Artikel 1. Aan artikel I 2 van het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2020, wordt een punt 34° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"34° integratieprotocol: een document met afspraken over maatregelen die de tewerkstelling van een personeelslid met een handicap of chronische ziekte ondersteunen.".
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
16 JULI 2021. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006, wat betreft de geldelijke maatregelen en andere bepalingen
Titre
16 JUILLET 2021. - Arrêté du Gouvernement flamand modifiant le statut du personnel flamand du 13 janvier 2006, en ce qui concerne les mesures pécuniaires et d'autres dispositions
Dokumentinformationen
Info du document
Tekst (23)
Texte (23)
Article 1er. A l'article I 2 du statut du personnel flamand du 13 janvier 2006, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 novembre 2020, il est ajouté un point 34°, ainsi rédigé :
" 34° protocole d'intégration : un document contenant des accords sur des mesures soutenant la mise à l'emploi d'un membre du personnel souffrant d'un handicap ou d'une maladie chronique. ".
" 34° protocole d'intégration : un document contenant des accords sur des mesures soutenant la mise à l'emploi d'un membre du personnel souffrant d'un handicap ou d'une maladie chronique. ".
Art. 2. In artikel I 9, § 1, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het tweede lid wordt vervangen door wat volgt:
"In afwijking van het eerste lid heeft de raad van beroep in de volgende gevallen een beslissende bevoegdheid:
1° als de raad van beroep met eenparigheid van stemmen besluit tot de gegrondheid of ongegrondheid van de bestreden beslissing;
2° als de raad van beroep met eenparigheid van stemmen, aansluitend op een eenparige beslissing over de ongegrondheid, een eventuele andere passende maatregel oplegt;
3° als de raad van beroep bij meerderheid besluit tot de onontvankelijkheid van het beroep.";
2° er wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Als de raad van beroep conform het tweede lid, 3°, beslist tot de onontvankelijkheid, dan is de aangevochten beslissing hierdoor definitief geworden vanaf de dag na het verstrijken van de termijn voor instelling van het beroep".
1° het tweede lid wordt vervangen door wat volgt:
"In afwijking van het eerste lid heeft de raad van beroep in de volgende gevallen een beslissende bevoegdheid:
1° als de raad van beroep met eenparigheid van stemmen besluit tot de gegrondheid of ongegrondheid van de bestreden beslissing;
2° als de raad van beroep met eenparigheid van stemmen, aansluitend op een eenparige beslissing over de ongegrondheid, een eventuele andere passende maatregel oplegt;
3° als de raad van beroep bij meerderheid besluit tot de onontvankelijkheid van het beroep.";
2° er wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Als de raad van beroep conform het tweede lid, 3°, beslist tot de onontvankelijkheid, dan is de aangevochten beslissing hierdoor definitief geworden vanaf de dag na het verstrijken van de termijn voor instelling van het beroep".
Art. 2. A l'article I 9, § 1er, du même arrêté, sont apportées les modifications suivantes :
1° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
" Par dérogation à l'alinéa 1er, la chambre de recours a une compétence de décision dans les cas suivants :
1° si la chambre de recours décide à l'unanimité des voix que la décision sujette à recours est bien fondée ou non ;
2° si, à la suite d'une décision unanime sur le caractère non-fondé, la chambre de recours impose à l'unanimité des voix une autre mesure appropriée ;
3° si la chambre de recours décide à la majorité que le recours est irrecevable. " ;
2° il est ajouté un alinéa 3, rédigé comme suit :
" Si la chambre de recours statue sur l'irrecevabilité conformément à l'alinéa 2, 3°, la décision contestée devient ainsi définitive à compter du jour suivant l'expiration du délai d'introduction du recours ".
1° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
" Par dérogation à l'alinéa 1er, la chambre de recours a une compétence de décision dans les cas suivants :
1° si la chambre de recours décide à l'unanimité des voix que la décision sujette à recours est bien fondée ou non ;
2° si, à la suite d'une décision unanime sur le caractère non-fondé, la chambre de recours impose à l'unanimité des voix une autre mesure appropriée ;
3° si la chambre de recours décide à la majorité que le recours est irrecevable. " ;
2° il est ajouté un alinéa 3, rédigé comme suit :
" Si la chambre de recours statue sur l'irrecevabilité conformément à l'alinéa 2, 3°, la décision contestée devient ainsi définitive à compter du jour suivant l'expiration du délai d'introduction du recours ".
Art. 3. Aan artikel VI 26, § 1, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016, wordt de volgende zin toegevoegd:
"De adviseur met salarisschaal A218, A251 of A252 die overgeplaatst wordt naar de graad van adviseur, behoudt salarisschaal A218, A251 of A252.".
"De adviseur met salarisschaal A218, A251 of A252 die overgeplaatst wordt naar de graad van adviseur, behoudt salarisschaal A218, A251 of A252.".
Art. 3. A l'article VI 26, § 1er, alinéa 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mars 2007 et remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juin 2016, la phrase suivante est ajoutée :
" Le conseiller ayant l'échelle de traitement A218, A251 ou A252, qui est transféré au grade de conseiller, conserve l'échelle de traitement A218, A251 ou A252. ".
" Le conseiller ayant l'échelle de traitement A218, A251 ou A252, qui est transféré au grade de conseiller, conserve l'échelle de traitement A218, A251 ou A252. ".
Art. 4. In deel VI, titel 7, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 11 september 2020, wordt hoofdstuk 1, dat bestaat uit artikel VI 68 tot en met VI 73, opgeheven.
Art. 4. Dans la partie VI, titre 7, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mars 2007 et modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 septembre 2020, le chapitre 1er, comprenant les articles VI 68 à VI 73, est abrogé.
Art. 5. Aan deel VI, titel 9 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007, 23 mei 2008, 29 mei 2009 en 24 juni 2016, wordt een hoofdstuk 5, dat bestaat uit artikel VI 118ter, toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Hoofdstuk 5. Bijzondere bepalingen met betrekking tot de regeling van de rechtspositie van het personeel van de Vlaamse Informatie- en screeningsdienst op de lokale geloofsgemeenschappen
Art. VI. 118ter. Alleen de personen die beschikken over een veiligheidsmachtiging van het niveau "GEHEIM" uitgereikt door de Nationale Veiligheidsoverheid die niet ouder is dan vijf jaar, zoals bedoeld in de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen, hebben toegang tot een functie bij de Vlaamse Informatie-en screeningsdienst op de lokale geloofsgemeenschappen.".
"Hoofdstuk 5. Bijzondere bepalingen met betrekking tot de regeling van de rechtspositie van het personeel van de Vlaamse Informatie- en screeningsdienst op de lokale geloofsgemeenschappen
Art. VI. 118ter. Alleen de personen die beschikken over een veiligheidsmachtiging van het niveau "GEHEIM" uitgereikt door de Nationale Veiligheidsoverheid die niet ouder is dan vijf jaar, zoals bedoeld in de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen, hebben toegang tot een functie bij de Vlaamse Informatie-en screeningsdienst op de lokale geloofsgemeenschappen.".
Art. 5. A la partie VI, titre 9, du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 16 mars 2007, 23 mai 2008, 29 mai 2009 et 24 juin 2016, il est ajouté un chapitre 5, comprenant l'article VI 118ter, rédigé comme suit :
" Chapitre 5. Dispositions particulières concernant le règlement du statut du personnel du " Vlaamse Informatie- en screeningsdienst op de lokale geloofsgemeenschappen " (Service flamand de collecte d'informations sur les communautés religieuses locales et de screening de celles-ci)
Art. VI. 118ter. Seules les personnes disposant d'une habilitation de sécurité du niveau " SECRET ", délivrée par l'Autorité nationale de sécurité ne datant pas de plus de cinq ans, telle que visée à la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification et aux habilitations, attestations et avis de sécurité, ont accès à une fonction auprès du " Vlaamse Informatie- en screeningsdienst op de lokale geloofsgemeenschappen ". ".
" Chapitre 5. Dispositions particulières concernant le règlement du statut du personnel du " Vlaamse Informatie- en screeningsdienst op de lokale geloofsgemeenschappen " (Service flamand de collecte d'informations sur les communautés religieuses locales et de screening de celles-ci)
Art. VI. 118ter. Seules les personnes disposant d'une habilitation de sécurité du niveau " SECRET ", délivrée par l'Autorité nationale de sécurité ne datant pas de plus de cinq ans, telle que visée à la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification et aux habilitations, attestations et avis de sécurité, ont accès à une fonction auprès du " Vlaamse Informatie- en screeningsdienst op de lokale geloofsgemeenschappen ". ".
Art. 6. Artikel VI 123 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009 en 19 maart 2021, wordt opgeheven.
Art. 6. L'article VI 123 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mars 2007 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 29 mai 2009 et 19 mars 2021, est abrogé.
Art. 7. Artikel VI 124 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009 en 21 februari 2014, wordt opgeheven.
Art. 7. L'article VI 124 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mars 2007 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 29 mai 2009 et 21 février 2014, est abrogé.
Art. 8. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 december 2020 wordt een artikel VI 171 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. VI 171. Voor de ambtenaren die houder zijn van een IT-mandaat op datum van 31 juli 2021, blijft de regeling gelden die op hen van toepassing was op 31 juli 2021.".
"Art. VI 171. Voor de ambtenaren die houder zijn van een IT-mandaat op datum van 31 juli 2021, blijft de regeling gelden die op hen van toepassing was op 31 juli 2021.".
Art. 8. Dans le même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 décembre 2020, il est inséré un article VI 171, ainsi rédigé :
" Art. VI 171. Les fonctionnaires titulaires d'un mandat TI au 31 juillet 2021 restent soumis à la réglementation qui leur était applicable au 31 juillet 2021. ".
" Art. VI 171. Les fonctionnaires titulaires d'un mandat TI au 31 juillet 2021 restent soumis à la réglementation qui leur était applicable au 31 juillet 2021. ".
Art. 9. In artikel VII 20, § 2, 1°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009, wordt de zinsnede "zoals bedoeld in artikel VII 6 § 2" vervangen door de zinsnede ", vermeld in artikel VII 6, § 2, § 2bis, § 2ter en § 3.".
Art. 9. Dans l'article VII 20, § 2, 1°, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mars 2007 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 mai 2009, le membre de phrase " tel que visé à l'article VII 6 § 2 " est remplacé par le membre de phrase " , visé à l'article VII 6, § 2, § 2bis, § 2ter et § 3. ".
Art. 10. Aan deel VII, titel 2, hoofdstuk 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 september 2019, wordt een afdeling 13, die bestaat uit artikel VII 44quater, toegevoegd, die luidt als volgt:
"Afdeling 13. Vervangende toelage maaltijdcheques
Art. VII. 44quater. Een personeelslid ontvangt de volgende toelage per maaltijdcheque, die niet binnen de door de RSZ-reglementering voorgeschreven termijn is toegekend:
"Afdeling 13. Vervangende toelage maaltijdcheques
Art. VII. 44quater. Een personeelslid ontvangt de volgende toelage per maaltijdcheque, die niet binnen de door de RSZ-reglementering voorgeschreven termijn is toegekend:
Art. 10. A la partie VII, titre 2, chapitre 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mars 2007 et modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 septembre 2019, il est ajouté une section 13, comprenant l'article VII 44quater, rédigé comme suit :
" Section 13. Allocation de remplacement chèques-repas
Art. VII. 44quater. Un membre du personnel reçoit l'allocation suivante par chèque-repas qui n'a pas été accordée dans le délai prescrit par la réglementation ONSS :
" Section 13. Allocation de remplacement chèques-repas
Art. VII. 44quater. Un membre du personnel reçoit l'allocation suivante par chèque-repas qui n'a pas été accordée dans le délai prescrit par la réglementation ONSS :
| nominale waarde maaltijdcheque | statutairen | contractuelen | vakantiewerkers |
| 7 euro | 10,82 euro | 12,01 euro | 6,07 euro |
| 4 euro | 5,33 euro | 5,91 euro | - |
".
| valeur nominale chèque-repas | statutaires | contractuels | travailleurs de vacances |
| 7 euros | 10,82 euros | 12,01 euros | 6,07 euros |
| 4 euros | 5,33 euros | 5,91 euros | - |
".
Art. 11. In artikel VII 70ter van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 september 2008 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009 en 22 september 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:
"De toelage, vermeld in het eerste lid, wordt voor de personeelsleden die na 1 januari 2008 in dienst zijn getreden, niet toegekend tijdens de proeftijd, behalve in de volgende gevallen:
1° de proeftijd sluit aan op een contractuele tewerkstelling in dezelfde functie;
2° het personeelslid heeft het opleidingstraject met goed gevolg doorlopen en wordt operationeel ingezet.";
2° in paragraaf 3 worden tussen het woord "de" en het woord "nautisch" de woorden "verkeersleiders en de" ingevoegd.
1° in paragraaf 1 wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:
"De toelage, vermeld in het eerste lid, wordt voor de personeelsleden die na 1 januari 2008 in dienst zijn getreden, niet toegekend tijdens de proeftijd, behalve in de volgende gevallen:
1° de proeftijd sluit aan op een contractuele tewerkstelling in dezelfde functie;
2° het personeelslid heeft het opleidingstraject met goed gevolg doorlopen en wordt operationeel ingezet.";
2° in paragraaf 3 worden tussen het woord "de" en het woord "nautisch" de woorden "verkeersleiders en de" ingevoegd.
Art. 11. A l'article VII 70ter du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 septembre 2008 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 29 mai 2009 et 22 septembre 2017, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans le paragraphe 1er, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
" L'allocation, visée à l'alinéa 1er, n'est pas accordée pendant la période d'essai aux membres du personnel qui sont entrés en service après le 1er janvier 2008, sauf dans les cas suivants :
1° la période d'essai s'aligne à un emploi contractuel dans la même fonction ;
2° le membre du personnel a accompli le parcours de formation avec succès et est engagé au niveau opérationnel. " ;
2° dans le paragraphe 3, les mots " et les contrôleurs du trafic " sont insérés entre le mot " trafic " et le mot " nautiques ".
1° dans le paragraphe 1er, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
" L'allocation, visée à l'alinéa 1er, n'est pas accordée pendant la période d'essai aux membres du personnel qui sont entrés en service après le 1er janvier 2008, sauf dans les cas suivants :
1° la période d'essai s'aligne à un emploi contractuel dans la même fonction ;
2° le membre du personnel a accompli le parcours de formation avec succès et est engagé au niveau opérationnel. " ;
2° dans le paragraphe 3, les mots " et les contrôleurs du trafic " sont insérés entre le mot " trafic " et le mot " nautiques ".
Art. 12. In artikel VII 84, § 1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 januari 2017, wordt het tweede lid opgeheven.
Art. 12. Dans l'article VII 84, § 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 janvier 2017, l'alinéa 2 est abrogé.
Art. 13. In artikel VII 91 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 april 2021, wordt een 14° punt toegevoegd dat luidt als volgt :
"14° een tegemoetkoming in de kosten voor kinderopvang.".
"14° een tegemoetkoming in de kosten voor kinderopvang.".
Art. 13. A l'article VII 91 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mars 2007, et remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 30 avril 2021, il est ajouté un point 14°, rédigé comme suit :
" 14° intervention dans les frais de garde d'enfants. ".
" 14° intervention dans les frais de garde d'enfants. ".
Art. 14. Artikel VII 92 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009, 27 januari 2017 en 20 april 2018, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. VII 92. § 1. Bij het overlijden van een personeelslid wordt een vergoeding uitgekeerd aan de natuurlijke persoon die bewijst dat hij de begrafeniskosten van de overledene heeft gedragen. Als verschillende natuurlijke personen die kosten hebben gedragen, wordt de vergoeding evenredig aan hun bijdrage verdeeld.
Bij het overlijden van de volgende personen wordt de vergoeding voor begrafeniskosten, vermeld in het eerste lid, niet uitgekeerd:
1° het personeelslid met een arbeidsovereenkomst voor studenten;
2° het personeelslid van Sport Vlaanderen met een arbeidsovereenkomst voor occasioneel personeel (AOP);
3° de occasionele lesgever van de VDAB, vermeld in artikel 1, 10°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2014 houdende de agentschapspecifieke regeling van de rechtspositie van het personeel van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding.
§ 2. De vergoeding stemt overeen met de werkelijke kosten, maar wordt beperkt tot een twaalfde van het bedrag, vermeld in artikel 39 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971.".
"Art. VII 92. § 1. Bij het overlijden van een personeelslid wordt een vergoeding uitgekeerd aan de natuurlijke persoon die bewijst dat hij de begrafeniskosten van de overledene heeft gedragen. Als verschillende natuurlijke personen die kosten hebben gedragen, wordt de vergoeding evenredig aan hun bijdrage verdeeld.
Bij het overlijden van de volgende personen wordt de vergoeding voor begrafeniskosten, vermeld in het eerste lid, niet uitgekeerd:
1° het personeelslid met een arbeidsovereenkomst voor studenten;
2° het personeelslid van Sport Vlaanderen met een arbeidsovereenkomst voor occasioneel personeel (AOP);
3° de occasionele lesgever van de VDAB, vermeld in artikel 1, 10°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2014 houdende de agentschapspecifieke regeling van de rechtspositie van het personeel van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding.
§ 2. De vergoeding stemt overeen met de werkelijke kosten, maar wordt beperkt tot een twaalfde van het bedrag, vermeld in artikel 39 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971.".
Art. 14. L'article VII 92 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mars 2007 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 29 mai 2009, 27 janvier 2017 et 20 avril 2018, est remplacé par ce qui suit :
" Art. VII 92. § 1er. En cas de décès d'un membre du personnel, une indemnité est versée à la personne physique qui prouve avoir pris en charge les frais funéraires de la personne décédée. Si plusieurs personnes physiques ont supporté ces frais, l'indemnité est répartie proportionnellement à leur contribution.
En cas de décès des personnes suivantes, l'indemnité pour frais funéraires visée à l'alinéa 1er n'est pas versée :
1° le membre du personnel ayant un contrat de travail pour étudiants ;
2° le membre du personnel de " Sport Vlaanderen " (Sport Flandre) ayant un contrat de travail pour personnel occasionnel (CPO) ;
3° l'enseignant occasionnel du VDAB (Office flamand de l'Emploi et de la Formation professionnelle), visé à l'article 1er, 10°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 mai 2014 portant règlement spécifique à l'agence du statut du personnel du " Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding ".
§ 2. L'indemnité est équivalente aux frais réels mais est limitée à un douzième du montant visé à l'article 39 de la loi sur les accidents du travail du 10 avril 1971. ".
" Art. VII 92. § 1er. En cas de décès d'un membre du personnel, une indemnité est versée à la personne physique qui prouve avoir pris en charge les frais funéraires de la personne décédée. Si plusieurs personnes physiques ont supporté ces frais, l'indemnité est répartie proportionnellement à leur contribution.
En cas de décès des personnes suivantes, l'indemnité pour frais funéraires visée à l'alinéa 1er n'est pas versée :
1° le membre du personnel ayant un contrat de travail pour étudiants ;
2° le membre du personnel de " Sport Vlaanderen " (Sport Flandre) ayant un contrat de travail pour personnel occasionnel (CPO) ;
3° l'enseignant occasionnel du VDAB (Office flamand de l'Emploi et de la Formation professionnelle), visé à l'article 1er, 10°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 mai 2014 portant règlement spécifique à l'agence du statut du personnel du " Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding ".
§ 2. L'indemnité est équivalente aux frais réels mais est limitée à un douzième du montant visé à l'article 39 de la loi sur les accidents du travail du 10 avril 1971. ".
Art. 15. Artikel VII 93 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007, wordt opgeheven.
Art. 15. L'article VII 93 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mars 2007, est abrogé.
Art. 16. In artikel VII 94 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007, wordt de zinsnede "In afwijking van artikel VII 92, § 3, kan de bevoegde Vlaamse minister of zijn gemachtigde," vervangen door de woorden "De Vlaamse minister bevoegd voor bestuurszaken of zijn gemachtigde kan".
Art. 16. Dans l'article VII 94 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mars 2007, le membre de phrase " le Ministre flamand ou son délégué peut décider, dans des cas exceptionnels, par dérogation à l'article VII 92, § 3, " est remplacé par les mots " le Ministre flamand compétent pour la Gouvernance publique ou son délégué peut décider, dans des cas exceptionnels, ".
Art. 17. In artikel VII 102 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 september 2019 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
" § 1. Het personeelslid dat de verplaatsing van en naar de vaste tewerkstellingsplaats geheel of gedeeltelijk met de fiets of de speedpedelec aflegt, ontvangt een maandelijkse fietsvergoeding op basis van het aantal dagen dat hij de verplaatsing naar de vaste tewerkstellingsplaats effectief aflegt.";
2° paragraaf 4 en 5 worden vervangen door wat volgt:
" § 4. Het personeelslid dat op ten minste 80% van het aantal dagen dat hij zich verplaatst naar de vaste tewerkstellingsplaats, het traject geheel of gedeeltelijk met de fiets of de speedpedelec aflegt, heeft voor datzelfde traject geen recht op een tegemoetkoming in de kosten van het openbaar vervoer als vermeld in artikel VII 95.
§ 5. Het personeelslid dat minder dan 80% van het aantal dagen dat hij zich verplaatst naar de vaste tewerkstellingsplaats, het traject geheel of gedeeltelijk met de fiets of de speedpedelec aflegt, heeft ook recht op een tegemoetkoming in de kosten van het openbaar vervoer als vermeld in artikel VII 95.".
1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
" § 1. Het personeelslid dat de verplaatsing van en naar de vaste tewerkstellingsplaats geheel of gedeeltelijk met de fiets of de speedpedelec aflegt, ontvangt een maandelijkse fietsvergoeding op basis van het aantal dagen dat hij de verplaatsing naar de vaste tewerkstellingsplaats effectief aflegt.";
2° paragraaf 4 en 5 worden vervangen door wat volgt:
" § 4. Het personeelslid dat op ten minste 80% van het aantal dagen dat hij zich verplaatst naar de vaste tewerkstellingsplaats, het traject geheel of gedeeltelijk met de fiets of de speedpedelec aflegt, heeft voor datzelfde traject geen recht op een tegemoetkoming in de kosten van het openbaar vervoer als vermeld in artikel VII 95.
§ 5. Het personeelslid dat minder dan 80% van het aantal dagen dat hij zich verplaatst naar de vaste tewerkstellingsplaats, het traject geheel of gedeeltelijk met de fiets of de speedpedelec aflegt, heeft ook recht op een tegemoetkoming in de kosten van het openbaar vervoer als vermeld in artikel VII 95.".
Art. 17. A l'article VII 102 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mars 2007, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 septembre 2019 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 novembre 2020, sont apportées les modifications suivantes :
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Le membre du personnel effectuant en tout ou en partie le déplacement de et vers le lieu de travail permanent à vélo ou au speed pedelec, reçoit une indemnité vélo mensuelle sur la base du nombre de jours qu'il effectue effectivement le déplacement vers le lieu de travail permanent. " ;
2° les paragraphes 4 et 5 sont remplacés par ce qui suit :
" § 4. Le membre du personnel qui effectue en tout ou en partie le trajet à vélo ou au speed pedelec pendant au moins 80% du nombre de jours qu'il se rend vers le lieu de travail permanent, n'a pas droit, pour ce même trajet, à une intervention dans les frais de transport en commun telle que visée à l'article VII 95.
§ 5. Le membre du personnel qui effectue en tout ou en partie le trajet à vélo ou au speed pedelec pendant moins de 80% du nombre de jours qu'il se rend vers le lieu de travail permanent, a également droit à une intervention dans les frais de transport en commun telle que visée à l'article VII 95. ".
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Le membre du personnel effectuant en tout ou en partie le déplacement de et vers le lieu de travail permanent à vélo ou au speed pedelec, reçoit une indemnité vélo mensuelle sur la base du nombre de jours qu'il effectue effectivement le déplacement vers le lieu de travail permanent. " ;
2° les paragraphes 4 et 5 sont remplacés par ce qui suit :
" § 4. Le membre du personnel qui effectue en tout ou en partie le trajet à vélo ou au speed pedelec pendant au moins 80% du nombre de jours qu'il se rend vers le lieu de travail permanent, n'a pas droit, pour ce même trajet, à une intervention dans les frais de transport en commun telle que visée à l'article VII 95.
§ 5. Le membre du personnel qui effectue en tout ou en partie le trajet à vélo ou au speed pedelec pendant moins de 80% du nombre de jours qu'il se rend vers le lieu de travail permanent, a également droit à une intervention dans les frais de transport en commun telle que visée à l'article VII 95. ".
Art. 18. In artikel X 10 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 september 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° aan het vierde lid wordt een punt 7° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"7° het onbetaalde verlof wegens een prestatie als militair van het reservekader bij de krijgsmacht.";
2° het vijfde lid wordt vervangen door wat volgt:
"In afwijking van het derde lid wordt het jaarlijkse vakantieverlof van de ambtenaar niet evenredig verminderd in geval van:
1° pleegzorg;
2° pleegouderverlof;
3° het geboorteverlof waarin de ambtenaar geen recht heeft op een volledig salaris;
4° het onbetaald verlof wegens een prestatie als militair van het reservekader bij de krijgsmacht.".
1° aan het vierde lid wordt een punt 7° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"7° het onbetaalde verlof wegens een prestatie als militair van het reservekader bij de krijgsmacht.";
2° het vijfde lid wordt vervangen door wat volgt:
"In afwijking van het derde lid wordt het jaarlijkse vakantieverlof van de ambtenaar niet evenredig verminderd in geval van:
1° pleegzorg;
2° pleegouderverlof;
3° het geboorteverlof waarin de ambtenaar geen recht heeft op een volledig salaris;
4° het onbetaald verlof wegens een prestatie als militair van het reservekader bij de krijgsmacht.".
Art. 18. A l'article X 10 du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 septembre 2019, sont apportées les modifications suivantes :
1° à l'alinéa 4, il est ajouté un point 7°, rédigé comme suit :
" 7° congé non payé pour cause de prestation en tant que militaire du cadre de réserve auprès des forces armées. " ;
2° l'alinéa 5 est remplacé par ce qui suit :
" Par dérogation à l'alinéa 3, le congé annuel de vacances du fonctionnaire n'est pas diminué proportionnellement en cas de :
1° placement familial ;
2° congé parental d'accueil ;
3° congé de naissance pendant lequel le fonctionnaire n'a pas droit à un traitement complet ;
4° congé non payé pour cause de prestation en tant que militaire du cadre de réserve auprès des forces armées. ".
1° à l'alinéa 4, il est ajouté un point 7°, rédigé comme suit :
" 7° congé non payé pour cause de prestation en tant que militaire du cadre de réserve auprès des forces armées. " ;
2° l'alinéa 5 est remplacé par ce qui suit :
" Par dérogation à l'alinéa 3, le congé annuel de vacances du fonctionnaire n'est pas diminué proportionnellement en cas de :
1° placement familial ;
2° congé parental d'accueil ;
3° congé de naissance pendant lequel le fonctionnaire n'a pas droit à un traitement complet ;
4° congé non payé pour cause de prestation en tant que militaire du cadre de réserve auprès des forces armées. ".
Art. 19. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij besluit van de Vlaamse Regering van 30 april 2021, wordt een artikel X 63bis ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. X 63bis. Als een personeelslid een prestatie vervult als militair van het reservekader bij de krijgsmacht, krijgt het personeelslid onbetaald verlof voor de duur van de prestaties.
Het onbetaalde verlof, vermeld in het eerste lid, wordt met dienstactiviteit gelijkgesteld. Tijdens het onbetaalde verlof heeft het personeelslid geen recht op salaris.".
"Art. X 63bis. Als een personeelslid een prestatie vervult als militair van het reservekader bij de krijgsmacht, krijgt het personeelslid onbetaald verlof voor de duur van de prestaties.
Het onbetaalde verlof, vermeld in het eerste lid, wordt met dienstactiviteit gelijkgesteld. Tijdens het onbetaalde verlof heeft het personeelslid geen recht op salaris.".
Art. 19. Dans le même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 30 avril 2021, il est inséré un article X 63bis ainsi rédigé :
" Art. X 63bis. Si un membre du personnel fournit une prestation en tant que militaire du cadre de réserve auprès des forces armées, il obtient un congé non payé pour la durée des prestations.
Le congé non payé visé à l'alinéa 1er est assimilé à une période d'activité de service. Pendant le congé non payé, le membre du personnel n'a pas droit au traitement. ".
" Art. X 63bis. Si un membre du personnel fournit une prestation en tant que militaire du cadre de réserve auprès des forces armées, il obtient un congé non payé pour la durée des prestations.
Le congé non payé visé à l'alinéa 1er est assimilé à une période d'activité de service. Pendant le congé non payé, le membre du personnel n'a pas droit au traitement. ".
Art. 20. In artikel X 72 van hetzelfde besluit wordt de bepaling "- voorbehoedend verlof;" opgeheven.
Art. 20. Dans l'article X 72 du même arrêté, la disposition " - le congé à titre préventif ; " est abrogée.
Art. 21. In artikel XI 8, § 1 van hetzelfde besluit, vervangen bij besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 2019, wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:
"De benoemende overheid neemt de beslissing tot ontslag van de ambtenaar binnen de 30 kalenderdagen die volgen op de datum waarop de onvoldoende definitief is geworden. In het geval dat de raad van beroep beslist tot de onontvankelijkheid van het beroep, begint de termijn van 30 kalenderdagen niettegenstaande hetgeen is voorzien in artikel I 9, § 1, derde lid, te lopen vanaf de datum van kennisgeving van de uitspraak van de raad van beroep aan de entiteit. Indien de benoemende overheid de beslissing tot ontslag niet binnen de voormelde 30 kalenderdagen neemt, dan wordt de ambtenaar geacht niet te zijn ontslagen.".
"De benoemende overheid neemt de beslissing tot ontslag van de ambtenaar binnen de 30 kalenderdagen die volgen op de datum waarop de onvoldoende definitief is geworden. In het geval dat de raad van beroep beslist tot de onontvankelijkheid van het beroep, begint de termijn van 30 kalenderdagen niettegenstaande hetgeen is voorzien in artikel I 9, § 1, derde lid, te lopen vanaf de datum van kennisgeving van de uitspraak van de raad van beroep aan de entiteit. Indien de benoemende overheid de beslissing tot ontslag niet binnen de voormelde 30 kalenderdagen neemt, dan wordt de ambtenaar geacht niet te zijn ontslagen.".
Art. 21. Dans l'article XI 8, § 1er, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 avril 2019, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit:
" L'autorité revêtue du pouvoir de nomination prend la décision de licenciement du fonctionnaire dans les 30 jours calendrier suivant la date à laquelle l'évaluation " insuffisant " est devenue définitive. Dans le cas où la chambre de recours statue sur l'irrecevabilité du recours, le délai de 30 jours calendrier commence à partir de la date de notification du prononcé de la chambre de recours à l'entité, nonobstant ce qui est prévu à l'article I 9, § 1er, alinéa 3. Si l'autorité revêtue du pouvoir de nomination ne prend pas la décision de licenciement dans les 30 jours calendrier précités, le fonctionnaire est réputé non licencié. ".
" L'autorité revêtue du pouvoir de nomination prend la décision de licenciement du fonctionnaire dans les 30 jours calendrier suivant la date à laquelle l'évaluation " insuffisant " est devenue définitive. Dans le cas où la chambre de recours statue sur l'irrecevabilité du recours, le délai de 30 jours calendrier commence à partir de la date de notification du prononcé de la chambre de recours à l'entité, nonobstant ce qui est prévu à l'article I 9, § 1er, alinéa 3. Si l'autorité revêtue du pouvoir de nomination ne prend pas la décision de licenciement dans les 30 jours calendrier précités, le fonctionnaire est réputé non licencié. ".
Art. 22. Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de maand volgend op de goedkeuring ervan, met uitzondering van:
Artikel 3 heeft uitwerking met ingang van 1 oktober 2020.
Artikel 5 heeft uitwerking met ingang van 1 februari 2021.
Artikel 9 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2018.
Artikel 10 heeft uitwerking met ingang van 1 februari 2020.
Artikel 11, 2°, heeft uitwerking met ingang van 1 februari 2018.
Artikel 18 en 19 hebben uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2020.
Artikel 3 heeft uitwerking met ingang van 1 oktober 2020.
Artikel 5 heeft uitwerking met ingang van 1 februari 2021.
Artikel 9 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2018.
Artikel 10 heeft uitwerking met ingang van 1 februari 2020.
Artikel 11, 2°, heeft uitwerking met ingang van 1 februari 2018.
Artikel 18 en 19 hebben uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2020.
Art. 22. Le présent arrêté entre en vigueur le premier jour du mois suivant son approbation, à l'exception de :
l'article 3 qui produit ses effets le 1er octobre 2020,
l'article 5 qui produit ses effets le 1er février 2021,
l'article 9 qui produit ses effets le 1er janvier 2018,
l'article 10 qui produit ses effets le 1er février 2020,
l'article 11, 2°, qui produit ses effets le 1er février 2018.
Les articles 18 et 19 produisent leurs effets le 1er janvier 2020.
l'article 3 qui produit ses effets le 1er octobre 2020,
l'article 5 qui produit ses effets le 1er février 2021,
l'article 9 qui produit ses effets le 1er janvier 2018,
l'article 10 qui produit ses effets le 1er février 2020,
l'article 11, 2°, qui produit ses effets le 1er février 2018.
Les articles 18 et 19 produisent leurs effets le 1er janvier 2020.
Art. 23. De Vlaamse minister, bevoegd voor de human resources, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 23. Le ministre flamand compétent pour les ressources humaines est chargé de l'exécution du présent arrêté.