurtenissen bedoeld in § 1, 5°, 6° en 7°, voordat zij zich voordoen of zodra het redelijkerwijs te verwachten is dat zij zich zullen voordoen.
§ 3. De Staat kan eveneens de betaling van een schadevergoeding eisen van de organisator indien de gevallen bedoeld in § 1, 1°, 2°, 3°, 4°, 8° en 9° zich voordoen.
§ 4. De eventuele beëindiging van een lening door de Staat verhindert deze laatste niet om een beroep te doen op de in artikel 26 bedoelde garantie op eerste verzoek, indien aan de voorwaarden voor een dergelijk beroep is voldaan.
1° indien de organisator frauduleuze informatie en documenten voor de aanvraag van de lening heeft verstrekt;
2° in geval van niet-naleving door de organisator om een jaarlijkse termijn te betalen;
3° wanneer de organisator het geleende bedrag heeft aangewend voor een ander doeleinde dan dat voorzien in artikel 8, tweede lid;
4° indien de in artikel 23 bedoelde afrekening frauduleus blijkt te zijn;
5° in geval van faillissement, insolventie, ontbinding, vrijwillige of gedwongen vereffening, overname of wijziging van controle van de organisator;
6° in geval van stopzetting of tijdelijke of definitieve onderbreking van de activiteiten van de organisator;
7° in geval van een verhuizing van de zetel of verplaatsing van de activiteiten van de organisator naar het buitenland;
8° in geval van niet-nakoming door de organisator van de verplichting tot het bewaren van bewijsstukken, bedoeld in artikel 29, paragraaf 1; of
9° in geval van weigering van de organisator om zich aan de in artikel 29, paragraaf 3, bedoelde controle te onderwerpen.
§ 2. De organisator is verplicht de Staat in kennis te stellen van de gebeurtenissen bedoeld in § 1, 5°, 6° en 7°, voordat zij zich voordoen of zodra het redelijkerwijs te verwachten is dat zij zich zullen voordoen.
§ 3. De Staat kan eveneens de betaling van een schadevergoeding eisen van de organisator indien de gevallen bedoeld in § 1, 1°, 2°, 3°, 4°, 8° en 9° zich voordoen.
§ 4. De eventuele beëindiging van een lening door de Staat verhindert deze laatste niet om een beroep te doen op de in artikel 26 bedoelde garantie op eerste verzoek, indien aan de voorwaarden voor een dergelijk beroep is voldaan.
Art. 13. § 1er. Le Ministre de l'Economie ou son délégué peuvent, sans mise en demeure préalable, résilier le prêt et solliciter anticipativement le remboursement du solde du prêt ainsi que les intérêts échus dans les cas suivants:
1° si l'organisateur a fourni des informations et documents de demande de prêt frauduleux;
2° en cas de non-respect par l'organisateur d'une annuité;
3° lorsque l'organisateur affecte le montant prêté à une autre fin que celle prévue à l'article 8, alinéa 2;
4° si le décompte visé à l'article 23 s'avère être frauduleux;
5° en cas de faillite, insolvabilité, dissolution, liquidation volontaire ou forcée, absorption ou changement de contrôle de l'organisateur;
6° en cas d'abandon ou de mise à l'arrêt temporaire ou définitive des activités d'organisateur;
7° en cas de déménagement du siège ou de déplacement des activités de l'organisateur à l'étranger;
8° en cas de non-respect, par l'organisateur, de l'obligation de conservation des documents probants visée à l'article 29, paragraphe 1er; ou
9° en cas de refus de l'organisateur de se soumettre au contrôle visé à l'article 29, paragraphe 3.
§ 2. L'organisateur est tenu d'informer l'Etat des évènements visés au § 1er, 5°, 6° et 7°, préalablement à leur survenance ou dès qu'il est raisonnablement vraisemblable que ces évènements surviendront.
§ 3. L'Etat peut également solliciter le paiement de dommages et intérêts de la part de l'organisateur en cas de survenance des évènements visés au § 1er, 1°, 2°, 3°, 4°, 8° et 9°.
§ 4. La résiliation éventuelle d'un prêt par l'Etat ne fait pas obstacle à la possibilité pour ce dernier de faire appel à la garantie à première demande visée à l'article 26 si les conditions pour cet appel sont réunies.
1° si l'organisateur a fourni des informations et documents de demande de prêt frauduleux;
2° en cas de non-respect par l'organisateur d'une annuité;
3° lorsque l'organisateur affecte le montant prêté à une autre fin que celle prévue à l'article 8, alinéa 2;
4° si le décompte visé à l'article 23 s'avère être frauduleux;
5° en cas de faillite, insolvabilité, dissolution, liquidation volontaire ou forcée, absorption ou changement de contrôle de l'organisateur;
6° en cas d'abandon ou de mise à l'arrêt temporaire ou définitive des activités d'organisateur;
7° en cas de déménagement du siège ou de déplacement des activités de l'organisateur à l'étranger;
8° en cas de non-respect, par l'organisateur, de l'obligation de conservation des documents probants visée à l'article 29, paragraphe 1er; ou
9° en cas de refus de l'organisateur de se soumettre au contrôle visé à l'article 29, paragraphe 3.
§ 2. L'organisateur est tenu d'informer l'Etat des évènements visés au § 1er, 5°, 6° et 7°, préalablement à leur survenance ou dès qu'il est raisonnablement vraisemblable que ces évènements surviendront.
§ 3. L'Etat peut également solliciter le paiement de dommages et intérêts de la part de l'organisateur en cas de survenance des évènements visés au § 1er, 1°, 2°, 3°, 4°, 8° et 9°.
§ 4. La résiliation éventuelle d'un prêt par l'Etat ne fait pas obstacle à la possibilité pour ce dernier de faire appel à la garantie à première demande visée à l'article 26 si les conditions pour cet appel sont réunies.
HOOFDSTUK 3. - Toekenningsvoorwaarden en informatie en documenten voor de aanvraag van de lening
CHAPITRE 3. - Conditions d'éligibilité et informations et documents de demande de prêt
Art. 14. § 1. Om voor een lening in aanmerking te komen, voldoet de organisator aan de volgende toekenningsvoorwaarden:
1° de organisator mocht niet reeds op 31 december 2019 in moeilijkheden verkeren in de zin van artikel 2, punt 18 van verordening (EU) nr. 651/2014;
2° In afwijking van 1°, komen micro- of kleine ondernemingen in de zin van bijlage I bij verordening (EU) nr. 651/2014 die op 31 december 2019 reeds in moeilijkheden verkeerden, in aanmerking op voorwaarde dat deze micro- of kleine ondernemingen niet het voorwerp uitmaken van een collectieve insolventieprocedure op het moment van de toekenning van de leningen en geen reddings- of herstructureringssteun hebben genoten.
§ 2. Teneinde de elementen genoemd in paragraaf 1 aan te tonen, leggen de organisatoren de volgende documenten voor:
1° een kopie van hun jaarrekeningen van 2019 en 2020;
2° een verklaring op eer waaruit blijkt dat de organisator voldoet aan de voorwaarden bedoeld in paragraaf 1; en
3° een kopie van hun volledige bestand uit de Kruispuntbank van Ondernemingen die hun situatie weergeeft van 31 december 2019 tot de datum waarop de organisator de informatie en documenten voor de aanvraag van de lening overeenkomstig artikel 17 heeft overgemaakt.
1° de organisator mocht niet reeds op 31 december 2019 in moeilijkheden verkeren in de zin van artikel 2, punt 18 van verordening (EU) nr. 651/2014;
2° In afwijking van 1°, komen micro- of kleine ondernemingen in de zin van bijlage I bij verordening (EU) nr. 651/2014 die op 31 december 2019 reeds in moeilijkheden verkeerden, in aanmerking op voorwaarde dat deze micro- of kleine ondernemingen niet het voorwerp uitmaken van een collectieve insolventieprocedure op het moment van de toekenning van de leningen en geen reddings- of herstructureringssteun hebben genoten.
§ 2. Teneinde de elementen genoemd in paragraaf 1 aan te tonen, leggen de organisatoren de volgende documenten voor:
1° een kopie van hun jaarrekeningen van 2019 en 2020;
2° een verklaring op eer waaruit blijkt dat de organisator voldoet aan de voorwaarden bedoeld in paragraaf 1; en
3° een kopie van hun volledige bestand uit de Kruispuntbank van Ondernemingen die hun situatie weergeeft van 31 december 2019 tot de datum waarop de organisator de informatie en documenten voor de aanvraag van de lening overeenkomstig artikel 17 heeft overgemaakt.
Art. 14. § 1er. Pour être éligible à l'octroi d'un prêt, l'organisateur remplit les conditions d'éligibilité suivantes:
1° l'organisateur ne pouvait pas déjà être en difficulté, au sens de l'article 2, point 18 du règlement (UE) n° 651/2014, au 31 décembre 2019;
2° Par dérogation au 1°, les micro ou petites entreprises, au sens de l'annexe I du règlement (UE) n° 651/2014, qui étaient déjà en difficulté au 31 décembre 2019 sont éligibles dès lors que ces micro ou petites entreprises ne font pas l'objet, au moment de l'octroi des prêts, d'une procédure collective d'insolvabilité et n'ont pas bénéficié d'une aide au sauvetage ou d'une aide à la restructuration.
§ 2. Aux fins de démontrer les éléments repris au paragraphe 1er, les organisateurs doivent apporter:
1° la copie de leurs comptes annuels pour les années 2019 et 2020;
2° une déclaration sur l'honneur indiquant que l'organisateur remplit les conditions visées au paragraphe 1er; et
3° une copie de leur extrait intégral de la Banque Carrefour des Entreprises représentant leur situation du 31 décembre 2019 jusqu'à la date à laquelle l'organisateur adresse les informations et documents de demande de prêt conformément à l'article 17.
1° l'organisateur ne pouvait pas déjà être en difficulté, au sens de l'article 2, point 18 du règlement (UE) n° 651/2014, au 31 décembre 2019;
2° Par dérogation au 1°, les micro ou petites entreprises, au sens de l'annexe I du règlement (UE) n° 651/2014, qui étaient déjà en difficulté au 31 décembre 2019 sont éligibles dès lors que ces micro ou petites entreprises ne font pas l'objet, au moment de l'octroi des prêts, d'une procédure collective d'insolvabilité et n'ont pas bénéficié d'une aide au sauvetage ou d'une aide à la restructuration.
§ 2. Aux fins de démontrer les éléments repris au paragraphe 1er, les organisateurs doivent apporter:
1° la copie de leurs comptes annuels pour les années 2019 et 2020;
2° une déclaration sur l'honneur indiquant que l'organisateur remplit les conditions visées au paragraphe 1er; et
3° une copie de leur extrait intégral de la Banque Carrefour des Entreprises représentant leur situation du 31 décembre 2019 jusqu'à la date à laquelle l'organisateur adresse les informations et documents de demande de prêt conformément à l'article 17.
Art. 15. § 1. Om te bepalen of een lening kan worden toegekend, en in voorkomend geval, welk bedrag van de lening, verstrekt de organisator de volgende informatie en documenten voor de aanvraag van de lening:
1° de informatie uit de tabel opgenomen in bijlage 1;
2° de documenten bedoeld in artikel 14, paragraaf 2;
3° een verklaring op eer of enig ander document dat het mogelijk maakt vast te stellen dat het bedrag van de aangevraagde lening daadwerkelijk overeenstemt met maximaal 80 % van de totale waarde van de in aanmerking komende tegoedbonnen uitgegeven door die organisator;
4° de documenten waaruit blijkt dat het bedrag van de aangevraagde lening de criteria bedoeld in artikel 11, § 1, 1°, en 2° niet overschrijdt;
5° in voorkomend geval, de verklaring op eer bedoeld in artikel 11, paragraaf 2;
6° een kopie van het bestand bedoeld in artikel 2 van het ministerieel besluit van 19 maart 2020, aangevuld met een rubriek die de lijst van de in aanmerking komende tegoedbonnen uiteenzet die werden uitgegeven door deze organisator;
7° een attest afgeleverd door de relevante financiële instelling waaruit blijkt dat de bankrekening, waarvan het nummer door de organisator wordt meegedeeld om het bedrag van de lening te ontvangen, voldoet aan de criteria van [1 artikel 12, paragrafen 1 en 2]1; en
8° een verklaring op eer waarin de organisator verklaart dat hij niet reeds van staatssteun heeft genoten, of niet bezig is staatssteun te verkrijgen, ingevoerd op grond van artikel 3.2 van de Europese tijdelijke kaderregeling (steun in de vorm van garanties voor leningen) met betrekking tot andere leningen gebruikt voor de terugbetaling van de in aanmerking komende tegoedbonnen. Deze verklaring op eer geeft eveneens aan of de organisator genoten heeft van of rekent op het verkrijgen van andere staatssteun ingevoerd op grond van artikel [1 3.2 van de Europese tijdelijke kaderregeling (steun in de vorm van garanties voor leningen) voor enig ander doel dan de terugbetaling van in aanmerking komende tegoedbonnen of ingevoerd op grond]1 3.3 van de Europese tijdelijke kaderregeling (steun in de vorm van rentesubsidie voor leningen). In dat geval duidt de verklaring op eer de rechtsgrondslag voor de staatssteun en het bedrag dat de organisator genoten heeft of zal genieten, aan. [1 Deze verklaring op eer geeft eveneens aan of de organisator reeds van eerdere, onrechtmatige staatssteun heeft genoten die door een besluit van de Commissie onverenigbaar is verklaard met de interne markt en, in voorkomend geval, of deze steun alsook de terugvorderingsrente volledig zijn terugbetaald of op een geblokkeerde rekening gestort.]1
§ 2. De organisator houdt een kopie van de in aanmerking komende tegoedbonnen die door hem zijn uitgegeven ter beschikking van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie en de ambtenaren bedoeld in artikel 33, paragraaf 1.
1° de informatie uit de tabel opgenomen in bijlage 1;
2° de documenten bedoeld in artikel 14, paragraaf 2;
3° een verklaring op eer of enig ander document dat het mogelijk maakt vast te stellen dat het bedrag van de aangevraagde lening daadwerkelijk overeenstemt met maximaal 80 % van de totale waarde van de in aanmerking komende tegoedbonnen uitgegeven door die organisator;
4° de documenten waaruit blijkt dat het bedrag van de aangevraagde lening de criteria bedoeld in artikel 11, § 1, 1°, en 2° niet overschrijdt;
5° in voorkomend geval, de verklaring op eer bedoeld in artikel 11, paragraaf 2;
6° een kopie van het bestand bedoeld in artikel 2 van het ministerieel besluit van 19 maart 2020, aangevuld met een rubriek die de lijst van de in aanmerking komende tegoedbonnen uiteenzet die werden uitgegeven door deze organisator;
7° een attest afgeleverd door de relevante financiële instelling waaruit blijkt dat de bankrekening, waarvan het nummer door de organisator wordt meegedeeld om het bedrag van de lening te ontvangen, voldoet aan de criteria van [1 artikel 12, paragrafen 1 en 2]1; en
8° een verklaring op eer waarin de organisator verklaart dat hij niet reeds van staatssteun heeft genoten, of niet bezig is staatssteun te verkrijgen, ingevoerd op grond van artikel 3.2 van de Europese tijdelijke kaderregeling (steun in de vorm van garanties voor leningen) met betrekking tot andere leningen gebruikt voor de terugbetaling van de in aanmerking komende tegoedbonnen. Deze verklaring op eer geeft eveneens aan of de organisator genoten heeft van of rekent op het verkrijgen van andere staatssteun ingevoerd op grond van artikel [1 3.2 van de Europese tijdelijke kaderregeling (steun in de vorm van garanties voor leningen) voor enig ander doel dan de terugbetaling van in aanmerking komende tegoedbonnen of ingevoerd op grond]1 3.3 van de Europese tijdelijke kaderregeling (steun in de vorm van rentesubsidie voor leningen). In dat geval duidt de verklaring op eer de rechtsgrondslag voor de staatssteun en het bedrag dat de organisator genoten heeft of zal genieten, aan. [1 Deze verklaring op eer geeft eveneens aan of de organisator reeds van eerdere, onrechtmatige staatssteun heeft genoten die door een besluit van de Commissie onverenigbaar is verklaard met de interne markt en, in voorkomend geval, of deze steun alsook de terugvorderingsrente volledig zijn terugbetaald of op een geblokkeerde rekening gestort.]1
§ 2. De organisator houdt een kopie van de in aanmerking komende tegoedbonnen die door hem zijn uitgegeven ter beschikking van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie en de ambtenaren bedoeld in artikel 33, paragraaf 1.
Art. 15. § 1er. Pour déterminer s'il peut se voir octroyer un prêt, et le cas échéant le montant de ce prêt, l'organisateur fournit les informations et documents de demande de prêt suivants:
1° les informations figurant dans le tableau repris à l'annexe 1;
2° les documents visés à l'article 14, paragraphe 2;
3° une déclaration sur l'honneur ou tout autre document qui permet d'attester que le montant du prêt sollicité correspond effectivement à maximum 80 % de la valeur totale des bons à valoir éligibles émis par cet organisateur;
4° les documents qui permettent d'attester que le montant du prêt sollicité n'excède pas les critères visés à l'article 11, § 1er, 1°, et 2° ;
5° le cas échéant, la déclaration sur l'honneur visée à l'article 11, paragraphe 2;
6° une copie du registre mentionné à l'article 2 de l'arrêté ministériel du 19 mars 2020 complété d'une rubrique reprenant la liste des bons à valoir éligibles émis par cet organisateur;
7° une attestation délivrée par l'institution financière pertinente démontrant que le compte bancaire, dont le numéro est communiqué par l'organisateur afin de recevoir le montant du prêt, répond aux critères de l'[1 article 12, paragraphes 1er et 2]1; et
8° une déclaration sur l'honneur selon laquelle l'organisateur certifie qu'il n'a pas bénéficié, ou n'est pas en cours d'obtenir, une aide d'Etat adoptée en application de la section 3.2 de l'encadrement temporaire européen (aides sous forme de garanties sur les prêts) relative à d'autres prêts utilisés pour rembourser des bons à valoir éligibles. Cette déclaration sur l'honneur indique également si l'organisateur a bénéficié ou compte obtenir une autre aide d'Etat adoptée en application de la section [1 3.2 de l'encadrement temporaire européen (aides sous forme de garanties sur les prêts) et ayant un autre objet que le remboursement des bons à valoir éligibles ou adoptée en application" sont insérés entre les mots "Cette déclaration sur l'honneur indique également si l'organisateur a bénéficié ou compte obtenir une autre aide d'Etat adoptée en application de la section]1 3.3 de l'encadrement temporaire européen (aides sous la forme de taux d'intérêt bonifiés pour les prêts). Dans ce cas, la déclaration sur l'honneur indique la base juridique de l'aide d'Etat et le montant dont l'organisateur a bénéficié ou va bénéficier. [1 Cette déclaration sur l'honneur indique également si l'organisateur a déjà bénéficié d'une aide d'Etat antérieure illégale qui est déclarée incompatible avec le marché intérieur par une décision de la Commission et, le cas échéant, si cette aide et les intérêts ont été entièrement remboursés ou versés sur un compte bloqué.]1
§ 2. L'organisateur doit tenir à la disposition du Service Public Fédéral Economie, P.M.E., Classes Moyennes et Energie et des agents visés à l'article 33, paragraphe 1er, une copie des bons à valoir éligibles émis par cet organisateur.
1° les informations figurant dans le tableau repris à l'annexe 1;
2° les documents visés à l'article 14, paragraphe 2;
3° une déclaration sur l'honneur ou tout autre document qui permet d'attester que le montant du prêt sollicité correspond effectivement à maximum 80 % de la valeur totale des bons à valoir éligibles émis par cet organisateur;
4° les documents qui permettent d'attester que le montant du prêt sollicité n'excède pas les critères visés à l'article 11, § 1er, 1°, et 2° ;
5° le cas échéant, la déclaration sur l'honneur visée à l'article 11, paragraphe 2;
6° une copie du registre mentionné à l'article 2 de l'arrêté ministériel du 19 mars 2020 complété d'une rubrique reprenant la liste des bons à valoir éligibles émis par cet organisateur;
7° une attestation délivrée par l'institution financière pertinente démontrant que le compte bancaire, dont le numéro est communiqué par l'organisateur afin de recevoir le montant du prêt, répond aux critères de l'[1 article 12, paragraphes 1er et 2]1; et
8° une déclaration sur l'honneur selon laquelle l'organisateur certifie qu'il n'a pas bénéficié, ou n'est pas en cours d'obtenir, une aide d'Etat adoptée en application de la section 3.2 de l'encadrement temporaire européen (aides sous forme de garanties sur les prêts) relative à d'autres prêts utilisés pour rembourser des bons à valoir éligibles. Cette déclaration sur l'honneur indique également si l'organisateur a bénéficié ou compte obtenir une autre aide d'Etat adoptée en application de la section [1 3.2 de l'encadrement temporaire européen (aides sous forme de garanties sur les prêts) et ayant un autre objet que le remboursement des bons à valoir éligibles ou adoptée en application" sont insérés entre les mots "Cette déclaration sur l'honneur indique également si l'organisateur a bénéficié ou compte obtenir une autre aide d'Etat adoptée en application de la section]1 3.3 de l'encadrement temporaire européen (aides sous la forme de taux d'intérêt bonifiés pour les prêts). Dans ce cas, la déclaration sur l'honneur indique la base juridique de l'aide d'Etat et le montant dont l'organisateur a bénéficié ou va bénéficier. [1 Cette déclaration sur l'honneur indique également si l'organisateur a déjà bénéficié d'une aide d'Etat antérieure illégale qui est déclarée incompatible avec le marché intérieur par une décision de la Commission et, le cas échéant, si cette aide et les intérêts ont été entièrement remboursés ou versés sur un compte bloqué.]1
§ 2. L'organisateur doit tenir à la disposition du Service Public Fédéral Economie, P.M.E., Classes Moyennes et Energie et des agents visés à l'article 33, paragraphe 1er, une copie des bons à valoir éligibles émis par cet organisateur.
Änderungen
HOOFDSTUK 4. - Afsluitingsmodaliteiten van de leningen
CHAPITRE 4. - Modalités de conclusion des prêts
Art. 16. Zodra de bepalingen van deze titel in werking treden, deelt de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie schriftelijk, desgevallend door middel van een e-mail, aan de organisatoren mee:
1° de wijze waarop deze organisatoren te werk moeten gaan om een lening toegekend te krijgen;
2° de opsomming van de in artikel 15, paragraaf 1, bedoelde informatie en documenten voor de aanvraag van de lening;
3° de verplichting van de organisatoren als bedoeld in artikel 15, paragraaf 2;
4° de werkwijze en de contactgegevens van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie, die aan de organisatoren toelaat om de informatie en documenten voor de aanvraag van de lening over te maken alsook de afrekening bedoeld in artikel 23; en
5° het model van de verklaringen op eer bedoeld in de artikelen 11, paragraaf 2, 14, § 2, 2°, en 15, § 1, 3° en 8°.
1° de wijze waarop deze organisatoren te werk moeten gaan om een lening toegekend te krijgen;
2° de opsomming van de in artikel 15, paragraaf 1, bedoelde informatie en documenten voor de aanvraag van de lening;
3° de verplichting van de organisatoren als bedoeld in artikel 15, paragraaf 2;
4° de werkwijze en de contactgegevens van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie, die aan de organisatoren toelaat om de informatie en documenten voor de aanvraag van de lening over te maken alsook de afrekening bedoeld in artikel 23; en
5° het model van de verklaringen op eer bedoeld in de artikelen 11, paragraaf 2, 14, § 2, 2°, en 15, § 1, 3° en 8°.
Art. 16. Dès l'entrée en vigueur des dispositions du présent titre, le Service Public Fédéral Economie, P.M.E., Classes Moyennes et Energie communique par écrit, le cas échéant au moyen d'un courrier électronique, aux organisateurs:
1° la manière dont ces organisateurs doivent procéder pour se voir octroyer un prêt;
2° l'énumération des informations et documents de demande de prêt visés à l'article 15, paragraphe 1er;
3° l'obligation pesant sur les organisateurs visée à l'article 15, paragraphe 2;
4° la méthode et les coordonnées du Service Public Fédéral Economie, P.M.E., Classes Moyennes et Energie qui permettent aux organisateurs de transférer les informations et documents de demande de prêt ainsi que le décompte visé à l'article 23; et
5° le modèle des déclarations sur l'honneur visées aux articles 11, paragraphe 2, 14, § 2, 2°, et 15, § 1, 3° et 8°.
1° la manière dont ces organisateurs doivent procéder pour se voir octroyer un prêt;
2° l'énumération des informations et documents de demande de prêt visés à l'article 15, paragraphe 1er;
3° l'obligation pesant sur les organisateurs visée à l'article 15, paragraphe 2;
4° la méthode et les coordonnées du Service Public Fédéral Economie, P.M.E., Classes Moyennes et Energie qui permettent aux organisateurs de transférer les informations et documents de demande de prêt ainsi que le décompte visé à l'article 23; et
5° le modèle des déclarations sur l'honneur visées aux articles 11, paragraphe 2, 14, § 2, 2°, et 15, § 1, 3° et 8°.
Art. 17. Uiterlijk op [1 30 november 2021]1 maakt elke organisator die een lening wenst te verkrijgen, aan de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie, de informatie en documenten over voor de aanvraag van de lening zoals bedoeld in artikel 15, paragraaf 1. [1 Indien blijkt dat organisator één of meerdere informatie en documenten voor de aanvraag van de lening niet heeft overgemaakt op uiterlijk de datum zoals bedoeld in de vorige zin, kan de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie de lening geheel of gedeeltelijk weigeren.]1
Art. 17. Au plus tard pour le [1 30 novembre 2021]1, chaque organisateur qui désire obtenir un prêt fait parvenir au Service Public Fédéral Economie, P.M.E., Classes Moyennes et Energie, les informations et documents de demande de prêt visés à l'article 15, paragraphe 1. [1 S'il apparaît qu'un organisateur n'a pas transmis certaines informations et certains documents pour la demande de prêt dans le délai prévu, le Service public fédéral Economie, P.M.E., Classes moyennes et Energie peut refuser tout ou partie du prêt.]1
Änderungen
Art. 18. § 1. Ten laatste tegen [1 22 december 2021]1, moet de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie:
1° overgaan tot de verificatie van de authenticiteit van de in artikel 15, paragraaf 1, bedoelde informatie en documenten voor de aanvraag van de lening overgemaakt door elke organisator overeenkomstig artikel 17;
2° overgaan tot de verificatie van de naleving door de organisatoren die een lening wensen te verkrijgen, van de toekenningsvoorwaarden bedoeld in artikel 14;
3° erop toezien dat het bedrag van de lening die door elke organisator wordt gevraagd, wel degelijk overeenstemt met maximum 80 % van de totale waarde van de in aanmerking komende tegoedbonnen uitgegeven door die organisator;
4° erop toezien dat het bedrag van de door elke organisator aangevraagde lening de criteria bedoeld in artikel 11 niet overschrijdt;
5° erop toezien dat de organisator correct het nummer heeft verstrekt van een bankrekening die voldoet aan de criteria van [1 artikel 12, paragrafen 1 en 2]1; en
6° een beslissing nemen omtrent de lening.
§ 2. Elke beslissing omtrent de lening wordt naar behoren met redenen omkleed.
§ 3. Indien de lening wordt toegekend, bevat de beslissing omtrent de lening ten minste de volgende elementen:
1° de identiteit van de organisator;
2° de juridische en feitelijke grond(en) die de toekenning van de lening rechtvaardigen;
3° het bedrag van de lening;
4° de verantwoording van het bedrag van de lening;
5° de beroepsmogelijkheden;
6° het feit dat de lening zal worden geformaliseerd in een leningsovereenkomst waarin de bijzondere voorwaarden van de lening zullen worden opgenomen; en
7° informatie over de procedure die moet worden gevolgd voor het daadwerkelijk sluiten van de leningsovereenkomst.
§ 4. In geval van weigering van een lening bevat de beslissing omtrent de lening ten minste de volgende elementen:
1° de identiteit van de organisator;
2° de juridische en feitelijke grond(en) die de weigering van de lening rechtvaardigen; en
3° de beroepsmogelijkheden.
1° overgaan tot de verificatie van de authenticiteit van de in artikel 15, paragraaf 1, bedoelde informatie en documenten voor de aanvraag van de lening overgemaakt door elke organisator overeenkomstig artikel 17;
2° overgaan tot de verificatie van de naleving door de organisatoren die een lening wensen te verkrijgen, van de toekenningsvoorwaarden bedoeld in artikel 14;
3° erop toezien dat het bedrag van de lening die door elke organisator wordt gevraagd, wel degelijk overeenstemt met maximum 80 % van de totale waarde van de in aanmerking komende tegoedbonnen uitgegeven door die organisator;
4° erop toezien dat het bedrag van de door elke organisator aangevraagde lening de criteria bedoeld in artikel 11 niet overschrijdt;
5° erop toezien dat de organisator correct het nummer heeft verstrekt van een bankrekening die voldoet aan de criteria van [1 artikel 12, paragrafen 1 en 2]1; en
6° een beslissing nemen omtrent de lening.
§ 2. Elke beslissing omtrent de lening wordt naar behoren met redenen omkleed.
§ 3. Indien de lening wordt toegekend, bevat de beslissing omtrent de lening ten minste de volgende elementen:
1° de identiteit van de organisator;
2° de juridische en feitelijke grond(en) die de toekenning van de lening rechtvaardigen;
3° het bedrag van de lening;
4° de verantwoording van het bedrag van de lening;
5° de beroepsmogelijkheden;
6° het feit dat de lening zal worden geformaliseerd in een leningsovereenkomst waarin de bijzondere voorwaarden van de lening zullen worden opgenomen; en
7° informatie over de procedure die moet worden gevolgd voor het daadwerkelijk sluiten van de leningsovereenkomst.
§ 4. In geval van weigering van een lening bevat de beslissing omtrent de lening ten minste de volgende elementen:
1° de identiteit van de organisator;
2° de juridische en feitelijke grond(en) die de weigering van de lening rechtvaardigen; en
3° de beroepsmogelijkheden.
Art. 18. § 1er. Au plus tard pour le [1 22 décembre 2021]1, le Service Public Fédéral Economie, P.M.E., Classes Moyennes et Energie doit:
1° procéder à la vérification de l'authenticité des informations et documents de demande de prêt visés à l'article 15, paragraphe 1, transmis par chaque organisateur conformément à l'article 17;
2° procéder à la vérification du respect, par les organisateurs qui désirent obtenir un prêt, des conditions d'éligibilité visées à l'article 14;
3° s'assurer que le montant du prêt sollicité par chaque organisateur correspond effectivement à maximum 80 % de la valeur totale des bons à valoir éligibles émis par cet organisateur;
4° s'assurer que le montant du prêt sollicité par chaque organisateur n'excède pas les critères visés à l'article 11;
5° s'assurer que l'organisateur a bien communiqué le numéro d'un compte bancaire qui répond aux critères de l'[1 article 12, paragraphes 1er et 2]1; et
6° adopter une décision relative au prêt.
§ 2. Chaque décision relative au prêt est valablement motivée.
§ 3. En cas d'octroi du prêt, la décision relative au prêt contient, au minimum, les éléments suivants:
1° l'identité de l'organisateur;
2° le ou les motif(s) de droit et de fait justifiant l'octroi du prêt;
3° le montant du prêt;
4° la justification du montant du prêt;
5° les recours possibles;
6° le fait que le prêt sera formalisé dans une convention de prêt qui reprendra les termes et conditions spécifiques du prêt; et
7° les informations relatives à la procédure à suivre pour la conclusion effective de la convention de prêt.
§ 4. En cas de refus de prêt, la décision relative au prêt contient, au minimum, les éléments suivants:
1° l'identité de l'organisateur;
2° le ou les motif(s) de droit et de fait justifiant le refus du prêt; et
3° les recours possibles.
1° procéder à la vérification de l'authenticité des informations et documents de demande de prêt visés à l'article 15, paragraphe 1, transmis par chaque organisateur conformément à l'article 17;
2° procéder à la vérification du respect, par les organisateurs qui désirent obtenir un prêt, des conditions d'éligibilité visées à l'article 14;
3° s'assurer que le montant du prêt sollicité par chaque organisateur correspond effectivement à maximum 80 % de la valeur totale des bons à valoir éligibles émis par cet organisateur;
4° s'assurer que le montant du prêt sollicité par chaque organisateur n'excède pas les critères visés à l'article 11;
5° s'assurer que l'organisateur a bien communiqué le numéro d'un compte bancaire qui répond aux critères de l'[1 article 12, paragraphes 1er et 2]1; et
6° adopter une décision relative au prêt.
§ 2. Chaque décision relative au prêt est valablement motivée.
§ 3. En cas d'octroi du prêt, la décision relative au prêt contient, au minimum, les éléments suivants:
1° l'identité de l'organisateur;
2° le ou les motif(s) de droit et de fait justifiant l'octroi du prêt;
3° le montant du prêt;
4° la justification du montant du prêt;
5° les recours possibles;
6° le fait que le prêt sera formalisé dans une convention de prêt qui reprendra les termes et conditions spécifiques du prêt; et
7° les informations relatives à la procédure à suivre pour la conclusion effective de la convention de prêt.
§ 4. En cas de refus de prêt, la décision relative au prêt contient, au minimum, les éléments suivants:
1° l'identité de l'organisateur;
2° le ou les motif(s) de droit et de fait justifiant le refus du prêt; et
3° les recours possibles.
Änderungen
Art. 19. De toekenning van elke lening wordt geformaliseerd in een leningsovereenkomst die uiterlijk op [1 24 december 2021]1 wordt gesloten tussen de Staat en elk van de organisatoren aan wie een lening wordt toegekend.
Art. 19. L'octroi de chaque prêt est formalisé par une convention de prêt conclue, au plus tard pour le [1 24 décembre 2021]1, entre l'Etat et chacun des organisateurs qui se voit octroyer un prêt.
Änderungen
Art. 20. Uiterlijk op [1 3 januari 2022]1 bezorgt de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie aan de Algemene Administratie van de Thesaurie van de Federale Overheidsdienst Financiën een kopie van de leningsovereenkomsten en een tabel in elektronische vorm die het volgende bevat:
1° de lijst van organisatoren die een leningsovereenkomst hebben afgesloten alsook hun contactgegevens en adres;
2° informatie met betrekking tot het bedrag van elke lening;
3° de bankgegevens die de Staat in staat stellen om over te gaan tot de storting, aan de organisatoren die een leningsovereenkomst hebben afgesloten, op de bankrekeningen bedoeld in [1 artikel 12, paragrafen 1 en 2]1; en
4° de identiteit en contactgegevens van de verzekeraar van elke organisator.
1° de lijst van organisatoren die een leningsovereenkomst hebben afgesloten alsook hun contactgegevens en adres;
2° informatie met betrekking tot het bedrag van elke lening;
3° de bankgegevens die de Staat in staat stellen om over te gaan tot de storting, aan de organisatoren die een leningsovereenkomst hebben afgesloten, op de bankrekeningen bedoeld in [1 artikel 12, paragrafen 1 en 2]1; en
4° de identiteit en contactgegevens van de verzekeraar van elke organisator.
Art. 20. Au plus tard le [1 3 janvier 2022]1, le Service Public Fédéral Economie, P.M.E., Classes Moyennes et Energie communique à l'Administration générale de la Trésorerie du Service Public Fédéral Finances une copie des conventions de prêt et un tableau sous format électronique reprenant notamment:
1° la liste des organisateurs qui ont conclu une convention de prêt ainsi que leurs coordonnées et adresse;
2° les informations relatives au montant de chaque prêt;
3° les informations bancaires permettant à l'Etat de procéder au versement, aux organisateurs qui ont conclu une convention de prêt, des montants prêtés sur les comptes bancaires visés à l'[1 article 12, paragraphes 1er et 2]1; et
4° l'identité et les coordonnées de l'assureur de chaque organisateur.
1° la liste des organisateurs qui ont conclu une convention de prêt ainsi que leurs coordonnées et adresse;
2° les informations relatives au montant de chaque prêt;
3° les informations bancaires permettant à l'Etat de procéder au versement, aux organisateurs qui ont conclu une convention de prêt, des montants prêtés sur les comptes bancaires visés à l'[1 article 12, paragraphes 1er et 2]1; et
4° l'identité et les coordonnées de l'assureur de chaque organisateur.
Änderungen
Art. 21. Uiterlijk op [1 20 januari 2022]1, stort de Algemene Administratie van de Thesaurie van de Federale Overheidsdienst Financiën de geleende bedragen, aan de organisatoren die een leningsovereenkomst hebben afgesloten, op de bankrekeningen bedoeld in [1 artikel 12, paragrafen 1 en 2]1.
Art. 21. Au plus tard pour le [1 20 janvier 2022]1, l'Administration générale de la Trésorerie du Service Public Fédéral Finances verse, aux organisateurs qui ont conclu une convention de prêt, les montants des prêts sur les comptes bancaires visés à l'[1 article 12, paragraphes 1er et 2]1.
Änderungen
HOOFDSTUK 5. - Terugbetaling van de in aanmerking komende tegoedbonnen en opvolging van de leningen
CHAPITRE 5. - Remboursement des bons à valoir éligibles et suivi des prêts
Art. 22. Elke organisator gaat uiterlijk op 31 januari 2022 over tot de terugbetalingen aan de reizigers van de in aanmerking komende tegoedbonnen waarvoor hij een lening heeft aangevraagd.
Art. 22. Chaque organisateur procède, au plus tard pour le 31 janvier 2022, aux remboursements, aux voyageurs, des bons à valoir éligibles pour lesquels il a sollicité un prêt.
Art. 23. Elke organisator legt ten laatste op 1 maart 2022 aan de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie, een volledige afrekening voor van de bedragen gebruikt voor de in artikel 22 bedoelde terugbetalingen.
De Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie legt een kopie van deze afrekening voor aan de Algemene Administratie van de Thesaurie van de Federale Overheidsdienst Financiën.
De Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie legt een kopie van deze afrekening voor aan de Algemene Administratie van de Thesaurie van de Federale Overheidsdienst Financiën.
Art. 23. Chaque organisateur transmet, au plus tard pour le 1er mars 2022, au Service Public Fédéral Economie, P.M.E., Classes Moyennes et Energie, un décompte complet des montants utilisés pour procéder aux remboursements visés à l'article 22.
Le Service Public Fédéral Economie, P.M.E., Classes Moyennes et Energie transmet une copie de ce décompte à l'Administration générale de la Trésorerie du Service Public Fédéral Finances.
Le Service Public Fédéral Economie, P.M.E., Classes Moyennes et Energie transmet une copie de ce décompte à l'Administration générale de la Trésorerie du Service Public Fédéral Finances.
Art. 24. Indien blijkt dat een organisator niet in staat is geweest om terugbetalingen te verrichten voor alle in aanmerking komende tegoedbonnen waarvoor hij een lening heeft aangevraagd, betaalt deze organisator de Staat uiterlijk op 1 maart 2022 het ongebruikte saldo van het bedrag van de lening terug.
De jaarlijkse termijnen verschuldigd door elke organisator overeenkomstig artikel 10, derde lid, worden door de Algemene Administratie van de Thesaurie van de Federale Overheidsdienst Financiën vastgesteld op basis van de in artikel 23 bedoelde afrekening en de overeenkomstig het eerste lid verrichte terugbetalingen. Deze jaarlijkse termijnen worden door de Algemene Administratie van de Thesaurie van de Federale Overheidsdienst Financiën aan elke organisator meegedeeld.
De jaarlijkse termijnen verschuldigd door elke organisator overeenkomstig artikel 10, derde lid, worden door de Algemene Administratie van de Thesaurie van de Federale Overheidsdienst Financiën vastgesteld op basis van de in artikel 23 bedoelde afrekening en de overeenkomstig het eerste lid verrichte terugbetalingen. Deze jaarlijkse termijnen worden door de Algemene Administratie van de Thesaurie van de Federale Overheidsdienst Financiën aan elke organisator meegedeeld.
Art. 24. S'il s'avère qu'un organisateur n'a pas été en mesure de procéder aux remboursements de tous les bons à valoir éligibles pour lesquels il a sollicité un prêt, cet organisateur reverse à l'Etat, au plus tard pour le 1er mars 2022, le solde du montant du prêt non utilisé.
Les annuités dues par chaque organisateur conformément à l'article 10, alinéa 3, sont établies par l'Administration générale de la Trésorerie du Service Public Fédéral Finances sur la base du décompte visé à l'article 23 et des remboursements opérés selon l'alinéa 1er. Ces annuités sont communiquées à chaque organisateur par l'Administration générale de la Trésorerie du Service Public Fédéral Finances.
Les annuités dues par chaque organisateur conformément à l'article 10, alinéa 3, sont établies par l'Administration générale de la Trésorerie du Service Public Fédéral Finances sur la base du décompte visé à l'article 23 et des remboursements opérés selon l'alinéa 1er. Ces annuités sont communiquées à chaque organisateur par l'Administration générale de la Trésorerie du Service Public Fédéral Finances.
HOOFDSTUK 6. - Invordering van de leningen
CHAPITRE 6. - Recouvrement des prêts
Art. 25. Van zodra een organisator in gebreke blijft een verschuldigde jaarlijkse termijn te betalen, stuurt de Federale Overheidsdienst Financiën onmiddellijk een uitnodiging tot betaling naar de in gebreke blijvende organisator met het verzoek de verschuldigde jaarlijkse termijn te betalen binnen vijftien kalenderdagen te rekenen vanaf de ontvangst van deze uitnodiging tot betaling. De uitnodiging tot betaling wordt geacht te zijn ontvangen op de derde werkdag volgend op de afgifte ervan bij de universele postdienst.
De leningen, waarvan ten minste één jaarlijkse termijn niet binnen de in het eerste lid bedoelde termijn van vijftien dagen wordt betaald, worden ingevorderd door de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, overeenkomstig de artikelen 3 en volgende van de domaniale wet van 22 december 1949.
De leningen, waarvan ten minste één jaarlijkse termijn niet binnen de in het eerste lid bedoelde termijn van vijftien dagen wordt betaald, worden ingevorderd door de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, overeenkomstig de artikelen 3 en volgende van de domaniale wet van 22 december 1949.
Art. 25. Dès qu'un organisateur est en défaut de procéder au paiement d'une annuité due, le Service Public Fédéral Finances envoie sans délai à l'organisateur défaillant un avis dans lequel il lui est demandé de payer l'annuité due dans les quinze jours calendrier à compter de la réception de cet avis. L'avis de paiement est réputé avoir été reçu le troisième jour ouvrable qui suit sa remise au service postal universel.
Les prêts, dont au moins une annuité n'a pas été payée dans le délai de quinze jours visé à l'alinéa 1er, sont recouvrés par l'administration du Service Public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances fiscales et non fiscales, conformément aux articles 3 et suivants de la loi domaniale du 22 décembre 1949.
Les prêts, dont au moins une annuité n'a pas été payée dans le délai de quinze jours visé à l'alinéa 1er, sont recouvrés par l'administration du Service Public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances fiscales et non fiscales, conformément aux articles 3 et suivants de la loi domaniale du 22 décembre 1949.
HOOFDSTUK 7. - Zekerheid
CHAPITRE 7. - Sûreté
Art. 26. § 1. Elke lening maakt het voorwerp uit van een zekerheid in de vorm van een garantie op eerste verzoek, verstrekt door de verzekeraar waarbij de organisator de verzekeringsdekking bedoeld in artikel 3 van het ministerieel besluit van 19 maart 2020 heeft afgesloten.
§ 2. De garantie op eerste verzoek bedoeld in paragraaf 1 doet geen afbreuk aan artikel 34 van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen en het artikel 5, 14°, van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen.
§ 3. De garantie op eerste verzoek bedoeld in paragraaf 1 heeft betrekking op het gehele uitstaande bedrag alsook de lopende rente.
§ 4. Onverminderd paragraaf 2, is de in paragraaf 1 bedoelde garantie op eerste verzoek beperkt tot een bedrag van 3 miljoen euro per lening.
Indien meerdere leningen werden toegekend aan meerdere organisatoren die tot dezelfde " groep " behoren, mogen de garanties op eerste verzoek voor deze leningen samen een bedrag van 3 miljoen euro niet overschrijden.
Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder de term " groep " verstaan: een organisator en zijn eventuele moederondernemingen of zijn eventuele dochterondernemingen in de zin van artikel 1:15 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen.
§ 5. De Staat kan zich op de garantie op eerste verzoek bedoeld in paragraaf 1 beroepen zodra een organisator financieel onvermogend is en hij niet langer in staat is om de lening terug te betalen.
§ 6. Een organisator wordt als financieel onvermogend beschouwd van zodra hij in gebreke blijft een verschuldigde jaarlijkse termijn te betalen binnen één maand te rekenen vanaf de datum van uitwerking van de aanmaning tot betaling zoals bedoeld in artikel 13, paragraaf 1, van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen die werd verzonden door de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen waaraan de invordering van de lening overeenkomstig artikel 25, tweede lid, werd toevertrouwd.
§ 7. Het beroep op de garantie op eerste verzoek bedoeld in paragraaf 1 neemt de vorm aan van een aanmaning tot betaling als bedoeld in artikel 13, paragraaf 2, van het Wetboek voor de minnelijke en gerechtelijke invordering van de fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, gericht aan de verzekeraar waarbij de organisator de verzekeringsdekking bedoeld in artikel 3 van het ministerieel besluit van 19 maart 2020 heeft afgesloten.
§ 2. De garantie op eerste verzoek bedoeld in paragraaf 1 doet geen afbreuk aan artikel 34 van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen en het artikel 5, 14°, van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen.
§ 3. De garantie op eerste verzoek bedoeld in paragraaf 1 heeft betrekking op het gehele uitstaande bedrag alsook de lopende rente.
§ 4. Onverminderd paragraaf 2, is de in paragraaf 1 bedoelde garantie op eerste verzoek beperkt tot een bedrag van 3 miljoen euro per lening.
Indien meerdere leningen werden toegekend aan meerdere organisatoren die tot dezelfde " groep " behoren, mogen de garanties op eerste verzoek voor deze leningen samen een bedrag van 3 miljoen euro niet overschrijden.
Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder de term " groep " verstaan: een organisator en zijn eventuele moederondernemingen of zijn eventuele dochterondernemingen in de zin van artikel 1:15 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen.
§ 5. De Staat kan zich op de garantie op eerste verzoek bedoeld in paragraaf 1 beroepen zodra een organisator financieel onvermogend is en hij niet langer in staat is om de lening terug te betalen.
§ 6. Een organisator wordt als financieel onvermogend beschouwd van zodra hij in gebreke blijft een verschuldigde jaarlijkse termijn te betalen binnen één maand te rekenen vanaf de datum van uitwerking van de aanmaning tot betaling zoals bedoeld in artikel 13, paragraaf 1, van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen die werd verzonden door de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen waaraan de invordering van de lening overeenkomstig artikel 25, tweede lid, werd toevertrouwd.
§ 7. Het beroep op de garantie op eerste verzoek bedoeld in paragraaf 1 neemt de vorm aan van een aanmaning tot betaling als bedoeld in artikel 13, paragraaf 2, van het Wetboek voor de minnelijke en gerechtelijke invordering van de fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, gericht aan de verzekeraar waarbij de organisator de verzekeringsdekking bedoeld in artikel 3 van het ministerieel besluit van 19 maart 2020 heeft afgesloten.
Art. 26. § 1er. Chaque prêt fait l'objet d'une sûreté constituée sous la forme d'une garantie à première demande fournie par l'assureur auprès duquel l'organisateur a souscrit la protection d'assurance visée à l'article 3 de l'arrêté ministériel du 19 mars 2020.
§ 2. La garantie à première demande visée au paragraphe 1er ne porte pas préjudice à l'article 34 de la loi du 13 mars 2016 relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance ou de réassurance ni à l'article 5, 14°, de la loi du 4 avril 2014 relative aux assurances.
§ 3. La garantie à première demande visée au paragraphe 1er porte sur l'intégralité du montant restant dû ainsi que sur les intérêts échus.
§ 4. Sans préjudice du paragraphe 2, la garantie à première demande visée au paragraphe 1er est limitée à un montant de 3 millions d'euros par prêt.
Si plusieurs prêts sont octroyés à plusieurs organisateurs appartenant à un même " groupe ", les garanties à première demande sur ces prêts ne peuvent ensemble pas dépasser un montant de 3 millions d'euros.
Pour l'application de l'alinéa 2, le terme " groupe " s'entend d'un organisateur et de ses éventuelles sociétés mères ou de ses éventuelles filiales au sens de l'article 1:15 du Code des sociétés et des associations.
§ 5. L'Etat peut faire appel à la garantie à première demande visée au paragraphe 1er dès qu'un organisateur est en incapacité financière et n'est plus en mesure de rembourser son prêt.
§ 6. Un organisateur est considéré être en incapacité financière s'il demeure en défaut de procéder au paiement d'une annuité due au-delà d'un mois à compter de la date d'effet de la sommation de payer visée à l'article 13, paragraphe 1er, du Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales, adressée par l'administration du Service Public Fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances fiscales et non fiscales à laquelle le recouvrement du prêt a été confié conformément à l'article 25, alinéa 2.
§ 7. L'appel à la garantie à première demande visée au paragraphe 1er prend la forme de la sommation de payer, visée à l'article 13, paragraphe 2, du Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales, adressée à l'assureur auprès duquel l'organisateur a souscrit la protection d'assurance visée à l'article 3 de l'arrêté ministériel du 19 mars 2020.
§ 2. La garantie à première demande visée au paragraphe 1er ne porte pas préjudice à l'article 34 de la loi du 13 mars 2016 relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance ou de réassurance ni à l'article 5, 14°, de la loi du 4 avril 2014 relative aux assurances.
§ 3. La garantie à première demande visée au paragraphe 1er porte sur l'intégralité du montant restant dû ainsi que sur les intérêts échus.
§ 4. Sans préjudice du paragraphe 2, la garantie à première demande visée au paragraphe 1er est limitée à un montant de 3 millions d'euros par prêt.
Si plusieurs prêts sont octroyés à plusieurs organisateurs appartenant à un même " groupe ", les garanties à première demande sur ces prêts ne peuvent ensemble pas dépasser un montant de 3 millions d'euros.
Pour l'application de l'alinéa 2, le terme " groupe " s'entend d'un organisateur et de ses éventuelles sociétés mères ou de ses éventuelles filiales au sens de l'article 1:15 du Code des sociétés et des associations.
§ 5. L'Etat peut faire appel à la garantie à première demande visée au paragraphe 1er dès qu'un organisateur est en incapacité financière et n'est plus en mesure de rembourser son prêt.
§ 6. Un organisateur est considéré être en incapacité financière s'il demeure en défaut de procéder au paiement d'une annuité due au-delà d'un mois à compter de la date d'effet de la sommation de payer visée à l'article 13, paragraphe 1er, du Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales, adressée par l'administration du Service Public Fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances fiscales et non fiscales à laquelle le recouvrement du prêt a été confié conformément à l'article 25, alinéa 2.
§ 7. L'appel à la garantie à première demande visée au paragraphe 1er prend la forme de la sommation de payer, visée à l'article 13, paragraphe 2, du Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales, adressée à l'assureur auprès duquel l'organisateur a souscrit la protection d'assurance visée à l'article 3 de l'arrêté ministériel du 19 mars 2020.
Art. 27. § 1. Indien de Staat gebruik maakt van de garantie op eerste verzoek bedoeld in artikel 26, kan de verzekeraar die de garantie verstrekt, geen uitzondering, bezwaar of geschil opwerpen onder meer op grond van:
1° de onderliggende leningsovereenkomst;
2° de beëindiging van de leningsovereenkomst door de Staat overeenkomstig artikel 13;
3° elk geschil tussen de Staat en de in gebreke blijvende organisator; of
4° elke interpretatie van de Wet van 21 november 2017 betreffende de verkoop van pakketreizen, gekoppelde reisarrangementen en reisdiensten.
§ 2. Onverminderd paragraaf 1, kan een verzekeraar zich geheel of gedeeltelijk verzetten tegen het beroep op de in artikel 26 bedoelde garantie op eerste verzoek, indien deze verzekeraar aantoont dat hij de reizigers van de in gebreke blijvende organisator reeds geheel of gedeeltelijk heeft vergoed overeenkomstig artikel 3 van het ministerieel besluit van 19 maart 2020.
§ 3. De verzekeraar die overeenkomstig artikel 26 een lening heeft terugbetaald, wordt onmiddellijk gesubrogeerd ten belope van het terugbetaalde bedrag, in het geheel van rechten van de Staat ten opzichte van de in gebreke blijvende organisator.
§ 4. Onverminderd artikel 26, paragraaf 3, wanneer het totaal van de bedragen waarop beroep is gedaan bij een verzekeraar door een garantie op eerste verzoek van de Staat meer bedraagt dan 70 % van de totale waarde van de leningenportefeuille gegarandeerd door deze verzekeraar, dan garandeert deze verzekeraar niet meer dan een derde (1/3) van de door de Staat op eerste verzoek gevorderde bedragen, voor elk bedrag dat deze drempel van 70 % overschrijdt.
Wanneer bij toepassing van paragraaf 3 de verzekeraar de schuldvorderingen geheel of gedeeltelijk recupereert bij de in gebreke blijvende organisatoren, wordt het door de Staat geleden verlies zodanig herberekend dat het nooit meer bedraagt dan twee derde (2/3) van het totaal van de wanbetalingen dat de in het eerste lid bedoelde drempel van 70% overschrijdt. Daartoe zendt elke verzekeraar de Staat elk jaar, vanaf het tijdstip waarop de in het eerste lid bedoelde drempel van 70% wordt overschreden tot de definitieve afsluiting van de laatste invorderingsprocedure die nog loopt tegen een in gebreke blijvende organisator, een nauwkeurige afrekening van het geheel van de betaalde bedragen aan de Staat in het kader van de garanties op eerste verzoek bedoeld in artikel 26, alsook een afrekening van de bedragen die werden gerecupereerd in het kader van invorderingsprocedures tegen in gebreke blijvende organisatoren.
Deze afrekeningen maken het mogelijk om een actualisatie vast te stellen van de bedragen die door de verzekeraar verschuldigd zijn in het kader van het beroep op de garanties op eerste verzoek. Indien uit deze jaarlijkse actualisatie blijkt dat de bedragen betaald door de verzekeraar aan de Staat in het kader van de in artikel 26 bedoelde beroepen op garanties op eerste verzoek, lager zijn dan wat er normaal verschuldigd zou zijn aan de Staat, dan betaalt de verzekeraar het verschil. Omgekeerd, indien uit deze jaarlijkse actualisatie blijkt dat de bedragen betaald door de verzekeraar aan de Staat in het kader van de in artikel 26 bedoelde beroepen op de garanties op eerste verzoek, hoger zijn dan wat er normaal verschuldigd is aan de Staat, dan betaalt deze laatste de verzekeraar terug. Deze betalingen worden verricht in de maand die volgt op de vaststelling van de afrekeningen. Het bedrag van deze betalingen wordt vanaf de tweede afrekeningen verhoogd met een interest, die berekend wordt vanaf de datum van de afrekeningen van het voorgaande jaar tot de datum van de huidige afrekeningen, tegen de OLO 1 jaar rentevoet die is vastgesteld op de datum van de afrekeningen van het voorgaande jaar.
Voor de berekening van de in het eerste lid bedoelde drempel wordt de totale waarde van de portefeuille van door de verzekeraar gegarandeerde leningen berekend zonder rekening te houden met de in artikel 26, paragraaf 4 bedoelde limiet van 3 miljoen euro.
Onverminderd het eerste, tweede en derde lid, is de Minister van Financiën bevoegd om op elk moment, met elke verzekeraar een transactie af te sluiten met het oog op de vaststelling van een voorafgaande, finale en definitieve afrekening van de bedragen die voorwerp uitmaken van de in artikel 26 bedoelde garanties op eerste verzoek.
1° de onderliggende leningsovereenkomst;
2° de beëindiging van de leningsovereenkomst door de Staat overeenkomstig artikel 13;
3° elk geschil tussen de Staat en de in gebreke blijvende organisator; of
4° elke interpretatie van de Wet van 21 november 2017 betreffende de verkoop van pakketreizen, gekoppelde reisarrangementen en reisdiensten.
§ 2. Onverminderd paragraaf 1, kan een verzekeraar zich geheel of gedeeltelijk verzetten tegen het beroep op de in artikel 26 bedoelde garantie op eerste verzoek, indien deze verzekeraar aantoont dat hij de reizigers van de in gebreke blijvende organisator reeds geheel of gedeeltelijk heeft vergoed overeenkomstig artikel 3 van het ministerieel besluit van 19 maart 2020.
§ 3. De verzekeraar die overeenkomstig artikel 26 een lening heeft terugbetaald, wordt onmiddellijk gesubrogeerd ten belope van het terugbetaalde bedrag, in het geheel van rechten van de Staat ten opzichte van de in gebreke blijvende organisator.
§ 4. Onverminderd artikel 26, paragraaf 3, wanneer het totaal van de bedragen waarop beroep is gedaan bij een verzekeraar door een garantie op eerste verzoek van de Staat meer bedraagt dan 70 % van de totale waarde van de leningenportefeuille gegarandeerd door deze verzekeraar, dan garandeert deze verzekeraar niet meer dan een derde (1/3) van de door de Staat op eerste verzoek gevorderde bedragen, voor elk bedrag dat deze drempel van 70 % overschrijdt.
Wanneer bij toepassing van paragraaf 3 de verzekeraar de schuldvorderingen geheel of gedeeltelijk recupereert bij de in gebreke blijvende organisatoren, wordt het door de Staat geleden verlies zodanig herberekend dat het nooit meer bedraagt dan twee derde (2/3) van het totaal van de wanbetalingen dat de in het eerste lid bedoelde drempel van 70% overschrijdt. Daartoe zendt elke verzekeraar de Staat elk jaar, vanaf het tijdstip waarop de in het eerste lid bedoelde drempel van 70% wordt overschreden tot de definitieve afsluiting van de laatste invorderingsprocedure die nog loopt tegen een in gebreke blijvende organisator, een nauwkeurige afrekening van het geheel van de betaalde bedragen aan de Staat in het kader van de garanties op eerste verzoek bedoeld in artikel 26, alsook een afrekening van de bedragen die werden gerecupereerd in het kader van invorderingsprocedures tegen in gebreke blijvende organisatoren.
Deze afrekeningen maken het mogelijk om een actualisatie vast te stellen van de bedragen die door de verzekeraar verschuldigd zijn in het kader van het beroep op de garanties op eerste verzoek. Indien uit deze jaarlijkse actualisatie blijkt dat de bedragen betaald door de verzekeraar aan de Staat in het kader van de in artikel 26 bedoelde beroepen op garanties op eerste verzoek, lager zijn dan wat er normaal verschuldigd zou zijn aan de Staat, dan betaalt de verzekeraar het verschil. Omgekeerd, indien uit deze jaarlijkse actualisatie blijkt dat de bedragen betaald door de verzekeraar aan de Staat in het kader van de in artikel 26 bedoelde beroepen op de garanties op eerste verzoek, hoger zijn dan wat er normaal verschuldigd is aan de Staat, dan betaalt deze laatste de verzekeraar terug. Deze betalingen worden verricht in de maand die volgt op de vaststelling van de afrekeningen. Het bedrag van deze betalingen wordt vanaf de tweede afrekeningen verhoogd met een interest, die berekend wordt vanaf de datum van de afrekeningen van het voorgaande jaar tot de datum van de huidige afrekeningen, tegen de OLO 1 jaar rentevoet die is vastgesteld op de datum van de afrekeningen van het voorgaande jaar.
Voor de berekening van de in het eerste lid bedoelde drempel wordt de totale waarde van de portefeuille van door de verzekeraar gegarandeerde leningen berekend zonder rekening te houden met de in artikel 26, paragraaf 4 bedoelde limiet van 3 miljoen euro.
Onverminderd het eerste, tweede en derde lid, is de Minister van Financiën bevoegd om op elk moment, met elke verzekeraar een transactie af te sluiten met het oog op de vaststelling van een voorafgaande, finale en definitieve afrekening van de bedragen die voorwerp uitmaken van de in artikel 26 bedoelde garanties op eerste verzoek.
Art. 27. § 1er. Si l'Etat fait appel à la garantie à première demande visée à l'article 26, l'assureur qui fournit cette garantie ne peut soulever aucune exception, objection ou contestation basée entre autres sur:
1° la convention de prêt sous-jacente;
2° la résiliation de la convention de prêt par l'Etat conformément à l'article 13;
3° tout litige éventuel entre l'Etat et l'organisateur défaillant; ou
4° une quelconque interprétation de la loi du 21 novembre 2017 relative à la vente de voyages à forfait, de prestations de voyage liées et de services de voyage.
§ 2. Sans préjudice du paragraphe 1er, un assureur peut s'opposer, partiellement ou totalement, à l'appel à la garantie à première demande visée à l'article 26, si cet assureur démontre qu'il a déjà, partiellement ou totalement, indemnisé les voyageurs de l'organisateur défaillant conformément à l'article 3 de l'arrêté ministériel du 19 mars 2020.
§ 3. L'assureur qui a procédé au remboursement d'un prêt en application de l'article 26 est immédiatement subrogé, à concurrence du montant remboursé, dans l'intégralité des droits de l'Etat à l'encontre de l'organisateur défaillant.
§ 4. Sans préjudice de l'article 26, paragraphe 3, lorsque le total des montants appelés à première demande par l'Etat auprès d'un assureur dépasse 70 % de la valeur totale du portefeuille des prêts garantis par cet assureur, ce dernier ne garantit plus, pour tout montant dépassant ce seuil de 70 %, qu'un tiers (1/3) des montants réclamés par l'Etat à première demande.
Lorsqu'en application du paragraphe 3, l'assureur récupère tout ou partie des créances à l'encontre des organisateurs défaillants, la perte subie par l'Etat est recalculée de manière telle à ne jamais dépasser deux tiers (2/3) du total des défauts excédants le seuil de 70% visé à l'alinéa 1er. A cet effet, chaque année, à partir du moment où le seuil de 70% visé à l'alinéa 1er est dépassé et jusqu'à la clôture finale de la dernière procédure de recouvrement encore en cours contre un organisateur défaillant, chaque assureur transmet à l'Etat un décompte précis de l'ensemble des montants payés à l'Etat dans le cadre des garanties à première demande visées à l'article 26, ainsi qu'un décompte des montants récupérés dans le cadre des procédures de recouvrement contre les organisateurs défaillants.
Ces décomptes permettent d'établir une actualisation des montants dus par l'assureur dans le cadre des appels aux garanties à première demande. Si cette actualisation annuelle fait apparaître que les montants payés par l'assureur à l'Etat dans le cadre des appels aux garanties à première demande visées à l'article 26 sont inférieurs à ce qui serait normalement dû à l'Etat, l'assureur paye la différence. Inversement, si cette actualisation annuelle fait apparaître que les montants payés par l'assureur à l'Etat dans le cadre des garanties à première demande visées à l'article 26 sont supérieurs à ce qui est normalement dû à l'Etat, ce dernier rembourse l'assureur. Ces paiements interviennent dans le mois qui suit l'établissement des décomptes. Le montant de ces paiements est augmenté, dès les seconds décomptes, d'un intérêt calculé à partir de la date des décomptes de l'année antérieure jusqu'à la date des présents décomptes, au taux OLO 1 an fixé à la date des décomptes de l'année antérieure.
Pour le calcul du seuil visé à l'alinéa 1er, la valeur totale du portefeuille des prêts garantis par l'assureur s'entend sans prendre en compte la limite de 3 millions d'euros visée à l'article 26, paragraphe 4.
Sans préjudice des alinéas 1er, 2 et 3, le Ministre des Finances est habilité à conclure à tout moment une transaction avec chaque assureur afin d'établir un décompte anticipé, final et définitif des montants faisant l'objet des garanties à première demande visées à l'article 26.
1° la convention de prêt sous-jacente;
2° la résiliation de la convention de prêt par l'Etat conformément à l'article 13;
3° tout litige éventuel entre l'Etat et l'organisateur défaillant; ou
4° une quelconque interprétation de la loi du 21 novembre 2017 relative à la vente de voyages à forfait, de prestations de voyage liées et de services de voyage.
§ 2. Sans préjudice du paragraphe 1er, un assureur peut s'opposer, partiellement ou totalement, à l'appel à la garantie à première demande visée à l'article 26, si cet assureur démontre qu'il a déjà, partiellement ou totalement, indemnisé les voyageurs de l'organisateur défaillant conformément à l'article 3 de l'arrêté ministériel du 19 mars 2020.
§ 3. L'assureur qui a procédé au remboursement d'un prêt en application de l'article 26 est immédiatement subrogé, à concurrence du montant remboursé, dans l'intégralité des droits de l'Etat à l'encontre de l'organisateur défaillant.
§ 4. Sans préjudice de l'article 26, paragraphe 3, lorsque le total des montants appelés à première demande par l'Etat auprès d'un assureur dépasse 70 % de la valeur totale du portefeuille des prêts garantis par cet assureur, ce dernier ne garantit plus, pour tout montant dépassant ce seuil de 70 %, qu'un tiers (1/3) des montants réclamés par l'Etat à première demande.
Lorsqu'en application du paragraphe 3, l'assureur récupère tout ou partie des créances à l'encontre des organisateurs défaillants, la perte subie par l'Etat est recalculée de manière telle à ne jamais dépasser deux tiers (2/3) du total des défauts excédants le seuil de 70% visé à l'alinéa 1er. A cet effet, chaque année, à partir du moment où le seuil de 70% visé à l'alinéa 1er est dépassé et jusqu'à la clôture finale de la dernière procédure de recouvrement encore en cours contre un organisateur défaillant, chaque assureur transmet à l'Etat un décompte précis de l'ensemble des montants payés à l'Etat dans le cadre des garanties à première demande visées à l'article 26, ainsi qu'un décompte des montants récupérés dans le cadre des procédures de recouvrement contre les organisateurs défaillants.
Ces décomptes permettent d'établir une actualisation des montants dus par l'assureur dans le cadre des appels aux garanties à première demande. Si cette actualisation annuelle fait apparaître que les montants payés par l'assureur à l'Etat dans le cadre des appels aux garanties à première demande visées à l'article 26 sont inférieurs à ce qui serait normalement dû à l'Etat, l'assureur paye la différence. Inversement, si cette actualisation annuelle fait apparaître que les montants payés par l'assureur à l'Etat dans le cadre des garanties à première demande visées à l'article 26 sont supérieurs à ce qui est normalement dû à l'Etat, ce dernier rembourse l'assureur. Ces paiements interviennent dans le mois qui suit l'établissement des décomptes. Le montant de ces paiements est augmenté, dès les seconds décomptes, d'un intérêt calculé à partir de la date des décomptes de l'année antérieure jusqu'à la date des présents décomptes, au taux OLO 1 an fixé à la date des décomptes de l'année antérieure.
Pour le calcul du seuil visé à l'alinéa 1er, la valeur totale du portefeuille des prêts garantis par l'assureur s'entend sans prendre en compte la limite de 3 millions d'euros visée à l'article 26, paragraphe 4.
Sans préjudice des alinéas 1er, 2 et 3, le Ministre des Finances est habilité à conclure à tout moment une transaction avec chaque assureur afin d'établir un décompte anticipé, final et définitif des montants faisant l'objet des garanties à première demande visées à l'article 26.
HOOFDSTUK 8. - Bewaring van documenten en controles
CHAPITRE 8. - Conservation des documents et contrôles
Art. 28. § 1. De Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie bewaart gedurende de volledige terugbetalingstermijn van elke lening en 24 maanden daarna, de volgende documenten met betrekking tot elke lening:
1° de leningsovereenkomst;
2° de beslissing omtrent de lening;
3° de informatie en documenten voor de aanvraag van de lening;
4° de afrekening bedoeld in artikel 23; en
5° in het algemeen, alle briefwisseling en communicatie uitgewisseld met de organisator die de lening heeft verkregen.
§ 2. Onverminderd artikel 6 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen en artikel 3 van de domaniale wet van 22 december 1949, mag de Federale Overheidsdienst Financiën de persoonsgegevens opgenomen in de documenten overgemaakt overeenkomstig in artikel 20 en de afrekeningen bedoeld in artikel 23 niet langer bewaren dan de duur van de volledige terugbetaling van elke lening en 24 maanden daarna.
§ 3. De documenten bedoeld in paragrafen 1 en 2 kunnen door de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie en de Federale Overheidsdienst Financiën worden meegedeeld aan de ambtenaren bedoeld in artikel 33, paragraaf 1.
1° de leningsovereenkomst;
2° de beslissing omtrent de lening;
3° de informatie en documenten voor de aanvraag van de lening;
4° de afrekening bedoeld in artikel 23; en
5° in het algemeen, alle briefwisseling en communicatie uitgewisseld met de organisator die de lening heeft verkregen.
§ 2. Onverminderd artikel 6 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen en artikel 3 van de domaniale wet van 22 december 1949, mag de Federale Overheidsdienst Financiën de persoonsgegevens opgenomen in de documenten overgemaakt overeenkomstig in artikel 20 en de afrekeningen bedoeld in artikel 23 niet langer bewaren dan de duur van de volledige terugbetaling van elke lening en 24 maanden daarna.
§ 3. De documenten bedoeld in paragrafen 1 en 2 kunnen door de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie en de Federale Overheidsdienst Financiën worden meegedeeld aan de ambtenaren bedoeld in artikel 33, paragraaf 1.
Art. 28. § 1er. Le Service Public Fédéral Economie, P.M.E., Classes Moyennes et Energie conserve, pendant la durée de remboursement complet de chaque prêt et 24 mois au-delà, les documents suivants se rapportant à chaque prêt:
1° la convention de prêt;
2° la décision relative au prêt;
3° les informations et documents de demande de prêt;
4° le décompte visé à l'article 23; et
5° de manière générale, toute la correspondance et les communications échangées avec l'organisateur qui a bénéficié du prêt.
§ 2. Sans préjudice de l'article 6 du Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales et de l'article 3 de la loi domaniale du 22 décembre 1949, le Service Public Fédéral Finances ne peut conserver les données à caractère personnel figurant dans les documents transférés conformément à l'article 20 et dans le décompte visé à l'article 23 pendant une durée supérieure à la durée de remboursement complet de chaque prêt et 24 mois au-delà.
§ 3. Les documents visés aux paragraphes 1er et 2 peuvent être communiqués, par le Service Public Fédéral Economie, P.M.E., Classes Moyennes et Energie et le Service Public Fédéral Finances, aux agents visés à l'article 33, paragraphe 1er.
1° la convention de prêt;
2° la décision relative au prêt;
3° les informations et documents de demande de prêt;
4° le décompte visé à l'article 23; et
5° de manière générale, toute la correspondance et les communications échangées avec l'organisateur qui a bénéficié du prêt.
§ 2. Sans préjudice de l'article 6 du Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales et de l'article 3 de la loi domaniale du 22 décembre 1949, le Service Public Fédéral Finances ne peut conserver les données à caractère personnel figurant dans les documents transférés conformément à l'article 20 et dans le décompte visé à l'article 23 pendant une durée supérieure à la durée de remboursement complet de chaque prêt et 24 mois au-delà.
§ 3. Les documents visés aux paragraphes 1er et 2 peuvent être communiqués, par le Service Public Fédéral Economie, P.M.E., Classes Moyennes et Energie et le Service Public Fédéral Finances, aux agents visés à l'article 33, paragraphe 1er.
Art. 29. § 1. De organisator aan wie een lening werd verstrekt, heeft de verplichting om gedurende de volledige terugbetalingstermijn van de lening en tot 24 maanden daarna te bewaren:
1° de inlichtingen en documenten voor de aanvraag van de lening;
2° de documenten bedoeld in artikel 15, paragraaf 2:
3° de bewijsstukken;
4° een kopie van de in artikel 23 bedoelde afrekening; en
5° het bestand bedoeld in paragraaf 2.
§ 2. De organisator aan wie een lening werd toegekend, houdt permanent een bestand bij van alle in aanmerking komende tegoedbonnen die gedeeltelijk of volledig werden terugbetaald met deze lening. Dit bestand vermeldt, per in aanmerking komende tegoedbon, de volgende gegevens:
1° de totale waarde van de in aanmerking komende tegoedbon;
2° de titularis van de in aanmerking komende tegoedbon;
3° het bedrag dat werd terugbetaald op basis van de lening; en
4° de datum waarop de terugbetaling van de in aanmerking komende tegoedbon werd uitgevoerd.
Dit permanent bestand kan desgevallend geïntegreerd worden in het permanent bestand bedoeld in artikel 2 van het ministerieel besluit van 19 maart 2020.
§ 3. Teneinde de Staat toe te laten om de naleving van de toekenningsvoorwaarden en de informatie en documenten voor de aanvraag van de lening doeltreffend te controleren, de Staat toe te laten zich te verzekeren dat elke organisator zijn lening correct heeft aangewend voor de terugbetalingen van de tegoedbonnen overeenkomstig artikel 8, tweede lid, en in het algemeen om te verzekeren dat er geen fraude is, moet de organisator aan wie een lening werd verstrekt, op elk moment gedurende de volledige terugbetalingstermijn van de lening en tot 24 maanden daarna, de informatie en documenten voor de aanvraag van de lening, de afrekening bedoeld in artikel 23 alsook de bewijsstukken en de in paragraaf 2 en artikel 15, paragraaf 2 genoemde informatie daarvan kunnen overmaken:
1° aan de ambtenaren bedoeld in artikel 33, paragraaf 1; of
2° aan elke andere entiteit die specifiek door de Staat werd gemachtigd om een dergelijke controle uit te voeren.
1° de inlichtingen en documenten voor de aanvraag van de lening;
2° de documenten bedoeld in artikel 15, paragraaf 2:
3° de bewijsstukken;
4° een kopie van de in artikel 23 bedoelde afrekening; en
5° het bestand bedoeld in paragraaf 2.
§ 2. De organisator aan wie een lening werd toegekend, houdt permanent een bestand bij van alle in aanmerking komende tegoedbonnen die gedeeltelijk of volledig werden terugbetaald met deze lening. Dit bestand vermeldt, per in aanmerking komende tegoedbon, de volgende gegevens:
1° de totale waarde van de in aanmerking komende tegoedbon;
2° de titularis van de in aanmerking komende tegoedbon;
3° het bedrag dat werd terugbetaald op basis van de lening; en
4° de datum waarop de terugbetaling van de in aanmerking komende tegoedbon werd uitgevoerd.
Dit permanent bestand kan desgevallend geïntegreerd worden in het permanent bestand bedoeld in artikel 2 van het ministerieel besluit van 19 maart 2020.
§ 3. Teneinde de Staat toe te laten om de naleving van de toekenningsvoorwaarden en de informatie en documenten voor de aanvraag van de lening doeltreffend te controleren, de Staat toe te laten zich te verzekeren dat elke organisator zijn lening correct heeft aangewend voor de terugbetalingen van de tegoedbonnen overeenkomstig artikel 8, tweede lid, en in het algemeen om te verzekeren dat er geen fraude is, moet de organisator aan wie een lening werd verstrekt, op elk moment gedurende de volledige terugbetalingstermijn van de lening en tot 24 maanden daarna, de informatie en documenten voor de aanvraag van de lening, de afrekening bedoeld in artikel 23 alsook de bewijsstukken en de in paragraaf 2 en artikel 15, paragraaf 2 genoemde informatie daarvan kunnen overmaken:
1° aan de ambtenaren bedoeld in artikel 33, paragraaf 1; of
2° aan elke andere entiteit die specifiek door de Staat werd gemachtigd om een dergelijke controle uit te voeren.
Art. 29. § 1er. L'organisateur à qui un prêt a été octroyé a l'obligation de conserver, pendant la durée de remboursement complet de ce prêt et 24 mois au-delà:
1° les informations et documents de demande de prêt;
2° les documents visés à l'article 15, paragraphe 2;
3° les documents probants;
4° une copie du décompte visé à l'article 23; et
5° le registre mentionné au paragraphe 2.
§ 2. L'organisateur à qui un prêt a été octroyé tient un registre permanent de tous les bons à valoir éligibles qui ont été partiellement ou entièrement remboursés avec ce prêt. Ce registre contient, pour chaque bon à valoir éligible, les informations suivantes:
1° la valeur totale du bon à valoir éligible;
2° le titulaire du bon à valoir éligible;
3° le montant qui a été remboursé grâce au prêt; et
4° la date à laquelle le remboursement du bon à valoir éligible a été effectué.
Le cas échéant, ce registre permanent peut être intégré au registre permanent visé à l'article 2 de l'arrêté ministériel du 19 mars 2020.
§ 3. Afin de permettre à l'Etat de contrôler efficacement le respect des conditions d'éligibilité et des informations et documents de demande de prêt, de permettre à l'Etat de s'assurer que chaque organisateur a bien affecté son prêt aux remboursements de bons à valoir conformément à l'article 8, alinéa 2, et de manière générale de veiller à l'absence de fraude, l'organisateur à qui un prêt a été octroyé doit, à tout moment pendant la durée de remboursement complet de ce prêt et 24 mois au-delà, être en mesure de présenter les informations et documents de demande de prêt ainsi que les documents probants, le décompte visé à l'article 23 et les informations énumérées au paragraphe 2 ainsi qu'à l'article 15, paragraphe 2:
1° aux agents visés à l'article 33, paragraphe 1er; ou
2° à toute autre entité qui aura été spécialement mandatée par l'état pour effectuer ce contrôle.
1° les informations et documents de demande de prêt;
2° les documents visés à l'article 15, paragraphe 2;
3° les documents probants;
4° une copie du décompte visé à l'article 23; et
5° le registre mentionné au paragraphe 2.
§ 2. L'organisateur à qui un prêt a été octroyé tient un registre permanent de tous les bons à valoir éligibles qui ont été partiellement ou entièrement remboursés avec ce prêt. Ce registre contient, pour chaque bon à valoir éligible, les informations suivantes:
1° la valeur totale du bon à valoir éligible;
2° le titulaire du bon à valoir éligible;
3° le montant qui a été remboursé grâce au prêt; et
4° la date à laquelle le remboursement du bon à valoir éligible a été effectué.
Le cas échéant, ce registre permanent peut être intégré au registre permanent visé à l'article 2 de l'arrêté ministériel du 19 mars 2020.
§ 3. Afin de permettre à l'Etat de contrôler efficacement le respect des conditions d'éligibilité et des informations et documents de demande de prêt, de permettre à l'Etat de s'assurer que chaque organisateur a bien affecté son prêt aux remboursements de bons à valoir conformément à l'article 8, alinéa 2, et de manière générale de veiller à l'absence de fraude, l'organisateur à qui un prêt a été octroyé doit, à tout moment pendant la durée de remboursement complet de ce prêt et 24 mois au-delà, être en mesure de présenter les informations et documents de demande de prêt ainsi que les documents probants, le décompte visé à l'article 23 et les informations énumérées au paragraphe 2 ainsi qu'à l'article 15, paragraphe 2:
1° aux agents visés à l'article 33, paragraphe 1er; ou
2° à toute autre entité qui aura été spécialement mandatée par l'état pour effectuer ce contrôle.
HOOFDSTUK 9. - Opsporing en vaststelling van inbreuken en toepasselijke sancties
CHAPITRE 9. - Recherche et constatation des infractions et sanctions applicables
Art. 30. De bestuurders van een organisator die het geleende bedrag hebben aangewend voor een ander doeleinde dan voorzien in artikel 8, tweede lid, worden persoonlijk, en hoofdelijk met de organisator, aansprakelijk gesteld ten aanzien van de Staat voor de terugbetaling van de lening.
Art. 30. Les administrateurs d'un organisateur qui a affecté le montant prêté à d'autres fins que celle prévue à l'article 8, alinéa 2, sont tenus personnellement, et solidairement avec l'organisateur, responsables du remboursement du prêt à l'égard de l'Etat.
Art. 31. De organisator die het geleende bedrag voor een ander doeleinde dan het in artikel 8, tweede lid, voorziene doel heeft aangewend, alsook de bestuurders van deze organisator worden gestraft met een gevangenisstraf van één maand tot vijf jaar en een strafrechtelijke geldboete of een administratieve geldboete van zesentwintig euro tot vijfhonderd euro.
De vervolging van de inbreuk bedoeld in het eerste lid gebeurt overeenkomstig titel 1/1 van Boek XV van het Wetboek van economisch recht.
De administratieve geldboete bedoeld in het eerste lid wordt opgelegd overeenkomstig de procedure voorzien in titel 1/2 van Boek XV van het Wetboek van economisch recht.
De inbreuk bedoeld in het eerste lid kan ook het voorwerp uitmaken van een transactieprocedure als bedoeld in artikel XV.61 van het Wetboek van economisch recht.
De opdeciemen bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de wet van 5 maart 1952 betreffende de opdeciemen op de strafrechtelijke geldboeten zijn eveneens van toepassing op de administratieve geldboetes bedoeld in het eerste lid.
De sancties voorzien in het eerste tot het vijfde lid kunnen eveneens worden opgelegd aan de organisatoren die weigeren om zich te onderwerpen aan de controles die de Staat overeenkomstig artikel 8, tweede lid, uitvoert om het correcte gebruik van de leningen na te gaan.
De sancties voorzien in het eerste tot het zesde lid kunnen eveneens worden opgelegd aan organisatoren die hun activiteiten als natuurlijke personen uitoefenen.
De vervolging van de inbreuk bedoeld in het eerste lid gebeurt overeenkomstig titel 1/1 van Boek XV van het Wetboek van economisch recht.
De administratieve geldboete bedoeld in het eerste lid wordt opgelegd overeenkomstig de procedure voorzien in titel 1/2 van Boek XV van het Wetboek van economisch recht.
De inbreuk bedoeld in het eerste lid kan ook het voorwerp uitmaken van een transactieprocedure als bedoeld in artikel XV.61 van het Wetboek van economisch recht.
De opdeciemen bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de wet van 5 maart 1952 betreffende de opdeciemen op de strafrechtelijke geldboeten zijn eveneens van toepassing op de administratieve geldboetes bedoeld in het eerste lid.
De sancties voorzien in het eerste tot het vijfde lid kunnen eveneens worden opgelegd aan de organisatoren die weigeren om zich te onderwerpen aan de controles die de Staat overeenkomstig artikel 8, tweede lid, uitvoert om het correcte gebruik van de leningen na te gaan.
De sancties voorzien in het eerste tot het zesde lid kunnen eveneens worden opgelegd aan organisatoren die hun activiteiten als natuurlijke personen uitoefenen.
Art. 31. L'organisateur qui a affecté le montant prêté à d'autres fins que celle prévue à l'article 8, alinéa 2, ainsi que les administrateurs de cet organisateur seront punis d'un emprisonnement d'un mois à cinq ans et d'une amende pénale ou d'une amende administrative de vingt-six euros à cinq cents euros.
La poursuite de l'infraction visée à l'alinéa 1er se déroule conformément au titre 1/1 du Livre XV du Code de droit économique.
L'amende administrative visée à l'alinéa 1er est prise en application de la procédure prévue au titre 1/2 du Livre XV du Code de droit économique.
L'infraction visée à l'alinéa 1er peut également faire l'objet d'une procédure de transaction telle que visée à l'article XV.61 du Code de droit économique.
Les majorations visées à l'article 1er, premier alinéa, de la loi du 5 mars 1952 relative aux décimes additionnels sur les amendes pénales sont également applicables aux amendes administratives visées à l'alinéa1er.
Les sanctions prévues aux alinéas 1er à 5 peuvent également être imposées aux organisateurs qui refusent de se plier aux contrôles effectués par l'Etat en vue de vérifier la bonne affectation des prêts conformément à l'article 8, alinéa 2.
Les sanctions prévues aux alinéas 1er à 6 peuvent également être imposées aux organisateurs qui exercent leurs activités en qualité de personnes physiques.
La poursuite de l'infraction visée à l'alinéa 1er se déroule conformément au titre 1/1 du Livre XV du Code de droit économique.
L'amende administrative visée à l'alinéa 1er est prise en application de la procédure prévue au titre 1/2 du Livre XV du Code de droit économique.
L'infraction visée à l'alinéa 1er peut également faire l'objet d'une procédure de transaction telle que visée à l'article XV.61 du Code de droit économique.
Les majorations visées à l'article 1er, premier alinéa, de la loi du 5 mars 1952 relative aux décimes additionnels sur les amendes pénales sont également applicables aux amendes administratives visées à l'alinéa1er.
Les sanctions prévues aux alinéas 1er à 5 peuvent également être imposées aux organisateurs qui refusent de se plier aux contrôles effectués par l'Etat en vue de vérifier la bonne affectation des prêts conformément à l'article 8, alinéa 2.
Les sanctions prévues aux alinéas 1er à 6 peuvent également être imposées aux organisateurs qui exercent leurs activités en qualité de personnes physiques.
Art. 32. Boek 1 van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en artikel 85, is van toepassing op de in artikel 31 bedoelde inbreuk.
Art. 32. Le livre 1er du Code pénal, en ce compris le chapitre VII et de l'article 85, est d'application à l'infraction visée à l'article 31.
Art. 33. § 1. Onverminderd de bevoegdheden van de politieambtenaren, zijn de ambtenaren van de Algemene Directie Economische Inspectie van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie bevoegd om de inbreuken op de bepalingen van deze titel op te sporen en vast te stellen en om de controles uit te voeren bedoeld in artikel 29, paragraaf 3.
§ 2. De processen-verbaal opgesteld door de ambtenaren bedoeld in paragraaf 1 hebben bewijskracht tot bewijs van het tegendeel.
Een afschrift van het proces-verbaal wordt binnen dertig dagen na de vaststelling van de inbreuk aan de overtreder overgemaakt, op de wijze voorzien in artikel XV.2, paragraaf 2, van het Wetboek van economisch recht.
§ 3. Een afschrift van het proces-verbaal wordt overgemaakt aan de Minister van Economie of zijn afgevaardigde die bevoegd zijn voor de formaliteiten bedoeld in artikel 13.
§ 4. De opsporing en vaststelling van inbreuken door de in paragraaf 1 bedoelde ambtenaren gebeurt overeenkomstig de bepalingen van boek XV, titel 1, hoofdstuk 1 van het Wetboek van economisch recht.
§ 5. Indien een inbreuk bedoeld in artikel 31 werd vastgesteld, wordt het proces-verbaal overgemaakt aan de Directeur-generaal van de Algemene Directie Economische Inspectie van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie om te bepalen of een transactie kan worden voorgesteld overeenkomstig paragraaf 7 dan wel of een strafrechtelijke of administratieve vervolging kan worden ingeleid.
§ 6. Indien de Directeur-generaal van de Algemene Directie Economische Inspectie van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie van oordeel is dat een strafvervolging moet worden ingesteld, verzendt hij het in paragraaf 2 bedoelde proces-verbaal aan het openbaar ministerie.
§ 7. Wanneer inbreuken op de bepalingen van deze titel worden vastgesteld, kan de Directeur-generaal van de Algemene Directie Economische Inspectie van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie aan de overtreders een transactie voorstellen overeenkomstig artikel XV.61 van het Wetboek van economisch recht.
§ 8. Het bedrag van de transactie bedoeld in paragraaf 7 mag niet hoger zijn dan het maximumbedrag van de strafrechtelijke geldboete die wegens de vastgestelde inbreuk kan worden opgelegd, verhoogd met de opdeciemen.
§ 9. De betalings- en inningswijzen van de in paragraaf 7 bedoelde transactie zijn deze bedoeld in het koninklijk besluit van 10 april 2014 betreffende de transactie bij inbreuken op de bepalingen van het Wetboek van economisch recht en zijn uitvoeringsbesluiten.
§ 2. De processen-verbaal opgesteld door de ambtenaren bedoeld in paragraaf 1 hebben bewijskracht tot bewijs van het tegendeel.
Een afschrift van het proces-verbaal wordt binnen dertig dagen na de vaststelling van de inbreuk aan de overtreder overgemaakt, op de wijze voorzien in artikel XV.2, paragraaf 2, van het Wetboek van economisch recht.
§ 3. Een afschrift van het proces-verbaal wordt overgemaakt aan de Minister van Economie of zijn afgevaardigde die bevoegd zijn voor de formaliteiten bedoeld in artikel 13.
§ 4. De opsporing en vaststelling van inbreuken door de in paragraaf 1 bedoelde ambtenaren gebeurt overeenkomstig de bepalingen van boek XV, titel 1, hoofdstuk 1 van het Wetboek van economisch recht.
§ 5. Indien een inbreuk bedoeld in artikel 31 werd vastgesteld, wordt het proces-verbaal overgemaakt aan de Directeur-generaal van de Algemene Directie Economische Inspectie van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie om te bepalen of een transactie kan worden voorgesteld overeenkomstig paragraaf 7 dan wel of een strafrechtelijke of administratieve vervolging kan worden ingeleid.
§ 6. Indien de Directeur-generaal van de Algemene Directie Economische Inspectie van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie van oordeel is dat een strafvervolging moet worden ingesteld, verzendt hij het in paragraaf 2 bedoelde proces-verbaal aan het openbaar ministerie.
§ 7. Wanneer inbreuken op de bepalingen van deze titel worden vastgesteld, kan de Directeur-generaal van de Algemene Directie Economische Inspectie van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie aan de overtreders een transactie voorstellen overeenkomstig artikel XV.61 van het Wetboek van economisch recht.
§ 8. Het bedrag van de transactie bedoeld in paragraaf 7 mag niet hoger zijn dan het maximumbedrag van de strafrechtelijke geldboete die wegens de vastgestelde inbreuk kan worden opgelegd, verhoogd met de opdeciemen.
§ 9. De betalings- en inningswijzen van de in paragraaf 7 bedoelde transactie zijn deze bedoeld in het koninklijk besluit van 10 april 2014 betreffende de transactie bij inbreuken op de bepalingen van het Wetboek van economisch recht en zijn uitvoeringsbesluiten.
Art. 33. § 1er. Sans préjudice des compétences des fonctionnaires de police, les agents de la Direction générale de l'Inspection économique du Service Public Fédéral Economie, P.M.E., Classes moyennes et Energie sont compétents pour rechercher et constater les infractions aux dispositions du présent titre et effectuer les contrôles visés à l'article 29, paragraphe 3.
§ 2. Les procès-verbaux établis par les agents visés au paragraphe 1er font foi jusqu'à preuve du contraire.
Une copie du procès-verbal est envoyée dans les trente jours suivant la constatation de l'infraction au contrevenant, de la manière prévue à l'article XV.2, paragraphe 2, du Code de droit économique.
§ 3. Une copie du procès-verbal est adressée au Ministre de l'Economie ou son délégué qui sont chargés des formalités visées à l'article 13.
§ 4. La recherche et la constatation des infractions par les agents visés au paragraphe 1er se font conformément aux dispositions du livre XV, titre 1er, chapitre 1er, du Code de droit économique.
§ 5. Si une infraction visée à l'article 31 a été constatée, le procès-verbal est adressé au Directeur-général de la Direction générale de l'Inspection économique du Service Public Fédéral Economie, P.M.E., Classes Moyennes et Energie afin de déterminer si une transaction peut être proposée conformément au paragraphe 7 ou si des poursuites pénales ou administratives peuvent être engagées.
§ 6. Si le Directeur-général de la Direction générale de l'Inspection économique du Service Public Fédéral Economie, P.M.E., Classes Moyennes et Energie considère que des poursuites pénales doivent être engagées, il adresse le procès-verbal visé au paragraphe 2 au ministère public.
§ 7. Lorsque des infractions aux dispositions du présent titre sont constatées, le Directeur-général de la Direction générale de l'Inspection économique du Service Public Fédéral Economie, P.M.E., Classes Moyennes et Energie peut proposer une transaction aux contrevenants conformément à l'article XV.61 du Code de droit économique.
§ 8. Le montant de la transaction visée au paragraphe 7 ne peut être supérieur au montant maximum de l'amende pénale pouvant être infligée pour l'infraction constatée, majorée des décimes additionnels.
§ 9. Les modalités de paiement et de perception de la transaction visée au paragraphe 7 sont celles visées à l'arrêté royal du 10 avril 2014 relatif au règlement transactionnel des infractions aux dispositions du Code de droit économique et de ses arrêtés d'exécution.
§ 2. Les procès-verbaux établis par les agents visés au paragraphe 1er font foi jusqu'à preuve du contraire.
Une copie du procès-verbal est envoyée dans les trente jours suivant la constatation de l'infraction au contrevenant, de la manière prévue à l'article XV.2, paragraphe 2, du Code de droit économique.
§ 3. Une copie du procès-verbal est adressée au Ministre de l'Economie ou son délégué qui sont chargés des formalités visées à l'article 13.
§ 4. La recherche et la constatation des infractions par les agents visés au paragraphe 1er se font conformément aux dispositions du livre XV, titre 1er, chapitre 1er, du Code de droit économique.
§ 5. Si une infraction visée à l'article 31 a été constatée, le procès-verbal est adressé au Directeur-général de la Direction générale de l'Inspection économique du Service Public Fédéral Economie, P.M.E., Classes Moyennes et Energie afin de déterminer si une transaction peut être proposée conformément au paragraphe 7 ou si des poursuites pénales ou administratives peuvent être engagées.
§ 6. Si le Directeur-général de la Direction générale de l'Inspection économique du Service Public Fédéral Economie, P.M.E., Classes Moyennes et Energie considère que des poursuites pénales doivent être engagées, il adresse le procès-verbal visé au paragraphe 2 au ministère public.
§ 7. Lorsque des infractions aux dispositions du présent titre sont constatées, le Directeur-général de la Direction générale de l'Inspection économique du Service Public Fédéral Economie, P.M.E., Classes Moyennes et Energie peut proposer une transaction aux contrevenants conformément à l'article XV.61 du Code de droit économique.
§ 8. Le montant de la transaction visée au paragraphe 7 ne peut être supérieur au montant maximum de l'amende pénale pouvant être infligée pour l'infraction constatée, majorée des décimes additionnels.
§ 9. Les modalités de paiement et de perception de la transaction visée au paragraphe 7 sont celles visées à l'arrêté royal du 10 avril 2014 relatif au règlement transactionnel des infractions aux dispositions du Code de droit économique et de ses arrêtés d'exécution.
Art. 34. Het openbaar ministerie stelt de bevoegde ambtenaren bedoeld in artikel XV.60/4 van het Wetboek van economisch recht in kennis van zijn beslissing om al dan niet een strafvervolging in te stellen, of al dan niet een minnelijke schikking bedoeld in artikel 216bis van het Wetboek van strafvordering of een bemiddeling in strafzaken bedoeld in artikel 216ter van hetzelfde Wetboek voor te stellen.
Wanneer het openbaar ministerie ervan afziet een strafvervolging in te stellen, of een minnelijke schikking bedoeld in artikel 216bis van het Wetboek van strafvordering of een bemiddeling in strafzaken bedoeld in artikel 216ter van hetzelfde Wetboek voor te stellen, of wanneer het openbaar ministerie geen beslissing heeft genomen binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de dag van ontvangst van het proces-verbaal waarin de inbreuk werd vastgelegd, beslissen de bevoegde ambtenaren bedoeld in artikel XV.60/4 van het Wetboek van economisch recht of de procedure inzake een administratieve geldboete moet worden opgestart.
Indien het openbaar ministerie ervan afziet een strafvervolging in te stellen, of een minnelijke schikking bedoeld in artikel 216bis van het Wetboek van strafvordering of een bemiddeling in strafzaken bedoeld bij artikel 216ter van hetzelfde Wetboek voor te stellen, bezorgt het een afschrift van de procedurestukken van de aanvullende onderzoeksdaden aan de bevoegde ambtenaren bedoeld in artikel XV.60/4 van het Wetboek van economisch recht.
Wanneer het openbaar ministerie ervan afziet een strafvervolging in te stellen, of een minnelijke schikking bedoeld in artikel 216bis van het Wetboek van strafvordering of een bemiddeling in strafzaken bedoeld in artikel 216ter van hetzelfde Wetboek voor te stellen, of wanneer het openbaar ministerie geen beslissing heeft genomen binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de dag van ontvangst van het proces-verbaal waarin de inbreuk werd vastgelegd, beslissen de bevoegde ambtenaren bedoeld in artikel XV.60/4 van het Wetboek van economisch recht of de procedure inzake een administratieve geldboete moet worden opgestart.
Indien het openbaar ministerie ervan afziet een strafvervolging in te stellen, of een minnelijke schikking bedoeld in artikel 216bis van het Wetboek van strafvordering of een bemiddeling in strafzaken bedoeld bij artikel 216ter van hetzelfde Wetboek voor te stellen, bezorgt het een afschrift van de procedurestukken van de aanvullende onderzoeksdaden aan de bevoegde ambtenaren bedoeld in artikel XV.60/4 van het Wetboek van economisch recht.
Art. 34. Le ministère public notifie aux agents compétents visés à l'article XV.60/4 du Code de droit économique sa décision d'intenter ou non des poursuites pénales ou de proposer ou non une transaction visée à l'article 216bis du Code d'instruction criminelle ou une médiation pénale visée à l'article 216ter du même Code.
Lorsque le ministère public renonce à intenter des poursuites pénales ou à proposer une transaction visée à l'article 216bis du Code d'instruction criminelle ou une médiation pénale visée à l'article 216ter du même Code, ou si le ministère public n'a pas pris de décision dans un délai de trois mois à compter du jour de la réception du procès-verbal consignant l'infraction, les agents compétents visés à l'article XV.60/4 du Code de droit économique décident s'il y a lieu d'entamer la procédure d'amende administrative.
Si le ministère public renonce à intenter des poursuites pénales ou à proposer une transaction visée à l'article 216bis du Code d'instruction criminelle ou une médiation pénale visée à l'article 216ter du même Code, il envoie une copie des pièces de procédure des actes d'enquête complémentaires aux agents compétents visés à l'article XV.60/4 du Code de droit économique.
Lorsque le ministère public renonce à intenter des poursuites pénales ou à proposer une transaction visée à l'article 216bis du Code d'instruction criminelle ou une médiation pénale visée à l'article 216ter du même Code, ou si le ministère public n'a pas pris de décision dans un délai de trois mois à compter du jour de la réception du procès-verbal consignant l'infraction, les agents compétents visés à l'article XV.60/4 du Code de droit économique décident s'il y a lieu d'entamer la procédure d'amende administrative.
Si le ministère public renonce à intenter des poursuites pénales ou à proposer une transaction visée à l'article 216bis du Code d'instruction criminelle ou une médiation pénale visée à l'article 216ter du même Code, il envoie une copie des pièces de procédure des actes d'enquête complémentaires aux agents compétents visés à l'article XV.60/4 du Code de droit économique.
HOOFDSTUK 10. - Verwerkingen van persoonsgegevens en elektronische ondertekening
CHAPITRE 10. - Traitements des données à caractère personnel et signature électronique
Art. 35. [1 Teneinde de Federale Overheidsdienst Financiën en de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie in staat te stellen om hun verplichtingen uit hoofde van de bepalingen van deze titel na te leven, en in het bijzonder om hen in staat te stellen de organisatoren die als natuurlijke personen optreden, alsmede de natuurlijke persoon-bestuurders van organisatoren die als rechtspersoon optreden, op geldige wijze te identificeren, kunnen de Federale Overheidsdienst Financiën en de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie gebruik maken van het rijksregisternummer of, voor buitenlanders, hun equivalente officiële identificatienummer.]1
Art. 35. [1 Afin de permettre au Service Public Fédéral Finances et au Service Public Fédéral Economie, P.M.E., Classes Moyennes et Energie de respecter leurs obligations en vertu des dispositions du présent titre et notamment afin qu'ils puissent valablement identifier les organisateurs exerçant leurs activités en qualité de personne physique ainsi que les administrateurs personnes physiques des organisateurs exerçant en qualité de personne morale, le Service Public Fédéral Finances et le Service Public Fédéral Economie, P.M.E., Classes Moyennes et Energie peuvent utiliser le numéro d'identification au registre national et, pour les étrangers, leurs numéros d'identification équivalents.]1
Änderungen
Art. 36. § 1. Elke organisator is de verwerkingsverantwoordelijke voor persoonsgegevens die hij uitvoert met het oog op de naleving van verordening (EU) 2016/679, de wet van 30 juli 2018 en de artikelen 15,17, 22, 23 en 29.
§ 2. Elke organisator informeert, op een duurzame drager, zijn bestuurders, de reizigers alsook de natuurlijke personen van wie de gegevens moeten worden meegedeeld overeenkomstig artikel 15, § 1, 1° en 6° over:
1° het feit dat hij, overeenkomstig de artikelen 17 en 23, enkele van hun persoonsgegevens meedeelt aan de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie;
2° het feit dat deze overdracht van persoonsgegevens gebeurt opdat deze organisator een lening zou kunnen verkrijgen die hem toelaat over te gaan tot de terugbetalingen van de tegoedbonnen die ten voordele van de reizigers aan wie hij tegoedbonnen heeft toegekend, werden uitgegeven;
3° de contactgegevens van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie die overeenkomstig artikel 16, 4° worden meegedeeld;
4° het feit dat de Staat zich toegang kan verschaffen tot die persoonsgegevens in het kader van controles door de in artikel 33, paragraaf 1 bedoelde ambtenaren;
5° hun rechten overeenkomstig de artikelen 12 tot 22 en 34 van verordening (EU) 2016/679; en
6° het feit dat deze persoonsgegevens worden bewaard gedurende de periode bedoeld in de artikelen 28, paragraaf 1, en 29, paragraaf 1.
§ 2. Elke organisator informeert, op een duurzame drager, zijn bestuurders, de reizigers alsook de natuurlijke personen van wie de gegevens moeten worden meegedeeld overeenkomstig artikel 15, § 1, 1° en 6° over:
1° het feit dat hij, overeenkomstig de artikelen 17 en 23, enkele van hun persoonsgegevens meedeelt aan de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie;
2° het feit dat deze overdracht van persoonsgegevens gebeurt opdat deze organisator een lening zou kunnen verkrijgen die hem toelaat over te gaan tot de terugbetalingen van de tegoedbonnen die ten voordele van de reizigers aan wie hij tegoedbonnen heeft toegekend, werden uitgegeven;
3° de contactgegevens van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie die overeenkomstig artikel 16, 4° worden meegedeeld;
4° het feit dat de Staat zich toegang kan verschaffen tot die persoonsgegevens in het kader van controles door de in artikel 33, paragraaf 1 bedoelde ambtenaren;
5° hun rechten overeenkomstig de artikelen 12 tot 22 en 34 van verordening (EU) 2016/679; en
6° het feit dat deze persoonsgegevens worden bewaard gedurende de periode bedoeld in de artikelen 28, paragraaf 1, en 29, paragraaf 1.
Art. 36. § 1er. Chaque organisateur est responsable du traitement des données à caractère personnel qu'il effectue aux fins de se conformer au règlement (UE) 2016/679, à la loi du 30 juillet 2018 et aux articles 15, 17, 22, 23 et 29.
§ 2. Chaque organisateur informe, sur un support durable, ses administrateurs, les voyageurs ainsi que les personnes physiques dont les données doivent être communiquées conformément à l'article 15, § 1er, 1° et 6° :
1° du fait qu'il communique, conformément aux articles 17 et 23, certaines de leurs données à caractère personnel au Service Public Fédéral Economie, P.M.E., Classes Moyennes et Energie;
2° du fait que ce transfert de données à caractère personnel est réalisé afin que cet organisateur puisse obtenir un prêt lui permettant de procéder aux remboursements des bons à valoir émis au bénéfice des voyageurs à qui il a octroyé des bons à valoir;
3° des coordonnées du Service Public Fédéral Economie, P.M.E., Classes Moyennes et Energie transmises conformément à l'article 16, 4° ;
4° du fait que l'Etat peut être en mesure d'accéder à ces données à caractère personnel dans le cadre des contrôles opérés par les agents visés à l'article 33, paragraphe 1er;
5° de leurs droits conformément aux articles 12 à 22 et 34 du règlement (UE) 2016/679; et
6° du fait que ces données à caractère personnel sont conservées pendant la période visée aux articles 28, paragraphe 1er, et 29, paragraphe 1er.
§ 2. Chaque organisateur informe, sur un support durable, ses administrateurs, les voyageurs ainsi que les personnes physiques dont les données doivent être communiquées conformément à l'article 15, § 1er, 1° et 6° :
1° du fait qu'il communique, conformément aux articles 17 et 23, certaines de leurs données à caractère personnel au Service Public Fédéral Economie, P.M.E., Classes Moyennes et Energie;
2° du fait que ce transfert de données à caractère personnel est réalisé afin que cet organisateur puisse obtenir un prêt lui permettant de procéder aux remboursements des bons à valoir émis au bénéfice des voyageurs à qui il a octroyé des bons à valoir;
3° des coordonnées du Service Public Fédéral Economie, P.M.E., Classes Moyennes et Energie transmises conformément à l'article 16, 4° ;
4° du fait que l'Etat peut être en mesure d'accéder à ces données à caractère personnel dans le cadre des contrôles opérés par les agents visés à l'article 33, paragraphe 1er;
5° de leurs droits conformément aux articles 12 à 22 et 34 du règlement (UE) 2016/679; et
6° du fait que ces données à caractère personnel sont conservées pendant la période visée aux articles 28, paragraphe 1er, et 29, paragraphe 1er.
Art. 37. De Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie, vertegenwoordigd door de voorzitter van het Directiecomité, is de verwerkingsverantwoordelijke in de zin van verordening (EU) 2016/679 en de wet van 30 juli 2018 voor het verzamelen, overdragen, verwerken en opslaan, voor de doeleinden in de artikelen 17, 18, 19, 20, 23 en 31, van persoonsgegevens met betrekking tot organisatoren die hun activiteiten als natuurlijke personen uitoefenen alsook de persoonsgegevens van de bestuurders van de organisatoren evenals van de natuurlijke personen wiens gegevens noodzakelijk zijn om de tabel in elektronische vorm bedoeld in artikel 20 in te vullen en van de persoonsgegevens betreffende de reizigers.
De in het eerste lid bedoelde persoonsgegevens zijn het rijksregisternummer verzameld overeenkomstig artikel 35 alsook de persoonsgegevens die nodig zijn om de tabel in elektronisch formaat bedoeld in artikel 20 in te vullen, de gegevens die noodzakelijk zijn voor het opstellen van de afrekening bedoeld in artikel 23 en de gegevens die moeten worden meegedeeld in de vorm van informatie en documenten voor de aanvraag van een lening en die nodig zijn voor de leningsovereenkomsten af te sluiten en over te gaan tot de opvolging en de invordering van de leningen.
Het verzamelen, verwerken en opslaan van de in het eerste lid bedoelde persoonsgegevens geschiedt overeenkomstig de bepalingen van verordening (EU) 2016/679 en met inachtneming van de uitoefening, door de organisator die zijn activiteiten als natuurlijke persoon uitoefent alsook door de bestuurders van de organisatoren, door de natuurlijke personen wiens gegevens noodzakelijk zijn om de tabel in elektronische vorm bedoeld in artikel 20 in te vullen en door de reizigers, van de rechten bedoeld in de artikelen 12 tot 22 en 34 van verordening (EU) 2016/679.
De in het eerste lid bedoelde persoonsgegevens mogen niet langer worden bewaard dan 24 maanden na de periode van volledige terugbetaling van de lening toegekend aan de organisator die zijn activiteiten als natuurlijke persoon uitoefent.
De in het eerste lid bedoelde persoonsgegevens zijn het rijksregisternummer verzameld overeenkomstig artikel 35 alsook de persoonsgegevens die nodig zijn om de tabel in elektronisch formaat bedoeld in artikel 20 in te vullen, de gegevens die noodzakelijk zijn voor het opstellen van de afrekening bedoeld in artikel 23 en de gegevens die moeten worden meegedeeld in de vorm van informatie en documenten voor de aanvraag van een lening en die nodig zijn voor de leningsovereenkomsten af te sluiten en over te gaan tot de opvolging en de invordering van de leningen.
Het verzamelen, verwerken en opslaan van de in het eerste lid bedoelde persoonsgegevens geschiedt overeenkomstig de bepalingen van verordening (EU) 2016/679 en met inachtneming van de uitoefening, door de organisator die zijn activiteiten als natuurlijke persoon uitoefent alsook door de bestuurders van de organisatoren, door de natuurlijke personen wiens gegevens noodzakelijk zijn om de tabel in elektronische vorm bedoeld in artikel 20 in te vullen en door de reizigers, van de rechten bedoeld in de artikelen 12 tot 22 en 34 van verordening (EU) 2016/679.
De in het eerste lid bedoelde persoonsgegevens mogen niet langer worden bewaard dan 24 maanden na de periode van volledige terugbetaling van de lening toegekend aan de organisator die zijn activiteiten als natuurlijke persoon uitoefent.
Art. 37. Le Service Public Fédéral Economie, P.M.E., Classes Moyennes et Energie, représenté par le président du Comité de direction, est le responsable du traitement au sens du règlement (UE) 2016/679 et de la loi du 30 juillet 2018 pour la collecte, le transfert, le traitement et la conservation, aux fins des articles 17, 18, 19, 20, 23 et 31, des données à caractère personnel relatives aux organisateurs exerçant leurs activités en qualité de personne physique ainsi que celles relatives aux administrateurs des organisateurs ainsi que celles relatives aux personnes physiques dont les données sont nécessaires pour compléter le tableau sous format électronique visé à l'article 20 et celles relatives aux voyageurs.
Les données à caractère personnel visées à l'alinéa 1er sont le numéro d'identification au registre national collecté conformément à l'article 35 ainsi que les données à caractère personnel nécessaires pour compléter le tableau sous format électronique visé à l'article 20, celles qui sont nécessaires pour établir le décompte visé à l'article 23 et celles qui doivent être communiquées en tant qu'informations et documents de demande de prêt et qui sont nécessaires pour conclure les conventions de prêt et pour procéder au suivi et au recouvrement des prêts.
La collecte, le traitement et la conservation des données à caractère personnel visées à l'alinéa 1er sont effectués conformément aux dispositions du règlement (UE) 2016/679 et à l'exercice, par l'organisateur exerçant ses activités en qualité de personne physique ainsi que par les administrateurs des organisateurs, par les personnes physiques dont les données sont nécessaires pour compléter le tableau sous format électronique visé à l'article 20 et par les voyageurs, des droits visés aux articles 12 à 22 et 34 de ce règlement (UE) 2016/679.
Les données à caractère personnel visées à l'alinéa 1er ne peuvent être conservées plus de 24 mois au-delà de la durée de remboursement complet du prêt octroyé à l'organisateur exerçant ses activités en qualité de personne physique.
Les données à caractère personnel visées à l'alinéa 1er sont le numéro d'identification au registre national collecté conformément à l'article 35 ainsi que les données à caractère personnel nécessaires pour compléter le tableau sous format électronique visé à l'article 20, celles qui sont nécessaires pour établir le décompte visé à l'article 23 et celles qui doivent être communiquées en tant qu'informations et documents de demande de prêt et qui sont nécessaires pour conclure les conventions de prêt et pour procéder au suivi et au recouvrement des prêts.
La collecte, le traitement et la conservation des données à caractère personnel visées à l'alinéa 1er sont effectués conformément aux dispositions du règlement (UE) 2016/679 et à l'exercice, par l'organisateur exerçant ses activités en qualité de personne physique ainsi que par les administrateurs des organisateurs, par les personnes physiques dont les données sont nécessaires pour compléter le tableau sous format électronique visé à l'article 20 et par les voyageurs, des droits visés aux articles 12 à 22 et 34 de ce règlement (UE) 2016/679.
Les données à caractère personnel visées à l'alinéa 1er ne peuvent être conservées plus de 24 mois au-delà de la durée de remboursement complet du prêt octroyé à l'organisateur exerçant ses activités en qualité de personne physique.
Art. 38. De Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de voorzitter van het Directiecomité, is de verwerkingsverantwoordelijke voor de overeenkomstig artikelen 20 en 23 verstrekte persoonsgegevens met het oog op het vervullen van de in artikelen 21, 24, tweede lid, en 25, eerste lid, bedoelde formaliteiten.
Art. 38. Le Service Public Fédéral Finances, représenté par le président du Comité de direction, est le responsable du traitement des données à caractère personnel transmises, conformément aux articles 20 et 23, afin de procéder aux formalités visées aux articles 21, 24, alinéa 2 et 25, alinéa 1er.
Art. 39. De Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie, vertegenwoordigd door de voorzitter van het directiecomité, is de verwerkingsverantwoordelijke van persoonsgegevens:
1° in het kader van de controles en vervolgingen uitgevoerd door de ambtenaren bedoeld in artikel 33, paragraaf 1; en
2° in het kader van de toepassing van artikel 33, paragraaf 3, met het oog op de implementatie van artikel 13.
1° in het kader van de controles en vervolgingen uitgevoerd door de ambtenaren bedoeld in artikel 33, paragraaf 1; en
2° in het kader van de toepassing van artikel 33, paragraaf 3, met het oog op de implementatie van artikel 13.
Art. 39. Le Service Public Fédéral Economie, P.M.E., Classes Moyennes et Energie, représenté par le présidente du comité de direction, est le responsable du traitement des données à caractère personnel effectués:
1° dans le cadre des contrôles et des poursuites opérés par les agents visés à l'article 33, paragraphe 1er; et
2° dans le cadre de l'application de l'article 33, paragraphe 3, aux fins de mettre en oeuvre l'article 13.
1° dans le cadre des contrôles et des poursuites opérés par les agents visés à l'article 33, paragraphe 1er; et
2° dans le cadre de l'application de l'article 33, paragraphe 3, aux fins de mettre en oeuvre l'article 13.
Art. 40. De leningsovereenkomsten en, in het algemeen, alle contractuele documenten die nodig zijn voor de uitvoering van de bepalingen van deze titel, kunnen elektronisch worden afgesloten overeenkomstig artikel XII.15 van het Wetboek van economisch recht. Daartoe mag alleen een gekwalificeerde elektronische handtekening, in de zin van Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG, gebruikt worden.
Art. 40. Les conventions de prêt et, de manière générale, l'ensemble des documents contractuels nécessaires a l'exécution des dispositions du présent titre, peuvent être conclus par voie électronique conformément a l'article xii.15 du Code de droit économique. à cet effet, seule une signature électronique qualifiée au sens du Règlement (UE) n° 910/2014 du Parlement européen et du Conseil du 23 juillet 2014 sur l'identification électronique et les services de confiance pour les transactions électroniques au sein du marché intérieur et abrogeant la directive 1999/93/CE, peut être utilisée.
HOOFDSTUK 11. - Protocollen
CHAPITRE 11. - Protocoles
Art. 41. De Federale Overheidsdienst Financiën en de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie sluiten één of meerdere protocollen teneinde een efficiënte en gecoördineerde uitwisseling van informatie te verzekeren in het kader van de totstandkoming van de leningen, de betaling ervan, de opvolging en de invordering ervan en, indien nodig, om controles te waarborgen en het opleggen van sancties mogelijk te maken.
Art. 41. Le Service Public Fédéral Finances et le Service Public Fédéral Economie, P.M.E., Classes Moyennes et Energie concluent un ou plusieurs protocoles en vue d'assurer un échange efficace et coordonné des informations dans le cadre de la mise en place des prêts, de leur paiement, de leur suivi et de leur recouvrement et, le cas échéant, pour assurer des contrôles et permettre l'établissement des sanctions.
HOOFDSTUK 12. - Slotbepalingen
CHAPITRE 12. - Dispositions finales
Art. 42. De bepalingen van deze titel treden in werking de dag waarop ze in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt.
[1 Evenwel hebben de bepalingen van deze titel uitwerking met ingang van 22 november 2021.]1
[1 Evenwel hebben de bepalingen van deze titel uitwerking met ingang van 22 november 2021.]1
Art. 42. Les dispositions du présent titre entrent en vigueur le jour de leur publication au Moniteur belge.
[1 Toutefois, les dispositions du présent titre produisent leurs effets à partir du 22 novembre 2021.]1
[1 Toutefois, les dispositions du présent titre produisent leurs effets à partir du 22 novembre 2021.]1
Änderungen
Art. 43. De Minister van Economie, de Minister van Financiën en de Staatssecretaris voor Begroting en Consumentenbescherming zijn, ieder voor wat hen betreft, belast met de uitvoering van de bepalingen van deze titel.
Art. 43. Le Ministre de l'Economie, le Ministre des Finances et la Secrétaire d'Etat au Budget et à la Protection des consommateurs sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l'exécution des dispositions du présent titre.
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 26-11-2021, p. 114679)
Art. N. (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 26-11-2021, p. 114679)