Zum Hauptinhalt

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
14 APRIL 2020. - Koninklijk besluit tot toekenning van een staatswaarborg voor bepaalde kredieten in de strijd tegen de gevolgen van het coronavirus(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 15-04-2020 en tekstbijwerking tot 28-09-2020)
Titre
14 AVRIL 2020. - Arrêté royal portant octroi d'une garantie d'état pour certains crédits dans la lutte contre les conséquences du coronavirus(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 15-04-2020 et mise à jour au 28-09-2020)
Dokumentinformationen
Numac: 2020030617
Datum: 2020-04-14
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2020030617
Date: 2020-04-14
Moniteur: Voir
Tekst (70)
Texte (70)
HOOFDSTUK 1. - Definities
CHAPITRE 1er. - Définitions
Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
  1° de wet: de wet van 27 maart 2020 tot machtiging van de Koning om een staatswaarborg te verstrekken voor bepaalde kredieten in de strijd tegen de gevolgen van het coronavirus en tot wijziging van de wet van 25 april 2014 op het statuut en toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen;
  2° de staatswaarborg: de staatswaarborg die krachtens dit besluit wordt toegekend;
  3° gewaarborgd verlies: het gewaarborgd verlies zoals bedoeld in artikel 13;
  4° een gewaarborgde portefeuille: de gewaarborgde portefeuille zoals bedoeld in artikel 3;
  5° een gewaarborgd krediet: een krediet in de zin van artikel 4;
  6° een kredietgever: een kredietgever zoals bedoeld in artikel 5;
  7° het betalingsuitstel: het "Charter betalingsuitstel ondernemingskredieten" dat Febelfin vzw op 31 maart 2020 heeft gepubliceerd [1 en gewijzigd op 8 juli 2020]1, en als bijlage bij dit besluit wordt gevoegd;
  8° een toegelaten debetstand: een uitdrukkelijke kredietopening waarbij een kredietgever een kredietnemer de mogelijkheid biedt bedragen op te nemen die het beschikbare tegoed op de hiermee verbonden betaalrekening te boven gaan;
  9° een leasingovereenkomst: een overeenkomst die beantwoordt aan de criteria vastgesteld in artikel 3:89 van het koninklijk besluit van 29 april 2019 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen voor de post III.D " Leasing en soortgelijke rechten ";
  10° een factoringovereenkomst: een overeenkomst waarbij een partij de te innen schuldvorderingen die voortvloeien uit contracten tot levering van goederen en/of het verstrekken van diensten afgesloten tussen die partij en zijn debiteuren, aan de wederpartij overdraagt in ruil voor de voorfinanciering van de te innen schuldvorderingen;
  11° een kredietnemer: een kredietnemer die voldoet aan de voorwaarden van artikel 6;
  12° verlenen van een krediet: een krediet wordt verleend wanneer een kredietnemer contractueel het recht krijgt om het krediet geheel of gedeeltelijk op te nemen;
  13° een herfinancieringskrediet: een krediet (of een gedeelte van een krediet) dat wordt verleend tot terugbetaling van een krediet dat een kredietgever heeft verleend voor 1 april 2020, met inbegrip van de verlenging van een voor 1 april 2020 verleend krediet;
  14° wederopname van een krediet: de wederopname of hernieuwing van een geheel of gedeeltelijk terugbetaald krediet dat vóór 1 april 2020 werd verleend en voor zover dergelijke wederopname of hernieuwing voor ten hoogste dezelfde hoofdsom plaatsvindt;
  15° de looptijd van een krediet: de tijd tussen de verlening van een krediet en de dag waarop de kredietnemer alle onder het krediet verschuldigde bedragen moet hebben terugbetaald;
  voor doeleinden van dit besluit zijn kredieten die de kredietgever tijdens de eerste 12 maanden een discretionair opzeggingsrecht verlenen, te aanzien als kredieten met een looptijd van 12 maanden [1 behalve wat betreft kredieten die in aanmerking komen voor de staatswaarborg bedoeld in de wet van 20 juli 2020]1;
  [1 15° /1 "de wet van 20 juli 2020": de wet van 20 juli 2020 tot verstrekking van een staatswaarborg voor bepaalde kredieten aan KMO's in de strijd tegen de gevolgen van het coronavirus en tot wijziging van de wet van 25 april 2014 op het statuut en toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen;]1
  16° de Bankwet: de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen;
  17° de Verordening nr. 2015/2365: de Verordening (EU) 2015/2365 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende de transparantie van effectenfinancieringstransacties en van hergebruik en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012;
  18° een voor een bijzonder doel opgerichte effectiseringsentiteit: een entiteit met als enige opdracht één of meer verrichtingen van effectisering, alsook het verrichten van andere werkzaamheden ter vervulling van deze opdracht;
  19° de Kruispuntbank van Ondernemingen: het register bedoeld in artikel III.15 van het Wetboek economisch recht;
  20° kwalificerende buitenlandse activiteiten: buitenlandse activiteiten van een kredietnemer die beantwoorden aan de volgende voorwaarden:
  a) de buitenlandse activiteiten worden gevoerd door de kredietnemer zelf of door een entiteit die onder de exclusieve of gezamenlijke controle staat van de kredietnemer,
  b) de continuïteit van de buitenlandse activiteiten is cruciaal voor de Belgische activiteiten,
  c) de buitenlandse activiteiten zijn, op zichzelf beschouwd, als een levensvatbare onderneming te aanzien,
  d) er bestaat geen andere mogelijkheid om de buitenlandse activiteiten duurzaam en tegen normale marktvoorwaarden te financieren;
  21° een onderneming in moeilijkheden: een onderneming ten aanzien waarvan zich op 31 december 2019 ten minste één van de omstandigheden bedoeld in artikel 2.18 van de Verordening nr. 651/2014 voordeed; voor zelfstandigen zijn deze voorwaarden van overeenkomstige toepassing;
  22° de Verordening nr. 651/2014: de Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard;
  24° maximaal gewaarborgde hoofdsommen: de maximaal gewaarborgde hoofdsommen zoals bedoeld in artikel 8;
  25° maximaal gewaarborgde interesten: de maximaal gewaarborgde interesten zoals bedoeld in artikel 9;
  26° een groep: een moederonderneming en al haar dochterondernemingen in de zin van artikel 1:15 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen;
  26° een verbonden persoon: met een vennootschap verbonden vennootschappen of personen verbonden met een persoon in de zin van artikel 1:20 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen;
  27° een KMO in de zin van Verordening nr. 651/2014: een onderneming, ongeacht of deze een natuurlijke persoon dan wel een rechtspersoon is, waar minder dan 250 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet 50.000.000 euro of het jaarlijkse balanstotaal 43.000.000 euro niet overschrijdt; voor zelfstandigen zijn deze voorwaarden van overeenkomstige toepassing;
  28° de Minister: de Minister van Financiën;
  29° een interest op jaarbasis: een interest die geldt voor een jaar, berekend op 360 dagen;
  30° een KMO in de zin van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen: een vennootschap die voldoet aan artikel 1:24 of artikel 1:25 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen; voor zelfstandigen zijn deze voorwaarden van overeenkomstige toepassing;
  31° de toegewezen enveloppe: de toegewezen enveloppe van een kredietgever zoals bedoeld in artikel 11, bepaald op basis van het maximale totaalbedrag van de staatswaarborg bedoeld in artikel 2, § 1, vierde lid van de wet;
  32° het maximale totaalbedrag van de staatswaarborg: het bedrag bedoeld in artikel 2, § 1, vierde lid van de wet;
  33° de Nationale Bank van België: de instelling bedoeld in de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, hierna "de Nationale Bank" genoemd;
  34° de Uitvoeringsverordening nr. 680/2014: de Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014 van de Commissie van 16 april 2014 tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen voor wat betreft de rapportage aan de toezichthoudende autoriteit door instellingen overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad;
  35° verlies: verlies zoals bedoeld in artikel 14;
  36° een referentieportefeuille: een referentieportefeuille zoals bedoeld in artikel 15;
  37° een pari passu bepaling: een bepaling die de vermindering van een waarborg tot gevolg heeft omwille van coëxistentie met andere waarborgen waarbij de vermindering gebeurt evenredig met het aantal andere waarborgen en met de respectieve gewaarborgde bedragen;
  38° achterstal op belastingen of sociale zekerheidsbijdragen: alle belastingen en sociale zekerheidsbijdragen, ongeacht de schuldeiser dan wel juridische grondslag ervan, die als zekere en vaststaande schulden beschouwd worden en waarvoor de wettelijke betalingstermijn, eventueel verlengd door de bevoegde administratieve instantie, verstreken is, tenzij en in de mate dat in geval van administratieve en/of gerechtelijke betwisting, die vóór 29 februari 2020 werd ingeleid, het betwiste deel geen voorwerp kan uitmaken van maatregelen van gedwongen tenuitvoerlegging;
  39° respijtmaatregelen: respijtmaatregelen in de zin van artikel 47ter, 1., a) en b) van de Verordening nr. 575/2013 ;
  40° Verordening nr. 575/2013: de Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012;
  41° effectisering: [1 securitisatie]1 in de zin van artikel 2.1 van de Verordening (EU) 2017/2402 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 tot vaststelling van een algemeen kader voor securitisatie en tot instelling van een specifiek kader voor eenvoudige, transparante en gestandaardiseerde securitisatie, en tot wijziging van de Richtlijnen 2009/65/EG, 2009/138/EG en 2011/61/EU en de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 648/2012;
  42° een zekerheid: elke persoonlijke zekerheid of zakelijke zekerheid;
  43° een vergoeding: enige vergoeding zoals bedoeld in hoofdstuk 7;
  44° wettelijke interesten voor handelstransacties: de wettelijke interest zoals bedoeld in artikel 5 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand van handelstransacties;
  45° een maandelijkse aangifte: de aangifte bedoeld in artikel 32;
  46° OLO-referentievoet (10 jaar): de maandelijks gepubliceerde referte-index J (lineaire obligaties 10 jaar) voor de herziening van veranderlijke rentevoeten van hypothecaire kredieten, gepubliceerd door het Federaal Agentschap van de Schuld in uitvoering van het Koninklijk besluit van 14 september 2016 betreffende de kosten, de percentages, de duur en de terugbetalingsmodaliteiten van kredietovereenkomsten onderworpen aan boek VII van het Wetboek van economisch recht en de vaststelling van referte-indexen voor de veranderlijke rentevoeten inzake hypothecaire kredieten en de hiermee gelijkgestelde consumentenkredieten;
  47° OLO-referentievoet (1 jaar): de maandelijks gepubliceerde referte-index A (lineaire obligaties 1 jaar) voor de herziening van veranderlijke rentevoeten van hypothecaire kredieten, gepubliceerd door het Federaal Agentschap van de Schuld in uitvoering van het Koninklijk besluit van 14 september 2016 betreffende de kosten, de percentages, de duur en de terugbetalingsmodaliteiten van kredietovereenkomsten onderworpen aan boek VII van het Wetboek van economisch recht en de vaststelling van referte-indexen voor de veranderlijke rentevoeten inzake hypothecaire kredieten en de hiermee gelijkgestelde consumentenkredieten;
  48° gedeselecteerde kredieten: de kredieten bedoeld in artikel 4, paragraaf 1, 4° ;
  49° de deselectiefactor: het getal dat wordt bekomen door een breuk met volgende teller en noemer:
  (a) de teller bestaat uit de som van de maximaal beschikbare hoofdsom van elk gedeselecteerd krediet, telkens vermenigvuldigd met een factor gelijk aan de looptijd van het gedeselecteerd krediet, uitgedrukt in kalenderdagen; en
  (b) de noemer bestaat uit de som van de maximaal beschikbare hoofdsom van elk gewaarborgd krediet, telkens vermenigvuldigd met een factor gelijk aan de looptijd van het gewaarborgd krediet uitgedrukt in kalenderdagen;
  50° de overschrijdingsfactor: een bedrag gelijk aan het verschil (voor zover dit verschil een positief bedrag is) tussen:
  (a) de deselectiefactor; en
  (b) 0,175.
  
Article 1er. Pour l'application du présent arrêté, il y a lieu d'entendre par:
  1° la loi : la loi du 27 mars 2020 donnant habilitation au roi d'octroyer une garantie d'Etat pour certains crédits dans la lutte contre les conséquences du coronavirus et modifiant la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédits et des sociétés de bourse ;
  2° la garantie d'Etat : la garantie d'Etat accordée en vertu du présent arrêté ;
  3° perte garantie : la perte garantie visée à l'article 13 ;
  4° un portefeuille garanti : le portefeuille garanti visé à l'article 3 ;
  5° un crédit garanti : un crédit qui répond aux conditions de l'article 4;
  6° un prêteur : un prêteur visé à l'article 5 ;
  7° le report de paiement: la " Charte report de paiement crédit aux entreprises " publiée par Febelfin asbl le 31 mars 2020 [1 et modifiée le 8 juillet 2020]1, et jointe en annexe au présent arrêté ;
  8° un découvert autorisé : une ouverture de crédit explicite en vertu de laquelle un prêteur permet à un emprunteur de disposer de fonds qui dépassent le solde disponible du compte de paiement y attaché ;
  9° un contrat de location-financement : un contrat répondant aux critères énoncés à l'article 3:89 de l'arrêté royal du 29 avril 2019 portant exécution du Code des sociétés et des associations pour la rubrique III.D. " Location-financement et droits similaires " ;
  10° un contrat d'affacturage : un contrat par lequel une partie cède les créances à recouvrer nées de conventions de livraison de marchandises et/ou de prestation de services conclues entre cette partie et ses débiteurs, à [1 l'autre partie]1 en échange du préfinancement des créances à recouvrer ;
  11° un emprunteur : un emprunteur répondant aux conditions de l'article 6 ;
  12° octroyer un crédit : le crédit est octroyé quand l'emprunteur s'est vu accorder contractuellement le droit d'utiliser du crédit en tout ou en partie ;
  13° un crédit de refinancement : un crédit (ou une partie d'un crédit) qui est octroyé pour le remboursement d'un crédit octroyé par un prêteur avant le 1er avril 2020, en ce compris la prolongation d'un crédit accordé avant l'entrée en vigueur du présent arrêté ;
  14° nouveau prélèvement d'un crédit : le nouveau prélèvement ou renouvellement d'un crédit remboursé en tout ou en partie qui a été octroyé avant le 1er avril 2020 et pour autant que le nouveau prélèvement ou le renouvellement ait lieu pour au maximum le même montant en principal ;
  15° la durée d'un crédit : la durée entre l'octroi d'un crédit et le jour où l'emprunteur doit avoir remboursé tous les montants dus au titre du crédit ;
  aux fins du présent arrêté, des crédits en vertu desquels le prêteur jouit d'un droit de résiliation discrétionnaire pendant les 12 premiers mois sont à considérer comme des crédits d'une durée de 12 mois [1 sauf en ce qui concerne les crédits qui sont éligibles à la garantie d'Etat visée dans la loi du 20 juillet 2020]1;
  [1 15° /1 " la loi du 20 juillet 2020 " : la loi du 20 juillet 2020 portant octroi d'une garantie de l'Etat pour certains crédits aux PME dans la lutte contre les conséquences du coronavirus et modifiant la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse ;]1
  16° la loi bancaire : la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse ;
  17° le Règlement n° 2015/2365 : le Règlement (UE) 2015/2365 du Parlement européen et du Conseil du 25 novembre 2015 relatif à la transparence des opérations de financement sur titres et de la réutilisation et modifiant le Règlement (UE) n° 648/2012 ;
  18° une entité de titrisation à vocation spécifique : une entité dont le seul but est d'effectuer une ou plusieurs opérations de titrisation et d'effectuer d'autres activités pour la réalisation de ce but ;
  19° la Banque-Carrefour des Entreprises : le registre visé à l'article III.15 du Code de droit économique ;
  20° activités étrangères qualifiées : les activités étrangères d'un emprunteur répondant aux conditions suivantes :
  a) les activités étrangères sont effectuées par l'emprunteur lui-même ou par une entité qui se trouve sous le contrôle exclusif ou conjoint de l'emprunteur,
  b) la continuité des activités étrangères est cruciale pour les activités belges,
  c) les activités étrangères sont, prises isolément, considérées comme une entreprise viable,
  d) il n'existe aucune autre possibilité de financer les activités à l'étranger de manière durable à des conditions de marché normales ;
  21° une entreprise en difficulté : une entreprise vis-à-vis de laquelle se produisait, au 31 décembre 2019 au moins une des circonstances visées à l'article 2.18 du Règlement no. 651/2014; ces conditions s'appliquent par analogie aux indépendants ;
  22° le Règlement no. 651/2014 : le Règlement (UE) no. 651/2014 de la Commission du 17 juin 2014 déclarant certaines catégories d'aides compatibles avec le marché intérieur en application des articles 107 et 108 du Traité ;
  23° montants en principal maximaux garantis : les montants maximums garantis en principal visés à l'article 8 ;
  24° intérêts maximaux garantis : les intérêts maximums garantis visés à l'article 9 ;
  25° un groupe : une société mère et toutes ses filiales au sens de l'article 1:15 du Code des sociétés et des associations ;
  26° une personne liée: une société liée à des sociétés ou une personne liée à des personnes au sens de l'article 1:20 du Code des sociétés et des associations ;
  27° une PME au sens du Règlement n° 651/2014 : une entreprise, personne physique ou morale, qui occupe moins de 250 personnes et dont le chiffre d'affaires annuel n'excède pas 50.000.000 euros ou dont le total du bilan annuel n'excède pas 43.000.000 euros ; ces conditions s'appliquent par analogie aux indépendants ;
  28° le Ministre : le Ministre des Finances ;
  29° un intérêt sur base annuelle : un intérêt applicable pendant un an, calculé sur 360 jours ;
  30° une PME au sens du Code des sociétés et des associations : une société satisfaisant aux conditions de l'article 1:24 ou de l'article 1:25 du Code des sociétés et des associations ; les mêmes conditions s'appliquent par analogie aux indépendants ;
  31° l'enveloppe allouée : l'enveloppe allouée à un prêteur visée à l'article 11, déterminée sur base du montant total maximum de la garantie d'Etat visé à l'article 2, § 1er, alinéa 4 de la Loi ;
  32° le montant total maximum de la garantie d'Etat : le montant visé à l'article 2, § 1er, alinéa 4 de la loi ;
  33° la Banque nationale de Belgique : l'institution visée par la loi du 22 février 1998 fixant le statut organique de la Banque nationale de Belgique, ci-après dénommée la " Banque nationale " ;
  34° le Règlement d'exécution n° 680/2014 : le Règlement d'exécution (UE) n° 680/2014 de la Commission du 16 avril 2014 définissant des normes techniques d'exécution en ce qui concerne l'information prudentielle à fournir par les établissements, conformément au Règlement (UE) n° 575/2013 du Parlement européen et du Conseil ;
  35° perte : la perte telle que visée à l'article 14 ;
  36° un portefeuille de référence : un portefeuille de référence tel que visé à l'article 15 ;
  37° une disposition pari passu : une clause qui entraîne la réduction d'une garantie en raison de la coexistence avec d'autres garanties, la réduction étant proportionnelle au nombre d'autres garanties et aux montants garantis respectifs ;
  38° des retards de paiement d'impôts ou de cotisations de sécurité sociale : tous les impôts et cotisations de sécurité sociale, quels que soient leur créancier ou leur base juridique, qui sont considérés comme des dettes certaines et déterminées et pour lesquels le délai légal de paiement, le cas échéant prorogé par l'autorité administrative compétente, a expiré, sauf et dans la mesure où, en cas de contestation administrative et/ou judiciaire introduite avant le 29 février 2020, la partie contestée ne peut faire l'objet de mesures d'exécution forcées ;
  39° des mesures de renégociation : des mesures de renégociation au sens de l'article 47ter, 1., a) et b) du Règlement no. 575/2013 ;
  40° le Règlement n° 575/2013 : le Règlement (UE) n° 575/2013 du Parlement européen et du Conseil du 26 juin 2013 concernant les exigences prudentielles applicables aux établissements de crédit et aux entreprises d'investissement et modifiant le règlement (UE) n° 648/2012 ;
  41° titrisation : titrisation au sens de l'article 2.1 du Règlement (UE) n° 2014/2402 du Parlement européen et du Conseil du 12 décembre 2017 créant un cadre général pour la titrisation ainsi qu'un cadre spécifique pour les titrisations simples, transparentes et standardisées, et modifiant les directives 2009/65/CE, 2009/138/CE et 2011/61/UE et les Règlements (CE) n° 1060/2009 et (UE) n° 648/2012 ;
  42° une sûreté : toute sûreté personnelle ou sûreté réelle;
  43° une prime : toute prime visée au chapitre 7;
  44° intérêts légaux pour les transactions commerciales : l'intérêt légal visé à l'article 5 de la loi du 2 août 2002 concernant la lutte contre le retard de paiement dans les transactions commerciales ;
  45° une déclaration mensuelle : la déclaration visée à l'article 32 ;
  46° taux de référence des OLO (10 ans) : l'indice de référence J (obligations linéaires 10 ans) publié mensuellement pour la révision des taux variables des crédits hypothécaires, publié par l'Agence Fédérale de la Dette en exécution de l'Arrêté royal du 14 septembre 2016 relatif aux coûts, aux taux, à la durée et aux modalités de remboursement des contrats de crédit soumis à l'application du livre VII du Code de droit économique et à la fixation des indices de préférence pour les taux d'intérêt variables en matière de crédits hypothécaires et de crédits à la consommation y assimilés ;
  47° taux de référence des OLO (1 an) : l'indice de référence A (obligations linéaires 1 an) publié mensuellement pour la révision des taux variables des crédits hypothécaires, publié par l'Agence Fédérale de la Dette en exécution de l'Arrêté royal du 14 septembre 2016 relatif aux coûts, aux taux, à la durée et aux modalités de remboursement des contrats de crédit soumis à l'application du livre VII du Code de droit économique et à la fixation des indices de préférence pour les taux d'intérêt variables en matière de crédits hypothécaires et de crédits à la consommation y assimilés ;
  48° des crédits désélectionnés: les crédits visés à l'article 4, paragraphe 1er, 4° ;
  49° le facteur de désélection: le nombre obtenu par une fraction du numérateur et dénominateur suivants :
  (a) le numérateur est égal à la somme du montant maximal disponible en principal de chaque crédit désélectionné, dans chaque cas multiplié par un facteur égal à la durée du crédit désélectionné, exprimée en jours, et dont
  (b) le dénominateur est égal à la somme du montant maximal disponible en principal de l'ensemble des crédits garantis octroyés, dans chaque cas multiplié par un facteur égal à la durée du crédit garanti, exprimée en jours ;
  50° le facteur de dépassement: un montant égal à la différence (pour autant qu'il s'agit d'un montant positif) entre :
  (a) le facteur de désélection ; et
  (b) 0,175.
  
HOOFDSTUK 2. - Staatswaarborg
CHAPITRE 2. - Garantie d'Etat
Art. 2. Onder de in dit besluit bepaalde voorwaarden wordt de staatswaarborg toegekend aan de gewaarborgde verliezen die een kredietgever lijdt op zijn gewaarborgde portefeuille.
Art. 2. La garantie d'Etat est accordée aux pertes garanties qu'un prêteur subit sur son portefeuille garanti aux conditions déterminées par le présent arrêté.
HOOFDSTUK 3. - Gewaarborgde portefeuille
CHAPITRE 3. - Portefeuille garanti
Afdeling 1. - Algemeen
Section 1. - Généralités
Art. 3. De gewaarborgde portefeuille van een kredietgever bestaat, binnen de in afdeling 5 bepaalde grenzen, uit de gewaarborgde kredieten van die kredietgever.
Art. 3. Le portefeuille garanti d'un prêteur est composé, dans les limites de la section 5, des crédits garantis de ce prêteur.
Afdeling 2. - Gewaarborgde kredieten
Section 2. - Crédits garantis
Art. 4. § 1. Gewaarborgde kredieten zijn kredieten met een looptijd van ten hoogste 12 maanden (daaronder eveneens begrepen kredieten van onbepaalde duur die door de kredietgever of de kredietnemer kunnen worden opgezegd tijdens de eerste twaalf maanden na de verlening ervan) verleend door een kredietgever aan een kredietnemer tussen 1 april 2020 en [1 31 december 2020]1, met inbegrip van kredieten die voor [1 31 december 2020]1 zijn terugbetaald, behalve:
  1° herfinancieringskredieten;
  2° wederopnames van kredieten verleend voor 1 april 2020;
  3° kredieten verleend aan personen waarvan contractueel is bepaald dat zij uitsluitend mogen worden aangewend voor niet-Belgische activiteiten van die persoon;
  4° kredieten die met toepassing van de overige bepalingen van deze paragraaf zijn te aanzien als gewaarborgde kredieten, maar die door de kredietgever op het ogenblik dat ze worden verleend specifiek worden geïdentificeerd; een krediet dat aldus is geïdentificeerd kan niet opnieuw als gewaarborgd krediet worden aangemerkt en moet worden opgenomen in de maandelijkse aangiftes die met toepassing van artikel 32 moeten worden verricht; de in de huidige bepaling onder 4° bedoelde kredieten worden in dit besluit aangeduid als gedeselecteerde kredieten.
  § 2. Een "krediet" in de zin van paragraaf 1 is elke overeenkomst waarbij een kredietgever een krediet verleent of toezegt, in de vorm van een lening, een kredietopening, een toegelaten debetstand, of van elke andere gelijkaardige betalingsregeling, met uitsluiting van:
  a) leasingovereenkomsten;
  b) factoringovereenkomsten;
  c) consumentenkredieten en hypothecaire kredieten die vallen onder Boek VII van het Wetboek van economisch recht.
  § 3. Kredieten die worden verleend bij wijze van kredietlijn onder een krediet, waarbij de afzonderlijke kredietlijn een voldoende onderscheiden verbintenis vormt van de kredietgever, kwalificeren op zichzelf als een krediet in de zin van paragraaf 2 en vallen onder de toepassing van dit besluit, met inbegrip van:
  a) kredietlijnen toegekend in het kader van een meerhoofdige kredietovereenkomst, ook wanneer de andere kredietverstrekkers niet kwalificeren als kredietgever;
  b) kredietlijnen toegekend in het kader van een krediet dat bestaat uit onderscheiden kredietlijnen, ook wanneer de andere kredietlijnen niet kwalificeren als gewaarborgd krediet.
  
Art. 4. § 1er. Les crédits garantis sont les crédits d'une durée maximale de 12 mois (en ce compris les crédits d'une durée indéterminée qui peuvent être résiliées par le prêteur ou par l'emprunteur endéans les 12 mois après leur octroi) octroyés par un prêteur à un emprunteur entre le 1er avril 2020 et le [1 31 décembre 2020]1, en ce compris les crédits qui sont remboursés avant le [1 31 décembre 2020]1, à l'exception :
  1° des crédits de refinancement;
  2° des nouveaux prélèvements de crédits octroyés avant le 1er avril 2020 ;
  3° des crédits octroyés à des personnes pour lesquels il est prévu contractuellement qu'ils ne peuvent être utilisés exclusivement que pour des activités non belges de la personne concernée ;
  4° les crédits qui au regard des autres dispositions du présent paragraphe § 1er sont à considérer comme des crédits garantis mais qui sont spécifiquement identifiés par le prêteur au moment de leur octroi; un crédit ainsi identifié ne peut être requalifié comme crédit garanti et doit être repris dans les déclarations mensuelles prescrites par l'article 32; les crédits tels que visés par le présent 4° sont indiqués dans le présent arrêté comme crédits désélectionnés.
  § 2. Un " crédit " au sens du paragraphe 1er est tout contrat en vertu duquel un prêteur octroie ou s'engage à octroyer un crédit, sous la forme d'un prêt, d'une ouverture de crédit, d'un découvert autorisé, ou de toute autre facilité de paiement similaire, à l'exclusion des :
  a) contrats de location-financement ;
  b) contrats d'affacturage;
  c) crédits à la consommation et des crédits hypothécaires couverts par le Livre VII du Code de droit économique.
  § 3. Les crédits qui sont octroyés sous la forme de ligne de crédit, en vertu desquels la ligne de crédit séparée constitue un engagement suffisamment distinct du prêteur, sont considérés eux-mêmes comme un crédit au sens du paragraphe 2 et entrent dans le champ d'application du présent arrêté, en ce compris :
  a) les lignes de crédit octroyées dans le cadre d'un contrat de crédit syndiqué, et ce également quand les autres dispensateurs de crédit n'ont pas la qualité de prêteur ;
  b) les lignes de crédit octroyées dans le cadre d'un crédit qui est composé de lignes de crédit distinctes, aussi quand les autres lignes de crédit n'ont pas la qualité de crédit garanti ;
  
Afdeling 3. - Kredietgever
Section 3. - Prêteur
Art. 5. Een kredietgever in de zin van dit besluit is de kredietinstelling of het bijkantoor die/dat op 31 december 2019 kredieten had uitstaan op een of meer kredietnemers voor een totale nog niet afgeloste hoofdsom van minstens 20.000 EUR.
  Onder "de kredietinstelling of het bijkantoor" in het eerste lid moet worden verstaan:
  1° vergunde kredietinstellingen naar Belgisch recht in de zin van artikel 7 van de Bankwet, en
  2° in België geregistreerde bijkantoren in de zin van artikel 312 van de Bankwet of in België vergunde bijkantoren in de zin van artikel 333 van dezelfde wet.
Art. 5. Est un prêteur au sens du présent arrêté, l'établissement de crédit ou la succursale qui avait au 31 décembre 2019 des crédits en cours auprès d'un ou plusieurs emprunteurs pour un montant total et non remboursé en principal d'au moins 20.000 EUR.
  Par " l'établissement de crédit ou la succursale " à l'alinéa 1er, on entend :
  1° les établissement des crédit agréés de droit belge au sens de l'article 7 de la loi bancaire, et
  2° les succursales enregistrées en Belgique au sens de l'article 312 de la loi bancaire ou agréées au sens de l'article 333 de la même loi.
Afdeling 4. - Kredietnemers
Section 4. - Emprunteurs
Art. 6. § 1. Als kredietnemer wordt aanzien elke niet-financiële onderneming ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen waaraan een krediet wordt verleend, met uitzondering van de volgende personen:
  a) een persoon die op 1 februari 2020 achterstal had op zijn lopende kredieten of op belastingen of sociale zekerheidsbijdragen of op 29 februari 2020 meer dan 30 dagen achterstal had op zijn lopende kredieten of op zijn belastingen of sociale zekerheidsbijdragen;
  b) een persoon die bij een of meer kredietinstellingen een actieve kredietherstructurering doorliep op 31 januari 2020;
  c) een persoon die op basis van de beschikbare informatie beschouwd moet worden als onderneming in moeilijkheden.
  § 2. Onder een "niet-financiële onderneming" in paragraaf 1 moet worden verstaan elke natuurlijke persoon die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent of rechtspersoon met uitsluiting van:
  a) overheidsentiteiten, waaronder moet worden verstaan elke institutionele eenheid die overeenkomstig de verordening Nr. 549/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 21 mei 2013 betreffende het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Europese Unie behoort tot de sector overheid (S.13) zoals vastgesteld door het Instituut voor de Nationale Rekeningen in de door haar gepubliceerde lijst publieke eenheden,
  b) financiële tegenpartijen in [1 ...]1 de zin van artikel 3.3 van Verordening nr. 2015/2365, betalingsinstellingen of instellingen voor elektronisch geld in de zin van artikel 2, 10° en 75° van de wet van 11 maart 2018 betreffende het statuut van en het toezicht op de betalingsinstellingen en de instellingen voor elektronisch geld en voor een bijzonder doel opgerichte effectiseringsentiteiten,
  c) personen die uitsluitend of hoofdzakelijk krediet toestaan voor eigen rekening binnen het kader van hun gebruikelijke handels- of beroepsactiviteiten, of
  d) personen waarvan de dochterondernemingen uitsluitend of hoofdzakelijk één of meer personen zoals vermeld onder b) of c) zijn.
  
Art. 6. § 1er. Est considéré comme emprunteur, toute entreprise non financière inscrite à la Banque-Carrefour des Entreprises à laquelle un crédit est octroyé, à l'exception des personnes suivantes :
  a) une personne qui avait au 1er février 2020 un retard de paiement sur ses crédits en cours, sur ses impôts ou sur ses contributions de sécurité sociale ou avait au 29 février 2020 un retard de paiement de plus de 30 jours sur ses crédits en cours, sur ses impôts ou sur ses contributions de sécurité sociale ;
  b) une personne pour laquelle une procédure de restructuration de crédit active était en cours auprès d'un ou plusieurs établissements de crédit le 31 janvier 2020;
  c) une personne qui sur la base des informations disponibles doit être considérée comme une entreprise en difficulté.
  § 2. Par " entreprise non financière " tel que visée au paragraphe 1er, on entend toute personne physique qui exerce une activité professionnelle à titre d'indépendant ou toute personne morale à l'exclusion :
  a) des entités publiques, sous lesquelles doivent être entendues toutes les unités institutionnelles qui, conformément au Règlement (UE) n° 549/2013 du Parlement européen et du Conseil du 21 mai 2013 relatif au système européen des comptes nationaux et régionaux dans l'Union européenne, appartiennent au secteur public (S.13) comme établi par l'Institut des Comptes nationaux dans la liste des unités publiques qu'il publie,
  b) des contreparties financières au sens de l'article 3.3 du Règlement n° 2015/2365, les établissements de paiement ou les [1 établissements]1 de monnaie électronique au sens de l'article 2, 10° et 75° de la loi du 11 mars 2018 relative au statut et au contrôle des établissements de paiement et des établissements de monnaie électronique et les entités de titrisation à vocation spécifique,
  c) des personnes qui exclusivement ou principalement octroient des crédits pour compte propre dans le cadre de leurs activités professionnelles ou commerciales habituelles, ou
  d) Des personnes dont les filiales sont exclusivement ou principalement une ou plusieurs personnes visées au point b) ou au point c).
  
Afdeling 5. - Bovengrenzen van de gewaarborgde portefeuille
Section 5. - Plafonds au portefeuille garanti
Onderafdeling 1. - Maximaal gewaarborgde hoofdsommen en maximaal gewaarborgde interesten
Sous-section 1ère. - Montants en principal maximaux garantis et intérêts maximaux garantis
Art. 7. De door een kredietgever verleende gewaarborgde kredieten maken deel uit van de gewaarborgde portefeuille ten belope van de maximaal gewaarborgde hoofdsommen bedoeld in artikel 8 en de maximaal gewaarborgde interesten bedoeld in artikel 9 van elke kredietnemer [1 , voor zover het totaal van de door een kredietgever toegekende gewaarborgde kredieten de in artikelen 10 tot 12 bedoelde grens niet overschrijdt]1.
  
Art. 7. Les crédits garantis octroyés par un prêteur font partie du portefeuille garanti à concurrence des montants en principal maximaux garantis visés à l'article 8 et des intérêts maximaux garantis visés à l'article 9 pour chaque emprunteur [1 , pour autant que le total des crédits garantis octroyés par un prêteur ne dépasse pas le plafond visé aux articles 10 à 12]1.
  
Art. 8. § 1. De maximaal gewaarborgde hoofdsommen zijn het totaal van alle op enig ogenblik (gedurende de eerste 12 maanden van een krediet) beschikbare dan wel uitstaande hoofdsommen onder het geheel van de gewaarborgde kredieten van een [1 kredietnemer]1, begrensd tot het laagste van de volgende [1 ...]1 bedragen:
  1° 50.000.000 euro, behoudens afwijking zoals bepaald in paragraaf 2, of
  2° [1 het hoogste van onderstaande bedragen:
   a) het bedrag van de liquiditeitsbehoeften van de kredietnemer, andere dan voor herfinancieringskredieten voor terugbetaling van of wederopnames van kredieten verleend voor 1 april 2020, voor zijn activiteiten gedurende een periode van 18 maanden voor KMO's in de zin van Verordening nr. 651/2014 en 12 maanden voor andere ondernemingen, zulke periode te rekenen vanaf de beoogde datum van verlening van het gewaarborgde krediet, zoals dit bedrag door de kredietnemer in een behoorlijk gemotiveerde schriftelijke verklaring wordt geschat waarin de kredietnemer eveneens toelicht of en in welke mate hij of een met hem verbonden persoon ter dekking van deze behoeften andere kredietaanvragen heeft ingediend of nog voornemens is in te dienen;
   b) het dubbele van de jaarlijkse totale loonkost, met inbegrip van de sociale lasten en de kosten van personeel dat op de locatie van de onderneming werkt, maar formeel op de loonlijst van onderaannemers staat, van het laatste afgesloten boekjaar van de kredietnemer; voor kredietnemers die waarvan het eerste boekjaar nog niet is afgesloten op het ogenblik van de kredietaanvraag, mag de kredietgever voortgaan op de door de kredietnemer in een schriftelijke verklaring geraamde jaarlijkse loonsom voor de eerste twee exploitatiejaren;
   c) 25% van de omzet van het laatste afgesloten boekjaar van de kredietnemer.]1

  [1 De maximumbedragen waarvan sprake in deze paragraaf gelden per groep, en worden verminderd met het hoofdbedrag van kredieten die in voorkomend geval aan de kredietnemer of een andere persoon van de groep waartoe hij behoort zijn toegekend met toepassing van de wet van 20 juli 2020.]1
  § 2. Bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad kan de Koning op vraag van een kredietnemer een afwijking op het bedrag bedoeld in paragraaf 1, 1° toestaan, binnen de grens van paragraaf 1, 2°. De Minister kan nadere regels voor de aanvraagprocedure vaststellen.
  
Art. 8. § 1er. Les montant en principal maximaux garantis sont l'ensemble des montants en principal qui à tout moment (pendant les 12 premiers mois d'un crédit) sont disponibles ou en cours en vertu de l'ensemble des crédits garantis d'un [1 emprunteur]1, plafonné [1 ...]1 au moins élevé des montants déterminés suivants :
  1° 50.000.000 euros, sous réserve de dérogation visée au paragraphe 2, ou
  2° [1 le plus élevé des montants suivants :
   a) le montant des besoins de liquidité de l'emprunteur, qui ne concernent pas des crédits de refinancement pour le remboursement ou pour les nouveaux prélèvements de crédits octroyés avant le 1er avril 2020, pour ses activités pour une période de 18 mois pour les PME au sens du Règlement n° 651/2014 et pour une période de 12 mois pour les autres entreprises, cette période étant comptée à partir de la date envisagée de l'octroi du crédit garanti, tel que ce montant est évalué par l'emprunteur dans une déclaration dûment motivée, dans laquelle l'emprunteur indique également si et dans quelle mesure lui, ou une personne liée à lui, a introduit ou a l'intention d'introduire d'autres demandes de crédits pour couvrir ces besoins ;
   b) le double du coût salarial total annuel, en ce compris les charges sociales et le coût des effectifs travaillant sur le site de l'emprunteur mais considérés officiellement comme des sous-traitants, du dernier exercice comptable clôturé de l'emprunteur ; pour les emprunteurs dont le premier exercice comptable n'est pas encore clôturé au moment de la demande de crédit, le prêteur peut se fonder sur la masse salariale annuelle estimée par l'emprunteur dans une déclaration écrite pour les deux premières années d'exploitation ;
   c) 25% du chiffre d'affaires du dernier exercice comptable clôturé de l'emprunteur.]1

  [1 Les montants maximaux dont il est question au présent paragraphe s'appliquent par groupe, et sont diminués des montants en principal des crédits qui, le cas échéant, ont été octroyés à un emprunteur ou à une autre personne du groupe auquel il appartient en application de la loi du 20 juillet 2020.]1
  § 2. Par arrêté délibéré en conseil des ministres, le Roi peut, à la demande d'un emprunteur, accorder une dérogation du montant visé au paragraphe 1er, 1°, endéans le plafond visé au paragraphe 1er, 2°. Le Ministre peut arrêter les règles pour la procédure de demande.
  
Art. 9. De maximaal gewaarborgde interesten zijn zowel de interesten als de geïmputeerde vergoeding die door een kredietnemer onder een gewaarborgd krediet zijn verschuldigd tot en met de vervaldag (die voor doeleinden van dit artikel ten hoogste twaalf maanden na de toekenning van het krediet kan vallen), begrensd op:
  1° 1,25 % interest op jaarbasis, rekening houdend met de daadwerkelijk opgenomen hoofdsommen,vermeerderd met
  2° een door de kredietgever aan de kredietnemer geïmputeerde vergoeding van ten hoogste 25 basispunten voor KMO's in de zin van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en ten hoogste 50 basispunten voor andere ondernemingen, telkens op jaarbasis berekend.
Art. 9. Les intérêts maximaux garantis sont tant les intérêts que la prime imputée qui sont dus par un emprunteur en vertu d'un crédit garanti jusqu'à la date d'échéance (qui aux fins du présent article ne pourra intervenir plus de douze mois après l'octroi du crédit) incluse, plafonnés à :
  1° 1,25% d'intérêt sur base annuelle, compte tenu du montant en principal effectivement prélevé, majoré par
  2° une prime imputée par le prêteur à l'emprunteur de maximum 25 points de base pour les PME au sens du Code des sociétés et des associations et de maximum 50 points de base pour les autres entreprises, calculée à chaque fois sur base annuelle.
Onderafdeling 2. - Begrenzing van de gewaarborgde portefeuille tot de toegewezen enveloppe
Sous-section 2. - Plafonnement du portefeuille garanti à l'enveloppe allouée
Art. 10. [1 De gewaarborgde portefeuille komt in aanmerking voor de staatswaarborg in de mate dat het totaal van de op enig ogenblik gedurende de eerste 12 maanden beschikbare dan wel uitstaande hoofdsommen van alle gewaarborgde kredieten die door een kredietgever of een daarmee verbonden persoon worden toegekend, niet hoger is dan de toegewezen enveloppe van die kredietgever, berekend overeenkomstig artikelen 11 en 12, verminderd met de beschikbare dan wel uitstaande hoofdsommen van alle door die kredietgever met toepassing van de wet van 20 juli 2020 toegekende kredieten die als gewaarborgde kredieten in de zin van die wet zijn te aanzien.
   Een gewaarborgd krediet waarvan de verlening, rekening houdend met de gewaarborgde kredieten onder de wet van 20 juli 2020, zou leiden tot een overschrijding van de toegewezen enveloppe komt in zijn geheel niet in aanmerking voor de staatswaarborg, en de toekenning van dergelijk krediet verhoogt de uitstaande hoofdsommen binnen de toegewezen enveloppe niet.]1

  
Art. 10. [1 Le portefeuille garanti est éligible à la garantie d'Etat dans la mesure où le total de l'ensemble des montants en principal disponibles ou en cours à tout moment pendant les 12 premiers mois en vertu des crédits garantis octroyés par un prêteur ou toute personne liée ne dépasse pas l'enveloppe allouée de ce prêteur, calculée conformément aux articles 11 et 12, réduite des montants en principal disponibles ou en cours de tous les crédits octroyés par ce prêteur en application de la loi du 20 juillet 2020 considérés comme crédits garantis au sens de cette loi.
   Un crédit garanti dont l'octroi, compte tenu des crédits garantis en vertu de la loi du 20 juillet 2020, conduirait au dépassement de l'enveloppe allouée, n'est pas éligible pour la garantie d'Etat, dans sa totalité, et l'octroi d'un tel crédit n'augmente pas les montants en principal en cours au sein de l'enveloppe allouée.]1

  
Art. 11. De toegewezen enveloppe van een kredietgever is het gedeelte van het maximale totaalbedrag van de staatswaarborg in uitstaande dan wel beschikbare hoofdsommen dat aan een kredietgever wordt toegewezen overeenkomstig artikel 12.
Art. 11. L'enveloppe allouée d'un prêteur est la partie du montant total maximum de la garantie d'Etat en principal en cours ou disponible qui est alloué à un prêteur conformément à l'article 12.
Art. 12. § 1. De Minister stelt de toegewezen enveloppe van een kredietgever vast, na advies van de Nationale Bank, pro rata het marktaandeel per 31 december 2019 van die kredietgever voor kredieten aan kredietnemers, berekend overeenkomstig de paragrafen 2 tot 4.
  § 2. Voor de kredieten aan niet-financiële vennootschappen, houdt de Minister rekening met de som op individuele basis van de bedragen van de FINREP 20.04 IFRS- of FINREP 20.04 Gaap-tabel bedoeld in bijlagen 3 en 4 van de Uitvoeringsverordening nr. 680/2014. Daarbij kan de Minister uitgaan van de volgende specificaties:
  1° Land van vestiging: België;
  2° Rij 190;
  3° Som van kolommen 010 en 031 (het bedrag in kolom 031 wordt met een minteken weergegeven).
  § 3. Indien de gegevens bedoeld in paragraaf 2 niet op individuele basis beschikbaar zijn, of door de Nationale Bank als onvoldoende betrouwbaar worden beschouwd, houdt de Minister rekening met de voorschriften van de Nationale Bank in het kader van de territoriale rapportering van tabel 02.11 van het Schema A bedoeld in het schema van periodieke rapportering door de kredietinstellingen over hun financiële positie zoals aangenomen bij circulaire van de Nationale Bank op basis van artikel 106, § 2 Bankwet. Daarbij kan de Minister uitgaan van de volgende specificaties:
  1° Land: België;
  2° Rij 199;
  3° Kolom 076.
  § 4. Voor de kredieten aan zelfstandigen, houdt de Minister rekening met de voorschriften van de Nationale Bank in het kader van de territoriale rapportering van tabel 02.11 van het Schema A. Daarbij kan de Minister uitgaan van de volgende specificaties:
  1° Land: België;
  2° Het verschil tussen rij 199 en rij 049 wordt afgetrokken;
  3° Kolom 081.
  § 5. De bepaling van de toegewezen enveloppes geldt als bindende partijbeslissing.
Art. 12. § 1er. Le Ministre, sur avis de la Banque nationale, détermine l'enveloppe allouée d'un prêteur au prorata de sa part de marché au 31 décembre 2019 pour les crédits aux emprunteurs, calculée conformément aux paragraphes 2 à 4.
  § 2. Pour les crédits aux sociétés non financières, le Ministre tient compte de la somme sur une base individuelle des montants du tableau FINREP 20.04 IFRS ou du tableau FINREP 20-04 Gaap visé aux annexes 3 et 4 du Règlement d'exécution n° 680/2014. Le Ministre peut se baser sur les spécifications suivantes :
  1° Pays d'établissement : Belgique ;
  2° Ligne 190 ;
  3° Somme des colonnes 010 et 031 (le montant de la colonne 031 est indiqué par un signe moins).
  § 3. Si les données visées au paragraphe 2 ne sont pas disponibles sur une base individuelle ou sont considérées par la Banque nationale comme insuffisamment fiables, le Ministre tient compte des règles de la Banque nationale dans le cadre du reporting territorial du tableau 02.11 du Schéma A visé dans le schéma de reporting périodique des établissements de crédit concernant leur situation financière tel qu'adopté par circulaire de la Banque Nationale sur base de l'article 106, § 2 de la Loi Bancaire. Le Ministre peut se baser sur les spécifications suivantes :
  1° Pays : Belgique ;
  2° Ligne 199 ;
  3° Colonne 076.
  § 4. Pour les crédits aux indépendants, le Ministre tient compte des obligations de la Banque nationale dans le cadre du reporting territorial du tableau 02.11 du Schéma A. Le Ministre peut se baser sur les spécifications suivantes :
  1° Pays : Belgique ;
  2° La différence entre la ligne 199 et la ligne 049 est soustraite ;
  3° Colonne 081.
  § 5. La détermination des enveloppes allouées est réputée être une décision de partie contraignante.
HOOFDSTUK 4. - Gewaarborgd verlies
CHAPITRE 4. - Perte garantie
Art. 13. Het gewaarborgd verlies is het totaal van de door een kredietgever geleden verliezen op gewaarborgde kredieten die deel uitmaken van zijn gewaarborgde portefeuille. Het gewaarborgd verlies wordt gedeeltelijk ten laste genomen door de Staat. Het gedeelte ten laste van de Staat verschilt per tranche van het gewaarborgd verlies, uitgedrukt als een percentage van de referentieportefeuille als bedoeld in artikel 15, volgens onderstaande tabel:
Art. 13. La perte garantie est la somme des pertes encourues par un prêteur sur les crédits garantis qui font partie de son portefeuille garanti. La perte garantie est partiellement prise en charge par l'Etat. La partie à charge de l'Etat diffère en fonction de la tranche de la perte garantie, exprimée en pourcentage du portefeuille de référence tel que visé à l'article 15, selon le tableau suivant :
Tranche van het gewaarborgd verlies uitgedrukt als % van referentieportefeuille Deel van het gewaarborgd verlies ten laste van de Staat Tranche de la perte garantie exprimée en % du portefeuille de référence Pourcentage de la perte garantie à charge de l'Etat
0 - 3% 0% 0 - 3% 0%
3 - 5% 50% 3 - 5% 50%
5 - 100% 80% 5 - 100% 80%
Tranche van het gewaarborgd verlies uitgedrukt als % van referentieportefeuille Deel van het gewaarborgd verlies ten laste van de Staat Tranche de la perte garantie exprimée en % du portefeuille de référence Pourcentage de la perte garantie à charge de l'Etat0 - 3% 0% 0 - 3% 0%3 - 5% 50% 3 - 5% 50%5 - 100% 80% 5 - 100% 80%
Tranche van het gewaarborgd verlies uitgedrukt als % van referentieportefeuille Deel van het gewaarborgd verlies ten laste van de Staat Tranche de la perte garantie exprimée en % du portefeuille de référence Pourcentage de la perte garantie à charge de l'Etat
0 - 3% 0% 0 - 3% 0%
3 - 5% 50% 3 - 5% 50%
5 - 100% 80% 5 - 100% 80%
Tranche van het gewaarborgd verlies uitgedrukt als % van referentieportefeuille Deel van het gewaarborgd verlies ten laste van de Staat Tranche de la perte garantie exprimée en % du portefeuille de référence Pourcentage de la perte garantie à charge de l'Etat0 - 3% 0% 0 - 3% 0%3 - 5% 50% 3 - 5% 50%5 - 100% 80% 5 - 100% 80%
Art. 14. Het verlies is het bedrag van de verschuldigde hoofdsommen en interesten waarvan vaststaat dat het niet meer door de kredietgever kan worden ingevorderd door middel van een verhaal op de kredietnemer, op een derde of op enige andere wijze. In het geval van kredieten bedoeld in artikel 1, 15°, 2de lid, kan het verlies geen andere bedragen omvatten dan deze die waren verschuldigd en niet betaald gedurende de eerste 12 maanden van het krediet.
  Het verlies bedoeld in het eerste lid omvat eveneens het bedrag aan verschuldigde hoofdsommen en interesten dat een kredietgever niet kan invorderen met betrekking tot gewaarborgde kredieten die eveneens het voorwerp uitmaken van andere waarborgen, in de mate dat de onmogelijkheid van invordering het gevolg is van pari passu bepalingen in die andere waarborgen.
Art. 14. La perte est le montant des sommes dues en principal et les intérêts dont il est établi qu'il ne peut plus être récupéré par le prêteur par un recours contre l'emprunteur, contre un tiers ou de toute autre manière. En ce qui concerne les crédits dont il est question à l'article 1er, 15°, 2ème alinéa, la perte ne saurait inclure des montants autres que ceux dus et non payés par l'emprunteur endéans les 12 premiers mois du crédit.
  La perte visée à l'alinéa premier comprend également la somme du montant dû en principal et en intérêts qu'un prêteur ne peut plus recouvrer relatif aux crédits garantis qui font aussi l'objet d'autres garanties, dans la mesure où l'impossibilité du recouvrement est la conséquence de dispositions pari passu dans ces autres garanties.
Art. 15. De referentieportefeuille omvat de som van onderstaande bedragen:
  1° het geheel van de maximaal beschikbare hoofdsommen en de verschuldigde interesten van (a) alle door een kredietgever (of elke met hem verbonden persoon) verleende gewaarborgde kredieten, met inbegrip van gewaarborgde kredieten die worden terugbetaald, en van (b) alle gedeselecteerde kredieten, waarbij de som van (a) en (b) wordt begrensd tot het in artikel 11 bepaalde bedrag van de toegewezen enveloppe, dit laatste bedrag verhoogd met 1,75%;
  2° de bedragen bedoeld in artikel 24.
Art. 15. Le portefeuille de référence comprend la somme des montants suivants :
  1° l'intégralité des montants en principal maximaux disponibles et des intérêts dus au titre (a) de l'ensemble des crédits garantis octroyés par un prêteur (ou par toute personne liée), en ce compris les crédits garantis qui sont remboursés, et (b) de l'ensemble des crédits désélectionnés, étant entendu que la somme de (a) et (b) est plafonnée au montant de l'enveloppe allouée visée à l'article 11, ce dernier montant augmenté de 1,75% ;
  2° les montants visés à l'article 24.
HOOFDSTUK 5. - Voorrecht van uitwinning, pari passu clausule, aanspreking van de staatswaarborg, opschorting, schuldvergelijking, geen andere begunstigden; niet-overdraagbaarheid
CHAPITRE 5. - Bénéfice de discussion, clause pari passu, appel à la garantie d'Etat, suspension, compensation, absence d'autres bénéficiaires et non-transférabilité
Afdeling 1. - Voorrecht van uitwinning
Section 1. - Bénéfice de discussion
Art. 16. De staatswaarborg wordt verleend met voorrecht van uitwinning, waardoor de Staat slechts tot betaling gehouden is met betrekking tot een verlies van de kredietgever dat definitief is geworden conform artikel 14, eerste lid, onverminderd de eventuele uitbetaling van voorschotten, overeenkomstig hoofdstuk 8.
Art. 16. La garantie d'état est octroyée moyennant bénéfice de discussion, ce qui signifie que l'Etat n'est redevable du paiement qu'en cas de perte du prêteur qui est devenue définitive conformément à l'article 14, alinéa 1er, sans préjudice du paiement éventuel d'avances, conformément au chapitre 8.
Art. 17. Wanneer een deel of het geheel van het gewaarborgd verlies van de gewaarborgde portefeuille in zijn geheel ook kan worden verhaald op andere waarborgen die zijn verleend met betrekking tot het geheel of een deel van de gewaarborgde portefeuille, wordt dit gewaarborgd verlies of dat deel ervan pari passu verminderd in functie van het bedrag dat wordt gedekt door zulke andere waarborgen, tenzij er andersluidende afspraken bestaan tussen de Staat en die andere borg.
Art. 17. Quand tout ou une partie de la perte garantie du portefeuille garanti dans son ensemble peut également être recouvrée d'autres garanties qui ont été octroyées sur la totalité ou une partie du portefeuille garanti, cette perte garantie ou la partie concernée de celle-ci est réduite pari passu en fonction du montant couvert par ces autres garanties, sauf disposition contraire entre l'Etat et l'autre garant.
Afdeling 2. - Uiterlijke datum van aanspreking voor de staatswaarborg
Section 2. - Date limite d'appel à la garantie d'Etat
Art. 18. De Minister stelt de procedure vast voor het aanspreken van de staatswaarborg door een kredietgever, met dien verstande dat de kredietgever de Staat uiterlijk op [1 30 juni 2023]1 kan aanspreken. Het aanspreken van de staatswaarborg is niet onderworpen aan de voorwaarde dat de kredietgever, op het ogenblik van de aanspreking, bewijs levert van het bestaan van een verlies, overeenkomstig artikel 14, eerste lid.
  
Art. 18. Le Ministre fixe la procédure pour l'appel à la garantie d'Etat par un prêteur, étant entendu que le prêteur peut faire appel à l'Etat au plus tard le [1 30 juin 2023]1. L'appel à la garantie d'Etat n'est pas soumis à la condition que le prêteur, au moment de l'appel, fournisse la preuve de l'existence d'une perte, conformément à l'article 14, alinéa 1er.
  
Afdeling 3. - Opschorting van de uitvoering van de staatswaarborg
Section 3. - Suspension de l'exécution de la garantie d'Etat
Art. 19. Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk 6, wordt de uitvoering van de staatswaarborg opgeschort in geval van:
  1° niet of onvolledige betaling van de vergoeding;
  2° niet-naleving van het betalingsuitstel.
Art. 19. Sans préjudice des dispositions du chapitre 6, l'exécution de la garantie d'Etat est suspendue en cas :
  1° d'absence de paiement ou paiement incomplet de la prime ;
  2° de non-respect du report de paiement.
Afdeling 4. - Schuldvergelijking
Section 4. - Compensation
Art. 20. Behalve in geval van toepassing van artikel 7 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, en onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004 en van andere specifieke bepalingen die betrekking hebben op belastingen, worden enige bedragen die met toepassing van dit besluit door de Staat verschuldigd zijn van rechtswege gecompenseerd met zekere en vaststaande schulden van de kredietgever ten aanzien van de Staat.
Art. 20. Sauf en cas d'application de l'article 7 de la loi du 22 février 1998 fixant le statut organique de la Banque Nationale de Belgique, et sans préjudice de l'application de l'article 334 de la loi programme de 27 décembre 2004 et d'autres dispositions spécifiques en matière d'impôts, toutes sommes qui sont dues par l'Etat en application du présent arrêté sont compensées de plein droit avec les dettes certaines et exigibles du prêteur vis-à-vis de l'Etat.
Afdeling 5. - Geen andere [1 ...]1 begunstigden; niet-overdraagbaarheid
Section 5. - Absence d'autres bénéficiaires et non-transférabilité
Art. 21. § 1. De staatswaarborg geldt uitsluitend op de gewaarborgde verliezen van een gewaarborgde portefeuille in zijn geheel. In geen geval kan de Staat worden aangesproken voor het verlies dat een kredietgever heeft geleden op een individueel beschouwd gewaarborgd krediet.
  § 2. [1 De overdracht door de kredietgever, zelfs onder de vorm van een verpanding, van een gewaarborgd krediet, is niet toegelaten. Onder overdracht valt eveneens effectisering, met inbegrip van effectisering met het oog op het gebruik van de effectiseringseffecten als onderpand.]1
  In uitzondering op het eerste lid, dooft de staatswaarborg niet uit wanneer de kredietgever een of meerdere gewaarborgde kredieten aan de Nationale Bank in pand geeft [1 of deze effectiseert om de effectiseringseffecten]1 als onderpand van enige financiering die de Nationale Bank in het kader van haar wettelijke opdracht aan die kredietgever of een met haar verbonden kredietinstelling verleent.
  
Art. 21. § 1er. La garantie d'Etat est valable exclusivement sur les pertes garanties d'un portefeuille garanti dans son ensemble. En aucun cas l'Etat ne peut être appelé pour une perte qu'un prêteur subit sur un crédit garanti considéré isolément.
  § 2. [1 Le transfert, par le prêteur, même sous la forme d'une mise en gage, d'un crédit garanti n'est pas autorisé. Est également considérée comme transfert la titrisation, en ce compris la titrisation en vue de l'utilisation des titres de la titrisation comme sûreté.]1
  Par dérogation à l'alinéa 1er, la garantie d'Etat ne s'éteint pas lorsqu'un prêteur remet à titre de garantie [1 à la Banque nationale un ou plusieurs crédits garantis ou les titrise exclusivement en vue de l'utilisation des titres de la titrisation aux fins de garantie de financements octroyés par la Banque nationale dans le cadre de ses missions légales à ce prêteur ou un établissement de crédit lié à lui]1.
  
HOOFDSTUK 6. - Gronden tot vermindering van de staatswaarborg
CHAPITRE 6. - Causes de réduction de la garantie d'Etat
Afdeling 1. - Vermindering van het gewaarborgd verlies
Section 1. - Réduction de la perte garantie
Art. 22. Het gewaarborgd verlies wordt verminderd zoals hierna aangegeven:
  1° het gewaarborgd verlies wordt verminderd met alle verliezen op gewaarborgde kredieten waarvoor een kredietgever tussen de toekenning van het gewaarborgd krediet en het ogenblik waarop de staatswaarborg wordt aangesproken zoals bedoeld in artikel 18, aan de kredietnemer respijtmaatregelen toekent, zonder dat dezelfde maatregelen, op evenredige wijze rekening houdend met de beschikbare dan wel uitstaande hoofdsom en de vervaldag van de betrokken kredieten, worden toegekend met betrekking tot andere kredieten die de kredietgever (of enige met hem verbonden persoon) ten aanzien van die kredietnemer heeft uitstaan. Als een respijtmaatregel een herfinanciering in de zin van artikel 47ter.1 b) van de Verordening nr. 575/2013 inhoudt, kan dergelijke herfinanciering enkel een gewaarborgd krediet uitmaken indien het ten laatste op [1 31 december 2020]1 wordt verleend.
  2° het gewaarborgd verlies wordt verminderd met alle verliezen op gewaarborgde kredieten die door een kredietgever geheel of gedeeltelijk worden overgedragen; onder overdragen valt eveneens verpanding of effectisering met het oog op het gebruik van de effectiseringseffecten als onderpand; deze bepaling vindt geen toepassing op transacties als bedoeld in artikel 21, paragraaf 2, die niet tot een vermindering van het gewaarborgd verlies leiden;
  3° het gewaarborgd verlies wordt verminderd met alle verliezen op gewaarborgde kredieten die niet elk van onderstaande bepalingen bevatten:
  a) de Staat treedt, voor een bedrag gelijk aan het gewaarborgde verlies, na de definitieve afrekening van de staatswaarborg zoals bedoeld in artikel 33, in alle rechten die de kredietgever ontleent aan het gewaarborgde krediet of aan in verband met het gewaarborgd krediet genomen maatregelen;
  b) het gewaarborgde krediet mag door de kredietnemer enkel worden aangewend ter financiering van activiteiten [1 in België, met dien verstande dat, bij wege van uitzondering, daarmee ook kwalificerende buitenlandse activiteiten mogen worden gefinancierd voor zover zulke financiering is beperkt tot 10% van het gewaarborgd krediet, en zulke financiering van]1 de kwalificerende buitenlandse activiteiten niet ten koste gaat van de Belgische activiteiten;
  4° het gewaarborgd verlies wordt verminderd met alle verliezen op gewaarborgde kredieten die de kredietgever niet opneemt in een van de rapporteringen met betrekking tot de staatswaarborg;
  5° het gewaarborgd verlies wordt verminderd met alle verliezen op gewaarborgde kredieten die door een kredietgever worden verleend zonder dat deze kredietgever de kredietnemer er toe aanmoedigt om voor het gewaarborgd krediet ook andere beschikbare waarborgen aan te vragen dan wel te bekomen;
  6° het gewaarborgd verlies wordt verminderd met alle verliezen op gewaarborgde kredieten waarvoor de kredietgever de Staat niet vrijwaart tegen vorderingen die door de kredietnemer of een met hem verbonden persoon in verband met het gewaarborgd krediet of de staatswaarborg worden ingesteld;
  7° het gewaarborgd verlies wordt verminderd met alle verliezen op gewaarborgde kredieten waarvan de kredietgever de aanvraag of de verlening afhankelijk maakt van het sluiten door de kredietnemer of een daarmee verbonden persoon van overeenkomsten met betrekking tot andere producten of diensten;
  8° het gewaarborgd verlies wordt verminderd met alle verliezen op gewaarborgde kredieten met betrekking waartoe de kredietgever de kredietnemer, in verband met de toekenning of de uitvoering ervan, kosten aanrekent die niet verschuldigd zouden geweest zijn op basis van de algemene voorwaarden van de kredietgever per 29 februari 2020;
  9° het gewaarborgd verlies wordt verminderd met alle verliezen op gewaarborgde kredieten met betrekking waartoe de kredietgever blijk geeft van grove nalatigheid bij de verlening ervan, wanneer het op het ogenblik van de verlening voorzienbaar was dat die nalatigheid kon leiden tot een verzwaring van de kosten of verliezen die de Staat met toepassing van de waarborgregeling zal lijden. Van dergelijke grove nalatigheid is sprake:
  a) bij de toekenning van een krediet waarvan de kredietgever redelijkerwijze moest beseffen dat de kredietnemer een persoon was als bedoeld in artikel 6, § 1, a), b) of c);
  b) bij de toekenning van een krediet aan een kredietnemer waarvan de kredietgever redelijkerwijze diende te beseffen dat deze kredietnemer of andere personen van de groep waartoe de kredietnemer behoort tegelijk elders gewaarborgde kredieten had of tegelijk met het gewaarborgd krediet zou bekomen, waardoor de totale beschikbare dan wel uitstaande hoofdsommen van alle gewaarborgde kredieten van de individuele kredietnemer dan wel samen genomen met de gewaarborgde kredieten van de andere personen van de groep waartoe de kredietnemer behoort, de maximaal gewaarborgde hoofdsommen bedoeld in artikel 8 zouden overschrijden;
  10° wanneer de kredietgever of een daarmee verbonden persoon, op enigerlei ogenblik na 1 april 2020, anders dan op basis van contractuele regelingen die tussen de kredietgever en de kredietnemer van kracht waren op 1 april 2020, bijkomende zekerheden van een kredietnemer verkrijgt tot zekerheid van ofwel kredieten die werden verleend voor 1 april 2020 ofwel een of meer gedeselecteerde kredieten, zonder dat een evenredig gedeelte van deze zekerheden, rekening houdend met de beschikbare dan wel uitstaande hoofdsom van alle betrokken kredieten, wordt toegekend aan de gewaarborgde kredieten die de kredietgever aan die kredietnemer toekent, dan wordt het gewaarborgd verlies verminderd met alle verliezen op de gewaarborgde kredieten die de kredietgever aan die kredietnemer heeft toegekend;
  11° het gewaarborgd verlies wordt verminderd met de maximaal beschikbare hoofdsommen onder overeenkomsten die van kracht waren op 1 april 2020, voor zover de kredietgever een opname of wederopname onder die overeenkomsten wederrechtelijk weigert na 1 april 2020 en voor [1 1 januari 2021]1; onder wederrechtelijke weigering valt eveneens te verstaan een geheel discretionaire weigering, zelfs als deze geen contractbreuk uitmaakt.
  
Art. 22. La perte garantie est réduite comme déterminé ci-dessous :
  1° la perte garantie est réduite de toutes les pertes sur les crédits garantis pour lesquels un prêteur consent à l'emprunteur des mesures de renégociation entre l'octroi du crédit garanti et le moment auquel il est fait appel à la garantie d'Etat comme visé à l'article 18, sans que ces mesures ne soient consenties de manière proportionnelle, compte tenu du montant en principal en cours ou disponible et de l'échéance des crédits concernés, pour les autres crédits que le prêteur (ou toute personne liée) a vis-à-vis de cet emprunteur. Si une mesure de renégociation comprend un refinancement au sens de l'article 47ter.1 b) du Règlement n° 575/2013, un tel refinancement peut seulement constituer un crédit garanti s'il est octroyé au plus tard le [1 31 décembre 2020]1.
  2° la perte garantie est réduite de toutes les pertes sur les crédits garantis qui sont en tout ou en partie transférés par un prêteur ; sont également considérés comme transferts la mise en gage ou la titrisation en vue de l'utilisation des titres de la titrisation comme sûreté, sauf les opérations visées à l'article 21, paragraphe 2, qui n'entrainent aucune réduction de la perte garantie ;
  3° la perte garantie est réduite de toutes les pertes sur les crédits garantis qui ne contiennent pas toutes les dispositions suivantes :
  a) l'Etat est substitué, pour un montant égal à la perte garantie, après le décompte définitif de la garantie d'Etat tel que visé à l'article 33, dans tous les droits du prêteur qui découlent du crédit garanti ou des mesures prises en rapport avec le crédit garanti ;
  b) le crédit garanti peut uniquement être affecté par l'emprunteur [1 pour le financement d'activités en Belgique, étant entendu que, par voie d'exception, les activités étrangères qualifiées peuvent aussi être financées, pour autant qu'un tel financement soit limité à 10% du crédit garanti, et qu'un tel financement pour les activités étrangères qualifiées ne se fasse]1 pas aux dépens des activités belges ;
  4° la perte garantie est réduite de toutes les pertes sur des crédits garantis que le prêteur ne reprend pas dans un des reportings relatifs à la garantie d'Etat ;
  5° la perte garantie est réduite de toutes les pertes sur les crédits garantis qui sont octroyés par un prêteur sans que ce prêteur n'incite l'emprunteur à demander ou obtenir d'autres garanties disponibles pour le crédit garanti ;
  6° la perte garantie est réduite de toutes les pertes sur les crédits garantis pour lesquels le prêteur ne garantit pas l'Etat contre toutes actions qui sont introduites par l'emprunteur ou toute personne liée en rapport avec le crédit garanti ou la garantie d'Etat ;
  7° la perte garantie est réduite de toutes les pertes sur les crédits garantis dont le prêteur fait dépendre la demande ou l'octroi à la conclusion par l'emprunteur ou une personne liée avec celui-ci de contrats relatifs à d'autres produits ou services ;
  8° la perte garantie est réduite de toutes les pertes sur les crédits garantis pour lesquels le prêteur compte à l'égard de l'emprunteur des frais en rapport avec l'octroi ou l'exécution du crédit qui n'auraient pas été dus sur la base des conditions générales du prêteur au 29 février 2020 ;
  9° la perte garantie est réduite de toutes les pertes sur les crédits garantis pour lesquels le prêteur fait preuve de négligence grave dans l'octroi, quand, au moment de l'octroi, il était prévisible que cette négligence pouvait mener à une aggravation des coûts ou des pertes subies par l'Etat en application des règles de la garantie. Il y a négligence grave :
  a) en cas d'octroi d'un crédit dont le prêteur devait raisonnablement constater que l'emprunteur était une personne visée à l'article 6, § 1er, a), b) ou c) ;
  b) en cas d'octroi d'un crédit à un emprunteur dont le prêteur devait raisonnablement constater que cet emprunteur ou d'autres personnes du groupe auquel l'emprunteur appartient avaient en même temps obtenu un crédit garanti ailleurs ou l'auraient obtenu en même temps que le crédit garanti, de sorte que le montant en principal disponible ou en cours de tous les crédits garantis de l'emprunteur individuel ou de l'ensemble des membres du groupe auquel l'emprunteur appartient dépasserait le montant en principal maximum garanti visé à l'article 8 ;
  10° quand un prêteur ou toute personne liée, à un moment quelconque après le 1er avril 2020, autrement que sur la base d'arrangements contractuels qui étaient en vigueur entre le prêteur et l'emprunteur au le 1er avril 2020, obtient des sûretés supplémentaires d'un emprunteur en garantie ou bien de crédits qui étaient octroyés avant le 1er avril 2020 ou bien d'un ou de plusieurs crédits désélectionnés, sans qu'une part proportionnelle de ces sûretés, compte tenu du montant en principal disponible ou en cours de tous les crédits concernés, ne soit consentie à des crédits garantis que ce prêteur octroie à cet emprunteur, la perte garantie est réduite de toutes les pertes sur les crédits garantis que le prêteur a octroyés à l'emprunteur ;
  11° la perte garantie est réduite du montant maximal en principal disponible en vertu de contrats qui étaient en vigueur la veille du 1er avril 2020, pour autant que le prêteur refuse indûment un prélèvement ou nouveau prélèvement en vertu de ces contrats après le 1er avril 2020 et avant le [1 1er janvier 2021]1 ; un refus indu comprend également un refus entièrement discrétionnaire, même si un tel refus ne constitue pas une méconnaissance du contrat.
  
Afdeling 2. - Verval van staatswaarborg op het gewaarborgd verlies
Section 2. - Déchéance de la garantie d'Etat sur la perte garantie
Art. 23. De staatswaarborg op het gewaarborgd verlies vervalt in de volgende gevallen:
  1° de kredietgever laat na de Staat aan te spreken binnen de termijn zoals bedoeld in artikel 18;
  2° de kredietgever betaalt de vergoeding niet, niet tijdig of niet volledig;
  3° de kredietgever leeft het betalingsuitstel niet na, tenzij in geval van verschoonbare nalatigheid in hoofde van de kredietgever;
  4° de kredietgever past systematisch dan wel op grote schaal één of meer van de praktijken bedoeld in artikel 22, 7° tot 9° toe;
  5° de kredietgever weigert systematisch dan wel op grote schaal tijdens de periode van 1 april 2020 tot [1 31 december 2020]1 zonder objectieve rechtvaardiging, de hernieuwing van kredieten die voldoen aan elk van onderstaande voorwaarden:
  a) het krediet komt op vervaldag voor [1 31 december 2020]1;
  b) het krediet was voor 1 april 2020 toegekend, en
  c) de persoon is een kredietnemer
  (i) die geen achterstal had op zijn lopende kredieten of op belastingen of sociale zekerheidsbijdragen op 1 februari 2020;
  (ii) die niet meer dan 30 dagen achterstal had op zijn lopende kredieten of op belastingen of sociale zekerheidsbijdragen op 29 februari 2020;
  (iii) die bij geen enkele kredietinstelling een actieve kredietherstructurering doorliep op 31 januari 2020, en
  (iv) die niet om toepassing van het betalingsuitstel heeft verzocht ;
  6° er is sprake van bedrog in hoofde van de kredietgever bij de rapportering met betrekking tot de staatswaarborg, bij de maandelijkse aangiftes, bij het aanspreken van de Staat voor de staatswaarborg, bij de procedure met betrekking tot een voorlopig voorschot of de definitieve afrekening.
  
Art. 23. Un prêteur est déchu de la garantie d'Etat sur la perte garantie dans les cas suivants :
  1° le prêteur omet de faire appel à l'Etat dans le délai visé à l'article 18 ;
  2° le prêteur ne paie pas la prime, ne la paie pas à temps ou ne la paie pas intégralement ;
  3° le prêteur ne respecte pas le report de paiement, sauf en cas de négligence excusable dans le chef du prêteur ;
  4° le prêteur applique de manière systématique ou à grande échelle une ou plusieurs des pratiques visées à l'article 22, 7° à 9° ;
  5° le prêteur refuse de manière systématique ou à grande échelle pendant la période à partir du 1er avril 2020 jusqu'au [1 31 décembre 2020]1 sans justification objective, le renouvellement de crédits qui satisfont à chacune des conditions suivantes :
  a) le crédit vient à échéance avant le [1 31 décembre 2020]1 ;
  b) le crédit était octroyé avant le 1er avril 2020, et
  c) la personne est un emprunteur
  (i) qui n'avait pas de retard de [1 paiements]1 sur ses crédits en cours, sur ses impôts ou sur ses cotisations de sécurité sociale le 1er février 2020 ;
  (ii) qui n'avait pas plus de 30 jours de retard de paiement le 29 février 2020 sur ses crédits en cours, sur ses impôts ou sur ses cotisations de sécurité sociale ;
  (iii) pour lequel aucune procédure de restructuration de crédit active n'était en cours auprès d'un établissement de crédit le 31 janvier 2020, et
  (iv) qui n'a pas sollicité l'application du report [1 de paiement]1;
  6° une fraude dans le chef du prêteur est avérée à l'occasion du reporting obligatoire relatif à la garantie d'Etat, lors des déclarations mensuelles, lors de l'appel à l'Etat pour la garantie d'Etat, lors de la procédure relative à une avance provisoire ou au décompte définitif.
  
Afdeling 3. - Verhoging van de referentieportefeuille van een kredietgever
Section 3. - Augmentation du portefeuille de référence d'un prêteur
Art. 24. De referentieportefeuille van een kredietgever wordt verhoogd in overeenstemming met de volgende bepalingen:
  1° De referentieportefeuille wordt verhoogd met alle maximaal beschikbare hoofdsommen en interesten van een krediet dat (i) door een kredietgever of een met die kredietgever verbonden persoon tussen 1 april 2020 en [1 31 december 2020]1 wordt verleend aan een kredietnemer, (ii) dat, behalve wat de looptijd ervan betreft, te beschouwen is als een gewaarborgd krediet, en (iii) waarvan de looptijd kennelijk afwijkt van de door de kredietgever gevolgde praktijk vóór 29 februari 2020 en de kredietgever die afwijking niet op objectieve gronden kan rechtvaardigen.
  2° De referentieportefeuille wordt verhoogd met alle maximum beschikbare hoofdsommen en interesten van een krediet dat tussen 1 april 2020 en [1 31 december 2020]1 wordt verleend aan een kredietnemer door een met een kredietgever verbonden persoon dan wel door een persoon die voor rekening handelt van die kredietgever en dat, behalve wat de geldschieter betreft, te beschouwen is als een gewaarborgd krediet, wanneer het optreden van die derde persoon als geldschieter kennelijk afwijkt van de door de kredietgever voor 1 april 2020 gevolgde praktijk, en wanneer de kredietgever die afwijking niet op objectieve gronden kan rechtvaardigen.
  
Art. 24. Le portefeuille de référence d'un prêteur est augmenté conformément aux dispositions suivantes :
  1° Le portefeuille de référence est augmenté de tous montants en principal maximaux disponibles et intérêts d'un crédit (i) qui est octroyé par un prêteur ou par une personne liée à ce prêteur entre le 1er avril 2020 et le [1 31 décembre 2020]1 à un emprunteur, (ii) qui, sauf en ce qui concerne sa durée, est à considérer comme un crédit garanti, (iii) dont la durée s'écarte manifestement de la pratique suivie par le prêteur avant le 29 février 2020 et le prêteur ne peut justifier cette divergence par des motifs objectifs.
  2° Le portefeuille de référence est augmenté de tous montants en principal maximaux disponibles et intérêts de tout crédit octroyé entre le 1er avril 2020 et le [1 31 décembre 2020]1 à un emprunteur par une personne liée à un prêteur ou par une personne qui agit pour le compte de ce prêteur et qui, sauf en ce qui concerne le prêteur, est à considérer comme un crédit garanti, quand l'intervention de cette tierce personne comme prêteur diverge manifestement de la pratique suivie par le prêteur avant le 1er avril 2020 et si le prêteur ne peut justifier cette divergence par des raisons objectives.
  
HOOFDSTUK 7. - Vergoeding
CHAPITRE 7. - Prime
Art. 25. De kredietgever betaalt de Staat een vergoeding voor de staatswaarborg, die overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk wordt berekend en betaald.
Art. 25. Le prêteur verse à l'Etat une prime pour la garantie d'Etat, qui est calculée et payée conformément aux dispositions du présent chapitre.
Art. 26. Het vergoedingstarief is uitgedrukt als een percentage van de maximaal beschikbare hoofdsom van elk gewaarborgd krediet en bedraagt:
  1° voor gewaarborgde kredieten aan KMO's in de zin van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen: 25 basispunten op jaarbasis, en
  2° voor gewaarborgde kredieten aan andere ondernemingen: 50 basispunten op jaarbasis.
Art. 26. Le taux de la prime est exprimé en pourcentage du montant en principal maximum disponible de chaque crédit garanti et s'élève à :
  1° pour des crédits garantis aux PME au sens du Code des sociétés et des associations : 25 points de base sur une base annuelle, et
  2° pour des crédits garantis à d'autres entreprises : 50 points de base sur une base annuelle.
Art. 27. De vergoeding verschuldigd voor een gewaarborgd krediet is gelijk aan het product van onderstaande factoren:
  1° het vergoedingstarief voor het betrokken gewaarborgd krediet;
  2° het totaal van de maximaal beschikbare hoofdsom onder het gewaarborgd krediet, ongeacht of:
  a) de hoofdsom op [1 31 december 2020]1 geheel of gedeeltelijk is opgenomen;
  b) het gewaarborgd krediet op [1 31 december 2020]1 geheel of gedeeltelijk is terugbetaald of beëindigd;
  c) verliezen op het gewaarborgd krediet met toepassing van hoofdstukken 3, 4 of 5 in aanmerking worden genomen bij de bepaling van het gewaarborgd verlies;
  3° de looptijd van het gewaarborgd krediet, uitgedrukt in dagen (maximaal 365), gedeeld door 360.
  
Art. 27. La prime due pour un crédit garanti est égale au produit des facteurs suivants:
  1° le taux de la prime pour le crédit garanti concerné;
  2° le total du montant en principal maximal disponible sous le crédit garanti, indépendamment du fait que :
  a) le montant en principal a été prélevé en tout ou en partie au [1 31 décembre 2020]1;
  b) le crédit garanti a été remboursé ou résilié en tout ou en partie au [1 31 décembre 2020]1 ;
  c) les pertes sur le crédit garanti en application des chapitres 3, 4 ou 5 sont prises en compte dans la détermination de la perte garantie.
  3° la durée du crédit garanti, exprimée en jours (maximum 365), divisé par 360.
  
Art. 28. De vergoeding bedoeld in artikel 27 wordt vermenigvuldigd met een factor gelijk aan de som van het cijfer één en het dubbel van de overschrijdingsfactor.
Art. 28. La prime visée à l'article 27 est multipliée par un facteur égal à la somme du chiffre un et du double du facteur de dépassement.
Art. 29. Alle door een kredietgever met toepassing van dit hoofdstuk verschuldigde vergoedingen zijn gelijktijdig en onsplitsbaar betaalbaar op basis van de afrekening bedoeld in artikel 30.
Art. 29. Toutes les primes dues par un prêteur en vertu du présent chapitre sont payables simultanément et de manière indivisible sur la base du décompte visé à l'article 30.
Art. 30. De Minister of zijn gemachtigde stelt de afrekening vast rekening houdend met de elementen die zijn vervat in de maandelijkse aangiftes als bedoeld in artikel 32. De Staat is niet gebonden door de aangiftes van de kredietgevers en kan de vergoeding bepalen met toepassing van de regels uiteengezet in dit hoofdstuk op basis van de beschikbare informatie.
Art. 30. Le Ministre ou son délégué détermine le décompte en tenant compte des éléments repris dans les déclarations mensuelles visées à l'article 32. L'Etat n'est pas lié par les déclarations des prêteurs et peut déterminer la prime par application des règles énoncées dans le présent chapitre sur la base des informations disponibles.
Art. 31. § 1. Het bedrag vermeld in de afrekening bedoeld in artikel 30 is uiterlijk op de datum zoals vermeld in de afrekening contant betaalbaar, ongeacht eventuele betwistingen met betrekking tot de aanrekening of de berekeningswijze van de vergoeding.
  § 2. Wanneer de Staat de verschuldigde vergoedingen niet heeft ontvangen op de uiterlijke datum zoals vermeld in de afrekening, is, onverminderd het bepaalde in artikel 19, 1° en artikel 23, 2°, op die bedragen verwijlinterest verschuldigd overeenkomstig de regels voor wettelijke interesten voor handelstransacties.
Art. 31. § 1er. Le montant indiqué dans le décompte visé à l'article 30 est, au plus tard à la date indiquée dans le décompte, payable au comptant, indépendamment des contestations éventuelles concernant l'imputation ou le mode de calcul de la prime.
  § 2. Lorsque l'Etat n'a pas reçu les primes dues au plus tard à la date ultime indiquée dans le décompte, sans préjudice aux dispositions de l'article 19, 1° et l'article 23, 2°, des intérêts de retard sont dus sur ces montants conformément aux dispositions en matière d'intérêts légaux dans les transactions commerciales.
Art. 32. De Minister bepaalt de nadere regels voor de procedure tot betaling van de vergoeding en voor de maandelijkse aangiftes.
Art. 32. Le Ministre détermine les règles relatives à la procédure de paiement de la prime et aux déclarations mensuelles.
HOOFDSTUK 8. - Definitieve afrekening en voorschot
CHAPITRE 8. - Décompte définitif et avance
Art. 33. § 1. Zonder afbreuk te doen aan de bevoegdheid van de Minister of zijn gemachtigde om een dading te sluiten over de definitieve afrekening, heeft de definitieve afrekening betrekking op het door de Staat ten laste genomen deel van het gewaarborgd verlies. De Minister doet jaarlijks uiterlijk op 1 april verslag aan de Ministerraad over de afgesloten dadingen.
  § 2. De Minister bepaalt de regels voor de definitieve afrekening. Die regels bepalen minstens het volgende:
  1° behoudens in geval van dading, kan de definitieve afrekening slechts plaatsvinden na uitwinning van de kredietnemers en het verlies in de zin van artikel 14, eerste lid gekend is voor de hele portefeuille;
  2° de betaling van de definitieve afrekening heeft tot gevolg dat de Staat van rechtswege in alle rechten, vorderingen of voorrechten treedt van de kredietgever ten aanzien van de kredietnemers voor een bedrag gelijk aan het gewaarborgde verlies;
  3° de definitieve afrekening heeft betrekking op het gewaarborgd verlies, na toepassing in voorkomend geval van de eventuele gronden bedoeld in hoofdstuk 6;
  4° in het kader van de definitieve afrekening betaalt de Staat dan wel de kredietgever het verschil tussen onderstaande bedragen, verhoogd met een interest aan het tarief van de OLO-referentievoet (10 jaar) voor de periode tussen [1 1 januari 2022]1 en de dag waarop het verschil wordt betaald:
  a) het totaal van de definitieve afrekening, en
  b) het totaal van de uitbetaalde voorschotten, zonder rekening te houden met de op de voorschotten betaalde interesten.
  5° de beslissing over de definitieve afrekening wordt genomen door de Minister of zijn gemachtigde.
  6° de definitieve afrekening vermeldt uitdrukkelijk welk bedrag van het gewaarborgd verlies overeenkomt met de maximaal beschikbare hoofdsommen en welk bedrag overeenstemt met de interesten.
  
Art. 33. § 1er. Sans préjudice de la compétence du Ministre ou de son délégué de conclure une transaction relative au décompte définitif, le décompte définitif concerne la partie de la perte garantie à charge de l'Etat. Le Ministre fait annuellement au plus tard au 1er avril, rapport au Conseil des ministres des transactions conclues.
  § 2. Le Ministre arrête les règles applicables pour le décompte définitif. Ces règles déterminent au moins ce qui suit :
  1° sauf en cas de transaction, le décompte définitif ne peut intervenir qu'après exécution de tous les emprunteurs et après que la perte au sens de l'article 14, alinéa 1er est connue pour l'ensemble du portefeuille garanti ;
  2° le paiement du décompte définitif a pour conséquence que l'Etat est subrogé de plein droit dans l'ensemble des droits, actions ou privilèges du prêteur à l'égard des emprunteurs pour un montant égal à la perte garantie ;
  3° le décompte définitif porte sur la perte garantie, après application, le cas échéant des causes visées au chapitre 6 ;
  4° dans le cadre du décompte définitif, l'Etat ou le prêteur paie la différence entre les montants suivants, augmentée d'un intérêt au taux de référence OLO (10 ans) pour la période entre le [1 1er janvier 2022]1 et le jour où la différence est payée :
  a) le total du décompte définitif, et
  b) le total des avances payées, sans tenir compte des intérêts payés sur les avances ;
  5° la décision relative au décompte final est prise par le Ministre ou son délégué.
  6° le décompte final indique explicitement quel montant de la perte garantie correspond aux montants en principal maximaux disponibles et quel montant correspond aux intérêts.
  
Art. 34. § 1. De Staat kan een voorschot toekennen op de definitieve afrekening bedoeld in artikel 33. De eventuele toekenning van een voorschot doet geen recht ontstaan op vergoeding in overeenstemming met hoofdstuk 4 en doet evenmin afbreuk aan de eventuele toepassing van gronden bedoeld in hoofdstuk 6.
  § 2. De Minister bepaalt de voorwaarden waaronder een kredietgever een aanvraag tot betaling van een voorschot kan indienen en de procedure tot beslissing over een dergelijk aanvraag. Die regels bepalen in elk geval het volgende:
  1° een aanvraag kan ten vroegste worden ingediend op [1 1 oktober 2021]1;
  2° de aanvraag verstrekt voldoende bewijs van het bestaan en de omvang van het geschatte gewaarborgde verlies;
  3° een aanvraag is slechts ontvankelijk na ontvangst van een volledig stavingsdossier van de kredietgever, waarvan de Minister de inhoud bepaalt;
  4° de kredietgever beantwoordt onverwijld elk verzoek om inlichtingen met betrekking tot de aanvraag en vult het dossier aan op eerste verzoek en in overeenstemming met dat verzoek;
  5° het voorschot bedraagt in elk geval niet meer dan 80% van het door de Staat geschatte gewaarborgde verlies, na toepassing van de regels bedoeld in hoofdstuk 6;
  6° geen voorschot wordt uitbetaald in de mate dat de kredietgever dan wel een met hem verbonden persoon zekere en vaststaande schulden heeft ten aanzien van de Staat;
  7° het bedrag van het voorschot wordt verhoogd met een interest aan het tarief van de OLO-referentievoet (1 jaar), te rekenen vanaf [1 1 januari 2022]1 tot de dag van de betaling van het voorlopige voorschot;
  8° in voorkomend geval wordt de beslissing over het voorschot genomen door de Minister of zijn gemachtigde.
  
Art. 34. § 1er. L'Etat peut octroyer une avance sur le décompte définitif visé à l'article 33. L'octroi éventuel d'une avance ne fait naître aucun droit à une indemnité conformément au chapitre 4 et est sans préjudice de l'application éventuelle des motifs visés au chapitre 6.
  § 2. Le Ministre détermine les conditions auxquelles un prêteur peut introduire une demande de paiement d'une avance et la procédure de décision afférente à une telle demande. Ces règles déterminent en tout cas ce qui suit :
  1° une demande peut au plus tôt être introduite le [1 1er octobre 2021]1 ;
  2° la demande contient une preuve suffisante de l'existence et de l'ampleur de la perte garantie évaluée ;
  3° une demande n'est recevable qu'après réception d'un dossier justificatif complet du prêteur, dont le Ministre détermine le contenu ;
  4° le prêteur répond sans délai à toute demande de renseignements relative à la demande et complète le dossier sur première demande et conformément à cette demande ;
  5° l'avance ne s'élève en aucun cas à plus de 80% de la perte garantie évaluée par l'Etat, après application des règles visées au chapitre 6 ;
  6° l'avance n'est pas payée dans la mesure où le prêteur ou toute personne liée a des dettes certaines et liquides à l'égard de l'Etat ;
  7° le montant de l'avance est augmenté d'un intérêt au taux de référence OLO (1 ans), à compter à partir du [1 1er janvier 2022]1 jusqu'au jour du paiement de l'avance provisoire ;
  8° le cas échéant, la décision relative à l'avance est prise par le Ministre ou son délégué.
  
HOOFDSTUK 9. - Verplichtingen van de kredietgever en de kredietnemers
CHAPITRE 9. - Obligations des prêteurs et des emprunteurs
Art. 35. Zonder afbreuk te doen aan de verplichtingen die elders in dit besluit zijn bepaald, zijn kredietgevers verplicht:
  1° de maximaal gewaarborgde interestvoet bepaald in artikel 9 op de gewaarborgde kredieten na te leven;
  2° goede praktijken inzake kredietverlening, met inbegrip van het bekomen van zekerheden, aan de dag te leggen, op marktconforme basis en in overeenstemming met hun praktijken voor de inwerkingtreding van de wet;
  3° te vermijden dat de gronden bedoeld in hoofdstuk 6 zich voordoen tenzij, behoudens in het geval van artikel 22, 9°, artikel 23, 4°, 5° en 6°, dit uitsluitend het gevolg is van onopzettelijke en verschoonbare nalatigheid;
  4° zich te onthouden van praktijken die hoofdzakelijk beogen zichzelf, kredietnemers of kredieten, in strijd met de doelstellingen van de wet en dit besluit, binnen of buiten het toepassingsgebied ervan te plaatsen.
Art. 35. Sans préjudice des obligations prévues par le présent arrêté, les prêteurs sont obligés :
  1° de respecter le taux d'intérêt maximal garanti visé à l'article 9 aux crédits garantis ;
  2° d'appliquer les bonnes pratiques en matière d'octroi de crédit, en ce compris en ce qui concerne l'obtention de sûretés, selon les conditions du marché et conformément à leurs pratiques existantes avant l'entrée en vigueur de la loi ;
  3° d'éviter que les causes visées au chapitre 6 surviennent, sauf, hormis les cas visés à l'article 22, 9°, et de l'article 23, 4°, 5° et 6°, lorsqu'elles sont exclusivement la conséquence d'une négligence non intentionnelle et excusable ;
  4° de s'abstenir de pratiques qui visent principalement à se placer ou à placer des emprunteurs ou des crédits dans le champ d'application de la loi et du présent arrêté ou hors du champ d'application de ceux-ci, et ce contrairement aux objectifs de la loi et du présent arrêté.
Art. 36. De kredietnemer heeft recht op de terugbetaling, door de kredietgever, van de betaalde interesten die de maximale gewaarborgde interestvoet overschrijden en van vergoedingen die de maximale gewaarborgde vergoeding overschrijden, verhoogd met de wettelijke interest vanaf het ogenblik van de interestbetalingen.
Art. 36. L'emprunteur a droit au remboursement, par le prêteur, des intérêts payés dépassant le taux d'intérêt maximal garanti et des primes dépassant le taux de prime maximal garanti, augmenté du taux d'intérêt légal depuis le moment des paiements d'intérêt.
Art. 37. Zonder afbreuk te doen aan de verplichtingen die elders in dit besluit zijn bepaald, zijn kredietnemers verplicht:
  1° niet op een gewaarborgd krediet aanspraak te maken terwijl zij weten of behoren te weten niet aan de toepassingsvoorwaarden te voldoen;
  2° waarheidsgetrouw de door de wet en dit besluit vereiste gegevens te verstrekken en verklaringen af te leggen;
  3° het gewaarborgd krediet enkel aan te wenden ter financiering van hun activiteiten in België of hun kwalificerende buitenlandse activiteiten voor zover zulk gebruik is beperkt tot 10% van het gewaarborgd krediet en zulk gebruik niet ten koste gaat van de Belgische activiteiten;
  4° zich te onthouden van praktijken die hoofdzakelijk beogen zichzelf of hun kredieten in strijd met de doelstellingen van de wet en dit besluit binnen of buiten het toepassingsgebied ervan te plaatsen.
Art. 37. Sans préjudice des obligations prévues ailleurs dans le présent arrêté, les emprunteurs sont tenus de :
  1° ne pas solliciter un crédit garanti alors qu'il savent ou doivent savoir qu'il ne satisfont pas aux conditions d'application ;
  2° fournir les informations et faire les déclarations, imposées par le présent arrêté, de manière fidèle à la réalité ;
  3° utiliser le crédit garanti uniquement pour le financement de leurs activités en Belgique ou de leurs activités étrangères qualifiées, pour autant que cette utilisation soit limitée à 10% du crédit garanti et que cette utilisation ne se fasse pas au détriment des activités belges ;
  4° s'abstenir de pratiques qui visent principalement à se placer ou à placer leurs crédits dans ou hors le champ d'application de la loi et ses arrêtés, en contradiction des objectifs de la loi et du présent arrêté.
HOOFDSTUK 10. - Slotbepalingen
CHAPITRE 10. - Dispositions finales
Art. 38. De wederzijdse rechten en verbintenissen in verband met de staatswaarborg tussen de Staat enerzijds en de kredietgever anderzijds, zijn van contractuele aard. De partijen kunnen bij bijzondere overeenkomst aanvullende afspraken maken, voor zover die niet met de wettelijke bepalingen in strijd zijn.
Art. 38. Les droits et obligations réciproques relatifs à la garantie d'Etat entre l'Etat d'une part et le prêteur d'autre part, sont de nature contractuelle. Les parties peuvent, au moyen d'une convention particulière, conclure des accords plus précis, pour autant que ces derniers ne soient pas contraires aux dispositions légales.
Art. 39. De staatswaarborg is onderworpen aan het Belgisch recht en geschillen behoren tot de uitsluitende bevoegdheid van de Belgische hoven en rechtbanken.
Art. 39. La garantie d'Etat est soumise au droit belge et les litiges ressortent de la compétence exclusive des cours et tribunaux belges.
Art. 40. De Minister of zijn gemachtigde is bevoegd om arbitrageovereenkomsten en dadingen te sluiten over de vaststelling van alle geschillen die uit de toepassing van dit besluit kunnen voortvloeien.
Art. 40. Le Ministre ou son délégué est compétent pour conclure des conventions d'arbitrage et des transactions relatives à des litiges qui pourraient résulter de l'application du présent arrêté.
Art. 41. De Nationale Bank zal een rapporterings- en monitoringsmechanisme opzetten dat toelaat de uitvoering van de regeling bepaald in dit besluit op te volgen, eventuele problemen te identificeren en te remediëren.
Art. 41. La Banque nationale établira un mécanisme de reporting et de monitoring permettant de suivre la mise en oeuvre des règles fixées par le présent arrêté, d'identifier des problèmes éventuels et d'y remédier.
Art. 42. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 april 2020 en is bijgevolg van toepassing op alle kredieten die op of sinds 1 april 2020 zijn verleend.
Art. 42. Le présent arrêté produit ses effets à partir du 1er avril 2020 et est par conséquent applicable à tous les crédits qui sont octroyés au ou depuis le 1er avril 2020.
Art. 43. De Minister is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 43. Le Ministre est chargé de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. [1 Bijlage 1.
   Febelfin-Charter betalingsuitstel ondernemingskredieten]1
Art. N. [1 Annexe 1.
   Febelfin-Chartre report de paiement crédits aux entreprises]1
   (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 28-09-2020, p. 68440)
  
   (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 28-09-2020, p. 68444)