Zum Hauptinhalt

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
20 DECEMBER 2019. - PROGRAMMADECREET bij de begroting 2020(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 30-12-2019 en tekstbijwerking tot 30-12-2025)
Titre
20 DECEMBRE 2019. - Décret-programme du budget 2020(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 30-12-2019 et mise à jour au 30-12-2025)
Dokumentinformationen
Numac: 2019015896
Datum: 2019-12-20
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2019015896
Date: 2019-12-20
Moniteur: Voir
Inhoud
HOOFDSTUK 1. - Algemeen HOOFDSTUK 2. - Cultuur, Jeugd, Sport en Media Afdeling 1. - Wijziging van het Circusdecreet v... Afdeling 2. - Wijziging van het decreet van 20 ... HOOFDSTUK 3. - Werk en Sociale Economie Afdeling 1. - Aanpassing van de doelgroepvermin... HOOFDSTUK 4. - Omgeving Afdeling 1. - Decreet van 18 juli 2003 betreffe... Afdeling 2. - Decreet van 23 december 2011 betr... HOOFDSTUK 5. - Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Afdeling 1. - Aanpassing van het Woonzorgdecree... Afdeling 2. - Niet-indexering rang 3- en leefti... Afdeling 3. - Overeenkomsten tussen het Comité ... HOOFDSTUK 6. - Fonds personeelsleden met verlof... HOOFDSTUK 7. - Kanselarij en Bestuur Afdeling 1. - Financiering open ruimte Afdeling 2. - Financiering lokale besturen: res... Afdeling 3. - Invordering van provincie- en gem... HOOFDSTUK 8. - Financiën en Begroting Afdeling 1. - Beperking belastingkrediet rechts... Afdeling 2. - Kilometerheffing - aanpassing aan... Afdeling 3. - Registratiebelasting verdere verl... Afdeling 4. - Bijstelling van de belastingvermi... Afdeling 5. - Wijziging van de belastingvermind... Afdeling 6. - Bevriezing index subsidies Afdeling 7. - Bevriezing index gefinancierd en ... HOOFDSTUK 9. - Onderwijs en Vorming Afdeling 1. - Gelijkschakeling werkingsmiddelen... Afdeling 2. - NVAO - opdracht van een personeel... Afdeling 3. - Bijkomende middelen wettelijke we... Afdeling 4. - Generieke maatregel subsidie Vler... Afdeling 5. - Generieke maatregel toelage hoger... Afdeling 6. - Machtiging aan AGION voor verbint... Afdeling 7. - Generieke maatregel werkingsmidde... Afdeling 8. - Generieke maatregel werkingsmidde... Afdeling 9. - Generieke maatregel werkingsmidde... Afdeling 10. - Generieke maatregel subsidie Vla... Afdeling 11. - Generieke maatregel subsidie Vla... Afdeling 12. - Generieke maatregel werkingstoel... Afdeling 13. - Generieke maatregel aanvullende ... Afdeling 14. - Generieke maatregel werkingstoel... Afdeling 15. - Toekenning jaarlijkse aanvullend... Afdeling 16. - Generieke maatregel op de compen... Afdeling 17. - Generieke maatregel nascholingsm... Afdeling 18. - Generieke maatregel werkingsmidd... Afdeling 19. - Uitbreiding onderwijs aan afwezi... HOOFDSTUK 10. - Inwerkingtreding
Inhoud
CHAPITRE 1er. - Généralités CHAPITRE 2. - Culture, Jeunesse, Sport et Médias Section 1ère. - Modification du Décret relatif ... Section 2. - Modification du décret du 20 mai 2... CHAPITRE 3. - Emploi et Economie sociale Section 1ère. - Ajustement des réductions group... CHAPITRE 4. - Environnement et Aménagement du T... Section 1ère. - Décret du 18 juillet 2003 relat... Section 2. - Décret du 23 décembre 2011 relatif... CHAPITRE 5. - Bien-Etre, Santé publique et Famille Section 1ère. - Adaptation du Décret relatif au... Section 2. - Non indexation rang 3- et suppléme... Section 3. - Conventions entre le Comité de l'a... CHAPITRE 6. - Fonds personeelsleden met verlof ... CHAPITRE 7. - Chancellerie et Gouvernance publique Section 1ère. - Financement de l'espace ouvert Section 2. - Financement des administrations lo... Section 3. - Recouvrement des taxes provinciale... CHAPITRE 8. - Finances et Budget Section 1ère. - Limitation du crédit d'impôt de... Section 2. - Prélèvement kilométrique - adaptat... Section 3. - Impôt d'enregistrement - réduction... Section 4. - Ajustement de la réduction d'impôt... Section 5. - Modification de la réduction d'imp... Section 6. - Gel de l'indice pour les subventions Section 7. - Gel de l'indice enseignement finan... CHAPITRE 9. - Enseignement et Formation Section 1ère. - Alignement des moyens de foncti... Section 2. - NVAO - mission d'un membre du pers... Section 3. - Moyens supplémentaires cotisations... Section 4. - Mesure générique subvention Vleric... Section 5. - Mesure générique allocation aux in... Section 6. - Autorisation à AGIOn (Agence de l'... Section 7. - Mesure générique moyens de fonctio... Section 8. - Mesure générique moyens de fonctio... Section 9. - Mesure générique moyens de fonctio... Section 10. - Mesure générique subvention Centr... Section 11. - Mesure générique subvention Centr... Section 12. - Mesure générique subventions de f... Section 13. - Mesure générique subventions comp... Section 14. - Mesure générique subventions de f... Section 15. - Attribution de périodes/enseignan... Section 16. - Mesure générique concernant le ré... Section 17. - Mesure générique moyens de la for... Section 18. - Mesure générique moyens de foncti... Section 19. - Extension de l'enseignement à des... CHAPITRE 10. - Entrée en vigueur
Tekst (129)
Texte (129)
HOOFDSTUK 1. - Algemeen
CHAPITRE 1er. - Généralités
Artikel 1. Dit decreet regelt een gewest- en gemeenschapsaangelegenheid.
Article 1er. Le présent décret règle une matière communautaire et régionale.
HOOFDSTUK 2. - Cultuur, Jeugd, Sport en Media
CHAPITRE 2. - Culture, Jeunesse, Sport et Médias
Afdeling 1. - Wijziging van het Circusdecreet van 1 maart 2019
Section 1ère. - Modification du Décret relatif à une politique du cirque du 1er mars 2019
Art. 2. In artikel 25, § 1, van het Circusdecreet van 1 maart 2019 wordt de zinsnede "het decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle door het Rekenhof" vervangen door de zinsnede "artikel 75 en 76 van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019".
Art. 2. Dans l'article 25, § 1er, du Décret relatif à une politique du cirque du 1er mars 2019, le membre de phrase " au décret du 8 juillet 2011 réglant le budget, la comptabilité, l'attribution de subventions et le contrôle de leur utilisation, et le contrôle par la Cour des Comptes " est remplacé par le membre de phrase " aux articles 75 et 76 du Code flamand des Finances publiques du 29 mars 2019. ".
Afdeling 2. - Wijziging van het decreet van 20 mei 2016 houdende diverse bepalingen in de beleidsvelden Cultuur, Jeugd en Brussel
Section 2. - Modification du décret du 20 mai 2016 portant diverses dispositions dans les domaines politiques de la culture, de la jeunesse et de Bruxelles
Art. 3. In artikel 2/4 van het decreet van 20 mei 2016 houdende diverse bepalingen in de beleidsvelden Cultuur, Jeugd en Brussel, ingevoegd bij het decreet van 29 maart 2019, wordt de zinsnede "het decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle door het Rekenhof" vervangen door de zinsnede "artikel 75 en 76 van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019".
Art. 3. Dans l'article 2/4 du décret du 20 mai 2016 portant diverses dispositions dans les domaines politiques de la culture, de la jeunesse et de Bruxelles, inséré par le décret du 29 mars 2019, le membre de phrase " au décret du 8 juillet 2011 réglant le budget, la comptabilité, l'attribution de subventions et le contrôle de leur utilisation, et le contrôle par la Cour des Comptes " est remplacé par le membre de phrase " aux articles 75 et 76 du Code flamand des Finances publiques du 29 mars 2019. ".
HOOFDSTUK 3. - Werk en Sociale Economie
CHAPITRE 3. - Emploi et Economie sociale
Afdeling 1. - Aanpassing van de doelgroepverminderingen
Section 1ère. - Ajustement des réductions groupes-cibles
Art. 4. In artikel 339, eerste lid, 2°, van de programmawet van 24 december 2002 (I), vervangen bij het decreet van 4 maart 2016, wordt het getal "55" vervangen door het getal "58".
Art. 4. Dans l'article 339, alinéa 1er, 2°, de la Loi-programme du 24 décembre 2002 (I), remplacé par le décret du de 4 mars 2016, le nombre " 55 " est remplacé par le nombre " 58 ".
Art. 5. De oudere werknemer die de dag voor de inwerking van dit decreet minstens de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt, blijft tot de laatste dag van het kwartaal voor het kwartaal waarin hij de leeftijd van 58 jaar heeft bereikt, in aanmerking komen voor de vermindering van de sociale zekerheidsbijdragen zoals geregeld bij artikel 6 van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het hoofdstuk 7 van titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen, zoals van kracht voor de inwerkingtreding van dit decreet.
  In afwijking van het vorige lid behouden de werkgevers de doelgroepvermindering volgens de voorwaarden, vermeld in artikel 6/1 tot en met 6/3 van hetzelfde koninklijk besluit zoals van kracht vóór de inwerkingtreding van dit decreet, voor wat de oudere niet-werkende werkzoekende betreft die de leeftijd van 58 jaar nog niet heeft bereikt en die uiterlijk de dag voor de inwerkingtreding van dit decreet in dienst is getreden.
Art. 5. Le travailleur âgé qui a atteint au moins l'âge de 55 ans le jour précédant l'entrée en vigueur du présent décret, reste éligible, jusqu'au dernier jour du trimestre précédant le trimestre pendant lequel il a atteint l'âge de 58 ans, à la réduction des cotisations de sécurité sociale telle que réglée par l'article 6 de l'arrêté royal du 16 mai 2003 portant exécution du chapitre 7 du titre IV de la Loi-programme du 24 décembre 2002 (I), visant à harmoniser et à simplifier les régimes de réductions de cotisations de sécurité sociale, tel qu'en vigueur avant l'entrée en vigueur du présent décret.
  Par dérogation à l'alinéa précédent, les employeurs maintiennent la réduction groupes-cibles selon les conditions, visées aux articles 6/1 à 6/3 du même arrêté royal, tel qu'en vigueur avant l'entrée en vigueur du présent décret, en ce qui concerne le demandeur d'emploi âgé inoccupé qui n'a pas encore atteint l'âge de 58 ans et qui est entré en service au plus tard le jour avant l'entrée en vigueur du présent décret.
Art. 6. In artikel 346, § 2, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 23 december 2005, vervangen bij het decreet van 4 maart 2016 en gewijzigd bij het decreet van 7 juli 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het tweede lid, 2°, worden de woorden "of middengeschoold" opgeheven;
  2° het derde lid wordt vervangen door wat volgt:
  "In het tweede lid, 2°, wordt verstaan onder laaggeschoold: de jonge werknemer die geen diploma van secundair onderwijs of een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs, of een gelijkwaardig diploma of getuigschrift heeft.".
Art. 6. A l'article 346, § 2, de la même loi, inséré par la loi du 23 décembre 2005, remplacé par le décret du 4 mars 2016 et modifié par le décret du 7 juillet 2017, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 2, 2°, les mots " ou moyennement qualifié " sont abrogés ;
  2° l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit :
  " Dans l'alinéa 2, 2°, on entend par peu qualifié : le jeune travailleur qui ne possède pas de diplôme de l'enseignement secondaire ou de certificat d'études de la deuxième année du troisième degré de l'enseignement secondaire ou de diplôme ou certificat équivalent. ".
Art. 7. Voor de middengeschoolde jonge werknemers die uiterlijk op 31 december 2019 in dienst zijn getreden, behouden werkgevers een doelgroepvermindering volgens de voorwaarden, vermeld in artikel 18 en 20 van hetzelfde koninklijk besluit, zoals van kracht vóór de inwerkintreding van dit decreet.
Art. 7. Pour les jeunes travailleurs moyennement qualifiés qui sont entrés en service au plus tard le 31 décembre 2019, les employeurs maintiennent une réduction groupes-cibles selon les conditions visées aux articles 18 et 20 du même arrêté royal, tel qu'en vigueur avant l'entrée en vigueur du présent décret.
HOOFDSTUK 4. - Omgeving
CHAPITRE 4. - Environnement et Aménagement du Territoire
Afdeling 1. - Decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoordineerd op 15 juni 2018
Section 1ère. - Décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau, coordonné le 15 juin 2018
Art. 8. In artikel 4.2.1.2.1 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, gewijzigd bij de decreten van 21 december 2018 en 26 april 2019, wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
  "Aan een heffing op de winning van grondwater, hierna genoemd de heffing grondwater, is elke natuurlijke of rechtspersoon onderworpen die in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar op het grondgebied van het Vlaamse Gewest één of meer van de volgende grondwaterwinningen heeft geëxploiteerd:
  1° grondwaterwinningen bestemd voor de openbare drinkwatervoorziening;
  2° grondwaterwinningen van ten minste 30.000 m3 per jaar bepaald overeenkomstig artikel 4.2.3.1, § 2;
  3° grondwaterwinningen van 500 tot minder dan 30.000 m3 per jaar bepaald overeenkomstig artikel 4.2.3.1, § 2.".
Art. 8. Dans l'article 4.2.1.2.1 du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau, coordonné le 15 juin 2018, modifié par les décrets des 21 décembre 2018 et 26 avril 2019, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  " Est soumise à une redevance sur le captage d'eaux souterraines, ci-après dénommée la redevance sur les eaux souterraines, toute personne physique ou morale qui a exploité un ou plusieurs captages d'eaux souterraines sur le territoire de la Région flamande pendant l'année précédant l'année de redevance :
  1° des captages d'eaux souterraines affectées à la distribution publique d'eau potable ;
  2° des captages d'eaux souterraines d'au moins 30.000 m3 par an, déterminés conformément à l'article 4.2.3.1, § 2 ;
  3° des captages d'eaux souterraines de 500 à moins de 30.000 m3 par an, déterminés conformément à l'article 4.2.3.1, § 2. ".
Art. 9. In artikel 4.2.2.1.11 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 21 december 2018 en 26 april 2019, wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
  "Het bedrag van de heffing, vermeld in artikel 4.2.2.1.1, wordt voor de sectoren 45 en 51, vermeld in bijlage 5, vermenigvuldigd met de coëfficiënt 0,850.".
Art. 9. Dans l'article 4.2.2.1.11 du même décret, modifié par les décrets des 21 décembre 2018 et 26 avril 2019, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  " Pour les secteurs 45 et 51, visés à l'annexe 5, le montant de la redevance, visé à l'article 4.2.2.1.1, est multiplié par le coefficient 0,850. ".
Art. 10. In artikel 4.3.3.5, tweede lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 21 december 2018 en 26 april 2019, wordt de zinsnede "bovengemeentelijke bijdrage als vermeld in artikel 4.3.1.1.1, en een" opgeheven.
Art. 10. Dans l'article 4.3.3.5, alinéa 2, du même décret, modifié par les décrets des 21 décembre 2018 et 26 avril 2019, le membre de phrase " contribution supracommunale telle que visée à l'article 4.3.1.1.1, et de " est abrogé.
Afdeling 2. - Decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materialenkringlopen en afvalstoffen - Milieuheffingen OVAM
Section 2. - Décret du 23 décembre 2011 relatif à la gestion durable de cycles de matériaux et de déchets - Taxes environnementales OVAM
Art. 11. In artikel 46, § 1, 6°, c), van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materialenkringlopen en afvalstoffen wordt de zin "voor het storten van niet-brandbare, niet-recycleerbare slibresidu's afkomstig van PST-installaties op een daarvoor vergunde stortplaats." vervangen door de zin "voor het storten op een daarvoor vergunde stortplaats van zandachtige niet-recycleerbare procesresidu's afkomstig van PST-installaties waarbij overeenkomstig het advies van de OVAM andere verwerkingswijzen dan storten onredelijk hoge kosten met zich meebrengen of onmogelijk zijn.".
Art. 11. Dans l'article 46, § 1er, 6°, c), du décret du 23 décembre 2011 relatif à la gestion durable de cycles de matériaux et de déchets, la phrase " pour le déversement de résidus de boues incombustibles et non recyclables provenant d'installations PST dans une installation autorisée à cet effet " est remplacée par la phrase " pour le déversement sur une décharge autorisée à cet effet de résidus sableux non recyclables provenant d'installations PST, pour lesquels, selon l'avis de l'OVAM, un mode de traitement autre que le déversement entraînerait des coûts déraisonnablement élevés ou serait impossible. ".
Art. 12. In artikel 46, § 1, 11°, van hetzelfde decreet wordt in de voorlaatste zin "2019" vervangen door "2022" en wordt in de laatste zin de zinsnede "2017, 2018 en 2019" vervangen door de zinsnede "vanaf 2017 tot en met 2022".
Art. 12. Dans l'article 46, § 1er, 11°, du même décret, dans l'avant-dernière phrase, " 2019 " est remplacé par " 2022 " et dans la dernière phrase, le membre de phrase " 2017, 2018 et 2019 " est remplacé par le membre de phrase " à partir de 2017 jusqu'à l'année 2022 incluse ".
Art. 13. In artikel 46, § 1, van hetzelfde decreet worden in het vierde lid de woorden "de verwerking" vervangen door de woorden "het verbranden of meeverbranden".
Art. 13. Dans l'article 46, § 1er, du même décret, dans l'alinéa 4, les mots " le traitement " sont remplacés par les mots " l'incinération ou la co-incinération ".
Art. 14. In artikel 46, § 3, eerste lid, 7°, van hetzelfde decreet worden volgende wijzigingen aangebracht:
  1° tussen de woorden "voor wat betreft het" en de woorden "in het Vlaamse Gewest" worden de woorden "buiten het Vlaamse Gewest ingezameld en" ingevoegd;
  2° het woord "geproduceerd" wordt vervangen door het woord "gesorteerd".
Art. 14. A l'article 46, § 3, alinéa 1er, 7°, du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
  1° les mots " collectés en dehors de la Région flamande " sont insérés entre les mots " et de carton " et les mots " produits en Région flamande " ;
  2° le mot " produits " est remplacé par le mot " triés ".
HOOFDSTUK 5. - Welzijn, Volksgezondheid en Gezin
CHAPITRE 5. - Bien-Etre, Santé publique et Famille
Afdeling 1. - Aanpassing van het Woonzorgdecreet van 15 februari 2019
Section 1ère. - Adaptation du Décret relatif aux soins résidentiels du 15 février 2019
Art. 15. In artikel 2, § 1, van het Woonzorgdecreet van 15 februari 2019 wordt een punt 5° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "5° /1 koepelorganisatie: een vennootschap naar Belgisch of buitenlands recht, een vzw, een stichting of een vereniging naar buitenlands recht met rechtspersoonlijkheid die rechtstreeks noch onrechtstreeks enig vermogensvoordeel mag uitkeren of bezorgen behalve voor het in de statuten bepaalde belangeloze doel waarin erkende woonzorgvoorzieningen of verenigingen vertegenwoordigd zijn, en die de belangen van die woonzorgvoorzieningen of verenigingen behartigt;".
Art. 15. Dans l'article 2, § 1er, du Décret relatif aux soins résidentiels du 15 février 2019, il est inséré un point 5° /1, rédigé comme suit :
  " 5° /1 organisation coordinatrice : une société de droit belge ou étranger, une ASBL, une fondation ou association de droit étranger dotée de la personnalité juridique qui ne peuvent, directement ou indirectement, distribuer ou fournir un quelconque avantage patrimonial, sauf pour l'objectif désintéressé défini dans les statuts dans laquelle des structures de soins résidentiels ou des associations sont représentées et qui défend les intérêts de ces structures de soins résidentiels ou associations ; ".
Art. 16. In artikel 55, § 1, eerste lid, van hetzelfde decreet worden de woorden "en verenigingen" vervangen door de zinsnede ", verenigingen en koepelorganisaties".
Art. 16. Dans l'article 55, § 1er, alinéa 1er, du même décret, les mots " et aux associations " sont remplacés par le membre de phrase " , aux associations et aux organisations coordinatrices ".
Art. 17. In artikel 56, tweede lid, van hetzelfde decreet worden de woorden "of vereniging" telkens vervangen door de zinsnede ", vereniging of koepelorganisatie".
Art. 17. Dans l'article 56, alinéa 2, du même arrêté, les mots " ou une association " sont remplacés par le membre de phrase " , une association ou une organisation coordinatrice " et les mots " ou cette association " sont remplacés par le membre de phrase " , cette association ou organisation coordinatrice ".
Art. 18. In artikel 59 van hetzelfde decreet wordt tussen het woord "personeelsleden" en het woord "en" telkens de zinsnede ", vrijwilligers, verenigingswerkers" ingevoegd.
Art. 18. Dans l'article 59 du même décret, le membre de phrase " volontaires, les travailleurs associatifs " est chaque fois inséré entre les mots " membres du personnel " et le mot " et ".
Afdeling 2. - Niet-indexering rang 3- en leeftijdstoeslagen
Section 2. - Non indexation rang 3- et suppléments d'âge
Art. 19. In artikel 4 van het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° aan de eerste paragraaf wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "De koppeling aan de afgevlakte gezondheidsindex uit het eerste lid wordt beëindigd vanaf 1 januari 2020.";
  2° aan de eerste paragraaf wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "De bedragen van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid, en in voorkomend geval, de inkomensgrenzen, vermeld in delen 1 en 3 van boek 2 en deel 2 van boek 5, die ingevolge de koppeling uit het eerste lid en de toepassing van het tweede lid, werden bekomen op 31 december 2019, worden vanaf 1 januari 2020 jaarlijks op 1 september verhoogd met een index van 2 %.";
  3° aan de eerste paragraaf wordt een vijfde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "In afwijking van het voorgaande lid start de jaarlijkse verhoging met een index van 2 %, zoals opgenomen in het vorige lid, voor het bedrag voor het derde jongste kind en oudere kinderen, vermeld in artikel 210, § 2, tweede lid, en het bedrag van de leeftijdsbijslagen, vermeld in artikel 212, § 1 en § 2, en artikel 213, zoals die voor deze bedragen ingevolge de koppeling uit het eerste lid werden bekomen op 31 december 2019, vanaf 1 september 2025.";
  4° in de vierde paragraaf wordt het zinsdeel "aan de afgevlakte gezondheidsindex." vervangen door het zinsdeel "aan de indexmechanismen uit het eerste lid, rekening houdend met de toepassing van het derde lid van de eerste paragraaf, en het vierde lid van de eerste paragraaf.".
Art. 19. A l'article 4 du décret du 27 avril 2018 réglant les allocations dans le cadre de la politique familiale, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le paragraphe 1er est complété par un alinéa 3, rédigé comme suit :
  " La liaison à l'indice santé lissé de l'alinéa 1er est terminée à partir du 1er janvier 2020. " ;
  2° le paragraphe 1er est complété par un alinéa 4, rédigé comme suit :
  " Les montants des allocations dans le cadre de la politique familiale, et le cas échéant, les limites de revenu visées aux parties 1 et 3 du livre 2 et la partie 2 du livre 5, qui ont été obtenus le 31 décembre 2019 suite à la liaison visée à l'alinéa 1er et l'application de l'alinéa 2, sont annuellement majorés le 1er septembre d'un indice de 2 % à partir du 1er janvier 2020. " ;
  3° le paragraphe 1er est complété par un alinéa 5, rédigé comme suit :
  " Par dérogation à l'alinéa précédent, la majoration annuelle d'un indice de 2 %, telle que reprise à l'alinéa précédent, pour le montant pour le troisième enfant le plus jeune et les enfants plus âgés, visé à l'article 210, § 2, alinéa 2, et le montant des suppléments d'âge visés à l'article 212, §§ 1er et 2, et l'article 213, tels qu'ils ont été obtenus le 31 décembre 2019 pour ces montants suite à la liaison visée à l'alinéa 1er, commence à partir du 1er septembre 2025. " ;
  4° dans le paragraphe 4, le membre de phrase " à l'indice santé lissé " est remplacé par le membre de phrase " aux mécanismes d'indexation de l'alinéa 1er, compte tenu de l'application de l'alinéa 3 du paragraphe 1er, et de l'alinéa 4 du paragraphe 1er, ".
Afdeling 3. - Overeenkomsten tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid
Section 3. - Conventions entre le Comité de l'assurance soins de santé, institué auprès du Service des soins de santé de l'INAMI, et l'Agence des Soins et de la Santé
Art. 20. In artikel 2 van het decreet van 7 juli 1998 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 1998, vervangen bij het decreet van 19 december 2003 en gewijzigd bij het decreet van 8 juli 2011, 21 december 2012, 19 december 2014, 18 december 2015, 8 juli 2016, 30 juni 2017 en 21 december 2018 worden volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 wordt de zinsnede "voor de uitvoering van het avenant van 1 oktober 2018 bij de overeenkomst (1 juli 2017 - 31 december 2019) van 27 januari 2017 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid en voor de uitvoering van de overeenkomst (1 januari 2018 - 31 december 2020) van 1 oktober 2018 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid;" vervangen door de zinsnede "voor de uitvoering van het avenant van 19 september 2019 bij de overeenkomst (1 juli 2017 - 31 december 2020) van 27 januari 2017 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid en voor de uitvoering van het avenant van 19 september 2019 bij de overeenkomst van (1 januari 2018 - 31 december 2021) van 1 oktober 2018 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid;";
  2° er wordt een paragraaf 2/9 ingevoegd, die luidt als volgt:
  " § 2/9. Het Fonds wordt gespijsd met middelen die in uitvoering van het avenant van 19 september 2019 bij de overeenkomst (1 juli 2017 - 31 december 2020) van 27 januari 2017 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid worden uitbetaald.";
  3° er wordt een paragraaf 2/10 ingevoegd, die luidt als volgt:
  " § 2/10. Het Fonds wordt gespijsd met middelen die in de uitvoering van het avenant van 19 september 2019 bij de overeenkomst van (1 januari 2018 - 31 december 2021) van 1 oktober 2018 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid worden uitbetaald.";
  4° er wordt een paragraaf 3/9 ingevoegd, die luidt als volgt:
  " § 3/9. Ten laste van dit Fonds worden alle soorten uitgaven die gedaan worden door het Agentschap Zorg en Gezondheid aangerekend, voor zover die uitgaven verband houden met de uitvoering van het avenant van 19 september 2019 bij de overeenkomst (1 juli 2017 - 31 december 2020) van 27 januari 2017 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid.";
  5° er wordt een paragraaf 3/10 ingevoegd, die luidt als volgt:
  " § 3/10. Ten laste van dit Fonds worden alle soorten uitgaven die gedaan worden door het Agentschap Zorg en Gezondheid aangerekend, voor zover die uitgaven verband houden met de uitvoering van het avenant van 19 september 2019 bij de overeenkomst van (1 januari 2018 - 31 december 2021) van 1 oktober 2018 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid.".
Art. 20. Dans l'article 2 du décret du 7 juillet 1998 contenant diverses mesures d'accompagnement de l'ajustement du budget 1998, remplacé par le décret du 19 décembre 2003 et modifié par les décrets des 8 juillet 2011, 21 décembre 2012, 19 décembre 2014, 18 décembre 2015, 8 juillet 2016, 30 juin 2017 et 21 décembre 2018, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, le membre de phrase " pour l'exécution de l'avenant du 1er octobre 2018 à la convention (1er juillet 2017 - 31 décembre 2018) du 27 janvier 2017 entre le Comité de l'assurance soins de santé, institué auprès du Service des soins de santé de l'INAMI, et l'Agence des Soins et de la Santé, et pour l'exécution de la convention (1er janvier 2018 - 31 décembre 2020) du 1er octobre 2018 entre le Comité de l'assurance soins de santé, institué auprès du Service des soins de santé de l'INAMI, et l'Agence des Soins et de la Santé ; " est remplacé par le membre de phrase " pour l'exécution de l'avenant du 19 septembre 2019 à la convention (1er juillet 2017 - 31 décembre 2020) du 27 janvier 2017 entre le Comité de l'assurance soins de santé, institué auprès du Service des soins de santé de l'INAMI, et l'Agence des Soins et de la Santé, et pour l'exécution de l'avenant du 19 septembre 2019 à la convention (1er janvier 2018 - 31 décembre 2021) du 1er octobre 2018 entre le Comité de l'assurance soins de santé, instituté auprès du Service des soins de santé de l'INAMI, et l'Agence des Soins et de la Santé ; ";
  2° il est inséré un paragraphe 2/9, rédigé comme suit :
  " § 2/9. Le Fonds est alimenté par des moyens payés en exécution de l'avenant du 19 septembre 2019 à la convention (1er juillet 2017 - 31 décembre 2020) du 27 janvier 2017 entre le Comité de l'assurance soins de santé, institué auprès du Service des soins de santé de l'INAMI, et l'Agence des Soins et de la Santé. " ;
  3° il est inséré un paragraphe 2/10, rédigé comme suit :
  " § 2/10. Le Fonds est alimenté par des moyens payés en exécution de l'avenant du 19 septembre 2019 à la convention (1er janvier 2018 - 31 décembre 2021) du 1er octobre 2018 entre le Comité de l'assurance soins de santé, institué auprès du Service des soins de santé de l'INAMI, et l'Agence des Soins et de la Santé. " ;
  4° il est inséré un paragraphe 3/9, rédigé comme suit :
  " § 3/9. Sont imputées à charge de ce Fonds, toutes sortes de dépenses réalisées par l'Agence des Soins et de la Santé, dans la mesure où ces dépenses sont liées à l'exécution de l'avenant du 19 septembre 2019 à la convention (1er juillet 2017 - 31 décembre 2020) du 27 janvier 2017 entre le Comité de l'assurance soins de santé, institué auprès du Service des soins de santé de l'INAMI, et l'Agence des Soins et de la Santé. " ;
  5° il est inséré un paragraphe 3/10, rédigé comme suit :
  " § 3/10. Sont imputées à charge de ce Fonds, toutes sortes de dépenses réalisées par l'Agence des Soins et de la Santé, dans la mesure où ces dépenses sont liées à l'exécution de l'avenant du 19 septembre 2019 à la convention (1er janvier 2018 - 31 décembre 2021) du 1er octobre 2018 entre le Comité de l'assurance soins de santé, institué auprès du Service des soins de santé de l'INAMI, et l'Agence des Soins et de la Santé. ".
HOOFDSTUK 6. - Fonds personeelsleden met verlof voor opdracht
CHAPITRE 6. - Fonds personeelsleden met verlof voor opdracht (Fonds pour membres du personnel en congé pour l'exercice d'une mission)
Art. 21. In artikel 33 van het decreet van 6 juli 2001 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2001, gewijzigd bij de decreten van 22 december 2006, 21 november 2008, 18 december 2009 en 30 juni 2017, worden volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 worden de woorden "artikel 45 van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit" vervangen door de woorden "artikel 15, § 2 en § 3, van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019";
  2° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 3. De middelen van ieder fonds dienen aangewend te worden voor de betaling van wedden en weddentoelagen van de ter vervanging aangeworven personeelsleden of van de personeelsleden binnen het Vlaams ministerie die ten laste genomen worden door andere overheden of organisaties.".
Art. 21. A l'article 33 du décret du 6 juillet 2001 contenant diverses mesures d'accompagnement du ajustement du budget 2001, modifié par les décrets des 22 décembre 2006, 21 novembre 2008, 18 décembre 2009 et 30 juin 2017, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, les mots " l'article 45 des lois coordonnées sur la comptabilité de l'Etat " sont remplacés par les mots " l'article 15, §§ 2 et 3, du Code flamand des Finances publiques du 29 mars 2019 " ;
  2° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
  " § 3. Les moyens du fonds seront affectés au paiement des traitements et subventions-traitements des membres du personnel recrutés en vue de leur remplacement ou des membres du personnel au sein du Ministère flamand qui sont pris en charge par d'autres autorités ou organisations. ".
HOOFDSTUK 7. - Kanselarij en Bestuur
CHAPITRE 7. - Chancellerie et Gouvernance publique
Afdeling 1. - Financiering open ruimte
Section 1ère. - Financement de l'espace ouvert
Art. 22. Vanaf 2020 wordt op de begroting een algemene werkingssubsidie voor de gemeenten van het Vlaamse Gewest ingeschreven, als gedeeltelijke compensatie van de kosten en minderontvangsten door de vrijwaring van de open ruimte en om het behoud en de inrichting van de open ruimte te stimuleren.
  In 2020, 2021, 2022, 2023 en 2024 bedraagt de werkingssubsidie respectievelijk 20 %, 40 %, 60 %, 80 % en 100 % van het bedrag voor open ruimte in het Gemeentefonds van het voorgaande jaar, exclusief het aandeel van de steden, vermeld in artikel 6, § 1, 1°, a), b), c) en d), van het decreet van 5 juli 2002 tot vaststelling van de regels inzake de dotatie en de verdeling van het Vlaams Gemeentefonds, en aangevuld met een jaarlijkse groeivoet van 3,5 %. [1 ...]1.
  [1 In 2025 bedraagt de werkingssubsidie 100% van het bedrag voor open ruimte in het Gemeentefonds van het voorgaande jaar, exclusief het aandeel van de steden, vermeld in artikel 6, § 1, 1°, a), b), c) en d), van het decreet van 5 juli 2002 tot vaststelling van de regels inzake de dotatie en de verdeling van het Vlaams Gemeentefonds, aangevuld met een groeivoet van 3,5%.]1
  [2 Vanaf 2026 wordt op de werkingssubsidie van het voorgaande jaar een jaarlijkse groeivoet van 3,5% toegepast. De werkingssubsidie wordt ook structureel verhoogd met 35 miljoen euro vanaf 2026, bijkomend 10 miljoen euro vanaf 2027 en bijkomend 15 miljoen euro vanaf 2028.]2
  
Art. 22. A partir de 2020 une subvention de fonctionnement générale pour les communes de la Région flamande est inscrite au budget, à titre de compensation partielle des frais et de la diminution de recettes suite à la préservation de l'espace ouvert et pour stimuler la préservation et l'aménagement de l'espace ouvert.
  En 2020, 2021, 2022, 2023 et 2024, la subvention de fonctionnement s'élève respectivement à 20 %, 40 %, 60 %, 80 % et 100 % du montant pour l'espace ouvert au Fonds des communes de l'année précédente, non compris la part des villes, visée à l'article 6, § 1er, 1°, a), b), c) et d), du décret du 5 juillet 2002 réglant la dotation et la répartition du Fonds flamand des Communes, complété par un taux de croissance annuel de 3,5 %. [1 ...]1.
  [1 En 2025, la subvention de fonctionnement s'élève à 100 % du montant pour l'espace ouvert au Fonds des communes de l'année précédente, non compris la part des villes, visée à l'article 6, § 1er, 1°, a), b), c) et d), du décret du 5 juillet 2002 réglant la dotation et la répartition du Fonds flamand des Communes, complété par un taux de croissance annuel de 3,5%.]1
  [2 A partir de 2026, un taux de croissance annuel de 3,5 % est appliqué à la subvention de fonctionnement de l'année précédente. La subvention de fonctionnement est également structurellement augmentée de 35 millions d'euros à partir de 2026, de 10 millions d'euros supplémentaires à partir de 2027 et de 15 millions d'euros supplémentaires à partir de 2028.]2
  
Art. 23. De algemene werkingssubsidie wordt [2 voor de jaren 2020 tot en met 2025]2 onder de gemeenten verdeeld op basis van de gegevens over de gekadastreerde oppervlakte bos, tuinen en parken, woeste gronden, wateren, akkerland, grasland, recreatiegebieden en boomgaarden, zoals gehanteerd voor de definitieve verdeling van het Gemeentefonds voor het voorgaande jaar.
  De steden, vermeld in artikel 22, tweede lid, zijn uitgesloten van de subsidie. Het aandeel van de steden en gemeenten, vermeld in artikel 6, § 1, 1°, e) en f), van het decreet van 5 juli 2002 tot vaststelling van de regels inzake de dotatie en de verdeling van het Vlaams Gemeentefonds, in de subsidie bedraagt maximaal 6 % van hun aandeel in de definitieve verdeling van het Gemeente-fonds voor het voorgaande jaar, verhoogd met 3,5 %. Voor de andere gemeenten bedraagt hun aandeel in de subsidie maximaal 13 % van hun aandeel in de definitieve verdeling van het Gemeentefonds voor het voorgaande jaar, verhoogd met 3,5 %.
  [1 Bij een samenvoeging van gemeenten worden de gegevens over de gekadastreerde oppervlakte open ruimte, vermeld in het eerste lid, en de aandelen in de definitieve verdeling van het Gemeentefonds voor het voorgaande jaar van de samen te voegen gemeenten opgeteld. Als de samenvoeging gepaard gaat met de opsplitsing van een of meer gemeenten, worden de gegevens over de gekadastreerde oppervlakte open ruimte en de aandelen in de definitieve verdeling van het Gemeentefonds van het voorgaande jaar van de op te splitsen gemeenten ook opgesplitst, in dezelfde verhouding als respectievelijk het aandeel gekadastreerde oppervlakte open ruimte en de inwonersaantallen van de opgesplitste delen.]1
  [2 Vanaf 2026 wordt de algemene werkingssubsidie onder de gemeenten verdeeld volgens dezelfde procentuele verhouding als de verdeling van de werkingssubsidie voor het jaar 2025. Bij een samenvoeging van gemeenten wordt vanaf het tweede jaar van de samenvoeging de algemene werkingssubsidie onder de gemeenten verdeeld volgens dezelfde procentuele verhouding als de verdeling van de werkingssubsidie in het jaar van de samenvoeging.
   Bij een samenvoeging van gemeenten vanaf 2026 ontvangt de nieuwe gemeente in het jaar van de samenvoeging een aandeel in de algemene werkingssubsidie dat gelijk is aan de som van de aandelen van de samen te voegen gemeenten of opgesplitste delen van gemeenten in het jaar van de samenvoeging, berekend conform het vierde lid en artikel 22, vierde lid. Als de samenvoeging gepaard gaat met de opsplitsing van een of meer gemeenten, wordt het aandeel van de op te splitsen gemeenten in het jaar van de samenvoeging ook opgesplitst, in dezelfde verhouding als de aandelen gekadastreerde oppervlakte open ruimte van de opgesplitste delen.
   Het vijfde lid is niet van toepassing bij een samenvoeging met een stad als vermeld in artikel 6, § 1, 1°, a), b), c) en d), van het decreet van 5 juli 2002 tot vaststelling van de regels inzake de dotatie en de verdeling van het Vlaams Gemeentefonds. Voornoemde steden zijn uitgesloten van de algemene werkingssubsidie.]2

  
Art. 23. La subvention de fonctionnement générale est répartie [2 pour les années 2020 à 2025]2 parmi les communes sur la base des données relatives à la superficie cadastrée des bois, jardins et parcs, terres incultes, eaux, terres arables, prairies, zones de récréation et vergers, telles qu'utilisées pour la répartition définitive du Fonds des communes pour l'année précédente.
  Les villes, visées à l'article 22, alinéa 2, sont exclues de la subvention. La quote-part des villes et communes, visées à l'article 6, § 1er, 1°, e) et f), du décret du 5 juillet 2002 réglant la dotation et la répartition du Fonds flamand des Communes, dans la subvention s'élève au maximum à 6 % de leur quote-part dans la répartition définitive du Fonds des communes pour l'année précédente, majorée de 3,5 %. Pour les autres communes, leur quote-part dans la subvention s'élève au maximum à 13 % de leur quote-part dans la répartition définitive du Fonds des communes pour l'année précédente, majorée de 3,5 %.
  [1 En cas de fusion de communes, les données relatives à la superficie cadastrée d'espace ouvert, visée au premier alinéa, et les quotes-parts des communes à fusionner dans la répartition définitive du Fonds des communes pour l'année précédente, sont additionnées. Si la fusion s'accompagne de la scission d'une ou plusieurs communes, les données relatives à la superficie cadastrée d'espace ouvert et les quotes-parts des communes à scinder dans la répartition définitive du Fonds des communes pour l'année précédente, sont également scindées dans la même proportion que, respectivement, la quote-part de superficie cadastrée d'espace ouvert et le nombre d'habitants des parties scindées.]1
  [2 A partir de 2026, la subvention générale de fonctionnement est répartie entre les communes selon le même pourcentage que la répartition de la subvention de fonctionnement pour l'année 2025.. En cas de fusion de communes, à partir de la deuxième année de la fusion, la subvention générale de fonctionnement est répartie entre les communes selon le même pourcentage que la répartition de la subvention de fonctionnement l'année de la fusion.
   En cas de fusion de communes, à partir de 2026, la nouvelle commune reçoit, l'année de la fusion, une part de la subvention générale de fonctionnement égale à la somme des parts des communes à fusionner ou des parties de communes scindées l'année de la fusion, calculée conformément à l'alinéa 4, et à l'article 22, alinéa 4. Si la fusion s'accompagne de la scission d'une ou plusieurs communes, la part des communes à scinder dans l'année de la fusion est également scindée, dans la même proportion que les parts de superficie cadastrée d'espace ouvert des parties scindées.
   L'alinéa 5 ne s'applique pas en cas de fusion avec une ville telle que visée à l'article 6, § 1er, 1°, a), b), c) et d), du décret du 5 juillet 2002 réglant la dotation et la répartition du Fonds flamand des Communes. Les villes précitées sont exclues de la subvention générale de fonctionnement.]2

  
Art. 24. De Vlaamse Regering stelt jaarlijks het aandeel van elke gemeente vast. De aandelen worden afgerond op de euro.
Art. 24. Le Gouvernement flamand arrête annuellement la quote-part de chaque commune. Les quotes-parts sont arrondies à l'euro.
Art. 25. De Vlaamse Regering betaalt de vastgestelde aandelen aan de gemeenten uit op het einde van de eerste maand van het vierde kwartaal.
Art. 25. Le Gouvernement flamand paie les quotes-parts établies aux communes à la fin du premier mois du quatrième trimestre.
Art.25/1. [1 De algemene werkingssubsidie wordt gebruikt voor de algemene financiering van de gemeenten van het Vlaamse Gewest en is volledig vrij van verantwoordings- en rapporteringsverplichtingen. ]1
  
Art. 25/1. [1 La subvention générale de fonctionnement est affectée au financement général des communes de la Région flamande et est totalement exempte d'obligations de justification et de rapport. ]1
  
Afdeling 2. - Financiering lokale besturen: responsabiliseringsbijdragen
Section 2. - Financement des administrations locales : contributions de responsabilisation
Art. 26. Vanaf 2020 kent de Vlaamse Regering aan de Vlaamse gemeenten, OCMW's, autonome gemeentebedrijven, havenbedrijven, hulpverleningszones, politiezones, ziekenhuizen en welzijnsverenigingen een dotatie toe ten belope van de helft van de door hen verschuldigde responsabiliseringsbijdragen, vermeld in artikel 19 van de wet van 24 oktober 2011 tot vrijwaring van een duurzame financiering van de pensioenen van de vastbenoemde personeelsleden van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van de lokale politiezones, tot wijziging van de wet van 6 mei 2002 tot oprichting van het fonds voor de pensioenen van de geïntegreerde politie en houdende bijzondere bepalingen inzake sociale zekerheid en houdende diverse wijzigingsbepalingen.
  De dotatie houdt geen rekening met de korting die de besturen kunnen krijgen op de responsabiliseringsbijdrage door de verschuldigde premie voor een aanvullende pensioenregeling voor hun contractueel personeel in mindering te brengen. [2 De dotatie houdt ook geen rekening met de verhoging die de besturen kunnen krijgen op de responsabiliseringsbijdrage doordat een aanvullende pensioenregeling voor hun contractueel personeel ontbreekt.]2
  [1 [2 Voor de wettelijke basisbijdrage wordt uitgegaan van een percentage van 43% en voor de responsabiliseringscoëfficiënt wordt uitgegaan van een percentage van 75%. Met die percentages wordt alleen rekening gehouden als ze een daling van de responsabiliseringsbijdrage tot gevolg hebben.]2.]1
  
Art. 26. A partir de 2020, le Gouvernement flamand accorde aux communes flamandes, CPAS, régies communales autonomes, régies portuaires, zones de secours, zones policières, hôpitaux et associations d'aide sociale une dotation à concurrence de la moitié des contributions de responsabilisation dues par eux, visées à l'article 19 de la loi du 24 octobre 2011 assurant un financement pérenne des pensions des membres du personnel nommé à titre définitif des administrations provinciales et locales et des zones de police locale et modifiant la loi du 6 mai 2002 portant création du fonds des pensions de la police intégrée et portant des dispositions particulières en matière de sécurité sociale et contenant diverses dispositions modificatives.
  La dotation ne tient pas compte de la réduction de la contribution de responsabilisation que les administrations peuvent obtenir en déduisant la prime due pour un régime de pension complémentaire pour leur personnel contractuel. [2 La dotation ne tient pas non plus compte de la majoration de la contribution de responsabilisation que les administrations peuvent obtenir en raison de l'absence d'un régime de pension complémentaire pour leur personnel contractuel.]2
  [1 [2 Pour la contribution de base légale on se base sur un pourcentage de 43 % et pour la contribution de responsabilisation on se base sur un pourcentage de 75 %. Ces pourcentages ne sont pris en compte que lorsqu'ils aboutissent à une diminution de la contribution de responsabilisation]2]1.
  
Art. 27. [1 Vanaf 2020 stelt de Vlaamse Regering de dotatie, vermeld in artikel 26, voor elk bestuur vast op basis van de meest recente ramingen van de responsabiliseringsbijdragen die de Federale Pensioendienst haar op 30 september van het betrokken begrotingsjaar ter beschikking stelt. Vanaf 2021 wordt die dotatie gecorrigeerd met het verschil tussen de toegekende dotatie voor het voorgaande jaar en de effectieve dotatie waarop het bestuur recht had na het definitief worden van de responsabiliseringsbijdrage.
   Als de correctie, vermeld in het eerste lid, leidt tot een negatief bedrag, kan de Vlaamse Regering dat bedrag van het bestuur terugvorderen ]1
.
  
Art. 27. [1 A partir de 2020 le Gouvernement flamand arrête la dotation, visée à l'article 26, pour chaque administration sur la base des estimations les plus récentes des contributions de responsabilisation mises à disposition par le Service fédéral des Pensions chaque année le 30 septembre. A partir de 2021 cette dotation est corrigée par la différence entre la dotation accordée pour l'année précédente et la dotation effective à laquelle l'administration avait droit après que la contribution de responsabilisation soit devenue définitive.
   Si la correction visée à l'alinéa 1er aboutit à un montant négatif, le Gouvernement flamand peut récupérer ce montant auprès de l'administration ]1
.
  
Art. 28. De vastgestelde bedragen worden aan de besturen [2 jaarlijks uiterlijk op 23 december volledig betaald]2.
  [1 Als het begrotingskrediet voor een bepaald jaar ontoereikend is, worden de dotaties aan de besturen pro rata het beschikbare begrotingskrediet [2 uiterlijk betaald op 23 december]2 van dat jaar. Het nog te betalen saldo voor dat jaar wordt toegevoegd aan het begrotingskrediet van het volgende jaar en betaald binnen de twee maanden nadat daarvoor het nodige krediet op de begroting werd ingeschreven.]1
  
Art. 28. Les montants arrêtés sont payés en entier aux administrations [2 au plus tard le 23 décembre de chaque année]2.
  [1 Si le crédit budgétaire d'une certaine année est insuffisant, les dotations sont versées aux administrations au prorata du crédit budgétaire disponible [2 au plus tard le 23 décembre ]2 de cette année. Le solde restant à payer pour cette année est ajouté au crédit budgétaire de l'année suivante et est payé dans les deux mois suivant l'inscription au budget du crédit nécessaire .]1
  
Art.28/1. [1 De dotatie, vermeld in artikel 26, wordt gebruikt voor de algemene financiering van de besturen, vermeld in artikel 26, en is volledig vrij van verantwoordings- en rapporteringsverplichtingen. ]1
  
Art. 28/1. [1 La dotation visée à l'article 26 est affectée au financement général des administrations, visée à l'article 26, et est totalement exempte d'obligations de justification et de rapport. ]1
  
Afdeling 3. - Invordering van provincie- en gemeentebelastingen
Section 3. - Recouvrement des taxes provinciales et communales
Art. 29. Artikel 11 van het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, gewijzigd bij het decreet van 28 mei 2010, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 11. Zonder afbreuk te doen aan het huidige decreet, zijn van overeenkomstige toepassing op de provincie- en gemeentebelastingen:
  1° de bepalingen van titel VII, hoofdstuk 1, 3, 4, 6, 7 en 8, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, voor zover deze niet specifiek de belastingen op de inkomsten betreffen;
  2° het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet- fiscale schuldvorderingen van 13 april 2019, met uitzondering van artikel 43 tot en met 48.".
Art. 29. L'article 11 du décret du 30 mai 2008 relatif à l'établissement, au recouvrement et à la procédure contentieuse des taxes provinciales et communales, modifié par le décret du 28 mai 2010, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 11. Sans préjudice du présent décret, s'appliquent par analogie aux taxes provinciales et communales :
  1° les dispositions du titre VII, chapitres 1er, 3, 4, 6, 7 et 8 du Code des impôts sur les revenus 1992, dans la mesure où elles ne concernent pas spécifiquement les impôts sur les revenus ;
  2° le Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales du 13 avril 2019, à l'exception des articles 43 à 48. ".
HOOFDSTUK 8. - Financiën en Begroting
CHAPITRE 8. - Finances et Budget
Afdeling 1. - Beperking belastingkrediet rechtspersonen in de onroerende voorheffing tot aandeel materieel en outillage
Section 1ère. - Limitation du crédit d'impôt des personnes morales dans le précompte immobilier à la quote-part matériel et outillage
Art. 30. In artikel 2.1.5.0.7, eerste lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, vervangen bij het decreet van 18 november 2016 en gewijzigd bij het decreet van 22 juni 2018, worden punt 1° en 2° opgeheven.
Art. 30. Dans l'article 2.1.5.0.7, alinéa 1er, du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013, remplacé par le décret du 18 novembre 2016 et modifié par le décret du 22 juin 2018, les points 1° et 2° sont abrogés.
Afdeling 2. - Kilometerheffing - aanpassing aan de tarieven kilometerheffing
Section 2. - Prélèvement kilométrique - adaptation aux tarifs du prélèvement kilométrique
Art. 31. In artikel 2.4.4.0.2, eerste lid, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 3 juli 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in punt 2° wordt de zinsnede "11,3 eurocent" vervangen door de zinsnede "13 eurocent";
  2° in punt 4° wordt de tabel vervangen door wat volgt:
  "
Art. 31. A l'article 2.4.4.0.2, alinéa 1er, du même décret, remplacé par le décret du 3 juillet 2015, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le point 2°, le membre de phrase " 11,3 centimes d'euro " est remplacé par le membre de phrase " 13 centimes d'euro " ;
  2° dans le point 4°, le tableau est remplacé par ce qui suit :
  "
maximaal toegestane totaalgewicht G
maximaal toegestane totaalgewicht hoger dan 3,5 ton en lager dan 12 ton - 9,8
maximaal toegestane totaalgewicht hoger dan of gelijk aan 12 ton en niet hoger dan of gelijk aan 32 ton - 1,7
maximaal toegestane totaalgewicht hoger dan 32 ton 0,7
maximaal toegestane totaalgewicht Gmaximaal toegestane totaalgewicht hoger dan 3,5 ton en lager dan 12 ton - 9,8maximaal toegestane totaalgewicht hoger dan of gelijk aan 12 ton en niet hoger dan of gelijk aan 32 ton - 1,7maximaal toegestane totaalgewicht hoger dan 32 ton 0,7
".
masse maximale autorisée G
masse maximale autorisée supérieure à 3,5 tonnes et inférieure à 12 tonnes - 9,8
masse maximale autorisée supérieure ou égale à 12 tonnes et non pas supérieure ou égale à 32 tonnes - 1,7
masse maximale autorisée supérieure à 32 tonnes 0,7
masse maximale autorisée Gmasse maximale autorisée supérieure à 3,5 tonnes et inférieure à 12 tonnes - 9,8masse maximale autorisée supérieure ou égale à 12 tonnes et non pas supérieure ou égale à 32 tonnes - 1,7masse maximale autorisée supérieure à 32 tonnes 0,7
".
Afdeling 3. - Registratiebelasting verdere verlaging van de tarieven enige eigen woning
Section 3. - Impôt d'enregistrement - réduction ultérieure des tarifs pour la seule habitation propre
Art. 32. In artikel 2.9.4.2.11, § 1, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 mei 2018 en gewijzigd bij het decreet van 21 december 2018, wordt de zinsnede "7 %" vervangen door de zinsnede "6 %".
Art. 32. Dans l'article 2.9.4.2.11, § 1er, du même décret, inséré par le décret du 18 mai 2018 et modifié par le décret du 21 décembre 2018, le membre de phrase " 7 % " est remplacé par le membre de phrase " 6 % ".
Art. 33. In artikel 2.9.4.2.12, § 1, eerste lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 mei 2018 en gewijzigd bij het decreet van 21 december 2018, wordt de zinsnede "6 %" vervangen door de zinsnede "5 %".
Art. 33. Dans l'article 2.9.4.2.12, § 1er, alinéa 1er, du même décret, inséré par le décret du 18 mai 2018 et modifié par le décret du 21 décembre 2018, le membre de phrase " 6 % " est remplacé par le membre de phrase " 5 % ".
Art. 34. In artikel 2.9.4.2.14, § 2, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 mei 2018, wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
  "Voor de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in paragraaf 1, is het bedrag, vermeld in artikel 2.9.4.2.10, § 2, 1°, minstens het bedrag dat overeenkomt met het verschil tussen het verkooprecht, geheven met toepassing van artikel 2.9.4.2.14, § 1, en het verkooprecht, verschuldigd bij toepassing van artikel 2.9.4.2.11, § 1, en dit ongeacht de eventuele toepassing van paragraaf 7.".
Art. 34. Dans l'article 2.9.4.2.14, § 2, du même décret, inséré par le décret du 18 mai 2018, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  " Pour l'application du tarif réduit, visé au paragraphe 1er, le montant, visé à l'article 2.9.4.2.10, § 2, 1°, s'élève à au le montant correspondant à la différence entre le droit de vente, perçu en application de l'article 2.9.4.2.14, § 1er, et le droit de vente, dû en application de l'article 2.9.4.2.11, § 1er, sans préjudice de l'application éventuelle du paragraphe 7. ".
Afdeling 4. - Bijstelling van de belastingvermindering voor dienstencheques en wijkwerkencheques
Section 4. - Ajustement de la réduction d'impôt pour des titres-services et des chèques-travail de proximité
Art. 35. In artikel 14521, tweede lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 worden de woorden "30 pct" vervangen door de woorden "20 pct".
Art. 35. Dans l'article 14521, alinéa 2, du Code des Impôts sur les Revenus 1992, les mots " 30 p.c. " sont remplacés par les mots " 20 p.c. ".
Afdeling 5. - Wijziging van de belastingvermindering voor de eigen woning
Section 5. - Modification de la réduction d'impôt pour habitation propre
Art. 36. Aan artikel 14538/2 § 1, eerste lid, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 wordt de zinsnede "en uiterlijk op 31 december 2019" toegevoegd.
Art. 36. L'article 14538/2, § 1er, alinéa 1er, 1°, du Code des Impôts sur les Revenus 1992, est complété par le membre de phrase " et au plus tard le 31 décembre 2019 ".
Art. 37. Aan artikel 14543, eerste lid, 2°, van hetzelfde wetboek wordt het volgende zinsdeel toegevoegd: ", en met betrekking tot een contract, uiterlijk gesloten op 31 december 2019".
Art. 37. L'article 14543, alinéa 1er, 2°, du même code est complété par le membre de phrase suivant : " , et afférentes à un contrat, conclu au plus tard le 31 décembre 2019 ".
Art. 38. In hetzelfde wetboek wordt een artikel 14546/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 14546/1. Handelingen die de belastingplichtige stelt vanaf 1 januari 2020 worden voor de toepassing van de artikelen 14537 tot en met 14546 als niet bestaande beschouwd wat betreft de verlenging van de duurtijd waarin die belastingverminderingen voor de eigen woning verkregen kunnen worden als die handelingen tot doel of gevolg hebben dat die belastingenverminderingen voor de eigen woning voor een langere looptijd kunnen worden toegekend dan het geval was op 31 december 2019.
  Voor de toepassing van het eerste lid wordt verstaan onder belastingverminderingen voor de eigen woning: de belastingverminderingen, vermeld in artikel 14537 tot en met 14546.".
Art. 38. Dans le même code, il est inséré un article 14546/1, rédigé comme suit :
  " Art. 14546/1. Les actes posés par le contribuable à partir du 1er janvier 2020 sont considérés, pour l'application des articles 14537 à 14546, comme non existants en ce qui concerne la prolongation de la durée pendant laquelle ces réductions d'impôt pour l'habitation propre peuvent être obtenues si ces actes ont pour but ou conséquence que ces réductions d'impôt pour l'habitation propre peuvent être accordées pour une durée plus longue que ce qui était le cas le 31 décembre 2019.
  Pour l'application de l'alinéa 1er, on entend par " réductions d'impôt pour l'habitation propre : les réductions d'impôt visées aux articles 14537 à 14546. ".
Afdeling 6. - Bevriezing index subsidies
Section 6. - Gel de l'indice pour les subventions
Art. 39. § 1. Voor alle subsidies binnen de begroting van de Vlaamse Gemeenschap waarvan de evolutie gekoppeld is aan de schommelingen van een prijsindexcijfer, wordt, voor het gedeelte van de niet-looncomponent van de subsidie, de indexaanpassing niet verrekend in het begrotingsjaar 2020 tot en met 2024.
  Het eerste lid is niet van toepassing op:
  1° de betaalde vergoedingen, vermeld in artikel 16 van het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg;
  2° artikel 65, 1°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 november 2013 houdende de subsidies en de eraan gekoppelde voorwaarden voor de realisatie van specifieke dienstverlening door gezinsopvang en groepsopvang van baby's en peuters;
  3° artikel 55 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 november 2012 betreffende de erkenning en de subsidiëring van de centra voor kinderzorg en gezinsondersteuning;
  4° [1 de tarieven voor zakgeld, vermeld in bijlage 3 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 april 2019 betreffende de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor voorzieningen in de jeugdhulp;]1
  5° de zakgelden die worden toegekend voor minderjarigen met een handicap op basis van artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2008 tot bepaling van het bedrag, de voorwaarden voor de toekenning en de wijze van vereffening van een vrij besteedbaar bedrag voor minderjarigen aan wie residentiële jeugdhulpverlening wordt geboden in voorzieningen die erkend zijn en gesubsidieerd worden door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap;
  6° de huursubsidie, zoals vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2007 tot instelling van een tegemoetkoming in de huurprijs voor woonbehoeftige huurders;
  7° de huurpremie, zoals vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 4 mei 2012 tot instelling van een tegemoetkoming voor kandidaat-huurders;
  8° de subsidies verleend in het kader van artikel 9 en artikel 19 van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling;
  9° de premie verleend op basis van artikel 94, § 1, van de programmawet van 30 december 1988, hoofdstuk II. Opzetting van een stelsel van gesubsidieerde contractuelen bij sommige openbare besturen;
  10° de tegemoetkomingen voor mobiliteitshulpmiddelen, vermeld in deel 2, titel 4, van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming;
  11° de studiefinanciering, vermeld in artikel 46 van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap.
  De toepassing van het eerste lid mag niet leiden tot een nominale vermindering van de subsidies, vermeld in het eerste lid.
  
Art. 39. § 1er. Pour toutes les subventions au sein du budget de la Communauté flamande dont l'évolution est liée aux fluctuations d'un indice des prix, pour la partie de la composante non traitement de la subvention, l'indexation n'est pas réglée dans les années budgétaires 2020 à 2024.
  L'alinéa 1er ne s'applique pas :
  1° aux indemnités payées, visées à l'article 16 du décret du 29 juin 2012 portant organisation du placement familial ;
  2° à l'article 65, 1°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 novembre 2013 relatif aux subventions et aux conditions y afférentes pour la réalisation de services spécifiques par l'accueil familial et l'accueil en groupe de bébés et de bambins ;
  3° à l'article 55 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 novembre 2012 relatif à l'agrément et au subventionnement des centres d'aide aux enfants et d'assistance des familles ;
  4° [1 aux taux de l'argent de poche, visés en annexe 3 à l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 avril 2019 relatif aux conditions d'agrément et aux normes de subventionnement des structures d'aide à la jeunesse ;]1
  5° à l'argent de poche octroyé pour mineurs handicapés sur la base de l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juillet 2008 déterminant le montant, les conditions d'octroi et le mode de liquidation d'un montant librement utilisable pour les mineurs auxquels il est offert des services résidentiels de l'aide à la jeunesse dans des structures agréées et subventionnées par la " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap " (Agence flamande pour les Personnes handicapées) ;
  6° à la subvention à la location, telle que visée à l'arrêté du Gouvernement flamand du 2 février 2007 instaurant une intervention dans le loyer pour les locataires nécessiteux d'un logement ;
  7° à la prime à la location, telle que visée à l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 mai 2012 instaurant une subvention aux candidats-locataires ;
  8° aux subventions octroyées dans le cadre de l'article 9 et de l'article 19 du décret du 12 juillet 2013 relatif au travail adapté dans le cadre de l'intégration collective ;
  9° à la prime accordée sur la base de l'article 94, § 1er, de la Loi-programme du 30 décembre 1988, chapitre II. Création d'un régime de contractuels subventionnés auprès de certains pouvoirs publics ;
  10° aux interventions pour aides à la mobilité, visées à la partie 2, titre 4 du décret du 18 mai 2018 relatif à la protection sociale flamande ;
  11° à l'aide financière aux études, visée à l'article 46 du décret du 8 juin 2007 relatif à l'aide financière aux études de la Communauté flamande.
  L'application de l'alinéa 1er ne peut pas entraîner une diminution nominale des subventions, visées à l'alinéa 1er.
  
Afdeling 7. - Bevriezing index gefinancierd en gesubsidieerd onderwijs
Section 7. - Gel de l'indice enseignement financé et subventionné
Art. 40. Voor elke financiering en subsidiëring ten laste van de begroting onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap waarvan de evolutie gekoppeld is aan de schommelingen van een prijsindexcijfer, wordt, voor het gedeelte van de niet-looncomponent, de indexaanpassing niet verrekend in het begrotingsjaar 2020 tot en met 2024.
  Toepassing van het eerste lid houdt de niet-verrekening in van de indexaanpassing op:
  1° 40 % van de aanpassingscoëfficiënt A2 van de werkingsmiddelen van het gewoon en het buitengewoon secundair onderwijs, zoals vermeld in artikel 243, § 3, en in artikel 324, § 3, van de Codex Secundair Onderwijs, in het begrotingsjaar 2020 tot en met 2024;
  2° 40 % van de aanpassingscoëfficiënt A van de werkingsmiddelen van het deeltijds kunstonderwijs, zoals vermeld in artikel 83 en artikel 84 van het decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs en in artikel 8 van het besluit van 4 mei 2018 van de Vlaamse Regering betreffende het opleidingsaanbod, de structuur, organisatie en financiering van de Koninklijke Beiaardschool Jef Denyn in Mechelen, in het begrotingsjaar 2020 tot en met 2024.
  In afwijking van het eerste lid, is de niet-verrekening van de indexaanpassing niet van toepassing op de werkingsmiddelen van het gewoon en het buitengewoon basisonderwijs.
Art. 40. Pour tout financement et subventionnement à charge du budget de l'enseignement de la Communauté flamande dont l'évolution est liée aux fluctuations d'un indice des prix, pour la partie de la composante non traitement de la subvention, l'indexation n'est pas réglée dans les années budgétaires 2020 à 2024.
  L'application de l'alinéa 1er implique le non règlement de l'indexation sur :
  1° 40 % du coefficient d'adaptation A2 des moyens de fonctionnement de l'enseignement secondaire ordinaire et spécial, tel que visé à l'article 243, § 3, et à l'article 324, § 3, du Code de l'enseignement secondaire, dans les années budgétaires 2020 à 2024 ;
  2° 40 % du coefficient d'adaptation A des moyens de fonctionnement de l'enseignement artistique à temps partiel, tel que visé aux articles 83 et 84 du décret du 9 mars 2018 relatif à l'enseignement artistique à temps partiel et à l'article 8 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 mai 2018 relatif à l'offre de formation, à la structure, à l'organisation et au financement de l'école royale de carillon Jef Denyn à Malines, dans les années budgétaires 2020 à 2024.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, le non règlement de l'indexation ne s'applique pas aux moyens de fonctionnement de l'enseignement fondamental ordinaire et spécial.
HOOFDSTUK 9. - Onderwijs en Vorming
CHAPITRE 9. - Enseignement et Formation
Afdeling 1. - Gelijkschakeling werkingsmiddelen kleuter- en lager onderwijs vanaf 2019-2020
Section 1ère. - Alignement des moyens de fonctionnement de l'enseignement maternel et primaire à partir de 2019-2020
Art. 41. Artikel 76bis van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, ingevoegd bij het decreet van 3 mei 2019, wordt opgeheven.
Art. 41. L'article 76bis du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental, inséré par le décret du 3 mai 2019, est abrogé.
Art. 42. Aan artikel 79, § 3, derde lid, van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 19 december 2014, wordt een punt 8° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "8° het bedrag voor begrotingsjaar 2020 verkregen na toepassing van paragraaf 3, 1° en 2°, wordt verhoogd met 70.282.000 euro.".
Art. 42. L'article 79, § 3, alinéa 3, du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 19 décembre 2014, est complété par un point 8°, rédigé comme suit :
  " 8° le montant pour l'année budgétaire 2020 obtenu après l'application du § 3, 1° et 2°, est majoré de 70.282.000 euros. ".
Art. 43. In artikel 80 van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 19 december 2014, wordt de zinsnede "4,5 %" telkens vervangen door de zinsnede "3,97 %".
Art. 43. Dans l'article 80 du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 19 décembre 2014, le membre de phrase " 4,5 % " est chaque fois remplacé par le membre de phrase " 3,97 % ".
Art. 44. In artikel 81 van hetzelfde decreet, vervangen bij de decreten van 19 december 1997 en 4 juli 2008, wordt punt 1° vervangen door wat volgt:
  "1° voor de leerlingen van het kleuteronderwijs en van het lager onderwijs wordt het puntengewicht bepaald op 8 punten;".
Art. 44. Dans l'article 81 du même décret, remplacé par les décrets des 19 décembre 1997 et 4 juillet 2008, le point 1° est remplacé par ce qui suit :
  " 1° pour les élèves de l'enseignement maternel et de l'enseignement primaire, la pondération est fixée à 8 points ; ".
Art. 45. Aan artikel 85bis, § 3, derde lid, van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 19 december 2014, wordt een punt 8° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "8° het bedrag voor begrotingsjaar 2020 verkregen na toepassing van § 3, 1° en 2°, wordt verhoogd met 994.000 euro.".
Art. 45. L'article 85bis, § 3, alinéa 3, du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 19 décembre 2014, est complété par un point 8°, rédigé comme suit :
  " 8° le montant pour l'année budgétaire 2020 obtenu après l'application du § 3, 1° et 2°, est majoré de 994.000 euros. ".
Art. 46. In artikel 85ter van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 4 juli 2008 en gewijzigd bij het decreet van 18 december 2009, wordt de zinsnede "4,5 %" telkens vervangen door de zinsnede "3,97 %".
Art. 46. Dans l'article 85ter du même décret, inséré par le décret du 4 juillet 2008 et modifié par le décret du 18 décembre 2009, le membre de phrase " 4,5 % " est chaque fois remplacé par le membre de phrase " 3,97 % ".
Art. 47. In artikel 85quater van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 4 juli 2008 en vervangen bij het decreet van 5 april 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de zinsnede "9 punten;" wordt vervangen door de zinsnede "13 punten;";
  2° de zinsnede "11 punten;" wordt vervangen door de zinsnede "15 punten;";
  3° de zin "Met dien verstande dat in het buitengewoon kleuteronderwijs het aantal regelmatige leerlingen op de eerste schooldag van februari wordt gewogen met het volgende percentage: 94,5 %." wordt opgeheven.
Art. 47. A l'article 85quater du même décret, inséré par le décret du 4 juillet 2008 et remplacé par le décret du 5 avril 2019, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le membre de phrase " 9 points ; " est remplacé par le membre de phrase " 13 points ; " ;
  2° le membre de phrase " 11 points ; " est remplacé par le membre de phrase " 15 points ; " ;
  3° le membre de phrase " Etant entendu que dans l'enseignement maternel spécial le nombre d'élèves réguliers au premier jour de classe de février est pondéré par le pourcentage suivant : 94,5 %. " est abrogé.
Art. 48. In artikel 87bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 22 december 2017 en gewijzigd bij het decreet van 21 december 2018, worden paragraaf 1 en 2 opgeheven.
Art. 48. Dans l'article 87bis du même décret, inséré par le décret du 22 décembre 2017 et modifié par le décret du 21 décembre 2018, les paragraphes 1er et 2 sont abrogés.
Art. 49. Het besluit van de Vlaamse Regering van 6 september 2019 betreffende de werkingsmiddelen van het kleuteronderwijs, ter uitvoering van artikel 76bis van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, wordt opgeheven.
Art. 49. L'arrêté du Gouvernement flamand du 6 septembre 2019 relatif aux moyens de fonctionnement de l'enseignement maternel, en exécution de l'article 76bis du décret relatif à l'enseignement fondamental du 25 février 1997, est abrogé.
Afdeling 2. - NVAO - opdracht van een personeelslid van de Vlaamse overheid
Section 2. - NVAO - mission d'un membre du personnel de l'Autorité flamande
Art. 50. Artikel II.31, 1°, van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, wordt aangevuld met:
  "o) de diensten van de Vlaamse overheid".
Art. 50. L'article II.31, 1°, du Code de l'Enseignement supérieur du 11 octobre 2013, est complété par ce qui suit :
  " o) les services de l'Autorité flamande ".
Art. 51. Aan artikel II.33 van hetzelfde decreet wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Onverminderd het eerste lid worden personeelsleden, bedoeld in artikel II.31, 1°, o), verloond door de entiteit van oorsprong, in de bij de accreditatieorganisatie gebruikelijke loonschaal.".
Art. 51. L'article II.33 du même décret est complété par un alinéa 2, rédigé comme suit :
  " Sans préjudice de l'alinéa 1er, les membres du personnel, visés à l'article II.31, 1°, o), sont rémunérés par l'entité d'origine, dans l'échelle de traitement usuelle de l'organisation d'accréditation. ".
Afdeling 3. - Bijkomende middelen wettelijke werkgeversbijdragen
Section 3. - Moyens supplémentaires cotisations patronales légales
Art. 52. Aan artikel III.58 van hetzelfde decreet van 11 oktober 2013, gewijzigd bij de decreten van 17 juni 2016, 23 december 2016, 22 december 2017 en 21 december 2018, wordt een paragraaf 8 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 8. Naast de bedragen, vermeld in paragraaf 1, 2, 5, 6 en 7, ontvangen vanaf het begrotingsjaar 2020 de volgende universiteiten de hierna vermelde bijkomende uitkering, uitgedrukt in euro, als bijdrage in het dekken van de kosten, vermeld in paragraaf 1 en 2:
Art. 52. L'article III.58 du même décret du 11 octobre 2013, modifié par les décrets des 17 juin 2016, 23 décembre 2016, 22 décembre 2017 et 21 décembre 2018, est complété par un paragraphe 8, rédigé comme suit :
  " § 8. Outre les montants visés aux paragraphes 1er, 2, 5, 6 et 7, à partir de l'année budgétaire 2020, les universités suivantes reçoivent l'allocation supplémentaire suivante, exprimée en euros, à titre d'intervention dans les frais visés aux paragraphes 1er et 2 :
a) Katholieke Universiteit Leuven 714.551,84
b) Vrije Universiteit Brussel 236.277,78
c) Universiteit Antwerpen 40.159,42
d) Universiteit Hasselt 9.010,96
a) Katholieke Universiteit Leuven 714.551,84b) Vrije Universiteit Brussel 236.277,78c) Universiteit Antwerpen 40.159,42d) Universiteit Hasselt 9.010,96
Vanaf het begrotingsjaar 2021 volgen deze bedragen de evolutie van de gezondheidsindex.".
a) Katholieke Universiteit Leuven 714.551,84
b) Vrije Universiteit Brussel 236.277,78
c) Universiteit Antwerpen 40.159,42
d) Universiteit Hasselt 9.010,96
a) Katholieke Universiteit Leuven 714.551,84b) Vrije Universiteit Brussel 236.277,78c) Universiteit Antwerpen 40.159,42d) Universiteit Hasselt 9.010,96
A partir de l'année budgétaire 2021, ces montants sont adaptés à l'évolution de l'indice santé. ".
Afdeling 4. - Generieke maatregel subsidie Vlerick en AMS
Section 4. - Mesure générique subvention Vlerick et AMS
Art. 53. Aan artikel III.118 van hetzelfde decreet, bekrachtigd bij het decreet van 20 december 2013, wordt een paragraaf 10 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 10. Het bedrag voor de Vlerick Business School, berekend overeenkomstig dit artikel, wordt vanaf het begrotingsjaar 2020 met 121.000 euro verminderd.
  Het bedrag voor de Antwerp Management School, berekend overeenkomstig dit artikel, wordt vanaf het begrotingsjaar 2020 met 63.000 euro verminderd.".
Art. 53. L'article III.118 du même décret, ratifié par le décret du 20 décembre 2013, est complété par un paragraphe 10, rédigé comme suit :
  " § 10. Le montant pour la Vlerick Business School, calculé conformément au présent article, est réduit de 121.000 euros à partir de l'année budgétaire 2020.
  Le montant pour la Antwerp Management School, calculé conformément au présent article, est réduit de 63.000 euros à partir de l'année budgétaire 2020. ".
Afdeling 5. - Generieke maatregel toelage hogere instituten en andere instellingen voor schone kunsten
Section 5. - Mesure générique allocation aux instituts supérieurs et à d'autres instituts des Beaux-Arts
Art. 54. Aan artikel III.119 van hetzelfde decreet, bekrachtigd bij het decreet van 20 december 2013, wordt een paragraaf 7 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 7. De bedragen voor de hogere instituten voor schone kunsten en voor de instellingen die excellente kunstopleidingen organiseren, berekend overeenkomstig dit artikel, worden vanaf het begrotingsjaar 2020 met 265.000 euro verminderd.".
Art. 54. L'article III.119 du même décret, ratifié par le décret du 20 décembre 2013, est complété par un paragraphe 7, rédigé comme suit :
  " § 7. Les montants pour les instituts supérieurs des beaux-arts et pour les institutions organisant d'excellentes formations artistiques, calculés conformément au présent article, sont réduits de 265.000 euros à partir de l'année budgétaire 2020. ".
Afdeling 6. - Machtiging aan AGION voor verbintenissen voor huursubsidies
Section 6. - Autorisation à AGIOn (Agence de l'Infrastructure dans l'Enseignement) relative aux engagements pour les subventions de location
Art. 55. In artikel 20 van het decreet van 30 juni 2017 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2017, gewijzigd bij de decreten van 22 december 2017, 6 juli 2018 en 21 december 2018, wordt het bedrag "15.200.000 euro" vervangen door het bedrag "20.200.000 euro".
Art. 55. Dans l'article 20 du décret du 30 juin 2017 contenant diverses mesures d'accompagnement de l'ajustement du budget 2017, modifié par les décrets des 22 décembre 2017, 6 juillet 2018 et 21 décembre 2018, le montant " 15.200.000 euros " est remplacé par le montant " 20.200.000 euros ".
Afdeling 7. - Generieke maatregel werkingsmiddelen deeltijds kunstonderwijs
Section 7. - Mesure générique moyens de fonctionnement de l'enseignement artistique à temps partiel
Art. 56. Aan artikel 83 van het decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs wordt een zesde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Vanaf het begrotingsjaar 2020 wordt het totale werkingsbudget verminderd met 170.00 0 euro. Dit bedrag wordt over de academies gespreid a rato van het aantal toegekende lestijden zoals hierboven vermeld.".
Art. 56. L'article 83 du décret du 9 mars 2018 relatif à l'enseignement artistique à temps partiel est complété par un alinéa 6, rédigé comme suit :
  " A partir de l'année budgétaire 2020, le budget total de fonctionnement est diminué de 170.00 0 euros. Ce montant est réparti sur les académies au prorata du nombre de périodes de cours attribuées comme indiqué ci-dessus. ".
Art. 57. Aan artikel 84 van hetzelfde decreet wordt een paragraaf 3 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 3. Vanaf het begrotingsjaar 2020 wordt het bedrag, vermeld in paragraaf 1, verminderd met 104.000 euro.".
Art. 57. L'article 84 du même décret est complété par un paragraphe 3, rédigé comme suit :
  " § 3. A partir de l'année budgétaire 2020, le montant visé au paragraphe 1er est diminué de 104.000 euros. ".
Art. 58. Aan artikel 140 van hetzelfde decreet wordt een paragraaf 6 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 6. Vanaf het begrotingsjaar 2020 worden de werkingsmiddelen, vermeld in de paragrafen 2 en 3, verminderd met 13.000 euro.".
Art. 58. L'article 140 du même décret est complété par un paragraphe 6, rédigé comme suit :
  " § 6. A partir de l'année budgétaire 2020, les moyens de fonctionnement visés aux paragraphes 2 et 3 sont diminués de 13.000 euros. ".
Art. 59. In artikel 141, § 2, tweede lid, van hetzelfde decreet wordt het bedrag "1059 euro" vervangen door het bedrag "995 euro".
Art. 59. Dans l'article 141, § 2, alinéa 2, du même décret, le montant " 1059 euros " est remplacé par le montant " 995 euros ".
Art. 60. Aan artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 mei 2018 betreffende het opleidingsaanbod, de structuur, organisatie en financiering van de Koninklijke Beiaardschool Jef Denyn in Mechelen, wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Vanaf het begrotingsjaar 2020 wordt het bedrag, vermeld in het eerste lid, verminderd met 2000 euro. De Vlaamse Regering wordt gemachtigd dit artikel in de toe- komst te wijzigen.".
Art. 60. L'article 8 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 mai 2018 relatif à l'offre de formation, à la structure, à l'organisation et au financement de l'école royale de carillon Jef Denyn à Malines, est complété par un alinéa 4, rédigé comme suit :
  " A partir de l'année budgétaire 2020, le montant visé à l'alinéa 1er est diminué de 2.000 euros. Le Gouvernement flamand est autorisé à modifier le présent article à l'avenir. ".
Afdeling 8. - Generieke maatregel werkingsmiddelen van de inspectie voor levens- beschouwelijke vakken
Section 8. - Mesure générique moyens de fonctionnement de l'inspection des cours philosophiques
Art. 61. In artikel 27 van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken wordt het bedrag "3.571,10 euro" vervangen door het bedrag "3.351,50 euro".
Art. 61. Dans l'article 27 du décret du 1er décembre 1993 relatif à l'inspection et à l'encadrement des cours philosophiques, le montant " 3.571,10 euros " est remplacé par le montant " 3.351,50 euros ".
Afdeling 9. - Generieke maatregel werkingsmiddelen voor de Centra voor Leerlingenbegeleiding
Section 9. - Mesure générique moyens de fonctionnement des centres d'encadrement des élèves
Art. 62. In artikel 29 van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de bestaande tekst wordt ondergebracht in een paragraaf 1;
  2° een paragraaf 2 wordt toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 2. De werkingsbudgetten die worden vastgesteld in toepassing van paragraaf 1 worden vanaf het begrotingsjaar 2020 met 909.000 euro verminderd.".
Art. 62. A l'article 29 du décret du 27 avril 2018 relatif à l'encadrement des élèves dans l'enseignement fondamental, l'enseignement secondaire et dans les centres d'encadrement des élèves, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le texte actuel devient le paragraphe 1er ;
  2° il est ajouté un paragraphe 2, rédigé comme suit :
  " § 2. Les budgets de fonctionnement établis en application du paragraphe 1er sont diminués de 909.000 euros à partir de l'année budgétaire 2020. ".
Afdeling 10. - Generieke maatregel subsidie Vlaams ondersteuningscentrum voor volwassenenonderwijs - begeleidingsopdracht
Section 10. - Mesure générique subvention Centre flamand d'Aide à l'Education des Adultes - mission d'accompagnement
Art. 63. Aan artikel 47 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, gewijzigd bij de decreten van 1 juni 2012, 21 december 2012, 19 december 2014 en 17 juni 2016, wordt een paragraaf 9 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 9. Vanaf begrotingsjaar 2020 wordt de subsidie aan het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs met 6 % verminderd.".
Art. 63. L'article 47 du décret du 15 juin 2007 relatif à l'éducation des adultes, modifié par les décrets des 1er juin 2012, 21 décembre 2012, 19 décembre 2014 et 17 juin 2016, est complété par un paragraphe 9, rédigé comme suit :
  " § 9. A partir de l'année budgétaire 2020, la subvention accordée au Centre flamand d'Aide à l'Education des Adultes est diminuée de 6 %. ".
Afdeling 11. - Generieke maatregel subsidie Vlaams ondersteuningscentrum voor volwassenenonderwijs onderwijs aan gedetineerden
Section 11. - Mesure générique subvention Centre flamand d'Aide à l'Education des adultes - enseignement aux détenus
Art. 64. Aan artikel 72octies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 december 2014, wordt een paragraaf 4 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 4. Vanaf begrotingsjaar 2020 wordt de subsidie met 6 % verminderd.".
Art. 64. L'article 72octies du même décret, inséré par le décret du 19 décembre 2014, est complété par un paragraphe 4, rédigé comme suit :
  " § 4. A partir de l'année budgétaire 2020, la subvention est diminuée de 6 %. ".
Afdeling 12. - Generieke maatregel werkingstoelagen centra voor basiseducatie
Section 12. - Mesure générique subventions de fonctionnement centres d'éducation de base
Art. 65. In artikel 89 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 4 juli 2008, 16 maart 2018 en 21 december 2018, wordt de zin "De Vlaamse Regering bepaalt de werkingstoelage per lesuurcursist." vervangen door de zin "Vanaf het begrotingsjaar 2020 bedraagt de werkingstoelage per lesuurcursist 1,8741 euro.".
Art. 65. Dans l'article 89 du même décret, modifié par les décrets des 4 juillet 2008, 16 mars 2018 et 21 décembre 2018, la phrase " Le Gouvernement flamand détermine l'allocation de fonctionnement par heure de cours/apprenant. " est remplacée par la phrase " A partir de l'année budgétaire 2020, la subvention de fonctionnement s'élève à 1,8741 euros par heure de cours/apprenant. ".
Afdeling 13. - Generieke maatregel aanvullende werkingstoelagen centra voor basiseducatie
Section 13. - Mesure générique subventions complémentaires de fonctionnement centres d'éducation de base
Art. 66. Aan artikel 89bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 5 april 2019, wordt een vijfde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Vanaf het begrotingsjaar 2020 wordt het bedrag, vermeld in het eerste lid, verminderd met 6 %.".
Art. 66. L'article 89bis du même décret, inséré par le décret du 5 avril 2019, est complété par un alinéa 5, rédigé comme suit :
  " A partir de l'année budgétaire 2020, le montant visé à l'alinéa 1er est diminué de 6 %. ".
Afdeling 14. - Generieke maatregel werkingstoelagen centra voor volwassenenonderwijs
Section 14. - Mesure générique subventions de fonctionnement centres d'éducation des adultes
Art. 67. Aan artikel 108, § 4, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 16 maart 2018 en gewijzigd bij het decreet van 21 december 2018, wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Vanaf het begrotingsjaar 2020 wordt het totale volume aan werkingsmiddelen verminderd met 6 %.".
Art. 67. L'article 108, § 4, du même décret, remplacé par le décret du 16 mars 2018 et modifié par le décret du 21 décembre 2018, est complété par un alinéa 3, rédigé comme suit :
  " A partir de l'année budgétaire 2020, le volume total de moyens de fonctionnement est diminué de 6 %. ".
Afdeling 15. - Toekenning jaarlijkse aanvullende leraarsuren/punten/werkingsmiddelen ten behoeve van de asielproblematiek
Section 15. - Attribution de périodes/enseignant, de points, de moyens de fonctionnement complémentaires annuels au profit de la problématique en matière d'asile
Art. 68. Aan artikel 196sexies, § 1, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2015, en gewijzigd bij de decreten van 23 december 2016, 30 juni 2017, 22 december 2017, 6 juli 2018 en 21 december 2018, wordt een vijfde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Ten laste van het begrotingsjaar 2020 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2.192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor basiseducatie toegekend.".
Art. 68. L'article 196sexies, § 1er, du même décret, inséré par le décret du 18 décembre 2015 et modifié par les décrets des 23 décembre 2016, 30 juin 2017, 22 décembre 2017, 6 juillet 2018 et 21 décembre 2018, est complété par un alinéa 5, rédigé comme suit :
  " A charge de l'année budgétaire 2020, 32.955,75 périodes/enseignant complémentaires, 481,99 points complémentaires et un montant de 604.847,18 euros de moyens de fonctionnement sont octroyés aux centres d'éducation des adultes, et 132,96 ETP complémentaires, 2.192,09 points complémentaires et un montant de 1.627.652,82 euros de moyens de fonctionnement sont octroyés aux centres d'éducation de base. ".
Afdeling 16. - Generieke maatregel op de compensatieregeling van het nieuwe financieringssysteem van het volwassenenonderwijs
Section 16. - Mesure générique concernant le régime de compensation du nouveau système de financement de l'éducation des adultes
Art. 69. In artikel 196septies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 16 maart 2018 en gewijzigd bij het decreet van 5 april 2019, wordt paragraaf 4 vervangen door wat volgt:
  " § 4. Het aantal door de Vlaamse Gemeenschap gesubsidieerde vte en punten waarop een centrum voor basiseducatie recht heeft voor de schooljaren 2020-2021 tot en met 2022-2023 kan in toepassing van paragraaf 1 tot en met paragraaf 2 niet minder bedragen dan 100 % van het aantal gesubsidieerde vte en punten voor het schooljaar 2019-2020. Indien deze vte en punten in toepassing van paragraaf 1 en 2 minder bedragen dan 100 % van het aantal gesubsidieerde vte en punten voor het schooljaar 2019-2020, worden voor elk centrum deze verliezen gecom- penseerd a rato van:
  1° 100 % voor het schooljaar 2020-2021;
  2° 66 % voor het schooljaar 2021-2022;
  3° 33 % voor het schooljaar 2022-2023.
  De werkingstoelage waarop een centrum voor basiseducatie recht heeft voor de schooljaren 2020-2021 tot en met 2022-2023 kan in toepassing van paragraaf 3 niet minder bedragen dan 94 % van de werkingstoelage voor het schooljaar 2019-2020. Indien deze werkingstoelage in toepassing van paragraaf 3 minder bedraagt dan 94 % van de werkingstoelage voor het schooljaar 2019-2020, wordt dit verlies gecompenseerd a rato van:
  1° 100 % voor het schooljaar 2020-2021;
  2° 66 % voor het schooljaar 2021-2022;
  3° 33 % voor het schooljaar 2022-2023.
  Het aantal door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde en gesubsidieerde leraarsuren en punten waarop een centrum voor volwassenenonderwijs recht heeft voor de schooljaren 2020-2021 tot en met 2022-2023 kan in toepassing van paragraaf 1 en 2 niet minder bedragen dan 100 % van het aantal gesubsidieerde leraarsuren en punten voor het schooljaar 2019-2020. Indien deze leraarsuren en punten in toepassing van paragraaf 1 en 2 minder bedragen dan 100 % van het aantal gesubsidieerde leraarsuren en punten voor het schooljaar 2019-2020, worden voor elk centrum deze verliezen gecompenseerd a rato van:
  1° 100 % voor het schooljaar 2020-2021;
  2° 66 % voor het schooljaar 2021-2022;
  3° 33 % voor het schooljaar 2022-2023.
  De werkingstoelage waarop een centrum voor volwassenenonderwijs recht heeft voor de schooljaren 2020-2021 tot en met 2022-2023 kan in toepassing van paragraaf 3 niet minder bedragen dan 94 % van de werkingstoelage voor het schooljaar 2019-2020. Indien deze werkingstoelage in toepassing van paragraaf 3 minder bedraagt dan 94 % van de werkingstoelage voor het schooljaar 2019-2020, wordt dit verlies gecompenseerd a rato van:
  1° 100 % voor het schooljaar 2020-2021;
  2° 66 % voor het schooljaar 2021-2022;
  3° 33 % voor het schooljaar 2022-2023.".
Art. 69. Dans l'article 196septies du même décret, inséré par le décret du 16 mars 2018 et modifié par le décret du 5 avril 2019, le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit :
  " § 4. Le nombre d'ETP et de points subventionnés par la Communauté flamande auxquels un centre d'éducation de base a droit pour les années scolaires 2020-2021 à 2022-2023 ne peuvent être inférieurs, en application des paragraphes 1er à 2, à 100 % du nombre d'ETP et de points subventionnés pour l'année scolaire 2019-2020. Si, en application des paragraphes 1er et 2, ces ETP et points sont inférieurs à 100 % du nombre d'ETP et de points pour l'année scolaire 2019-2020, ces pertes sont compensées pour chaque centre au prorata de :
  1° 100 % pendant l'année scolaire 2020-2021 ;
  2° 66 % pendant l'année scolaire 2021-2022 ;
  3° 33 % pendant l'année scolaire 2022-2023.
  La subvention de fonctionnement à laquelle un centre d'éducation de base a droit pour les années scolaires 2020-2021 à 2022-2023 ne peut être inférieure, en application du paragraphe 3, à 94 % de la subvention de fonctionnement pour l'année scolaire 2019-2020. Si, en application du paragraphe 3, cette subvention de fonctionnement est inférieure à 94 % de la subvention de fonctionnement pour l'année scolaire 2019-2020, cette perte est compensée au prorata de :
  1° 100 % pendant l'année scolaire 2020-2021 ;
  2° 66 % pendant l'année scolaire 2021-2022 ;
  3° 33 % pendant l'année scolaire 2022-2023.
  Le nombre de périodes/enseignant et de points financés ou subventionnés par la Communauté flamande auxquels un centre d'éducation des adultes a droit pour les années scolaires 2020-2021 à 2022-2023 ne peuvent être inférieurs, en application des paragraphes 1er et 2, à 100 % du nombre de périodes/enseignant et de points subventionnés pour l'année scolaire 2019-2020. Si, en application des paragraphes 1er et 2, ces périodes/enseignant et points sont inférieurs à 100 % du nombre de périodes/enseignant et de points pour l'année scolaire 2019-2020, ces pertes sont compensées pour chaque centre au prorata de :
  1° 100 % pendant l'année scolaire 2020-2021 ;
  2° 66 % pendant l'année scolaire 2021-2022 ;
  3° 33 % pendant l'année scolaire 2022-2023.
  La subvention de fonctionnement à laquelle un centre d'éducation des adultes a droit pour les années scolaires 2020-2021 à 2022-2023 ne peut être inférieure, en application du paragraphe 3, à 94 % de la subvention de fonctionnement pour l'année scolaire 2019-2020. Si, en application du paragraphe 3, cette subvention de fonctionnement est inférieure à 94 % de la subvention de fonctionnement pour l'année scolaire 2019-2020, cette perte est compensée au prorata de :
  1° 100 % pendant l'année scolaire 2020-2021 ;
  2° 66 % pendant l'année scolaire 2021-2022 ;
  3° 33 % pendant l'année scolaire 2022-2023.
Afdeling 17. - Generieke maatregel nascholingsmiddelen van de pedagogische begeleidingsdiensten
Section 17. - Mesure générique moyens de la formation continuée des services d'encadrement pédagogique
Art. 70. In artikel 20 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van het onderwijs, gewijzigd bij de decreten van 18 december 2009, 1 juni 2012 en 19 december 2014, wordt het bedrag "1.221.000 euro" vervangen door het bedrag "1.148.000 euro".
Art. 70. Dans l'article 20 du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement, modifié par les décrets des 18 décembre 2009, 1er juin 2012 et 19 décembre 2014, le montant " 1.221.000 euros " est remplacé par le montant " 1.148.000 euros ".
Afdeling 18. - Generieke maatregel werkingsmiddelen van de pedagogische begeleidingsdiensten
Section 18. - Mesure générique moyens de fonctionnement des services d'encadrement pédagogique
Art. 71. In hetzelfde decreet wordt een artikel 22/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 22/1. De bedragen verkregen door toepassing van de artikelen 18, 19, 21/1, 22, 27/2 en 28 worden vanaf het begrotingsjaar 2020 verminderd met 580.000 euro.".
Art. 71. Dans le même décret, il est inséré un article 22/1, rédigé comme suit :
  " Art. 22/1. Les montants obtenus en application des articles 18, 19, 21/1, 22, 27/2 et 28 sont diminués de 580.000 euros à partir de l'année budgétaire 2020. ".
Afdeling 19. - Uitbreiding onderwijs aan afwezige kinderen wegens medische redenen naar andere mogelijke redenen voor de afwezigheid
Section 19. - Extension de l'enseignement à des enfants absents pour des raisons médicales à d'autres raisons possibles d'absence
Art. 72. In artikel 34 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, vervangen bij het decreet van 5 april 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° aan paragraaf 1 worden de volgende zinnen toegevoegd: "De regering kan bijkomend mogelijke redenen van de afwezigheid bepalen. Deze redenen dienen gerechtvaardigd en gegrond te zijn en worden gemotiveerd en geattesteerd door een bevoegde derde.";
  2° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden "omwille van een chronische ziekte" opgeheven;
  3° in paragraaf 2, tweede lid, worden de woorden "vanwege een chronische ziekte" opgeheven.
Art. 72. A l'article 34 du décret relatif à l'enseignement fondamental du 25 février 1997, remplacé par le décret du 5 avril 2019, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le paragraphe 1er est complété par les phrases suivantes : " Le Gouvernement peut déterminer d'autres raisons possibles pour cette absence. Ces raisons doivent être justifiées et fondées et doivent être motivées et attestées par un tiers compétent. " ;
  2° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, les mots " dues à une maladie chronique " sont abrogés ;
  3° dans le paragraphe 2, alinéa 2, les mots " pour cause de maladie chronique " sont abrogés.
Art. 73. In artikel 36/1 van het hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 5 april 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 worden de woorden "door ziekte of ongeval" opgeheven;
  2° in paragraaf 2 wordt punt 2° vervangen door wat volgt:
  "2° de leerling is afwezig wegens ziekte of ongeval en de school beschikt over de bewijsstukken;";
  3° er wordt een paragraaf 2/1 ingevoegd, die luidt als volgt:
  " § 2/1. De Vlaamse Regering kan bijkomende in aanmerking komende leerlingen en de respectieve voorwaarden bepalen. De redenen voor de afwezigheid op school dienen gerechtvaardigd en gegrond te zijn en worden gemotiveerd en geattesteerd door een bevoegde derde.".
Art. 73. A l'article 36/1 du même décret, inséré par le décret du 5 avril 2019, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, les mots " pour cause de maladie ou d'accident " sont abrogés ;
  2° dans le paragraphe 2, le point 2° est remplacé par ce qui suit :
  " 2° L'élève est absent pour cause de maladie ou d'accident et l'école dispose des pièces justificatives ; " ;
  3° il est inséré un paragraphe 2/1, rédigé comme suit :
  " § 2/1. Le Gouvernement flamand peut déterminer des élèves éligibles supplémentaires et les conditions respectives. Les raisons de l'absence à l'école doivent être justifiées et fondées et doivent être motivées et attestées par un tiers compétent. ".
Art. 74. Aan artikel 116, 1°, van de Codex Secundair Onderwijs, gewijzigd bij de decreten van 21 maart 2014 en 5 april 2019, wordt de zin "De Vlaamse Regering kan beslissen de punten a, b of c toch te beschouwen als secundair onderwijs." toegevoegd.
Art. 74. L'article 116, 1°, du Code de l'Enseignement secondaire, modifié par les décrets des 21 mars 2014 et 5 avril 2019, est complété par la phrase " Le Gouvernement flamand peut décider de considérer les points a, b ou c tout de même comme enseignement secondaire. ".
Art. 75. In artikel 117 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° aan paragraaf 1 worden de volgende zinnen toegevoegd: "De Vlaamse Regering kan bijkomend mogelijke redenen van de afwezigheid bepalen. Deze redenen dienen gerechtvaardigd en gegrond te zijn en worden gemotiveerd en geattesteerd door een bevoegde derde.";
  2° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden "omwille van een chronische ziekte" opgeheven;
  3° in paragraaf 2, tweede lid, worden de woorden "vanwege een chronische ziekte" opgeheven.
Art. 75. A l'article 117 du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le paragraphe 1er est complété par les phrases suivantes : " Le Gouvernement flamand peut déterminer d'autres raisons possibles pour cette absence. Ces raisons doivent être justifiées et fondées et doivent être motivées et attestées par un tiers compétent. " ;
  2° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, les mots " dues à une maladie chronique " sont abrogés ;
  3° dans le paragraphe 2, alinéa 2, les mots " pour cause de maladie chronique " sont abrogés.
Art. 76. In artikel 117/1 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 5 april 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 worden de woorden "door ziekte of ongeval" opgeheven;
  2° in paragraaf 2 wordt punt 1° vervangen door wat volgt:
  "1° de leerling is afwezig wegens ziekte of ongeval en de school beschikt over de bewijsstukken;";
  3° er wordt een paragraaf 2/1 ingevoegd, die luidt als volgt:
  " § 2/1. De Vlaamse Regering kan bijkomende in aanmerking komende leerlingen en de respectieve voorwaarden bepalen. De redenen voor de afwezigheid op school dienen gerechtvaardigd en gegrond te zijn en worden gemotiveerd en geattesteerd door een bevoegde derde.".
Art. 76. A l'article 117/1 du même décret, inséré par le décret du 5 avril 2019, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, les mots " pour cause de maladie ou d'accident " sont abrogés ;
  2° dans le paragraphe 2, le point 1° est remplacé par ce qui suit :
  " 1° L'élève est absent pour cause de maladie ou d'accident et l'école dispose des pièces justificatives ; " ;
  3° il est inséré un paragraphe 2/1, rédigé comme suit :
  " § 2/1. Le Gouvernement flamand peut déterminer des élèves éligibles supplémentaires et les conditions respectives. Les raisons de l'absence à l'école doivent être justifiées et fondées et doivent être motivées et attestées par un tiers compétent. ".
Art. 77. In artikel IV.2 van de codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° punt 1° wordt vervangen door wat volgt: "
  1° dienst:
  a) dienst neuropsychiatrie voor kinderen, zoals bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 23 oktober 1964 tot bepaling van de normen die door de ziekenhuizen en hun diensten moeten worden nageleefd;
  b) door de Vlaamse Regering bepaalde categorie van diensten of voorzieningen waarvan de werking veroorzaakt dat de jongeren die er verblijven niet naar een school kunnen gaan;";
  2° er wordt een punt 4° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "4° plaats: plaats die of bed dat aanleiding geeft tot een verblijf overdag in de dienst, vermeld in punt 1°. ".
Art. 77. A l'article IV.2 de la codification de certaines dispositions relatives à l'enseignement du 28 octobre 2016, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le point 1° est remplacé par ce qui suit :
  " 1° service :
  a) un service de neuropsychiatrie infantile, tel que visé à l'article 2 de l'arrêté royal du 23 octobre 1964 portant fixation des normes auxquelles les hôpitaux et leurs services doivent répondre ;
  b) une catégorie de services ou de structures déterminés par le Gouvernement flamand, dont le fonctionnement empêche les jeunes qui y résident de fréquenter l'école ; " ;
  2° il est ajouté un point 4°, rédigé comme suit :
  " 4° place : une place ou un lit qui donne lieu à un séjour de jour dans le service visé au point 1°. ".
Art. 78. In artikel IV.5 van dezelfde codificatie worden de woorden "bedden voor dag- en nachthospitalisatie en plaatsen voor daghospitalisatie" vervangen door het woord "plaatsen".
Art. 78. Dans l'article IV.5 de la même codification, les mots " lits d'hospitalisation de jour et de nuit et de places d'hospitalisation de jour " sont remplacés par le mot " places ".
HOOFDSTUK 10. - Inwerkingtreding
CHAPITRE 10. - Entrée en vigueur
Art. 79. Dit decreet treedt in werking op 1 januari 2020, met uitzondering van:
  1° artikel 9, dat uitwerking heeft vanaf 1 januari 2019;
  2° artikel 20, dat uitwerking heeft vanaf 31 december 2019;
  3° artikel 30, dat in werking treedt vanaf aanslagjaar 2020;
  4° artikel 31, dat in werking treedt vanaf 1 juli 2020;
  5° artikel 32, 33 en 34, die van toepassing zijn op overeenkomsten houdende zuivere aankoop gesloten vanaf 1 januari 2020, of, in afwijking daarvan, op authentieke akten verleden vanaf 1 januari 2020, wanneer de overeen- komsten houdende zuivere aankoop waarop deze akten betrekking hebben, gesloten zijn voor 1 januari 2020;
  6° artikel 35, dat in werking treedt vanaf aanslagjaar 2021;
  7° artikel 41 tot en met 49, 50 en 51, die uitwerking hebben vanaf 1 september 2019.
  Artikel 36 en 37 zijn van toepassing op belastbare tijdperken die aanvangen na 31 december 2019.
Art. 79. Le présent décret entre en vigueur le 1er janvier 2020, à l'exception :
  1° de l'article 9, qui produit ses effets le 1er janvier 2019 ;
  2° de l'article 20, qui produit ses effets le 31 décembre 2019 ;
  3° de l'article 30, qui entre en vigueur à partir de l'année d'imposition 2020 ;
  4° de l'article 31, qui entre en vigueur le 1er juillet 2020 ;
  5° des articles 32, 33 et 34 qui s'appliquent aux contrats d'achat pur, conclus à partir du 1er janvier 2020 ou, par dérogation, aux actes authentiques passés à partir du 1er janvier 2020, lorsque les contrats d'achat pur auxquels ces actes se rapportent ont été conclus avant le 1er janvier 2020 ;
  6° de l'article 35, qui entre en vigueur à partir de l'année d'imposition 2021 ;
  7° des articles 41 à 49, 50 et 51, qui produisent leurs effets le 1er septembre 2019.
  Les articles 36 et 37 s'appliquent aux périodes imposables qui commencent après le 31 décembre 2019.