Zum Hauptinhalt

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
18 DECEMBER 2020. - Programmadecreet bij de begroting 2021(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 30-12-2020 en tekstbijwerking tot 20-08-2021)
Titre
18 DECEMBRE 2020. - Décret-programme accompagnant le budget 2021(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 30-12-2020 et mise à jour au 20-08-2021)
Dokumentinformationen
Numac: 2020016467
Datum: 2020-12-18
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2020016467
Date: 2020-12-18
Moniteur: Voir
Inhoud
HOOFDSTUK 1. - Algemeen HOOFDSTUK 2. - Cultuur, Jeugd, Sport en Media Afdeling 1. - Wijziging overgangsbepalingen DAC... Afdeling 2. - Wijziging van het decreet van 24 ... Afdeling 3. - Wijziging van het Circusdecreet v... Afdeling 4. - Infrastructuur Cultuur en Jeugd HOOFDSTUK 3. - Mobiliteit en Openbare Werken HOOFDSTUK 4. - Kanselarij, Bestuur, Buitenlands... HOOFDSTUK 5. - Omgeving Afdeling 1. - Toewijzen inkomsten van nieuwe vo... Afdeling 2. - Kredietbemiddeling door SHM's bij... Afdeling 3. - Wijzingen aan het decreet van 29 ... Afdeling 4. - Uitbreiding van de betalingsmodal... Afdeling 5. - Wijzigingen aan het decreet van 1... Afdeling 6. - Optimalisatie heffingen afval- en... HOOFDSTUK 6. - Onderwijs en Vorming Afdeling 1. - Verplaatsen van de opleiding "bac... Afdeling 2. - Toekennen van onderwijsbevoegdhei... Afdeling 3. - Toevoegen 8 miljoen euro voor aan... Afdeling 4. - Aanpassing puntengewichten hogesc... Afdeling 5. - Overslaan groeipad universiteiten... Afdeling 6. - Overslaan klik universiteiten beg... Afdeling 7. - Cao V Hoger Onderwijs - herstel v... Afdeling 8. - Cao V Hoger Onderwijs - actualise... Afdeling 9. - Aanpassing berekening groeipad gr... Afdeling 10. - Aanpassing berekeningswijze bedr... Afdeling 11. - Decretale verankering van de ver... Afdeling 12. - Maatregelen werkingsmiddelen van... Afdeling 13. - Uitbreiding rechtsgrond voor ad-... Afdeling 14. - Eenmalige vaste benoeming op 1 j... Afdeling 15. - Hogere Zeevaartschool Afdeling 16. - Volwassenenonderwijs HOOFDSTUK 7. - Financiën en Begroting Afdeling 1. - Aanpassing aan de belastingverhog... Afdeling 2. - Aanpassing van de nalatigheids- e... Afdeling 3. - Mildering van de gevolgen van de ... Afdeling 4. - Overgang naar Worldwide harmonize... Onderafdeling 1. - Verkeersbelasting Onderafdeling 2. - Belasting op de inverkeerste... Onderafdeling 3. - Aanpassing van artikel 135 v... HOOFDSTUK 8. - Economie, Wetenschap en Innovatie HOOFDSTUK 9. - Inwerkingtreding
Inhoud
CHAPITRE 1er. - Généralités CHAPITRE 2. Culture, Jeunesse, Sport et Médias Section 1re. - Modification des dispositions tr... Section 2. - Modification du décret du 24 janvi... Section 3. - Modification du Décret relatif à u... Section 4. - Infrastructure Culture et Jeunesse CHAPITRE 3. - Mobilité et Travaux publics CHAPITRE 4. - Chancellerie, Gouvernance publiqu... CHAPITRE 5. - Environnement et Aménagement du T... Section 1. - Attribution des recettes de la nou... Section 2. - Médiation de crédit par des sociét... Section 3. - Modifications du décret du 29 avri... Section 4. - Extension des modalités de paiemen... Section 5. - Modifications du décret du 13 juil... Section 6. - Optimisation des prélèvements de l... CHAPITRE 6. - Enseignement et Formation Section 1. - Déplacement de la formation " Bach... Section 2. - Octroi de la compétence d'enseigne... Section 3. - Ajout de 8 millions d'euros pour l... Section 4. - Adaptation des pondérations des in... Section 5. - Sauter la trajectoire de croissanc... Section 6. - Sauter le système cliquet des univ... Section 7. - CCT V Enseignement supérieur - rép... Section 8. - CCT V Enseignement supérieur - act... Section 9. - Adaptation du calcul de la traject... Section 10. - Adaptation du mode de calcul des ... Section 11. - Ancrage décrétal de la répartitio... Section 12. - Mesures moyens de fonctionnement ... Section 13. - Extension du fondement juridique ... Section 14. - Nomination à titre définitif uniq... Section 15. - Hogere Zeevaartschool Section 16. - Education des adultes CHAPITRE 7. - Finances et Budget Section 1. - Adaptation à l'accroissement d'imp... Section 2. - Adaptation des intérêts de retard ... Section 3. - Atténuation des effets de la crise... Section 4. - Passage à la Worldwide harmonized ... Sous-section 1ère. - Taxe de circulation Sous-section 2. - Taxe de mise en circulation Sous-section 3. - Adaptation de l'article 135 d... CHAPITRE 8. - Economie, Science et Innovation CHAPITRE 9. - Entrée en vigueur
Tekst (118)
Texte (118)
HOOFDSTUK 1. - Algemeen
CHAPITRE 1er. - Généralités
Artikel 1. Dit decreet regelt een gewest- en gemeenschapsaangelegenheid.
Article 1er. Le présent décret règle une matière communautaire et régionale.
HOOFDSTUK 2. - Cultuur, Jeugd, Sport en Media
CHAPITRE 2. Culture, Jeunesse, Sport et Médias
Afdeling 1. - Wijziging overgangsbepalingen DAC-subsidiëring sociaal-cultureel volwassenenwerk en lokaal cultuurbeleid
Section 1re. - Modification des dispositions transitoires relatives à la subvention TCT de l'animation socioculturelle des adultes et de la politique culturelle locale
Art. 2. In artikel 10 van het decreet van 7 mei 2004 houdende de aanvullende subsidies voor tewerkstelling in de culturele sector, ingevoegd bij het decreet van 7 juli 2017, wordt het derde lid vervangen door wat volgt:
  "De bepaling in het eerste lid is niet van toepassing voor de sector, vermeld in artikel 9, 3°. De middelen die voor de aanvullende subsidie voor tewerkstelling beschikbaar zijn binnen de sector van het sociaal-cultureel volwassenenwerk en de middelen die vrijkomen na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met geregulariseerde DAC-werknemers binnen de sector van het lokaal cultuurbeleid worden met ingang van 2021 toegevoegd aan de middelen voor de uitvoering van het decreet van 7 juli 2017 houdende de subsidiëring en erkenning van het sociaal-cultureel volwassenenwerk.".
Art. 2. Dans l'article 10 du décret du 7 mai 2004 relatif aux subventions additionnelles à l'emploi dans le secteur culturel, inséré par le décret du 7 juillet 2017, l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit :
  " La disposition de l'alinéa 1er ne s'applique pas au secteur visé à l'article 9, 3°. Les moyens disponibles pour la subvention additionnelle à l'emploi dans le secteur de l'animation socioculturelle des adultes et les moyens libérés après la cessation du contrat de travail avec les travailleurs TCT régularisés dans le secteur de la politique culturelle locale sont ajoutés, à partir de 2021, aux moyens pour l'exécution du décret du 7 juillet 2017 portant subvention et agrément de l'animation socioculturelle des adultes. ".
Afdeling 2. - Wijziging van het decreet van 24 januari 2003 houdende bescherming van het roerend cultureel erfgoed van uitzonderlijk belang
Section 2. - Modification du décret du 24 janvier 2003 portant protection du patrimoine culturel mobilier présentant un intérêt exceptionnel
Art. 3. Aan artikel 19, § 2, van het decreet van 24 januari 2003 houdende bescherming van het roerend cultureel erfgoed van uitzonderlijk belang wordt een punt 5° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "5° het subsidiëren van en investeren in de verbetering van de bewaaromstandigheden van in de lijst van het roerend cultureel erfgoed van de Vlaamse Gemeenschap opgenomen topstukken.".
Art. 3. L'article 19, § 2, du décret du 24 janvier 2003 portant protection du patrimoine culturel mobilier présentant un intérêt exceptionnel est complété par un point 5°, rédigé comme suit :
  " 5° au subventionnement de et à l'investissement dans l'amélioration des conditions de conservation des pièces maîtresses inscrites sur la liste du patrimoine culturel mobilier de la Communauté flamande. ".
Afdeling 3. - Wijziging van het Circusdecreet van 1 maart 2019
Section 3. - Modification du Décret relatif à une politique du cirque du 1er mars 2019
Art. 4. In artikel 23, § 1, van het Circusdecreet van 1 maart 2019 wordt in het derde lid de zin "Als de nettokosten, dat zijn de aangetoonde kosten, verminderd met de inkomsten die voortvloeien uit de realisatie van het project of product, minder bedragen dan de ontvangen subsidie, wordt het verschil teruggevorderd." opgeheven.
Art. 4. Dans l'article 23, § 1er, du Décret sur le cirque du 1er mars 2019 relatif à une politique du cirque, dans l'alinéa 3, la phrase " Si les coûts nets, autrement dit les coûts prouvés diminués des revenus issus de la réalisation du projet ou du produit, sont inférieurs au montant de la subvention reçue, la différence est réclamée. " est abrogée.
Afdeling 4. - Infrastructuur Cultuur en Jeugd
Section 4. - Infrastructure Culture et Jeunesse
Art. 5. § 1. Er wordt een begrotingsfonds Infrastructuur Cultuur en Jeugd opgericht, hierna genoemd "het Fonds".
  Het Fonds is een begrotingsfonds als vermeld in artikel 15, § 2, van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019.
  § 2. Het Fonds wordt gespijsd door:
  1° de eventuele inbreng van derden als sponsoring voor de realisatie van cultuur- en jeugdinfrastructuur;
  2° de terugvorderingen van de ten onrechte gedane betalingen door het Fonds met betrekking tot cultuur- en jeugdinfrastructuur;
  3° de opbrengsten van de ontvangsten voortvloeiend uit het beheer en het vervreemden van onroerende goederen, met inbegrip van uitrusting en apparatuur, waarvan het beheer is toegewezen aan de administratie waarbij het Fonds is ingedeeld;
  4° subsidies van andere overheden;
  5° schenkingen en legaten;
  6° boetes, schadevergoedingen en betalingen afkomstig uit dadingen;
  7° het onbelast saldo vastgesteld op 31 december 2020 op het Fonds Culturele Infrastructuur, opgericht bij het decreet van 19 december 1998 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999.
  [1 8° de middelen ontvangen vanuit het Vlaams Klimaatfonds, vermeld in artikel 14, § 5, tweede lid, van het decreet van 13 juli 2012 houdende bepalingen tot begeleiding van de tweede aanpassing van de begroting 2012.]1
  § 3. De middelen van het Fonds kunnen worden aangewend voor:
  1° het verstrekken van investeringssubsidies voor het bouwen, uitbreiden, verbouwen of aankopen van cultuur- en jeugdinfrastructuur met supralokaal belang;
  2° het aankopen, het bouwen en het verbouwen van de eigen cultuur- en jeugdinfrastructuur van de Vlaamse Gemeenschap en het ten laste nemen van de kosten ervan voor uitrusting en apparatuur, de eigenaarsverplichtingen, de onroerende voorheffing, verzekeringen en het eigenaarsonderhoud;
  3° het betalen van huurgelden, erfpachtvergoedingen, beschikbaarheidsvergoedingen en andere kosten voor het gebruiksrecht van gebouwen en terreinen met betrekking tot cultuur en jeugd, die ressorteren onder het beheer van de bevoegde administratie van de Vlaamse Gemeenschap;
  4° de uitgaven voor het vergoeden van schade met betrekking tot punt 1° tot en met 3° ;
  5° specifieke werkingskosten voor de realisatie van de doelstellingen opgenomen in punt 1° tot en met 4°.
  [1 6° het verstrekken van subsidies, toelagen en leningen met betrekking tot cultuuren jeugdinfrastructuur in het kader van het klimaatbeleid.]1
  
Art. 5. § 1er. Il est créé un fonds budgétaire Infrastructure Culture et Jeunesse, dénommé ci-après " le Fonds ".
  Le Fonds est un fonds budgétaire tel que visé à l'article 15, § 2, du Code flamand des Finances publiques du 29 mars 2019.
  § 2. Le Fonds est alimenté par :
  1° l'éventuelle contribution de tiers sous forme de sponsoring pour la réalisation d'infrastructure culturelle et de jeunesse ;
  2° les recouvrements des paiements effectués indûment par le Fonds en ce qui concerne l'infrastructure culturelle et de jeunesse ;
  3° les produits des recettes découlant de la gestion et de l'aliénation de biens immobiliers, y compris l'équipement et les appareils, dont la gestion a été confiée à l'administration à laquelle le Fonds est affecté ;
  4° des subventions d'autres autorités ;
  5° des dons et des legs ;
  6° des amendes, dommages-intérêts et paiements provenant de transactions ;
  7° le solde libre, établi le 31 décembre 2020 sur le Fonds d'infrastructure culturelle, établi par le décret du 19 décembre 1998 contenant des dispositions accompagnant le budget 1999.
  [1 8° les moyens reçus du Fonds climatique flamand, visés à l'article 14, § 5, deuxième alinéa, du décret du 13 juillet 2012 contenant diverses mesures d'accompagnement du second ajustement du budget 2012.]1
  § 3. Les moyens du Fonds peuvent être affectés :
  1° à l'octroi de subventions d'investissement pour la construction, l'extension, la transformation ou l'achat d'infrastructure culturelle et de jeunesse d'importance supra-locale ;
  2° à l'achat, à la construction et à la transformation de la propre infrastructure culturelle et de jeunesse de la Communauté flamande, et à la prise en charge des frais d'équipement et d'appareillage, les obligations du propriétaire, le précompte immobilier et l'entretien incombant au propriétaire ;
  3° au paiement de loyers, baux emphytéotiques, redevances de disponibilité et autres frais pour le droit d'usage de bâtiments et de terrains relatifs à la culture et à la jeunesse, relevant de la gestion de l'administration compétente de la Communauté flamande ;
  4° aux dépenses pour l'indemnisation des dommages relatifs aux points 1° à 3° ;
  5° aux frais de fonctionnement spécifiques pour la réalisation des objectifs repris aux points 1° à 4°.
  [1 6° à l'octroi de subventions, d'allocations et de prêts relatifs à l'Infrastructure Culture et Jeunesse dans le cadre de la politique climatique.]1
  
Art. 6. § 1. De Vlaamse Regering kan investeringssubsidies verstrekken voor het bouwen, uitbreiden, verbouwen of aankopen van cultuur- en jeugdinfrastructuur met supralokaal belang.
  § 2. De Vlaamse Regering bepaalt onder welke voorwaarden en op welke wijze de investeringssubsidies, vermeld in paragraaf 1, worden verstrekt.
  De investeringssubsidies betreffen enerzijds de subsidiëring van grote cultuur- en jeugdinfrastructuren en anderzijds sectorale investeringssubsidies.
  § 3. Onder grote cultuur- en jeugdinfrastructuren worden verstaan: infrastructuren die van een uitzonderlijke omvang zijn en waarin een cultuur- of jeugdwerking wordt gerealiseerd die zich richt tot de Vlaamse Gemeenschap of ruimer. De Raad voor Cultuur, Jeugd, Sport en Media adviseert mee over de langetermijnvisie en
  -planning aangaande de nieuwe grote cultuur- en jeugdinfrastructuren.
  § 4. Onder sectorale investeringssubsidies worden verstaan: subsidies toegekend als tussenkomst in de infrastructuuruitgaven van specifieke sectoren die door de Vlaamse Regering als prioritair worden aangeduid. De Vlaamse Regering legt deze prioriteit vast voor een bepaalde periode. De Vlaamse Regering bepaalt het globaal hiervoor te bestemmen subsidiebedrag.
  § 5. Voor het toekennen van sectorale subsidies wordt door de Vlaamse Regering, binnen de administratie, een adviescommissie opgericht die is samengesteld uit leden van de betrokken administraties en deskundigen uit de betrokken sectoren.
  § 6. De regeling voor het toekennen van subsidies zal volgende bestanddelen bevat- ten:
  1° de bepaling van de kandidaat-subsidietrekker en de voorwaarden om voor subsidiëring in aanmerking te komen;
  2° de bepaling in verband met terugbetaling van de toegekende subsidies, bij vervreemding van de infrastructuur of bestemmingswijziging ervan;
  3° voor de toekenning van sectorale investeringssubsidies, zal de regeling nog bevatten:
  a) de wijze en de termijnen van het indienen van aanvragen;
  b) de beoordelingscriteria;
  c) de wijze van principiële toezegging;
  d) de uitbetalingsvoorwaarden en -modaliteiten.
  § 7. De investeringssubsidies, vermeld in paragraaf 1, worden toegepast met inachtneming van de volgende voorwaarden, vermeld in de verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, de latere wijzigingen ervan en elke latere akte die de verordening ver- vangt, hierna genoemd Algemene Groepsvrijstellingsverordening:
  1° dossiers waarvan er ten aanzien van de subsidieontvanger een bevel tot terug- vordering uitstaat ingevolge een eerder besluit van de Europese Commissie, waarbij de steun onrechtmatig en onverenigbaar is verklaard met de interne markt, zijn uitgesloten;
  2° dossiers van subsidieontvangers die voldoen aan de definitie van "onderneming in moeilijkheden", vermeld in artikel 2, 18, van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening, zijn uitgesloten;
  3° dossiers die bij toekenning van de subsidie tot een schending van het Unie- recht als vermeld in artikel 1, lid 5, van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening, zouden leiden, zijn uitgesloten;
  4° bij de berekening van de steunintensiteit en de in aanmerking komende kosten zijn alle bedragen die worden gebruikt, de bedragen vóór aftrek van belastin- gen of andere heffingen. De in aanmerking komende kosten worden gestaafd met bewijsstukken, die duidelijk gespecifieerd en actueel zijn;
  5° wanneer steun in een andere vorm dan een subsidie wordt toegekend, is het steunbedrag het bruto-subsidie-equivalent van de steun;
  6° steun die in meerdere delen wordt uitgekeerd, wordt gedisconteerd tot de waarde ervan op het tijdstip van de toekenning van de steun. De in aanmerking komende kosten worden gedisconteerd tot hun waarde op het tijdstip van de toekenning van de steun;
  7° overeenkomstig artikel 11 en 12 van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening worden de verplichtingen inzake verslaglegging en monitoring nageleefd.
  De steunintensiteit per begunstigde is conform artikel 53, lid 6 tot en met lid 9, van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening.
  De verplichtingen voor de publicatie en de informatie, vermeld in artikel 9 van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening, worden nageleefd. Als een subsidieontvanger een individuele steuntoekenning krijgt van 500.000 euro of meer, worden de gegevens, vermeld in bijlage III van de voormelde verordening, gepubliceerd op de transparantiewebsite die de Europese Commissie ontwikkeld heeft.
  De aanmeldingsdrempels voor investerings- en exploitatiesteun voor cultuur, vermeld in de Algemene Groepsvrijstellingsverordening, worden in acht genomen.
  Als de individuele aanmeldingsdrempels, vermeld in artikel 4 van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening, overschreden worden, wordt de voorgenomen steun voorafgaandelijk aangemeld bij de Europese Commissie.
Art. 6. § 1er. Le Gouvernement flamand peut octroyer des subventions d'investissement pour la construction, l'extension, la transformation ou l'achat d'infrastructure culturelle et de jeunesse d'importance supra-locale.
  § 2. Le Gouvernement flamand détermine les conditions et les modalités suivant lesquelles les subventions d'investissement, visées au paragraphe 1er, sont octroyées.
  Les subventions d'investissement concernent le subventionnement de grandes infrastructures culturelles et de jeunesse d'une part, et des subventions d'investissement sectorielles d'autre part.
  § 3. Par grandes infrastructures culturelles et de jeunesse, on entend : les infrastructures qui sont d'une ampleur exceptionnelle dans lesquelles des activités culturelles ou de jeunesse sont réalisées qui s'adressent au moins à la Communauté flamande. Le Conseil de la Culture, de la Jeunesse, des Sports et des Médias donne des conseils sur la vision et la planification à long terme des nouvelles grandes infrastructures culturelles et de jeunesse.
  § 4. Par subventions d'investissement sectorielles, on entend : les subventions octroyées à titre d'intervention dans les dépenses d'infrastructure de secteurs spécifiques qui sont désignés comme prioritaires par le Gouvernement flamand. Le Gouvernement flamand fixe cette priorité pour une période déterminée. Le Gouvernement flamand arrête le montant de subvention global à affecter à cet effet.
  § 5. Pour l'octroi de subventions sectorielles, le Gouvernement flamand crée au sein de l'administration une commission consultative, composée de membres des administrations concernées et d'experts des secteurs concernés.
  § 6. Le régime d'octroi des subventions comprendra les éléments suivants :
  1° la détermination du candidat bénéficiaire de subventions et les conditions d'éligibilité au subventionnement ;
  2° la disposition relative au remboursement des subventions accordées, en cas d'aliénation de l'infrastructure ou de changement de son affectation ;
  3° pour l'octroi de subventions d'investissement sectorielles, le régime comprendra également :
  a) le mode et les délais d'introduction des demandes ;
  b) les critères d'évaluation ;
  c) le mode d'octroi de principe ;
  d) les conditions et modalités de paiement.
  § 7. Les subventions d'investissement, visées au paragraphe 1er, sont appliquées dans le respect des conditions suivantes, visées au Règlement (UE) n° 651/2014 de la Commission du 17 juin 2014 déclarant certaines catégories d'aides compatibles avec le marché intérieur en application des articles 107 et 108 du traité, ses modifications ultérieures et tout acte ultérieur remplaçant le règlement, dénommé ci-après le Règlement général d'exemption par catégorie :
  1° les dossiers du bénéficiaire d'une subvention faisant l'objet d'une injonction de récupération non exécutée, émise dans une décision antérieure de la Commission déclarant une aide illégale et incompatible avec le marché intérieur, sont exclus ;
  2° les dossiers de bénéficiaires de subventions qui satisfont à la définition d'entreprise en difficulté visée à l'article 2, 18, du Règlement général d'exemption par catégorie, sont exclus ;
  3° les dossiers qui, lors de l'octroi de la subvention, pourraient entraîner une violation du droit de l'Union telle que visée à l'article 1er, paragraphe 5, du règlement général d'exemption par catégorie, sont exclus ;
  4° pour le calcul de l'intensité de l'aide et des coûts admissibles, tous les montants utilisés sont des montants avant impôts ou autres prélèvements. Les frais éligibles sont étayés par des pièces justificatives claires, spécifiques et actualisées ;
  5° lorsqu'une aide est accordée sous une forme autre qu'une subvention, le montant de l'aide est son équivalent-subvention brut ;
  6° les aides payables en plusieurs tranches sont actualisées à leur valeur au moment de leur octroi. Les coûts admissibles sont actualisés à leur valeur au moment de l'octroi de l'aide ;
  7° conformément aux articles 11 et 12 du Règlement général d'exemption par catégorie, les obligations en matière de communication des informations et rapports et de contrôle sont respectées.
  L'intensité de l'aide par bénéficiaire est conforme à l'article 53, paragraphes 6 à 9, du Règlement général d'exemption par catégorie.
  Les obligations relatives à la publication et à l'information, visées à l'article 9 du Règlement général d'exemption par catégorie, sont respectées. Lorsqu'un bénéficiaire d'une subvention reçoit une aide individuelle de 500.000 euros ou plus,
  les informations précisées à l'annexe III du règlement précité sont publiées sur le site Internet consacré à la transparence développé par la Commission européenne.
  Les seuils de notification pour l'aide à l'investissement et à l'exploitation pour la culture, visés au Règlement général d'exemption par catégorie, sont respectés.
  En cas de dépassement des seuils de notification individuels visés à l'article 4 du Règlement général d'exemption par catégorie, l'aide prévue est préalablement notifiée à la Commission européenne.
Art. 7. De Vlaamse Gemeenschap neemt de op 31 december 2020 uitstaande ver- bintenissen aangegaan door het Fonds Culturele Infrastructuur over.
Art. 7. La Communauté flamande reprend les engagements en cours au 31 décembre 2020, contractés par le Fonds d'Infrastructure culturelle.
Art. 8. Facturen met betrekking tot subsidies toegekend op basis van het reglement voor subsidiëring van culturele infrastructuur met bovenlokaal belang van 16 maart 2001 kunnen uiterlijk tot 31 december 2024 voor goedkeuring en uitbetaling worden voorgelegd.
Art. 8. Les factures relatives aux subventions octroyées sur la base du règlement de subventionnement d'infrastructure culturelle d'importance supralocale du 16 mars 2001 peuvent être soumises pour approbation et paiement jusqu'au 31 décembre 2024 au plus tard.
Art. 9. Volgende regelingen worden opgeheven:
  1° hoofdstuk XII, dat bestaat uit artikel 49 tot en met 54, van het decreet van 19 december 1998 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999;
  2° artikel 3, tweede lid, 1°, van het decreet van 29 maart 2019 houdende diverse bepalingen in het beleidsveld cultuur.
Art. 9. Les règlements suivants sont abrogés :
  1° le chapitre XII, comprenant les articles 49 à 54, du décret du 19 décembre 1998 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 1999 ;
  2° l'article 3, alinéa 2, 1°, du décret du 29 mars 2019 portant diverses dispositions dans le domaine politique de la culture.
HOOFDSTUK 3. - Mobiliteit en Openbare Werken
CHAPITRE 3. - Mobilité et Travaux publics
Art. 10. In artikel 2, 8°, van het decreet van 3 mei 2013 betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport worden de woorden "ambtenaar die" vervangen door de woorden "personeelslid dat".
Art. 10. Dans l'article 2, 8°, du décret du 3 mai 2013 relatif à la protection de l'infrastructure routière dans le cas du transport routier exceptionnel, le mot " fonctionnaire " est remplacé par les mots " membre du personnel ".
Art. 11. In artikel 17, § 3, van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het eerste lid wordt vervangen door wat volgt:
  "Als de administratieve geldboete niet onmiddellijk werd geïnd, brengen de wegeninspecteurs binnen de vijfendertig dagen na de vaststelling van de inbreuk, de procureur des Konings en de wegeninspecteur-controleur op de hoogte van de door hen vastgestelde inbreuken en, in voorkomend geval, van de consignaties, vermeld in paragraaf 6.";
  2° het tweede lid wordt opgeheven;
  3° in het bestaande derde lid, dat het tweede lid wordt, wordt tussen het woord "beschikt" en het woord "over" het woord "vervolgens" ingevoegd.
Art. 11. A l'article 17, § 3, du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
  1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  " Si l'amende administrative n'a pas été immédiatement perçue, les inspecteurs des routes informent le procureur du Roi et l'inspecteur-contrôleur des routes des infractions constatées par eux et, le cas échéant, des consignations, visées au paragraphe 6, dans les trente-cinq jours après la constatation de l'infraction. " ;
  2° l'alinéa 2 est abrogé ;
  3° dans l'alinéa 3 existant, qui devient alinéa 2, le mot " ensuite " est inséré entre le mot " dispose " et les mots " d'un délai ".
Art. 12. In artikel 19, § 1, eerste lid, van hetzelfde decreet wordt het woord "derde" vervangen door het woord "tweede".
Art. 12. Dans l'article 19, § 1er, alinéa 1er du même décret, le mot " troisième " est remplacé par le mot " deuxième ".
Art. 13. In artikel 42, § 6, van het decreet van 3 juli 2015 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2015, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2018, wordt de zinsnede "aan schoolomgevingen tot doel heb- ben, andere dan deze bedoeld in artikel 26/10 en artikel 26/12 van het decreet van 20 maart 2009 betreffende het mobiliteitsbeleid" vervangen door de zinsnede "aan schoolomgevingen langs gemeente- of gewestwegen of van schoolroutes langs gemeentewegen tot doel hebben, andere dan deze bedoeld in artikel 29 van het decreet van 26 april 2019 betreffende de basisbereikbaarheid".
Art. 13. Dans l'article 42, § 6, du décret du 3 juillet 2015 contenant diverses mesures d'accompagnement de l'ajustement du budget 2015, inséré par le décret du 21 décembre 2018, le membre de phrase " des environnements scolaires, autres que ceux visés aux articles 26/10 et 26/12 du décret du 20 mars 2009 relatif à la politique de mobilité " est remplacé par le membre de phrase " des environnements scolaires le long de routes communales ou régionales ou des itinéraires scolaires le long des routes communales, autres que ceux visés à l'article 29 du décret du 26 avril 2019 relatif à l'accessibilité de base. ".
HOOFDSTUK 4. - Kanselarij, Bestuur, Buitenlandse Zaken en Justitie
CHAPITRE 4. - Chancellerie, Gouvernance publique, Affaires étrangères et Justice
Art. 14. Aan artikel 3, § 5, eerste lid, van het decreet van 23 november 2018 betreffende het Vlaams Pensioenfonds en het publieke pensioenstelsel van de dien- sten van de Vlaamse overheid en andere besturen wordt een punt 3° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "3° de Vlaamse Gemeenschapscommissie.".
Art. 14. L'article 3, § 5, alinéa 1er, du décret du 23 novembre 2018 relatif au Fonds de pension flamand et au régime de pension public pour les travailleurs des services de l'Autorité flamande et d'autres administrations, est complété par un point 3°, rédigé comme suit :
  " 3° la Commission communautaire flamande. ".
HOOFDSTUK 5. - Omgeving
CHAPITRE 5. - Environnement et Aménagement du Territoire
Afdeling 1. - Toewijzen inkomsten van nieuwe vorm van bestuurlijke beboeting aan het Fonds voor de Wooninspectie
Section 1. - Attribution des recettes de la nouvelle forme d'amende administrative au Fonds de l'Inspection du Logement
Art. 15. In artikel 19, § 1, tweede lid, van het decreet van 29 juni 2007 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2007, vervangen bij het decreet van 4 mei 2016 en gewijzigd bij het decreet van 29 maart 2019 en bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 juli 2020, wordt tussen de zinsneden "artikel 3.43 tot en met 3.50," en "boek 4, deel 3" de zinsnede "artikel 3.55," ingevoegd.
Art. 15. Dans l'article 19, § 1er, alinéa 2, du décret du 29 juin 2007 contenant diverses mesures d'accompagnement de l'ajustement du budget 2007, remplacé par le décret du 4 mai 2016 et modifié par le décret du 29 mars 2019 en par l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 juillet 2020, le membre de phrase " l'article 3.55, " est inséré entre le membre de phrase " aux articles 3.43 à 3.50, " et le membre de phrase " livre 4, partie 3 ".
Afdeling 2. - Kredietbemiddeling door SHM's bij de toekenning van bijzondere sociale leningen
Section 2. - Médiation de crédit par des sociétés de logement social lors de l'octroi de prêts sociaux spéciaux
Art. 16. Artikel 4.44 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 4.44. § 1. De Vlaamse Regering kan sociale huisvestingsmaatschappijen erkennen om op te treden als kredietbemiddelaar van het Vlaams Woningfonds bij het verstrekken van de bijzondere sociale leningen, vermeld in artikel 5.65.
  Om erkend te kunnen worden en te blijven moet de sociale huisvestingsmaatschappij financieel gezond zijn en beschikken over personeel dat voldoet aan de vereisten van beroepskennis, geschiktheid en professionele betrouwbaarheid. De Vlaamse Regering kan aanvullende voorwaarden opleggen om erkend te worden.
  De Vlaamse Regering kan de erkenning van de sociale huisvestingsmaatschap- pij, vermeld in het eerste lid, opheffen.
  De Vlaamse Regering stelt de procedure vast voor de erkenning en de ophef- fing van de erkenning.
  De sociale huisvestingsmaatschappijen die overeenkomstig het eerste lid als kredietbemiddelaar erkend zijn, worden toegelaten om op te treden als krediet- bemiddelaar inzake hypothecair krediet als vermeld in artikel VII.177, eerste lid, 1°, en tweede lid, van het Wetboek van Economisch Recht en zijn vrijgesteld van de registratieplicht waarin artikel VII.180 van het Wetboek van Economisch Recht voorziet.
  § 2. Binnen de perken van de kredieten die daarvoor op de begroting van het Vlaamse Gewest ingeschreven worden, kan de Vlaamse Regering, onder de voor- waarden die ze bepaalt, subsidies verlenen voor de werking van de sociale huisvestingsmaatschappijen die erkend zijn als kredietbemiddelaar. De subsidiëring ten laste van de uitgavenbegroting van het Vlaamse Gewest mag nooit meer bedragen dan 100% van de totale kosten.".
Art. 16. L'article 4.44 du Code flamand du Logement de 2021 est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 4.44. § 1er. Le Gouvernement flamand peut agréer des sociétés de logement social pour agir en tant qu'intermédiaires de crédit du Fonds flamand du Logement lors de l'octroi des prêts sociaux spéciaux visés à l'article 5.65.
  Pour être et rester agréée, la société de logement social doit être financièrement saine et disposer de personnel qui répond aux exigences en matière de connaissances professionnelles, d'aptitude et de fiabilité professionnelle. Le Gouvernement flamand peut imposer des conditions supplémentaires pour l'agrément.
  Le Gouvernement flamand peut abroger l'agrément de la société de logement social, visé à l'alinéa 1er.
  Le Gouvernement flamand fixe la procédure de l'agrément et de l'abrogation de l'agrément.
  Les sociétés de logement social qui sont agréées comme intermédiaire de crédit conformément à l'alinéa 1er, sont autorisées à agir en tant qu'intermédiaire en crédit hypothécaire tel que visé à l'article VII.177, alinéa 1er, 1°, et alinéa 2, du Code de droit économique et sont exemptées de l'obligation d'enregistrement prévue par l'article VII.180 du Code de droit économique.
  § 2. Dans les limites des crédits inscrits à cet effet au budget de la Région flamande, le Gouvernement flamand peut, dans les conditions qu'il fixe, accorder des subventions au fonctionnement des sociétés de logement social qui sont agréées comme intermédiaire de crédit. Le subventionnement à charge du budget des dépenses de la Région flamande ne peut dépasser 100% des frais totaux. ".
Art. 17. In afwachting van een erkenning van een sociale huisvestingsmaatschap- pij om op te treden als kredietbemiddelaar als vermeld in artikel 4.44 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, zijn de sociale huisvestingsmaatschappijen die gemachtigd werden om op te treden als kredietbemiddelaar van de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen, vermeld in artikel 41, § 4, van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, zoals van kracht vóór 1 januari 2021, erkend om op te treden als kredietbemiddelaar van het Vlaams Woningfonds.
Art. 17. Dans l'attente d'un agrément d'une société de logement social pour agir en tant qu'intermédiaire de crédit, tel que visé à l'article 4.44 du Code flamand du Logement de 2021, les sociétés de logement social qui ont été autorisées à agir en tant qu'intermédiaire de crédit de la Société flamande du Logement social, tel que visé à l'article 41, § 4, du décret du 15 juillet 1997 contenant le Code flamand du Logement, tel qu'en vigueur avant le 1er janvier 2021, sont agréées pour agir en tant qu'intermédiaire de crédit du Fonds flamand du Logement.
Afdeling 3. - Wijzingen aan het decreet van 29 april 1991 tot vaststelling van de algemene regelen inzake de erkenning en de subsidiëring van de milieu- en natuurverenigingen
Section 3. - Modifications du décret du 29 avril 1991 fixant les règles générales relatives à l'agrément et au subventionnement des associations écologiques
Art. 18. In het opschrift van het decreet van 29 april 1991 tot vaststelling van de algemene regelen inzake de erkenning en de subsidiëring van de milieu- en natuurverenigingen, gewijzigd bij het decreet van 30 april 2004, wordt de zinsnede "milieu- en natuurverenigingen" vervangen door de zinsnede "de milieu-, natuur-, en ruimteverenigingen".
Art. 18. Dans l'intitulé du décret du 29 avril 1991 fixant les règles générales relatives à l'agrément et au subventionnement des associations écologiques, modifié par le décret du 30 avril 2004, les mots " associations écologiques " sont remplacés par le membre de phrase " associations écologiques et spatiales ".
Art. 19. In artikel 11 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 30 april 2004 en 18 december 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 1. Binnen de perken van de begrotingskredieten kan de Vlaamse Regering, onder de in dit decreet vastgestelde regels, subsidies verlenen voor milieu-, natuur- en ruimteverenigingen en voor projecten die de leefmilieukwaliteit, de biodiversiteit of de ruimtelijke kwaliteit bevorderen, of die bijdragen tot klimaatadaptatie of -mitigatie.";
  2° in paragraaf 3 wordt punt 1° vervangen door wat volgt:
  "1° opgericht zijn in de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk of stichting en met als hoofddoelstelling het bevorderen van de leefmilieu- kwaliteit, de biodiversiteit of de ruimtelijke kwaliteit;".
Art. 19. A l'article 11 du même décret, modifié par les décrets des 30 avril 2004 et 18 décembre 2015, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
  " § 1er. Dans les limites des crédits budgétaires, le Gouvernement flamand peut, selon les règles fixées dans le présent décret, accorder des subventions aux associations écologiques et spatiales et aux projets qui favorisent la qualité de l'environnement, la biodiversité ou la qualité spatiale, ou qui contribuent à l'atténuation du changement climatique ou à l'adaptation à celui-ci. " ;
  2° au paragraphe 3, le point 1° est remplacé par ce qui suit :
  " 1° être constituée sous la forme d'une association sans but lucratif ou d'une fondation et dont l'objectif principal est la promotion de la qualité de l'environnement, la biodiversité ou la qualité spatiale ; ".
Art. 20. Artikel 12 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 21 december 1994 en 18 december 2015, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 12. De erkende milieu-, natuur- en ruimteverenigingen kunnen met toepassing van de aanvullende regels, vermeld in artikel 16, een subsidie ontvangen die bestemd is voor de werking. De activiteiten waarvoor de erkende milieu-, natuur- en ruimteverenigingen in toepassing van andere reglementeringen subsidies ontvangen vanwege de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest komen niet in aanmerking voor het berekenen van de subsidie.".
Art. 20. L'article 12 du même décret, modifié par les décrets des 21 décembre 1994 et 18 décembre 2015, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 12. Les associations écologiques et spatiales agréées peuvent bénéficier d'une subvention destinée au fonctionnement général, en application des règles supplémentaires stipulées à l'article 16. Les activités pour lesquelles les associations écologiques et spatiales agréées reçoivent des subventions de la Communauté flamande ou de la Région flamande, en application d'autres réglementations, n'entrent pas en ligne de compte pour le calcul de la subvention. ".
Art. 21. Artikel 13 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 30 april 2004 en 18 december 2015, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 13. Er kan aan milieu-, natuur- en ruimteverenigingen en aan andere actoren een subsidie worden toegekend voor de uitwerking van projecten die de leefmilieukwaliteit, de biodiversiteit of de ruimtelijke kwaliteit bevorderen of die bijdragen tot klimaatadaptatie of -mitigatie. De Vlaamse Regering kan de nadere regels voor het verlenen van die projectsubsidie bepalen.".
Art. 21. L'article 13 du même décret, modifié par les décrets des 30 avril 2004 et 18 décembre 2015, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 13. Une subvention peut être accordée aux associations écologiques et spatiales pour l'élaboration de projets qui favorisent la qualité de l'environnement, la biodiversité ou la qualité spatiale ou qui contribuent à l'atténuation du changement climatique ou à l'adaptation à celui-ci. Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités d'octroi de cette subvention de projet. ".
Afdeling 4. - Uitbreiding van de betalingsmodaliteiten van de retributie voor een bodemattest via wijziging van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006
Section 4. - Extension des modalités de paiement de la rétribution pour l'attestation du sol par une modification du décret relatif au sol du 27 octobre 2006
Art. 22. In artikel 162, § 9, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006, gewijzigd bij de decreten van 21 december 2007, 28 maart 2014 en 18 december 2015, wordt punt 1° opgeheven.
Art. 22. Dans l'article 162, § 9, du décret relatif au sol du 27 octobre 2006, modifié par les décrets des 21 décembre 2007, 28 mars 2014 et 18 décembre 2015, le point 1° est abrogé.
Afdeling 5. - Wijzigingen aan het decreet van 13 juli 2012 houdende bepalingen tot begeleiding van de tweede aanpassing van de begroting 2012
Section 5. - Modifications du décret du 13 juillet 2012 contenant diverses mesures d'accompagnement du deuxième ajustement du budget 2012
Art. 23. In artikel 14 van het decreet van 13 juli 2012 houdende bepalingen tot begeleiding van de tweede aanpassing van de begroting 2012, gewijzigd bij de decreten van 23 december 2016, 22 december 2017, 6 juli 2018 en 29 maart 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 5 wordt het eerste streepje vervangen door wat volgt:
  "- de cofinanciering van intern Vlaams klimaatbeleid met het oog op het behalen van de Vlaamse broeikasgasemissiereductiedoelstellingen. Deze beleidsmaatregelen of projecten dragen bij tot de Vlaamse niet-ETS- reductiedoelstelling of tot de Vlaamse LULUCF no-debetregel;";
  2° paragraaf 6 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 6. De Vlaamse Regering beschikt over de kredieten van het Fonds voor de financiering van de onder paragraaf 3 en paragraaf 5 vermelde taken. De Vlaamse Regering bepaalt de cofinancieringspercentages die van toepassing zijn voor de besteding, vermeld onder paragraaf 5, eerste streepje.".
Art. 23. A l'article 14 du décret du 13 juillet 2012 contenant diverses mesures d'accompagnement du deuxième ajustement du budget 2012, modifié par les décrets des 23 décembre 2016, 22 décembre 2017, 6 juillet 2018 et 29 mars 2019, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 5, le premier tiret est remplacé par ce qui suit :
  " - au cofinancement de la politique climatique interne de la Flandre en vue d'atteindre les objectifs flamands en matière de réduction des émissions de gaz à effet de serre. Ces mesures politiques ou projets contribuent à l'objectif flamand de réduction hors SEQE ou à la règle flamande " no debit " UTCATF ; " ;
  2° le paragraphe 6 est remplacé par ce qui suit :
  " § 6. Le Gouvernement flamand dispose des crédits du Fonds pour financer les tâches visées aux paragraphes 3 et 5. Le Gouvernement flamand détermine les pourcentages de cofinancement applicables à l'affectation visée au paragraphe 5, premier tiret. ".
Afdeling 6. - Optimalisatie heffingen afval- en materialenbeleid
Section 6. - Optimisation des prélèvements de la politique des déchets et des matériaux
Art. 24. In artikel 46 van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duur- zaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 april 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 wordt tussen het zesde en het zevende lid een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16° en 17°, geldt met ingang van het heffingsjaar 2021 een tarief van 0 euro per ton voor het verbranden of meeverbranden van brandbare recyclageresidu's afkomstig van bedrijven die gelaagd glas voorbehandelen met het oog op de herwinning van polyvinylbutyral, afgekort PVB-polymeren voor de aanmaak van nieuwe producten, meer bepaald residu's afkomstig van de scheiding van het glas en PVB-folie;";
  2° in paragraaf 2, tweede lid, 11°, wordt tussen het jaartal "2008" en de woorden "voor het storten" de zinsnede "tot en met het vierde kwartaal van 2020, K = 0,1 voor het heffingsjaar 2021, K = 0,2 voor het heffingsjaar 2022, K = 0,6 voor het heffingsjaar 2023 en K = 1 met ingang van het heffingsjaar 2024" ingevoegd;
  3° aan paragraaf 2, tweede lid, 11°, wordt na het woord "gewichtsprocent" de zinsnede "tot en met het vierde kwartaal van 2020 en 0,5 gewichtsprocent vanaf het eerste kwartaal van 2021" toegevoegd;
  4° in paragraaf 2, tweede lid, 11°, wordt tussen de zinsnede "1%" en het woord "overschrijdt" de zinsnede "respectievelijk 0,5%" ingevoegd;
  5° in paragraaf 2, vijfde lid, 8°, wordt de zinsnede "in het heffingsjaar 2020" vervangen door de zinsnede "in de heffingsjaren 2020, 2021 en 2022";
  6° in paragraaf 2, vijfde lid, 9°, wordt het jaartal "2020" vervangen door het jaartal "2023";
  7° in paragraaf 2, vijfde lid, 10°, wordt het jaartal "2021" vervangen door het jaartal "2024";
  8° in paragraaf 2, vijfde lid, 11°, wordt het jaartal "2022" vervangen door het jaartal "2025";
  9° aan paragraaf 2, zesde lid, wordt een punt c) toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "c) wordt de hoeveelheid premix die gewonnen wordt voor de aanmaak van nieuwe kunststoffen vermenigvuldigd met een factor 1,5. Een premix is een materiaalmengeling van minstens 55% recycleerbare kunststoffen met onder meer nog metalen (max 2%), hout (max 5%), rubber en PVC, die reeds ontdaan is van zand. De exploitant van de PST-installatie legt aan OVAM jaarlijks een document voor dat aantoont dat het materiaal uitgesorteerd via de premix, effectief ingezet wordt voor materiaalrecyclage.".
Art. 24. A l'article 46 du décret du 23 décembre 2011 relatif à la gestion durable de cycles de matériaux et de déchets, modifié en dernier lieu par le décret du 26 avril 2019, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, il est inséré, entre les alinéas 6 et 7, un alinéa rédigé comme suit :
  " Par dérogation aux cas visés à l'alinéa 1er, 16° et 17°, un taux de 0 euro par tonne s'applique, à partir de l'année de redevance 2021, à l'incinération ou à la co-incinération des résidus de recyclage combustibles provenant d'entreprises prétraitant des verres feuilletés en vue de la récupération du polyvinylbutyral, en abrégé polymères PVB, pour la fabrication de nouveaux produits, notamment des résidus provenant de la séparation du verre et de la feuille PVB ; " ;
  2° dans le paragraphe 2, alinéa 2, 11°, le membre de phrase " jusqu'au quatrième trimestre de 2020, K = 0,1 pour l'année d'imposition 2021, K = 0,2 pour l'année d'imposition 2022, K = 0,6 pour l'année d'imposition 2023 et K = 1 à partir de l'année d'imposition 2024 " est inséré entre l'année " 2008 " et les mots " pour la mise en décharge " ;
  3° le paragraphe 2, aliéna 2, 11°, le membre de phrase " jusqu'au quatrième trimestre de 2020 et à 0,5 pour cent en poids à partir du premier trimestre de 2021 " est inséré après les mots " pour cent en poids " ;
  4° dans le paragraphe 2, alinéa 2, 11°, le membre de phrase " respectivement 0,5% " est inséré entre le membre de phrase " 1 % " et les mots " , le tarif " ;
  5° dans le paragraphe 2, alinéa 5, 8°, le membre de phrase " dans l'année de redevance 2020 " est remplacé par le membre de phrase " dans les années de redevance 2020, 2021 et 2022 " ;
  6° dans le paragraphe 2, alinéa 5, 9°, l'année " 2020 " est remplacée par l'année " 2023 " ;
  7° dans le paragraphe 2, alinéa 5, 10°, l'année " 2021 " est remplacée par l'année " 2024 " ;
  8° dans le paragraphe 2, alinéa 5, 11°, l'année " 2022 " est remplacée par l'année " 2025 " ;
  9° le paragraphe 2, alinéa 6, est complété par un point c), rédigé comme suit :
  " c) la quantité de prémix récupérée pour la production de nouvelles matières plastiques est multipliée par un facteur 1,5. Un prémix est un mélange de matériaux composé d'au moins 55 % de plastiques recyclables, dont des métaux (max. 2%), du bois (max. 5%), du caoutchouc et du PVC, qui a déjà été débarrassé du sable. L'exploitant de l'installation PST soumet annuellement à l'OVAM un document démontrant que le matériel trié par le biais du prémix est effectivement affecté au recyclage de matériaux. ".
HOOFDSTUK 6. - Onderwijs en Vorming
CHAPITRE 6. - Enseignement et Formation
Afdeling 1. - Verplaatsen van de opleiding "bachelor in de toegepaste informatica" van het studiegebied Handelswetenschappen en bedrijfskunde naar het studiegebied Industriële wetenschappen en technologie
Section 1. - Déplacement de la formation " Bachelor in de toegepaste informatica " de la discipline " Handelswetenschappen en bedrijfskunde " à la discipline " Industriële wetenschappen en technologie "
Art. 25. Aan artikel II.72 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013 wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "De volgende professioneel gerichte bacheloropleidingen, gerangschikt in het studiegebied Handelswetenschappen en bedrijfskunde, worden vanaf het academie- jaar 2021-2022 gerangschikt in het studiegebied Industriële wetenschappen en technologie van het hoger professioneel onderwijs:
  1° bachelor in de toegepaste informatica;
  2° bachelor of Applied Computer Science;
  3° bachelor of Applied Information Technology.".
Art. 25. L'article II.72 du Code de l'Enseignement supérieur du 11 octobre 2013 est complété par un alinéa 4, rédigé comme suit :
  " Les formations de bachelor à orientation professionnelle suivantes, classées dans la discipline " Handelswetenschappen en bedrijfskunde ", sont classées à partir de l'année académique 2021-2020 dans la discipline " Industriële wetenschappen en technologie " de l'enseignement supérieur professionnel :
  1° " bachelor in de toegepaste informatica " (bachelor en informatique appliquée) ;
  2° Bachelor of Applied Computer Science ;
  3° Bachelor of Applied Information Technology. ".
Afdeling 2. - Toekennen van onderwijsbevoegdheid aan Odisee voor het aanbieden van de opleiding "bachelor in de toegepaste informatica" in het studiegebied Industriële wetenschappen en technologie in de vestigingsplaats Brussel-Hoofdstad
Section 2. - Octroi de la compétence d'enseignement à Odisee pour proposer la formation " Bachelor in de toegepaste informatica " dans la discipline " Industriële wetenschappen en technologie " dans l'implantation de Bruxelles-Capitale
Art. 26. Aan artikel II.84 van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 4 mei 2018, wordt een paragraaf 3 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 3. Odisee kan in de vestiging Brussel-Hoofdstad in het hoger professioneel onderwijs in het studiegebied Industriële wetenschappen en technologie de opleiding "bachelor in de toegepaste informatica" aanbieden en de daarop betrekking hebbende graad van bachelor verlenen.".
Art. 26. L'article II.84 du même code, remplacé par le décret du 4 mai 2018, est complété par un paragraphe 3, rédigé comme suit :
  " § 3. Dans l'implantation de Bruxelles-Capitale, dans l'enseignement supérieur professionnel, dans la discipline " Industriële wetenschappen en technologie ", Odisee peut proposer la formation " bachelor in de toegepaste informatica " et conférer le grade correspondant de bachelor. ".
Afdeling 3. - Toevoegen 8 miljoen euro voor aanpassing puntengewichten hogescholen 2021
Section 3. - Ajout de 8 millions d'euros pour l'adaptation des pondérations des instituts supérieurs 2021
Art. 27. Aan artikel III.5 van dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 3 juli 2020, wordt een paragraaf 19 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 19. In het begrotingsjaar 2021 wordt het bedrag VOWprof, vermeld in of berekend conform dit artikel, vermeerderd met 8.000.000 euro.".
Art. 27. L'article III.5 du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 3 juillet 2020, est complété par un paragraphe 19, rédigé comme suit :
  " § 19. Dans l'année budgétaire 2021, le montant VOWprof tel que visé ou calculé conformément au présent article, est majoré de 8.000.000 euros. ".
Afdeling 4. - Aanpassing puntengewichten hogescholen 2021
Section 4. - Adaptation des pondérations des instituts supérieurs 2021
Art. 28. Aan artikel III.19, § 1, van dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 juni 2020, worden een punt 7° en een punt 8° toegevoegd, die luiden als volgt:
  "7° in afwijking van punt 1°, c), bedraagt voor het begrotingsjaar 2021 het puntengewicht voor het studiegebied Industriële wetenschappen en technologie 1,25.
  In afwijking van punt 1°, i), bedraagt voor het begrotingsjaar 2021 het puntengewicht voor het studiegebied Handelswetenschappen en bedrijfskunde 1,01;
  8° in afwijking van punt 1°, i), bedraagt voor het begrotingsjaar 2021 het puntengewicht voor de bacheloropleiding "bachelor in de toegepaste informatica" 1,25.".
Art. 28. L'article III.19, § 1er, du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 26 juin 2020, est complété par un point 7° et un point 8°, rédigés comme suit :
  " 7° Par dérogation au point 1°, c), pour l'année budgétaire 2021, la pondération de la discipline Sciences industrielles et Technologies est de 1,25.
  Par dérogation au point 1°, i), pour l'année budgétaire 2021, la pondération de la discipline Sciences commerciales et Gestion d'Entreprise est de 1,01 ;
  8° Par dérogation au point 1°, i), pour l'année budgétaire 2021, la pondération de la formation de bachelor " Bachelor in de toegepaste informatica " est de 1,25. ".
Afdeling 5. - Overslaan groeipad universiteiten en hogescholen begrotingsjaar 2021
Section 5. - Sauter la trajectoire de croissance des universités et des instituts supérieurs année budgétaire 2021
Art. 29. In artikel III.5 van dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 3 juli 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 12 wordt de tabel vervangen door wat volgt:
  "
Art. 29. A l'article III.5 du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 3 juillet 2020, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 12, le tableau est remplacé par ce qui suit :
  "
begrotingsjaar VOWprof VOWprof2014 VOWhko2014
   bedrag professionele kunstopleidingen bedrag bijzondere weddeschalen
  
2012 800.000    
2013 5.200.000    
2014  7.500.000 100.000  
2015  10.900.000 100.000 900.000
2016  14.300.000 100.000 3.700.000
2017  17.666.520 100.000 3.700.000
2018  20.966.520 100.000 3.700.000
2019  24.366.520 100.000 3.700.000
2020  27.766.520 100.000 3.700.000
2021  27.766.520 100.000 3.700.000
2022  31.166.520 100.000 3.700.000
2023  34.566.520 100.000 3.700.000
vanaf 2024  37.066.520 100.000 3.700.000
begrotingsjaar VOWprof VOWprof2014 VOWhko2014 bedrag professionele kunstopleidingen bedrag bijzondere weddeschalen
2012 800.000 2013 5.200.000 2014 7.500.000 100.000 2015 10.900.000 100.000 900.000 2016 14.300.000 100.000 3.700.000 2017 17.666.520 100.000 3.700.000 2018 20.966.520 100.000 3.700.000 2019 24.366.520 100.000 3.700.000 2020 27.766.520 100.000 3.700.000 2021 27.766.520 100.000 3.700.000 2022 31.166.520 100.000 3.700.000 2023 34.566.520 100.000 3.700.000 vanaf 2024 37.066.520 100.000 3.700.000
";
  2° in paragraaf 13 wordt de tabel vervangen door wat volgt: "
année budgétaire VOWprof VOWprof2014 VOWhko2014
   montant formations artistiques professionnelles montant échelles de traitement particulières
2012 800.000    
2013 5.200.000    
2014  7.500.000 100.000  
2015  10.900.000 100.000 900.000
2.016  14.300.000 100.000 3.700.000
2.017  17.666.520 100.000 3.700.000
2.018  20.966.520 100.000 3.700.000
2.019  24.366.520 100.000 3.700.000
2.020  27.766.520 100.000 3.700.000
2.021  27.766.520 100.000 3.700.000
2.022  31.166.520 100.000 3.700.000
2.023  34.566.520 100.000 3.700.000
à partir de 2024  37.066.520 100.000 3.700.000
année budgétaire VOWprof VOWprof2014 VOWhko2014 montant formations artistiques professionnelles montant échelles de traitement particulières 2012 800.000 2013 5.200.000 2014 7.500.000 100.000 2015 10.900.000 100.000 900.000 2.016 14.300.000 100.000 3.700.000 2.017 17.666.520 100.000 3.700.000 2.018 20.966.520 100.000 3.700.000 2.019 24.366.520 100.000 3.700.000 2.020 27.766.520 100.000 3.700.000 2.021 27.766.520 100.000 3.700.000 2.022 31.166.520 100.000 3.700.000 2.023 34.566.520 100.000 3.700.000 à partir de 2024 37.066.520 100.000 3.700.000
" ;
  2° dans le paragraphe 13, le tableau est remplacé par ce qui suit : "
Begrotingsjaar VOWun VOWun2014 VOZun VOZun2014
 ZAP Punten- gewichten ZAP ZAP ZAP
2012 440.000   360.000  
2013 1.925.000   1.575.000  
2014  2.000.000 3.575.000  2.925.000
2015  3.000.000 5.115.000  4.185.000
2016  3.519.000 5.971.000  4.886.000
2017  4.519.000 7.511.000  6.146.000
2018  5.519.000 8.996.000  7.361.000
2019  6.519.000 10.591.000  8.666.000
2020  7.519.000 12.186.000  9.971.000
2021  7.519.000 12.186.000  9.971.000
2022  8.519.000 13.726.000  11.231.000
2023  9.519.000 15.321.000  12.536.000
2024  11.219.000 16.476.000  13.481.000
vanaf 2025  11.700.000 17.270.000  14.130.000
Begrotingsjaar VOWun VOWun2014 VOZun VOZun2014 ZAP Punten- gewichten ZAP ZAP ZAP 2012 440.000 360.000 2013 1.925.000 1.575.000 2014 2.000.000 3.575.000 2.925.000 2015 3.000.000 5.115.000 4.185.000 2016 3.519.000 5.971.000 4.886.000 2017 4.519.000 7.511.000 6.146.000 2018 5.519.000 8.996.000 7.361.000 2019 6.519.000 10.591.000 8.666.000 2020 7.519.000 12.186.000 9.971.000 2021 7.519.000 12.186.000 9.971.000 2022 8.519.000 13.726.000 11.231.000 2023 9.519.000 15.321.000 12.536.000 2024 11.219.000 16.476.000 13.481.000 vanaf 2025 11.700.000 17.270.000 14.130.000
".
Année budgétaire VOWun VOWun2014 VOZun VOZun2014
 ZAP Pondérations ZAP ZAP ZAP
2012 440.000   360.000  
2013 1.925.000   1.575.000  
2014  2.000.000 3.575.000  2.925.000
2015  3.000.000 5.115.000  4.185.000
2016  3.519.000 5.971.000  4.886.000
2017  4.519.000 7.511.000  6.146.000
2018  5.519.000 8.996.000  7.361.000
2019  6.519.000 10.591.000  8.666.000
2020  7.519.000 12.186.000  9.971.000
2021  7.519.000 12.186.000  9.971.000
2022  8.519.000 13.726.000  11.231.000
2023  9.519.000 15.321.000  12.536.000
2024  11.219.000 16.476.000  13.481.000
à partir de 2025  11.700.000 17.270.000  14.130.000
Année budgétaire VOWun VOWun2014 VOZun VOZun2014 ZAP Pondérations ZAP ZAP ZAP 2012 440.000 360.000 2013 1.925.000 1.575.000 2014 2.000.000 3.575.000 2.925.000 2015 3.000.000 5.115.000 4.185.000 2016 3.519.000 5.971.000 4.886.000 2017 4.519.000 7.511.000 6.146.000 2018 5.519.000 8.996.000 7.361.000 2019 6.519.000 10.591.000 8.666.000 2020 7.519.000 12.186.000 9.971.000 2021 7.519.000 12.186.000 9.971.000 2022 8.519.000 13.726.000 11.231.000 2023 9.519.000 15.321.000 12.536.000 2024 11.219.000 16.476.000 13.481.000 à partir de 2025 11.700.000 17.270.000 14.130.000
".
Art. 30. In artikel III.39 van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 19 december 2014 en 18 december 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 wordt de tabel vervangen door wat volgt: "
Art. 30. A l'article III.39 du même Code, modifié par les décrets des 19 décembre 2014 et 18 décembre 2015, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1, le tableau est remplacé par ce qui suit : "
begrotingsjaar bedrag (uitgedrukt in miljoen euro)
2014 2,18
2015 3,16
2016 4,13
2017 5,11
2018 6,41
2019 7,71
2020 9,01
2021 9,01
2022 10,31
2023 11,61
vanaf 2024 12,93
begrotingsjaar bedrag (uitgedrukt in miljoen euro) 2014 2,18 2015 3,16 2016 4,13 2017 5,11 2018 6,41 2019 7,71 2020 9,01 2021 9,01 2022 10,31 2023 11,61 vanaf 2024 12,93
";
  2° in paragraaf 3 wordt de tabel vervangen door wat volgt: "
année budgétaire montant (en millions d'euros).
2014 2,18
2015 3,16
2016 4,13
2017 5,11
2018 6,41
2019 7,71
2020 9,01
2021 9,01
2022 10,31
2023 11,61
à partir de 2024 12,93
année budgétaire montant (en millions d'euros). 2014 2,18 2015 3,16 2016 4,13 2017 5,11 2018 6,41 2019 7,71 2020 9,01 2021 9,01 2022 10,31 2023 11,61 à partir de 2024 12,93
" ;
  2° dans le paragraphe 3, le tableau est remplacé par ce qui suit : "
begrotingsjaar bedrag (uitgedrukt in miljoen euro)
2014 12,82
2015 18,64
2016 21,61
2017 27,43
2018 32,73
2019 38,23
2020 43,53
2021 43,53
2022 48,83
2023 54,33
2024 58,01
vanaf 2025 60,67
begrotingsjaar bedrag (uitgedrukt in miljoen euro) 2014 12,82 2015 18,64 2016 21,61 2017 27,43 2018 32,73 2019 38,23 2020 43,53 2021 43,53 2022 48,83 2023 54,33 2024 58,01 vanaf 2025 60,67
".
année budgétaire montant (en millions d'euros)
2014 12,82
2015 18,64
2016 21,61
2017 27,43
2018 32,73
2019 38,23
2020 43,53
2021 43,53
2022 48,83
2023 54,33
2024 58,01
à partir de 2025 60,67
année budgétaire montant (en millions d'euros) 2014 12,82 2015 18,64 2016 21,61 2017 27,43 2018 32,73 2019 38,23 2020 43,53 2021 43,53 2022 48,83 2023 54,33 2024 58,01 à partir de 2025 60,67
".
Art. 31. In artikel III.45 van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 19 december 2014 en 23 december 2016, wordt in paragraaf 2 de tabel vervangen door wat volgt:
  "
Art. 31. Dans l'article III.45 du même code, modifié par les décrets des 19 décembre 2014 et 23 décembre 2016, dans le paragraphe 2, le tableau est remplacé par ce qui suit :
  "
begrotingsjaar bedrag (uitgedrukt in miljoen euro)
2013 0,6
2014 1,1
2015 1,5
2016 2,0
2017 2,5
2018 3,0
2019 3,4
2020 3,9
2021 3,9
2022 4,5
2023 4,8
vanaf 2024 5,2
begrotingsjaar bedrag (uitgedrukt in miljoen euro) 2013 0,6 2014 1,1 2015 1,5 2016 2,0 2017 2,5 2018 3,0 2019 3,4 2020 3,9 2021 3,9 2022 4,5 2023 4,8 vanaf 2024 5,2
".
année budgétaire montant (en millions d'euros)
2013 0,6
2014 1,1
2015 1,5
2016 2,0
2017 2,5
2018 3,0
2019 3,4
2020 3,9
2021 3,9
2022 4,5
2023 4,8
à partir de 2024 5,2
année budgétaire montant (en millions d'euros) 2013 0,6 2014 1,1 2015 1,5 2016 2,0 2017 2,5 2018 3,0 2019 3,4 2020 3,9 2021 3,9 2022 4,5 2023 4,8 à partir de 2024 5,2
".
Afdeling 6. - Overslaan klik universiteiten begrotingsjaar 2021
Section 6. - Sauter le système cliquet des universités année budgétaire 2021
Art. 32. Aan artikel III.6/1 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 19 december 2014 en vervangen bij het decreet van 18 december 2015, worden een tweede en een derde lid toegevoegd, die luiden als volgt:
  "In afwijking van artikel III.6, § 1, § 2 en § 3, van deze codex, evolueren in het begrotingsjaar 2021 de bedragen van de variabele onderwijsdelen VOWun en VOWac niet als het aantal opgenomen studiepunten in het desbetreffende variabele onderwijsdeel berekend voor het begrotingsjaar 2021 toeneemt met ten minste 2% ten opzichte van de referentiepunten. Er worden ook geen nieuwe referentiepunten vastgelegd bij een eventuele stijging van 2% of meer van het aantal opgenomen studiepunten voor het desbetreffende variabele onderwijsdeel.
  Onder VOWun, vermeld in het vorige lid, wordt begrepen VOWun vermeerderd met het bedrag uit de kolom VOWun2014ZAP, zoals vermeld in paragraaf 2 van artikel III.6. Onder VOWac, vermeld in het vorige lid, wordt begrepen VOWac ver- minderd met het bedrag van het variabele onderwijsdeel VOWhko en vermeerderd met het bedrag uit de kolom VOWun2014puntengewichten, vermeld in paragraaf 2 van artikel III.6.".
Art. 32. L'article III.6/1 du même code, inséré par le décret du 19 décembre 2014 et remplacé par le décret du 18 décembre 2015, est complété par un alinéa 2 et un alinéa 3, rédigés comme suit :
  " Par dérogation à l'article III.6, § 1er, § 2 et § 3, du présent code, les montants destinés aux volets variables " enseignement " VOWun et VOWac n'évoluent pas dans l'année budgétaire 2021 lorsque le nombre d'unités d'études dans le volet variable " enseignement " concerné calculé pour l'année budgétaire 2021 augmente d'au moins 2% par rapport aux unités de référence. De nouvelles unités de référence ne sont pas non plus fixées en cas d'une augmentation éventuelle de 2% ou plus du nombre d'unités d'études repris pour le volet variable " enseignement " concerné.
  Par VOWun, visé à l'alinéa précédent, on entend VOWun majoré du montant de la colonne VOWun2014ZAP, tel que visé au paragraphe 2 de l'article III.6. Par VOWac, visé à l'alinéa précédent, on entend VOWac diminué du montant du volet variable " enseignement " VOWhko et majoré du montant de la colonne VOWun2014 pondérations, visé au paragraphe 2 de l'article III.6. ".
Afdeling 7. - Cao V Hoger Onderwijs - herstel vakantiegeld hogescholen
Section 7. - CCT V Enseignement supérieur - réparation pécule de vacances instituts supérieurs
Art. 33. In artikel III.24, § 9, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid wordt het woord "Vanaf" vervangen door het woord "In";
  2° het tweede lid wordt opgeheven.
Art. 33. A l'article III.24, § 9, du même code, inséré par le décret du 21 décembre 2018, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 1er, les mots " A partir de " sont remplacés par le mot " Dans " ;
  2° l'alinéa 2 est abrogé.
Afdeling 8. - Cao V Hoger Onderwijs - actualisering bedragen
Section 8. - CCT V Enseignement supérieur - actualisation des montants
Art. 34. In artikel III.24, § 10, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid wordt de zinsnede "5.092.455 euro" vervangen door de zinsnede "6.468.329,21 euro";
  2° in het tweede lid wordt de zinsnede "7.119.565 euro" vervangen door de zinsnede "8.842.117,00 euro".
Art. 34. A l'article III.24, § 10, du même code, inséré par le décret du 21 décembre 2018, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 1er, le membre de phrase " 5.092.455 euros " est remplacé par le membre de phrase " 6.468.329,21 euros " ;
  2° dans l'alinéa 2, le membre de phrase " 7.119.565 euros " est remplacé par le membre de phrase " 8.842.117,00 euros ".
Afdeling 9. - Aanpassing berekening groeipad graduaatsopleidingen
Section 9. - Adaptation du calcul de la trajectoire de croissance des formations de graduat
Art. 35. In artikel III.42/1 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 4 mei 2018 en gewijzigd bij de decreten van 21 december 2018 en 3 juli 2020, wordt paragraaf 2 vervangen door wat volgt:
  " § 2. De som van de middelen zoals toegekend aan de hogescholen overeenkomstig paragraaf 1, 2°, wordt cumulatief vermenigvuldigd met het volgende percentage: 1° voor het begrotingsjaar 2020: het percentage van de evolutie tussen het aan- tal lestijden waarvoor werd ingeschreven gedeeld door 12 van het schooljaar 2018-2019 en het aantal lestijden waarvoor werd ingeschreven gedeeld door
  12 van het schooljaar 2017-2018 van alle betrokken centra voor volwassenen- onderwijs;
  2° voor het begrotingsjaar 2021: het percentage van de evolutie tussen het aan- tal opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar 2019-2020 in de hogescholen en het aantal lestijden waarvoor werd inge- schreven gedeeld door 12 van het schooljaar 2018-2019 van alle betrokken centra voor volwassenenonderwijs;
  3° voor het begrotingsjaar 2022: het percentage van de evolutie tussen het aan- tal opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academie- jaar 2020-2021 en het aantal opgenomen studiepunten van het academiejaar 2019-2020 in de hogescholen;
  4° voor de begrotingsjaren 2023 en 2024 monitort de Vlaamse Regering bud- gettaire effecten van de open-endfinanciering van de graduaatsopleidingen tweemaal per jaar in functie van begrotingsopmaak en begrotingscontrole. Op basis van deze monitoring kan de regering ingrijpen in het groeimechanisme om deze effecten onder controle te houden en eventueel beslissen om over te stappen op een budgetbeheersbaar financieringssysteem.
  De groei berekend overeenkomstig het eerste lid wordt jaarlijks onder de betrokken hogescholen verdeeld op basis van hun aandeel in de groei van het aan- tal lestijden gedeeld door 12 respectievelijk het aantal opgenomen studiepunten.".
Art. 35. Dans l'article III.42/1 du même code, inséré par le décret du 4 mai 2018 et modifié par les décrets des 21 décembre 2018 et 3 juillet 2020, le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
  " § 2. La somme des moyens tels qu'ils sont octroyés aux instituts supérieurs conformément au paragraphe 1er, 2°, est cumulativement multipliée par le pourcentage suivant : 1° pour l'année budgétaire 2020 : le pourcentage d'évolution entre le nombre de périodes de cours en termes d'inscriptions divisé par 12 de l'année scolaire 2018-2019 et le nombre de périodes de cours en termes d'inscriptions divisé par
  12 de l'année scolaire 2017-2018 de tous les centres d'éducation des adultes concernés ;
  2° pour l'année budgétaire 2021 : le pourcentage d'évolution entre le nombre d'unités d'études engagées dans les formations de graduat de l'année académique 2019-2020 dans les instituts supérieurs et le nombre de périodes de cours en termes d'inscriptions divisé par 12 de l'année scolaire 2018-2019 de tous les centres d'éducation des adultes concernés ;
  3° pour l'année budgétaire 2022 : le pourcentage d'évolution entre le nombre d'unités d'études engagées dans les formations de graduat de l'année académique 2020-2021 et le nombre d'unités d'études engagées de l'année académique 2019-2020 dans les instituts supérieurs ;
  4° pour les années budgétaires 2023 et 2024, le Gouvernement flamand surveille deux fois par an, dans le cadre de l'établissement et du contrôle budgétaires, les effets budgétaires du financement à durée indéterminée des formations de graduat. Sur la base de ce suivi, le gouvernement peut intervenir dans le mécanisme de croissance afin de contenir ces effets et, si nécessaire, décider d'adopter un système de financement à budget contrôlé.
  La croissance calculée conformément à l'alinéa 1er, est répartie annuellement entre les instituts supérieurs concernés, sur la base de leur part dans la croissance du nombre de périodes de cours divisé par 12 respectivement le nombre d'unités d'études engagées. ".
Afdeling 10. - Aanpassing berekeningswijze bedragen middelen voor de taken in het kader van het samenwerkingsverband
Section 10. - Adaptation du mode de calcul des moyens pour les tâches dans le cadre du partenariat
Art. 36. In artikel III.55 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 4 mei 2018, wordt paragraaf 6 vervangen door wat volgt:
  " § 6. In afwijking van paragraaf 3 is het bedrag van de werkingstoelage van een hogeschool in het begrotingsjaar 2020 en 2021 gelijk aan het conform artikel III.5,
  § 9, geïndexeerde bedrag van de werkingsuitkering dat de hogeschool ontvangen heeft in het begrotingsjaar 2019. Vanaf het begrotingsjaar 2022 worden deze middelen toegevoegd aan het variabel onderwijsdeel voor de graduaatsopleidingen VOWhbo, vermeld in artikel III.5.".
Art. 36. Dans l'article III.55 du même code, inséré par le décret du 4 mai 2018, le paragraphe 6 est remplacé par ce qui suit :
  " § 6. Par dérogation au paragraphe 3, le montant de l'allocation de fonctionnement d'un institut supérieur dans l'année budgétaire 2020 et 2021 sera égal au montant de l'allocation de fonctionnement, indexé conformément à l'article III.5,
  § 9, reçu par l'institut supérieur dans l'année budgétaire 2019. A partir de l'année budgétaire 2022, ces moyens seront ajoutés au volet variable d'enseignement pour les formations de graduat VOWhbo, visées à l'article III.5. ".
Afdeling 11. - Decretale verankering van de verdeling van de middelen tussen de Hogere Kunstinstituten
Section 11. - Ancrage décrétal de la répartition des moyens entre les Instituts supérieurs de beaux-arts
Art. 37. Aan artikel III.119 van dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 20 december 2019, wordt een paragraaf 8 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 8. De toelage, vermeld in paragraaf 1 en berekend overeenkomstig dit artikel, wordt in het begrotingsjaar 2021 als volgt verdeeld over de hogere instituten voor schone kunsten en de instellingen die excellente kunstopleidingen organiseren: 1° de toelage voor P.A.R.T.S. (Performing Arts, Research and Training Studies)
  wordt vastgesteld op 1.297.000 euro;
  2° de toelage voor het HISK (Hoger Instituut voor Schone Kunsten) wordt vast- gesteld op 1.178.000 euro;
  3° de toelage voor het Orpheus Instituut wordt vastgesteld op 750.000 euro;
  4° de toelage voor de IOA (International Opera Academy) wordt vastgesteld op
  497.000 euro;
  5° de toelage voor apass (advanced performance and scenography studies) wordt vastgesteld op 457.000 euro.".
Art. 37. L'article III.119 du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 20 décembre 2019, est complété par un paragraphe 8, rédigé comme suit :
  " § 8. L'allocation visée au paragraphe 1er et calculée conformément au présent article, est répartie comme suit dans l'année budgétaire 2021 entre les instituts supérieurs de beaux-arts et les institutions organisant d'excellentes formations artistiques : 1° l'allocation pour P.A.R.T.S. (Performing Arts, Research and Training Studies)
  est établie à 1.297.000 euros ;
  2° l'allocation pour le HISK (Institut supérieur des Beaux-Arts) est établie à 1.178.000 euros ;
  3° l'allocation pour " Orpheus Instituut " est établie à 750.000 euros ;
  4° l'allocation pour l'IOA (International Opera Academy) est établie à
  497.000 euros ;
  5° l'allocation pour " apass " (advanced performance and scenography studies) est établie à 457.000 euros. ".
Afdeling 12. - Maatregelen werkingsmiddelen van de pedagogische begeleidings- diensten
Section 12. - Mesures moyens de fonctionnement des services d'encadrement pédagogique
Art. 38. In artikel 21/1 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, ingevoegd bij het decreet van 19 december 2014, vervangen bij het decreet van 19 juni 2015 en gewijzigd bij het decreet van 26 juni 2020, wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
  "De pedagogische begeleidingsdiensten die beschikken over een personeelsforma- tie als vermeld in artikel 16, ontvangen in begrotingsjaar 2021 1.606.000 euro aan aanvullende werkingsmiddelen. Van het voormelde bedrag wordt voor de periode van 1 januari 2021 tot en met 30 juni 2021 956.000 euro gebruikt voor de begeleiding van leerkrachten bij de remediëring van leerlingen in de klas. Deze aanvullende middelen verdwijnen vanaf begrotingsjaar 2022.".
Art. 38. Dans l'article 21/1 du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement, inséré par le décret du 19 décembre 2014, remplacé par le décret du 19 juin 2015 et modifié par le décret du 26 juin 2020, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  " Les services d'encadrement pédagogique qui disposent d'un cadre organique tel que visé à l'article 16, reçoivent dans l'année budgétaire 2021 1.606.000 euros comme moyens de fonctionnement complémentaires. Pour la période du 1er janvier 2021 au 30 juin 2021, 956.000 euros de ce montant sont affectés à l'encadrement d'enseignants lors de la remédiation des élèves en classe. Ces moyens complémentaires disparaissent à partir de l'année budgétaire 2022. ".
Art. 39. In artikel 22 van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 19 december 2014, wordt de zinsnede "De bedragen vermeld in de artikelen 20 en 21/1 in deze afdeling hebben" vervangen door de zinsnede "Het bedrag, vermeld in het artikel 20 in deze afdeling, heeft".
Art. 39. Dans l'article 22 du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 19 décembre 2014, le membre de phrase " Les montants visés aux articles 20 et 21/1 de la présente section ont " est remplacé par le membre de phrase " Le montant visé à l'article 20 de la présente section a ".
Afdeling 13. - Uitbreiding rechtsgrond voor ad-hocsubsidies in hoofdstuk II. Infra- structuur van de Schoolpactwet
Section 13. - Extension du fondement juridique pour les subventions ad hoc dans le Chapitre II - Infrastructure de la Loi du Pacte scolaire
Art. 40. In hoofdstuk II van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, wordt een artikel 20nonies ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 20nonies. § 1. Naast de subsidies, vermeld in artikel 13 en 19bis, kan AGION binnen de perken van de begrotingskredieten subsidies toekennen aan een inrichtende macht voor investeringen in de realisatie en het gebruik van schoolinfrastructuur die hierna limitatief worden opgesomd en faciliterend en ondersteunend kunnen zijn voor:
  1° initiatieven die bijdragen tot het sensibiliseren, faciliteren of realiseren van het openstellen van schoolgebouwen;
  2° initiatieven die bijdragen tot het sensibiliseren, faciliteren of realiseren van multifunctionaliteit en aanpasbaarheid van scholen;
  3° uitbouwen van de opleidingsinfrastructuur volgens het model van open campussen;
  4° dringende capaciteitsinvesteringen;
  5° milieu- en klimaatgerichte investeringen die bijdragen tot CO2-reductie; 6° verlagen van het energieverbruik met het oog op CO2-reductie;
  7° initiatieven die bijdragen tot het vermijden, verminderen of remediëren van
  verluchtings-, ventilatie- en CO2-problemen;
  8° initiatieven die bijdragen tot het sensibiliseren, faciliteren of realiseren van
  ESCO-projecten;
  9° het faciliteren of realiseren van proefprojecten klimaatneutrale school.
  § 2. De ad-hocsubsidies zoals omschreven in paragraaf 1 kunnen maximum 10% van het totale subsidiebudget van het lopende begrotingsjaar bedragen.
  § 3. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere modaliteiten voor het doel, de voor- waarden, de bepaling, de toekenning en de controle van de betrokken subsidies.".
Art. 40. Dans le chapitre II de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement, il est inséré un article 20nonies, rédigé comme suit :
  " Art. 20nonies. § 1er. Outre les subventions visées aux articles 13 et 19bis, et dans les limites des crédits budgétaires, AGION peut octroyer des subventions à un pouvoir organisateur pour des investissements dans la réalisation et l'utilisation d'infrastructure scolaire, qui sont énumérés ci-après de manière limitative et qui peuvent faciliter et soutenir :
  1° des initiatives contribuant à la sensibilisation, la facilitation ou la réalisation de l'ouverture des bâtiments scolaires ;
  2° des initiatives contribuant à la sensibilisation, la facilitation ou la réalisation de la multifonctionnalité et l'adaptabilité des écoles ;
  3° le développement de l'infrastructure de formation selon le modèle de campus ouverts ;
  4° des investissements de capacité urgents ;
  5° des investissements axés sur l'environnement et le climat qui contribuent à la réduction du CO2 ; 6° la réduction de la consommation d'énergie en vue de réduire les émissions de CO2 ;
  7° des initiatives qui contribuent à éviter, réduire ou remédier aux
  problèmes de ventilation, d'aération et de CO2 ;
  8° des initiatives contribuant à la sensibilisation, la facilitation ou la réalisation de
  projets ESCO ;
  9° la facilitation ou la réalisation de projets-pilotes d'écoles climatiquement neutres.
  § 2. Les subventions ad hoc telles que décrites au paragraphe 1er peuvent s'élever à 10% au maximum du montant de subvention total de l'année budgétaire en cours.
  § 3. Le Gouvernement flamand arrête les modalités concernant l'objectif, les conditions, la détermination, l'octroi et le contrôle des subventions concernées. ".
Afdeling 14. - Eenmalige vaste benoeming op 1 juli 2021
Section 14. - Nomination à titre définitif unique au 1er juillet 2021
Art. 41. In artikel 77decies, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, ingevoegd bij het decreet van 6 juli 2018, wordt de zinsnede "van artikel 28, § 1, 4° en 5°, of artikel 100terdecies" vervangen door de zinsnede "van artikel 28, § 1, 4° en 5°, artikel 100terdecies of artikel 100septies decies".
Art. 41. Dans l'article 77decies, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire, inséré par le décret du 6 juillet 2018, le membre de phrase " de l'article 28, § 1er, 4° et 5°, ou de l'article 100terdecies " est remplacé par le membre de phrase " de l'article 28, § 1er, 4° et 5°, de l'article 100terdecies ou de l'article 100septies decies ".
Art. 42. In hoofdstuk XI van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 3 juli 2020, wordt een artikel 100sexies decies ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 100sexies decies. § 1. In afwijking van artikel 28 moet de raad van bestuur - voor het vormingscentrum de afgevaardigd bestuurder - met het oog op een vaste benoeming op 1 juli 2021 als vermeld in artikel 100septies decies, betrekkingen vacant verklaren. De lijst van de vacant verklaarde betrekkingen omvat:
  1° alle vacante betrekkingen in de betrokken instelling of instellingen op 15 mei 2021;
  2° de betrekkingen die in de periode van 15 mei tot en met 1 juli 2021 vacant zullen worden ten gevolge van de pensionering of de terbeschikkingstelling voorafgaand aan het rustpensioen van de titularis. De raad van bestuur kan deze betrekkingen vacant verklaren;
  3° de betrekking van een vastbenoemd personeelslid dat uiterlijk op 15 mei 2021 in toepassing van artikel V.75, § 2, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016 ter beschikking wordt gesteld wegens ontstentenis van betrekking. Op het ogenblik van deze terbeschikkingstelling wordt de betrekking waar het personeelslid titularis van is een vacante betrek- king;
  4° het deel van de betrekking in een wervingsambt van het bestuurs- en onder- wijzend personeel van een vastbenoemd personeelslid waarvoor dat perso- neelslid op 15 mei 2021 een verlof wegens verminderde prestaties vanaf de leeftijd van 55 jaar geniet als vermeld in artikel 5, § 1, 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezig- heid voor verminderde prestaties;
  5° het deel van de betrekking in een wervingsambt van het bestuurs- en onder- wijzend personeel van een vastbenoemd personeelslid waarvoor dat personeelslid op 15 mei 2021 een gedeeltelijke loopbaanonderbreking vanaf de leeftijd van 50 of 55 jaar geniet als vermeld in artikel 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 september 2011 betreffende de loopbaanonderbreking van de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingen- begeleiding;
  6° de betrekking of het deel van de betrekking in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel van een vastbenoemd personeelslid waarvoor dat personeelslid op 15 mei 2021 voor een volledig schooljaar afwezig is omwille van een of meer van volgende verlofstelsels:
  a) verlof wegens bijzondere opdracht zoals bepaald in artikel 77quater van dit decreet;
  b) verlof wegens opdracht zoals bepaald in artikel 77quater van dit decreet;
  c) verlof voor vakbondsopdrachten zoals bepaald in artikel 29 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 genomen ter toepassing van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen;
  d) verlof om een ambt uit te oefenen in een ministerieel kabinet zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juli 1995 betreffende het verlof om een ambt uit te oefenen in een ministerieel kabinet van een lid van een Gemeenschaps- of Gewestregering, van een lid van de Federale Regering of van een gewestelijk staatssecretaris, en bij een secretariaat, de cel algemene beleidscoördinatie en een cel algemeen beleid bij een lid van de Federale Regering door personeelsleden van het onderwijs en van de centra voor leerlingenbegeleiding;
  e) verlof erkende politieke groepen zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 1991 betreffende het verlof dat aan de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra wordt verleend voor het verrichten van bepaalde prestaties ten behoeve van in de wetgevende vergaderingen van de Staat en van de Gemeenschappen en of de Gewesten erkende politieke groepen, respectievelijk ten behoeve van de voorzitters van die groepen;
  f) politiek verlof zoals bepaald in artikel 29 tot en met artikel 36bis van het decreet van 28 april 1993 betreffende het onderwijs IV;
  g) verlof toegekend aan personeelsleden die ter beschikking van de koning worden gesteld zoals bepaald in artikel 39 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 genomen ter toepassing van artikel 160 van het konink- lijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor het kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en nor- maalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrich- tingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen;
  h) verlof voor verminderde prestaties zoals bepaald in hoofdstuk II van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties;
  i) afwezigheid voor verminderde prestaties zoals bepaald in hoofdstuk III van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties.
  In afwijking van het eerste lid bepaalt de raad van bestuur voor haar centra voor volwassenenonderwijs jaarlijks op basis van een beleidsplan en na onder- handelingen in het bevoegde lokaal comité welke vacante betrekkingen hij vacant verklaart. De raad van bestuur moet de vacante betrekkingen waarover in het bevoegde lokaal comité geen akkoord wordt bereikt vacant verklaren als het gaat om vacante betrekkingen die gedurende de drie aan het betrokken schooljaar voorafgaande schooljaren ook vacant waren. De raad van bestuur moet met het oog op de vaste benoeming op 1 juli 2021 alleszins de betrekkingen, vermeld in het eerste lid, 4°, 5° en 6°, vacant verklaren.
  § 2. De lijst van de vacant verklaarde betrekkingen wordt voor 15 juni 2021 open- baar gemaakt, samen met een beschrijving van de wijze waarop de kandidaturen voor mutatie of vaste benoeming moeten worden ingediend.".
Art. 42. Dans le chapitre XI du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 3 juillet 2020, il est inséré un article 100sexies decies, rédigé comme suit :
  " Art. 100sexies decies. § 1er. Par dérogation à l'article 28, le conseil d'administration - l'administrateur délégué pour le centre de formation - doit déclarer des emplois vacants en vue d'une nomination à titre définitif au 1er juillet 2021, telle que visée à l'article 100septies decies. La liste des emplois déclarés vacants comprend :
  1° tous les emplois vacants dans le ou les établissements concernés au 15 mai 2021 ;
  2° les emplois qui, dans la période du 15 mai au 1er juillet 2021, deviendront vacants par suite d'une mise à la retraite ou d'une mise en disponibilité préalable à la pension de retraite du titulaire. Le conseil d'administration peut faire une déclaration de vacance de ces emplois ;
  3° l'emploi d'un membre du personnel nommé à titre définitif qui, au plus tard le 15 mai 2021, est mis en disponibilité par défaut d'emploi en application de l'article V.75, § 2, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 octobre 2016 portant codification de certaines dispositions relatives à l'enseignement. Au moment de cette mise en disponibilité, l'emploi dont est titulaire le membre du personnel devient un emploi vacant ;
  4° la partie de l'emploi dans une fonction de recrutement du personnel directeur et enseignant d'un membre du personnel nommé à titre définitif pour laquelle ce membre du personnel bénéficie le 15 mai 2021 d'un congé pour prestations réduites à partir de l'âge de 55 ans, tel que visé à l'article 5, § 1er, 3°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 avril 1990 relatif aux congés pour prestations réduites ;
  5° la partie de l'emploi dans une fonction de recrutement du personnel directeur et enseignant d'un membre du personnel nommé à titre définitif pour laquelle ce membre du personnel bénéficie le 15 mai 2021 d'une interruption de carrière partielle à partir de l'âge de 50 ou de 55 ans, tel que visé à l'article 9 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 septembre 2011 relatif à l'interruption de carrière des membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des élèves ;
  6° l'emploi ou la partie de l'emploi dans une fonction de recrutement du personnel directeur et enseignant d'un membre du personnel nommé à titre définitif pour laquelle ce membre du personnel est absent le 15 mai 2021 pour une année scolaire complète en raison d'un ou de plusieurs régimes de congé suivants :
  a) congé pour mission spéciale tel que visé à l'article 77quater du présent décret ;
  b) congé pour mission spéciale tel que visé à l'article 77quater du présent décret ;
  c) congé pour activité syndicale tel que visé à l'article 29 de l'arrêté royal du 15 janvier 1974, pris en exécution de l'article 160 de l'arrêté royal du 22 mars 1969 fixant le statut des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat, des internats dépendant de ces établissements et des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements ;
  d) congé pour l'exercice d'une fonction auprès d'un cabinet ministériel tel que visé à l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 juillet 1995 relatif au congé pour l'exercice d'une fonction auprès d'un cabinet ministériel d'un membre d'un gouvernement de communauté ou de région, d'un membre du Gouvernement fédéral ou d'un secrétaire d'état régional, et auprès d'un secrétariat, de la cellule de coordination générale de la politique et d'une cellule de politique générale auprès d'un membre du Gouvernement fédéral, par des membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des élèves ;
  e) congé groupes politiques reconnus tel que visé à l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 décembre 1991 relatif au congé accordé aux membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des élèves pour accomplir certaines prestations au bénéfice de groupes politiques reconnus dans les chambres législatives de l'Etat, des Communautés ou des Régions, ou au bénéfice des présidents de ces groupes ;
  f) congé politique tel que visé aux articles 29 à 36bis inclus du décret du 28 avril 1993 relatif à l'enseignement IV ;
  g) congé accordé aux membres du personnel mis à disposition du Roi tel que visé à l'article 39 de l'arrêté royal du 15 janvier 1974, pris en exécution de l'article 160 de l'arrêté royal du 22 mars 1969 fixant le statut des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat, des internats dépendant de ces établissements et des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements ;
  h) congé pour prestations réduites tel que visé au chapitre II de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 avril 1990 relatif aux congés pour prestations réduites ;
  i) absence pour prestations réduites telle que visée au chapitre III de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 avril 1990 relatif aux congés pour prestations réduites.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, le conseil d'administration détermine chaque année pour ses centres d'éducation des adultes, sur la base d'un plan directeur et après des négociations au sein du comité local compétent, quels sont les emplois vacants pour lesquels il fait une déclaration de vacance. Le conseil d'administration doit déclarer vacants les emplois vacants n'ayant pas recueilli un accord au sein du comité local compétent, s'il s'agit d'emplois vacants qui étaient déjà vacants pendant les trois années scolaires précédant l'année scolaire en question. En vue de la nomination à titre définitif le 1er juillet 2021, le conseil d'administration doit en tout cas déclarer vacants les emplois visés à l'alinéa 1er, 4°, 5° et 6°.
  § 2. La liste reprenant les emplois déclarés vacants est publiée avant le 15 juin 2021, conjointement avec une description de la façon dont les candidatures à une mutation ou à une nomination à titre définitif doivent être introduites. ".
Art. 43. In hoofdstuk XI van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 3 juli 2020, wordt een artikel 100septies decies ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 100septies decies. § 1. In afwijking van artikel 36 kan de raad van bestuur een personeelslid op 1 juli 2021 vast benoemen in een ambt in een vacant verklaarde betrekking als vermeld in artikel 100sexies decies, als dat personeelslid op het ogenblik van de vaste benoeming voldoet aan de bepalingen van artikel 17, met uitzondering van paragraaf 1, 7°, en daarenboven:
  1° op 31 mei 2021 360 dagen dienstanciënniteit heeft verworven in het betrokken ambt in een of meer instellingen van de scholengroep. Als het een leraar betreft die is aangesteld op basis van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs moeten de 360 dagen gepresteerd zijn in de opleiding, de module, het vak of de specialiteit van de vacant verklaarde betrekking;
  2° zich kandidaat heeft gesteld in de vorm en binnen de termijn, vermeld in de oproep tot de kandidaten;
  3° op 30 juni 2021 in een instelling van de scholengroep waar hij de in punt 1° vereiste dienstanciënniteit heeft verworven, is aangesteld in het ambt waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld. Behoort de instelling waar het personeelslid is aangesteld, niet tot een scholengemeenschap, dan vervult het personeelslid deze voorwaarde voor alle instellingen van de scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren. Behoort de instelling waar het personeelslid is aangesteld tot een scholengemeenschap, dan vervult het personeelslid deze voorwaarde voor alle instellingen van deze scholengemeenschap. Is het personeelslid op 30 juni 2021 aangesteld in het ambt van leraar met een vereist bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, dan geldt dit als een aanstelling in dat ambt voor alle opleidingen, modules of vakken en specialiteiten waarvoor dat vereiste bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, geldt. Is het personeelslid op
  30 juni 2021 aangesteld in het ambt van leraar met een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, in een opleiding, module, vak of specialiteit dan geldt dit als een aanstelling in dat ambt voor die opleiding, die module, dat vak of die specialiteit en daarenboven ook voor alle opleidingen, modules, vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid een vereist bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit. Voor het personeelslid dat werd aangesteld bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling en voor het personeelslid bedoeld in hoofdstuk Vbis voor wat betreft het volume van zijn opdracht waarvoor hij
  is vast benoemd en waarvoor hij een verlof heeft verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen, moeten, voor zover hij het ambt van leraar uitoefent, de 360 dagen dienstanciënniteit verworven zijn in de opleiding, de module, het vak of de specialiteit van de vacant verklaarde betrekking;
  4° als laatste evaluatie in het ambt in kwestie geen evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" heeft verkregen bij de scholengroep waar de vacante betrekking zich situeert. Als het personeelslid niet is geëvalueerd, wordt die voorwaarde geacht voldaan te zijn. Als het personeelslid de evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" heeft gekregen in een instelling van de scholengroep die behoort tot een scholengemeenschap, geldt deze bepaling voor alle instellingen van die scholengroep die behoren tot die scholengemeenschap. Als het personeelslid de evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" heeft gekregen in een instelling van de scholengroep die niet behoort tot een scholengemeenschap, geldt deze bepaling voor alle instellingen van die scholengroep die niet behoren tot een scholengemeenschap.
  De vaste benoeming is slechts mogelijk als het personeelslid de betrekking in hoofdambt uitoefent.
  § 2. Als er meerdere personeelsleden zijn die zich kandidaat stellen voor vaste benoeming in eenzelfde betrekking moet de raad van bestuur bij de toewijzing van de vaste benoeming in die betrekking de volgende volgorde respecteren:
  1° de personeelsleden die deeltijds benoemd zijn in het ambt;
  2° de tijdelijke personeelsleden die uiterlijk op 30 juni 2021 tijdelijk aangesteld zijn voor doorlopende duur;
  3° de tijdelijke personeelsleden die uiterlijk op 31 mei 2021 in het ambt ten minste 580 dagen dienstanciënniteit hebben verworven in een of meer instellingen van de scholengroep of desgevallend in een of meer instellingen van dezelfde scholengemeenschap en waarvan minstens 360 dagen zijn verworven in een of meer instellingen van de scholengroep. De scholengroep kan bij de vaststellingen van de 360 dagen rekening houden met dagen die zijn verworven in een of meer instellingen van een andere scholengroep of van een andere inrichtende macht van het gesubsidieerd onderwijs;
  4° de tijdelijke personeelsleden die uiterlijk op 31 mei 2021 in het ambt waarvoor ze zich kandidaat stellen ten minste 360 dagen dienstanciënniteit hebben verworven in een of meer instellingen van de scholengroep.
  De raad van bestuur kan beslissen om een tijdelijk personeelslid dat voldoet aan de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 4°, niet vast te benoemen, op voor- waarde dat het personeelslid dan een schriftelijke motivatie krijgt waarin de raad van bestuur opneemt om welke redenen ze de vaste benoeming weigert. Dit geldt ook als het tijdelijk personeelslid de enige kandidaat is voor de vacant verklaarde betrekking.
  De raad van bestuur kan binnen elke groep, vermeld in het eerste lid, bij- komende criteria bepalen om een vaste benoeming toe te kennen. Deze criteria worden onderhandeld in het daartoe bevoegde lokaal onderhandelingscomité.
  § 3. In afwijking van artikel 37, § 3, wordt de vaste benoeming toegekend op 1 juli 2021 na de vacantverklaring, voor zover de betrekking op dezelfde datum nog vacant is.".
Art. 43. Dans le chapitre XI du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 3 juillet 2020, il est inséré un article 100septies decies, rédigé comme suit :
  " Art. 100septies decies. § 1er. Par dérogation à l'article 36, le conseil d'administration peut nommer à titre définitif un membre du personnel au 1er juillet 2021 dans une fonction dans un emploi déclaré vacant, visée à l'article 100sexies decies, si ce membre du personnel satisfait au moment de la nomination à titre définitif aux dispositions de l'article 17, à l'exception du paragraphe 1er, 7°, et en outre :
  1° il a acquis, le 31 mai 2021, 360 jours d'ancienneté de service à la fonction concernée dans un ou plusieurs établissements du groupe d'écoles. Lorsqu'il s'agit d'un enseignant désigné sur la base d'un titre jugé suffisant, les 360 jours doivent être prestés dans la formation, le module, la branche ou la spécialité de l'emploi déclaré vacant ;
  2° il a posé sa candidature dans les formes et le délai mentionnés dans l'appel aux candidats ;
  3° le 30 juin 2021, il est désigné dans la fonction pour laquelle il a posé sa candidature, dans un établissement du groupe d'écoles où il a acquis l'ancienneté de service requise au point 1°. Si l'établissement où le membre du personnel est désigné n'appartient pas à un centre d'enseignement, le membre du personnel remplit cette condition pour tous les établissements du groupe d'écoles n'appartenant pas à un centre d'enseignement. Si l'établissement où le membre du personnel est désigné appartient à un centre d'enseignement, le membre du personnel remplit cette condition pour tous les établissements de ce centre d'enseignement. Si le membre du personnel est désigné, le 30 juin 2021, dans la fonction d'enseignant avec un titre requis, par disposition organique ou par mesure transitoire, cette désignation vaut comme une désignation dans cette fonction pour tous les formations, modules ou branches et spécialités pour lesquels ce titre requis, par disposition organique ou par mesure transitoire, s'applique. Si le membre du personnel est
  désigné, le 30 juin 2021, dans la fonction d'enseignant avec un titre jugé suffisant, par disposition organique ou par mesure transitoire, dans une formation, un module, une branche ou une spécialité, cette désignation vaut comme une désignation dans cette fonction pour cette formation, ce module, cette branche ou cette spécialité et en outre aussi pour tous les formations, modules ou branches et spécialités pour lesquels le membre du personnel dispose d'un titre requis, par disposition organique ou par mesure transitoire. Pour le membre du personnel qui a été désigné à titre de réaffectation ou de remise au travail, et pour le membre du personnel visé au chapitre IVbis en ce qui concerne le volume de la charge
  pour laquelle il est nommé à titre définitif et pour laquelle il a obtenu un congé afin d'exercer temporairement une autre charge, les 360 jours d'ancienneté de service doivent être acquis, dans la mesure où il exerce la fonction d'enseignant, dans la formation, le module, la branche ou la spécialité de l'emploi déclaré vacant ;
  4° lors de la dernière évaluation dans la fonction concernée, il n'a pas obtenu comme conclusion finale la mention " insuffisant " dans le groupe d'écoles où se situe l'emploi vacant. Lorsque le membre du personnel n'a pas été évalué, cette condition est censée être remplie. Si le membre du personnel a obtenu une évaluation portant la conclusion finale " insuffisant " dans un établissement du groupe d'écoles appartenant à un centre d'enseignement, cette disposition vaut pour tous les établissements de ce groupe d'écoles appartenant à ce centre d'enseignement. Si le membre du personnel a obtenu une évaluation portant la conclusion finale " insuffisant " dans un établissement du groupe d'écoles n'appartenant pas à un centre d'enseignement, cette disposition vaut pour tous les établissements de ce groupe d'écoles n'appartenant pas à un centre d'enseignement.
  La nomination à titre définitif n'est possible que si le membre du personnel exerce l'emploi en fonction principale.
  § 2. Si plusieurs membres du personnel se portent candidat pour une nomination à titre définitif dans le même emploi, le conseil d'administration doit respecter l'ordre suivant lors de l'attribution de la nomination à titre définitif dans cet emploi :
  1° les membres du personnel nommés à temps partiel dans la fonction ;
  2° les membres du personnel temporaires qui sont désignés temporairement, au plus tard le 30 juin 2021, pour une durée ininterrompue ;
  3° les membres du personnel temporaires qui ont acquis, au plus tard le 31 mai 2021, au moins 580 jours d'ancienneté de service dans un ou plusieurs établissements du groupe d'écoles ou, le cas échéant, dans un ou plusieurs établissements du même centre d'enseignement, et dont au moins 360 jours ont été acquis dans un ou plusieurs établissements du groupe d'écoles. Lors des constatations des 360 jours, le groupe d'écoles peut tenir compte des jours acquis dans un ou plusieurs établissements d'un autre groupe d'écoles ou d'un autre pouvoir organisateur de l'enseignement subventionné ;
  4° les membres du personnel temporaires qui ont acquis, au plus tard le 31 mai 2021, dans la fonction pour laquelle ils se portent candidat, au moins 360 jours d'ancienneté de service dans un ou plusieurs établissements du groupe d'écoles.
  Le conseil d'administration peut décider de ne pas nommer à titre définitif un membre du personnel temporaire qui remplit la condition visée à l'alinéa 1er, 4°, à condition que le membre du personnel reçoive une motivation écrite dans laquelle le conseil d'administration reprend les motifs du refus de la nomination à titre définitif. Cela s'applique également si le membre du personnel temporaire est le seul candidat pour l'emploi déclaré vacant.
  Au sein de chaque groupe, visé à l'alinéa 1er, le conseil d'administration peut arrêter des critères supplémentaires pour attribuer une nomination à titre définitif. Ces critères sont négociés au sein du comité local de négociation compétent.
  § 3. Par dérogation à l'article 37, § 3, la nomination à titre définitif est attribuée le 1er juillet 2021 après la déclaration de vacance, dans la mesure où l'emploi est toujours vacant à la même date. ".
Art. 44. In artikel 51decies, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991, ingevoegd bij het decreet van 6 juli 2018, wordt de zinsnede "van artikel 33, § 1, 4° en 5°, of artikel 84undevicies" vervangen door de zinsnede "van artikel 33, § 1, 4° en 5°, artikel 84undevicies of artikel 84vicies septies".
Art. 44. Dans l'article 51decies, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire, inséré par le décret du 6 juillet 2018, le membre de phrase " de l'article 33, § 1er, 4° et 5°, ou de l'article 84undevicies " est remplacé par le membre de phrase " de l'article 33, § 1er, 4° et 5°, de l'article 84undevicies ou de l'article 84vicies septies ".
Art. 45. In titel II, hoofdstuk XI, van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 3 juli 2020, wordt een artikel 84vicies sexies ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 84vicies sexies. § 1. In afwijking van artikel 33, moet de inrichtende macht met het oog op een vaste benoeming op 1 juli 2021, voor 15 juni 2021 aan de personeelsleden van haar instellingen de vacante betrekkingen meedelen. Behoort een instelling tot een scholengemeenschap dan deelt de inrichtende macht van die instelling de vacante betrekkingen in haar instellingen die behoren tot die scho- lengemeenschap mee aan de personeelsleden van de scholengemeenschap. De mededeling van de vacante betrekkingen omvat:
  1° alle vacante betrekkingen in de betrokken instelling of instellingen op 15 mei 2021;
  2° eventueel de betrekkingen die in de periode van 15 mei tot en met 1 juli 2021 vacant zullen worden ten gevolge van de pensionering of de terbeschikkingstelling voorafgaand aan het rustpensioen van de titularis. De inrichtende macht kan deze betrekkingen eveneens meedelen als vacante betrekking met het oog op een vaste benoeming;
  3° de betrekking van een vastbenoemd personeelslid dat uiterlijk op 15 mei 2021 in toepassing van artikel V.75, § 2, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016 ter beschikking wordt gesteld wegens ontstentenis van betrekking. Op het ogenblik van deze terbeschikkingstelling wordt de betrekking waar het personeelslid titularis van is een vacante betrekking;
  4° het deel van de betrekking in een wervingsambt van het bestuurs- en onder- wijzend personeel van een vastbenoemd personeelslid waarvoor dat personeelslid op 15 mei 2021 een verlof wegens verminderde prestaties vanaf de leeftijd van 55 jaar geniet als vermeld in artikel 5, § 1, 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties;
  5° het deel van de betrekking in een wervingsambt van het bestuurs- en onder- wijzend personeel van een vastbenoemd personeelslid waarvoor dat personeelslid op 15 mei 2021 een gedeeltelijke loopbaanonderbreking vanaf de leeftijd van 50 of 55 jaar geniet als vermeld in artikel 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 september 2011 betreffende de loopbaanonderbreking van de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingen- begeleiding;
  6° de betrekking of het deel van de betrekking in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel van een vastbenoemd personeelslid waarvoor dat personeelslid op 15 mei 2021 van dat schooljaar voor een volledig schooljaar afwezig is omwille van een of meer van volgende verlofstelsels:
  a) verlof wegens bijzondere opdracht zoals bepaald in artikel 51quater van dit decreet;
  b) verlof wegens opdracht zoals bepaald in artikel 51quater van dit decreet;
  c) verlof voor vakbondsopdrachten zoals bepaald in artikel 53 van het decreet van 5 april 1995 tot oprichting van onderhandelingscomités in het vrij gesubsidieerd onderwijs of zoals bepaald in het koninklijk besluit van 16 december 1981 betreffende het syndicaal verlof in het Gesubsidieerd onderwijs;
  d) verlof om een ambt uit te oefenen in een ministerieel kabinet zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juli 1995 betreffende het verlof om een ambt uit te oefenen in een ministerieel kabinet van een lid van een Gemeenschaps- of Gewestregering, van een lid van de Federale Regering of van een gewestelijk staatssecretaris, en bij een secretariaat, de cel algemene beleidscoördinatie en een cel algemeen beleid bij een lid van de Federale Regering door personeelsleden van het onderwijs en van de centra voor leerlingenbegeleiding;
  e) verlof erkende politieke groepen zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 1991 betreffende het verlof dat aan de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra wordt verleend voor het verrichten van bepaalde prestaties ten behoeve van in de wetgevende vergaderingen van de Staat en van de Gemeenschappen en of de Gewesten erkende politieke groepen, respectievelijk ten behoeve van de voorzitters van die groepen;
  f) politiek verlof zoals bepaald in artikel 29 tot en met artikel 36bis van het decreet van 28 april 1993 betreffende het onderwijs IV;
  g) verlof voor verminderde prestaties zoals bepaald in hoofdstuk II van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties;
  h) afwezigheid voor verminderde prestaties zoals bepaald in hoofdstuk III van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties.
  De mededeling van de vacante betrekkingen bevat een duidelijke omschrijving van de aangeboden betrekkingen en vermeldt de vorm waarin en de termijn waarbinnen een personeelslid moet kandideren, evenals de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een vaste benoeming. Dit bericht wordt aan alle in het eerste lid bedoelde personeelsleden meegedeeld en openbaar gemaakt.
  § 2. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, bepaalt de inrichtende macht afzonder- lijk voor haar centra voor volwassenenonderwijs jaarlijks op basis van een beleids- plan en na onderhandelingen in het bevoegde lokale onderhandelingscomité welke vacante betrekkingen ze meedeelt.
  De inrichtende macht moet de vacante betrekkingen waarover in het bevoegde lokale onderhandelingscomité geen akkoord wordt bereikt, meedelen als het gaat om vacante betrekkingen die gedurende de drie aan het betrokken schooljaar voorafgaande schooljaren ook vacant waren. De inrichtende macht moet met het oog op de vaste benoeming op 1 juli 2021 alleszins de betrekkingen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 4°, 5° en 6°, meedelen.".
Art. 45. Dans le titre II, chapitre XI, du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 3 juillet 2020, il est inséré un article 84vicies sexies, rédigé comme suit :
  " Art. 84vicies sexies. § 1er. Par dérogation à l'article 33, le pouvoir organisateur doit communiquer les emplois vacants aux membres du personnel de ses établissements, avant le 15 juin 2021, en vue d'une nomination à titre définitif le 1er juillet 2021. Si un établissement appartient à un centre d'enseignement, le pouvoir organisateur de cet établissement communique les vacances d'emploi dans ses établissements faisant partie de ce centre d'enseignement aux membres du personnel dudit centre. La liste des emplois vacants comprend :
  1° tous les emplois vacants dans le ou les établissements concernés au 15 mai 2021 ;
  2° éventuellement les emplois qui, dans la période du 15 mai au 1er juillet 2021, deviendront vacants par suite d'une mise à la retraite ou d'une mise en disponibilité préalable à la pension de retraite du titulaire. Le pouvoir organisateur peut également communiquer ces emplois comme emplois vacants en vue d'une nomination à titre définitif ;
  3° l'emploi d'un membre du personnel nommé à titre définitif qui, au plus tard le 15 mai 2021, est mis en disponibilité par défaut d'emploi en application de l'article V.75, § 2, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 octobre 2016 portant codification de certaines dispositions relatives à l'enseignement. Au moment de cette mise en disponibilité, l'emploi dont est titulaire le membre du personnel devient un emploi vacant ;
  4° la partie de l'emploi dans une fonction de recrutement du personnel directeur et enseignant d'un membre du personnel nommé à titre définitif pour laquelle ce membre du personnel bénéficie le 15 mai 2021 d'un congé pour prestations réduites à partir de l'âge de 55 ans, tel que visé à l'article 5, § 1er, 3°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 avril 1990 relatif aux congés pour prestations réduites ;
  5° la partie de l'emploi dans une fonction de recrutement du personnel directeur et enseignant d'un membre du personnel nommé à titre définitif pour laquelle ce membre du personnel bénéficie le 15 mai 2021 d'une interruption de carrière partielle à partir de l'âge de 50 ou de 55 ans, tel que visé à l'article 9 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 septembre 2011 relatif à l'interruption de carrière des membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des élèves ;
  6° l'emploi ou la partie de l'emploi dans une fonction de recrutement du personnel directeur et enseignant d'un membre du personnel nommé à titre définitif pour laquelle ce membre du personnel est absent le 15 mai 2021 de l'année scolaire pour une année scolaire complète en raison d'un ou de plusieurs régimes de congé suivants :
  a) congé pour mission spéciale tel que visé à l'article 51quater du présent décret ;
  b) congé pour mission spéciale tel que visé à l'article 51quater du présent décret ;
  c) congé pour missions syndicales tel que visé à l'article 53 du décret du 5 avril 1995 portant création de comités de négociation dans l'enseignement libre subventionné ou tel que visé à l'arrêté royal du 16 décembre 1981 relatif au congé syndical dans l'enseignement subventionné ;
  d) congé pour l'exercice d'une fonction auprès d'un cabinet ministériel tel que visé à l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 juillet 1995 relatif au congé pour l'exercice d'une fonction auprès d'un cabinet ministériel d'un membre d'un gouvernement de communauté ou de région, d'un membre du Gouvernement fédéral ou d'un secrétaire d'état régional, et auprès d'un secrétariat, de la cellule de coordination générale de la politique et d'une cellule de politique générale auprès d'un membre du Gouvernement fédéral, par des membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des élèves ;
  e) congé groupes politiques reconnus tel que visé à l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 décembre 1991 relatif au congé accordé aux membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des élèves pour accomplir certaines prestations au bénéfice de groupes politiques reconnus dans les chambres législatives de l'Etat, des Communautés ou des Régions, ou au bénéfice des présidents de ces groupes ;
  f) congé politique tel que visé aux articles 29 à 36bis inclus du décret du 28 avril 1993 relatif à l'enseignement IV ;
  g) congé pour prestations réduites tel que visé au chapitre II de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 avril 1990 relatif aux congés pour prestations réduites ;
  h) absence pour prestations réduites telle que visée au chapitre III de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 avril 1990 relatif aux congés pour prestations réduites.
  La communication des emplois vacants comprend une description précise des emplois offerts et mentionne la forme et le délai dans lesquels un membre du personnel doit poser sa candidature, ainsi que les conditions pour être admissible à une nomination à titre définitif. Cet avis est communiqué à tous les membres du personnel visés à l'alinéa 1er et est rendu public.
  § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, alinéa 1er, le pouvoir organisateur détermine chaque année séparément pour ses centres d'éducation des adultes, sur la base d'un plan directeur et après négociation au sein du comité local de négociation compétent, quels sont les emplois pour lesquels il fait une déclaration de vacance.
  Le pouvoir organisateur doit communiquer les emplois vacants n'ayant pas recueilli un accord au sein du comité local de négociation compétent, s'il s'agit d'emplois vacants qui étaient déjà vacants pendant les trois années scolaires précédant l'année scolaire en question. En vue de la nomination à titre définitif le 1er juillet 2021, le pouvoir organisateur doit en tout cas communiquer les emplois visés au paragraphe 1er, alinéa 1er, 4°, 5° et 6°. ".
Art. 46. In titel II, hoofdstuk XI, van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 3 juli 2020, wordt een artikel 84vicies septies ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 84vicies septies. § 1. In afwijking van artikel 31 kan een inrichtende macht een personeelslid op 1 juli 2021 vast benoemen in een ambt in een vacant ver- klaarde betrekking als vermeld in artikel 84vicies sexies, als dat personeelslid op het ogenblik van de vaste benoeming voldoet aan de voorwaarden van artikel 19 en hij, rekening houdend met artikel 77, daarenboven:
  1° op 31 mei 2021 ten minste 360 dagen dienstanciënniteit heeft verworven in het bedoelde ambt in een of meer instellingen van de inrichtende macht. Als het een leraar betreft in het bezit van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs moeten de 360 dagen gepresteerd zijn in het vak of de specialiteit van de vacant verklaarde betrekking;
  2° zich kandidaat heeft gesteld in de vorm en binnen de termijn, vermeld in de oproep tot de kandidaten;
  3° op 30 juni 2021 in een instelling van de inrichtende macht waar hij de in punt 1° vereiste dienstanciënniteit heeft verworven, tijdelijk is aangesteld in het ambt waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld. Behoort de instelling waar het personeelslid tijdelijk is aangesteld niet tot een scholengemeenschap, dan vervult het personeelslid deze voorwaarde voor alle instellingen van de inrichtende macht die niet tot een scholengemeenschap behoren. Behoort de instelling waar het personeelslid tijdelijk is aangesteld tot een scholengemeenschap, dan vervult het personeelslid deze voorwaarde voor alle instellingen van de inrichtende macht in de scholengemeenschap. Is het personeelslid op 30 juni 2021 aangesteld in het ambt van leraar met een vereist bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, dan geldt dit als een aanstelling in dat ambt voor alle opleidingen, modules of vakken en specialiteiten waarvoor dat vereiste bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, geldt. Is het personeelslid op
  30 juni 2021 aangesteld in het ambt van leraar met een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, in een opleiding, module, vak of specialiteit dan geldt dit als een aanstelling in dat ambt voor die opleiding, die module, dat vak of die specialiteit en daarenboven ook voor alle opleidingen, modules, vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid een vereist bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit. Voor het personeelslid dat werd aangesteld bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling en voor het personeelslid bedoeld in hoofdstuk IVbis voor wat betreft het volume van zijn opdracht waarvoor hij is vast benoemd en waarvoor hij een verlof heeft verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen, moeten, voor zover hij het ambt van leraar uitoefent, de 360 dagen dienstanciënniteit verworven zijn in de opleiding, de module, het vak of de specialiteit van de vacant verklaarde betrekking;
  4° als laatste evaluatie in het betrokken ambt geen evaluatie met de eindconclusie "onvoldoende" verkregen heeft bij de inrichtende macht waar de vacante betrekking zich situeert. Als het personeelslid de evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" kreeg in een instelling van de inrichtende macht die behoort tot een scholengemeenschap, dan geldt deze bepaling voor alle instellingen van deze inrichtende macht die behoren tot deze scholengemeenschap. Als het personeelslid de evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" kreeg in een instelling van de inrichtende macht die niet behoort tot een scholengemeenschap, dan geldt deze bepaling voor alle instellingen van deze inrichtende macht die niet behoren tot een scholengemeenschap. Als het personeelslid niet werd geëvalueerd, wordt deze voorwaarde geacht voldaan te zijn.
  De vaste benoeming is slechts mogelijk als het personeelslid de betrekking in hoofdambt uitoefent.
  § 2. Als er meerdere personeelsleden zijn die zich kandidaat stellen voor vaste be- noeming in eenzelfde betrekking moet de inrichtende macht bij de toewijzing van de vaste benoeming in die betrekking de volgende volgorde respecteren:
  1° de personeelsleden die deeltijds benoemd zijn in het ambt;
  2° de tijdelijke personeelsleden die uiterlijk op 30 juni 2021 tijdelijk aangesteld zijn voor doorlopende duur;
  3° de tijdelijke personeelsleden die uiterlijk op 31 mei 2021 in het ambt ten minste 580 dagen dienstanciënniteit hebben verworven in een of meer instellingen van de inrichtende macht of desgevallend in een of meer instellingen van dezelfde scholengemeenschap en waarvan minstens 360 dagen zijn verworven in een of meer instellingen van de inrichtende macht. De inrichtende macht kan voor de 360 dagen dienstanciënniteit ook rekening houden met diensten die een personeelslid heeft verworven in een of meer instellingen van een andere inrichtende macht;
  4° de tijdelijke personeelsleden die uiterlijk op 31 mei 2021 in het ambt waarvoor ze zich kandidaat stellen ten minste 360 dagen dienstanciënniteit hebben verworven in een of meer instellingen van de inrichtende macht.
  De inrichtende macht kan beslissen om een tijdelijk personeelslid dat voldoet aan de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 4°, niet vast te benoemen, op voor- waarde dat het personeelslid dan een schriftelijke motivatie krijgt waarin de inrichtende macht opneemt om welke redenen ze de vaste benoeming weigert. Dit geldt ook als het tijdelijk personeelslid de enige kandidaat is voor de vacant verklaarde betrekking.
  De inrichtende macht kan binnen elke groep, vermeld in het eerste lid, bij- komende criteria bepalen om een vaste benoeming toe te kennen. Deze criteria worden onderhandeld in het daartoe bevoegde lokaal onderhandelingscomité.
  § 3. In de instellingen van het gesubsidieerd vrij onderwijs wordt elke benoeming in een wervingsambt en elke wijziging ervan schriftelijk vastgesteld. De overeen- komst vermeldt ten minste:
  1° de benaming en het adres van de inrichtende macht en van de instelling waarin het personeelslid tewerkgesteld wordt;
  2° de identiteit van het personeelslid;
  3° het uit te oefenen ambt en de omvang van de opdracht;
  4° in voorkomend geval, het pedagogisch project, de aanvullende verplichtingen en onverenigbaarheden.
  De overeenkomst van benoeming wordt opgemaakt in ten minste twee exemplaren, waarvan één bestemd voor het personeelslid.
  § 4. In de instellingen van het gesubsidieerd officieel onderwijs wordt elke benoeming in een wervingsambt en elke wijziging ervan vastgesteld bij besluit van de inrichtende macht. Het besluit vermeldt ten minste:
  1° de benaming en het adres van de inrichtende macht en van de instelling waarin het personeelslid tewerkgesteld wordt;
  2° de identiteit van het personeelslid;
  3° het uit te oefenen ambt en de omvang van de opdracht;
  4° in voorkomend geval, het pedagogisch project, de aanvullende verplichtingen en onverenigbaarheden.
  Een afschrift van dit besluit wordt meegedeeld aan het betrokken personeelslid.
  § 5. Bij ontstentenis van hetzij de schriftelijke overeenkomst bedoeld in paragraaf 3, hetzij het besluit bedoeld in paragraaf 4, wordt het personeelslid geacht vast benoemd te zijn voor het ambt, voor de opdracht en in de betrekking die het werkelijk uitoefent.
  § 6. Het personeelslid wordt benoemd bij een inrichtende macht en geaffecteerd aan een instelling van deze inrichtende macht.
  § 7. De Vlaamse Regering bepaalt de regels volgens welke de vaste benoeming, de nieuwe affectatie en de mutatie worden meegedeeld aan het Departement Onder- wijs opdat zij zouden uitwerking hebben ten aanzien van de overheid.
  § 8. De Vlaamse Regering bepaalt de gevolgen van een nieuwe vaste benoeming ten aanzien van de door het betrokken personeelslid voorheen reeds verkregen vaste benoeming, met dien verstande dat een personeelslid slechts vast benoemd kan zijn ten belope van maximaal één voltijdse betrekking in hoofdambt. Het vol- tijds karakter wordt bepaald in functie van de prestaties vereist voor een voltijdse betrekking in het ambt van de nieuwe benoeming.
  § 9. In afwijking van artikel 33, § 1, gaat de vaste benoeming in op 1 juli 2021 volgend op de vacantverklaring, voor zover de betrekking op die datum nog vacant is.".
Art. 46. Dans le titre II, chapitre XI, du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 3 juillet 2020, il est inséré un article 84vicies septies, rédigé comme suit :
  " Art. 84vicies septies. § 1er. Par dérogation à l'article 31, le conseil d'administration peut nommer à titre définitif un membre du personnel au 1er juillet 2021 dans une fonction dans un emploi déclaré vacant, visée à l'article 84vicies sexies, si ce membre du personnel satisfait au moment de la nomination à titre définitif aux conditions de l'article 19 et, compte tenu de l'article 77, en outre :
  1° il a acquis, le 31 mai 2021, au moins 360 jours d'ancienneté de service à la fonction concernée dans un ou plusieurs établissements du pouvoir organisateur. Lorsqu'il s'agit d'un enseignant en possession d'un titre jugé suffisant, les 360 jours doivent être prestés dans la branche ou la spécialité de l'emploi déclaré vacant ;
  2° il a posé sa candidature dans les formes et le délai mentionnés dans l'appel aux candidats ;
  3° le 30 juin 2021, il est désigné temporairement dans la fonction pour laquelle il a posé sa candidature, dans un établissement du pouvoir organisateur où il a acquis l'ancienneté de service requise au point 1°. Si l'établissement où le membre du personnel est désigné temporairement n'appartient pas à un centre d'enseignement, le membre du personnel remplit cette condition pour tous les établissements du pouvoir organisateur n'appartenant pas à un centre d'enseignement. Si l'établissement où le membre du personnel est désigné appartient à un centre d'enseignement, le membre du personnel remplit cette condition pour tous les établissements de ce centre d'enseignement. Si le membre du personnel est désigné, le 30 juin 2021, dans la fonction d'enseignant avec un titre requis, par disposition organique ou par mesure transitoire, cette désignation vaut comme une désignation dans cette fonction pour tous les formations, modules ou branches et spécialités pour lesquels ce titre requis, par disposition organique ou par mesure transitoire, s'applique. Si le membre du personnel est
  désigné, le 30 juin 2021, dans la fonction d'enseignant avec un titre jugé suffisant, par disposition organique ou par mesure transitoire, dans une formation, un module, une branche ou une spécialité, cette désignation vaut comme une désignation dans cette fonction pour cette formation, ce module, cette branche ou cette spécialité et en outre aussi pour tous les formations, modules ou branches et spécialités pour lesquels le membre du personnel dispose d'un titre requis, par disposition organique ou par mesure transitoire. Pour le membre du personnel qui a été désigné à titre de réaffectation ou de remise au travail, et pour le membre du personnel visé au chapitre IVbis en ce qui concerne le volume de la charge pour laquelle il est nommé à titre définitif et pour laquelle il a obtenu un congé afin d'exercer temporairement une autre charge, les 360 jours d'ancienneté de service doivent être acquis, dans la mesure où il exerce la fonction d'enseignant, dans la formation, le module, la branche ou la spécialité de l'emploi déclaré vacant ;
  4° lors de la dernière évaluation dans la fonction concernée, il n'a pas obtenu comme conclusion finale la mention " insuffisant " auprès du pourvoir organisateur où se situe l'emploi vacant. Si le membre du personnel a obtenu une évaluation portant la conclusion finale " insuffisant " dans un établissement du pouvoir organisateur appartenant à un centre d'enseignement, cette disposition vaut pour tous les établissements de ce pouvoir organisateur appartenant à ce centre d'enseignement. Si le membre du personnel a obtenu une évaluation portant la conclusion finale " insuffisant " dans un établissement du pouvoir organisateur n'appartenant pas à un centre d'enseignement, cette disposition vaut pour tous les établissements de ce pouvoir organisateur n'appartenant pas à un centre d'enseignement. Lorsque le membre du personnel n'a pas été évalué, cette condition est censée être remplie.
  La nomination à titre définitif n'est possible que si le membre du personnel exerce l'emploi en fonction principale.
  § 2. Si plusieurs membres du personnel se portent candidat pour une nomination à titre définitif dans le même emploi, le pouvoir organisateur doit respecter l'ordre suivant lors de l'attribution de la nomination à titre définitif dans cet emploi :
  1° les membres du personnel nommés à temps partiel dans la fonction ;
  2° les membres du personnel temporaires qui sont désignés temporairement, au plus tard le 30 juin 2021, pour une durée ininterrompue ;
  3° les membres du personnel temporaires qui ont acquis, au plus tard le 31 mai 2021, au moins 580 jours d'ancienneté de service dans un ou plusieurs établissements du pouvoir organisateur ou, le cas échéant, dans un ou plusieurs établissements du même centre d'enseignement, et dont au moins 360 jours ont été acquis dans un ou plusieurs établissements du pouvoir organisateur. Pour les 360 jours d'ancienneté de service, le pouvoir organisateur peut également tenir compte des services qu'un membre du personnel a acquis dans un ou plusieurs établissement d'un autre pouvoir organisateur ;
  4° les membres du personnel temporaires qui ont acquis, au plus tard le 31 mai 2021, dans la fonction pour laquelle ils se portent candidat, au moins 360 jours d'ancienneté de service dans un ou plusieurs établissements du pouvoir organisateur.
  Le pouvoir organisateur peut décider de ne pas nommer à titre définitif un membre du personnel temporaire qui remplit la condition visée à l'alinéa 1er, 4°, à condition que le membre du personnel reçoive une motivation écrite dans laquelle le pouvoir organisateur reprend les motifs du refus de la nomination à titre définitif. Cela s'applique également si le membre du personnel temporaire est le seul candidat pour l'emploi déclaré vacant.
  Au sein de chaque groupe, visé à l'alinéa 1er, le pouvoir organisateur peut arrêter des critères supplémentaires pour attribuer une nomination à titre définitif. Ces critères sont négociés au sein du comité local de négociation compétent.
  § 3. Dans les établissements de l'enseignement libre subventionné, toute nomination dans une fonction de recrutement et toute modification que l'on y apporte est confirmée par écrit. La convention indiquera au moins :
  1° la dénomination et l'adresse du pouvoir organisateur et de l'établissement où le membre du personnel occupe un emploi ;
  2° l'identité du membre du personnel ;
  3° la fonction à exercer et le volume de charge ;
  4° le cas échéant, le projet pédagogique, les devoirs et incompatibilités complémentaires.
  La convention de nomination est établie en deux exemplaires au moins, dont l'un est destiné au membre du personnel.
  § 4. Dans les établissements de l'enseignement libre subventionné, toute nomination dans une fonction de recrutement et toute modification que l'on y apporte est confirmée par décision du pouvoir organisateur. La décision indiquera au moins :
  1° la dénomination et l'adresse du pouvoir organisateur et de l'établissement où le membre du personnel occupe un emploi ;
  2° l'identité du membre du personnel ;
  3° la fonction à exercer et le volume de charge ;
  4° le cas échéant, le projet pédagogique, les devoirs et incompatibilités complémentaires.
  Une copie de cette décision est transmise au membre du personnel concerné.
  § 5. A défaut ou bien de la convention écrite visée au paragraphe 3, ou bien de la décision visée au paragraphe 4, le membre du personnel est censé être nommé à titre définitif à la fonction, la charge et l'emploi qu'il exerce effectivement.
  § 6. Le membre du personnel est nommé auprès d'un pouvoir organisateur et affecté à un établissement de ce pouvoir organisateur.
  § 7. Le Gouvernement flamand fixe les règles selon lesquelles la nomination à titre définitif, la nouvelle affectation et la mutation sont communiquées au Département de l'Enseignement afin qu'elles puissent produire leurs effets vis-à-vis de l'autorité.
  § 8. Le Gouvernement flamand détermine les effets d'une nouvelle nomination à titre définitif vis-à-vis de la nomination à titre définitif déjà obtenue au préalable par le membre du personnel en question, à condition que le membre du personnel ne puisse être nommé définitivement qu'à concurrence d'une fonction à temps plein en fonction principale au maximum. Le temps plein est déterminé en fonction des prestations exigées pour un emploi à temps plein dans la fonction de la nouvelle nomination.
  § 9. Par dérogation à l'article 33, § 1er, la nomination à titre définitif prend cours le 1er juillet 2021 suivant la déclaration de vacance, dans la mesure où l'emploi est toujours vacant à la même date. ".
Afdeling 15. - Hogere Zeevaartschool
Section 15. - Hogere Zeevaartschool
Art. 47. In artikel 4 van het decreet van 20 februari 2009 betreffende de Hogere Zeevaartschool wordt een paragraaf 5 ingevoegd, die luidt als volgt:
  " § 5. Als aanvulling op de bedragen, vermeld in paragraaf 1, ontvangt de Hogere Zeevaartschool in het begrotingsjaar 2021 eenmalige bijkomende investeringsmiddelen ten bedrage van 100.000 euro.".
Art. 47. L'article 4 du décret du 20 février 2009 relatif à la " Hogere Zeevaartschool ", est complété par un paragraphe 5, rédigé comme suit :
  " § 5. En plus des montants visés au paragraphe 1er, la " Hogere Zeevaartschool " reçoit au cours de l'année budgétaire 2021 une seule fois des moyens d'investissement supplémentaires à concurrence de 100.000 euros. ".
Afdeling 16. - Volwassenenonderwijs
Section 16. - Education des adultes
Art. 48. In artikel 196sexies, § 1, van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenonderwijs wordt een zesde lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Ten laste van het begrotingsjaar 2021 worden 32.955,75 aanvullende leraars- uren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor basiseducatie toegekend.".
Art. 48. Dans l'article 196sexies, § 1er, du décret du 15 juin 2007 relatif à l'éducation des adultes, il est inséré un alinéa 6, rédigé comme suit :
  " A charge de l'année budgétaire 2021, 32.955,75 périodes/enseignant complémentaires, 481,99 points complémentaires et un montant de 604.847,18 euros de moyens de fonctionnement sont octroyés aux centres d'éducation des adultes, et 132,96 ETP complémentaires, 2.192,09 points complémentaires et un montant de 1.627.652,82 euros de moyens de fonctionnement sont octroyés aux centres d'éducation de base. ".
HOOFDSTUK 7. - Financiën en Begroting
CHAPITRE 7. - Finances et Budget
Afdeling 1. - Aanpassing aan de belastingverhoging wegens verzuim en tekortschat- ting inzake de erfbelasting
Section 1. - Adaptation à l'accroissement d'impôt pour cause d'omission et d'insuffisance d'évaluation en matière de droits de succession
Art. 49. In artikel 3.18.0.0.7 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, ingevoegd bij het decreet van 19 december 2014 en gewijzigd bij het decreet van 17 juli 2015, wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:
  "De belastingverhoging, vermeld in het eerste lid, wordt vervangen door een belastingverhoging conform de onderstaande tabel als een erfgenaam, legataris of begiftigde uit eigen beweging, een goed dat in afwijking van artikel 3.3.1.0.8 niet was opgenomen in de aangifte, alsnog aangeeft:
Art. 49. Dans l'article 3.18.0.0.7 du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013, inséré par le décret du 19 décembre 2014 et modifié par le décret du 17 juillet 2015, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
  " La majoration d'impôt, visée à l'alinéa 1er, est remplacée par une majoration d'impôt conformément au tableau ci-dessous, si un héritier, un légataire ou un donataire de propre initiative déclare un bien qui, par dérogation à l'article 3.3.1.0.8, n'était pas mentionné dans la déclaration :
ogenblik van indiening na het verstrijken van de aangiftetermijn, vermeld in artikel 3.3.1.0.5, § 2, VCF of artikel 3.3.1.0.6 VCF belastingverhoging in % van de te betalen erfbelasting
vanaf de eerste dag van tot en met de laatste dag van
  
maand 1 maand 1 1
maand 2 maand 2 2
maand 3 maand 3 3
maand 4 maand 4 4
maand 5 maand 5 5
maand 6 maand 6 6
maand 7 maand 10 10
ogenblik van indiening na het verstrijken van de aangiftetermijn, vermeld in artikel 3.3.1.0.5, § 2, VCF of artikel 3.3.1.0.6 VCF belastingverhoging in % van de te betalen erfbelasting vanaf de eerste dag van tot en met de laatste dag van
maand 1 maand 1 1 maand 2 maand 2 2 maand 3 maand 3 3 maand 4 maand 4 4 maand 5 maand 5 5 maand 6 maand 6 6 maand 7 maand 10 10
".
moment d'introduction après l'expiration du délai de déclaration visé à l'article 3.3.1.0.5, § 2, du CFF, ou à l'article 3.3.1.0.6 du CFF accroissement d'impôt en % des droits de succession à payer
à partir du premier jour du jusqu'au dernier jour du
  
mois 1 mois 1 1
mois 2 mois 2 2
mois 3 mois 3 3
mois 4 mois 4 4
mois 5 mois 5 5
mois 6 mois 6 6
mois 7 mois 10 10
moment d'introduction après l'expiration du délai de déclaration visé à l'article 3.3.1.0.5, § 2, du CFF, ou à l'article 3.3.1.0.6 du CFF accroissement d'impôt en % des droits de succession à payer à partir du premier jour du jusqu'au dernier jour du
mois 1 mois 1 1 mois 2 mois 2 2 mois 3 mois 3 3 mois 4 mois 4 4 mois 5 mois 5 5 mois 6 mois 6 6 mois 7 mois 10 10
".
Art. 50. In artikel 3.18.0.0.8 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 december 2014 en vervangen bij het decreet van 17 juli 2015, wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:
  "In afwijking van het eerste lid, wordt de belastingverhoging verminderd tot de helft van het percentage van de verschuldigde aanvullende rechten, vermeld in het eerste lid, als een erfgenaam, legataris of begiftigde uit eigen beweging, en binnen tien maanden na hetzij het overlijden, hetzij de start van de aangiftetermijn zoals berekend overeenkomstig artikel 3.3.1.0.6, derde of vierde lid, voor een goed dat in afwijking van artikel 3.3.1.0.8 voor een te lage waarde was opgenomen in de aangifte, alsnog een hogere waarde aangeeft.".
Art. 50. Dans l'article 3.18.0.0.8 du même décret, inséré par le décret du 19 décembre 2014 et remplacé par le décret du 17 juillet 2015, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
  " Par dérogation à l'alinéa 1er, l'accroissement d'impôt est réduit à la moitié du pourcentage des droits complémentaires dus, visés à l'alinéa 1er, si un héritier, un légataire ou un donataire de propre initiative et dans les dix mois soit après le décès soit après le début du délai de déclaration tel que calculé conformément à l'article 3.3.1.0.6, alinéa 3 ou 4, déclare une valeur plus élevée pour un bien pour lequel il avait indiqué, par dérogation à l'article 3.3.1.0.8, une valeur trop basse dans la déclaration. ".
Afdeling 2. - Aanpassing van de nalatigheids- en moratoriuminteresten
Section 2. - Adaptation des intérêts de retard et moratoires
Art. 51. In artikel 3.9.1.0.1, § 1, eerste lid, van hetzelfde decreet, wordt het getal "7" vervangen door het getal "4".
Art. 51. Dans l'article 3.9.1.0.1, § 1er, alinéa 1er, du même décret, le nombre " 7 " est remplacé par le nombre " 4 ".
Art. 52. In artikel 3.9.2.0.1, eerste lid, van hetzelfde decreet, wordt het getal "7" vervangen door het getal "4".
Art. 52. Dans l'article 3.9.2.0.1, alinéa 1er, du même décret, le nombre " 7 " est remplacé par le nombre " 4 ".
Afdeling 3. - Mildering van de gevolgen van de coronacrisis inzake de belastingverminderingen voor de eigen woning
Section 3. - Atténuation des effets de la crise du coronavirus en matière de réductions d'impôt pour l'habitation propre
Art. 53. Aan artikel 14546/1 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd bij het decreet van 20 december 2019, wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "In afwijking van het eerste lid wordt de verlenging van de duurtijd wel in aan- merking genomen in zoverre die het gevolg is van een betalingsuitstel dat aan de belastingplichtige op zijn verzoek is toegestaan omwille van de civiele noodsituatie met betrekking tot de volksgezondheid, vermeld in artikel 4, § 1, eerste lid, 1°, van het decreet van 20 maart 2020 houdende maatregelen in geval van een civiele noodsituatie met betrekking tot de volksgezondheid.".
Art. 53. L'article 14546/1 du Code des impôts sur les revenus 1992, inséré par le décret du 20 décembre 2019, est complété par un alinéa 3, rédigé comme suit :
  " Par dérogation à l'alinéa 1er, la prolongation de la durée est prise en compte suite à un report de paiement accordé au contribuable à sa demande en raison de l'urgence civile en matière de santé publique, visée à l'article 4, § 1er, alinéa 1er, 1°, du décret du 20 mars 2020 contenant des mesures en cas d'urgence civile en matière de santé publique. ".
Afdeling 4. - Overgang naar Worldwide harmonized Light vehicles Test Procedure in de verkeersbelasting
Section 4. - Passage à la Worldwide harmonized Light vehicles Test Procedure dans la taxe de circulation
Onderafdeling 1. - Verkeersbelasting
Sous-section 1ère. - Taxe de circulation
Art. 54. In artikel 2.2.4.0.1 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 december 2017, worden de vol- gende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 2/1, eerste lid, 1°, worden de woorden "volgens de geldende Europese regelgeving" vervangen door de woorden "volgens de op het moment van de eerste inschrijving geldende Europese regelgeving";
  2° er wordt een paragraaf 2/2 ingevoegd, die luidt als volgt:
  " § 2/2. Voor de personenauto's, de auto's voor dubbel gebruik en de minibus- sen die voor de eerste keer na 31 december 2020 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid wordt de belasting berekend, vermeld in paragraaf 2/1, met dien verstande dat het element, vermeld onder paragraaf 2/1, 1°, als volgt wordt toegepast: in functie van de CO2-uitstoot van het voertuig, gemeten tijdens de homologatie ervan volgens de geldende Europese regelgeving, wordt het tarief:
  a) vermeerderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer boven 149 gram en niet hoger dan 500 gram;
  b) verminderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer onder 149 gram, maar hoger dan 24 gram.
  Deze paragraaf is alleen van toepassing op voertuigen van natuurlijke personen en van andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten.
  Deze paragraaf is ook van toepassing op de personenauto's, de auto's voor dubbel gebruik en de minibussen die voor de eerste keer na 31 december 2020 worden ingeschreven bij een vergelijkbare instelling binnen de Europese Economische Ruimte of een andere staat, wanneer zij nadien worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid.";
  3° in paragraaf 3/1, eerste lid, 1°, worden de woorden "volgens de geldende Europese regelgeving" vervangen door de woorden "volgens de op het moment van de eerste inschrijving geldende Europese regelgeving";
  4° er wordt een paragraaf 3/3 ingevoegd, die luidt als volgt:
  " § 3/3. Voor de motorvoertuigen, bestemd voor het vervoer van goederen, de lijkwagens, de alleenrijdende landbouwtractoren en de alleenrijdende trekkers, als het andere voertuigen zijn dan de voertuigen, vermeld in paragraaf 6, die voor de eerste keer na 31 december 2020 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid en waarvan de maximaal toegelaten massa maximum 2500 kilogram bedraagt, wordt de belasting berekend als vermeld in paragraaf 3/1, met dien verstande dat het element, vermeld onder paragraaf 3/1, 1°, als volgt wordt toegepast: in functie van de CO2-uitstoot van het voertuig, gemeten tijdens de homologatie ervan volgens de geldende Europese regelgeving, wordt het tarief:
  a) vermeerderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer boven 149 gram en niet hoger dan 500 gram;
  b) verminderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer onder 149 gram, maar hoger dan 24 gram.
  Deze paragraaf is alleen van toepassing op voertuigen van natuurlijke personen en van andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten.
  Deze paragraaf is ook van toepassing op de motorvoertuigen, vermeld in het eerste lid, die voor de eerste keer na 31 december 2020 worden in- geschreven bij een vergelijkbare instelling binnen de Europese Economische Ruimte of een andere staat, wanneer zij nadien worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid.".
Art. 54. A l'article 2.2.4.0.1 du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013, modifié en dernier lieu par le décret du 8 décembre 2017, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 2/1, alinéa 1er, 1°, les mots " selon la réglementation européenne en vigueur " sont remplacés par les mots " selon la réglementation européenne en vigueur au moment de la première immatriculation " ;
  2° il est inséré un paragraphe 2/2, rédigé comme suit :
  " § 2/2. Pour les voitures particulières, les voitures mixtes et les minibus qui sont inscrits pour la première fois après le 31 décembre 2020 au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière, la taxe est calculée telle que visée au paragraphe 2/1, étant entendu que l'élément, visé au paragraphe 2/1, 1°, est appliqué comme suit : en fonction de l'émission de CO2 du véhicule, mesuré lors de son homologation selon la réglementation européenne en vigueur, le tarif est :
  a) majoré de 0,30% par gramme d'émission de CO2 par kilomètre au-dessus de 149 grammes et en-dessous de 500 grammes ;
  b) réduit de 0,30% par gramme d'émission de CO2 par kilomètre en-dessous de 149 grammes et au-dessus de 24 grammes.
  Le présent paragraphe s'applique uniquement aux véhicules de personnes physiques et d'autres personnes morales que les sociétés, les entreprises publiques autonomes et les associations sans but lucratif, qui exercent des activités de leasing.
  Le présent paragraphe s'applique également aux voitures particulières, aux voitures mixtes et aux minibus qui sont inscrits pour la première fois après le 31 décembre 2020 auprès d'une institution comparable au sein de l'Espace économique européen ou d'un autre Etat, lorsqu'ils sont inscrits plus tard au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière. " ;
  3° dans le paragraphe 3/1, alinéa 1er, 1°, les mots " selon la réglementation européenne en vigueur " sont remplacés par les mots " selon la réglementation européenne en vigueur au moment de la première immatriculation " ;
  4° il est inséré un paragraphe 3/3, rédigé comme suit :
  " § 3/3. Pour les véhicules à moteur, destinés au transport de marchandises, les corbillards, les tracteurs agricoles à moteur solos et les tracteurs à moteur solos, autres que ceux, visés au paragraphe 6, qui sont inscrits pour la première fois après le 31 décembre 2020 au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière, et dont la masse maximale autorisée s'élève à 2500 kg au maximum, la taxe est calculée telle que visée au paragraphe 3/1, étant entendu que l'élément visé au paragraphe 3/1, 1°, est appliqué comme suit : en fonction de l'émission de CO2 du véhicule, mesuré lors de son homologation selon la réglementation européenne en vigueur, le tarif est :
  a) majoré de 0,30% par gramme d'émission de CO2 par kilomètre au-dessus de 149 grammes et en-dessous de 500 grammes ;
  b) réduit de 0,30% par gramme d'émission de CO2 par kilomètre en-dessous de 149 grammes et au-dessus de 24 grammes.
  Le présent paragraphe s'applique uniquement aux véhicules de personnes physiques et d'autres personnes morales que les sociétés, les entreprises publiques autonomes et les associations sans but lucratif, qui exercent des activités de leasing.
  Le présent paragraphe s'applique également aux véhicules à moteur, visés à l'alinéa 1er, qui sont inscrits pour la première fois après le 31 décembre 2020 auprès d'une institution comparable au sein de l'Espace économique européen ou d'un autre Etat, lorsqu'ils sont inscrits plus tard au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière. ".
Art. 55. In artikel 2.2.6.0.7 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2015 en gewijzigd bij het decreet van 16 juni 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid wordt de zinsnede "tot en met 31 december 2020" vervangen door de zinsnede "op volgende voertuigen die uiterlijk op 31 december 2020 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid";
  2° er wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, wordt ook toegekend voor voertuigen, die na 31 december 2020 ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid of bij een vergelijkbare instelling binnen de Europese Economische Ruimte of een andere staat en nadien in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid, en die voldoen aan de volgende voorwaarden:
  1° het wegvoertuig werd voor 12 oktober 2020 besteld;
  2° een kopie van de bestelbon wordt aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie bezorgd voor 15 januari 2021, samen met een formulier, afgeleverd door deze entiteit, dat wordt ondertekend door de betrokken belastingplichtige, en dat minstens de volgende gegevens bevat:
  a) hetzij het identificatienummer uit het Rijksregister van de natuurlijke personen, hetzij het ondernemingsnummer dat bekend is bij de Kruispuntbank van Ondernemingen, hetzij het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, van de persoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid;
  b) de voornamen, de achternaam en het domicilieadres van de natuurlijke persoon of de naam, de rechtsvorm en het adres van de maat- schappelijke zetel van de rechtspersoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid.".
Art. 55. A l'article 2.2.6.0.7 du même décret, inséré par le décret du 18 décembre 2015 et modifié par le décret du 16 juin 2017, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 1er, le membre de phrase " Les véhicules suivants sont exonérés de taxes jusqu'au 31 décembre 2020 " est remplacé par le membre de phrase " Les véhicules suivants qui sont inscrits au plus tard le 31 décembre 2020 au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière, sont exonérés de taxes " ;
  2° entre les alinéas 1er et 2, il est inséré un alinéa, rédigé comme suit :
  " L'exonération, visée à l'alinéa 1er, est également accordée pour les véhicules qui sont inscrits après le 31 décembre 2020 au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière ou auprès d'une institution comparable au sein de l'Espace économique européen ou d'un autre Etat et plus tard au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière, et qui remplissent les conditions suivantes :
  1° le véhicule routier a été commandé avant le 12 octobre 2020 ;
  2° une copie du bon de commande est transmise avant le 15 janvier 2021 à l'entité compétente de l'administration flamande, accompagnée d'un formulaire délivré par cette entité et signé par le contribuable concerné, qui comprend au moins les données suivantes :
  a) soit le numéro d'identification du Registre national des personnes physiques, soit le numéro d'entreprise connu auprès de la Banque-Carrefour des Entreprises, soit le numéro d'identification, visé à l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale, de la personne au nom de laquelle le véhicule est ou sera inscrit au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière ;
  b) les prénom, nom et adresse du domicile des personnes physiques ou le nom, la forme juridique et l'adresse du siège social de la personne morale au nom de laquelle le véhicule est ou sera inscrit au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière. ".
Onderafdeling 2. - Belasting op de inverkeerstelling
Sous-section 2. - Taxe de mise en circulation
Art. 56. In artikel 2.3.4.1.2, tweede lid, 1°, van hetzelfde decreet, worden de woorden "volgens de geldende Europese regelgeving" vervangen door de woorden "volgens de op het moment van de eerste inschrijving geldende Europese regel- geving".
Art. 56. Dans l'article 2.3.4.1.2, alinéa 2, 1°, du même décret, les mots " selon la réglementation européenne en vigueur " sont remplacés par les mots " selon la réglementation européenne en vigueur au moment de la première immatriculation ".
Art. 57. In hetzelfde decreet wordt een artikel 2.3.4.1.2/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 2.3.4.1.2/1. De belasting wordt voor de voertuigen, vermeld in artikel 2.3.4.1.1, die voor de eerste keer worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid na 31 december 2020, berekend volgens de volgende formule:
  BIV= ((CO2 * f * q) /246)6 * 4500 + c) * LC
  De parameters, vermeld in het eerste lid, worden gedefinieerd als volgt:
  1° CO2 = de CO2-uitstoot van het wegvoertuig, gemeten tijdens de homologatie ervan volgens de geldende Europese regelgeving;
  2° f = 0,88 voor wegvoertuigen die aangedreven worden door lpg;
  f = 0,93 voor wegvoertuigen die aangedreven worden door aardgas;
  f = 0,744 voor wegvoertuigen die aangedreven worden door zowel aardgas als benzine, als ze als benzinewagen gehomologeerd zijn;
  f = 1 voor andere wegvoertuigen;
  3° q = een factor in functie van de Europese emissienormen voor 2025 en 2030; q is gelijk aan 1,07 in 2021 en wordt jaarlijks verhoogd met 0,035 vanaf het jaar 2022;
  4° c = constante (luchtcomponent) in functie van de euronorm en de brand- stofsoort van het wegvoertuig, vermeld in de volgende tabel:
Art. 57. Dans le même décret, il est inséré un article 2.3.4.1.2/1, rédigé comme suit :
  " Art. 2.3.4.1.2/1. Pour les véhicules visés à l'article 2.3.4.1.1, qui sont inscrits pour la première fois au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière après le 31 décembre 2020, la taxe est calculée selon la formule suivante :
  BIV= ((CO2 * f * q) /246)6 * 4500 + c) * LC
  Les paramètres, visés à l'alinéa 1er, sont définis comme suit :
  1° CO2 = les émissions de CO2 du véhicule routier, mesurées lors de l'homologation du véhicule selon la réglementation européenne en vigueur ;
  2° f = 0,88 pour les véhicules routiers actionnés par le GPL ;
  f = 0,93 pour les véhicules routiers actionnés par le gaz naturel ;
  f = 0,744 pour les véhicules routiers actionnés tant par le gaz naturel que par l'essence, lorsqu'ils sont homologués comme des voitures à essence ;
  f = 1 pour les autres voitures routiers ;
  3° q = un facteur en fonction des normes d'émission européennes pour 2025 et 2030 ; q égale 1,07 en 2021 et est majoré annuellement de 0,035 à partir de l'année 2022 ;
  4° c = constante (composante air) en fonction de l'Euronorme et du type de carburant du véhicule routier, visé au tableau suivant :
Brandstofsoort Euronorm Bedrag in euro
Diesel euro 0 2.863,15
 euro 1 840,00
 euro 2 622,57
 euro 3 493,36
 euro 3 + roetfilter 467,06
 euro 4 467,06
 euro 4 + roetfilter 459,35
 euro 5 of EEV 459,35
 euro 6 454,07
Benzine, en andere brandstoffen euro 0 1138,78
 euro 1 509,28
 euro 2 152,29
 euro 3 95,53
 euro 4 22,93
 euro 5 of EEV 20,61
 euro 6 20,61
Brandstofsoort Euronorm Bedrag in euro Diesel euro 0 2.863,15 euro 1 840,00 euro 2 622,57 euro 3 493,36 euro 3 + roetfilter 467,06 euro 4 467,06 euro 4 + roetfilter 459,35 euro 5 of EEV 459,35 euro 6 454,07 Benzine, en andere brandstoffen euro 0 1138,78 euro 1 509,28 euro 2 152,29 euro 3 95,53 euro 4 22,93 euro 5 of EEV 20,61 euro 6 20,61
LC = leeftijdscorrectie in functie van de ouderdom van het wegvoertuig, ver- meld in de volgende tabel:
Type de carburant Euronorme Montant en euros
Diesel euro 0 2.863,15
 euro 1 840,00
 euro 2 622,57
 euro 3 493,36
 euro 3 + filtre à particules 467,06
 euro 4 467,06
 euro 4 + filtre à particules 459,35
 euro 5 ou EEV 459,35
 euro 6 454,07
Essence et autres carburants euro 0 1138,78
 euro 1 509,28
 euro 2 152,29
 euro 3 95,53
 euro 4 22,93
 euro 5 ou EEV 20,61
 euro 6 20,61
Type de carburant Euronorme Montant en euros Diesel euro 0 2.863,15 euro 1 840,00 euro 2 622,57 euro 3 493,36 euro 3 + filtre à particules 467,06 euro 4 467,06 euro 4 + filtre à particules 459,35 euro 5 ou EEV 459,35 euro 6 454,07 Essence et autres carburants euro 0 1138,78 euro 1 509,28 euro 2 152,29 euro 3 95,53 euro 4 22,93 euro 5 ou EEV 20,61 euro 6 20,61
LC = correction d'âge en fonction de l'ancienneté du véhicule routier, visée au tableau suivant :
ouderdom van het wegvoertuig op basis van de datum van de eerste inschrijving ervan, in het binnenland of in het buitenland, vermeld op het inschrijvingsbewijs waarde LC in %
minder dan 12 volle maanden 100
van 12 volle maanden tot en met 23 volle maanden 90
van 24 volle maanden tot en met 35 volle maanden 80
van 36 volle maanden tot en met 47 volle maanden 70
van 48 volle maanden tot en met 59 volle maanden 60
van 60 volle maanden tot en met 71 volle maanden 50
van 72 volle maanden tot en met 83 volle maanden 40
van 84 volle maanden tot en met 95 volle maanden 30
van 96 volle maanden tot en met 107 volle maanden 20
meer dan 107 volle maanden 10
ouderdom van het wegvoertuig op basis van de datum van de eerste inschrijving ervan, in het binnenland of in het buitenland, vermeld op het inschrijvingsbewijs waarde LC in % minder dan 12 volle maanden 100 van 12 volle maanden tot en met 23 volle maanden 90 van 24 volle maanden tot en met 35 volle maanden 80 van 36 volle maanden tot en met 47 volle maanden 70 van 48 volle maanden tot en met 59 volle maanden 60 van 60 volle maanden tot en met 71 volle maanden 50 van 72 volle maanden tot en met 83 volle maanden 40 van 84 volle maanden tot en met 95 volle maanden 30 van 96 volle maanden tot en met 107 volle maanden 20 meer dan 107 volle maanden 10
".
ancienneté du véhicule sur la base de la date de sa première immatriculation, en Belgique ou à l'étranger, mentionnée sur le certificat d'immatriculation valeur LC en %
Moins de 12 mois entiers 100
de 12 à 23 mois entiers 90
de 24 à 35 mois entiers 80
de 36 à 47 mois entiers 70
de 48 à 59 mois entiers 60
de 60 à 71 mois entiers 50
de 72 à 83 mois entiers 40
de 84 à 95 mois entiers 30
de 96 à 107 mois entiers 20
plus de 107 mois entiers 10
ancienneté du véhicule sur la base de la date de sa première immatriculation, en Belgique ou à l'étranger, mentionnée sur le certificat d'immatriculation valeur LC en % Moins de 12 mois entiers 100 de 12 à 23 mois entiers 90 de 24 à 35 mois entiers 80 de 36 à 47 mois entiers 70 de 48 à 59 mois entiers 60 de 60 à 71 mois entiers 50 de 72 à 83 mois entiers 40 de 84 à 95 mois entiers 30 de 96 à 107 mois entiers 20 plus de 107 mois entiers 10
".
Art. 58. In artikel 2.3.4.1.3 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 18 december 2015 en 16 juni 2017, wordt de zinsnede "In afwijking van artikel 2.3.4.1.2" vervangen door de zinsnede "In afwijking van artikel 2.3.4.1.2 en artikel 2.3.4.1.2/1".
Art. 58. Dans l'article 2.3.4.1.3 du même décret, modifié par les décrets des 18 décembre 2015 et 16 juin 2017, le membre de phrase " Par dérogation à l'article 2.3.4.1.2 " est remplacé par le membre de phrase " Par dérogation aux articles 2.3.4.1.2 et 2.3.4.1.2/1 ".
Art. 59. In artikel 2.3.4.1.4 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 18 december 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de zinsnede "vermeld in artikel 2.3.4.1.2, tweede lid, 4° " wordt vervangen door de zinsnede "vermeld in artikel 2.3.4.1.2, tweede lid, 4°, en artikel 2.3.4.1.2/1, tweede lid, 4°, ";
  2° tussen de zinsnede "vermeld in artikel 2.3.4.1.2" en de zinsnede "en artikel 2.3.4.1.3," wordt de zinsnede ", 2.3.4.1.2/1" ingevoegd.
Art. 59. A l'article 2.3.4.1.4 du même décret, modifié par le décret du 18 décembre 2015, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le membre de phrase " visés à l'article 2.3.4.1.2, alinéa deux, 4°, " est remplacé par le membre de phrase " visés à l'article 2.3.4.1.2, alinéa 2, 4°, et à l'article 2.3.4.1.2/1, alinéa 2, 4°, " ;
  2° le membre de phrase " , à l'article 2.3.4.1.2/1 " est inséré entre le membre de phrase " à l'article 2.3.4.1.2 " et le membre de phrase " et à l'article 2.3.4.1.3 ".
Art. 60. In artikel 2.3.5.0.1 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 16 juni 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het derde lid wordt de zinsnede "tot en met 31 december 2020" vervangen door de zinsnede "voor voertuigen die uiterlijk op 31 december 2020 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid";
  2° er wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "De vermindering, vermeld in het eerste lid, wordt ook toegekend voor voer- tuigen die na 31 december 2020 ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid of bij een vergelijk- bare instelling binnen de Europese Economische Ruimte of een andere staat en nadien in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid, en die voldoen aan de volgende voorwaarden:
  1° het wegvoertuig werd voor 12 oktober 2020 besteld;
  2° een kopie van de bestelbon wordt aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie bezorgd voor 15 januari 2021, samen met een formulier, afgeleverd door deze entiteit, dat wordt ondertekend door de betrokken belastingplichtige, en dat minstens de volgende gegevens bevat:
  a) hetzij het identificatienummer uit het Rijksregister van de natuurlijke personen, hetzij het ondernemingsnummer dat bekend is bij de Kruispuntbank van Ondernemingen, hetzij het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, van de persoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid;
  b) de voornamen, de achternaam en het domicilieadres van de natuur- lijke persoon of de naam, de rechtsvorm en het adres van de maat- schappelijke zetel van de rechtspersoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid.".
Art. 60. A l'article 2.3.5.0.1 du même décret, inséré par le décret du 16 juin 2017, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 3, le membre de phrase " jusqu'au 31 décembre 2020 inclus " est remplacé par le membre de phrase " pour les véhicules qui sont inscrits au plus tard le 31 décembre 2020 au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière " ;
  2° il est ajouté un alinéa 4, rédigé comme suit :
  " La réduction, visée à l'alinéa 1er, est également accordée pour les véhicules qui sont inscrits après le 31 décembre 2020 au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière ou auprès d'une institution comparable au sein de l'Espace économique européen ou d'un autre Etat et plus tard au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière, et qui remplissent les conditions suivantes :
  1° le véhicule routier a été commandé avant le 12 octobre 2020 ;
  2° une copie du bon de commande est transmise avant le 15 janvier 2021 à l'entité compétente de l'administration flamande, accompagnée d'un formulaire délivré par cette entité et signé par le contribuable concerné, qui comprend au moins les données suivantes :
  a) soit le numéro d'identification du Registre national des personnes physiques, soit le numéro d'entreprise connu auprès de la Banque-Carrefour des Entreprises, soit le numéro d'identification, visé à l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale, de la personne au nom de laquelle le véhicule est ou sera inscrit au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière ;
  b) les prénom, nom et adresse du domicile des personnes physiques ou le nom, la forme juridique et l'adresse du siège social de la personne morale au nom de laquelle le véhicule est ou sera inscrit au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière. ".
Art. 61. In artikel 2.3.6.0.3 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2015 en gewijzigd bij het decreet van 16 juni 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid wordt de zinsnede "tot en met 31 december 2020" vervangen door de zinsnede "voor volgende voertuigen die uiterlijk op 31 december 2020 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid";
  2° er wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, wordt ook toegekend voor voertuigen, die na 31 december 2020 ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid of bij een vergelijk- bare instelling binnen de Europese Economische Ruimte of een andere staat en nadien in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid, en die voldoen aan de volgende voorwaarden:
  1° het wegvoertuig werd voor 12 oktober 2020 besteld;
  2° een kopie van de bestelbon wordt aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie bezorgd voor 15 januari 2021, samen met een formulier, afgeleverd door deze entiteit, dat wordt ondertekend door de betrokken belastingplichtige, en dat minstens de volgende gegevens bevat:
  a) hetzij het identificatienummer uit het Rijksregister van de natuur- lijke personen, hetzij het ondernemingsnummer dat bekend is bij de Kruispuntbank van Ondernemingen, hetzij het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprich- ting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, van de persoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-gene- raal Mobiliteit en Verkeersveiligheid;
  b) de voornamen, de achternaam en het domicilieadres van de natuur- lijke persoon of de naam, de rechtsvorm en het adres van de maat- schappelijke zetel van de rechtspersoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid.".
Art. 61. A l'article 2.3.6.0.3 du même décret, inséré par le décret du 18 décembre 2015 et modifié par le décret du 16 juin 2017, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 1er, le membre de phrase " Les véhicules suivants sont exonérés de taxes jusqu'au 31 décembre 2020 " est remplacé par le membre de phrase " Les véhicules suivants qui sont inscrits au plus tard le 31 décembre 2020 au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière, sont exonérés de taxes " ;
  2° il est ajouté un alinéa 4, rédigé comme suit :
  " L'exonération, visée à l'alinéa 1er, est également accordée pour les véhicules qui sont inscrits après le 31 décembre 2020 au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière ou auprès d'une institution comparable au sein de l'Espace économique européen ou d'un autre Etat et plus tard au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière, et qui remplissent les conditions suivantes :
  1° le véhicule routier a été commandé avant le 12 octobre 2020 ;
  2° une copie du bon de commande est transmise avant le 15 janvier 2021 à l'entité compétente de l'administration flamande, accompagnée d'un formulaire délivré par cette entité et signé par le contribuable concerné, qui comprend au moins les données suivantes :
  a) soit le numéro d'identification du Registre national des personnes physiques, soit le numéro d'entreprise connu auprès de la Banque-Carrefour des Entreprises, soit le numéro d'identification, visé à l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale, de la personne au nom de laquelle le véhicule est ou sera inscrit au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière ;
  b) les prénom, nom et adresse du domicile des personnes physiques ou le nom, la forme juridique et l'adresse du siège social de la personne morale au nom de laquelle le véhicule est ou sera inscrit au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière. ".
Onderafdeling 3. - Aanpassing van artikel 135 van het decreet van 18 december 2015 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2016
Sous-section 3. - Adaptation de l'article 135 du décret du 18 décembre 2015 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2016
Art. 62. In artikel 135 van het decreet van 18 december 2015 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2016 worden punt 15° en 16° opgeheven.
Art. 62. Dans l'article 135 du décret du 18 décembre 2015 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2016, les points 15° et 16° sont abrogés.
HOOFDSTUK 8. - Economie, Wetenschap en Innovatie
CHAPITRE 8. - Economie, Science et Innovation
Art. 63. Aan titel IV van het decreet van 30 april 2009 betreffende de organisatie en financiering van het wetenschaps- en innovatiebeleid, het laatst gewijzigd bij het decreet van 3 juli 2015, wordt een hoofdstuk VIII toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Hoofdstuk VIII. Kenniscentrum Data & Maatschappij".
Art. 63. Le titre IV du décret du 30 avril 2009 relatif à l'organisation et au financement de la politique en matière de sciences et d'innovation, modifié en dernier lieu par le décret du 3 juillet 2015, est complété par un chapitre VIII, rédigé comme suit :
  " Chapitre VIII. " Kenniscentrum Data & Maatschappij " (Centre de connaissances Données et Société) ".
Art. 64. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 15 maart 2019, wordt aan hoofdstuk VIII, toegevoegd bij artikel 63, een afdeling I toegevoegd, die luidt als volgt:
  "Afdeling I. Erkenning en strategische doelstellingen van het Kenniscentrum Data & Maatschappij".
Art. 64. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 15 mars 2019, le chapitre VIII, inséré par l'article 63, est complété par une section I, rédigée comme suit :
  " Section I. Agrément et objectifs stratégiques du Centre de connaissances Données et Société ".
Art. 65. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 15 maart 2019, wordt aan afdeling I van hoofdstuk VIII, toegevoegd bij artikel 64, een artikel 63/13/1 toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 63/13/1. De Vlaamse Regering is ertoe gemachtigd om over te gaan tot de erkenning van een Kenniscentrum Data & Maatschappij, dat opgericht wordt door een consortium van instellingen uit het hoger onderwijs.".
Art. 65. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 15 mars 2019, la section I du chapitre VIII, insérée par l'article 64, est complété par un article 63/13/1, rédigé comme suit :
  " Art. 63/13/1. Le Gouvernement flamand est autorisé à procéder à l'agrément d'un Centre de connaissances Données et Société, créé par un consortium d'établissements de l'enseignement supérieur. ".
Art. 66. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 15 maart 2019, wordt aan afdeling I van hoofdstuk VIII, toegevoegd bij artikel 64, een artikel 63/13/2 toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 63/13/2. Het Kenniscentrum Data & Maatschappij speelt in op het disruptieve karakter van artificiële intelligentie en heeft als strategische doelstellingen:
  1° een breed gedragen co-design approach voor het uittekenen van AI-beleid; 2° stimuleren van maatschappelijk debat rond acceptatie van de technologie; 3° het aanleveren van thought leadership over zowel maatschappelijk als economisch aanvaardbare ontwikkelingstrajecten voor AI;
  4° de identificatie en validatie van belangrijke menselijke factoren in de ontwikkeling van AI;
  5° de ontwikkeling van juridische kaders en richtsnoeren voor beleidsmakers en bedrijven.
  De Vlaamse Regering kan het kenniscentrum belasten met bijzondere opdrachten.".
Art. 66. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 15 mars 2019, la section I du chapitre VIII, inséré par l'article 64, est complétée par un article 63/13/2, rédigé comme suit :
  " Art. 63/13/2. Le Centre de connaissances Données et Société répond à la nature perturbatrice de l'intelligence artificielle et a pour objectifs stratégiques :
  1° une approche de co-conception largement soutenue pour l'élaboration des politiques d'IA ; 2° la stimulation du débat public sur l'acceptation des technologies ; 3° la fourniture d'un leadership de réflexion sur les voies de développement socialement et économiquement acceptables pour l'IA ;
  4° l'identification et la validation des facteurs humains importants dans le développement de l'IA ;
  5° l'élaboration de cadres juridiques et de lignes directrices pour les décideurs politiques et les entreprises.
  Le Gouvernement flamand peut charger le centre de connaissances de missions particulières. ".
Art. 67. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 15 maart 2019, wordt aan hoofdstuk VIII, toegevoegd bij artikel 63, een afdeling II toe- gevoegd, die luidt als volgt:
  "Afdeling II. Bestuur en werking".
Art. 67. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 15 mars 2019, le chapitre VIII, inséré par l'article 63, est complété par une section II, rédigée comme suit :
  " Section II. Administration et fonctionnement ".
Art. 68. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 15 maart 2019, wordt aan afdeling II van hoofdstuk VIII, toegevoegd bij artikel 67, een artikel 63/13/3 toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 63/13/3. Het Kenniscentrum Data & Maatschappij bezit geen rechtspersoonlijkheid.
  Op basis van de in artikel 63/13/2 vermelde strategische doelstellingen maakt het Kenniscentrum Data & Maatschappij een vijfjarenplanning op bij het afsluiten van een vijfjarige convenant. Jaarlijks wordt op basis van deze convenant een jaarplanning opgemaakt na afstemming met de stuurgroep van het Kenniscentrum Data & Maatschappij.".
Art. 68. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 15 mars 2019, la section II du chapitre VIII, insérée par l'article 67, est complétée par un article 63/13/3, rédigé comme suit :
  " Art. 63/13/3. Le Centre de connaissances Données et Société ne possède pas de personnalité juridique.
  Sur la base des objectifs stratégiques visés à l'article 63/13/2, le Centre de connaissances Données et Société établit un planning quinquennal lors de la conclusion d'une convention quinquennale. Sur la base de cette convention, un planning annuel est établi chaque année après une concertation avec le groupe de pilotage du Centre de connaissances Données et Société. ".
Art. 69. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 15 maart 2019, wordt aan afdeling II van hoofdstuk VIII, toegevoegd bij artikel 67, een artikel 63/13/4 toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 63/13/4. De samenstelling van de stuurgroep wordt vastgelegd in het convenant.
  De voortgang van de activiteiten van het Kenniscentrum wordt opgevolgd door een stuurgroep. De taakstelling van de stuurgroep wordt vastgelegd in het convenant.".
Art. 69. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 15 mars 2019, la section II du chapitre VIII, insérée par l'article 67, est complétée par un article 63/13/4, rédigé comme suit :
  " Art. 63/13/4. La composition du groupe de pilotage est arrêtée dans la convention.
  L'avancement des activités du Centre de connaissances est suivi par un groupe de pilotage. Les tâches du groupe de pilotage sont arrêtées dans la convention. ".
Art. 70. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 15 maart 2019, wordt aan hoofdstuk VIII, toegevoegd bij artikel 63, een afdeling III toegevoegd, die luidt als volgt:
  "Afdeling III. Convenant".
Art. 70. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 15 mars 2019, le chapitre VIII, inséré par l'article 63, est complété par une section III, rédigée comme suit :
  " Section III. Convention ".
Art. 71. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 15 maart 2019, wordt aan afdeling III van hoofdstuk VIII, toegevoegd bij artikel 70, een artikel 63/13/5 toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 63/13/5. De Vlaamse Regering en een consortium van instellingen uit Hoger Onderwijs sluiten voor de organisatie van het Kenniscentrum Data & Maatschappij een vijfjaarlijks convenant waarin ten minste volgende elementen zijn opgenomen: 1° de modaliteiten waaronder de Vlaamse Regering de subsidies verleent;
  2° de strategische en operationele doelstellingen van de instelling; 3° de regels voor de meting en de opvolging ervan;
  4° de betalingsregeling voor de jaarlijkse subsidie van het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap;
  5° de financiële bepalingen over de aanwending van de subsidies en de reserve- vorming;
  6° een rapporteringsmechanisme en een mechanisme dat bestemd is voor de opvolging van de werking;
  7° de maatregelen in geval van niet-naleving van het convenant;
  8° de gevallen waarin en de wijze waarop het convenant tijdens de looptijd ervan kan worden gewijzigd;
  9° de duur en de opzeggings- en verlengingsmogelijkheden van het convenant; 10° de samenwerkingsovereenkomst tussen de partners uit het consortium als bijlage.".
Art. 71. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 15 mars 2019, la section III du chapitre VIII, insérée par l'article 70, est complétée par un article 63/13/5, rédigé comme suit :
  " Art. 63/13/5. Le Gouvernement flamand et un consortium d'établissements de l'Enseignement supérieur concluent, pour l'organisation du Centre de connaissances Données et Société, une convention quinquennale contenant au moins les éléments suivants : 1° les modalités selon lesquelles le Gouvernement flamand accorde les subventions ;
  2° les objectifs stratégiques et opérationnels de l'établissement ; 3° les règles relatives au mesurage et au suivi de ceux-ci ;
  4° le règlement du paiement de la subvention annuelle de la Région flamande ou de la Communauté flamande ;
  5° les dispositions financières relatives à l'affectation des subventions et à la constitution de réserves ;
  6° un mécanisme de rapportage et un mécanisme destiné au suivi du fonctionnement ;
  7° les mesures en cas de non-respect de la convention ;
  8° les cas où et la manière dont la convention peut être modifiée pendant sa durée ;
  9° la durée et les possibilités de résiliation et de prolongation de la convention ; 10° l'accord de coopération entre les partenaires du consortium, ajouté en annexe. ".
Art. 72. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 15 maart 2019, wordt aan hoofdstuk VIII, toegevoegd bij artikel 63, een afdeling IV toegevoegd, die luidt als volgt:
  "Afdeling IV. Subsidie".
Art. 72. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 15 mars 2019, le chapitre VIII, inséré par l'article 63, est complété par une section IV, rédigée comme suit :
  " Section IV. Subvention ".
Art. 73. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 15 maart 2019, wordt aan afdeling IV van hoofdstuk VIII, toegevoegd bij artikel 72, een artikel 63/13/6 toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 63/13/6. De Vlaamse Regering stelt binnen de beschikbare begrotingskredieten een jaarlijkse subsidie ter beschikking aan de consortiumpartners.".
Art. 73. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 15 mars 2019, la section IV du chapitre VIII, insérée par l'article 72, est complétée par un article 63/13/6, rédigé comme suit :
  " Art. 63/13/6. Dans les limites des crédits budgétaires disponibles, le Gouvernement flamand met une subvention annuelle à la disposition des partenaires du consortium. ".
Art. 74. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 15 maart 2019, wordt aan hoofdstuk VIII, toegevoegd bij artikel 63, een afdeling V toe- gevoegd, die luidt als volgt:
  "Afdeling V. Evaluatie".
Art. 74. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 15 mars 2019, le chapitre VIII, inséré par l'article 63, est complété par une section V, rédigée comme suit :
  " Section V. Evaluation ".
Art. 75. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 15 maart 2019, wordt aan afdeling V van hoofdstuk VIII, toegevoegd bij artikel 74, een artikel 63/13/7 toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 63/13/7. De Vlaamse Regering waakt erover dat de activiteiten van het Kenniscentrum Data & Maatschappij worden geëvalueerd voor het verstrijken van het lopende convenant, aan de hand van de strategische en operationele doelstellingen die vastgelegd zijn in het convenant.
  De voorwaarden voor een nieuw convenant worden onder meer bepaald door de resultaten van de evaluatie.".
Art. 75. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 15 mars 2019, la section V du chapitre VIII, insérée par l'article 74, est complétée par un article 63/13/7, rédigé comme suit :
  " Art. 63/13/7. Le Gouvernement flamand veille à ce que les activités du Centre de connaissances Données et Société soient évaluées avant l'expiration de la convention en cours, à l'aide des objectifs stratégiques et opérationnels fixés dans la convention.
  Les conditions d'une nouvelle convention sont entre autres déterminées par les résultats de l'évaluation. ".
HOOFDSTUK 9. - Inwerkingtreding
CHAPITRE 9. - Entrée en vigueur
Art. 76. Dit decreet treedt in werking op 1 januari 2021, met uitzondering van: 1° artikel 18 tot en met 23 die in werking treden 10 dagen na publicatie in het
  Belgisch Staatsblad;
  2° artikel 25 en 26 die in werking treden op 1 september 2021;
  3° artikel 35 en 36 die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2020;
  4° artikel 62 dat in werking treedt op 31 december 2020.
  Artikel 49 en 50 zijn van toepassing op nalatenschappen opengevallen vanaf 1 januari 2021.
  Artikel 53 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2020. Artikel 53 is van toepassing op de belastbare tijdperken die aanvangen na 31 december 2019.
Art. 76. Le présent décret en vigueur le 1 janvier 2021, à l'exception : 1° des articles 18 à 23, qui entrent en vigueur dix jours après leur publication
  au Moniteur belge ;
  2° des articles 25 et 26, qui entrent en vigueur le 1 septembre 2021 ;
  3° des articles 35 et 36, qui produisent leurs effets le 1 janvier 2020 ;
  4° de l'article 62 qui entre en vigueur le 31 décembre 2020.
  Les articles 49 et 50 s'appliquent aux successions ouvertes à partir du 1er janvier 2021.
  L'article 53 produit ses effets le 1 janvier 2020. L'article 53 s'applique aux périodes imposables qui commencent après le 31 décembre 2019.