Artikel 1. - Europese clausule
Dit besluit voorziet in de gedeeltelijke omzetting van de Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
25 APRIL 2019. - Besluit van de Regering tot vaststelling van de procedure voor de registratie en erkenning van de beoefenaars van de gezondheidszorgberoepen en tot afgifte van een Europese beroepskaart(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 12-06-2019 en tekstbijwerking tot 23-07-2024)
Titre
25 AVRIL 2019. - Arrêté du Gouvernement fixant la procédure d'agrément, d'enregistrement et de reconnaissance des professionnels du secteur des soins de santé et relatif à la délivrance d'une carte professionnelle européenne(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 12-06-2019 et mise à jour au 23-07-2024)
Dokumentinformationen
Info du document
Inhoud
HOOFDSTUK 1. - Gemeenschappelijke bepalingen
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Afdeling 2. - Vertrouwelijkheid en bescherming ...
HOOFDSTUK 2. - Erkennings- en registratieproced...
Afdeling 1. - Erkenning
Afdeling 2. - Bijzondere erkenningsprocedures
Onderafdeling 1. - Stage en erkenning van huisa...
Onderafdeling 2. - Erkenning waarbij tandartsen...
Onderafdeling 3. - Erkenning als houder van de ...
Afdeling 3. - Registratie als zorgkundige of al...
Afdeling 4. - Intrekking van de erkenning of re...
HOOFDSTUK 3. - Erkenningsprocedure
Afdeling 1. - Automatische erkenning
Afdeling 2. - Algemeen stelsel van erkenning
Afdeling 3. - Intrekking van de erkenning
HOOFDSTUK 4. - Procedure voor de afgifte van de...
Afdeling 1. - Aanvraagprocedure en afgifteproce...
Onderafdeling 1. - Gemeenschappelijke bepaling
Onderafdeling 2. - Europese beroepskaart voor d...
Onderafdeling 3. - Europese beroepskaart voor d...
Afdeling 2. - Aanvraagprocedure en afgifteproce...
Afdeling 3. - Gemeenschappelijke bepaling
Afdeling 4. - Intrekking van de Europese beroep...
HOOFDSTUK 5. - Slotbepalingen
Inhoud
CHAPITRE 1er. - Dispositions communes
Section 1re. - Dispositions générales
Section 2. - Confidentialité et protection des ...
CHAPITRE 2. - Procédures d'agrément et d'enregi...
Section 1re. - Agrément
Section 2. - Procédures spéciales d'agrément
Sous-section 1re. - Stage et agrément des médec...
Sous-section 2. - Agrément en vue de porter un ...
Sous-section 3. - Agrément en vue de porter le ...
Section 3. - Enregistrement en qualité d'aide-s...
Section 4. - Retrait de l'agrément ou de l'enre...
CHAPITRE 3. - Procédure de reconnaissance
Section 1re. - Reconnaissance automatique
Section 2. - Régime général de reconnaissance
Section 3. - Retrait de la reconnaissance
CHAPITRE 4. - Procédure de délivrance de la car...
Section 1re. - Procédure de demande et de déliv...
Sous-section 1re. - Disposition commune
Sous-section 2. - Carte professionnelle europée...
Sous-section 3. - Carte professionnelle europée...
Section 2. - Procédures de demande et de délivr...
Section 3. - Disposition commune
Section 4. - Retrait de la carte professionnell...
CHAPITRE 5. - Dispositions finales
Tekst (106)
Texte (106)
HOOFDSTUK 1. - Gemeenschappelijke bepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions communes
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Section 1re. - Dispositions générales
Article 1er. - Clause européenne
Le présent arrêté sert à la transposition partielle de la directive 2005/36/CE du Parlement européen et du Conseil du 7 septembre 2005 relative à la reconnaissance des qualifications professionnelles.
Le présent arrêté sert à la transposition partielle de la directive 2005/36/CE du Parlement européen et du Conseil du 7 septembre 2005 relative à la reconnaissance des qualifications professionnelles.
Art. 2. - Definities
Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
1° aanvrager: de houder die in België een diploma heeft behaald dat toegang verleent tot de uitoefening van een gezondheidszorgberoep vermeld in de wet van 10 mei 2015 of dat machtiging verleent tot het voeren van een daarin vermelde beroepstitel, bijzondere beroepstitel of bijzondere beroepskwalificatie en die daartoe een aanvraag tot erkenning of, naargelang van het geval, een aanvraag tot registratie indient;
2° Europese aanvrager: volgende personen:
a) de EU-burger die houder is van een beroepskwalificatie die hij in een andere Europese lidstaat dan België behaald heeft en die voor die beroepskwalificatie een aanvraag tot erkenning indient;
b) de niet-Europese vreemdeling die houder is van een beroepskwalificatie die hij in een andere Europese lidstaat dan België behaald heeft en die voor die beroepskwalificatie overeenkomstig artikel 145, § 3, van de wet van 10 mei 2015 een aanvraag tot erkenning indient;
3° Europese beroepskaart: de beroepskaart vermeld in artikel 2, § 1, o), van de wet van 12 februari 2008 tot instelling van een algemeen kader voor de erkenning van EU-beroepskwalificaties;
4° administratie: het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap;
5° wet van 12 februari 2008: de wet van 12 februari 2008 tot instelling van een algemeen kader voor de erkenning van EU-beroepskwalificaties, zoals die gold op 1 april 2019;
6° wet van 10 mei 2015: de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen;
7° IMI: het Informatiesysteem van de interne markt geregeld bij de Verordening (EU) nr. 1024/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt en vermeld in artikel 2, § 1, s), van de wet van 12 februari 2008;
8° Minister: de minister van de Regering van de Duitstalige Gemeenschap bevoegd voor Gezondheid;
9° EU-verordening: de uitvoeringsverordening (EU) 2015/983 van de Commissie van 24 juni 2015 betreffende de procedure voor de afgifte van de Europese beroepskaart en de toepassing van het waarschuwingsmechanisme overeenkomstig Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad.
Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
1° aanvrager: de houder die in België een diploma heeft behaald dat toegang verleent tot de uitoefening van een gezondheidszorgberoep vermeld in de wet van 10 mei 2015 of dat machtiging verleent tot het voeren van een daarin vermelde beroepstitel, bijzondere beroepstitel of bijzondere beroepskwalificatie en die daartoe een aanvraag tot erkenning of, naargelang van het geval, een aanvraag tot registratie indient;
2° Europese aanvrager: volgende personen:
a) de EU-burger die houder is van een beroepskwalificatie die hij in een andere Europese lidstaat dan België behaald heeft en die voor die beroepskwalificatie een aanvraag tot erkenning indient;
b) de niet-Europese vreemdeling die houder is van een beroepskwalificatie die hij in een andere Europese lidstaat dan België behaald heeft en die voor die beroepskwalificatie overeenkomstig artikel 145, § 3, van de wet van 10 mei 2015 een aanvraag tot erkenning indient;
3° Europese beroepskaart: de beroepskaart vermeld in artikel 2, § 1, o), van de wet van 12 februari 2008 tot instelling van een algemeen kader voor de erkenning van EU-beroepskwalificaties;
4° administratie: het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap;
5° wet van 12 februari 2008: de wet van 12 februari 2008 tot instelling van een algemeen kader voor de erkenning van EU-beroepskwalificaties, zoals die gold op 1 april 2019;
6° wet van 10 mei 2015: de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen;
7° IMI: het Informatiesysteem van de interne markt geregeld bij de Verordening (EU) nr. 1024/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt en vermeld in artikel 2, § 1, s), van de wet van 12 februari 2008;
8° Minister: de minister van de Regering van de Duitstalige Gemeenschap bevoegd voor Gezondheid;
9° EU-verordening: de uitvoeringsverordening (EU) 2015/983 van de Commissie van 24 juni 2015 betreffende de procedure voor de afgifte van de Europese beroepskaart en de toepassing van het waarschuwingsmechanisme overeenkomstig Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad.
Art. 2. - Définitions
Pour l'application du présent arrêté, il faut entendre par :
1° demandeur : le titulaire d'un diplôme obtenu en Belgique donnant accès à l'exercice d'une profession de soins de santé mentionnée dans la loi du 10 mai 2015 ou autorisant à porter un titre professionnel, un titre professionnel particulier ou une qualification professionnelle particulière y mentionnés et qui, à cet effet, introduit une demande d'agrément ou, selon le cas, d'enregistrement;
2° demandeur européen : les personnes suivantes :
a) le citoyen européen titulaire d'une qualification professionnelle obtenue dans un Etat membre européen autre que la Belgique, et pour laquelle il demande la reconnaissance;
b) le ressortissant étranger non européen titulaire d'une qualification professionnelle obtenue dans un Etat membre européen autre que la Belgique, et pour laquelle il demande une reconnaissance conformément à l'article 145, § 3, de la loi du 10 mai 2015;
3° carte professionnelle européenne : la carte professionnelle mentionnée à l'article 2, § 1er, o), de la loi du 12 février 2008 instaurant un cadre général pour la reconnaissance des qualifications professionnelles UE;
4° administration : le Ministère de la Communauté germanophone;
5° loi du 12 février 2008 : la loi du 12 février 2008 instaurant un cadre général pour la reconnaissance des qualifications professionnelles UE, dans sa version au 1er avril 2019;
6° loi du 10 mai 2015 : la loi coordonnée du 10 mai 2015 relative à l'exercice des professions des soins de santé;
7° IMI : le système d'information du marché intérieur régi par le règlement (UE) n° 1024/2012 du Parlement européen et du Conseil du 25 octobre 2012 concernant la coopération administrative par l'intermédiaire du système d'information du marché intérieur et mentionné à l'article 2, § 1er, s), de la loi du 12 février 2008;
8° ministre : le ministre du Gouvernement de la Communauté germanophone compétent en matière de Santé;
9° règlement européen : le règlement d'exécution (UE) 2015/983 de la Commission du 24 juin 2015 sur la procédure de délivrance de la carte professionnelle européenne et l'application du mécanisme d'alerte conformément à la directive 2005/36/CE du Parlement européen et du Conseil.
Pour l'application du présent arrêté, il faut entendre par :
1° demandeur : le titulaire d'un diplôme obtenu en Belgique donnant accès à l'exercice d'une profession de soins de santé mentionnée dans la loi du 10 mai 2015 ou autorisant à porter un titre professionnel, un titre professionnel particulier ou une qualification professionnelle particulière y mentionnés et qui, à cet effet, introduit une demande d'agrément ou, selon le cas, d'enregistrement;
2° demandeur européen : les personnes suivantes :
a) le citoyen européen titulaire d'une qualification professionnelle obtenue dans un Etat membre européen autre que la Belgique, et pour laquelle il demande la reconnaissance;
b) le ressortissant étranger non européen titulaire d'une qualification professionnelle obtenue dans un Etat membre européen autre que la Belgique, et pour laquelle il demande une reconnaissance conformément à l'article 145, § 3, de la loi du 10 mai 2015;
3° carte professionnelle européenne : la carte professionnelle mentionnée à l'article 2, § 1er, o), de la loi du 12 février 2008 instaurant un cadre général pour la reconnaissance des qualifications professionnelles UE;
4° administration : le Ministère de la Communauté germanophone;
5° loi du 12 février 2008 : la loi du 12 février 2008 instaurant un cadre général pour la reconnaissance des qualifications professionnelles UE, dans sa version au 1er avril 2019;
6° loi du 10 mai 2015 : la loi coordonnée du 10 mai 2015 relative à l'exercice des professions des soins de santé;
7° IMI : le système d'information du marché intérieur régi par le règlement (UE) n° 1024/2012 du Parlement européen et du Conseil du 25 octobre 2012 concernant la coopération administrative par l'intermédiaire du système d'information du marché intérieur et mentionné à l'article 2, § 1er, s), de la loi du 12 février 2008;
8° ministre : le ministre du Gouvernement de la Communauté germanophone compétent en matière de Santé;
9° règlement européen : le règlement d'exécution (UE) 2015/983 de la Commission du 24 juin 2015 sur la procédure de délivrance de la carte professionnelle européenne et l'application du mécanisme d'alerte conformément à la directive 2005/36/CE du Parlement européen et du Conseil.
Art. 3. - Wrakingsregeling
Externe deskundigen die in het kader van dit besluit belast worden met een stellingname, oefenen hun opdracht niet uit als er een wrakingsgrond bestaat. Dat is inzonderheid het geval wanneer ze beroepshalve of persoonlijk een onmiddellijk voordeel of nadeel kunnen hebben bij een stellingname over een registratieaanvraag of erkenningsaanvraag.
Onmiddellijk nadat de externe deskundigen met een opdracht zijn belast, delen ze eventuele wrakingsgronden mee aan de administratie.
Externe deskundigen die in het kader van dit besluit belast worden met een stellingname, oefenen hun opdracht niet uit als er een wrakingsgrond bestaat. Dat is inzonderheid het geval wanneer ze beroepshalve of persoonlijk een onmiddellijk voordeel of nadeel kunnen hebben bij een stellingname over een registratieaanvraag of erkenningsaanvraag.
Onmiddellijk nadat de externe deskundigen met een opdracht zijn belast, delen ze eventuele wrakingsgronden mee aan de administratie.
Art. 3. - Règlementation relative à la partialité
Les experts externes désignés pour émettre un avis dans le cadre du présent arrêté ne peuvent exercer leur mission s'il existe un motif de partialité. C'est particulièrement le cas si, en soumettant un avis sur une demande d'agrément, d'enregistrement ou de reconnaissance, ils peuvent obtenir un avantage ou un désavantage direct à titre professionnel ou privé.
Dès qu'ils sont chargés d'émettre un avis, les experts externes communiquent à l'administration les éventuels motifs de partialité.
Les experts externes désignés pour émettre un avis dans le cadre du présent arrêté ne peuvent exercer leur mission s'il existe un motif de partialité. C'est particulièrement le cas si, en soumettant un avis sur une demande d'agrément, d'enregistrement ou de reconnaissance, ils peuvent obtenir un avantage ou un désavantage direct à titre professionnel ou privé.
Dès qu'ils sont chargés d'émettre un avis, les experts externes communiquent à l'administration les éventuels motifs de partialité.
Art. 4. - Vergoeding voor externe deskundigen
Externe deskundigen die in het kader van dit besluit belast worden met een stellingname, ontvangen een honorarium van [1 98,05 euro]1 per stellingname. Als verscheidene deskundigen in het kader van een gemeenschappelijke werkvergadering meer dan één stellingname formuleren, ontvangt elke deskundige in totaal [1 98,05 euro]1, los van het aantal stellingnames dat op die dag werd afgegeven.
Voor hoorzittingen en gemeenschappelijke werkvergaderingen krijgen ze bovendien een reisvergoeding overeenkomstig artikel 2 van het besluit van de Regering van 12 juli 2001 tot harmonisatie van het presentiegeld en van de reisvergoedingen in instellingen en raden van beheer van de Duitstalige Gemeenschap.
[1 Het honorariumbedrag vermeld in het eerste lid is gekoppeld aan de indexering van de wedden in de openbare sector van de Duitstalige Gemeenschap op basis van de spilindex 138,01.]1
Externe deskundigen die in het kader van dit besluit belast worden met een stellingname, ontvangen een honorarium van [1 98,05 euro]1 per stellingname. Als verscheidene deskundigen in het kader van een gemeenschappelijke werkvergadering meer dan één stellingname formuleren, ontvangt elke deskundige in totaal [1 98,05 euro]1, los van het aantal stellingnames dat op die dag werd afgegeven.
Voor hoorzittingen en gemeenschappelijke werkvergaderingen krijgen ze bovendien een reisvergoeding overeenkomstig artikel 2 van het besluit van de Regering van 12 juli 2001 tot harmonisatie van het presentiegeld en van de reisvergoedingen in instellingen en raden van beheer van de Duitstalige Gemeenschap.
[1 Het honorariumbedrag vermeld in het eerste lid is gekoppeld aan de indexering van de wedden in de openbare sector van de Duitstalige Gemeenschap op basis van de spilindex 138,01.]1
Art. 4. - Indemnisation d'experts externes
Les experts externes désignés pour émettre un avis dans le cadre du présent arrêté recevront un honoraire de [1 98,05 euros]1 par avis. Si plusieurs avis sont préparés par plusieurs experts lors d'une réunion de travail commune, chaque expert recevra un montant total de [1 98,05 euros]1, indépendamment du nombre d'avis émis à cette date.
En cas d'auditions et de réunions de travail communes, les experts perçoivent également une indemnité de déplacement conformément à l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement du 12 juillet 2001 portant harmonisation des jetons de présence et des indemnités de déplacement au sein d'organismes et de conseils d'administration de la Communauté germanophone.
[1 Le montant de la rétribution mentionné à l'alinéa 1er est lié à l'indexation des traitements de la fonction publique de la Communauté germanophone, sur la base de l'indice-pivot 138,01.]1
Les experts externes désignés pour émettre un avis dans le cadre du présent arrêté recevront un honoraire de [1 98,05 euros]1 par avis. Si plusieurs avis sont préparés par plusieurs experts lors d'une réunion de travail commune, chaque expert recevra un montant total de [1 98,05 euros]1, indépendamment du nombre d'avis émis à cette date.
En cas d'auditions et de réunions de travail communes, les experts perçoivent également une indemnité de déplacement conformément à l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement du 12 juillet 2001 portant harmonisation des jetons de présence et des indemnités de déplacement au sein d'organismes et de conseils d'administration de la Communauté germanophone.
[1 Le montant de la rétribution mentionné à l'alinéa 1er est lié à l'indexation des traitements de la fonction publique de la Communauté germanophone, sur la base de l'indice-pivot 138,01.]1
Art. 5. - Procedure voor de registratie en erkenning
Aanvragers die houder zijn van een in België behaald diploma dat toegang verleent tot de uitoefening van een gezondheidszorgberoep vermeld in de wet van 10 mei 2015 of dat machtiging verleent tot het voeren van een daarin vermelde beroepstitel, bijzondere beroepstitel of bijzondere beroepskwalificatie, kunnen een aanvraag tot erkenning of, naargelang van het geval, een aanvraag tot registratie indienen overeenkomstig hoofdstuk 2.
Niet-Europese vreemdelingen die houder zijn van een in een derde land behaald diploma en die overeenkomstig artikel 145, § § 1 en 2, van de wet van 10 mei 2015 een beroepsactiviteit willen uitoefenen als vermeld in artikel 3, § 1, artikel 4, artikel 6, artikel 23, § 2, artikel 43, artikel 45, artikel 56, artikel 63, artikel 68/1 of artikel 68/2 van dezelfde wet of als vermeld in hoofdstuk 7 van dezelfde wet, kunnen - nadat hun diploma gelijkwaardig is verklaard - een aanvraag tot erkenning of tot registratie overeenkomstig hoofdstuk 2 indienen om zich in het Duitse taalgebied te vestigen.
Niet-Europese vreemdelingen die overeenkomstig artikel 145, § § 1 en 2, van de wet van 10 mei 2015 een toelating tot uitoefening van de beroepsactiviteiten vermeld in de artikelen 3, § 1, artikel 4, artikel 6, artikel 23, § 2, artikel 43, artikel 45, artikel 56, artikel 63, artikel 68/1 of artikel 68/2 of een toelating tot uitoefening van een paramedisch beroep overeenkomstig hoofdstuk 7 van dezelfde wet gekregen hebben en die houder zijn van een in een derde land behaald diploma dat ertoe machtigt om een in dezelfde wet vermelde beroepstitel, bijzondere beroepstitel of bijzondere beroepskwalificaties te voeren, kunnen - nadat hun diploma gelijkwaardig is verklaard - een aanvraag tot erkenning overeenkomstig hoofdstuk 2 indienen om zich in het Duitse taalgebied te vestigen, voor zover hun opleiding niet onder een regeling voor wederzijdse erkenning van beroepskwalificaties valt. Zo niet kunnen ze een aanvraag om erkenning overeenkomstig hoofdstuk 3 indienen.
Europese aanvragers die houder zijn van een beroepskwalificatie die ze in een andere Europese lidstaat dan België hebben gekregen, kunnen een aanvraag tot erkenning overeenkomstig hoofdstuk 3 of een aanvraag tot afgifte van een Europese beroepskaart overeenkomstig hoofdstuk 4 doen.
Aanvragers die houder zijn van een in België behaald diploma dat toegang verleent tot de uitoefening van een gezondheidszorgberoep vermeld in de wet van 10 mei 2015 of dat machtiging verleent tot het voeren van een daarin vermelde beroepstitel, bijzondere beroepstitel of bijzondere beroepskwalificatie, kunnen een aanvraag tot erkenning of, naargelang van het geval, een aanvraag tot registratie indienen overeenkomstig hoofdstuk 2.
Niet-Europese vreemdelingen die houder zijn van een in een derde land behaald diploma en die overeenkomstig artikel 145, § § 1 en 2, van de wet van 10 mei 2015 een beroepsactiviteit willen uitoefenen als vermeld in artikel 3, § 1, artikel 4, artikel 6, artikel 23, § 2, artikel 43, artikel 45, artikel 56, artikel 63, artikel 68/1 of artikel 68/2 van dezelfde wet of als vermeld in hoofdstuk 7 van dezelfde wet, kunnen - nadat hun diploma gelijkwaardig is verklaard - een aanvraag tot erkenning of tot registratie overeenkomstig hoofdstuk 2 indienen om zich in het Duitse taalgebied te vestigen.
Niet-Europese vreemdelingen die overeenkomstig artikel 145, § § 1 en 2, van de wet van 10 mei 2015 een toelating tot uitoefening van de beroepsactiviteiten vermeld in de artikelen 3, § 1, artikel 4, artikel 6, artikel 23, § 2, artikel 43, artikel 45, artikel 56, artikel 63, artikel 68/1 of artikel 68/2 of een toelating tot uitoefening van een paramedisch beroep overeenkomstig hoofdstuk 7 van dezelfde wet gekregen hebben en die houder zijn van een in een derde land behaald diploma dat ertoe machtigt om een in dezelfde wet vermelde beroepstitel, bijzondere beroepstitel of bijzondere beroepskwalificaties te voeren, kunnen - nadat hun diploma gelijkwaardig is verklaard - een aanvraag tot erkenning overeenkomstig hoofdstuk 2 indienen om zich in het Duitse taalgebied te vestigen, voor zover hun opleiding niet onder een regeling voor wederzijdse erkenning van beroepskwalificaties valt. Zo niet kunnen ze een aanvraag om erkenning overeenkomstig hoofdstuk 3 indienen.
Europese aanvragers die houder zijn van een beroepskwalificatie die ze in een andere Europese lidstaat dan België hebben gekregen, kunnen een aanvraag tot erkenning overeenkomstig hoofdstuk 3 of een aanvraag tot afgifte van een Europese beroepskaart overeenkomstig hoofdstuk 4 doen.
Art. 5. - Procédures d'agrément, d'enregistrement et de reconnaissance
Les demandeurs titulaires d'un diplôme obtenu en Belgique donnant accès à l'exercice d'une profession de soins de santé mentionnée dans la loi du 10 mai 2015 ou autorisant à porter un titre professionnel, un titre professionnel particulier ou une qualification professionnelle particulière y mentionnés peuvent introduire une demande d'agrément ou, selon le cas, d'enregistrement conformément au chapitre 2.
Les ressortissants étrangers non européens titulaires d'un diplôme obtenu dans un pays tiers et qui, en vertu de l'article 145, § § 1er et 2, de la loi du 10 mai 2015, souhaitent exercer l'une des activités professionnelles mentionnées aux articles 3, § 1, 4, 6, 23, § 2, 43, 45, 56, 63, 68/1 et 68/2 de la même loi ou l'une des activités professionnelles mentionnées au chapitre 7 de cette même loi, peuvent, après avoir obtenu l'équivalence de leur diplôme, introduire une demande d'agrément ou d'enregistrement conformément au chapitre 2 aux fins d'établissement en région de langue allemande.
Les ressortissants étrangers non européens qui, conformément à l'article 145, § § 1er et 2, de la loi du 10 mai 2015 se sont vu délivrer un agrément en vue d'exercer les activités professionnelles mentionnées aux articles 3, § 1er, 4, 6, 23, § 2, 43, 45, 56, 63, 68/1 ou 68/2 de la même loi, ou un agrément en vue d'exercer une profession paramédicale conformément au chapitre 7 de la même loi, et qui sont titulaires d'un diplôme obtenu dans un pays tiers autorisant à porter un titre professionnel, un titre professionnel particulier ou une qualification professionnelle particulière peuvent, après avoir obtenu l'équivalence de leur diplôme, introduire une demande d'agrément conformément au chapitre 2 aux fins d'établissement en région de langue allemande, pour autant que leur formation ne relève pas d'un système de reconnaissance mutuelle des qualifications professionnelles. A défaut, ils peuvent introduire une demande de reconnaissance conformément au chapitre 3.
Les demandeurs européens titulaires d'une qualification professionnelle obtenue dans un Etat membre européen autre que la Belgique peuvent déposer une demande de reconnaissance conformément au chapitre 3 ou de délivrance d'une carte professionnelle européenne conformément au chapitre 4.
Les demandeurs titulaires d'un diplôme obtenu en Belgique donnant accès à l'exercice d'une profession de soins de santé mentionnée dans la loi du 10 mai 2015 ou autorisant à porter un titre professionnel, un titre professionnel particulier ou une qualification professionnelle particulière y mentionnés peuvent introduire une demande d'agrément ou, selon le cas, d'enregistrement conformément au chapitre 2.
Les ressortissants étrangers non européens titulaires d'un diplôme obtenu dans un pays tiers et qui, en vertu de l'article 145, § § 1er et 2, de la loi du 10 mai 2015, souhaitent exercer l'une des activités professionnelles mentionnées aux articles 3, § 1, 4, 6, 23, § 2, 43, 45, 56, 63, 68/1 et 68/2 de la même loi ou l'une des activités professionnelles mentionnées au chapitre 7 de cette même loi, peuvent, après avoir obtenu l'équivalence de leur diplôme, introduire une demande d'agrément ou d'enregistrement conformément au chapitre 2 aux fins d'établissement en région de langue allemande.
Les ressortissants étrangers non européens qui, conformément à l'article 145, § § 1er et 2, de la loi du 10 mai 2015 se sont vu délivrer un agrément en vue d'exercer les activités professionnelles mentionnées aux articles 3, § 1er, 4, 6, 23, § 2, 43, 45, 56, 63, 68/1 ou 68/2 de la même loi, ou un agrément en vue d'exercer une profession paramédicale conformément au chapitre 7 de la même loi, et qui sont titulaires d'un diplôme obtenu dans un pays tiers autorisant à porter un titre professionnel, un titre professionnel particulier ou une qualification professionnelle particulière peuvent, après avoir obtenu l'équivalence de leur diplôme, introduire une demande d'agrément conformément au chapitre 2 aux fins d'établissement en région de langue allemande, pour autant que leur formation ne relève pas d'un système de reconnaissance mutuelle des qualifications professionnelles. A défaut, ils peuvent introduire une demande de reconnaissance conformément au chapitre 3.
Les demandeurs européens titulaires d'une qualification professionnelle obtenue dans un Etat membre européen autre que la Belgique peuvent déposer une demande de reconnaissance conformément au chapitre 3 ou de délivrance d'une carte professionnelle européenne conformément au chapitre 4.
Afdeling 2. - Vertrouwelijkheid en bescherming van persoonsgegevens
Section 2. - Confidentialité et protection des données
Art. 6. - Vertrouwelijkheid
Onverminderd andersluidende wettelijke of decretale bepalingen moeten de administratie en de externe deskundigen de gegevens die hun in de uitoefening van hun opdracht toevertrouwd worden, vertrouwelijk behandelen.
Onverminderd andersluidende wettelijke of decretale bepalingen moeten de administratie en de externe deskundigen de gegevens die hun in de uitoefening van hun opdracht toevertrouwd worden, vertrouwelijk behandelen.
Art. 6. - Confidentialité
Sans préjudice de dispositions légales ou décrétales contraires, l'administration et les experts externes sont tenus de traiter confidentiellement les données qui leur sont confiées dans le cadre de l'exercice de leur mission.
Sans préjudice de dispositions légales ou décrétales contraires, l'administration et les experts externes sont tenus de traiter confidentiellement les données qui leur sont confiées dans le cadre de l'exercice de leur mission.
Art. 7. - Verwerking van persoonsgegevens
De administratie is verantwoordelijk voor de verwerking van de persoonsgegevens vermeld in de artikelen 9, 13, 21, 23, 29, 31, 39, 44, 52, 54, 63 en 68 in de zin van de Algemene Verordening Gegevensbescherming. Ze geldt als verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4, punt 7, van de Algemene Verordening Gegevensbescherming voor de verwerking van die gegevens. De externe deskundigen en de adviesorganen van een andere gemeenschap gelden als verwerker in de zin van artikel 4, punt 8, van de Algemene Verordening Gegevensbescherming.
De administratie zendt de in het eerste lid vermelde persoonsgegevens door aan de externe deskundigen en aan de adviesorganen van een andere gemeenschap, voor zover dit noodzakelijk is voor het vervullen van hun opdracht.
De administratie en, in voorkomend geval, de externe deskundigen en adviesorganen van een andere gemeenschap verwerken de persoonsgegevens vermeld in het eerste lid met het oog op de uitvoering van de opdrachten vermeld in artikel 5. Ze mogen de verzamelde gegevens niet voor andere doeleinden dan voor de uitvoering van die opdrachten gebruiken.
De verwerking van persoonsgegevens geschiedt met inachtneming van de toepasselijke regelgeving over de bescherming bij de verwerking van persoonsgegevens.
De administratie is verantwoordelijk voor de verwerking van de persoonsgegevens vermeld in de artikelen 9, 13, 21, 23, 29, 31, 39, 44, 52, 54, 63 en 68 in de zin van de Algemene Verordening Gegevensbescherming. Ze geldt als verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4, punt 7, van de Algemene Verordening Gegevensbescherming voor de verwerking van die gegevens. De externe deskundigen en de adviesorganen van een andere gemeenschap gelden als verwerker in de zin van artikel 4, punt 8, van de Algemene Verordening Gegevensbescherming.
De administratie zendt de in het eerste lid vermelde persoonsgegevens door aan de externe deskundigen en aan de adviesorganen van een andere gemeenschap, voor zover dit noodzakelijk is voor het vervullen van hun opdracht.
De administratie en, in voorkomend geval, de externe deskundigen en adviesorganen van een andere gemeenschap verwerken de persoonsgegevens vermeld in het eerste lid met het oog op de uitvoering van de opdrachten vermeld in artikel 5. Ze mogen de verzamelde gegevens niet voor andere doeleinden dan voor de uitvoering van die opdrachten gebruiken.
De verwerking van persoonsgegevens geschiedt met inachtneming van de toepasselijke regelgeving over de bescherming bij de verwerking van persoonsgegevens.
Art. 7. - Traitement des données à caractère personnel
L'administration est responsable du traitement des données à caractère personnel mentionnées aux articles 9, 13, 21, 23, 29, 31, 39, 44, 52, 54, 63 et 68 au sens du règlement général sur la protection des données. Elle est réputée responsable du traitement de ces données au sens de l'article 4, 7), du règlement général sur la protection des données. Les experts externes ainsi que les instances consultatives d'une autre communauté sont considérés comme étant sous-traitants au sens de l'article 4, 8), du règlement général sur la protection des données.
Dans la mesure nécessaire à l'exécution de ses missions, l'administration transmet aux experts externes et aux instances consultatives d'une autre communauté les données à caractère personnel énumérées à l'alinéa 1er.
L'administration ainsi que, le cas échéant, les experts externes et les instances consultatives d'une autre communauté traitent les données à caractère personnel énumérées à l'alinéa 1er en vue de l'exécution de leurs missions mentionnées à l'article 5. Ils ne peuvent utiliser les données collectées à d'autres fins que celles de l'exercice desdites missions.
Le traitement des données à caractère personnel s'opère dans le respect des dispositions légales applicables en matière de protection des données.
L'administration est responsable du traitement des données à caractère personnel mentionnées aux articles 9, 13, 21, 23, 29, 31, 39, 44, 52, 54, 63 et 68 au sens du règlement général sur la protection des données. Elle est réputée responsable du traitement de ces données au sens de l'article 4, 7), du règlement général sur la protection des données. Les experts externes ainsi que les instances consultatives d'une autre communauté sont considérés comme étant sous-traitants au sens de l'article 4, 8), du règlement général sur la protection des données.
Dans la mesure nécessaire à l'exécution de ses missions, l'administration transmet aux experts externes et aux instances consultatives d'une autre communauté les données à caractère personnel énumérées à l'alinéa 1er.
L'administration ainsi que, le cas échéant, les experts externes et les instances consultatives d'une autre communauté traitent les données à caractère personnel énumérées à l'alinéa 1er en vue de l'exécution de leurs missions mentionnées à l'article 5. Ils ne peuvent utiliser les données collectées à d'autres fins que celles de l'exercice desdites missions.
Le traitement des données à caractère personnel s'opère dans le respect des dispositions légales applicables en matière de protection des données.
Art. 8. - Duur van de gegevensverwerking
De gegevens mogen tot hoogstens tien jaar nadat de aanvraag van de aanvrager of van de Europese aanvrager aangenomen of afgewezen werd, in een vorm bewaard worden die de mogelijkheid biedt de betrokken personen te identificeren. Met behoud van de toepassing van de bepalingen betreffende het archiefwezen worden ze uiterlijk na het verstrijken van die termijn vernietigd.
De gegevens mogen tot hoogstens tien jaar nadat de aanvraag van de aanvrager of van de Europese aanvrager aangenomen of afgewezen werd, in een vorm bewaard worden die de mogelijkheid biedt de betrokken personen te identificeren. Met behoud van de toepassing van de bepalingen betreffende het archiefwezen worden ze uiterlijk na het verstrijken van die termijn vernietigd.
Art. 8. - Durée du traitement des données
Les données peuvent être conservées au maximum pendant dix ans après que la demande introduite par le demandeur ou le demandeur européen a été acceptée ou refusée, sous une forme qui permet l'identification des intéressés. Sans préjudice des dispositions relatives à l'archivage, elles sont détruites au plus tard au terme de ce délai.
Les données peuvent être conservées au maximum pendant dix ans après que la demande introduite par le demandeur ou le demandeur européen a été acceptée ou refusée, sous une forme qui permet l'identification des intéressés. Sans préjudice des dispositions relatives à l'archivage, elles sont détruites au plus tard au terme de ce délai.
HOOFDSTUK 2. - Erkennings- en registratieprocedures
CHAPITRE 2. - Procédures d'agrément et d'enregistrement
Afdeling 1. - Erkenning
Section 1re. - Agrément
Art. 9. - Erkenning op aanvraag
De aanvrager dient bij de administratie een aanvraag overeenkomstig het tweede lid in om overeenkomstig de wet van 10 mei 2015 :
1° een toelating tot uitoefening van het in dezelfde wet vermelde gezondheidszorgberoep te krijgen;
2° een erkenning als houder van een in dezelfde wet vermelde beroepstitel, bijzondere beroepstitel of bijzondere beroepskwalificatie te krijgen.
Het eerste lid is van toepassing op vroedvrouwen die een erkenning als vroedvrouw overeenkomstig artikel 63 van de wet van 10 mei 2015 willen krijgen en die niet in aanmerking komen voor een erkenning van rechtswege.
De Minister stelt daartoe een aanvraagformulier ter beschikking waarin de volgende elementen worden opgevraagd :
1° benaming van het gezondheidszorgberoep waarvoor de erkenning wordt aangevraagd;
2° naam, voornaam, adres, land, telefoonnummer, e-mailadres, geslacht, nationaliteit, geboortedatum, geboorteland en geboorteplaats, alsook rijksregisternummer (BIS-nummer als de aanvrager geen rijksregisternummer bezit);
3° de beroepsrelevante opleidingstitel(s) of voortgezette opleiding(en).
Bij de aanvraag vermeld in het tweede lid worden de volgende documenten gevoegd :
1° levensloop, opgesteld in de vorm van een tabel;
2° kopie van de voorzijde en achterzijde van de identiteitskaart;
3° kopie van de in het tweede lid, 3°, vermelde opleidingstitel en/of kopie van het attest over de voltooide voortgezette opleiding, met inbegrip van het aantal opleidingsuren;
4° in voorkomend geval: kopie van de getuigschriften van werkgevers;
5° in voorkomend geval: een attest van inschrijving bij de bevoegde beroepsorde.
De aanvrager dient bij de administratie een aanvraag overeenkomstig het tweede lid in om overeenkomstig de wet van 10 mei 2015 :
1° een toelating tot uitoefening van het in dezelfde wet vermelde gezondheidszorgberoep te krijgen;
2° een erkenning als houder van een in dezelfde wet vermelde beroepstitel, bijzondere beroepstitel of bijzondere beroepskwalificatie te krijgen.
Het eerste lid is van toepassing op vroedvrouwen die een erkenning als vroedvrouw overeenkomstig artikel 63 van de wet van 10 mei 2015 willen krijgen en die niet in aanmerking komen voor een erkenning van rechtswege.
De Minister stelt daartoe een aanvraagformulier ter beschikking waarin de volgende elementen worden opgevraagd :
1° benaming van het gezondheidszorgberoep waarvoor de erkenning wordt aangevraagd;
2° naam, voornaam, adres, land, telefoonnummer, e-mailadres, geslacht, nationaliteit, geboortedatum, geboorteland en geboorteplaats, alsook rijksregisternummer (BIS-nummer als de aanvrager geen rijksregisternummer bezit);
3° de beroepsrelevante opleidingstitel(s) of voortgezette opleiding(en).
Bij de aanvraag vermeld in het tweede lid worden de volgende documenten gevoegd :
1° levensloop, opgesteld in de vorm van een tabel;
2° kopie van de voorzijde en achterzijde van de identiteitskaart;
3° kopie van de in het tweede lid, 3°, vermelde opleidingstitel en/of kopie van het attest over de voltooide voortgezette opleiding, met inbegrip van het aantal opleidingsuren;
4° in voorkomend geval: kopie van de getuigschriften van werkgevers;
5° in voorkomend geval: een attest van inschrijving bij de bevoegde beroepsorde.
Art. 9. - Agrément sur demande
Conformément à l'alinéa 2, le demandeur introduit une demande auprès de l'administration afin de, en vertu de la loi du 10 mai 2015 :
1° obtenir un agrément en vue d'exercer une profession de soins de santé mentionnée dans la même loi;
2° obtenir un agrément en tant que titulaire d'un titre professionnel, d'un titre professionnel particulier ou d'une qualification professionnelle particulière, mentionnés dans la même loi.
L'alinéa 1er s'applique aux sages-femmes qui souhaitent obtenir un agrément pour ce titre conformément à l'article 63 de la loi du 10 mai 2015 et qui ne peuvent être agréées de plein droit.
Le Ministre met à disposition un formulaire de demande ad hoc, reprenant les éléments suivants :
1° la dénomination de la profession de soins de santé pour laquelle l'agrément est demandé;
2° les nom, prénom, adresse, pays, numéro de téléphone, adresse électronique, sexe, nationalité, date, pays et lieu de naissance ainsi que le numéro de registre national - n° Bis si le demandeur ne possède pas de numéro de registre national;
3° les données relatives aux titres de formation ou formations continuées en rapport avec la profession.
La demande mentionnée à l'alinéa 2 doit être accompagnée des documents suivants :
1° un curriculum vit[00e6] sous la forme d'un tableau;
2° une copie recto-verso de la carte d'identité;
3° une copie du titre de formation mentionné à l'alinéa 2, 3°, et/ou une copie du certificat de fin de formation continue, y compris les heures de formation;
4° le cas échéant, une copie des attestations de travail établies par l'employeur;
5° le cas échéant, une attestation certifiant l'inscription auprès de l'ordre professionnel compétent.
Conformément à l'alinéa 2, le demandeur introduit une demande auprès de l'administration afin de, en vertu de la loi du 10 mai 2015 :
1° obtenir un agrément en vue d'exercer une profession de soins de santé mentionnée dans la même loi;
2° obtenir un agrément en tant que titulaire d'un titre professionnel, d'un titre professionnel particulier ou d'une qualification professionnelle particulière, mentionnés dans la même loi.
L'alinéa 1er s'applique aux sages-femmes qui souhaitent obtenir un agrément pour ce titre conformément à l'article 63 de la loi du 10 mai 2015 et qui ne peuvent être agréées de plein droit.
Le Ministre met à disposition un formulaire de demande ad hoc, reprenant les éléments suivants :
1° la dénomination de la profession de soins de santé pour laquelle l'agrément est demandé;
2° les nom, prénom, adresse, pays, numéro de téléphone, adresse électronique, sexe, nationalité, date, pays et lieu de naissance ainsi que le numéro de registre national - n° Bis si le demandeur ne possède pas de numéro de registre national;
3° les données relatives aux titres de formation ou formations continuées en rapport avec la profession.
La demande mentionnée à l'alinéa 2 doit être accompagnée des documents suivants :
1° un curriculum vit[00e6] sous la forme d'un tableau;
2° une copie recto-verso de la carte d'identité;
3° une copie du titre de formation mentionné à l'alinéa 2, 3°, et/ou une copie du certificat de fin de formation continue, y compris les heures de formation;
4° le cas échéant, une copie des attestations de travail établies par l'employeur;
5° le cas échéant, une attestation certifiant l'inscription auprès de l'ordre professionnel compétent.
Art. 10. - Ontvangstbevestiging en volledigheid van de aanvraag
De administratie geeft de aanvrager binnen een maand na indiening van de aanvraag een schriftelijke ontvangstbevestiging en deelt hem mee of de aanvraag volledig is, en zo neen, welke inlichtingen en documenten ontbreken.
Als zes maanden na de ontvangstbevestiging vermeld in het eerste lid nog inlichtingen en documenten ontbreken die voor de behandeling van de aanvraag noodzakelijk zijn, sluit de administratie het aanvraagdossier en deelt ze dit feit mee aan de aanvrager.
De administratie geeft de aanvrager binnen een maand na indiening van de aanvraag een schriftelijke ontvangstbevestiging en deelt hem mee of de aanvraag volledig is, en zo neen, welke inlichtingen en documenten ontbreken.
Als zes maanden na de ontvangstbevestiging vermeld in het eerste lid nog inlichtingen en documenten ontbreken die voor de behandeling van de aanvraag noodzakelijk zijn, sluit de administratie het aanvraagdossier en deelt ze dit feit mee aan de aanvrager.
Art. 10. - Accusé de réception et complétude de la demande
Dans un délai d'un mois à dater du dépôt de la demande, l'administration délivre au demandeur un accusé de réception écrit et lui communique si la demande est complète ou, selon le cas, les informations et documents qui font défaut.
Si, à l'expiration d'un délai de six mois suivant l'accusé de réception mentionné à l'alinéa 1er, toutes les informations et tous les documents nécessaires pour traiter la demande n'ont pas été fournis, l'administration clôture le dossier de demande et en informe le demandeur.
Dans un délai d'un mois à dater du dépôt de la demande, l'administration délivre au demandeur un accusé de réception écrit et lui communique si la demande est complète ou, selon le cas, les informations et documents qui font défaut.
Si, à l'expiration d'un délai de six mois suivant l'accusé de réception mentionné à l'alinéa 1er, toutes les informations et tous les documents nécessaires pour traiter la demande n'ont pas été fournis, l'administration clôture le dossier de demande et en informe le demandeur.
Art. 11. - Opstellen van een advies
§ 1 - Binnen drie maanden, te rekenen vanaf het tijdstip waarop de aanvraag volledig is, stelt de administratie een advies op over de vraag of de aanvrager voldoet aan de voorwaarden die aan de erkenning ten grondslag liggen.
§ 2 - Voor het opstellen van het advies kan de administratie zich baseren op de stellingname van één of meer externe deskundigen of adviesorganen van een andere gemeenschap.
Als de administratie zich baseert op een stellingname van een externe deskundige en als die externe deskundige van oordeel is dat de aanvraag niet voldoet aan de voorwaarden die aan de erkenning ten grondslag liggen, dan kan de administratie beslissen om nog andere documenten op te vragen of, naargelang van het geval, beslissen om de aanvrager te horen. De beslissing om de aanvrager te horen of, naargelang van het geval, nog andere documenten op te vragen, schort de termijn vermeld in paragraaf 1 op tot de datum waarop betrokkene wordt gehoord of, naargelang van het geval, tot de datum waarop de opgevraagde documenten bij de administratie ingediend werden.
Behoudens spoedeisende gevallen roept de administratie de aanvrager minstens 15 dagen van tevoren op om te worden gehoord.
De externe deskundige kan aan de hoorzitting deelnemen.
De aanvrager kan zich voor de hoorzitting laten bijstaan door een advocaat.
Als de aanvrager niet op de hoorzitting verschijnt, baseert de administratie haar advies op de elementen waarover ze beschikt.
§ 1 - Binnen drie maanden, te rekenen vanaf het tijdstip waarop de aanvraag volledig is, stelt de administratie een advies op over de vraag of de aanvrager voldoet aan de voorwaarden die aan de erkenning ten grondslag liggen.
§ 2 - Voor het opstellen van het advies kan de administratie zich baseren op de stellingname van één of meer externe deskundigen of adviesorganen van een andere gemeenschap.
Als de administratie zich baseert op een stellingname van een externe deskundige en als die externe deskundige van oordeel is dat de aanvraag niet voldoet aan de voorwaarden die aan de erkenning ten grondslag liggen, dan kan de administratie beslissen om nog andere documenten op te vragen of, naargelang van het geval, beslissen om de aanvrager te horen. De beslissing om de aanvrager te horen of, naargelang van het geval, nog andere documenten op te vragen, schort de termijn vermeld in paragraaf 1 op tot de datum waarop betrokkene wordt gehoord of, naargelang van het geval, tot de datum waarop de opgevraagde documenten bij de administratie ingediend werden.
Behoudens spoedeisende gevallen roept de administratie de aanvrager minstens 15 dagen van tevoren op om te worden gehoord.
De externe deskundige kan aan de hoorzitting deelnemen.
De aanvrager kan zich voor de hoorzitting laten bijstaan door een advocaat.
Als de aanvrager niet op de hoorzitting verschijnt, baseert de administratie haar advies op de elementen waarover ze beschikt.
Art. 11. - Etablissement d'un avis
§ 1er - Dans un délai de trois mois à partir du moment où la demande est complète, l'administration établit un avis sur le fait que le demandeur remplit ou non les conditions de l'agrément.
§ 2 - Pour rendre son avis, l'administration peut s'appuyer sur celui émis soit par un ou plusieurs experts externes, soit par des instances consultatives d'une autre communauté.
Si l'administration a recours à l'avis d'un expert externe qui estime que le demandeur ne remplit pas les conditions de l'agrément, elle peut décider de demander d'autres documents ou, selon le cas, d'entendre le demandeur. La décision d'entendre le demandeur ou, selon le cas, de demander d'autres documents a un effet suspensif sur le délai mentionné au paragraphe 1er, et ce, jusqu'à la date de l'audition ou, selon le cas, jusqu'à la date à laquelle les documents demandés auront été introduits auprès de l'administration.
Sauf en cas d'urgence, l'administration invite le demandeur au moins quinze jours avant l'audition.
L'expert externe peut participer à l'audition.
Le demandeur peut, pour les besoins de l'audition, se faire assister par un avocat.
Si le demandeur n'est pas présent à l'audition, l'administration établit un avis sur la base des éléments dont elle dispose.
§ 1er - Dans un délai de trois mois à partir du moment où la demande est complète, l'administration établit un avis sur le fait que le demandeur remplit ou non les conditions de l'agrément.
§ 2 - Pour rendre son avis, l'administration peut s'appuyer sur celui émis soit par un ou plusieurs experts externes, soit par des instances consultatives d'une autre communauté.
Si l'administration a recours à l'avis d'un expert externe qui estime que le demandeur ne remplit pas les conditions de l'agrément, elle peut décider de demander d'autres documents ou, selon le cas, d'entendre le demandeur. La décision d'entendre le demandeur ou, selon le cas, de demander d'autres documents a un effet suspensif sur le délai mentionné au paragraphe 1er, et ce, jusqu'à la date de l'audition ou, selon le cas, jusqu'à la date à laquelle les documents demandés auront été introduits auprès de l'administration.
Sauf en cas d'urgence, l'administration invite le demandeur au moins quinze jours avant l'audition.
L'expert externe peut participer à l'audition.
Le demandeur peut, pour les besoins de l'audition, se faire assister par un avocat.
Si le demandeur n'est pas présent à l'audition, l'administration établit un avis sur la base des éléments dont elle dispose.
Art. 12. - Beslissing van de Minister
§ 1 - Als de administratie een gunstig advies afgeeft, baseert de Minister zich op dat gunstige advies en neemt hij binnen een maand, te rekenen vanaf de afgifte van dat advies, een beslissing.
De administratie bezorgt de beslissing van de Minister als volgt aan de aanvrager:
1° een gunstige beslissing via een gewoon schrijven;
2° een ongunstige beslissing via een aangetekend schrijven.
§ 2 - Als de administratie een ongunstig advies afgeeft, zendt ze dat advies via een aangetekend schrijven aan de aanvrager.
Binnen een maand, te rekenen vanaf de verzending van het aangetekend schrijven, kan de aanvrager zijn met redenen omklede standpunt omtrent het advies indienen bij de administratie.
Als de aanvrager geen standpunt indient, beslist de Minister op basis van het advies van de administratie.
§ 3 - Als de aanvrager wel een standpunt indient, stelt de administratie een tweede advies op binnen een maand na ontvangst van dat standpunt. Als het standpunt van de aanvrager nieuwe elementen bevat, kan de administratie zich voor het opstellen van het tweede advies baseren op de stellingname van één of meer externe deskundigen of adviesorganen van een andere gemeenschap.
In het geval vermeld in het eerste lid is artikel 11, § 2, tweede tot zesde lid, van toepassing.
De Minister beslist op basis van de adviezen van de administratie en op basis van het standpunt van de aanvrager.
De administratie bezorgt de beslissing van de Minister binnen een maand via aangetekend schrijven aan de aanvrager.
In een afwijzingsbeslissing wordt het volgende vermeld :
1° de mogelijkheid om beroep in stellen;
2° de bevoegde instanties die daarvan kennis nemen;
3° de na te leven termijnen en vormvereisten.
§ 1 - Als de administratie een gunstig advies afgeeft, baseert de Minister zich op dat gunstige advies en neemt hij binnen een maand, te rekenen vanaf de afgifte van dat advies, een beslissing.
De administratie bezorgt de beslissing van de Minister als volgt aan de aanvrager:
1° een gunstige beslissing via een gewoon schrijven;
2° een ongunstige beslissing via een aangetekend schrijven.
§ 2 - Als de administratie een ongunstig advies afgeeft, zendt ze dat advies via een aangetekend schrijven aan de aanvrager.
Binnen een maand, te rekenen vanaf de verzending van het aangetekend schrijven, kan de aanvrager zijn met redenen omklede standpunt omtrent het advies indienen bij de administratie.
Als de aanvrager geen standpunt indient, beslist de Minister op basis van het advies van de administratie.
§ 3 - Als de aanvrager wel een standpunt indient, stelt de administratie een tweede advies op binnen een maand na ontvangst van dat standpunt. Als het standpunt van de aanvrager nieuwe elementen bevat, kan de administratie zich voor het opstellen van het tweede advies baseren op de stellingname van één of meer externe deskundigen of adviesorganen van een andere gemeenschap.
In het geval vermeld in het eerste lid is artikel 11, § 2, tweede tot zesde lid, van toepassing.
De Minister beslist op basis van de adviezen van de administratie en op basis van het standpunt van de aanvrager.
De administratie bezorgt de beslissing van de Minister binnen een maand via aangetekend schrijven aan de aanvrager.
In een afwijzingsbeslissing wordt het volgende vermeld :
1° de mogelijkheid om beroep in stellen;
2° de bevoegde instanties die daarvan kennis nemen;
3° de na te leven termijnen en vormvereisten.
Art. 12. - Décision du ministre
§ 1er - Si l'administration rend un avis favorable, le ministre prend une décision sur la base de cet avis dans un délai d'un mois à compter de sa présentation.
L'administration communique la décision du ministre au demandeur comme suit :
1° une décision favorable par simple lettre;
2° une décision défavorable par lettre recommandée.
§ 2 - Si l'administration rend un avis défavorable, il transmet celui-ci au demandeur par lettre recommandée.
Dans un délai d'un mois à compter de l'expédition de la lettre recommandée, le demandeur peut introduire auprès de l'administration une prise de position motivée à propos de l'avis.
A défaut, le ministre statue sur la base de l'avis émis par l'administration.
§ 3 - Si le demandeur introduit sa prise de position, l'administration établit un deuxième avis dans un délai d'un mois après la réception de cette prise de position. Si la prise de position du demandeur apporte de nouveaux éléments, l'administration peut, pour rendre son deuxième avis, s'appuyer sur celui émis soit par un ou plusieurs experts externes soit par des instances consultatives d'une autre communauté.
Dans le cas mentionné à l'alinéa 1er, l'article 11, § 2, alinéas 2 à 6, est appliqué.
Le ministre décide sur la base des avis de l'administration et de la prise de position du demandeur.
Dans un délai d'un mois, l'administration communique la décision du ministre au demandeur par lettre recommandée.
Une décision de rejet mentionne :
1° la possibilité d'introduire un recours;
2° les instances compétentes qui en prendront connaissance;
3° les délais et formes à respecter.
§ 1er - Si l'administration rend un avis favorable, le ministre prend une décision sur la base de cet avis dans un délai d'un mois à compter de sa présentation.
L'administration communique la décision du ministre au demandeur comme suit :
1° une décision favorable par simple lettre;
2° une décision défavorable par lettre recommandée.
§ 2 - Si l'administration rend un avis défavorable, il transmet celui-ci au demandeur par lettre recommandée.
Dans un délai d'un mois à compter de l'expédition de la lettre recommandée, le demandeur peut introduire auprès de l'administration une prise de position motivée à propos de l'avis.
A défaut, le ministre statue sur la base de l'avis émis par l'administration.
§ 3 - Si le demandeur introduit sa prise de position, l'administration établit un deuxième avis dans un délai d'un mois après la réception de cette prise de position. Si la prise de position du demandeur apporte de nouveaux éléments, l'administration peut, pour rendre son deuxième avis, s'appuyer sur celui émis soit par un ou plusieurs experts externes soit par des instances consultatives d'une autre communauté.
Dans le cas mentionné à l'alinéa 1er, l'article 11, § 2, alinéas 2 à 6, est appliqué.
Le ministre décide sur la base des avis de l'administration et de la prise de position du demandeur.
Dans un délai d'un mois, l'administration communique la décision du ministre au demandeur par lettre recommandée.
Une décision de rejet mentionne :
1° la possibilité d'introduire un recours;
2° les instances compétentes qui en prendront connaissance;
3° les délais et formes à respecter.
Afdeling 2. - Bijzondere erkenningsprocedures
Section 2. - Procédures spéciales d'agrément
Onderafdeling 1. - Stage en erkenning van huisartsen en artsen-specialisten
Sous-section 1re. - Stage et agrément des médecins généralistes et spécialistes
Art. 13. - Aanvraag tot goedkeuring van het stageplan
Binnen de eerste vier maanden van zijn opleiding dient de aanvrager die in België gemachtigd is om de geneeskunde uit te oefenen, bij de administratie een aanvraag in om zijn stageplan te laten goedkeuren.
De Minister stelt daartoe een aanvraagformulier ter beschikking waarin de volgende elementen worden opgevraagd :
1° het begin, het einde en de duur van de stage;
2° de stagemeester;
3° de stagedienst.
Bij de aanvraag worden de volgende documenten gevoegd :
1° een attest waaruit blijkt dat de aanvrager ingeschreven is in een faculteit Geneeskunde voor de desbetreffende discipline;
2° een attest van inschrijving bij de Orde der Artsen;
3° een kopie van een overeenkomst tussen de aanvrager, de stagemeester en in voorkomend geval de stagedienst over de betaling van de aanvrager.
Binnen de eerste vier maanden van zijn opleiding dient de aanvrager die in België gemachtigd is om de geneeskunde uit te oefenen, bij de administratie een aanvraag in om zijn stageplan te laten goedkeuren.
De Minister stelt daartoe een aanvraagformulier ter beschikking waarin de volgende elementen worden opgevraagd :
1° het begin, het einde en de duur van de stage;
2° de stagemeester;
3° de stagedienst.
Bij de aanvraag worden de volgende documenten gevoegd :
1° een attest waaruit blijkt dat de aanvrager ingeschreven is in een faculteit Geneeskunde voor de desbetreffende discipline;
2° een attest van inschrijving bij de Orde der Artsen;
3° een kopie van een overeenkomst tussen de aanvrager, de stagemeester en in voorkomend geval de stagedienst over de betaling van de aanvrager.
Art. 13. - Demande d'acceptation du plan de stage
Au cours des quatre premiers mois de sa formation, le demandeur habilité à exercer la médecine en Belgique introduit une demande d'acceptation de son plan de stage auprès de l'administration.
Le Ministre met à disposition un formulaire de demande ad hoc, reprenant les éléments suivants :
1° les données relatives au début, à la fin et à la durée du stage;
2° les données relatives au maître de stage;
3° les données relatives à l'établissement dans lequel se déroulera le stage.
La demande doit être accompagnée des documents suivants :
1° une attestation dont il ressort que le demandeur est inscrit pour la discipline correspondante auprès d'une faculté de médecine;
2° une attestation certifiant que le candidat est inscrit au tableau de l'Ordre des médecins;
3° une copie de la convention concernant la rémunération du demandeur, telle que conclue entre le demandeur, le maître de stage et, le cas échéant, l'établissement de stage.
Au cours des quatre premiers mois de sa formation, le demandeur habilité à exercer la médecine en Belgique introduit une demande d'acceptation de son plan de stage auprès de l'administration.
Le Ministre met à disposition un formulaire de demande ad hoc, reprenant les éléments suivants :
1° les données relatives au début, à la fin et à la durée du stage;
2° les données relatives au maître de stage;
3° les données relatives à l'établissement dans lequel se déroulera le stage.
La demande doit être accompagnée des documents suivants :
1° une attestation dont il ressort que le demandeur est inscrit pour la discipline correspondante auprès d'une faculté de médecine;
2° une attestation certifiant que le candidat est inscrit au tableau de l'Ordre des médecins;
3° une copie de la convention concernant la rémunération du demandeur, telle que conclue entre le demandeur, le maître de stage et, le cas échéant, l'établissement de stage.
Art. 14. - Ontvangstbevestiging en volledigheid van de aanvraag
De administratie geeft de aanvrager binnen een maand na indiening van de aanvraag een schriftelijke ontvangstbevestiging en deelt hem mee of de aanvraag volledig is, en zo neen, welke inlichtingen en documenten ontbreken.
Als zes maanden na de ontvangstbevestiging vermeld in het eerste lid nog inlichtingen en documenten ontbreken die voor de behandeling van de aanvraag noodzakelijk zijn, sluit de administratie het aanvraagdossier en deelt ze dit feit mee aan de aanvrager.
De administratie geeft de aanvrager binnen een maand na indiening van de aanvraag een schriftelijke ontvangstbevestiging en deelt hem mee of de aanvraag volledig is, en zo neen, welke inlichtingen en documenten ontbreken.
Als zes maanden na de ontvangstbevestiging vermeld in het eerste lid nog inlichtingen en documenten ontbreken die voor de behandeling van de aanvraag noodzakelijk zijn, sluit de administratie het aanvraagdossier en deelt ze dit feit mee aan de aanvrager.
Art. 14. - Accusé de réception et complétude de la demande
Dans un délai d'un mois à dater du dépôt de la demande, l'administration délivre au demandeur un accusé de réception écrit et lui communique si la demande est complète ou, selon le cas, les informations et documents qui font défaut.
Si, à l'expiration d'un délai de six mois suivant l'accusé de réception mentionné à l'alinéa 1er, toutes les informations et tous les documents nécessaires pour traiter la demande n'ont pas été fournis, l'administration clôture le dossier de demande et en informe le demandeur.
Dans un délai d'un mois à dater du dépôt de la demande, l'administration délivre au demandeur un accusé de réception écrit et lui communique si la demande est complète ou, selon le cas, les informations et documents qui font défaut.
Si, à l'expiration d'un délai de six mois suivant l'accusé de réception mentionné à l'alinéa 1er, toutes les informations et tous les documents nécessaires pour traiter la demande n'ont pas été fournis, l'administration clôture le dossier de demande et en informe le demandeur.
Art. 15. - Opstellen van een advies
Binnen drie maanden, te rekenen vanaf het tijdstip waarop de aanvraag volledig is, stelt de administratie een advies op over de vraag of het stageplan wordt goedgekeurd.
Het advies wordt opgesteld op basis van de nadere regels bepaald in artikel 11.
Binnen drie maanden, te rekenen vanaf het tijdstip waarop de aanvraag volledig is, stelt de administratie een advies op over de vraag of het stageplan wordt goedgekeurd.
Het advies wordt opgesteld op basis van de nadere regels bepaald in artikel 11.
Art. 15. - Etablissement d'un avis
Dans un délai de trois mois à partir du moment où la demande est complète, l'administration établit un avis sur l'approbation du plan de stage.
L'élaboration de l'avis s'opère conformément aux modalités fixées à l'article 11.
Dans un délai de trois mois à partir du moment où la demande est complète, l'administration établit un avis sur l'approbation du plan de stage.
L'élaboration de l'avis s'opère conformément aux modalités fixées à l'article 11.
Art. 16. - Beslissing van de Minister
De Minister beslist op basis van het advies van de administratie of het stageplan wordt goedgekeurd; die beslissing wordt genomen binnen een maand na afgifte van voormeld advies.
De administratie bezorgt de beslissing van de Minister als volgt aan de aanvrager :
1° een gunstige beslissing via een gewoon schrijven;
2° een ongunstige beslissing via een aangetekend schrijven.
In een afwijzingsbeslissing wordt het volgende vermeld:
1° de mogelijkheid om beroep in stellen;
2° de bevoegde instanties die daarvan kennis nemen;
3° de na te leven termijnen en vormvereisten.
De Minister beslist op basis van het advies van de administratie of het stageplan wordt goedgekeurd; die beslissing wordt genomen binnen een maand na afgifte van voormeld advies.
De administratie bezorgt de beslissing van de Minister als volgt aan de aanvrager :
1° een gunstige beslissing via een gewoon schrijven;
2° een ongunstige beslissing via een aangetekend schrijven.
In een afwijzingsbeslissing wordt het volgende vermeld:
1° de mogelijkheid om beroep in stellen;
2° de bevoegde instanties die daarvan kennis nemen;
3° de na te leven termijnen en vormvereisten.
Art. 16. - Décision du ministre
Dans le mois suivant la remise du plan de stage, le Ministre statue sur son acceptation en se basant sur l'avis émis par l'administration.
L'administration communique la décision du ministre au demandeur comme suit :
1° une décision favorable par simple lettre;
2° une décision défavorable par lettre recommandée.
Une décision de rejet mentionne :
1° la possibilité d'introduire un recours;
2° les instances compétentes qui en prendront connaissance;
3° les délais et formes à respecter.
Dans le mois suivant la remise du plan de stage, le Ministre statue sur son acceptation en se basant sur l'avis émis par l'administration.
L'administration communique la décision du ministre au demandeur comme suit :
1° une décision favorable par simple lettre;
2° une décision défavorable par lettre recommandée.
Une décision de rejet mentionne :
1° la possibilité d'introduire un recours;
2° les instances compétentes qui en prendront connaissance;
3° les délais et formes à respecter.
Art. 17. - Wijziging van het stageplan
De aanvrager legt elke wijziging van het stageplan voor aan de administratie met het oog op goedkeuring door de Minister. De wijziging van het stageplan moet geschieden overeenkomstig de nadere regels bepaald in de artikelen 14 tot 16.
De aanvrager legt elke wijziging van het stageplan voor aan de administratie met het oog op goedkeuring door de Minister. De wijziging van het stageplan moet geschieden overeenkomstig de nadere regels bepaald in de artikelen 14 tot 16.
Art. 17. - Modification du plan de stage
Le demandeur soumet à l'administration toute modification du plan de stage pour acceptation par le ministre. La modification du plan de stage est soumise aux modalités fixées aux articles 14 à 16.
Le demandeur soumet à l'administration toute modification du plan de stage pour acceptation par le ministre. La modification du plan de stage est soumise aux modalités fixées aux articles 14 à 16.
Art. 18. - Onderbreking van de stage
§ 1 - De aanvrager doorloopt de stage zonder onderbreking.
In afwijking van het eerste lid kan de aanvrager aan de administratie meedelen dat hij de stage wenst te onderbreken. Op basis van een advies van de administratie kan de Minister de onderbreking toestaan.
§ 2 - Tijdens de duur van zijn opleiding mag de aanvrager zijn stage in totaal gedurende hoogstens vier maanden onderbreken, zonder dat dit een verlenging van de duur van de stage met zich meebrengt, om de volgende redenen :
1° in het kader van het bevallingsverlof bepaald in de arbeidswet van 16 maart 1971;
2° in het kader van de palliatieve zorg bepaald in de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen;
3° om medische redenen.
§ 3 - Voor elke onderbreking bepaald in de paragrafen 1 tot 2 die vier maanden overschrijdt, wordt de stage verlengd met de periode die vier maanden overschrijdt.
Voor het gedeelte van de onderbreking dat de duur van vier maanden overschrijdt, legt de aanvrager een voorstel tot verlenging van de stage voor aan de administratie.
De Minister beslist op basis van het advies van de administratie over het gedeelte van de onderbreking dat de duur van vier maanden overschrijdt.
De administratie bezorgt de beslissing van de Minister binnen een maand via aangetekend schrijven aan de aanvrager.
In een afwijzingsbeslissing wordt het volgende vermeld:
1° de mogelijkheid om beroep in stellen;
2° de bevoegde instanties die daarvan kennis nemen;
3° de na te leven termijnen en vormvereisten.
§ 1 - De aanvrager doorloopt de stage zonder onderbreking.
In afwijking van het eerste lid kan de aanvrager aan de administratie meedelen dat hij de stage wenst te onderbreken. Op basis van een advies van de administratie kan de Minister de onderbreking toestaan.
§ 2 - Tijdens de duur van zijn opleiding mag de aanvrager zijn stage in totaal gedurende hoogstens vier maanden onderbreken, zonder dat dit een verlenging van de duur van de stage met zich meebrengt, om de volgende redenen :
1° in het kader van het bevallingsverlof bepaald in de arbeidswet van 16 maart 1971;
2° in het kader van de palliatieve zorg bepaald in de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen;
3° om medische redenen.
§ 3 - Voor elke onderbreking bepaald in de paragrafen 1 tot 2 die vier maanden overschrijdt, wordt de stage verlengd met de periode die vier maanden overschrijdt.
Voor het gedeelte van de onderbreking dat de duur van vier maanden overschrijdt, legt de aanvrager een voorstel tot verlenging van de stage voor aan de administratie.
De Minister beslist op basis van het advies van de administratie over het gedeelte van de onderbreking dat de duur van vier maanden overschrijdt.
De administratie bezorgt de beslissing van de Minister binnen een maand via aangetekend schrijven aan de aanvrager.
In een afwijzingsbeslissing wordt het volgende vermeld:
1° de mogelijkheid om beroep in stellen;
2° de bevoegde instanties die daarvan kennis nemen;
3° de na te leven termijnen en vormvereisten.
Art. 18. - Interruption du stage
§ 1er - Le demandeur accomplit son stage sans interruption.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le demandeur peut communiquer à l'administration une interruption de stage. Le ministre peut autoriser l'interruption en se basant sur l'avis rendu par l'administration.
§ 2 - Pendant la durée de sa formation, le demandeur a droit à une interruption de son stage pendant une durée totale de quatre mois, sans que cela induise une prolongation du stage, et ce :
1° dans le cadre du congé de maternité prévu par la loi du 16 mars 1971 sur le travail;
2° dans le cadre des soins palliatifs prévus par la loi de redressement du 22 janvier 1985 contenant des dispositions sociales;
3° pour des raisons médicales.
§ 3 - Pour chacune des interruptions prévues aux paragraphes 1er et 2 qui dépasse quatre mois, le stage est prolongé d'autant.
Le demandeur soumet à l'administration une proposition relative à la prolongation du stage pour la partie de l'interruption dépassant les quatre mois.
En s'appuyant sur l'avis rendu par l'administration, le ministre statue sur la partie de l'interruption dépassant les quatre mois.
Dans un délai d'un mois, l'administration communique la décision du ministre au demandeur par lettre recommandée.
Une décision de rejet mentionne :
1° la possibilité d'introduire un recours;
2° les instances compétentes qui en prendront connaissance;
3° les délais et formes à respecter.
§ 1er - Le demandeur accomplit son stage sans interruption.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le demandeur peut communiquer à l'administration une interruption de stage. Le ministre peut autoriser l'interruption en se basant sur l'avis rendu par l'administration.
§ 2 - Pendant la durée de sa formation, le demandeur a droit à une interruption de son stage pendant une durée totale de quatre mois, sans que cela induise une prolongation du stage, et ce :
1° dans le cadre du congé de maternité prévu par la loi du 16 mars 1971 sur le travail;
2° dans le cadre des soins palliatifs prévus par la loi de redressement du 22 janvier 1985 contenant des dispositions sociales;
3° pour des raisons médicales.
§ 3 - Pour chacune des interruptions prévues aux paragraphes 1er et 2 qui dépasse quatre mois, le stage est prolongé d'autant.
Le demandeur soumet à l'administration une proposition relative à la prolongation du stage pour la partie de l'interruption dépassant les quatre mois.
En s'appuyant sur l'avis rendu par l'administration, le ministre statue sur la partie de l'interruption dépassant les quatre mois.
Dans un délai d'un mois, l'administration communique la décision du ministre au demandeur par lettre recommandée.
Une décision de rejet mentionne :
1° la possibilité d'introduire un recours;
2° les instances compétentes qui en prendront connaissance;
3° les délais et formes à respecter.
Art. 19. - Meningsverschillen tussen aanvrager en stagemeester
§ 1 - In geval van een functioneel meningsverschil tussen de stagemeester en de aanvrager kan elk van hen het geschil schriftelijk voor advies voorleggen aan de administratie.
Voor het opstellen van het advies kan de administratie zich baseren op de stellingname van één of meer externe deskundigen of adviesorganen van een andere gemeenschap.
De administratie hoort beide partijen. Als één van de partijen of beide partijen niet verschijnen, verstrekt de administratie haar advies op basis van de elementen waarover ze beschikt. In geval van gewettigde afwezigheid wordt een nieuwe datum voor de hoorzitting vastgesteld.
De administratie roept de partijen minstens 15 dagen van tevoren op om te worden gehoord.
§ 2 - De Minister beslecht het meningsverschil op basis van het advies van de administratie.
De administratie bezorgt de beslissing van de Minister binnen een maand via aangetekend schrijven aan de aanvrager.
De beslissing bevat :
1° de mogelijkheid om beroep in stellen;
2° de bevoegde instanties die daarvan kennis nemen;
3° de na te leven termijnen en vormvereisten.
§ 1 - In geval van een functioneel meningsverschil tussen de stagemeester en de aanvrager kan elk van hen het geschil schriftelijk voor advies voorleggen aan de administratie.
Voor het opstellen van het advies kan de administratie zich baseren op de stellingname van één of meer externe deskundigen of adviesorganen van een andere gemeenschap.
De administratie hoort beide partijen. Als één van de partijen of beide partijen niet verschijnen, verstrekt de administratie haar advies op basis van de elementen waarover ze beschikt. In geval van gewettigde afwezigheid wordt een nieuwe datum voor de hoorzitting vastgesteld.
De administratie roept de partijen minstens 15 dagen van tevoren op om te worden gehoord.
§ 2 - De Minister beslecht het meningsverschil op basis van het advies van de administratie.
De administratie bezorgt de beslissing van de Minister binnen een maand via aangetekend schrijven aan de aanvrager.
De beslissing bevat :
1° de mogelijkheid om beroep in stellen;
2° de bevoegde instanties die daarvan kennis nemen;
3° de na te leven termijnen en vormvereisten.
Art. 19. - Divergences d'opinion entre le demandeur et le maître de stage
§ 1er - En cas de divergences d'opinion portant sur des détails techniques entre le maître de stage et le demandeur, chacun d'entre eux peut présenter le différend par écrit auprès de l'administration pour examen.
Pour établir son avis, l'administration peut s'appuyer sur celui émis soit par un ou plusieurs experts externes, soit par des instances consultatives d'une autre communauté.
L'administration entend les deux parties. En cas d'absence de l'une des parties ou des deux, l'administration rend son avis sur la base des éléments dont elle dispose. En cas d'absence justifiée, une nouvelle date d'audition est fixée.
L'administration invite les parties au moins quinze jours avant l'audition.
§ 2 - Sur la base de l'avis émis par l'administration, le ministre statue sur la divergence d'opinion.
Dans un délai d'un mois, l'administration communique la décision du ministre au demandeur par lettre recommandée.
Cette décision mentionne :
1° la possibilité d'introduire un recours;
2° les instances compétentes qui en prendront connaissance;
3° les délais et formes à respecter.
§ 1er - En cas de divergences d'opinion portant sur des détails techniques entre le maître de stage et le demandeur, chacun d'entre eux peut présenter le différend par écrit auprès de l'administration pour examen.
Pour établir son avis, l'administration peut s'appuyer sur celui émis soit par un ou plusieurs experts externes, soit par des instances consultatives d'une autre communauté.
L'administration entend les deux parties. En cas d'absence de l'une des parties ou des deux, l'administration rend son avis sur la base des éléments dont elle dispose. En cas d'absence justifiée, une nouvelle date d'audition est fixée.
L'administration invite les parties au moins quinze jours avant l'audition.
§ 2 - Sur la base de l'avis émis par l'administration, le ministre statue sur la divergence d'opinion.
Dans un délai d'un mois, l'administration communique la décision du ministre au demandeur par lettre recommandée.
Cette décision mentionne :
1° la possibilité d'introduire un recours;
2° les instances compétentes qui en prendront connaissance;
3° les délais et formes à respecter.
Art. 20. - Ongeschiktheid voor de uitoefening van het beroep
§ 1 - Als de stagemeester in de loop van of op het einde van de stageperiode van oordeel is dat de aanvrager niet geschikt is voor het uitoefenen van het beroep in kwestie, deelt hij dat schriftelijk mee aan de aanvrager en aan de administratie, met vermelding van de redenen waarop hij zijn inschatting baseert.
De administratie stelt een advies over de beëindiging of voortzetting van de stage op. Voor het opstellen van het advies kan de administratie zich baseren op de stellingname van één of meer externe deskundigen of adviesorganen van een andere gemeenschap.
De administratie hoort beide partijen. Als één van de partijen of beide partijen niet verschijnen, verstrekt de administratie haar advies op basis van de elementen waarover ze beschikt. In geval van gewettigde afwezigheid wordt een nieuwe datum voor de hoorzitting vastgesteld.
De administratie roept de partijen minstens 15 dagen van tevoren op om te worden gehoord.
Na de partijen te hebben gehoord, geeft de administratie een advies over de vraag of de stage beëindigd wordt, dan wel over de vraag of het resterende gedeelte van de stage onder leiding van een andere stagemeester wordt doorlopen. In laatstgenoemd geval wordt vermeld in hoeverre de bij de eerste stagemeester gedane stage in aanmerking komt voor de berekening van de totale duur van de stage voor het beroep in kwestie.
De Minister beslist op basis van het advies van de administratie of de stage beëindigd of voortgezet wordt.
De administratie bezorgt de beslissing van de Minister binnen een maand via aangetekend schrijven aan de aanvrager.
De beslissing bevat :
1° de mogelijkheid om beroep in stellen;
2° de bevoegde instanties die daarvan kennis nemen;
3° de na te leven termijnen en vormvereisten.
§ 2 - Als de Minister beslist om de stagemeester te vervangen, stelt de kandidaat een nieuwe stagemeester voor. In onderlinge overeenstemming met de nieuwe stagemeester legt de kandidaat een wijziging van het stageplan ter goedkeuring voor aan de Minister, overeenkomstig de nadere regels bepaald in artikel 17.
§ 3 - Als de nieuwe stagemeester in de loop van de stage ook van oordeel is dat de kandidaat ongeschikt is, kan de administratie adviseren om de stage te beëindigen en de aanvrager daarvan op de hoogte brengen via een aangetekend schrijven.
Binnen een maand, te rekenen vanaf de verzending van het aangetekend schrijven, kan de aanvrager zijn met redenen omklede standpunt omtrent het advies indienen bij de administratie.
Als de aanvrager geen standpunt indient, beslist de Minister op basis van het advies van de administratie.
Als de aanvrager wel een standpunt indient, stelt de administratie een tweede advies op binnen een maand na ontvangst van dat standpunt. Voor het opstellen van het tweede advies kan de administratie zich baseren op de stellingname van één of meer externe deskundigen of adviesorganen van een andere gemeenschap.
De administratie hoort de aanvrager. Als deze niet verschijnt, verstrekt de administratie haar advies op basis van de elementen waarover ze beschikt. In geval van gewettigde afwezigheid wordt een nieuwe datum voor de hoorzitting vastgesteld.
De aanvrager kan zich voor de hoorzitting laten bijstaan door een advocaat.
De administratie roept de aanvrager minstens 15 dagen van tevoren op om te worden gehoord.
De externe deskundige kan aan de hoorzitting deelnemen.
De Minister beslist op basis van het advies van de administratie of de stage wordt beëindigd.
De administratie bezorgt de beslissing van de Minister binnen een maand via aangetekend schrijven aan de aanvrager.
De beslissing bevat :
1° de mogelijkheid om beroep in stellen;
2° de bevoegde instanties die daarvan kennis nemen;
3° de na te leven termijnen en vormvereisten.
§ 1 - Als de stagemeester in de loop van of op het einde van de stageperiode van oordeel is dat de aanvrager niet geschikt is voor het uitoefenen van het beroep in kwestie, deelt hij dat schriftelijk mee aan de aanvrager en aan de administratie, met vermelding van de redenen waarop hij zijn inschatting baseert.
De administratie stelt een advies over de beëindiging of voortzetting van de stage op. Voor het opstellen van het advies kan de administratie zich baseren op de stellingname van één of meer externe deskundigen of adviesorganen van een andere gemeenschap.
De administratie hoort beide partijen. Als één van de partijen of beide partijen niet verschijnen, verstrekt de administratie haar advies op basis van de elementen waarover ze beschikt. In geval van gewettigde afwezigheid wordt een nieuwe datum voor de hoorzitting vastgesteld.
De administratie roept de partijen minstens 15 dagen van tevoren op om te worden gehoord.
Na de partijen te hebben gehoord, geeft de administratie een advies over de vraag of de stage beëindigd wordt, dan wel over de vraag of het resterende gedeelte van de stage onder leiding van een andere stagemeester wordt doorlopen. In laatstgenoemd geval wordt vermeld in hoeverre de bij de eerste stagemeester gedane stage in aanmerking komt voor de berekening van de totale duur van de stage voor het beroep in kwestie.
De Minister beslist op basis van het advies van de administratie of de stage beëindigd of voortgezet wordt.
De administratie bezorgt de beslissing van de Minister binnen een maand via aangetekend schrijven aan de aanvrager.
De beslissing bevat :
1° de mogelijkheid om beroep in stellen;
2° de bevoegde instanties die daarvan kennis nemen;
3° de na te leven termijnen en vormvereisten.
§ 2 - Als de Minister beslist om de stagemeester te vervangen, stelt de kandidaat een nieuwe stagemeester voor. In onderlinge overeenstemming met de nieuwe stagemeester legt de kandidaat een wijziging van het stageplan ter goedkeuring voor aan de Minister, overeenkomstig de nadere regels bepaald in artikel 17.
§ 3 - Als de nieuwe stagemeester in de loop van de stage ook van oordeel is dat de kandidaat ongeschikt is, kan de administratie adviseren om de stage te beëindigen en de aanvrager daarvan op de hoogte brengen via een aangetekend schrijven.
Binnen een maand, te rekenen vanaf de verzending van het aangetekend schrijven, kan de aanvrager zijn met redenen omklede standpunt omtrent het advies indienen bij de administratie.
Als de aanvrager geen standpunt indient, beslist de Minister op basis van het advies van de administratie.
Als de aanvrager wel een standpunt indient, stelt de administratie een tweede advies op binnen een maand na ontvangst van dat standpunt. Voor het opstellen van het tweede advies kan de administratie zich baseren op de stellingname van één of meer externe deskundigen of adviesorganen van een andere gemeenschap.
De administratie hoort de aanvrager. Als deze niet verschijnt, verstrekt de administratie haar advies op basis van de elementen waarover ze beschikt. In geval van gewettigde afwezigheid wordt een nieuwe datum voor de hoorzitting vastgesteld.
De aanvrager kan zich voor de hoorzitting laten bijstaan door een advocaat.
De administratie roept de aanvrager minstens 15 dagen van tevoren op om te worden gehoord.
De externe deskundige kan aan de hoorzitting deelnemen.
De Minister beslist op basis van het advies van de administratie of de stage wordt beëindigd.
De administratie bezorgt de beslissing van de Minister binnen een maand via aangetekend schrijven aan de aanvrager.
De beslissing bevat :
1° de mogelijkheid om beroep in stellen;
2° de bevoegde instanties die daarvan kennis nemen;
3° de na te leven termijnen en vormvereisten.
Art. 20. - Inaptitude à l'exercice de la profession
§ 1er - Si le maître de stage, pendant ou à la fin du stage, est d'avis que le demandeur n'est pas apte à exercer la profession concernée, il en informe le demandeur et l'administration par écrit, en indiquant les motifs de son appréciation.
L'administration établit un avis sur la cessation ou la poursuite du stage. A cette fin, il peut s'appuyer sur l'avis émis soit par un ou plusieurs experts externes, soit par des instances consultatives d'une autre communauté.
L'administration entend les deux parties. En cas d'absence de l'une des parties ou des deux, l'administration rend son avis sur la base des éléments dont elle dispose. En cas d'absence justifiée, une nouvelle date d'audition est fixée.
L'administration invite les parties au moins quinze jours avant l'audition.
Après l'audition, l'administration émet un avis portant sur la cessation du stage ou sa poursuite, pour la partie restante, sous la direction d'un autre maître de stage. Dans ce dernier cas, il est indiqué dans quelle mesure le stage déjà accompli est pris en considération pour calculer la durée totale du stage pour la profession en question.
En s'appuyant sur l'avis émis par l'administration, le ministre statue sur la cessation ou la poursuite du stage.
Dans un délai d'un mois, l'administration communique la décision du ministre au demandeur par lettre recommandée.
La décision mentionne :
1° la possibilité d'introduire un recours;
2° les instances compétentes qui en prendront connaissance;
3° les délais et formes à respecter.
§ 2 - Si le ministre décide de changer le maître de stage, le candidat en propose un nouveau. En accord avec le nouveau maître de stage, le candidat établit une modification du plan de formation en vue de son acceptation conformément à l'article 17.
§ 3 - Si le nouveau maître de stage est également d'avis, au cours du stage, que le demandeur est inapte, l'administration peut émettre un avis relatif à la cessation du stage et le transmettre au demandeur par lettre recommandée.
Dans un délai d'un mois à compter de l'expédition de la lettre recommandée, le demandeur peut introduire auprès de l'administration une prise de position motivée à propos de l'avis.
A défaut, le ministre statue sur la base de l'avis émis par l'administration.
Si le demandeur introduit sa prise de position, l'administration établit un deuxième avis dans un délai d'un mois après réception de cette prise de position. Pour établir son deuxième avis, l'administration peut s'appuyer sur celui émis soit par un ou plusieurs experts externes, soit par des instances consultatives d'une autre communauté.
L'administration entend le demandeur. Si le demandeur n'est pas présent à l'audition, l'administration rend son avis sur la base des éléments dont elle dispose. En cas d'absence justifiée, une nouvelle date d'audition est fixée.
Le demandeur peut, pour les besoins de l'audition, se faire assister par un avocat.
L'administration invite le demandeur au moins quinze jours avant l'audition.
L'expert externe peut participer à l'audition.
En s'appuyant sur l'avis émis par l'administration, le ministre statue sur la cessation du stage.
Dans un délai d'un mois, l'administration communique la décision du ministre au demandeur par lettre recommandée.
Cette décision mentionne :
1° la possibilité d'introduire un recours;
2° les instances compétentes qui en prendront connaissance;
3° les délais et formes à respecter.
§ 1er - Si le maître de stage, pendant ou à la fin du stage, est d'avis que le demandeur n'est pas apte à exercer la profession concernée, il en informe le demandeur et l'administration par écrit, en indiquant les motifs de son appréciation.
L'administration établit un avis sur la cessation ou la poursuite du stage. A cette fin, il peut s'appuyer sur l'avis émis soit par un ou plusieurs experts externes, soit par des instances consultatives d'une autre communauté.
L'administration entend les deux parties. En cas d'absence de l'une des parties ou des deux, l'administration rend son avis sur la base des éléments dont elle dispose. En cas d'absence justifiée, une nouvelle date d'audition est fixée.
L'administration invite les parties au moins quinze jours avant l'audition.
Après l'audition, l'administration émet un avis portant sur la cessation du stage ou sa poursuite, pour la partie restante, sous la direction d'un autre maître de stage. Dans ce dernier cas, il est indiqué dans quelle mesure le stage déjà accompli est pris en considération pour calculer la durée totale du stage pour la profession en question.
En s'appuyant sur l'avis émis par l'administration, le ministre statue sur la cessation ou la poursuite du stage.
Dans un délai d'un mois, l'administration communique la décision du ministre au demandeur par lettre recommandée.
La décision mentionne :
1° la possibilité d'introduire un recours;
2° les instances compétentes qui en prendront connaissance;
3° les délais et formes à respecter.
§ 2 - Si le ministre décide de changer le maître de stage, le candidat en propose un nouveau. En accord avec le nouveau maître de stage, le candidat établit une modification du plan de formation en vue de son acceptation conformément à l'article 17.
§ 3 - Si le nouveau maître de stage est également d'avis, au cours du stage, que le demandeur est inapte, l'administration peut émettre un avis relatif à la cessation du stage et le transmettre au demandeur par lettre recommandée.
Dans un délai d'un mois à compter de l'expédition de la lettre recommandée, le demandeur peut introduire auprès de l'administration une prise de position motivée à propos de l'avis.
A défaut, le ministre statue sur la base de l'avis émis par l'administration.
Si le demandeur introduit sa prise de position, l'administration établit un deuxième avis dans un délai d'un mois après réception de cette prise de position. Pour établir son deuxième avis, l'administration peut s'appuyer sur celui émis soit par un ou plusieurs experts externes, soit par des instances consultatives d'une autre communauté.
L'administration entend le demandeur. Si le demandeur n'est pas présent à l'audition, l'administration rend son avis sur la base des éléments dont elle dispose. En cas d'absence justifiée, une nouvelle date d'audition est fixée.
Le demandeur peut, pour les besoins de l'audition, se faire assister par un avocat.
L'administration invite le demandeur au moins quinze jours avant l'audition.
L'expert externe peut participer à l'audition.
En s'appuyant sur l'avis émis par l'administration, le ministre statue sur la cessation du stage.
Dans un délai d'un mois, l'administration communique la décision du ministre au demandeur par lettre recommandée.
Cette décision mentionne :
1° la possibilité d'introduire un recours;
2° les instances compétentes qui en prendront connaissance;
3° les délais et formes à respecter.
Art. 21. - Erkenning op aanvraag
De aanvrager dient een aanvraag tot erkenning als huisarts of als arts-specialist in overeenkomstig de nadere regels bepaald in artikel 9.
Met behoud van de toepassing van het eerste lid moeten, naast de documenten vermeld in artikel 9, vierde lid, nog de volgende documenten bij de aanvraag worden gevoegd :
1° de attesten van de stagemeester;
2° het laatste stageverslag of elk ander document dat uitkomst biedt over de bekwaamheden van de aanvrager;
3° een attest van inschrijving bij de Orde der Artsen.
De aanvrager dient een aanvraag tot erkenning als huisarts of als arts-specialist in overeenkomstig de nadere regels bepaald in artikel 9.
Met behoud van de toepassing van het eerste lid moeten, naast de documenten vermeld in artikel 9, vierde lid, nog de volgende documenten bij de aanvraag worden gevoegd :
1° de attesten van de stagemeester;
2° het laatste stageverslag of elk ander document dat uitkomst biedt over de bekwaamheden van de aanvrager;
3° een attest van inschrijving bij de Orde der Artsen.
Art. 21. - Agrément sur demande
Le demandeur introduit une demande d'agrément en tant que médecin généraliste ou spécialiste conformément aux modalités fixées à l'article 9.
Sans préjudice de l'alinéa 1er, la demande doit, outre les documents mentionnés à l'article 9, alinéa 4, être accompagnée des documents suivants :
1° les attestations établies par le maître de stage;
2° le dernier rapport de stage ou tout autre document donnant des informations sur les aptitudes du demandeur;
3° une attestation certifiant que le candidat est inscrit au tableau de l'Ordre des médecins.
Le demandeur introduit une demande d'agrément en tant que médecin généraliste ou spécialiste conformément aux modalités fixées à l'article 9.
Sans préjudice de l'alinéa 1er, la demande doit, outre les documents mentionnés à l'article 9, alinéa 4, être accompagnée des documents suivants :
1° les attestations établies par le maître de stage;
2° le dernier rapport de stage ou tout autre document donnant des informations sur les aptitudes du demandeur;
3° une attestation certifiant que le candidat est inscrit au tableau de l'Ordre des médecins.
Art. 22. - Erkenningsprocedure
De erkenningsprocedure verloopt overeenkomstig de nadere regels bepaald in de artikelen 10 tot 12.
De erkenningsprocedure verloopt overeenkomstig de nadere regels bepaald in de artikelen 10 tot 12.
Art. 22. - Procédure d'agrément
La procédure d'agrément s'opère conformément aux modalités fixées aux articles 10 à 12.
La procédure d'agrément s'opère conformément aux modalités fixées aux articles 10 à 12.
Onderafdeling 2. - Erkenning waarbij tandartsen gemachtigd worden om een bijzondere beroepstitel te dragen
Sous-section 2. - Agrément en vue de porter un titre professionnel particulier pour les dentistes
Art. 23. - Aanvraag tot goedkeuring van het stageplan
Binnen de eerste twee maanden van zijn opleiding dient de aanvrager die in België gemachtigd is om de tandheelkunde uit te oefenen, bij de administratie een aanvraag in om zijn stageplan te laten goedkeuren.
De Minister stelt daartoe een aanvraagformulier ter beschikking waarin de in artikel 13, tweede lid, vermelde elementen worden opgevraagd en waarbij de in artikel 13, derde lid, 1° en 2°, vermelde documenten moeten worden gevoegd, alsook een bewijs dat de aanvrager gemachtigd is de tandheelkunde in België uit te oefenen.
Binnen de eerste twee maanden van zijn opleiding dient de aanvrager die in België gemachtigd is om de tandheelkunde uit te oefenen, bij de administratie een aanvraag in om zijn stageplan te laten goedkeuren.
De Minister stelt daartoe een aanvraagformulier ter beschikking waarin de in artikel 13, tweede lid, vermelde elementen worden opgevraagd en waarbij de in artikel 13, derde lid, 1° en 2°, vermelde documenten moeten worden gevoegd, alsook een bewijs dat de aanvrager gemachtigd is de tandheelkunde in België uit te oefenen.
Art. 23. - Demande d'acceptation du plan de stage
Au cours des deux premiers mois de sa formation, le demandeur habilité à exercer l'art dentaire en Belgique introduit une demande d'acceptation de son plan de stage auprès de l'administration.
Le ministre met à disposition un formulaire de demande à cet effet, qui reprend les éléments mentionnés à l'article 13, alinéa 2, et les documents mentionnés à l'article 13, alinéa 3, 1° et 2°, ainsi que la preuve que le demandeur est autorisé à exercer l'art dentaire en Belgique.
Au cours des deux premiers mois de sa formation, le demandeur habilité à exercer l'art dentaire en Belgique introduit une demande d'acceptation de son plan de stage auprès de l'administration.
Le ministre met à disposition un formulaire de demande à cet effet, qui reprend les éléments mentionnés à l'article 13, alinéa 2, et les documents mentionnés à l'article 13, alinéa 3, 1° et 2°, ainsi que la preuve que le demandeur est autorisé à exercer l'art dentaire en Belgique.
Art. 24. - Procedure tot goedkeuring van het stageplan
De erkenningsprocedure verloopt overeenkomstig de nadere regels bepaald in de artikelen 14 tot 16.
De erkenningsprocedure verloopt overeenkomstig de nadere regels bepaald in de artikelen 14 tot 16.
Art. 24. - Procédure d'acceptation du plan de stage
La procédure d'agrément s'opère conformément aux modalités fixées aux articles 14 à 16.
La procédure d'agrément s'opère conformément aux modalités fixées aux articles 14 à 16.
Art. 25. - Wijziging van het stageplan
De aanvrager legt elke wijziging van het stageplan voor aan de administratie met het oog op goedkeuring door de Minister. De wijziging van het stageplan moet geschieden overeenkomstig de nadere regels bepaald in de artikelen 14 tot 16.
De aanvrager legt elke wijziging van het stageplan voor aan de administratie met het oog op goedkeuring door de Minister. De wijziging van het stageplan moet geschieden overeenkomstig de nadere regels bepaald in de artikelen 14 tot 16.
Art. 25. - Modification du plan de stage
Le demandeur soumet à l'administration toute modification du plan de stage pour acceptation par le ministre. La modification du plan de stage est soumise aux modalités fixées aux articles 14 à 16.
Le demandeur soumet à l'administration toute modification du plan de stage pour acceptation par le ministre. La modification du plan de stage est soumise aux modalités fixées aux articles 14 à 16.
Art. 26. - Onderbreking van de stage
De aanvrager doorloopt de stage zonder onderbreking.
Van het principe vermeld in het eerste lid kan worden afgeweken overeenkomstig de nadere regels bepaald in artikel 18.
De aanvrager doorloopt de stage zonder onderbreking.
Van het principe vermeld in het eerste lid kan worden afgeweken overeenkomstig de nadere regels bepaald in artikel 18.
Art. 26. - Interruption du stage
Le demandeur accomplit son stage sans interruption.
Toute dérogation au principe mentionné à l'alinéa 1er est soumise aux modalités fixées à l'article 18.
Le demandeur accomplit son stage sans interruption.
Toute dérogation au principe mentionné à l'alinéa 1er est soumise aux modalités fixées à l'article 18.
Art. 27. - Meningsverschillen tussen aanvrager en stagemeester
Meningsverschillen tussen de stagemeester en de aanvrager worden behandeld overeenkomstig de nadere regels bepaald in artikel 19.
Meningsverschillen tussen de stagemeester en de aanvrager worden behandeld overeenkomstig de nadere regels bepaald in artikel 19.
Art. 27. - Divergences d'opinion entre le demandeur et le maître de stage
Les divergences d'opinion entre le maître de stage et le demandeur sont traitées conformément aux modalités fixées à l'article 19.
Les divergences d'opinion entre le maître de stage et le demandeur sont traitées conformément aux modalités fixées à l'article 19.
Art. 28. - Ongeschiktheid voor de uitoefening van het beroep
Geschillen over de ongeschiktheid voor de uitoefening van het beroep worden behandeld overeenkomstig de nadere regels bepaald in artikel 20.
Geschillen over de ongeschiktheid voor de uitoefening van het beroep worden behandeld overeenkomstig de nadere regels bepaald in artikel 20.
Art. 28. - Inaptitude à l'exercice de la profession
Tout litige relatif à l'inaptitude du demandeur à l'exercice d'une profession est traité conformément aux modalités fixées à l'article 20.
Tout litige relatif à l'inaptitude du demandeur à l'exercice d'une profession est traité conformément aux modalités fixées à l'article 20.
Art. 29. - Erkenning op aanvraag
De aanvrager die gemachtigd is de tandheelkunde in België uit te oefenen, dient de aanvraag tot erkenning waarbij hij gemachtigd wordt een bijzondere beroepstitel te dragen in overeenkomstig de nadere regels bepaald in artikel 9.
Met behoud van de toepassing van het eerste lid moeten, naast de documenten vermeld in artikel 9, vierde lid, nog de volgende documenten bij de aanvraag worden gevoegd :
1° de attesten van de stagemeester;
2° het laatste stageverslag of elk ander document dat uitkomst biedt over de bekwaamheden van de aanvrager.
De aanvrager die gemachtigd is de tandheelkunde in België uit te oefenen, dient de aanvraag tot erkenning waarbij hij gemachtigd wordt een bijzondere beroepstitel te dragen in overeenkomstig de nadere regels bepaald in artikel 9.
Met behoud van de toepassing van het eerste lid moeten, naast de documenten vermeld in artikel 9, vierde lid, nog de volgende documenten bij de aanvraag worden gevoegd :
1° de attesten van de stagemeester;
2° het laatste stageverslag of elk ander document dat uitkomst biedt over de bekwaamheden van de aanvrager.
Art. 29. - Agrément sur demande
Le demandeur habilité à exercer l'art dentaire en Belgique introduit une demande d'agrément en vue de porter un titre professionnel particulier conformément aux modalités fixées à l'article 9.
Sans préjudice de l'alinéa 1er, la demande doit, outre les documents mentionnés à l'article 9, alinéa 4, être accompagnée des documents suivants :
1° les attestations établies par le maître de stage;
2° le dernier rapport de stage ou tout autre document donnant des informations sur les aptitudes du demandeur.
Le demandeur habilité à exercer l'art dentaire en Belgique introduit une demande d'agrément en vue de porter un titre professionnel particulier conformément aux modalités fixées à l'article 9.
Sans préjudice de l'alinéa 1er, la demande doit, outre les documents mentionnés à l'article 9, alinéa 4, être accompagnée des documents suivants :
1° les attestations établies par le maître de stage;
2° le dernier rapport de stage ou tout autre document donnant des informations sur les aptitudes du demandeur.
Art. 30. - Erkenningsprocedure
De erkenningsprocedure verloopt overeenkomstig de nadere regels bepaald in de artikelen 10 tot 12.
De erkenningsprocedure verloopt overeenkomstig de nadere regels bepaald in de artikelen 10 tot 12.
Art. 30. - Procédure d'agrément
La procédure d'agrément s'opère conformément aux modalités fixées aux articles 10 à 12.
La procédure d'agrément s'opère conformément aux modalités fixées aux articles 10 à 12.
Onderafdeling 3. - Erkenning als houder van de bijzondere beroepstitel van ziekenhuisapotheker
Sous-section 3. - Agrément en vue de porter le titre professionnel particulier de pharmacien hospitalier
Art. 31. - Aanvraag tot voorlopige erkenning
Binnen zes maanden na het begin van zijn opleiding dient de aanvrager bij de administratie een aanvraag tot voorlopige erkenning als houder van de bijzondere beroepstitel van ziekenhuisapotheker in.
De Minister stelt daartoe een aanvraagformulier ter beschikking waarin de elementen vermeld in artikel 13, tweede lid, worden opgevraagd.
Bij de aanvraag worden de volgende documenten gevoegd :
1° het stageplan voor de eerste drie jaar van de praktische opleiding vermeld in het ministerieel besluit van 22 oktober 2012 tot vaststelling van de erkenningscriteria voor de bijzondere beroepstitel van ziekenhuisapotheker;
2° de stageovereenkomst tussen de aanvrager, de stagemeester en de stagedienst;
3° een attest van inschrijving bij de Orde der Apothekers.
Binnen zes maanden na het begin van zijn opleiding dient de aanvrager bij de administratie een aanvraag tot voorlopige erkenning als houder van de bijzondere beroepstitel van ziekenhuisapotheker in.
De Minister stelt daartoe een aanvraagformulier ter beschikking waarin de elementen vermeld in artikel 13, tweede lid, worden opgevraagd.
Bij de aanvraag worden de volgende documenten gevoegd :
1° het stageplan voor de eerste drie jaar van de praktische opleiding vermeld in het ministerieel besluit van 22 oktober 2012 tot vaststelling van de erkenningscriteria voor de bijzondere beroepstitel van ziekenhuisapotheker;
2° de stageovereenkomst tussen de aanvrager, de stagemeester en de stagedienst;
3° een attest van inschrijving bij de Orde der Apothekers.
Art. 31. - Demande d'agrément provisoire
Dans les six mois suivant le début de sa formation, le demandeur introduit une demande d'agrément provisoire en vue de porter le titre professionnel particulier de pharmacien hospitalier auprès de l'administration.
Le Ministre met à disposition un formulaire de demande ad hoc, reprenant les éléments mentionnés à l'article 13, alinéa 2.
La demande doit être accompagnée des documents suivants :
1° le plan de stage pour les trois premières années de la formation pratique mentionné dans l'arrêté ministériel du 22 octobre 2012 fixant la procédure relative à l'agrément du titre professionnel particulier de pharmacien hospitalier;
2° le contrat de stage conclu entre le demandeur, le maître de stage et le service de stage;
3° une attestation certifiant que le candidat est inscrit au tableau de l'Ordre des pharmaciens.
Dans les six mois suivant le début de sa formation, le demandeur introduit une demande d'agrément provisoire en vue de porter le titre professionnel particulier de pharmacien hospitalier auprès de l'administration.
Le Ministre met à disposition un formulaire de demande ad hoc, reprenant les éléments mentionnés à l'article 13, alinéa 2.
La demande doit être accompagnée des documents suivants :
1° le plan de stage pour les trois premières années de la formation pratique mentionné dans l'arrêté ministériel du 22 octobre 2012 fixant la procédure relative à l'agrément du titre professionnel particulier de pharmacien hospitalier;
2° le contrat de stage conclu entre le demandeur, le maître de stage et le service de stage;
3° une attestation certifiant que le candidat est inscrit au tableau de l'Ordre des pharmaciens.
Art. 32. - Ontvangstbevestiging en volledigheid van de aanvraag
De administratie geeft de aanvrager binnen een maand na indiening van de aanvraag een schriftelijke ontvangstbevestiging en deelt hem mee of de aanvraag volledig is, en zo neen, welke inlichtingen en documenten ontbreken.
Als zes maanden na de ontvangstbevestiging vermeld in het eerste lid nog inlichtingen en documenten ontbreken die voor de behandeling van de aanvraag noodzakelijk zijn, sluit de administratie het aanvraagdossier en deelt ze dit feit mee aan de aanvrager.
De administratie geeft de aanvrager binnen een maand na indiening van de aanvraag een schriftelijke ontvangstbevestiging en deelt hem mee of de aanvraag volledig is, en zo neen, welke inlichtingen en documenten ontbreken.
Als zes maanden na de ontvangstbevestiging vermeld in het eerste lid nog inlichtingen en documenten ontbreken die voor de behandeling van de aanvraag noodzakelijk zijn, sluit de administratie het aanvraagdossier en deelt ze dit feit mee aan de aanvrager.
Art. 32. - Accusé de réception et complétude de la demande
Dans un délai d'un mois à dater du dépôt de la demande, l'administration délivre au demandeur un accusé de réception écrit et lui communique si la demande est complète ou, selon le cas, les informations et documents qui font défaut.
Si, à l'expiration d'un délai de six mois suivant l'accusé de réception mentionné à l'alinéa 1er, toutes les informations et tous les documents nécessaires pour traiter la demande n'ont pas été fournis, l'administration clôture le dossier de demande et en informe le demandeur.
Dans un délai d'un mois à dater du dépôt de la demande, l'administration délivre au demandeur un accusé de réception écrit et lui communique si la demande est complète ou, selon le cas, les informations et documents qui font défaut.
Si, à l'expiration d'un délai de six mois suivant l'accusé de réception mentionné à l'alinéa 1er, toutes les informations et tous les documents nécessaires pour traiter la demande n'ont pas été fournis, l'administration clôture le dossier de demande et en informe le demandeur.
Art. 33. - Opstellen van een advies
Binnen drie maanden, te rekenen vanaf het tijdstip waarop de aanvraag volledig is, stelt de administratie een advies op over de vraag of het stageplan wordt goedgekeurd.
Het advies wordt opgesteld op basis van de nadere regels bepaald in artikel 15.
Binnen drie maanden, te rekenen vanaf het tijdstip waarop de aanvraag volledig is, stelt de administratie een advies op over de vraag of het stageplan wordt goedgekeurd.
Het advies wordt opgesteld op basis van de nadere regels bepaald in artikel 15.
Art. 33. - Etablissement d'un avis
Dans un délai de trois mois à partir du moment où la demande est complète, l'administration établit un avis sur l'approbation du plan de stage.
L'élaboration de l'avis s'opère conformément aux modalités fixées à l'article 15.
Dans un délai de trois mois à partir du moment où la demande est complète, l'administration établit un avis sur l'approbation du plan de stage.
L'élaboration de l'avis s'opère conformément aux modalités fixées à l'article 15.
Art. 34. - Beslissing van de Minister
De Minister beslist op basis van het advies of het stageplan wordt goedgekeurd.
Bij een gunstige beslissing ontvangt de aanvrager tegelijk de voorlopige erkenning.
De administratie bezorgt de beslissing van de Minister binnen een maand via aangetekend schrijven aan de aanvrager.
In een afwijzingsbeslissing wordt het volgende vermeld:
1° de mogelijkheid om beroep in stellen;
2° de bevoegde instanties die daarvan kennis nemen;
3° de na te leven termijnen en vormvereisten.
De Minister beslist op basis van het advies of het stageplan wordt goedgekeurd.
Bij een gunstige beslissing ontvangt de aanvrager tegelijk de voorlopige erkenning.
De administratie bezorgt de beslissing van de Minister binnen een maand via aangetekend schrijven aan de aanvrager.
In een afwijzingsbeslissing wordt het volgende vermeld:
1° de mogelijkheid om beroep in stellen;
2° de bevoegde instanties die daarvan kennis nemen;
3° de na te leven termijnen en vormvereisten.
Art. 34. - Décision du ministre
En s'appuyant sur l'avis émis par l'administration, le ministre statue sur l'acceptation du stage.
Dans le cas d'une décision favorable, le demandeur reçoit en même temps l'agrément provisoire.
Dans un délai d'un mois, l'administration communique la décision du ministre au demandeur par lettre recommandée.
Une décision de rejet mentionne :
1° la possibilité d'introduire un recours;
2° les instances compétentes qui en prendront connaissance;
3° les délais et formes à respecter.
En s'appuyant sur l'avis émis par l'administration, le ministre statue sur l'acceptation du stage.
Dans le cas d'une décision favorable, le demandeur reçoit en même temps l'agrément provisoire.
Dans un délai d'un mois, l'administration communique la décision du ministre au demandeur par lettre recommandée.
Une décision de rejet mentionne :
1° la possibilité d'introduire un recours;
2° les instances compétentes qui en prendront connaissance;
3° les délais et formes à respecter.
Art. 35. - Geldigheidsduur van de voorlopige erkenning
De voorlopige erkenning is drie jaar geldig. Na advies van de administratie kan de Minister ze één keer met maximaal drie jaar verlengen.
De geldigheidsduur vermeld in het eerste lid gaat in op de dag dat de aanvrager de stage werkelijk heeft aangevat, als het stageplan binnen de eerste zes maanden na het begin van de academische opleiding ingediend werd. Als het stageplan later werd ingediend, gaat de geldigheidsduur van de voorlopige erkenning in op de dag dat de aanvraag vermeld in artikel 31 werd ingediend.
De voorlopige erkenning is drie jaar geldig. Na advies van de administratie kan de Minister ze één keer met maximaal drie jaar verlengen.
De geldigheidsduur vermeld in het eerste lid gaat in op de dag dat de aanvrager de stage werkelijk heeft aangevat, als het stageplan binnen de eerste zes maanden na het begin van de academische opleiding ingediend werd. Als het stageplan later werd ingediend, gaat de geldigheidsduur van de voorlopige erkenning in op de dag dat de aanvraag vermeld in artikel 31 werd ingediend.
Art. 35. - Durée de validité de l'agrément provisoire
L'agrément provisoire est valable pendant trois ans. Sur l'avis de l'administration, il peut être prolongé une seule fois pour trois ans maximum.
La durée de validité mentionnée à l'alinéa 1er commence à courir le jour où le demandeur a effectivement commencé le stage, et ce, si le plan de stage a été introduit dans les six premiers mois suivant le début de la formation académique. Si ledit plan de stage a été présenté après cette date, la durée de validité de l'agrément provisoire commence à courir à la date à laquelle la demande mentionnée à l'article 31 a été introduite.
L'agrément provisoire est valable pendant trois ans. Sur l'avis de l'administration, il peut être prolongé une seule fois pour trois ans maximum.
La durée de validité mentionnée à l'alinéa 1er commence à courir le jour où le demandeur a effectivement commencé le stage, et ce, si le plan de stage a été introduit dans les six premiers mois suivant le début de la formation académique. Si ledit plan de stage a été présenté après cette date, la durée de validité de l'agrément provisoire commence à courir à la date à laquelle la demande mentionnée à l'article 31 a été introduite.
Art. 36. - Onderbreking van de stage
De aanvrager doorloopt de stage zonder onderbreking.
Van het principe vermeld in het eerste lid kan worden afgeweken overeenkomstig de nadere regels bepaald in artikel 18.
De aanvrager doorloopt de stage zonder onderbreking.
Van het principe vermeld in het eerste lid kan worden afgeweken overeenkomstig de nadere regels bepaald in artikel 18.
Art. 36. - Interruption du stage
Le demandeur accomplit son stage sans interruption.
Toute dérogation au principe mentionné à l'alinéa 1er est soumise aux modalités fixées à l'article 18.
Le demandeur accomplit son stage sans interruption.
Toute dérogation au principe mentionné à l'alinéa 1er est soumise aux modalités fixées à l'article 18.
Art. 37. - Meningsverschillen tussen aanvrager en stagemeester
Meningsverschillen tussen de stagemeester en de aanvrager worden behandeld overeenkomstig de nadere regels bepaald in artikel 19.
Meningsverschillen tussen de stagemeester en de aanvrager worden behandeld overeenkomstig de nadere regels bepaald in artikel 19.
Art. 37. - Divergences d'opinion entre le demandeur et le maître de stage
Les divergences d'opinion entre le maître de stage et le demandeur sont traitées conformément aux modalités fixées à l'article 19.
Les divergences d'opinion entre le maître de stage et le demandeur sont traitées conformément aux modalités fixées à l'article 19.
Art. 38. - Ongeschiktheid voor de uitoefening van het beroep
Geschillen over de ongeschiktheid voor de uitoefening van het beroep worden behandeld overeenkomstig de nadere regels bepaald in artikel 20.
Met behoud van de toepassing van het eerste lid heeft een negatieve beslissing van de Minister tot gevolg dat de voorlopige erkenning ophoudt te bestaan.
Geschillen over de ongeschiktheid voor de uitoefening van het beroep worden behandeld overeenkomstig de nadere regels bepaald in artikel 20.
Met behoud van de toepassing van het eerste lid heeft een negatieve beslissing van de Minister tot gevolg dat de voorlopige erkenning ophoudt te bestaan.
Art. 38. - Inaptitude à l'exercice de la profession
Tout litige relatif à l'inaptitude du demandeur à l'exercice d'une profession est traité conformément aux modalités fixées à l'article 20.
Sans préjudice de l'application de l'alinéa 1er, une décision négative du ministre entraîne la caducité de l'agrément provisoire.
Tout litige relatif à l'inaptitude du demandeur à l'exercice d'une profession est traité conformément aux modalités fixées à l'article 20.
Sans préjudice de l'application de l'alinéa 1er, une décision négative du ministre entraîne la caducité de l'agrément provisoire.
Art. 39. - Aanvraag tot volledige erkenning
Overeenkomstig de nadere regels bepaald in artikel 9 dient de aanvrager na het beëindigen van zijn stage een aanvraag tot volledige erkenning als houder van de bijzondere beroepstitel van ziekenhuisapotheker in.
Met behoud van de toepassing van het eerste lid moeten, naast de documenten vermeld in artikel 9, vierde lid, nog de volgende documenten bij de aanvraag worden gevoegd:
1° de stageverslagen;
2° de evaluaties van de stagemeester;
3° de stageschriften.
Overeenkomstig de nadere regels bepaald in artikel 9 dient de aanvrager na het beëindigen van zijn stage een aanvraag tot volledige erkenning als houder van de bijzondere beroepstitel van ziekenhuisapotheker in.
Met behoud van de toepassing van het eerste lid moeten, naast de documenten vermeld in artikel 9, vierde lid, nog de volgende documenten bij de aanvraag worden gevoegd:
1° de stageverslagen;
2° de evaluaties van de stagemeester;
3° de stageschriften.
Art. 39. - Demande d'agrément complet
Au terme de son stage, le demandeur introduit une demande d'agrément complet en vue de porter le titre professionnel particulier de pharmacien hospitalier conformément aux modalités fixées à l'article 9.
Sans préjudice de l'alinéa 1er, la demande doit, outre les documents mentionnés à l'article 9, alinéa 4, être accompagnée des documents suivants :
1° les rapports de stage;
2° les évaluations établies par le maître de stage;
3° les carnets de stage.
Au terme de son stage, le demandeur introduit une demande d'agrément complet en vue de porter le titre professionnel particulier de pharmacien hospitalier conformément aux modalités fixées à l'article 9.
Sans préjudice de l'alinéa 1er, la demande doit, outre les documents mentionnés à l'article 9, alinéa 4, être accompagnée des documents suivants :
1° les rapports de stage;
2° les évaluations établies par le maître de stage;
3° les carnets de stage.
Art. 40. - Erkenningsprocedure
De erkenningsprocedure verloopt overeenkomstig de nadere regels bepaald in de artikelen 10 tot 12.
De erkenningsprocedure verloopt overeenkomstig de nadere regels bepaald in de artikelen 10 tot 12.
Art. 40. - Procédure d'agrément
La procédure d'agrément s'opère conformément aux modalités fixées aux articles 10 à 12.
La procédure d'agrément s'opère conformément aux modalités fixées aux articles 10 à 12.
Art. 41. - Geldigheidsduur van de volledige erkenning
De volledige erkenning is vijf jaar geldig. De geldigheidsduur kan overeenkomstig artikel 42 verlengd worden.
De beslissing van de Minister die de aanvrager in het kader van de procedure bepaald in artikel 40 ontvangt, bevat de datum waarop de geldigheidsduur ingaat.
De volledige erkenning is vijf jaar geldig. De geldigheidsduur kan overeenkomstig artikel 42 verlengd worden.
De beslissing van de Minister die de aanvrager in het kader van de procedure bepaald in artikel 40 ontvangt, bevat de datum waarop de geldigheidsduur ingaat.
Art. 41. - Durée de validité de l'agrément complet
L'agrément complet est valable pendant cinq ans. La durée de validité peut être renouvelée conformément à l'article 42.
La décision du ministre que le demandeur reçoit dans le cadre de la procédure fixée à l'article 40, indique la date à laquelle la durée de validité commence à courir.
L'agrément complet est valable pendant cinq ans. La durée de validité peut être renouvelée conformément à l'article 42.
La décision du ministre que le demandeur reçoit dans le cadre de la procédure fixée à l'article 40, indique la date à laquelle la durée de validité commence à courir.
Art. 42. - Aanvraag tot verlenging van de volledige erkenning
Uiterlijk zes maanden voordat de geldigheidsduur van de oorspronkelijke volledige erkenning verstrijkt of in met bijzondere redenen omklede gevallen na dat tijdstip, dient de aanvrager een aanvraag tot verlenging van de volledige erkenning in bij de administratie.
De Minister stelt daartoe een aanvraagformulier ter beschikking. Naast de documenten vermeld in artikel 9, vierde lid, moeten bij de aanvraag alle ter zake dienende elementen worden gevoegd die bewijzen dat de aanvrager voldoet aan de voorwaarden tot verlenging van de erkenning bepaald in de artikelen 14 tot 16 van het ministerieel besluit van 22 oktober 2012 tot vaststelling van de erkenningscriteria voor de bijzondere beroepstitel van ziekenhuisapotheker. Als de aanvrager de aanvraag na de in het eerste lid vermelde termijn van zes maanden bij de administratie indient, moet bij de aanvraag een bijzondere motivering gevoegd worden.
Uiterlijk zes maanden voordat de geldigheidsduur van de oorspronkelijke volledige erkenning verstrijkt of in met bijzondere redenen omklede gevallen na dat tijdstip, dient de aanvrager een aanvraag tot verlenging van de volledige erkenning in bij de administratie.
De Minister stelt daartoe een aanvraagformulier ter beschikking. Naast de documenten vermeld in artikel 9, vierde lid, moeten bij de aanvraag alle ter zake dienende elementen worden gevoegd die bewijzen dat de aanvrager voldoet aan de voorwaarden tot verlenging van de erkenning bepaald in de artikelen 14 tot 16 van het ministerieel besluit van 22 oktober 2012 tot vaststelling van de erkenningscriteria voor de bijzondere beroepstitel van ziekenhuisapotheker. Als de aanvrager de aanvraag na de in het eerste lid vermelde termijn van zes maanden bij de administratie indient, moet bij de aanvraag een bijzondere motivering gevoegd worden.
Art. 42. - Demande de prolongation de l'agrément complet
Au plus tard six mois avant l'expiration de la durée de validité de l'agrément complet initial ou, dans des cas dûment motivés, après cette date, le demandeur introduit une demande de prolongation de l'agrément complet auprès de l'administration.
Le ministre met à disposition un formulaire de demande ad hoc. Outre les documents mentionnés à l'article 9, alinéa 4, la demande doit être accompagnée de tous les éléments utiles apportant la preuve que le demandeur remplit les conditions pour la prolongation de l'agrément, telles que fixées aux articles 14 à 16 de l'arrêté ministériel du 22 octobre 2012 fixant la procédure relative à l'agrément du titre professionnel particulier de pharmacien hospitalier. Si le demandeur introduit la demande auprès de l'administration après le délai de six mois mentionné à l'alinéa 1er, une lettre de motivation spécifique doit être jointe à la demande.
Au plus tard six mois avant l'expiration de la durée de validité de l'agrément complet initial ou, dans des cas dûment motivés, après cette date, le demandeur introduit une demande de prolongation de l'agrément complet auprès de l'administration.
Le ministre met à disposition un formulaire de demande ad hoc. Outre les documents mentionnés à l'article 9, alinéa 4, la demande doit être accompagnée de tous les éléments utiles apportant la preuve que le demandeur remplit les conditions pour la prolongation de l'agrément, telles que fixées aux articles 14 à 16 de l'arrêté ministériel du 22 octobre 2012 fixant la procédure relative à l'agrément du titre professionnel particulier de pharmacien hospitalier. Si le demandeur introduit la demande auprès de l'administration après le délai de six mois mentionné à l'alinéa 1er, une lettre de motivation spécifique doit être jointe à la demande.
Art. 43. - Procedure tot verlenging van de volledige erkenning
De erkenningsprocedure verloopt overeenkomstig de nadere regels bepaald in de artikelen 10 tot 12.
De erkenningsprocedure verloopt overeenkomstig de nadere regels bepaald in de artikelen 10 tot 12.
Art. 43. - Procédure de prolongation de l'agrément complet
La procédure d'agrément s'opère conformément aux modalités fixées aux articles 10 à 12.
La procédure d'agrément s'opère conformément aux modalités fixées aux articles 10 à 12.
Afdeling 3. - Registratie als zorgkundige of als hulpverlener-ambulancier
Section 3. - Enregistrement en qualité d'aide-soignant ou de secouriste-ambulancier
Art. 44. - Registratie op aanvraag
De aanvrager dient bij de administratie een aanvraag overeenkomstig het tweede lid in om geregistreerd te worden overeenkomstig de artikelen 56 en 65 van de wet van 10 mei 2015.
De Minister stelt daartoe een aanvraagformulier ter beschikking waarin de volgende elementen worden opgevraagd :
1° naam, voornaam, adres, land, telefoonnummer, e-mailadres, geslacht, nationaliteit, geboortedatum, geboorteland en geboorteplaats, alsook rijksregisternummer (BIS-nummer als de aanvrager geen rijksregisternummer bezit);
2° het bekwaamheidsbewijs of de beroepsrelevante opleidingstitels;
3° de opleidingsinstelling die het bekwaamheidsbewijs vermeld in 2° of de opleidingstitels vermeld in 2° afgegeven heeft;
4° relevante beroepservaring.
Bij de aanvraag vermeld in het tweede lid worden de volgende documenten gevoegd :
1° kopie van de voorzijde en achterzijde van de identiteitskaart;
2° kopie van het bekwaamheidsbewijs vermeld in het tweede lid, 3° en/of van het bewijs dat de opleiding met succes werd voltooid.
De aanvrager dient bij de administratie een aanvraag overeenkomstig het tweede lid in om geregistreerd te worden overeenkomstig de artikelen 56 en 65 van de wet van 10 mei 2015.
De Minister stelt daartoe een aanvraagformulier ter beschikking waarin de volgende elementen worden opgevraagd :
1° naam, voornaam, adres, land, telefoonnummer, e-mailadres, geslacht, nationaliteit, geboortedatum, geboorteland en geboorteplaats, alsook rijksregisternummer (BIS-nummer als de aanvrager geen rijksregisternummer bezit);
2° het bekwaamheidsbewijs of de beroepsrelevante opleidingstitels;
3° de opleidingsinstelling die het bekwaamheidsbewijs vermeld in 2° of de opleidingstitels vermeld in 2° afgegeven heeft;
4° relevante beroepservaring.
Bij de aanvraag vermeld in het tweede lid worden de volgende documenten gevoegd :
1° kopie van de voorzijde en achterzijde van de identiteitskaart;
2° kopie van het bekwaamheidsbewijs vermeld in het tweede lid, 3° en/of van het bewijs dat de opleiding met succes werd voltooid.
Art. 44. - Enregistrement sur demande
Conformément à l'alinéa 2, le demandeur introduit une demande auprès de l'administration afin d'obtenir son enregistrement conformément aux articles 56 et 65 de la loi du 10 mai 2015.
Le Ministre met à disposition un formulaire de demande ad hoc, reprenant les éléments suivants :
1° les nom, prénom, adresse, pays, numéro de téléphone, adresse électronique, sexe, nationalité, date, pays et lieu de naissance ainsi que le numéro de registre national - n° Bis si le demandeur ne possède pas de numéro de registre national;
2° les données relatives au titre ou aux titres de formation en rapport avec la profession;
3° les données relatives à l'établissement qui a délivré le titre ou les titres de formation mentionnés au 2°;
4° les informations sur l'expérience professionnelle utile.
La demande mentionnée à l'alinéa 2 doit être accompagnée des documents suivants :
1° une copie recto-verso de la carte d'identité;
2° une copie du titre et/ou titre de formation mentionné à l'alinéa 2, 3°.
Conformément à l'alinéa 2, le demandeur introduit une demande auprès de l'administration afin d'obtenir son enregistrement conformément aux articles 56 et 65 de la loi du 10 mai 2015.
Le Ministre met à disposition un formulaire de demande ad hoc, reprenant les éléments suivants :
1° les nom, prénom, adresse, pays, numéro de téléphone, adresse électronique, sexe, nationalité, date, pays et lieu de naissance ainsi que le numéro de registre national - n° Bis si le demandeur ne possède pas de numéro de registre national;
2° les données relatives au titre ou aux titres de formation en rapport avec la profession;
3° les données relatives à l'établissement qui a délivré le titre ou les titres de formation mentionnés au 2°;
4° les informations sur l'expérience professionnelle utile.
La demande mentionnée à l'alinéa 2 doit être accompagnée des documents suivants :
1° une copie recto-verso de la carte d'identité;
2° une copie du titre et/ou titre de formation mentionné à l'alinéa 2, 3°.
Art. 45. - Ontvangstbevestiging en volledigheid van de aanvraag
De administratie geeft de aanvrager binnen een maand na indiening van de aanvraag een schriftelijke ontvangstbevestiging en deelt hem mee of de aanvraag volledig is, en zo neen, welke inlichtingen en documenten ontbreken.
Als zes maanden na de ontvangstbevestiging vermeld in het eerste lid nog inlichtingen en documenten ontbreken die voor de behandeling van de aanvraag noodzakelijk zijn, sluit de administratie het aanvraagdossier en deelt ze dit feit mee aan de aanvrager.
De administratie geeft de aanvrager binnen een maand na indiening van de aanvraag een schriftelijke ontvangstbevestiging en deelt hem mee of de aanvraag volledig is, en zo neen, welke inlichtingen en documenten ontbreken.
Als zes maanden na de ontvangstbevestiging vermeld in het eerste lid nog inlichtingen en documenten ontbreken die voor de behandeling van de aanvraag noodzakelijk zijn, sluit de administratie het aanvraagdossier en deelt ze dit feit mee aan de aanvrager.
Art. 45. - Accusé de réception et complétude de la demande
Dans un délai d'un mois à dater du dépôt de la demande, l'administration délivre au demandeur un accusé de réception écrit et lui communique si la demande est complète ou, selon le cas, les informations et documents qui font défaut.
Si, à l'expiration d'un délai de six mois suivant l'accusé de réception mentionné à l'alinéa 1er, toutes les informations et tous les documents nécessaires pour traiter la demande n'ont pas été fournis, l'administration clôture le dossier de demande et en informe le demandeur.
Dans un délai d'un mois à dater du dépôt de la demande, l'administration délivre au demandeur un accusé de réception écrit et lui communique si la demande est complète ou, selon le cas, les informations et documents qui font défaut.
Si, à l'expiration d'un délai de six mois suivant l'accusé de réception mentionné à l'alinéa 1er, toutes les informations et tous les documents nécessaires pour traiter la demande n'ont pas été fournis, l'administration clôture le dossier de demande et en informe le demandeur.
Art. 46. - Opstellen van een advies
Binnen drie maanden, te rekenen vanaf het tijdstip waarop de aanvraag volledig is, stelt de administratie een advies op over de vraag of de aanvrager voldoet aan de voorwaarden die aan de registratie ten grondslag liggen.
Binnen drie maanden, te rekenen vanaf het tijdstip waarop de aanvraag volledig is, stelt de administratie een advies op over de vraag of de aanvrager voldoet aan de voorwaarden die aan de registratie ten grondslag liggen.
Art. 46. - Etablissement d'un avis
Dans un délai de trois mois à partir du moment où la demande est complète, l'administration établit un avis sur le fait que le demandeur remplit ou non les conditions de l'enregistrement.
Dans un délai de trois mois à partir du moment où la demande est complète, l'administration établit un avis sur le fait que le demandeur remplit ou non les conditions de l'enregistrement.
Art. 47. - Beslissing van de Minister
De Minister beslist op basis van het advies van de administratie of betrokkene geregistreerd wordt.
De administratie bezorgt de beslissing van de Minister binnen een maand via aangetekend schrijven aan de aanvrager.
In een afwijzingsbeslissing wordt het volgende vermeld :
1° de mogelijkheid om beroep in stellen;
2° de bevoegde instanties die daarvan kennis nemen;
3° de na te leven termijnen en vormvereisten.
De Minister beslist op basis van het advies van de administratie of betrokkene geregistreerd wordt.
De administratie bezorgt de beslissing van de Minister binnen een maand via aangetekend schrijven aan de aanvrager.
In een afwijzingsbeslissing wordt het volgende vermeld :
1° de mogelijkheid om beroep in stellen;
2° de bevoegde instanties die daarvan kennis nemen;
3° de na te leven termijnen en vormvereisten.
Art. 47. - Décision du ministre
En s'appuyant sur l'avis émis par l'administration, le ministre statue sur l'enregistrement.
Dans un délai d'un mois, l'administration communique la décision du ministre au demandeur par lettre recommandée.
Une décision de rejet mentionne :
1° la possibilité d'introduire un recours;
2° les instances compétentes qui en prendront connaissance;
3° les délais et formes à respecter.
En s'appuyant sur l'avis émis par l'administration, le ministre statue sur l'enregistrement.
Dans un délai d'un mois, l'administration communique la décision du ministre au demandeur par lettre recommandée.
Une décision de rejet mentionne :
1° la possibilité d'introduire un recours;
2° les instances compétentes qui en prendront connaissance;
3° les délais et formes à respecter.
Art. 48. - Afgifte van een legitimatiebewijs
De aanvrager die een registratie overeenkomstig artikel 65 van de wet van 10 mei 2015 en overeenkomstig artikel 47 ontvangen heeft, ontvangt van de administratie ook een legitimatiebewijs voor de uitoefening van zijn activiteit als hulpverlener-ambulancier.
De aanvrager die een registratie overeenkomstig artikel 65 van de wet van 10 mei 2015 en overeenkomstig artikel 47 ontvangen heeft, ontvangt van de administratie ook een legitimatiebewijs voor de uitoefening van zijn activiteit als hulpverlener-ambulancier.
Art. 48. - Délivrance d'une carte
Le demandeur qui a obtenu un enregistrement conformément à l'article 65 de la loi du 10 mai 2015 et l'article 47 reçoit aussi de l'administration une carte en vue de l'exercice de l'activité en tant que secouriste-ambulancier.
Le demandeur qui a obtenu un enregistrement conformément à l'article 65 de la loi du 10 mai 2015 et l'article 47 reçoit aussi de l'administration une carte en vue de l'exercice de l'activité en tant que secouriste-ambulancier.
Afdeling 4. - Intrekking van de erkenning of registratie
Section 4. - Retrait de l'agrément ou de l'enregistrement
Art. 49. - Intrekkingsprocedure
§ 1 - De Minister trekt de erkenning of registratie in wanneer de beoefenaar van een gezondheidszorgberoep niet meer voldoet aan de voorwaarden die ten grondslag liggen aan diens erkenning of registratie.
Vóór de intrekking wint de Minister het advies van de administratie in. Voor het opstellen van het advies kan de administratie zich baseren op de stellingname van één of meer externe deskundigen of adviesorganen van een andere gemeenschap.
Na afgifte van het advies deelt de Minister zijn voornemen via aangetekend schrijven mee aan de betrokken beroepsbeoefenaar en bezorgt de Minister hem tegelijk het advies van de administratie. De beroepsbeoefenaar kan binnen een maand na de toezending van dat voornemen een met redenen omkleed standpunt indienen bij de Minister.
Als de beroepsbeoefenaar geen standpunt indient, beslist de Minister op basis van het advies van de administratie.
Als de beroepsbeoefenaar wel een standpunt indient, stelt de administratie een tweede advies op binnen een maand na ontvangst van dat standpunt. In dat geval kan de administratie zich baseren op de stellingname van één of meer externe deskundigen of adviesorganen van een andere gemeenschap. De administratie kan voorts beslissen om nog andere stukken op te vragen of, naargelang van het geval, om de aanvrager te horen.
Behoudens spoedeisende gevallen roept de administratie de aanvrager minstens 15 dagen van tevoren op om te worden gehoord.
De externe deskundige kan aan de hoorzitting deelnemen.
De aanvrager kan zich voor de hoorzitting laten bijstaan door een advocaat.
Als de aanvrager niet op de hoorzitting verschijnt, verstrekt de administratie een advies op basis van de elementen waarover ze beschikt.
§ 2 - De Minister beslist op basis van de adviezen van de administratie en op basis van het standpunt van de beroepsbeoefenaar.
De administratie bezorgt de beslissing van de Minister binnen een maand via aangetekend schrijven aan de aanvrager.
In de beslissing om de erkenning of de registratie in te trekken, wordt het volgende vermeld :
1° de mogelijkheid om beroep in stellen;
2° de bevoegde instanties die daarvan kennis nemen;
3° de na te leven termijnen en vormvereisten.
§ 1 - De Minister trekt de erkenning of registratie in wanneer de beoefenaar van een gezondheidszorgberoep niet meer voldoet aan de voorwaarden die ten grondslag liggen aan diens erkenning of registratie.
Vóór de intrekking wint de Minister het advies van de administratie in. Voor het opstellen van het advies kan de administratie zich baseren op de stellingname van één of meer externe deskundigen of adviesorganen van een andere gemeenschap.
Na afgifte van het advies deelt de Minister zijn voornemen via aangetekend schrijven mee aan de betrokken beroepsbeoefenaar en bezorgt de Minister hem tegelijk het advies van de administratie. De beroepsbeoefenaar kan binnen een maand na de toezending van dat voornemen een met redenen omkleed standpunt indienen bij de Minister.
Als de beroepsbeoefenaar geen standpunt indient, beslist de Minister op basis van het advies van de administratie.
Als de beroepsbeoefenaar wel een standpunt indient, stelt de administratie een tweede advies op binnen een maand na ontvangst van dat standpunt. In dat geval kan de administratie zich baseren op de stellingname van één of meer externe deskundigen of adviesorganen van een andere gemeenschap. De administratie kan voorts beslissen om nog andere stukken op te vragen of, naargelang van het geval, om de aanvrager te horen.
Behoudens spoedeisende gevallen roept de administratie de aanvrager minstens 15 dagen van tevoren op om te worden gehoord.
De externe deskundige kan aan de hoorzitting deelnemen.
De aanvrager kan zich voor de hoorzitting laten bijstaan door een advocaat.
Als de aanvrager niet op de hoorzitting verschijnt, verstrekt de administratie een advies op basis van de elementen waarover ze beschikt.
§ 2 - De Minister beslist op basis van de adviezen van de administratie en op basis van het standpunt van de beroepsbeoefenaar.
De administratie bezorgt de beslissing van de Minister binnen een maand via aangetekend schrijven aan de aanvrager.
In de beslissing om de erkenning of de registratie in te trekken, wordt het volgende vermeld :
1° de mogelijkheid om beroep in stellen;
2° de bevoegde instanties die daarvan kennis nemen;
3° de na te leven termijnen en vormvereisten.
Art. 49. - Procédure de retrait
§ 1er - Le ministre retire l'agrément ou l'enregistrement si le professionnel de santé ne remplit plus les conditions mises à son agrément ou enregistrement.
Avant le retrait, le ministre sollicite l'avis de l'administration. Pour établir son avis, celle-ci peut s'appuyer sur celui émis soit par un ou plusieurs experts externes, soit par des instances consultatives d'une autre communauté.
Après réception dudit avis, le ministre communique son intention au professionnel concerné par lettre recommandée et lui transmet en même temps l'avis de l'administration. Dans le mois suivant l'envoi de la déclaration d'intention, le professionnel peut introduire auprès du ministre une prise de position motivée.
A défaut, le ministre statue sur la base de l'avis émis par l'administration.
Si le professionnel introduit sa prise de position, l'administration établit un deuxième avis dans un délai d'un mois après la réception de cette prise de position. Dans ce cas, elle peut s'appuyer sur l'avis émis soit par un ou plusieurs experts externes, soit par des instances consultatives d'une autre communauté. L'administration peut en outre décider de demander d'autres documents ou, selon le cas, d'entendre le demandeur.
Sauf en cas d'urgence, l'administration invite le demandeur au moins quinze jours avant l'audition.
L'expert externe peut participer à l'audition.
Le demandeur peut, pour les besoins de l'audition, se faire assister par un avocat.
Si le demandeur n'est pas présent à l'audition, l'administration établit un avis sur la base des éléments dont elle dispose.
§ 2 - Le ministre décide sur la base des avis de l'administration et de la prise de position du professionnel.
Dans un délai d'un mois, l'administration communique la décision du ministre au demandeur par lettre recommandée.
La décision de retirer l'agrément ou l'enregistrement précise :
1° la possibilité d'introduire un recours;
2° les instances compétentes qui en prendront connaissance;
3° les délais et formes à respecter.
§ 1er - Le ministre retire l'agrément ou l'enregistrement si le professionnel de santé ne remplit plus les conditions mises à son agrément ou enregistrement.
Avant le retrait, le ministre sollicite l'avis de l'administration. Pour établir son avis, celle-ci peut s'appuyer sur celui émis soit par un ou plusieurs experts externes, soit par des instances consultatives d'une autre communauté.
Après réception dudit avis, le ministre communique son intention au professionnel concerné par lettre recommandée et lui transmet en même temps l'avis de l'administration. Dans le mois suivant l'envoi de la déclaration d'intention, le professionnel peut introduire auprès du ministre une prise de position motivée.
A défaut, le ministre statue sur la base de l'avis émis par l'administration.
Si le professionnel introduit sa prise de position, l'administration établit un deuxième avis dans un délai d'un mois après la réception de cette prise de position. Dans ce cas, elle peut s'appuyer sur l'avis émis soit par un ou plusieurs experts externes, soit par des instances consultatives d'une autre communauté. L'administration peut en outre décider de demander d'autres documents ou, selon le cas, d'entendre le demandeur.
Sauf en cas d'urgence, l'administration invite le demandeur au moins quinze jours avant l'audition.
L'expert externe peut participer à l'audition.
Le demandeur peut, pour les besoins de l'audition, se faire assister par un avocat.
Si le demandeur n'est pas présent à l'audition, l'administration établit un avis sur la base des éléments dont elle dispose.
§ 2 - Le ministre décide sur la base des avis de l'administration et de la prise de position du professionnel.
Dans un délai d'un mois, l'administration communique la décision du ministre au demandeur par lettre recommandée.
La décision de retirer l'agrément ou l'enregistrement précise :
1° la possibilité d'introduire un recours;
2° les instances compétentes qui en prendront connaissance;
3° les délais et formes à respecter.
Art. 50. - Vrijwillige beëindiging van de erkenning of van de registratie
Elke beoefenaar van een gezondheidszorgberoep kan zijn erkenning of registratie vrijwillig beëindigen. Hiertoe licht hij de administratie van zijn voornemen in.
Op voorstel van de administratie trekt de Minister de erkenning of registratie in.
Elke beoefenaar van een gezondheidszorgberoep kan zijn erkenning of registratie vrijwillig beëindigen. Hiertoe licht hij de administratie van zijn voornemen in.
Op voorstel van de administratie trekt de Minister de erkenning of registratie in.
Art. 50. - Cessation volontaire de l'agrément ou de l'enregistrement
Tout professionnel de santé peut mettre volontairement un terme à son agrément ou enregistrement. A cet effet, il informe l'administration de son intention.
Sur proposition de l'administration, le ministre retire l'agrément ou l'enregistrement.
Tout professionnel de santé peut mettre volontairement un terme à son agrément ou enregistrement. A cet effet, il informe l'administration de son intention.
Sur proposition de l'administration, le ministre retire l'agrément ou l'enregistrement.
Art. 51. - Nieuwe aanvraag
De beoefenaar van een gezondheidszorgberoep van wie de erkenning of de registratie overeenkomstig de artikelen 49 of 50 ingetrokken werd, kan te allen tijde een nieuwe aanvraag tot erkenning of een nieuwe aanvraag tot registratie indienen bij de administratie overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk.
De beoefenaar van een gezondheidszorgberoep van wie de erkenning of de registratie overeenkomstig de artikelen 49 of 50 ingetrokken werd, kan te allen tijde een nieuwe aanvraag tot erkenning of een nieuwe aanvraag tot registratie indienen bij de administratie overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk.
Art. 51. - Renouvellement de la demande
Le professionnel de santé dont l'agrément ou l'enregistrement a été retiré conformément aux articles 49 ou 50 peut à tout moment introduire auprès de l'administration une nouvelle demande d'agrément ou d'enregistrement conformément aux dispositions du présent chapitre.
Le professionnel de santé dont l'agrément ou l'enregistrement a été retiré conformément aux articles 49 ou 50 peut à tout moment introduire auprès de l'administration une nouvelle demande d'agrément ou d'enregistrement conformément aux dispositions du présent chapitre.
HOOFDSTUK 3. - Erkenningsprocedure
CHAPITRE 3. - Procédure de reconnaissance
Afdeling 1. - Automatische erkenning
Section 1re. - Reconnaissance automatique
Art. 52. - Aanvraag
§ 1 - De Europese aanvrager kan een aanvraag tot automatische erkenning van zijn beroepkwalificatie met het oog op vestiging overeenkomstig artikel 106 van de wet van 10 mei 2015 schriftelijk indienen bij de administratie.
De Minister stelt daartoe een aanvraagformulier ter beschikking waarin de volgende elementen worden opgevraagd :
1° benaming van het Belgische gezondheidszorgberoep waarvoor de erkenning wordt aangevraagd;
2° naam, voornaam, adres, land, telefoonnummer, e-mailadres, geslacht, nationaliteit, geboortedatum, geboorteland en geboorteplaats, alsook rijksregisternummer (BIS-nummer als de Europese aanvrager geen rijksregisternummer bezit);
3° de beroepskwalificatie waarvoor de Europese aanvrager een aanvraag indient.
Bij de aanvraag vermeld in het tweede lid worden de volgende documenten gevoegd :
1° een in de vorm van een tabel opgesteld overzicht van de voltooide opleidingen en van de uitgeoefende beroepsactiviteiten;
2° een identiteitsbewijs;
3° een kopie van de in het buitenland behaalde opleidingstitel vermeld in het tweede lid, 3°;
4° het origineel exemplaar van het door de lidstaat van oorsprong afgegeven attest waaruit blijkt dat de opleidingstitel van de Europese aanvrager overeenstemt met de desbetreffende titel van de richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties;
5° [1 ...]1
6° in voorkomend geval: bewijzen van relevante beroepservaring of andere bekwaamheidsbewijzen.
[1 ...]1
§ 2 - Onverminderd artikel 69 van de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap dient de Europese aanvrager de [1 in § 1, derde lid, 1° en 6°, vermelde]1 documenten samen met een [1 ...]1 Duitse vertaling in, als die documenten nog niet in het Duits ingediend zijn.
Met instemming van de Europese aanvrager en in overleg met de bevoegde autoriteiten van de andere gemeenschappen kan de administratie een in het Nederlands of in het Frans ingediende aanvraag doorzenden aan de autoriteiten van de bevoegde gemeenschap. De administratie stelt de Europese aanvrager daarvan in kennis.
§ 1 - De Europese aanvrager kan een aanvraag tot automatische erkenning van zijn beroepkwalificatie met het oog op vestiging overeenkomstig artikel 106 van de wet van 10 mei 2015 schriftelijk indienen bij de administratie.
De Minister stelt daartoe een aanvraagformulier ter beschikking waarin de volgende elementen worden opgevraagd :
1° benaming van het Belgische gezondheidszorgberoep waarvoor de erkenning wordt aangevraagd;
2° naam, voornaam, adres, land, telefoonnummer, e-mailadres, geslacht, nationaliteit, geboortedatum, geboorteland en geboorteplaats, alsook rijksregisternummer (BIS-nummer als de Europese aanvrager geen rijksregisternummer bezit);
3° de beroepskwalificatie waarvoor de Europese aanvrager een aanvraag indient.
Bij de aanvraag vermeld in het tweede lid worden de volgende documenten gevoegd :
1° een in de vorm van een tabel opgesteld overzicht van de voltooide opleidingen en van de uitgeoefende beroepsactiviteiten;
2° een identiteitsbewijs;
3° een kopie van de in het buitenland behaalde opleidingstitel vermeld in het tweede lid, 3°;
4° het origineel exemplaar van het door de lidstaat van oorsprong afgegeven attest waaruit blijkt dat de opleidingstitel van de Europese aanvrager overeenstemt met de desbetreffende titel van de richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties;
5° [1 ...]1
6° in voorkomend geval: bewijzen van relevante beroepservaring of andere bekwaamheidsbewijzen.
[1 ...]1
§ 2 - Onverminderd artikel 69 van de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap dient de Europese aanvrager de [1 in § 1, derde lid, 1° en 6°, vermelde]1 documenten samen met een [1 ...]1 Duitse vertaling in, als die documenten nog niet in het Duits ingediend zijn.
Met instemming van de Europese aanvrager en in overleg met de bevoegde autoriteiten van de andere gemeenschappen kan de administratie een in het Nederlands of in het Frans ingediende aanvraag doorzenden aan de autoriteiten van de bevoegde gemeenschap. De administratie stelt de Europese aanvrager daarvan in kennis.
Art. 52. - Demande
§ 1er - Le demandeur européen peut introduire par écrit auprès de l'administration une demande de reconnaissance automatique de sa qualification professionnelle aux fins d'établissement conformément à l'article 106 de la loi du 10 mai 2015.
Le Ministre met à disposition un formulaire de demande ad hoc, reprenant les éléments suivants :
1° la dénomination de la profession de soins de santé en Belgique pour laquelle l'autorisation est demandée;
2° les nom, prénom, adresse, pays, numéro de téléphone, adresse électronique, sexe, nationalité, date, pays et lieu de naissance ainsi que le numéro de registre national - n° Bis si le demandeur ne possède pas de numéro de registre national;
3° les données relatives à la qualification professionnelle pour laquelle le demandeur européen introduit une demande.
La demande mentionnée à l'alinéa 2 doit être accompagnée des documents suivants :
1° un tableau récapitulatif des formations suivies et des activités lucratives exercées;
2° un document d'identité;
3° une copie du certificat de formation obtenu à l'étranger mentionné à l'alinéa 2, 3°;
4° l'original de l'attestation délivrée par l'Etat membre d'origine et dont il ressort que le titre de formation du demandeur européen est conforme à celui concerné de la directive 2005/36/CE du Parlement européen et du Conseil du 7 septembre 2005 relative à la reconnaissance des qualifications professionnelles;
5° [1 ...]1
6° le cas échéant, les preuves d'une expérience professionnelle pertinente ou tout autre titre de formation.
[1 ...]1
§ 2 - Sans préjudice de l'article 69 de la loi du 31 décembre 1983 de réformes institutionnelles pour la Communauté germanophone, le demandeur européen introduit les documents [1 mentionnés au § 1er, alinéa 3, 1° et 6°]1 accompagnés d'une traduction allemande [1 ...]1, si ceux-ci ne sont pas déjà disponibles en langue allemande.
Avec l'accord du demandeur européen et en concertation avec les autorités compétentes des autres Communautés, l'administration peut transmettre aux autorités de ladite Communauté compétente une demande présentée en néerlandais ou en français. L'administration en informe le demandeur.
§ 1er - Le demandeur européen peut introduire par écrit auprès de l'administration une demande de reconnaissance automatique de sa qualification professionnelle aux fins d'établissement conformément à l'article 106 de la loi du 10 mai 2015.
Le Ministre met à disposition un formulaire de demande ad hoc, reprenant les éléments suivants :
1° la dénomination de la profession de soins de santé en Belgique pour laquelle l'autorisation est demandée;
2° les nom, prénom, adresse, pays, numéro de téléphone, adresse électronique, sexe, nationalité, date, pays et lieu de naissance ainsi que le numéro de registre national - n° Bis si le demandeur ne possède pas de numéro de registre national;
3° les données relatives à la qualification professionnelle pour laquelle le demandeur européen introduit une demande.
La demande mentionnée à l'alinéa 2 doit être accompagnée des documents suivants :
1° un tableau récapitulatif des formations suivies et des activités lucratives exercées;
2° un document d'identité;
3° une copie du certificat de formation obtenu à l'étranger mentionné à l'alinéa 2, 3°;
4° l'original de l'attestation délivrée par l'Etat membre d'origine et dont il ressort que le titre de formation du demandeur européen est conforme à celui concerné de la directive 2005/36/CE du Parlement européen et du Conseil du 7 septembre 2005 relative à la reconnaissance des qualifications professionnelles;
5° [1 ...]1
6° le cas échéant, les preuves d'une expérience professionnelle pertinente ou tout autre titre de formation.
[1 ...]1
§ 2 - Sans préjudice de l'article 69 de la loi du 31 décembre 1983 de réformes institutionnelles pour la Communauté germanophone, le demandeur européen introduit les documents [1 mentionnés au § 1er, alinéa 3, 1° et 6°]1 accompagnés d'une traduction allemande [1 ...]1, si ceux-ci ne sont pas déjà disponibles en langue allemande.
Avec l'accord du demandeur européen et en concertation avec les autorités compétentes des autres Communautés, l'administration peut transmettre aux autorités de ladite Communauté compétente une demande présentée en néerlandais ou en français. L'administration en informe le demandeur.
Art. 53. - Behandeling van de aanvraag
§ 1 - De administratie geeft de Europese aanvrager binnen een maand na indiening van de aanvraag een schriftelijke ontvangstbevestiging en deelt hem mee of de aanvraag volledig is, en zo neen, welke inlichtingen en documenten ontbreken.
Als zes maanden na de ontvangstbevestiging vermeld in het eerste lid nog inlichtingen en documenten ontbreken die voor de behandeling van de aanvraag noodzakelijk zijn, sluit de administratie het aanvraagdossier en deelt ze dit feit mee aan de Europese aanvrager.
§ 2 - Binnen twee maanden, te rekenen vanaf het tijdstip waarop de aanvraag volledig is, maakt de administratie een advies op over de vraag of de door de Europese aanvrager ingediende documenten authentiek zijn en of diens opleidingstitel voldoet aan de minimumopleidingseisen in de zin van artikel 106 van de wet van 10 mei 2015.
§ 3 - De Minister beslist op basis van het advies van de administratie of betrokkene automatisch erkend wordt.
De administratie bezorgt de beslissing van de Minister uiterlijk binnen drie maanden, te rekenen vanaf de in paragraaf 1 vermelde mededeling van volledigheid, per aangetekend schrijven aan de Europese aanvrager.
In een afwijzingsbeslissing wordt het volgende vermeld:
1° de mogelijkheid om beroep in stellen;
2° de bevoegde instanties die daarvan kennis nemen;
3° de na te leven termijnen en vormvereisten.
§ 1 - De administratie geeft de Europese aanvrager binnen een maand na indiening van de aanvraag een schriftelijke ontvangstbevestiging en deelt hem mee of de aanvraag volledig is, en zo neen, welke inlichtingen en documenten ontbreken.
Als zes maanden na de ontvangstbevestiging vermeld in het eerste lid nog inlichtingen en documenten ontbreken die voor de behandeling van de aanvraag noodzakelijk zijn, sluit de administratie het aanvraagdossier en deelt ze dit feit mee aan de Europese aanvrager.
§ 2 - Binnen twee maanden, te rekenen vanaf het tijdstip waarop de aanvraag volledig is, maakt de administratie een advies op over de vraag of de door de Europese aanvrager ingediende documenten authentiek zijn en of diens opleidingstitel voldoet aan de minimumopleidingseisen in de zin van artikel 106 van de wet van 10 mei 2015.
§ 3 - De Minister beslist op basis van het advies van de administratie of betrokkene automatisch erkend wordt.
De administratie bezorgt de beslissing van de Minister uiterlijk binnen drie maanden, te rekenen vanaf de in paragraaf 1 vermelde mededeling van volledigheid, per aangetekend schrijven aan de Europese aanvrager.
In een afwijzingsbeslissing wordt het volgende vermeld:
1° de mogelijkheid om beroep in stellen;
2° de bevoegde instanties die daarvan kennis nemen;
3° de na te leven termijnen en vormvereisten.
Art. 53. - Examen de la demande
§ 1er - Dans un délai d'un mois à dater du dépôt de la demande, l'administration délivre au demandeur européen un accusé de réception écrit et lui communique si la demande est complète ou, selon le cas, les informations et documents qui font défaut.
Si, à l'expiration d'un délai de six mois suivant l'accusé de réception mentionné à l'alinéa 1er, toutes les informations et tous les documents nécessaires pour traiter la demande n'ont pas été fournis, l'administration clôture le dossier de demande et en informe le demandeur européen.
§ 2 - Dans un délai de deux mois à partir du moment où la demande est complète, l'administration établit un avis sur le fait que les documents présentés par le demandeur européen sont authentiques et que son titre satisfait ou non aux conditions minimales de formation mentionnées à l'article 106 de la loi du 10 mai 2015.
§ 3 - En s'appuyant sur l'avis émis par l'administration, le ministre statue sur la reconnaissance automatique.
Dans un délai de trois mois à compter de la notification du caractère complet de la demande mentionnée au paragraphe 1er, l'administration communique la décision du ministre au demandeur européen par lettre recommandée.
Une décision de rejet mentionne :
1° la possibilité d'introduire un recours;
2° les instances compétentes qui en prendront connaissance;
3° les délais et formes à respecter.
§ 1er - Dans un délai d'un mois à dater du dépôt de la demande, l'administration délivre au demandeur européen un accusé de réception écrit et lui communique si la demande est complète ou, selon le cas, les informations et documents qui font défaut.
Si, à l'expiration d'un délai de six mois suivant l'accusé de réception mentionné à l'alinéa 1er, toutes les informations et tous les documents nécessaires pour traiter la demande n'ont pas été fournis, l'administration clôture le dossier de demande et en informe le demandeur européen.
§ 2 - Dans un délai de deux mois à partir du moment où la demande est complète, l'administration établit un avis sur le fait que les documents présentés par le demandeur européen sont authentiques et que son titre satisfait ou non aux conditions minimales de formation mentionnées à l'article 106 de la loi du 10 mai 2015.
§ 3 - En s'appuyant sur l'avis émis par l'administration, le ministre statue sur la reconnaissance automatique.
Dans un délai de trois mois à compter de la notification du caractère complet de la demande mentionnée au paragraphe 1er, l'administration communique la décision du ministre au demandeur européen par lettre recommandée.
Une décision de rejet mentionne :
1° la possibilité d'introduire un recours;
2° les instances compétentes qui en prendront connaissance;
3° les délais et formes à respecter.
Afdeling 2. - Algemeen stelsel van erkenning
Section 2. - Régime général de reconnaissance
Art. 54. - Aanvraag
§ 1 - De Europese aanvrager kan een aanvraag tot erkenning van zijn beroepkwalificatie met het oog op vestiging overeenkomstig het algemeen stelsel in de zin van artikel 105 van de wet van 10 mei 2015 schriftelijk indienen bij de administratie.
De Minister stelt daartoe een aanvraagformulier ter beschikking waarin de elementen vermeld in artikel 52, § 1, tweede lid, worden opgevraagd.
Bij de aanvraag vermeld in het tweede lid worden de volgende documenten gevoegd :
1° de documenten vermeld in artikel 52, § 1, derde lid, 1° tot 3° en [1 6°]1;
2° het officiële opleidingsprogramma dat tot het verkrijgen van de beroepskwalificatie geleid heeft;
[1 3° in voorkomend geval: de samenvatting van zijn eindwerk.]1
[1 De administratie dient via IMI een verzoek om informatie in als de Europese aanvrager de documenten vermeld in het derde lid niet kan indienen.]1
§ 2 [1 - Onverminderd artikel 69, § 1, van de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap dient de Europese aanvrager de in artikel 52, § 1, derde lid, 1° en 6°, vermelde documenten en de in § 1, derde lid, 3°, vermelde samenvatting in, als die nog niet in het Duits ingediend zijn. Hij dient het in § 1, derde lid, 2°, vermelde opleidingsprogramma en de in artikel 52, § 1, derde lid, 3°, vermelde kopie van de in het buitenland behaalde opleidingstitel samen met een door een beëdigd vertaler gemaakte Duitse vertaling in, als deze nog niet in het Duits ingediend zijn.
Met instemming van de Europese aanvrager en in overleg met de bevoegde autoriteiten van de andere gemeenschappen kan de administratie een in het Nederlands of in het Frans ingediende aanvraag doorzenden aan de autoriteiten van de bevoegde gemeenschap. De administratie stelt de Europese aanvrager daarvan in kennis.]1
§ 1 - De Europese aanvrager kan een aanvraag tot erkenning van zijn beroepkwalificatie met het oog op vestiging overeenkomstig het algemeen stelsel in de zin van artikel 105 van de wet van 10 mei 2015 schriftelijk indienen bij de administratie.
De Minister stelt daartoe een aanvraagformulier ter beschikking waarin de elementen vermeld in artikel 52, § 1, tweede lid, worden opgevraagd.
Bij de aanvraag vermeld in het tweede lid worden de volgende documenten gevoegd :
1° de documenten vermeld in artikel 52, § 1, derde lid, 1° tot 3° en [1 6°]1;
2° het officiële opleidingsprogramma dat tot het verkrijgen van de beroepskwalificatie geleid heeft;
[1 3° in voorkomend geval: de samenvatting van zijn eindwerk.]1
[1 De administratie dient via IMI een verzoek om informatie in als de Europese aanvrager de documenten vermeld in het derde lid niet kan indienen.]1
§ 2 [1 - Onverminderd artikel 69, § 1, van de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap dient de Europese aanvrager de in artikel 52, § 1, derde lid, 1° en 6°, vermelde documenten en de in § 1, derde lid, 3°, vermelde samenvatting in, als die nog niet in het Duits ingediend zijn. Hij dient het in § 1, derde lid, 2°, vermelde opleidingsprogramma en de in artikel 52, § 1, derde lid, 3°, vermelde kopie van de in het buitenland behaalde opleidingstitel samen met een door een beëdigd vertaler gemaakte Duitse vertaling in, als deze nog niet in het Duits ingediend zijn.
Met instemming van de Europese aanvrager en in overleg met de bevoegde autoriteiten van de andere gemeenschappen kan de administratie een in het Nederlands of in het Frans ingediende aanvraag doorzenden aan de autoriteiten van de bevoegde gemeenschap. De administratie stelt de Europese aanvrager daarvan in kennis.]1
Art. 54. - Demande
§ 1er - Le demandeur européen peut introduire par écrit auprès de l'administration une demande de reconnaissance automatique de sa qualification professionnelle aux fins d'établissement conformément au régime général au sens de l'article 105 de la loi du 10 mai 2015.
Le Ministre met à disposition un formulaire de demande ad hoc, reprenant les éléments mentionnés à l'article 52, § 1er, alinéa 2.
La demande mentionnée à l'alinéa 2 doit être accompagnée des documents suivants :
1° les documents mentionnés à l'article 52, § 1er, alinéa 3, 1° à 3° ainsi que [1 6°]1;
2° le programme de formation officiel menant à l'obtention de la qualification professionnelle;
[1 3° le cas échéant, le résumé de son travail de fin d'études.]1
[1 L'administration transmet une demande d'information par le système IMI si le demandeur européen n'est pas en mesure d'introduire les documents mentionnés à l'alinéa 3.]1
§ 2 [1 - Sans préjudice de l'article 69, § 1er, de la loi du 31 décembre 1983 de réformes institutionnelles pour la Communauté germanophone, le demandeur européen introduit les documents mentionnés à l'article 52, § 1er, alinéa 3, 1° et 6°, ainsi que le résumé de son travail de fin d'études mentionné au § 1er, alinéa 3, 3°, accompagnés d'une traduction allemande, si ceux-ci ne sont pas déjà disponibles en langue allemande. Il introduit le programme de formation mentionné au § 1er, alinéa 3, 2°, ainsi que la copie du titre de formation acquis à l'étranger, mentionnée à l'article 52, § 1er, alinéa 3, 3°, accompagnés d'une traduction allemande établie par un traducteur juré, si ceux-ci ne sont pas déjà disponibles en langue allemande.
Avec l'accord du demandeur européen et en concertation avec les autorités compétentes des autres Communautés, l'administration peut transmettre aux autorités de ladite Communauté compétente une demande présentée en néerlandais ou en français. L'administration en informe le demandeur européen.]1
§ 1er - Le demandeur européen peut introduire par écrit auprès de l'administration une demande de reconnaissance automatique de sa qualification professionnelle aux fins d'établissement conformément au régime général au sens de l'article 105 de la loi du 10 mai 2015.
Le Ministre met à disposition un formulaire de demande ad hoc, reprenant les éléments mentionnés à l'article 52, § 1er, alinéa 2.
La demande mentionnée à l'alinéa 2 doit être accompagnée des documents suivants :
1° les documents mentionnés à l'article 52, § 1er, alinéa 3, 1° à 3° ainsi que [1 6°]1;
2° le programme de formation officiel menant à l'obtention de la qualification professionnelle;
[1 3° le cas échéant, le résumé de son travail de fin d'études.]1
[1 L'administration transmet une demande d'information par le système IMI si le demandeur européen n'est pas en mesure d'introduire les documents mentionnés à l'alinéa 3.]1
§ 2 [1 - Sans préjudice de l'article 69, § 1er, de la loi du 31 décembre 1983 de réformes institutionnelles pour la Communauté germanophone, le demandeur européen introduit les documents mentionnés à l'article 52, § 1er, alinéa 3, 1° et 6°, ainsi que le résumé de son travail de fin d'études mentionné au § 1er, alinéa 3, 3°, accompagnés d'une traduction allemande, si ceux-ci ne sont pas déjà disponibles en langue allemande. Il introduit le programme de formation mentionné au § 1er, alinéa 3, 2°, ainsi que la copie du titre de formation acquis à l'étranger, mentionnée à l'article 52, § 1er, alinéa 3, 3°, accompagnés d'une traduction allemande établie par un traducteur juré, si ceux-ci ne sont pas déjà disponibles en langue allemande.
Avec l'accord du demandeur européen et en concertation avec les autorités compétentes des autres Communautés, l'administration peut transmettre aux autorités de ladite Communauté compétente une demande présentée en néerlandais ou en français. L'administration en informe le demandeur européen.]1
Art. 55. - Ontvangstbevestiging en volledigheid van de aanvraag
De administratie geeft de Europese aanvrager binnen een maand na indiening van de aanvraag een schriftelijke ontvangstbevestiging en deelt hem mee of de aanvraag volledig is, en zo neen, welke inlichtingen en documenten ontbreken.
Als zes maanden na de ontvangstbevestiging vermeld in het eerste lid nog inlichtingen en documenten ontbreken die voor de behandeling van de aanvraag noodzakelijk zijn, sluit de administratie het aanvraagdossier en deelt ze dit feit mee aan de Europese aanvrager.
De administratie geeft de Europese aanvrager binnen een maand na indiening van de aanvraag een schriftelijke ontvangstbevestiging en deelt hem mee of de aanvraag volledig is, en zo neen, welke inlichtingen en documenten ontbreken.
Als zes maanden na de ontvangstbevestiging vermeld in het eerste lid nog inlichtingen en documenten ontbreken die voor de behandeling van de aanvraag noodzakelijk zijn, sluit de administratie het aanvraagdossier en deelt ze dit feit mee aan de Europese aanvrager.
Art. 55. - Accusé de réception et complétude de la demande
Dans un délai d'un mois à dater du dépôt de la demande, l'administration délivre au demandeur européen un accusé de réception écrit et lui communique si la demande est complète ou, selon le cas, les informations et documents qui font défaut.
Si, à l'expiration d'un délai de six mois suivant l'accusé de réception mentionné à l'alinéa 1er, toutes les informations et tous les documents nécessaires pour traiter la demande n'ont pas été fournis, l'administration clôture le dossier de demande et en informe le demandeur européen.
Dans un délai d'un mois à dater du dépôt de la demande, l'administration délivre au demandeur européen un accusé de réception écrit et lui communique si la demande est complète ou, selon le cas, les informations et documents qui font défaut.
Si, à l'expiration d'un délai de six mois suivant l'accusé de réception mentionné à l'alinéa 1er, toutes les informations et tous les documents nécessaires pour traiter la demande n'ont pas été fournis, l'administration clôture le dossier de demande et en informe le demandeur européen.
Art. 56. - Opstellen van een advies
§ 1 - Binnen drie maanden, te rekenen vanaf het tijdstip waarop de aanvraag volledig is, stelt de administratie een advies op over de vraag of de Europese aanvrager binnen het toepassingsgebied van het algemeen stelsel voor de erkenning van beroepskwalificaties valt en over de vraag of hij overeenkomstig artikel 15 van de wet van 12 februari 2008 de nodige beroepskwalificatie en beroepservaring heeft. Voorts bevat het advies van de administratie in voorkomend geval een aanbeveling omtrent de op te leggen compenserende maatregelen als de beroepskwalificatie en beroepservaring van de Europese aanvrager overeenkomstig artikel 16 van de wet van 12 februari 2008 ontoereikend zijn.
§ 2 - Voor het opstellen van het advies kan de administratie zich baseren op de stellingname van één of meer externe deskundigen of adviesorganen van een andere gemeenschap.
Als de administratie teruggrijpt op een stellingname van een externe deskundige die van oordeel is dat de Europese aanvrager buiten het toepassingsgebied van het algemeen stelsel voor de erkenning van beroepskwalificaties valt en/of de nodige beroepskwalificatie en beroepservaring mist, kan de administratie beslissen om nog andere documenten aan te vragen.
Als de Europese aanvrager binnen een termijn van 15 dagen na de aanvraag geen andere documenten indient, baseert de administratie haar advies op de elementen waarover ze beschikt.
§ 1 - Binnen drie maanden, te rekenen vanaf het tijdstip waarop de aanvraag volledig is, stelt de administratie een advies op over de vraag of de Europese aanvrager binnen het toepassingsgebied van het algemeen stelsel voor de erkenning van beroepskwalificaties valt en over de vraag of hij overeenkomstig artikel 15 van de wet van 12 februari 2008 de nodige beroepskwalificatie en beroepservaring heeft. Voorts bevat het advies van de administratie in voorkomend geval een aanbeveling omtrent de op te leggen compenserende maatregelen als de beroepskwalificatie en beroepservaring van de Europese aanvrager overeenkomstig artikel 16 van de wet van 12 februari 2008 ontoereikend zijn.
§ 2 - Voor het opstellen van het advies kan de administratie zich baseren op de stellingname van één of meer externe deskundigen of adviesorganen van een andere gemeenschap.
Als de administratie teruggrijpt op een stellingname van een externe deskundige die van oordeel is dat de Europese aanvrager buiten het toepassingsgebied van het algemeen stelsel voor de erkenning van beroepskwalificaties valt en/of de nodige beroepskwalificatie en beroepservaring mist, kan de administratie beslissen om nog andere documenten aan te vragen.
Als de Europese aanvrager binnen een termijn van 15 dagen na de aanvraag geen andere documenten indient, baseert de administratie haar advies op de elementen waarover ze beschikt.
Art. 56. - Etablissement d'un avis
§ 1er - Dans un délai de trois mois à partir du moment où la demande est complète, l'administration établit un avis sur le fait que le demandeur européen relève du champ d'application des dispositions relatives au régime général de reconnaissance des qualifications professionnelles et qu'il dispose ou non desdites qualifications et de l'expérience professionnelles nécessaires conformément à l'article 15 de la loi du 12 février 2008. Dans son avis, l'administration formule également, le cas échéant, une recommandation sur les mesures de compensation à imposer si la qualification et l'expérience professionnelles du demandeur européen sont insuffisantes conformément à l'article 16 de la loi du 12 février 2008.
§ 2 - Pour rendre son avis, l'administration peut s'appuyer sur celui émis soit par un ou plusieurs experts externes, soit par des instances consultatives d'une autre communauté.
Si l'administration a recours à l'avis d'un expert externe qui estime que le demandeur européen ne relève pas du champ d'application des dispositions du régime général de reconnaissance des qualifications professionnelles et/ou qu'il ne dispose pas desdites qualifications et de l'expérience professionnelles nécessaires, elle peut décider de demander d'autres documents.
Si le demandeur européen ne présente pas d'autres documents dans les quinze jours suivant la demande, l'administration formule un avis sur la base des éléments dont elle dispose.
§ 1er - Dans un délai de trois mois à partir du moment où la demande est complète, l'administration établit un avis sur le fait que le demandeur européen relève du champ d'application des dispositions relatives au régime général de reconnaissance des qualifications professionnelles et qu'il dispose ou non desdites qualifications et de l'expérience professionnelles nécessaires conformément à l'article 15 de la loi du 12 février 2008. Dans son avis, l'administration formule également, le cas échéant, une recommandation sur les mesures de compensation à imposer si la qualification et l'expérience professionnelles du demandeur européen sont insuffisantes conformément à l'article 16 de la loi du 12 février 2008.
§ 2 - Pour rendre son avis, l'administration peut s'appuyer sur celui émis soit par un ou plusieurs experts externes, soit par des instances consultatives d'une autre communauté.
Si l'administration a recours à l'avis d'un expert externe qui estime que le demandeur européen ne relève pas du champ d'application des dispositions du régime général de reconnaissance des qualifications professionnelles et/ou qu'il ne dispose pas desdites qualifications et de l'expérience professionnelles nécessaires, elle peut décider de demander d'autres documents.
Si le demandeur européen ne présente pas d'autres documents dans les quinze jours suivant la demande, l'administration formule un avis sur la base des éléments dont elle dispose.
Art. 57. - Beslissing van de Minister
§ 1 - Als de administratie een gunstig advies afgeeft, baseert de Minister zich op dat gunstige advies en neemt hij binnen een maand, te rekenen vanaf de afgifte van dat advies, een beslissing.
De administratie bezorgt de beslissing van de Minister als volgt aan de Europese aanvrager :
1° een gunstige beslissing via een gewoon schrijven;
2° een ongunstige beslissing via een aangetekend schrijven.
§ 2 - Verstrekt de administratie een ongunstig advies of een advies waarin ze compenserende maatregelen aanbeveelt, dan bezorgt ze dat advies via aangetekend schrijven aan de Europese aanvrager.
Binnen een maand, te rekenen vanaf de verzending van het aangetekend schrijven, kan de Europese aanvrager zijn met redenen omklede standpunt omtrent het advies indienen bij de administratie.
Als de Europese aanvrager geen standpunt indient, beslist de Minister op basis van het advies van de administratie.
§ 3 - Als de Europese aanvrager wel een standpunt indient, stelt de administratie een tweede advies op binnen een maand na ontvangst van dat standpunt. Als het standpunt van de Europese aanvrager nieuwe elementen bevat, kan de administratie zich voor het opstellen van het tweede advies baseren op de stellingname van één of meer externe deskundigen of adviesorganen van een andere gemeenschap.
In het geval vermeld in het eerste lid is artikel 56, § 2, tweede tot derde lid, van toepassing.
De Minister beslist op basis van de adviezen van de administratie en op basis van het standpunt van de Europese aanvrager.
De administratie bezorgt de beslissing van de Minister binnen een maand via aangetekend schrijven aan de Europese aanvrager.
In een afwijzingsbeslissing of in een beslissing waarbij een compenserende maatregel wordt opgelegd, wordt het volgende vermeld :
1° de mogelijkheid om beroep in stellen;
2° de bevoegde instanties die daarvan kennis nemen;
3° de na te leven termijnen en vormvereisten.
§ 4 - Met behoud van de toepassing van de paragrafen 2 en 3 en artikel 56, § 2, bezorgt de administratie de beslissing van de Minister uiterlijk binnen vier maanden, te rekenen vanaf de in artikel 55, eerste lid, vermelde mededeling van volledigheid, aan de Europese aanvrager.
§ 1 - Als de administratie een gunstig advies afgeeft, baseert de Minister zich op dat gunstige advies en neemt hij binnen een maand, te rekenen vanaf de afgifte van dat advies, een beslissing.
De administratie bezorgt de beslissing van de Minister als volgt aan de Europese aanvrager :
1° een gunstige beslissing via een gewoon schrijven;
2° een ongunstige beslissing via een aangetekend schrijven.
§ 2 - Verstrekt de administratie een ongunstig advies of een advies waarin ze compenserende maatregelen aanbeveelt, dan bezorgt ze dat advies via aangetekend schrijven aan de Europese aanvrager.
Binnen een maand, te rekenen vanaf de verzending van het aangetekend schrijven, kan de Europese aanvrager zijn met redenen omklede standpunt omtrent het advies indienen bij de administratie.
Als de Europese aanvrager geen standpunt indient, beslist de Minister op basis van het advies van de administratie.
§ 3 - Als de Europese aanvrager wel een standpunt indient, stelt de administratie een tweede advies op binnen een maand na ontvangst van dat standpunt. Als het standpunt van de Europese aanvrager nieuwe elementen bevat, kan de administratie zich voor het opstellen van het tweede advies baseren op de stellingname van één of meer externe deskundigen of adviesorganen van een andere gemeenschap.
In het geval vermeld in het eerste lid is artikel 56, § 2, tweede tot derde lid, van toepassing.
De Minister beslist op basis van de adviezen van de administratie en op basis van het standpunt van de Europese aanvrager.
De administratie bezorgt de beslissing van de Minister binnen een maand via aangetekend schrijven aan de Europese aanvrager.
In een afwijzingsbeslissing of in een beslissing waarbij een compenserende maatregel wordt opgelegd, wordt het volgende vermeld :
1° de mogelijkheid om beroep in stellen;
2° de bevoegde instanties die daarvan kennis nemen;
3° de na te leven termijnen en vormvereisten.
§ 4 - Met behoud van de toepassing van de paragrafen 2 en 3 en artikel 56, § 2, bezorgt de administratie de beslissing van de Minister uiterlijk binnen vier maanden, te rekenen vanaf de in artikel 55, eerste lid, vermelde mededeling van volledigheid, aan de Europese aanvrager.
Art. 57. - Décision du ministre
§ 1er - Si l'administration rend un avis favorable, le ministre prend une décision sur la base de cet avis dans un délai d'un mois à compter de sa présentation.
L'administration communique la décision du ministre au demandeur européen comme suit :
1° une décision favorable par simple lettre;
2° une décision défavorable par lettre recommandée.
§ 2 - Si l'administration rend un avis défavorable ou un avis dans lequel elle recommande l'imposition de mesures de compensation, elle transmet ledit avis au demandeur européen par lettre recommandée.
Dans un délai d'un mois à compter de l'expédition de la lettre recommandée, le demandeur européen peut introduire auprès de l'administration une prise de position motivée à propos de l'avis.
A défaut, le ministre statue sur la base de l'avis émis par l'administration.
§ 3 - Si le demandeur européen introduit sa prise de position, l'administration établit un deuxième avis dans un délai d'un mois après la réception de cette prise de position. Si la prise de position du demandeur européen apporte de nouveaux éléments, l'administration peut, pour rendre son deuxième avis, s'appuyer sur celui émis soit par un ou plusieurs experts externes, soit par des instances consultatives d'une autre communauté.
Dans le cas mentionné à l'alinéa 1er, l'article 56, § 2, alinéas 2 et 3, est appliqué.
Le ministre décide sur la base des avis de l'administration et de la prise de position du demandeur européen.
Dans un délai d'un mois, l'administration communique la décision du ministre au demandeur européen par lettre recommandée.
La décision de rejet ou la décision imposant une mesure de compensation indique :
1° la possibilité d'introduire un recours;
2° les instances compétentes qui en prendront connaissance;
3° les délais et formes à respecter.
§ 4 - Sans préjudice de l'application des paragraphes 2 et 3 et de l'article 56, § 2, l'administration notifie la décision du ministre au demandeur européen au plus tard quatre mois après la notification du caractère complet de la demande mentionnée à l'article 55, alinéa 1er.
§ 1er - Si l'administration rend un avis favorable, le ministre prend une décision sur la base de cet avis dans un délai d'un mois à compter de sa présentation.
L'administration communique la décision du ministre au demandeur européen comme suit :
1° une décision favorable par simple lettre;
2° une décision défavorable par lettre recommandée.
§ 2 - Si l'administration rend un avis défavorable ou un avis dans lequel elle recommande l'imposition de mesures de compensation, elle transmet ledit avis au demandeur européen par lettre recommandée.
Dans un délai d'un mois à compter de l'expédition de la lettre recommandée, le demandeur européen peut introduire auprès de l'administration une prise de position motivée à propos de l'avis.
A défaut, le ministre statue sur la base de l'avis émis par l'administration.
§ 3 - Si le demandeur européen introduit sa prise de position, l'administration établit un deuxième avis dans un délai d'un mois après la réception de cette prise de position. Si la prise de position du demandeur européen apporte de nouveaux éléments, l'administration peut, pour rendre son deuxième avis, s'appuyer sur celui émis soit par un ou plusieurs experts externes, soit par des instances consultatives d'une autre communauté.
Dans le cas mentionné à l'alinéa 1er, l'article 56, § 2, alinéas 2 et 3, est appliqué.
Le ministre décide sur la base des avis de l'administration et de la prise de position du demandeur européen.
Dans un délai d'un mois, l'administration communique la décision du ministre au demandeur européen par lettre recommandée.
La décision de rejet ou la décision imposant une mesure de compensation indique :
1° la possibilité d'introduire un recours;
2° les instances compétentes qui en prendront connaissance;
3° les délais et formes à respecter.
§ 4 - Sans préjudice de l'application des paragraphes 2 et 3 et de l'article 56, § 2, l'administration notifie la décision du ministre au demandeur européen au plus tard quatre mois après la notification du caractère complet de la demande mentionnée à l'article 55, alinéa 1er.
Afdeling 3. - Intrekking van de erkenning
Section 3. - Retrait de la reconnaissance
Art. 58. - Intrekkingsprocedure
De Minister trekt de erkenning in wanneer de beoefenaar van een gezondheidszorgberoep niet meer voldoet aan de voorwaarden die ten grondslag liggen aan diens erkenning.
In het geval vermeld in het eerste lid is artikel 49 van toepassing.
De Minister trekt de erkenning in wanneer de beoefenaar van een gezondheidszorgberoep niet meer voldoet aan de voorwaarden die ten grondslag liggen aan diens erkenning.
In het geval vermeld in het eerste lid is artikel 49 van toepassing.
Art. 58. - Procédure de retrait
Le ministre retire la reconnaissance si le professionnel de santé ne remplit plus les conditions mises à celle-ci.
Dans le cas mentionné à l'alinéa 1er, l'article 49 est appliqué.
Le ministre retire la reconnaissance si le professionnel de santé ne remplit plus les conditions mises à celle-ci.
Dans le cas mentionné à l'alinéa 1er, l'article 49 est appliqué.
Art. 59. - Vrijwillige beëindiging van de erkenning
Elke beoefenaar van een gezondheidszorgberoep kan zijn erkenning vrijwillig beëindigen. Hiertoe licht hij de administratie van zijn voornemen in.
Op voorstel van de administratie trekt de Minister de erkenning in.
Elke beoefenaar van een gezondheidszorgberoep kan zijn erkenning vrijwillig beëindigen. Hiertoe licht hij de administratie van zijn voornemen in.
Op voorstel van de administratie trekt de Minister de erkenning in.
Art. 59. - Cessation volontaire de la reconnaissance
Tout professionnel de santé peut mettre volontairement un terme à sa reconnaissance. A cet effet, il informe l'administration de son intention.
Sur proposition de l'administration, le ministre retire la reconnaissance.
Tout professionnel de santé peut mettre volontairement un terme à sa reconnaissance. A cet effet, il informe l'administration de son intention.
Sur proposition de l'administration, le ministre retire la reconnaissance.
Art. 60. - Nieuwe aanvraag
De beoefenaar van een gezondheidszorgberoep van wie de erkenning overeenkomstig de artikelen 58 of 59 ingetrokken werd, kan te allen tijde een nieuwe aanvraag tot erkenning indienen bij de administratie overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk.
De beoefenaar van een gezondheidszorgberoep van wie de erkenning overeenkomstig de artikelen 58 of 59 ingetrokken werd, kan te allen tijde een nieuwe aanvraag tot erkenning indienen bij de administratie overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk.
Art. 60. - Renouvellement de la demande
Le professionnel de santé dont la reconnaissance a été retirée conformément aux articles 58 ou 59 peut à tout moment introduire auprès de l'administration une nouvelle demande d'agrément conformément aux dispositions du présent chapitre.
Le professionnel de santé dont la reconnaissance a été retirée conformément aux articles 58 ou 59 peut à tout moment introduire auprès de l'administration une nouvelle demande d'agrément conformément aux dispositions du présent chapitre.
HOOFDSTUK 4. - Procedure voor de afgifte van de Europese beroepskaart
CHAPITRE 4. - Procédure de délivrance de la carte professionnelle européenne
Afdeling 1. - Aanvraagprocedure en afgifteprocedure voor beroepen die onder de automatische erkenning vallen
Section 1re. - Procédure de demande et de délivrance pour les professions faisant l'objet d'une reconnaissance automatique
Onderafdeling 1. - Gemeenschappelijke bepaling
Sous-section 1re. - Disposition commune
Art. 61. - Toepassingsgebied
Deze afdeling is van toepassing op aanvragen tot afgifte van een Europese beroepskaart ten behoeve van vestiging voor volgende beroepen die onder de automatische erkenning als bedoeld in artikel 106 van de wet van 10 mei 2015 vallen en waarvoor de Europese Commissie overeenkomstig richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties via de EU-verordening een Europese beroepskaart heeft ingevoerd:
1° verantwoordelijk algemeen ziekenverpleger;
2° apotheker.
Deze afdeling is van toepassing op aanvragen tot afgifte van een Europese beroepskaart ten behoeve van vestiging voor volgende beroepen die onder de automatische erkenning als bedoeld in artikel 106 van de wet van 10 mei 2015 vallen en waarvoor de Europese Commissie overeenkomstig richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties via de EU-verordening een Europese beroepskaart heeft ingevoerd:
1° verantwoordelijk algemeen ziekenverpleger;
2° apotheker.
Art. 61. - Champ d'application
La présente section s'applique aux demandes de délivrance d'une carte professionnelle européenne aux fins d'établissement pour les professions suivantes, faisant l'objet de la reconnaissance automatique conformément à l'article 106 de la loi du 10 mai 2015 et pour lesquelles la Commission européenne a instauré, par le biais du règlement européen, une carte professionnelle européenne conformément à la directive 2005/36/CE du Parlement européen et du Conseil du 7 septembre 2005 relative à la reconnaissance des qualifications professionnelles :
1° les infirmiers responsables des soins généraux;
2° les pharmaciens.
La présente section s'applique aux demandes de délivrance d'une carte professionnelle européenne aux fins d'établissement pour les professions suivantes, faisant l'objet de la reconnaissance automatique conformément à l'article 106 de la loi du 10 mai 2015 et pour lesquelles la Commission européenne a instauré, par le biais du règlement européen, une carte professionnelle européenne conformément à la directive 2005/36/CE du Parlement européen et du Conseil du 7 septembre 2005 relative à la reconnaissance des qualifications professionnelles :
1° les infirmiers responsables des soins généraux;
2° les pharmaciens.
Onderafdeling 2. - Europese beroepskaart voor de uitoefening van een beroepsactiviteit in een andere lidstaat
Sous-section 2. - Carte professionnelle européenne pour l'exercice d'une activité professionnelle dans un autre Etat membre
Art. 62. - Aanvraag van de Europese beroepskaart voor de uitoefening van een beroepsactiviteit in een andere lidstaat
Met het oog op de aanvraag van de Europese beroepskaart voor de uitoefening van een beroepsactiviteit in een andere lidstaat kan de houder van een in de Duitstalige Gemeenschap daartoe vereiste beroepskwalificatie die dat beroep in een andere lidstaat wil uitoefenen :
1° de erkenning van die beroepskwalificatie in de ontvangende lidstaat aanvragen of;
2° afhankelijk van het geval, de administratie vragen om een Europese beroepskaart af te geven of de administratie vragen om bij de ontvangende lidstaat een aanvraag tot afgifte van een Europese beroepskaart in te dienen waarbij ze alle voorbereidende stappen met betrekking tot zijn IMI-bestand uitvoert.
Met het oog op de aanvraag van de Europese beroepskaart voor de uitoefening van een beroepsactiviteit in een andere lidstaat kan de houder van een in de Duitstalige Gemeenschap daartoe vereiste beroepskwalificatie die dat beroep in een andere lidstaat wil uitoefenen :
1° de erkenning van die beroepskwalificatie in de ontvangende lidstaat aanvragen of;
2° afhankelijk van het geval, de administratie vragen om een Europese beroepskaart af te geven of de administratie vragen om bij de ontvangende lidstaat een aanvraag tot afgifte van een Europese beroepskaart in te dienen waarbij ze alle voorbereidende stappen met betrekking tot zijn IMI-bestand uitvoert.
Art. 62. - Demande de la carte professionnelle européenne pour l'exercice d'une activité professionnelle dans un autre Etat membre
En vue de demander la carte professionnelle européenne pour l'exercice d'une activité professionnelle dans un autre Etat membre, le titulaire d'une qualification professionnelle nécessaire à cet effet en Communauté germanophone qui souhaite exercer cette profession dans un autre Etat membre peut :
1° demander la reconnaissance de cette qualification professionnelle dans le pays d'accueil ou;
2° selon le cas, demander à l'administration la délivrance d'une carte professionnelle européenne ou l'introduction, auprès du pays d'accueil, d'une demande de délivrance d'une carte professionnelle européenne en accomplissant toutes les étapes préparatoires en ce qui concerne son fichier IMI.
En vue de demander la carte professionnelle européenne pour l'exercice d'une activité professionnelle dans un autre Etat membre, le titulaire d'une qualification professionnelle nécessaire à cet effet en Communauté germanophone qui souhaite exercer cette profession dans un autre Etat membre peut :
1° demander la reconnaissance de cette qualification professionnelle dans le pays d'accueil ou;
2° selon le cas, demander à l'administration la délivrance d'une carte professionnelle européenne ou l'introduction, auprès du pays d'accueil, d'une demande de délivrance d'une carte professionnelle européenne en accomplissant toutes les étapes préparatoires en ce qui concerne son fichier IMI.
Art. 63. - Indienen van de aanvraag van een Europese beroepskaart
§ 1 - De houder van een beroepskwalificatie als bedoeld in artikel 62 die een beroepsactiviteit wil uitoefenen in een andere lidstaat, kan overeenkomstig artikel 3 van de EU-verordening een Europese beroepskaart aanvragen via een door de Europese Commissie ter beschikking gesteld online-instrument waar een individueel IMI-bestand voor die aanvrager wordt aangemaakt.
Naar aanleiding van de indiening van de aanvraag vraagt de administratie de volgende elementen op:
1° naam, voornaam, adres, land, telefoonnummer, e-mailadres, geslacht, nationaliteit, geboortedatum, geboorteland en geboorteplaats, alsook rijksregisternummer respectievelijk BIS-nummer als de aanvrager geen rijksregisternummer bezit;
2° benaming van het Belgische gezondheidszorgberoep waarvoor de erkenning wordt aangevraagd;
3° de lidstaat waar de aanvrager zich wil vestigen;
4° in voorkomend geval de lidstaat waar de aanvrager bij het indienen van de aanvraag wettelijk is gevestigd om er de betrokken werkzaamheden uit te oefenen.
De aanvrager voegt bij zijn aanvraag de documenten vermeld in bijlage II, deel A, punt 1, van de EU-verordening.
§ 2 - Binnen een week na ontvangst van de aanvraag bevestigt de administratie aan de aanvrager dat ze zijn aanvraag heeft ontvangen en deelt ze hem in voorkomend geval mee welke documenten ontbreken.
In voorkomend geval geeft de administratie alle bewijsstukken af die overeenkomstig de EU-verordening noodzakelijk zijn. De administratie gaat na of de aanvrager wettelijk gevestigd is in de Duitstalige Gemeenschap is en of alle, voor de afgifte van een Europese beroepskaart noodzakelijke documenten geldig en authentiek zijn. Indien hierover gegronde twijfel bestaat, raadpleegt de administratie de instelling die het document afgegeven heeft. Bovendien kan ze de aanvrager om eensluidend gewaarmerkte afschriften van de documenten [1 ...]1 vragen.
Indien eenzelfde aanvrager meerdere aanvragen doet, mag de administratie geen nieuwe indiening verlangen van documenten die al in het IMI-bestand zijn opgenomen en nog steeds geldig zijn.
§ 1 - De houder van een beroepskwalificatie als bedoeld in artikel 62 die een beroepsactiviteit wil uitoefenen in een andere lidstaat, kan overeenkomstig artikel 3 van de EU-verordening een Europese beroepskaart aanvragen via een door de Europese Commissie ter beschikking gesteld online-instrument waar een individueel IMI-bestand voor die aanvrager wordt aangemaakt.
Naar aanleiding van de indiening van de aanvraag vraagt de administratie de volgende elementen op:
1° naam, voornaam, adres, land, telefoonnummer, e-mailadres, geslacht, nationaliteit, geboortedatum, geboorteland en geboorteplaats, alsook rijksregisternummer respectievelijk BIS-nummer als de aanvrager geen rijksregisternummer bezit;
2° benaming van het Belgische gezondheidszorgberoep waarvoor de erkenning wordt aangevraagd;
3° de lidstaat waar de aanvrager zich wil vestigen;
4° in voorkomend geval de lidstaat waar de aanvrager bij het indienen van de aanvraag wettelijk is gevestigd om er de betrokken werkzaamheden uit te oefenen.
De aanvrager voegt bij zijn aanvraag de documenten vermeld in bijlage II, deel A, punt 1, van de EU-verordening.
§ 2 - Binnen een week na ontvangst van de aanvraag bevestigt de administratie aan de aanvrager dat ze zijn aanvraag heeft ontvangen en deelt ze hem in voorkomend geval mee welke documenten ontbreken.
In voorkomend geval geeft de administratie alle bewijsstukken af die overeenkomstig de EU-verordening noodzakelijk zijn. De administratie gaat na of de aanvrager wettelijk gevestigd is in de Duitstalige Gemeenschap is en of alle, voor de afgifte van een Europese beroepskaart noodzakelijke documenten geldig en authentiek zijn. Indien hierover gegronde twijfel bestaat, raadpleegt de administratie de instelling die het document afgegeven heeft. Bovendien kan ze de aanvrager om eensluidend gewaarmerkte afschriften van de documenten [1 ...]1 vragen.
Indien eenzelfde aanvrager meerdere aanvragen doet, mag de administratie geen nieuwe indiening verlangen van documenten die al in het IMI-bestand zijn opgenomen en nog steeds geldig zijn.
Art. 63. - Introduction de la demande d'une carte professionnelle européenne
§ 1er - Le titulaire d'une qualification professionnelle conformément à l'article 62 qui souhaite exercer une activité professionnelle dans un autre Etat membre peut demander une carte professionnelle européenne conformément à l'article 3 du règlement européen via un outil en ligne, fourni par la Commission européenne, par l'intermédiaire duquel un dossier IMI spécifique est créé pour ce demandeur.
A l'occasion de l'introduction de la demande, l'administration demande les éléments suivants :
1° les nom, prénom, adresse, pays, numéro de téléphone, adresse électronique, sexe, nationalité, date, pays et lieu de naissance ainsi que le numéro de registre national - n° Bis si le demandeur ne possède pas de numéro de registre national;
2° la dénomination de la profession de soins de santé en Belgique pour laquelle la reconnaissance est demandée;
3° l'indication de l'Etat membre dans lequel le demandeur veut s'établir;
4° le cas échéant, l'indication de l'Etat membre dans lequel le demandeur est régulièrement établi au moment où la demande est introduite en vue d'exercer les activités concernées.
Le demandeur joint à sa demande les documents énumérés à l'Annexe II, A, paragraphe 1er, du règlement européen.
§ 2 - Dans un délai d'une semaine à compter de la réception de la demande, l'administration accuse réception des documents et informe, le cas échéant, le demandeur de tout document manquant.
Le cas échéant, l'administration délivre toutes les attestations utiles, requises par le règlement européen. L'administration vérifie si le demandeur est régulièrement établi en région de langue allemande et si tous les documents nécessaires à la délivrance d'une carte professionnelle européenne sont valables et authentiques. En cas de doutes dûment justifiés, l'administration consulte l'organisme qui a délivré le document. En outre, elle peut exiger du demandeur des copies certifiées conformes des documents [1 ...]1.
Si un même demandeur présente plusieurs demandes consécutives, l'administration ne peut exiger de lui qu'il fournisse une nouvelle fois les documents déjà contenus dans le dossier IMI et qui sont encore valables.
§ 1er - Le titulaire d'une qualification professionnelle conformément à l'article 62 qui souhaite exercer une activité professionnelle dans un autre Etat membre peut demander une carte professionnelle européenne conformément à l'article 3 du règlement européen via un outil en ligne, fourni par la Commission européenne, par l'intermédiaire duquel un dossier IMI spécifique est créé pour ce demandeur.
A l'occasion de l'introduction de la demande, l'administration demande les éléments suivants :
1° les nom, prénom, adresse, pays, numéro de téléphone, adresse électronique, sexe, nationalité, date, pays et lieu de naissance ainsi que le numéro de registre national - n° Bis si le demandeur ne possède pas de numéro de registre national;
2° la dénomination de la profession de soins de santé en Belgique pour laquelle la reconnaissance est demandée;
3° l'indication de l'Etat membre dans lequel le demandeur veut s'établir;
4° le cas échéant, l'indication de l'Etat membre dans lequel le demandeur est régulièrement établi au moment où la demande est introduite en vue d'exercer les activités concernées.
Le demandeur joint à sa demande les documents énumérés à l'Annexe II, A, paragraphe 1er, du règlement européen.
§ 2 - Dans un délai d'une semaine à compter de la réception de la demande, l'administration accuse réception des documents et informe, le cas échéant, le demandeur de tout document manquant.
Le cas échéant, l'administration délivre toutes les attestations utiles, requises par le règlement européen. L'administration vérifie si le demandeur est régulièrement établi en région de langue allemande et si tous les documents nécessaires à la délivrance d'une carte professionnelle européenne sont valables et authentiques. En cas de doutes dûment justifiés, l'administration consulte l'organisme qui a délivré le document. En outre, elle peut exiger du demandeur des copies certifiées conformes des documents [1 ...]1.
Si un même demandeur présente plusieurs demandes consécutives, l'administration ne peut exiger de lui qu'il fournisse une nouvelle fois les documents déjà contenus dans le dossier IMI et qui sont encore valables.
Art. 64. - Behandeling door de administratie
§ 1 - De administratie onderzoekt binnen één maand of de documenten in het IMI-bestand authentiek en geldig zijn. Die termijn gaat in :
1° ofwel bij de ontvangst van de ontbrekende documenten vermeld in artikel 63, § 2, eerste lid;
2° ofwel, indien geen aanvullende documenten verlangd werden, na afloop van de in artikel 63, § 2, eerste lid, vermelde termijn van één week na ontvangst van de aanvraag.
De administratie stuurt de aanvraag om een Europese beroepskaart te krijgen vervolgens onverwijld toe aan de bevoegde autoriteit van de ontvangende lidstaat en stelt de aanvrager tegelijk in kennis van de stand van de aanvraag.
§ 2 - De administratie verstrekt de door de ontvangende lidstaat in geval van gegronde twijfel aangevraagde aanvullende documenten of het eensluidend gewaarmerkt afschrift van een document uiterlijk twee weken na indiening van het verzoek door die ontvangende lidstaat.
§ 1 - De administratie onderzoekt binnen één maand of de documenten in het IMI-bestand authentiek en geldig zijn. Die termijn gaat in :
1° ofwel bij de ontvangst van de ontbrekende documenten vermeld in artikel 63, § 2, eerste lid;
2° ofwel, indien geen aanvullende documenten verlangd werden, na afloop van de in artikel 63, § 2, eerste lid, vermelde termijn van één week na ontvangst van de aanvraag.
De administratie stuurt de aanvraag om een Europese beroepskaart te krijgen vervolgens onverwijld toe aan de bevoegde autoriteit van de ontvangende lidstaat en stelt de aanvrager tegelijk in kennis van de stand van de aanvraag.
§ 2 - De administratie verstrekt de door de ontvangende lidstaat in geval van gegronde twijfel aangevraagde aanvullende documenten of het eensluidend gewaarmerkt afschrift van een document uiterlijk twee weken na indiening van het verzoek door die ontvangende lidstaat.
Art. 64. - Examen par l'administration
§ 1er - L'administration vérifie l'authenticité et la validité des documents versés dans le fichier IMI, et ce, dans un délai d'un mois qui commence à courir :
1° soit à la réception des documents manquants mentionnés à l'article 63, § 2, alinéa 1er;
2° soit au terme de la période mentionnée à l'article 63, § 2, alinéa 1er, à savoir une semaine après la réception de la demande, si aucun autre document n'a été exigé.
Ensuite, l'administration transmet immédiatement la demande de carte professionnelle européenne à l'autorité compétente de l'Etat membre d'accueil et informe parallèlement le demandeur de l'état de la demande.
§ 2 - Au plus tard deux semaines après la réception de la demande formulée par l'Etat membre d'accueil, en cas de doutes dûment justifiés, l'administration lui transmet d'autres informations ou la copie certifiée conforme d'un document.
§ 1er - L'administration vérifie l'authenticité et la validité des documents versés dans le fichier IMI, et ce, dans un délai d'un mois qui commence à courir :
1° soit à la réception des documents manquants mentionnés à l'article 63, § 2, alinéa 1er;
2° soit au terme de la période mentionnée à l'article 63, § 2, alinéa 1er, à savoir une semaine après la réception de la demande, si aucun autre document n'a été exigé.
Ensuite, l'administration transmet immédiatement la demande de carte professionnelle européenne à l'autorité compétente de l'Etat membre d'accueil et informe parallèlement le demandeur de l'état de la demande.
§ 2 - Au plus tard deux semaines après la réception de la demande formulée par l'Etat membre d'accueil, en cas de doutes dûment justifiés, l'administration lui transmet d'autres informations ou la copie certifiée conforme d'un document.
Onderafdeling 3. - Europese beroepskaart voor de uitoefening van een beroepsactiviteit in het Duitse taalgebied
Sous-section 3. - Carte professionnelle européenne pour l'exercice d'une activité professionnelle en région de langue allemande
Art. 65. - Onderzoek van een aanvraag van een Europese beroepskaart voor het uitoefenen van een beroepsactiviteit in het Duitse taalgebied
§ 1 - Dit artikel is van toepassing wanneer de administratie, via een bevoegde autoriteit van een lidstaat van oorsprong van een houder van een beroepskwalificatie, een aanvraag voor een Europese beroepskaart ontvangt om zich in het Duitse taalgebied te vestigen.
§ 2 - Binnen één maand nadat de door de lidstaat van oorsprong toegezonden aanvraag bij de administratie is ingekomen, beslist de Minister op basis van een advies van de administratie of hij een Europese beroepskaart afgeeft. In geval van een gunstige beslissing kent de Minister tegelijk de automatische erkenning bepaald in artikel 53, § 3, toe.
§ 3 - De administratie kan de termijn vermeld in paragraaf 2 met twee weken verlengen. Ze licht de redenen voor de verlenging nader toe en stelt de Europese aanvrager daarvan in kennis. De administratie kan die verlenging eenmaal en alleen wanneer het strikt noodzakelijk is herhalen, met name om redenen die verband houden met de volksgezondheid of de veiligheid van de afnemers van de diensten.
§ 4 - In geval van gegronde twijfel kan de administratie de lidstaat van oorsprong verzoeken om aanvullende informatie te verstrekken of om een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van een document mee te sturen [1 ...]1.
De administratie mag alleen toegang vragen tot documenten die in het IMI-bestand zijn opgenomen en die nog geldig zijn.
De termijn waarbinnen de Minister overeenkomstig paragraaf 2 een beslissing moet nemen, wordt niet verlengd door het aanvragen van aanvullende informatie [1 of door het aanvragen van voor eensluidend gewaarmerkte afschriften van een document]1.
De Minister kan de afgifte van de beroepskaart weigeren als de administratie niet de nodige informatie krijgt van de lidstaat van oorsprong of van de Europese aanvrager. Deze weigering wordt naar behoren gemotiveerd.
§ 5 - Als de Minister geen beslissing neemt binnen de in paragraaf 2 gestelde termijn, wordt de Europese beroepskaart als afgegeven beschouwd en wordt de Europese beroepskaart via het IMI-systeem automatisch toegezonden aan de houder van een beroepskwalificatie.
Ten behoeve van vestiging verleent de afgifte van een Europese beroepskaart geen automatisch recht om een bepaald beroep uit te oefenen als er in de Duitstalige Gemeenschap al registratievoorschriften of andere controleprocedures gelden voordat de Europese beroepskaart voor dat beroep wordt ingevoerd.
De door de lidstaat van oorsprong overeenkomstig dit artikel genomen maatregelen omtrent de Europese beroepskaart, vervangen elke aanvraag om automatische erkenning van beroepskwalificaties.
§ 6 - Als de Minister in het kader van dit artikel een afwijzingsbeslissing neemt, zendt de administratie die beslissing binnen één maand via aangetekend schrijven toe aan de Europese aanvrager. In die beslissing wordt het volgende vermeld:
1° de mogelijkheid om beroep in stellen;
2° de bevoegde instanties die daarvan kennis nemen;
3° de na te leven termijnen en vormvereisten.
§ 1 - Dit artikel is van toepassing wanneer de administratie, via een bevoegde autoriteit van een lidstaat van oorsprong van een houder van een beroepskwalificatie, een aanvraag voor een Europese beroepskaart ontvangt om zich in het Duitse taalgebied te vestigen.
§ 2 - Binnen één maand nadat de door de lidstaat van oorsprong toegezonden aanvraag bij de administratie is ingekomen, beslist de Minister op basis van een advies van de administratie of hij een Europese beroepskaart afgeeft. In geval van een gunstige beslissing kent de Minister tegelijk de automatische erkenning bepaald in artikel 53, § 3, toe.
§ 3 - De administratie kan de termijn vermeld in paragraaf 2 met twee weken verlengen. Ze licht de redenen voor de verlenging nader toe en stelt de Europese aanvrager daarvan in kennis. De administratie kan die verlenging eenmaal en alleen wanneer het strikt noodzakelijk is herhalen, met name om redenen die verband houden met de volksgezondheid of de veiligheid van de afnemers van de diensten.
§ 4 - In geval van gegronde twijfel kan de administratie de lidstaat van oorsprong verzoeken om aanvullende informatie te verstrekken of om een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van een document mee te sturen [1 ...]1.
De administratie mag alleen toegang vragen tot documenten die in het IMI-bestand zijn opgenomen en die nog geldig zijn.
De termijn waarbinnen de Minister overeenkomstig paragraaf 2 een beslissing moet nemen, wordt niet verlengd door het aanvragen van aanvullende informatie [1 of door het aanvragen van voor eensluidend gewaarmerkte afschriften van een document]1.
De Minister kan de afgifte van de beroepskaart weigeren als de administratie niet de nodige informatie krijgt van de lidstaat van oorsprong of van de Europese aanvrager. Deze weigering wordt naar behoren gemotiveerd.
§ 5 - Als de Minister geen beslissing neemt binnen de in paragraaf 2 gestelde termijn, wordt de Europese beroepskaart als afgegeven beschouwd en wordt de Europese beroepskaart via het IMI-systeem automatisch toegezonden aan de houder van een beroepskwalificatie.
Ten behoeve van vestiging verleent de afgifte van een Europese beroepskaart geen automatisch recht om een bepaald beroep uit te oefenen als er in de Duitstalige Gemeenschap al registratievoorschriften of andere controleprocedures gelden voordat de Europese beroepskaart voor dat beroep wordt ingevoerd.
De door de lidstaat van oorsprong overeenkomstig dit artikel genomen maatregelen omtrent de Europese beroepskaart, vervangen elke aanvraag om automatische erkenning van beroepskwalificaties.
§ 6 - Als de Minister in het kader van dit artikel een afwijzingsbeslissing neemt, zendt de administratie die beslissing binnen één maand via aangetekend schrijven toe aan de Europese aanvrager. In die beslissing wordt het volgende vermeld:
1° de mogelijkheid om beroep in stellen;
2° de bevoegde instanties die daarvan kennis nemen;
3° de na te leven termijnen en vormvereisten.
Art. 65. - Examen d'une demande de carte professionnelle européenne en vue de l'exercice d'une activité professionnelle en région de langue allemande
§ 1er - Cet article est applicable si l'administration reçoit, d'une autorité compétente d'un Etat membre d'origine d'un titulaire d'une qualification professionnelle, une demande de carte professionnelle européenne aux fins d'établissement en région de langue allemande.
§ 2 - En s'appuyant sur l'avis de l'administration, le ministre décide, dans un délai d'un mois à compter de la réception par ladite administration de la demande introduite par l'Etat membre d'origine, si une carte professionnelle européenne est ou non délivrée. En cas de décision favorable, le ministre octroie parallèlement la reconnaissance automatique prévue à l'article 53, § 3.
§ 3 - L'administration a la possibilité de prolonger de deux semaines le délai mentionné au paragraphe 2. Elle explique les raisons de cette prolongation et en informe le demandeur européen. L'administration peut renouveler une fois cette prolongation et uniquement si elle est strictement nécessaire, en particulier pour des raisons de santé publique ou de sécurité des bénéficiaires des services.
§ 4 - En cas de doutes dûment justifiés, l'administration peut demander à l'Etat membre d'origine de fournir des informations supplémentaires ou une copie certifiée conforme d'un document [1 ...]1.
L'administration peut demander uniquement l'accès aux documents contenus dans le fichier IMI et qui sont encore valables.
La demande d'autres informations [1 et de copies certifiées conformes d'un document]1 ne prolonge pas le délai dans lequel le ministre doit prendre une décision conformément au paragraphe 2.
Au cas où l'administration n'obtient pas de l'Etat membre d'origine ou du demandeur européen les informations requises, le ministre peut refuser la délivrance de la carte. Un tel refus est dûment justifié.
§ 5 - Si le ministre ne prend aucune décision dans le délai fixé au paragraphe 2, la carte professionnelle européenne est considérée comme délivrée, et elle est envoyée automatiquement au titulaire d'une qualification professionnelle via le système IMI.
Aux fins d'établissement, la délivrance d'une carte professionnelle européenne ne confère pas un droit automatique à l'exercice d'une profession donnée, si des exigences en matière d'enregistrement ou d'autres procédures de contrôle sont déjà en place en Communauté germanophone avant l'introduction d'une carte professionnelle européenne pour cette profession.
Les mesures prises conformément à cet article par l'Etat membre d'origine en matière de carte professionnelle européenne remplacent toute demande de reconnaissance automatique de qualifications professionnelles.
§ 6 - Si le ministre prend une décision de refus dans le cadre du présent article, l'administration la transmet au demandeur européen par lettre recommandée dans un délai d'un mois. Cette décision mentionne :
1° la possibilité d'introduire un recours;
2° les instances compétentes qui en prendront connaissance;
3° les délais et formes à respecter.
§ 1er - Cet article est applicable si l'administration reçoit, d'une autorité compétente d'un Etat membre d'origine d'un titulaire d'une qualification professionnelle, une demande de carte professionnelle européenne aux fins d'établissement en région de langue allemande.
§ 2 - En s'appuyant sur l'avis de l'administration, le ministre décide, dans un délai d'un mois à compter de la réception par ladite administration de la demande introduite par l'Etat membre d'origine, si une carte professionnelle européenne est ou non délivrée. En cas de décision favorable, le ministre octroie parallèlement la reconnaissance automatique prévue à l'article 53, § 3.
§ 3 - L'administration a la possibilité de prolonger de deux semaines le délai mentionné au paragraphe 2. Elle explique les raisons de cette prolongation et en informe le demandeur européen. L'administration peut renouveler une fois cette prolongation et uniquement si elle est strictement nécessaire, en particulier pour des raisons de santé publique ou de sécurité des bénéficiaires des services.
§ 4 - En cas de doutes dûment justifiés, l'administration peut demander à l'Etat membre d'origine de fournir des informations supplémentaires ou une copie certifiée conforme d'un document [1 ...]1.
L'administration peut demander uniquement l'accès aux documents contenus dans le fichier IMI et qui sont encore valables.
La demande d'autres informations [1 et de copies certifiées conformes d'un document]1 ne prolonge pas le délai dans lequel le ministre doit prendre une décision conformément au paragraphe 2.
Au cas où l'administration n'obtient pas de l'Etat membre d'origine ou du demandeur européen les informations requises, le ministre peut refuser la délivrance de la carte. Un tel refus est dûment justifié.
§ 5 - Si le ministre ne prend aucune décision dans le délai fixé au paragraphe 2, la carte professionnelle européenne est considérée comme délivrée, et elle est envoyée automatiquement au titulaire d'une qualification professionnelle via le système IMI.
Aux fins d'établissement, la délivrance d'une carte professionnelle européenne ne confère pas un droit automatique à l'exercice d'une profession donnée, si des exigences en matière d'enregistrement ou d'autres procédures de contrôle sont déjà en place en Communauté germanophone avant l'introduction d'une carte professionnelle européenne pour cette profession.
Les mesures prises conformément à cet article par l'Etat membre d'origine en matière de carte professionnelle européenne remplacent toute demande de reconnaissance automatique de qualifications professionnelles.
§ 6 - Si le ministre prend une décision de refus dans le cadre du présent article, l'administration la transmet au demandeur européen par lettre recommandée dans un délai d'un mois. Cette décision mentionne :
1° la possibilité d'introduire un recours;
2° les instances compétentes qui en prendront connaissance;
3° les délais et formes à respecter.
Afdeling 2. - Aanvraagprocedure en afgifteprocedure voor beroepen die onder het algemeen stelsel voor de erkenning vallen
Section 2. - Procédures de demande et de délivrance pour les professions auxquelles s'applique le régime général de reconnaissance
Art. 66. - Toepassingsgebied
Deze afdeling is van toepassing op de aanvragen tot afgifte van een Europese beroepskaart ten behoeve van de vestiging voor het beroep van kinesitherapeut dat onder het algemeen stelsel voor de erkenning als bedoeld in artikel 105 van de wet van 10 mei 2015 valt en waarvoor de Europese Commissie overeenkomstig richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties via de EU-verordening een Europese beroepskaart heeft ingevoerd.
Deze afdeling is van toepassing op de aanvragen tot afgifte van een Europese beroepskaart ten behoeve van de vestiging voor het beroep van kinesitherapeut dat onder het algemeen stelsel voor de erkenning als bedoeld in artikel 105 van de wet van 10 mei 2015 valt en waarvoor de Europese Commissie overeenkomstig richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties via de EU-verordening een Europese beroepskaart heeft ingevoerd.
Art. 66. - Champ d'application
La présente section s'applique aux demandes de délivrance d'une carte professionnelle européenne aux fins d'établissement pour la profession de kinésithérapeute, à laquelle s'applique le régime général de reconnaissance automatique conformément à l'article 105 de la loi du 10 mai 2015 et pour laquelle la Commission européenne a instauré, par le biais du règlement européen, une carte professionnelle européenne conformément à la directive 2005/36/CE du Parlement européen et du Conseil du 7 septembre 2005 relative à la reconnaissance des qualifications professionnelles.
La présente section s'applique aux demandes de délivrance d'une carte professionnelle européenne aux fins d'établissement pour la profession de kinésithérapeute, à laquelle s'applique le régime général de reconnaissance automatique conformément à l'article 105 de la loi du 10 mai 2015 et pour laquelle la Commission européenne a instauré, par le biais du règlement européen, une carte professionnelle européenne conformément à la directive 2005/36/CE du Parlement européen et du Conseil du 7 septembre 2005 relative à la reconnaissance des qualifications professionnelles.
Art. 67. - Aanvraag van de Europese beroepskaart voor de uitoefening van een beroepsactiviteit in een andere lidstaat
De aanvraag van de Europese beroepskaart door een in het Duitse taalgebied gevestigde kinesitherapeut om zijn beroepsactiviteit uit te oefenen in een andere lidstaat valt onder de toepassing van de artikelen 5/1, 5/2 en 5/5 van de wet van 12 februari 2008. Voor de toepassing van dit artikel treedt de administratie op als bevoegde Belgische autoriteit.
De aanvraag van de Europese beroepskaart door een in het Duitse taalgebied gevestigde kinesitherapeut om zijn beroepsactiviteit uit te oefenen in een andere lidstaat valt onder de toepassing van de artikelen 5/1, 5/2 en 5/5 van de wet van 12 februari 2008. Voor de toepassing van dit artikel treedt de administratie op als bevoegde Belgische autoriteit.
Art. 67. - Demande de la carte professionnelle européenne en vue l'exercice d'une activité professionnelle dans un autre Etat membre
La demande de la carte professionnelle européenne introduite par un kinésithérapeute établi en région de langue allemande en vue de l'exercice de son activité professionnelle dans un autre Etat membre est soumise à l'application des articles 5/1, 5/2 et 5/5 de la loi du 12 février 2008. Pour l'application du présent article, l'administration agit en tant qu'autorité belge compétente.
La demande de la carte professionnelle européenne introduite par un kinésithérapeute établi en région de langue allemande en vue de l'exercice de son activité professionnelle dans un autre Etat membre est soumise à l'application des articles 5/1, 5/2 et 5/5 de la loi du 12 février 2008. Pour l'application du présent article, l'administration agit en tant qu'autorité belge compétente.
Art. 68. - Indienen van de aanvraag van een Europese beroepskaart
In het kader van artikel 67 en voor de toepassing van artikel 5/2, § 1, tweede lid, van de wet van 12 februari 2008 vraagt de administratie de volgende elementen op :
1° naam, voornaam, adres, land, telefoonnummer, e-mailadres, geslacht, nationaliteit, geboortedatum, geboorteland en geboorteplaats, alsook rijksregisternummer respectievelijk BIS-nummer als de aanvrager geen rijksregisternummer bezit;
2° benaming van het Belgische gezondheidszorgberoep waarvoor de erkenning wordt aangevraagd;
3° de lidstaat waar de aanvrager zich wil vestigen;
4° in voorkomend geval de lidstaat waar de aanvrager bij het indienen van de aanvraag wettelijk is gevestigd om er de betrokken werkzaamheden uit te oefenen.
De aanvrager voegt bij zijn aanvraag de documenten vermeld in bijlage II, deel A, punt 2, van de EU-verordening.
In het kader van artikel 67 en voor de toepassing van artikel 5/2, § 1, tweede lid, van de wet van 12 februari 2008 vraagt de administratie de volgende elementen op :
1° naam, voornaam, adres, land, telefoonnummer, e-mailadres, geslacht, nationaliteit, geboortedatum, geboorteland en geboorteplaats, alsook rijksregisternummer respectievelijk BIS-nummer als de aanvrager geen rijksregisternummer bezit;
2° benaming van het Belgische gezondheidszorgberoep waarvoor de erkenning wordt aangevraagd;
3° de lidstaat waar de aanvrager zich wil vestigen;
4° in voorkomend geval de lidstaat waar de aanvrager bij het indienen van de aanvraag wettelijk is gevestigd om er de betrokken werkzaamheden uit te oefenen.
De aanvrager voegt bij zijn aanvraag de documenten vermeld in bijlage II, deel A, punt 2, van de EU-verordening.
Art. 68. - Introduction de la demande d'une carte professionnelle européenne
Dans le cadre de l'article 67 et pour l'application de l'article 5/2, § 1er, alinéa 2, de la loi du 12 février 2008, l'administration demande les éléments suivants :
1° les nom, prénom, adresse, pays, numéro de téléphone, adresse électronique, sexe, nationalité, date, pays et lieu de naissance ainsi que le numéro de registre national - n° Bis si le demandeur ne possède pas de numéro de registre national;
2° la dénomination de la profession de soins de santé en Belgique pour laquelle la reconnaissance est demandée;
3° l'indication de l'Etat membre dans lequel le demandeur veut s'établir;
4° le cas échéant, l'indication de l'Etat membre dans lequel le demandeur est régulièrement établi au moment où la demande est introduite en vue d'exercer les activités concernées.
Le demandeur joint à sa demande les documents énumérés à l'Annexe II, A, paragraphe 2, du règlement européen.
Dans le cadre de l'article 67 et pour l'application de l'article 5/2, § 1er, alinéa 2, de la loi du 12 février 2008, l'administration demande les éléments suivants :
1° les nom, prénom, adresse, pays, numéro de téléphone, adresse électronique, sexe, nationalité, date, pays et lieu de naissance ainsi que le numéro de registre national - n° Bis si le demandeur ne possède pas de numéro de registre national;
2° la dénomination de la profession de soins de santé en Belgique pour laquelle la reconnaissance est demandée;
3° l'indication de l'Etat membre dans lequel le demandeur veut s'établir;
4° le cas échéant, l'indication de l'Etat membre dans lequel le demandeur est régulièrement établi au moment où la demande est introduite en vue d'exercer les activités concernées.
Le demandeur joint à sa demande les documents énumérés à l'Annexe II, A, paragraphe 2, du règlement européen.
Art. 69. - Onderzoek van een aanvraag van een Europese beroepskaart voor het uitoefenen van het beroep van kinesitherapeut in het Duitse taalgebied
§ 1 - Dit artikel is van toepassing wanneer de houder van een beroepskwalificatie, via de bevoegde autoriteit van zijn lidstaat van oorsprong, bij de administratie een Europese beroepskaart aanvraagt om zich in het Duitse taalgebied als kinesitherapeut te vestigen.
§ 2 - De controle van de aanvraag vermeld in paragraaf 1 en de eventueel daaruit voortvloeiende afgifte van de Europese beroepskaart vallen onder de toepassing van artikel 5/6, § § 3 tot 6, van de wet van 12 februari 2008. Voor de toepassing van het voormelde artikel treedt de administratie op als bevoegde Belgische autoriteit.
§ 3 - Voor de toepassing van artikel 5/6, § 3, beslist de Minister op basis van een advies van de administratie. Voor het opstellen van het advies kan de administratie zich baseren op de stellingname van één of meer externe deskundigen of adviesorganen van een andere gemeenschap.
Als de administratie zich baseert op een stellingname van een externe deskundige en als die externe deskundige van oordeel is dat de Europese aanvrager niet over de nodige beroepskwalificatie en beroepservaring beschikt, dan kan de administratie beslissen om de Europese aanvrager te horen.
Behoudens spoedeisende gevallen roept de administratie de Europese aanvrager minstens 15 dagen van tevoren op om te worden gehoord.
De externe deskundige kan aan de hoorzitting deelnemen.
De Europese aanvrager kan zich op de hoorzitting laten bijstaan door een advocaat.
Als de Europese aanvrager niet op de hoorzitting verschijnt, baseert de administratie haar advies op de elementen waarover ze beschikt.
In geval van een gunstige beslissing verleent de Minister tegelijk de erkenning bepaald in artikel 57, § 1, tweede lid of, naargelang van het geval, de erkenning bepaald in artikel 57, § 3, vierde lid.
§ 4 - Als de Minister in het kader van dit artikel een afwijzingsbeslissing neemt of een beslissing waarin een compenserende maatregel wordt opgelegd, zendt de administratie die beslissing binnen één maand via aangetekend schrijven toe aan de Europese aanvrager. In de beslissing wordt het volgende vermeld :
1° de mogelijkheid om beroep in stellen;
2° de bevoegde instanties die daarvan kennis nemen;
3° de na te leven termijnen en vormvereisten.
§ 1 - Dit artikel is van toepassing wanneer de houder van een beroepskwalificatie, via de bevoegde autoriteit van zijn lidstaat van oorsprong, bij de administratie een Europese beroepskaart aanvraagt om zich in het Duitse taalgebied als kinesitherapeut te vestigen.
§ 2 - De controle van de aanvraag vermeld in paragraaf 1 en de eventueel daaruit voortvloeiende afgifte van de Europese beroepskaart vallen onder de toepassing van artikel 5/6, § § 3 tot 6, van de wet van 12 februari 2008. Voor de toepassing van het voormelde artikel treedt de administratie op als bevoegde Belgische autoriteit.
§ 3 - Voor de toepassing van artikel 5/6, § 3, beslist de Minister op basis van een advies van de administratie. Voor het opstellen van het advies kan de administratie zich baseren op de stellingname van één of meer externe deskundigen of adviesorganen van een andere gemeenschap.
Als de administratie zich baseert op een stellingname van een externe deskundige en als die externe deskundige van oordeel is dat de Europese aanvrager niet over de nodige beroepskwalificatie en beroepservaring beschikt, dan kan de administratie beslissen om de Europese aanvrager te horen.
Behoudens spoedeisende gevallen roept de administratie de Europese aanvrager minstens 15 dagen van tevoren op om te worden gehoord.
De externe deskundige kan aan de hoorzitting deelnemen.
De Europese aanvrager kan zich op de hoorzitting laten bijstaan door een advocaat.
Als de Europese aanvrager niet op de hoorzitting verschijnt, baseert de administratie haar advies op de elementen waarover ze beschikt.
In geval van een gunstige beslissing verleent de Minister tegelijk de erkenning bepaald in artikel 57, § 1, tweede lid of, naargelang van het geval, de erkenning bepaald in artikel 57, § 3, vierde lid.
§ 4 - Als de Minister in het kader van dit artikel een afwijzingsbeslissing neemt of een beslissing waarin een compenserende maatregel wordt opgelegd, zendt de administratie die beslissing binnen één maand via aangetekend schrijven toe aan de Europese aanvrager. In de beslissing wordt het volgende vermeld :
1° de mogelijkheid om beroep in stellen;
2° de bevoegde instanties die daarvan kennis nemen;
3° de na te leven termijnen en vormvereisten.
Art. 69. - Examen d'une demande de carte professionnelle européenne en vue de l'exercice de la profession de kinésithérapeute en région de langue allemande
§ 1er - Cet article est applicable si l'administration reçoit, d'une autorité compétente d'un Etat membre d'origine d'un titulaire d'une qualification professionnelle, une demande de carte professionnelle européenne aux fins d'établissement en tant que kinésithérapeute en région de langue allemande.
§ 2 - L'examen de la demande mentionnée au paragraphe 1er et, le cas échéant, la délivrance de la carte professionnelle européenne en découlant sont soumis à l'application de l'article 5/6, § § 3 à 6, de la loi du 12 février 2008. Pour l'application de l'article susmentionné, l'administration agit en tant qu'autorité belge compétente.
§ 3 - Pour l'application de l'article 5/6, § 3, le ministre décide en se basant sur l'avis émis par l'administration. Pour établir son avis, l'administration peut s'appuyer sur celui émis soit par un ou plusieurs experts externes, soit par des instances consultatives d'une autre communauté.
Si l'administration a recours à l'avis d'un expert externe qui estime que le demandeur européen ne dispose pas de la qualification et de l'expérience professionnelles nécessaires, elle peut décider de l'entendre.
Sauf en cas d'urgence, l'administration invite le demandeur européen au moins quinze jours avant l'audition.
L'expert externe peut participer à l'audition.
Le demandeur européen peut, pour les besoins de l'audition, se faire assister par un avocat.
Si le demandeur européen n'est pas présent à l'audition, l'administration établit un avis sur la base des éléments dont elle dispose.
En cas de décision favorable, le ministre octroie parallèlement la reconnaissance prévue à l'article 57, § 1er, alinéa 2, ou, selon le cas, à l'article 57, § 3, alinéa 4.
§ 4 - Si le ministre prend une décision de refus ou imposant une mesure de compensation dans le cadre du présent article, l'administration la transmet au demandeur européen par lettre recommandée dans un délai d'un mois. La décision indique :
1° la possibilité d'introduire un recours;
2° les instances compétentes qui en prendront connaissance;
3° les délais et formes à respecter.
§ 1er - Cet article est applicable si l'administration reçoit, d'une autorité compétente d'un Etat membre d'origine d'un titulaire d'une qualification professionnelle, une demande de carte professionnelle européenne aux fins d'établissement en tant que kinésithérapeute en région de langue allemande.
§ 2 - L'examen de la demande mentionnée au paragraphe 1er et, le cas échéant, la délivrance de la carte professionnelle européenne en découlant sont soumis à l'application de l'article 5/6, § § 3 à 6, de la loi du 12 février 2008. Pour l'application de l'article susmentionné, l'administration agit en tant qu'autorité belge compétente.
§ 3 - Pour l'application de l'article 5/6, § 3, le ministre décide en se basant sur l'avis émis par l'administration. Pour établir son avis, l'administration peut s'appuyer sur celui émis soit par un ou plusieurs experts externes, soit par des instances consultatives d'une autre communauté.
Si l'administration a recours à l'avis d'un expert externe qui estime que le demandeur européen ne dispose pas de la qualification et de l'expérience professionnelles nécessaires, elle peut décider de l'entendre.
Sauf en cas d'urgence, l'administration invite le demandeur européen au moins quinze jours avant l'audition.
L'expert externe peut participer à l'audition.
Le demandeur européen peut, pour les besoins de l'audition, se faire assister par un avocat.
Si le demandeur européen n'est pas présent à l'audition, l'administration établit un avis sur la base des éléments dont elle dispose.
En cas de décision favorable, le ministre octroie parallèlement la reconnaissance prévue à l'article 57, § 1er, alinéa 2, ou, selon le cas, à l'article 57, § 3, alinéa 4.
§ 4 - Si le ministre prend une décision de refus ou imposant une mesure de compensation dans le cadre du présent article, l'administration la transmet au demandeur européen par lettre recommandée dans un délai d'un mois. La décision indique :
1° la possibilité d'introduire un recours;
2° les instances compétentes qui en prendront connaissance;
3° les délais et formes à respecter.
Afdeling 3. - Gemeenschappelijke bepaling
Section 3. - Disposition commune
Art. 70. - Verwerking van en toegang tot gegevens met betrekking tot de Europese beroepskaart
De afdelingen 1 en 2 vallen onder de toepassing van artikel 5/8 van de wet van 12 februari 2008.
De afdelingen 1 en 2 vallen onder de toepassing van artikel 5/8 van de wet van 12 februari 2008.
Art. 70. - Traitement et accès aux données concernant la carte professionnelle européenne
Les sections 1re et 2 sont soumises à l'application de l'article 5/8 de la loi du 12 février 2008.
Les sections 1re et 2 sont soumises à l'application de l'article 5/8 de la loi du 12 février 2008.
Afdeling 4. - Intrekking van de Europese beroepskaart
Section 4. - Retrait de la carte professionnelle européenne
Art. 71. - Intrekkingsprocedure
De Minister trekt de Europese beroepskaart in wanneer de beoefenaar van een gezondheidszorgberoep niet meer voldoet aan de voorwaarden die ten grondslag liggen aan de afgifte van zijn Europese beroepskaart.
In het geval vermeld in het eerste lid is artikel 49 van toepassing.
De Minister trekt de Europese beroepskaart in wanneer de beoefenaar van een gezondheidszorgberoep niet meer voldoet aan de voorwaarden die ten grondslag liggen aan de afgifte van zijn Europese beroepskaart.
In het geval vermeld in het eerste lid is artikel 49 van toepassing.
Art. 71. - Procédure de retrait
Le ministre retire la carte professionnelle européenne si le professionnel de santé ne remplit plus les conditions mises à la délivrance de ladite carte.
Dans le cas mentionné à l'alinéa 1er, l'article 49 est appliqué.
Le ministre retire la carte professionnelle européenne si le professionnel de santé ne remplit plus les conditions mises à la délivrance de ladite carte.
Dans le cas mentionné à l'alinéa 1er, l'article 49 est appliqué.
Art. 72. - Vrijwillige intrekking van de Europese beroepskaart
Elke beoefenaar van een gezondheidszorgberoep kan zijn Europese beroepskaart vrijwillig laten intrekken. Hiertoe licht hij de administratie van zijn voornemen in.
Op voorstel van de administratie trekt de Minister de Europese beroepskaart in.
Elke beoefenaar van een gezondheidszorgberoep kan zijn Europese beroepskaart vrijwillig laten intrekken. Hiertoe licht hij de administratie van zijn voornemen in.
Op voorstel van de administratie trekt de Minister de Europese beroepskaart in.
Art. 72. - Retrait volontaire de la carte professionnelle européenne
Tout professionnel de santé peut retirer volontairement sa carte professionnelle européenne. A cet effet, il informe l'administration de son intention.
Sur proposition de l'administration, le ministre retire la carte professionnelle européenne.
Tout professionnel de santé peut retirer volontairement sa carte professionnelle européenne. A cet effet, il informe l'administration de son intention.
Sur proposition de l'administration, le ministre retire la carte professionnelle européenne.
Art. 73. - Nieuwe aanvraag
De beoefenaar van een gezondheidszorgberoep van wie de Europese beroepskaart overeenkomstig de artikelen 71 of 72 ingetrokken werd, kan te allen tijde een nieuwe aanvraag tot afgifte van een Europese beroepskaart indienen bij de administratie overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk.
De beoefenaar van een gezondheidszorgberoep van wie de Europese beroepskaart overeenkomstig de artikelen 71 of 72 ingetrokken werd, kan te allen tijde een nieuwe aanvraag tot afgifte van een Europese beroepskaart indienen bij de administratie overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk.
Art. 73. - Renouvellement de la demande
Le professionnel de santé dont la carte professionnelle européenne a été retirée conformément aux articles 71 ou 72 peut à tout moment introduire auprès de l'administration une nouvelle demande de délivrance d'une carte professionnelle européenne conformément aux dispositions du présent chapitre.
Le professionnel de santé dont la carte professionnelle européenne a été retirée conformément aux articles 71 ou 72 peut à tout moment introduire auprès de l'administration une nouvelle demande de délivrance d'une carte professionnelle européenne conformément aux dispositions du présent chapitre.
HOOFDSTUK 5. - Slotbepalingen
CHAPITRE 5. - Dispositions finales
Art. 74. - Wijzigingsbepaling
In het koninklijk besluit van 21 april 1983 tot vaststelling van de nadere regelen voor erkenning van artsen-specialisten en van huisartsen worden de volgende bepalingen opgeheven :
1° artikel 4, 2° en 3°;
2° artikel 4bis;
3° artikel 7, § § 1 tot 6;
4° artikel 8, § 1, 1°, 2° en 3°;
5° de artikelen 9 tot 31;
6° artikel 32, § 1, eerste en tweede lid;
7° artikel 33;
8° de artikelen 44 tot 45.
In het koninklijk besluit van 21 april 1983 tot vaststelling van de nadere regelen voor erkenning van artsen-specialisten en van huisartsen worden de volgende bepalingen opgeheven :
1° artikel 4, 2° en 3°;
2° artikel 4bis;
3° artikel 7, § § 1 tot 6;
4° artikel 8, § 1, 1°, 2° en 3°;
5° de artikelen 9 tot 31;
6° artikel 32, § 1, eerste en tweede lid;
7° artikel 33;
8° de artikelen 44 tot 45.
Art. 74. - Disposition modificative
Dans l'arrêté royal du 21 avril 1983 fixant les modalités de l'agrément des médecins spécialistes et des médecins généralistes sont abrogés :
1° l'article 4°, 2° et 3°;
2° l'article 4bis;
3° l'article 7, § § 1er à 6;
4° l'article 8, § 1er, 1°, 2° et 3°;
5° les articles 9 à 31;
6° l'article 32, § 1er, alinéas 1er et 2;
7° l'article 33;
8° les articles 44 et 45.
Dans l'arrêté royal du 21 avril 1983 fixant les modalités de l'agrément des médecins spécialistes et des médecins généralistes sont abrogés :
1° l'article 4°, 2° et 3°;
2° l'article 4bis;
3° l'article 7, § § 1er à 6;
4° l'article 8, § 1er, 1°, 2° et 3°;
5° les articles 9 à 31;
6° l'article 32, § 1er, alinéas 1er et 2;
7° l'article 33;
8° les articles 44 et 45.
Art. 75. - Wijzigingsbepaling
In het koninklijk besluit van 10 november 1996 tot vaststelling van de erkenningsmodaliteiten van de beoefenaars van de tandheelkunde, houders van een bijzondere beroepstitel, worden de volgende bepalingen opgeheven :
1° artikel 3, 2°;
2° artikel 6;
3° artikel 7, 1° tot 3°;
4° hoofdstuk III, dat de artikelen 9 tot 32 omvat.
In het koninklijk besluit van 10 november 1996 tot vaststelling van de erkenningsmodaliteiten van de beoefenaars van de tandheelkunde, houders van een bijzondere beroepstitel, worden de volgende bepalingen opgeheven :
1° artikel 3, 2°;
2° artikel 6;
3° artikel 7, 1° tot 3°;
4° hoofdstuk III, dat de artikelen 9 tot 32 omvat.
Art. 75. - Disposition modificative
Dans l'arrêté royal du 10 novembre 1996 fixant les modalités de l'agrément des praticiens de l'art dentaire titulaires d'un titre professionnel particulier sont abrogés :
1° l'article 3, 2°;
2° l'article 6;
3° l'article 7, 1° à 3°;
4° le chapitre III, comportant les articles 9 à 32.
Dans l'arrêté royal du 10 novembre 1996 fixant les modalités de l'agrément des praticiens de l'art dentaire titulaires d'un titre professionnel particulier sont abrogés :
1° l'article 3, 2°;
2° l'article 6;
3° l'article 7, 1° à 3°;
4° le chapitre III, comportant les articles 9 à 32.
Art. 76. - Wijzigingsbepaling
In het koninklijk besluit van 22 oktober 2012 tot vaststelling van de procedure voor de erkenning van de bijzondere beroepstitel van ziekenhuisapotheker worden de volgende bepalingen opgeheven :
1° artikel 2, 1°;
2° hoofdstuk 2, dat de artikelen 4 tot 21 omvat;
3° artikel 34, 1° en 2°;
4° de artikelen 37 en 38;
5° de artikelen 46 tot 49.
In het koninklijk besluit van 22 oktober 2012 tot vaststelling van de procedure voor de erkenning van de bijzondere beroepstitel van ziekenhuisapotheker worden de volgende bepalingen opgeheven :
1° artikel 2, 1°;
2° hoofdstuk 2, dat de artikelen 4 tot 21 omvat;
3° artikel 34, 1° en 2°;
4° de artikelen 37 en 38;
5° de artikelen 46 tot 49.
Art. 76. - Disposition modificative
Dans l'arrêté royal du 22 octobre 2012 fixant la procédure relative à l'agrément du titre professionnel particulier de pharmacien hospitalier sont abrogés :
1° l'article 2, 1°;
2° le chapitre 2, comportant les articles 4 à 21;
3° l'article 34, 1° et 2°;
4° les articles 37 et 38;
5° les articles 46 à 49.
Dans l'arrêté royal du 22 octobre 2012 fixant la procédure relative à l'agrément du titre professionnel particulier de pharmacien hospitalier sont abrogés :
1° l'article 2, 1°;
2° le chapitre 2, comportant les articles 4 à 21;
3° l'article 34, 1° et 2°;
4° les articles 37 et 38;
5° les articles 46 à 49.
Art. 77. - Wijzigingsbepaling
In artikel 9 van het koninklijk besluit van 1 februari 1991 betreffende de uitoefening van het beroep van vroedvrouw worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° paragraaf 2 en paragraaf 3 worden vervangen als volgt :
" § 2 - Indien het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap vaststelt dat betrokkene niet voldoet aan de voorwaarde gesteld in paragraaf 1, maant het Ministerie hem aan.
§ 3 - Indien het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap vaststelt dat betrokkene, na het verstrijken van een periode van één jaar, te rekenen vanaf de aanmaning, nog geen permanente opleiding aangevat of vervolledigd heeft, kan diens beroepstitel worden ingetrokken overeenkomstig de procedure bepaald in artikel 49 van het besluit van de Regering van 25 april 2019 tot vaststelling van de procedure voor de registratie en erkenning van de beoefenaars van de gezondheidszorgberoepen en tot afgifte van een Europese beroepskaart."
2° paragraaf 4 wordt opgeheven.
In artikel 9 van het koninklijk besluit van 1 februari 1991 betreffende de uitoefening van het beroep van vroedvrouw worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° paragraaf 2 en paragraaf 3 worden vervangen als volgt :
" § 2 - Indien het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap vaststelt dat betrokkene niet voldoet aan de voorwaarde gesteld in paragraaf 1, maant het Ministerie hem aan.
§ 3 - Indien het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap vaststelt dat betrokkene, na het verstrijken van een periode van één jaar, te rekenen vanaf de aanmaning, nog geen permanente opleiding aangevat of vervolledigd heeft, kan diens beroepstitel worden ingetrokken overeenkomstig de procedure bepaald in artikel 49 van het besluit van de Regering van 25 april 2019 tot vaststelling van de procedure voor de registratie en erkenning van de beoefenaars van de gezondheidszorgberoepen en tot afgifte van een Europese beroepskaart."
2° paragraaf 4 wordt opgeheven.
Art. 77. - Disposition modificative
A l'article 9 de l'arrêté royal du 1er février 1991 relatif à l'exercice de la profession de sage-femme, les modifications suivantes sont apportées :
1° les paragraphes 2 et 3 sont remplacés par ce qui suit :
" § 2 - Si le Ministère de la Communauté germanophone constate qu'une personne soumise à l'obligation de suivre une formation permanente ne remplit pas l'obligation fixée au paragraphe 1er, il la met en demeure d'y remédier.
§ 3 - Si le Ministère de la Communauté germanophone constate que la personne soumise à l'obligation de suivre une formation permanente n'a toujours pas entamé une telle formation un an après la mise en demeure ou ne l'a toujours pas terminée, il peut lui retirer l'agrément en tant que titulaire de son titre professionnel conformément à la procédure fixée à l'article 49 de l'arrêté du Gouvernement du 25 avril 2019 fixant la procédure d'agrément, d'enregistrement et de reconnaissance des professionnels des soins de santé et relatif à la délivrance d'une carte professionnelle européenne. ";
2° le § 4 est abrogé.
A l'article 9 de l'arrêté royal du 1er février 1991 relatif à l'exercice de la profession de sage-femme, les modifications suivantes sont apportées :
1° les paragraphes 2 et 3 sont remplacés par ce qui suit :
" § 2 - Si le Ministère de la Communauté germanophone constate qu'une personne soumise à l'obligation de suivre une formation permanente ne remplit pas l'obligation fixée au paragraphe 1er, il la met en demeure d'y remédier.
§ 3 - Si le Ministère de la Communauté germanophone constate que la personne soumise à l'obligation de suivre une formation permanente n'a toujours pas entamé une telle formation un an après la mise en demeure ou ne l'a toujours pas terminée, il peut lui retirer l'agrément en tant que titulaire de son titre professionnel conformément à la procédure fixée à l'article 49 de l'arrêté du Gouvernement du 25 avril 2019 fixant la procédure d'agrément, d'enregistrement et de reconnaissance des professionnels des soins de santé et relatif à la délivrance d'une carte professionnelle européenne. ";
2° le § 4 est abrogé.
Art. 78. - Opheffingsbepaling
Opgeheven worden :
1° het koninklijk besluit van 15 april 2002 betreffende de erkenning als kinesitherapeut en de erkenning van bijzondere beroepstitels en bijzondere bekwaamheden;
2° het koninklijk besluit van 18 november 2004 betreffende de erkenning van de beoefenaars van de paramedische beroepen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 16 februari 2009;
3° het koninklijk besluit van 14 april 2013 tot vaststelling van de procedure voor de erkenning van de beroepskwalificaties betreffende de gezondheidsberoepen verworven in een andere lidstaat van de Europese Unie dan België;
4° het koninklijk besluit van 18 april 2013 betreffende de samenstelling, de organisatie en de werking van de Erkenningscommissie voor de beoefenaars van de verpleegkunde, en tot vaststelling van de erkenningsprocedure waarbij de verpleegkundigen ertoe gemachtigd worden een bijzondere beroepstitel te dragen of zich op een bijzondere beroepsbekwaamheid te beroepen, en de registratieprocedure als zorgkundige, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 21 februari 2014;
5° het besluit van de Regering van 24 maart 2016 tot instelling van een overgangsregeling voor de procedure tot erkenning van gezondheids- en zorgberoepen;
6° het ministerieel besluit van 9 september 2011 tot toekenning van de erkenningsopdrachten, voor de bijzondere beroepstitels voorbehouden aan de houders van een master in de geneeskunde of van de academische graad van arts die reeds houder zijn van een bijzondere beroepstitel, aan de erkenningscommissies voor een bijzondere beroepstitel overeenkomstig artikel 4bis, eerste lid, van het koninklijk besluit van 21 april 1983 tot vaststelling van de nadere regelen voor erkenning van geneesheren-specialisten en van huisartsen.
Opgeheven worden :
1° het koninklijk besluit van 15 april 2002 betreffende de erkenning als kinesitherapeut en de erkenning van bijzondere beroepstitels en bijzondere bekwaamheden;
2° het koninklijk besluit van 18 november 2004 betreffende de erkenning van de beoefenaars van de paramedische beroepen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 16 februari 2009;
3° het koninklijk besluit van 14 april 2013 tot vaststelling van de procedure voor de erkenning van de beroepskwalificaties betreffende de gezondheidsberoepen verworven in een andere lidstaat van de Europese Unie dan België;
4° het koninklijk besluit van 18 april 2013 betreffende de samenstelling, de organisatie en de werking van de Erkenningscommissie voor de beoefenaars van de verpleegkunde, en tot vaststelling van de erkenningsprocedure waarbij de verpleegkundigen ertoe gemachtigd worden een bijzondere beroepstitel te dragen of zich op een bijzondere beroepsbekwaamheid te beroepen, en de registratieprocedure als zorgkundige, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 21 februari 2014;
5° het besluit van de Regering van 24 maart 2016 tot instelling van een overgangsregeling voor de procedure tot erkenning van gezondheids- en zorgberoepen;
6° het ministerieel besluit van 9 september 2011 tot toekenning van de erkenningsopdrachten, voor de bijzondere beroepstitels voorbehouden aan de houders van een master in de geneeskunde of van de academische graad van arts die reeds houder zijn van een bijzondere beroepstitel, aan de erkenningscommissies voor een bijzondere beroepstitel overeenkomstig artikel 4bis, eerste lid, van het koninklijk besluit van 21 april 1983 tot vaststelling van de nadere regelen voor erkenning van geneesheren-specialisten en van huisartsen.
Art. 78. - Disposition abrogatoire
Sont abrogés :
1° l'arrêté royal du 15 avril 2002 relatif à l'agrément en qualité de kinésithérapeute et à l'agrément des titres particuliers et des qualifications particulières;
2° l'arrêté royal du 18 novembre 2004 relatif à l'agrément des praticiens des professions paramédicales, modifié par l'arrêté royal du 16 février 2009;
3° l'arrêté royal du 14 avril 2013 fixant la procédure applicable à la reconnaissance des qualifications professionnelles relatives aux professions de soins de santé acquises dans un Etat membre de l'Union européenne autre que la Belgique;
4° l'arrêté royal du 18 avril 2013 relatif à la composition, à l'organisation et au fonctionnement de la Commission d'agrément pour les praticiens de l'art infirmier, et fixant la procédure d'agrément autorisant les infirmiers à porter un titre professionnel particulier ou à se prévaloir d'une qualification professionnelle particulière, et la procédure d'enregistrement comme aide-soignant, modifié par l'arrêté royal du 21 février 2014;
5° l'arrêté du Gouvernement du 24 mars 2016 réglant provisoirement la procédure d'agrément pour les professions de santé et de soins;
6° l'arrêté ministériel du 9 septembre 2011 attribuant les missions d'agrément pour des titres professionnels particuliers réservés aux titulaires d'un master en médecine ou du grade académique de médecin qui sont déjà titulaires d'un titre professionnel particulier à des commissions d'agrément pour un titre professionnel particulier conformément à l'article 4bis, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 21 avril 1983 fixant les modalités de l'agrément des médecins spécialistes et des médecins généralistes.
Sont abrogés :
1° l'arrêté royal du 15 avril 2002 relatif à l'agrément en qualité de kinésithérapeute et à l'agrément des titres particuliers et des qualifications particulières;
2° l'arrêté royal du 18 novembre 2004 relatif à l'agrément des praticiens des professions paramédicales, modifié par l'arrêté royal du 16 février 2009;
3° l'arrêté royal du 14 avril 2013 fixant la procédure applicable à la reconnaissance des qualifications professionnelles relatives aux professions de soins de santé acquises dans un Etat membre de l'Union européenne autre que la Belgique;
4° l'arrêté royal du 18 avril 2013 relatif à la composition, à l'organisation et au fonctionnement de la Commission d'agrément pour les praticiens de l'art infirmier, et fixant la procédure d'agrément autorisant les infirmiers à porter un titre professionnel particulier ou à se prévaloir d'une qualification professionnelle particulière, et la procédure d'enregistrement comme aide-soignant, modifié par l'arrêté royal du 21 février 2014;
5° l'arrêté du Gouvernement du 24 mars 2016 réglant provisoirement la procédure d'agrément pour les professions de santé et de soins;
6° l'arrêté ministériel du 9 septembre 2011 attribuant les missions d'agrément pour des titres professionnels particuliers réservés aux titulaires d'un master en médecine ou du grade académique de médecin qui sont déjà titulaires d'un titre professionnel particulier à des commissions d'agrément pour un titre professionnel particulier conformément à l'article 4bis, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 21 avril 1983 fixant les modalités de l'agrément des médecins spécialistes et des médecins généralistes.
Art. 79. - Overgangsbepaling
Alle aanvragen tot registratie en erkenning van de beoefenaars van de gezondheidszorgberoepen en alle aanvragen tot afgifte van de Europese beroepskaart die vóór inwerkingtreding van dit besluit bij de administratie werden ingediend, worden vanaf inwerkingtreding van dit besluit behandeld overeenkomstig dit besluit.
Alle aanvragen tot registratie en erkenning van de beoefenaars van de gezondheidszorgberoepen en alle aanvragen tot afgifte van de Europese beroepskaart die vóór inwerkingtreding van dit besluit bij de administratie werden ingediend, worden vanaf inwerkingtreding van dit besluit behandeld overeenkomstig dit besluit.
Art. 79. - Disposition transitoire
Toutes les demandes d'agrément, d'enregistrement et de reconnaissance des professionnels des soins de santé et les demandes de délivrance de la carte professionnelle européenne qui ont été introduites avant l'entrée en vigueur du présent arrêté auprès de l'administration sont traitées conformément aux dispositions du présent arrêté dès son entrée en vigueur.
Toutes les demandes d'agrément, d'enregistrement et de reconnaissance des professionnels des soins de santé et les demandes de délivrance de la carte professionnelle européenne qui ont été introduites avant l'entrée en vigueur du présent arrêté auprès de l'administration sont traitées conformément aux dispositions du présent arrêté dès son entrée en vigueur.
Art. 80. - Overgangsbepaling
§ 1 - De Minister erkent de personen vermeld in artikel 153, § 1, van de wet van 10 mei 2015 van rechtswege, zodra het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering de daartoe noodzakelijke inlichtingen aan de administratie heeft bezorgd.
§ 2 - Personen die een erkenning aanvragen op grond van artikel 153, § 2, van de wet van 10 mei 2015, dienen een aanvraag in bij de administratie overeenkomstig artikel 9. Naast de elementen vermeld in artikel 9, vierde lid, worden bij de aanvraag stukken gevoegd waaruit blijkt dat de aanvrager voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 153, § 2, van de wet van 10 mei 2015.
De artikelen 10 tot 12 zijn van toepassing op de nadere regels voor de behandeling van de aanvraag en op het besluitvormingsproces.
§ 3 - Personen die een erkenning aanvragen op grond van artikel 153, § 3, van de wet van 10 mei 2015, dienen een aanvraag in bij de administratie overeenkomstig artikel 9.
Naast de elementen vermeld in artikel 9, derde lid, worden de volgende elementen opgevraagd :
1° de activiteiten waarvoor de aanvrager het voordeel van de verworven rechten aanvraagt;
2° de periodes waarin en plaatsen waar hij die activiteiten heeft uitgeoefend.
Naast de documenten vermeld in artikel 9, vierde lid, wordt bij de aanvraag een attest van een arts of apotheker gevoegd waaruit blijkt dat de aanvrager de activiteiten vermeld in het tweede lid, 1°, duurzaam en in voldoende aantal heeft uitgeoefend.
Het attest vermeld in het derde lid kan alleen afgegeven worden door artsen of apothekers die bevoegd zijn om handelingen en verstrekkingen voor het paramedisch beroep in kwestie voor te schrijven.
De artikelen 10 tot 12 zijn van toepassing op de nadere regels voor de behandeling van de aanvraag en op het besluitvormingsproces.
§ 1 - De Minister erkent de personen vermeld in artikel 153, § 1, van de wet van 10 mei 2015 van rechtswege, zodra het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering de daartoe noodzakelijke inlichtingen aan de administratie heeft bezorgd.
§ 2 - Personen die een erkenning aanvragen op grond van artikel 153, § 2, van de wet van 10 mei 2015, dienen een aanvraag in bij de administratie overeenkomstig artikel 9. Naast de elementen vermeld in artikel 9, vierde lid, worden bij de aanvraag stukken gevoegd waaruit blijkt dat de aanvrager voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 153, § 2, van de wet van 10 mei 2015.
De artikelen 10 tot 12 zijn van toepassing op de nadere regels voor de behandeling van de aanvraag en op het besluitvormingsproces.
§ 3 - Personen die een erkenning aanvragen op grond van artikel 153, § 3, van de wet van 10 mei 2015, dienen een aanvraag in bij de administratie overeenkomstig artikel 9.
Naast de elementen vermeld in artikel 9, derde lid, worden de volgende elementen opgevraagd :
1° de activiteiten waarvoor de aanvrager het voordeel van de verworven rechten aanvraagt;
2° de periodes waarin en plaatsen waar hij die activiteiten heeft uitgeoefend.
Naast de documenten vermeld in artikel 9, vierde lid, wordt bij de aanvraag een attest van een arts of apotheker gevoegd waaruit blijkt dat de aanvrager de activiteiten vermeld in het tweede lid, 1°, duurzaam en in voldoende aantal heeft uitgeoefend.
Het attest vermeld in het derde lid kan alleen afgegeven worden door artsen of apothekers die bevoegd zijn om handelingen en verstrekkingen voor het paramedisch beroep in kwestie voor te schrijven.
De artikelen 10 tot 12 zijn van toepassing op de nadere regels voor de behandeling van de aanvraag en op het besluitvormingsproces.
Art. 80. - Disposition transitoire
§ 1er - Le ministre octroie d'office l'agrément aux personnes mentionnées à l'article 153, § 1er, de la loi du 15 mai 2015 dès que l'Institut national d'assurance maladie-invalidité a transmis les informations nécessaires à cet effet.
§ 2 - Les personnes qui demandent un agrément en vertu de l'article 153, § 2, de la loi du 10 mai 2015 introduisent leur demande auprès de l'administration conformément à l'article 9. Outre les éléments mentionnés à l'article 9, alinéa 4, la demande doit être accompagnée de documents dont il ressort que le demandeur remplit les conditions fixées à l'article 153, § 2, de la loi du 10 mai 2015.
Les articles 10 à 12 sont applicables aux modalités d'examen de la demande et de la prise de décision.
§ 3 - Les personnes qui demandent un agrément en vertu de l'article 153, § 3, de la loi du 10 mai 2015 introduisent leur demande auprès de l'administration conformément à l'article 9.
Outre les éléments mentionnés à l'article 9, alinéa 3, la demande reprend les éléments suivants :
1° l'indication des activités pour lesquelles le demandeur sollicite l'avantage des droits acquis;
2° l'indication des périodes et lieux où il a exercé ces activités.
Outre les documents mentionnés à l'article 9, alinéa 4, la demande doit être accompagnée d'une attestation établie par un médecin ou un pharmacien et dont il ressort que le demandeur a exercé les activités mentionnées à l'alinéa 2, 1°, de manière durable et en nombre suffisant.
L'attestation mentionnée à l'alinéa 3 ne peut être délivrée que par des médecins ou des pharmaciens habilités à prescrire différents actes et prestations pour la profession paramédicale en question.
Les articles 10 à 12 sont applicables aux modalités d'examen de la demande et de la prise de décision.
§ 1er - Le ministre octroie d'office l'agrément aux personnes mentionnées à l'article 153, § 1er, de la loi du 15 mai 2015 dès que l'Institut national d'assurance maladie-invalidité a transmis les informations nécessaires à cet effet.
§ 2 - Les personnes qui demandent un agrément en vertu de l'article 153, § 2, de la loi du 10 mai 2015 introduisent leur demande auprès de l'administration conformément à l'article 9. Outre les éléments mentionnés à l'article 9, alinéa 4, la demande doit être accompagnée de documents dont il ressort que le demandeur remplit les conditions fixées à l'article 153, § 2, de la loi du 10 mai 2015.
Les articles 10 à 12 sont applicables aux modalités d'examen de la demande et de la prise de décision.
§ 3 - Les personnes qui demandent un agrément en vertu de l'article 153, § 3, de la loi du 10 mai 2015 introduisent leur demande auprès de l'administration conformément à l'article 9.
Outre les éléments mentionnés à l'article 9, alinéa 3, la demande reprend les éléments suivants :
1° l'indication des activités pour lesquelles le demandeur sollicite l'avantage des droits acquis;
2° l'indication des périodes et lieux où il a exercé ces activités.
Outre les documents mentionnés à l'article 9, alinéa 4, la demande doit être accompagnée d'une attestation établie par un médecin ou un pharmacien et dont il ressort que le demandeur a exercé les activités mentionnées à l'alinéa 2, 1°, de manière durable et en nombre suffisant.
L'attestation mentionnée à l'alinéa 3 ne peut être délivrée que par des médecins ou des pharmaciens habilités à prescrire différents actes et prestations pour la profession paramédicale en question.
Les articles 10 à 12 sont applicables aux modalités d'examen de la demande et de la prise de décision.
Art. 81. - Overgangsbepaling
Personen die een erkenning aanvragen op grond van artikel 154 van de wet van 10 mei 2015, dienen een aanvraag in bij de administratie overeenkomstig artikel 9. Naast de elementen vermeld in artikel 9, vierde lid, worden bij de aanvraag stukken gevoegd waaruit blijkt dat de aanvrager voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 154 van de wet van 10 mei 2015.
De artikelen 10 tot 12 zijn van toepassing op de nadere regels voor de behandeling van de aanvraag en op het besluitvormingsproces.
Personen die een erkenning aanvragen op grond van artikel 154 van de wet van 10 mei 2015, dienen een aanvraag in bij de administratie overeenkomstig artikel 9. Naast de elementen vermeld in artikel 9, vierde lid, worden bij de aanvraag stukken gevoegd waaruit blijkt dat de aanvrager voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 154 van de wet van 10 mei 2015.
De artikelen 10 tot 12 zijn van toepassing op de nadere regels voor de behandeling van de aanvraag en op het besluitvormingsproces.
Art. 81. - Disposition transitoire
Les personnes qui demandent un agrément en vertu de l'article 154 de la loi du 10 mai 2015 introduisent leur demande auprès de l'administration conformément à l'article 9. Outre les éléments mentionnés à l'article 9, alinéa 4, la demande doit être accompagnée de documents dont il ressort que le demandeur remplit les conditions fixées à l'article 154 de la loi du 10 mai 2015.
Les articles 10 à 12 sont applicables aux modalités d'examen de la demande et de la prise de décision.
Les personnes qui demandent un agrément en vertu de l'article 154 de la loi du 10 mai 2015 introduisent leur demande auprès de l'administration conformément à l'article 9. Outre les éléments mentionnés à l'article 9, alinéa 4, la demande doit être accompagnée de documents dont il ressort que le demandeur remplit les conditions fixées à l'article 154 de la loi du 10 mai 2015.
Les articles 10 à 12 sont applicables aux modalités d'examen de la demande et de la prise de décision.
Art. 82. - Uitvoeringsbepaling
De Minister bevoegd voor Gezondheid is belast met de uitvoering van dit besluit.
De Minister bevoegd voor Gezondheid is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 82. - Exécution
Le Ministre compétent en matière de Santé est chargé de l'exécution du présent arrêté.
Le Ministre compétent en matière de Santé est chargé de l'exécution du présent arrêté.