Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
5 MEI 2019. - Wet houdende diverse bepalingen inzake informatisering van Justitie, modernisering van het statuut van rechters in ondernemingszaken en inzake de notariële aktebank(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 19-06-2019 en tekstbijwerking tot 28-05-2024)
Titre
5 MAI 2019. - Loi portant dispositions diverses en matière d'informatisation de la Justice, de modernisation du statut des juges consulaires et relativement à la banque des actes notariés(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 19-06-2019 et mise à jour au 28-05-2024)
Dokumentinformationen
Info du document
Inhoud
TITEL 1. - Algemene bepalingen
TITEL 2. - Bepalingen betreffende de verwerking...
HOOFDSTUK 1. - Definities
HOOFDSTUK 2. - De gegevensbanken
Afdeling 1. - [1 het detentiebeheersysteem]1
Afdeling 2. - Geïntegreerd register voor opvolg...
Afdeling 3. - Geïntegreerd Elektronisch Justiti...
HOOFDSTUK 3. - Bepalingen die gemeen zijn aan d...
HOOFDSTUK 4. - Inwerkingtredingsbepaling
TITEL 3. - Wijzigingen van het Wetboek van stra...
TITEL 4. - Wijzigingen van het Wetboek van econ...
TITEL 5. - Informatisering van de procedure van...
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van het Gerechtelijk...
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van de wet van 5 jul...
HOOFDSTUK 3. - Overgangsbepaling
HOOFDSTUK 4. - Inwerkingtreding
TITEL 6. - Wijziging aan het nationaal register...
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen aan het Gerechtelijk...
Hoofdstuk 2. - Wijzigingen van de wet van 10 ap...
HOOFDSTUK 3. - Wijziging van de wet van 5 mei 2...
HOOFDSTUK 4. - Opheffingsbepalingen
Titel 7. - Wijzigingen aan het Gerechtelijk Wet...
HOOFDSTUK 1. - Elektronische lijst van de leden...
HOOFDSTUK 2. - Elektronische lijsten van advocaten
HOOFDSTUK 3. - Elektronische lijsten van gerech...
HOOFDSTUK 4. - Inwerkingtreding
TITEL 8. - Wijziging van het Gerechtelijk Wetbo...
TITEL 9. - Wijzigingen aan het statuut van de r...
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van het Gerechtelijk...
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van diverse bepalingen
HOOFDSTUK 3. - Overgangsbepalingen
TITEL 10. - Wijzigingen betreffende de Notariël...
HOOFDSTUK 1. - Wet van 25 ventôse jaar XI op he...
HOOFDSTUK 2. - Financiering
HOOFDSTUK 3. - Overgangsmaatregelen en inwerkin...
Titel 11. - Wijzigingen aan de programmawet van...
Titel 12. - Wijzigingen van de basiswet van 12 ...
TITEL 13. - Wijzigingen van de wet van 18 juni ...
TITEL 14. - Wijzigingen aan de wet van 10 augus...
TITEL 15. - Wijzigingen betreffende het centraa...
TITEL 16. - Wijziging aan het Gerechtelijk Wetb...
TITEL 17. - Wijziging aan het Wetboek der regis...
TITEL 18. - Wijzigingen betreffende het gebruik...
TITEL 19. - Bepalingen betreffende de tenuitvoe...
TITEL 20. - Bepalingen met betrekking op de inz...
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van het Wetboek van ...
HOOFDSTUK 2. - Wijziging van het Strafwetboek
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van de wet van 20 ju...
Inhoud
TITRE 1er. - Dispositions générales.
TITRE 2. - Dispositions relatives au traitement...
CHAPITRE 1er. - Définitions
CHAPITRE 2. - Les banques de données
Section 1re. - [1 le système de gestion de la d...
Section 2. - Le Registre intégré de suivi, d'ac...
Section 3. - Dossier Judiciaire Electronique In...
CHAPITRE 3. - Dispositions communes aux section...
CHAPITRE 4. - Disposition d'entrée en vigueur
TITRE 3. - Modifications du Code d'instruction ...
TITRE 4. - Modifications du Code de droit écono...
TITRE 5. - L'informatisation de la procédure du...
CHAPITRE 1er. - Modifications du Code judiciaire
CHAPITRE 2. - Modifications de la loi de 5 juil...
CHAPITRE 3. - Disposition transitoire
CHAPITRE 4. - Entrée en vigueur
TITRE 6. - Modifications au registre national d...
CHAPITRE 1er. . - Modifications du Code judiciaire
CHAPITRE 2. - Modifications de la loi du 10 avr...
CHAPITRE 3. - Modification de la loi du 5 mai 2...
CHAPITRE 4. - Dispositions abrogatoires
TITRE 7. - Modifications du Code judiciaire rel...
CHAPITRE 1er. - Liste électronique des membres ...
CHAPITRE 2. - Listes électroniques des avocats
CHAPITRE 3. - Listes électroniques des huissier...
CHAPITRE 4. - Entrée en vigueur
TITRE 8. - Modification du Code judiciaire conc...
Titre 9. - Modifications au statut du juge cons...
CHAPITRE 1er. - Modifications du Code judiciaire
CHAPITRE 2. - Modifications de dispositions div...
CHAPITRE 3. - Dispositions transitoires
TITRE 10. - Modifications concernant la Banque ...
CHAPITRE 1er. - Loi du 25 ventôse an XI contena...
CHAPITRE 2. - Financement
CHAPITRE 3. - Dispositions transitoires et entr...
Titre 11. - Modifications de la loi programme d...
Titre 12. - Modifications de la loi de principe...
TITRE 13. - Modifications de la loi du 18 juin ...
TITRE 14. - Modifications à la loi du 10 août 2...
TITRE 15. - Modifications concernant le registr...
TITRE 16. - Modification du Code judiciaire con...
TITRE 17. - Modifications du Code des droits d'...
TITRE 18. - Modifications concernant l'utilisat...
TITRE 19. - Dispositions concernant l'exécution...
TITRE 20. - Dispositions concernant la consulta...
CHAPITRE 1. - Modifications au Code d'instructi...
CHAPITRE 2. - Modification du Code pénal
CHAPITRE 3. - Modifications de la loi du 20 jui...
Tekst (208)
Texte (208)
TITEL 1. - Algemene bepalingen
TITRE 1er. - Dispositions générales.
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 74 de la Constitution
TITEL 2. - Bepalingen betreffende de verwerking van persoonsgegevens door de Federale Overheidsdienst Justitie in het kader van de uitoefening van de wettelijke opdrachten van de penitentiaire administratie, in het kader van de uitoefening van de wettelijke opdrachten van toezicht, opvolging en controle van personen die het voorwerp uitmaken van een strafrechtelijke beslissing en die, mits naleving van voorwaarden, in vrijheid zijn, in vrijheid werden gesteld of in vrijheid zijn gelaten en in het kader van de opvolging op dossierniveau van de uitvoeringsfase van gerechtelijke beslissingen houdende straffen en maatregelen van gerechtelijke overheden in strafzaken
TITRE 2. - Dispositions relatives au traitement de données à caractère personnel par le Service public fédéral Justice dans le cadre de l'exercice des missions légales de l'administration pénitentiaire, dans le cadre de l'exercice des missions légales de surveillance, d'accompagnement et de contrôle des personnes qui font l'objet d'une décision pénale et qui, moyennant le respect de conditions, sont en liberté, ont été mises en liberté ou ont été laissées en liberté et dans le cadre de la gestion des dossiers dans la phase de l'exécution des décisions des autorités judiciaires dans des affaires pénales contenant des peines et mesures
HOOFDSTUK 1. - Definities
CHAPITRE 1er. - Définitions
Art. 2. Voor de toepassing van deze titel en zijn uitvoeringsbesluiten wordt verstaan onder :
1° de wet van 12 januari 2005 : de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden;
2° vrijheidsstraf : opsluiting, hechtenis, gevangenisstraf, militaire gevangenisstraf, vervangende gevangenisstraf, de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank;
3° vrijheidsbenemende maatregel : elke vorm van vrijheidsbeneming op andere dan de in 2° genoemde gronden, met inbegrip van de internering op basis van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering;
4° penitentiaire administratie : het openbaar bestuur belast met de uitvoering van veroordelingen tot vrijheidsstraffen en van vrijheidsbenemende maatregelen waarvan de bevoegde overheid de uitvoering heeft gevorderd;
5° inrichting :
a) de gevangenis bedoeld in artikel 2, 15°, van de wet van 12 januari 2005;
b) de door de federale overheid georganiseerde inrichting of afdeling tot bescherming van de maatschappij;
c) het gemeenschapscentrum voor minderjarigen waarin personen worden geplaatst na uithandengeving als bedoeld bij artikel 57bis van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade;
6° gedetineerde: de persoon ten aanzien van wie de uitvoering van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel geheel of gedeeltelijk plaats vindt in een inrichting;
7° [1 ...]1
8° de minister: de minister die Justitie in zijn bevoegdheden heeft.
1° de wet van 12 januari 2005 : de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden;
2° vrijheidsstraf : opsluiting, hechtenis, gevangenisstraf, militaire gevangenisstraf, vervangende gevangenisstraf, de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank;
3° vrijheidsbenemende maatregel : elke vorm van vrijheidsbeneming op andere dan de in 2° genoemde gronden, met inbegrip van de internering op basis van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering;
4° penitentiaire administratie : het openbaar bestuur belast met de uitvoering van veroordelingen tot vrijheidsstraffen en van vrijheidsbenemende maatregelen waarvan de bevoegde overheid de uitvoering heeft gevorderd;
5° inrichting :
a) de gevangenis bedoeld in artikel 2, 15°, van de wet van 12 januari 2005;
b) de door de federale overheid georganiseerde inrichting of afdeling tot bescherming van de maatschappij;
c) het gemeenschapscentrum voor minderjarigen waarin personen worden geplaatst na uithandengeving als bedoeld bij artikel 57bis van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade;
6° gedetineerde: de persoon ten aanzien van wie de uitvoering van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel geheel of gedeeltelijk plaats vindt in een inrichting;
7° [1 ...]1
8° de minister: de minister die Justitie in zijn bevoegdheden heeft.
Art. 2. Pour l'application du présent titre et de ses arrêtés d'exécution, on entend par :
1° la loi du 12 janvier 2005 : la loi de principes du 12 janvier 2005 concernant l'administration pénitentiaire ainsi que le statut juridique interne des détenus;
2° peine privative de liberté : la réclusion, la détention, l'emprisonnement, l'emprisonnement militaire, l'emprisonnement subsidiaire, la mise à disposition du tribunal de l'application des peines;
3° mesure privative de liberté : toute forme de privation de liberté basée sur d'autres fondements que ceux énoncés au 2°, y compris l'internement sur base de la loi du 5 mai 2014 relative à l'internement;
4° administration pénitentiaire : l'administration publique chargée de l'exécution de condamnations à des peines privatives de liberté et de mesures privatives de liberté dont l'autorité compétente a requis l'exécution;
5° établissement :
a) la prison visée à l'article 2, 15°, de la loi du 12 janvier 2005;
b) l'établissement ou la section de défense sociale organisé par l'autorité fédérale;
c) le centre communautaire pour mineurs dans lesquels ces derniers sont placés à la suite d'un dessaisissement au sens de l'article 57bis de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, a la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait;
6° détenu: la personne à l'égard de laquelle l'exécution d'une peine privative de liberté ou d'une mesure privative de liberté s'effectue en tout ou en partie dans un établissement;
7° [1 ...]1
8° le ministre: le ministre qui a la Justice dans ses attributions.
1° la loi du 12 janvier 2005 : la loi de principes du 12 janvier 2005 concernant l'administration pénitentiaire ainsi que le statut juridique interne des détenus;
2° peine privative de liberté : la réclusion, la détention, l'emprisonnement, l'emprisonnement militaire, l'emprisonnement subsidiaire, la mise à disposition du tribunal de l'application des peines;
3° mesure privative de liberté : toute forme de privation de liberté basée sur d'autres fondements que ceux énoncés au 2°, y compris l'internement sur base de la loi du 5 mai 2014 relative à l'internement;
4° administration pénitentiaire : l'administration publique chargée de l'exécution de condamnations à des peines privatives de liberté et de mesures privatives de liberté dont l'autorité compétente a requis l'exécution;
5° établissement :
a) la prison visée à l'article 2, 15°, de la loi du 12 janvier 2005;
b) l'établissement ou la section de défense sociale organisé par l'autorité fédérale;
c) le centre communautaire pour mineurs dans lesquels ces derniers sont placés à la suite d'un dessaisissement au sens de l'article 57bis de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, a la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait;
6° détenu: la personne à l'égard de laquelle l'exécution d'une peine privative de liberté ou d'une mesure privative de liberté s'effectue en tout ou en partie dans un établissement;
7° [1 ...]1
8° le ministre: le ministre qui a la Justice dans ses attributions.
HOOFDSTUK 2. - De gegevensbanken
CHAPITRE 2. - Les banques de données
Afdeling 1. - [1 het detentiebeheersysteem]1
Section 1re. - [1 le système de gestion de la détention]1
Art. 3. Bij de Federale Overheidsdienst Justitie wordt een geïnformatiseerde gegevensbank opgericht, hierna [1 het detentiebeheersysteem]1 genoemd, waarin de gegevens worden verwerkt die nodig zijn voor de adequate uitoefening van de wettelijke opdrachten van de penitentiaire administratie, bestaande uit :
1° het beheer van de inrichtingen bedoeld in artikel 2, 5°, a) en b) [2 , met inbegrip van de vrijwaring van de veiligheid ervan]2;
2° de uitvoering van vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen, in het bijzonder de toepassing van alle regels die verband houden met :
a) de rechten en plichten van de gedetineerde als bewoner van de inrichting;
b) de duur van de detentie;
c) het al dan niet tijdelijk verlaten van de inrichting.
[2 De penitentiaire administratie treedt op als beheerder van het detentiebeheersysteem.]2
1° het beheer van de inrichtingen bedoeld in artikel 2, 5°, a) en b) [2 , met inbegrip van de vrijwaring van de veiligheid ervan]2;
2° de uitvoering van vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen, in het bijzonder de toepassing van alle regels die verband houden met :
a) de rechten en plichten van de gedetineerde als bewoner van de inrichting;
b) de duur van de detentie;
c) het al dan niet tijdelijk verlaten van de inrichting.
[2 De penitentiaire administratie treedt op als beheerder van het detentiebeheersysteem.]2
Art. 3. Il est créé au sein du Service Public Fédéral Justice une banque de données informatisée, appelée ci-après [1 le système de gestion de la détention]1, dans laquelle sont traitées les données nécessaires à l'exercice adéquat des missions légales de l'administration pénitentiaire consistant en :
1° la gestion des établissements visés à l'article 2, 5°, a) et b) [2 , y compris la préservation de la sécurité de ceux-ci]2;
2° l'exécution des peines et mesures privatives de liberté, notamment l'application de toutes les règles relatives :
a) aux droits et devoirs du détenu en tant que résidant dans l'établissement;
b) à la durée de la détention;
c) à la sortie temporaire ou non de l'établissement.
[2 L'administration pénitentiaire agit en tant que gestionnaire du système de gestion de la détention.]2
1° la gestion des établissements visés à l'article 2, 5°, a) et b) [2 , y compris la préservation de la sécurité de ceux-ci]2;
2° l'exécution des peines et mesures privatives de liberté, notamment l'application de toutes les règles relatives :
a) aux droits et devoirs du détenu en tant que résidant dans l'établissement;
b) à la durée de la détention;
c) à la sortie temporaire ou non de l'établissement.
[2 L'administration pénitentiaire agit en tant que gestionnaire du système de gestion de la détention.]2
Art. 4. De Federale Overheidsdienst Justitie is met betrekking tot de in deze afdeling bedoelde gegevensbank de verwerkingsverantwoordelijke in de zin van [1 artikel 26, 8°, van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens]1.
Art. 4. Le Service Public Fédéral Justice est le responsable du traitement au sens de [1 l'article 26, 8°, de la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l'égard des traitements de données à caractère personnel]1 en ce qui concerne la banque de données visée par cette section.
Art. 5. § 1. Met betrekking tot de gedetineerde worden de volgende categorieën van persoonsgegevens in [1 het detentiebeheersysteem]1 verwerkt :
1° de identificatiegegevens, zijnde de gegevens die het mogelijk maken de gedetineerde op unieke wijze te identificeren;
2° de gerechtelijke gegevens, zijnde de gegevens in verband met de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel die de grondslag van de detentie vormt;
3° de gegevens aangaande de interne rechtspositie van de gedetineerde, zijnde de gegevens die verband houden met het leven van de persoon in de inrichting en de op hem in dat kader van toepassing zijnde rechten en plichten;
4° de gegevens aangaande de externe rechtspositie van de gedetineerde, zijnde de gegevens die verband houden met de duur van de detentie en het al dan niet tijdelijk verlaten van de inrichting;
5° [2 ...]2
§ 2. Met betrekking tot het bij de in de eerste paragraaf bedoelde persoon verblijvend kind worden de volgende categorieën van persoonsgegevens in [1 het detentiebeheersysteem]1 verwerkt :
1° de identificatiegegevens;
2° de gegevens betreffende het verblijf in de inrichting.
§ 3. Met betrekking tot de personen bedoeld in artikel 59 van de wet van 12 januari 2005, worden de volgende categorieën van persoonsgegevens in Sidis Suite verwerkt :
1° de identificatiegegevens;
2° de gegevens betreffende de bezoeken.
§ 4. Met betrekking tot de andere dan de in de paragrafen 1 tot en met 3 bedoelde personen die de inrichting in welke hoedanigheid ook betreden, worden volgende categorieën van persoonsgegevens in [1 het detentiebeheersysteem]1 verwerkt :
1° de identificatiegegevens;
2° de gegevens betreffende de toegang tot de inrichting.
§ 5. [2 ...]2
§ 6. Na advies van de bevoegde toezichthoudende autoriteit, geeft de Koning nadere invulling aan de categorieën van gegevens bedoeld in de paragrafen 1 tot en met 5.
1° de identificatiegegevens, zijnde de gegevens die het mogelijk maken de gedetineerde op unieke wijze te identificeren;
2° de gerechtelijke gegevens, zijnde de gegevens in verband met de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel die de grondslag van de detentie vormt;
3° de gegevens aangaande de interne rechtspositie van de gedetineerde, zijnde de gegevens die verband houden met het leven van de persoon in de inrichting en de op hem in dat kader van toepassing zijnde rechten en plichten;
4° de gegevens aangaande de externe rechtspositie van de gedetineerde, zijnde de gegevens die verband houden met de duur van de detentie en het al dan niet tijdelijk verlaten van de inrichting;
5° [2 ...]2
§ 2. Met betrekking tot het bij de in de eerste paragraaf bedoelde persoon verblijvend kind worden de volgende categorieën van persoonsgegevens in [1 het detentiebeheersysteem]1 verwerkt :
1° de identificatiegegevens;
2° de gegevens betreffende het verblijf in de inrichting.
§ 3. Met betrekking tot de personen bedoeld in artikel 59 van de wet van 12 januari 2005, worden de volgende categorieën van persoonsgegevens in Sidis Suite verwerkt :
1° de identificatiegegevens;
2° de gegevens betreffende de bezoeken.
§ 4. Met betrekking tot de andere dan de in de paragrafen 1 tot en met 3 bedoelde personen die de inrichting in welke hoedanigheid ook betreden, worden volgende categorieën van persoonsgegevens in [1 het detentiebeheersysteem]1 verwerkt :
1° de identificatiegegevens;
2° de gegevens betreffende de toegang tot de inrichting.
§ 5. [2 ...]2
§ 6. Na advies van de bevoegde toezichthoudende autoriteit, geeft de Koning nadere invulling aan de categorieën van gegevens bedoeld in de paragrafen 1 tot en met 5.
Art. 5. § 1er. En ce qui concerne les détenus, les catégories de données à caractère personnel suivantes sont traitées dans [1 le système de gestion de la détention]1 :
1° les données d'identification, à savoir les données permettant d'identifier le détenu de manière unique;
2° les données judiciaires, à savoir les données relatives à la peine ou la mesure privative de liberté qui est à l'origine de sa détention;
3° les données relatives au statut juridique interne du détenu, à savoir les données concernant la vie de la personne au sein de l'établissement et les droits et obligations qui s'appliquent à cette personne dans ce cadre;
4° les données relatives au statut juridique externe du détenu, à savoir les données relatives à la durée de la détention et à la sortie temporaire ou non de l'établissement;
5° [2 ...]2
§ 2. Concernant l'enfant qui séjourne auprès de la personne visée au paragraphe premier, les catégories de données à caractère personnel suivantes sont traitées dans Sidis Suite :
1° les données d'identification;
2° les données relatives au séjour dans l'établissement.
§ 3. Concernant les personnes visées à l'article 59 de la loi du 12 janvier 2005, les catégories de données à caractère personnel suivantes sont traitées dans [1 le système de gestion de la détention]1 :
1° les données d'identification;
2° les données concernant les visites.
§ 4. Concernant les personnes autres que celles visées aux paragraphes 1er à 3 qui, en quelque qualité que ce soit, entrent également dans l' établissement, les catégories de données à caractère personnel suivantes sont traitées dans [1 le système de gestion de la détention]1 :
1° les données d'identification;
2° les données concernant l'accès à l'établissement.
§ 5. [2 ...]2
§ 6. Après avis de l'autorité de contrôle compétente, le Roi précise les catégories de données visées aux paragraphes 1er à 5.
1° les données d'identification, à savoir les données permettant d'identifier le détenu de manière unique;
2° les données judiciaires, à savoir les données relatives à la peine ou la mesure privative de liberté qui est à l'origine de sa détention;
3° les données relatives au statut juridique interne du détenu, à savoir les données concernant la vie de la personne au sein de l'établissement et les droits et obligations qui s'appliquent à cette personne dans ce cadre;
4° les données relatives au statut juridique externe du détenu, à savoir les données relatives à la durée de la détention et à la sortie temporaire ou non de l'établissement;
5° [2 ...]2
§ 2. Concernant l'enfant qui séjourne auprès de la personne visée au paragraphe premier, les catégories de données à caractère personnel suivantes sont traitées dans Sidis Suite :
1° les données d'identification;
2° les données relatives au séjour dans l'établissement.
§ 3. Concernant les personnes visées à l'article 59 de la loi du 12 janvier 2005, les catégories de données à caractère personnel suivantes sont traitées dans [1 le système de gestion de la détention]1 :
1° les données d'identification;
2° les données concernant les visites.
§ 4. Concernant les personnes autres que celles visées aux paragraphes 1er à 3 qui, en quelque qualité que ce soit, entrent également dans l' établissement, les catégories de données à caractère personnel suivantes sont traitées dans [1 le système de gestion de la détention]1 :
1° les données d'identification;
2° les données concernant l'accès à l'établissement.
§ 5. [2 ...]2
§ 6. Après avis de l'autorité de contrôle compétente, le Roi précise les catégories de données visées aux paragraphes 1er à 5.
Art. 6. [2 De Federale Overheidsdienst Justitie kent op individuele en persoonlijke basis lees- en/of schrijfrechten toe in het detentiebeheersysteem aan haar personeel en aan dat van de gemeenschapscentra. Deze rechten mogen niet worden overgedragen.]2
De draagwijdte van deze rechten wordt vastgesteld rekening houdend met de taken en, in voorkomend geval, de hoedanigheid van de gebruiker. De gebruiker heeft enkel toegang tot [1 het detentiebeheersysteem]1 voor zover die toegang toereikend, ter zake dienend en niet overmatig is voor het uitvoeren van diens specifieke taken binnen de wettelijke opdrachten bedoeld in artikel 3. De Federale Overheidsdienst Justitie stelt daartoe de gebruikersprofielen vast.
De draagwijdte van deze rechten wordt vastgesteld rekening houdend met de taken en, in voorkomend geval, de hoedanigheid van de gebruiker. De gebruiker heeft enkel toegang tot [1 het detentiebeheersysteem]1 voor zover die toegang toereikend, ter zake dienend en niet overmatig is voor het uitvoeren van diens specifieke taken binnen de wettelijke opdrachten bedoeld in artikel 3. De Federale Overheidsdienst Justitie stelt daartoe de gebruikersprofielen vast.
Art. 6. [2 Le Service Public Fédéral Justice octroie, sur base individuelle et personnelle, droits de lecture et/ou des droits d'écriture au système de gestion de la détention à son personnel et au personnel des centres communautaires. Ces droits ne peuvent être transférés.]2
L'étendue de ces droits est établie en tenant compte des tâches et, le cas échéant, de la qualité de l'utilisateur. L'utilisateur n'a accès [1 au système de gestion de la détention]1 que pour autant que cet accès soit adéquat, pertinent et non excessif pour l'accomplissement de ses tâches spécifiques dans le cadre des missions légales visées à l'article 3. Le Service Public Fédéral Justice établit les profils d'utilisateurs à cet effet.
L'étendue de ces droits est établie en tenant compte des tâches et, le cas échéant, de la qualité de l'utilisateur. L'utilisateur n'a accès [1 au système de gestion de la détention]1 que pour autant que cet accès soit adéquat, pertinent et non excessif pour l'accomplissement de ses tâches spécifiques dans le cadre des missions légales visées à l'article 3. Le Service Public Fédéral Justice établit les profils d'utilisateurs à cet effet.
Art. 7. § 1. Aan de volgende overheden, organen of diensten wordt een leesrecht toegekend met betrekking tot de in [1 het detentiebeheersysteem]1 verwerkte gegevens die zij nodig hebben voor de uitoefening van hun wettelijke opdrachten :
1° de politiediensten;
2° de Veiligheid van de Staat;
3° de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid;
4° het coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse;
5° het openbaar ministerie en de parketsecretariaten;
6° de magistraten van de zetel, de assessoren bij de strafuitvoeringsrechtbank en de griffies;
7° de Dienst Vreemdelingenzaken;
8° [2 het Controleorgaan op de politionele informatie;]2
9° de diensten van de Gemeenschappen die opdrachten uitoefenen in het kader van de gerechtelijke procedure of de uitvoering van gerechtelijke beslissingen, met inbegrip van de dienst die de uitwerking en de opvolging van het elektronisch toezicht verzekert;
10° de personen of diensten belast met de hulp- en dienstverlening aan gedetineerden;
11° de Centrale Toezichtsraad voor het gevangeniswezen en de Commissies van toezicht;
12° de gerechtsdeurwaarders;
13° de instellingen of diensten belast met de toepassing van een wetgeving betreffende de sociale zekerheid of de sociale bijstand en de inspectiediensten belast met de controle op de naleving van de toekenningsvoorwaarden van de in toepassing van die wetgeving toegekende voordelen of uitkeringen;
14° de gemeentebesturen;
15° [2 het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten en zijn Dienst Enquêtes;]2
16° [2 de Algemene Inspectie van de federale politie en van de lokale politie.]2
§ 2. De Koning bepaalt, na advies van de bevoegde toezichthoudende autoriteit, de omvang en de modaliteiten van dat leesrecht [2 met inbegrip van het aspect van het recht om overeenkomstig artikel 9 gearchiveerde gegevens te lezen]2 en preciseert per overheid, orgaan of dienst voor welke specifieke doeleinden de gegevens kunnen worden aangewend.
§ 3. Binnen elke overheid, orgaan of dienst is het leesrecht strikt beperkt tot de gemachtigde personen en wordt het slechts toegekend voor zover het toereikend, ter zake dienend en niet overmatig is voor het uitvoeren van hun wettelijke opdrachten.
Bij de organisatie van het leesrecht zal maximaal gebruik gemaakt worden van de technieken die door dienstenintegratoren ter beschikking gesteld kunnen worden.
§ 4. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van de bevoegde toezichthoudende autoriteit, andere overheden, organen of diensten aanwijzen die een leesrecht krijgen met betrekking tot de in de in [1 het detentiebeheersysteem]1 verwerkte gegevens en er overeenkomstig het tweede lid de omvang en modaliteiten en specifieke doeleinden van bepalen.
1° de politiediensten;
2° de Veiligheid van de Staat;
3° de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid;
4° het coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse;
5° het openbaar ministerie en de parketsecretariaten;
6° de magistraten van de zetel, de assessoren bij de strafuitvoeringsrechtbank en de griffies;
7° de Dienst Vreemdelingenzaken;
8° [2 het Controleorgaan op de politionele informatie;]2
9° de diensten van de Gemeenschappen die opdrachten uitoefenen in het kader van de gerechtelijke procedure of de uitvoering van gerechtelijke beslissingen, met inbegrip van de dienst die de uitwerking en de opvolging van het elektronisch toezicht verzekert;
10° de personen of diensten belast met de hulp- en dienstverlening aan gedetineerden;
11° de Centrale Toezichtsraad voor het gevangeniswezen en de Commissies van toezicht;
12° de gerechtsdeurwaarders;
13° de instellingen of diensten belast met de toepassing van een wetgeving betreffende de sociale zekerheid of de sociale bijstand en de inspectiediensten belast met de controle op de naleving van de toekenningsvoorwaarden van de in toepassing van die wetgeving toegekende voordelen of uitkeringen;
14° de gemeentebesturen;
15° [2 het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten en zijn Dienst Enquêtes;]2
16° [2 de Algemene Inspectie van de federale politie en van de lokale politie.]2
§ 2. De Koning bepaalt, na advies van de bevoegde toezichthoudende autoriteit, de omvang en de modaliteiten van dat leesrecht [2 met inbegrip van het aspect van het recht om overeenkomstig artikel 9 gearchiveerde gegevens te lezen]2 en preciseert per overheid, orgaan of dienst voor welke specifieke doeleinden de gegevens kunnen worden aangewend.
§ 3. Binnen elke overheid, orgaan of dienst is het leesrecht strikt beperkt tot de gemachtigde personen en wordt het slechts toegekend voor zover het toereikend, ter zake dienend en niet overmatig is voor het uitvoeren van hun wettelijke opdrachten.
Bij de organisatie van het leesrecht zal maximaal gebruik gemaakt worden van de technieken die door dienstenintegratoren ter beschikking gesteld kunnen worden.
§ 4. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van de bevoegde toezichthoudende autoriteit, andere overheden, organen of diensten aanwijzen die een leesrecht krijgen met betrekking tot de in de in [1 het detentiebeheersysteem]1 verwerkte gegevens en er overeenkomstig het tweede lid de omvang en modaliteiten en specifieke doeleinden van bepalen.
Art. 7. § 1er. Les autorités, organes ou services suivants se voient attribuer un droit de lecture des données traitées dans [1 le système de gestion de la détention]1, dont ils ont besoin pour l'accomplissement de leurs missions légales :
1° les services de police;
2° la Sûreté de l'Etat;
3° le Service Général du Renseignement et de la Sécurité;
4° l'Organe de coordination pour l'analyse de la menace;
5° le ministère public et les secrétariats de parquet;
6° les magistrats du siège, les assesseurs au tribunal de l'application des peines et les greffes;
7° l'Office des étrangers;
8° [2 l'Organe de contrôle de l'information policière;]2
9° les services des Communautés qui accomplissent des missions dans le cadre de la procédure judiciaire ou de l'exécution de décisions judicaires, y compris le service qui assure la mise en oeuvre et le suivi de la surveillance électronique;
10° les personnes ou services chargés de l'aide et des services aux détenus;
11° le Conseil central de surveillance pénitentiaire et les commissions de surveillance;
12° les huissiers de justice;
13° les organismes ou services chargés de l'application d'une législation relative à la sécurité sociale ou à l'assistance sociale et les services d'inspection en charge du contrôle du respect des conditions d'octroi des avantages ou allocations octroyées en application de cette législation;
14° les administrations communales;
15° [2 le Comité permanent de contrôle des services de police et son Service d'enquêtes;]2
16° [2 l'Inspection générale de la police fédérale et de la police locale.]2
§ 2. Le Roi détermine, après avis de l'autorité de contrôle compétente, l'étendue et les modalités de ce droit de lecture [2 , y compris l'aspect du droit de lire les données archivées en vertu de l'article 9]2 et précise par autorité, organe ou service pour quelles fins spécifiques les données peuvent être utilisées.
§ 3. Au sein de chaque autorité, organe ou service, le droit de lecture est strictement limité aux personnes autorisées et n'est accordé que pour autant qu'il soit adéquat, pertinent et non excessif pour l'accomplissement de leurs missions légales.
Les techniques qui peuvent être mises à disposition par les intégrateurs de services seront utilisées au maximum pour l'organisation du droit de lecture.
§ 4. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres et sur avis de l'autorité de contrôle compétente, désigner d'autres autorités, organes ou services qui se voient attribuer le droit de lecture des données traitées dans [1 le système de gestion de la détention]1 et déterminer l'étendue et les modalités et les finalités spécifiques de ce droit conformément à l'alinéa 2.
1° les services de police;
2° la Sûreté de l'Etat;
3° le Service Général du Renseignement et de la Sécurité;
4° l'Organe de coordination pour l'analyse de la menace;
5° le ministère public et les secrétariats de parquet;
6° les magistrats du siège, les assesseurs au tribunal de l'application des peines et les greffes;
7° l'Office des étrangers;
8° [2 l'Organe de contrôle de l'information policière;]2
9° les services des Communautés qui accomplissent des missions dans le cadre de la procédure judiciaire ou de l'exécution de décisions judicaires, y compris le service qui assure la mise en oeuvre et le suivi de la surveillance électronique;
10° les personnes ou services chargés de l'aide et des services aux détenus;
11° le Conseil central de surveillance pénitentiaire et les commissions de surveillance;
12° les huissiers de justice;
13° les organismes ou services chargés de l'application d'une législation relative à la sécurité sociale ou à l'assistance sociale et les services d'inspection en charge du contrôle du respect des conditions d'octroi des avantages ou allocations octroyées en application de cette législation;
14° les administrations communales;
15° [2 le Comité permanent de contrôle des services de police et son Service d'enquêtes;]2
16° [2 l'Inspection générale de la police fédérale et de la police locale.]2
§ 2. Le Roi détermine, après avis de l'autorité de contrôle compétente, l'étendue et les modalités de ce droit de lecture [2 , y compris l'aspect du droit de lire les données archivées en vertu de l'article 9]2 et précise par autorité, organe ou service pour quelles fins spécifiques les données peuvent être utilisées.
§ 3. Au sein de chaque autorité, organe ou service, le droit de lecture est strictement limité aux personnes autorisées et n'est accordé que pour autant qu'il soit adéquat, pertinent et non excessif pour l'accomplissement de leurs missions légales.
Les techniques qui peuvent être mises à disposition par les intégrateurs de services seront utilisées au maximum pour l'organisation du droit de lecture.
§ 4. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres et sur avis de l'autorité de contrôle compétente, désigner d'autres autorités, organes ou services qui se voient attribuer le droit de lecture des données traitées dans [1 le système de gestion de la détention]1 et déterminer l'étendue et les modalités et les finalités spécifiques de ce droit conformément à l'alinéa 2.
Art. 8. § 1. De Dienst Vreemdelingenzaken heeft een registratieplicht en ten behoeve daarvan een schrijfrecht in [1 het detentiebeheersysteem]1 voor wat betreft de relevante gegevens inzake het verblijfsstatuut van de gedetineerde vreemdelingen. Hij is verantwoordelijk voor de juistheid van deze gegevens.
De directeur-generaal van de Dienst Vreemdelingenzaken wijst de personeelsleden aan belast met de registratie en bijwerking van de gegevens bedoeld in het eerste lid. Deze lijst wordt in functie van het gebruikers- en toegangsbeheer ter beschikking gesteld van de Federale Overheidsdienst Justitie.
§ 2. De politiediensten hebben een registratieplicht en ten behoeve daarvan een schrijfrecht in [1 het detentiebeheersysteem]1 voor de relevante gegevens inzake gedetineerden in het kader van de uitoefening van hun opdrachten bedoeld in artikel 23 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt.
De korpschefs van de lokale politie, de directeurs-generaal en de directeurs van de federale politie of de personen aan wie zij die opdracht delegeren, wijzen de personen aan die belast zijn met de registratie en de bijwerking van de gegevens bedoeld in het eerste lid. Deze lijst wordt in functie van het gebruikers- en toegangsbeheer ter beschikking gesteld van de Federale Overheidsdienst Justitie.
§ 3. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van de bevoegde toezichthoudende autoriteit, andere Belgische overheden, organen of diensten aanwijzen die schrijfrecht en registratieplicht hebben in [1 het detentiebeheersysteem]1 en er de specifieke doelen, de omvang en modaliteiten van bepalen.
De directeur-generaal van de Dienst Vreemdelingenzaken wijst de personeelsleden aan belast met de registratie en bijwerking van de gegevens bedoeld in het eerste lid. Deze lijst wordt in functie van het gebruikers- en toegangsbeheer ter beschikking gesteld van de Federale Overheidsdienst Justitie.
§ 2. De politiediensten hebben een registratieplicht en ten behoeve daarvan een schrijfrecht in [1 het detentiebeheersysteem]1 voor de relevante gegevens inzake gedetineerden in het kader van de uitoefening van hun opdrachten bedoeld in artikel 23 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt.
De korpschefs van de lokale politie, de directeurs-generaal en de directeurs van de federale politie of de personen aan wie zij die opdracht delegeren, wijzen de personen aan die belast zijn met de registratie en de bijwerking van de gegevens bedoeld in het eerste lid. Deze lijst wordt in functie van het gebruikers- en toegangsbeheer ter beschikking gesteld van de Federale Overheidsdienst Justitie.
§ 3. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van de bevoegde toezichthoudende autoriteit, andere Belgische overheden, organen of diensten aanwijzen die schrijfrecht en registratieplicht hebben in [1 het detentiebeheersysteem]1 en er de specifieke doelen, de omvang en modaliteiten van bepalen.
Art. 8. § 1er. L'Office des étrangers se voit imposer une obligation d'enregistrement et, à cet effet, un droit d'écriture dans [1 le système de gestion de la détention]1 en ce qui concerne les données pertinentes relatives au statut de séjour des détenus étrangers. Il est responsable de l'exactitude de ces données.
Le directeur général de l'Office des étrangers désigne des membres de personnel chargés de l'enregistrement et de l'actualisation des données visées à l'alinéa 1er. Cette liste est mise à la disposition du Service Public Fédéral Justice en fonction de la gestion des utilisateurs et des accès.
§ 2. Les services de police se voient imposer une obligation d'enregistrement et, à cet effet, un droit d'écriture dans [1 le système de gestion de la détention]1 pour les données pertinentes relatives aux détenus dans le cadre de l'exercice de leurs missions visées à l'article 23 de la loi du 5 aout 1992 sur la fonction de police.
Les chefs de corps pour la police locale, les directeurs généraux et les directeurs pour la police fédérale ou les personnes auxquelles ils délèguent cette mission désignent les membres chargés de l'enregistrement et de l'actualisation des données visées à l'alinéa 1er. Cette liste est mise à la disposition du Service Public Fédéral Justice en fonction de la gestion des utilisateurs et des accès.
§ 3. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres et sur avis de l'autorité de contrôle compétente, désigner d'autres autorités, organes ou services belges qui disposent d'un droit d'écriture et d'une obligation d'enregistrement dans [1 le système de gestion de la détention]1 et d'en déterminer les fins spécifiques, l'étendue et les modalités.
Le directeur général de l'Office des étrangers désigne des membres de personnel chargés de l'enregistrement et de l'actualisation des données visées à l'alinéa 1er. Cette liste est mise à la disposition du Service Public Fédéral Justice en fonction de la gestion des utilisateurs et des accès.
§ 2. Les services de police se voient imposer une obligation d'enregistrement et, à cet effet, un droit d'écriture dans [1 le système de gestion de la détention]1 pour les données pertinentes relatives aux détenus dans le cadre de l'exercice de leurs missions visées à l'article 23 de la loi du 5 aout 1992 sur la fonction de police.
Les chefs de corps pour la police locale, les directeurs généraux et les directeurs pour la police fédérale ou les personnes auxquelles ils délèguent cette mission désignent les membres chargés de l'enregistrement et de l'actualisation des données visées à l'alinéa 1er. Cette liste est mise à la disposition du Service Public Fédéral Justice en fonction de la gestion des utilisateurs et des accès.
§ 3. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres et sur avis de l'autorité de contrôle compétente, désigner d'autres autorités, organes ou services belges qui disposent d'un droit d'écriture et d'une obligation d'enregistrement dans [1 le système de gestion de la détention]1 et d'en déterminer les fins spécifiques, l'étendue et les modalités.
Art. 9. [1 § 1. De gegevens bedoeld in artikel 5, §§ 1, 1° tot 4°, 2 en 3 zijn voor de gebruikers bedoeld in artikel 6 beschikbaar en raadpleegbaar voor zover ze betrekking hebben op:
- veroordeelden: tot een jaar na de definitieve invrijheidstelling;
- verdachten: tot vijf jaar na de invrijheidstelling;
- geïnterneerde personen: tot tien jaar na het verlaten van een inrichting bedoeld in artikel 2, 5°.
Na de in het eerste lid bedoelde periode van actieve bewaring worden de gegevens gearchiveerd voor een periode van dertig jaar.
§ 2. De gearchiveerde gegevens worden voor de gebruikers bedoeld in artikel 6 opnieuw beschikbaar en raadpleegbaar:
1° wanneer de persoon in het kader van wiens detentie de gegevens werden verwerkt terug wordt opgesloten, of
2° mits toelating van de directeur-generaal van de penitentiaire administratie of zijn gemachtigde.
§ 3. De gegevens bedoeld in artikel 5, § 4, worden bewaard tot vijf jaar na de laatste toegang tot de inrichting en worden vervolgens gewist.]1
- veroordeelden: tot een jaar na de definitieve invrijheidstelling;
- verdachten: tot vijf jaar na de invrijheidstelling;
- geïnterneerde personen: tot tien jaar na het verlaten van een inrichting bedoeld in artikel 2, 5°.
Na de in het eerste lid bedoelde periode van actieve bewaring worden de gegevens gearchiveerd voor een periode van dertig jaar.
§ 2. De gearchiveerde gegevens worden voor de gebruikers bedoeld in artikel 6 opnieuw beschikbaar en raadpleegbaar:
1° wanneer de persoon in het kader van wiens detentie de gegevens werden verwerkt terug wordt opgesloten, of
2° mits toelating van de directeur-generaal van de penitentiaire administratie of zijn gemachtigde.
§ 3. De gegevens bedoeld in artikel 5, § 4, worden bewaard tot vijf jaar na de laatste toegang tot de inrichting en worden vervolgens gewist.]1
Art. 9. [1 § 1er. Les données visées à l'article 5, §§ 1, 1° à 4°, 2 et 3 sont disponibles et consultables pour les utilisateurs visés à l'article 6 dans la mesure où elles se rapportent:
- aux condamnés: jusqu'à un an après la libération définitive;
- aux prévenus: jusqu'à cinq ans après la libération;
- aux internés: jusqu'à dix ans après la sortie d'un établissement visé à l'article 2, 5°.
Après la période de conservation active visée à l'alinéa 1er, les données sont archivées pendant une période de trente ans.
§ 2. Les données archivées sont à nouveau disponibles et consultables pour les utilisateurs visés à l'article 6:
1° lorsque la personne dont les données ont été traitées dans le cadre de sa détention est à nouveau incarcérée, ou
2° moyennant l'autorisation du directeur général de l'administration pénitentiaire ou de son délégué.
§ 3. Les données visées à l'article 5, § 4, sont conservées jusqu'à cinq ans après le dernier accès à l'établissement et sont ensuite effacées.]1
- aux condamnés: jusqu'à un an après la libération définitive;
- aux prévenus: jusqu'à cinq ans après la libération;
- aux internés: jusqu'à dix ans après la sortie d'un établissement visé à l'article 2, 5°.
Après la période de conservation active visée à l'alinéa 1er, les données sont archivées pendant une période de trente ans.
§ 2. Les données archivées sont à nouveau disponibles et consultables pour les utilisateurs visés à l'article 6:
1° lorsque la personne dont les données ont été traitées dans le cadre de sa détention est à nouveau incarcérée, ou
2° moyennant l'autorisation du directeur général de l'administration pénitentiaire ou de son délégué.
§ 3. Les données visées à l'article 5, § 4, sont conservées jusqu'à cinq ans après le dernier accès à l'établissement et sont ensuite effacées.]1
Afdeling 2. - Geïntegreerd register voor opvolging, begeleiding en controle van personen die het voorwerp uitmaken van een strafrechtelijke beslissing, een jeugdbeschermingsbeslissing of een interneringsbeslissing en die, mits het naleven van voorwaarden, in vrijheid zijn, in vrijheid werden gesteld of in vrijheid zijn gelaten
Section 2. - Le Registre intégré de suivi, d'accompagnement et de contrôle des personnes qui font l'objet d'une décision pénale, de protection de la jeunesse ou d'internement et qui, moyennant le respect de conditions, sont en liberté, ont été mises en liberté ou ont été laissées en liberté
Art. 10. Er wordt een geïnformatiseerde gegevensbank opgericht waarvan de minister van Justitie de verwerkingsverantwoordelijke is. In deze gegevensbank worden de persoonsgegevens en informatie verwerkt die nodig zijn voor de adequate uitoefening van de wettelijke of reglementaire opdrachten van opvolging, begeleiding en controle door de bevoegde overheden, organen of diensten bedoeld in de artikelen 12 tot 13 van de voorwaarden opgelegd aan personen die het voorwerp vormen van een strafrechtelijke beslissing, een jeugdbeschermingsbeslissing of een interneringsbeslissing, en die, mits naleving van deze voorwaarden in vrijheid zijn, in vrijheid werden gesteld of in vrijheid zijn gelaten.
Art. 10. Il est créé une banque de données informatisée dont le ministre de la Justice est responsable du traitement. Dans cette banque de données sont traitées les données à caractère personnel et informations nécessaires à l'exercice adéquat des missions légales ou réglementaires de suivi, d'accompagnement et de contrôle par les autorités, les organes ou les services visés aux articles 12 à 13 des personnes qui font l'objet d'une décision pénale, de protection de la jeunesse ou d'internement et qui, moyennant le respect de ces conditions, sont en liberté, ont été mises en liberté ou ont été laissées en liberté.
Art. 11. § 1. Met betrekking tot de personen die het voorwerp uitmaken van een beslissing bedoeld in artikel 10 worden volgende categorieën van persoonsgegevens en informatie verwerkt in dit Register :
1° de identificatiegegevens, zijnde de gegevens die het mogelijk maken de betrokkene op unieke wijze te identificeren die, mits voorwaarden worden nageleefd, in vrijheid is, in vrijheid werd gesteld of in vrijheid is gelaten;
2° de strafrechtelijke beslissing, jeugdbeschermingsbeslissing of interneringsbeslissing;
3° in voorkomend geval, de uitvoeringsmodaliteit van de beslissing bedoeld in artikel 10;
4° de voorwaarden opgelegd aan de persoon bedoeld in punt 1° ;
5° de gegevens inzake opvolging en controle met betrekking tot de persoon bedoeld in 1°.
§ 2. Persoonsgegevens van slachtoffers, getuigen en derden opgenomen in de voorwaarden bedoeld in § 1, 4°, kunnen worden verwerkt in het kader van de uitoefening van de opdrachten overeenkomstig artikel 10.
§ 3. Na advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit, geeft de Koning nadere invulling aan de categorieën van gegevens bedoeld in de paragrafen 1 en 2.
1° de identificatiegegevens, zijnde de gegevens die het mogelijk maken de betrokkene op unieke wijze te identificeren die, mits voorwaarden worden nageleefd, in vrijheid is, in vrijheid werd gesteld of in vrijheid is gelaten;
2° de strafrechtelijke beslissing, jeugdbeschermingsbeslissing of interneringsbeslissing;
3° in voorkomend geval, de uitvoeringsmodaliteit van de beslissing bedoeld in artikel 10;
4° de voorwaarden opgelegd aan de persoon bedoeld in punt 1° ;
5° de gegevens inzake opvolging en controle met betrekking tot de persoon bedoeld in 1°.
§ 2. Persoonsgegevens van slachtoffers, getuigen en derden opgenomen in de voorwaarden bedoeld in § 1, 4°, kunnen worden verwerkt in het kader van de uitoefening van de opdrachten overeenkomstig artikel 10.
§ 3. Na advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit, geeft de Koning nadere invulling aan de categorieën van gegevens bedoeld in de paragrafen 1 en 2.
Art. 11. § 1er. Concernant les personnes qui font l'objet d'une décision visée à l'article 10 les catégories de données à caractère personnel et informations suivantes sont traitées dans ce Registre :
1° les données d'identification, à savoir les données permettant d'identifier de manière unique la personne qui, moyennant le respect de conditions, est en liberté, a été mise en liberté ou laissée en liberté;
2° la décision pénale, de protection de la jeunesse ou d'internement;
3° le cas échéant, la modalité d'exécution de la décision visée à l'article 10;
4° les conditions qui sont imposées à la personne visées au point 1° ;
5° les données de suivi et de contrôle relatives à la personne visée au 1°.
§ 2. Les données à caractère personnel des victimes, des témoins ou des tiers désignés dans les conditions visées au § 1er, 4°, peuvent être traitées en vue de l'exécution des missions visées par l'article 10.
§ 3. Après avis de l'Autorité de protection des données, le Roi précise les catégories de données visées aux paragraphes 1er et 2.
1° les données d'identification, à savoir les données permettant d'identifier de manière unique la personne qui, moyennant le respect de conditions, est en liberté, a été mise en liberté ou laissée en liberté;
2° la décision pénale, de protection de la jeunesse ou d'internement;
3° le cas échéant, la modalité d'exécution de la décision visée à l'article 10;
4° les conditions qui sont imposées à la personne visées au point 1° ;
5° les données de suivi et de contrôle relatives à la personne visée au 1°.
§ 2. Les données à caractère personnel des victimes, des témoins ou des tiers désignés dans les conditions visées au § 1er, 4°, peuvent être traitées en vue de l'exécution des missions visées par l'article 10.
§ 3. Après avis de l'Autorité de protection des données, le Roi précise les catégories de données visées aux paragraphes 1er et 2.
Art. 12. § 1. Aan de volgende overheden, organen of diensten wordt een leesrecht toegekend met betrekking tot de gegevens en informatie die verwerkt zijn in het Register bedoeld in artikel 10, en die zij nodig hebben voor de uitoefening van hun wettelijke opdrachten van opvolging, begeleiding en controle van personen die het voorwerp uitmaken van de voorwaarden bedoeld in artikel 11, § 1, 4° [1 of hun wettelijke opdrachten van toezicht op de politiediensten]1:
1° de magistraten van de zetel van alle strafgerechten, de assessoren bij de strafuitvoeringsrechtbank en de griffies;
2° het openbaar ministerie en de parketsecretariaten;
3° de probatiecommissie en haar secretariaat;
4° de politiediensten;
5° de diensten van de Gemeenschappen die opdrachten uitoefenen in het kader van de gerechtelijke procedure of de uitvoering van gerechtelijke beslissingen, met inbegrip van de dienst die de uitwerking en de opvolging van het elektronisch toezicht verzekert;
6° de personeelsleden van de penitentiaire administratie;
7° de minister van Justitie of zijn gemachtigde;
[1 8° het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten en zijn Dienst Enquêtes;
9° de Algemene Inspectie van de federale politie en van de lokale politie;
10° het Controleorgaan op de politionele informatie.]1
§ 2. [1 De overheden, organen of diensten bedoeld in paragraaf 1, 1°, 2°, 4°, 8° voor wat de Dienst Enquêtes van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten betreft en 10°,]1 kunnen eveneens de persoonsgegevens en informatie consulteren in het Register bedoeld in artikel 10 in het kader van strafonderzoeken.
§ 3. De minister stelt in het kader van zijn bevoegdheden de profielen van de leesrechten op voor het Register bedoeld in artikel 10. De draagwijdte van die profielen wordt vastgesteld rekening houdende met de opdrachten en, in voorkomend geval, met de hoedanigheid van de gebruiker en met de beginselen van bescherming van de persoonsgegevens, de naleving van de vertrouwelijkheidsplicht en het beroepsgeheim.
§ 4. De overheden, organen of diensten wijzen binnen hun diensten de personen met een leesrecht aan.
Dit leesrecht wordt individueel toegekend en is toereikend, ter zake dienend en niet overmatig voor het uitvoeren van specifieke taken in het kader van hun wettelijke of reglementaire opdrachten.
De lijst met die personen wordt ter beschikking gehouden van de bevoegde toezichthoudende autoriteit.
§ 5. Na advies van de bevoegde toezichthoudende autoriteit preciseert de Koning de specifieke doeleinden, de draagwijdte en de modaliteiten van de leesrechten voor die overheden, organen of diensten.
§ 6. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van de bevoegde toezichthoudende autoriteit, andere overheden, organen of diensten aanwijzen waaraan een leesrecht wordt toegekend met betrekking tot de gegevens en informatie die verwerkt zijn in het Register bedoeld in artikel 10, alsmede de specifieke doeleinden, de draagwijdte en modaliteiten van dat leesrecht bepalen.
1° de magistraten van de zetel van alle strafgerechten, de assessoren bij de strafuitvoeringsrechtbank en de griffies;
2° het openbaar ministerie en de parketsecretariaten;
3° de probatiecommissie en haar secretariaat;
4° de politiediensten;
5° de diensten van de Gemeenschappen die opdrachten uitoefenen in het kader van de gerechtelijke procedure of de uitvoering van gerechtelijke beslissingen, met inbegrip van de dienst die de uitwerking en de opvolging van het elektronisch toezicht verzekert;
6° de personeelsleden van de penitentiaire administratie;
7° de minister van Justitie of zijn gemachtigde;
[1 8° het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten en zijn Dienst Enquêtes;
9° de Algemene Inspectie van de federale politie en van de lokale politie;
10° het Controleorgaan op de politionele informatie.]1
§ 2. [1 De overheden, organen of diensten bedoeld in paragraaf 1, 1°, 2°, 4°, 8° voor wat de Dienst Enquêtes van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten betreft en 10°,]1 kunnen eveneens de persoonsgegevens en informatie consulteren in het Register bedoeld in artikel 10 in het kader van strafonderzoeken.
§ 3. De minister stelt in het kader van zijn bevoegdheden de profielen van de leesrechten op voor het Register bedoeld in artikel 10. De draagwijdte van die profielen wordt vastgesteld rekening houdende met de opdrachten en, in voorkomend geval, met de hoedanigheid van de gebruiker en met de beginselen van bescherming van de persoonsgegevens, de naleving van de vertrouwelijkheidsplicht en het beroepsgeheim.
§ 4. De overheden, organen of diensten wijzen binnen hun diensten de personen met een leesrecht aan.
Dit leesrecht wordt individueel toegekend en is toereikend, ter zake dienend en niet overmatig voor het uitvoeren van specifieke taken in het kader van hun wettelijke of reglementaire opdrachten.
De lijst met die personen wordt ter beschikking gehouden van de bevoegde toezichthoudende autoriteit.
§ 5. Na advies van de bevoegde toezichthoudende autoriteit preciseert de Koning de specifieke doeleinden, de draagwijdte en de modaliteiten van de leesrechten voor die overheden, organen of diensten.
§ 6. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van de bevoegde toezichthoudende autoriteit, andere overheden, organen of diensten aanwijzen waaraan een leesrecht wordt toegekend met betrekking tot de gegevens en informatie die verwerkt zijn in het Register bedoeld in artikel 10, alsmede de specifieke doeleinden, de draagwijdte en modaliteiten van dat leesrecht bepalen.
Art. 12. § 1er. Les autorités, organes ou services suivants se voient attribuer un droit de lecture des données et informations [1 traitées dans le Registre visé à l'article 10,]1 dont ils ont besoin pour mener à bien leurs missions de suivi, d'accompagnement et de contrôle des personnes faisant l'objet des conditions visées à l'article 11, § 1er, 4° [1 ou leurs missions légales de contrôle sur les services de police]1:
1° les magistrats du siège de toutes les juridictions pénales, les assesseurs au tribunal de l'application des peines et les greffes;
2° le ministère public et les secrétariats du parquet;
3° la commission de probation et son secrétariat;
4° les services de polices;
5° les services des Communautés qui accomplissent des missions dans le cadre de la procédure judiciaire ou de l'exécution de décisions judicaires, y compris le service qui assure la mise en oeuvre et le suivi de la surveillance électronique;
6° les membres du personnel de l'administration pénitentiaire;
7° le ministre de la Justice ou son délégué;
[1 8° le Comité permanent de contrôle des services de police et son Service d'enquêtes;
9° l'Inspection générale de la police fédérale et de la police locale;
10° l'Organe de contrôle de l'information policière.]1
§ 2. [1 Les autorités, organes ou services visés au paragraphe 1er, 1°, 2°, 4°, 8° en ce qui concerne le Service d'enquêtes du Comité permanent de contrôle des services de police et 10°,]1 peuvent également consulter les données et informations traitées dans le Registre visé à l'article 10 dans le cadre d'enquêtes pénales.
§ 3. Le ministre dans le cadre de ses attributions établit les profils des droits de lecture pour le Registre visé à l'article 10. L'étendue de ces profils est établie en tenant compte des missions et, le cas échéant, de la qualité de l'utilisateur et des principes de protection des données à caractère personnel, du respect du devoir de confidentialité et du secret professionnel.
§ 4. Les autorités, organes ou services désignent au sein de leurs services les personnes qui disposent d'un droit de lecture.
Ce droit de lecture est accordé individuellement et est adéquat, pertinent et non excessif pour l'accomplissement de tâches spécifiques dans le cadre de leurs missions légales ou réglementaires.
La liste de ces personnes est tenue à la disposition de l'Autorité de contrôle compétente.
§ 5. Après avis de l'Autorité de contrôle compétente, le Roi précise les finalités spécifiques, l'étendue et les modalités des droits de lecture pour ces autorités, organes ou services.
§ 6. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres et sur avis de l'Autorité de contrôle compétente, désigner d'autres autorités, organes ou services qui se voient attribuer un droit de lecture des données et informations traitées dans le Registre visé à l'article 10, ainsi que les finalités spécifiques, l'étendue et les modalités de ce droit de lecture.
1° les magistrats du siège de toutes les juridictions pénales, les assesseurs au tribunal de l'application des peines et les greffes;
2° le ministère public et les secrétariats du parquet;
3° la commission de probation et son secrétariat;
4° les services de polices;
5° les services des Communautés qui accomplissent des missions dans le cadre de la procédure judiciaire ou de l'exécution de décisions judicaires, y compris le service qui assure la mise en oeuvre et le suivi de la surveillance électronique;
6° les membres du personnel de l'administration pénitentiaire;
7° le ministre de la Justice ou son délégué;
[1 8° le Comité permanent de contrôle des services de police et son Service d'enquêtes;
9° l'Inspection générale de la police fédérale et de la police locale;
10° l'Organe de contrôle de l'information policière.]1
§ 2. [1 Les autorités, organes ou services visés au paragraphe 1er, 1°, 2°, 4°, 8° en ce qui concerne le Service d'enquêtes du Comité permanent de contrôle des services de police et 10°,]1 peuvent également consulter les données et informations traitées dans le Registre visé à l'article 10 dans le cadre d'enquêtes pénales.
§ 3. Le ministre dans le cadre de ses attributions établit les profils des droits de lecture pour le Registre visé à l'article 10. L'étendue de ces profils est établie en tenant compte des missions et, le cas échéant, de la qualité de l'utilisateur et des principes de protection des données à caractère personnel, du respect du devoir de confidentialité et du secret professionnel.
§ 4. Les autorités, organes ou services désignent au sein de leurs services les personnes qui disposent d'un droit de lecture.
Ce droit de lecture est accordé individuellement et est adéquat, pertinent et non excessif pour l'accomplissement de tâches spécifiques dans le cadre de leurs missions légales ou réglementaires.
La liste de ces personnes est tenue à la disposition de l'Autorité de contrôle compétente.
§ 5. Après avis de l'Autorité de contrôle compétente, le Roi précise les finalités spécifiques, l'étendue et les modalités des droits de lecture pour ces autorités, organes ou services.
§ 6. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres et sur avis de l'Autorité de contrôle compétente, désigner d'autres autorités, organes ou services qui se voient attribuer un droit de lecture des données et informations traitées dans le Registre visé à l'article 10, ainsi que les finalités spécifiques, l'étendue et les modalités de ce droit de lecture.
Art. 13. § 1. De volgende overheden, organen of diensten krijgen een registratieplicht opgelegd en ten behoeve daarvan een schrijfrecht in het Register bedoeld in artikel 10, voor de basisgegevens bedoeld in artikel 11, eerste paragraaf, 1° tot 4°, en § 2 :
1° de magistraten van de zetel van alle strafgerechten en de assessoren bij de strafuitvoeringsrechtbank in het kader van de beslissingen bedoeld in artikel 10 die zij genomen hebben of waarvan zij de opvolging verzekeren, alsmede de griffies;
2° het openbaar ministerie in het kader van de voorwaarden die het wettelijk kan opleggen, alsmede de parketsecretariaten;
3° de probatiecommissie in het kader van de voorwaarden die zij wettelijk kan opleggen alsook in het kader van haar bevoegdheid inzake opvolging van de probatiemaatregelen, alsmede het secretariaat van de probatiecommissie;
4° de personeelsleden van de penitentiaire administratie bevoegd voor het toekennen van strafuitvoeringsmodaliteiten die onder haar bevoegdheid vallen;
5° de minister in het kader van de maatregelen die onder zijn bevoegdheid vallen of zijn gemachtigde.
§ 2. De volgende overheden, organen of diensten krijgen een registratieplicht opgelegd met betrekking tot de gegevens en informatie bedoeld in artikel 11, § 1, 5°, volgens de richtlijnen die gezamenlijk zijn opgesteld door de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken, de bevoegde gemeenschapsministers en het College van procureurs-generaal, en ten behoeve daarvan een schrijfrecht in het Register bedoeld in artikel 10 :
1° de politiediensten in het kader van de opvolging en controle bedoeld in de artikelen 19 tot 20 van de wet op het politieambt;
2° het openbaar ministerie en de parketsecretariaten in het kader van hun opdracht inzake strafuitvoering en van de controle daarop.
§ 3. De overheden, organen of diensten bedoeld in de paragrafen 1 en 2 zijn verantwoordelijk voor de juistheid en actualisering van deze gegevens.
§ 4. De minister in het kader van zijn bevoegdheden stelt de profielen van de schrijfrechten op voor het Register bedoeld in artikel 10. De draagwijdte van die profielen wordt vastgesteld rekening houdende met de opdrachten en, in voorkomend geval, met de hoedanigheid van de gebruiker.
§ 5. De overheden, organen of diensten bedoeld in de paragrafen 1 en 2 wijzen binnen hun diensten de personen aan die belast zijn met de registratie en bijwerking van de gegevens en informatie bedoeld in artikel 11 in het Register bedoeld in artikel 10.
De overheden, organen of diensten bedoeld in de paragrafen 1 en 2 blijven verantwoordelijk voor de registratie en bijwerking van de gegevens en informatie bedoeld in artikel 11 wanneer zij automatisch worden doorgegeven door hun eigen informatiesysteem via een gegevensstroom.
Pertinente gegevens uit de gegevensbanken bedoeld in de artikelen 3 en 15 worden automatisch doorgestuurd naar dit Register.
§ 6. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van de bevoegde toezichthoudende autoriteit, andere overheden, organen of diensten aanwijzen die door of krachtens hun wettelijke of reglementaire opdrachten basisgegevens en informatie bedoeld in artikel 11, § 1, 1° tot 4° en § 2, verwerken en die, teneinde het register bedoeld in artikel 10 te voeden, beschikken over een schrijfrecht en registratieplicht in dat register, en de draagwijdte en modaliteiten ervan bepalen, of andere Belgische overheden, organen of diensten aanwijzen die door of krachtens hun wettelijke of reglementaire opdrachten een plicht tot begeleiding, opvolging of controle van de personen bedoeld in artikel 11 hebben en die, teneinde het Register bedoeld in artikel 10 te voeden, beschikken over een schrijfrecht en registratieplicht in dat Register, voor de gegevens en informatie bedoeld in artikel 11, § 1, 5°, en de draagwijdte, de omvang en modaliteiten ervan bepalen.
1° de magistraten van de zetel van alle strafgerechten en de assessoren bij de strafuitvoeringsrechtbank in het kader van de beslissingen bedoeld in artikel 10 die zij genomen hebben of waarvan zij de opvolging verzekeren, alsmede de griffies;
2° het openbaar ministerie in het kader van de voorwaarden die het wettelijk kan opleggen, alsmede de parketsecretariaten;
3° de probatiecommissie in het kader van de voorwaarden die zij wettelijk kan opleggen alsook in het kader van haar bevoegdheid inzake opvolging van de probatiemaatregelen, alsmede het secretariaat van de probatiecommissie;
4° de personeelsleden van de penitentiaire administratie bevoegd voor het toekennen van strafuitvoeringsmodaliteiten die onder haar bevoegdheid vallen;
5° de minister in het kader van de maatregelen die onder zijn bevoegdheid vallen of zijn gemachtigde.
§ 2. De volgende overheden, organen of diensten krijgen een registratieplicht opgelegd met betrekking tot de gegevens en informatie bedoeld in artikel 11, § 1, 5°, volgens de richtlijnen die gezamenlijk zijn opgesteld door de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken, de bevoegde gemeenschapsministers en het College van procureurs-generaal, en ten behoeve daarvan een schrijfrecht in het Register bedoeld in artikel 10 :
1° de politiediensten in het kader van de opvolging en controle bedoeld in de artikelen 19 tot 20 van de wet op het politieambt;
2° het openbaar ministerie en de parketsecretariaten in het kader van hun opdracht inzake strafuitvoering en van de controle daarop.
§ 3. De overheden, organen of diensten bedoeld in de paragrafen 1 en 2 zijn verantwoordelijk voor de juistheid en actualisering van deze gegevens.
§ 4. De minister in het kader van zijn bevoegdheden stelt de profielen van de schrijfrechten op voor het Register bedoeld in artikel 10. De draagwijdte van die profielen wordt vastgesteld rekening houdende met de opdrachten en, in voorkomend geval, met de hoedanigheid van de gebruiker.
§ 5. De overheden, organen of diensten bedoeld in de paragrafen 1 en 2 wijzen binnen hun diensten de personen aan die belast zijn met de registratie en bijwerking van de gegevens en informatie bedoeld in artikel 11 in het Register bedoeld in artikel 10.
De overheden, organen of diensten bedoeld in de paragrafen 1 en 2 blijven verantwoordelijk voor de registratie en bijwerking van de gegevens en informatie bedoeld in artikel 11 wanneer zij automatisch worden doorgegeven door hun eigen informatiesysteem via een gegevensstroom.
Pertinente gegevens uit de gegevensbanken bedoeld in de artikelen 3 en 15 worden automatisch doorgestuurd naar dit Register.
§ 6. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van de bevoegde toezichthoudende autoriteit, andere overheden, organen of diensten aanwijzen die door of krachtens hun wettelijke of reglementaire opdrachten basisgegevens en informatie bedoeld in artikel 11, § 1, 1° tot 4° en § 2, verwerken en die, teneinde het register bedoeld in artikel 10 te voeden, beschikken over een schrijfrecht en registratieplicht in dat register, en de draagwijdte en modaliteiten ervan bepalen, of andere Belgische overheden, organen of diensten aanwijzen die door of krachtens hun wettelijke of reglementaire opdrachten een plicht tot begeleiding, opvolging of controle van de personen bedoeld in artikel 11 hebben en die, teneinde het Register bedoeld in artikel 10 te voeden, beschikken over een schrijfrecht en registratieplicht in dat Register, voor de gegevens en informatie bedoeld in artikel 11, § 1, 5°, en de draagwijdte, de omvang en modaliteiten ervan bepalen.
Art. 13. § 1er. Les autorités, organes ou services suivants se voient imposer une obligation d'enregistrement et, à cet effet, un droit d'écriture dans le Registre visé à l'article 10 pour les données et informations de base visées à l'article 11, § 1er, 1° à 4° et § 2 :
1° les magistrats du siège de toutes les juridictions pénales et les assesseurs au tribunal de l'application des peines dans le cadre des décisions visées à l'article 10 qu'ils ont prises ou dont ils assurent le suivi ainsi que les greffes;
2° le ministère public dans le cadre des conditions que la loi lui permet d'imposer ainsi que les secrétariats du parquet;
3° la commission de probation dans le cadre des conditions que la loi lui permet d'imposer ainsi que dans sa compétence de suivi des mesures de probation ainsi que le secrétariat de la Commission de probation;
4° Les membres du personnel de l'administration pénitentiaire compétents pour l'octroi de modalités de l'exécution de la peine qui relèvent de sa compétence;
5° Le ministre dans le cadre des mesures qui relèvent de sa compétence ou son délégué.
§ 2. Les autorités, organes ou services suivants se voient imposer une obligation d'enregistrement des données et informations visées à l'article 11, § 1er, 5°, selon les directives établies conjointement par le ministre de la Justice, de l'Intérieur, les ministres compétents des communautés et le Collège des Procureurs généraux, et à cet effet, un droit d'écriture dans le Registre visé à l'article 10 :
1° les services de police dans le cadre du suivi et du contrôle visés aux articles 19 à 20 de la loi sur la fonction de police;
2° le ministère public et les secrétariats du parquet dans le cadre de leur mission d'exécution des peines et du contrôle de celle-ci.
§ 3. Les autorités, organes ou services visés aux paragraphes 1er et 2 sont responsables de l'exactitude et de l'actualisation de ces données.
§ 4. Le ministre dans le cadre de ses attributions établit les profils des droits d'écriture pour le Registre visé à l'article 10. L'étendue de ces profils est établie en tenant compte des missions et, le cas échéant, de la qualité de l'utilisateur.
§ 5. Les autorités, organes ou services visés aux paragraphes 1er et 2 désignent au sein de leurs services les personnes chargées de l'enregistrement et de l'actualisation des données et informations visées à l'article 11 dans le Registre visé à l'article 10.
Les autorités, organes ou services visés au paragraphes 1er et 2 demeurent responsables de l'enregistrement et de l'actualisation des données et informations visées à l'article 11 lorsque celles-ci sont automatiquement transmises par leur propre système d'informations via un flux de données.
Les données pertinentes des banques de données visées aux articles 3 et 15 sont d'office transmises automatiquement vers ce Registre.
§ 6. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres et sur avis de l'autorité de contrôle compétente, désigner d'autres autorités, organes ou services belges qui par ou en vertu de leurs missions légales ou règlementaires traitent des données et informations de base visées à l'article 11, § 1er, 1° à 4° et § 2, et afin d'alimenter le Registre visé à l'article 10, disposent d'un droit d'écriture et d'une obligation d'enregistrement dans ce Registre et d'en déterminer l'étendue et les modalités ou d'autres autorités, organes ou services belges qui par ou en vertu de leurs missions légales ou règlementaires ont une obligation d'accompagnement, de suivi ou de contrôle des personnes visées à l'article 11, et afin d'alimenter le Registre visé à l'article 10, disposent d'un droit d'écriture et d'une obligation d'enregistrement dans ce Registre, pour les données et informations visées à l'article 11, § 1er, 5° et d'en déterminer l'étendue et les modalités.
1° les magistrats du siège de toutes les juridictions pénales et les assesseurs au tribunal de l'application des peines dans le cadre des décisions visées à l'article 10 qu'ils ont prises ou dont ils assurent le suivi ainsi que les greffes;
2° le ministère public dans le cadre des conditions que la loi lui permet d'imposer ainsi que les secrétariats du parquet;
3° la commission de probation dans le cadre des conditions que la loi lui permet d'imposer ainsi que dans sa compétence de suivi des mesures de probation ainsi que le secrétariat de la Commission de probation;
4° Les membres du personnel de l'administration pénitentiaire compétents pour l'octroi de modalités de l'exécution de la peine qui relèvent de sa compétence;
5° Le ministre dans le cadre des mesures qui relèvent de sa compétence ou son délégué.
§ 2. Les autorités, organes ou services suivants se voient imposer une obligation d'enregistrement des données et informations visées à l'article 11, § 1er, 5°, selon les directives établies conjointement par le ministre de la Justice, de l'Intérieur, les ministres compétents des communautés et le Collège des Procureurs généraux, et à cet effet, un droit d'écriture dans le Registre visé à l'article 10 :
1° les services de police dans le cadre du suivi et du contrôle visés aux articles 19 à 20 de la loi sur la fonction de police;
2° le ministère public et les secrétariats du parquet dans le cadre de leur mission d'exécution des peines et du contrôle de celle-ci.
§ 3. Les autorités, organes ou services visés aux paragraphes 1er et 2 sont responsables de l'exactitude et de l'actualisation de ces données.
§ 4. Le ministre dans le cadre de ses attributions établit les profils des droits d'écriture pour le Registre visé à l'article 10. L'étendue de ces profils est établie en tenant compte des missions et, le cas échéant, de la qualité de l'utilisateur.
§ 5. Les autorités, organes ou services visés aux paragraphes 1er et 2 désignent au sein de leurs services les personnes chargées de l'enregistrement et de l'actualisation des données et informations visées à l'article 11 dans le Registre visé à l'article 10.
Les autorités, organes ou services visés au paragraphes 1er et 2 demeurent responsables de l'enregistrement et de l'actualisation des données et informations visées à l'article 11 lorsque celles-ci sont automatiquement transmises par leur propre système d'informations via un flux de données.
Les données pertinentes des banques de données visées aux articles 3 et 15 sont d'office transmises automatiquement vers ce Registre.
§ 6. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres et sur avis de l'autorité de contrôle compétente, désigner d'autres autorités, organes ou services belges qui par ou en vertu de leurs missions légales ou règlementaires traitent des données et informations de base visées à l'article 11, § 1er, 1° à 4° et § 2, et afin d'alimenter le Registre visé à l'article 10, disposent d'un droit d'écriture et d'une obligation d'enregistrement dans ce Registre et d'en déterminer l'étendue et les modalités ou d'autres autorités, organes ou services belges qui par ou en vertu de leurs missions légales ou règlementaires ont une obligation d'accompagnement, de suivi ou de contrôle des personnes visées à l'article 11, et afin d'alimenter le Registre visé à l'article 10, disposent d'un droit d'écriture et d'une obligation d'enregistrement dans ce Registre, pour les données et informations visées à l'article 11, § 1er, 5° et d'en déterminer l'étendue et les modalités.
Art. 14. De gegevens bedoeld in artikel 11 zijn beschikbaar en raadpleegbaar gedurende maximaal tien jaar na de laatste verwerking ervan in het Register bedoeld in artikel 10. Na die termijn worden zij gewist.
Art. 14. Les données visées à l'article 11 sont disponibles et consultables pendant au maximum dix ans après leur dernier traitement dans le Registre visé à l'article 10. Après cette période, elles sont effacées.
Afdeling 3. - Geïntegreerd Elektronisch Justitieel Opvolgdossier
Section 3. - Dossier Judiciaire Electronique Intégré de Suivi
Art. 15. Bij de Federale Overheidsdienst Justitie wordt een geïnformatiseerde gegevensbank opgericht, hierna "Geïntegreerd Elektronisch Justitieel Opvolgdossier" genoemd, waarin de gegevens verwerkt worden die nodig zijn voor de adequate opvolging op dossierniveau van de uitvoeringsfase van gerechtelijke beslissingen houdende straffen en maatregelen van gerechtelijke overheden in strafzaken.
Art. 15. Il est créé au sein du Service Public Fédéral Justice une banque de données informatisée, appelée ci-après "Dossier Judiciaire Electronique Intégré de Suivi" dans laquelle sont traitées les données nécessaires au suivi adéquat au niveau des dossiers dans la phase de l'exécution des décisions judiciaires dans des affaires pénales contenant des peines et mesures.
Art. 16. De Federale Overheidsdienst Justitie is met betrekking tot de in deze afdeling bedoelde gegevensbank de verantwoordelijke voor de verwerking in de zin van [1 artikel 26, 8°, van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens]1.
Art. 16. Le Service Public Fédéral Justice est le responsable du traitement au sens de [1 l'article 26, 8°, de la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel]1 en ce qui concerne la banque de données visée par cette section.
Art. 17. § 1. Met betrekking tot de personen die het voorwerp uitmaken van een beslissing bedoeld in artikel 15 worden volgende categorieën van persoonsgegevens in het Geïntegreerd Elektronisch Justitieel Opvolgdossier verwerkt :
1° de identificatiegegevens, zijnde de gegevens die het mogelijk maken de betrokkene op unieke wijze te identificeren;
2° de gerechtelijke en andere gegevens, zijnde al de gegevens in verband met de tenuitvoerlegging van de beslissingen bedoeld in artikel 15.
§ 2. Indien met betrekking tot slachtoffers gegevens worden verwerkt met het oog op de opdrachten omschreven in artikel 15, worden volgende categorieën van persoonsgegevens in het Geïntegreerd Elektronisch Justitieel Opvolgdossier verwerkt :
1° de identificatiegegevens en contactgegevens van het slachtoffer of zijn vertegenwoordiger;
2° de voor de uitvoering van de in artikel 15 bedoelde opdrachten relevante gegevens.
§ 3. Na advies van de bevoegde toezichthoudende autoriteit, geeft de Koning nadere invulling aan de categorieën van gegevens bedoeld in de paragrafen 1 en 2.
1° de identificatiegegevens, zijnde de gegevens die het mogelijk maken de betrokkene op unieke wijze te identificeren;
2° de gerechtelijke en andere gegevens, zijnde al de gegevens in verband met de tenuitvoerlegging van de beslissingen bedoeld in artikel 15.
§ 2. Indien met betrekking tot slachtoffers gegevens worden verwerkt met het oog op de opdrachten omschreven in artikel 15, worden volgende categorieën van persoonsgegevens in het Geïntegreerd Elektronisch Justitieel Opvolgdossier verwerkt :
1° de identificatiegegevens en contactgegevens van het slachtoffer of zijn vertegenwoordiger;
2° de voor de uitvoering van de in artikel 15 bedoelde opdrachten relevante gegevens.
§ 3. Na advies van de bevoegde toezichthoudende autoriteit, geeft de Koning nadere invulling aan de categorieën van gegevens bedoeld in de paragrafen 1 en 2.
Art. 17. § 1er. Concernant les personnes qui font l'objet d'une décision visée à l'article 15 les catégories de données à caractère personnel suivantes sont traitées dans le Dossier Judiciaire Electronique Intégré de Suivi :
1° les données d'identification, à savoir les données permettant d'identifier la personne concernée de manière unique;
2° les données judiciaires et autres, à savoir toutes les données relatives à l'exécution des décisions visées à l'article 15.
§ 2. Si par rapport aux victimes des données sont traitées en vue de l'exécution des missions visées par l'article 15, les catégories de données à caractère personnel suivantes sont traitées dans le Dossier Judiciaire Electronique Intégré de Suivi :
1° les données d'identification et les données de contact de la victime ou de son représentant;
2° les données pertinentes pour l'exécution des missions visées par l'article 15.
§ 3. Après avis de l'autorité de contrôle compétente, le Roi précise les catégories de données visées aux paragraphes 1er et 2.
1° les données d'identification, à savoir les données permettant d'identifier la personne concernée de manière unique;
2° les données judiciaires et autres, à savoir toutes les données relatives à l'exécution des décisions visées à l'article 15.
§ 2. Si par rapport aux victimes des données sont traitées en vue de l'exécution des missions visées par l'article 15, les catégories de données à caractère personnel suivantes sont traitées dans le Dossier Judiciaire Electronique Intégré de Suivi :
1° les données d'identification et les données de contact de la victime ou de son représentant;
2° les données pertinentes pour l'exécution des missions visées par l'article 15.
§ 3. Après avis de l'autorité de contrôle compétente, le Roi précise les catégories de données visées aux paragraphes 1er et 2.
Art. 18. De Federale Overheidsdienst Justitie kent op individuele en persoonlijke basis lees- en/of schrijfrechten toe in het Geïntegreerd Elektronisch Justitieel Opvolgdossier aan haar personeel. Deze rechten mogen niet worden overgedragen.
De draagwijdte van deze rechten wordt vastgesteld rekening houdend met de taken en, in voorkomend geval, de hoedanigheid van het personeelslid. Het personeelslid heeft enkel toegang tot het Geïntegreerd Elektronisch Justitieel Opvolgdossier voor zover die toegang toereikend, ter zake dienend en niet overmatig is voor het uitvoeren van diens specifieke taken binnen de algemene wettelijke opdrachten bedoeld in artikel 15. De Federale Overheidsdienst Justitie stelt daartoe de gebruikersprofielen vast.
De draagwijdte van deze rechten wordt vastgesteld rekening houdend met de taken en, in voorkomend geval, de hoedanigheid van het personeelslid. Het personeelslid heeft enkel toegang tot het Geïntegreerd Elektronisch Justitieel Opvolgdossier voor zover die toegang toereikend, ter zake dienend en niet overmatig is voor het uitvoeren van diens specifieke taken binnen de algemene wettelijke opdrachten bedoeld in artikel 15. De Federale Overheidsdienst Justitie stelt daartoe de gebruikersprofielen vast.
Art. 18. Le Service Public Fédéral Justice octroie, sur base individuelle et personnelle des droits de lecture et/ou des droits d'écriture pour le Dossier Justitiel Intégré de Suivi Electronique à son personnel. Ces droits ne peuvent être transférés.
L'étendue de ces droits est établie en tenant compte des tâches et, le cas échéant, de la qualité du membre de personnel. Le membre du personnel n'a accès au Dossier Judiciaire Electronique Intégré de Suivi que pour autant que cet accès soit adéquat, pertinent et non excessif pour l'accomplissement de ses tâches spécifiques dans le cadre des missions légales générales visées à l'article 15. Le Service Public Fédéral Justice établit les profils d'utilisateurs à cet effet.
L'étendue de ces droits est établie en tenant compte des tâches et, le cas échéant, de la qualité du membre de personnel. Le membre du personnel n'a accès au Dossier Judiciaire Electronique Intégré de Suivi que pour autant que cet accès soit adéquat, pertinent et non excessif pour l'accomplissement de ses tâches spécifiques dans le cadre des missions légales générales visées à l'article 15. Le Service Public Fédéral Justice établit les profils d'utilisateurs à cet effet.
Art. 19. § 1. Aan de volgende overheden, organen of diensten wordt een leesrecht toegekend met betrekking tot de in het Geïntegreerd Elektronisch Justitieel Opvolgdossier verwerkte gegevens die zij nodig hebben voor de uitoefening van hun specifieke taken binnen de wettelijke opdrachten bedoeld in artikel 15:
1° de magistraten van de zetel, de assessoren bij de strafuitvoeringsrechtbank en de griffies;
2° het openbaar ministerie en de parketsecretariaten;
3° de probatiecommissie en het secretariaat van de probatiecommissie;
4° de diensten van de Gemeenschappen die opdrachten uitoefenen in het kader van de gerechtelijke procedure, die bevoegd zijn voor de organisatie en de controle van het elektronisch toezicht, voor de opvolging en de begeleiding van beschuldigde, veroordeelde of geïnterneerde personen, evenals voor slachtofferonthaal;
5° de verantwoordelijke voor de zorg, zoals bedoeld in artikel 3, 3°, van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering indien de geïnterneerde persoon geplaatst is in een inrichting bedoeld in artikel 3, 4°, c) of d) van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering;
6° de personeelsleden van de penitentiaire administratie;
[1 7° de Dienst Vreemdelingenzaken, met dien verstande dat het leesrecht beperkt is tot de mededeling van de relevante stappen en van het vonnis in de procedure tot toekenning van een voorlopige of vervroegde invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering.]1
§ 2. Binnen elke overheid, orgaan of dienst is het leesrecht strikt beperkt tot de gemachtigde personen en wordt het slechts toegekend voor zover het toereikend, ter zake dienend en niet overmatig is voor het uitvoeren van hun wettelijke opdrachten.
§ 3. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van de bevoegde toezichthoudende autoriteit, andere overheden, organen of diensten aanwijzen die een leesrecht krijgen met betrekking tot de in het Geïntegreerd Elektronisch Justitieel Opvolgdossier verwerkte gegevens en er de specifieke doeleinden, de omvang en modaliteiten van bepalen.
1° de magistraten van de zetel, de assessoren bij de strafuitvoeringsrechtbank en de griffies;
2° het openbaar ministerie en de parketsecretariaten;
3° de probatiecommissie en het secretariaat van de probatiecommissie;
4° de diensten van de Gemeenschappen die opdrachten uitoefenen in het kader van de gerechtelijke procedure, die bevoegd zijn voor de organisatie en de controle van het elektronisch toezicht, voor de opvolging en de begeleiding van beschuldigde, veroordeelde of geïnterneerde personen, evenals voor slachtofferonthaal;
5° de verantwoordelijke voor de zorg, zoals bedoeld in artikel 3, 3°, van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering indien de geïnterneerde persoon geplaatst is in een inrichting bedoeld in artikel 3, 4°, c) of d) van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering;
6° de personeelsleden van de penitentiaire administratie;
[1 7° de Dienst Vreemdelingenzaken, met dien verstande dat het leesrecht beperkt is tot de mededeling van de relevante stappen en van het vonnis in de procedure tot toekenning van een voorlopige of vervroegde invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering.]1
§ 2. Binnen elke overheid, orgaan of dienst is het leesrecht strikt beperkt tot de gemachtigde personen en wordt het slechts toegekend voor zover het toereikend, ter zake dienend en niet overmatig is voor het uitvoeren van hun wettelijke opdrachten.
§ 3. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van de bevoegde toezichthoudende autoriteit, andere overheden, organen of diensten aanwijzen die een leesrecht krijgen met betrekking tot de in het Geïntegreerd Elektronisch Justitieel Opvolgdossier verwerkte gegevens en er de specifieke doeleinden, de omvang en modaliteiten van bepalen.
Art. 19. § 1er. Les autorités, organes ou services suivants se voient attribuer un droit de lecture des données traitées dans le Dossier Judiciaire Electronique Intégré de Suivi, dont ils ont besoin pour l'accomplissement de leurs tâches spécifiques dans le cadre des missions légales visées à l'article 15:
1° les magistrats du siège, les assesseurs au tribunal de l'application des peines et les greffes;
2° le ministère public et les secrétariats du parquet;
3° la commission de probation et le secrétariat de la commission de probation;
4° les services compétents des Communautés qui accomplissent des missions dans le cadre de la procédure judiciaire, qui sont compétents pour l'organisation et le contrôle de la surveillance électronique, pour le suivi et la guidance des personnes inculpées, condamnées ou internées, ainsi que pour l'accueil des victimes;
5° le responsable des soins, tel que visé par l'article 3, 3°, de la loi du 5 mai 2014 relative à l'internement si la personne internée est placée dans une institution visée par l'article 3, 4°, c) ou d) de la loi du 5 mai 2014 relative à l'internement;
6° les membres du personnel de l'administration pénitentiaire;
[1 7° l'Office des Etrangers, étant entendu que le droit de lecture soit limité à la communication des étapes pertinentes et du jugement dans la procédure d'octroi d'une mise en liberté provisoire ou anticipée en vue de l'éloignement du territoire ou de la remise.]1
§ 2. Au sein de chaque autorité, organe ou service, le droit de lecture est strictement limité aux personnes autorisées et n'est accordé que pour autant qu'il soit adéquat, pertinent et non excessif pour l'accomplissement de leurs missions légales.
§ 3. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres et sur avis de l'autorité de contrôle compétente, désigner d'autres autorités, organes ou services qui se voient attribuer le droit de lecture des données traitées dans le Dossier Judiciaire Electronique Intégré de Suivi et d'en déterminer les finalités spécifiques, l'étendue et les modalités.
1° les magistrats du siège, les assesseurs au tribunal de l'application des peines et les greffes;
2° le ministère public et les secrétariats du parquet;
3° la commission de probation et le secrétariat de la commission de probation;
4° les services compétents des Communautés qui accomplissent des missions dans le cadre de la procédure judiciaire, qui sont compétents pour l'organisation et le contrôle de la surveillance électronique, pour le suivi et la guidance des personnes inculpées, condamnées ou internées, ainsi que pour l'accueil des victimes;
5° le responsable des soins, tel que visé par l'article 3, 3°, de la loi du 5 mai 2014 relative à l'internement si la personne internée est placée dans une institution visée par l'article 3, 4°, c) ou d) de la loi du 5 mai 2014 relative à l'internement;
6° les membres du personnel de l'administration pénitentiaire;
[1 7° l'Office des Etrangers, étant entendu que le droit de lecture soit limité à la communication des étapes pertinentes et du jugement dans la procédure d'octroi d'une mise en liberté provisoire ou anticipée en vue de l'éloignement du territoire ou de la remise.]1
§ 2. Au sein de chaque autorité, organe ou service, le droit de lecture est strictement limité aux personnes autorisées et n'est accordé que pour autant qu'il soit adéquat, pertinent et non excessif pour l'accomplissement de leurs missions légales.
§ 3. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres et sur avis de l'autorité de contrôle compétente, désigner d'autres autorités, organes ou services qui se voient attribuer le droit de lecture des données traitées dans le Dossier Judiciaire Electronique Intégré de Suivi et d'en déterminer les finalités spécifiques, l'étendue et les modalités.
Änderungen
Art. 20. § 1. De volgende overheden, organen of diensten hebben een registratieplicht en ten behoeve daarvan een schrijfrecht in het Geïntegreerd Elektronisch Justitieel Opvolgdossier, voor de gegevens bedoeld in artikel 17, waarvan zij de auteur zijn :
1° de magistraten van de zetel en de assessoren bij de strafuitvoeringsrechtbank;
2° het openbaar ministerie en de parketsecretariaten;
3° de probatiecommissie en het secretariaat van de probatiecommissie;
4° de diensten van de Gemeenschappen bevoegd voor de organisatie en de controle van het elektronisch toezicht, voor de opvolging en de begeleiding van veroordeelde en geïnterneerde personen evenals voor de bijstand aan slachtoffers;
5° de directeur, zoals bedoeld in artikel 2, 3°, van de wet van 17 mei 2016 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten en in artikel 3, 2°, van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering;
6° de verantwoordelijke voor de zorg, zoals bedoeld in artikel 3, 3°, van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering indien de geïnterneerde persoon geplaatst is in een inrichting bedoeld in artikel 3, 4°, c) of d) van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering.
§ 2. De overheden, organen of diensten bedoeld in paragraaf 1 zijn verantwoordelijk voor de juistheid van deze gegevens.
Zij wijzen binnen hun diensten de personen aan belast met de registratie en bijwerking van de gegevens bedoeld in artikel 17 en, ingeval deze gegevens automatisch worden overgezonden aan het Geïntegreerd Elektronisch Justitieel Opvolgdossier door een ander geïnformatiseerd informatiesysteem, de personen belast met de registratie en de bijwerking van deze gegevens in laatstgenoemd systeem. Deze lijst wordt ter beschikking gesteld van de Federale Overheidsdienst Justitie in functie van het gebruikers- en toegangsbeheer.
§ 3. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van de bevoegde toezichthoudende autoriteit, andere Belgische overheden, organen of diensten aanwijzen die schrijfrecht en registratieplicht hebben in het Geïntegreerd Elektronisch Justitieel Opvolgdossier en er de specifieke doeleinden, de omvang en modaliteiten van bepalen.
1° de magistraten van de zetel en de assessoren bij de strafuitvoeringsrechtbank;
2° het openbaar ministerie en de parketsecretariaten;
3° de probatiecommissie en het secretariaat van de probatiecommissie;
4° de diensten van de Gemeenschappen bevoegd voor de organisatie en de controle van het elektronisch toezicht, voor de opvolging en de begeleiding van veroordeelde en geïnterneerde personen evenals voor de bijstand aan slachtoffers;
5° de directeur, zoals bedoeld in artikel 2, 3°, van de wet van 17 mei 2016 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten en in artikel 3, 2°, van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering;
6° de verantwoordelijke voor de zorg, zoals bedoeld in artikel 3, 3°, van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering indien de geïnterneerde persoon geplaatst is in een inrichting bedoeld in artikel 3, 4°, c) of d) van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering.
§ 2. De overheden, organen of diensten bedoeld in paragraaf 1 zijn verantwoordelijk voor de juistheid van deze gegevens.
Zij wijzen binnen hun diensten de personen aan belast met de registratie en bijwerking van de gegevens bedoeld in artikel 17 en, ingeval deze gegevens automatisch worden overgezonden aan het Geïntegreerd Elektronisch Justitieel Opvolgdossier door een ander geïnformatiseerd informatiesysteem, de personen belast met de registratie en de bijwerking van deze gegevens in laatstgenoemd systeem. Deze lijst wordt ter beschikking gesteld van de Federale Overheidsdienst Justitie in functie van het gebruikers- en toegangsbeheer.
§ 3. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van de bevoegde toezichthoudende autoriteit, andere Belgische overheden, organen of diensten aanwijzen die schrijfrecht en registratieplicht hebben in het Geïntegreerd Elektronisch Justitieel Opvolgdossier en er de specifieke doeleinden, de omvang en modaliteiten van bepalen.
Art. 20. § 1er. Les autorités, organes ou services suivants se voient imposer une obligation d'enregistrement et, à cet effet, un droit d'écriture dans le Dossier Judiciaire Electronique Intégré de Suivi, chacun pour les données visées à l'article 17 dont ils sont l'auteur :
1° les magistrats du siège et les assesseurs au tribunal de l'application des peines;
2° le ministère public et les secrétariats du parquet;
3° la commission de probation et le secrétariat de la commission de probation;
4° les services compétents des Communautés pour l'organisation et le contrôle de la surveillance électronique, pour le suivi et le guidance des personnes condamnées et internées ainsi que pour l'assistance aux victimes;
5° le directeur, tel que visé par l'article 2, 3°, de la loi du 17 mai 2016 du relative au statut juridique externe des personnes condamnées à une peine privative de liberté et aux droits reconnus à la victime dans le cadre des modalités d'exécution de la peine et par l'article 3, 2°, de la loi du 5 mai 2014 relative à l'internement;
6° le responsable des soins, tel que visé par l'article 3, 3°, de la loi du 5 mai 2014 relative à l'internement si la personne internée est placée dans une institution visée par l'article 3, 4°, c) ou d) de la loi du 5 mai 2014 relative à l'internement.
§ 2. Les autorités, organes ou services visés au paragraphe 1er sont responsables de l'exactitude de ces données.
Ils désignent, au sein de leurs services, les personnes chargées de l'enregistrement et de l'actualisation des données visées à l'article 17 et, lorsque ces données sont automatiquement transmises vers le Dossier Judiciaire Electronique Intégré de Suivi par un autre système d'information, les personnes qui sont chargées d'enregistrer et d'actualiser ces données dans ce dernier système. Cette liste est mise à la disposition du Service Public Fédéral Justice en fonction de la gestion des utilisateurs et des accès.
§ 3. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres et sur avis de l'autorité de contrôle compétente, désigner d'autres autorités, organes ou services belges qui disposent d'un droit d'écriture et d'une obligation d'enregistrement dans le Dossier Judiciaire Electronique Intégré de Suivi et d'en déterminer les finalités spécifiques, l'étendue et les modalités.
1° les magistrats du siège et les assesseurs au tribunal de l'application des peines;
2° le ministère public et les secrétariats du parquet;
3° la commission de probation et le secrétariat de la commission de probation;
4° les services compétents des Communautés pour l'organisation et le contrôle de la surveillance électronique, pour le suivi et le guidance des personnes condamnées et internées ainsi que pour l'assistance aux victimes;
5° le directeur, tel que visé par l'article 2, 3°, de la loi du 17 mai 2016 du relative au statut juridique externe des personnes condamnées à une peine privative de liberté et aux droits reconnus à la victime dans le cadre des modalités d'exécution de la peine et par l'article 3, 2°, de la loi du 5 mai 2014 relative à l'internement;
6° le responsable des soins, tel que visé par l'article 3, 3°, de la loi du 5 mai 2014 relative à l'internement si la personne internée est placée dans une institution visée par l'article 3, 4°, c) ou d) de la loi du 5 mai 2014 relative à l'internement.
§ 2. Les autorités, organes ou services visés au paragraphe 1er sont responsables de l'exactitude de ces données.
Ils désignent, au sein de leurs services, les personnes chargées de l'enregistrement et de l'actualisation des données visées à l'article 17 et, lorsque ces données sont automatiquement transmises vers le Dossier Judiciaire Electronique Intégré de Suivi par un autre système d'information, les personnes qui sont chargées d'enregistrer et d'actualiser ces données dans ce dernier système. Cette liste est mise à la disposition du Service Public Fédéral Justice en fonction de la gestion des utilisateurs et des accès.
§ 3. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres et sur avis de l'autorité de contrôle compétente, désigner d'autres autorités, organes ou services belges qui disposent d'un droit d'écriture et d'une obligation d'enregistrement dans le Dossier Judiciaire Electronique Intégré de Suivi et d'en déterminer les finalités spécifiques, l'étendue et les modalités.
Art. 20/1. [1 De Dienst Vreemdelingenzaken heeft een registratieplicht en ten behoeve daarvan een schrijfrecht in het Geïntegreerd Elektronisch Justitieel Opvolgdossier voor wat betreft de relevante gegevens inzake het verblijfsstatuut en, in voorkomend geval, het bestaan van een bevel tot verlaten van het grondgebied en de concrete verwijderingsmogelijkheden van de veroordeelde vreemdeling. Hij is verantwoordelijk voor de juistheid van deze gegevens.
De directeur-generaal van de Dienst Vreemde-lingenzaken wijst de personeelsleden aan belast met de registratie en bijwerking van de gegevens bedoeld in het eerste lid. Deze lijst wordt in functie van het gebruikers- en toegangsbeheer ter beschikking gesteld van de Federale Overheidsdienst Justitie.]1
De directeur-generaal van de Dienst Vreemde-lingenzaken wijst de personeelsleden aan belast met de registratie en bijwerking van de gegevens bedoeld in het eerste lid. Deze lijst wordt in functie van het gebruikers- en toegangsbeheer ter beschikking gesteld van de Federale Overheidsdienst Justitie.]1
Art. 20/1. [1 L'Office des Etrangers se voit imposer une obligation d'enregistrement et, à cet effet, un droit d'écriture dans le Dossier Judiciaire Electronique Intégré de Suivi en ce qui concerne les données pertinentes relatives au statut de séjour et, le cas échéant, l'existence d'un ordre de quitter le territoire et les possibilités concrètes d'éloignement du condamné étranger. Il est responsable de l'exactitude de ces données.
Le directeur général de l'Office des Etrangers désigne des membres du personnel chargés de l'enregistrement et de l'actualisation des données visées à l'alinéa 1er. Cette liste est mise à la disposition du Service Public Fédéral Justice en fonction de la gestion des utilisateurs et des accès.]1
Le directeur général de l'Office des Etrangers désigne des membres du personnel chargés de l'enregistrement et de l'actualisation des données visées à l'alinéa 1er. Cette liste est mise à la disposition du Service Public Fédéral Justice en fonction de la gestion des utilisateurs et des accès.]1
Art. 21. De gegevens bedoeld in artikel 17 zijn beschikbaar en raadpleegbaar tot tien jaar na de laatste verwerking ervan in het Geïntegreerd Elektronisch Justitieel Opvolgdossier. Na deze periode worden de gegevens gearchiveerd tot aan het overlijden van de betrokkene of totdat de betrokkene de leeftijd van 90 jaar heeft bereikt. De gearchiveerde gegevens zijn opnieuw beschikbaar en raadpleegbaar :
1° wanneer de persoon opnieuw het voorwerp uitmaakt van een beslissing zoals bedoeld in artikel 15 inzake straffen of maatregelen, of
2° mits individuele, gemotiveerde beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie of zijn gemachtigde.
1° wanneer de persoon opnieuw het voorwerp uitmaakt van een beslissing zoals bedoeld in artikel 15 inzake straffen of maatregelen, of
2° mits individuele, gemotiveerde beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie of zijn gemachtigde.
Art. 21. Les données visées à l'article 17 sont disponibles et consultables jusqu'à dix ans après leurs dernier traitement dans le Dossier Judiciaire Electronique Intégré de Suivi jusqu'au décès de la personne concernée ou jusqu'à ce qu'elle a atteint l'âge de 90 ans. Après cette période ou après la libération définitive de la personne internée, les données sont archivées. Les données archivées sont à nouveau disponibles et consultables :
1° lorsque la personne fait à nouveau l'objet d'une décision telle que visée à l'article 15 relatives aux peines et mesures, ou
2° en raison d'une décision individuelle, motivée du Service Public Fédéral Justice ou son délégué.
1° lorsque la personne fait à nouveau l'objet d'une décision telle que visée à l'article 15 relatives aux peines et mesures, ou
2° en raison d'une décision individuelle, motivée du Service Public Fédéral Justice ou son délégué.
HOOFDSTUK 3. - Bepalingen die gemeen zijn aan de afdelingen 1, 2, 3 en 4 van hoofdstuk 2
CHAPITRE 3. - Dispositions communes aux sections 1er, 2, 3 et 4 du chapitre 2
Art. 22. Eenieder die in welke hoedanigheid ook deelneemt aan de verwerking van gegevens in de gegevensbanken bedoeld in de artikelen 3, 10 en 15 of kennis heeft van die gegevens dient het vertrouwelijk karakter ervan in acht te nemen. De schending van deze bepaling wordt gestraft met de straffen voorzien in artikel 458 van het Strafwetboek.
Art. 22. Quiconque participe, à quelque titre que ce soit, au traitement des données dans les banques de données visées aux articles 3, 10 et 15 ou a connaissance de telles données est tenu d'en respecter le caractère confidentiel. Celui qui viole cette disposition est puni des peines prévues à l'article 458 du Code pénal.
Art. 23. Elke verwerking van persoonsgegevens in de gegevensbanken bedoeld in de artikelen 3, 10 en 15 wordt automatisch geregistreerd. Deze registratie wordt gedurende ten minste tien en hoogstens dertig jaar vanaf de uitgevoerde verwerking bewaard.
Art. 23. Chaque traitement de données à caractère personnel effectué dans les banques de données visées aux articles 3, 10 et 15 est automatiquement enregistré. Cet enregistrement est conservé au moins dix ans et au plus 30 ans à partir de la date du traitement effectué.
Art. 24. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit, leesrecht toekennen aan buitenlandse politionele of gerechtelijke overheden, organen of diensten, aan internationale organisaties voor politionele en gerechtelijke samenwerking en aan internationale rechtshandhavingsdiensten, met betrekking tot de in de artikelen 3 en 10 bedoelde gegevensbanken verwerkte gegevens, teneinde aan verdragsrechtelijke verplichtingen tegemoet te komen. Hij bepaalt de omvang en de modaliteiten van dat leesrecht en preciseert per instantie voor welke specifieke doeleinden de gegevens kunnen worden aangewend.
Art. 24. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres et sur avis de l'Autorité de protection des données, désigner des autorités policières ou judicaires étrangers, aux organisations internationales de coopération policière et judiciaire et aux services de répression internationales qui se voient attribuer le droit de lecture des données traitées dans les banques de données visées aux articles 3 et 10 en vue de rencontrer des obligations conventionnelles. Il détermine l'étendue et les modalités de ce droit de lecture et précise par instance pour quelles fins spécifiques les données peuvent être utilisées.
Art. 25. [1 De rechten die worden toegekend aan de betrokkene door de artikelen 37, § 1, 38, § 1 en 39, § 1, van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, kunnen volledig of gedeeltelijk door de verwerkingsverantwoordelijke worden beperkt, voor zover en zolang die volledige of gedeeltelijke beperking in een democratische samenleving, met inachtneming van de grondrechten en legitieme belangen van de natuurlijke persoon in kwestie, een noodzakelijke en evenredige maatregel is, teneinde:
1° belemmering van strafrechtelijke of andere gereglementeerde onderzoeken, opsporingen of procedures te voorkomen;
2° nadelige gevolgen voor de voorkoming, de opsporing, het onderzoek en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen te voorkomen;
3° de openbare veiligheid te beschermen;
4° de nationale veiligheid te beschermen;
5° de rechten en vrijheden van anderen te beschermen.]1
1° belemmering van strafrechtelijke of andere gereglementeerde onderzoeken, opsporingen of procedures te voorkomen;
2° nadelige gevolgen voor de voorkoming, de opsporing, het onderzoek en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen te voorkomen;
3° de openbare veiligheid te beschermen;
4° de nationale veiligheid te beschermen;
5° de rechten en vrijheden van anderen te beschermen.]1
Art. 25. [1 Les droits conférés à la personne concernée par les articles 37, § 1er, 38, § 1er et 39, § 1er de la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l'égard des traitements de données à caractère personnel peuvent être limités totalement ou partiellement par le responsable du traitement, dans la mesure et aussi longtemps qu'une telle limitation totale ou partielle est nécessaire dans une société démocratique, tout en respectant les droits fondamentaux et les intérêts légitimes de la personne physique en question, dans le but:
1° d'éviter de gêner des enquêtes, des recherches, des procédures pénales ou autres procédures réglementées;
2° d'éviter de nuire à la prévention ou à la détection d'infractions pénales, aux enquêtes ou aux poursuites en la matière ou à l'exécution de sanctions pénales;
3° de protéger la sécurité publique;
4° de protéger la sécurité nationale;
5° de protéger les droits et libertés d'autrui.]1
1° d'éviter de gêner des enquêtes, des recherches, des procédures pénales ou autres procédures réglementées;
2° d'éviter de nuire à la prévention ou à la détection d'infractions pénales, aux enquêtes ou aux poursuites en la matière ou à l'exécution de sanctions pénales;
3° de protéger la sécurité publique;
4° de protéger la sécurité nationale;
5° de protéger les droits et libertés d'autrui.]1
HOOFDSTUK 4. - Inwerkingtredingsbepaling
CHAPITRE 4. - Disposition d'entrée en vigueur
Art. 27. Met uitzondering van dit artikel, dat in werking treedt de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt, treedt elk artikel van deze titel in werking op de door de Koning te bepalen datum, en uiterlijk op 1 januari 2020.
Art. 27. A l'exception du présent article, qui entre en vigueur le jour de la publication du présent titre au Moniteur belge, chacun des articles du présent titre entre en vigueur à la date fixée par le Roi, et au plus tard le 1er janvier 2020.
TITEL 3. - Wijzigingen van het Wetboek van strafvordering betreffende de toegang tot het Centraal Strafregister
TITRE 3. - Modifications du Code d'instruction criminelle concernant l'accès au Casier judiciaire
Art. 28. In artikel 589 van het Wetboek van strafvordering, hersteld bij de wet van 8 augustus 1997 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 december 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het eerste lid wordt als volgt aangevuld: "De Federale Overheidsdienst Justitie wordt beschouwd als de verantwoordelijke voor de verwerking in de zin van artikel 4, 7), van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG.";
2° er wordt een bepaling onder 1° /1 ingevoegd, luidende :
"1° /1 de leden van de politiediensten bedoeld in artikel 593 belast met de uitvoering van opdrachten van bestuurlijke en gerechtelijke politie overeenkomstig de artikelen 14 en 15 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt;";
3° er wordt een bepaling onder 2° /1, 2° /2, 2° /3, 2° /4 en 2° /5 ingevoegd, luidende :
"2° /1 de leden van de politiediensten bedoeld in artikel 593 die in het kader van andere opdrachten voorzien bij of krachtens de wet kennis moeten hebben van het gerechtelijk verleden van een natuurlijke persoon of een rechtspersoon;
2° /2 de personeelsleden van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten en van zijn Dienst Enquêtes, bedoeld in artikel 593, in het kader van de uitoefening van hun wettelijke opdrachten;
2° /3 de personeelsleden van het Vast Comité van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en van zijn Dienst Enquêtes, bedoeld in artikel 593, in het kader van de uitoefening van hun wettelijke opdrachten;
2° /4 de leden en personeelsleden van het Controleorgaan op de politionele informatie en van zijn Dienst Onderzoeken, bedoeld in artikel 593, in het kader van de uitoefening van hun wettelijke opdrachten;
2° /5 de personeelsleden van de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie, bedoeld in artikel 593 in het kader van de uitoefening van hun wettelijke opdrachten;".
1° het eerste lid wordt als volgt aangevuld: "De Federale Overheidsdienst Justitie wordt beschouwd als de verantwoordelijke voor de verwerking in de zin van artikel 4, 7), van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG.";
2° er wordt een bepaling onder 1° /1 ingevoegd, luidende :
"1° /1 de leden van de politiediensten bedoeld in artikel 593 belast met de uitvoering van opdrachten van bestuurlijke en gerechtelijke politie overeenkomstig de artikelen 14 en 15 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt;";
3° er wordt een bepaling onder 2° /1, 2° /2, 2° /3, 2° /4 en 2° /5 ingevoegd, luidende :
"2° /1 de leden van de politiediensten bedoeld in artikel 593 die in het kader van andere opdrachten voorzien bij of krachtens de wet kennis moeten hebben van het gerechtelijk verleden van een natuurlijke persoon of een rechtspersoon;
2° /2 de personeelsleden van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten en van zijn Dienst Enquêtes, bedoeld in artikel 593, in het kader van de uitoefening van hun wettelijke opdrachten;
2° /3 de personeelsleden van het Vast Comité van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en van zijn Dienst Enquêtes, bedoeld in artikel 593, in het kader van de uitoefening van hun wettelijke opdrachten;
2° /4 de leden en personeelsleden van het Controleorgaan op de politionele informatie en van zijn Dienst Onderzoeken, bedoeld in artikel 593, in het kader van de uitoefening van hun wettelijke opdrachten;
2° /5 de personeelsleden van de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie, bedoeld in artikel 593 in het kader van de uitoefening van hun wettelijke opdrachten;".
Art. 28. A l'article 589, du Code d'instruction criminelle, rétabli par la loi du 8 août 1997 et modifié en dernier lieu par la loi du 25 décembre 2016, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'alinéa 1er est complété comme suit: "Le Service Public Fédéral Justice est considéré, comme le responsable du traitement, au sens de l'article 4, 7), du Règlement (UE) 2016/679 du Parlement Européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE.";
2° il est inséré le 1° /1, rédigé comme suit :
"1° /1 aux membres des services de police visés à l'article 593 qui sont chargés de l'exécution de missions de police administrative et judiciaire conformément aux articles 14 et 15 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police;";
3° les 2° /1, 2° /2, 2° /3, 2° /4 et 2° /5 sont insérés, rédigés comme suit :
"2° /1 aux membres des services de police visés à l'article 593 qui, dans le cadre d'autres missions prévues par ou en vertu de la loi, doivent avoir connaissance des antécédents judiciaires d'une personne physique ou d'une personne morale;
2° /2 aux membres du personnel du Comité permanent de contrôle des services de police et de son Service d'enquêtes, visés à l'article 593, dans le cadre de l'exercice de leurs missions légales;
2° /3 aux membres du personnel du Comité permanent de contrôle des services de renseignements et de sécurité et de son Service d'enquêtes, visés à l'article 593, dans le cadre de l'exercice de leurs missions légales;
2° /4 aux membres et membres du personnel de l'Organe de contrôle de l'information policière et de son Service d'enquêtes, visés à l'article 593 dans le cadre de l'exercice de leurs missions légales;
2° /5 aux membres du personnel de l'inspection générale de la police fédérale et de la police locale, visés à l'article 593, dans le cadre de l'exercice de leurs missions légales ;".
1° l'alinéa 1er est complété comme suit: "Le Service Public Fédéral Justice est considéré, comme le responsable du traitement, au sens de l'article 4, 7), du Règlement (UE) 2016/679 du Parlement Européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE.";
2° il est inséré le 1° /1, rédigé comme suit :
"1° /1 aux membres des services de police visés à l'article 593 qui sont chargés de l'exécution de missions de police administrative et judiciaire conformément aux articles 14 et 15 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police;";
3° les 2° /1, 2° /2, 2° /3, 2° /4 et 2° /5 sont insérés, rédigés comme suit :
"2° /1 aux membres des services de police visés à l'article 593 qui, dans le cadre d'autres missions prévues par ou en vertu de la loi, doivent avoir connaissance des antécédents judiciaires d'une personne physique ou d'une personne morale;
2° /2 aux membres du personnel du Comité permanent de contrôle des services de police et de son Service d'enquêtes, visés à l'article 593, dans le cadre de l'exercice de leurs missions légales;
2° /3 aux membres du personnel du Comité permanent de contrôle des services de renseignements et de sécurité et de son Service d'enquêtes, visés à l'article 593, dans le cadre de l'exercice de leurs missions légales;
2° /4 aux membres et membres du personnel de l'Organe de contrôle de l'information policière et de son Service d'enquêtes, visés à l'article 593 dans le cadre de l'exercice de leurs missions légales;
2° /5 aux membres du personnel de l'inspection générale de la police fédérale et de la police locale, visés à l'article 593, dans le cadre de l'exercice de leurs missions légales ;".
Art. 29. In artikel 593, eerste lid van het Wetboek van strafvordering, vervangen bij de wet van 8 augustus 1997, gewijzigd door de wet van 31 juli 2009, de wet van 21 februari 2010 en de wet van 25 december 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden "de politieambtenaren bekleed met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie voorzien in artikel 3 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt" worden vervangen door de woorden "de leden van de politiediensten die een kennisbehoefte hebben en die voorafgaandelijk en bij naam worden aangewezen door de korpschefs van de lokale politie en de commissaris-generaal, de directeurs-generaal en de directeurs van de federale politie, de personeelsleden van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten en van zijn Dienst Enquêtes, opgericht door de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten en op het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse, die een kennisbehoefte hebben en die voorafgaandelijk en bij naam worden aangewezen door de voorzitter van dit Comité, de leden en personeelsleden van het Controleorgaan op de politionele informatie, opgericht door de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens die een kennisbehoefte hebben en die voorafgaandelijk en bij naam worden aangewezen door de voorzitter van dit Controleorgaan, de personeelsleden van het Vast Comité van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en van zijn Dienst Enquêtes, opgericht door dezelfde wet, die een kennisbehoefte hebben en die voorafgaandelijk en bij naam zijn aangewezen door de voorzitter van dit Comité, de leden van de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie, zoals bedoeld in artikel 4 van de wet van 15 mei 2007 op de Algemene Inspectie en houdende diverse bepalingen betreffende de rechtspositie van sommige leden van de politiediensten, die een kennisbehoefte hebben en die voorafgaandelijk en bij naam worden aangewezen door de Inspecteur-generaal.".
2° dit artikel wordt aangevuld met twee leden, luidende :
"De toegangsmodaliteiten maken het voorwerp uit van een protocolakkoord in de zin van artikel 20 van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens tussen de verantwoordelijke van de verwerking van het Strafregister en de aanvrager, zijnde de diensten bedoeld in artikel 593, eerste lid. Dit protocol bevat eveneens de gepaste maatregelen om de rechten en vrijheden van de betrokken personen te beschermen, in het bijzonder deze met betrekking tot :
a) de registratie van de toegangen;
b) de verplichting gehouden te zijn aan het beroepsgeheim of aan de vertrouwelijkheidsplicht;
c) de technische en organisatorische maatregelen betreffende het beheer van de toegangen.
De registratie van de toegangen dient ten minste toe te laten vast te stellen wie toegang had wanneer, tot welke gegevens en vanuit welke post en voor welke doeleinden de toegang werd gerealiseerd.".
1° de woorden "de politieambtenaren bekleed met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie voorzien in artikel 3 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt" worden vervangen door de woorden "de leden van de politiediensten die een kennisbehoefte hebben en die voorafgaandelijk en bij naam worden aangewezen door de korpschefs van de lokale politie en de commissaris-generaal, de directeurs-generaal en de directeurs van de federale politie, de personeelsleden van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten en van zijn Dienst Enquêtes, opgericht door de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten en op het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse, die een kennisbehoefte hebben en die voorafgaandelijk en bij naam worden aangewezen door de voorzitter van dit Comité, de leden en personeelsleden van het Controleorgaan op de politionele informatie, opgericht door de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens die een kennisbehoefte hebben en die voorafgaandelijk en bij naam worden aangewezen door de voorzitter van dit Controleorgaan, de personeelsleden van het Vast Comité van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en van zijn Dienst Enquêtes, opgericht door dezelfde wet, die een kennisbehoefte hebben en die voorafgaandelijk en bij naam zijn aangewezen door de voorzitter van dit Comité, de leden van de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie, zoals bedoeld in artikel 4 van de wet van 15 mei 2007 op de Algemene Inspectie en houdende diverse bepalingen betreffende de rechtspositie van sommige leden van de politiediensten, die een kennisbehoefte hebben en die voorafgaandelijk en bij naam worden aangewezen door de Inspecteur-generaal.".
2° dit artikel wordt aangevuld met twee leden, luidende :
"De toegangsmodaliteiten maken het voorwerp uit van een protocolakkoord in de zin van artikel 20 van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens tussen de verantwoordelijke van de verwerking van het Strafregister en de aanvrager, zijnde de diensten bedoeld in artikel 593, eerste lid. Dit protocol bevat eveneens de gepaste maatregelen om de rechten en vrijheden van de betrokken personen te beschermen, in het bijzonder deze met betrekking tot :
a) de registratie van de toegangen;
b) de verplichting gehouden te zijn aan het beroepsgeheim of aan de vertrouwelijkheidsplicht;
c) de technische en organisatorische maatregelen betreffende het beheer van de toegangen.
De registratie van de toegangen dient ten minste toe te laten vast te stellen wie toegang had wanneer, tot welke gegevens en vanuit welke post en voor welke doeleinden de toegang werd gerealiseerd.".
Art. 29. Dans l'article 593, alinéa 1er, du Code d'instruction criminelle, remplacé par la loi du 8 août 1997, modifié par la loi du 31 juillet 2009, la loi du 21 février 2010 et la loi du 25 décembre 2016 les modifications suivantes sont apportées :
1° les mots "les fonctionnaires de police revêtus de la qualité d'officier de police judiciaire visés à l'article 3 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police" sont remplacés par les mots "les membres des services de police qui ont le besoin d'en connaître et nominativement et préalablement désignés par les chefs de corps pour la police locale, le commissaire général, les directeurs généraux et les directeurs pour la police fédérale, les membres du personnel du Comité permanent de contrôle des services de police, et de son Service d'enquêtes, tel institués par la loi du 18 juillet 1991 organique du contrôle des services de police et de renseignement et de l'Organe de coordination pour l'analyse de la menace qui ont le besoin d'en connaître, nominativement et préalablement désignés par le Président dudit Comité, les membres du personnel de l'Organe de contrôle, et de son Service d'enquêtes, tel institués par la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l'égard des traitement de données à caractère personnel, qui ont le besoin d'en connaître, nominativement et préalablement désignés par le Président dudit organe, les membres du personnel du Comité permanent de contrôle des services de renseignements et de sécurité, et de son Service d'enquêtes, tels qu'institués par la même loi, qui ont le besoin d'en connaître, nominativement et préalablement désignés par le Président dudit Comité, les membres de l'inspection générale de la police fédérale et de la police locale, tels que visés à l'article 4 de la loi du 15 mai 2007 sur l'Inspection générale et portant des dispositions diverses relatives au statut de certains membres des services de police, qui ont le besoin d'en connaître, nominativement et préalablement désignés par l'Inspecteur général.".
2° cet article est complété par deux alinéas rédigé comme suit :
"Les modalités d'accès font l'objet d'un protocole d'accord au sens de l'article 20 de la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l'égard des traitements de données à caractère personnel entre le responsable du traitement du Casier judiciaire et le demandeur, c'est-à-dire les services visés à l'article 593, 1er alinéa. Ce protocole contient également les mesures appropriées pour protéger les droits et libertés des personnes concernées dont notamment celles relatives :
a) à la journalisation des accès;
b) à l'obligation d'être tenu au secret professionnel ou au devoir de confidentialité;
c) aux mesures techniques et organisationnelles relatives à la gestion des accès.
La journalisation des accès doit au minimum permettre d'établir qui a eu accès quand, à quelles données, à partir de quel poste et pour quelles finalités l'accès a été réalisé.".
1° les mots "les fonctionnaires de police revêtus de la qualité d'officier de police judiciaire visés à l'article 3 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police" sont remplacés par les mots "les membres des services de police qui ont le besoin d'en connaître et nominativement et préalablement désignés par les chefs de corps pour la police locale, le commissaire général, les directeurs généraux et les directeurs pour la police fédérale, les membres du personnel du Comité permanent de contrôle des services de police, et de son Service d'enquêtes, tel institués par la loi du 18 juillet 1991 organique du contrôle des services de police et de renseignement et de l'Organe de coordination pour l'analyse de la menace qui ont le besoin d'en connaître, nominativement et préalablement désignés par le Président dudit Comité, les membres du personnel de l'Organe de contrôle, et de son Service d'enquêtes, tel institués par la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l'égard des traitement de données à caractère personnel, qui ont le besoin d'en connaître, nominativement et préalablement désignés par le Président dudit organe, les membres du personnel du Comité permanent de contrôle des services de renseignements et de sécurité, et de son Service d'enquêtes, tels qu'institués par la même loi, qui ont le besoin d'en connaître, nominativement et préalablement désignés par le Président dudit Comité, les membres de l'inspection générale de la police fédérale et de la police locale, tels que visés à l'article 4 de la loi du 15 mai 2007 sur l'Inspection générale et portant des dispositions diverses relatives au statut de certains membres des services de police, qui ont le besoin d'en connaître, nominativement et préalablement désignés par l'Inspecteur général.".
2° cet article est complété par deux alinéas rédigé comme suit :
"Les modalités d'accès font l'objet d'un protocole d'accord au sens de l'article 20 de la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l'égard des traitements de données à caractère personnel entre le responsable du traitement du Casier judiciaire et le demandeur, c'est-à-dire les services visés à l'article 593, 1er alinéa. Ce protocole contient également les mesures appropriées pour protéger les droits et libertés des personnes concernées dont notamment celles relatives :
a) à la journalisation des accès;
b) à l'obligation d'être tenu au secret professionnel ou au devoir de confidentialité;
c) aux mesures techniques et organisationnelles relatives à la gestion des accès.
La journalisation des accès doit au minimum permettre d'établir qui a eu accès quand, à quelles données, à partir de quel poste et pour quelles finalités l'accès a été réalisé.".
Art. 30. In artikel 596, tweede lid van het Wetboek van strafvordering, vervangen bij de wet van 8 augustus 1997, gewijzigd bij de wet van 31 juli 2009, de wet van 10 april 2014 en de wet van 25 december 2016, wordt de zin "Teneinde deze informatie te verkrijgen, wendt de gemeentelijke administratie zich tot de lokale politiedienst." opgeheven.
Art. 30. Dans l'article 596, alinéa 2, du Code d'instruction criminelle, remplacé par la loi du 8 août 1997, modifié par la loi du 31 juillet 2009, la loi du 10 avril 2014 et la loi du 25 décembre 2016, la phrase "Afin d'obtenir cette information, l'administration communale s'adresse au service de police locale." est supprimée.
TITEL 4. - Wijzigingen van het Wetboek van economisch recht
TITRE 4. - Modifications du Code de droit économique
Art. 31. In artikel III.85, § 2, van het Wetboek van economisch recht, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013 en gewijzigd bij de wet van 15 april 2018, wordt het eerste lid vervangen als volgt :
" § 2. De verenigingen zonder winstoogmerk, de stichtingen en de internationale verenigingen zonder winstoogmerk die niet meer dan één van de criteria vermeld in paragraaf 3 van de respectievelijke artikelen 17, 37 en 53 van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de stichtingen en de Europese politieke partijen en stichtingen overschrijden, behoeven geen boekhouding te voeren volgens de voorschriften van de artikelen III.83 en III.84 wanneer de verrichtingen die betrekking hebben mutaties in contant geld of op rekeningen zonder uitstel, getrouw en volledig en naar tijdsorde ingeschreven worden in een ongesplitst dagboek volgens het model door de Koning bepaald."
" § 2. De verenigingen zonder winstoogmerk, de stichtingen en de internationale verenigingen zonder winstoogmerk die niet meer dan één van de criteria vermeld in paragraaf 3 van de respectievelijke artikelen 17, 37 en 53 van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de stichtingen en de Europese politieke partijen en stichtingen overschrijden, behoeven geen boekhouding te voeren volgens de voorschriften van de artikelen III.83 en III.84 wanneer de verrichtingen die betrekking hebben mutaties in contant geld of op rekeningen zonder uitstel, getrouw en volledig en naar tijdsorde ingeschreven worden in een ongesplitst dagboek volgens het model door de Koning bepaald."
Art. 31. Dans l'article III.85, § 2, du Code de droit économique, inséré par la loi du 17 juillet 2013 et modifié par la loi du 15 avril 2018, le 1er alinéa est remplacé par ce qui suit :
" § 2. Les associations sans but lucratif, les fondations et les associations internationales sans but lucratif qui n'excèdent pas plus d'un des critères cités au paragraphe 3 des articles respectifs 17, 37 et 53 de la loi du 27 juin 1921 sur les associations sans but lucratif, les fondations, les partis politiques européens et les fondations politiques européennes ne doivent pas tenir de comptabilité selon les prescrits des articles III.83 et III.84 lorsque les opérations se traduisant par des mouvements de disponibilités en espèces ou en comptes sont inscrites sans retard, de manière fidèle et complète et par ordre de date dans un livre comptable unique selon le modèle déterminé par le Roi".
" § 2. Les associations sans but lucratif, les fondations et les associations internationales sans but lucratif qui n'excèdent pas plus d'un des critères cités au paragraphe 3 des articles respectifs 17, 37 et 53 de la loi du 27 juin 1921 sur les associations sans but lucratif, les fondations, les partis politiques européens et les fondations politiques européennes ne doivent pas tenir de comptabilité selon les prescrits des articles III.83 et III.84 lorsque les opérations se traduisant par des mouvements de disponibilités en espèces ou en comptes sont inscrites sans retard, de manière fidèle et complète et par ordre de date dans un livre comptable unique selon le modèle déterminé par le Roi".
TITEL 5. - Informatisering van de procedure van collectieve schuldenregeling
TITRE 5. - L'informatisation de la procédure du règlement collectif de dettes
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van het Gerechtelijk wetboek
CHAPITRE 1er. - Modifications du Code judiciaire
Art. 32. In artikel 1390quater van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 29 mei 2000 en gewijzigd bij de wet van 14 januari 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° paragraaf 1 wordt aangevuld met een lid, luidende :
"Binnen vierentwintig uur na de beslissing tot vervanging van de schuldbemiddelaar, zendt de griffier [1 ...]1 aan het bestand van berichten de vermelding van de datum van deze beslissing en van de identiteit van de vervangende schuldbemiddelaar zoals in lid 1, 2°. ";
2° in paragraaf 2, eerste lid, wordt de bepaling onder 2° opgeheven.
1° paragraaf 1 wordt aangevuld met een lid, luidende :
"Binnen vierentwintig uur na de beslissing tot vervanging van de schuldbemiddelaar, zendt de griffier [1 ...]1 aan het bestand van berichten de vermelding van de datum van deze beslissing en van de identiteit van de vervangende schuldbemiddelaar zoals in lid 1, 2°. ";
2° in paragraaf 2, eerste lid, wordt de bepaling onder 2° opgeheven.
Art. 32. A l'article 1390quater du Code judiciaire, inséré par la loi du 29 mai 2000 et modifié par la loi du 14 janvier 2013, les modifications suivantes sont apportées :
1° Le paragraphe 1er est complété par un alinéa, rédigé comme suit :
"Dans les vingt-quatre heures de la décision de remplacement du médiateur de dettes, le greffier adresse au fichier des avis la mention de la date de cette décision et de l'identité du médiateur de dettes remplaçant au sens de l'alinéa 1er, 2° [1 ...]1."
2° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, le 2° est abrogé.
1° Le paragraphe 1er est complété par un alinéa, rédigé comme suit :
"Dans les vingt-quatre heures de la décision de remplacement du médiateur de dettes, le greffier adresse au fichier des avis la mention de la date de cette décision et de l'identité du médiateur de dettes remplaçant au sens de l'alinéa 1er, 2° [1 ...]1."
2° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, le 2° est abrogé.
Änderungen
Art. 32/1. [1 In artikel 1390quater, § 1, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij artikel 32, worden de woorden "middels het centraal register collectieve schuldenregeling bedoeld in artikel 1675/20" ingevoegd tussen de woorden "de griffier" en de woorden "aan het bestand".]1
Art. 32/1. [1 Dans l'article 1390quater, § 1er, alinéa 2, du même Code, inséré par l'article 32, la phrase est complétée par les mots ", au moyen du registre central des règlements collectifs de dettes prévu à l'article 1675/20.]1
Art. 33. In artikel 1675/4 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 juli 1998 en laatstelijk gewijzigd door de wet van 6 april 2010, en de wet van 14 oktober 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) paragraaf 1 wordt vervangen als volgt :
" § 1. De vordering tot collectieve schuldenregeling wordt ingeleid bij verzoekschrift bij de rechter.
Het verzoekschrift wordt neergelegd ter griffie en behandeld overeenkomstig de bepalingen in deze titel.
De als bijlage toegevoegde stukken bij het verzoekschrift worden genummerd ter griffie neergelegd.";
b) In paragraaf 2 wordt een punt 2bis° ingevoegd, luidende :
"2bis° in voorkomend geval het akkoord van de verzoeker voor het gebruik van het register bedoeld in artikel 1675/20 en de elektronische keuze van woonplaats;";
c) in dezelfde paragraaf wordt een punt 14° ingevoegd, luidende :
"14° in voorkomend geval, de beslissing van het bureau voor juridische bijstand bedoeld in artikel 667;";
d) in dezelfde paragraaf wordt een punt 15° ingevoegd, luidende :
"15° de inventaris van de genummerde als bijlage toegevoegde stukken.";
e) in paragraaf 3 worden de woorden "vraagt de rechter binnen acht dagen de verzoeker om zijn verzoekschrift aan te vullen" vervangen door de woorden "deelt de rechter aan de verzoeker mee dat hij binnen de acht dagen zijn verzoekschrift dient aan te vullen volgens de nadere regels bedoeld in paragraaf 1";
f) er wordt een paragraaf 4 ingevoegd, luidende :
" § 4. De Koning kan de vorm bepalen waarin het verzoekschrift bedoeld in dit artikel wordt opgesteld.".
a) paragraaf 1 wordt vervangen als volgt :
" § 1. De vordering tot collectieve schuldenregeling wordt ingeleid bij verzoekschrift bij de rechter.
Het verzoekschrift wordt neergelegd ter griffie en behandeld overeenkomstig de bepalingen in deze titel.
De als bijlage toegevoegde stukken bij het verzoekschrift worden genummerd ter griffie neergelegd.";
b) In paragraaf 2 wordt een punt 2bis° ingevoegd, luidende :
"2bis° in voorkomend geval het akkoord van de verzoeker voor het gebruik van het register bedoeld in artikel 1675/20 en de elektronische keuze van woonplaats;";
c) in dezelfde paragraaf wordt een punt 14° ingevoegd, luidende :
"14° in voorkomend geval, de beslissing van het bureau voor juridische bijstand bedoeld in artikel 667;";
d) in dezelfde paragraaf wordt een punt 15° ingevoegd, luidende :
"15° de inventaris van de genummerde als bijlage toegevoegde stukken.";
e) in paragraaf 3 worden de woorden "vraagt de rechter binnen acht dagen de verzoeker om zijn verzoekschrift aan te vullen" vervangen door de woorden "deelt de rechter aan de verzoeker mee dat hij binnen de acht dagen zijn verzoekschrift dient aan te vullen volgens de nadere regels bedoeld in paragraaf 1";
f) er wordt een paragraaf 4 ingevoegd, luidende :
" § 4. De Koning kan de vorm bepalen waarin het verzoekschrift bedoeld in dit artikel wordt opgesteld.".
Art. 33. A l'article 1675/4 du même Code, inséré par la loi du 5 juillet 1998 et modifié en dernier lieu par la loi du 6 avril 2010 et la loi du 14 octobre 2018, les modifications suivantes sont apportées :
a) le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. La demande de règlement collectif de dettes est introduite par requête auprès du juge.
La requête est déposée au greffe et instruite conformément aux dispositions du présent titre.
Les pièces jointes en annexe à la requête sont numérotées et déposées au greffe.";
b) Dans le paragraphe 2, il est inséré un point 2bis°, rédigé comme suit :
"2bis° le cas échéant, l'accord du requérant pour l'utilisation du registre visé à l'article 1675/20 et l'indication d'une adresse d'élection de domicile électronique;";
c) dans le même paragraphe, il est inséré le 14°, rédigé comme suit :
"14° le cas échéant, la décision du bureau d'aide juridique visé à l'article 667;";
d) dans le même paragraphe, il est inséré le 15°, rédigé comme suit :
"15° l'inventaire des pièces numérotées jointes en annexe à la requête.";
e) dans le paragraphe 3, les mots "invite le requérant dans les huit jours à compléter sa requête" sont remplacés par les mots "communique au requérant qu'il doit compléter sa requête dans les huit jours selon les modalités visées au paragraphe 1er";
f) il est inséré un paragraphe 4, rédigé comme suit :
" § 4. Le Roi peut déterminer la forme dans laquelle la requête visée au présent article doit être faite.".
a) le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. La demande de règlement collectif de dettes est introduite par requête auprès du juge.
La requête est déposée au greffe et instruite conformément aux dispositions du présent titre.
Les pièces jointes en annexe à la requête sont numérotées et déposées au greffe.";
b) Dans le paragraphe 2, il est inséré un point 2bis°, rédigé comme suit :
"2bis° le cas échéant, l'accord du requérant pour l'utilisation du registre visé à l'article 1675/20 et l'indication d'une adresse d'élection de domicile électronique;";
c) dans le même paragraphe, il est inséré le 14°, rédigé comme suit :
"14° le cas échéant, la décision du bureau d'aide juridique visé à l'article 667;";
d) dans le même paragraphe, il est inséré le 15°, rédigé comme suit :
"15° l'inventaire des pièces numérotées jointes en annexe à la requête.";
e) dans le paragraphe 3, les mots "invite le requérant dans les huit jours à compléter sa requête" sont remplacés par les mots "communique au requérant qu'il doit compléter sa requête dans les huit jours selon les modalités visées au paragraphe 1er";
f) il est inséré un paragraphe 4, rédigé comme suit :
" § 4. Le Roi peut déterminer la forme dans laquelle la requête visée au présent article doit être faite.".
Art. 34. In artikel 1675/4, § 2, van het hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) in de bepaling onder 2° :
- tussen de woorden "de geboortedatum" en de woorden "en de woonplaats van de verzoeker", worden de woorden ", het rijksregisternummer" ingevoegd;
- tussen het woord "woonplaats" en de woorden "en de hoedanigheid van zijn wettelijke vertegenwoordigers", worden de woorden ", het rijksregisternummer" ingevoegd;
b) in de bepaling onder 6°, tussen het woord "geboortedatum" en de woorden "van de echtgenoot van de verzoeker", worden de woorden ", alsook rijksregisternummer" ingevoegd;
c) in de bepaling onder 9°, tussen de woorden "de benaming" en de woorden "en de zetel", worden de woorden ", het inschrijvingsnummer bij de Kruispuntbank van Ondernemingen" ingevoegd."
a) in de bepaling onder 2° :
- tussen de woorden "de geboortedatum" en de woorden "en de woonplaats van de verzoeker", worden de woorden ", het rijksregisternummer" ingevoegd;
- tussen het woord "woonplaats" en de woorden "en de hoedanigheid van zijn wettelijke vertegenwoordigers", worden de woorden ", het rijksregisternummer" ingevoegd;
b) in de bepaling onder 6°, tussen het woord "geboortedatum" en de woorden "van de echtgenoot van de verzoeker", worden de woorden ", alsook rijksregisternummer" ingevoegd;
c) in de bepaling onder 9°, tussen de woorden "de benaming" en de woorden "en de zetel", worden de woorden ", het inschrijvingsnummer bij de Kruispuntbank van Ondernemingen" ingevoegd."
Art. 34. Dans l'article 1675/4, § 2, du même Code, les modifications suivantes sont apportées :
a) au 2° :
- les mots "numéro de registre national," sont insérés entre les mots "date de naissance," et les mots "et domicile du requérant";
- les mots "numéro de registre national," sont insérés entre les mots "domicile," et les mots "et qualité de ses représentants légaux";
b) au 6°, les mots "et numéro de registre national" sont insérés entre les mots "date de naissance" et les mots "du conjoint du requérant";
c) au 9°, les mots ", le numéro d'inscription à la Banque-Carrefour des Entreprises" sont insérés entre les mots "la dénomination" et les mots "et le siège"
a) au 2° :
- les mots "numéro de registre national," sont insérés entre les mots "date de naissance," et les mots "et domicile du requérant";
- les mots "numéro de registre national," sont insérés entre les mots "domicile," et les mots "et qualité de ses représentants légaux";
b) au 6°, les mots "et numéro de registre national" sont insérés entre les mots "date de naissance" et les mots "du conjoint du requérant";
c) au 9°, les mots ", le numéro d'inscription à la Banque-Carrefour des Entreprises" sont insérés entre les mots "la dénomination" et les mots "et le siège"
Art. 35. In artikel 1675/5 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 juli 1998, wordt het tweede lid opgeheven.
Art. 35. Dans l'article 1675/5 du même Code, inséré par la loi du 5 juillet 1998, le deuxième alinéa est abrogé.
Art. 36. In artikel 1675/6 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 juli 1998 en laatstelijk gewijzigd door de wet van 6 mei 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt :
" § 1. De rechter onderzoekt de vordering. Hij kan te dien einde de verzoeker in raadkamer oproepen.
Binnen de acht dagen na de neerlegging van het verzoekschrift, na de zitting in raadkamer, of na neerlegging van het vervolledigde verzoekschrift overeenkomstig artikel 1675/4, § 3, doet de rechter uitspraak over de toelaatbaarheid van de vordering.";
2° paragraaf 4 wordt vervangen als volgt :
"De griffie voert de beschikking van toelaatbaarheid in het register bedoeld in artikel 1675/20 in, en deelt deze beschikking mee aan de griffies de rechtbanken waarbij de in artikel 1675/5 bedoelde procedures aanhangig zijn gemaakt."
1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt :
" § 1. De rechter onderzoekt de vordering. Hij kan te dien einde de verzoeker in raadkamer oproepen.
Binnen de acht dagen na de neerlegging van het verzoekschrift, na de zitting in raadkamer, of na neerlegging van het vervolledigde verzoekschrift overeenkomstig artikel 1675/4, § 3, doet de rechter uitspraak over de toelaatbaarheid van de vordering.";
2° paragraaf 4 wordt vervangen als volgt :
"De griffie voert de beschikking van toelaatbaarheid in het register bedoeld in artikel 1675/20 in, en deelt deze beschikking mee aan de griffies de rechtbanken waarbij de in artikel 1675/5 bedoelde procedures aanhangig zijn gemaakt."
Art. 36. A l'article 1675/6 du même Code, inséré par la loi du 5 juillet 1998 et modifié en dernier lieu par la loi du 6 mai 2010, les modifications suivantes sont apportées :
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Le juge examine la demande. Il peut, à cet effet, convoquer le requérant en chambre du conseil.
Dans les huit jours du dépôt de la requête, de l'audition du requérant ou du dépôt de la requête complétée conformément à l'article 1675/4, § 3, le juge statue sur l'admissibilité de la demande.";
2° le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit :
"Le greffe introduit sans délai la décision sur l'admissibilité dans le registre visé à l'article 1675/20, et notifie cette décision aux greffes des juridictions près lesquelles les procédures visées à l'article 1675/5 sont pendantes."
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Le juge examine la demande. Il peut, à cet effet, convoquer le requérant en chambre du conseil.
Dans les huit jours du dépôt de la requête, de l'audition du requérant ou du dépôt de la requête complétée conformément à l'article 1675/4, § 3, le juge statue sur l'admissibilité de la demande.";
2° le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit :
"Le greffe introduit sans délai la décision sur l'admissibilité dans le registre visé à l'article 1675/20, et notifie cette décision aux greffes des juridictions près lesquelles les procédures visées à l'article 1675/5 sont pendantes."
Art. 37. In artikel 1675/7 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 juli 1998 en gewijzigd bij de wet van 15 april 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° er wordt een paragraaf 2bis ingevoegd, luidende:
" § 2bis. De beschikking van toelaatbaarheid brengt van rechtswege de schrapping van de vorderingen ingediend op basis van de procedure bedoeld in artikel 1675/5.";
2° In paragraaf 6 wordt het woord "1390quinquies" vervangen door het woord 1390quater".
1° er wordt een paragraaf 2bis ingevoegd, luidende:
" § 2bis. De beschikking van toelaatbaarheid brengt van rechtswege de schrapping van de vorderingen ingediend op basis van de procedure bedoeld in artikel 1675/5.";
2° In paragraaf 6 wordt het woord "1390quinquies" vervangen door het woord 1390quater".
Art. 37. A l'article 1675/7 du même Code, inséré par la loi du 5 juillet 1998 et modifié par la loi du 15 avril 2018, les modifications suivantes sont apportées :
1° il est inséré un paragraphe 2bis, rédigé comme suit :
" § 2bis. La décision d'admissibilité emporte de plein droit radiation des demandes introduites sur la base des procédures visées à l'article 1675/5.";
2° dans le paragraphe 6, le mot "1390quinquies" est remplacé par le mot "1390quater".
1° il est inséré un paragraphe 2bis, rédigé comme suit :
" § 2bis. La décision d'admissibilité emporte de plein droit radiation des demandes introduites sur la base des procédures visées à l'article 1675/5.";
2° dans le paragraphe 6, le mot "1390quinquies" est remplacé par le mot "1390quater".
Art. 38. In artikel 1675/8 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 juli 1998 en laatstelijk gewijzigd door de wet van 14 januari 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden "bezorgen de schuldbemiddelaar die is belast met een procedure van minnelijke of gerechtelijke aanzuiveringsregeling, op diens verzoek, alle noodzakelijke inlichtingen over door de schuldenaar uitgevoerde verrichtingen en over de samenstelling en de vindplaats van diens vermogen" vervangen door de woorden "delen de schuldbemiddelaar die is belast met een procedure van minnelijke of gerechtelijke aanzuiveringsregeling, op diens verzoek, alle noodzakelijke inlichtingen over door de schuldenaar uitgevoerde verrichtingen en over de samenstelling en de vindplaats van diens vermogen mee";
2° in hetzelfde lid wordt het woord "verzonden" vervangen door het woord "meegedeeld";
3° in het tweede lid worden de woorden "voor te dragen" vervangen door de woorden "mee te delen";
4° in het derde lid worden de woorden "brengt de rechter, zodra hij het verzoek van de bemiddelaar ontvangt, de orde of het tuchtcollege waarvan de derde afhangt daarvan in kennis" vervangen door de woorden "geeft de rechter, zodra hij het verzoek van de bemiddelaar ontvangt, daarvan kennis aan de orde of het tuchtcollege waarvan de derde afhangt";
5° in hetzelfde lid worden de woorden "van advies te dienen" vervangen door de woorden "een advies mee te delen";
1° in het eerste lid worden de woorden "bezorgen de schuldbemiddelaar die is belast met een procedure van minnelijke of gerechtelijke aanzuiveringsregeling, op diens verzoek, alle noodzakelijke inlichtingen over door de schuldenaar uitgevoerde verrichtingen en over de samenstelling en de vindplaats van diens vermogen" vervangen door de woorden "delen de schuldbemiddelaar die is belast met een procedure van minnelijke of gerechtelijke aanzuiveringsregeling, op diens verzoek, alle noodzakelijke inlichtingen over door de schuldenaar uitgevoerde verrichtingen en over de samenstelling en de vindplaats van diens vermogen mee";
2° in hetzelfde lid wordt het woord "verzonden" vervangen door het woord "meegedeeld";
3° in het tweede lid worden de woorden "voor te dragen" vervangen door de woorden "mee te delen";
4° in het derde lid worden de woorden "brengt de rechter, zodra hij het verzoek van de bemiddelaar ontvangt, de orde of het tuchtcollege waarvan de derde afhangt daarvan in kennis" vervangen door de woorden "geeft de rechter, zodra hij het verzoek van de bemiddelaar ontvangt, daarvan kennis aan de orde of het tuchtcollege waarvan de derde afhangt";
5° in hetzelfde lid worden de woorden "van advies te dienen" vervangen door de woorden "een advies mee te delen";
Art. 38. A l'article 1675/8 du même Code, inséré par la loi du 5 juillet 1998 et modifié en dernier lieu par la loi du 14 janvier 2013, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 1er, le mot "délivrent" est remplacé par le mot "communiquent";
2° dans le même alinéa, le mot "expédiée" est remplacé par le mot "communiquée";
3° dans le deuxième alinéa, les mots "faire valoir" sont remplacé par le mot "communiquer";
4° dans le troisième alinéa, les mots "en informe par pli simple" sont remplacés par les mots "la notifie à";
5° dans le même alinéa, le mot "adresser" est remplacé par le mot "communiquer";
1° dans l'alinéa 1er, le mot "délivrent" est remplacé par le mot "communiquent";
2° dans le même alinéa, le mot "expédiée" est remplacé par le mot "communiquée";
3° dans le deuxième alinéa, les mots "faire valoir" sont remplacé par le mot "communiquer";
4° dans le troisième alinéa, les mots "en informe par pli simple" sont remplacés par les mots "la notifie à";
5° dans le même alinéa, le mot "adresser" est remplacé par le mot "communiquer";
Art. 39. Er wordt een artikel 1675/8bis ingevoerd, luidende :
"Art. 1675/8bis. In geval van niet-toelaatbaarheid, geeft de griffier binnen de drie dagen kennis van de beschikking aan de verzoeker en aan zijn echtgenoot of wettelijk samenwonende, onder toevoeging van de tekst van artikel 1675/16ter en, in voorkomend geval, aan zijn raadsman."
"Art. 1675/8bis. In geval van niet-toelaatbaarheid, geeft de griffier binnen de drie dagen kennis van de beschikking aan de verzoeker en aan zijn echtgenoot of wettelijk samenwonende, onder toevoeging van de tekst van artikel 1675/16ter en, in voorkomend geval, aan zijn raadsman."
Art. 39. Il est inséré un article 1675/8bis, rédigé comme suit :
"Art. 1675/8bis. En cas d'inadmissibilité, la décision est notifiée par le greffier dans les trois jours du prononcé au requérant et à son conjoint ou au cohabitant légal, en y joignant le texte de l'article 1675/16ter et, le cas échéant, à son conseil."
"Art. 1675/8bis. En cas d'inadmissibilité, la décision est notifiée par le greffier dans les trois jours du prononcé au requérant et à son conjoint ou au cohabitant légal, en y joignant le texte de l'article 1675/16ter et, le cas échéant, à son conseil."
Art. 40. In artikel 1675/9 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 juli 1998 en laatstelijk gewijzigd door de wet van 14 januari 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) [2 paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
" § 1. Uiterlijk vijf dagen na de uitspraak van de beschikking van toelaatbaarheid moet de griffier deze ter kennis brengen van:
1° de verzoeker en zijn echtgenoot of de wettelijk samenwonende, onder toevoeging van de tekst van artikel 1675/7 en, in voorkomend geval, aan zijn raadsman;
2° de schuldeisers en de personen die een persoonlijke zekerheid hebben gesteld onder toevoeging van de tekst van paragraaf 2 van dit artikel, alsook van de tekst van artikel 1675/7 en, in voorkomend geval, van een formulier van aangifte van schuldvordering;
3° de schuldbemiddelaar;
4° de betrokken schuldenaars onder toevoeging van de tekst van artikel 1675/7. Zij worden ervan op de hoogte gebracht dat iedere betaling, vanaf ontvangst van de beschikking, op een door de schuldbemiddelaar daartoe geopende rekening moet worden gestort, waarop alle betalingen aan de verzoeker worden gestort. De schuldbemiddelaar stelt de verzoeker in staat doorlopend te worden geïnformeerd over de rekening, de verrichtingen erop en het saldo ervan.
De griffie deelt zowel de nadere regels van inschrijving in het register bedoeld in artikel 1675/20 als de tekst van artikel 1675/15bis, § 1, mee.";]2
b) [2 ...]2
c) paragraaf 2, eerste lid wordt vervangen als volgt:
"De aangifte van schuldvordering moet uiterlijk een maand na kennisgeving van de beschikking van toelaatbaarheid aan de schuldbemiddelaar worden meegedeeld, hetzij bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbericht, hetzij bij aangifte op zijn kantoor met ontvangstbericht gedagtekend en ondertekend door de bemiddelaar of zijn gemachtigde. [1 Indien de schuldenaar en de schuldeiser in twee verschillende Staten binnen de Europese Unie verblijven is deze termijn drie maanden; verblijven zij in twee verschillende Staten buiten de Europese Unie, dan is de termijn vijf maanden.]1";
d) paragraaf 3 wordt vervangen als volgt :
" § 3. Wanneer een schuldeiser geen aangifte van schuldvordering doet binnen de termijn bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, deelt de schuldbemiddelaar hem mee dat hij over een laatste termijn van vijftien dagen beschikt, te rekenen vanaf ontvangst van deze mededeling, om alsnog aangifte te doen. [1 Indien de schuldenaar en de schuldeiser in twee verschillende Staten binnen de Europese Unie verblijven, is deze termijn dertig dagen; verblijven zij in twee verschillende Staten buiten de Europese Unie, dan is deze termijn vijfenvijftig dagen.]1 Wanneer de aangifte niet wordt meegedeeld binnen deze termijn, wordt de betreffende schuldeiser geacht afstand te doen van zijn schuldvordering. In dat geval verliest de schuldeiser zijn recht om zich te verhalen op de schuldenaar en de personen die voor hem een persoonlijke zekerheid hebben gesteld. Hij herwint dit recht in geval van afwijzing of herroeping van de aanzuiveringsregeling;
[2 e) in paragraaf 4 worden de woorden "1409 et 1412" vervangen door de woorden "1409 tot 1412".]2
De tekst van dit artikel en van de mededeling bedoeld in paragraaf 1bis wordt gevoegd bij de mededeling bedoeld in het eerste lid.".
a) [2 paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
" § 1. Uiterlijk vijf dagen na de uitspraak van de beschikking van toelaatbaarheid moet de griffier deze ter kennis brengen van:
1° de verzoeker en zijn echtgenoot of de wettelijk samenwonende, onder toevoeging van de tekst van artikel 1675/7 en, in voorkomend geval, aan zijn raadsman;
2° de schuldeisers en de personen die een persoonlijke zekerheid hebben gesteld onder toevoeging van de tekst van paragraaf 2 van dit artikel, alsook van de tekst van artikel 1675/7 en, in voorkomend geval, van een formulier van aangifte van schuldvordering;
3° de schuldbemiddelaar;
4° de betrokken schuldenaars onder toevoeging van de tekst van artikel 1675/7. Zij worden ervan op de hoogte gebracht dat iedere betaling, vanaf ontvangst van de beschikking, op een door de schuldbemiddelaar daartoe geopende rekening moet worden gestort, waarop alle betalingen aan de verzoeker worden gestort. De schuldbemiddelaar stelt de verzoeker in staat doorlopend te worden geïnformeerd over de rekening, de verrichtingen erop en het saldo ervan.
De griffie deelt zowel de nadere regels van inschrijving in het register bedoeld in artikel 1675/20 als de tekst van artikel 1675/15bis, § 1, mee.";]2
b) [2 ...]2
c) paragraaf 2, eerste lid wordt vervangen als volgt:
"De aangifte van schuldvordering moet uiterlijk een maand na kennisgeving van de beschikking van toelaatbaarheid aan de schuldbemiddelaar worden meegedeeld, hetzij bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbericht, hetzij bij aangifte op zijn kantoor met ontvangstbericht gedagtekend en ondertekend door de bemiddelaar of zijn gemachtigde. [1 Indien de schuldenaar en de schuldeiser in twee verschillende Staten binnen de Europese Unie verblijven is deze termijn drie maanden; verblijven zij in twee verschillende Staten buiten de Europese Unie, dan is de termijn vijf maanden.]1";
d) paragraaf 3 wordt vervangen als volgt :
" § 3. Wanneer een schuldeiser geen aangifte van schuldvordering doet binnen de termijn bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, deelt de schuldbemiddelaar hem mee dat hij over een laatste termijn van vijftien dagen beschikt, te rekenen vanaf ontvangst van deze mededeling, om alsnog aangifte te doen. [1 Indien de schuldenaar en de schuldeiser in twee verschillende Staten binnen de Europese Unie verblijven, is deze termijn dertig dagen; verblijven zij in twee verschillende Staten buiten de Europese Unie, dan is deze termijn vijfenvijftig dagen.]1 Wanneer de aangifte niet wordt meegedeeld binnen deze termijn, wordt de betreffende schuldeiser geacht afstand te doen van zijn schuldvordering. In dat geval verliest de schuldeiser zijn recht om zich te verhalen op de schuldenaar en de personen die voor hem een persoonlijke zekerheid hebben gesteld. Hij herwint dit recht in geval van afwijzing of herroeping van de aanzuiveringsregeling;
[2 e) in paragraaf 4 worden de woorden "1409 et 1412" vervangen door de woorden "1409 tot 1412".]2
De tekst van dit artikel en van de mededeling bedoeld in paragraaf 1bis wordt gevoegd bij de mededeling bedoeld in het eerste lid.".
Art. 40. A l'article 1675/9 du même Code, inséré par la loi du 5 juillet 1998 et modifié en dernier lieu par la loi du 14 janvier 2013, les modifications suivantes sont apportées :
a) [2 le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit:
" § 1er. Dans les cinq jours du prononcé de la décision d'admissibilité, celle-ci est notifiée par le greffier:
1° au requérant et à son conjoint ou au cohabitant légal, en y joignant le texte de l'article 1675/7, et le cas échéant, à son conseil;
2° aux créanciers et aux personnes qui ont constitué une sûreté personnelle en y joignant le texte du paragraphe 2 du présent article ainsi que le texte de l'article 1675/7 et, le cas échéant, un formulaire de déclaration de créance;
3° au médiateur de dettes;
4° aux débiteurs concernés en y joignant le texte de l'article 1675/7, et en les informant que dès la réception de la décision, tout paiement doit être versé sur un compte, ouvert à cet effet par le médiateur de dettes et sur lequel sont versés tous les paiements faits au requérant. Le médiateur de dettes met le requérant en mesure d'être informé continuellement relativement au compte, aux opérations effectuées sur ce compte et au solde de ce compte.
Le greffe communique les modalités d'inscription dans le registre visé à l'article 1675/20 ainsi que le texte de l'article 1675/15bis, § 1er.";]2
b) [2 ...]2
c) le paragraphe 2, alinéa 1er, est remplacé par ce qui suit :
"La déclaration de créance doit être communiquée au médiateur de dettes dans le mois de la notification de la décision d'admissibilité, par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception ou par déclaration en ses bureaux avec accusé de réception daté et signé par le médiateur ou son mandataire. [1 Lorsque le débiteur et le créancier résident dans deux Etats différents de l'Union européenne, ce délai est de trois mois; lorsqu'ils résident dans deux Etats différents hors de l'Union européenne, ce délai est de cinq mois.]1";
d) le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Si un créancier ne communique pas de déclaration de créance dans le délai visé au paragraphe 2, alinéa 1er, le médiateur de dettes lui communique qu'il dispose d'un dernier délai de quinze jours, à compter de la réception de cette communication, pour faire cette déclaration. [1 Lorsque le débiteur et le créancier résident dans deux Etats différents de l'Union européenne, ce délai est de trente jours; lorsqu'ils résident dans deux Etats différents hors de l'Union européenne, ce délai est de cinquante-cinq jours.]1 Si la déclaration n'est pas communiquée dans ce délai, le créancier concerné est réputé renoncer à sa créance. Dans ce cas, le créancier perd le droit d'agir contre le débiteur et les personnes qui ont constitué pour lui une sûreté personnelle. Il récupère ce droit en cas de rejet ou de révocation du plan;
[2 e) dans le paragraphe 4, dans le texte néerlandais, les mots "1409 et 1412" sont remplacés par les mots "1409 tot 1412".]2
Copie du présent article et de la communication visée au § 1erbis est jointe à la communication visée à l'alinéa 1er.".
a) [2 le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit:
" § 1er. Dans les cinq jours du prononcé de la décision d'admissibilité, celle-ci est notifiée par le greffier:
1° au requérant et à son conjoint ou au cohabitant légal, en y joignant le texte de l'article 1675/7, et le cas échéant, à son conseil;
2° aux créanciers et aux personnes qui ont constitué une sûreté personnelle en y joignant le texte du paragraphe 2 du présent article ainsi que le texte de l'article 1675/7 et, le cas échéant, un formulaire de déclaration de créance;
3° au médiateur de dettes;
4° aux débiteurs concernés en y joignant le texte de l'article 1675/7, et en les informant que dès la réception de la décision, tout paiement doit être versé sur un compte, ouvert à cet effet par le médiateur de dettes et sur lequel sont versés tous les paiements faits au requérant. Le médiateur de dettes met le requérant en mesure d'être informé continuellement relativement au compte, aux opérations effectuées sur ce compte et au solde de ce compte.
Le greffe communique les modalités d'inscription dans le registre visé à l'article 1675/20 ainsi que le texte de l'article 1675/15bis, § 1er.";]2
b) [2 ...]2
c) le paragraphe 2, alinéa 1er, est remplacé par ce qui suit :
"La déclaration de créance doit être communiquée au médiateur de dettes dans le mois de la notification de la décision d'admissibilité, par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception ou par déclaration en ses bureaux avec accusé de réception daté et signé par le médiateur ou son mandataire. [1 Lorsque le débiteur et le créancier résident dans deux Etats différents de l'Union européenne, ce délai est de trois mois; lorsqu'ils résident dans deux Etats différents hors de l'Union européenne, ce délai est de cinq mois.]1";
d) le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Si un créancier ne communique pas de déclaration de créance dans le délai visé au paragraphe 2, alinéa 1er, le médiateur de dettes lui communique qu'il dispose d'un dernier délai de quinze jours, à compter de la réception de cette communication, pour faire cette déclaration. [1 Lorsque le débiteur et le créancier résident dans deux Etats différents de l'Union européenne, ce délai est de trente jours; lorsqu'ils résident dans deux Etats différents hors de l'Union européenne, ce délai est de cinquante-cinq jours.]1 Si la déclaration n'est pas communiquée dans ce délai, le créancier concerné est réputé renoncer à sa créance. Dans ce cas, le créancier perd le droit d'agir contre le débiteur et les personnes qui ont constitué pour lui une sûreté personnelle. Il récupère ce droit en cas de rejet ou de révocation du plan;
[2 e) dans le paragraphe 4, dans le texte néerlandais, les mots "1409 et 1412" sont remplacés par les mots "1409 tot 1412".]2
Copie du présent article et de la communication visée au § 1erbis est jointe à la communication visée à l'alinéa 1er.".
Art. 41. In artikel 1675/10 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 juli 1998 en laatstelijk gewijzigd door de wet van 14 januari 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 4, eerste lid, worden de woorden "zendt het ontwerp van minnelijke aanzuiveringsregeling bij een ter post aangetekende brief naar" vervangen door de woorden "deelt het ontwerp van minnelijke aanzuiveringsregeling mee aan";
2° in dezelfde paragraaf, tweede lid, worden de woorden "ofwel bij ter post aangetekende brief ofwel door middel van een verklaring bij de schuldbemiddelaar uiterlijk twee maanden na toezending van het ontwerp worden ingebracht" vervangen door de woorden "uiterlijk twee maanden na toezending van het ontwerp worden meegedeeld aan de schuldbemiddelaar";
3° in het eerste lid van paragraaf 5 worden de woorden "bezorgt de schuldbemiddelaar de minnelijke aanzuiveringsregeling, het verslag van zijn werkzaamheden en de dossierstukken aan de rechter" vervangen door de woorden "deelt de schuldbemiddelaar de minnelijke aanzuiveringsregeling, het verslag van zijn werkzaamheden en de dossierstukken aan de rechter mee".
1° in paragraaf 4, eerste lid, worden de woorden "zendt het ontwerp van minnelijke aanzuiveringsregeling bij een ter post aangetekende brief naar" vervangen door de woorden "deelt het ontwerp van minnelijke aanzuiveringsregeling mee aan";
2° in dezelfde paragraaf, tweede lid, worden de woorden "ofwel bij ter post aangetekende brief ofwel door middel van een verklaring bij de schuldbemiddelaar uiterlijk twee maanden na toezending van het ontwerp worden ingebracht" vervangen door de woorden "uiterlijk twee maanden na toezending van het ontwerp worden meegedeeld aan de schuldbemiddelaar";
3° in het eerste lid van paragraaf 5 worden de woorden "bezorgt de schuldbemiddelaar de minnelijke aanzuiveringsregeling, het verslag van zijn werkzaamheden en de dossierstukken aan de rechter" vervangen door de woorden "deelt de schuldbemiddelaar de minnelijke aanzuiveringsregeling, het verslag van zijn werkzaamheden en de dossierstukken aan de rechter mee".
Art. 41. A l'article 1675/10 du même Code, inséré par la loi du 5 juillet 1998 et modifié en dernier lieu par la loi du 14 janvier 2013, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 4, alinéa 1er, le mot "adresse" est remplacé par le mot "communique";
2° dans le même paragraphe, alinéa 2, les mots "formé, soit par lettre recommandée a la poste, soit par déclaration devant le" sont remplacé par les mots "communiqué au";
3° dans l'alinéa 1er du paragraphe 5, le mot "transmet" est remplacé par le mot "communique".
1° dans le paragraphe 4, alinéa 1er, le mot "adresse" est remplacé par le mot "communique";
2° dans le même paragraphe, alinéa 2, les mots "formé, soit par lettre recommandée a la poste, soit par déclaration devant le" sont remplacé par les mots "communiqué au";
3° dans l'alinéa 1er du paragraphe 5, le mot "transmet" est remplacé par le mot "communique".
Art. 42. In artikel 1675/11 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 juli 1998 en laatstelijk gewijzigd door de wet van 26 maart 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt het woord "bezorgt" vervangen door het woord "meedeelt";
2° in paragraaf 2 worden de woorden "overeenkomstig artikel 1675/16, § 1" opgeheven.
1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt het woord "bezorgt" vervangen door het woord "meedeelt";
2° in paragraaf 2 worden de woorden "overeenkomstig artikel 1675/16, § 1" opgeheven.
Art. 42. A l'article 1675/11 du même Code, inséré par la loi du 5 juillet 1998 et modifié en dernier lieu par la loi du 26 mars 2012, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, le mot "transmet" est remplacé par le mot "communique";
2° dans le paragraphe 2, les mots "conformément à l'article 1675/16, § 1er" sont abrogés.
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, le mot "transmet" est remplacé par le mot "communique";
2° dans le paragraphe 2, les mots "conformément à l'article 1675/16, § 1er" sont abrogés.
Art. 43. In artikel 1675/14 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 juli 1998 en laatstelijk gewijzigd door de wet van 14 januari 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden "stelt de schuldbemiddelaar onverwijld in kennis van iedere wijziging van zijn vermogenstoestand die optrad na de indiening van het verzoekschrift bedoeld in artikel 1675/4" vervangen door de woorden "deelt onverwijld iedere wijziging van zijn vermogenstoestand die optrad na de indiening van het verzoekschrift bedoeld in artikel 1675/4 mee aan de schuldbemiddelaar";
2° in paragraaf 2, derde lid, wordt het woord "verzonden" vervangen door het woord "meegedeeld";
3° paragraaf 2, vierde lid, wordt vervangen als volgt :
"De griffier geeft kennis van de datum waarop de zaak voor de rechter komt aan de schuldenaar en de schuldeisers.".
1° in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden "stelt de schuldbemiddelaar onverwijld in kennis van iedere wijziging van zijn vermogenstoestand die optrad na de indiening van het verzoekschrift bedoeld in artikel 1675/4" vervangen door de woorden "deelt onverwijld iedere wijziging van zijn vermogenstoestand die optrad na de indiening van het verzoekschrift bedoeld in artikel 1675/4 mee aan de schuldbemiddelaar";
2° in paragraaf 2, derde lid, wordt het woord "verzonden" vervangen door het woord "meegedeeld";
3° paragraaf 2, vierde lid, wordt vervangen als volgt :
"De griffier geeft kennis van de datum waarop de zaak voor de rechter komt aan de schuldenaar en de schuldeisers.".
Art. 43. Dans l'article 1675/14 du même Code, inséré par la loi du 5 juillet 1998 et modifié en dernier lieu par la loi du 14 janvier 2013, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, les mots "informe sans délai le médiateur de dettes de" sont remplacés par les mots "communique sans délai au médiateur de dettes";
2° dans le paragraphe 2, alinéa 3, le mot "adressée" est remplacé par le mot "communiquée";
3° le paragraphe 2, alinéa 4, est remplacé par ce qui suit :
"Le greffier notifie au débiteur et aux créanciers la date à laquelle la cause sera fixée devant le juge.".
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, les mots "informe sans délai le médiateur de dettes de" sont remplacés par les mots "communique sans délai au médiateur de dettes";
2° dans le paragraphe 2, alinéa 3, le mot "adressée" est remplacé par le mot "communiquée";
3° le paragraphe 2, alinéa 4, est remplacé par ce qui suit :
"Le greffier notifie au débiteur et aux créanciers la date à laquelle la cause sera fixée devant le juge.".
Art. 44. In artikel 1675/15 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 juli 1998 en laatstelijk gewijzigd door de wet van 14 januari 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1 wordt het woord "verzonden" vervangen door het woord "meegedeeld";
2° paragraaf 1, tweede lid, wordt vervangen als volgt :
"De griffier geeft kennis van de datum waarop de zaak voor de rechter komt aan de schuldenaar en de schuldeisers.";
3° in paragraaf 1/1 wordt het woord "verzonden" vervangen door het woord "meegedeeld";
4° in paragraaf 2 worden de woorden "aan de rechter een herroeping van de regeling vragen" vervangen door de woorden "een verzoek tot herroeping van de regeling meedelen".
1° in paragraaf 1 wordt het woord "verzonden" vervangen door het woord "meegedeeld";
2° paragraaf 1, tweede lid, wordt vervangen als volgt :
"De griffier geeft kennis van de datum waarop de zaak voor de rechter komt aan de schuldenaar en de schuldeisers.";
3° in paragraaf 1/1 wordt het woord "verzonden" vervangen door het woord "meegedeeld";
4° in paragraaf 2 worden de woorden "aan de rechter een herroeping van de regeling vragen" vervangen door de woorden "een verzoek tot herroeping van de regeling meedelen".
Art. 44. Dans l'article 1675/15 du même Code, inséré par la loi du 5 juillet 1998 et modifié en dernier lieu par la loi du 14 janvier 2013, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, le mot "expédiée" est remplacé par le mot "communiquée";
2° le paragraphe 1er, alinéa 2, est remplacé par ce qui suit :
"Le greffier notifie au débiteur et aux créanciers la date à laquelle la cause est amenée devant le juge.";
3° dans le paragraphe 1er/1, le mot "expédiée" est remplacé par le mot "communiquée";
4° dans le paragraphe 2, les mots "demander au juge la" sont remplacés par les mots "communiquer au juge une demande de".
1° dans le paragraphe 1er, le mot "expédiée" est remplacé par le mot "communiquée";
2° le paragraphe 1er, alinéa 2, est remplacé par ce qui suit :
"Le greffier notifie au débiteur et aux créanciers la date à laquelle la cause est amenée devant le juge.";
3° dans le paragraphe 1er/1, le mot "expédiée" est remplacé par le mot "communiquée";
4° dans le paragraphe 2, les mots "demander au juge la" sont remplacés par les mots "communiquer au juge une demande de".
Art. 45. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 1675/15bis ingevoegd, luidende :
"Art. 1675/15bis. § 1. De kennisgevingen, mededelingen en neerleggingen vermeld in deze titel en in artikel 20, § 2, van de wet van 5 juli 1998 betreffende de collectieve schuldenregeling en de mogelijkheid van verkoop uit de hand van de in beslag genomen onroerende goederen, tussen de volgende categorieën van personen gebeuren middels het register bedoeld in artikel 1675/20 :
1° de rechtbank, met inbegrip van de griffie;
2° de schuldbemiddelaar;
3° de advocaten;
4° derden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen;
5° de FOD Economie;
6° de rechtspersonen die in België gevestigd zijn;
7° voor zover ze zich hebben ingeschreven in het register, de rechtspersonen die in het buitenland gevestigd zijn;
8° voor zover ze zich hebben ingeschreven in het register, de natuurlijke personen, met dien verstande dat zij het recht hebben zich eender wanneer uit het register uit te schrijven.
Ten aanzien van de personen bedoeld in het eerste lid, 6°, 7° en 8° die in het register zijn ingeschreven ter gelegenheid van een eerdere procedure, maar nog niet voor de betrokken procedure zijn ingeschreven, doet de [1 griffier de eerste kennisgeving]1 door middel van het register, met de vraag om de inschrijving binnen [1 vijf]1 werkdagen te bevestigen. De bevestiging die binnen die termijn wordt gegeven, geldt als inschrijving in het register voor de betrokken procedure. Bij gebreke van bevestiging binnen de termijn, wordt de elektronische mededeling of kennisgeving als ongedaan beschouwd en gaat de [1 griffier over tot de kennisgeving overeenkomstig artikel 1675/16, § 2, 1°]1.
Elke mededeling, kennisgeving of neerlegging die niet wordt gedaan zoals bepaald in het eerste en tweede lid, wordt beschouwd niet te hebben plaatsgevonden.
De tekst van deze paragraaf wordt weergegeven in elke mededeling of kennisgeving uitgaande van de rechtbank of de schuldbemiddelaar.
§ 2. De papieren stukken uitgaande van de griffier en de schuldbemiddelaar, alsook de stukken die aan hen worden meegedeeld of bij hen worden neergelegd op andere wijzen dan via het register, worden, wanneer die wijzen zijn toegelaten krachtens dit wetboek, door hen omgezet naar elektronische vorm, gelijkvormig verklaard en opgeladen in het register bedoeld in artikel 1675/20 wanneer die wijzen van mededeling en neerlegging zijn toegelaten krachtens het huidige artikel.".
"Art. 1675/15bis. § 1. De kennisgevingen, mededelingen en neerleggingen vermeld in deze titel en in artikel 20, § 2, van de wet van 5 juli 1998 betreffende de collectieve schuldenregeling en de mogelijkheid van verkoop uit de hand van de in beslag genomen onroerende goederen, tussen de volgende categorieën van personen gebeuren middels het register bedoeld in artikel 1675/20 :
1° de rechtbank, met inbegrip van de griffie;
2° de schuldbemiddelaar;
3° de advocaten;
4° derden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen;
5° de FOD Economie;
6° de rechtspersonen die in België gevestigd zijn;
7° voor zover ze zich hebben ingeschreven in het register, de rechtspersonen die in het buitenland gevestigd zijn;
8° voor zover ze zich hebben ingeschreven in het register, de natuurlijke personen, met dien verstande dat zij het recht hebben zich eender wanneer uit het register uit te schrijven.
Ten aanzien van de personen bedoeld in het eerste lid, 6°, 7° en 8° die in het register zijn ingeschreven ter gelegenheid van een eerdere procedure, maar nog niet voor de betrokken procedure zijn ingeschreven, doet de [1 griffier de eerste kennisgeving]1 door middel van het register, met de vraag om de inschrijving binnen [1 vijf]1 werkdagen te bevestigen. De bevestiging die binnen die termijn wordt gegeven, geldt als inschrijving in het register voor de betrokken procedure. Bij gebreke van bevestiging binnen de termijn, wordt de elektronische mededeling of kennisgeving als ongedaan beschouwd en gaat de [1 griffier over tot de kennisgeving overeenkomstig artikel 1675/16, § 2, 1°]1.
Elke mededeling, kennisgeving of neerlegging die niet wordt gedaan zoals bepaald in het eerste en tweede lid, wordt beschouwd niet te hebben plaatsgevonden.
De tekst van deze paragraaf wordt weergegeven in elke mededeling of kennisgeving uitgaande van de rechtbank of de schuldbemiddelaar.
§ 2. De papieren stukken uitgaande van de griffier en de schuldbemiddelaar, alsook de stukken die aan hen worden meegedeeld of bij hen worden neergelegd op andere wijzen dan via het register, worden, wanneer die wijzen zijn toegelaten krachtens dit wetboek, door hen omgezet naar elektronische vorm, gelijkvormig verklaard en opgeladen in het register bedoeld in artikel 1675/20 wanneer die wijzen van mededeling en neerlegging zijn toegelaten krachtens het huidige artikel.".
Art. 45. Dans le même Code, il est inséré un article 1675/15bis, rédigé comme suit :
"Art. 1675/15bis. § 1er. Toute notification, toute communication ou tout dépôt prévu par le présent titre et par l'article 20, § 2, de la loi de 5 juillet 1998 relative au règlement collectif de dettes et à la possibilité de vente de gré à gré des biens immeubles saisis, s'effectue au moyen du registre visé à l'article 1675/20 entre les catégories de personnes suivantes :
1° le tribunal, en ce compris le greffe;
2° le médiateur de dettes;
3° les avocats;
4° les tiers qui fournissent l'assistance judiciaire à titre professionnel;
5° le SPF Economie;
6° les personnes morales établies en Belgique;
7° pour autant qu'elles se soient inscrites dans le registre, les personnes morales établies à l'étranger;
8° pour autant qu'elles se soient inscrites dans le registre, les personnes physiques, étant entendu qu'elles disposent du droit de renoncer à leur inscription au registre à tout moment.
A l'égard des personnes visées à l'alinéa 1er, 6°, 7° et 8° qui ont été inscrites dans le registre à l'occasion d'une procédure antérieure mais qui ne sont pas encore inscrites pour la procédure concernée, le [1 greffier effectue la première notification]1 au moyen du registre en demandant confirmation de cette inscription dans les [1 cinq]1 jours ouvrables. La confirmation intervenue dans ce délai vaut inscription dans le registre pour la procédure concernée. A défaut de confirmation dans le délai, la communication ou notification électronique est réputée non avenue et le [1 greffier procède à la notification conformément à l'article 1675/16, § 2, 1°]1.
Toute communication, toute notification ou tout dépôt intervenu en violation des alinéas 1 et 2 est considéré comme non-avenu.
Le texte du présent paragraphe est reproduit dans toute communication ou notification émanant du tribunal ou du médiateur de dettes.
§ 2. Le greffier et le médiateur convertissent sous format électronique, déclarent conformes et chargent dans le registre visé à l'article 1675/20 les pièces en papier émises par eux et les pièces qui leur sont communiquées ou déposées par d'autres voies que le registre, lorsque ces voies sont autorisées en vertu du présent livre.".
"Art. 1675/15bis. § 1er. Toute notification, toute communication ou tout dépôt prévu par le présent titre et par l'article 20, § 2, de la loi de 5 juillet 1998 relative au règlement collectif de dettes et à la possibilité de vente de gré à gré des biens immeubles saisis, s'effectue au moyen du registre visé à l'article 1675/20 entre les catégories de personnes suivantes :
1° le tribunal, en ce compris le greffe;
2° le médiateur de dettes;
3° les avocats;
4° les tiers qui fournissent l'assistance judiciaire à titre professionnel;
5° le SPF Economie;
6° les personnes morales établies en Belgique;
7° pour autant qu'elles se soient inscrites dans le registre, les personnes morales établies à l'étranger;
8° pour autant qu'elles se soient inscrites dans le registre, les personnes physiques, étant entendu qu'elles disposent du droit de renoncer à leur inscription au registre à tout moment.
A l'égard des personnes visées à l'alinéa 1er, 6°, 7° et 8° qui ont été inscrites dans le registre à l'occasion d'une procédure antérieure mais qui ne sont pas encore inscrites pour la procédure concernée, le [1 greffier effectue la première notification]1 au moyen du registre en demandant confirmation de cette inscription dans les [1 cinq]1 jours ouvrables. La confirmation intervenue dans ce délai vaut inscription dans le registre pour la procédure concernée. A défaut de confirmation dans le délai, la communication ou notification électronique est réputée non avenue et le [1 greffier procède à la notification conformément à l'article 1675/16, § 2, 1°]1.
Toute communication, toute notification ou tout dépôt intervenu en violation des alinéas 1 et 2 est considéré comme non-avenu.
Le texte du présent paragraphe est reproduit dans toute communication ou notification émanant du tribunal ou du médiateur de dettes.
§ 2. Le greffier et le médiateur convertissent sous format électronique, déclarent conformes et chargent dans le registre visé à l'article 1675/20 les pièces en papier émises par eux et les pièces qui leur sont communiquées ou déposées par d'autres voies que le registre, lorsque ces voies sont autorisées en vertu du présent livre.".
Änderungen
Art. 46. In artikel 1675/16 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 juli 1998 en laatstelijk gewijzigd door de wet van 14 januari 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) paragraaf 1 wordt vervangen als volgt :
" § 1. Elke kennisgeving of mededeling die niet plaatsvindt middels het register, wordt gedaan zoals bepaald in dit artikel.";
b) in paragraaf 2 wordt punt 1° vervangen als volgt :
"1° [1 de beschikking van toelaatbaarheid bedoeld in artikel 1675/9, § 1, 1°, 2° en 4°, en de]1 beschikking van niet-toelaatbaarheid bedoeld in artikel 1675/8bis;";
c) paragraaf 2/1 wordt vervangen als volgt :
" § 2/1. De griffier geeft bij een ter post aangetekende brief kennis van de beschikking van vervanging bedoeld in artikel 1675/17, § 4, aan de vervangen schuldbemiddelaar, en aan de schuldenaar. Vervolgens deelt de vervangende schuldbemiddelaar de beschikking mee bij een ter post aangetekende brief aan de schuldeisers en aan de schuldenaars van inkomsten.";
d) in paragraaf 3 worden de woorden "De in artikel 1675/17, § 4, bedoelde beslissing tot vervanging wordt alleen ter kennis gebracht van de vervangen schuldbemiddelaar, van de vervangende schuldbemiddelaar en van de schuldenaar" opgeheven;
e) paragraaf 4 wordt vervangen als volgt :
" § 4. De mededelingen bedoeld [1 ...]1 in artikel 1675/10, § 4, en in artikel [1 1675/16bis]1, § 2, tweede lid, gebeuren bij [1 aangetekende zending]1.";
f) er wordt een paragraaf 5 ingevoegd, luidende :
" § 5. De mededelingen bedoeld in artikel 1675/9, § 2 [1 en § 3]1, gebeuren hetzij bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs, hetzij bij aangifte op het kantoor van de schuldbemiddelaar met ontvangstbericht gedagtekend en ondertekend door de bemiddelaar of zijn gemachtigde.";
g) er wordt een paragraaf 6 ingevoegd, luidende :
" § 6. Alle overige kennisgevingen of mededelingen gebeuren bij gewone brief.".
a) paragraaf 1 wordt vervangen als volgt :
" § 1. Elke kennisgeving of mededeling die niet plaatsvindt middels het register, wordt gedaan zoals bepaald in dit artikel.";
b) in paragraaf 2 wordt punt 1° vervangen als volgt :
"1° [1 de beschikking van toelaatbaarheid bedoeld in artikel 1675/9, § 1, 1°, 2° en 4°, en de]1 beschikking van niet-toelaatbaarheid bedoeld in artikel 1675/8bis;";
c) paragraaf 2/1 wordt vervangen als volgt :
" § 2/1. De griffier geeft bij een ter post aangetekende brief kennis van de beschikking van vervanging bedoeld in artikel 1675/17, § 4, aan de vervangen schuldbemiddelaar, en aan de schuldenaar. Vervolgens deelt de vervangende schuldbemiddelaar de beschikking mee bij een ter post aangetekende brief aan de schuldeisers en aan de schuldenaars van inkomsten.";
d) in paragraaf 3 worden de woorden "De in artikel 1675/17, § 4, bedoelde beslissing tot vervanging wordt alleen ter kennis gebracht van de vervangen schuldbemiddelaar, van de vervangende schuldbemiddelaar en van de schuldenaar" opgeheven;
e) paragraaf 4 wordt vervangen als volgt :
" § 4. De mededelingen bedoeld [1 ...]1 in artikel 1675/10, § 4, en in artikel [1 1675/16bis]1, § 2, tweede lid, gebeuren bij [1 aangetekende zending]1.";
f) er wordt een paragraaf 5 ingevoegd, luidende :
" § 5. De mededelingen bedoeld in artikel 1675/9, § 2 [1 en § 3]1, gebeuren hetzij bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs, hetzij bij aangifte op het kantoor van de schuldbemiddelaar met ontvangstbericht gedagtekend en ondertekend door de bemiddelaar of zijn gemachtigde.";
g) er wordt een paragraaf 6 ingevoegd, luidende :
" § 6. Alle overige kennisgevingen of mededelingen gebeuren bij gewone brief.".
Art. 46. A l'article 1675/16 du même Code, inséré par la loi du 5 juillet 1998 et modifié en dernier lieu par la loi du 14 janvier 2013, les modifications suivantes sont apportées :
a) le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Lorsqu'elle n'a pas lieu par voie électronique, toute notification ou communication s'effectue conformément au présent article.";
b) dans le paragraphe 2, le 1° est remplacé par ce qui suit :
"1° [1 la décision d'admissibilité visée à l'article 1675/9, § 1er, 1°, 2° et 4°, et]1 la décision d'inadmissibilité visée à l'article 1675/8bis;";
c) le paragraphe 2/1 est remplacé par ce qui suit :
" § 2/1. La décision de remplacement visée à l'article 1675/17, § 4, est notifiée par le greffier, par lettre recommandée à la poste, au médiateur de dettes remplacé, et au débiteur. Elle est ensuite communiquée par le médiateur de dettes remplaçant, par lettre recommandée à la poste, aux créanciers et aux débiteurs de revenus.";
d) dans le paragraphe 3, les mots "La décision de remplacement visée à l'article 1675/17, § 4, n'est notifiée qu'au médiateur de dettes remplacé, au médiateur de dettes remplaçant et au débiteur" sont abrogés;
e) le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit :
" § 4. Les communications visées [1 ...]1 à l'article 1675/10, § 4, et à l'article 1675/16bis, § 2, alinéa 2, ont lieu par [1 envoi recommandé]1.";
f) il est inséré un paragraphe 5, rédigé comme suit :
" § 5. Les communications visées à l'article 1675/9, § 2 [1 et § 3]1, ont lieu soit par lettre recommandée avec accusé de réception, soit par déclaration en bureaux du médiateur de dettes avec accusé de réception daté et signé par le médiateur ou son mandataire.";
g) il est inséré un paragraphe 6, rédigé comme suit :
" § 6. Toutes les autres notifications ou communications ont lieu par courrier ordinaire.".
a) le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Lorsqu'elle n'a pas lieu par voie électronique, toute notification ou communication s'effectue conformément au présent article.";
b) dans le paragraphe 2, le 1° est remplacé par ce qui suit :
"1° [1 la décision d'admissibilité visée à l'article 1675/9, § 1er, 1°, 2° et 4°, et]1 la décision d'inadmissibilité visée à l'article 1675/8bis;";
c) le paragraphe 2/1 est remplacé par ce qui suit :
" § 2/1. La décision de remplacement visée à l'article 1675/17, § 4, est notifiée par le greffier, par lettre recommandée à la poste, au médiateur de dettes remplacé, et au débiteur. Elle est ensuite communiquée par le médiateur de dettes remplaçant, par lettre recommandée à la poste, aux créanciers et aux débiteurs de revenus.";
d) dans le paragraphe 3, les mots "La décision de remplacement visée à l'article 1675/17, § 4, n'est notifiée qu'au médiateur de dettes remplacé, au médiateur de dettes remplaçant et au débiteur" sont abrogés;
e) le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit :
" § 4. Les communications visées [1 ...]1 à l'article 1675/10, § 4, et à l'article 1675/16bis, § 2, alinéa 2, ont lieu par [1 envoi recommandé]1.";
f) il est inséré un paragraphe 5, rédigé comme suit :
" § 5. Les communications visées à l'article 1675/9, § 2 [1 et § 3]1, ont lieu soit par lettre recommandée avec accusé de réception, soit par déclaration en bureaux du médiateur de dettes avec accusé de réception daté et signé par le médiateur ou son mandataire.";
g) il est inséré un paragraphe 6, rédigé comme suit :
" § 6. Toutes les autres notifications ou communications ont lieu par courrier ordinaire.".
Änderungen
Art. 47. In artikel 1675/16bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 juli 1998 en laatstelijk gewijzigd door de wet van 6 april 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° paragraaf 2, tweede lid, wordt vervangen als volgt :
"De schuldbemiddelaar deelt aan die persoon, van zodra deze bekend is, de mogelijkheid om de in het eerste lid bedoelde verklaring neer te leggen mee. Deze mededeling bevat zowel de nadere regels van inschrijving in het register bedoeld in artikel 1675/20 als de tekst van dit artikel en van de artikelen 1675/15bis, § 1, en 1675/16, § 4.";
2° paragraaf 3, eerste lid, wordt aangevuld met de woorden "en, in voorkomend geval, zijn akkoord voor het gebruik van het register bedoeld in artikel 1675/20 en de elektronische keuze van woonplaats.";
3° in paragraaf 4, derde lid, worden de woorden "overeenkomstig artikel 1675/16, § 1, worden opgeroepen" door de woorden "door de griffie worden opgeroepen bij kennisgeving".
1° paragraaf 2, tweede lid, wordt vervangen als volgt :
"De schuldbemiddelaar deelt aan die persoon, van zodra deze bekend is, de mogelijkheid om de in het eerste lid bedoelde verklaring neer te leggen mee. Deze mededeling bevat zowel de nadere regels van inschrijving in het register bedoeld in artikel 1675/20 als de tekst van dit artikel en van de artikelen 1675/15bis, § 1, en 1675/16, § 4.";
2° paragraaf 3, eerste lid, wordt aangevuld met de woorden "en, in voorkomend geval, zijn akkoord voor het gebruik van het register bedoeld in artikel 1675/20 en de elektronische keuze van woonplaats.";
3° in paragraaf 4, derde lid, worden de woorden "overeenkomstig artikel 1675/16, § 1, worden opgeroepen" door de woorden "door de griffie worden opgeroepen bij kennisgeving".
Art. 47. Dans l'article 1675/16bis du même Code, inséré par la loi du 5 juillet 1998 et modifié en dernier lieu par la loi du 6 avril 2010, les modifications suivantes sont apportées :
1° le paragraphe 2, alinéa 2, est remplacé par ce qui suit :
"Le médiateur de dettes communique à cette personne, dès qu'elle est connue, la possibilité d'effectuer la déclaration visée à l'alinéa 1er en y joignant les modalités d'inscription dans le registre visé à l'article 1675/20 ainsi que le texte du présent article et des articles 1675/15bis, § 1er, et 1675/16, § 4.";
2° le paragraphe 3, alinéa 1er, est complété par les mots "et, le cas échéant, son accord pour l'utilisation du registre visé à l'article 1675/20 et l'indication d'une adresse d'élection de domicile électronique";
3° dans le paragraphe 4, alinéa 3, les mots "qui sont convoqués conformément à l'article 1675/16, § 1er" sont remplacés par les mots "dont la convocation est notifiée par le greffe".
1° le paragraphe 2, alinéa 2, est remplacé par ce qui suit :
"Le médiateur de dettes communique à cette personne, dès qu'elle est connue, la possibilité d'effectuer la déclaration visée à l'alinéa 1er en y joignant les modalités d'inscription dans le registre visé à l'article 1675/20 ainsi que le texte du présent article et des articles 1675/15bis, § 1er, et 1675/16, § 4.";
2° le paragraphe 3, alinéa 1er, est complété par les mots "et, le cas échéant, son accord pour l'utilisation du registre visé à l'article 1675/20 et l'indication d'une adresse d'élection de domicile électronique";
3° dans le paragraphe 4, alinéa 3, les mots "qui sont convoqués conformément à l'article 1675/16, § 1er" sont remplacés par les mots "dont la convocation est notifiée par le greffe".
Art. 48. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 1675/16ter ingevoegd, luidende :
"Art. 1675/16ter. De uitspraken zijn uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande hoger beroep en zonder borgstelling.
Behalve wat de in artikel 1675/6 bedoelde beschikking van toelaatbaarheid betreft en zonder dat, in deze veronderstelling, artikel 1122, tweede lid, 3°, kan worden ingeroepen, zijn die uitspraken niet vatbaar voor derdenverzet.
De vonnissen en arresten die bij verstek werden gewezen zijn niet vatbaar voor verzet.
Hoger beroep tegen de uitspraken door de verzoeker of een partij, wordt binnen een maand na de kennisgeving ingesteld bij een verzoekschrift dat voldoet aan de bepalingen van artikel 1675/4, § 2, 1° tot 4° en 13°, en wordt neergelegd op de griffie van het gerecht in hoger beroep.
De kennisgeving van de uitspraken geldt als betekening.".
"Art. 1675/16ter. De uitspraken zijn uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande hoger beroep en zonder borgstelling.
Behalve wat de in artikel 1675/6 bedoelde beschikking van toelaatbaarheid betreft en zonder dat, in deze veronderstelling, artikel 1122, tweede lid, 3°, kan worden ingeroepen, zijn die uitspraken niet vatbaar voor derdenverzet.
De vonnissen en arresten die bij verstek werden gewezen zijn niet vatbaar voor verzet.
Hoger beroep tegen de uitspraken door de verzoeker of een partij, wordt binnen een maand na de kennisgeving ingesteld bij een verzoekschrift dat voldoet aan de bepalingen van artikel 1675/4, § 2, 1° tot 4° en 13°, en wordt neergelegd op de griffie van het gerecht in hoger beroep.
De kennisgeving van de uitspraken geldt als betekening.".
Art. 48. Dans le même Code, il est inséré un article 1675/16ter, rédigé comme suit :
"Art. 1675/16ter. Les décisions sont exécutoires par provision nonobstant appel et sans caution.
Sauf en ce qui concerne la décision d'admissibilité visée à l'article 1675/6 et sans que, dans cette hypothèse, l'article 1122, alinéa 2, 3°, puisse être invoqué, ces décisions ne sont pas susceptibles de tierce opposition.
Les jugements et arrêts rendus par défaut ne sont pas susceptibles d'opposition.
L'appel des décisions par le requérant ou par toute partie est formé dans le mois à partir de la notification, par une requête, conforme aux dispositions de l'article 1675/4, § 2, 1° à 4° et 13°, et déposée au greffe de la juridiction d'appel.
La notification des décisions vaut signification.".
"Art. 1675/16ter. Les décisions sont exécutoires par provision nonobstant appel et sans caution.
Sauf en ce qui concerne la décision d'admissibilité visée à l'article 1675/6 et sans que, dans cette hypothèse, l'article 1122, alinéa 2, 3°, puisse être invoqué, ces décisions ne sont pas susceptibles de tierce opposition.
Les jugements et arrêts rendus par défaut ne sont pas susceptibles d'opposition.
L'appel des décisions par le requérant ou par toute partie est formé dans le mois à partir de la notification, par une requête, conforme aux dispositions de l'article 1675/4, § 2, 1° à 4° et 13°, et déposée au greffe de la juridiction d'appel.
La notification des décisions vaut signification.".
Art. 49. In artikel 1675/17 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 juli 1998 en laatstelijk gewijzigd door de wet van 14 januari 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 2, tweede lid, wordt de zin "De wrakingsprocedure verloopt overeenkomstig de artikelen 970 en 971" aangevuld met de woorden ", onverminderd de bepalingen van artikel 1675/15bis";
2° in de Franstalige versie van paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden "en informe le procureur du Roi, qui apprécie les suites disciplinaires qu'elle peut comporter, ou l'autorité" vervangen door de woorden "le notifie au procureur du Roi, qui apprécie les suites disciplinaires qu'elle peut comporter, ou à l'autorité";
3° in dezelfde paragraaf, tweede lid worden de woorden "bezorgt de schuldbemiddelaar de rechter een verslag over de stand en de evolutie van de procedure" vervangen door de woorden "deelt de schuldbemiddelaar aan de rechter een verslag over de stand en de evolutie van de procedure mee";
4° in dezelfde paragraaf wordt het vierde lid vervangen als volgt :
"De schuldbemiddelaar deelt het verslag mee aan de schuldenaar. De schuldeisers kunnen ter plaatse of in het register bedoeld in artikel 1675/20 van dat verslag kennis nemen.".
1° in paragraaf 2, tweede lid, wordt de zin "De wrakingsprocedure verloopt overeenkomstig de artikelen 970 en 971" aangevuld met de woorden ", onverminderd de bepalingen van artikel 1675/15bis";
2° in de Franstalige versie van paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden "en informe le procureur du Roi, qui apprécie les suites disciplinaires qu'elle peut comporter, ou l'autorité" vervangen door de woorden "le notifie au procureur du Roi, qui apprécie les suites disciplinaires qu'elle peut comporter, ou à l'autorité";
3° in dezelfde paragraaf, tweede lid worden de woorden "bezorgt de schuldbemiddelaar de rechter een verslag over de stand en de evolutie van de procedure" vervangen door de woorden "deelt de schuldbemiddelaar aan de rechter een verslag over de stand en de evolutie van de procedure mee";
4° in dezelfde paragraaf wordt het vierde lid vervangen als volgt :
"De schuldbemiddelaar deelt het verslag mee aan de schuldenaar. De schuldeisers kunnen ter plaatse of in het register bedoeld in artikel 1675/20 van dat verslag kennis nemen.".
Art. 49. Dans l'article 1675/17 du même Code, inséré par la loi du 5 juillet 1998 et modifié en dernier lieu par la loi du 14 janvier 2013, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 2, alinéa 2, la phrase "La procédure de récusation se déroule conformément aux articles 970 et 971" est complétée par les mots "sans préjudice des dispositions de l'article 1675/15bis";
2° dans la version française du paragraphe 3, alinéa 1er, les mots "en informe le procureur du Roi, qui apprécie les suites disciplinaires qu'elle peut comporter, ou l'autorité" sont remplacés par les mots "le notifie au procureur du Roi, qui apprécie les suites disciplinaires qu'elle peut comporter, ou à l'autorité";
3° dans le même paragraphe, alinéa 2, le mot "remet" est remplacé par le mot "communique";
4° dans le même paragraphe, l'alinéa 4 est remplacé par ce qui suit :
"Le médiateur de dettes communique une copie du rapport au débiteur. Les créanciers peuvent prendre connaissance de ce rapport sur place ou dans le registre visé à l'article 1675/20.".
1° dans le paragraphe 2, alinéa 2, la phrase "La procédure de récusation se déroule conformément aux articles 970 et 971" est complétée par les mots "sans préjudice des dispositions de l'article 1675/15bis";
2° dans la version française du paragraphe 3, alinéa 1er, les mots "en informe le procureur du Roi, qui apprécie les suites disciplinaires qu'elle peut comporter, ou l'autorité" sont remplacés par les mots "le notifie au procureur du Roi, qui apprécie les suites disciplinaires qu'elle peut comporter, ou à l'autorité";
3° dans le même paragraphe, alinéa 2, le mot "remet" est remplacé par le mot "communique";
4° dans le même paragraphe, l'alinéa 4 est remplacé par ce qui suit :
"Le médiateur de dettes communique une copie du rapport au débiteur. Les créanciers peuvent prendre connaissance de ce rapport sur place ou dans le registre visé à l'article 1675/20.".
Art. 50. In artikel 1675/22, § 1, eerste lid van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 25 december 2016, worden de woorden "de FOD Economie," ingevoegd tussen de woorden "artikel 58bis," en de woorden "de griffiers".
Art. 50. Dans l'article 1675/22, § 1er, alinéa 1er du même Code, inséré par la loi du 25 décembre 2016, les mots "le SPF Economie," sont insérés entre les mots "l'article 58bis," et les mots "les greffiers".
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van de wet van 5 juli 1998 betreffende de collectieve schuldenregeling en de mogelijkheid van verkoop uit de hand van de in beslag genomen onroerende goederen
CHAPITRE 2. - Modifications de la loi de 5 juillet 1998 relative au règlement collectif de dettes et à la possibilité de vente de gré à gré des biens immeubles saisis
Art. 51. In artikel 20, paragraaf 2 van de wet van 5 juli 1998 betreffende de collectieve schuldenregeling en de mogelijkheid van verkoop uit de hand van de in beslag genomen onroerende goederen, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 december 2016, worden het eerste, het tweede en het derde lid vervangen als volgt:
"Om de tussenkomst van de FOD Economie te verkrijgen, delen de schuldbemiddelaars aan de FOD Economie hun aanvraag tot betaling mee, met vermelding van het onbetaald gebleven saldo na toepassing van artikel 1675/19, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, van hun ereloon, de emolumenten en de kosten voor de verrichtingen uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van het Vijfde Deel, Titel IV, van het Gerechtelijk Wetboek. Deze aanvraag bevat de volgende stukken en gegevens :
1° het bevel van tenuitvoerlegging bedoeld in artikel 1675/19, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek en waar nodig een afschrift van de verslagen, bedoeld in artikel 1675/17, § 3, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek;
2° voor de bedragen die door de rechter niet ten laste zijn gelegd aan de FOD Economie, het bewijs van het onbetaald gebleven saldo na toepassing van artikel 1675/19, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek. Voor de toepassing van deze wet worden de gerechtelijke beslissingen die verwijzen naar het Fonds ter bestrijding van de overmatige schuldenlast geacht te verwijzen naar de FOD Economie;
3° de naam van de consument voor wie hij tussenkomt, het bedrag van het onbetaald gebleven saldo evenals het gerechtelijk arrondissement binnen hetwelk de uitvoerbare titel bedoeld in artikel 1675/19, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek werd afgeleverd;
4° het rekeningnummer waarop de betaling door de FOD Economie gebeurt;
5° elke inlichting die van aard is om de aanvraag tot betaling te staven.
De FOD Economie controleert naar vorm en inhoud de aanvraag tot betaling van de schuldbemiddelaar. Wanneer de aanvraag niet volledig is, deelt de FOD zulks mee aan de schuldbemiddelaar met vermelding van de ontbrekende stukken en gegevens. De aanvraag wordt geacht volledig te zijn op de dag dat de FOD Economie alle ontbrekende gegevens en documenten heeft ontvangen.
De betaling door de FOD Economie gebeurt binnen de drie maanden nadat de volledige aanvraag bij de FOD is toegekomen. Indien de betaling niet kan plaatsvinden binnen de drie maanden na ontvangst van de volledige aanvraag, wordt dit meegedeeld aan de schuldbemiddelaar.".
"Om de tussenkomst van de FOD Economie te verkrijgen, delen de schuldbemiddelaars aan de FOD Economie hun aanvraag tot betaling mee, met vermelding van het onbetaald gebleven saldo na toepassing van artikel 1675/19, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, van hun ereloon, de emolumenten en de kosten voor de verrichtingen uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van het Vijfde Deel, Titel IV, van het Gerechtelijk Wetboek. Deze aanvraag bevat de volgende stukken en gegevens :
1° het bevel van tenuitvoerlegging bedoeld in artikel 1675/19, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek en waar nodig een afschrift van de verslagen, bedoeld in artikel 1675/17, § 3, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek;
2° voor de bedragen die door de rechter niet ten laste zijn gelegd aan de FOD Economie, het bewijs van het onbetaald gebleven saldo na toepassing van artikel 1675/19, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek. Voor de toepassing van deze wet worden de gerechtelijke beslissingen die verwijzen naar het Fonds ter bestrijding van de overmatige schuldenlast geacht te verwijzen naar de FOD Economie;
3° de naam van de consument voor wie hij tussenkomt, het bedrag van het onbetaald gebleven saldo evenals het gerechtelijk arrondissement binnen hetwelk de uitvoerbare titel bedoeld in artikel 1675/19, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek werd afgeleverd;
4° het rekeningnummer waarop de betaling door de FOD Economie gebeurt;
5° elke inlichting die van aard is om de aanvraag tot betaling te staven.
De FOD Economie controleert naar vorm en inhoud de aanvraag tot betaling van de schuldbemiddelaar. Wanneer de aanvraag niet volledig is, deelt de FOD zulks mee aan de schuldbemiddelaar met vermelding van de ontbrekende stukken en gegevens. De aanvraag wordt geacht volledig te zijn op de dag dat de FOD Economie alle ontbrekende gegevens en documenten heeft ontvangen.
De betaling door de FOD Economie gebeurt binnen de drie maanden nadat de volledige aanvraag bij de FOD is toegekomen. Indien de betaling niet kan plaatsvinden binnen de drie maanden na ontvangst van de volledige aanvraag, wordt dit meegedeeld aan de schuldbemiddelaar.".
Art. 51. Dans l'article 20, paragraphe 2 de la loi de 5 juillet 1998 relative au règlement collectif de dettes et à la possibilité de vente de gré à gré des biens immeubles saisis, modifié en dernier lieu par la loi du 25 décembre 2016, les alinéas 1 à 3 sont remplacés par ce qui suit:
"Pour obtenir l'intervention du SPF Economie, les médiateurs de dettes lui communiquent leur demande de paiement, en indiquant le solde resté impayé après application de l'article 1675/19, § 2, du Code judiciaire, de leurs honoraires, émoluments et frais, dus pour les prestations effectuées conformément aux dispositions de la Cinquième partie, Titre IV, du Code judiciaire. Cette demande est accompagnée des pièces et données suivants :
1° le titre exécutoire visé à l'article 1675/19, § 2, du Code judiciaire et au besoin une copie des rapports visés à l'article 1675/17, § 3, alinéa 3, du Code judiciaire;
2° pour les montants qui n'auraient pas été mis à charge du SPF Economie par le juge, la preuve du solde resté impayé après application de l'article 1675/19, § 2, du Code judiciaire. Aux fins de la présente loi, les décisions judiciaires qui se réfèrent au Fonds de Traitement du Surendettement sont présumées faire référence au SPF Economie;
3° le nom du consommateur pour lequel il intervient, le montant du solde resté impayé, ainsi que l'arrondissement judiciaire dans lequel le titre exécutoire visé à l'article 1675/19, § 3, du Code judiciaire a été délivré;
4° le numéro de compte sur lequel le SPF Economie effectue le paiement;
5° tout renseignement de nature à étayer la demande de paiement.
Le SPF Economie contrôle la forme et le contenu de la demande de paiement faite par le médiateur de dettes. Lorsque la demande est incomplète, le SPF le communique au médiateur de dettes en indiquant les données et documents manquants. La demande est réputée complète le jour où le SPF Economie reçoit toutes les données et documents manquants.
Le paiement effectué par le SPF Economie se fait dans les trois mois de la réception de la demande complète auprès du SPF. Si le paiement ne peut avoir lieu dans les trois mois de la réception de la demande complète, le SPF le communique au médiateur de dettes.".
"Pour obtenir l'intervention du SPF Economie, les médiateurs de dettes lui communiquent leur demande de paiement, en indiquant le solde resté impayé après application de l'article 1675/19, § 2, du Code judiciaire, de leurs honoraires, émoluments et frais, dus pour les prestations effectuées conformément aux dispositions de la Cinquième partie, Titre IV, du Code judiciaire. Cette demande est accompagnée des pièces et données suivants :
1° le titre exécutoire visé à l'article 1675/19, § 2, du Code judiciaire et au besoin une copie des rapports visés à l'article 1675/17, § 3, alinéa 3, du Code judiciaire;
2° pour les montants qui n'auraient pas été mis à charge du SPF Economie par le juge, la preuve du solde resté impayé après application de l'article 1675/19, § 2, du Code judiciaire. Aux fins de la présente loi, les décisions judiciaires qui se réfèrent au Fonds de Traitement du Surendettement sont présumées faire référence au SPF Economie;
3° le nom du consommateur pour lequel il intervient, le montant du solde resté impayé, ainsi que l'arrondissement judiciaire dans lequel le titre exécutoire visé à l'article 1675/19, § 3, du Code judiciaire a été délivré;
4° le numéro de compte sur lequel le SPF Economie effectue le paiement;
5° tout renseignement de nature à étayer la demande de paiement.
Le SPF Economie contrôle la forme et le contenu de la demande de paiement faite par le médiateur de dettes. Lorsque la demande est incomplète, le SPF le communique au médiateur de dettes en indiquant les données et documents manquants. La demande est réputée complète le jour où le SPF Economie reçoit toutes les données et documents manquants.
Le paiement effectué par le SPF Economie se fait dans les trois mois de la réception de la demande complète auprès du SPF. Si le paiement ne peut avoir lieu dans les trois mois de la réception de la demande complète, le SPF le communique au médiateur de dettes.".
HOOFDSTUK 3. - Overgangsbepaling
CHAPITRE 3. - Disposition transitoire
Art. 52. [1 § 1. Met uitzondering van de kennisgevingen, mededelingen en neerleggingen die overeenkomstig artikel 1675/15bis, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek middels het register gebeuren, alsook de wijzigingen aangebracht in artikel 1675/16 en artikel 1675/16bis van het Gerechtelijk Wetboek, zijn de wijzigingen aangebracht bij deze titel slechts van toepassing op de procedures van collectieve schuldenregeling waarvan de beschikking van toelaatbaarheid wordt uitgesproken na de inwerkingtreding van deze titel.
In afwijking van het eerste lid, worden de papieren stukken uitgaande van de categorieën van personen bedoeld in artikel 1675/15bis, § 1, 6° tot 8°, van het Gerechtelijk Wetboek, die op andere wijzen worden meegedeeld of neergelegd dan via het register, gedurende zes maanden na de inwerkingtreding van deze titel omgezet naar elektronische vorm, gelijkvormig verklaard en opgeladen in het register bedoeld in artikel 1675/20 van het Gerechtelijk Wetboek.
§ 2. Voor de procedures van collectieve schuldenregeling waarvoor de beschikking van toelaatbaarheid reeds was uitgesproken voor de inwerkingtreding van deze titel, wordt de eerste kennisgeving door de griffier in artikel 1675/15bis, § 1, tweede lid, begrepen als de eerste mededeling door de schuldbemiddelaar en dient deze mededeling bij gebrek aan bevestiging van inschrijving binnen drie werkdagen te gebeuren overeenkomstig artikel 1675/16, § 4.]1
In afwijking van het eerste lid, worden de papieren stukken uitgaande van de categorieën van personen bedoeld in artikel 1675/15bis, § 1, 6° tot 8°, van het Gerechtelijk Wetboek, die op andere wijzen worden meegedeeld of neergelegd dan via het register, gedurende zes maanden na de inwerkingtreding van deze titel omgezet naar elektronische vorm, gelijkvormig verklaard en opgeladen in het register bedoeld in artikel 1675/20 van het Gerechtelijk Wetboek.
§ 2. Voor de procedures van collectieve schuldenregeling waarvoor de beschikking van toelaatbaarheid reeds was uitgesproken voor de inwerkingtreding van deze titel, wordt de eerste kennisgeving door de griffier in artikel 1675/15bis, § 1, tweede lid, begrepen als de eerste mededeling door de schuldbemiddelaar en dient deze mededeling bij gebrek aan bevestiging van inschrijving binnen drie werkdagen te gebeuren overeenkomstig artikel 1675/16, § 4.]1
Art. 52. [1 § 1er. A l'exception des notifications, communications et dépôts qui s'effectuent au moyen du registre, conformément à l'article 1675/15bis, § 1er, du Code judiciaire, ainsi que des modifications apportées aux articles 1675/16 et 1675/16bis du Code judiciaire, les modifications apportées par le présent titre ne s'appliquent qu'aux procédures de règlement collectif de dettes dont la décision d'admissibilité est prononcée après l'entrée en vigueur du présent titre.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les pièces papier émises par les catégories de personnes visées à l'article 1675/15bis, § 1er, 6° à 8°, du Code judiciaire, qui sont communiquées ou déposées par d'autres voies que le registre, sont, durant six mois après l'entrée en vigueur du présent titre, converties sous format électronique, déclarées conformes et chargées dans le registre visé à l'article 1675/20 du Code judiciaire.
§ 2. Pour les procédures de règlement collectif de dettes pour lesquelles la décision d'admissibilité avait déjà été prononcée avant l'entrée en vigueur du présent titre, la première notification par le greffier dans l'article 1675/15bis, § 1er, alinéa 2, est comprise comme étant la première communication par le médiateur de dettes, et en l'absence d'une confirmation de l'inscription dans les trois jours ouvrables, cette communication doit avoir lieu conformément à l'article 1675/16, § 4.]1
Par dérogation à l'alinéa 1er, les pièces papier émises par les catégories de personnes visées à l'article 1675/15bis, § 1er, 6° à 8°, du Code judiciaire, qui sont communiquées ou déposées par d'autres voies que le registre, sont, durant six mois après l'entrée en vigueur du présent titre, converties sous format électronique, déclarées conformes et chargées dans le registre visé à l'article 1675/20 du Code judiciaire.
§ 2. Pour les procédures de règlement collectif de dettes pour lesquelles la décision d'admissibilité avait déjà été prononcée avant l'entrée en vigueur du présent titre, la première notification par le greffier dans l'article 1675/15bis, § 1er, alinéa 2, est comprise comme étant la première communication par le médiateur de dettes, et en l'absence d'une confirmation de l'inscription dans les trois jours ouvrables, cette communication doit avoir lieu conformément à l'article 1675/16, § 4.]1
Änderungen
HOOFDSTUK 4. - Inwerkingtreding
CHAPITRE 4. - Entrée en vigueur
Art. 53. De artikelen van deze titel treden in werking op de door de Koning te bepalen datum, en uiterlijk op [4 1 januari 2024]4.
Art. 53. Les articles du présent titre entrent en vigueur à la date fixée par le Roi, et au plus tard le [4 1er janvier 2024]4.
Art. 53/1. [1 In afwijking op artikel 53, treedt artikel 32/1 in werking op de door de Koning te bepalen datum, en uiterlijk op 1 januari 2025.]1
Art. 53/1. [1 Par dérogation à l'article 53, l'article 32/1 entre en vigueur à la date fixée par le Roi, et au plus tard le 1er janvier 2025.]1
TITEL 6. - Wijziging aan het nationaal register voor gerechtsdeskundigen en het nationaal register voor beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken
TITRE 6. - Modifications au registre national des experts judiciaires et au registre national des traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen aan het Gerechtelijk Wetboek
CHAPITRE 1er. . - Modifications du Code judiciaire
Art. 54. In deel II van het Gerechtelijk Wetboek, wordt een boek V ingevoegd, dat de artikelen 555/6 tot 555/16 omvat, met als opschrift :
"Boek V. Gerechtsdeskundigen en de beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken.".
"Boek V. Gerechtsdeskundigen en de beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken.".
Art. 54. Dans la deuxième partie du Code judiciaire, il est inséré un livre V comprenant les articles 555/6 à 555/16, intitulé :
"Livre V. Des experts judiciaires et des traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés.".
"Livre V. Des experts judiciaires et des traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés.".
Art. 55. In boek V van het Gerechtelijk Wetboek wordt een artikel 555/6 ingevoegd, luidende :
"Art. 555/6. Behoudens de uitzondering bedoeld in artikel 555/15, zijn uitsluitend de personen die, na beslissing van de minister van Justitie of de door hem gemachtigde ambtenaar en zulks na advies van de aanvaardingscommissie, opgenomen zijn in het nationaal register voor gerechtsdeskundigen en voor beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken, gemachtigd om de titel van gerechtsdeskundige te voeren en bevoegd om opdrachten als gerechtsdeskundige te aanvaarden en uit te voeren of om de titel van beëdigd vertaler, tolk of vertaler-tolk te voeren en bevoegd om de hen bij de wet toevertrouwde vertaal- of tolkwerkzaamheden te verrichten die hen bij wet zijn toevertrouwd.".
"Art. 555/6. Behoudens de uitzondering bedoeld in artikel 555/15, zijn uitsluitend de personen die, na beslissing van de minister van Justitie of de door hem gemachtigde ambtenaar en zulks na advies van de aanvaardingscommissie, opgenomen zijn in het nationaal register voor gerechtsdeskundigen en voor beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken, gemachtigd om de titel van gerechtsdeskundige te voeren en bevoegd om opdrachten als gerechtsdeskundige te aanvaarden en uit te voeren of om de titel van beëdigd vertaler, tolk of vertaler-tolk te voeren en bevoegd om de hen bij de wet toevertrouwde vertaal- of tolkwerkzaamheden te verrichten die hen bij wet zijn toevertrouwd.".
Art. 55. Dans le livre V du Code judiciaire, il est inséré un article 555/6 rédigé comme suit :
"Art. 555/6. Sauf l'exception prévue à l'article 555/15, seules les personnes qui, sur décision du ministre de la Justice ou du fonctionnaire délégué par lui et ce, sur avis de la commission d'agrément, sont inscrites au registre national des experts judiciaires et des traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés sont autorisées à porter le titre d'expert judiciaire et habilitées à accepter et accomplir des missions en tant qu'expert judiciaire ou à porter le titre de traducteur, interprète ou traducteur-interprète juré et habilitées à effectuer des travaux de traduction ou d'interprétation qui leur sont confiés en vertu de la loi.".
"Art. 555/6. Sauf l'exception prévue à l'article 555/15, seules les personnes qui, sur décision du ministre de la Justice ou du fonctionnaire délégué par lui et ce, sur avis de la commission d'agrément, sont inscrites au registre national des experts judiciaires et des traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés sont autorisées à porter le titre d'expert judiciaire et habilitées à accepter et accomplir des missions en tant qu'expert judiciaire ou à porter le titre de traducteur, interprète ou traducteur-interprète juré et habilitées à effectuer des travaux de traduction ou d'interprétation qui leur sont confiés en vertu de la loi.".
Art. 56. In boek V van het Gerechtelijk Wetboek wordt een artikel 555/7 ingevoegd, luidende :
"Art. 555/7. § 1. Voorafgaand aan de opname wint de minister of de door hem gemachtigde ambtenaar inlichtingen in omtrent de moraliteit en de beroepsbekwaamheid van de kandidaat gerechtsdeskundige of van de kandidaat beëdigd vertaler, tolk of vertaler-tolk bij het openbaar ministerie, bij de gerechtelijke overheden waarvoor hij eventueel reeds is opgetreden en, in voorkomend geval, bij de wettelijk ingestelde tuchtoverheden.
Indien nodig kan een veiligheidsadvies met betrekking tot de kandidaat vereist worden zoals bedoeld in de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen.
Deze inlichtingen mogen enkel gebruikt worden in het kader van de toepassing van de bepalingen van Boek V. De ingewonnen gegevens worden bewaard door de Federale Overheidsdienst Justitie tot de opname in het register om welke reden ook wordt beëindigd. Bij weigering van de opname of van verlenging van de opname in het register worden de gegevens bewaard tot de beslissing definitief is.
De personen die niet over een woon- of verblijfplaats in België beschikken, leggen een document voor van de lidstaat van de Europese Unie waar zij hun woon- of verblijfplaats hebben dat gelijkwaardig is aan het uittreksel uit het strafregister bedoeld in artikel 595 van het Wetboek van Strafvordering dat niet ouder is dan drie maanden.
§ 2. De opname in het nationaal register voor de gerechtsdeskundigen en voor de beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken alsook de verlenging ervan gebeurt na beslissing van de minister van Justitie of de door hem gemachtigde ambtenaar, zulks na advies van de aanvaardingscommissie. Deze gaat in het bijzonder na of het voorgelegde diploma toegang kan geven tot het gekozen domein van deskundigheid of tot de gekozen taal, of de aangegeven ervaring relevant is en of het bewijs van de juridische kennis is gegeven. Zij houdt rekening met de ingewonnen inlichtingen.
§ 3. Op initiatief en onder toezicht van de aanvaardingscommissie verzekert de Federale Overheidsdienst Justitie een permanente kwaliteitsbewaking ten aanzien van de aanstellingen van gerechtsdeskundigen en van beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken, en houdt permanent toezicht op de naleving van de deontologische code bedoeld in artikel 555/9, 3°, en op de kwaliteit van de uitvoering van de expertiseopdrachten die zijn toevertrouwd aan de gerechtsdeskundigen of van de vertaal- of tolkopdrachten die zijn toevertrouwd aan de beëdigd vertalers, tolken of vertalers-tolken.
§ 4. De Koning bepaalt de samenstelling en de werking van de aanvaardingscommissie. In geen geval kan de commissie samengesteld zijn uit een meerderheid van gerechtsdeskundigen of van beëdigd vertalers, tolken of vertalers-tolken.".
"Art. 555/7. § 1. Voorafgaand aan de opname wint de minister of de door hem gemachtigde ambtenaar inlichtingen in omtrent de moraliteit en de beroepsbekwaamheid van de kandidaat gerechtsdeskundige of van de kandidaat beëdigd vertaler, tolk of vertaler-tolk bij het openbaar ministerie, bij de gerechtelijke overheden waarvoor hij eventueel reeds is opgetreden en, in voorkomend geval, bij de wettelijk ingestelde tuchtoverheden.
Indien nodig kan een veiligheidsadvies met betrekking tot de kandidaat vereist worden zoals bedoeld in de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen.
Deze inlichtingen mogen enkel gebruikt worden in het kader van de toepassing van de bepalingen van Boek V. De ingewonnen gegevens worden bewaard door de Federale Overheidsdienst Justitie tot de opname in het register om welke reden ook wordt beëindigd. Bij weigering van de opname of van verlenging van de opname in het register worden de gegevens bewaard tot de beslissing definitief is.
De personen die niet over een woon- of verblijfplaats in België beschikken, leggen een document voor van de lidstaat van de Europese Unie waar zij hun woon- of verblijfplaats hebben dat gelijkwaardig is aan het uittreksel uit het strafregister bedoeld in artikel 595 van het Wetboek van Strafvordering dat niet ouder is dan drie maanden.
§ 2. De opname in het nationaal register voor de gerechtsdeskundigen en voor de beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken alsook de verlenging ervan gebeurt na beslissing van de minister van Justitie of de door hem gemachtigde ambtenaar, zulks na advies van de aanvaardingscommissie. Deze gaat in het bijzonder na of het voorgelegde diploma toegang kan geven tot het gekozen domein van deskundigheid of tot de gekozen taal, of de aangegeven ervaring relevant is en of het bewijs van de juridische kennis is gegeven. Zij houdt rekening met de ingewonnen inlichtingen.
§ 3. Op initiatief en onder toezicht van de aanvaardingscommissie verzekert de Federale Overheidsdienst Justitie een permanente kwaliteitsbewaking ten aanzien van de aanstellingen van gerechtsdeskundigen en van beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken, en houdt permanent toezicht op de naleving van de deontologische code bedoeld in artikel 555/9, 3°, en op de kwaliteit van de uitvoering van de expertiseopdrachten die zijn toevertrouwd aan de gerechtsdeskundigen of van de vertaal- of tolkopdrachten die zijn toevertrouwd aan de beëdigd vertalers, tolken of vertalers-tolken.
§ 4. De Koning bepaalt de samenstelling en de werking van de aanvaardingscommissie. In geen geval kan de commissie samengesteld zijn uit een meerderheid van gerechtsdeskundigen of van beëdigd vertalers, tolken of vertalers-tolken.".
Art. 56. Dans le livre V du Code judiciaire, il est inséré un article 555/7 rédigé comme suit :
"Art. 555/7. § 1er. Avant l'inscription, le ministre ou le fonctionnaire délégué par lui recueille des renseignements sur la moralité et l'aptitude professionnelle du candidat expert judiciaire ou du candidat traducteur, interprète ou traducteur-interprète juré auprès du ministère public, des autorités judiciaires pour lesquelles il est éventuellement déjà intervenu et des juridictions disciplinaires instituées par la loi, le cas échéant.
Si nécessaire, un avis de sécurité concernant le candidat peut être requis, tel que visé dans la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification et aux habilitations, attestations et avis de sécurité.
Ces informations ne peuvent être utilisées que dans le cadre de l'application des dispositions du Livre V. Les données recueillies sont conservées par le Service Public Fédéral Justice jusqu'à ce que l'inscription au registre prenne fin, pour quelque raison que ce soit. En cas de refus d'inscription ou de prolongation de l'inscription au registre, les données sont conservées jusqu'à ce que la décision soit définitive.
Les personnes qui ne disposent pas d'un domicile ou d'une résidence en Belgique présentent un document de l'Etat membre de l'Union Européenne où elles ont leur domicile ou résidence qui soit équivalent à l'extrait de casier judiciaire visé à l'article 595 du Code d'Instruction criminelle, délivré depuis moins de trois mois.
§ 2. L'inscription au registre national des experts judiciaires et des traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés ainsi que sa prolongation s'effectue après décision du ministre de la Justice ou du fonctionnaire délégué par lui et ce, après avis de la commission d'agrément. Celle-ci vérifie en particulier si le diplôme présenté permet d'accéder au domaine d'expertise ou à la langue choisie, si l'expérience indiquée est pertinente et si la preuve des connaissances juridiques a été apportée. Elle tient compte des renseignements recueillis.
§ 3. A l'initiative et sous la surveillance de la commission d'agrément, le Service Public Fédéral Justice exerce un contrôle de qualité permanent sur les désignations d'experts judiciaires et de traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés et vérifie en permanence le respect du code de déontologie visé à l'article 555/9, 3°, et la qualité de l'exécution des missions d'expertise confiées aux experts judiciaires ou des missions de traduction ou d'interprétation confiées aux traducteurs, interprètes ou traducteurs-interprètes jurés.
§ 4. Le Roi détermine la composition et le fonctionnement de la commission d'agrément. La commission ne peut en aucun cas être composée d'une majorité d'experts judiciaires ou de traducteurs, interprètes ou traducteurs-interprètes jurés.".
"Art. 555/7. § 1er. Avant l'inscription, le ministre ou le fonctionnaire délégué par lui recueille des renseignements sur la moralité et l'aptitude professionnelle du candidat expert judiciaire ou du candidat traducteur, interprète ou traducteur-interprète juré auprès du ministère public, des autorités judiciaires pour lesquelles il est éventuellement déjà intervenu et des juridictions disciplinaires instituées par la loi, le cas échéant.
Si nécessaire, un avis de sécurité concernant le candidat peut être requis, tel que visé dans la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification et aux habilitations, attestations et avis de sécurité.
Ces informations ne peuvent être utilisées que dans le cadre de l'application des dispositions du Livre V. Les données recueillies sont conservées par le Service Public Fédéral Justice jusqu'à ce que l'inscription au registre prenne fin, pour quelque raison que ce soit. En cas de refus d'inscription ou de prolongation de l'inscription au registre, les données sont conservées jusqu'à ce que la décision soit définitive.
Les personnes qui ne disposent pas d'un domicile ou d'une résidence en Belgique présentent un document de l'Etat membre de l'Union Européenne où elles ont leur domicile ou résidence qui soit équivalent à l'extrait de casier judiciaire visé à l'article 595 du Code d'Instruction criminelle, délivré depuis moins de trois mois.
§ 2. L'inscription au registre national des experts judiciaires et des traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés ainsi que sa prolongation s'effectue après décision du ministre de la Justice ou du fonctionnaire délégué par lui et ce, après avis de la commission d'agrément. Celle-ci vérifie en particulier si le diplôme présenté permet d'accéder au domaine d'expertise ou à la langue choisie, si l'expérience indiquée est pertinente et si la preuve des connaissances juridiques a été apportée. Elle tient compte des renseignements recueillis.
§ 3. A l'initiative et sous la surveillance de la commission d'agrément, le Service Public Fédéral Justice exerce un contrôle de qualité permanent sur les désignations d'experts judiciaires et de traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés et vérifie en permanence le respect du code de déontologie visé à l'article 555/9, 3°, et la qualité de l'exécution des missions d'expertise confiées aux experts judiciaires ou des missions de traduction ou d'interprétation confiées aux traducteurs, interprètes ou traducteurs-interprètes jurés.
§ 4. Le Roi détermine la composition et le fonctionnement de la commission d'agrément. La commission ne peut en aucun cas être composée d'une majorité d'experts judiciaires ou de traducteurs, interprètes ou traducteurs-interprètes jurés.".
Art. 57. In boek V van het Gerechtelijk Wetboek wordt een artikel 555/8 ingevoegd, luidende :
"Art. 555/8. Enkel de natuurlijke personen die voldoen aan de volgende voorwaarden kunnen worden opgenomen in het nationaal register voor gerechtsdeskundigen en beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken:
1° onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie of er wettelijk verblijven;
2° niet veroordeeld zijn bij een in kracht van gewijsde gegane veroordeling, zelfs niet met uitstel, tot een correctionele of criminele straf, bestaande uit een geldboete, een werkstraf of een gevangenisstraf, behoudens veroordelingen wegens inbreuken op de wetgeving betreffende de politie over het wegverkeer en behoudens veroordelingen die volgens de minister van Justitie kennelijk geen bezwaar vormen voor de uitvoering van deskundigenonderzoeken in het domein van deskundigheid en specialisatie waarvoor ze zich in de hoedanigheid van gerechtsdeskundige hebben laten registreren of voor de uitvoering van de vertaal- of tolkwerkzaamheden door de beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken, in de talen waarvoor ze zich hebben laten registreren in de hoedanigheid van beëdigd vertaler, tolk of vertaler-tolk.
Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing op personen die in het buitenland tot een soortgelijke straf zijn veroordeeld bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis.
3° ten minste 21 jaar oud zijn voor wat betreft de beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken;
4° het bewijs leveren dat zij over de nodige beroepsbekwaamheid en juridische kennis beschikken.
De volgende categorieën worden verondersteld over de nodige beroepsbekwaamheid en juridische kennis te beschikken en hoeven dit bewijs niet te leveren :
- De gerechtsdeskundigen die verbonden zijn aan een instelling waarvoor een accreditatiecertificaat is afgegeven, op de wijze bepaald door het koninklijk besluit van 31 januari 2006 tot oprichting van het BELAC accreditatiesysteem van instellingen voor de conformiteitsbeoordeling en bij die instelling activiteiten uitvoeren die onder de accreditatie bij deze laatste vallen, dit voor zover de vereiste juridische kennis wordt geïntegreerd in het opleidingsplan. Indien een gerechtsdeskundige niet meer verbonden is aan de instelling, is deze instelling ertoe gehouden hiervan de Federale Overheidsdienst Justitie in kennis te stellen.
- De gerechtsdeskundige waarvan het activiteitendomein een bij wet gereglementeerd beroep is en die ingeschreven is op de ledenlijst van de instelling of van de orde van dat beroep is, voor wat betreft de uitoefening van opdrachten die tot dat activiteitendomein behoren, voor wat betreft de voorwaarde inzake beroepsbekwaamheid. Zij dienen wel nog het bewijs van juridische kennis te leveren.
- De gerechtsdeskundige of beëdigd vertaler, tolk of vertaler-tolk die in die hoedanigheid tewerkgesteld is bij de Federale Overheidsdienst Justitie.".
"Art. 555/8. Enkel de natuurlijke personen die voldoen aan de volgende voorwaarden kunnen worden opgenomen in het nationaal register voor gerechtsdeskundigen en beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken:
1° onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie of er wettelijk verblijven;
2° niet veroordeeld zijn bij een in kracht van gewijsde gegane veroordeling, zelfs niet met uitstel, tot een correctionele of criminele straf, bestaande uit een geldboete, een werkstraf of een gevangenisstraf, behoudens veroordelingen wegens inbreuken op de wetgeving betreffende de politie over het wegverkeer en behoudens veroordelingen die volgens de minister van Justitie kennelijk geen bezwaar vormen voor de uitvoering van deskundigenonderzoeken in het domein van deskundigheid en specialisatie waarvoor ze zich in de hoedanigheid van gerechtsdeskundige hebben laten registreren of voor de uitvoering van de vertaal- of tolkwerkzaamheden door de beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken, in de talen waarvoor ze zich hebben laten registreren in de hoedanigheid van beëdigd vertaler, tolk of vertaler-tolk.
Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing op personen die in het buitenland tot een soortgelijke straf zijn veroordeeld bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis.
3° ten minste 21 jaar oud zijn voor wat betreft de beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken;
4° het bewijs leveren dat zij over de nodige beroepsbekwaamheid en juridische kennis beschikken.
De volgende categorieën worden verondersteld over de nodige beroepsbekwaamheid en juridische kennis te beschikken en hoeven dit bewijs niet te leveren :
- De gerechtsdeskundigen die verbonden zijn aan een instelling waarvoor een accreditatiecertificaat is afgegeven, op de wijze bepaald door het koninklijk besluit van 31 januari 2006 tot oprichting van het BELAC accreditatiesysteem van instellingen voor de conformiteitsbeoordeling en bij die instelling activiteiten uitvoeren die onder de accreditatie bij deze laatste vallen, dit voor zover de vereiste juridische kennis wordt geïntegreerd in het opleidingsplan. Indien een gerechtsdeskundige niet meer verbonden is aan de instelling, is deze instelling ertoe gehouden hiervan de Federale Overheidsdienst Justitie in kennis te stellen.
- De gerechtsdeskundige waarvan het activiteitendomein een bij wet gereglementeerd beroep is en die ingeschreven is op de ledenlijst van de instelling of van de orde van dat beroep is, voor wat betreft de uitoefening van opdrachten die tot dat activiteitendomein behoren, voor wat betreft de voorwaarde inzake beroepsbekwaamheid. Zij dienen wel nog het bewijs van juridische kennis te leveren.
- De gerechtsdeskundige of beëdigd vertaler, tolk of vertaler-tolk die in die hoedanigheid tewerkgesteld is bij de Federale Overheidsdienst Justitie.".
Art. 57. Dans le livre V du Code judiciaire, il est inséré un article 555/8 rédigé comme suit :
"Art. 555/8. Seules les personnes physiques qui répondent aux conditions suivantes peuvent être inscrites au registre national des experts judiciaires et des traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés:
1° être ressortissant d'un Etat membre de l'Union européenne ou y résider légalement;
2° ne pas avoir été condamné par une condamnation coulée en force de chose jugée, même avec sursis, à une peine correctionnelle ou criminelle consistant en une amende, une peine de travail ou une peine de prison, à l'exception des condamnations pour infraction à la réglementation relative à la police de la circulation routière et des condamnations qui, selon le ministre de la Justice, ne constituent manifestement pas un obstacle à la réalisation d'expertises dans le domaine d'expertise et de spécialisation dans lequel elles se font enregistrer en qualité d'expert ou à l'exécution de travaux de traduction ou d'interprétation par les traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés dans les langues dans lesquelles elles se font enregistrer en qualité de traducteur, interprète ou traducteur-interprète juré.
Cette disposition s'applique par analogie aux personnes qui ont été condamnées à l'étranger à une peine de même nature par un jugement coulé en force de chose jugée.
3° être âgé de 21 ans au moins s'il s'agit d'un traducteur, interprète ou traducteur-interprète juré;
4° fournir la preuve qu'elles disposent de l'aptitude professionnelle et des connaissances juridiques requises.
Les catégories suivantes sont supposées disposer de l'aptitude professionnelle et des connaissances juridiques requises et ne doivent pas apporter cette preuve :
- Les experts judiciaires qui sont liés à une institution pour laquelle un certificat d'accréditation est délivré selon les modalités fixées par l'arrêté royal du 31 janvier 2006 portant création du système BELAC d'accréditation des organismes d'évaluation de la conformité et qui exercent auprès de celle-ci des activités couvertes par l'accréditation, pour autant que les connaissances juridiques requises soient intégrées au plan de formations. Si un expert judiciaire n'a plus de lien avec l'institution, cette institution est tenue d'en informer le Service Public Fédéral Justice.
- Les experts judiciaires dont le domaine d'activités relève d'une profession réglementée par la loi et qui sont inscrits sur la liste des membres de l'institution ou sur celle de l'ordre de cette profession, pour l'exercice des missions relevant de ce domaine d'activités, en ce qui concerne la condition relative à l'aptitude professionnelle. Ceux-ci doivent encore fournir la preuve des connaissances juridiques.
- Les experts judiciaires ainsi que les traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés engagés à ce titre par le Service Public Fédéral Justice.".
"Art. 555/8. Seules les personnes physiques qui répondent aux conditions suivantes peuvent être inscrites au registre national des experts judiciaires et des traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés:
1° être ressortissant d'un Etat membre de l'Union européenne ou y résider légalement;
2° ne pas avoir été condamné par une condamnation coulée en force de chose jugée, même avec sursis, à une peine correctionnelle ou criminelle consistant en une amende, une peine de travail ou une peine de prison, à l'exception des condamnations pour infraction à la réglementation relative à la police de la circulation routière et des condamnations qui, selon le ministre de la Justice, ne constituent manifestement pas un obstacle à la réalisation d'expertises dans le domaine d'expertise et de spécialisation dans lequel elles se font enregistrer en qualité d'expert ou à l'exécution de travaux de traduction ou d'interprétation par les traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés dans les langues dans lesquelles elles se font enregistrer en qualité de traducteur, interprète ou traducteur-interprète juré.
Cette disposition s'applique par analogie aux personnes qui ont été condamnées à l'étranger à une peine de même nature par un jugement coulé en force de chose jugée.
3° être âgé de 21 ans au moins s'il s'agit d'un traducteur, interprète ou traducteur-interprète juré;
4° fournir la preuve qu'elles disposent de l'aptitude professionnelle et des connaissances juridiques requises.
Les catégories suivantes sont supposées disposer de l'aptitude professionnelle et des connaissances juridiques requises et ne doivent pas apporter cette preuve :
- Les experts judiciaires qui sont liés à une institution pour laquelle un certificat d'accréditation est délivré selon les modalités fixées par l'arrêté royal du 31 janvier 2006 portant création du système BELAC d'accréditation des organismes d'évaluation de la conformité et qui exercent auprès de celle-ci des activités couvertes par l'accréditation, pour autant que les connaissances juridiques requises soient intégrées au plan de formations. Si un expert judiciaire n'a plus de lien avec l'institution, cette institution est tenue d'en informer le Service Public Fédéral Justice.
- Les experts judiciaires dont le domaine d'activités relève d'une profession réglementée par la loi et qui sont inscrits sur la liste des membres de l'institution ou sur celle de l'ordre de cette profession, pour l'exercice des missions relevant de ce domaine d'activités, en ce qui concerne la condition relative à l'aptitude professionnelle. Ceux-ci doivent encore fournir la preuve des connaissances juridiques.
- Les experts judiciaires ainsi que les traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés engagés à ce titre par le Service Public Fédéral Justice.".
Art. 58. In boek V van het Gerechtelijk Wetboek wordt een artikel 555/9 ingevoegd, luidende :
"Art. 555/9. De natuurlijke personen die worden opgenomen in het nationaal register voor gerechtsdeskundigen en beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken hebben de volgende verplichtingen :
1° zich ter beschikking houden van de gerechtelijke overheden, voor wat betreft de gerechtsdeskundigen, of van de overheden, voor wat betreft de beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken, die een beroep kunnen doen op hun diensten;
2° het volgen van permanente vormingen in hun domein van deskundigheid en op het vlak van de gerechtelijke procedures, voor wat betreft de gerechtsdeskundigen of op het vlak van de kennis van de taal waarvoor ze werden opgenomen, alsook van de vertaaltechniek en van de gerechtelijke procedures, voor wat betreft de beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken, volgens de door de Koning bepaalde nadere regels;
3° het naleven van de door de Koning bepaalde deontologische code, die minstens voorziet in de principes van onafhankelijkheid en onpartijdigheid bevat;
4° het bijwerken van de contactgegevens welke de overheden die een beroep kunnen doen op hun diensten in staat stellen hen te bereiken.".
"Art. 555/9. De natuurlijke personen die worden opgenomen in het nationaal register voor gerechtsdeskundigen en beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken hebben de volgende verplichtingen :
1° zich ter beschikking houden van de gerechtelijke overheden, voor wat betreft de gerechtsdeskundigen, of van de overheden, voor wat betreft de beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken, die een beroep kunnen doen op hun diensten;
2° het volgen van permanente vormingen in hun domein van deskundigheid en op het vlak van de gerechtelijke procedures, voor wat betreft de gerechtsdeskundigen of op het vlak van de kennis van de taal waarvoor ze werden opgenomen, alsook van de vertaaltechniek en van de gerechtelijke procedures, voor wat betreft de beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken, volgens de door de Koning bepaalde nadere regels;
3° het naleven van de door de Koning bepaalde deontologische code, die minstens voorziet in de principes van onafhankelijkheid en onpartijdigheid bevat;
4° het bijwerken van de contactgegevens welke de overheden die een beroep kunnen doen op hun diensten in staat stellen hen te bereiken.".
Art. 58. Dans le livre V du Code judiciaire, il est inséré un article 555/9 rédigé comme suit :
"Art. 555/9. Les personnes physiques qui sont inscrites au registre national des experts judiciaires et des traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés ont les obligations suivantes :
1° se tenir à la disposition des autorités judiciaires pour ce qui concerne les experts judiciaires ou des autorités pour ce qui concerne les traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés qui peuvent faire appel à leurs services;
2° suivre des formations continues dans leur domaine d'expertise et sur le plan des procédures judiciaires pour ce qui concerne les experts judiciaires ou sur le plan des connaissances de la langue pour laquelle ils ont été inscrits ainsi que de la technique de traduction et des procédures judiciaires pour ce qui concerne les traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés, selon les modalités fixées par le Roi;
3° respecter le code de déontologie établi par le Roi, lequel code prévoit au moins les principes d'indépendance et d'impartialité;
4° tenir à jour les coordonnées permettant aux autorités judiciaires qui peuvent faire appel à leurs services de les joindre.".
"Art. 555/9. Les personnes physiques qui sont inscrites au registre national des experts judiciaires et des traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés ont les obligations suivantes :
1° se tenir à la disposition des autorités judiciaires pour ce qui concerne les experts judiciaires ou des autorités pour ce qui concerne les traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés qui peuvent faire appel à leurs services;
2° suivre des formations continues dans leur domaine d'expertise et sur le plan des procédures judiciaires pour ce qui concerne les experts judiciaires ou sur le plan des connaissances de la langue pour laquelle ils ont été inscrits ainsi que de la technique de traduction et des procédures judiciaires pour ce qui concerne les traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés, selon les modalités fixées par le Roi;
3° respecter le code de déontologie établi par le Roi, lequel code prévoit au moins les principes d'indépendance et d'impartialité;
4° tenir à jour les coordonnées permettant aux autorités judiciaires qui peuvent faire appel à leurs services de les joindre.".
Art. 59. In boek V van het Gerechtelijk Wetboek wordt een artikel 555/10 ingevoegd, luidende :
"Art. 555/10. § 1. Het nationaal register voor gerechtsdeskundigen en beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken wordt door de Federale Overheidsdienst Justitie beheerd en wordt permanent bijgewerkt.
De opname in het nationaal register geldt voor een periode van zes jaar, die telkens verlengd kan worden voor dezelfde duur.
De gerechtsdeskundige of beëdigd vertaler, tolk of vertaler-tolk kan zes maanden vóór het verstrijken van deze periode een verlenging van zijn opname vragen. Bij deze aanvraag voegt hij een lijst van de burgerrechtelijke en administratieve opdrachten die hem werden toevertrouwd alsook het bewijs van de gevolgde permanente vormingen. Personen die over een woon- of verblijfplaats beschikken in het buitenland zijn ertoe gehouden een document voor te leggen van de lidstaat van de Europese Unie waar zij hun woon- of verblijfplaats hebben, dat gelijkwaardig is aan een uittreksel uit het strafregister bedoeld in artikel 595 van het Wetboek van Strafvordering en sedert minder dan drie maanden is afgegeven.
Bij beslissing van de minister van Justitie of van de door hem gemachtigde ambtenaar, binnen de zes maanden na aanvraag en na advies van de aanvaardingscommissie, wordt de inschrijving verlengd voor een nieuwe periode van zes jaar. De aanvaardingscommissie houdt in haar advies over de aanvraag tot verlenging rekening met de gevolgde opleidingen en de ingewonnen inlichtingen zoals bepaald in artikel 555/7, § 1.
De gerechtsdeskundige of beëdigd vertaler, tolk of vertaler-tolk blijft opgenomen in het register tot na de beslissing van de minister van Justitie of de door hem gemachtigde ambtenaar, voor zover de verlenging van zijn opname is gevraagd voor het verstrijken van de in het tweede lid voorziene periode van zes jaar.
§ 2. Het register bevat de volgende gegevens :
1° de naam, de voornaam en het geslacht van de gerechtsdeskundige, de beëdigd vertaler, de tolk of de vertaler-tolk;
2° de contactgegevens die de overheden die een beroep kunnen doen op zijn diensten in staat stellen hem te bereiken;
3° a) voor wat betreft de gerechtsdeskundige, de gekozen proceduretaal of -talen, de deskundigheid en de specialisatie(s) waarvoor hij is geregistreerd;
b) voor wat betreft de beëdigd vertaler, tolk of vertaler-tolk de gekozen proceduretaal of -talen en de andere taal of talen waarvoor hij zich heeft laten registreren;
4° de gerechtelijke arrondissementen waarvoor hij beschikbaar is;
5° het identificatienummer van de gerechtsdeskundige, de beëdigd vertaler, de tolk of de vertaler-tolk;
6° de datum van de opname, van de verlenging, van de schorsing en de schrapping;
7° het neergelegde specimen van de handtekening zoals bedoeld in artikel 555/14, § 3;
8° het specimen van de officiële stempel zoals bedoeld in artikel 555/11, § 1.
De Koning bepaalt welke gegevens ter beschikking worden gesteld van het publiek via de website van de Federale Overheidsdienst Justitie en welke instanties toegang krijgen tot alle gegevens.".
"Art. 555/10. § 1. Het nationaal register voor gerechtsdeskundigen en beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken wordt door de Federale Overheidsdienst Justitie beheerd en wordt permanent bijgewerkt.
De opname in het nationaal register geldt voor een periode van zes jaar, die telkens verlengd kan worden voor dezelfde duur.
De gerechtsdeskundige of beëdigd vertaler, tolk of vertaler-tolk kan zes maanden vóór het verstrijken van deze periode een verlenging van zijn opname vragen. Bij deze aanvraag voegt hij een lijst van de burgerrechtelijke en administratieve opdrachten die hem werden toevertrouwd alsook het bewijs van de gevolgde permanente vormingen. Personen die over een woon- of verblijfplaats beschikken in het buitenland zijn ertoe gehouden een document voor te leggen van de lidstaat van de Europese Unie waar zij hun woon- of verblijfplaats hebben, dat gelijkwaardig is aan een uittreksel uit het strafregister bedoeld in artikel 595 van het Wetboek van Strafvordering en sedert minder dan drie maanden is afgegeven.
Bij beslissing van de minister van Justitie of van de door hem gemachtigde ambtenaar, binnen de zes maanden na aanvraag en na advies van de aanvaardingscommissie, wordt de inschrijving verlengd voor een nieuwe periode van zes jaar. De aanvaardingscommissie houdt in haar advies over de aanvraag tot verlenging rekening met de gevolgde opleidingen en de ingewonnen inlichtingen zoals bepaald in artikel 555/7, § 1.
De gerechtsdeskundige of beëdigd vertaler, tolk of vertaler-tolk blijft opgenomen in het register tot na de beslissing van de minister van Justitie of de door hem gemachtigde ambtenaar, voor zover de verlenging van zijn opname is gevraagd voor het verstrijken van de in het tweede lid voorziene periode van zes jaar.
§ 2. Het register bevat de volgende gegevens :
1° de naam, de voornaam en het geslacht van de gerechtsdeskundige, de beëdigd vertaler, de tolk of de vertaler-tolk;
2° de contactgegevens die de overheden die een beroep kunnen doen op zijn diensten in staat stellen hem te bereiken;
3° a) voor wat betreft de gerechtsdeskundige, de gekozen proceduretaal of -talen, de deskundigheid en de specialisatie(s) waarvoor hij is geregistreerd;
b) voor wat betreft de beëdigd vertaler, tolk of vertaler-tolk de gekozen proceduretaal of -talen en de andere taal of talen waarvoor hij zich heeft laten registreren;
4° de gerechtelijke arrondissementen waarvoor hij beschikbaar is;
5° het identificatienummer van de gerechtsdeskundige, de beëdigd vertaler, de tolk of de vertaler-tolk;
6° de datum van de opname, van de verlenging, van de schorsing en de schrapping;
7° het neergelegde specimen van de handtekening zoals bedoeld in artikel 555/14, § 3;
8° het specimen van de officiële stempel zoals bedoeld in artikel 555/11, § 1.
De Koning bepaalt welke gegevens ter beschikking worden gesteld van het publiek via de website van de Federale Overheidsdienst Justitie en welke instanties toegang krijgen tot alle gegevens.".
Art. 59. Dans le livre V du Code judiciaire, il est inséré un article 555/10 rédigé comme suit :
"Art. 555/10. § 1er. Le registre national des experts judiciaires et des traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés est géré et actualisé en permanence par le Service Public Fédéral Justice.
L'inscription au registre national vaut pour une période de six ans, qui peut être prolongée chaque fois pour la même durée.
Six mois avant l'expiration de cette période, l'expert judiciaire, le traducteur, l'interprète ou le traducteur-interprète juré peut demander une prolongation de son inscription. Il joint à cette demande une liste des missions civiles et administratives qui lui ont été confiées ainsi que la preuve des formations continues suivies. Les personnes qui disposent d'un domicile ou d'une résidence à l'étranger sont tenues de présenter un document de l'Etat membre de l'Union européenne où elles ont leur domicile ou résidence qui soit équivalent à l'extrait de casier judiciaire visé à l'article 595 du Code d'instruction criminelle, délivré depuis moins de trois mois.
Dans les six mois qui suivent la demande et après avis de la commission d'agrément, l'enregistrement est prolongé pour une nouvelle durée de six ans par décision du ministre de la Justice ou de son fonctionnaire délégué. La commission d'agrément tient dans son avis sur la demande de prolongation compte des formations suivies et des renseignements recueillis tels que visé à l'article 555/7, § 1er.
L'expert judiciaire ou le traducteur, interprète ou traducteur-interprète juré reste inscrit au registre jusqu'à la décision du ministre de la Justice ou du fonctionnaire délégué par lui, à condition que la prolongation de son inscription ait été demandée avant l'expiration du délai de six ans prévu à l'alinéa 2.
§ 2. Le registre contient les données suivantes :
1° le nom, le prénom et le sexe de l'expert judiciaire, du traducteur, de l'interprète ou du traducteur-interprète juré;
2° les coordonnées permettant aux autorités qui peuvent faire appel à ses services de le joindre;
3° a) pour ce qui concerne l'expert judiciaire, la ou les langue(s) de la procédure choisie(s), l'expertise et la ou les spécialisation(s) pour la ou lesquelle(s) il est enregistré;
b) pour ce qui concerne le traducteur, l'interprète ou le traducteur-interprète juré, la ou les langue(s) de la procédure choisie(s) et la ou les autre(s) langue(s) pour la ou lesquelle(s) il s'est fait enregistrer;
4° les arrondissements judiciaires dans lesquels il est disponible;
5° le numéro d'identification de l'expert judiciaire, du traducteur, de l'interprète ou du traducteur-interprète juré;
6° la date de l'inscription, de la prolongation, de la suspension et de la radiation;
7° le spécimen déposé de la signature visé à l'article 555/14, § 3;
8° le spécimen du cachet officiel visé à l'article 555/11, § 1er.
Le Roi détermine quelles données sont mises à la disposition du public via le site Internet du Service Public Fédéral Justice ainsi que les instances qui ont accès à toutes les données.".
"Art. 555/10. § 1er. Le registre national des experts judiciaires et des traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés est géré et actualisé en permanence par le Service Public Fédéral Justice.
L'inscription au registre national vaut pour une période de six ans, qui peut être prolongée chaque fois pour la même durée.
Six mois avant l'expiration de cette période, l'expert judiciaire, le traducteur, l'interprète ou le traducteur-interprète juré peut demander une prolongation de son inscription. Il joint à cette demande une liste des missions civiles et administratives qui lui ont été confiées ainsi que la preuve des formations continues suivies. Les personnes qui disposent d'un domicile ou d'une résidence à l'étranger sont tenues de présenter un document de l'Etat membre de l'Union européenne où elles ont leur domicile ou résidence qui soit équivalent à l'extrait de casier judiciaire visé à l'article 595 du Code d'instruction criminelle, délivré depuis moins de trois mois.
Dans les six mois qui suivent la demande et après avis de la commission d'agrément, l'enregistrement est prolongé pour une nouvelle durée de six ans par décision du ministre de la Justice ou de son fonctionnaire délégué. La commission d'agrément tient dans son avis sur la demande de prolongation compte des formations suivies et des renseignements recueillis tels que visé à l'article 555/7, § 1er.
L'expert judiciaire ou le traducteur, interprète ou traducteur-interprète juré reste inscrit au registre jusqu'à la décision du ministre de la Justice ou du fonctionnaire délégué par lui, à condition que la prolongation de son inscription ait été demandée avant l'expiration du délai de six ans prévu à l'alinéa 2.
§ 2. Le registre contient les données suivantes :
1° le nom, le prénom et le sexe de l'expert judiciaire, du traducteur, de l'interprète ou du traducteur-interprète juré;
2° les coordonnées permettant aux autorités qui peuvent faire appel à ses services de le joindre;
3° a) pour ce qui concerne l'expert judiciaire, la ou les langue(s) de la procédure choisie(s), l'expertise et la ou les spécialisation(s) pour la ou lesquelle(s) il est enregistré;
b) pour ce qui concerne le traducteur, l'interprète ou le traducteur-interprète juré, la ou les langue(s) de la procédure choisie(s) et la ou les autre(s) langue(s) pour la ou lesquelle(s) il s'est fait enregistrer;
4° les arrondissements judiciaires dans lesquels il est disponible;
5° le numéro d'identification de l'expert judiciaire, du traducteur, de l'interprète ou du traducteur-interprète juré;
6° la date de l'inscription, de la prolongation, de la suspension et de la radiation;
7° le spécimen déposé de la signature visé à l'article 555/14, § 3;
8° le spécimen du cachet officiel visé à l'article 555/11, § 1er.
Le Roi détermine quelles données sont mises à la disposition du public via le site Internet du Service Public Fédéral Justice ainsi que les instances qui ont accès à toutes les données.".
Art. 60. In boek V van het Gerechtelijk Wetboek wordt een artikel 555/11 ingevoegd, luidende :
"Art. 555/11. § 1. Aan de persoon, die vermeld wordt in het nationaal register voor gerechtsdeskundigen en voor beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken, wordt door de minister van Justitie of de door hem gemachtigde ambtenaar een identificatienummer en een legitimatiekaart uitgereikt, waarvan het model wordt bepaald door de Koning. Voor de beëdigd vertalers en vertalers-tolken wordt een officiële stempel met het identificatienummer uitgereikt, waarvan het model wordt bepaald door de Koning.
§ 2. De bevoegde overheid kan een anoniem identificatienummer toekennen per dossier in de gevallen waarvoor het vereist is dat de identiteit van de betrokkene die optreedt in zijn hoedanigheid wordt afgeschermd om veiligheidsredenen. Dit anoniem identificatienummer is een ander dan het identificatienummer bedoeld in het eerste lid en bestaat in het verbergen van de identiteit van de betrokkene die in zijn hoedanigheid handelt. De modaliteiten inzake toekenning en het beheer van dit anoniem identificatienummer worden door de Koning bepaald.
Een anoniem identificatienummer kan ook worden toegekend in de gevallen voorzien in artikel 555/15.
§ 3. Het identificatienummer of het anoniem identificatienummer wordt opgenomen in de verslagen van de gerechtsdeskundige bedoeld in artikel 978, § 1. De gerechtsdeskundige vermeldt eerst zijn identificatienummer, gevolgd door zijn handtekening, naam en titel.
In afwijking van het vorig lid, wordt bij het gebruik van het anoniem identificatienummer in geen geval de naam en de handtekening van de gerechtsdeskundige vermeld.
§ 4. Het identificatienummer of het anoniem identificatienummer wordt vermeld op de gemaakte vertalingen van de beëdigd vertaler of vertaler-tolk.
Op alle gemaakte vertalingen wordt volgende vermelding aangebracht :
"Voor eensluidende vertaling ne varietur van het ... naar het ... Gedaan te ..., op ...." of
"Pour traduction conforme et ne varietur de la langue ... vers la langue ... Fait à ..., le ...." of
"Für gleichlautende und ne varietur Übersetzung aus dem ... ins ... Gegeben zu ..., den ....".
De beëdigd vertaler of vertaler-tolk vermeldt eerst zijn identificatienummer, gevolgd door zijn handtekening, naam, titel en zijn officiële stempel.
In afwijking van het vorig lid, wanneer het anoniem identificatienummer wordt gebruikt, wordt in geen geval de naam, de handtekening en de officiële stempel met het identificatienummer vermeld.
§ 5. In geval van verlies van de titel van gerechtsdeskundige of van beëdigd vertaler, tolk, of vertaler-tolk, of ingeval de gerechtsdeskundige of de beëdigd vertaler, tolk, of vertaler-tolk er afstand van doet, wordt de legitimatiekaart en de officiële stempel voor beëdigd vertalers en vertalers-tolken onverwijld aan de minister van Justitie teruggegeven en wordt de opname in het nationaal register voor gerechtsdeskundigen en voor beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken geschrapt of geschorst, bij tijdelijk verlies.
§ 6. De gerechtsdeskundige, de beëdigd vertaler, tolk of vertaler-tolk betaalt bij zijn aanvraag tot opname en tot verlenging van de opname in het register, een bijdrage in de kosten. De Koning bepaalt het bedrag en de modaliteiten van deze bijdrage.".
"Art. 555/11. § 1. Aan de persoon, die vermeld wordt in het nationaal register voor gerechtsdeskundigen en voor beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken, wordt door de minister van Justitie of de door hem gemachtigde ambtenaar een identificatienummer en een legitimatiekaart uitgereikt, waarvan het model wordt bepaald door de Koning. Voor de beëdigd vertalers en vertalers-tolken wordt een officiële stempel met het identificatienummer uitgereikt, waarvan het model wordt bepaald door de Koning.
§ 2. De bevoegde overheid kan een anoniem identificatienummer toekennen per dossier in de gevallen waarvoor het vereist is dat de identiteit van de betrokkene die optreedt in zijn hoedanigheid wordt afgeschermd om veiligheidsredenen. Dit anoniem identificatienummer is een ander dan het identificatienummer bedoeld in het eerste lid en bestaat in het verbergen van de identiteit van de betrokkene die in zijn hoedanigheid handelt. De modaliteiten inzake toekenning en het beheer van dit anoniem identificatienummer worden door de Koning bepaald.
Een anoniem identificatienummer kan ook worden toegekend in de gevallen voorzien in artikel 555/15.
§ 3. Het identificatienummer of het anoniem identificatienummer wordt opgenomen in de verslagen van de gerechtsdeskundige bedoeld in artikel 978, § 1. De gerechtsdeskundige vermeldt eerst zijn identificatienummer, gevolgd door zijn handtekening, naam en titel.
In afwijking van het vorig lid, wordt bij het gebruik van het anoniem identificatienummer in geen geval de naam en de handtekening van de gerechtsdeskundige vermeld.
§ 4. Het identificatienummer of het anoniem identificatienummer wordt vermeld op de gemaakte vertalingen van de beëdigd vertaler of vertaler-tolk.
Op alle gemaakte vertalingen wordt volgende vermelding aangebracht :
"Voor eensluidende vertaling ne varietur van het ... naar het ... Gedaan te ..., op ...." of
"Pour traduction conforme et ne varietur de la langue ... vers la langue ... Fait à ..., le ...." of
"Für gleichlautende und ne varietur Übersetzung aus dem ... ins ... Gegeben zu ..., den ....".
De beëdigd vertaler of vertaler-tolk vermeldt eerst zijn identificatienummer, gevolgd door zijn handtekening, naam, titel en zijn officiële stempel.
In afwijking van het vorig lid, wanneer het anoniem identificatienummer wordt gebruikt, wordt in geen geval de naam, de handtekening en de officiële stempel met het identificatienummer vermeld.
§ 5. In geval van verlies van de titel van gerechtsdeskundige of van beëdigd vertaler, tolk, of vertaler-tolk, of ingeval de gerechtsdeskundige of de beëdigd vertaler, tolk, of vertaler-tolk er afstand van doet, wordt de legitimatiekaart en de officiële stempel voor beëdigd vertalers en vertalers-tolken onverwijld aan de minister van Justitie teruggegeven en wordt de opname in het nationaal register voor gerechtsdeskundigen en voor beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken geschrapt of geschorst, bij tijdelijk verlies.
§ 6. De gerechtsdeskundige, de beëdigd vertaler, tolk of vertaler-tolk betaalt bij zijn aanvraag tot opname en tot verlenging van de opname in het register, een bijdrage in de kosten. De Koning bepaalt het bedrag en de modaliteiten van deze bijdrage.".
Art. 60. Dans le livre V du Code judiciaire, il est inséré un article 555/11 rédigé comme suit :
"Art. 555/11. § 1er. Le ministre de la Justice ou le fonctionnaire délégué par lui délivre à la personne qui figure au registre national des experts judiciaires et des traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés un numéro d'identification et une carte de légitimation, dont le modèle est fixé par le Roi. Pour les traducteurs et traducteurs-interprètes jurés, un cachet officiel est délivré avec le numéro d'identification, dont le modèle est fixé par le Roi.
§ 2. L'autorité compétente peut attribuer par dossier un numéro d'identification anonyme, dans les cas où il est exigé que l'identité de l'intéressé qui agit en sa qualité soit cachée pour des raisons de sécurité. Ce numéro d'identification anonyme est différent du numéro d'identification visé au premier alinéa et consiste à cacher l'identité de l'intéressé qui agit en sa qualité. Les modalités d'octroi et de gestion de ce numéro d'identification anonyme sont fixées par le Roi.
Un numéro d'identification anonyme peut également être attribué dans les cas prévus à l'article 555/15.
§ 3. Le numéro d'identification ou le numéro d'identification anonyme est mentionné dans les rapports de l'expert judiciaire visés à l'article 978, § 1er. L'expert judiciaire mentionne en premier son numéro d'identification suivi de sa signature, de son nom et de son titre.
Par dérogation à l'alinéa précédent, si le numéro d'identification anonyme est utilisé, en aucun cas le nom et la signature de l'expert judiciaire ne sont mentionnés.
§ 4. Le numéro d'identification ou le numéro d'identification anonyme est mentionné sur les traductions effectuées du traducteur ou du traducteur-interprète juré.
La mention suivante est apposée sur toute traduction effectuée :
"Voor eensluidende vertaling ne varietur van het ... naar het ... Gedaan te ..., op ...."
Ou "Pour traduction conforme et ne varietur de la langue ... vers la langue ... Fait à ..., le ...."
Ou "Für gleichlautende und ne varietur Übersetzung aus dem ... ins ... Gegeben zu ..., den ....".
Le traducteur ou le traducteur-interprète juré mentionne en premier son numéro d'identification, suivi de sa signature, de son nom, de son titre et de son cachet officiel.
Par dérogation à l'alinéa précédent, si le numéro d'identification anonyme est utilisé, en aucun cas le nom, la signature et le cachet officiel avec le numéro d'identification ne sont mentionnés.
§ 5. En cas de perte du titre d'expert judiciaire, de traducteur, d'interprète ou de traducteur-interprète juré ou en cas de renonciation à ce titre par l'expert judiciaire ou le traducteur, l'interprète ou le traducteur-interprète juré, la carte de légitimation et le cachet officiel pour les traducteurs et les traducteurs-interprètes jurés sont restitués sans délai au ministre de la Justice et l'inscription au registre national des experts et des traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés est radiée ou suspendue en cas de perte temporaire.
§ 6. L'expert judiciaire, le traducteur, l'interprète ou le traducteur-interprète juré paie une contribution aux frais lors de sa demande d'inscription et de prolongation d'inscription au registre. Le Roi fixe le montant et les modalités de cette contribution.".
"Art. 555/11. § 1er. Le ministre de la Justice ou le fonctionnaire délégué par lui délivre à la personne qui figure au registre national des experts judiciaires et des traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés un numéro d'identification et une carte de légitimation, dont le modèle est fixé par le Roi. Pour les traducteurs et traducteurs-interprètes jurés, un cachet officiel est délivré avec le numéro d'identification, dont le modèle est fixé par le Roi.
§ 2. L'autorité compétente peut attribuer par dossier un numéro d'identification anonyme, dans les cas où il est exigé que l'identité de l'intéressé qui agit en sa qualité soit cachée pour des raisons de sécurité. Ce numéro d'identification anonyme est différent du numéro d'identification visé au premier alinéa et consiste à cacher l'identité de l'intéressé qui agit en sa qualité. Les modalités d'octroi et de gestion de ce numéro d'identification anonyme sont fixées par le Roi.
Un numéro d'identification anonyme peut également être attribué dans les cas prévus à l'article 555/15.
§ 3. Le numéro d'identification ou le numéro d'identification anonyme est mentionné dans les rapports de l'expert judiciaire visés à l'article 978, § 1er. L'expert judiciaire mentionne en premier son numéro d'identification suivi de sa signature, de son nom et de son titre.
Par dérogation à l'alinéa précédent, si le numéro d'identification anonyme est utilisé, en aucun cas le nom et la signature de l'expert judiciaire ne sont mentionnés.
§ 4. Le numéro d'identification ou le numéro d'identification anonyme est mentionné sur les traductions effectuées du traducteur ou du traducteur-interprète juré.
La mention suivante est apposée sur toute traduction effectuée :
"Voor eensluidende vertaling ne varietur van het ... naar het ... Gedaan te ..., op ...."
Ou "Pour traduction conforme et ne varietur de la langue ... vers la langue ... Fait à ..., le ...."
Ou "Für gleichlautende und ne varietur Übersetzung aus dem ... ins ... Gegeben zu ..., den ....".
Le traducteur ou le traducteur-interprète juré mentionne en premier son numéro d'identification, suivi de sa signature, de son nom, de son titre et de son cachet officiel.
Par dérogation à l'alinéa précédent, si le numéro d'identification anonyme est utilisé, en aucun cas le nom, la signature et le cachet officiel avec le numéro d'identification ne sont mentionnés.
§ 5. En cas de perte du titre d'expert judiciaire, de traducteur, d'interprète ou de traducteur-interprète juré ou en cas de renonciation à ce titre par l'expert judiciaire ou le traducteur, l'interprète ou le traducteur-interprète juré, la carte de légitimation et le cachet officiel pour les traducteurs et les traducteurs-interprètes jurés sont restitués sans délai au ministre de la Justice et l'inscription au registre national des experts et des traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés est radiée ou suspendue en cas de perte temporaire.
§ 6. L'expert judiciaire, le traducteur, l'interprète ou le traducteur-interprète juré paie une contribution aux frais lors de sa demande d'inscription et de prolongation d'inscription au registre. Le Roi fixe le montant et les modalités de cette contribution.".
Art. 61. In boek V van het Gerechtelijk Wetboek wordt een artikel 555/12 ingevoegd, luidende :
"Art. 555/12. § 1. Wanneer de voorwaarden voor opname in het register niet langer voldaan zijn of wanneer herhaaldelijk kennelijk ontoereikende prestaties worden geleverd of de gerechtsdeskundige of de beëdigd vertaler, tolk, of vertaler-tolk aan de plichten van zijn opdracht verzuimt of wanneer zijn gedrag of houding afbreuk doet aan de waardigheid van zijn titel of een tekortkoming ten aanzien van de deontologie inhoudt, kan de minister van Justitie of de door hem gemachtigde ambtenaar bij een met redenen omklede beslissing de betrokkene schorsen of diens naam tijdelijk of definitief schrappen uit het nationaal register, desgevallend op voorstel van de korpschef in de zin van artikel 58bis, 2°, na advies van de aanvaardingscommissie, of op voorstel van de aanvaardingscommissie en na kennis te hebben genomen van de opmerkingen van de betrokkene. De duur van de schorsing of tijdelijke schrapping wordt, afhankelijk van de ernst van de tekortkoming, bepaald door de minister of de door hem gemachtigde ambtenaar, zonder dat zij een jaar te boven mag gaan.
De tijdelijke schrapping kan bij een met redenen omklede beslissing van de minister van Justitie of de door hem gemachtigde ambtenaar worden verlengd met telkens maximaal een jaar, na kennis te hebben genomen van de opmerkingen van de betrokkene.
§ 2. De aanvaardingscommissie ziet erop toe dat de gerechtsdeskundigen, de beëdigde vertalers, tolken en vertalers-tolken de deontologische code bedoeld in artikel 555/9, 3°, naleven. Zij kan op eigen initiatief of in geval van klachten de gerechtsdeskundige of de beëdigde vertaler, tolk of vertaler-tolk horen en kan aan de minister van Justitie of aan de door hem gemachtigde ambtenaar, aanbevelingen doen of een advies geven over de te nemen maatregelen.".
"Art. 555/12. § 1. Wanneer de voorwaarden voor opname in het register niet langer voldaan zijn of wanneer herhaaldelijk kennelijk ontoereikende prestaties worden geleverd of de gerechtsdeskundige of de beëdigd vertaler, tolk, of vertaler-tolk aan de plichten van zijn opdracht verzuimt of wanneer zijn gedrag of houding afbreuk doet aan de waardigheid van zijn titel of een tekortkoming ten aanzien van de deontologie inhoudt, kan de minister van Justitie of de door hem gemachtigde ambtenaar bij een met redenen omklede beslissing de betrokkene schorsen of diens naam tijdelijk of definitief schrappen uit het nationaal register, desgevallend op voorstel van de korpschef in de zin van artikel 58bis, 2°, na advies van de aanvaardingscommissie, of op voorstel van de aanvaardingscommissie en na kennis te hebben genomen van de opmerkingen van de betrokkene. De duur van de schorsing of tijdelijke schrapping wordt, afhankelijk van de ernst van de tekortkoming, bepaald door de minister of de door hem gemachtigde ambtenaar, zonder dat zij een jaar te boven mag gaan.
De tijdelijke schrapping kan bij een met redenen omklede beslissing van de minister van Justitie of de door hem gemachtigde ambtenaar worden verlengd met telkens maximaal een jaar, na kennis te hebben genomen van de opmerkingen van de betrokkene.
§ 2. De aanvaardingscommissie ziet erop toe dat de gerechtsdeskundigen, de beëdigde vertalers, tolken en vertalers-tolken de deontologische code bedoeld in artikel 555/9, 3°, naleven. Zij kan op eigen initiatief of in geval van klachten de gerechtsdeskundige of de beëdigde vertaler, tolk of vertaler-tolk horen en kan aan de minister van Justitie of aan de door hem gemachtigde ambtenaar, aanbevelingen doen of een advies geven over de te nemen maatregelen.".
Art. 61. Dans le livre V du Code judiciaire, il est inséré un article 555/12 rédigé comme suit :
"Art. 555/12. § 1er. Lorsque les conditions de l'inscription au registre ne sont plus remplies ou lorsque son comportement ou sa conduite porte atteinte ou lorsque l'expert judiciaire ou le traducteur, l'interprète ou le traducteur-interprète juré manque aux devoirs de sa mission ou lorsque son comportement ou sa conduite porte atteinte à la dignité de son titre ou constitue un manquement à la déontologie, le ministre de la Justice ou le fonctionnaire délégué par lui peut, par une décision motivée, suspendre l'intéressé ou radier temporairement ou définitivement son nom du registre national, le cas échéant sur proposition du chef de corps au sens de l'article 58bis, 2°, après avis de la commission d'agrément ou sur proposition de la commission d'agrément et après avoir pris connaissance des observations de l'intéressé. La durée de la suspension ou de la radiation temporaire est fixée par le ministre ou le fonctionnaire délégué par lui en fonction de la gravité du manquement, sans qu'elle puisse excéder une période d'un an.
La radiation temporaire peut, par décision motivée du ministre de la Justice ou du fonctionnaire délégué par lui, être prolongée chaque fois pour une durée d'un an maximum, après avoir pris connaissance des observations de l'intéressé.
§ 2. La commission d'agrément contrôle le respect, par les experts judiciaires, les traducteurs, les interprètes et les traducteurs-interprètes jurés, du code de déontologie visé à l'article 555/9, 3°. Elle peut, de sa propre initiative ou en cas de plaintes, entendre l'expert judiciaire ou le traducteur, l'interprète ou le traducteur-interprète juré et formuler des recommandations ou rendre un avis quant aux suites à donner, au ministre de la Justice ou au fonctionnaire délégué par lui.".
"Art. 555/12. § 1er. Lorsque les conditions de l'inscription au registre ne sont plus remplies ou lorsque son comportement ou sa conduite porte atteinte ou lorsque l'expert judiciaire ou le traducteur, l'interprète ou le traducteur-interprète juré manque aux devoirs de sa mission ou lorsque son comportement ou sa conduite porte atteinte à la dignité de son titre ou constitue un manquement à la déontologie, le ministre de la Justice ou le fonctionnaire délégué par lui peut, par une décision motivée, suspendre l'intéressé ou radier temporairement ou définitivement son nom du registre national, le cas échéant sur proposition du chef de corps au sens de l'article 58bis, 2°, après avis de la commission d'agrément ou sur proposition de la commission d'agrément et après avoir pris connaissance des observations de l'intéressé. La durée de la suspension ou de la radiation temporaire est fixée par le ministre ou le fonctionnaire délégué par lui en fonction de la gravité du manquement, sans qu'elle puisse excéder une période d'un an.
La radiation temporaire peut, par décision motivée du ministre de la Justice ou du fonctionnaire délégué par lui, être prolongée chaque fois pour une durée d'un an maximum, après avoir pris connaissance des observations de l'intéressé.
§ 2. La commission d'agrément contrôle le respect, par les experts judiciaires, les traducteurs, les interprètes et les traducteurs-interprètes jurés, du code de déontologie visé à l'article 555/9, 3°. Elle peut, de sa propre initiative ou en cas de plaintes, entendre l'expert judiciaire ou le traducteur, l'interprète ou le traducteur-interprète juré et formuler des recommandations ou rendre un avis quant aux suites à donner, au ministre de la Justice ou au fonctionnaire délégué par lui.".
Art. 62. In boek V van het Gerechtelijk Wetboek wordt een artikel 555/13 ingevoegd, luidende :
"Art. 555/13. § 1. Het in artikel 555/8, 4°, bedoelde bewijs wordt geleverd door het voorleggen aan de minister van Justitie van :
1° wat de beroepsbekwaamheid betreft :
a) voor de gerechtsdeskundigen, een diploma in het domein van deskundigheid waarvoor de kandidaat zich als gerechtsdeskundige laat registreren en een bewijs waaruit vijf jaar relevante ervaring gedurende een periode van acht jaar voorafgaand aan de aanvraag tot registratie blijkt, of bij afwezigheid van diploma, het bewijs van vijftien jaar relevante ervaring gedurende de twintig jaar voorafgaand aan de aanvraag tot registratie;
b) voor de beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken, elk diploma dat is behaald of elk bewijs waaruit minimum twee jaar relevante ervaring gedurende een periode van acht jaar voorafgaand aan de aanvraag tot registratie blijkt of elk ander bewijs van de kennis van de taal of talen waarvoor hij zich laten registreren heeft;
De gerechtsdeskundigen en de beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken die in een ander land van de Europese Unie gedomicilieerd zijn, kunnen hun beroepsbekwaamheid bewijzen door een opname in het gelijkaardig register van hun land, waarvan zij het bewijs leveren.
2° wat de juridische kennis betreft: een getuigschrift afgegeven na het volgen van een opleiding die beantwoordt aan de door de Koning bepaalde voorwaarden.
§ 2. De minister van Justitie of de door hem gemachtigde ambtenaar kan aan de gerechtsdeskundige een vrijstelling verlenen van de in § 1, 1°, bedoelde voorwaarde van vijf jaar relevante ervaring voor de specialiteiten die enkel in het kader van een gerechtelijk deskundigenonderzoek kunnen uitgeoefend worden.
De minister van Justitie of de door hem gemachtigde ambtenaar kan een vrijstelling voor de in § 1, 2°, bedoelde voorwaarde verlenen aan de gerechtsdeskundige of beëdigd vertaler, tolk of vertaler-tolk, die voor 1 december 2016 gedurende een ononderbroken periode van vijftien jaar de activiteit van gerechtsdeskundige of beëdigd vertaler, tolk of vertaler-tolk heeft uitgeoefend en zich in die periode voldoende heeft bijgeschoold.".
"Art. 555/13. § 1. Het in artikel 555/8, 4°, bedoelde bewijs wordt geleverd door het voorleggen aan de minister van Justitie van :
1° wat de beroepsbekwaamheid betreft :
a) voor de gerechtsdeskundigen, een diploma in het domein van deskundigheid waarvoor de kandidaat zich als gerechtsdeskundige laat registreren en een bewijs waaruit vijf jaar relevante ervaring gedurende een periode van acht jaar voorafgaand aan de aanvraag tot registratie blijkt, of bij afwezigheid van diploma, het bewijs van vijftien jaar relevante ervaring gedurende de twintig jaar voorafgaand aan de aanvraag tot registratie;
b) voor de beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken, elk diploma dat is behaald of elk bewijs waaruit minimum twee jaar relevante ervaring gedurende een periode van acht jaar voorafgaand aan de aanvraag tot registratie blijkt of elk ander bewijs van de kennis van de taal of talen waarvoor hij zich laten registreren heeft;
De gerechtsdeskundigen en de beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken die in een ander land van de Europese Unie gedomicilieerd zijn, kunnen hun beroepsbekwaamheid bewijzen door een opname in het gelijkaardig register van hun land, waarvan zij het bewijs leveren.
2° wat de juridische kennis betreft: een getuigschrift afgegeven na het volgen van een opleiding die beantwoordt aan de door de Koning bepaalde voorwaarden.
§ 2. De minister van Justitie of de door hem gemachtigde ambtenaar kan aan de gerechtsdeskundige een vrijstelling verlenen van de in § 1, 1°, bedoelde voorwaarde van vijf jaar relevante ervaring voor de specialiteiten die enkel in het kader van een gerechtelijk deskundigenonderzoek kunnen uitgeoefend worden.
De minister van Justitie of de door hem gemachtigde ambtenaar kan een vrijstelling voor de in § 1, 2°, bedoelde voorwaarde verlenen aan de gerechtsdeskundige of beëdigd vertaler, tolk of vertaler-tolk, die voor 1 december 2016 gedurende een ononderbroken periode van vijftien jaar de activiteit van gerechtsdeskundige of beëdigd vertaler, tolk of vertaler-tolk heeft uitgeoefend en zich in die periode voldoende heeft bijgeschoold.".
Art. 62. Dans le livre V du Code judiciaire, il est inséré un article 555/13 rédigé comme suit :
"Art. 555/13. § 1er. La preuve visée à l'article 555/8, 4°, est apportée en présentant au ministre de la Justice :
1° en ce qui concerne l'aptitude professionnelle :
a) pour les experts judicaires, par un diplôme obtenu dans le domaine d'expertise dans lequel le candidat se fait enregistrer en qualité d'expert judiciaire et par un justificatif attestant d'une expérience pertinente de cinq ans au cours des huit années précédant la demande d'enregistrement, ou à défaut de diplôme, par la preuve d'une expérience pertinente de quinze ans pendant les vingt ans précédant la demande d'enregistrement;
b) pour les traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés, tout diplôme obtenu ou toute preuve d'une expérience pertinente d'au moins deux ans acquise durant une période de huit ans précédant la demande d'enregistrement ou tout autre preuve attestant de la connaissance de la ou des langue(s) pour lesquelles il s'est fait enregistrer;
Les experts judiciaires et les traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés domiciliés dans un autre pays de l'Union européenne peuvent justifier de leur aptitude professionnelle par une inscription dans le registre similaire de leur pays, dont ils apportent la preuve.
2° En ce qui concerne les connaissances juridiques: une attestation délivrée après avoir suivi une formation qui répond aux conditions fixées par le Roi.
§ 2. Le ministre de la Justice ou le fonctionnaire délégué par lui peut accorder à l'expert judiciaire une dispense de la condition de cinq ans d'expérience pertinente visée au § 1er, 1°, pour les spécialités qui ne peuvent être exercées que dans le cadre d'une expertise judiciaire.
Le ministre de la Justice ou le fonctionnaire délégué par lui peut accorder une dispense de la condition visée au § 1er, 2°, à l'expert judiciaire ou au traducteur, interprète ou traducteur-interprète jure qui, avant le 1er décembre 2016, a exercé durant une période ininterrompue de quinze ans l'activité d'expert judiciaire ou de traducteur, interprète ou traducteur-interprète juré et qui s'est suffisamment recyclé durant cette période.".
"Art. 555/13. § 1er. La preuve visée à l'article 555/8, 4°, est apportée en présentant au ministre de la Justice :
1° en ce qui concerne l'aptitude professionnelle :
a) pour les experts judicaires, par un diplôme obtenu dans le domaine d'expertise dans lequel le candidat se fait enregistrer en qualité d'expert judiciaire et par un justificatif attestant d'une expérience pertinente de cinq ans au cours des huit années précédant la demande d'enregistrement, ou à défaut de diplôme, par la preuve d'une expérience pertinente de quinze ans pendant les vingt ans précédant la demande d'enregistrement;
b) pour les traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés, tout diplôme obtenu ou toute preuve d'une expérience pertinente d'au moins deux ans acquise durant une période de huit ans précédant la demande d'enregistrement ou tout autre preuve attestant de la connaissance de la ou des langue(s) pour lesquelles il s'est fait enregistrer;
Les experts judiciaires et les traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés domiciliés dans un autre pays de l'Union européenne peuvent justifier de leur aptitude professionnelle par une inscription dans le registre similaire de leur pays, dont ils apportent la preuve.
2° En ce qui concerne les connaissances juridiques: une attestation délivrée après avoir suivi une formation qui répond aux conditions fixées par le Roi.
§ 2. Le ministre de la Justice ou le fonctionnaire délégué par lui peut accorder à l'expert judiciaire une dispense de la condition de cinq ans d'expérience pertinente visée au § 1er, 1°, pour les spécialités qui ne peuvent être exercées que dans le cadre d'une expertise judiciaire.
Le ministre de la Justice ou le fonctionnaire délégué par lui peut accorder une dispense de la condition visée au § 1er, 2°, à l'expert judiciaire ou au traducteur, interprète ou traducteur-interprète jure qui, avant le 1er décembre 2016, a exercé durant une période ininterrompue de quinze ans l'activité d'expert judiciaire ou de traducteur, interprète ou traducteur-interprète juré et qui s'est suffisamment recyclé durant cette période.".
Art. 63. In boek V van het Gerechtelijk Wetboek wordt een artikel 555/14 ingevoegd, luidende :
"Art. 555/14. § 1. De kandidaat die voldoet aan de bij artikel 555/8, 1° tot 4° bepaalde voorwaarden, legt ten laatste binnen de drie maanden na opname in het register de volgende eed af in handen van de eerste voorzitter van het hof van beroep van het rechtsgebied van zijn woon- of verblijfplaats, de volgende eed af :
"Ik zweer dat ik mijn opdracht in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk zal vervullen.", of :
"Je jure que je remplirai ma mission en honneur et conscience, avec exactitude et probité.", of
"Ich schwöre, dass ich den mir erteilten Auftrag auf Ehre und Gewissen genau und ehrlich erfüllen werde.".
Deze eed is geldig voor alle opdrachten die nadien aan de betrokkene in zijn hoedanigheid van gerechtsdeskundige of van beëdigd vertaler, tolk of vertaler-tolk zullen worden toevertrouwd.
De gerechtsdeskundige, beëdigd vertaler, tolk of vertaler-tolk kan pas nadat hij de eed heeft afgelegd deze titel dragen en in deze hoedanigheid de opdrachten aanvaarden voor de domeinen waarvoor hij is opgenomen in het nationaal register.
§ 2. De kandidaat die geen woon- of verblijfplaats heeft in België, legt de eed af in handen van de eerste voorzitter van het hof van beroep te Brussel.
§ 3. De eedaflegging zoals bedoeld in de vorige paragrafen wordt minstens viermaal per jaar georganiseerd. Na de eedaflegging leggen de gerechtsdeskundige, de beëdigd vertaler, de tolk en de vertaler-tolk het specimen van hun handtekening neer bij de eerste voorzitter van het hof van beroep waarvoor zij de eed hebben afgelegd. Dit specimen van hun handtekening wordt opgenomen in het nationaal register overeenkomstig artikel 555/10, § 2. De Federale Overheidsdienst Justitie wordt in kennis gesteld van de namen van de personen die de eed hebben afgelegd en van het specimen van hun handtekening.".
"Art. 555/14. § 1. De kandidaat die voldoet aan de bij artikel 555/8, 1° tot 4° bepaalde voorwaarden, legt ten laatste binnen de drie maanden na opname in het register de volgende eed af in handen van de eerste voorzitter van het hof van beroep van het rechtsgebied van zijn woon- of verblijfplaats, de volgende eed af :
"Ik zweer dat ik mijn opdracht in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk zal vervullen.", of :
"Je jure que je remplirai ma mission en honneur et conscience, avec exactitude et probité.", of
"Ich schwöre, dass ich den mir erteilten Auftrag auf Ehre und Gewissen genau und ehrlich erfüllen werde.".
Deze eed is geldig voor alle opdrachten die nadien aan de betrokkene in zijn hoedanigheid van gerechtsdeskundige of van beëdigd vertaler, tolk of vertaler-tolk zullen worden toevertrouwd.
De gerechtsdeskundige, beëdigd vertaler, tolk of vertaler-tolk kan pas nadat hij de eed heeft afgelegd deze titel dragen en in deze hoedanigheid de opdrachten aanvaarden voor de domeinen waarvoor hij is opgenomen in het nationaal register.
§ 2. De kandidaat die geen woon- of verblijfplaats heeft in België, legt de eed af in handen van de eerste voorzitter van het hof van beroep te Brussel.
§ 3. De eedaflegging zoals bedoeld in de vorige paragrafen wordt minstens viermaal per jaar georganiseerd. Na de eedaflegging leggen de gerechtsdeskundige, de beëdigd vertaler, de tolk en de vertaler-tolk het specimen van hun handtekening neer bij de eerste voorzitter van het hof van beroep waarvoor zij de eed hebben afgelegd. Dit specimen van hun handtekening wordt opgenomen in het nationaal register overeenkomstig artikel 555/10, § 2. De Federale Overheidsdienst Justitie wordt in kennis gesteld van de namen van de personen die de eed hebben afgelegd en van het specimen van hun handtekening.".
Art. 63. Dans le livre V du Code judiciaire, il est inséré un article 555/14 rédigé comme suit :
"Art. 555/14. § 1er. Au plus tard dans les trois mois de son inscription au registre, le candidat qui remplit les conditions fixées à l'article 555/8, 1° à 4°, prête le serment suivant entre les mains du premier président de la cour d'appel du ressort de son domicile ou de sa résidence :
"Ik zweer dat ik mijn opdracht in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk zal vervullen.", ou :
"Je jure que je remplirai ma mission en honneur et conscience, avec exactitude et probité.", ou
"Ich schwöre, dass ich den mir erteilten Auftrag auf Ehre und Gewissen genau und ehrlich erfüllen werde.".
Ce serment vaut pour toutes les missions qui seront ensuite confiées à l'intéressé en sa qualité d'expert judiciaire ou de traducteur, interprète et traducteur-interprète juré.
L'expert judiciaire, le traducteur, l'interprète ou le traducteur-interprète juré, ne peut porter ce titre et accepter les missions qui lui sont confiées en cette qualité, dans les domaines pour lesquels il est inscrit dans le registre national, qu'après avoir prêté le serment.
§ 2. Le candidat qui n'a pas de domicile ou de résidence en Belgique prête le serment entre les mains du premier président de la cour d'appel de Bruxelles.
§ 3. La prestation de serment visée aux paragraphes précédents est organisée au moins quatre fois par an. Après la prestation de serment, l'expert judiciaire, le traducteur, l'interprète et le traducteur-interprète juré déposent le spécimen de leur signature auprès du premier président de la cour d'appel devant lequel ils ont prêté serment. Ce spécimen de leur signature est inscrit dans le registre national conformément à l'article 555/10, § 2. Le Service Public Fédéral Justice est informé des noms des personnes qui ont prêté serment et du spécimen de leur signature.".
"Art. 555/14. § 1er. Au plus tard dans les trois mois de son inscription au registre, le candidat qui remplit les conditions fixées à l'article 555/8, 1° à 4°, prête le serment suivant entre les mains du premier président de la cour d'appel du ressort de son domicile ou de sa résidence :
"Ik zweer dat ik mijn opdracht in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk zal vervullen.", ou :
"Je jure que je remplirai ma mission en honneur et conscience, avec exactitude et probité.", ou
"Ich schwöre, dass ich den mir erteilten Auftrag auf Ehre und Gewissen genau und ehrlich erfüllen werde.".
Ce serment vaut pour toutes les missions qui seront ensuite confiées à l'intéressé en sa qualité d'expert judiciaire ou de traducteur, interprète et traducteur-interprète juré.
L'expert judiciaire, le traducteur, l'interprète ou le traducteur-interprète juré, ne peut porter ce titre et accepter les missions qui lui sont confiées en cette qualité, dans les domaines pour lesquels il est inscrit dans le registre national, qu'après avoir prêté le serment.
§ 2. Le candidat qui n'a pas de domicile ou de résidence en Belgique prête le serment entre les mains du premier président de la cour d'appel de Bruxelles.
§ 3. La prestation de serment visée aux paragraphes précédents est organisée au moins quatre fois par an. Après la prestation de serment, l'expert judiciaire, le traducteur, l'interprète et le traducteur-interprète juré déposent le spécimen de leur signature auprès du premier président de la cour d'appel devant lequel ils ont prêté serment. Ce spécimen de leur signature est inscrit dans le registre national conformément à l'article 555/10, § 2. Le Service Public Fédéral Justice est informé des noms des personnes qui ont prêté serment et du spécimen de leur signature.".
Art. 64. In boek V van het Gerechtelijk Wetboek wordt een artikel 555/15 ingevoegd, luidende :
"Art. 555/15. Onverminderd artikel 555/6 kan de overheid die de opdracht geeft bij een met redenen omklede beslissing een gerechtsdeskundige of beëdigd vertaler, tolk, of vertaler-tolk aanwijzen die niet in het nationaal register van gerechtsdeskundigen of voor beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken is opgenomen, in de hierna genoemde gevallen :
- in spoedeisende gevallen;
- wanneer geen gerechtsdeskundige met de vereiste deskundigheid en specialisatie beschikbaar is of wanneer er geen beëdigd vertaler, tolk of vertaler-tolk beschikbaar is voor de betrokken taal;
- wanneer het nationaal register, gelet op de specifieke aard van het geschil, geen gerechtsdeskundige bevat die beschikt over de vereiste deskundigheid en specialisatie of wanneer het nationaal register, gelet op de zeldzaamheid van de taal, geen beëdigd vertaler, tolk of vertaler-tolk bevat die beschikt over de vereiste kennis van de betrokken taal;
- wanneer het gaat om een coördinerende deskundige wiens exclusieve opdracht beoogd is in artikel 964.
De betrokkene bedoeld in het eerste lid voert de titel van gerechtsdeskundige of beëdigd vertaler, tolk of vertaler tolk enkel voor de hem toevertrouwde opdracht.
De aldus aangestelde tolk legt de volgende eed af :
"Ik zweer dat ik mijn opdracht in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk zal vervullen.", of
"Je jure que je remplirai ma mission en honneur et conscience avec exactitude et probité.", of
"Ich schwöre, dass ich den mir erteilten Auftrag auf Ehre und Gewissen genau und ehrlich erfüllen werde.".
De aangewezen gerechtsdeskundige, beëdigd vertaler of vertaler-tolk ondertekent zijn verslag of zijn vertaling op straffe van nietigheid waarbij hij zijn handtekening laat voorafgaan door de volgende schriftelijke eed :
"Ik zweer dat ik mijn opdracht in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk vervuld heb.", of
"Je jure avoir rempli ma mission en honneur et conscience, avec exactitude et probité.", of
"Ich schwöre, dass ich den mir erteilten Auftrag auf Ehre und Gewissen, genau und ehrlich erfült habe.".
In voorkomend geval wordt er van deze procedure, van de beweegredenen en van de naam en voornaam van de aangestelde gerechtsdeskundige of beëdigd vertaler, tolk, of vertaler-tolk melding gemaakt in de beslissing tot aanstelling of op het zittingsblad.
Een uittreksel van de beslissing met vermelding van de identiteit van de gerechtsdeskundige of beëdigd vertaler, tolk, of vertaler-tolk alsook van de motivering worden meegedeeld aan de Federale Overheidsdienst Justitie.".
"Art. 555/15. Onverminderd artikel 555/6 kan de overheid die de opdracht geeft bij een met redenen omklede beslissing een gerechtsdeskundige of beëdigd vertaler, tolk, of vertaler-tolk aanwijzen die niet in het nationaal register van gerechtsdeskundigen of voor beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken is opgenomen, in de hierna genoemde gevallen :
- in spoedeisende gevallen;
- wanneer geen gerechtsdeskundige met de vereiste deskundigheid en specialisatie beschikbaar is of wanneer er geen beëdigd vertaler, tolk of vertaler-tolk beschikbaar is voor de betrokken taal;
- wanneer het nationaal register, gelet op de specifieke aard van het geschil, geen gerechtsdeskundige bevat die beschikt over de vereiste deskundigheid en specialisatie of wanneer het nationaal register, gelet op de zeldzaamheid van de taal, geen beëdigd vertaler, tolk of vertaler-tolk bevat die beschikt over de vereiste kennis van de betrokken taal;
- wanneer het gaat om een coördinerende deskundige wiens exclusieve opdracht beoogd is in artikel 964.
De betrokkene bedoeld in het eerste lid voert de titel van gerechtsdeskundige of beëdigd vertaler, tolk of vertaler tolk enkel voor de hem toevertrouwde opdracht.
De aldus aangestelde tolk legt de volgende eed af :
"Ik zweer dat ik mijn opdracht in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk zal vervullen.", of
"Je jure que je remplirai ma mission en honneur et conscience avec exactitude et probité.", of
"Ich schwöre, dass ich den mir erteilten Auftrag auf Ehre und Gewissen genau und ehrlich erfüllen werde.".
De aangewezen gerechtsdeskundige, beëdigd vertaler of vertaler-tolk ondertekent zijn verslag of zijn vertaling op straffe van nietigheid waarbij hij zijn handtekening laat voorafgaan door de volgende schriftelijke eed :
"Ik zweer dat ik mijn opdracht in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk vervuld heb.", of
"Je jure avoir rempli ma mission en honneur et conscience, avec exactitude et probité.", of
"Ich schwöre, dass ich den mir erteilten Auftrag auf Ehre und Gewissen, genau und ehrlich erfült habe.".
In voorkomend geval wordt er van deze procedure, van de beweegredenen en van de naam en voornaam van de aangestelde gerechtsdeskundige of beëdigd vertaler, tolk, of vertaler-tolk melding gemaakt in de beslissing tot aanstelling of op het zittingsblad.
Een uittreksel van de beslissing met vermelding van de identiteit van de gerechtsdeskundige of beëdigd vertaler, tolk, of vertaler-tolk alsook van de motivering worden meegedeeld aan de Federale Overheidsdienst Justitie.".
Art. 64. Dans le livre V du Code judiciaire, il est inséré un article 555/15 rédigé comme suit :
"Art. 555/15. Sans préjudice de l'article 555/6, l'autorité qui confie la mission peut, par une décision motivée, désigner un expert judiciaire ou un traducteur, un interprète ou un traducteur-interprète juré qui n'est pas inscrit au registre national des experts judiciaires ou des traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés dans les cas mentionnés ci-après :
- en cas d'urgence;
- si aucun expert judiciaire ayant l'expertise et la spécialisation requises n'est disponible ou si aucun traducteur, interprète ou traducteur-interprète juré n'est disponible pour la langue concernée;
- si le registre national ne comporte aucun expert judiciaire disposant de l'expertise et de la spécialisation nécessaires au regard de la nature spécifique du litige ou si le registre national, étant donné la rareté de la langue, ne comporte aucun traducteur, interprète ou traducteur-interprète juré disposant de la connaissance requise de la langue concernée;
- s'il s'agit d'un expert coordinateur dont la mission exclusive est celle visée à l'article 964.
L'intéressé visé à l'alinéa 1er porte le titre d'expert judiciaire ou de traducteur, interprète ou traducteur-interprète juré uniquement pour la mission qui lui a été confiée.
L'interprète ainsi désigné prête le serment suivant :
"Ik zweer dat ik mijn opdracht in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk zal vervullen.", ou
"Je jure que je remplirai ma mission en honneur et conscience avec exactitude et probité.", ou
"Ich schwöre, dass ich den mir erteilten Auftrag auf Ehre und Gewissen genau und ehrlich erfüllen werde.".
L'expert judiciaire, le traducteur ou le traducteur-interprète juré désigné signe son rapport ou sa traduction sous peine de nullité, en faisant précéder sa signature du serment écrit suivant :
"Ik zweer dat ik mijn opdracht in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk vervuld heb.", ou
"Je jure avoir rempli ma mission en honneur et conscience, avec exactitude et probité.", ou
"Ich schwöre, dass ich den mir erteilten Auftrag auf Ehre und Gewissen, genau und ehrlich erfült habe.".
Le cas échéant, cette procédure, les motifs et les nom et prénom de l'expert judiciaire ou du traducteur, interprète ou traducteur-interprète juré désigné sont actés dans la décision de désignation ou sur la feuille d'audience.
Un extrait de la décision mentionnant l'identité de l'expert judiciaire ou du traducteur, de l'interprète ou du traducteur-interprète juré ainsi que la motivation sont communiqués au Service Public Fédéral Justice.".
"Art. 555/15. Sans préjudice de l'article 555/6, l'autorité qui confie la mission peut, par une décision motivée, désigner un expert judiciaire ou un traducteur, un interprète ou un traducteur-interprète juré qui n'est pas inscrit au registre national des experts judiciaires ou des traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés dans les cas mentionnés ci-après :
- en cas d'urgence;
- si aucun expert judiciaire ayant l'expertise et la spécialisation requises n'est disponible ou si aucun traducteur, interprète ou traducteur-interprète juré n'est disponible pour la langue concernée;
- si le registre national ne comporte aucun expert judiciaire disposant de l'expertise et de la spécialisation nécessaires au regard de la nature spécifique du litige ou si le registre national, étant donné la rareté de la langue, ne comporte aucun traducteur, interprète ou traducteur-interprète juré disposant de la connaissance requise de la langue concernée;
- s'il s'agit d'un expert coordinateur dont la mission exclusive est celle visée à l'article 964.
L'intéressé visé à l'alinéa 1er porte le titre d'expert judiciaire ou de traducteur, interprète ou traducteur-interprète juré uniquement pour la mission qui lui a été confiée.
L'interprète ainsi désigné prête le serment suivant :
"Ik zweer dat ik mijn opdracht in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk zal vervullen.", ou
"Je jure que je remplirai ma mission en honneur et conscience avec exactitude et probité.", ou
"Ich schwöre, dass ich den mir erteilten Auftrag auf Ehre und Gewissen genau und ehrlich erfüllen werde.".
L'expert judiciaire, le traducteur ou le traducteur-interprète juré désigné signe son rapport ou sa traduction sous peine de nullité, en faisant précéder sa signature du serment écrit suivant :
"Ik zweer dat ik mijn opdracht in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk vervuld heb.", ou
"Je jure avoir rempli ma mission en honneur et conscience, avec exactitude et probité.", ou
"Ich schwöre, dass ich den mir erteilten Auftrag auf Ehre und Gewissen, genau und ehrlich erfült habe.".
Le cas échéant, cette procédure, les motifs et les nom et prénom de l'expert judiciaire ou du traducteur, interprète ou traducteur-interprète juré désigné sont actés dans la décision de désignation ou sur la feuille d'audience.
Un extrait de la décision mentionnant l'identité de l'expert judiciaire ou du traducteur, de l'interprète ou du traducteur-interprète juré ainsi que la motivation sont communiqués au Service Public Fédéral Justice.".
Art. 65. In boek V van het Gerechtelijk Wetboek wordt een artikel 555/16 ingevoegd, luidende :
"Art. 555/16. Gerechtsdeskundigen kunnen beslissen een opdracht te weigeren. In burgerlijke zaken kunnen beëdigde vertalers, tolken en vertalers-tolken een opdracht weigeren.".
"Art. 555/16. Gerechtsdeskundigen kunnen beslissen een opdracht te weigeren. In burgerlijke zaken kunnen beëdigde vertalers, tolken en vertalers-tolken een opdracht weigeren.".
Art. 65. Dans le livre V du Code judiciaire, il est inséré un article 555/16 rédigé comme suit :
"Art. 555/16. Les experts judiciaires peuvent décider de ne pas accepter une mission. En matière civile, les traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés peuvent refuser une mission.".
"Art. 555/16. Les experts judiciaires peuvent décider de ne pas accepter une mission. En matière civile, les traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés peuvent refuser une mission.".
Hoofdstuk 2. - Wijzigingen van de wet van 10 april 2014 tot wijziging van verschillende bepalingen met het oog op de oprichting van een nationaal register voor gerechtsdeskundigen en tot oprichting van een nationaal register voor beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken
CHAPITRE 2. - Modifications de la loi du 10 avril 2014 modifiant diverses dispositions en vue d'établir un registre national des experts judiciaires et établissant un registre national des traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés
Art. 66. Artikel 28 van de wet van 10 april 2014 tot wijziging van verschillende bepalingen met het oog op de oprichting van een nationaal register voor gerechtsdeskundigen en tot oprichting van een nationaal register voor beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken, wordt vervangen als volgt :
"Art. 28. Deskundigen die werken voor de gerechtelijke overheden vóór 1 december 2016 dienen uiterlijk vijf jaar na deze datum aan de bepalingen ervan te voldoen.
Na voorlegging van het bewijs van deze werkzaamheid worden de betrokken deskundigen voorlopig opgenomen in het nationaal register voor gerechtsdeskundigen met de vermelding van het voorlopig karakter van deze opname voor zover zij voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 555/8, 1°, 2° en 3° van het Gerechtelijk Wetboek. Zij zijn onderworpen aan de verplichtingen voorzien in artikel 555/9 van het Gerechtelijk Wetboek.
Uiterlijk op 30 november 2021 worden zij, nadat zij hiertoe een aanvraag hebben ingediend, opgenomen in het nationaal register voor gerechtsdeskundigen en voor beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken, voor zover zij bij hun opname voldoen aan de voorwaarden voorzien in artikel 555/8, 1° tot 4° van het Gerechtelijk Wetboek. In dat geval betalen de gerechtsdeskundigen uiterlijk op 30 november 2021 de bijdrage in de kosten, bedoeld in artikel 555/11 voor de opname in het register. Artikel 555/7 is op hen van toepassing.
De personen die nog niet actief waren als deskundige voor de gerechtelijke overheden op 1 december 2016, kunnen voorlopig worden opgenomen in het register, voor zover zij voldoen aan de voorwaarden bedoeld in artikel 555/8, 1°, 2° en 3° van het Gerechtelijk Wetboek en zij, voor wat betreft artikel 555/8, 4°, van het Gerechtelijk Wetboek enkel het bewijs leveren van de nodige beroepsbekwaamheid. Zij zijn onderworpen aan de verplichtingen voorzien in artikel 555/9 van het Gerechtelijk Wetboek. Hun voorlopige opname vervalt uiterlijk op 30 november 2021, tenzij zij worden opgenomen in het nationaal register overeenkomstig de bepalingen van het vorig lid.
De personen die vallen onder de toepassing van dit artikel leggen binnen de zes maanden na de inwerkingtreding van deze bepaling de eed af overeenkomstig artikel 555/14 van het Gerechtelijk Wetboek.".
"Art. 28. Deskundigen die werken voor de gerechtelijke overheden vóór 1 december 2016 dienen uiterlijk vijf jaar na deze datum aan de bepalingen ervan te voldoen.
Na voorlegging van het bewijs van deze werkzaamheid worden de betrokken deskundigen voorlopig opgenomen in het nationaal register voor gerechtsdeskundigen met de vermelding van het voorlopig karakter van deze opname voor zover zij voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 555/8, 1°, 2° en 3° van het Gerechtelijk Wetboek. Zij zijn onderworpen aan de verplichtingen voorzien in artikel 555/9 van het Gerechtelijk Wetboek.
Uiterlijk op 30 november 2021 worden zij, nadat zij hiertoe een aanvraag hebben ingediend, opgenomen in het nationaal register voor gerechtsdeskundigen en voor beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken, voor zover zij bij hun opname voldoen aan de voorwaarden voorzien in artikel 555/8, 1° tot 4° van het Gerechtelijk Wetboek. In dat geval betalen de gerechtsdeskundigen uiterlijk op 30 november 2021 de bijdrage in de kosten, bedoeld in artikel 555/11 voor de opname in het register. Artikel 555/7 is op hen van toepassing.
De personen die nog niet actief waren als deskundige voor de gerechtelijke overheden op 1 december 2016, kunnen voorlopig worden opgenomen in het register, voor zover zij voldoen aan de voorwaarden bedoeld in artikel 555/8, 1°, 2° en 3° van het Gerechtelijk Wetboek en zij, voor wat betreft artikel 555/8, 4°, van het Gerechtelijk Wetboek enkel het bewijs leveren van de nodige beroepsbekwaamheid. Zij zijn onderworpen aan de verplichtingen voorzien in artikel 555/9 van het Gerechtelijk Wetboek. Hun voorlopige opname vervalt uiterlijk op 30 november 2021, tenzij zij worden opgenomen in het nationaal register overeenkomstig de bepalingen van het vorig lid.
De personen die vallen onder de toepassing van dit artikel leggen binnen de zes maanden na de inwerkingtreding van deze bepaling de eed af overeenkomstig artikel 555/14 van het Gerechtelijk Wetboek.".
Art. 66. L'article 28 de la loi du 10 avril 2014 modifiant diverses dispositions en vue d'établir un registre national des experts judiciaires et établissant un registre national des traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 28. Les experts qui travaillent pour les autorités judiciaires avant le 1er décembre 2016 sont tenus de satisfaire à ses dispositions au plus tard cinq ans après cette date.
Après la production de la preuve de cette activité, les experts concernés sont provisoirement inscrits au registre national des experts judiciaires avec la mention du caractère provisoire de cette inscription pour autant qu'ils satisfont aux conditions visées à l'article 555/8, 1°, 2 ° et 3°, du Code judiciaire. Ils sont soumis aux obligations prévues dans l'article 555/9 du Code Judiciaire.
Ils seront inscrits au registre national des experts judiciaires, des traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés au plus tard le 30 novembre 2021 après en avoir fait le demande pour autant qu'ils répondent lors de leur inscription aux conditions prévues à l'article 555/8, 1° à 4°, du Code judiciaire. Dans ce cas, les experts judiciaires paient, au plus tard le 30 novembre 2021, la contribution aux frais prévue à l'article 555/11 pour l'inscription au registre. L'article 555/7 leur est applicable.
Les personnes qui n'étaient pas encore actives en tant qu'expert pour les autorités judiciaires au 1er décembre 2016 peuvent être provisoirement inscrites au registre pour autant qu'elles satisfont aux conditions visées à l'article 555/8, 1 °, 2 ° et 3°, du Code judiciaire et qu'elles fournissent pour l'article 555/8, 4 °, du Code judiciaire, uniquement la preuve de l'aptitude professionnelle nécessaire. Elles sont soumises aux obligations prévues à l'article 555/9 du Code judiciaire. Leur inscription provisoire expire au plus tard le 30 novembre 2021, à moins qu'elles ne soient inscrites au registre national conformément aux dispositions de l'alinéa précédent.
Les personnes qui relèvent de l'application de cet article prêtent serment conformément à l'article 555/14 du Code judiciaire dans les six mois qui suivent l'entrée en vigueur de la présente disposition.".
"Art. 28. Les experts qui travaillent pour les autorités judiciaires avant le 1er décembre 2016 sont tenus de satisfaire à ses dispositions au plus tard cinq ans après cette date.
Après la production de la preuve de cette activité, les experts concernés sont provisoirement inscrits au registre national des experts judiciaires avec la mention du caractère provisoire de cette inscription pour autant qu'ils satisfont aux conditions visées à l'article 555/8, 1°, 2 ° et 3°, du Code judiciaire. Ils sont soumis aux obligations prévues dans l'article 555/9 du Code Judiciaire.
Ils seront inscrits au registre national des experts judiciaires, des traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés au plus tard le 30 novembre 2021 après en avoir fait le demande pour autant qu'ils répondent lors de leur inscription aux conditions prévues à l'article 555/8, 1° à 4°, du Code judiciaire. Dans ce cas, les experts judiciaires paient, au plus tard le 30 novembre 2021, la contribution aux frais prévue à l'article 555/11 pour l'inscription au registre. L'article 555/7 leur est applicable.
Les personnes qui n'étaient pas encore actives en tant qu'expert pour les autorités judiciaires au 1er décembre 2016 peuvent être provisoirement inscrites au registre pour autant qu'elles satisfont aux conditions visées à l'article 555/8, 1 °, 2 ° et 3°, du Code judiciaire et qu'elles fournissent pour l'article 555/8, 4 °, du Code judiciaire, uniquement la preuve de l'aptitude professionnelle nécessaire. Elles sont soumises aux obligations prévues à l'article 555/9 du Code judiciaire. Leur inscription provisoire expire au plus tard le 30 novembre 2021, à moins qu'elles ne soient inscrites au registre national conformément aux dispositions de l'alinéa précédent.
Les personnes qui relèvent de l'application de cet article prêtent serment conformément à l'article 555/14 du Code judiciaire dans les six mois qui suivent l'entrée en vigueur de la présente disposition.".
Art. 67. Artikel 29 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
"Art. 29. Vertalers, tolken en vertaler-tolken die werkzaam zijn voor de bevoegde overheden voor 1 december 2016 dienen uiterlijk vijf jaar na deze datum aan de bepalingen ervan te voldoen.
Na voorlegging van het bewijs van deze werkzaamheid worden zij voorlopig opgenomen in het nationaal register voor beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken met de vermelding van het voorlopig karakter van deze opname voor zover zij voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 555/8, 1°, 2° en 3° van het Gerechtelijk Wetboek. Zij zijn onderworpen aan de verplichtingen voorzien in artikel 555/9 van het Gerechtelijk Wetboek.
Uiterlijk op 30 november 2021 worden zij, nadat zij hiertoe een aanvraag hebben ingediend, opgenomen in het nationaal register voor gerechtsdeskundigen, voor beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken, voor zover zij bij hun opname voldoen aan de voorwaarden omschreven in artikel 555/8, 1° tot 4° van het Gerechtelijk Wetboek. In dat geval betalen de beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken uiterlijk op 30 november 2021 de bijdrage in de kosten, bedoeld in artikel 555/11 van het Gerechtelijk Wetboek. Artikel 555/7 van het Gerechtelijk Wetboek is op hen van toepassing.
De vertalers, tolken en vertalers-tolken die nog niet werkzaam zijn voor de overheden op 1 december 2016, kunnen voorlopig worden opgenomen in het register, voor zover zij voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 555/8, 1°, 2° en 3° van het Gerechtelijk Wetboek en zij, voor wat betreft artikel 555/8, 4°, van het Gerechtelijk Wetboek enkel het bewijs leveren van de nodige beroepsbekwaamheid. Zij zijn onderworpen aan de verplichtingen bedoeld in artikel 555/9 van het Gerechtelijk Wetboek. Hun voorlopige opname vervalt uiterlijk op 30 november 2021, tenzij zij worden opgenomen in het nationaal register overeenkomstig de bepalingen van het vorig lid.
De personen die vallen onder de toepassing van dit artikel leggen binnen de zes maanden na de inwerkingtreding van deze bepaling de eed af overeenkomstig artikel 555/14 van het Gerechtelijk Wetboek.".
"Art. 29. Vertalers, tolken en vertaler-tolken die werkzaam zijn voor de bevoegde overheden voor 1 december 2016 dienen uiterlijk vijf jaar na deze datum aan de bepalingen ervan te voldoen.
Na voorlegging van het bewijs van deze werkzaamheid worden zij voorlopig opgenomen in het nationaal register voor beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken met de vermelding van het voorlopig karakter van deze opname voor zover zij voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 555/8, 1°, 2° en 3° van het Gerechtelijk Wetboek. Zij zijn onderworpen aan de verplichtingen voorzien in artikel 555/9 van het Gerechtelijk Wetboek.
Uiterlijk op 30 november 2021 worden zij, nadat zij hiertoe een aanvraag hebben ingediend, opgenomen in het nationaal register voor gerechtsdeskundigen, voor beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken, voor zover zij bij hun opname voldoen aan de voorwaarden omschreven in artikel 555/8, 1° tot 4° van het Gerechtelijk Wetboek. In dat geval betalen de beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken uiterlijk op 30 november 2021 de bijdrage in de kosten, bedoeld in artikel 555/11 van het Gerechtelijk Wetboek. Artikel 555/7 van het Gerechtelijk Wetboek is op hen van toepassing.
De vertalers, tolken en vertalers-tolken die nog niet werkzaam zijn voor de overheden op 1 december 2016, kunnen voorlopig worden opgenomen in het register, voor zover zij voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 555/8, 1°, 2° en 3° van het Gerechtelijk Wetboek en zij, voor wat betreft artikel 555/8, 4°, van het Gerechtelijk Wetboek enkel het bewijs leveren van de nodige beroepsbekwaamheid. Zij zijn onderworpen aan de verplichtingen bedoeld in artikel 555/9 van het Gerechtelijk Wetboek. Hun voorlopige opname vervalt uiterlijk op 30 november 2021, tenzij zij worden opgenomen in het nationaal register overeenkomstig de bepalingen van het vorig lid.
De personen die vallen onder de toepassing van dit artikel leggen binnen de zes maanden na de inwerkingtreding van deze bepaling de eed af overeenkomstig artikel 555/14 van het Gerechtelijk Wetboek.".
Art. 67. L'article 29 de la même loi, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 29. Les traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes qui travaillaient pour les autorités compétentes avant le 1er décembre 2016 sont tenus de satisfaire à ses dispositions au plus tard cinq ans après son entrée en vigueur.
Après la production de la preuve de cette activité, les traducteurs, les interprètes et les traducteurs-interprètes jurés concernés sont provisoirement inscrits au registre national des traducteurs, des interprètes et des traducteurs-interprètes jurés avec la mention du caractère provisoire de cette inscription pour autant qu'ils satisfont aux conditions visées à l'article 555/8, 1 °, 2 ° et 3° du Code judiciaire. Ils sont soumis aux obligations prévues dans l'article 555/9 du Code Judiciaire.
Ils seront inscrits au registre national des experts judiciaires, traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés au plus tard le 30 novembre 2021 après en avoir fait le demande pour autant qu'ils répondent aux conditions prévues à l'article 555/8, 1° à 4° du Code Judiciaire. Dans ce cas, les traducteurs, les interprètes et les traducteurs-interprètes jurés paient la contribution aux frais prévue à l'article 555/11 du Code Judiciaire pour l'inscription au registre. L'article 555/7 du Code Judiciaire leur est applicable.
Les traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes qui ne travaillent pas encore pour les autorités au 1er décembre 2016 peuvent être provisoirement inscrits au registre visé à l'article 555/8 pour autant qu'ils satisfont aux conditions visées à l'article 555/8, 1°, 2 ° et 3° du Code judiciaire et qu'ils fournissent pour l'article 555/8, 4 °, du Code judiciaire, uniquement la preuve de l'aptitude professionnelle nécessaire. Elles sont soumises aux obligations prévues à l'article 555/9 du Code judiciaire. Leur inscription provisoire expire au plus tard le 30 novembre 2021, à moins qu'ils ne soient inscrits au registre national conformément aux dispositions de l'alinéa précédent.
Les personnes qui relèvent de l'application cet article prêtent serment conformément à l'article 555/14 du Code judiciaire dans les six mois qui suivent l'entrée en vigueur de la présente disposition.".
"Art. 29. Les traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes qui travaillaient pour les autorités compétentes avant le 1er décembre 2016 sont tenus de satisfaire à ses dispositions au plus tard cinq ans après son entrée en vigueur.
Après la production de la preuve de cette activité, les traducteurs, les interprètes et les traducteurs-interprètes jurés concernés sont provisoirement inscrits au registre national des traducteurs, des interprètes et des traducteurs-interprètes jurés avec la mention du caractère provisoire de cette inscription pour autant qu'ils satisfont aux conditions visées à l'article 555/8, 1 °, 2 ° et 3° du Code judiciaire. Ils sont soumis aux obligations prévues dans l'article 555/9 du Code Judiciaire.
Ils seront inscrits au registre national des experts judiciaires, traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés au plus tard le 30 novembre 2021 après en avoir fait le demande pour autant qu'ils répondent aux conditions prévues à l'article 555/8, 1° à 4° du Code Judiciaire. Dans ce cas, les traducteurs, les interprètes et les traducteurs-interprètes jurés paient la contribution aux frais prévue à l'article 555/11 du Code Judiciaire pour l'inscription au registre. L'article 555/7 du Code Judiciaire leur est applicable.
Les traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes qui ne travaillent pas encore pour les autorités au 1er décembre 2016 peuvent être provisoirement inscrits au registre visé à l'article 555/8 pour autant qu'ils satisfont aux conditions visées à l'article 555/8, 1°, 2 ° et 3° du Code judiciaire et qu'ils fournissent pour l'article 555/8, 4 °, du Code judiciaire, uniquement la preuve de l'aptitude professionnelle nécessaire. Elles sont soumises aux obligations prévues à l'article 555/9 du Code judiciaire. Leur inscription provisoire expire au plus tard le 30 novembre 2021, à moins qu'ils ne soient inscrits au registre national conformément aux dispositions de l'alinéa précédent.
Les personnes qui relèvent de l'application cet article prêtent serment conformément à l'article 555/14 du Code judiciaire dans les six mois qui suivent l'entrée en vigueur de la présente disposition.".
HOOFDSTUK 3. - Wijziging van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering
CHAPITRE 3. - Modification de la loi du 5 mai 2014 relative à l'internement
Art. 68. In artikel 5, § 2, van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering, vervangen door de wet van 4 mei 2016 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden "nationaal register van gerechtsdeskundigen overeenkomstig artikel 991quater van het Gerechtelijk Wetboek" vervangen door de woorden "nationaal register voor gerechtsdeskundigen en beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken";
2° in het tweede lid worden de woorden "artikel 991decies" vervangen door de woorden "artikel 555/15".
1° in het eerste lid worden de woorden "nationaal register van gerechtsdeskundigen overeenkomstig artikel 991quater van het Gerechtelijk Wetboek" vervangen door de woorden "nationaal register voor gerechtsdeskundigen en beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken";
2° in het tweede lid worden de woorden "artikel 991decies" vervangen door de woorden "artikel 555/15".
Art. 68. A l'article 5, § 2, de la loi du 5 mai 2014 relative à l'internement, remplacé par la loi du 4 mai 2016, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 1er, les mots "registre national des experts judiciaires, conformément à l'article 991quater du Code judiciaire" sont remplacés par les mots "registre national des experts judiciaires et des traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes";
2° dans l'alinéa 2, les mots "article 991decies" sont remplacés par les mots "article 555/15".
1° dans l'alinéa 1er, les mots "registre national des experts judiciaires, conformément à l'article 991quater du Code judiciaire" sont remplacés par les mots "registre national des experts judiciaires et des traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes";
2° dans l'alinéa 2, les mots "article 991decies" sont remplacés par les mots "article 555/15".
HOOFDSTUK 4. - Opheffingsbepalingen
CHAPITRE 4. - Dispositions abrogatoires
Art. 69. Worden opgeheven :
- artikel 647 van het Wetboek van Strafvordering, laatst gewijzigd bij de wet van 19 april 2017;
- onderafdeling 6 van afdeling VI, van hoofdstuk VIII, van titel III, van boek II van het vierde deel van het Gerechtelijk Wetboek laatstelijk gewijzigd bij de wet van 19 april 2017;
- hoofdstuk 5 van de wet van 10 april 2014 tot wijziging van verschillende bepalingen met het oog op de oprichting van een nationaal register voor gerechtsdeskundigen en tot oprichting van een nationaal register voor beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken, gewijzigd bij de wet van 19 april 2017.
- artikel 647 van het Wetboek van Strafvordering, laatst gewijzigd bij de wet van 19 april 2017;
- onderafdeling 6 van afdeling VI, van hoofdstuk VIII, van titel III, van boek II van het vierde deel van het Gerechtelijk Wetboek laatstelijk gewijzigd bij de wet van 19 april 2017;
- hoofdstuk 5 van de wet van 10 april 2014 tot wijziging van verschillende bepalingen met het oog op de oprichting van een nationaal register voor gerechtsdeskundigen en tot oprichting van een nationaal register voor beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken, gewijzigd bij de wet van 19 april 2017.
Art. 69. Sont abrogés :
- l'article 647 du Code d'instruction criminelle, modifié en dernier lieu par la loi du 19 avril 2017;
- la sous-section 6 de la section VI, du chapitre VIII, du titre III, du livre II de la quatrième partie du Code Judiciaire, modifiée par la loi du 19 avril 2017;
- le chapitre 5 de la loi du 10 avril 2014 modifiant diverses dispositions en vue d'établir un registre national des experts judiciaires et établissant un registre national des traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés, modifié par la loi du 19 avril 2017.
- l'article 647 du Code d'instruction criminelle, modifié en dernier lieu par la loi du 19 avril 2017;
- la sous-section 6 de la section VI, du chapitre VIII, du titre III, du livre II de la quatrième partie du Code Judiciaire, modifiée par la loi du 19 avril 2017;
- le chapitre 5 de la loi du 10 avril 2014 modifiant diverses dispositions en vue d'établir un registre national des experts judiciaires et établissant un registre national des traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés, modifié par la loi du 19 avril 2017.
Titel 7. - Wijzigingen aan het Gerechtelijk Wetboek betreffende de authentieke bronnen
TITRE 7. - Modifications du Code judiciaire relatives aux sources authentiques
HOOFDSTUK 1. - Elektronische lijst van de leden van de rechterlijke orde
CHAPITRE 1er. - Liste électronique des membres de l'ordre judiciaire
Art. 70. In het tweede deel, boek II, titel II van het Gerechtelijk Wetboek wordt na het eerste hoofdstuk een hoofdstuk Ibis ingevoegd, luidende :
"Hoofdstuk Ibis. Elektronische lijst van de leden van de rechterlijke orde".
"Hoofdstuk Ibis. Elektronische lijst van de leden van de rechterlijke orde".
Art. 70. Dans la deuxième partie, livre II, titre II du Code judiciaire, il est inséré, après le chapitre Ier, un chapitre Ibis rédigé comme suit :
"Chapitre Ibis. Liste électronique des membres de l'ordre judiciaire".
"Chapitre Ibis. Liste électronique des membres de l'ordre judiciaire".
Art. 71. In hoofdstuk Ibis, ingevoegd bij artikel 70, wordt een artikel 315ter ingevoegd, luidende als volgt:
"Art. 315ter. § 1. De Federale Overheidsdienst Justitie stelt een elektronische lijst op van de personen die een gerechtelijk ambt uitoefenen zoals bedoeld in Deel II, boek II, eerste titel, en van de personen die werden benoemd tot gerechtelijk stagiair overeenkomstig artikel 259octies, § 1, vierde lid, hierna "de lijst" genoemd.
Behoudens tegenbewijs, wordt in geval van niet-overeenstemming de voorkeur gegeven aan de vermeldingen op die lijst boven elke andere vermelding.
§ 2. De Federale Overheidsdienst Justitie, hierna "de beheerder" genoemd, staat in voor inrichting en het beheer van de lijst. Zij staat in voor de controle op de werking en het gebruik van deze lijst en ziet erop toe dat deze voortdurend wordt bijgewerkt.
De Federale Overheidsdienst Justitie wordt met betrekking tot de lijst beschouwd als de verantwoordelijke voor de verwerking in de zin van artikel 4, 7) van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG.
§ 3. De Koning bepaalt, na advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit, de gegevens die in de lijst zijn opgenomen.
§ 4. De lijst en de daarin opgenomen gegevens zullen, onder toezicht van de beheerder en voor zover noodzakelijk voor het vervullen van hun respectievelijke wettelijke opdrachten, uitsluitend kunnen worden geraadpleegd door :
1° de Federale Overheidsdienst Justitie;
2° de personen opgenomen in de lijst bedoeld in paragraaf 1.
§ 5. De gegevens die in de lijst zijn opgenomen, worden bewaard gedurende dertig jaar te rekenen vanaf de dag waarop het gerechtelijk ambt zoals bedoeld in Deel II, boek II, eerste titel, of de gerechtelijke stage bedoeld in artikel 259octies eindigt.
§ 6. Hij die in welke hoedanigheid ook deelneemt aan de verzameling, de verwerking of de mededeling van de in de lijst opgenomen gegevens of kennis heeft van die gegevens, moet het vertrouwelijk karakter ervan in acht nemen. Artikel 458 van het Strafwetboek is op hem toepasselijk.
§ 7. Teneinde voor de toepassing van de eerste paragraaf de personen die een gerechtelijk ambt uitoefenen zoals bedoeld in deel II, boek II, eerste titel en de personen die werden benoemd tot gerechtelijk stagiair overeenkomstig artikel 259octies, § 1, vierde lid, te identificeren, is de beheerder gemachtigd om:
1° gebruik te maken van het rijksregisternummer van de personen die een gerechtelijk ambt uitoefenen zoals bedoeld in Deel II, boek II, eerste titel, en toegang te hebben tot de gegevens bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1°, 2°, 6°, en tweede lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een rijksregister van de natuurlijke personen;
2° toegang te hebben tot de volgende gegevens uit de registers bedoeld in artikel 4, § 2, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid :
a) naam en voornamen;
b) geboorteplaats en -datum;
c) datum van overlijden.
Het rijksregisternummer, de geboorteplaats en -datum en de datum van overlijden van de in het vorige lid bedoelde fysieke personen mogen niet worden meegedeeld aan het publiek.
"Art. 315ter. § 1. De Federale Overheidsdienst Justitie stelt een elektronische lijst op van de personen die een gerechtelijk ambt uitoefenen zoals bedoeld in Deel II, boek II, eerste titel, en van de personen die werden benoemd tot gerechtelijk stagiair overeenkomstig artikel 259octies, § 1, vierde lid, hierna "de lijst" genoemd.
Behoudens tegenbewijs, wordt in geval van niet-overeenstemming de voorkeur gegeven aan de vermeldingen op die lijst boven elke andere vermelding.
§ 2. De Federale Overheidsdienst Justitie, hierna "de beheerder" genoemd, staat in voor inrichting en het beheer van de lijst. Zij staat in voor de controle op de werking en het gebruik van deze lijst en ziet erop toe dat deze voortdurend wordt bijgewerkt.
De Federale Overheidsdienst Justitie wordt met betrekking tot de lijst beschouwd als de verantwoordelijke voor de verwerking in de zin van artikel 4, 7) van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG.
§ 3. De Koning bepaalt, na advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit, de gegevens die in de lijst zijn opgenomen.
§ 4. De lijst en de daarin opgenomen gegevens zullen, onder toezicht van de beheerder en voor zover noodzakelijk voor het vervullen van hun respectievelijke wettelijke opdrachten, uitsluitend kunnen worden geraadpleegd door :
1° de Federale Overheidsdienst Justitie;
2° de personen opgenomen in de lijst bedoeld in paragraaf 1.
§ 5. De gegevens die in de lijst zijn opgenomen, worden bewaard gedurende dertig jaar te rekenen vanaf de dag waarop het gerechtelijk ambt zoals bedoeld in Deel II, boek II, eerste titel, of de gerechtelijke stage bedoeld in artikel 259octies eindigt.
§ 6. Hij die in welke hoedanigheid ook deelneemt aan de verzameling, de verwerking of de mededeling van de in de lijst opgenomen gegevens of kennis heeft van die gegevens, moet het vertrouwelijk karakter ervan in acht nemen. Artikel 458 van het Strafwetboek is op hem toepasselijk.
§ 7. Teneinde voor de toepassing van de eerste paragraaf de personen die een gerechtelijk ambt uitoefenen zoals bedoeld in deel II, boek II, eerste titel en de personen die werden benoemd tot gerechtelijk stagiair overeenkomstig artikel 259octies, § 1, vierde lid, te identificeren, is de beheerder gemachtigd om:
1° gebruik te maken van het rijksregisternummer van de personen die een gerechtelijk ambt uitoefenen zoals bedoeld in Deel II, boek II, eerste titel, en toegang te hebben tot de gegevens bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1°, 2°, 6°, en tweede lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een rijksregister van de natuurlijke personen;
2° toegang te hebben tot de volgende gegevens uit de registers bedoeld in artikel 4, § 2, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid :
a) naam en voornamen;
b) geboorteplaats en -datum;
c) datum van overlijden.
Het rijksregisternummer, de geboorteplaats en -datum en de datum van overlijden van de in het vorige lid bedoelde fysieke personen mogen niet worden meegedeeld aan het publiek.
Art. 71. Dans le chapitre Ibis, inséré par l'article 70, il est inséré un article 315ter, rédigé comme suit:
"Art. 315ter. § 1er. Le Service Public Fédéral Justice établie une liste électronique des personnes qui exercent une fonction judiciaire visée à la deuxième partie, livre II, titre 1er, et des personnes qui ont été nommées stagiaires judiciaires conformément à l'article 259octies, § 1er, alinéa 4, ci-après dénommé "la liste".
Sauf preuve contraire, en cas de discordance, les mentions de cette liste l'emportent sur toute autre mention.
§ 2. Le Service Public Fédéral Justice, ci-après dénommé "le gestionnaire", met en place et gère le fonctionnement de la liste. Elle assure le contrôle du fonctionnement et l'utilisation de cette liste, et veille à la mise à jour permanente de celle-ci.
Le Service Public Fédéral Justice est considéré, pour ce qui concerne la liste, comme le responsable du traitement, au sens de l'article 4, 7) du Règlement (UE) 2016/679 du Parlement Européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE.
§ 3. Le Roi détermine, après avis de l'Autorité de protection des données, les données qui figurent dans la liste.
§ 4. La liste et les données qui y figurent pourront, sous le contrôle du gestionnaire et pour autant que nécessaire pour l'accomplissement de leurs mission légales respectives, être consultées exclusivement par:
1° le Service Public Fédéral Justice;
2° les personnes incluses dans la liste visée au paragraphe 1er.
§ 5. Les données reprises dans cette liste sont conservées pendant trente ans à compter du jour auquel la fonction judiciaire visée dans la deuxième partie, livre II, titre Ier, ou le stage judiciaire visé à l'article 259octies prend fin.
§ 6. Quiconque participe, à quelque titre que ce soit, à la collecte, au traitement ou à la communication des données reprises dans la liste ou a connaissance de telles données est tenu d'en respecter le caractère confidentiel. L'article 458 du Code pénal lui est applicable.
§ 7. Afin d'identifier pour l'application du premier paragraphe les personnes qui exercent une fonction judiciaire visée à la deuxième partie, livre II, titre 1er, et les personnes nommées stagiaires judiciaires conformément à l'article 259octies, § 1er, alinéa 4, le gestionnaire est autorisée à:
1° utiliser le numéro du Registre national des personnes qui exercent une fonction judiciaire visée à la deuxième partie, livre II, titre 1er, et à accéder aux informations visées à l'article 3, alinéa 1er, 1°, 2°, 6°, et alinéa 2, de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques;
2° à accéder aux informations suivantes des registres visés à l'article 4, § 2, de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale :
a) nom et prénoms;
b) lieu et date de naissance;
c) date de décès.
Le numéro du Registre national, le lieu et la date de naissance, et la date de décès des personnes physiques visées à l'alinéa précédent ne peuvent être communiqués au public.
"Art. 315ter. § 1er. Le Service Public Fédéral Justice établie une liste électronique des personnes qui exercent une fonction judiciaire visée à la deuxième partie, livre II, titre 1er, et des personnes qui ont été nommées stagiaires judiciaires conformément à l'article 259octies, § 1er, alinéa 4, ci-après dénommé "la liste".
Sauf preuve contraire, en cas de discordance, les mentions de cette liste l'emportent sur toute autre mention.
§ 2. Le Service Public Fédéral Justice, ci-après dénommé "le gestionnaire", met en place et gère le fonctionnement de la liste. Elle assure le contrôle du fonctionnement et l'utilisation de cette liste, et veille à la mise à jour permanente de celle-ci.
Le Service Public Fédéral Justice est considéré, pour ce qui concerne la liste, comme le responsable du traitement, au sens de l'article 4, 7) du Règlement (UE) 2016/679 du Parlement Européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE.
§ 3. Le Roi détermine, après avis de l'Autorité de protection des données, les données qui figurent dans la liste.
§ 4. La liste et les données qui y figurent pourront, sous le contrôle du gestionnaire et pour autant que nécessaire pour l'accomplissement de leurs mission légales respectives, être consultées exclusivement par:
1° le Service Public Fédéral Justice;
2° les personnes incluses dans la liste visée au paragraphe 1er.
§ 5. Les données reprises dans cette liste sont conservées pendant trente ans à compter du jour auquel la fonction judiciaire visée dans la deuxième partie, livre II, titre Ier, ou le stage judiciaire visé à l'article 259octies prend fin.
§ 6. Quiconque participe, à quelque titre que ce soit, à la collecte, au traitement ou à la communication des données reprises dans la liste ou a connaissance de telles données est tenu d'en respecter le caractère confidentiel. L'article 458 du Code pénal lui est applicable.
§ 7. Afin d'identifier pour l'application du premier paragraphe les personnes qui exercent une fonction judiciaire visée à la deuxième partie, livre II, titre 1er, et les personnes nommées stagiaires judiciaires conformément à l'article 259octies, § 1er, alinéa 4, le gestionnaire est autorisée à:
1° utiliser le numéro du Registre national des personnes qui exercent une fonction judiciaire visée à la deuxième partie, livre II, titre 1er, et à accéder aux informations visées à l'article 3, alinéa 1er, 1°, 2°, 6°, et alinéa 2, de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques;
2° à accéder aux informations suivantes des registres visés à l'article 4, § 2, de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale :
a) nom et prénoms;
b) lieu et date de naissance;
c) date de décès.
Le numéro du Registre national, le lieu et la date de naissance, et la date de décès des personnes physiques visées à l'alinéa précédent ne peuvent être communiqués au public.
HOOFDSTUK 2. - Elektronische lijsten van advocaten
CHAPITRE 2. - Listes électroniques des avocats
Art. 72. In het Gerechtelijk wetboek wordt een artikel 434/1 ingevoegd, luidende :
"Art. 434/1. § 1. De "Orde van Vlaamse balies" en de "Ordre des barreaux francophones et germanophone" maken de volgende gezamenlijke elektronische lijsten op :
1° een gezamenlijke elektronisch tableau van de advocaten ingeschreven op de in artikel 430, 1 bedoelde tableaus van de verschillende ordes van advocaten waaruit zij zijn samengesteld;
2° een gezamenlijke elektronische lijst van de advocaten ingeschreven op de in artikel 430, 1 bedoelde lijsten van advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van een andere lidstaat van de Europese Unie, bijgehouden door de verschillende ordes van advocaten waaruit zij zijn samengesteld;
3° een gezamenlijke elektronische lijst van de advocaten ingeschreven op de in artikel 430, 1 bedoelde lijsten van de stagiairs, bijgehouden door de verschillende ordes van advocaten waaruit zij zijn samengesteld.
Deze drie gezamenlijke elektronische lijsten worden hierna "de lijsten" genoemd.
Behoudens tegenbewijs, wordt in geval van niet-overeenstemming de voorkeur gegeven aan de vermeldingen op deze lijsten boven elke andere vermelding.
§ 2. De "Orde van Vlaamse balies" en de "Ordre des barreaux francophones et germanophone", hierna "de beheerder" genoemd, staan gezamenlijk in voor de inrichting en het beheer van de lijsten. Zij staan gezamenlijk in voor de controle op de werking en het gebruik van deze lijsten en zien er gezamenlijk op toe dat deze voortdurend worden bijgewerkt.
De "Orde van Vlaamse balies" en de "Ordre des barreaux francophones et germanophone" worden met betrekking tot de lijsten gezamenlijk beschouwd als de verantwoordelijke voor de verwerking in de zin van de artikelen 4, 7) en 26 van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG.
§ 3. De Koning bepaalt, na advies van de beheerder en de Gegevensbeschermingsautoriteit, de gegevens die in de lijst zijn opgenomen.
§ 4. De lijsten en de daarin opgenomen gegevens zijn publiek.
§ 5. De gegevens die in de lijst zijn opgenomen, worden bewaard gedurende dertig jaar te rekenen vanaf de dag waarop de advocaat of stagiair wordt geschrapt van het tableau of de lijst bedoeld in artikel 430, 1, al naargelang het geval.
§ 6. Teneinde voor de toepassing van de eerste paragraaf de personen die het beroep van advocaat uitoefenen, te identificeren, is de beheerder gemachtigd om :
1° gebruik te maken van het rijksregisternummer van de advocaten en de stagiairs, en toegang te hebben tot de gegevens bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1°, 2°, 6°, en tweede lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een rijksregister van de natuurlijke personen;
2° toegang te hebben tot de volgende gegevens uit de registers bedoeld in artikel 4, § 2, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid :
d) naam en voornamen;
e) geboorteplaats en -datum;
f) datum van overlijden.
Het rijksregisternummer, de geboorteplaats en -datum en de datum van overlijden van de in het vorige lid bedoelde fysieke personen mogen niet worden meegedeeld aan het publiek.
Hij die in welke hoedanigheid ook deelneemt aan de verzameling of de verwerking van de in het tweede lid bedoelde gegevens of kennis heeft van die gegevens, moet in voorkomend geval het vertrouwelijk karakter ervan in acht nemen. Artikel 458 van het Strafwetboek is op hem toepasselijk.".
"Art. 434/1. § 1. De "Orde van Vlaamse balies" en de "Ordre des barreaux francophones et germanophone" maken de volgende gezamenlijke elektronische lijsten op :
1° een gezamenlijke elektronisch tableau van de advocaten ingeschreven op de in artikel 430, 1 bedoelde tableaus van de verschillende ordes van advocaten waaruit zij zijn samengesteld;
2° een gezamenlijke elektronische lijst van de advocaten ingeschreven op de in artikel 430, 1 bedoelde lijsten van advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van een andere lidstaat van de Europese Unie, bijgehouden door de verschillende ordes van advocaten waaruit zij zijn samengesteld;
3° een gezamenlijke elektronische lijst van de advocaten ingeschreven op de in artikel 430, 1 bedoelde lijsten van de stagiairs, bijgehouden door de verschillende ordes van advocaten waaruit zij zijn samengesteld.
Deze drie gezamenlijke elektronische lijsten worden hierna "de lijsten" genoemd.
Behoudens tegenbewijs, wordt in geval van niet-overeenstemming de voorkeur gegeven aan de vermeldingen op deze lijsten boven elke andere vermelding.
§ 2. De "Orde van Vlaamse balies" en de "Ordre des barreaux francophones et germanophone", hierna "de beheerder" genoemd, staan gezamenlijk in voor de inrichting en het beheer van de lijsten. Zij staan gezamenlijk in voor de controle op de werking en het gebruik van deze lijsten en zien er gezamenlijk op toe dat deze voortdurend worden bijgewerkt.
De "Orde van Vlaamse balies" en de "Ordre des barreaux francophones et germanophone" worden met betrekking tot de lijsten gezamenlijk beschouwd als de verantwoordelijke voor de verwerking in de zin van de artikelen 4, 7) en 26 van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG.
§ 3. De Koning bepaalt, na advies van de beheerder en de Gegevensbeschermingsautoriteit, de gegevens die in de lijst zijn opgenomen.
§ 4. De lijsten en de daarin opgenomen gegevens zijn publiek.
§ 5. De gegevens die in de lijst zijn opgenomen, worden bewaard gedurende dertig jaar te rekenen vanaf de dag waarop de advocaat of stagiair wordt geschrapt van het tableau of de lijst bedoeld in artikel 430, 1, al naargelang het geval.
§ 6. Teneinde voor de toepassing van de eerste paragraaf de personen die het beroep van advocaat uitoefenen, te identificeren, is de beheerder gemachtigd om :
1° gebruik te maken van het rijksregisternummer van de advocaten en de stagiairs, en toegang te hebben tot de gegevens bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1°, 2°, 6°, en tweede lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een rijksregister van de natuurlijke personen;
2° toegang te hebben tot de volgende gegevens uit de registers bedoeld in artikel 4, § 2, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid :
d) naam en voornamen;
e) geboorteplaats en -datum;
f) datum van overlijden.
Het rijksregisternummer, de geboorteplaats en -datum en de datum van overlijden van de in het vorige lid bedoelde fysieke personen mogen niet worden meegedeeld aan het publiek.
Hij die in welke hoedanigheid ook deelneemt aan de verzameling of de verwerking van de in het tweede lid bedoelde gegevens of kennis heeft van die gegevens, moet in voorkomend geval het vertrouwelijk karakter ervan in acht nemen. Artikel 458 van het Strafwetboek is op hem toepasselijk.".
Art. 72. Dans le Code judiciaire, il est inséré un article 434/1, rédigé comme suit :
"Art. 434/1. § 1er. L'"Orde van Vlaamse balies" et l'"Ordre des barreaux francophones et germanophone" établissent les listes électroniques communes suivantes :
1° un tableau électronique commun des avocats inscrits aux tableaux, visés dans l'article 430, 1, des différents ordres des avocats qui les composent;
2° une liste électronique commune des avocats inscrits aux listes visées dans l'article 430, 1 des avocats qui exercent leur profession sous le titre professionnel d'un autre état membre de l'Union européenne, tenues par les différents ordres des avocats qui les composent;
3° une liste électronique commune des avocats inscrits aux listes de stagiaires, visées dans l'article 430, 1, tenues par les différents ordres des avocats qui les composent.
Ces trois listes électroniques communes sont dénommées ci-après "les listes".
Sauf preuve contraire, en cas de discordance, les mentions de ces listes l'emportent sur toute autre mention.
§ 2. L'"Orde van Vlaamse balies" et l'"Ordre des barreaux francophones et germanophone", ci-après dénommé "le gestionnaire", mettent en place et gèrent conjointement le fonctionnement des listes. Ils assurent conjointement le contrôle du fonctionnement et l'utilisation de ces listes, et veillent conjointement à la mise à jour permanente de celles-ci.
L'"Orde van Vlaamse balies" et l'"Ordre des barreaux francophones et germanophone" sont considérés conjointement, pour ce qui concerne les listes, comme le responsable du traitement, au sens des articles 4, 7) et 26 du Règlement (UE) 2016/679 du Parlement Européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE.
§ 3. Le Roi détermine, après avis du gestionnaire et de l'Autorité de protection des données, les données qui figurent dans la liste.
§ 4. Les listes et les données qui y figurent sont publiques.
§ 5. Les données reprises dans ces listes sont conservées pendant trente ans à compter du jour de la radiation de l'avocat ou du stagiaire du tableau ou de la liste visés dans l'article 430, 1, selon le cas.
§ 6. Afin d'identifier pour l'application du premier paragraphe les personnes qui exercent la profession d'avocat, le gestionnaire est autorisé à :
1° utiliser le numéro du Registre national des avocats et des stagiaires, et à accéder aux informations visées à l'article 3, alinéa 1er, 1°, 2°, 6°, et alinéa 2, de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques;
2° à accéder aux informations suivantes des registres visés à l'article 4, § 2, de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale :
d) nom et prénoms;
e) lieu et date de naissance;
f) date de décès.
Le numéro du Registre national, le lieu et la date de naissance, et la date de décès des personnes physiques visées à l'alinéa précédent ne peuvent être communiqués au public.
Quiconque participe, à quelque titre que ce soit, à la collecte ou au traitement des données visées à l'alinéa 2, ou a connaissance de telles données est, le cas échéant, tenu d'en respecter le caractère confidentiel. L'article 458 du Code pénal lui est applicable.".
"Art. 434/1. § 1er. L'"Orde van Vlaamse balies" et l'"Ordre des barreaux francophones et germanophone" établissent les listes électroniques communes suivantes :
1° un tableau électronique commun des avocats inscrits aux tableaux, visés dans l'article 430, 1, des différents ordres des avocats qui les composent;
2° une liste électronique commune des avocats inscrits aux listes visées dans l'article 430, 1 des avocats qui exercent leur profession sous le titre professionnel d'un autre état membre de l'Union européenne, tenues par les différents ordres des avocats qui les composent;
3° une liste électronique commune des avocats inscrits aux listes de stagiaires, visées dans l'article 430, 1, tenues par les différents ordres des avocats qui les composent.
Ces trois listes électroniques communes sont dénommées ci-après "les listes".
Sauf preuve contraire, en cas de discordance, les mentions de ces listes l'emportent sur toute autre mention.
§ 2. L'"Orde van Vlaamse balies" et l'"Ordre des barreaux francophones et germanophone", ci-après dénommé "le gestionnaire", mettent en place et gèrent conjointement le fonctionnement des listes. Ils assurent conjointement le contrôle du fonctionnement et l'utilisation de ces listes, et veillent conjointement à la mise à jour permanente de celles-ci.
L'"Orde van Vlaamse balies" et l'"Ordre des barreaux francophones et germanophone" sont considérés conjointement, pour ce qui concerne les listes, comme le responsable du traitement, au sens des articles 4, 7) et 26 du Règlement (UE) 2016/679 du Parlement Européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE.
§ 3. Le Roi détermine, après avis du gestionnaire et de l'Autorité de protection des données, les données qui figurent dans la liste.
§ 4. Les listes et les données qui y figurent sont publiques.
§ 5. Les données reprises dans ces listes sont conservées pendant trente ans à compter du jour de la radiation de l'avocat ou du stagiaire du tableau ou de la liste visés dans l'article 430, 1, selon le cas.
§ 6. Afin d'identifier pour l'application du premier paragraphe les personnes qui exercent la profession d'avocat, le gestionnaire est autorisé à :
1° utiliser le numéro du Registre national des avocats et des stagiaires, et à accéder aux informations visées à l'article 3, alinéa 1er, 1°, 2°, 6°, et alinéa 2, de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques;
2° à accéder aux informations suivantes des registres visés à l'article 4, § 2, de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale :
d) nom et prénoms;
e) lieu et date de naissance;
f) date de décès.
Le numéro du Registre national, le lieu et la date de naissance, et la date de décès des personnes physiques visées à l'alinéa précédent ne peuvent être communiqués au public.
Quiconque participe, à quelque titre que ce soit, à la collecte ou au traitement des données visées à l'alinéa 2, ou a connaissance de telles données est, le cas échéant, tenu d'en respecter le caractère confidentiel. L'article 458 du Code pénal lui est applicable.".
HOOFDSTUK 3. - Elektronische lijsten van gerechtsdeurwaarders
CHAPITRE 3. - Listes électroniques des huissiers de justice
Art. 73. In artikel 555/1 van het Gerechtelijk Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 7 januari 2014, 8 mei 2014, 4 mei 2016 en 18 juni 2018 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1, eerste lid wordt de bepaling onder 15° vervangen als volgt :
"15° een elektronische lijst op te stellen van de gerechtsdeurwaarders en kandidaat-gerechtsdeurwaarders;";
2° In het eerste lid wordt de bepaling onder 22° vervangen als volgt :
"22° een elektronische lijst op te stellen van alle gerechtsdeurwaarders-titularis en plaatsvervangende gerechtsdeurwaarders;";
3° paragraaf 1, tweede lid wordt opgeheven.
1° in paragraaf 1, eerste lid wordt de bepaling onder 15° vervangen als volgt :
"15° een elektronische lijst op te stellen van de gerechtsdeurwaarders en kandidaat-gerechtsdeurwaarders;";
2° In het eerste lid wordt de bepaling onder 22° vervangen als volgt :
"22° een elektronische lijst op te stellen van alle gerechtsdeurwaarders-titularis en plaatsvervangende gerechtsdeurwaarders;";
3° paragraaf 1, tweede lid wordt opgeheven.
Art. 73. A l'article 555/1 du Code judiciaire, modifié par les lois du 7 janvier 2014, du 8 mai 2014, du 4 mai 2016 et du 18 juin 2018, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, le 15° est remplacé par ce qui suit :
"15° d'établir une liste électronique des huissiers de justice et des candidats-huissiers de justice;";
2° dans l'alinéa 1er, le 22° est remplacé par ce qui suit :
"22° d'établir une liste électronique des huissiers de justice titulaires et suppléants;";
3° le paragraphe 1er, alinéa 2 est abrogé.
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, le 15° est remplacé par ce qui suit :
"15° d'établir une liste électronique des huissiers de justice et des candidats-huissiers de justice;";
2° dans l'alinéa 1er, le 22° est remplacé par ce qui suit :
"22° d'établir une liste électronique des huissiers de justice titulaires et suppléants;";
3° le paragraphe 1er, alinéa 2 est abrogé.
Art. 74. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 555/1bis ingevoegd, luidende :
"Art. 555/1bis. § 1. Behoudens tegenbewijs, wordt in geval van niet-overeenstemming de voorkeur gegeven aan de vermeldingen op de in artikel 555/1, eerste lid, 15°, en, in ondergeschikte orde, 22°, bedoelde lijsten, hierna "de lijsten" genoemd, boven elke andere vermelding.
§ 2. De Nationale Kamer, hierna "de beheerder" genoemd, staat in voor inrichting en het beheer van de lijsten. Zij staat in voor de controle op de werking en het gebruik van deze lijsten en ziet erop toe dat deze voortdurend worden bijgewerkt.
De Nationale Kamer wordt met betrekking tot de lijsten beschouwd als de verantwoordelijke voor de verwerking in de zin van artikel 4, 7) van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG.
§ 3. De Koning bepaalt, na advies van de beheerder en van de Gegevensbeschermingsautoriteit, de gegevens die in de lijsten zijn opgenomen.
§ 4. De lijsten en de daarin opgenomen gegevens zijn publiek.
§ 5. De gegevens die in de lijsten zijn opgenomen, worden bewaard gedurende dertig jaar te rekenen vanaf de dag waarop hun ambt bedoeld in het tweede deel, boek V, hoofdstuk I, een einde neemt.
§ 6. Teneinde voor de toepassing van artikel 555/1, eerste lid, 15° en 22° de gerechtsdeurwaarders, de kandidaat-gerechtsdeurwaarders, de gerechtsdeurwaarders-titularis en de plaatsvervangende gerechtsdeurwaarders te identificeren, is de beheerder gemachtigd om :
1° gebruik te maken van het rijksregisternummer van de gerechtsdeurwaarders, de kandidaat-gerechtsdeurwaarders, de gerechtsdeurwaarders-titularis en de plaatsvervangende gerechtsdeurwaarders, en toegang te hebben tot de gegevens bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1°, 2°, 6°, en tweede lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een rijksregister van de natuurlijke personen;
2° toegang te hebben tot de volgende gegevens uit de registers bedoeld in artikel 4, § 2, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid :
g) naam en voornamen;
h) geboorteplaats en -datum;
i) datum van overlijden.
Het rijksregisternummer, de geboorteplaats en -datum en de datum van overlijden van de in het vorige lid bedoelde fysieke personen mogen niet worden meegedeeld aan het publiek.
Hij die in welke hoedanigheid ook deelneemt aan de verzameling of de verwerking van de in het tweede lid bedoelde gegevens of kennis heeft van die gegevens, moet in voorkomend geval het vertrouwelijk karakter ervan in acht nemen. Artikel 458 van het Strafwetboek is op hem toepasselijk.".
"Art. 555/1bis. § 1. Behoudens tegenbewijs, wordt in geval van niet-overeenstemming de voorkeur gegeven aan de vermeldingen op de in artikel 555/1, eerste lid, 15°, en, in ondergeschikte orde, 22°, bedoelde lijsten, hierna "de lijsten" genoemd, boven elke andere vermelding.
§ 2. De Nationale Kamer, hierna "de beheerder" genoemd, staat in voor inrichting en het beheer van de lijsten. Zij staat in voor de controle op de werking en het gebruik van deze lijsten en ziet erop toe dat deze voortdurend worden bijgewerkt.
De Nationale Kamer wordt met betrekking tot de lijsten beschouwd als de verantwoordelijke voor de verwerking in de zin van artikel 4, 7) van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG.
§ 3. De Koning bepaalt, na advies van de beheerder en van de Gegevensbeschermingsautoriteit, de gegevens die in de lijsten zijn opgenomen.
§ 4. De lijsten en de daarin opgenomen gegevens zijn publiek.
§ 5. De gegevens die in de lijsten zijn opgenomen, worden bewaard gedurende dertig jaar te rekenen vanaf de dag waarop hun ambt bedoeld in het tweede deel, boek V, hoofdstuk I, een einde neemt.
§ 6. Teneinde voor de toepassing van artikel 555/1, eerste lid, 15° en 22° de gerechtsdeurwaarders, de kandidaat-gerechtsdeurwaarders, de gerechtsdeurwaarders-titularis en de plaatsvervangende gerechtsdeurwaarders te identificeren, is de beheerder gemachtigd om :
1° gebruik te maken van het rijksregisternummer van de gerechtsdeurwaarders, de kandidaat-gerechtsdeurwaarders, de gerechtsdeurwaarders-titularis en de plaatsvervangende gerechtsdeurwaarders, en toegang te hebben tot de gegevens bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1°, 2°, 6°, en tweede lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een rijksregister van de natuurlijke personen;
2° toegang te hebben tot de volgende gegevens uit de registers bedoeld in artikel 4, § 2, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid :
g) naam en voornamen;
h) geboorteplaats en -datum;
i) datum van overlijden.
Het rijksregisternummer, de geboorteplaats en -datum en de datum van overlijden van de in het vorige lid bedoelde fysieke personen mogen niet worden meegedeeld aan het publiek.
Hij die in welke hoedanigheid ook deelneemt aan de verzameling of de verwerking van de in het tweede lid bedoelde gegevens of kennis heeft van die gegevens, moet in voorkomend geval het vertrouwelijk karakter ervan in acht nemen. Artikel 458 van het Strafwetboek is op hem toepasselijk.".
Art. 74. Dans le même Code, il est inséré un article 555/1bis, rédigé comme suit :
"Art. 555/1bis. § 1er. Sauf preuve contraire, en cas de discordance, les mentions des listes visées à l'article 555/1, alinéa 1er, 15° et, en ordre subordonné, 22°, ci-après dénommées "les listes", l'emportent sur toute autre mention.
§ 2. La Chambre nationale, ci-après dénommé "le gestionnaire", met en place et gère le fonctionnement des listes. Elle assure le contrôle du fonctionnement et l'utilisation de ces listes, et veille à la mise à jour permanente de celles-ci.
La Chambre nationale est considérée, pour ce qui concerne les listes, comme le responsable du traitement, au sens de l'article 4, 7) du Règlement (UE) 2016/679 du Parlement Européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE.
§ 3. Le Roi détermine, après avis du gestionnaire et de l'Autorité de protection des données, les données qui figurent dans les listes.
§ 4. Les listes et les données qui y figurent sont publiques.
§ 5. Les données reprises dans ces listes sont conservées pendant trente ans à compter du jour auquel la fonction visée dans la deuxième partie, livre V, Chapitre Ier, prend fin.
§ 6. Afin d'identifier, pour l'application de l'article 555/1, alinéa 1er, 15° et 22°, les huissiers de justice, les candidats-huissiers de justice et les huissiers de justice titulaires et suppléants, le gestionnaire est autorisé à :
1° utiliser le numéro du Registre national des huissiers de justice, des candidats-huissiers de justice et des huissiers de justice titulaires et suppléants, et à accéder aux informations visées à l'article 3, alinéa 1er, 1°, 2°, 6°, et alinéa 2, de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques;
2° à accéder aux informations suivantes des registres visés à l'article 4, § 2, de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale :
g) nom et prénoms;
h) lieu et date de naissance;
i) date de décès.
Le numéro du Registre national, le lieu et la date de naissance, et la date de décès des personnes physiques visées à l'alinéa précédent ne peuvent être communiqués au public.
Quiconque participe, à quelque titre que ce soit, à la collecte ou au traitement des données visées à l'alinéa 2, ou a connaissance de telles données est, le cas échéant, tenu d'en respecter le caractère confidentiel. L'article 458 du Code pénal lui est applicable.".
"Art. 555/1bis. § 1er. Sauf preuve contraire, en cas de discordance, les mentions des listes visées à l'article 555/1, alinéa 1er, 15° et, en ordre subordonné, 22°, ci-après dénommées "les listes", l'emportent sur toute autre mention.
§ 2. La Chambre nationale, ci-après dénommé "le gestionnaire", met en place et gère le fonctionnement des listes. Elle assure le contrôle du fonctionnement et l'utilisation de ces listes, et veille à la mise à jour permanente de celles-ci.
La Chambre nationale est considérée, pour ce qui concerne les listes, comme le responsable du traitement, au sens de l'article 4, 7) du Règlement (UE) 2016/679 du Parlement Européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE.
§ 3. Le Roi détermine, après avis du gestionnaire et de l'Autorité de protection des données, les données qui figurent dans les listes.
§ 4. Les listes et les données qui y figurent sont publiques.
§ 5. Les données reprises dans ces listes sont conservées pendant trente ans à compter du jour auquel la fonction visée dans la deuxième partie, livre V, Chapitre Ier, prend fin.
§ 6. Afin d'identifier, pour l'application de l'article 555/1, alinéa 1er, 15° et 22°, les huissiers de justice, les candidats-huissiers de justice et les huissiers de justice titulaires et suppléants, le gestionnaire est autorisé à :
1° utiliser le numéro du Registre national des huissiers de justice, des candidats-huissiers de justice et des huissiers de justice titulaires et suppléants, et à accéder aux informations visées à l'article 3, alinéa 1er, 1°, 2°, 6°, et alinéa 2, de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques;
2° à accéder aux informations suivantes des registres visés à l'article 4, § 2, de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale :
g) nom et prénoms;
h) lieu et date de naissance;
i) date de décès.
Le numéro du Registre national, le lieu et la date de naissance, et la date de décès des personnes physiques visées à l'alinéa précédent ne peuvent être communiqués au public.
Quiconque participe, à quelque titre que ce soit, à la collecte ou au traitement des données visées à l'alinéa 2, ou a connaissance de telles données est, le cas échéant, tenu d'en respecter le caractère confidentiel. L'article 458 du Code pénal lui est applicable.".
Art. 75. In artikel 32quater/2 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 4 mei 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1, eerste lid, wordt de zin "Het register bevat eveneens elke andere door de Koning, na advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit, aangeduide authentieke akte die opgemaakt wordt door een gerechtsdeurwaarder." ingevoegd tussen de zin die aanvangt met de woorden "Hierin worden de door de Koning aangeduide gegevens" en de zin die aanvangt met de woorden "Dit register geldt als";
2° in paragraaf 3, worden de woorden "voor zover de raadpleging betrekking heeft op de betekeningen die door hun tussenkomst werden verricht" vervangen door de woorden "voor de vervulling van hun wettelijke opdrachten".
1° in § 1, eerste lid, wordt de zin "Het register bevat eveneens elke andere door de Koning, na advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit, aangeduide authentieke akte die opgemaakt wordt door een gerechtsdeurwaarder." ingevoegd tussen de zin die aanvangt met de woorden "Hierin worden de door de Koning aangeduide gegevens" en de zin die aanvangt met de woorden "Dit register geldt als";
2° in paragraaf 3, worden de woorden "voor zover de raadpleging betrekking heeft op de betekeningen die door hun tussenkomst werden verricht" vervangen door de woorden "voor de vervulling van hun wettelijke opdrachten".
Art. 75. A l'article 32quater/2, du même Code, modifié par la loi du 4 mai 2016, les modifications suivantes sont apportées :
1° au § 1er, alinéa 1er, la phrase "Egalement, le registre contient tout autre acte authentique dressé par un huissier de justice que le Roi désigne après avis de l'Autorité de protection des données." est insérée entre la phrase commençant par les mots "Dans cette base de données sont collectés" et la phrase commençant par les mots "Ce registre constitue une source authentique pour tous les actes qui y sont enregistrés";
2° au paragraphe 3, les mots "pour autant que la consultation ait trait à des significations effectuées par leur ministère" sont remplacés par les mots "pour l'accomplissement de leurs missions légales".
1° au § 1er, alinéa 1er, la phrase "Egalement, le registre contient tout autre acte authentique dressé par un huissier de justice que le Roi désigne après avis de l'Autorité de protection des données." est insérée entre la phrase commençant par les mots "Dans cette base de données sont collectés" et la phrase commençant par les mots "Ce registre constitue une source authentique pour tous les actes qui y sont enregistrés";
2° au paragraphe 3, les mots "pour autant que la consultation ait trait à des significations effectuées par leur ministère" sont remplacés par les mots "pour l'accomplissement de leurs missions légales".
HOOFDSTUK 4. - Inwerkingtreding
CHAPITRE 4. - Entrée en vigueur
Art. 76. Hoofdstuk 1 van deze titel treedt in werking op de door de Koning te bepalen datum, en uiterlijk op 1 januari 2020.
Art. 76. Le chapitre 1er du présent titre entre en vigueur à la date fixée par le Roi, et au plus tard le 1er janvier 2020.
Art. 77. Hoofdstuk 2 van deze titel treedt in werking op de door de Koning te bepalen datum, en uiterlijk op 1 januari 2020.
Art. 77. Le chapitre 2 du présent titre entre en vigueur à la date fixée par le Roi, et au plus tard le 1er janvier 2020.
Art. 78. Hoofdstuk 3 van deze titel treedt in werking op de door de Koning te bepalen datum, en uiterlijk op 1 januari 2020.
Art. 78. Le chapitre 3 du présent titre entre en vigueur à la date fixée par le Roi, et au plus tard le 1er janvier 2020.
TITEL 8. - Wijziging van het Gerechtelijk Wetboek betreffende het zittingsblad
TITRE 8. - Modification du Code judiciaire concernant la feuille d'audience
Art. 79. Artikel 782, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, vervangen bij de wet van 26 april 2007, wordt aangevuld door wat volgt :
"In dat geval wordt het vonnis binnen de drie dagen ondertekend door de rechters die het hebben gewezen en door de griffier.".
"In dat geval wordt het vonnis binnen de drie dagen ondertekend door de rechters die het hebben gewezen en door de griffier.".
Art. 79. L'article 782, alinéa 2 du Code judiciaire, remplacé par la loi du 26 avril 2007, est complété par ce qui suit :
"Dans ce cas, le jugement est signé dans les trois jours par les juges qui l'ont rendu et par le greffier.".
"Dans ce cas, le jugement est signé dans les trois jours par les juges qui l'ont rendu et par le greffier.".
Art. 80. Artikel 783 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 25 april 2014, wordt vervangen als volgt :
"Art. 783. § 1. Het zittingsblad bevat de volgende vermeldingen :
1° de dag en het uur waarop de zitting geopend en gesloten is;
2° de verrichte proceshandelingen;
3° elke behandelde zaak, met opgave van het nummer van inschrijving op de algemene rol en van de namen van de partijen en van hun advocaten;
4° de lijst van bijlages bij het zittingsblad.
§ 2. De minuut van het tijdens de zitting gewezen vonnis wordt als bijlage bij het zittingsblad gevoegd.
In afwijking van het eerste lid kan, indien het vonnis in gedematerialiseerde vorm is opgemaakt, in voorkomend geval het door de griffier eensluidend verklaard afschrift van dit vonnis als bijlage bij het zittingsblad worden gevoegd.
§ 3. De bij de wet voorgeschreven meldingen op de kant van de minuut van het in gedematerialiseerde vorm opgemaakte en bewaarde vonnis worden opgemaakt door de griffier, die ze ondertekent met een gekwalificeerde elektronische handtekening, bedoeld in artikel 3, 12°, van verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van richtlijn 1999/93/EG. Zij worden verbonden met de vonnissen waarop ze betrekking hebben overeenkomstig de door de Koning bepaalde nadere regels.
§ 4. De rechter die de zitting heeft voorgezeten, ziet het zittingsblad na en ondertekent het samen met de griffier.".
"Art. 783. § 1. Het zittingsblad bevat de volgende vermeldingen :
1° de dag en het uur waarop de zitting geopend en gesloten is;
2° de verrichte proceshandelingen;
3° elke behandelde zaak, met opgave van het nummer van inschrijving op de algemene rol en van de namen van de partijen en van hun advocaten;
4° de lijst van bijlages bij het zittingsblad.
§ 2. De minuut van het tijdens de zitting gewezen vonnis wordt als bijlage bij het zittingsblad gevoegd.
In afwijking van het eerste lid kan, indien het vonnis in gedematerialiseerde vorm is opgemaakt, in voorkomend geval het door de griffier eensluidend verklaard afschrift van dit vonnis als bijlage bij het zittingsblad worden gevoegd.
§ 3. De bij de wet voorgeschreven meldingen op de kant van de minuut van het in gedematerialiseerde vorm opgemaakte en bewaarde vonnis worden opgemaakt door de griffier, die ze ondertekent met een gekwalificeerde elektronische handtekening, bedoeld in artikel 3, 12°, van verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van richtlijn 1999/93/EG. Zij worden verbonden met de vonnissen waarop ze betrekking hebben overeenkomstig de door de Koning bepaalde nadere regels.
§ 4. De rechter die de zitting heeft voorgezeten, ziet het zittingsblad na en ondertekent het samen met de griffier.".
Art. 80. L'article 783 du même Code, remplacé par la loi du 25 avril 2014, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 783. § 1er. La feuille d'audience contient les mentions suivantes :
1° la date et l'heure d'ouverture et de clôture de l'audience;
2° les actes de procédure accomplis;
3° chaque affaire traitée, avec l'indication de son numéro d'inscription au rôle général et des noms des parties et de leurs avocats;
4° la liste des annexes à la feuille d'audience.
§ 2. La minute du jugement rendu lors de l'audience est annexée à la feuille d'audience.
Par dérogation à l'alinéa 1er, si le jugement est établi sous forme dématérialisée, la copie, certifiée conforme par le greffier, de ce jugement peut, le cas échéant, être annexée à la feuille d'audience.
§ 3. Les mentions, prescrites par la loi, en marge de la minute du jugement établi et conservé sous forme dématérialisée sont établies par le greffier, qui les signe en apposant une signature électronique qualifiée, visée à l'article 3, 12°, du règlement (UE) n° 910/2014 du Parlement européen et du Conseil du 23 juillet 2014 sur l'identification électronique et les services de confiance pour les transactions électroniques au sein du marché intérieur et abrogeant la directive 1999/93/CE. Elles sont associées aux jugements auxquels elles se rapportent, selon les modalités fixées par le Roi.
§ 4. Le juge qui a présidé l'audience, vérifie la feuille d'audience et la signe avec le greffier.".
"Art. 783. § 1er. La feuille d'audience contient les mentions suivantes :
1° la date et l'heure d'ouverture et de clôture de l'audience;
2° les actes de procédure accomplis;
3° chaque affaire traitée, avec l'indication de son numéro d'inscription au rôle général et des noms des parties et de leurs avocats;
4° la liste des annexes à la feuille d'audience.
§ 2. La minute du jugement rendu lors de l'audience est annexée à la feuille d'audience.
Par dérogation à l'alinéa 1er, si le jugement est établi sous forme dématérialisée, la copie, certifiée conforme par le greffier, de ce jugement peut, le cas échéant, être annexée à la feuille d'audience.
§ 3. Les mentions, prescrites par la loi, en marge de la minute du jugement établi et conservé sous forme dématérialisée sont établies par le greffier, qui les signe en apposant une signature électronique qualifiée, visée à l'article 3, 12°, du règlement (UE) n° 910/2014 du Parlement européen et du Conseil du 23 juillet 2014 sur l'identification électronique et les services de confiance pour les transactions électroniques au sein du marché intérieur et abrogeant la directive 1999/93/CE. Elles sont associées aux jugements auxquels elles se rapportent, selon les modalités fixées par le Roi.
§ 4. Le juge qui a présidé l'audience, vérifie la feuille d'audience et la signe avec le greffier.".
Art. 81. Artikel 784 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
"Art. 784. De zittingsbladen en hun bijlages zijn van een zelfde formaat en worden per jaar samengevoegd tot een register.
Het zittingsblad kan worden opgemaakt en bewaard in gedematerialiseerde vorm onder de voorwaarden vastgelegd door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
De Koning kan de opmaak en bewaring bedoeld in het tweede lid opleggen aan de hoven of rechtbanken en hun griffies.".
"Art. 784. De zittingsbladen en hun bijlages zijn van een zelfde formaat en worden per jaar samengevoegd tot een register.
Het zittingsblad kan worden opgemaakt en bewaard in gedematerialiseerde vorm onder de voorwaarden vastgelegd door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
De Koning kan de opmaak en bewaring bedoeld in het tweede lid opleggen aan de hoven of rechtbanken en hun griffies.".
Art. 81. L'article 784 du même Code est remplacé par ce qui suit :
"Art. 784. Les feuilles d'audience et leurs annexes sont de même format et réunies, par année, en forme de registre.
La feuille d'audience peut être établie et conservée sous forme dématérialisée dans les conditions fixées par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des ministres.
Le Roi peut imposer l'établissement et la conservation visés à l'alinéa 2 aux cours ou tribunaux et leurs greffes.".
"Art. 784. Les feuilles d'audience et leurs annexes sont de même format et réunies, par année, en forme de registre.
La feuille d'audience peut être établie et conservée sous forme dématérialisée dans les conditions fixées par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des ministres.
Le Roi peut imposer l'établissement et la conservation visés à l'alinéa 2 aux cours ou tribunaux et leurs greffes.".
Art. 82. In artikel 195bis, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering, ingevoegd bij de wet van 10 oktober 1967, worden de woorden "achtenveertig uren" vervangen door de woorden "tweeënzeventig uren".
Art. 82. Dans l'article 195bis, alinéa 1er du Code d'instruction criminelle, inséré par la loi du 10 octobre 1967, les mots "les quarante-huit heures" sont remplacés par les mots "les septante-deux heures".
TITEL 9. - Wijzigingen aan het statuut van de rechter in ondernemingszaken
Titre 9. - Modifications au statut du juge consulaire
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek
CHAPITRE 1er. - Modifications du Code judiciaire
Art. 83. In deel II, boek I, titel I, van het Gerechtelijk Wetboek, worden in het opschrift van hoofdstuk II de woorden "rechtbank van koophandel" vervangen door het woord "ondernemingsrechtbank".
Art. 83. Dans la partie II, livre I, titre I, du Code judiciaire, dans l'intitulé du chapitre II, les mots "le tribunal de commerce" sont remplacés par les mots "le tribunal de l'entreprise".
Art. 84. In deel II, boek I, titel I, hoofdstuk II, van hetzelfde Wetboek, worden in het opschrift van afdeling V de woorden "Rechtbank van koophandel" vervangen door het woord "Ondernemingsrechtbank".
Art. 84. Dans la partie II, livre I, titre I, chapitre II, du même Code, dans l'intitulé de la section V, les mots "Du tribunal de commerce" sont remplacés par les mots "Du tribunal de l'entreprise".
Art. 85. In artikel 85, derde lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 1 december 2013, 8 mei 2014 en 15 april 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden "In elk arrondissement kiezen de rechters in ondernemingszaken in hun midden een voorzitter in ondernemingszaken" worden vervangen door de woorden "De rechters in ondernemingszaken kiezen in hun midden een voorzitter in ondernemingszaken";
2° het lid wordt aangevuld met de volgende zin :
"De minister bevoegd voor Justitie maakt de naam van de voorzitter in ondernemingszaken bekend in het Belgisch Staatsblad.".
1° de woorden "In elk arrondissement kiezen de rechters in ondernemingszaken in hun midden een voorzitter in ondernemingszaken" worden vervangen door de woorden "De rechters in ondernemingszaken kiezen in hun midden een voorzitter in ondernemingszaken";
2° het lid wordt aangevuld met de volgende zin :
"De minister bevoegd voor Justitie maakt de naam van de voorzitter in ondernemingszaken bekend in het Belgisch Staatsblad.".
Art. 85. Dans l'article 85, alinéa 3, du même Code, modifié par les lois des 1er décembre 2013, 8 mai 2014 et 15 avril 2018, les modifications suivantes sont apportées :
1° les mots "Dans chaque arrondissement, les juges consulaires" sont remplacés par les mots "Les juges consulaires";
2° l'alinéa est complété par la phrase suivante :
"Le ministre qui a la Justice dans ses attributions publie le nom du président consulaire au Moniteur belge.".
1° les mots "Dans chaque arrondissement, les juges consulaires" sont remplacés par les mots "Les juges consulaires";
2° l'alinéa est complété par la phrase suivante :
"Le ministre qui a la Justice dans ses attributions publie le nom du président consulaire au Moniteur belge.".
Art. 86. In artikel 87, vierde lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 15 april 2018, worden de woorden "en plaatsvervangende rechters in ondernemingszaken," en de woorden "en rechters in ondernemingszaken" opgeheven.
Art. 86. Dans l'article 87, alinéa 4, du même Code, modifié par la loi du 15 avril 2018, les mots "et des juges consulaires suppléants," et les mots "et consulaires" sont abrogés.
Art. 87. In artikel 113bis, vijfde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 1 december 2013, worden in de Franse tekst de woorden "ou de commerce" vervangen door de woorden "ou un tribunal de l'entreprise".
Art. 87. Dans l'article 113bis, alinéa 5, du même Code, inséré par la loi du 1er décembre 2013, les mots "ou de commerce" sont remplacés par les mots "ou un tribunal de l'entreprise".
Art. 88. In artikel 186, § 1, zevende lid, b), van het hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 1 december 2013 en gewijzigd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de woorden" 573, 2°, 574, 2°, 3°, 4°, 7°, 8°, 9°, 11° tot 19° " vervangen door de woorden "574, 2°, 3°, 4°, 7°, 8°, 9°, 11° tot 20° ".
Art. 88. Dans l'article 186, § 1er, alinéa 7, b), du même Code, inséré par la loi du 1er décembre 2013 et modifié par la loi du 11 août 2017, les mots "573, 2°, 574, 2°, 3°, 4°, 7°, 8°, 9°, 11° à 19° " sont remplacés par les mots "574, 2°, 3°, 4°, 7°, 8°, 9°, 11° à 20° ".
Art. 89. In deel II, boek I, titel VI, van hetzelfde Wetboek, worden in het opschrift van hoofdstuk II de woorden "rechtbank van koophandel" vervangen door het woord "ondernemingsrechtbank".
Art. 89. Dans la partie II, livre I, titre VI, du même Code, dans l'intitulé du chapitre II, les mots "du tribunal de commerce" sont remplacés par les mots "du tribunal de l'entreprise".
Art. 90. In deel II, boek I, titel VI, hoofdstuk II, van hetzelfde Wetboek, worden in het opschrift van afdeling IV de woorden "rechtbank van koophandel" vervangen door het woord "ondernemingsrechtbank".
Art. 90. Dans la partie II, livre I, titre VI, chapitre II du même Code, dans l'intitulé de la section IV, les mots "du tribunal de commerce" sont remplacés par les mots "du tribunal de l'entreprise".
Art. 91. Artikel 203 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 22 december 1998, 10 april 2014, 8 mei 2014 en 15 april 2018, wordt vervangen als volgt :
"Art. 203. Rechters in ondernemingszaken worden door de Koning benoemd op de gezamenlijke voordracht van de ministers die Justitie, Economische Zaken en Middenstand in hun bevoegdheid hebben.
Zij worden benoemd in een ondernemingsrechtbank voor een eerste termijn van drie jaar die telkens hernieuwbaar is voor vijf jaar.
Rechters in ondernemingszaken benoemd in de Franstalige ondernemingsrechtbank te Brussel worden in subsidiaire orde benoemd in de ondernemingsrechtbank te Waals-Brabant en de rechters in ondernemingszaken benoemd in de ondernemingsrechtbank te Waals-Brabant worden in subsidiaire orde benoemd in de Franstalige ondernemingsrechtbank te Brussel. De rechters in ondernemingszaken benoemd in de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank te Brussel worden in subsidiaire orde benoemd in de ondernemingsrechtbank te Leuven en de rechters in ondernemingszaken benoemd in de ondernemingsrechtbank te Leuven worden in subsidiaire orde benoemd in de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank te Brussel. De aanwijzing van de rechter in ondernemingszaken buiten de ondernemingsrechtbank waarin hij in hoofdorde wordt benoemd, wordt in onderling overleg tussen de betrokken korpschefs geregeld nadat de betrokkene werd gehoord. De gemeenschappelijke beslissing bepaalt de nadere regels van de aanwijzing. De aanwijzingsbeschikking omschrijft de redenen waarom het noodzakelijk is een beroep te doen op een rechter in ondernemingszaken benoemd in hoofdorde in een andere ondernemingsrechtbank en omschrijft de nadere regels van de aanwijzing. De aanwijzing geldt voor een hernieuwbare periode van ten hoogste een jaar. De instemming van de aangewezen rechter in ondernemingszaken is niet vereist. Ingeval de korpschefs weigeren of bij gebreke van een akkoord over de nadere regels van de aanwijzing, beslist de eerste voorzitter van het hof van beroep te Brussel op grond van een met redenen omkleed advies van de korpschefs die betrokken zijn bij deze aanwijzing.
Om tot rechter in ondernemingszaken te worden benoemd, dient de kandidaat de leeftijd van dertig jaar bereikt te hebben en over ten minste tien jaar nuttige beroepservaring te beschikken die blijk geeft van praktische kennis van aangelegenheden inzake ondernemingszaken.".
"Art. 203. Rechters in ondernemingszaken worden door de Koning benoemd op de gezamenlijke voordracht van de ministers die Justitie, Economische Zaken en Middenstand in hun bevoegdheid hebben.
Zij worden benoemd in een ondernemingsrechtbank voor een eerste termijn van drie jaar die telkens hernieuwbaar is voor vijf jaar.
Rechters in ondernemingszaken benoemd in de Franstalige ondernemingsrechtbank te Brussel worden in subsidiaire orde benoemd in de ondernemingsrechtbank te Waals-Brabant en de rechters in ondernemingszaken benoemd in de ondernemingsrechtbank te Waals-Brabant worden in subsidiaire orde benoemd in de Franstalige ondernemingsrechtbank te Brussel. De rechters in ondernemingszaken benoemd in de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank te Brussel worden in subsidiaire orde benoemd in de ondernemingsrechtbank te Leuven en de rechters in ondernemingszaken benoemd in de ondernemingsrechtbank te Leuven worden in subsidiaire orde benoemd in de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank te Brussel. De aanwijzing van de rechter in ondernemingszaken buiten de ondernemingsrechtbank waarin hij in hoofdorde wordt benoemd, wordt in onderling overleg tussen de betrokken korpschefs geregeld nadat de betrokkene werd gehoord. De gemeenschappelijke beslissing bepaalt de nadere regels van de aanwijzing. De aanwijzingsbeschikking omschrijft de redenen waarom het noodzakelijk is een beroep te doen op een rechter in ondernemingszaken benoemd in hoofdorde in een andere ondernemingsrechtbank en omschrijft de nadere regels van de aanwijzing. De aanwijzing geldt voor een hernieuwbare periode van ten hoogste een jaar. De instemming van de aangewezen rechter in ondernemingszaken is niet vereist. Ingeval de korpschefs weigeren of bij gebreke van een akkoord over de nadere regels van de aanwijzing, beslist de eerste voorzitter van het hof van beroep te Brussel op grond van een met redenen omkleed advies van de korpschefs die betrokken zijn bij deze aanwijzing.
Om tot rechter in ondernemingszaken te worden benoemd, dient de kandidaat de leeftijd van dertig jaar bereikt te hebben en over ten minste tien jaar nuttige beroepservaring te beschikken die blijk geeft van praktische kennis van aangelegenheden inzake ondernemingszaken.".
Art. 91. L'article 203 du même Code, modifié par les lois des 22 décembre 1998, 10 avril 2014, 8 mai 2014 et 15 avril 2018, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 203. Les juges consulaires sont nommés par le Roi sur la proposition conjointe des ministres ayant la Justice, les Affaires économiques et les Classes moyennes dans leurs attributions.
Ils sont nommés dans un tribunal de l'entreprise pour un premier terme de trois ans renouvelable chaque fois pour cinq ans.
Les juges consulaires nommés au tribunal de l'entreprise francophone de Bruxelles sont nommés à titre subsidiaire au tribunal de l'entreprise du Brabant wallon et les juges consulaires nommés au tribunal de l'entreprise du Brabant wallon sont nommés à titre subsidiaire au tribunal de l'entreprise francophone de Bruxelles. Les juges consulaires nommés au tribunal de l'entreprise néerlandophone de Bruxelles sont nommés à titre subsidiaire au tribunal de l'entreprise de Louvain et les juges consulaires nommés au tribunal de l'entreprise de Louvain sont nommés à titre subsidiaire au tribunal de l'entreprise néerlandophone de Bruxelles. La désignation d'un juge consulaire en dehors du tribunal de l'entreprise dans lequel il est nommé à titre principal, est réglée de commun accord entre les chefs de corps concernés, après avoir entendu l'intéressé. La décision commune précise les modalités de la désignation. L'ordonnance de désignation indique les motifs pour lesquels il est nécessaire de faire appel à un juge consulaire nommé à titre principal dans un autre tribunal de l'entreprise et précise les modalités de la désignation. La désignation vaut pour une période maximale d'un an renouvelable. Le consentement du juge consulaire désigné n'est pas requis. En cas de refus des chefs de corps ou en l'absence d'accord sur les modalités de la désignation, le premier président de la cour d'appel de Bruxelles décide sur avis motivé des chefs de corps concernés par la désignation.
Pour être nommé juge consulaire, le candidat doit être âgé de trente ans accomplis et posséder au moins dix ans d'expérience professionnelle utile attestant d'une connaissance pratique des questions en matière d'entreprises.".
"Art. 203. Les juges consulaires sont nommés par le Roi sur la proposition conjointe des ministres ayant la Justice, les Affaires économiques et les Classes moyennes dans leurs attributions.
Ils sont nommés dans un tribunal de l'entreprise pour un premier terme de trois ans renouvelable chaque fois pour cinq ans.
Les juges consulaires nommés au tribunal de l'entreprise francophone de Bruxelles sont nommés à titre subsidiaire au tribunal de l'entreprise du Brabant wallon et les juges consulaires nommés au tribunal de l'entreprise du Brabant wallon sont nommés à titre subsidiaire au tribunal de l'entreprise francophone de Bruxelles. Les juges consulaires nommés au tribunal de l'entreprise néerlandophone de Bruxelles sont nommés à titre subsidiaire au tribunal de l'entreprise de Louvain et les juges consulaires nommés au tribunal de l'entreprise de Louvain sont nommés à titre subsidiaire au tribunal de l'entreprise néerlandophone de Bruxelles. La désignation d'un juge consulaire en dehors du tribunal de l'entreprise dans lequel il est nommé à titre principal, est réglée de commun accord entre les chefs de corps concernés, après avoir entendu l'intéressé. La décision commune précise les modalités de la désignation. L'ordonnance de désignation indique les motifs pour lesquels il est nécessaire de faire appel à un juge consulaire nommé à titre principal dans un autre tribunal de l'entreprise et précise les modalités de la désignation. La désignation vaut pour une période maximale d'un an renouvelable. Le consentement du juge consulaire désigné n'est pas requis. En cas de refus des chefs de corps ou en l'absence d'accord sur les modalités de la désignation, le premier président de la cour d'appel de Bruxelles décide sur avis motivé des chefs de corps concernés par la désignation.
Pour être nommé juge consulaire, le candidat doit être âgé de trente ans accomplis et posséder au moins dix ans d'expérience professionnelle utile attestant d'une connaissance pratique des questions en matière d'entreprises.".
Art. 92. Artikel 204 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 6 mei 1982, 22 december 2003 en 15 april 2018 wordt vervangen als volgt :
"Art. 204. § 1. Ter voorziening van de vacatures voor rechters in ondernemingszaken delen de voorzitters van de ondernemingsrechtbanken de minister bevoegd voor justitie vóór 1 oktober van elk jaar het aantal vacante plaatsen mee alsook de profielen aan welke de kandidaat rechters in ondernemingszaken dienen te voldoen. De voorzitters waken over de evenwichtige vertegenwoordiging van de diverse profielen in functie van de behoefte van de rechtbank.
Uiterlijk zestig dagen na de ontvangst van het aantal vacatures en van de profielen gaat de minister bevoegd voor Justitie over tot een oproep tot kandidaten in het Belgisch Staatsblad.
§ 2. De kandidaten voor die ambten kunnen zelf hun kandidatuur stellen of worden voorgedragen door representatieve professionele of interprofessionele organisaties of federaties, met inbegrip van een orde, een instituut van beoefenaars van vrije beroepen of een andere representatieve professionele of interprofessionele organisatie in de nijverheids- of de verenigingssector.
In afwijking van artikel 287sexies moet elke kandidaatstelling of voordracht op straffe van verval aan de minister bevoegd voor Justitie worden gericht binnen een termijn van dertig dagen vanaf de bekendmaking van de vacature in het Belgisch Staatsblad. De oproep tot de kandidaten in het Belgisch Staatsblad vermeldt de wijze waarop op straffe van verval de kandidaturen en voordrachten moeten worden ingediend en welke stavingsstukken hierbij moeten worden gevoegd. De stavingstukken met betrekking tot de studies en beroepservaring moeten evenwel niet meer aan de kandidaat worden gevraagd wanneer zij reeds werden ingediend bij een eerdere kandidaatstelling en de kandidatuur ontvankelijk werd verklaard.
Binnen de zestig dagen na de bekendmaking van de vacature in het Belgisch Staatsblad vraagt de minister bevoegd voor Justitie voor de kandidaturen die hij ontvankelijk heeft verklaard overeenkomstig de voorwaarden bedoeld in het tweede lid, een gemotiveerd schriftelijk advies overeenkomstig een door hem bepaald standaardformulier aan de procureur-generaal van het rechtsgebied waar de benoeming dient te geschieden en aan de voorzitter van de ondernemingsrechtbank.
De procureur-generaal verstrekt de minister bevoegd voor Justitie dit advies langs elektronische weg binnen de dertig dagen te rekenen van het verzoek om advies bedoeld in het derde lid en maakt hiervan tegelijkertijd een afschrift over aan de voorzitter van de ondernemingsrechtbank van de vacature waarvoor gekandideerd wordt. Voor de kandidaturen die een omstandiger onderzoek voor advies lijken te vereisen, wordt de termijn van dertig dagen verlengd tot vijfenveertig dagen op voorwaarde dat de procureur-generaal deze verlenging binnen de dertig dagen te rekenen van het verzoek om advies langs elektronische weg ter kennis brengt aan de minister bevoegd voor Justitie en de voorzitter van de ondernemingsrechtbank. Bij gebrek aan advies binnen de termijn van dertig dagen of de verlengde termijn van vijfenveertig dagen of bij gebrek aan het gebruik van het standaardformulier wordt het advies geacht gunstig te zijn.
De voorzitters van de ondernemingsrechtbanken bezorgen de minister bevoegd voor Justitie hun advies langs elektronische weg binnen de zestig dagen te rekenen van het verzoek om advies bedoeld in het derde lid.
De rechters in ondernemingszaken worden benoemd op 1 juni. De benoeming wordt bekend gemaakt in het Belgisch Staatsblad.
§ 3. De rechters in ondernemingszaken kunnen slechts zitting nemen indien zij vooraf de initiële opleiding bij het Instituut voor gerechtelijke opleiding hebben gevolgd. Deze opleiding bevat een opleiding inzake deontologie en een opleiding aangaande de procedure. Zij kunnen slechts optreden als rechter-commissaris in een faillissement, als gedelegeerd rechter bij een gerechtelijke reorganisatie of in de Kamer voor ondernemingen in moeilijkheden indien zij hiervoor een bijzondere opleiding bij het Instituut voor gerechtelijke opleiding hebben gevolgd.".
"Art. 204. § 1. Ter voorziening van de vacatures voor rechters in ondernemingszaken delen de voorzitters van de ondernemingsrechtbanken de minister bevoegd voor justitie vóór 1 oktober van elk jaar het aantal vacante plaatsen mee alsook de profielen aan welke de kandidaat rechters in ondernemingszaken dienen te voldoen. De voorzitters waken over de evenwichtige vertegenwoordiging van de diverse profielen in functie van de behoefte van de rechtbank.
Uiterlijk zestig dagen na de ontvangst van het aantal vacatures en van de profielen gaat de minister bevoegd voor Justitie over tot een oproep tot kandidaten in het Belgisch Staatsblad.
§ 2. De kandidaten voor die ambten kunnen zelf hun kandidatuur stellen of worden voorgedragen door representatieve professionele of interprofessionele organisaties of federaties, met inbegrip van een orde, een instituut van beoefenaars van vrije beroepen of een andere representatieve professionele of interprofessionele organisatie in de nijverheids- of de verenigingssector.
In afwijking van artikel 287sexies moet elke kandidaatstelling of voordracht op straffe van verval aan de minister bevoegd voor Justitie worden gericht binnen een termijn van dertig dagen vanaf de bekendmaking van de vacature in het Belgisch Staatsblad. De oproep tot de kandidaten in het Belgisch Staatsblad vermeldt de wijze waarop op straffe van verval de kandidaturen en voordrachten moeten worden ingediend en welke stavingsstukken hierbij moeten worden gevoegd. De stavingstukken met betrekking tot de studies en beroepservaring moeten evenwel niet meer aan de kandidaat worden gevraagd wanneer zij reeds werden ingediend bij een eerdere kandidaatstelling en de kandidatuur ontvankelijk werd verklaard.
Binnen de zestig dagen na de bekendmaking van de vacature in het Belgisch Staatsblad vraagt de minister bevoegd voor Justitie voor de kandidaturen die hij ontvankelijk heeft verklaard overeenkomstig de voorwaarden bedoeld in het tweede lid, een gemotiveerd schriftelijk advies overeenkomstig een door hem bepaald standaardformulier aan de procureur-generaal van het rechtsgebied waar de benoeming dient te geschieden en aan de voorzitter van de ondernemingsrechtbank.
De procureur-generaal verstrekt de minister bevoegd voor Justitie dit advies langs elektronische weg binnen de dertig dagen te rekenen van het verzoek om advies bedoeld in het derde lid en maakt hiervan tegelijkertijd een afschrift over aan de voorzitter van de ondernemingsrechtbank van de vacature waarvoor gekandideerd wordt. Voor de kandidaturen die een omstandiger onderzoek voor advies lijken te vereisen, wordt de termijn van dertig dagen verlengd tot vijfenveertig dagen op voorwaarde dat de procureur-generaal deze verlenging binnen de dertig dagen te rekenen van het verzoek om advies langs elektronische weg ter kennis brengt aan de minister bevoegd voor Justitie en de voorzitter van de ondernemingsrechtbank. Bij gebrek aan advies binnen de termijn van dertig dagen of de verlengde termijn van vijfenveertig dagen of bij gebrek aan het gebruik van het standaardformulier wordt het advies geacht gunstig te zijn.
De voorzitters van de ondernemingsrechtbanken bezorgen de minister bevoegd voor Justitie hun advies langs elektronische weg binnen de zestig dagen te rekenen van het verzoek om advies bedoeld in het derde lid.
De rechters in ondernemingszaken worden benoemd op 1 juni. De benoeming wordt bekend gemaakt in het Belgisch Staatsblad.
§ 3. De rechters in ondernemingszaken kunnen slechts zitting nemen indien zij vooraf de initiële opleiding bij het Instituut voor gerechtelijke opleiding hebben gevolgd. Deze opleiding bevat een opleiding inzake deontologie en een opleiding aangaande de procedure. Zij kunnen slechts optreden als rechter-commissaris in een faillissement, als gedelegeerd rechter bij een gerechtelijke reorganisatie of in de Kamer voor ondernemingen in moeilijkheden indien zij hiervoor een bijzondere opleiding bij het Instituut voor gerechtelijke opleiding hebben gevolgd.".
Art. 92. L'article 204 du même Code, modifié par les lois des 6 mai 1982, 22 décembre 2003 et 15 avril 2018 est remplacé par ce qui suit :
"Art. 204. § 1er. En vue de pourvoir à la vacance des postes de juges consulaires les présidents des tribunaux de l'entreprise communiquent au ministre qui a la Justice dans ses attributions, avant le 1er octobre de chaque année, le nombre d'emplois vacants ainsi que les profils auxquels doivent répondre les candidats juges consulaires. Les présidents veillent à une représentation équilibrée des divers profils en fonction des besoins du tribunal.
Au plus tard dans les soixante jours de la réception du nombre des emplois vacants et des profils, le ministre qui a la Justice dans ses attributions lance un appel aux candidats dans le Moniteur belge.
§ 2. Les candidats à ces fonctions peuvent poser eux-mêmes leur candidature ou être présentés par des organisations ou fédérations professionnelles ou interprofessionnelles représentatives, y inclut un ordre, institut de titulaires de professions libérales ou autre association professionnelle ou interprofessionnelle représentative de l'industrie ou du secteur associatif.
Par dérogation à l'article 287sexies, chaque candidature ou présentation doit, à peine de déchéance, être adressée au ministre qui la Justice dans ses attributions dans un délai de trente jours à compter de la publication de la vacance d'emploi au Moniteur belge. L'appel aux candidats publié dans le Moniteur belge mentionne, la manière dont les candidatures et les présentations doivent, à peine de déchéance, être introduites ainsi que les pièces justificatives à y joindre. Les pièces justificatives concernant les études et l'expérience professionnelle ne doivent toutefois plus être réclamées au candidat si elles ont déjà été remises à l'occasion d'une candidature antérieure et que cette candidature a été déclarée recevable.
Dans un délai de soixante jours après la publication de la vacance d'emploi au Moniteur belge, le ministre qui a la Justice dans ses attributions demande, pour les candidatures qu'il a déclarées recevables au regard des conditions visées à l'alinéa 2, un avis écrit motivé au procureur général près le ressort où doit avoir lieu la nomination et au président du tribunal de l'entreprise au moyen d'un formulaire type établi par lui.
Le procureur général transmet cet avis par voie électronique dans les trente jours à compter de la demande d'avis visée à l'alinéa 3 au ministre qui a la Justice dans ses attributions et en transmet dans le même temps une copie au président du tribunal de l'entreprise de la vacance d'emploi qui fait l'objet de la candidature. Pour les candidatures qui semblent nécessiter une enquête plus circonstanciée, le délai de trente jours est prolongé jusqu'à quarante-cinq jours à condition que le procureur général porte cette prolongation à la connaissance du ministre qui a la Justice dans ses attributions et du président du tribunal de l'entreprise dans les trente jours de la demande d'avis, par voie électronique. En l'absence d'avis dans le délai de trente jours ou dans le délai prolongé de quarante-cinq jours ou à défaut d'utilisation du formulaire type, l'avis est réputé favorable.
Les présidents des tribunaux de l'entreprise transmettent leur avis par voie électronique dans les soixante jours à compter de la demande d'avis visée à l'alinéa 3 au ministre qui a la Justice dans ses attributions.
Les juges consulaires sont nommés le 1er juin. La nomination est publiée au Moniteur belge.
§ 3. Les juges consulaires ne peuvent siéger que s'ils ont préalablement suivi la formation initiale à l'Institut de formation judiciaire. Cette formation comprend une formation relative à la déontologie et une formation concernant la procédure. Ils ne peuvent siéger comme juge-commissaire dans une faillite, comme juge délégué dans une réorganisation judiciaire ou dans des chambres des entreprises en difficulté que s'ils ont suivi à cet effet une formation spécialisée à l'Institut de formation judiciaire.".
"Art. 204. § 1er. En vue de pourvoir à la vacance des postes de juges consulaires les présidents des tribunaux de l'entreprise communiquent au ministre qui a la Justice dans ses attributions, avant le 1er octobre de chaque année, le nombre d'emplois vacants ainsi que les profils auxquels doivent répondre les candidats juges consulaires. Les présidents veillent à une représentation équilibrée des divers profils en fonction des besoins du tribunal.
Au plus tard dans les soixante jours de la réception du nombre des emplois vacants et des profils, le ministre qui a la Justice dans ses attributions lance un appel aux candidats dans le Moniteur belge.
§ 2. Les candidats à ces fonctions peuvent poser eux-mêmes leur candidature ou être présentés par des organisations ou fédérations professionnelles ou interprofessionnelles représentatives, y inclut un ordre, institut de titulaires de professions libérales ou autre association professionnelle ou interprofessionnelle représentative de l'industrie ou du secteur associatif.
Par dérogation à l'article 287sexies, chaque candidature ou présentation doit, à peine de déchéance, être adressée au ministre qui la Justice dans ses attributions dans un délai de trente jours à compter de la publication de la vacance d'emploi au Moniteur belge. L'appel aux candidats publié dans le Moniteur belge mentionne, la manière dont les candidatures et les présentations doivent, à peine de déchéance, être introduites ainsi que les pièces justificatives à y joindre. Les pièces justificatives concernant les études et l'expérience professionnelle ne doivent toutefois plus être réclamées au candidat si elles ont déjà été remises à l'occasion d'une candidature antérieure et que cette candidature a été déclarée recevable.
Dans un délai de soixante jours après la publication de la vacance d'emploi au Moniteur belge, le ministre qui a la Justice dans ses attributions demande, pour les candidatures qu'il a déclarées recevables au regard des conditions visées à l'alinéa 2, un avis écrit motivé au procureur général près le ressort où doit avoir lieu la nomination et au président du tribunal de l'entreprise au moyen d'un formulaire type établi par lui.
Le procureur général transmet cet avis par voie électronique dans les trente jours à compter de la demande d'avis visée à l'alinéa 3 au ministre qui a la Justice dans ses attributions et en transmet dans le même temps une copie au président du tribunal de l'entreprise de la vacance d'emploi qui fait l'objet de la candidature. Pour les candidatures qui semblent nécessiter une enquête plus circonstanciée, le délai de trente jours est prolongé jusqu'à quarante-cinq jours à condition que le procureur général porte cette prolongation à la connaissance du ministre qui a la Justice dans ses attributions et du président du tribunal de l'entreprise dans les trente jours de la demande d'avis, par voie électronique. En l'absence d'avis dans le délai de trente jours ou dans le délai prolongé de quarante-cinq jours ou à défaut d'utilisation du formulaire type, l'avis est réputé favorable.
Les présidents des tribunaux de l'entreprise transmettent leur avis par voie électronique dans les soixante jours à compter de la demande d'avis visée à l'alinéa 3 au ministre qui a la Justice dans ses attributions.
Les juges consulaires sont nommés le 1er juin. La nomination est publiée au Moniteur belge.
§ 3. Les juges consulaires ne peuvent siéger que s'ils ont préalablement suivi la formation initiale à l'Institut de formation judiciaire. Cette formation comprend une formation relative à la déontologie et une formation concernant la procédure. Ils ne peuvent siéger comme juge-commissaire dans une faillite, comme juge délégué dans une réorganisation judiciaire ou dans des chambres des entreprises en difficulté que s'ils ont suivi à cet effet une formation spécialisée à l'Institut de formation judiciaire.".
Art. 93. Artikel 205 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 15 juli 1985, 17 juli 1997, 13 april 2005 en 15 april 2018, wordt vervangen als volgt :
"Art. 205. § 1. De benoeming van rechter in ondernemingszaken kan na iedere termijn voor vijf jaar hernieuwd worden na advies van de voorzitter van de ondernemingsrechtbank en van de procureur-generaal van het rechtsgebied waar de benoeming dient te geschieden.
Uiterlijk vóór 1 september voorafgaand aan het burgerlijk jaar waarin zijn ambt een einde neemt, richt de rechter in ondernemingszaken langs elektronische weg een verzoek tot hernieuwing van zijn benoeming aan de minister bevoegd voor Justitie en bezorgt hij hiervan tegelijkertijd een afschrift aan de voorzitter van de ondernemingsrechtbank.
§ 2. Op het ogenblik dat de minister bevoegd voor Justitie overeenkomstig artikel 204, § 2, derde lid, de adviezen vraagt aan de procureur-generaal en de voorzitter van de ondernemingsrechtbank in de benoemingsprocedures, vraagt hij hen een gemotiveerd schriftelijk advies door middel van een door hem bepaald standaardformulier over de verzoeken tot hernieuwing.
De adviezen worden hem verstrekt binnen de termijnen opgenomen in artikel 204, § 2, vierde en vijfde lid.
De hernieuwingen van de benoemingen van de rechters in ondernemingszaken worden samen bekend gemaakt met de benoemingen bedoeld in artikel 204, § 2, zesde lid.".
"Art. 205. § 1. De benoeming van rechter in ondernemingszaken kan na iedere termijn voor vijf jaar hernieuwd worden na advies van de voorzitter van de ondernemingsrechtbank en van de procureur-generaal van het rechtsgebied waar de benoeming dient te geschieden.
Uiterlijk vóór 1 september voorafgaand aan het burgerlijk jaar waarin zijn ambt een einde neemt, richt de rechter in ondernemingszaken langs elektronische weg een verzoek tot hernieuwing van zijn benoeming aan de minister bevoegd voor Justitie en bezorgt hij hiervan tegelijkertijd een afschrift aan de voorzitter van de ondernemingsrechtbank.
§ 2. Op het ogenblik dat de minister bevoegd voor Justitie overeenkomstig artikel 204, § 2, derde lid, de adviezen vraagt aan de procureur-generaal en de voorzitter van de ondernemingsrechtbank in de benoemingsprocedures, vraagt hij hen een gemotiveerd schriftelijk advies door middel van een door hem bepaald standaardformulier over de verzoeken tot hernieuwing.
De adviezen worden hem verstrekt binnen de termijnen opgenomen in artikel 204, § 2, vierde en vijfde lid.
De hernieuwingen van de benoemingen van de rechters in ondernemingszaken worden samen bekend gemaakt met de benoemingen bedoeld in artikel 204, § 2, zesde lid.".
Art. 93. L'article 205 du même Code, modifié par les lois des 15 juillet 1985, 17 juillet 1997, 13 avril 2005 et 15 avril 2018, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 205. § 1er. La nomination de juge consulaire peut être renouvelée pour cinq ans à l'issue de chaque terme, après avis du président du tribunal de l'entreprise et du procureur général près le ressort où doit avoir lieu la nomination.
Avant le 1er septembre précédant l'année civile où sa fonction prend fin, le juge consulaire adresse par voie électronique une demande de renouvellement de sa nomination au ministre qui a la Justice dans ses attributions et en transmet en même temps une copie au président du tribunal de l'entreprise.
§ 2. Au moment où, conformément à l'article 204, § 2, alinéa 3, le ministre qui a la Justice dans ses attributions demande leur avis au procureur général et au président du tribunal de l'entreprise dans les procédures de nomination, il leur demande un avis écrit motivé au moyen d'un formulaire type établi par lui relatif aux demandes de renouvellement.
Les avis lui sont transmis dans les délais figurant à l'article 204, § 2, alinéas 4 et 5.
Les renouvellements des nominations des juges consulaires sont publiés avec les nominations visées à l'article 204, § 2, alinéa 6.".
"Art. 205. § 1er. La nomination de juge consulaire peut être renouvelée pour cinq ans à l'issue de chaque terme, après avis du président du tribunal de l'entreprise et du procureur général près le ressort où doit avoir lieu la nomination.
Avant le 1er septembre précédant l'année civile où sa fonction prend fin, le juge consulaire adresse par voie électronique une demande de renouvellement de sa nomination au ministre qui a la Justice dans ses attributions et en transmet en même temps une copie au président du tribunal de l'entreprise.
§ 2. Au moment où, conformément à l'article 204, § 2, alinéa 3, le ministre qui a la Justice dans ses attributions demande leur avis au procureur général et au président du tribunal de l'entreprise dans les procédures de nomination, il leur demande un avis écrit motivé au moyen d'un formulaire type établi par lui relatif aux demandes de renouvellement.
Les avis lui sont transmis dans les délais figurant à l'article 204, § 2, alinéas 4 et 5.
Les renouvellements des nominations des juges consulaires sont publiés avec les nominations visées à l'article 204, § 2, alinéa 6.".
Art. 94. In artikel 206 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 15 mei 1987, 19 juli 2012, 8 mei 2014, 19 december 2014 en 15 april 2018, worden de woorden "of in ondernemingszaken" telkens vervangen door de woorden "of tot rechter in ondernemingszaken".
Art. 94. Dans l'article 206 du même Code, modifié par les lois des 15 mai 1987, 19 juillet 2012, 8 mai 2014, 19 décembre 2014 et 15 avril 2018, les mots "juge social ou juge consulaire, effectif ou suppléant" sont chaque fois remplacés par les mots "juge social, effectif ou suppléant, ou juge consulaire".
Art. 95. In artikel 288, vijfde lid, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 15 april 2018, worden de woorden "en van de werkende en plaatsvervangende rechters in ondernemingszaken" vervangen door de woorden "en van de rechters in ondernemingszaken".
Art. 95. Dans l'article 288, alinéa 5, du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 15 avril 2018, les mots "et des juges consulaires, effectifs et suppléants" sont remplacés par les mots "et des juges consulaires".
Art. 96. In artikel 300 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 15 april 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het tweede lid worden de woorden "raadsheren in sociale zaken, rechters in sociale zaken en rechters in ondernemingszaken," vervangen door de woorden "raadsheren in sociale zaken en rechters in sociale zaken";
2° in het tweede lid worden de woorden "behoudens de uitoefening van het beroep van advocaat en van notaris en de bezigheden die hun daardoor geoorloofd zijn" opgeheven;
3° het artikel wordt aangevuld met een lid luidende :
"De rechters in ondernemingszaken zijn onderworpen aan dezelfde regels van onverenigbaarheid als de werkende magistraten, met uitzondering van de uitoefening van beroepswerkzaamheden die voor het opdoen van ervaring toegestaan zijn om benoemd te worden tot rechter in ondernemingszaken. Niemand mag tegelijk het ambt van rechter in ondernemingszaken en van gerechtsmandataris uitoefenen in het arrondissement of de afdeling van de ondernemingsrechtbank waar hij als gerechtsmandataris werd aangewezen.".
1° in het tweede lid worden de woorden "raadsheren in sociale zaken, rechters in sociale zaken en rechters in ondernemingszaken," vervangen door de woorden "raadsheren in sociale zaken en rechters in sociale zaken";
2° in het tweede lid worden de woorden "behoudens de uitoefening van het beroep van advocaat en van notaris en de bezigheden die hun daardoor geoorloofd zijn" opgeheven;
3° het artikel wordt aangevuld met een lid luidende :
"De rechters in ondernemingszaken zijn onderworpen aan dezelfde regels van onverenigbaarheid als de werkende magistraten, met uitzondering van de uitoefening van beroepswerkzaamheden die voor het opdoen van ervaring toegestaan zijn om benoemd te worden tot rechter in ondernemingszaken. Niemand mag tegelijk het ambt van rechter in ondernemingszaken en van gerechtsmandataris uitoefenen in het arrondissement of de afdeling van de ondernemingsrechtbank waar hij als gerechtsmandataris werd aangewezen.".
Art. 96. A l'article 300 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 15 avril 2018, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 2, les mots "Les conseillers sociaux, les juges sociaux et les juges consulaires" sont remplacés par les mots "Les conseillers sociaux et les juges sociaux";
2° dans l'alinéa 2, les mots "sauf l'exercice des professions d'avocat et de notaire et les activités que celles-ci leur permettent" sont abrogés;
3° l'article est complété par un alinéa, rédigé comme suit :
"Les juges consulaires sont soumis aux mêmes incompatibilités que les magistrats effectifs, à l'exception de l'exercice des activités professionnelles admises à titre d'expérience pour être nommé juge consulaire. Nul ne peut à la fois exercer les fonctions de juge consulaire et de mandataire de justice dans l'arrondissement ou la division du tribunal de l'entreprise dans lequel ou laquelle il est désigné mandataire de justice.".
1° dans l'alinéa 2, les mots "Les conseillers sociaux, les juges sociaux et les juges consulaires" sont remplacés par les mots "Les conseillers sociaux et les juges sociaux";
2° dans l'alinéa 2, les mots "sauf l'exercice des professions d'avocat et de notaire et les activités que celles-ci leur permettent" sont abrogés;
3° l'article est complété par un alinéa, rédigé comme suit :
"Les juges consulaires sont soumis aux mêmes incompatibilités que les magistrats effectifs, à l'exception de l'exercice des activités professionnelles admises à titre d'expérience pour être nommé juge consulaire. Nul ne peut à la fois exercer les fonctions de juge consulaire et de mandataire de justice dans l'arrondissement ou la division du tribunal de l'entreprise dans lequel ou laquelle il est désigné mandataire de justice.".
Art. 97. In artikel 322, derde lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 30 maart 1973, 10 februari 1998, 17 mei 2006, 1 december 2013 en 15 april 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden "of in ondernemingszaken" worden telkens opgeheven;
2° de woorden "in hetzelfde geval kan de voorzitter van de ondernemingsrechtbank een andere werkende of plaatsvervangend rechter in ondernemingszaken, een rechter, een plaatsvervangende rechter of een op het tableau van de Orde ingeschreven advocaat die ten minste dertig jaar oud is, aanwijzen om de verhinderde assessor te vervangen" worden vervangen door de volgende zinnen :
"De verhinderde rechter in ondernemingszaken wordt vervangen door een andere rechter in ondernemingszaken. Bij onvoorziene afwezigheid kan de voorzitter van de ondernemingsrechtbank een rechter of een plaatsvervangend rechter of een op het tableau van de Orde ingeschreven advocaat die ten minste dertig jaar oud is, aanwijzen om degene die verhinderd is te vervangen.".
1° de woorden "of in ondernemingszaken" worden telkens opgeheven;
2° de woorden "in hetzelfde geval kan de voorzitter van de ondernemingsrechtbank een andere werkende of plaatsvervangend rechter in ondernemingszaken, een rechter, een plaatsvervangende rechter of een op het tableau van de Orde ingeschreven advocaat die ten minste dertig jaar oud is, aanwijzen om de verhinderde assessor te vervangen" worden vervangen door de volgende zinnen :
"De verhinderde rechter in ondernemingszaken wordt vervangen door een andere rechter in ondernemingszaken. Bij onvoorziene afwezigheid kan de voorzitter van de ondernemingsrechtbank een rechter of een plaatsvervangend rechter of een op het tableau van de Orde ingeschreven advocaat die ten minste dertig jaar oud is, aanwijzen om degene die verhinderd is te vervangen.".
Art. 97. A l'article 322, alinéa 3, du même Code, modifié par les lois des 30 mars 1973, 10 février 1998, 17 mai 2006, 1er décembre 2013 et 15 avril 2018, les modifications suivantes sont apportées :
1° les mots "ou consulaire" et les mots "ou un juge consulaire" sont abrogés;
2° les mots "dans le même cas, le président du tribunal de l'entreprise peut désigner un autre juge consulaire, effectif ou suppléant, un juge ou un juge suppléant, ou un avocat âgé de trente ans au moins inscrit au tableau de l'Ordre, pour remplacer celui qui est empêché" sont remplacés par les phrases suivantes :
"Le juge consulaire empêché est remplacé par un autre juge consulaire. En cas d'absence inopinée, le président du tribunal de l'entreprise peut désigner un juge ou un juge suppléant ou un avocat âgé de trente ans au moins inscrit au tableau de l'Ordre, pour remplacer celui qui est empêché.".
1° les mots "ou consulaire" et les mots "ou un juge consulaire" sont abrogés;
2° les mots "dans le même cas, le président du tribunal de l'entreprise peut désigner un autre juge consulaire, effectif ou suppléant, un juge ou un juge suppléant, ou un avocat âgé de trente ans au moins inscrit au tableau de l'Ordre, pour remplacer celui qui est empêché" sont remplacés par les phrases suivantes :
"Le juge consulaire empêché est remplacé par un autre juge consulaire. En cas d'absence inopinée, le président du tribunal de l'entreprise peut désigner un juge ou un juge suppléant ou un avocat âgé de trente ans au moins inscrit au tableau de l'Ordre, pour remplacer celui qui est empêché.".
Art. 98. In artikel 331 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 25 april 2007 en gewijzigd bij de wetten van 19 juli 2012, 1 december 2013, 10 april 2014, 5 mei 2014, 4 mei 2016 en 15 april 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) in het tweede lid, in de bepaling onder 8°, worden de woorden", de rechters in ondernemingszaken" opgeheven;
b) het artikel wordt aangevuld met een lid luidende :
"De rechter in ondernemingszaken stelt de voorzitter van de ondernemingsrechtbank onverwijld in kennis van zijn afwezigheden wanneer deze afwezigheden een invloed kunnen hebben op de goede werking van de rechtbank.".
a) in het tweede lid, in de bepaling onder 8°, worden de woorden", de rechters in ondernemingszaken" opgeheven;
b) het artikel wordt aangevuld met een lid luidende :
"De rechter in ondernemingszaken stelt de voorzitter van de ondernemingsrechtbank onverwijld in kennis van zijn afwezigheden wanneer deze afwezigheden een invloed kunnen hebben op de goede werking van de rechtbank.".
Art. 98. A l'article 331 du même Code, remplacé par la loi du 25 avril 2007 et modifié par les lois des 19 juillet 2012, 1er décembre 2013, 10 avril 2014, 5 mai 2014, 4 mai 2016 et 15 avril 2018, les modifications suivantes sont apportées :
a) dans l'alinéa 2, 8°, les mots ", les juges consulaires" sont abrogés;
b) l'article est complété par un alinéa rédigé comme suit :
"Le juge consulaire informe immédiatement le président du tribunal de l'entreprise de ses absences lorsque celles-ci sont de nature à influencer le bon fonctionnement du tribunal.".
a) dans l'alinéa 2, 8°, les mots ", les juges consulaires" sont abrogés;
b) l'article est complété par un alinéa rédigé comme suit :
"Le juge consulaire informe immédiatement le président du tribunal de l'entreprise de ses absences lorsque celles-ci sont de nature à influencer le bon fonctionnement du tribunal.".
Art. 99. In artikel 390 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 4 mei 2016 en gewijzigd bij de wet van 15 april 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het vierde lid, worden de woorden "en in ondernemingszaken" opgeheven;
2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende :
"Rechters in ondernemingszaken houden op hun ambt uit te oefenen op het einde van de maand in de loop van dewelke zij de leeftijd bereiken van drieënzeventig jaar.".
1° in het vierde lid, worden de woorden "en in ondernemingszaken" opgeheven;
2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende :
"Rechters in ondernemingszaken houden op hun ambt uit te oefenen op het einde van de maand in de loop van dewelke zij de leeftijd bereiken van drieënzeventig jaar.".
Art. 99. A l'article 390 du même Code, remplacé par la loi du 4 mai 2016 et modifié par la loi du 15 avril 2018, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 4, les mots "et consulaires" sont abrogés;
2° l'article est complété par un alinéa rédigé comme suit :
"Les juges consulaires cessent d'exercer leurs fonctions à la fin du mois au cours duquel ils atteignent l'âge de septante-trois ans.".
1° dans l'alinéa 4, les mots "et consulaires" sont abrogés;
2° l'article est complété par un alinéa rédigé comme suit :
"Les juges consulaires cessent d'exercer leurs fonctions à la fin du mois au cours duquel ils atteignent l'âge de septante-trois ans.".
Art. 100. In artikel 411, § 3, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 15 juli 2013 en gewijzigd bij de wet van 8 mei 2014 worden in de Franse tekst de woorden "de commerce" vervangen door de woorden "de l'entreprise".
Art. 100. Dans l'article 411, § 3, alinéa 2, du même Code, remplacé par la loi du 15 juillet 2013 et modifié par la loi du 8 mai 2014, les mots "de commerce" sont remplacés par les mots "de l'entreprise".
Art. 101. Artikel 437 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 22 november 2001, wordt aangevuld met een lid, luidende :
"Het beroep van advocaat is verenigbaar met het ambt van rechter in ondernemingszaken.".
"Het beroep van advocaat is verenigbaar met het ambt van rechter in ondernemingszaken.".
Art. 101. L'article 437 du même Code, modifié par la loi du 22 novembre 2001, est complété par un alinéa rédigé comme suit :
"La profession d'avocat est compatible avec la fonction de juge consulaire.".
"La profession d'avocat est compatible avec la fonction de juge consulaire.".
Art. 102. Artikel 521, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 7 januari 2014, wordt aangevuld met de woorden "en met uitzondering van het ambt van rechter in ondernemingszaken".
Art. 102. L'article 521, alinéa 1er, du même Code, remplacé par la loi du 7 janvier 2014, est complété par les mots "et à l'exception des fonctions de juge consulaire".
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van diverse bepalingen
CHAPITRE 2. - Modifications de dispositions diverses
Art. 103. In het opschrift van de wet van 15 juli 1970 tot vaststelling van de personeelsformatie van de rechtbanken van koophandel en tot wijziging van de wet van 10 oktober 1967 houdende het Gerechtelijk Wetboek, worden de woorden "rechtbanken van koophandel" vervangen door het woord "ondernemingsrechtbanken".
Art. 103. Dans l'intitulé de la loi du 15 juillet 1970 déterminant le cadre du personnel des tribunaux de commerce et modifiant la loi du 10 octobre 1967 contenant le Code judiciaire, les mots "des tribunaux de commerce" sont remplacés par les mots "des tribunaux de l'entreprise".
Art. 104. Artikel 2 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 1 december 2013, die vervangen is bij de wet van 6 januari 2014, en gewijzigd bij de wet van 15 april 2018, wordt opgeheven.
Art. 104. L'article 2 de la même loi, remplacé par la loi du 1er décembre 2013 remplacée par la loi du 6 janvier 2014, et modifié par la loi du 15 avril 2018, est abrogé.
Art. 105. In de wet van 31 januari 2007 inzake de gerechtelijke opleiding en kennisbeheer en tot oprichting van het Instituut voor gerechtelijke opleiding, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 juni 2018, wordt een artikel 4/1 ingevoegd, luidende :
"Art. 4/1. De rechter in ondernemingszaken heeft de verplichting om gedurende elke hernieuwing van zijn ambt tenminste 15 opleidingspunten te behalen wat betreft de permanente opleidingen die worden aangeboden door het Instituut voor gerechtelijke opleiding of waarvan het Instituut de inschrijvingsgelden ten laste neemt.
De rechter in ondernemingszaken kiest in overleg met de voorzitter van de ondernemingsrechtbank de opleidingen uit het aanbod van permanente opleidingen.
Een opleidingspunt staat gelijk aan één uur permanente opleiding. Het Instituut kan na advies van het wetenschappelijk comité beslissen dat aan haar eigen opleidingen of andere academische opleidingen meer opleidingspunten per uur kunnen toegekend worden, zonder dat dit evenwel het maximum van 10 opleidingspunten mag overschrijden.
Een rechter in ondernemingszaken die betrokken is als lesgever aan een opleiding bedoeld in artikel 204, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek, van het Instituut, is gerechtigd op opleidingspunten permanente vorming a rato van het aantal uur dat hij aanwezig is geweest tijdens de opleiding, zonder dat dit 10 opleidingspunten mag overschrijden.
Indien een rechter in ondernemingszaken geen les heeft gegeven aan een opleiding bedoeld in artikel 204, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek, van het Instituut, maar wel een tekst heeft geschreven die door het Instituut verder mag verspreid worden onder zijn doelpubliek, zal na advies van het wetenschappelijk comité een aantal punten worden toegekend, zonder dat dit 10 opleidingspunten mag overschrijden.".
"Art. 4/1. De rechter in ondernemingszaken heeft de verplichting om gedurende elke hernieuwing van zijn ambt tenminste 15 opleidingspunten te behalen wat betreft de permanente opleidingen die worden aangeboden door het Instituut voor gerechtelijke opleiding of waarvan het Instituut de inschrijvingsgelden ten laste neemt.
De rechter in ondernemingszaken kiest in overleg met de voorzitter van de ondernemingsrechtbank de opleidingen uit het aanbod van permanente opleidingen.
Een opleidingspunt staat gelijk aan één uur permanente opleiding. Het Instituut kan na advies van het wetenschappelijk comité beslissen dat aan haar eigen opleidingen of andere academische opleidingen meer opleidingspunten per uur kunnen toegekend worden, zonder dat dit evenwel het maximum van 10 opleidingspunten mag overschrijden.
Een rechter in ondernemingszaken die betrokken is als lesgever aan een opleiding bedoeld in artikel 204, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek, van het Instituut, is gerechtigd op opleidingspunten permanente vorming a rato van het aantal uur dat hij aanwezig is geweest tijdens de opleiding, zonder dat dit 10 opleidingspunten mag overschrijden.
Indien een rechter in ondernemingszaken geen les heeft gegeven aan een opleiding bedoeld in artikel 204, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek, van het Instituut, maar wel een tekst heeft geschreven die door het Instituut verder mag verspreid worden onder zijn doelpubliek, zal na advies van het wetenschappelijk comité een aantal punten worden toegekend, zonder dat dit 10 opleidingspunten mag overschrijden.".
Art. 105. Dans la loi du 31 janvier 2007 sur la formation judiciaire et la gestion des connaissances et portant création de l'Institut de formation judiciaire, modifiée en dernier lieu par la loi du 18 juin 2018, il est inséré un article 4/1 rédigé comme suit :
"Art. 4/1. Le juge consulaire est tenu durant chaque renouvellement de ses fonctions d'obtenir au moins 15 points de formation pour ce qui a trait à la formation permanente dispensée par l'Institut de formation judiciaire et dont l'Institut prend en charge les frais d'inscription.
Le juge consulaire choisit en concertation avec le président du tribunal de l'entreprise les formations parmi l'offre de formations permanentes.
Un point de formation équivaut à une heure de formation permanente. Après avis du comité scientifique, l'Institut peut décider qu'un nombre plus élevé de points de formation peut être attribué à ses propres formations ou à d'autres formations académiques, sans toutefois que ce nombre dépasse 10 points de formation au maximum.
Un juge consulaire impliqué comme formateur dans une formation, visée à l'article 204, § 3, du Code judiciaire, de l'Institut a droit à des points de formation permanente à concurrence du nombre d'heures pendant lesquelles il était présent à la formation, sans que ce nombre dépasse 10 points de formation.
Si un juge consulaire n'a pas donné cours dans une formation visée à l'article 204, § 3, du Code judiciaire, de l'Institut, mais qu'il a par contre écrit un texte qui peut être diffusé par l'Institut parmi son public cible, un certain nombre de points seront accordés, après avis du comité scientifique, sans que ce nombre dépasse 10 points de formation.".
"Art. 4/1. Le juge consulaire est tenu durant chaque renouvellement de ses fonctions d'obtenir au moins 15 points de formation pour ce qui a trait à la formation permanente dispensée par l'Institut de formation judiciaire et dont l'Institut prend en charge les frais d'inscription.
Le juge consulaire choisit en concertation avec le président du tribunal de l'entreprise les formations parmi l'offre de formations permanentes.
Un point de formation équivaut à une heure de formation permanente. Après avis du comité scientifique, l'Institut peut décider qu'un nombre plus élevé de points de formation peut être attribué à ses propres formations ou à d'autres formations académiques, sans toutefois que ce nombre dépasse 10 points de formation au maximum.
Un juge consulaire impliqué comme formateur dans une formation, visée à l'article 204, § 3, du Code judiciaire, de l'Institut a droit à des points de formation permanente à concurrence du nombre d'heures pendant lesquelles il était présent à la formation, sans que ce nombre dépasse 10 points de formation.
Si un juge consulaire n'a pas donné cours dans une formation visée à l'article 204, § 3, du Code judiciaire, de l'Institut, mais qu'il a par contre écrit un texte qui peut être diffusé par l'Institut parmi son public cible, un certain nombre de points seront accordés, après avis du comité scientifique, sans que ce nombre dépasse 10 points de formation.".
Art. 106. In artikel 3 van de wet van 23 maart 2019 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op een betere werking van de rechterlijke orde en van de Hoge Raad voor de Justitie, worden in het voorgestelde artikel 87, § 3, eerste lid, de woorden "en plaatsvervangende rechters in ondernemingszaken" en de woorden "en rechters in ondernemingszaken" weglaten.
Art. 106. Dans l'article 3 de la loi du 23 mars 2019 modifiant le Code judiciaire en vue d'améliorer le fonctionnement de l'ordre judiciaire et du Conseil supérieur de la Justice, dans l'article 87, § 3, alinéa 1er, proposé, les mots "et des juges consulaires suppléants" et les mots "et les juges consulaires" sont supprimés.
Art. 107. In artikel 30, c), van dezelfde wet, worden de woorden "en § 3" opgeheven.
Art. 107. Dans l'article 30, c), de la même loi, les mots "et § 3" sont abrogés.
HOOFDSTUK 3. - Overgangsbepalingen
CHAPITRE 3. - Dispositions transitoires
Art. 108. § 1. De op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze titel lopende benoemingsprocedures worden afgehandeld volgens de bepalingen zoals ze van kracht waren vóór de inwerkingtreding van deze titel. De rechters in ondernemingszaken worden echter benoemd in een ondernemingsrechtbank voor een periode die eindigt op 31 mei 2024.
De werkende rechters in ondernemingszaken in een arrondissement of een afdeling die werden benoemd overeenkomstig de wettelijke bepalingen die van toepassing waren vóór de inwerkingtreding van deze titel, worden van rechtswege en zonder toepassing van artikel 287sexies van het Gerechtelijk Wetboek benoemd tot rechter in ondernemingszaken in de ondernemingsrechtbank voor de resterende termijn van hun benoeming. Hun ambt eindigt op 31 mei van het burgerlijk jaar waarin hun ambt een einde neemt. Hun benoeming kan evenwel niet eindigen vóór 31 mei 2020.
Rechters in ondernemingszaken benoemd in een arrondissement of een afdeling die ingevolge het bereiken van de leeftijdsgrens als ontslagnemend worden beschouwd in het jaar voorafgaand aan de inwerkingtreding van titel 9 van deze wet, worden van rechtswege en zonder toepassing van artikel 287sexies van het Gerechtelijk Wetboek benoemd als rechter in ondernemingszaken in de ondernemingsrechtbank voor de resterende termijn van hun benoeming mits zij daartoe langs elektronische weg een verzoek richten aan de minister bevoegd voor Justitie uiterlijk voor 1 september 2019. Hun ambt eindigt op 31 mei van het burgerlijk jaar waarin hun ambt een einde neemt. Hun benoeming kan evenwel niet eindigen vóór 31 mei 2020.
Werkende rechters in ondernemingszaken benoemd in een arrondissement of een afdeling van wie de benoeming of de hernieuwing van de benoeming door de Koning beperkt werd tot het bereiken van de leeftijdsgrens worden van rechtswege geacht benoemd geweest te zijn voor een periode van vijf jaar. Zij worden van rechtswege en zonder toepassing van artikel 287sexies van het Gerechtelijk Wetboek benoemd als rechter in ondernemingszaken in de ondernemingsrechtbank voor de resterende termijn van hun benoeming mits zij daartoe langs elektronische weg een verzoek richten aan de minister bevoegd voor Justitie uiterlijk voor 1 september 2019. Hun ambt eindigt op 31 mei van het burgerlijk jaar waarin hun ambt een einde neemt. Hun benoeming kan evenwel niet eindigen vóór 31 mei 2020.
Rechters in ondernemingszaken aan wie ingevolge het bereiken van de leeftijd ontslag werd verleend en die bij beschikking van de voorzitter van de rechtbank van ondernemingszaken zijn aangewezen tot plaatsvervangend rechter in ondernemingszaken zetelen van rechtswege als rechter in ondernemingszaken voor de resterende termijn vermeld in de beschikking dewelke uiterlijk van rechtswege eindigt op 31 december 2020. [1 De voorzitter van de ondernemingsrechtbank kan de plaatsvervangende rechters in ondernemingszaken, die bij beschikking waren aangewezen op het ogenblik van de inwerkingtreding van titel 9 van deze wet, met hun instemming, bij beschikking verder aanwijzen tot uiterlijk 31 mei 2020.]1
§ 2. De benoemingen bedoeld in de eerste paragraaf kunnen in geen geval langer duren dan tot op het einde van de maand in de loop van dewelke de rechter in ondernemingszaken de leeftijd zal bereiken van drieënzeventig jaar.
§ 3. De in eerste paragraaf benoemde rechters in ondernemingszaken in de Franstalige ondernemingsrechtbank te Brussel worden in subsidiaire orde benoemd in de ondernemingsrechtbank Waals-Brabant en de rechters in ondernemingszaken benoemd in de ondernemingsrechtbank Waals-Brabant worden in subsidiaire orde benoemd in de Franstalige ondernemingsrechtbank te Brussel. De in eerste paragraaf bedoelde rechters in ondernemingszaken benoemd in de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank te Brussel worden in subsidiaire orde benoemd in de ondernemingsrechtbank te Leuven en de rechters in ondernemingszaken benoemd in de ondernemingsrechtbank te Leuven worden in subsidiaire orde benoemd in de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank te Brussel.
§ 4. In afwijking van het artikel 204, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen bij deze wet, kunnen de rechters in ondernemingszaken benoemd of aangewezen overeenkomstig paragrafen 1 en 3 onmiddellijk zitting nemen. De benoemingen bedoeld in paragrafen 1 en 3 kunnen worden hernieuwd overeenkomstig het artikel 205 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen bij deze wet. Na de hernieuwing van hun benoeming kunnen zij slechts zitting nemen indien zij de opleidingen gevolgd hebben overeenkomstig het artikel 204, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen bij deze wet.
De werkende rechters in ondernemingszaken in een arrondissement of een afdeling die werden benoemd overeenkomstig de wettelijke bepalingen die van toepassing waren vóór de inwerkingtreding van deze titel, worden van rechtswege en zonder toepassing van artikel 287sexies van het Gerechtelijk Wetboek benoemd tot rechter in ondernemingszaken in de ondernemingsrechtbank voor de resterende termijn van hun benoeming. Hun ambt eindigt op 31 mei van het burgerlijk jaar waarin hun ambt een einde neemt. Hun benoeming kan evenwel niet eindigen vóór 31 mei 2020.
Rechters in ondernemingszaken benoemd in een arrondissement of een afdeling die ingevolge het bereiken van de leeftijdsgrens als ontslagnemend worden beschouwd in het jaar voorafgaand aan de inwerkingtreding van titel 9 van deze wet, worden van rechtswege en zonder toepassing van artikel 287sexies van het Gerechtelijk Wetboek benoemd als rechter in ondernemingszaken in de ondernemingsrechtbank voor de resterende termijn van hun benoeming mits zij daartoe langs elektronische weg een verzoek richten aan de minister bevoegd voor Justitie uiterlijk voor 1 september 2019. Hun ambt eindigt op 31 mei van het burgerlijk jaar waarin hun ambt een einde neemt. Hun benoeming kan evenwel niet eindigen vóór 31 mei 2020.
Werkende rechters in ondernemingszaken benoemd in een arrondissement of een afdeling van wie de benoeming of de hernieuwing van de benoeming door de Koning beperkt werd tot het bereiken van de leeftijdsgrens worden van rechtswege geacht benoemd geweest te zijn voor een periode van vijf jaar. Zij worden van rechtswege en zonder toepassing van artikel 287sexies van het Gerechtelijk Wetboek benoemd als rechter in ondernemingszaken in de ondernemingsrechtbank voor de resterende termijn van hun benoeming mits zij daartoe langs elektronische weg een verzoek richten aan de minister bevoegd voor Justitie uiterlijk voor 1 september 2019. Hun ambt eindigt op 31 mei van het burgerlijk jaar waarin hun ambt een einde neemt. Hun benoeming kan evenwel niet eindigen vóór 31 mei 2020.
Rechters in ondernemingszaken aan wie ingevolge het bereiken van de leeftijd ontslag werd verleend en die bij beschikking van de voorzitter van de rechtbank van ondernemingszaken zijn aangewezen tot plaatsvervangend rechter in ondernemingszaken zetelen van rechtswege als rechter in ondernemingszaken voor de resterende termijn vermeld in de beschikking dewelke uiterlijk van rechtswege eindigt op 31 december 2020. [1 De voorzitter van de ondernemingsrechtbank kan de plaatsvervangende rechters in ondernemingszaken, die bij beschikking waren aangewezen op het ogenblik van de inwerkingtreding van titel 9 van deze wet, met hun instemming, bij beschikking verder aanwijzen tot uiterlijk 31 mei 2020.]1
§ 2. De benoemingen bedoeld in de eerste paragraaf kunnen in geen geval langer duren dan tot op het einde van de maand in de loop van dewelke de rechter in ondernemingszaken de leeftijd zal bereiken van drieënzeventig jaar.
§ 3. De in eerste paragraaf benoemde rechters in ondernemingszaken in de Franstalige ondernemingsrechtbank te Brussel worden in subsidiaire orde benoemd in de ondernemingsrechtbank Waals-Brabant en de rechters in ondernemingszaken benoemd in de ondernemingsrechtbank Waals-Brabant worden in subsidiaire orde benoemd in de Franstalige ondernemingsrechtbank te Brussel. De in eerste paragraaf bedoelde rechters in ondernemingszaken benoemd in de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank te Brussel worden in subsidiaire orde benoemd in de ondernemingsrechtbank te Leuven en de rechters in ondernemingszaken benoemd in de ondernemingsrechtbank te Leuven worden in subsidiaire orde benoemd in de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank te Brussel.
§ 4. In afwijking van het artikel 204, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen bij deze wet, kunnen de rechters in ondernemingszaken benoemd of aangewezen overeenkomstig paragrafen 1 en 3 onmiddellijk zitting nemen. De benoemingen bedoeld in paragrafen 1 en 3 kunnen worden hernieuwd overeenkomstig het artikel 205 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen bij deze wet. Na de hernieuwing van hun benoeming kunnen zij slechts zitting nemen indien zij de opleidingen gevolgd hebben overeenkomstig het artikel 204, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen bij deze wet.
Art. 108. § 1er. Les procédures de nomination en cours au moment de l'entrée en vigueur du présent titre sont traitées suivant les dispositions qui étaient applicables avant l'entrée en vigueur du présent titre. Les juges consulaires sont toutefois nommés dans un tribunal de l'entreprise pour une période qui prend fin le 31 mai 2024.
Les juges consulaires effectifs nommés dans un arrondissement ou dans une division conformément aux dispositions légales applicables avant l'entrée en vigueur du présent titre, sont nommés, de plein droit et sans application de l'article 287sexies du Code judiciaire, juges consulaires au tribunal de l'entreprise pour le terme restant de leur nomination. Leur fonction prend fin le 31 mai de l'année civile au cours de laquelle leur fonction prend fin. Leur fonction ne peut toutefois pas prendre fin avant le 31 mai 2020.
Les juges consulaires nommés dans un arrondissement ou une division qui, ayant atteint la limite d'âge, sont réputés démissionnaires l'année précédant l'entrée en vigueur du titre 9 de la présente loi sont nommés, de plein droit et sans application de l'article 287sexies du Code judiciaire, juges consulaires au tribunal de l'entreprise pour le terme restant de leur nomination pour autant qu'ils adressent une demande par voie électronique au ministre qui a la Justice dans ses attributions avant le 1er septembre 2019. Leur fonction prend fin le 31 mai de l'année civile au cours de laquelle leur fonction prend fin. Leur fonction ne peut toutefois pas prendre fin avant le 31 mai 2020.
Les juges consulaires effectifs nommés dans un arrondissement ou une division dont la nomination ou le renouvellement de la nomination a été limité par le Roi jusqu'à la limite d'âge sont réputés nommés de plein droit pour une période de cinq ans. Ils sont nommés, de plein droit et sans application de l'article 287sexies du Code judiciaire, juges consulaires au tribunal de l'entreprise pour le terme restant de leur nomination pour autant qu'ils adressent une demande par voie électronique au ministre qui a la Justice dans ses attributions avant le 1er septembre 2019. Leur fonction prend fin le 31 mai de l'année civile au cours de laquelle leur fonction prend fin. Leur fonction ne peut toutefois pas prendre fin avant le 31 mai 2020.
Les juges consulaires qui, ayant atteint la limite d'âge, se sont vu accorder leur démission et qui par ordonnance du président du tribunal de l'entreprise ont été désignés en qualité de juge consulaire suppléant siègent de plein droit comme juges consulaires pour le terme restant mentionné dans l'ordonnance, lequel prend au plus tard fin de plein droit le 31 décembre 2020. [1 Le président du tribunal de l'entreprise peut, avec leur consentement, désigner à nouveau par ordonnance les juges consulaires suppléants qui étaient désignés par ordonnance au moment de l'entrée en vigueur du titre 9 de la présente loi jusqu'au plus tard le 31 mai 2020.]1
§ 2. Les nominations visées au paragraphe 1er ne peuvent en aucun cas se prolonger au-delà de la fin du mois au cours duquel le juge consulaire aura atteint l'âge de septante-trois ans.
§ 3. Les juges consulaires visés au paragraphe 1er qui sont nommés au tribunal de l'entreprise francophone de Bruxelles sont nommés à titre subsidiaire au tribunal de l'entreprise du Brabant wallon et les juges consulaires nommés au tribunal de l'entreprise du Brabant wallon sont nommés à titre subsidiaire au tribunal de l'entreprise francophone de Bruxelles. Les juges consulaires visés au paragraphe 1er qui sont nommés au tribunal de l'entreprise néerlandophone de Bruxelles sont nommés à titre subsidiaire au tribunal de l'entreprise de Louvain et les juges consulaires nommés au tribunal de l'entreprise de Louvain sont nommés à titre subsidiaire au tribunal de l'entreprise néerlandophone de Bruxelles.
§ 4. Par dérogation à l'article 204, § 3, du Code judiciaire, tel que remplacé par la présente loi, les juges consulaires nommés ou désignés conformément au paragraphes 1er et 3 peuvent siéger immédiatement. Les nominations visée aux paragraphes 1er et 3, peuvent être renouvelées conformément à l'article 205 du Code judiciaire, tel que remplacé par la présente loi. Après le renouvellement de leur nomination, ils ne peuvent siéger que s'ils ont suivi les formations visées à l'article 204, § 3, du Code judiciaire tel que remplacé par la présente loi.
Les juges consulaires effectifs nommés dans un arrondissement ou dans une division conformément aux dispositions légales applicables avant l'entrée en vigueur du présent titre, sont nommés, de plein droit et sans application de l'article 287sexies du Code judiciaire, juges consulaires au tribunal de l'entreprise pour le terme restant de leur nomination. Leur fonction prend fin le 31 mai de l'année civile au cours de laquelle leur fonction prend fin. Leur fonction ne peut toutefois pas prendre fin avant le 31 mai 2020.
Les juges consulaires nommés dans un arrondissement ou une division qui, ayant atteint la limite d'âge, sont réputés démissionnaires l'année précédant l'entrée en vigueur du titre 9 de la présente loi sont nommés, de plein droit et sans application de l'article 287sexies du Code judiciaire, juges consulaires au tribunal de l'entreprise pour le terme restant de leur nomination pour autant qu'ils adressent une demande par voie électronique au ministre qui a la Justice dans ses attributions avant le 1er septembre 2019. Leur fonction prend fin le 31 mai de l'année civile au cours de laquelle leur fonction prend fin. Leur fonction ne peut toutefois pas prendre fin avant le 31 mai 2020.
Les juges consulaires effectifs nommés dans un arrondissement ou une division dont la nomination ou le renouvellement de la nomination a été limité par le Roi jusqu'à la limite d'âge sont réputés nommés de plein droit pour une période de cinq ans. Ils sont nommés, de plein droit et sans application de l'article 287sexies du Code judiciaire, juges consulaires au tribunal de l'entreprise pour le terme restant de leur nomination pour autant qu'ils adressent une demande par voie électronique au ministre qui a la Justice dans ses attributions avant le 1er septembre 2019. Leur fonction prend fin le 31 mai de l'année civile au cours de laquelle leur fonction prend fin. Leur fonction ne peut toutefois pas prendre fin avant le 31 mai 2020.
Les juges consulaires qui, ayant atteint la limite d'âge, se sont vu accorder leur démission et qui par ordonnance du président du tribunal de l'entreprise ont été désignés en qualité de juge consulaire suppléant siègent de plein droit comme juges consulaires pour le terme restant mentionné dans l'ordonnance, lequel prend au plus tard fin de plein droit le 31 décembre 2020. [1 Le président du tribunal de l'entreprise peut, avec leur consentement, désigner à nouveau par ordonnance les juges consulaires suppléants qui étaient désignés par ordonnance au moment de l'entrée en vigueur du titre 9 de la présente loi jusqu'au plus tard le 31 mai 2020.]1
§ 2. Les nominations visées au paragraphe 1er ne peuvent en aucun cas se prolonger au-delà de la fin du mois au cours duquel le juge consulaire aura atteint l'âge de septante-trois ans.
§ 3. Les juges consulaires visés au paragraphe 1er qui sont nommés au tribunal de l'entreprise francophone de Bruxelles sont nommés à titre subsidiaire au tribunal de l'entreprise du Brabant wallon et les juges consulaires nommés au tribunal de l'entreprise du Brabant wallon sont nommés à titre subsidiaire au tribunal de l'entreprise francophone de Bruxelles. Les juges consulaires visés au paragraphe 1er qui sont nommés au tribunal de l'entreprise néerlandophone de Bruxelles sont nommés à titre subsidiaire au tribunal de l'entreprise de Louvain et les juges consulaires nommés au tribunal de l'entreprise de Louvain sont nommés à titre subsidiaire au tribunal de l'entreprise néerlandophone de Bruxelles.
§ 4. Par dérogation à l'article 204, § 3, du Code judiciaire, tel que remplacé par la présente loi, les juges consulaires nommés ou désignés conformément au paragraphes 1er et 3 peuvent siéger immédiatement. Les nominations visée aux paragraphes 1er et 3, peuvent être renouvelées conformément à l'article 205 du Code judiciaire, tel que remplacé par la présente loi. Après le renouvellement de leur nomination, ils ne peuvent siéger que s'ils ont suivi les formations visées à l'article 204, § 3, du Code judiciaire tel que remplacé par la présente loi.
Änderungen
Art. 109. Opleidingen bedoeld in het artikel 204, § 3, van het Gerechtelijk wetboek, zoals vervangen door deze wet, die reeds gevolgd werden in de loop van vijf jaar voorafgaand aan de inwerkingtreding van titel 9 van deze wet worden van rechtswege geacht gevolgd te zijn in het kader van de verplichte opleiding bedoeld in het nieuwe artikel 4/1 van de wet van 31 januari 2007 inzake de gerechtelijke opleiding en kennisbeheer en tot oprichting van het Instituut voor gerechtelijke opleiding, zoals ingevoegd bij deze wet.".
Art. 109. Les formations visées à l'article 204, § 3, du Code judiciaire, tel que remplacé par la présente loi, qui ont déjà été suivies au cours des cinq années précédant l'entrée en vigueur du titre 9 de la présente loi sont réputées de plein droit avoir été suivies dans le cadre de la formation obligatoire visée au nouvel article 4/1 de la loi du 31 janvier 2007 sur la formation judiciaire et la gestion des connaissances et portant création de l'Institut de formation judiciaire, tel qu' inséré par la présente loi.".
TITEL 10. - Wijzigingen betreffende de Notariële Aktebank
TITRE 10. - Modifications concernant la Banque des actes notariés
HOOFDSTUK 1. - Wet van 25 ventôse jaar XI op het notarisambt
CHAPITRE 1er. - Loi du 25 ventôse an XI contenant organisation du notariat
Art. 110. Artikel 1 van de wet van 25 ventôse jaar XI op het notarisambt, gewijzigd bij de wet van 16 april 1927, wordt aangevuld met twee leden, luidende :
"De notaris licht elke partij altijd volledig in over de rechten, verplichtingen en lasten die voortvloeien uit de rechtshandelingen waarbij hij betrokken is en geeft aan alle partijen op onpartijdige wijze raad.
Onder voorbehoud van de rechten der openbare overheid en behoudens andersluidende wettelijke bepaling is de notaris bevoegd voor de waarmerking van gedematerialiseerde gegevens en documenten, in het bijzonder op het vlak van de herkomst van de gegevens en documenten, en om er gewaarmerkte afschriften of uittreksels van af te leveren, al dan niet in gedematerialiseerde vorm, die de conformiteit bevestigen met het oorspronkelijk gegeven of document. De notaris is tevens bevoegd om, al dan niet in gedematerialiseerde vorm, de identiteit en de elektronische of manuele handtekening van personen te waarmerken. De in dit lid bedoelde waarmerkingen vereisen geen authentieke akte en zijn niet onderworpen aan de wettelijke en reglementaire bepalingen betreffende de notariële akten.".
"De notaris licht elke partij altijd volledig in over de rechten, verplichtingen en lasten die voortvloeien uit de rechtshandelingen waarbij hij betrokken is en geeft aan alle partijen op onpartijdige wijze raad.
Onder voorbehoud van de rechten der openbare overheid en behoudens andersluidende wettelijke bepaling is de notaris bevoegd voor de waarmerking van gedematerialiseerde gegevens en documenten, in het bijzonder op het vlak van de herkomst van de gegevens en documenten, en om er gewaarmerkte afschriften of uittreksels van af te leveren, al dan niet in gedematerialiseerde vorm, die de conformiteit bevestigen met het oorspronkelijk gegeven of document. De notaris is tevens bevoegd om, al dan niet in gedematerialiseerde vorm, de identiteit en de elektronische of manuele handtekening van personen te waarmerken. De in dit lid bedoelde waarmerkingen vereisen geen authentieke akte en zijn niet onderworpen aan de wettelijke en reglementaire bepalingen betreffende de notariële akten.".
Art. 110. L'article 1er de la loi du 25 ventôse XI contenant organisation du notariat, modifié par la loi du 16 avril 1927, est complété par deux alinéas rédigés comme suit :
"Le notaire informe toujours entièrement chaque partie des droits, des obligations et des charges découlant des actes juridiques dans lesquels il intervient et conseille les parties en toute impartialité.
Sous réserve des droits de l'autorité publique et sauf disposition légale contraire, le notaire a la compétence pour la certification de données et documents dématérialisés, en particulier sur le plan de l'origine des données et documents, et pour en délivrer des copies ou extraits certifiés, sous forme dématérialisée ou non, qui attestent la conformité avec la donnée ou le document original. Le notaire est également compétent pour certifier, sous forme dématérialisée ou non, l'identité et la signature électronique ou manuscrite des personnes. Les certifications visées au présent alinéa ne nécessitent pas un acte authentique et ne sont pas soumises aux dispositions légales et réglementaires relatives aux actes notariés.".
"Le notaire informe toujours entièrement chaque partie des droits, des obligations et des charges découlant des actes juridiques dans lesquels il intervient et conseille les parties en toute impartialité.
Sous réserve des droits de l'autorité publique et sauf disposition légale contraire, le notaire a la compétence pour la certification de données et documents dématérialisés, en particulier sur le plan de l'origine des données et documents, et pour en délivrer des copies ou extraits certifiés, sous forme dématérialisée ou non, qui attestent la conformité avec la donnée ou le document original. Le notaire est également compétent pour certifier, sous forme dématérialisée ou non, l'identité et la signature électronique ou manuscrite des personnes. Les certifications visées au présent alinéa ne nécessitent pas un acte authentique et ne sont pas soumises aux dispositions légales et réglementaires relatives aux actes notariés.".
Art. 111. In artikel 20, eerste lid, 2°, van de wet van 6 mei 2009 houdende diverse bepalingen, vervangen bij de wet van 6 juli 2017, worden de woorden "vijftien dagen na het verlijden" vervangen door de woorden "termijn die is voorgeschreven voor de aanbieding ter registratie, overeenkomstig artikel 32 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten".
Art. 111. Dans l'article 20, alinéa 1er, 2°, de la loi du 6 mai 2009 portant des dispositions diverses, remplacé par la loi du 6 juillet 2017, les mots "les quinze jours suivant la réception" sont remplacés par les mots "le délai prescrit pour la présentation à l'enregistrement, conformément à l'article 32 du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe".
Art. 112. In de wet van 25 ventôse jaar XI op het notarisambt, gewijzigd bij de wet van 4 mei 1999, wordt een artikel 18bis ingevoegd luidende :
"Art. 18bis. De in authentieke vorm verleden testamenten, herroepingen van testament en contractuele erfstellingen bij afzonderlijke akte, worden binnen de vijftien dagen na het verlijden van de akte enkel ingeschreven in de Notariële Aktebank, zonder dat een gedematerialiseerd afschrift wordt neergelegd.
Een gedematerialiseerd afschrift van de in het eerste lid vermelde akten zal worden neergelegd in de Notariële Aktebank die beheerd wordt door de Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat bij de aanbieding ter registratie van de akte.".
"Art. 18bis. De in authentieke vorm verleden testamenten, herroepingen van testament en contractuele erfstellingen bij afzonderlijke akte, worden binnen de vijftien dagen na het verlijden van de akte enkel ingeschreven in de Notariële Aktebank, zonder dat een gedematerialiseerd afschrift wordt neergelegd.
Een gedematerialiseerd afschrift van de in het eerste lid vermelde akten zal worden neergelegd in de Notariële Aktebank die beheerd wordt door de Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat bij de aanbieding ter registratie van de akte.".
Art. 112. Dans la loi du 25 ventôse an XI contenant organisation du notariat, modifiée par la loi du 4 mai 1999, il est inséré un article 18bis rédigé comme suit :
"Art. 18bis. Les testaments, les révocations de testament et les institutions contractuelles par acte séparé, reçus dans la forme authentique, feront uniquement l'objet d'une inscription dans la Banque des actes notariés dans les quinze jours suivant la réception de l'acte, sans qu'une copie dématérialisée ne soit déposée.
Une copie dématérialisée des actes mentionnés à l'alinéa 1er sera déposée à la Banque des actes notariés gérée par la Fédération Royale du Notariat belge lors de la présentation à l'enregistrement de l'acte.".
"Art. 18bis. Les testaments, les révocations de testament et les institutions contractuelles par acte séparé, reçus dans la forme authentique, feront uniquement l'objet d'une inscription dans la Banque des actes notariés dans les quinze jours suivant la réception de l'acte, sans qu'une copie dématérialisée ne soit déposée.
Une copie dématérialisée des actes mentionnés à l'alinéa 1er sera déposée à la Banque des actes notariés gérée par la Fédération Royale du Notariat belge lors de la présentation à l'enregistrement de l'acte.".
Art. 113. In dezelfde wet wordt een artikel 18ter ingevoegd luidende :
"Art. 18ter. In de Notariële Aktebank worden tevens neergelegd en bewaard :
1° alle gegevens en documenten die door de notaris samen met een uitgifte van een notariële akte waarop zij betrekking hebben, dienen te worden aangeboden aan of neergelegd bij een overheidsinstantie;
2° het registratierelaas en, in voorkomend geval, de gelijkaardige afzonderlijke berichten met betrekking tot regionale registratierechten van de overeenkomstig artikel 18 en 18bis in de Notariële Aktebank neergelegde akten;
3° in voorkomend geval, het relaas of bewijs van de vervulling van een hypothecaire formaliteit van de overeenkomstig artikel 18 in de Notariële Aktebank neergelegde akten;
4° latere meldingen op en bijvoegingen of aanhechtingen aan de overeenkomstig artikel 18 en 18bis in de Notariële Aktebank neergelegde akten.
De Koning bepaalt, na advies te hebben ingewonnen van de minister van Financiën, de modaliteiten van de neerlegging, de bewaring en de toegang tot de gegevens en documenten bedoeld in het vorige lid.
De Notariële Aktebank geldt als authentieke bron voor de in het eerste lid bepaalde gegevens en documenten.
De plannen die ingevolge aanhechting of neerlegging deel uitmaken van overeenkomstig de artikelen 18, 18bis en 18ter in de Notariële Aktebank neer te leggen akten, moeten niet opgenomen worden in deze Notariële Aktebank, op voorwaarde dat in een verklaring in de akte of in een ondertekende verklaring onderaan de akte, de partijen of de instrumenterende notaris in hun naam:
1° bevestigen dat ze opgenomen zijn in de databank van plannen van afbakening van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie, zonder nadien te zijn gewijzigd;
2° de referte ervan in deze databank vermelden.
"Art. 18ter. In de Notariële Aktebank worden tevens neergelegd en bewaard :
1° alle gegevens en documenten die door de notaris samen met een uitgifte van een notariële akte waarop zij betrekking hebben, dienen te worden aangeboden aan of neergelegd bij een overheidsinstantie;
2° het registratierelaas en, in voorkomend geval, de gelijkaardige afzonderlijke berichten met betrekking tot regionale registratierechten van de overeenkomstig artikel 18 en 18bis in de Notariële Aktebank neergelegde akten;
3° in voorkomend geval, het relaas of bewijs van de vervulling van een hypothecaire formaliteit van de overeenkomstig artikel 18 in de Notariële Aktebank neergelegde akten;
4° latere meldingen op en bijvoegingen of aanhechtingen aan de overeenkomstig artikel 18 en 18bis in de Notariële Aktebank neergelegde akten.
De Koning bepaalt, na advies te hebben ingewonnen van de minister van Financiën, de modaliteiten van de neerlegging, de bewaring en de toegang tot de gegevens en documenten bedoeld in het vorige lid.
De Notariële Aktebank geldt als authentieke bron voor de in het eerste lid bepaalde gegevens en documenten.
De plannen die ingevolge aanhechting of neerlegging deel uitmaken van overeenkomstig de artikelen 18, 18bis en 18ter in de Notariële Aktebank neer te leggen akten, moeten niet opgenomen worden in deze Notariële Aktebank, op voorwaarde dat in een verklaring in de akte of in een ondertekende verklaring onderaan de akte, de partijen of de instrumenterende notaris in hun naam:
1° bevestigen dat ze opgenomen zijn in de databank van plannen van afbakening van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie, zonder nadien te zijn gewijzigd;
2° de referte ervan in deze databank vermelden.
Art. 113. Dans la même loi, il est inséré un article 18ter rédigé comme suit:
"Art. 18ter. Sont en outre déposés et conservés dans la Banque des actes notariés :
1° toutes les données et documents qui doivent être présentées à ou déposés auprès d'une instance publique par le notaire avec une expédition d'un acte notarié sur lequel elles se rapportent;
2° la relation de l'enregistrement et, le cas échéant, les messages séparés comparables relatifs aux droits d'enregistrement régionaux des actes déposés dans la Banque des actes notariés conformément aux articles 18 et 18bis;
3° les cas échéant, la relation ou la preuve de l'accomplissement d'une formalité hypothécaire des actes déposés dans la Banque des actes notariés conformément à l'article 18;
4° les mentions ultérieures et les adjonctions ou annexions ultérieures aux actes déposés dans la Banque des actes notariés conformément aux articles 18 et 18bis.
Le Roi détermine, après avoir pris l'avis du ministre des Finances, les modalités du dépôt, de la conservation et de l'accès aux données et documents prévues à l'alinéa précédent.
La Banque des actes notariés aura la valeur de source authentique pour les données et documents visés à l'alinéa 1er.
Les plans qui, par annexion ou dépôt, font partie des actes à déposer dans la Banque des actes notariés conformément aux articles 18, 18bis et 18ter, ne doivent pas être repris dans cette Banque des actes notariés à condition que, dans une déclaration dans le corps ou signée au pied de l'acte, les parties ou en leur nom le notaire instrumentant:
1° certifient qu'ils sont repris dans la base de données des plans de délimitation de l'Administration générale de la Documentation patrimoniale, sans avoir été modifiés depuis lors;
2° en mentionnent la référence dans cette base de données.
"Art. 18ter. Sont en outre déposés et conservés dans la Banque des actes notariés :
1° toutes les données et documents qui doivent être présentées à ou déposés auprès d'une instance publique par le notaire avec une expédition d'un acte notarié sur lequel elles se rapportent;
2° la relation de l'enregistrement et, le cas échéant, les messages séparés comparables relatifs aux droits d'enregistrement régionaux des actes déposés dans la Banque des actes notariés conformément aux articles 18 et 18bis;
3° les cas échéant, la relation ou la preuve de l'accomplissement d'une formalité hypothécaire des actes déposés dans la Banque des actes notariés conformément à l'article 18;
4° les mentions ultérieures et les adjonctions ou annexions ultérieures aux actes déposés dans la Banque des actes notariés conformément aux articles 18 et 18bis.
Le Roi détermine, après avoir pris l'avis du ministre des Finances, les modalités du dépôt, de la conservation et de l'accès aux données et documents prévues à l'alinéa précédent.
La Banque des actes notariés aura la valeur de source authentique pour les données et documents visés à l'alinéa 1er.
Les plans qui, par annexion ou dépôt, font partie des actes à déposer dans la Banque des actes notariés conformément aux articles 18, 18bis et 18ter, ne doivent pas être repris dans cette Banque des actes notariés à condition que, dans une déclaration dans le corps ou signée au pied de l'acte, les parties ou en leur nom le notaire instrumentant:
1° certifient qu'ils sont repris dans la base de données des plans de délimitation de l'Administration générale de la Documentation patrimoniale, sans avoir été modifiés depuis lors;
2° en mentionnent la référence dans cette base de données.
HOOFDSTUK 2. - Financiering
CHAPITRE 2. - Financement
Art. 114. In dezelfde wet wordt een artikel 18quater ingevoegd luidende :
Voor de financiering van de inrichting en het onderhoud van de Notariële Aktebank, zoals bepaald door artikel 18, wordt een vergoeding aangerekend naar aanleiding van de neerlegging, waarvan de hoogte en de betalingsformaliteiten worden bepaald door de Koning na overleg in de Ministerraad.
Voor de financiering van de inrichting en het onderhoud van de Notariële Aktebank, zoals bepaald door artikel 18, wordt een vergoeding aangerekend naar aanleiding van de neerlegging, waarvan de hoogte en de betalingsformaliteiten worden bepaald door de Koning na overleg in de Ministerraad.
Art. 114. Dans la même loi, il est inséré un article 18quater rédigé comme suit :
Pour le financement de la création et du maintien de la Banque des actes notariés, tel que prévue à l'article 18, une redevance, dont le montant et les modalités de paiement sont fixés par le Roi par arrêté délibéré en Conseil des ministres, est imputée à l'occasion du dépôt.
Pour le financement de la création et du maintien de la Banque des actes notariés, tel que prévue à l'article 18, une redevance, dont le montant et les modalités de paiement sont fixés par le Roi par arrêté délibéré en Conseil des ministres, est imputée à l'occasion du dépôt.
HOOFDSTUK 3. - Overgangsmaatregelen en inwerkingtreding
CHAPITRE 3. - Dispositions transitoires et entrée en vigueur
Art. 115. De gedematerialiseerde uitgiften, bijlagen, gegevens en documenten, van akten die vóór de oprichting van de Notariële Aktebank op gedematerialiseerde wijze werden aangeboden tot de registratieformaliteit of tot de hypothecaire openbaarmaking, waarvan de toegestane bewaringstermijn nog niet is verstreken, worden eveneens opgenomen in de Notariële Aktebank. De bepalingen van de artikelen 3 en 4 van deze wet en van artikel 18 van de wet van 25 ventôse jaar XI op het notarisambt, zoals ingevoegd door artikel 20 van de wet van 6 mei 2009 houdende diverse bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing.
Art. 115. Les copies dématérialisées d'expéditions, annexes, données et documents d'actes qui ont été présentés par voie dématérialisée à la formalité de l'enregistrement ou à la publicité hypothécaire avant la création de la Banque des actes notariés, dont le délai de conservation autorisée n'est pas encore écoulé, sont également reprises dans la Banque des actes notariés. Les dispositions des articles 3 et 4 de la présente loi et de l'article 18 de la loi du 25 ventôse an XI contenant organisation du notariat, tel qu'inséré par l'article 20 de la loi du 6 mai 2009 portant des dispositions diverses, sont d'application.
Art. 116. De artikelen 112 tot en met 115 treden in werking op het ogenblik dat artikel 20, eerste lid, 2°, van de wet van 6 mei 2009 in werking treedt.
Art. 116. Les articles 112 à 115 entrent en vigueur au moment de l'entrée en vigueur de l'article 20, alinéa 1er, 2°, de la loi du 6 mai 2009.
Titel 11. - Wijzigingen aan de programmawet van 24 december 2002 betreffende het bewaren op elektronische wijze van een exemplaar van het Belgisch Staatsblad
Titre 11. - Modifications de la loi programme du 24 décembre 2002 concernant la conservation électronique d'un exemplaire du Moniteur belge
Art. 117. In artikel 474 van de programmawet (I) van 24 december 2002 wordt het derde lid vervangen als volgt :
"Eén exemplaar wordt bewaard op elektronische wijze. De Koning bepaalt de modaliteiten van de bewaring op elektronische wijze. Hij kan de elektronische bronbestanden van de in het eerste lid bedoelde exemplaren, of één van die bestanden, conform verklaren aan een op elektronische wijze bewaard exemplaar in de zin van dit lid.".
"Eén exemplaar wordt bewaard op elektronische wijze. De Koning bepaalt de modaliteiten van de bewaring op elektronische wijze. Hij kan de elektronische bronbestanden van de in het eerste lid bedoelde exemplaren, of één van die bestanden, conform verklaren aan een op elektronische wijze bewaard exemplaar in de zin van dit lid.".
Art. 117. Dans l'article 474 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002, l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit :
"Un exemplaire est conservé électroniquement. Le Roi détermine les modalités de la conservation électronique. Il peut déclarer les fichiers source électroniques des exemplaires visés dans l'alinéa 1er, ou un de ces fichiers, conforme à un exemplaire conservé électroniquement au sens du présent alinéa.".
"Un exemplaire est conservé électroniquement. Le Roi détermine les modalités de la conservation électronique. Il peut déclarer les fichiers source électroniques des exemplaires visés dans l'alinéa 1er, ou un de ces fichiers, conforme à un exemplaire conservé électroniquement au sens du présent alinéa.".
Art. 118. Deze titel heeft uitwerking met ingang van 17 oktober 2013.
Art. 118. Le présent titre produit ses effets le 17 octobre 2013.
Titel 12. - Wijzigingen van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden
Titre 12. - Modifications de la loi de principes du 12 janvier 2005 concernant l'administration pénitentiaire ainsi que le statut juridique des détenus
Art. 119. In artikel 32 van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden worden de woorden ", met inbegrip van de vastlegging en de opslag van de beeltenis van de persoon die de gevangenis betreedt," ingevoegd tussen de woorden "controle- en veiligheidsmaatregelen" en "waarvan de Koning".
Art. 119. A l'article 32 de la loi de principes du 12 janvier 2005 concernant l'administration pénitentiaire ainsi que le statut juridique des détenus, les mots "en ce compris la prise et l'enregistrement du portrait de la personne qui entre dans la prison" sont insérés entre les mots "mesures de contrôle et de sécurité" et "dont le Roi".
Art. 120. In artikel 61, § 2, van dezelfde wet worden de woorden "van de vastlegging van de beeltenis van de bezoeker," opgeheven.
Art. 120. A l'article 61, § 2, de la même loi, les mots "l'enregistrement du portrait du visiteur" sont supprimés.
TITEL 13. - Wijzigingen van de wet van 18 juni 2018 houdende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en bepalingen met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing
TITRE 13. - Modifications de la loi du 18 juin 2018 portant dispositions diverses en matière de droit civil et des dispositions en vue de promouvoir des formes alternatives de résolution des litiges
Art. 121. In artikel 239, vijfde lid, van de wet van 18 juni 2018 houdende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en bepalingen met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing, worden de woorden "tot 1 september 2019" vervangen door de woorden "tot 1 september 2020".
Art. 121. Dans l'article 239, alinéa 5, de la loi du 18 juin 2018 portant dispositions diverses en matière de droit civil et des dispositions en vue de promouvoir des formes alternatives de résolution des litiges, les mots "jusqu'au 1er septembre 2019" sont remplacés par les mots "jusqu'au 1er septembre 2020".
Art. 122. In artikel 239, zesde lid, van dezelfde wet, worden de woorden "tot 1 september 2020" vervangen door de woorden "tot 1 september 2021".
Art. 122. Dans l'article 239, alinéa 6, de la même loi, les mots "jusqu'au 1er septembre 2020" sont remplacés par les mots "jusqu'au 1er septembre 2021".
TITEL 14. - Wijzigingen aan de wet van 10 augustus 2005 tot oprichting van het informatiesysteem Phenix
TITRE 14. - Modifications à la loi du 10 août 2005 instituant le système d'information Phenix
Art. 123. In artikel 7 van de wet van 10 augustus 2005 tot oprichting van het informatiesysteem Phenix, worden de woorden "in Phenix" opgeheven.
Art. 123. A l'article 7 de la loi du 10 août 2005 instituant le système d'information Phenix, les mots "au sein de Phenix," sont abrogés.
Art. 124. In artikel 8 van de dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 12 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het tweede lid worden de woorden "enkel toegankelijk voor de leden van dat gerecht" vervangen door de woorden "toegankelijk voor de leden van de rechterlijke orde";
2° in het vierde lid worden de woorden "Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer" vervangen door het woord "Gegevensbeschermingsautoriteit".
1° in het tweede lid worden de woorden "enkel toegankelijk voor de leden van dat gerecht" vervangen door de woorden "toegankelijk voor de leden van de rechterlijke orde";
2° in het vierde lid worden de woorden "Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer" vervangen door het woord "Gegevensbeschermingsautoriteit".
Art. 124. A l'article 8 de la même loi, modifié par la loi du 12 mai 2014, les modifications suivantes sont apportées :
1° à l'alinéa 2, les mots "seuls membres de cette juridiction" sont remplacés par les mots "membres de l'ordre judiciaire";
2° à l'alinéa 4, les mots "la Commission de la Protection de la Vie Privée" sont remplacés par les mots "l'Autorité de protection des données".
1° à l'alinéa 2, les mots "seuls membres de cette juridiction" sont remplacés par les mots "membres de l'ordre judiciaire";
2° à l'alinéa 4, les mots "la Commission de la Protection de la Vie Privée" sont remplacés par les mots "l'Autorité de protection des données".
TITEL 15. - Wijzigingen betreffende het centraal erfrechtregister
TITRE 15. - Modifications concernant le registre central successoral
Art. 125. Artikel 805 van het Burgerlijk Wetboek, vervangen bij de wet van 10 oktober 1967, wordt vervangen als volgt:
"Art. 805. De beschikking tot aanwijzing van een beheerder in toepassing van de artikelen 803bis en 804, wordt binnen de vijftien dagen opgenomen in het centraal erfrechtregister, zoals bedoeld in de artikelen 892/1 en volgende".
"Art. 805. De beschikking tot aanwijzing van een beheerder in toepassing van de artikelen 803bis en 804, wordt binnen de vijftien dagen opgenomen in het centraal erfrechtregister, zoals bedoeld in de artikelen 892/1 en volgende".
Art. 125. L'article 805 du Code civil, remplacé par la loi du 10 octobre 1967, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 805. L'ordonnance de désignation d'un administrateur en application des articles 803bis et 804 est enregistrée dans les quinze jours dans le registre central successoral, visé aux articles 892/1 et suivants".
"Art. 805. L'ordonnance de désignation d'un administrateur en application des articles 803bis et 804 est enregistrée dans les quinze jours dans le registre central successoral, visé aux articles 892/1 et suivants".
Art. 126. In artikel 892/6 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 6 juli 2017, worden de woorden "van de aanwijzingen van een curator, en van de aanwijzingen van een beheerder," ingevoegd tussen de woorden "voorrecht van boedelbeschrijving" en de woorden "die door de Koninklijke Federatie".
Art. 126. A l'article 892/6 du même Code, inséré par la loi du 6 juillet 2017, les mots "des désignations d'un curateur, et des désignations d'un administrateur," sont insérés entre les mots "sous bénéfice d'inventaire," et les mots "qui doivent être reprises par la Fédération Royale".
Art. 127. In artikel 1228 van het Gerechtelijk Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 juli 2013, wordt het tweede lid opgeheven.
Art. 127. Dans l'article 1228 du Code judiciaire, modifié en dernier lieu par la loi du 30 juillet 2013, l'alinéa 2 est abrogé.
Art. 128. Artikel 1231 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
"De aanwijzing van een curator in het geval van artikel 811 van het Burgerlijk Wetboek, wordt binnen de vijftien dagen opgenomen in het centraal erfrechtregister, zoals bedoeld in de artikelen 892/1 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.".
"De aanwijzing van een curator in het geval van artikel 811 van het Burgerlijk Wetboek, wordt binnen de vijftien dagen opgenomen in het centraal erfrechtregister, zoals bedoeld in de artikelen 892/1 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.".
Art. 128. L'article 1231 du même Code est remplacé par ce qui suit :
"La désignation d'un curateur en application de l'article 811 du Code civil est enregistrée dans les quinze jours dans le registre central successoral, visé aux articles 892/1 et suivants du Code civil.".
"La désignation d'un curateur en application de l'article 811 du Code civil est enregistrée dans les quinze jours dans le registre central successoral, visé aux articles 892/1 et suivants du Code civil.".
TITEL 16. - Wijziging aan het Gerechtelijk Wetboek betreffende de vervangingen in de rechtbanken
TITRE 16. - Modification du Code judiciaire concernant le remplacement dans les tribunaux
Art. 129. In artikel 323bis, § 1, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 22 december 1998, vervangen bij de wet van 17 juli 2000 en gewijzigd bij de wetten van 3 mei 2003 en 1 december 2013, worden de woorden", met uitzondering van de vrederechters en de rechters in de politierechtbank," opgeheven.
Art. 129. Dans l'article 323bis, § 1er, alinéa 1er, du Code judiciaire, inséré par la loi du 22 décembre 1998, remplacé par la loi du 17 juillet 2000 et modifié par les lois du 3 mai 2003 et du 1er décembre 2013, les mots ", à l'exception des juges de paix et des juges au tribunal de police" sont abrogés.
TITEL 17. - Wijziging aan het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten
TITRE 17. - Modifications du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe
Art. 130. In artikel 2691, eerste lid, 2°, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, ingevoegd bij de wet van 10 oktober 1967, vervangen bij de wet van 28 april 2015 vernietigd bij het arrest nr. 13/2017 van het Grondwettelijk Hof, gewijzigd bij de wet van 14 oktober 2018, worden de woorden "rechtbanken van koophandel" vervangen door de woorden "ondernemingsrechtbanken".
Art. 130. Dans l'article 2691, alinéa 1er, 2°, du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe, inséré par la loi du 10 octobre 1967, remplacé par la loi du 28 avril 2015 annulée par l'arrêt de la Cour constitutionnelle n° 13/2017, modifié par la loi du 14 octobre 2018, les mots "tribunaux du commerce" sont remplacés par les mots "tribunaux de l'entreprise".
Art. 131. In artikel 2692, § 2, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 10 oktober 1967, vervangen bij de wet van 28 april 2015 vernietigd bij het arrest nr. 13/2017 van het Grondwettelijk Hof, vervangen bij de wet van 14 oktober 2018, worden de woorden", § 1 en § 2, a)," ingevoegd tussen de woorden "artikel 730" en de woorden "van het Gerechtelijk Wetboek".
Art. 131. Dans l'article 2692, § 2, du même Code, inséré par la loi du 10 octobre 1967, remplacé par la loi du 28 avril 2015 annulée par l'arrêt de la Cour constitutionnelle n° 13/2017, remplacé par la loi du 14 octobre 2018, les mots ", § 1er et § 2, a)," sont insérés entre les mots "l'article 730" et les mots "du Code judiciaire".
TITEL 18. - Wijzigingen betreffende het gebruik van het rijksregisternummer Rijksregister van de natuurlijke personen
TITRE 18. - Modifications concernant l'utilisation du numéro d'identification du registre national des personnes physiques
Art. 132. Artikel 142 van de Hypotheekwet, ingevoegd bij de wet van 9 februari 1995, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met een paragraaf 2, luidende :
" § 2. Personen die gemachtigd zijn om een getuigschrift aan te vragen bij de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie gebruiken, in voorkomend geval, het identificatienummer van het Rijksregister van de natuurlijke personen uit hoofde van wie de inlichtingen worden gevraagd, als zoekcriterium, voor zover zij worden beoogd overeenkomstig artikel 5, § 1 van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.".
" § 2. Personen die gemachtigd zijn om een getuigschrift aan te vragen bij de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie gebruiken, in voorkomend geval, het identificatienummer van het Rijksregister van de natuurlijke personen uit hoofde van wie de inlichtingen worden gevraagd, als zoekcriterium, voor zover zij worden beoogd overeenkomstig artikel 5, § 1 van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.".
Art. 132. L'article 142 de la Loi hypothécaire, inséré par la loi du 9 février 1995, dont le texte actuel formera le paragraphe 1er, est complété par un paragraphe 2, rédigé comme suit :
" § 2. Les personnes autorisées à effectuer une demande de certificat auprès de l'Administration générale de la Documentation patrimoniale utilisent, le cas échéant, le numéro d'identification du registre national des personnes physiques dans le chef desquelles les renseignements sont requis, comme critère de recherche, pour autant néanmoins qu'elles soient visées à l'article 5, § 1er de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques.".
" § 2. Les personnes autorisées à effectuer une demande de certificat auprès de l'Administration générale de la Documentation patrimoniale utilisent, le cas échéant, le numéro d'identification du registre national des personnes physiques dans le chef desquelles les renseignements sont requis, comme critère de recherche, pour autant néanmoins qu'elles soient visées à l'article 5, § 1er de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques.".
Art. 133. Artikel 5 van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, laatst gewijzigd bij de wet van 25 november 2018, wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende :
" § 4. De rechters van de hoven en rechtbanken, de magistraten van het openbaar ministerie, de onderzoeksrechters, de schriftelijk bij naam aangewezen ambtenaren van niveau 1 van de administratieve overheden belast met de tenuitvoerlegging van beslissingen in strafzaken en van maatregelen ter bescherming van de maatschappij, de hoofdgriffiers,de griffiers-hoofden van de griffie en de griffiers-hoofden van dienst van de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde zijn bij de uitoefening van hun respectievelijke opdrachten vrijgesteld van een voorafgaande machtiging van de minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken en mogen toegang hebben tot de informatiegegevens bedoeld in artikel 3, eerste tot derde lid.
Wordt gestraft met de sanctie bedoeld in artikel 13, eerste lid, elk lid van de justitiediensten dat, in overtreding met de vertrouwelijkheidsverplichting, de via het Rijksregister verkregen informatiegegevens meedeelt aan personen die niet gemachtigd zijn om die informatiegegevens te ontvangen of dat die gegevens gebruikt voor andere doeleinden dan voor de uitoefening van zijn wettelijke opdrachten.".
" § 4. De rechters van de hoven en rechtbanken, de magistraten van het openbaar ministerie, de onderzoeksrechters, de schriftelijk bij naam aangewezen ambtenaren van niveau 1 van de administratieve overheden belast met de tenuitvoerlegging van beslissingen in strafzaken en van maatregelen ter bescherming van de maatschappij, de hoofdgriffiers,de griffiers-hoofden van de griffie en de griffiers-hoofden van dienst van de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde zijn bij de uitoefening van hun respectievelijke opdrachten vrijgesteld van een voorafgaande machtiging van de minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken en mogen toegang hebben tot de informatiegegevens bedoeld in artikel 3, eerste tot derde lid.
Wordt gestraft met de sanctie bedoeld in artikel 13, eerste lid, elk lid van de justitiediensten dat, in overtreding met de vertrouwelijkheidsverplichting, de via het Rijksregister verkregen informatiegegevens meedeelt aan personen die niet gemachtigd zijn om die informatiegegevens te ontvangen of dat die gegevens gebruikt voor andere doeleinden dan voor de uitoefening van zijn wettelijke opdrachten.".
Art. 133. L'article 5 de la loi du 8 août 1983, organisant un registre national des personnes physiques, modifié en dernier lieu par la loi du 25 novembre 2018 est complété par un paragraphe 4, rédigé comme suit :
" § 4. Dans l'exercice de leurs missions respectives, les juges des cours et tribunaux de l'ordre judiciaire, les magistrats du ministère public, les juges d'instruction, les agents de niveau 1 des autorités administratives chargées de l'exécution des décisions rendues en matière pénale et des mesures de défense sociale nommément désignés par écrit, les greffiers en chef, greffiers-chefs de greffe et greffiers-chefs de service des cours et tribunaux de l'ordre judiciaire, sont dispensés d'une autorisation préalable du ministre ayant l'Intérieur dans ses attributions et peuvent accéder aux informations visées à l'article 3, alinéas 1er à 3.
Est puni de la sanction visée à l'article 13, alinéa 1er, tout membre des services de justice qui, en violation de l'obligation de confidentialité, communique des informations obtenues du Registre national à des personnes non habilitées à les recevoir ou qui fait usage de ces données à des fins autres que l'exercice de ses missions légales.".
" § 4. Dans l'exercice de leurs missions respectives, les juges des cours et tribunaux de l'ordre judiciaire, les magistrats du ministère public, les juges d'instruction, les agents de niveau 1 des autorités administratives chargées de l'exécution des décisions rendues en matière pénale et des mesures de défense sociale nommément désignés par écrit, les greffiers en chef, greffiers-chefs de greffe et greffiers-chefs de service des cours et tribunaux de l'ordre judiciaire, sont dispensés d'une autorisation préalable du ministre ayant l'Intérieur dans ses attributions et peuvent accéder aux informations visées à l'article 3, alinéas 1er à 3.
Est puni de la sanction visée à l'article 13, alinéa 1er, tout membre des services de justice qui, en violation de l'obligation de confidentialité, communique des informations obtenues du Registre national à des personnes non habilitées à les recevoir ou qui fait usage de ces données à des fins autres que l'exercice de ses missions légales.".
Art. 134. Artikel 8, § 6 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 25 november 2018, wordt aangevuld met een derde en vierde lid, luidende :
"De rechters van de hoven en rechtbanken, de magistraten van het openbaar ministerie, de onderzoeksrechters, de schriftelijk bij naam aangewezen ambtenaren van niveau 1 van de administratieve overheden belast met de tenuitvoerlegging van beslissingen in strafzaken en van maatregelen ter bescherming van de maatschappij, de hoofdgriffiers, de griffiers-hoofden van de griffie en de griffiers-hoofden van dienst van de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde zijn bij de uitoefening van hun respectievelijke opdrachten vrijgesteld van een voorafgaande machtiging van de minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken en mogen toegang hebben tot de informatiegegevens bedoeld in artikel 3, eerste tot derde lid.
Wordt gestraft met de sanctie bedoeld in artikel 13, eerste lid, elk lid van de justitiediensten dat, in overtreding met de vertrouwelijkheidsverplichting, de via het Rijksregister verkregen informatiegegevens meedeelt aan personen die niet gemachtigd zijn om die informatiegegevens te ontvangen of dat die gegevens gebruikt voor andere doeleinden dan voor de uitoefening van zijn wettelijke opdrachten.".
"De rechters van de hoven en rechtbanken, de magistraten van het openbaar ministerie, de onderzoeksrechters, de schriftelijk bij naam aangewezen ambtenaren van niveau 1 van de administratieve overheden belast met de tenuitvoerlegging van beslissingen in strafzaken en van maatregelen ter bescherming van de maatschappij, de hoofdgriffiers, de griffiers-hoofden van de griffie en de griffiers-hoofden van dienst van de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde zijn bij de uitoefening van hun respectievelijke opdrachten vrijgesteld van een voorafgaande machtiging van de minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken en mogen toegang hebben tot de informatiegegevens bedoeld in artikel 3, eerste tot derde lid.
Wordt gestraft met de sanctie bedoeld in artikel 13, eerste lid, elk lid van de justitiediensten dat, in overtreding met de vertrouwelijkheidsverplichting, de via het Rijksregister verkregen informatiegegevens meedeelt aan personen die niet gemachtigd zijn om die informatiegegevens te ontvangen of dat die gegevens gebruikt voor andere doeleinden dan voor de uitoefening van zijn wettelijke opdrachten.".
Art. 134. L'article 8, § 6, de la même loi, remplacé par la loi du 25 novembre 2018, est complété par les alinéas 3 et 4, rédigés comme suit :
"Dans l'exercice de leurs missions respectives, les juges des cours et tribunaux de l'ordre judiciaire, les magistrats du ministère public, les juges d'instruction, les agents de niveau 1 des autorités administratives chargées de l'exécution des décisions rendues en matière pénale et des mesures de défense sociale nommément désignés par écrit, les greffiers en chef, greffiers-chefs de greffe et greffiers-chefs de service des cours et tribunaux de l'ordre judiciaire, sont dispensés d'une autorisation préalable du ministre ayant l'Intérieur dans ses attributions et peuvent accéder aux informations visées à l'article 3, alinéas 1er à 3.
Est puni de la sanction visée à l'article 13, alinéa 1er, tout membre des services de justice qui, en violation de l'obligation de confidentialité, communique des informations obtenues du Registre national à des personnes non habilitées à les recevoir ou qui fait usage de ces données à des fins autres que l'exercice de ses missions légales.".
"Dans l'exercice de leurs missions respectives, les juges des cours et tribunaux de l'ordre judiciaire, les magistrats du ministère public, les juges d'instruction, les agents de niveau 1 des autorités administratives chargées de l'exécution des décisions rendues en matière pénale et des mesures de défense sociale nommément désignés par écrit, les greffiers en chef, greffiers-chefs de greffe et greffiers-chefs de service des cours et tribunaux de l'ordre judiciaire, sont dispensés d'une autorisation préalable du ministre ayant l'Intérieur dans ses attributions et peuvent accéder aux informations visées à l'article 3, alinéas 1er à 3.
Est puni de la sanction visée à l'article 13, alinéa 1er, tout membre des services de justice qui, en violation de l'obligation de confidentialité, communique des informations obtenues du Registre national à des personnes non habilitées à les recevoir ou qui fait usage de ces données à des fins autres que l'exercice de ses missions légales.".
Art. 135. In artikel 17, eerste lid van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 25 november 2018, worden de woorden "alsook de justitiediensten vermeld in de artikelen 5 en 8" ingevoegd tussen de woorden "met inbegrip van de politiediensten," en de woorden "moet de uitgevoerde consultaties kunnen verantwoorden".
Art. 135. A l'article 17, alinéa 1er, de la même loi, inséré par la loi du 25 novembre 2018, les mots "ainsi que ceux de la Justice cités aux articles 5 et 8" sont insérés entre les mots "en ce compris les services de police," et les mots "doit être en mesure".
Art. 136. Artikel 2 van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten, laatst gewijzigd door de wet van 25 november 2018, wordt aangevuld met een zevende en achtste lid, luidende als volgt :
"De rechters van de hoven en rechtbanken, de magistraten van het openbaar ministerie, de onderzoeksrechters, de schriftelijk bij naam aangewezen ambtenaren van niveau 1 van de administratieve overheden belast met de tenuitvoerlegging van beslissingen in strafzaken en van maatregelen ter bescherming van de maatschappij, de hoofdgriffiers, de griffiers-hoofden van de griffie en de griffiers-hoofden van dienst van de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde zijn bij de uitoefening van hun respectievelijke opdrachten vrijgesteld van een voorafgaande machtiging van de minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken en mogen toegang hebben tot de gegevens van de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister.".
Wordt gestraft met de sanctie bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, elk lid van de justitiediensten dat, in overtreding met de vertrouwelijkheidsverplichting, de via de bevolkingsregisters of het vreemdelingenregister verkregen informatiegegevens meedeelt aan personen die niet gemachtigd zijn om die informatiegegevens te ontvangen of dat die gegevens gebruikt voor andere doeleinden dan voor de uitoefening van zijn wettelijke opdrachten.".
"De rechters van de hoven en rechtbanken, de magistraten van het openbaar ministerie, de onderzoeksrechters, de schriftelijk bij naam aangewezen ambtenaren van niveau 1 van de administratieve overheden belast met de tenuitvoerlegging van beslissingen in strafzaken en van maatregelen ter bescherming van de maatschappij, de hoofdgriffiers, de griffiers-hoofden van de griffie en de griffiers-hoofden van dienst van de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde zijn bij de uitoefening van hun respectievelijke opdrachten vrijgesteld van een voorafgaande machtiging van de minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken en mogen toegang hebben tot de gegevens van de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister.".
Wordt gestraft met de sanctie bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, elk lid van de justitiediensten dat, in overtreding met de vertrouwelijkheidsverplichting, de via de bevolkingsregisters of het vreemdelingenregister verkregen informatiegegevens meedeelt aan personen die niet gemachtigd zijn om die informatiegegevens te ontvangen of dat die gegevens gebruikt voor andere doeleinden dan voor de uitoefening van zijn wettelijke opdrachten.".
Art. 136. L'article 2 de la loi du 19 juillet 1991 relative aux registres de la population, aux cartes d'identité, aux cartes des étrangers et aux documents de séjour, modifié en dernier lieu par la loi du 25 novembre 2018, est complété par les alinéas 7 et 8, rédigés comme suit :
"Dans l'exercice de leurs missions respectives, les juges des cours et tribunaux de l'ordre judiciaire, les magistrats du ministère public, les juges d'instruction, les agents de niveau 1 des autorités administratives chargées de l'exécution des décisions rendues en matière pénale et des mesures de défense sociale nommément désignés par écrit, les greffiers en chef, greffiers-chefs de greffe et greffiers-chefs de service des cours et tribunaux de l'ordre judiciaire, sont dispensés d'une autorisation préalable du ministre ayant l'Intérieur dans ses attributions et peuvent accéder aux données des registres de la population et du registre des étrangers.".
Est puni de la sanction visée à l'article 13, alinéa 1er, de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques, tout membre des services de justice qui, en violation de l'obligation de confidentialité, communique des informations obtenues des registres de la population ou du registre des étrangers à des personnes non habilitées à les recevoir ou qui fait usage de ces données à des fins autres que l'exercice de ses missions légales.".
"Dans l'exercice de leurs missions respectives, les juges des cours et tribunaux de l'ordre judiciaire, les magistrats du ministère public, les juges d'instruction, les agents de niveau 1 des autorités administratives chargées de l'exécution des décisions rendues en matière pénale et des mesures de défense sociale nommément désignés par écrit, les greffiers en chef, greffiers-chefs de greffe et greffiers-chefs de service des cours et tribunaux de l'ordre judiciaire, sont dispensés d'une autorisation préalable du ministre ayant l'Intérieur dans ses attributions et peuvent accéder aux données des registres de la population et du registre des étrangers.".
Est puni de la sanction visée à l'article 13, alinéa 1er, de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques, tout membre des services de justice qui, en violation de l'obligation de confidentialité, communique des informations obtenues des registres de la population ou du registre des étrangers à des personnes non habilitées à les recevoir ou qui fait usage de ces données à des fins autres que l'exercice de ses missions légales.".
Art. 137. Artikel 6bis van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 november 2018, wordt aangevuld met een paragraaf 6, luidende :
" § 6. De rechters van de hoven en rechtbanken, de magistraten van het openbaar ministerie, de onderzoeksrechters, de schriftelijk bij naam aangewezen ambtenaren van niveau 1 van de administratieve overheden belast met de tenuitvoerlegging van beslissingen in strafzaken en van maatregelen ter bescherming van de maatschappij, de hoofdgriffiers,de griffiers-hoofden van de griffie en de griffiers-hoofden van dienst van de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde zijn bij de uitoefening van hun respectievelijke opdrachten vrijgesteld van een voorafgaande machtiging en mogen toegang hebben tot de gegevens van het Register van de Identiteitskaarten en het Register van de Vreemdelingenkaarten.
Wordt gestraft met de sanctie bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, elk lid van de justitiediensten dat, in overtreding met de vertrouwelijkheidsverplichting, de via het Register van de Identiteitskaarten en het Register van de Vreemdelingenkaarten verkregen informatiegegevens meedeelt aan personen die niet gemachtigd zijn om die informatiegegevens te ontvangen of dat die gegevens gebruikt voor andere doeleinden dan voor de uitoefening van zijn wettelijke opdrachten.".
" § 6. De rechters van de hoven en rechtbanken, de magistraten van het openbaar ministerie, de onderzoeksrechters, de schriftelijk bij naam aangewezen ambtenaren van niveau 1 van de administratieve overheden belast met de tenuitvoerlegging van beslissingen in strafzaken en van maatregelen ter bescherming van de maatschappij, de hoofdgriffiers,de griffiers-hoofden van de griffie en de griffiers-hoofden van dienst van de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde zijn bij de uitoefening van hun respectievelijke opdrachten vrijgesteld van een voorafgaande machtiging en mogen toegang hebben tot de gegevens van het Register van de Identiteitskaarten en het Register van de Vreemdelingenkaarten.
Wordt gestraft met de sanctie bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, elk lid van de justitiediensten dat, in overtreding met de vertrouwelijkheidsverplichting, de via het Register van de Identiteitskaarten en het Register van de Vreemdelingenkaarten verkregen informatiegegevens meedeelt aan personen die niet gemachtigd zijn om die informatiegegevens te ontvangen of dat die gegevens gebruikt voor andere doeleinden dan voor de uitoefening van zijn wettelijke opdrachten.".
Art. 137. L'article 6bis de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 25 novembre 2018, est complété par un paragraphe 6, rédigé comme suit :
" § 6. Dans l'exercice de leurs missions respectives, les juges des cours et tribunaux de l'ordre judiciaire, les magistrats du ministère public, les juges d'instruction, les agents de niveau 1 des autorités administratives chargées de l'exécution des décisions rendues en matière pénale et des mesures de défense sociale nommément désignés par écrit, les greffiers en chef, greffiers-chefs de greffe et greffiers-chefs de service des cours et tribunaux de l'ordre judiciaire, sont dispensés d'une autorisation préalable et peuvent accéder aux données du Registre des cartes d'identité et du Registre des cartes d'étranger.
Est puni de la sanction visée à l'article 13, alinéa 1er, de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques, tout membre des services de justice qui, en violation de l'obligation de confidentialité, communique des informations obtenues du Registre des cartes d'identité et du Registre des cartes d'étranger à des personnes non habilitées à les recevoir ou qui fait usage de ces données à des fins autres que l'exercice de ses missions légales.".
" § 6. Dans l'exercice de leurs missions respectives, les juges des cours et tribunaux de l'ordre judiciaire, les magistrats du ministère public, les juges d'instruction, les agents de niveau 1 des autorités administratives chargées de l'exécution des décisions rendues en matière pénale et des mesures de défense sociale nommément désignés par écrit, les greffiers en chef, greffiers-chefs de greffe et greffiers-chefs de service des cours et tribunaux de l'ordre judiciaire, sont dispensés d'une autorisation préalable et peuvent accéder aux données du Registre des cartes d'identité et du Registre des cartes d'étranger.
Est puni de la sanction visée à l'article 13, alinéa 1er, de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques, tout membre des services de justice qui, en violation de l'obligation de confidentialité, communique des informations obtenues du Registre des cartes d'identité et du Registre des cartes d'étranger à des personnes non habilitées à les recevoir ou qui fait usage de ces données à des fins autres que l'exercice de ses missions légales.".
TITEL 19. - Bepalingen betreffende de tenuitvoerlegging op goederen
TITRE 19. - Dispositions concernant l'exécution des biens
Art. 138. Artikel 1500 van het Gerechtelijk Wetboek, waarvan de huidige tekst § 1 wordt, wordt aangevuld met een § 2, luidende :
" § 2. Het bevel bevat, op straffe van nietigheid, de tekst van artikel 1506/1.".
" § 2. Het bevel bevat, op straffe van nietigheid, de tekst van artikel 1506/1.".
Art. 138. L'article 1500 du Code judiciaire, dont le texte actuel formera le paragraphe 1er, est complété par un paragraphe 2 rédigé comme suit :
" § 2. Le commandement reproduit, à peine de nullité, le texte de l'article 1506/1.".
" § 2. Le commandement reproduit, à peine de nullité, le texte de l'article 1506/1.".
Art. 139. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 1506/1 ingevoegd, luidende :
"Art. 1506/1. § 1. Wanneer zich onder de in beslag genomen goederen een motorrijtuig bevindt, kan de gerechtsdeurwaarder dat voertuig immobiliseren wanneer het voorwerp van de uitvoerbare titel geheel of deels betrekking heeft op een misdrijf inzake de belasting op de inverkeerstelling, de verkeersbelasting, de verplichte verzekering voor motorrijtuigen of het wegverkeer.
Wanneer het in beslag genomen voertuig ter plaatse wordt geïmmobiliseerd, ziet de gerechtsdeurwaarder erop toe dat de vigerende algemene parkeerregels niet worden overtreden. Als de gerechtsdeurwaarder bovendien geen contact heeft met de betekende partij, brengt hij een zichtbare toelichting aan, met vermelding van zijn contactgegevens. De Koning bepaalt het model ervan.
Als de gerechtsdeurwaarder het nuttig acht, kan hij onmiddellijk en in elk geval op de dag van zijn optreden, overgaan tot het takelen van het in beslag genomen voertuig.
De gerechtsdeurwaarder kan deze uitvoeringsmaatregel tevens aanwenden bij het betekenen van de nieuwe verkoopdag.
§ 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt afgeweken van het principe dat de schuldenaar het bij artikel 1443, eerste lid, bedoelde genot van het in beslag genomen goed behoudt.
§ 3. Indien de in § 1 bedoelde maatregel wordt toegepast, vermeldt het proces-verbaal van beslaglegging (of in voorkomend geval de akte tot bepaling van een nieuwe verkoopdag) naast hetgeen in artikel 1506 wordt aangegeven, ook de bestemming van het in beslag genomen voertuig, in zeer duidelijk lettertype.
§ 4. Het voertuig wordt geïmmobiliseerd op kosten van de schuldenaar, ongeacht of hij de eigenaar is van het voertuig, dan wel de houder van de nummerplaat ervan.
De gerechtsdeurwaarder heft de immobilisering van het voertuig alleen op nadat de schulden en de kosten volledig zijn betaald, nadat de partijen een overeenkomst hebben bereikt dan wel nadat de beslagrechter tot die opheffing heeft beslist.
Uiterlijk binnen twee werkdagen na de opheffing van de immobilisering van het voertuig gaat de gerechtsdeurwaarder over tot de vrijgave van het voertuig en kan hij kosteloos een proces-verbaal van opheffing van immobilisering opstellen, waarvan hij een afschrift aan de schuldenaar bezorgt.".
"Art. 1506/1. § 1. Wanneer zich onder de in beslag genomen goederen een motorrijtuig bevindt, kan de gerechtsdeurwaarder dat voertuig immobiliseren wanneer het voorwerp van de uitvoerbare titel geheel of deels betrekking heeft op een misdrijf inzake de belasting op de inverkeerstelling, de verkeersbelasting, de verplichte verzekering voor motorrijtuigen of het wegverkeer.
Wanneer het in beslag genomen voertuig ter plaatse wordt geïmmobiliseerd, ziet de gerechtsdeurwaarder erop toe dat de vigerende algemene parkeerregels niet worden overtreden. Als de gerechtsdeurwaarder bovendien geen contact heeft met de betekende partij, brengt hij een zichtbare toelichting aan, met vermelding van zijn contactgegevens. De Koning bepaalt het model ervan.
Als de gerechtsdeurwaarder het nuttig acht, kan hij onmiddellijk en in elk geval op de dag van zijn optreden, overgaan tot het takelen van het in beslag genomen voertuig.
De gerechtsdeurwaarder kan deze uitvoeringsmaatregel tevens aanwenden bij het betekenen van de nieuwe verkoopdag.
§ 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt afgeweken van het principe dat de schuldenaar het bij artikel 1443, eerste lid, bedoelde genot van het in beslag genomen goed behoudt.
§ 3. Indien de in § 1 bedoelde maatregel wordt toegepast, vermeldt het proces-verbaal van beslaglegging (of in voorkomend geval de akte tot bepaling van een nieuwe verkoopdag) naast hetgeen in artikel 1506 wordt aangegeven, ook de bestemming van het in beslag genomen voertuig, in zeer duidelijk lettertype.
§ 4. Het voertuig wordt geïmmobiliseerd op kosten van de schuldenaar, ongeacht of hij de eigenaar is van het voertuig, dan wel de houder van de nummerplaat ervan.
De gerechtsdeurwaarder heft de immobilisering van het voertuig alleen op nadat de schulden en de kosten volledig zijn betaald, nadat de partijen een overeenkomst hebben bereikt dan wel nadat de beslagrechter tot die opheffing heeft beslist.
Uiterlijk binnen twee werkdagen na de opheffing van de immobilisering van het voertuig gaat de gerechtsdeurwaarder over tot de vrijgave van het voertuig en kan hij kosteloos een proces-verbaal van opheffing van immobilisering opstellen, waarvan hij een afschrift aan de schuldenaar bezorgt.".
Art. 139. Dans le même Code, il est inséré un article 1506/1, rédigé comme suit :
"Art. 1506/1. § 1er. Si parmi les biens saisis se trouve un véhicule automoteur, celui-ci peut être immobilisé par l'huissier de justice, lorsque l'objet du titre exécutoire concerne, en tout ou en partie, une infraction en matière de taxe de mise en circulation, de taxe de circulation, d'assurance véhicule automoteur obligatoire, ou de la circulation routière.
En cas d'immobilisation sur place du véhicule saisi, l'huissier de justice veille à ne pas contrevenir aux règles générales de stationnement en vigueur. En outre, si l'huissier de justice ne rencontre pas la partie signifiée, il appose, de façon visible, un avis explicatif indiquant ses coordonnées. Le modèle est établi par le Roi.
S'il le juge utile, l'huissier de justice fait procéder immédiatement, et en tous les cas le jour de son intervention, à l'enlèvement du véhicule saisi.
L'huissier de justice peut également user de cette mesure d'exécution lorsqu'il signifie un nouveau jour de vente.
§ 2. Pour l'application du présent article, il est fait exception au principe de conservation de la jouissance du bien saisi, tel que visé à l'article 1443, alinéa 1er.
§ 3. En cas de recours à la mesure mentionnée au § 1er, outre les indications reprises à l'article 1506, le procès-verbal de saisie (ou, le cas échéant, l'acte de fixation d'un nouveau jour de vente) détaille, en caractères très apparents, le sort du véhicule saisi.
§ 4. Le véhicule est immobilisé aux frais du débiteur, qu'il soit propriétaire du véhicule ou titulaire de la plaque d'immatriculation du véhicule.
L'immobilisation du véhicule n'est levée par l'huissier de justice qu'en cas de paiement complet de la dette et des frais, en cas d'entente entre parties, ou sur décision du juge des saisies.
Au plus tard dans les deux jours ouvrables de la levée de l'immobilisation du véhicule, l'huissier de justice procède à la remise du véhicule et est libre de dresser, sans frais, un procès-verbal de levée d'immobilisation dont il délivre une copie au débiteur.".
"Art. 1506/1. § 1er. Si parmi les biens saisis se trouve un véhicule automoteur, celui-ci peut être immobilisé par l'huissier de justice, lorsque l'objet du titre exécutoire concerne, en tout ou en partie, une infraction en matière de taxe de mise en circulation, de taxe de circulation, d'assurance véhicule automoteur obligatoire, ou de la circulation routière.
En cas d'immobilisation sur place du véhicule saisi, l'huissier de justice veille à ne pas contrevenir aux règles générales de stationnement en vigueur. En outre, si l'huissier de justice ne rencontre pas la partie signifiée, il appose, de façon visible, un avis explicatif indiquant ses coordonnées. Le modèle est établi par le Roi.
S'il le juge utile, l'huissier de justice fait procéder immédiatement, et en tous les cas le jour de son intervention, à l'enlèvement du véhicule saisi.
L'huissier de justice peut également user de cette mesure d'exécution lorsqu'il signifie un nouveau jour de vente.
§ 2. Pour l'application du présent article, il est fait exception au principe de conservation de la jouissance du bien saisi, tel que visé à l'article 1443, alinéa 1er.
§ 3. En cas de recours à la mesure mentionnée au § 1er, outre les indications reprises à l'article 1506, le procès-verbal de saisie (ou, le cas échéant, l'acte de fixation d'un nouveau jour de vente) détaille, en caractères très apparents, le sort du véhicule saisi.
§ 4. Le véhicule est immobilisé aux frais du débiteur, qu'il soit propriétaire du véhicule ou titulaire de la plaque d'immatriculation du véhicule.
L'immobilisation du véhicule n'est levée par l'huissier de justice qu'en cas de paiement complet de la dette et des frais, en cas d'entente entre parties, ou sur décision du juge des saisies.
Au plus tard dans les deux jours ouvrables de la levée de l'immobilisation du véhicule, l'huissier de justice procède à la remise du véhicule et est libre de dresser, sans frais, un procès-verbal de levée d'immobilisation dont il délivre une copie au débiteur.".
Art. 140. Artikel 1511 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met een lid, luidende :
"De verkoop vindt plaats ofwel op fysieke wijze, ofwel op elektronische wijze, ofwel middels een combinatie van beide, zoals bepaald in artikel 1522.".
"De verkoop vindt plaats ofwel op fysieke wijze, ofwel op elektronische wijze, ofwel middels een combinatie van beide, zoals bepaald in artikel 1522.".
Art. 140. L'article 1511 du même Code est complété par un alinéa rédigé comme suit :
"La vente a lieu soit physiquement, soit électroniquement, soit au moyen d'une combinaison des deux, tel que mentionné à l'article 1522.".
"La vente a lieu soit physiquement, soit électroniquement, soit au moyen d'une combinaison des deux, tel que mentionné à l'article 1522.".
Art. 141. In artikel 1516 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 7 mei 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het tweede lid, eerste zin, worden de woorden "op elektronische wijze of" ingevoegd tussen de woorden "De verkoop wordt bekendgemaakt" en de woorden "door middel van de nieuwsbladen";
2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende: "De Koning bepaalt de modaliteiten voor de bekendmaking van de verkoop op elektronische wijze".
1° in het tweede lid, eerste zin, worden de woorden "op elektronische wijze of" ingevoegd tussen de woorden "De verkoop wordt bekendgemaakt" en de woorden "door middel van de nieuwsbladen";
2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende: "De Koning bepaalt de modaliteiten voor de bekendmaking van de verkoop op elektronische wijze".
Art. 141. A l'article 1516 du même Code, modifié par la loi du 7 mai 1999, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 2, première phrase, les mots "par la voie électronique ou" sont insérés entre les mots "La vente est annoncée" et les mots "par la voie des journaux" ;
2° l'article est complété par un alinéa rédigé comme suit: "Le Roi détermine les modalités pour l'annonciation de la vente par voie électronique".
1° dans l'alinéa 2, première phrase, les mots "par la voie électronique ou" sont insérés entre les mots "La vente est annoncée" et les mots "par la voie des journaux" ;
2° l'article est complété par un alinéa rédigé comme suit: "Le Roi détermine les modalités pour l'annonciation de la vente par voie électronique".
Art. 142. In artikel 1519 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 7 mei 1999 en bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden ", op fysieke of elektronische wijze," worden ingevoegd tussen het woord "verkocht" en de woorden "dan na";
2° het artikel wordt aangevuld met de woorden ", hetzij op elektronische wijze".
1° de woorden ", op fysieke of elektronische wijze," worden ingevoegd tussen het woord "verkocht" en de woorden "dan na";
2° het artikel wordt aangevuld met de woorden ", hetzij op elektronische wijze".
Art. 142. A l'article 1519 du même Code, modifié par la loi du 7 mai 1999 et l'arrêté royal du 20 juillet 2000, les modifications suivantes sont apportées :
1° les mots ", physiquement ou électroniquement," sont insérés entre les mots "vendus" et "qu'après" ;
2° l'article est complété par les mots ", soit de manière électronique".
1° les mots ", physiquement ou électroniquement," sont insérés entre les mots "vendus" et "qu'après" ;
2° l'article est complété par les mots ", soit de manière électronique".
Art. 143. In artikel 1522 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 28 juni 1974, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid, wordt de eerste zin aangevuld met de woorden ", of op elektronische wijze mits identificatie van de kandidaat-koper.";
2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende:
"De Koning bepaalt de modaliteiten voor de verkoop op elektronische wijze".
1° in het eerste lid, wordt de eerste zin aangevuld met de woorden ", of op elektronische wijze mits identificatie van de kandidaat-koper.";
2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende:
"De Koning bepaalt de modaliteiten voor de verkoop op elektronische wijze".
Art. 143. A l'article 1522 du même Code, modifié par la loi du 28 juin 1974, les modifications suivantes sont apportées :
1° à l'alinéa 1er, la première phrase est complétée par les mots suivants ", ou sous forme électronique moyennant l'identification du candidat-acheteur.";
2° l'article est complété par un alinéa rédigé comme suit:
"Le Roi détermine les modalités pour la vente par voie électronique".
1° à l'alinéa 1er, la première phrase est complétée par les mots suivants ", ou sous forme électronique moyennant l'identification du candidat-acheteur.";
2° l'article est complété par un alinéa rédigé comme suit:
"Le Roi détermine les modalités pour la vente par voie électronique".
Art. 144. In artikel 1525 van hetzelfde Wetboek worden de woorden "op fysieke wijze, of op elektronische wijze, of middels een combinatie van beide" ingevoegd tussen het woord "verkoop" en de woorden "stelt vast".
Art. 144. Dans l'article 1525 du même Code, les mots "physique, par voie électronique, ou au moyen d'une combinaison des deux," sont insérés entre le mot "vente" et le mot "constate".
Art. 145. Artikel 1526 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met een lid, luidende :
"De Koning duidt bij een in Ministerraad overlegd besluit aan via welk elektronisch platform de verkoop kan geschieden. Hij bepaalt tevens de bijkomende modaliteiten met betrekking tot de toewijzing en de betaling in geval van verkoop op elektronische of gecombineerde wijze.".
"De Koning duidt bij een in Ministerraad overlegd besluit aan via welk elektronisch platform de verkoop kan geschieden. Hij bepaalt tevens de bijkomende modaliteiten met betrekking tot de toewijzing en de betaling in geval van verkoop op elektronische of gecombineerde wijze.".
Art. 145. L'article 1526 du même Code, est complété par un alinéa rédigé comme suit :
"Le Roi détermine les modalités complémentaires relatives à l'adjudication et au paiement en cas de vente électronique ou combinée.".
"Le Roi détermine les modalités complémentaires relatives à l'adjudication et au paiement en cas de vente électronique ou combinée.".
TITEL 20. - Bepalingen met betrekking op de inzage van het dossier in strafzaken
TITRE 20. - Dispositions concernant la consultation du dossier en matière pénale
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van het Wetboek van strafvordering
CHAPITRE 1. - Modifications au Code d'instruction criminelle
Art. 146. In artikel 21bis, § 6, van het Wetboek van strafvordering, ingevoegd bij de wet van 18 maart 2018, wordt tussen het eerste lid en het tweede lid een lid ingevoegd, luidende :
"De inwilliging van het verzoek tot het bekomen van inzage van het dossier houdt in dat de verzoeker of zijn advocaat er zelf met hun eigen middelen kosteloos een kopie van kunnen nemen ter plaatse. De procureur des Konings kan echter, op een met redenen omklede wijze, de kopiename van het dossier of van bepaalde stukken ervan verbieden indien de noodwendigheden van het onderzoek dit vereisen, of indien kopiename een gevaar zou opleveren voor personen of een ernstige schending van hun privéleven zou inhouden.".
"De inwilliging van het verzoek tot het bekomen van inzage van het dossier houdt in dat de verzoeker of zijn advocaat er zelf met hun eigen middelen kosteloos een kopie van kunnen nemen ter plaatse. De procureur des Konings kan echter, op een met redenen omklede wijze, de kopiename van het dossier of van bepaalde stukken ervan verbieden indien de noodwendigheden van het onderzoek dit vereisen, of indien kopiename een gevaar zou opleveren voor personen of een ernstige schending van hun privéleven zou inhouden.".
Art. 146. Dans l'article 21bis, § 6, du Code d'instruction criminelle, inséré par la loi du 18 mars 2018, un alinéa rédigé comme suit est inséré entre l'alinéa 1er et l'alinéa 2:
"L'acceptation de la demande de consultation du dossier implique que le requérant ou son avocat peuvent eux-mêmes et par leurs propres moyens, en prendre une copie gratuitement, sur place. Le procureur du Roi peut toutefois, de manière motivée, interdire la prise de copie du dossier ou de certaines pièces si les nécessités de l'information le requièrent, ou si cette prise de copie présente un danger pour les personnes ou porte gravement atteinte à leur vie privée.".
"L'acceptation de la demande de consultation du dossier implique que le requérant ou son avocat peuvent eux-mêmes et par leurs propres moyens, en prendre une copie gratuitement, sur place. Le procureur du Roi peut toutefois, de manière motivée, interdire la prise de copie du dossier ou de certaines pièces si les nécessités de l'information le requièrent, ou si cette prise de copie présente un danger pour les personnes ou porte gravement atteinte à leur vie privée.".
Art. 147. Artikel 61ter, § 4, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 12 maart 1998 en gewijzigd bij de wetten van 27 december 2012 en 18 maart 2018, wordt aangevuld met een lid, luidende :
"De inwilliging van het verzoek tot het bekomen van inzage van het dossier houdt in dat de verzoeker of zijn advocaat er zelf met hun eigen middelen kosteloos een kopie van kunnen nemen ter plaatse. De onderzoeksrechter kan echter, op gemotiveerde wijze, de kopiename van het dossier of van bepaalde stukken ervan verbieden indien de noodwendigheden van het gerechtelijk onderzoek dit vereisen, of indien kopiename een gevaar zou opleveren voor personen of een ernstige schending van hun privéleven zou inhouden.".
"De inwilliging van het verzoek tot het bekomen van inzage van het dossier houdt in dat de verzoeker of zijn advocaat er zelf met hun eigen middelen kosteloos een kopie van kunnen nemen ter plaatse. De onderzoeksrechter kan echter, op gemotiveerde wijze, de kopiename van het dossier of van bepaalde stukken ervan verbieden indien de noodwendigheden van het gerechtelijk onderzoek dit vereisen, of indien kopiename een gevaar zou opleveren voor personen of een ernstige schending van hun privéleven zou inhouden.".
Art. 147. L'article 61ter, § 4, du même Code, inséré par la loi du 12 mars 1998 et modifié par les lois des 27 décembre 2012 et 18 mars 2018, est complété par un alinéa rédigé comme suit :
"L'acceptation de la demande de consultation du dossier implique que le requérant ou son avocat peuvent eux-mêmes et par leurs propres moyens, en prendre une copie gratuitement, sur place. Le juge d'instruction peut toutefois, de manière motivée, interdire la prise de copie du dossier ou de certaines pièces si les nécessités de l'instruction le requièrent, ou si cette prise de copie présente un danger pour les personnes ou porte gravement atteinte à leur vie privée.".
"L'acceptation de la demande de consultation du dossier implique que le requérant ou son avocat peuvent eux-mêmes et par leurs propres moyens, en prendre une copie gratuitement, sur place. Le juge d'instruction peut toutefois, de manière motivée, interdire la prise de copie du dossier ou de certaines pièces si les nécessités de l'instruction le requièrent, ou si cette prise de copie présente un danger pour les personnes ou porte gravement atteinte à leur vie privée.".
Art. 148. Artikel 127, § 2, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 31 mei 2005 en gewijzigd bij de wet van 27 december 2012, wordt aangevuld met de volgende zin :
"Ze kunnen zelf met hun eigen middelen kosteloos een kopie van het dossier nemen ter plaatse.".
"Ze kunnen zelf met hun eigen middelen kosteloos een kopie van het dossier nemen ter plaatse.".
Art. 148. L'article 127, § 2, du même Code, inséré par la loi du 31 mai 2005 et modifié par la loi du 27 décembre 2012, est complété par la phrase suivante :
"Ils peuvent eux-mêmes et par leurs propres moyens, prendre une copie du dossier gratuitement, sur place.".
"Ils peuvent eux-mêmes et par leurs propres moyens, prendre une copie du dossier gratuitement, sur place.".
Art. 149. Artikel 216, § 3, negende lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 februari 2016, wordt aangevuld met de volgende zin :
"Ze kunnen zelf met hun eigen middelen kosteloos een kopie ervan nemen ter plaatse.".
"Ze kunnen zelf met hun eigen middelen kosteloos een kopie ervan nemen ter plaatse.".
Art. 149. L'article 216, § 3, alinéa 9, du même Code, inséré par la loi du 5 février 2016, est complété par la phrase suivante :
"Ils peuvent eux-mêmes et par leurs propres moyens, en prendre une copie gratuitement, sur place.".
"Ils peuvent eux-mêmes et par leurs propres moyens, en prendre une copie gratuitement, sur place.".
Art. 150. In artikel 216bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 juni 1984 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 maart 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in de eerste paragraaf wordt het derde lid aangevuld met de volgende zin :
"Ze kunnen zelf met hun eigen middelen kosteloos een kopie ervan nemen ter plaatse.";
2° in de tweede paragraaf wordt het derde lid aangevuld met de volgende zin :
"Ze kunnen zelf met hun eigen middelen kosteloos een kopie ervan nemen ter plaatse.".
1° in de eerste paragraaf wordt het derde lid aangevuld met de volgende zin :
"Ze kunnen zelf met hun eigen middelen kosteloos een kopie ervan nemen ter plaatse.";
2° in de tweede paragraaf wordt het derde lid aangevuld met de volgende zin :
"Ze kunnen zelf met hun eigen middelen kosteloos een kopie ervan nemen ter plaatse.".
Art. 150. A l'article 216bis du même Code, inséré par la loi du 28 juin 1984 et modifié en dernier lieu par la loi du 18 mars 2018, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 1er, l'alinéa 3 est complété par la phrase suivante :
"Ils peuvent eux-mêmes et par leurs propres moyens, en prendre une copie gratuitement, sur place.";
2° au paragraphe 2, l'alinéa 3 est complété par la phrase suivante :
"Ils peuvent eux-mêmes et par leurs propres moyens, en prendre une copie gratuitement, sur place.".
1° au paragraphe 1er, l'alinéa 3 est complété par la phrase suivante :
"Ils peuvent eux-mêmes et par leurs propres moyens, en prendre une copie gratuitement, sur place.";
2° au paragraphe 2, l'alinéa 3 est complété par la phrase suivante :
"Ils peuvent eux-mêmes et par leurs propres moyens, en prendre une copie gratuitement, sur place.".
Art. 151. Artikel 216ter, § 1, derde lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 18 maart 2018, wordt aangevuld met de volgende zin:
"Ze kunnen zelf met hun eigen middelen kosteloos een kopie ervan nemen ter plaatse.".
"Ze kunnen zelf met hun eigen middelen kosteloos een kopie ervan nemen ter plaatse.".
Art. 151. L'article 216ter, § 1er, alinéa 3, du même Code, remplacé par la loi du 18 mars 2018, est complété par la phrase suivante:
"Ils peuvent eux-mêmes et par leurs propres moyens, en prendre une copie gratuitement, sur place.".
"Ils peuvent eux-mêmes et par leurs propres moyens, en prendre une copie gratuitement, sur place.".
Art. 152. In artikel 464/1, § 5, achtste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 februari 2014, wordt tussen de zin die aanvangt met de woorden "Het secretariaat" en de zin die aanvangt met de woorden "De verzoeker" de volgende zin ingevoegd :
"Ze kunnen zelf met hun eigen middelen kosteloos een kopie ervan nemen ter plaatse.".
"Ze kunnen zelf met hun eigen middelen kosteloos een kopie ervan nemen ter plaatse.".
Art. 152. Dans l'article 464/1, § 5, alinéa 8, du même Code, inséré par la loi du 11 février 2014, la phrase suivante est insérée entre la phrase commençant par les mots " Le secrétariat" et la phrase commençant par les mots "Le requérant" :
"Ils peuvent eux-mêmes et par leurs propres moyens, en prendre une copie gratuitement, sur place.".
"Ils peuvent eux-mêmes et par leurs propres moyens, en prendre une copie gratuitement, sur place.".
Art. 153. In artikel 464/36, § 5, derde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 februari 2014, wordt tussen de zin die aanvangt met de woorden "De stukken" en de zin die aanvangt met de woorden "De verzoeker" de volgende zin ingevoegd :
"Ze kunnen zelf met hun eigen middelen kosteloos een kopie ervan nemen ter plaatse.".
"Ze kunnen zelf met hun eigen middelen kosteloos een kopie ervan nemen ter plaatse.".
Art. 153. Dans l'article 464/36, § 5, alinéa 3, du même Code, inséré par la loi du 11 février 2014, la phrase suivante est insérée entre la phrase commençant par les mots "Les pièces" et la phrase commençant par les mots "Le requérant" :
"Ils peuvent eux-mêmes et par leurs propres moyens, en prendre une copie gratuitement, sur place.".
"Ils peuvent eux-mêmes et par leurs propres moyens, en prendre une copie gratuitement, sur place.".
Art. 154. In artikel 464/38, § 3, derde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 februari 2014, wordt tussen de zin die aanvangt met de woorden "De stukken" en de zin die aanvangt met de woorden "De verzoeker" de volgende zin ingevoegd :
"Ze kunnen zelf met hun eigen middelen kosteloos een kopie ervan nemen ter plaatse.".
"Ze kunnen zelf met hun eigen middelen kosteloos een kopie ervan nemen ter plaatse.".
Art. 154. Dans l'article 464/38, § 3, alinéa 3, du même Code, inséré par la loi du 11 février 2014, la phrase suivante est insérée entre la phrase commençant par les mots "Les pièces" et la phrase commençant par les mots "Le requérant" :
"Ils peuvent eux-mêmes et par leurs propres moyens, en prendre une copie gratuitement, sur place.".
"Ils peuvent eux-mêmes et par leurs propres moyens, en prendre une copie gratuitement, sur place.".
HOOFDSTUK 2. - Wijziging van het Strafwetboek
CHAPITRE 2. - Modification du Code pénal
Art. 155. In artikel 460ter van het Strafwetboek, ingevoegd bij de wet van 12 maart 1998 en gewijzigd bij de wet van 27 december 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden "of het met eigen middelen tijdens een inzage gemaakte kopie van stukken van het dossier, " worden ingevoegd tussen de woorden "afschrift van het dossier" en "verkregen inlichtingen";
2° de woorden "tot één jaar" worden vervangen door de woorden "tot twee jaar";
3° de woorden "tot vijfhonderd euro" worden vervangen door de woorden "tot duizend euro".
1° de woorden "of het met eigen middelen tijdens een inzage gemaakte kopie van stukken van het dossier, " worden ingevoegd tussen de woorden "afschrift van het dossier" en "verkregen inlichtingen";
2° de woorden "tot één jaar" worden vervangen door de woorden "tot twee jaar";
3° de woorden "tot vijfhonderd euro" worden vervangen door de woorden "tot duizend euro".
Art. 155. A l'article 460ter du Code pénal, inséré par la loi du 12 mars 1998 et modifié par la loi du 27 décembre 2012, les modifications suivantes sont apportées :
1° les mots " , ou en prenant copie des pièces du dossier par ses propres moyens lors de la consultation " sont insérés entre les mots "copie du dossier" et les mots ", qui aura";
2° les mots "à un an" sont remplacés par les mots "à deux ans";
3° les mots "à cinq cents euros" sont remplacés par les mots "à mille euros".
1° les mots " , ou en prenant copie des pièces du dossier par ses propres moyens lors de la consultation " sont insérés entre les mots "copie du dossier" et les mots ", qui aura";
2° les mots "à un an" sont remplacés par les mots "à deux ans";
3° les mots "à cinq cents euros" sont remplacés par les mots "à mille euros".
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis
CHAPITRE 3. - Modifications de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive
Art. 156. Artikel 21, § 3, eerste lid, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis wordt aangevuld als volgt :
"De inzage van het dossier houdt in dat de verzoeker of zijn advocaat er zelf met hun eigen middelen kosteloos een kopie van kunnen nemen ter plaatse. De onderzoeksrechter kan echter, op gemotiveerde wijze, de kopiename van het dossier of van bepaalde stukken ervan verbieden indien de noodwendigheden van het gerechtelijk onderzoek dit vereisen, of indien kopiename een gevaar zou opleveren voor personen of een ernstige schending van hun privéleven zou inhouden.".
"De inzage van het dossier houdt in dat de verzoeker of zijn advocaat er zelf met hun eigen middelen kosteloos een kopie van kunnen nemen ter plaatse. De onderzoeksrechter kan echter, op gemotiveerde wijze, de kopiename van het dossier of van bepaalde stukken ervan verbieden indien de noodwendigheden van het gerechtelijk onderzoek dit vereisen, of indien kopiename een gevaar zou opleveren voor personen of een ernstige schending van hun privéleven zou inhouden.".
Art. 156. Article 21, § 3, alinéa 1er , de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive est complété par ce qui suit :
"La consultation du dossier implique que l'inculpé ou son avocat peuvent eux-mêmes et par leurs propres moyens, en prendre une copie gratuitement, sur place. Le juge d'instruction peut toutefois, de manière motivée, interdire la prise de copie du dossier ou de certaines pièces si les nécessités de l'instruction le requièrent, ou si cette prise de copie présente un danger pour les personnes ou porte gravement atteinte à leur vie privée.".
"La consultation du dossier implique que l'inculpé ou son avocat peuvent eux-mêmes et par leurs propres moyens, en prendre une copie gratuitement, sur place. Le juge d'instruction peut toutefois, de manière motivée, interdire la prise de copie du dossier ou de certaines pièces si les nécessités de l'instruction le requièrent, ou si cette prise de copie présente un danger pour les personnes ou porte gravement atteinte à leur vie privée.".
Art. 157. Artikel 22, vierde lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 27 december 2012, wordt aangevuld als volgt :
"De inzage van het dossier houdt in dat de verzoeker of zijn advocaat er zelf met hun eigen middelen kosteloos een kopie van kunnen nemen ter plaatse. De onderzoeksrechter kan echter, op gemotiveerde wijze, de kopiename van het dossier of van bepaalde stukken ervan verbieden indien de noodwendigheden van het gerechtelijk onderzoek dit vereisen, of indien kopiename een gevaar zou opleveren voor personen of een ernstige schending van hun privéleven zou inhouden.".
"De inzage van het dossier houdt in dat de verzoeker of zijn advocaat er zelf met hun eigen middelen kosteloos een kopie van kunnen nemen ter plaatse. De onderzoeksrechter kan echter, op gemotiveerde wijze, de kopiename van het dossier of van bepaalde stukken ervan verbieden indien de noodwendigheden van het gerechtelijk onderzoek dit vereisen, of indien kopiename een gevaar zou opleveren voor personen of een ernstige schending van hun privéleven zou inhouden.".
Art. 157. L'article 22, alinéa 4, de la même loi, modifié par la loi du 27 décembre 2012, est complété comme suit :
"La consultation du dossier implique que l'inculpé ou son avocat peuvent eux-mêmes et par leurs propres moyens, en prendre une copie gratuitement, sur place. Le juge d'instruction peut toutefois, de manière motivée, interdire la prise de copie du dossier ou de certaines pièces si les nécessités de l'instruction le requièrent, ou si cette prise de copie présente un danger pour les personnes ou porte gravement atteinte à leur vie privée.".
"La consultation du dossier implique que l'inculpé ou son avocat peuvent eux-mêmes et par leurs propres moyens, en prendre une copie gratuitement, sur place. Le juge d'instruction peut toutefois, de manière motivée, interdire la prise de copie du dossier ou de certaines pièces si les nécessités de l'instruction le requièrent, ou si cette prise de copie présente un danger pour les personnes ou porte gravement atteinte à leur vie privée.".