Artikel 1. Artikel I 5 § 4, eerste lid, van het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 29 april 2011, 24 juni 2016 en 27 januari 2017, wordt als volgt gewijzigd:
1° in punt 2° worden de woorden "in aanmerking komen voor toegang tot een beschutte werkplaats of een Vlaamse ondersteuningspremie" vervangen door de woorden "recht hebben op Bijzondere Tewerkstellingsondersteunende Maatregelen (BTOM)";
2° er wordt een punt 3° toegevoegd dat luidt als volgt:
"3° personen van wie de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding beslist dat zij recht hebben op collectief maatwerk of een Vlaamse ondersteuningspremie (VOP) voor een duur van vijf jaar.".
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
6 SEPTEMBER 2019. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006, wat betreft mobiliteitsmaatregelen en andere bepalingen
Titre
6 SEPTEMBRE 2019. - Arrêté du Gouvernement flamand modifiant le statut du personnel flamand du 13 janvier 2006, en ce qui concerne des mesures sur la mobilité et autres dispositions
Dokumentinformationen
Info du document
Tekst (47)
Texte (47)
Article 1er. L'article I 5, § 4, alinéa 1er, du statut du personnel flamand du 13 janvier 2006, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 29 avril 2011, 24 juin 2016 et 27 janvier 2017, est modifié comme suit :
1° dans le point 2°, les mots " qu'elles sont éligibles pour une durée indéterminée à l'accès à un atelier protégé ou une prime de soutien flamande " sont remplacés par les mots " qu'elles ont droit pour une durée indéterminée à des Mesures spéciales d'Aide à l'Emploi (" Bijzondere Tewerkstellingsondersteunende Maatregelen ", BTOM) " ;
2° il est ajouté un point 3°, rédigé comme suit :
" 3° personnes dont l'Office flamand de l'Emploi et de la Formation professionnelle décide qu'elles ont droit au travail sur mesure collectif ou à une prime de soutien flamande (VOP) pour une durée de cinq ans. ".
1° dans le point 2°, les mots " qu'elles sont éligibles pour une durée indéterminée à l'accès à un atelier protégé ou une prime de soutien flamande " sont remplacés par les mots " qu'elles ont droit pour une durée indéterminée à des Mesures spéciales d'Aide à l'Emploi (" Bijzondere Tewerkstellingsondersteunende Maatregelen ", BTOM) " ;
2° il est ajouté un point 3°, rédigé comme suit :
" 3° personnes dont l'Office flamand de l'Emploi et de la Formation professionnelle décide qu'elles ont droit au travail sur mesure collectif ou à une prime de soutien flamande (VOP) pour une durée de cinq ans. ".
Art. 2. In artikel I 16, tweede lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 21 februari 2014 en 15 december 2017, wordt punt 1° opgeheven.
Art. 2. Dans l'article I 16, alinéa 2, du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 21 février 2014 et 15 décembre 2017, le point 1° est abrogé.
Art. 3. Aan artikel III 2, 2° van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 29 april 2011, 16 maart 2007 en van 26 april 2019 wordt de volgende bepaling toegevoegd:
"- in het buitenland, ter ondersteuning van het personeel dat Vlaanderen in het buitenland vertegenwoordigt.".
"- in het buitenland, ter ondersteuning van het personeel dat Vlaanderen in het buitenland vertegenwoordigt.".
Art. 3. L'article III 2, 2°, du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 29 avril 2011, 16 mars 2007 et 26 avril 2019, est complété par la disposition suivante :
" - à l'étranger, à l'appui du personnel qui représente la Flandre à l'étranger. ".
" - à l'étranger, à l'appui du personnel qui représente la Flandre à l'étranger. ".
Art. 4. In artikel III 16 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 23 mei 2008, 29 mei 2009 en van 26 april 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:
" § 2. Ten minste op het einde van de proeftijd wordt een evaluatiegesprek gehouden. Het evaluatiegesprek wordt vastgelegd in een verslag dat de evaluatoren opstellen. De geëvalueerde kan binnen vijftien kalenderdagen opmerkingen toevoegen aan het definitieve evaluatieverslag. Artikel IV 3, IV 4, IV 5 § 1, eerste lid, en § 2, en artikel IV 6 zijn van toepassing op de evaluatie van het personeelslid.
Het eindevaluatiegesprek van de proeftijd wordt uiterlijk gehouden binnen dertig kalenderdagen na het einde van de proeftijd, berekend conform artikel III 15.
Als het eindevaluatiegesprek niet plaatsvindt binnen dertig kalenderdagen na het einde van de proeftijd, wordt de proeftijd geacht gunstig te zijn voor de ambtenaar op proef. In afwijking daarvan wordt bij afwezigheid van het personeelslid de schriftelijke evaluatie, vermeld in artikel IV 4 en IV 5, § 1, eerste lid, opgestart binnen dertig kalenderdagen na het einde van de proeftijd, zo niet wordt de proeftijd geacht gunstig te zijn voor de ambtenaar op proef.
Het eindevaluatieverslag wordt aan het personeelslid en aan de benoemende of indienstnemende overheid betekend binnen dertig kalenderdagen na het evaluatiegesprek of binnen zestig kalenderdagen nadat de schriftelijke evaluatie is opgestart. Als het eindevaluatieverslag niet binnen die termijnen wordt betekend aan de ambtenaar op proef, wordt de proeftijd geacht gunstig te zijn voor de ambtenaar op proef.";
2° aan paragraaf 3 wordt de volgende zin toegevoegd:
"Bij afwezigheid van het te evalueren personeelslid is de procedure, vermeld in paragraaf 2, van overeenkomstige toepassing.";
3° paragraaf 6 en 7 worden opgeheven.
1° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:
" § 2. Ten minste op het einde van de proeftijd wordt een evaluatiegesprek gehouden. Het evaluatiegesprek wordt vastgelegd in een verslag dat de evaluatoren opstellen. De geëvalueerde kan binnen vijftien kalenderdagen opmerkingen toevoegen aan het definitieve evaluatieverslag. Artikel IV 3, IV 4, IV 5 § 1, eerste lid, en § 2, en artikel IV 6 zijn van toepassing op de evaluatie van het personeelslid.
Het eindevaluatiegesprek van de proeftijd wordt uiterlijk gehouden binnen dertig kalenderdagen na het einde van de proeftijd, berekend conform artikel III 15.
Als het eindevaluatiegesprek niet plaatsvindt binnen dertig kalenderdagen na het einde van de proeftijd, wordt de proeftijd geacht gunstig te zijn voor de ambtenaar op proef. In afwijking daarvan wordt bij afwezigheid van het personeelslid de schriftelijke evaluatie, vermeld in artikel IV 4 en IV 5, § 1, eerste lid, opgestart binnen dertig kalenderdagen na het einde van de proeftijd, zo niet wordt de proeftijd geacht gunstig te zijn voor de ambtenaar op proef.
Het eindevaluatieverslag wordt aan het personeelslid en aan de benoemende of indienstnemende overheid betekend binnen dertig kalenderdagen na het evaluatiegesprek of binnen zestig kalenderdagen nadat de schriftelijke evaluatie is opgestart. Als het eindevaluatieverslag niet binnen die termijnen wordt betekend aan de ambtenaar op proef, wordt de proeftijd geacht gunstig te zijn voor de ambtenaar op proef.";
2° aan paragraaf 3 wordt de volgende zin toegevoegd:
"Bij afwezigheid van het te evalueren personeelslid is de procedure, vermeld in paragraaf 2, van overeenkomstige toepassing.";
3° paragraaf 6 en 7 worden opgeheven.
Art. 4. A l'article III 16 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mars 2007 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 23 mai 2008, 29 mai 2009 et 26 avril 2019, les modifications suivantes sont apportées :
1° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. Au moins à la fin du stage, un entretien d'évaluation doit avoir lieu. L'entretien d'évaluation est arrêté dans un rapport rédigé par les évaluateurs. L'évalué peut formuler ses remarques sur le rapport d'évaluation descriptif final dans les quinze jours calendaires. Les articles IV 3, IV 4, IV 5, § 1er, alinéa 1er, et § 2, et l'article IV 6 s'appliquent à l'évaluation du membre du personnel.
L'entretien d'évaluation finale du stage a lieu au plus tard dans les trente jours calendaires après la fin du stage, calculé conformément à l'article III 15.
Si l'entretien d'évaluation finale n'a pas lieu dans les trente jours calendaires après la fin du stage, le stage est censé être favorable pour le fonctionnaire stagiaire. Par dérogation à cette disposition, en cas d'absence du membre du personnel, l'évaluation écrite visée aux articles IV 4 et IV 5, § 1er, alinéa 1er, est commencée dans les trente jours calendaires après la fin du stage ; sinon, le stage est censé être favorable pour le fonctionnaire stagiaire.
Le rapport d'évaluation finale est notifié au membre du personnel et à l'autorité de nomination ou de recrutement dans les trente jours calendaires après l'entretien d'évaluation ou dans les soixante jours calendaires après le commencement de l'évaluation écrite. Si le rapport d'évaluation finale n'est pas notifié dans ces délais au fonctionnaire stagiaire, le stage est censé être favorable pour le fonctionnaire stagiaire. " ;
2° le paragraphe 3 est complété par la phrase suivante :
" En cas d'absence du membre du personnel à évaluer, la procédure visée au paragraphe 2 s'applique par analogie. " ;
3° les paragraphes 6 et 7 sont abrogés.
1° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. Au moins à la fin du stage, un entretien d'évaluation doit avoir lieu. L'entretien d'évaluation est arrêté dans un rapport rédigé par les évaluateurs. L'évalué peut formuler ses remarques sur le rapport d'évaluation descriptif final dans les quinze jours calendaires. Les articles IV 3, IV 4, IV 5, § 1er, alinéa 1er, et § 2, et l'article IV 6 s'appliquent à l'évaluation du membre du personnel.
L'entretien d'évaluation finale du stage a lieu au plus tard dans les trente jours calendaires après la fin du stage, calculé conformément à l'article III 15.
Si l'entretien d'évaluation finale n'a pas lieu dans les trente jours calendaires après la fin du stage, le stage est censé être favorable pour le fonctionnaire stagiaire. Par dérogation à cette disposition, en cas d'absence du membre du personnel, l'évaluation écrite visée aux articles IV 4 et IV 5, § 1er, alinéa 1er, est commencée dans les trente jours calendaires après la fin du stage ; sinon, le stage est censé être favorable pour le fonctionnaire stagiaire.
Le rapport d'évaluation finale est notifié au membre du personnel et à l'autorité de nomination ou de recrutement dans les trente jours calendaires après l'entretien d'évaluation ou dans les soixante jours calendaires après le commencement de l'évaluation écrite. Si le rapport d'évaluation finale n'est pas notifié dans ces délais au fonctionnaire stagiaire, le stage est censé être favorable pour le fonctionnaire stagiaire. " ;
2° le paragraphe 3 est complété par la phrase suivante :
" En cas d'absence du membre du personnel à évaluer, la procédure visée au paragraphe 2 s'applique par analogie. " ;
3° les paragraphes 6 et 7 sont abrogés.
Art. 5. In hetzelfde besluit worden de volgende artikelen opgeheven:
1° artikel III 23;
2° artikel III 25.
1° artikel III 23;
2° artikel III 25.
Art. 5. Dans le même arrêté, les articles suivants sont abrogés :
1° l'article III 23 ;
2° l'article III 25.
1° l'article III 23 ;
2° l'article III 25.
Art. 6. Aan artikel IV 4, derde lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016, worden de volgende zinnen toegevoegd:
"Bij een schriftelijke evaluatie maakt een van de evaluatoren een ontwerp van evaluatieverslag op en stuurt dat naar het personeelslid. Het personeelslid kan gedurende vijftien kalenderdagen opmerkingen bezorgen aan de evaluatoren. Het ontwerpverslag bevat in voorkomend geval het voorstel van de einduitspraak "loopbaanvertraging" of "onvoldoende".".
"Bij een schriftelijke evaluatie maakt een van de evaluatoren een ontwerp van evaluatieverslag op en stuurt dat naar het personeelslid. Het personeelslid kan gedurende vijftien kalenderdagen opmerkingen bezorgen aan de evaluatoren. Het ontwerpverslag bevat in voorkomend geval het voorstel van de einduitspraak "loopbaanvertraging" of "onvoldoende".".
Art. 6. L'article IV 4, alinéa 3, du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juin 2016, est complété par les phrases suivantes :
" En cas d'une évaluation écrite, un des évaluateurs établit un projet de rapport d'évaluation et l'envoie au membre du personnel. Le membre du personnel peut transmettre des remarques aux évaluateurs pendant quinze jours calendaires. Le cas échéant, le projet de rapport comprend la proposition de jugement final " ralentissement de carrière " ou " insuffisant ". ".
" En cas d'une évaluation écrite, un des évaluateurs établit un projet de rapport d'évaluation et l'envoie au membre du personnel. Le membre du personnel peut transmettre des remarques aux évaluateurs pendant quinze jours calendaires. Le cas échéant, le projet de rapport comprend la proposition de jugement final " ralentissement de carrière " ou " insuffisant ". ".
Art. 7. In artikel IV 5 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007, 29 mei 2009 en 21 februari 2014, wordt paragraaf 1 vervangen door wat volgt:
" § 1. De evaluatoren leggen de evaluatie vast in een definitief opgesteld verslag in een van de volgende gevallen:
1° na het evaluatiegesprek;
2° nadat ze bij een schriftelijke evaluatie de opmerkingen hebben ontvangen van het personeelslid bij het ontwerp van evaluatieverslag;
3° nadat de vijftien kalenderdagen, vermeld in artikel IV 4, derde lid, zijn verstreken als het personeelslid geen opmerkingen heeft geformuleerd bij het ontwerp van evaluatieverslag.
Het definitieve verslag bevat, in voorkomend geval, de einduitspraak "loopbaanvertraging" of "onvoldoende", die loopbaangevolgen heeft conform dit besluit. Het definitieve evaluatieverslag wordt bezorgd aan de geëvalueerde binnen drie maanden nadat de periode verstreken is waarover geëvalueerd wordt.".
" § 1. De evaluatoren leggen de evaluatie vast in een definitief opgesteld verslag in een van de volgende gevallen:
1° na het evaluatiegesprek;
2° nadat ze bij een schriftelijke evaluatie de opmerkingen hebben ontvangen van het personeelslid bij het ontwerp van evaluatieverslag;
3° nadat de vijftien kalenderdagen, vermeld in artikel IV 4, derde lid, zijn verstreken als het personeelslid geen opmerkingen heeft geformuleerd bij het ontwerp van evaluatieverslag.
Het definitieve verslag bevat, in voorkomend geval, de einduitspraak "loopbaanvertraging" of "onvoldoende", die loopbaangevolgen heeft conform dit besluit. Het definitieve evaluatieverslag wordt bezorgd aan de geëvalueerde binnen drie maanden nadat de periode verstreken is waarover geëvalueerd wordt.".
Art. 7. Dans l'article IV 5 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 16 mars 2007, 29 mai 2009 et 21 février 2014, le paragraphe 1er est remplacé par la disposition suivante :
" § 1er. Les évaluateurs consignent l'évaluation dans un rapport définitif dans l'un des cas suivants :
1° après l'entretien d'évaluation ;
2° après avoir reçu les remarques, en cas d'une évaluation écrite, du membre du personnel concernant le projet de rapport d'évaluation ;
3° à l'expiration des quinze jours calendaires, visés à l'article IV 4, alinéa 3, si le membre du personnel n'a pas formulé de remarques sur le projet de rapport d'évaluation.
Le cas échéant, le rapport définitif comprend le jugement final " ralentissement de carrière " ou " insuffisant ", entraînant des conséquences pour la carrière conformément au présent arrêté. Le rapport d'évaluation définitif est transmis à l'évalué dans les trois mois de l'expiration de la période d'évaluation. ".
" § 1er. Les évaluateurs consignent l'évaluation dans un rapport définitif dans l'un des cas suivants :
1° après l'entretien d'évaluation ;
2° après avoir reçu les remarques, en cas d'une évaluation écrite, du membre du personnel concernant le projet de rapport d'évaluation ;
3° à l'expiration des quinze jours calendaires, visés à l'article IV 4, alinéa 3, si le membre du personnel n'a pas formulé de remarques sur le projet de rapport d'évaluation.
Le cas échéant, le rapport définitif comprend le jugement final " ralentissement de carrière " ou " insuffisant ", entraînant des conséquences pour la carrière conformément au présent arrêté. Le rapport d'évaluation définitif est transmis à l'évalué dans les trois mois de l'expiration de la période d'évaluation. ".
Art. 8. In artikel V 4, tweede lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016, worden tussen het woord "VDAB" en het woord "gepubliceerd" de woorden "of op de website Werken voor Vlaanderen" ingevoegd.
Art. 8. Dans l'article V 4, alinéa 2, du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juin 2016, les mots " ou sur le site web Werken voor Vlaanderen " sont insérés après les mots " sur le site web du VDAB ".
Art. 9. Aan artikel V 12bis, § 2, eerste lid, 3°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 januari 2018, worden de woorden "of eigen speed pedelec." toegevoegd.
Art. 9. L'article V 12bis, § 2, alinéa 1er, 3°, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 janvier 2018, est complété par les mots " ou de son propre speed pedelec ".
Art. 10. In artikel V 19, tweede lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016, worden tussen het woord "VDAB" en het woord "gepubliceerd" de woorden "of op de website Werken voor Vlaanderen" ingevoegd.
Art. 10. Dans l'article V 19, alinéa 2, du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juin 2016, les mots " ou sur le site web Werken voor Vlaanderen " sont insérés après les mots " sur le site web du VDAB ".
Art. 11. In artikel V 36, § 1, tweede lid, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016, worden tussen het woord "VDAB" en het woord "gepubliceerd" de woorden "of op de website Werken voor Vlaanderen" ingevoegd.
Art. 11. Dans l'article V 36, § 1er, alinéa 2, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juin 2016, les mots " ou sur le site web Werken voor Vlaanderen " sont insérés après les mots " sur le site web du VDAB ".
Art. 12. Artikel V 51bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 22 januari 2010, wordt opgeheven.
Art. 12. L'article V 51bis du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 janvier 2010, est abrogé.
Art. 13. Aan deel VI, titel 1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007, wordt een artikel VI 3ter toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. VI 3ter. Als een contractueel personeelslid een statutaire functie opneemt na bevordering of overplaatsing via horizontale mobiliteit, geldt de vereiste inzake eedaflegging, vermeld in artikel III 12.".
"Art. VI 3ter. Als een contractueel personeelslid een statutaire functie opneemt na bevordering of overplaatsing via horizontale mobiliteit, geldt de vereiste inzake eedaflegging, vermeld in artikel III 12.".
Art. 13. La partie VI, titre 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mars 2007, est complété par un article VI 3ter, rédigé comme suit :
" Art. VI 3ter. Si un membre du personnel contractuel assume une fonction statutaire après une promotion ou un transfert par le biais de la mobilité horizontale, l'exigence en matière de prestation de serment visée à l'article III 12 s'applique. ".
" Art. VI 3ter. Si un membre du personnel contractuel assume une fonction statutaire après une promotion ou un transfert par le biais de la mobilité horizontale, l'exigence en matière de prestation de serment visée à l'article III 12 s'applique. ".
Art. 14. In artikel VI 32, tweede lid, 1°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2014, wordt het woord "graad" vervangen door het woord "rang".
Art. 14. Dans l'article VI 32, alinéa 2, 1°, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mars 2007 et remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 février 2014, le mot " grade " est remplacé par le mot " rang ".
Art. 15. In hetzelfde besluit worden een artikel VI 164 en VI 165 ingevoegd, die luiden als volgt:
"Art. VI 164. In afwijking van artikel VI 14 behoudt de ambtenaar die vanaf 1 januari 2015 tot 31 december 2018 in het kader van een staatshervorming en de ambtenaar die vanaf 1 januari 2018 in het kader van de afslanking van de provincies overgeheveld is naar de diensten van de Vlaamse overheid en die respectievelijk conform artikel VII 190 en artikel VII 202 met ingang van de datum van de overheveling ambtshalve benoemd en ingeschaald is respectievelijk conform bijlage 14 en bijlage 17, die bij dit besluit zijn gevoegd, bij herplaatsing naar een graad van dezelfde rang zijn salarisschaal in overgangsregeling tot op het moment dat zijn organieke regeling voordeliger is.
Art. VI. 165. In afwijking van artikel VI 26, § 1 behoudt de ambtenaar die vanaf 1 januari 2015 tot 31 december 2018 in het kader van een staatshervorming en de ambtenaar die vanaf 1 januari 2018 in het kader van de afslanking van de provincies overgeheveld is naar de diensten van de Vlaamse overheid en die respectievelijk conform artikel VII 190 en artikel VII 202 met ingang van de datum van de overheveling ambtshalve benoemd en ingeschaald is respectievelijk conform bijlage 14 en bijlage 17, die bij dit besluit zijn gevoegd, bij overplaatsing door horizontale mobiliteit naar een graad van dezelfde rang zijn salarisschaal in overgangsregeling tot op het moment dat zijn organieke regeling voordeliger is.
In afwijking van artikel VI 26, § 2 behoudt het contractuele personeelslid dat vanaf 1 januari 2015 tot 31 december 2018 in het kader van een staatshervorming en het contractuele personeelslid dat vanaf 1 januari 2018 in het kader van de afslanking van de provincies overgeheveld is naar de diensten van de Vlaamse overheid en dat respectievelijk conform artikel VII 190 en artikel VII 202 met ingang van de datum van de overheveling tewerkgesteld is in de betrekking en bezoldigd in de salarisschaal respectievelijk conform bijlage 14 en bijlage 17, die bij dit besluit zijn gevoegd, bij overplaatsing door horizontale mobiliteit naar een contractuele functie met een salarisschaal van dezelfde rang zijn salarisschaal in overgangsregeling tot op het moment dat zijn organieke regeling voordeliger is.
In afwijking van artikel VI 26, § 3, behoudt het contractuele personeelslid dat vanaf 1 januari 2015 tot 31 december 2018 in het kader van een staatshervorming en het contractuele personeelslid dat vanaf 1 januari 2018 in het kader van de afslanking van de provincies overgeheveld is naar de diensten van de Vlaamse overheid en dat respectievelijk conform artikel VII 190 en artikel VII 202 met ingang van de datum van de overheveling tewerkgesteld is in de betrekking en bezoldigd in de salarisschaal respectievelijk conform bijlage 14 en bijlage 17, die bij dit besluit zijn gevoegd, bij overplaatsing door horizontale mobiliteit naar een statutaire functie met een overeenstemmende of gelijkwaardige inhoud van dezelfde rang zijn salarisschaal in overgangsregeling tot op het moment dat zijn organieke regeling voordeliger is.".
"Art. VI 164. In afwijking van artikel VI 14 behoudt de ambtenaar die vanaf 1 januari 2015 tot 31 december 2018 in het kader van een staatshervorming en de ambtenaar die vanaf 1 januari 2018 in het kader van de afslanking van de provincies overgeheveld is naar de diensten van de Vlaamse overheid en die respectievelijk conform artikel VII 190 en artikel VII 202 met ingang van de datum van de overheveling ambtshalve benoemd en ingeschaald is respectievelijk conform bijlage 14 en bijlage 17, die bij dit besluit zijn gevoegd, bij herplaatsing naar een graad van dezelfde rang zijn salarisschaal in overgangsregeling tot op het moment dat zijn organieke regeling voordeliger is.
Art. VI. 165. In afwijking van artikel VI 26, § 1 behoudt de ambtenaar die vanaf 1 januari 2015 tot 31 december 2018 in het kader van een staatshervorming en de ambtenaar die vanaf 1 januari 2018 in het kader van de afslanking van de provincies overgeheveld is naar de diensten van de Vlaamse overheid en die respectievelijk conform artikel VII 190 en artikel VII 202 met ingang van de datum van de overheveling ambtshalve benoemd en ingeschaald is respectievelijk conform bijlage 14 en bijlage 17, die bij dit besluit zijn gevoegd, bij overplaatsing door horizontale mobiliteit naar een graad van dezelfde rang zijn salarisschaal in overgangsregeling tot op het moment dat zijn organieke regeling voordeliger is.
In afwijking van artikel VI 26, § 2 behoudt het contractuele personeelslid dat vanaf 1 januari 2015 tot 31 december 2018 in het kader van een staatshervorming en het contractuele personeelslid dat vanaf 1 januari 2018 in het kader van de afslanking van de provincies overgeheveld is naar de diensten van de Vlaamse overheid en dat respectievelijk conform artikel VII 190 en artikel VII 202 met ingang van de datum van de overheveling tewerkgesteld is in de betrekking en bezoldigd in de salarisschaal respectievelijk conform bijlage 14 en bijlage 17, die bij dit besluit zijn gevoegd, bij overplaatsing door horizontale mobiliteit naar een contractuele functie met een salarisschaal van dezelfde rang zijn salarisschaal in overgangsregeling tot op het moment dat zijn organieke regeling voordeliger is.
In afwijking van artikel VI 26, § 3, behoudt het contractuele personeelslid dat vanaf 1 januari 2015 tot 31 december 2018 in het kader van een staatshervorming en het contractuele personeelslid dat vanaf 1 januari 2018 in het kader van de afslanking van de provincies overgeheveld is naar de diensten van de Vlaamse overheid en dat respectievelijk conform artikel VII 190 en artikel VII 202 met ingang van de datum van de overheveling tewerkgesteld is in de betrekking en bezoldigd in de salarisschaal respectievelijk conform bijlage 14 en bijlage 17, die bij dit besluit zijn gevoegd, bij overplaatsing door horizontale mobiliteit naar een statutaire functie met een overeenstemmende of gelijkwaardige inhoud van dezelfde rang zijn salarisschaal in overgangsregeling tot op het moment dat zijn organieke regeling voordeliger is.".
Art. 15. Dans le même arrêté, il est inséré un article VI 164 et un article VI 165, rédigés comme suit :
" Art. VI 164. Par dérogation à l'article VI 14, le fonctionnaire qui, du 1er janvier 2015 au 31 décembre 2018 dans le cadre d'une réforme de l'Etat, et le fonctionnaire qui, à partir du 1er janvier 2018 dans le cadre de la rationalisation des provinces, est transféré aux services de l'Autorité flamande et qui, à partir de la date du transfert, respectivement conformément à l'article VII 190 et l'article VII 202, est nommé d'office et inséré dans l'échelle respectivement conformément à l'annexe 14 et l'annexe 17, jointes au présent arrêté, conserve son échelle de traitement dans le régime transitoire en cas d'une réaffectation dans un grade du même rang jusqu'à ce que son régime organique est plus avantageux.
Art. VI. 165. Par dérogation à l'article VI 26, § 1er, le fonctionnaire qui, du 1er janvier 2015 au 31 décembre 2018 dans le cadre d'une réforme de l'Etat, et le fonctionnaire qui, à partir du 1er janvier 2018 dans le cadre de la rationalisation des provinces, est transféré aux services de l'Autorité flamande et qui, à partir de la date du transfert, respectivement conformément à l'article VII 190 et l'article VII 202, est nommé d'office et inséré dans l'échelle respectivement conformément à l'annexe 14 et l'annexe 17, jointes au présent arrêté, conserve son échelle de traitement dans le régime transitoire en cas d'un transfert par le biais de la mobilité horizontale jusqu'à ce que son régime organique est plus avantageux.
Par dérogation à l'article VI 26, § 2, le membre du personnel contractuel qui, du 1er janvier 2015 au 31 décembre 2018 dans le cadre d'une réforme de l'Etat, et le membre du personnel contractuel qui, à partir du 1er janvier 2018 dans le cadre de la rationalisation des provinces, est transféré aux services de l'Autorité flamande et qui, à partir de la date du transfert, respectivement conformément à l'article VII 190 et l'article VII 202, est mis au travail dans l'emploi et rémunéré dans l'échelle de traitement respectivement conformément à l'annexe 14 et l'annexe 17, jointes au présent arrêté, conserve son échelle de traitement dans le régime transitoire en cas d'un transfert par le biais de la mobilité horizontale dans une fonction contractuelle ayant une échelle de traitement du même rang jusqu'à ce que son régime organique est plus avantageux.
Par dérogation à l'article VI 26, § 3, le membre du personnel contractuel qui, du 1er janvier 2015 au 31 décembre 2018 dans le cadre d'une réforme de l'Etat, et le membre du personnel contractuel qui, à partir du 1er janvier 2018 dans le cadre de la rationalisation des provinces, est transféré aux services de l'Autorité flamande et qui, à partir de la date du transfert, respectivement conformément à l'article VII 190 et l'article VII 202, est mis au travail dans l'emploi et rémunéré dans l'échelle de traitement respectivement conformément à l'annexe 14 et l'annexe 17, jointes au présent arrêté, conserve son échelle de traitement dans le régime transitoire en cas d'un transfert par le biais de la mobilité horizontale dans une fonction statutaire ayant un contenu correspondant ou équivalent du même rang jusqu'à ce que son régime organique est plus avantageux. ".
" Art. VI 164. Par dérogation à l'article VI 14, le fonctionnaire qui, du 1er janvier 2015 au 31 décembre 2018 dans le cadre d'une réforme de l'Etat, et le fonctionnaire qui, à partir du 1er janvier 2018 dans le cadre de la rationalisation des provinces, est transféré aux services de l'Autorité flamande et qui, à partir de la date du transfert, respectivement conformément à l'article VII 190 et l'article VII 202, est nommé d'office et inséré dans l'échelle respectivement conformément à l'annexe 14 et l'annexe 17, jointes au présent arrêté, conserve son échelle de traitement dans le régime transitoire en cas d'une réaffectation dans un grade du même rang jusqu'à ce que son régime organique est plus avantageux.
Art. VI. 165. Par dérogation à l'article VI 26, § 1er, le fonctionnaire qui, du 1er janvier 2015 au 31 décembre 2018 dans le cadre d'une réforme de l'Etat, et le fonctionnaire qui, à partir du 1er janvier 2018 dans le cadre de la rationalisation des provinces, est transféré aux services de l'Autorité flamande et qui, à partir de la date du transfert, respectivement conformément à l'article VII 190 et l'article VII 202, est nommé d'office et inséré dans l'échelle respectivement conformément à l'annexe 14 et l'annexe 17, jointes au présent arrêté, conserve son échelle de traitement dans le régime transitoire en cas d'un transfert par le biais de la mobilité horizontale jusqu'à ce que son régime organique est plus avantageux.
Par dérogation à l'article VI 26, § 2, le membre du personnel contractuel qui, du 1er janvier 2015 au 31 décembre 2018 dans le cadre d'une réforme de l'Etat, et le membre du personnel contractuel qui, à partir du 1er janvier 2018 dans le cadre de la rationalisation des provinces, est transféré aux services de l'Autorité flamande et qui, à partir de la date du transfert, respectivement conformément à l'article VII 190 et l'article VII 202, est mis au travail dans l'emploi et rémunéré dans l'échelle de traitement respectivement conformément à l'annexe 14 et l'annexe 17, jointes au présent arrêté, conserve son échelle de traitement dans le régime transitoire en cas d'un transfert par le biais de la mobilité horizontale dans une fonction contractuelle ayant une échelle de traitement du même rang jusqu'à ce que son régime organique est plus avantageux.
Par dérogation à l'article VI 26, § 3, le membre du personnel contractuel qui, du 1er janvier 2015 au 31 décembre 2018 dans le cadre d'une réforme de l'Etat, et le membre du personnel contractuel qui, à partir du 1er janvier 2018 dans le cadre de la rationalisation des provinces, est transféré aux services de l'Autorité flamande et qui, à partir de la date du transfert, respectivement conformément à l'article VII 190 et l'article VII 202, est mis au travail dans l'emploi et rémunéré dans l'échelle de traitement respectivement conformément à l'annexe 14 et l'annexe 17, jointes au présent arrêté, conserve son échelle de traitement dans le régime transitoire en cas d'un transfert par le biais de la mobilité horizontale dans une fonction statutaire ayant un contenu correspondant ou équivalent du même rang jusqu'à ce que son régime organique est plus avantageux. ".
Art. 16. In artikel VII 12, § 1, 4°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007 en laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2018, wordt in de tabel de rij
"Vakantiewerker: 80% van D111"
Vervangen als volgt:
"vakantiewerker: 80% van D111
vakantiewerker bij Agentschap Opgroeien regie als consultatiebureau-arts: 80% van A111.
De tewerkstelling als vakantiewerker consultatiebureau-arts is enkel mogelijk tijdens de maanden juli, augustus en september aansluitend op het academiejaar waarin de student het diploma van master in de geneeskunde heeft behaald, en op voorwaarde dat de student aansluitend op zijn tewerkstelling als jobstudent niet in dienst wordt genomen bij Agentschap Opgroeien regie.".
"Vakantiewerker: 80% van D111"
Vervangen als volgt:
"vakantiewerker: 80% van D111
vakantiewerker bij Agentschap Opgroeien regie als consultatiebureau-arts: 80% van A111.
De tewerkstelling als vakantiewerker consultatiebureau-arts is enkel mogelijk tijdens de maanden juli, augustus en september aansluitend op het academiejaar waarin de student het diploma van master in de geneeskunde heeft behaald, en op voorwaarde dat de student aansluitend op zijn tewerkstelling als jobstudent niet in dienst wordt genomen bij Agentschap Opgroeien regie.".
Art. 16. Dans l'article VII 12, § 1er, 4°, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mars 2007 et modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 avril 2018, dans le tableau, le rang
" Travailleur de vacances : 80 % de D111 "
est remplacé comme suit :
" travailleur de vacances : 80 % de D111
travailleur de vacances auprès de l'Agence Grandir régie comme médecin de bureau de consultation : 80 % de A111.
La mise au travail comme travailleur de vacances, médecin de bureau de consultation, n'est possible que pendant les mois de juillet, d'août et de septembre après l'année académique pendant laquelle l'étudiant a obtenu le diplôme de master en médecine, et à condition que l'étudiant ne soit pas engagé auprès de l'Agence Grandir régie faisant suite à sont emploi comme étudiant jobiste. ".
" Travailleur de vacances : 80 % de D111 "
est remplacé comme suit :
" travailleur de vacances : 80 % de D111
travailleur de vacances auprès de l'Agence Grandir régie comme médecin de bureau de consultation : 80 % de A111.
La mise au travail comme travailleur de vacances, médecin de bureau de consultation, n'est possible que pendant les mois de juillet, d'août et de septembre après l'année académique pendant laquelle l'étudiant a obtenu le diplôme de master en médecine, et à condition que l'étudiant ne soit pas engagé auprès de l'Agence Grandir régie faisant suite à sont emploi comme étudiant jobiste. ".
Art. 17. Aan artikel VII 45, § 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007 en laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2018, wordt een rij toegevoegd, die luidt als volgt:
"
"
Art. 17. L'article VII 45, § 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mars 2007 et modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 avril 2018, est complété par une ligne :
"
"
| jeugdzorgtoelage administratieve personeelsleden met baliefunctie | 439 euro tegen 100% per jaar | personeelslid van niveau C of D met een administratieve functie dat werkt in de afdeling Continuïteit en Toegang of in de afdeling Ondersteuningscentra en Sociale Diensten van de jeugdrechtbank, dat gedurende 1 tot 9 volledige dagen per maand een baliefunctie uitoefent |
| 877 euro tegen 100% per jaar | personeelslid van niveau C of D met een administratieve functie dat werkt in de afdeling Continuïteit en Toegang of in de afdeling Ondersteuningscentra en Sociale Diensten van de jeugdrechtbank, dat 10 volledige dagen of meer per maand een baliefunctie uitoefent |
".
| Allocation d'assistance à la jeunesse Membres du personnel administratif ayant une fonction de comptoir | 439 euros à 100% par an | Membre du personnel du niveau C ou D ayant une fonction administrative, travaillant dans la Division Continuité et Accès ou dans la Division Centres de Soutien et Services sociaux du tribunal de la jeunesse, exerçant une fonction de comptoir pendant 1 ou 9 jours entiers par mois |
| 877 euros à 100% par an | Membre du personnel du niveau C ou D ayant une fonction administrative, travaillant dans la Division Continuité et Accès ou dans la Division Centres de Soutien et Services sociaux du tribunal de la jeunesse, exerçant une fonction de comptoir pendant 10 jours entiers ou plus par mois |
".
Art. 18. Aan artikel VII 57 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007, wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"In afwijking van artikel VII 16, 2°, wordt de toelage niet naar rato van de prestaties betaald.".
"In afwijking van artikel VII 16, 2°, wordt de toelage niet naar rato van de prestaties betaald.".
Art. 18. L'article VII 57 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mars 2007, est complété par un alinéa 2, rédigé comme suit :
" Par dérogation à l'article VII 16, 2°, l'allocation n'est pas payée au prorata des prestations. ".
" Par dérogation à l'article VII 16, 2°, l'allocation n'est pas payée au prorata des prestations. ".
Art. 19. In artikel VII 80, § 1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007, en laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 januari 2017, wordt in de tabel het woord "fiets" vervangen door de woorden "fiets en speed pedelec".
Art. 19. Dans l'article VII 80, § 1er du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mars 2007, et modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 janvier 2017, dans le tableau, le mot " bicyclette " est remplacé par les mots " bicyclette et speed pedelec ".
Art. 20. Aan deel VII, titel 3, hoofdstuk 2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 januari 2017, wordt een afdeling 3bis, die bestaat uit artikel VII 82bis, ingevoegd, die luidt als volgt:
"Afdeling 3bis. Forfaitaire vergoeding voor het thuis opladen van een volledig elektrisch dienstvoertuig of een dienstvoertuig dat een plug-in hybride is.
Art. VII. 82bis. Het personeelslid dat voor een binnenlandse dienstreis gebruik maakt van volledig elektrisch dienstvoertuig of van een dienstvoertuig dat een plug-in hybride is, en dat voertuig mee naar huis neemt, ontvangt de volgende forfaitaire vergoeding:
"Afdeling 3bis. Forfaitaire vergoeding voor het thuis opladen van een volledig elektrisch dienstvoertuig of een dienstvoertuig dat een plug-in hybride is.
Art. VII. 82bis. Het personeelslid dat voor een binnenlandse dienstreis gebruik maakt van volledig elektrisch dienstvoertuig of van een dienstvoertuig dat een plug-in hybride is, en dat voertuig mee naar huis neemt, ontvangt de volgende forfaitaire vergoeding:
Art. 20. La partie VII, titre 3, chapitre 2 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mars 2017 et remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 janvier 2017, est complété par une section 3bis, comprenant l'article VII 82bis, rédigée comme suit :
" Section 3bis. Indemnité forfaitaire pour la recharge à domicile d'un véhicule de service entièrement électrique ou d'un véhicule de service hybride rechargeable.
Art. VII. 82bis. Le membre du personnel qui utilise un véhicule de service entièrement électrique ou un véhicule de service hybride rechargeable pour un voyage de service à l'intérieur du pays, et ramène ce véhicule à la maison, reçoit l'indemnité forfaitaire suivante :
" Section 3bis. Indemnité forfaitaire pour la recharge à domicile d'un véhicule de service entièrement électrique ou d'un véhicule de service hybride rechargeable.
Art. VII. 82bis. Le membre du personnel qui utilise un véhicule de service entièrement électrique ou un véhicule de service hybride rechargeable pour un voyage de service à l'intérieur du pays, et ramène ce véhicule à la maison, reçoit l'indemnité forfaitaire suivante :
| bedrag per keer dat het personeelslid het dienstvoertuig mee naar huis neemt | |
| volledig elektrisch dienstvoertuig | 6,67 euro |
| dienstvoertuig dat een plug-in hybride is | 2,73 euro |
De Vlaamse minister, bevoegd voor de bestuurszaken, herziet minstens om de twee jaar de vergoeding vermeld in het voorgaande lid, op basis van:
1° de gemiddelde eenheidsprijs van elektriciteit in euro per kWh, vastgesteld door de Vlaamse Regulator van de Elektriciteits- en Gasmarkt;
2° de evoluties in de batterijtechnologie;
3° andere nieuwe technologische ontwikkelingen.
Het personeelslid dat met toepassing van artikel V 12bis of VII 109sexies beschikt over een volledig elektrisch dienstvoertuig of een dienstvoertuig dat een plug-in hybride is, kan geen aanspraak maken op de vergoeding, vermeld in het eerste lid.
In afwijking van het derde lid ontvangt het personeelslid de vergoeding, vermeld in het eerste lid, in afwachting van de installatie van een thuislaadpunt als vermeld in artikel VII 109decies.".
| montant par fois que le membre du personnel ramène le véhicule de service à la maison | |
| véhicule de service entièrement électrique | 6,67 euros |
| véhicule de service hybride rechargeable | 2,73 euros |
Le Ministre flamand chargé des affaires administratives révise au moins tous les deux ans l'indemnité visée à l'alinéa précédent, sur la base des :
1° prix unitaire moyen d'électricité en euros par kWh, établi par le Régulateur flamand pour le Marché de l'Electricité et du Gaz ;
2° évolutions dans la technologie des batteries ;
3° autres nouveaux développements technologiques.
Le membre du personnel qui dispose d'un véhicule de service entièrement électrique ou d'un véhicule de service hybride rechargeable en application de l'article V 12bis ou VII 109sexies, ne peut pas prétendre à l'indemnité visée à l'alinéa 1er.
Par dérogation à l'alinéa 3, le membre du personnel reçoit l'indemnité visée à l'alinéa 1er, en attendant l'installation d'une station de charge domestique telle que visée à l'article VII 109decies. ".
Art. 21. In deel VII, titel 3, van hetzelfde besluit, wordt hoofdstuk 3, dat bestaat uit artikel VII 85, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007, vervangen door wat volgt:
"Hoofdstuk 3. - Buitenlandse dienstreis
Afdeling 1. - Algemene bepaling
Art. VII. 85. De kosten die een personeelslid maakt in het kader van een buitenlandse dienstreis, worden terugbetaald onder de voorwaarden, vermeld in dit hoofdstuk.
Derden die een buitenlandse dienstreis maken in opdracht van de diensten van de Vlaamse overheid, hebben recht op dezelfde vergoedingen onder dezelfde voorwaarden, vermeld in dit hoofdstuk, met uitzondering van de vergoeding voor representatiekosten, vermeld in artikel VII 85ter decies.
Afdeling 2. - Aanvraag
Onderafdeling 1. - Zendingsaanvraag
Art. VII. 85bis. § 1. Zendingsopdrachten in het buitenland worden gegeven door de lijnmanager.
De functioneel bevoegde minister(s) verlenen toestemming voor een zendingsopdracht van de lijnmanager.
§ 2. De lijnmanager beslist welk vervoermiddel functioneel en financieel het meest verantwoord is op basis van de volgende criteria:
1° kostprijs;
2° snelheid;
3° veiligheid;
4° duurzaamheid.
Er wordt niet met het vliegtuig gereisd als de bestemming op minder dan vijfhonderd kilometer ligt of de reis over het land minder dan zes uur in beslag neemt, tenzij de verplaatsing met een ander vervoermiddel dan het vliegtuig een onevenredig verlies van tijd of middelen meebrengt, of om andere zwaarwichtige redenen niet opportuun of praktisch uitvoerbaar wordt geacht.
Onderafdeling 2. - Voorschotten
Art. VII. 85ter. Het personeelslid heeft recht op een voorschot voor bepaalde kosten, als vermeld in artikel VII 85sexies, VII 85octies, VII 85decies en VII 85ter decies.
Afdeling 3. - Kosten
Art. VII. 85quater. Op de zendingsaanvraag worden de uitgaven geraamd voor de kosten, vermeld in deze afdeling.
Onderafdeling 1. Reiskosten
Art. VII. 85quinquies. § 1. De kosten van de reis naar het buitenland en de verplaatsing naar de bestemming in het buitenland worden integraal terugbetaald nadat de bewijsstukken zijn voorgelegd.
§ 2. Zendingsopdrachten naar het buitenland die na de toestemming van de lijnmanager noodzakelijk met eigen voertuig plaatsvinden, worden terugbetaald aan de hand van de forfaitaire vergoedingen, vermeld in artikel VII 80, § 1.
§ 3. Een personeelslid dat een buitenlandse dienstreis maakt met de trein mag eerste klasse reizen.
§ 4. Vliegtuigreizen worden aangevraagd in economy class.
Vliegtuigreizen van minstens acht uur kunnen in business class worden aangevraagd.
Als de lijnmanager in business class wil reizen voor een vliegtuigreis van minder dan acht uur, motiveert hij die keuze.
Art. VII. 85sexies. Het personeelslid heeft recht op een voorschot van 75% van de totale geraamde reiskosten als het een deel van de kosten of alle kosten eerst zelf betaalt.
Als het personeelslid vóór de vertrekdatum de volledige reiskosten zelf betaalt, heeft het personeelslid, nadat het de bewijsstukken heeft voorgelegd, recht op een voorschot van 100% van de totale reiskosten.
Onderafdeling 2. - Logies
Art. VII. 85septies. De kosten voor de overnachting worden, nadat de bewijsstukken zijn voorgelegd, terugbetaald volgens de tabel van de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, waarin de maximale bedragen worden weergegeven.
In uitzonderlijke gevallen en met een degelijke motivatie kan een afwijking van de bedragen, vermeld in het eerste lid, binnen redelijke perken worden toegestaan door de lijnmanager.
Voor de lijnmanager is de afwijking, vermeld in het tweede lid, onderworpen aan de goedkeuring van de functioneel bevoegde minister(s).
Art. VII. 85octies. Het personeelslid heeft recht op een voorschot van 75% van de geraamde kosten als de kosten voor de overnachting ter plaatse vereffend moeten worden.
Als het personeelslid de kosten voor de overnachting zelf betaalt, heeft het personeelslid, nadat het de bewijsstukken heeft voorgelegd, recht op een voorschot van 100% bovenvermelde kost.
Onderafdeling 3. - Dagvergoeding
Art. VII. 85novies. § 1. Het personeelslid ontvangt een dagelijkse forfaitaire verblijfsvergoeding conform de bedragen, vermeld in de tabel van de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.
Het bedrag van de dagvergoeding, vermeld in het eerste lid wordt na indexering verminderd met de werkgeversbijdrage in een maaltijdcheque, als vermeld in artikelen VII 109ter, VII 194bis en VII 217.
§ 2. Als de werkelijke kosten van de maaltijden en van de andere kleine uitgaven meer bedragen dan de dagvergoeding, kunnen de werkelijke kosten worden terugbetaald nadat de bewijsstukken van alle elementen van de dagvergoeding zijn voorgelegd.
§ 3. Voor buitenlandse dienstreizen die langer dan een etmaal duren, wordt de dagvergoeding voor de dagen van vertrek en terugkeer, herleid tot de helft.
Op de halve dagvergoeding, vermeld in het eerste lid, worden de verminderingen, vermeld in paragraaf 5, niet toegepast.
§ 4. In een land met verschillende dagvergoedingen is de dagvergoeding die gekoppeld is aan de plaats van de laatste overnachting, bepalend voor de eerstvolgende dag. De voormelde regel geldt ook voor een dienstreis waarbij het personeelslid verschillende landen aandoet.
§ 5. Als het logies of de inschrijvingskosten door de werkgever of derden worden terugbetaald of ten laste genomen en die kosten ook bepaalde maaltijden of kleine uitgaven omvatten, wordt het bedrag van de dagvergoeding, naar gelang van het geval, verminderd met:
1° 15% van de dagvergoeding, voor het ontbijt;
2° 35% van de dagvergoeding, voor het middagmaal;
3° 45% van de dagvergoeding, voor het avondmaal;
4° 5% van de dagvergoeding, voor de kleine uitgaven.
Art. VII. 85decies. Het personeelslid heeft recht op een voorschot van 50% van de dagvergoeding.
Art. VII 85undecies. In afwijking van artikel VII 85novies en VII 85decies, wordt het personeelslid dat een eendaagse buitenlandse dienstreis maakt, vergoed conform de bepalingen van hoofdstuk 2.
Onderafdeling 4. - Inschrijvingskosten
Art. VII. 85duodecies. Inschrijvingsgelden voor seminaries, opleidingen, colloquia en dergelijke meer, worden integraal betaald door de betrokken entiteit, raad of instelling of onmiddellijk terugbetaald aan het betrokken personeelslid.
Onderafdeling 5. - Representatiekosten
Art. VII. 85ter decies. Personeelsleden die belast zijn met een zendingsopdracht in het kader van de officiële vertegenwoordiging van de Vlaamse overheid in het buitenland, kunnen een bedrag aanvragen voor representatieve doeleinden. Dat kan het volledig bedrag zijn of een voorschot als de juiste kosten vooraf niet gekend zijn. De aanvraag is gemotiveerd.
Als een delegatie met een zendingsopdracht in het buitenland belast is, kan alleen de hoogste in rang representatiekosten aanvragen.
Afdeling 4. - Verslaggeving
Art. VII. 85quater decies. Na afloop van de buitenlandse zendingsopdracht kunnen zowel de lijnmanager als het departement Buitenlandse Zaken het personeelslid vragen een zendingsverslag te bezorgen.
Afdeling 5. - Afrekening
Onderafdeling 1. - Terugbetaling van kosten
Art. VII. 85quinquies decies. De kosten die verbonden zijn aan een buitenlandse zendingsopdracht, zijn ten laste van de betrokken entiteit, raad of instelling conform de voorwaarden, vermeld in afdeling 3.
Na afloop van de buitenlandse zendingsopdracht worden de kosten afgerekend aan de hand van een kostenstaat en met overlegging van de bewijs stukken, behalve voor de dagvergoeding, als ze beperkt blijven tot het forfaitaire bedrag.
Op straffe van verval van recht wordt een kostenstaat ingediend binnen vier maanden vanaf de dag van de terugkomst.
Een volledig ingevulde kostenstaat die ingediend is binnen vier maanden, en die drie maanden na de indiening nog niet is terugbetaald, wordt vanaf de vierde maand verhoogd met een intrest van 3% op jaarbasis.
Onderafdeling 2. - Terugvordering van voorschotten
Art. VII. 85sexies decies. Voorschotten die ten onrechte zijn overgemaakt of te veel zijn betaald, worden binnen vijf werkdagen na de eenvoudige schriftelijke vraag van de betrokken vereffenaar teruggestort.".
"Hoofdstuk 3. - Buitenlandse dienstreis
Afdeling 1. - Algemene bepaling
Art. VII. 85. De kosten die een personeelslid maakt in het kader van een buitenlandse dienstreis, worden terugbetaald onder de voorwaarden, vermeld in dit hoofdstuk.
Derden die een buitenlandse dienstreis maken in opdracht van de diensten van de Vlaamse overheid, hebben recht op dezelfde vergoedingen onder dezelfde voorwaarden, vermeld in dit hoofdstuk, met uitzondering van de vergoeding voor representatiekosten, vermeld in artikel VII 85ter decies.
Afdeling 2. - Aanvraag
Onderafdeling 1. - Zendingsaanvraag
Art. VII. 85bis. § 1. Zendingsopdrachten in het buitenland worden gegeven door de lijnmanager.
De functioneel bevoegde minister(s) verlenen toestemming voor een zendingsopdracht van de lijnmanager.
§ 2. De lijnmanager beslist welk vervoermiddel functioneel en financieel het meest verantwoord is op basis van de volgende criteria:
1° kostprijs;
2° snelheid;
3° veiligheid;
4° duurzaamheid.
Er wordt niet met het vliegtuig gereisd als de bestemming op minder dan vijfhonderd kilometer ligt of de reis over het land minder dan zes uur in beslag neemt, tenzij de verplaatsing met een ander vervoermiddel dan het vliegtuig een onevenredig verlies van tijd of middelen meebrengt, of om andere zwaarwichtige redenen niet opportuun of praktisch uitvoerbaar wordt geacht.
Onderafdeling 2. - Voorschotten
Art. VII. 85ter. Het personeelslid heeft recht op een voorschot voor bepaalde kosten, als vermeld in artikel VII 85sexies, VII 85octies, VII 85decies en VII 85ter decies.
Afdeling 3. - Kosten
Art. VII. 85quater. Op de zendingsaanvraag worden de uitgaven geraamd voor de kosten, vermeld in deze afdeling.
Onderafdeling 1. Reiskosten
Art. VII. 85quinquies. § 1. De kosten van de reis naar het buitenland en de verplaatsing naar de bestemming in het buitenland worden integraal terugbetaald nadat de bewijsstukken zijn voorgelegd.
§ 2. Zendingsopdrachten naar het buitenland die na de toestemming van de lijnmanager noodzakelijk met eigen voertuig plaatsvinden, worden terugbetaald aan de hand van de forfaitaire vergoedingen, vermeld in artikel VII 80, § 1.
§ 3. Een personeelslid dat een buitenlandse dienstreis maakt met de trein mag eerste klasse reizen.
§ 4. Vliegtuigreizen worden aangevraagd in economy class.
Vliegtuigreizen van minstens acht uur kunnen in business class worden aangevraagd.
Als de lijnmanager in business class wil reizen voor een vliegtuigreis van minder dan acht uur, motiveert hij die keuze.
Art. VII. 85sexies. Het personeelslid heeft recht op een voorschot van 75% van de totale geraamde reiskosten als het een deel van de kosten of alle kosten eerst zelf betaalt.
Als het personeelslid vóór de vertrekdatum de volledige reiskosten zelf betaalt, heeft het personeelslid, nadat het de bewijsstukken heeft voorgelegd, recht op een voorschot van 100% van de totale reiskosten.
Onderafdeling 2. - Logies
Art. VII. 85septies. De kosten voor de overnachting worden, nadat de bewijsstukken zijn voorgelegd, terugbetaald volgens de tabel van de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, waarin de maximale bedragen worden weergegeven.
In uitzonderlijke gevallen en met een degelijke motivatie kan een afwijking van de bedragen, vermeld in het eerste lid, binnen redelijke perken worden toegestaan door de lijnmanager.
Voor de lijnmanager is de afwijking, vermeld in het tweede lid, onderworpen aan de goedkeuring van de functioneel bevoegde minister(s).
Art. VII. 85octies. Het personeelslid heeft recht op een voorschot van 75% van de geraamde kosten als de kosten voor de overnachting ter plaatse vereffend moeten worden.
Als het personeelslid de kosten voor de overnachting zelf betaalt, heeft het personeelslid, nadat het de bewijsstukken heeft voorgelegd, recht op een voorschot van 100% bovenvermelde kost.
Onderafdeling 3. - Dagvergoeding
Art. VII. 85novies. § 1. Het personeelslid ontvangt een dagelijkse forfaitaire verblijfsvergoeding conform de bedragen, vermeld in de tabel van de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.
Het bedrag van de dagvergoeding, vermeld in het eerste lid wordt na indexering verminderd met de werkgeversbijdrage in een maaltijdcheque, als vermeld in artikelen VII 109ter, VII 194bis en VII 217.
§ 2. Als de werkelijke kosten van de maaltijden en van de andere kleine uitgaven meer bedragen dan de dagvergoeding, kunnen de werkelijke kosten worden terugbetaald nadat de bewijsstukken van alle elementen van de dagvergoeding zijn voorgelegd.
§ 3. Voor buitenlandse dienstreizen die langer dan een etmaal duren, wordt de dagvergoeding voor de dagen van vertrek en terugkeer, herleid tot de helft.
Op de halve dagvergoeding, vermeld in het eerste lid, worden de verminderingen, vermeld in paragraaf 5, niet toegepast.
§ 4. In een land met verschillende dagvergoedingen is de dagvergoeding die gekoppeld is aan de plaats van de laatste overnachting, bepalend voor de eerstvolgende dag. De voormelde regel geldt ook voor een dienstreis waarbij het personeelslid verschillende landen aandoet.
§ 5. Als het logies of de inschrijvingskosten door de werkgever of derden worden terugbetaald of ten laste genomen en die kosten ook bepaalde maaltijden of kleine uitgaven omvatten, wordt het bedrag van de dagvergoeding, naar gelang van het geval, verminderd met:
1° 15% van de dagvergoeding, voor het ontbijt;
2° 35% van de dagvergoeding, voor het middagmaal;
3° 45% van de dagvergoeding, voor het avondmaal;
4° 5% van de dagvergoeding, voor de kleine uitgaven.
Art. VII. 85decies. Het personeelslid heeft recht op een voorschot van 50% van de dagvergoeding.
Art. VII 85undecies. In afwijking van artikel VII 85novies en VII 85decies, wordt het personeelslid dat een eendaagse buitenlandse dienstreis maakt, vergoed conform de bepalingen van hoofdstuk 2.
Onderafdeling 4. - Inschrijvingskosten
Art. VII. 85duodecies. Inschrijvingsgelden voor seminaries, opleidingen, colloquia en dergelijke meer, worden integraal betaald door de betrokken entiteit, raad of instelling of onmiddellijk terugbetaald aan het betrokken personeelslid.
Onderafdeling 5. - Representatiekosten
Art. VII. 85ter decies. Personeelsleden die belast zijn met een zendingsopdracht in het kader van de officiële vertegenwoordiging van de Vlaamse overheid in het buitenland, kunnen een bedrag aanvragen voor representatieve doeleinden. Dat kan het volledig bedrag zijn of een voorschot als de juiste kosten vooraf niet gekend zijn. De aanvraag is gemotiveerd.
Als een delegatie met een zendingsopdracht in het buitenland belast is, kan alleen de hoogste in rang representatiekosten aanvragen.
Afdeling 4. - Verslaggeving
Art. VII. 85quater decies. Na afloop van de buitenlandse zendingsopdracht kunnen zowel de lijnmanager als het departement Buitenlandse Zaken het personeelslid vragen een zendingsverslag te bezorgen.
Afdeling 5. - Afrekening
Onderafdeling 1. - Terugbetaling van kosten
Art. VII. 85quinquies decies. De kosten die verbonden zijn aan een buitenlandse zendingsopdracht, zijn ten laste van de betrokken entiteit, raad of instelling conform de voorwaarden, vermeld in afdeling 3.
Na afloop van de buitenlandse zendingsopdracht worden de kosten afgerekend aan de hand van een kostenstaat en met overlegging van de bewijs stukken, behalve voor de dagvergoeding, als ze beperkt blijven tot het forfaitaire bedrag.
Op straffe van verval van recht wordt een kostenstaat ingediend binnen vier maanden vanaf de dag van de terugkomst.
Een volledig ingevulde kostenstaat die ingediend is binnen vier maanden, en die drie maanden na de indiening nog niet is terugbetaald, wordt vanaf de vierde maand verhoogd met een intrest van 3% op jaarbasis.
Onderafdeling 2. - Terugvordering van voorschotten
Art. VII. 85sexies decies. Voorschotten die ten onrechte zijn overgemaakt of te veel zijn betaald, worden binnen vijf werkdagen na de eenvoudige schriftelijke vraag van de betrokken vereffenaar teruggestort.".
Art. 21. Dans la partie VII, titre 3, du même arrêté, le chapitre 3, comprenant l'article VII 85, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mars 2007, est remplacé par ce qui suit :
" Chapitre 3. - Voyage de service à l'étranger
Section 1re. - Disposition générale
Art. VII. 85. Les frais encourus par un membre du personnel dans le cadre d'un voyage de service à l'étranger sont remboursés aux conditions visées au présent chapitre.
Des tiers qui effectuent un voyage de service à l'étranger sur l'ordre des services de l'Autorité flamande ont droit aux mêmes indemnités aux même conditions, visées au présent chapitre, à l'exception de l'indemnité pour frais de représentation, visée à l'article VII 85ter decies.
Section 2. - Demande
Sous-section 1re. - Demande de mission
Art. VII. 85bis. § 1er. Des missions à l'étranger sont ordonnées par le manager de ligne.
Le(s) Ministre(s) fonctionnellement compétent(s) autorisent une mission du manager de ligne.
§ 2. Le manager de ligne décide sur le moyen de transport le plus justifié du point de vue fonctionnel et financier, sur la base des critères suivants :
1° coût ;
2° rapidité ;
3° sécurité ;
4° durabilité.
L'avion ne sera pas utilisé si la destination est à moins de cinq cents kilomètres de distance ou si le voyage par voie terrestre dure moins de six heures, à moins que le voyage par un moyen de transport autre que l'avion n'entraîne une perte déraisonnable de temps ou de ressources, ou n'est jugé inapproprié ou impossible pour d'autres raisons importantes.
Sous-section 2. - Avances
Art. VII. 85ter. Le membre du personnel a droit à une avance pour certains frais, tels que visés aux articles VII 85sexies, VII 85octies, VII 85decies et VII 85ter decies.
Section 3. Frais
Art. VII. 85quater. La demande de mission comprend une estimation des dépenses pour les frais visés à la présente section.
Sous-section 1re. - Frais de parcours
Art. VII. 85quinquies. § 1er. Les frais du voyage à l'étranger et du déplacement vers la destination à l'étranger sont remboursés intégralement après la soumission des pièces justificatives.
§ 2. Des missions à l'étranger effectuées nécessairement avec son propre véhicule, après l'autorisation du manager de ligne, sont remboursées à l'aide des indemnités forfaitaires visées à l'article VII 80, § 1er.
§ 3. Le membre du personnel qui effectue un voyage de service à l'étranger en train, peut voyager en première classe.
§ 4. Les voyages en avion sont demandés en classe économique.
Les voyages en avion d'au moins huit heures peuvent être demandés en classe affaires.
Si le manager de ligne souhaite voyager en classe affaires pour un voyage en avion de moins de huit heures, il motive ce choix.
Art. VII. 85sexies. Le membre du personnel a droit à une avance de 75% des frais de voyage totaux estimés s'il paie d'abord lui-même tout ou partie de ces frais.
Si le membre du personnel a payé lui-même l'ensemble des frais de voyage, il a droit, après la soumission des pièces justificatives, à une avance de 100% des frais de voyage totaux.
Sous-section 2. - Logement
Art. VII. 85septies. Les frais pour la nuitée sont remboursés, après la soumission des pièces justificatives, selon le tableau du Service public fédéral Affaires étrangères, Commerce extérieur et Coopération au Développement, qui reprend les montants maximaux.
Dans des cas exceptionnels et moyennant une motivation adéquate, une dérogation aux montants visés à l'alinéa 1er dans des limites raisonnables peut être autorisée par le manager de ligne.
Pour le manager de ligne, la dérogation visée à l'alinéa 2 est soumise à l'approbation du (des) Ministre(s) fonctionnellement compétent(s).
Art. VII. 85octies. Le membre du personnel a droit à une avance de 75% des frais estimés si les frais pour la nuitée doivent être réglés sur place.
Si le membre du personnel paie lui-même les frais pour la nuitée, il a droit à une avance de 100% des frais susvisés après la soumission des pièces justificatives.
Sous-section 3. - Indemnité journalière
Art. VII. 85novies. § 1er. Le membre du personnel reçoit une indemnité de séjour forfaitaire journalière conformément aux montants, visés au tableau du Service public fédéral Affaires étrangères, Commerce extérieur et Coopération au Développement.
Le montant de l'indemnité journalière, visée à l'alinéa 1er, est réduit, après indexation, de la cotisation patronale dans un chèque-repas tel que visé aux articles VII 109ter, VII 194bis et VII 2017.
§ 2. Si les frais réels des repas et des autres menues dépenses dépassent l'indemnité journalière, les frais réels peuvent être remboursés après la soumission des pièces justificatives de tous les éléments de l'indemnité journalière.
§ 3. Pour des voyages de services à l'étranger durant plus de 24 heures, l'indemnité journalière pour les jours de départ et de retour est réduite à la moitié.
Les réductions visées au paragraphe 5 ne sont pas appliquées à la demi-indemnité journalière visée à l'alinéa 1er.
§ 4. Dans un pays avec différentes indemnités journalières, l'indemnité journalière liée à l'endroit de la dernière nuitée régit le jour suivant. La règle précitée s'applique également au voyage de service pendant lequel le membre du personnel visite différents pays.
§ 5. Si le logement ou les frais d'inscription sont remboursés ou pris en charge par l'employeur ou des tiers, et si ces frais comprennent également certains repas ou des menues dépenses, le montant de l'indemnité journalière est diminué, selon le cas, de :
1° 15% de l'indemnité journalière, pour le petit-déjeuner ;
2° 35% de l'indemnité journalière, pour le déjeuner ;
3° 45% de l'indemnité journalière, pour le dîner ;
4° 5% de l'indemnité journalière, pour les menues dépenses.
Art. VII. 85decies. Le membre du personnel a droit à une avance de 50% de l'indemnité journalière.
Art. VII 85undecies. Par dérogation aux articles VII 85novies et VII 85decies, le membre du personnel qui fait un voyage de service à l'étranger d'un jour est indemnisé conformément aux dispositions du chapitre 2.
Sous-section 4. Frais d'inscription
Art. VII. 85duodecies. Les frais d'inscription pour des séminaires, formations, colloques etc. sont payés intégralement par l'entité, le conseil ou l'institution concerné(e) ou remboursés immédiatement au membre du personnel concerné.
Sous-section 5. - Frais de représentation
Art. VII. 85ter decies. Les membres du personnel chargés d'une mission dans le cadre de la représentation officielle de l'Autorité flamande à l'étranger peuvent demander un montant à des fins de représentation. La demande peut concerne le montant intégral ou une avance si les frais exacts ne sont pas connus à l'avance. La demande est motivée.
Si une délégation est chargée d'une mission à l'étranger, seule la personne ayant le rang le plus élevé peut demander des frais de représentation.
Section 4. - Rapport
Art. VII. 85quater decies. A l'issue de la mission à l'étranger, tant le manager de ligne que le Département des Affaires étrangères peuvent demander au membre du personnel de transmettre un rapport de mission.
Section 5. - Décompte
Sous-section 1. - Remboursement de frais
Art. VII. 85quinquies decies. Les frais liés à une mission à l'étranger sont à charge de l'entité, du conseil ou de l'institution concerné(e) conformément aux conditions visées à la section 3.
A l'issue de la mission à l'étranger les frais sont réglés à l'aide d'un état de frais et moyennant la soumission des pièces justificatives, sauf pour l'indemnité journalière, s'ils restent limités au montant forfaitaire.
Sous peine de déchéance du droit, un état de frais est introduit dans les quatre mois à partir de la date du retour.
Un état de frais dûment complété et introduit dans les quatre mois, et n'étant pas encore remboursé trois mois après son introduction, est majoré d'un intérêt de 3 % sur base annuelle à partir du quatrième mois de l'introduction.
Sous-section 2. - Recouvrement d'avances
Art. VII. 85sexies decies. Les avances indûment payées ou payées en trop sont remboursées dans les cinq jours ouvrables sur simple demande écrite du liquidateur concerné. ".
" Chapitre 3. - Voyage de service à l'étranger
Section 1re. - Disposition générale
Art. VII. 85. Les frais encourus par un membre du personnel dans le cadre d'un voyage de service à l'étranger sont remboursés aux conditions visées au présent chapitre.
Des tiers qui effectuent un voyage de service à l'étranger sur l'ordre des services de l'Autorité flamande ont droit aux mêmes indemnités aux même conditions, visées au présent chapitre, à l'exception de l'indemnité pour frais de représentation, visée à l'article VII 85ter decies.
Section 2. - Demande
Sous-section 1re. - Demande de mission
Art. VII. 85bis. § 1er. Des missions à l'étranger sont ordonnées par le manager de ligne.
Le(s) Ministre(s) fonctionnellement compétent(s) autorisent une mission du manager de ligne.
§ 2. Le manager de ligne décide sur le moyen de transport le plus justifié du point de vue fonctionnel et financier, sur la base des critères suivants :
1° coût ;
2° rapidité ;
3° sécurité ;
4° durabilité.
L'avion ne sera pas utilisé si la destination est à moins de cinq cents kilomètres de distance ou si le voyage par voie terrestre dure moins de six heures, à moins que le voyage par un moyen de transport autre que l'avion n'entraîne une perte déraisonnable de temps ou de ressources, ou n'est jugé inapproprié ou impossible pour d'autres raisons importantes.
Sous-section 2. - Avances
Art. VII. 85ter. Le membre du personnel a droit à une avance pour certains frais, tels que visés aux articles VII 85sexies, VII 85octies, VII 85decies et VII 85ter decies.
Section 3. Frais
Art. VII. 85quater. La demande de mission comprend une estimation des dépenses pour les frais visés à la présente section.
Sous-section 1re. - Frais de parcours
Art. VII. 85quinquies. § 1er. Les frais du voyage à l'étranger et du déplacement vers la destination à l'étranger sont remboursés intégralement après la soumission des pièces justificatives.
§ 2. Des missions à l'étranger effectuées nécessairement avec son propre véhicule, après l'autorisation du manager de ligne, sont remboursées à l'aide des indemnités forfaitaires visées à l'article VII 80, § 1er.
§ 3. Le membre du personnel qui effectue un voyage de service à l'étranger en train, peut voyager en première classe.
§ 4. Les voyages en avion sont demandés en classe économique.
Les voyages en avion d'au moins huit heures peuvent être demandés en classe affaires.
Si le manager de ligne souhaite voyager en classe affaires pour un voyage en avion de moins de huit heures, il motive ce choix.
Art. VII. 85sexies. Le membre du personnel a droit à une avance de 75% des frais de voyage totaux estimés s'il paie d'abord lui-même tout ou partie de ces frais.
Si le membre du personnel a payé lui-même l'ensemble des frais de voyage, il a droit, après la soumission des pièces justificatives, à une avance de 100% des frais de voyage totaux.
Sous-section 2. - Logement
Art. VII. 85septies. Les frais pour la nuitée sont remboursés, après la soumission des pièces justificatives, selon le tableau du Service public fédéral Affaires étrangères, Commerce extérieur et Coopération au Développement, qui reprend les montants maximaux.
Dans des cas exceptionnels et moyennant une motivation adéquate, une dérogation aux montants visés à l'alinéa 1er dans des limites raisonnables peut être autorisée par le manager de ligne.
Pour le manager de ligne, la dérogation visée à l'alinéa 2 est soumise à l'approbation du (des) Ministre(s) fonctionnellement compétent(s).
Art. VII. 85octies. Le membre du personnel a droit à une avance de 75% des frais estimés si les frais pour la nuitée doivent être réglés sur place.
Si le membre du personnel paie lui-même les frais pour la nuitée, il a droit à une avance de 100% des frais susvisés après la soumission des pièces justificatives.
Sous-section 3. - Indemnité journalière
Art. VII. 85novies. § 1er. Le membre du personnel reçoit une indemnité de séjour forfaitaire journalière conformément aux montants, visés au tableau du Service public fédéral Affaires étrangères, Commerce extérieur et Coopération au Développement.
Le montant de l'indemnité journalière, visée à l'alinéa 1er, est réduit, après indexation, de la cotisation patronale dans un chèque-repas tel que visé aux articles VII 109ter, VII 194bis et VII 2017.
§ 2. Si les frais réels des repas et des autres menues dépenses dépassent l'indemnité journalière, les frais réels peuvent être remboursés après la soumission des pièces justificatives de tous les éléments de l'indemnité journalière.
§ 3. Pour des voyages de services à l'étranger durant plus de 24 heures, l'indemnité journalière pour les jours de départ et de retour est réduite à la moitié.
Les réductions visées au paragraphe 5 ne sont pas appliquées à la demi-indemnité journalière visée à l'alinéa 1er.
§ 4. Dans un pays avec différentes indemnités journalières, l'indemnité journalière liée à l'endroit de la dernière nuitée régit le jour suivant. La règle précitée s'applique également au voyage de service pendant lequel le membre du personnel visite différents pays.
§ 5. Si le logement ou les frais d'inscription sont remboursés ou pris en charge par l'employeur ou des tiers, et si ces frais comprennent également certains repas ou des menues dépenses, le montant de l'indemnité journalière est diminué, selon le cas, de :
1° 15% de l'indemnité journalière, pour le petit-déjeuner ;
2° 35% de l'indemnité journalière, pour le déjeuner ;
3° 45% de l'indemnité journalière, pour le dîner ;
4° 5% de l'indemnité journalière, pour les menues dépenses.
Art. VII. 85decies. Le membre du personnel a droit à une avance de 50% de l'indemnité journalière.
Art. VII 85undecies. Par dérogation aux articles VII 85novies et VII 85decies, le membre du personnel qui fait un voyage de service à l'étranger d'un jour est indemnisé conformément aux dispositions du chapitre 2.
Sous-section 4. Frais d'inscription
Art. VII. 85duodecies. Les frais d'inscription pour des séminaires, formations, colloques etc. sont payés intégralement par l'entité, le conseil ou l'institution concerné(e) ou remboursés immédiatement au membre du personnel concerné.
Sous-section 5. - Frais de représentation
Art. VII. 85ter decies. Les membres du personnel chargés d'une mission dans le cadre de la représentation officielle de l'Autorité flamande à l'étranger peuvent demander un montant à des fins de représentation. La demande peut concerne le montant intégral ou une avance si les frais exacts ne sont pas connus à l'avance. La demande est motivée.
Si une délégation est chargée d'une mission à l'étranger, seule la personne ayant le rang le plus élevé peut demander des frais de représentation.
Section 4. - Rapport
Art. VII. 85quater decies. A l'issue de la mission à l'étranger, tant le manager de ligne que le Département des Affaires étrangères peuvent demander au membre du personnel de transmettre un rapport de mission.
Section 5. - Décompte
Sous-section 1. - Remboursement de frais
Art. VII. 85quinquies decies. Les frais liés à une mission à l'étranger sont à charge de l'entité, du conseil ou de l'institution concerné(e) conformément aux conditions visées à la section 3.
A l'issue de la mission à l'étranger les frais sont réglés à l'aide d'un état de frais et moyennant la soumission des pièces justificatives, sauf pour l'indemnité journalière, s'ils restent limités au montant forfaitaire.
Sous peine de déchéance du droit, un état de frais est introduit dans les quatre mois à partir de la date du retour.
Un état de frais dûment complété et introduit dans les quatre mois, et n'étant pas encore remboursé trois mois après son introduction, est majoré d'un intérêt de 3 % sur base annuelle à partir du quatrième mois de l'introduction.
Sous-section 2. - Recouvrement d'avances
Art. VII. 85sexies decies. Les avances indûment payées ou payées en trop sont remboursées dans les cinq jours ouvrables sur simple demande écrite du liquidateur concerné. ".
Art. 22. Artikel VII 95 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. VII 95. § 1. De werkgever neemt de kosten van een abonnement op het openbaar vervoer naar en van de plaats van het werk volledig ten laste.
Het supplement voor een abonnement in eerste klasse van de NMBS is ten laste van het personeelslid, met uitzondering van een personeelslid met een handicap of chronische ziekte bij wie de tegemoetkoming in een abonnement eerste klasse als maatregel is opgenomen in het integratieprotocol.
§ 2. Bij een ononderbroken afwezigheid van ten minste drie maanden wordt het abonnement op het openbaar vervoer stopgezet.
Het abonnement wordt stopgezet vanaf de ingangsdatum van de afwezigheid, als op dat ogenblik vaststaat dat de afwezigheid ten minste drie maanden ononderbroken zal duren.
In het andere geval, dan het geval, vermeld in het tweede lid, wordt het abonnement stopgezet vanaf het moment dat er zekerheid is dat de afwezigheid ten minste drie maanden ononderbroken zal duren.".
"Art. VII 95. § 1. De werkgever neemt de kosten van een abonnement op het openbaar vervoer naar en van de plaats van het werk volledig ten laste.
Het supplement voor een abonnement in eerste klasse van de NMBS is ten laste van het personeelslid, met uitzondering van een personeelslid met een handicap of chronische ziekte bij wie de tegemoetkoming in een abonnement eerste klasse als maatregel is opgenomen in het integratieprotocol.
§ 2. Bij een ononderbroken afwezigheid van ten minste drie maanden wordt het abonnement op het openbaar vervoer stopgezet.
Het abonnement wordt stopgezet vanaf de ingangsdatum van de afwezigheid, als op dat ogenblik vaststaat dat de afwezigheid ten minste drie maanden ononderbroken zal duren.
In het andere geval, dan het geval, vermeld in het tweede lid, wordt het abonnement stopgezet vanaf het moment dat er zekerheid is dat de afwezigheid ten minste drie maanden ononderbroken zal duren.".
Art. 22. L'article VII 95 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mars 2007, est remplacé par ce qui suit :
" Art. VII 95. § 1er. L'employeur supporte intégralement les frais d'un abonnement de transport en commun pour le trajet domicile-travail.
Le supplément à payer pour un abonnement de première classe de la S.N.C.B est à charge du membre du personnel, à l'exception d'un membre du personnel souffrant d'un handicap ou d'une maladie chronique pour lequel l'intervention dans un abonnement de première classe est reprise dans le protocole d'intégration.
§ 2. En cas d'une absence ininterrompue d'au moins trois mois, l'abonnement de transport en commun est arrêté.
L'abonnement est arrêté à partir de la date de début de l'absence s'il est établi à ce-moment-là que l'absence durera au moins trois mois sans interruption.
Dans le cas autre que le cas visé à l'alinéa 2, l'abonnement est arrêté à partir du moment où il est certain que l'absence durera au moins trois mois sans interruption. ".
" Art. VII 95. § 1er. L'employeur supporte intégralement les frais d'un abonnement de transport en commun pour le trajet domicile-travail.
Le supplément à payer pour un abonnement de première classe de la S.N.C.B est à charge du membre du personnel, à l'exception d'un membre du personnel souffrant d'un handicap ou d'une maladie chronique pour lequel l'intervention dans un abonnement de première classe est reprise dans le protocole d'intégration.
§ 2. En cas d'une absence ininterrompue d'au moins trois mois, l'abonnement de transport en commun est arrêté.
L'abonnement est arrêté à partir de la date de début de l'absence s'il est établi à ce-moment-là que l'absence durera au moins trois mois sans interruption.
Dans le cas autre que le cas visé à l'alinéa 2, l'abonnement est arrêté à partir du moment où il est certain que l'absence durera au moins trois mois sans interruption. ".
Art. 23. Aan artikel VII 100 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt een paragraaf 2 toegevoegd, die luidt als volgt:
" § 2. Bij een ononderbroken afwezigheid van ten minste één maand wordt de tegemoetkoming, vermeld in paragraaf 1, stopgezet.
De voormelde tegemoetkoming wordt stopgezet vanaf de ingangsdatum van de ononderbroken afwezigheid.".
" § 2. Bij een ononderbroken afwezigheid van ten minste één maand wordt de tegemoetkoming, vermeld in paragraaf 1, stopgezet.
De voormelde tegemoetkoming wordt stopgezet vanaf de ingangsdatum van de ononderbroken afwezigheid.".
Art. 23. L'article VII 100 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mars 2007, dont le texte actuel formera le paragraphe 1er, est complété par un paragraphe 2, rédigé comme suit :
" § 2. En cas d'une absence ininterrompue d'au moins un mois, l'intervention visée au paragraphe 1er est arrêtée.
L'intervention précitée est arrêtée à partir de la date de début de l'absence ininterrompue. ".
" § 2. En cas d'une absence ininterrompue d'au moins un mois, l'intervention visée au paragraphe 1er est arrêtée.
L'intervention précitée est arrêtée à partir de la date de début de l'absence ininterrompue. ".
Art. 24. Aan artikel VII 100bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009, wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"De in het eerste lid vermelde vergoeding wordt eveneens toegekend aan het personeelslid dat voor hetzelfde traject een fietsvergoeding ontvangt overeenkomstig artikel VII 102.".
"De in het eerste lid vermelde vergoeding wordt eveneens toegekend aan het personeelslid dat voor hetzelfde traject een fietsvergoeding ontvangt overeenkomstig artikel VII 102.".
Art. 24. L'article VII 100bis du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 mai 2009, est complété par un alinéa 3, rédigé comme suit :
" L'indemnité visée à l'alinéa 1er est également accordée au membre du personnel qui reçoit une indemnité vélo pour le même trajet conformément à l'article VII 102. ".
" L'indemnité visée à l'alinéa 1er est également accordée au membre du personnel qui reçoit une indemnité vélo pour le même trajet conformément à l'article VII 102. ".
Art. 25. Artikel VII 102, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009, 8 juni 2012 en 1 februari 2013, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. VII 102. § 1. Het personeelslid dat het volledige woon-werktraject of een gedeelte ervan van en naar de standplaats met de fiets of de speed pedelec aflegt, ontvangt een maandelijkse fietsvergoeding op basis van het aantal dagen dat hij het woon-werktraject naar de standplaats effectief aflegt.
§ 2. De vergoeding, vermeld in paragraaf 1, is gelijk aan 0,21 euro per kilometer.
§ 3. De vergoeding, vermeld in paragraaf 1, is niet verschuldigd als de afstand minder dan 1 kilometer enkele rit per dag bedraagt.
§ 4. Het personeelslid dat op ten minste 80% van het aantal dagen dat hij het woon-werktraject naar de standplaats aflegt, het hele traject of een gedeelte ervan met de fiets of de speed pedelec aflegt, heeft voor datzelfde traject geen recht op een abonnement op het openbaar vervoer als vermeld in artikel VII 95.
§ 5. Het personeelslid dat op minder dan 80% van het aantal dagen dat hij het woon-werktraject naar de standplaats aflegt, het hele traject of een deel ervan met de fiets of de speed pedelec aflegt, heeft ook recht op een abonnement op het openbaar vervoer als vermeld in artikel VII 95.
§ 6. Op straffe van verval van recht, dient het personeelslid de aanvraag van een fietsvergoeding uiterlijk in op de laatste dag van de maand die volgt op de maand waarop de fietsvergoeding betrekking heeft.".
"Art. VII 102. § 1. Het personeelslid dat het volledige woon-werktraject of een gedeelte ervan van en naar de standplaats met de fiets of de speed pedelec aflegt, ontvangt een maandelijkse fietsvergoeding op basis van het aantal dagen dat hij het woon-werktraject naar de standplaats effectief aflegt.
§ 2. De vergoeding, vermeld in paragraaf 1, is gelijk aan 0,21 euro per kilometer.
§ 3. De vergoeding, vermeld in paragraaf 1, is niet verschuldigd als de afstand minder dan 1 kilometer enkele rit per dag bedraagt.
§ 4. Het personeelslid dat op ten minste 80% van het aantal dagen dat hij het woon-werktraject naar de standplaats aflegt, het hele traject of een gedeelte ervan met de fiets of de speed pedelec aflegt, heeft voor datzelfde traject geen recht op een abonnement op het openbaar vervoer als vermeld in artikel VII 95.
§ 5. Het personeelslid dat op minder dan 80% van het aantal dagen dat hij het woon-werktraject naar de standplaats aflegt, het hele traject of een deel ervan met de fiets of de speed pedelec aflegt, heeft ook recht op een abonnement op het openbaar vervoer als vermeld in artikel VII 95.
§ 6. Op straffe van verval van recht, dient het personeelslid de aanvraag van een fietsvergoeding uiterlijk in op de laatste dag van de maand die volgt op de maand waarop de fietsvergoeding betrekking heeft.".
Art. 25. L'article VII 102 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mars 2007 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 29 mai 2009, 8 juin 2012 et 1er février 2013, est remplacé par ce qui suit :
" Art. VII 102. § 1er. Le membre du personnel qui effectue tout ou partie du déplacement domicile-travail de et vers la résidence administrative à vélo ou au speed pedelec, reçoit une indemnité vélo mensuelle sur la base du nombre de jours qu'il effectue effectivement le déplacement domicile-travail vers la résidence administrative.
§ 2. L'indemnité visée au paragraphe 1er s'élève à 0,21 euro par kilomètre.
§ 3. L'indemnité visée au paragraphe 1er n'est pas due si la distance d'un trajet simple est de moins de 1 kilomètre par jour.
§ 4. Le membre du personnel qui effectue tout ou partie du trajet à vélo ou au speed pedelec pendant au moins 80% du nombre de jours qu'il effectue le déplacement domicile-travail, n'a pas droit, pour le même trajet, à un abonnement de transport en commun tel que visé à l'article VII 95.
§ 5. Le membre du personnel qui effectue tout ou partie du trajet à vélo ou au speed pedelec pendant moins de 80% du nombre de jours qu'il effectue le déplacement domicile-travail, a également droit à un abonnement de transport en commun tel que visé à l'article VII 95.
§ 6. Sous peine de déchéance du droit, le membre du personnel introduit la demande d'une indemnité vélo au plus tard le dernier jour du mois qui suit le mois auquel l'indemnité vélo a trait. ".
" Art. VII 102. § 1er. Le membre du personnel qui effectue tout ou partie du déplacement domicile-travail de et vers la résidence administrative à vélo ou au speed pedelec, reçoit une indemnité vélo mensuelle sur la base du nombre de jours qu'il effectue effectivement le déplacement domicile-travail vers la résidence administrative.
§ 2. L'indemnité visée au paragraphe 1er s'élève à 0,21 euro par kilomètre.
§ 3. L'indemnité visée au paragraphe 1er n'est pas due si la distance d'un trajet simple est de moins de 1 kilomètre par jour.
§ 4. Le membre du personnel qui effectue tout ou partie du trajet à vélo ou au speed pedelec pendant au moins 80% du nombre de jours qu'il effectue le déplacement domicile-travail, n'a pas droit, pour le même trajet, à un abonnement de transport en commun tel que visé à l'article VII 95.
§ 5. Le membre du personnel qui effectue tout ou partie du trajet à vélo ou au speed pedelec pendant moins de 80% du nombre de jours qu'il effectue le déplacement domicile-travail, a également droit à un abonnement de transport en commun tel que visé à l'article VII 95.
§ 6. Sous peine de déchéance du droit, le membre du personnel introduit la demande d'une indemnité vélo au plus tard le dernier jour du mois qui suit le mois auquel l'indemnité vélo a trait. ".
Art. 26. In artikel VII 104 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 23 mei 2008, 8 juni 2012 en 24 juni 2016, ..., waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het derde lid worden de woorden "Voor de gehandicapte personeelsleden die recht hebben op de Vlaamse Ondersteuningspremie" vervangen door de woorden "Voor een personeelslid met een handicap of chronische ziekte";
2° er wordt een paragraaf 2 toegevoegd, die luidt als volgt:
" § 2. In geval van een ononderbroken afwezigheid van ten minste een maand wordt de tegemoetkoming opgeschort.
De opschorting van de tegemoetkoming, vermeld in het eerste lid, gaat in vanaf de ingangsdatum van de ononderbroken afwezigheid.".
1° in het derde lid worden de woorden "Voor de gehandicapte personeelsleden die recht hebben op de Vlaamse Ondersteuningspremie" vervangen door de woorden "Voor een personeelslid met een handicap of chronische ziekte";
2° er wordt een paragraaf 2 toegevoegd, die luidt als volgt:
" § 2. In geval van een ononderbroken afwezigheid van ten minste een maand wordt de tegemoetkoming opgeschort.
De opschorting van de tegemoetkoming, vermeld in het eerste lid, gaat in vanaf de ingangsdatum van de ononderbroken afwezigheid.".
Art. 26. A l'article VII 104 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mars 2007 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 23 mai 2008, 8 juin 2012 et 24 juin 2016, dont le texte actuel formera le paragraphe 1er, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 3, les mots " En ce qui concerne le membre du personnel handicapé qui a droit à une prime d'aide flamande " sont remplacés par les mots " Pour un membre du personnel souffrant d'un handicap ou d'une maladie chronique " ;
2° il est ajouté un paragraphe 2, rédigé comme suit :
" § 2. En cas d'une absence ininterrompue d'au moins un mois, l'intervention est suspendue.
La suspension de l'intervention, visée à l'alinéa 1er, prend cours à la date de début de l'absence ininterrompue. ".
1° dans l'alinéa 3, les mots " En ce qui concerne le membre du personnel handicapé qui a droit à une prime d'aide flamande " sont remplacés par les mots " Pour un membre du personnel souffrant d'un handicap ou d'une maladie chronique " ;
2° il est ajouté un paragraphe 2, rédigé comme suit :
" § 2. En cas d'une absence ininterrompue d'au moins un mois, l'intervention est suspendue.
La suspension de l'intervention, visée à l'alinéa 1er, prend cours à la date de début de l'absence ininterrompue. ".
Art. 27. In artikel VII 109novies van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 maart 2019, wordt het vierde lid vervangen door wat volgt:
"De periodes van afwezigheid door ziekteverlof, moederschapsrust, vader- of meemoederschapsverlof, geboorteverlof en de dienstvrijstelling in het kader van artikel 42 van de arbeidswet van 16 maart 1971 worden gelijkgesteld met werkelijk geleverde prestaties.".
"De periodes van afwezigheid door ziekteverlof, moederschapsrust, vader- of meemoederschapsverlof, geboorteverlof en de dienstvrijstelling in het kader van artikel 42 van de arbeidswet van 16 maart 1971 worden gelijkgesteld met werkelijk geleverde prestaties.".
Art. 27. Dans l'article VII 109novies du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 mars 2019, l'alinéa 4 est remplacé par ce qui suit :
" Les périodes d'absence pour cause de congé de maladie, repos de maternité, congé de paternité ou de co-maternité, congé de naissance et la dispense de service dans le cadre de l'article 42 de la loi sur le travail du 16 mars 1971 sont assimilées à des prestations effectivement fournies. ".
" Les périodes d'absence pour cause de congé de maladie, repos de maternité, congé de paternité ou de co-maternité, congé de naissance et la dispense de service dans le cadre de l'article 42 de la loi sur le travail du 16 mars 1971 sont assimilées à des prestations effectivement fournies. ".
Art. 28. Aan deel VII, titel 4, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007, wordt een hoofdstuk 16, dat bestaat uit artikel VII 109decies, toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Hoofdstuk 16. Kosten voor de installatie en het jaarlijkse onderhoud van een thuislaadpunt voor volledig elektrische dienstvoertuigen en dienstvoertuigen die plug-in hybrides zijn.
Art. VII.109decies. De werkgever neemt de kosten voor de installatie en het jaarlijkse onderhoud van een thuislaadpunt volledig ten laste voor het personeelslid dat met toepassing van artikel V 12bis of VII 109sexies beschikt over een volledig elektrisch dienstvoertuig of over een dienstvoertuig dat een plug-in hybride is.".
"Hoofdstuk 16. Kosten voor de installatie en het jaarlijkse onderhoud van een thuislaadpunt voor volledig elektrische dienstvoertuigen en dienstvoertuigen die plug-in hybrides zijn.
Art. VII.109decies. De werkgever neemt de kosten voor de installatie en het jaarlijkse onderhoud van een thuislaadpunt volledig ten laste voor het personeelslid dat met toepassing van artikel V 12bis of VII 109sexies beschikt over een volledig elektrisch dienstvoertuig of over een dienstvoertuig dat een plug-in hybride is.".
Art. 28. La partie VII, titre 4, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mars 2007, est complété par un chapitre 16, comprenant l'article VII 109decies, rédigé comme suit :
" Chapitre 16. Frais pour l'installation et l'entretien annuel d'une station de charge domestique pour des véhicules de service entièrement électriques et des véhicules de service hybrides rechargeables.
Art. VII.109decies. L'employeur prend entièrement à charge les frais de l'installation et de l'entretien annuel d'une station de charge domestique pour le membre du personnel qui dispose d'un véhicule de service entièrement électrique ou d'un véhicule de service hybride rechargeable en application de l'article V 12bis ou VII 109sexies. ".
" Chapitre 16. Frais pour l'installation et l'entretien annuel d'une station de charge domestique pour des véhicules de service entièrement électriques et des véhicules de service hybrides rechargeables.
Art. VII.109decies. L'employeur prend entièrement à charge les frais de l'installation et de l'entretien annuel d'une station de charge domestique pour le membre du personnel qui dispose d'un véhicule de service entièrement électrique ou d'un véhicule de service hybride rechargeable en application de l'article V 12bis ou VII 109sexies. ".
Art. 29. In artikel VII 170 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2014 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 januari 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het tweede lid wordt opgeheven;
2° in het derde lid worden de woorden "en tweede" opgeheven.
1° het tweede lid wordt opgeheven;
2° in het derde lid worden de woorden "en tweede" opgeheven.
Art. 29. A l'article VII 170 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 février 2014 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 janvier 2017, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'alinéa 2 est abrogé ;
2° dans l'alinéa 3, les mots " et 2 " sont abrogés.
1° l'alinéa 2 est abrogé ;
2° dans l'alinéa 3, les mots " et 2 " sont abrogés.
Art. 30. In artikel VII 199, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 2017, wordt tussen de woorden "van de brutojaarwedde" en het woord "ontving" de zinsnede "(verhoogd met de haard- of standplaatstoelage)" ingevoegd.
Art. 30. Dans l'article VII 199, alinéa 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 décembre 2017, le membre de phrase " (majoré de l'allocation de foyer ou de résidence) " est inséré entre les mots " du traitement annuel brut " et le mot " , continue ".
Art. 31. In artikel X 10 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007, 23 mei 2008, 29 mei 2009 en 15 december 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het vierde lid wordt punt 6° vervangen door wat volgt:
"6° pleegzorgverlof en pleegouderverlof";
2° aan het vijfde lid worden de woorden "en pleegouderverlof" toegevoegd.
1° in het vierde lid wordt punt 6° vervangen door wat volgt:
"6° pleegzorgverlof en pleegouderverlof";
2° aan het vijfde lid worden de woorden "en pleegouderverlof" toegevoegd.
Art. 31. A l'article X 10 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 16 mars 2007, 23 mai 2008, 29 mai 2009 et 15 décembre 2017, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 4, le point 6° est remplacé par ce qui suit :
" 6° congé dans le cadre du placement familial et congé parental d'accueil " ;
2° l'alinéa 5 est complété par les mots " et congé dans le cadre du placement familial ".
1° dans l'alinéa 4, le point 6° est remplacé par ce qui suit :
" 6° congé dans le cadre du placement familial et congé parental d'accueil " ;
2° l'alinéa 5 est complété par les mots " et congé dans le cadre du placement familial ".
Art. 32. In deel X van hetzelfde besluit wordt het opschrift van titel 3, vervangen door wat volgt:
"Titel 3. Moederschapsrust, opvangverlof, pleegzorgverlof en pleegouderverlof".
"Titel 3. Moederschapsrust, opvangverlof, pleegzorgverlof en pleegouderverlof".
Art. 32. Dans la partie X du même arrêté, l'intitulé du titre 3 est remplacé par ce qui suit :
" Titre 3. Congé de maternité, congé d'accueil, congé dans le cadre du placement familial et congé parental d'accueil ".
" Titre 3. Congé de maternité, congé d'accueil, congé dans le cadre du placement familial et congé parental d'accueil ".
Art. 33. In artikel X 16 van hetzelfde besluit, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het tweede lid wordt vervangen door wat volgt:
"Het opvangverlof bedraagt zes weken per personeelslid. De zes weken opvangverlof worden op de volgende wijze opgetrokken:
1° met één week vanaf 1 januari 2019;
2° met twee weken vanaf 1 januari 2021;
3° met drie weken vanaf 1 januari 2023;
4° met vier weken vanaf 1 januari 2025;
5° met vijf weken vanaf 1 januari 2027.
Indien beide ouders het kind adopteren dan worden de bijkomende weken onderling verdeeld.";
2° tussen het derde en vierde lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"De maximumduur van het opvangverlof wordt met twee weken per personeelslid verlengd bij de gelijktijdige adoptie van meerdere minderjarige kinderen.";
3° tussen het bestaande vierde en het bestaande vijfde lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"In het kader van een interlandelijke adoptie kan het opvangverlof ook de periode bestrijken die voorafgaat aan de daadwerkelijke opvang van het geadopteerde kind in België, als die voorafgaande periode niet meer bedraagt dan vier weken en ze wordt besteed aan de voorbereiding van de daadwerkelijke opvang van het kind.";
4° er wordt een achtste lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Het opvangverlof wordt aan het contractuele personeel toegekend als het contractuele personeelslid niet gebruikmaakt van de regeling voor het adoptieverlof, vermeld in de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.".
1° het tweede lid wordt vervangen door wat volgt:
"Het opvangverlof bedraagt zes weken per personeelslid. De zes weken opvangverlof worden op de volgende wijze opgetrokken:
1° met één week vanaf 1 januari 2019;
2° met twee weken vanaf 1 januari 2021;
3° met drie weken vanaf 1 januari 2023;
4° met vier weken vanaf 1 januari 2025;
5° met vijf weken vanaf 1 januari 2027.
Indien beide ouders het kind adopteren dan worden de bijkomende weken onderling verdeeld.";
2° tussen het derde en vierde lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"De maximumduur van het opvangverlof wordt met twee weken per personeelslid verlengd bij de gelijktijdige adoptie van meerdere minderjarige kinderen.";
3° tussen het bestaande vierde en het bestaande vijfde lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"In het kader van een interlandelijke adoptie kan het opvangverlof ook de periode bestrijken die voorafgaat aan de daadwerkelijke opvang van het geadopteerde kind in België, als die voorafgaande periode niet meer bedraagt dan vier weken en ze wordt besteed aan de voorbereiding van de daadwerkelijke opvang van het kind.";
4° er wordt een achtste lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Het opvangverlof wordt aan het contractuele personeel toegekend als het contractuele personeelslid niet gebruikmaakt van de regeling voor het adoptieverlof, vermeld in de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.".
Art. 33. A l'article X 16 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
" Le congé d'accueil est de six semaines par membre du personnel. Les six semaines de congé d'accueil sont augmentées comme suit :
1° d'une semaine à partir du 1er janvier 2019 ;
2° de deux semaines à partir du 1er janvier 2021 ;
3° de trois semaines à partir du 1er janvier 2023 ;
4° de quatre semaines à partir du 1er janvier 2025 ;
5° de cinq semaines à partir du 1er janvier 2027.
Si les deux parents adoptent l'enfant, les semaines supplémentaires seront réparties entre eux. " ;
2° entre les alinéas 3 et 4, il est inséré un alinéa, rédigé comme suit :
" La durée maximale du congé d'accueil est prolongée de deux semaines par membre du personnel en cas d'adoption simultanée de plusieurs enfants mineurs. " ;
3° entre l'alinéa 4 existant et l'alinéa 5 existant, il est inséré un alinéa rédigé comme suit :
" Dans le cadre d'une adoption internationale, le congé d'accueil peut également couvrir la période précédant l'accueil effectif de l'enfant adopté en Belgique, si cette période préalable ne dépasse pas quatre semaines et est utilisée pour préparer l'accueil effectif de l'enfant. " ;
4° il est ajouté un alinéa 8, rédigé comme suit :
" Le congé d'accueil est accordé au membre du personnel contractuel si le membre du personnel contractuel ne fait pas usage du règlement pour le congé d'adoption, visé à la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail. ".
1° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
" Le congé d'accueil est de six semaines par membre du personnel. Les six semaines de congé d'accueil sont augmentées comme suit :
1° d'une semaine à partir du 1er janvier 2019 ;
2° de deux semaines à partir du 1er janvier 2021 ;
3° de trois semaines à partir du 1er janvier 2023 ;
4° de quatre semaines à partir du 1er janvier 2025 ;
5° de cinq semaines à partir du 1er janvier 2027.
Si les deux parents adoptent l'enfant, les semaines supplémentaires seront réparties entre eux. " ;
2° entre les alinéas 3 et 4, il est inséré un alinéa, rédigé comme suit :
" La durée maximale du congé d'accueil est prolongée de deux semaines par membre du personnel en cas d'adoption simultanée de plusieurs enfants mineurs. " ;
3° entre l'alinéa 4 existant et l'alinéa 5 existant, il est inséré un alinéa rédigé comme suit :
" Dans le cadre d'une adoption internationale, le congé d'accueil peut également couvrir la période précédant l'accueil effectif de l'enfant adopté en Belgique, si cette période préalable ne dépasse pas quatre semaines et est utilisée pour préparer l'accueil effectif de l'enfant. " ;
4° il est ajouté un alinéa 8, rédigé comme suit :
" Le congé d'accueil est accordé au membre du personnel contractuel si le membre du personnel contractuel ne fait pas usage du règlement pour le congé d'adoption, visé à la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail. ".
Art. 34. In deel X, titel III, van hetzelfde besluit wordt het opschrift van hoofdstuk 3, vervangen door wat volgt:
"Hoofdstuk 3. Pleegzorgverlof en pleegouderverlof".
"Hoofdstuk 3. Pleegzorgverlof en pleegouderverlof".
Art. 34. Dans la partie X, titre III, du même arrêté, l'intitulé du chapitre 3 est remplacé par ce qui suit :
" Chapitre 3. Congé dans le cadre du placement familial et congé parental d'accueil ".
" Chapitre 3. Congé dans le cadre du placement familial et congé parental d'accueil ".
Art. 35. In artikel X 16bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid wordt de zin `Het pleegzorgverlof wordt gelijkgesteld met dienstactiviteit" opgeheven;
2° tussen het eerste en het tweede lid worden zes leden ingevoegd, die luiden als volgt:
"In geval van langdurige pleegzorg heeft het personeelslid dat in het kader van een langdurige pleegzorg een kind in zijn gezin opvangt, voor de zorg voor dat kind, een eenmalig recht op pleegouderverlof gedurende een aaneengesloten periode van maximaal zes weken.
Het pleegouderverlof van zes weken wordt als volgt opgetrokken:
1° met één week vanaf 1 januari 2019;
2° met twee weken vanaf uiterlijk 1 januari 2021;
3° met drie weken vanaf uiterlijk 1 januari 2023;
4° met vier weken vanaf uiterlijk 1 januari 2025;
5° met vijf weken vanaf uiterlijk 1 januari 2027.
Als beide ouders zijn aangesteld als pleegouder, dan worden de bijkomende weken onderling verdeeld.
De maximumduur van het pleegouderverlof wordt verdubbeld als het kind dat in het gezin opgenomen wordt, een handicap heeft.
De maximumduur van het pleegouderverlof wordt met twee weken per personeelslid verlengd als meerdere pleegkinderen tegelijkertijd langdurig in het gezin worden opgenomen.
In het zesde lid wordt verstaan onder langdurige pleegzorg: de pleegzorg waarvan bij het begin duidelijk is dat het kind voor minstens zes maanden in hetzelfde pleeggezin bij dezelfde pleegouders zal verblijven.";
3° het bestaande derde lid, dat het negende lid wordt, wordt vervangen door wat volgt:
"Het pleegzorgverlof en pleegouderverlof worden aan de ambtenaar op overeenkomstige wijze toegekend als aan het contractueel personeelslid op grond van de arbeidsovereenkomstenwet.".
4° er worden een tiende, elfde en twaalfde lid toegevoegd, die luiden als volgt:
"Het pleegzorgverlof en pleegouderverlof worden met dienstactiviteit gelijkgesteld.
Tijdens het pleegzorgverlof heeft een statutair personeelslid recht op 82% van het brutoloon en ontvangt het contractueel personeelslid geen salaris.
Tijdens de eerste drie dagen van het pleegouderverlof hebben het statutair en contractueel personeelslid recht op een doorbetaling van het salaris. Vanaf de vierde dag heeft een statutair personeelslid recht op 82% van het brutosalaris en ontvangt een contractueel personeelslid geen salaris.".
1° in het eerste lid wordt de zin `Het pleegzorgverlof wordt gelijkgesteld met dienstactiviteit" opgeheven;
2° tussen het eerste en het tweede lid worden zes leden ingevoegd, die luiden als volgt:
"In geval van langdurige pleegzorg heeft het personeelslid dat in het kader van een langdurige pleegzorg een kind in zijn gezin opvangt, voor de zorg voor dat kind, een eenmalig recht op pleegouderverlof gedurende een aaneengesloten periode van maximaal zes weken.
Het pleegouderverlof van zes weken wordt als volgt opgetrokken:
1° met één week vanaf 1 januari 2019;
2° met twee weken vanaf uiterlijk 1 januari 2021;
3° met drie weken vanaf uiterlijk 1 januari 2023;
4° met vier weken vanaf uiterlijk 1 januari 2025;
5° met vijf weken vanaf uiterlijk 1 januari 2027.
Als beide ouders zijn aangesteld als pleegouder, dan worden de bijkomende weken onderling verdeeld.
De maximumduur van het pleegouderverlof wordt verdubbeld als het kind dat in het gezin opgenomen wordt, een handicap heeft.
De maximumduur van het pleegouderverlof wordt met twee weken per personeelslid verlengd als meerdere pleegkinderen tegelijkertijd langdurig in het gezin worden opgenomen.
In het zesde lid wordt verstaan onder langdurige pleegzorg: de pleegzorg waarvan bij het begin duidelijk is dat het kind voor minstens zes maanden in hetzelfde pleeggezin bij dezelfde pleegouders zal verblijven.";
3° het bestaande derde lid, dat het negende lid wordt, wordt vervangen door wat volgt:
"Het pleegzorgverlof en pleegouderverlof worden aan de ambtenaar op overeenkomstige wijze toegekend als aan het contractueel personeelslid op grond van de arbeidsovereenkomstenwet.".
4° er worden een tiende, elfde en twaalfde lid toegevoegd, die luiden als volgt:
"Het pleegzorgverlof en pleegouderverlof worden met dienstactiviteit gelijkgesteld.
Tijdens het pleegzorgverlof heeft een statutair personeelslid recht op 82% van het brutoloon en ontvangt het contractueel personeelslid geen salaris.
Tijdens de eerste drie dagen van het pleegouderverlof hebben het statutair en contractueel personeelslid recht op een doorbetaling van het salaris. Vanaf de vierde dag heeft een statutair personeelslid recht op 82% van het brutosalaris en ontvangt een contractueel personeelslid geen salaris.".
Art. 35. A l'article X 16bis du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 décembre 2017, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 1er, la phrase " Le congé dans le cadre du placement familial est assimilé à une période d'activité de service. " est abrogée ;
2° entre l'alinéa 1er et l'alinéa 2, six alinéas sont insérés, rédigés comme suit :
" En cas de placement familial de longue durée, le membre du personnel qui accueille un enfant dans sa famille dans le cadre du placement familial de longue durée, a une seule fois droit à un congé parental d'accueil pendant une période consécutive de six semaines au maximum afin de prendre soin de cet enfant.
Le congé parental d'accueil de six semaines est augmenté comme suit :
1° d'une semaine à partir du 1er janvier 2019 ;
2° de deux semaines à partir du 1er janvier 2021 au plus tard ;
3° de trois semaines à partir du 1er janvier 2023 au plus tard ;
4° de quatre semaines à partir du 1er janvier 2025 au plus tard ;
5° de cinq semaines à partir du 1er janvier 2027 au plus tard.
Si les deux parents ont été désignés comme parents d'accueil, les semaines supplémentaires seront réparties entre eux.
La durée maximale du congé parental d'accueil est doublée lorsque l'enfant accueilli dans la famille est handicapé.
La durée maximale du congé parental d'accueil est prolongée de deux semaines par membre du personnel si plusieurs enfants sont placés en même temps dans la famille pendant une longue période.
Dans l'alinéa 6, on entend par placement familial de longue durée : le placement d'accueil dont il est clair dès le départ que l'enfant restera dans la même famille d'accueil avec les mêmes parents d'accueil pendant au moins six mois. " ;
3° l'alinéa 3 existant, qui devient l'alinéa 9, est remplacé par ce qui suit :
" Le congé dans le cadre du placement familial et le congé parental d'accueil sont accordés au fonctionnaire par analogie à l'octroi au membre du personnel contractuel sur la base de la loi relative aux contrats de travail. ".
4° il est ajouté un alinéa 10, 11 et 12, rédigés comme suit :
" Le congé dans le cadre du placement familial et le congé parental d'accueil sont assimilés à une période d'activité de service.
Pendant le congé dans le cadre du placement familial, un membre du personnel statutaire a droit à 82% du traitement brut et le membre du personnel contractuel ne reçoit pas de traitement.
Pendant les trois premiers jours du congé parental d'accueil, le membres du personnel statutaire et contractuel ont droit à une continuation du paiement du traitement. A partir du quatrième jour, un membre du personnel statutaire a droit à 82% du traitement brut et un membre du personnel contractuel ne reçoit pas de traitement. ".
1° dans l'alinéa 1er, la phrase " Le congé dans le cadre du placement familial est assimilé à une période d'activité de service. " est abrogée ;
2° entre l'alinéa 1er et l'alinéa 2, six alinéas sont insérés, rédigés comme suit :
" En cas de placement familial de longue durée, le membre du personnel qui accueille un enfant dans sa famille dans le cadre du placement familial de longue durée, a une seule fois droit à un congé parental d'accueil pendant une période consécutive de six semaines au maximum afin de prendre soin de cet enfant.
Le congé parental d'accueil de six semaines est augmenté comme suit :
1° d'une semaine à partir du 1er janvier 2019 ;
2° de deux semaines à partir du 1er janvier 2021 au plus tard ;
3° de trois semaines à partir du 1er janvier 2023 au plus tard ;
4° de quatre semaines à partir du 1er janvier 2025 au plus tard ;
5° de cinq semaines à partir du 1er janvier 2027 au plus tard.
Si les deux parents ont été désignés comme parents d'accueil, les semaines supplémentaires seront réparties entre eux.
La durée maximale du congé parental d'accueil est doublée lorsque l'enfant accueilli dans la famille est handicapé.
La durée maximale du congé parental d'accueil est prolongée de deux semaines par membre du personnel si plusieurs enfants sont placés en même temps dans la famille pendant une longue période.
Dans l'alinéa 6, on entend par placement familial de longue durée : le placement d'accueil dont il est clair dès le départ que l'enfant restera dans la même famille d'accueil avec les mêmes parents d'accueil pendant au moins six mois. " ;
3° l'alinéa 3 existant, qui devient l'alinéa 9, est remplacé par ce qui suit :
" Le congé dans le cadre du placement familial et le congé parental d'accueil sont accordés au fonctionnaire par analogie à l'octroi au membre du personnel contractuel sur la base de la loi relative aux contrats de travail. ".
4° il est ajouté un alinéa 10, 11 et 12, rédigés comme suit :
" Le congé dans le cadre du placement familial et le congé parental d'accueil sont assimilés à une période d'activité de service.
Pendant le congé dans le cadre du placement familial, un membre du personnel statutaire a droit à 82% du traitement brut et le membre du personnel contractuel ne reçoit pas de traitement.
Pendant les trois premiers jours du congé parental d'accueil, le membres du personnel statutaire et contractuel ont droit à une continuation du paiement du traitement. A partir du quatrième jour, un membre du personnel statutaire a droit à 82% du traitement brut et un membre du personnel contractuel ne reçoit pas de traitement. ".
Art. 36. In artikel X 44, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007, en laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 mei 2008, worden de woorden "voorzitter van een districtsraad" vervangen door het woord "districtsburgemeester".
Art. 36. Dans l'article X 44 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mars 2007, et modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 mai 2008, les mots " président d'un conseil de district " sont remplacés par les mots " bourgmestre de district ".
Art. 37. Artikel X 65, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 23 mei 2008 en 29 mei 2009 en van 26 april 2019, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. X 65. Op aanvraag van het personeelslid wordt binnen de hierna bepaalde grenzen, twee dagen per maand dienstvrijstelling verleend om de volgende politieke mandaten uit te oefenen:
1° gemeenteraadslid;
2° lid van de raad voor maatschappelijk welzijn, dat geen gemeenteraadslid is;
3° lid van het bijzonder comité voor de sociale dienst, dat geen gemeenteraadslid of lid van de raad voor maatschappelijk welzijn is;
4° lid van de districtsraad;
5° lid van de provincieraad.
De dienstvrijstelling, vermeld in het eerste lid, is niet van toepassing als het personeelslid naast een mandaat als vermeld in het eerste lid, ook een of meer van de volgende mandaten uitoefent:
1° burgemeester;
2° schepen;
3° districtsburgemeester;
4° districtsschepen;
5° voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst;
6° lid van het vast bureau van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat een andere gemeente bedient dan de gemeente Voeren of een gemeente als vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966;
7° voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat de gemeente Voeren bedient, of een gemeente als vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966;
8° gedeputeerde.".
"Art. X 65. Op aanvraag van het personeelslid wordt binnen de hierna bepaalde grenzen, twee dagen per maand dienstvrijstelling verleend om de volgende politieke mandaten uit te oefenen:
1° gemeenteraadslid;
2° lid van de raad voor maatschappelijk welzijn, dat geen gemeenteraadslid is;
3° lid van het bijzonder comité voor de sociale dienst, dat geen gemeenteraadslid of lid van de raad voor maatschappelijk welzijn is;
4° lid van de districtsraad;
5° lid van de provincieraad.
De dienstvrijstelling, vermeld in het eerste lid, is niet van toepassing als het personeelslid naast een mandaat als vermeld in het eerste lid, ook een of meer van de volgende mandaten uitoefent:
1° burgemeester;
2° schepen;
3° districtsburgemeester;
4° districtsschepen;
5° voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst;
6° lid van het vast bureau van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat een andere gemeente bedient dan de gemeente Voeren of een gemeente als vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966;
7° voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat de gemeente Voeren bedient, of een gemeente als vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966;
8° gedeputeerde.".
Art. 37. L'article X 65 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 23 mai 2008, 29 mai 2009 et 26 avril 2019, est remplacé par ce qui suit :
" Art. X 65. A la demande du membre du personnel, une dispense de service lui est accordée pendant deux jours par mois, dans les limites fixées ci-après, pour l'exercice des mandats politiques suivants :
1° conseiller communal ;
2° membre du conseil de l'aide sociale, qui n'est pas conseiller communal ;
3° membre du comité spécial du service social, qui n'est pas conseiller communal ou membre du conseil de l'aide sociale ;
4° membre du conseil de district ;
5° membre du conseil provincial.
La dispense de service, visée à l'alinéa 1er, ne s'applique pas si, en plus d'un mandat tel que visé à l'alinéa 1er, le membre du personnel exerce également un ou plusieurs des mandats suivants :
1° bourgmestre ;
2° échevin ;
3° bourgmestre de district ;
4° échevin de district ;
5° président du comité spécial du service social ;
6° membre du bureau permanent d'un centre public d'action sociale desservant une autre commune que la commune de Fourons ou une commune telle que visée à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966 ;
7° président du conseil de l'aide sociale d'un centre public d'action sociale desservant la commune de Fourons ou une commune telle que visée à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966 ;
8° député. ".
" Art. X 65. A la demande du membre du personnel, une dispense de service lui est accordée pendant deux jours par mois, dans les limites fixées ci-après, pour l'exercice des mandats politiques suivants :
1° conseiller communal ;
2° membre du conseil de l'aide sociale, qui n'est pas conseiller communal ;
3° membre du comité spécial du service social, qui n'est pas conseiller communal ou membre du conseil de l'aide sociale ;
4° membre du conseil de district ;
5° membre du conseil provincial.
La dispense de service, visée à l'alinéa 1er, ne s'applique pas si, en plus d'un mandat tel que visé à l'alinéa 1er, le membre du personnel exerce également un ou plusieurs des mandats suivants :
1° bourgmestre ;
2° échevin ;
3° bourgmestre de district ;
4° échevin de district ;
5° président du comité spécial du service social ;
6° membre du bureau permanent d'un centre public d'action sociale desservant une autre commune que la commune de Fourons ou une commune telle que visée à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966 ;
7° président du conseil de l'aide sociale d'un centre public d'action sociale desservant la commune de Fourons ou une commune telle que visée à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966 ;
8° député. ".
Art. 38. Artikel X 66 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 2019, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. X 66. Op aanvraag van het personeelslid wordt binnen de hierna bepaalde grenzen, facultatief politiek verlof toegekend om de volgende politieke mandaten uit te oefenen:
1° gemeenteraadslid, lid van de raad voor maatschappelijk welzijn dat geen lid is van de gemeenteraad, lid van het bijzonder comité voor de sociale dienst, dat geen gemeenteraadslid of lid van de raad voor maatschappelijk welzijn is of districtsraadslid:
a) in een gemeente of district tot en met 80.000 inwoners: twee dagen per maand;
b) in een gemeente of district van 80.001 of meer inwoners: vier dagen per maand;
2° schepen, voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat de gemeente Voeren bedient, of een gemeente als vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966 of districtsburgemeester:
a) in een gemeente of district tot en met 30.000 inwoners: vier dagen per maand;
b) in een gemeente of district van 30.001 tot en met 50.000 inwoners: een vierde van een voltijds ambt;
c) in een gemeente of district van 50.001 tot en met 80.000 inwoners: de helft van een voltijds ambt;
3° districtsschepen:
a) in een district tot en met 10.000 inwoners: twee dagen per maand;
b) in een district van 10.001 tot en met 20.000 inwoners: drie dagen per maand;
c) in een district van 20.001 of meer inwoners: vijf dagen per maand;
4° burgemeester:
a) in een gemeente tot en met 30.000 inwoners: een vierde van een voltijds ambt;
b) in een gemeente van 30.001 tot en met 50.000 inwoners: de helft van een voltijds ambt;
5° provincieraadslid dat geen gedeputeerde is: vier dagen per maandag.
Het politiek verlof, vermeld in het eerste lid, 1°, wordt niet toegekend als het personeelslid ook een of meer van de volgende mandaten uitoefent:
1° burgemeester;
2° schepen;
3° districtsburgemeester;
4° districtsschepen;
5° voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst;
6° lid van het vast bureau van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat een andere gemeente bedient dan de gemeente Voeren of een gemeente als vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1996;
7° voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat de gemeente Voeren bedient, of een gemeente als vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1996.".
"Art. X 66. Op aanvraag van het personeelslid wordt binnen de hierna bepaalde grenzen, facultatief politiek verlof toegekend om de volgende politieke mandaten uit te oefenen:
1° gemeenteraadslid, lid van de raad voor maatschappelijk welzijn dat geen lid is van de gemeenteraad, lid van het bijzonder comité voor de sociale dienst, dat geen gemeenteraadslid of lid van de raad voor maatschappelijk welzijn is of districtsraadslid:
a) in een gemeente of district tot en met 80.000 inwoners: twee dagen per maand;
b) in een gemeente of district van 80.001 of meer inwoners: vier dagen per maand;
2° schepen, voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat de gemeente Voeren bedient, of een gemeente als vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966 of districtsburgemeester:
a) in een gemeente of district tot en met 30.000 inwoners: vier dagen per maand;
b) in een gemeente of district van 30.001 tot en met 50.000 inwoners: een vierde van een voltijds ambt;
c) in een gemeente of district van 50.001 tot en met 80.000 inwoners: de helft van een voltijds ambt;
3° districtsschepen:
a) in een district tot en met 10.000 inwoners: twee dagen per maand;
b) in een district van 10.001 tot en met 20.000 inwoners: drie dagen per maand;
c) in een district van 20.001 of meer inwoners: vijf dagen per maand;
4° burgemeester:
a) in een gemeente tot en met 30.000 inwoners: een vierde van een voltijds ambt;
b) in een gemeente van 30.001 tot en met 50.000 inwoners: de helft van een voltijds ambt;
5° provincieraadslid dat geen gedeputeerde is: vier dagen per maandag.
Het politiek verlof, vermeld in het eerste lid, 1°, wordt niet toegekend als het personeelslid ook een of meer van de volgende mandaten uitoefent:
1° burgemeester;
2° schepen;
3° districtsburgemeester;
4° districtsschepen;
5° voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst;
6° lid van het vast bureau van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat een andere gemeente bedient dan de gemeente Voeren of een gemeente als vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1996;
7° voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat de gemeente Voeren bedient, of een gemeente als vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1996.".
Art. 38. L'article X 66 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 avril 2019, est remplacé par ce qui suit :
" Art. X 66. A la demande du membre du personnel, un congé politique facultatif lui est accordé, dans les limites fixées ci-après, pour l'exercice des mandats politiques suivants :
1° conseiller communal, membre du conseil de l'aide sociale qui n'est pas membre du conseil communal, membre du comité spécial du service social qui n'est pas conseiller communal ou membre du conseil de l'aide sociale ou membre du conseil de district :
a) dans une commune ou un district jusqu'à 80.000 habitants : deux jours par mois ;
b) dans une commune ou un district de 80.001 habitants ou plus : quatre jours par mois ;
2° échevin, président du conseil de l'aide sociale d'un centre public d'action sociale desservant la commune de Fourons, ou une commune telle que visée à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966 ou bourgmestre de district :
a) dans une commune ou un district jusqu'à 30.000 habitants : quatre jours par mois ;
b) dans une commune ou un district de 30.001 à 50.000 habitants : un quart d'une fonction à temps plein ;
c) dans une commune ou un district de 50.001 à 80.000 habitants : la moitié d'une fonction à temps plein ;
3° échevin de district :
a) dans un district jusqu'à 10.000 habitants : deux jours par mois ;
b) dans un district de 10.001 à 20.000 habitants : trois jours par mois ;
c) dans un district de 20.001 habitants ou plus : cinq jours par mois ;
4° bourgmestre :
a) dans une commune jusqu'à 30.000 habitants : un quart d'une fonction à temps plein ;
b) dans une commune de 30.001 à 50.000 habitants : la moitié d'une fonction à temps plein ;
5° conseiller provincial qui n'est pas député : quatre jours par mois.
Le congé politique visé à l'alinéa 1er, 1°, n'est pas accordé si le membre du personnel exerce également un ou plusieurs des mandats suivants :
1° bourgmestre ;
2° échevin ;
3° bourgmestre de district ;
4° échevin de district ;
5° président du comité spécial du service social ;
6° membre du bureau permanent d'un centre public d'action sociale desservant une autre commune que la commune de Fourons ou une commune telle que visée à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1996 ;
7° président du conseil de l'aide sociale d'un centre public d'action sociale desservant la commune de Fourons ou une commune telle que visée à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1996. ".
" Art. X 66. A la demande du membre du personnel, un congé politique facultatif lui est accordé, dans les limites fixées ci-après, pour l'exercice des mandats politiques suivants :
1° conseiller communal, membre du conseil de l'aide sociale qui n'est pas membre du conseil communal, membre du comité spécial du service social qui n'est pas conseiller communal ou membre du conseil de l'aide sociale ou membre du conseil de district :
a) dans une commune ou un district jusqu'à 80.000 habitants : deux jours par mois ;
b) dans une commune ou un district de 80.001 habitants ou plus : quatre jours par mois ;
2° échevin, président du conseil de l'aide sociale d'un centre public d'action sociale desservant la commune de Fourons, ou une commune telle que visée à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966 ou bourgmestre de district :
a) dans une commune ou un district jusqu'à 30.000 habitants : quatre jours par mois ;
b) dans une commune ou un district de 30.001 à 50.000 habitants : un quart d'une fonction à temps plein ;
c) dans une commune ou un district de 50.001 à 80.000 habitants : la moitié d'une fonction à temps plein ;
3° échevin de district :
a) dans un district jusqu'à 10.000 habitants : deux jours par mois ;
b) dans un district de 10.001 à 20.000 habitants : trois jours par mois ;
c) dans un district de 20.001 habitants ou plus : cinq jours par mois ;
4° bourgmestre :
a) dans une commune jusqu'à 30.000 habitants : un quart d'une fonction à temps plein ;
b) dans une commune de 30.001 à 50.000 habitants : la moitié d'une fonction à temps plein ;
5° conseiller provincial qui n'est pas député : quatre jours par mois.
Le congé politique visé à l'alinéa 1er, 1°, n'est pas accordé si le membre du personnel exerce également un ou plusieurs des mandats suivants :
1° bourgmestre ;
2° échevin ;
3° bourgmestre de district ;
4° échevin de district ;
5° président du comité spécial du service social ;
6° membre du bureau permanent d'un centre public d'action sociale desservant une autre commune que la commune de Fourons ou une commune telle que visée à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1996 ;
7° président du conseil de l'aide sociale d'un centre public d'action sociale desservant la commune de Fourons ou une commune telle que visée à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1996. ".
Art. 39. Aan artikel X 67 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 23 mei 2008 en 29 mei 2009 en van 26 april 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in punt 2° worden de woorden "of voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn van een gemeente" opgeheven;
2° tussen punt 2° en punt 3° wordt een punt 2° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"2° /1 voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat de gemeente Voeren bedient, of een gemeente als vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1996: de regeling voor schepen, vermeld in punt 2 is overeenkomstig van toepassing;".
1° in punt 2° worden de woorden "of voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn van een gemeente" opgeheven;
2° tussen punt 2° en punt 3° wordt een punt 2° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"2° /1 voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat de gemeente Voeren bedient, of een gemeente als vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1996: de regeling voor schepen, vermeld in punt 2 is overeenkomstig van toepassing;".
Art. 39. A l'article X 67 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 23 mai 2008, 29 mai 2009 et 26 avril 2019, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le point 2°, les mots " ou président du conseil d'assistance sociale d'une commune " sont abrogés ;
2° entre les points 2° et 3°, il est inséré un point 2° /1, rédigé comme suit :
" 2° /1 président du conseil de l'aide sociale d'un centre public d'action sociale desservant la commune de Fourons, ou une commune telle que visée à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1996 : le règlement pour échevin, visé au point 2°, s'applique par analogie ; ".
1° dans le point 2°, les mots " ou président du conseil d'assistance sociale d'une commune " sont abrogés ;
2° entre les points 2° et 3°, il est inséré un point 2° /1, rédigé comme suit :
" 2° /1 président du conseil de l'aide sociale d'un centre public d'action sociale desservant la commune de Fourons, ou une commune telle que visée à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1996 : le règlement pour échevin, visé au point 2°, s'applique par analogie ; ".
Art. 40. In artikel X 80, § 2, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 2019 wordt het woord "vrouwelijk" opgeheven.
Art. 40. Dans l'article X 80, § 2, du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 avril 2019, les mots " femme enceinte " sont abrogés.
Art. 41. In deel X, titel 13, van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 2017 wordt een artikel X 80bis ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. X 80bis. Een personeelslid krijgt gedurende zijn volledige loopbaan bij de diensten van de Vlaamse overheid twintig dagen dienstvrijstelling voor medische onderzoeken en psychologische begeleiding in het kader van transgenderzorg.".
"Art. X 80bis. Een personeelslid krijgt gedurende zijn volledige loopbaan bij de diensten van de Vlaamse overheid twintig dagen dienstvrijstelling voor medische onderzoeken en psychologische begeleiding in het kader van transgenderzorg.".
Art. 41. Dans la partie X, titre 13, du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 décembre 2017, il est inséré un article X 80bis, rédigé comme suit :
" Art. X.80bis. Pendant sa carrière entière auprès des services de l'Autorité flamande, un membre du personnel obtient vingt jours de dispense de service pour les examens médicaux et l'accompagnement psychologique dans le cadre des soins aux personnes transgenres. ".
" Art. X.80bis. Pendant sa carrière entière auprès des services de l'Autorité flamande, un membre du personnel obtient vingt jours de dispense de service pour les examens médicaux et l'accompagnement psychologique dans le cadre des soins aux personnes transgenres. ".
Art. 42. In deel XII van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007, 29 mei 2009, 29 april 2011, 2 december 2011 en 1 februari 2013, wordt een Hoofdstuk 1bis, dat bestaat uit artikel XII 3bis, ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Hoofdstuk 1bis Algemene overgangsbepalingen
Artikel XII 3bis. Een onderdaan van het Verenigd Koninkrijk die op de dag waarop het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig artikel 50, derde lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de Unie verlaat zonder dat een akkoord zoals vermeld in artikel 50, tweede lid, van het Verdrag is gesloten, vastbenoemd ambtenaar of ambtenaar op proef is wordt tot 31 december 2020 gelijkgesteld met een onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie.".
"Hoofdstuk 1bis Algemene overgangsbepalingen
Artikel XII 3bis. Een onderdaan van het Verenigd Koninkrijk die op de dag waarop het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig artikel 50, derde lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de Unie verlaat zonder dat een akkoord zoals vermeld in artikel 50, tweede lid, van het Verdrag is gesloten, vastbenoemd ambtenaar of ambtenaar op proef is wordt tot 31 december 2020 gelijkgesteld met een onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie.".
Art. 42. Dans la partie XII du même arrêté, modifiée par les arrêtés du Gouvernement flamand des 16 mars 2007, 29 mai 2009, 29 avril 2011, 2 décembre 2011 et 1er février 2013, il est inséré un Chapitre 1bis, comprenant l'article XII 3bis, rédigé comme suit :
" Chapitre 1bis. Dispositions transitoires générales
Art. XII.3bis. Un ressortissant du Royaume-Uni qui, le jour où le Royaume-Uni quitte l'Union conformément à l'article 50, alinéa 3, du Traité sur l'Union européenne sans avoir conclu un accord tel que visé à l'article 50, alinéa 2, du Traité, est fonctionnaire nommé à titre définitif ou fonctionnaire stagiaire, est assimilé à un ressortissant d'un Etat membre de l'Union européenne jusqu'au 31 décembre 2020. ".
" Chapitre 1bis. Dispositions transitoires générales
Art. XII.3bis. Un ressortissant du Royaume-Uni qui, le jour où le Royaume-Uni quitte l'Union conformément à l'article 50, alinéa 3, du Traité sur l'Union européenne sans avoir conclu un accord tel que visé à l'article 50, alinéa 2, du Traité, est fonctionnaire nommé à titre définitif ou fonctionnaire stagiaire, est assimilé à un ressortissant d'un Etat membre de l'Union européenne jusqu'au 31 décembre 2020. ".
Art. 43. Bijlage 4 van hetzelfde besluit, vervangen door het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2018 wordt vervangen door bijlage 1 bij dit besluit.
Art. 43. L'annexe 4 du même arrêté, remplacée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 avril 2018, est remplacée par l'annexe 1 jointe au présent arrêté.
Art. 44. Dit besluit treedt in werking op 1 oktober 2019, met uitzondering van:
1° artikel 15 dat uitwerking heeft vanaf 1 januari 2015;
2° artikel 30 dat uitwerking heeft vanaf 1 januari 2018;
3° artikelen 1, 17, 37, 38 en 39 die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2019;
4° artikel 42 dat in werking treedt op de dag waarop het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig artikel 50, derde lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de Unie verlaat zonder dat een akkoord zoals vermeld in artikel 50, tweede lid, van het Verdrag is gesloten;
5° artikelen 9, 19, 24, 31, 32, 33, 34, 35 en 25 voor wat betreft het recht op een fietsvergoeding bij gebruik van een speed pedelec, die uitwerking hebben op 1 april 2019;
6° artikel 27 dat uitwerking heeft met ingang van 1 juni 2019;
7° artikel 16 dat in werking treedt op 1 juli 2019;
8° artikel 25, met uitzondering van het recht op een fietsvergoeding bij gebruik van een speed pedelec, dat in werking treedt op 1 januari 2020.
1° artikel 15 dat uitwerking heeft vanaf 1 januari 2015;
2° artikel 30 dat uitwerking heeft vanaf 1 januari 2018;
3° artikelen 1, 17, 37, 38 en 39 die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2019;
4° artikel 42 dat in werking treedt op de dag waarop het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig artikel 50, derde lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de Unie verlaat zonder dat een akkoord zoals vermeld in artikel 50, tweede lid, van het Verdrag is gesloten;
5° artikelen 9, 19, 24, 31, 32, 33, 34, 35 en 25 voor wat betreft het recht op een fietsvergoeding bij gebruik van een speed pedelec, die uitwerking hebben op 1 april 2019;
6° artikel 27 dat uitwerking heeft met ingang van 1 juni 2019;
7° artikel 16 dat in werking treedt op 1 juli 2019;
8° artikel 25, met uitzondering van het recht op een fietsvergoeding bij gebruik van een speed pedelec, dat in werking treedt op 1 januari 2020.
Art. 44. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er octobre 2019, à l'exception :
1° de l'article 15, qui produit ses effets le 1er janvier 2015 ;
2° de l'article 30, qui produit ses effets le 1er janvier 2018 ;
3° des articles 1er, 17, 37, 38 et 39, qui produisent leurs effets le 1er janvier 2019 ;
4° de l'article 42, qui entre en vigueur le jour auquel le Royaume-Uni quitte l'Union conformément à l'article 50, alinéa 3, du Traité sur l'Union européenne sans avoir conclu un accord tel que visé à l'article 50, alinéa 2, du Traité ;
5° des articles 9, 19, 24, 31, 32, 33, 34, 35 et 25 en ce qui concerne le droit à une indemnité vélo en cas d'utilisation d'un speed pedelec, qui produisent leurs effets le 1er avril 2019 ;
6° de l'article 27, qui produit ses effets le 1er juin 2019 ;
7° de l'article 16, qui entre en vigueur le 1er juillet 2019 ;
8° de l'article 25, à l'exception du droit à une indemnité vélo en cas d'utilisation d'un speed pedelec, qui entre en vigueur le 1er janvier 2020.
1° de l'article 15, qui produit ses effets le 1er janvier 2015 ;
2° de l'article 30, qui produit ses effets le 1er janvier 2018 ;
3° des articles 1er, 17, 37, 38 et 39, qui produisent leurs effets le 1er janvier 2019 ;
4° de l'article 42, qui entre en vigueur le jour auquel le Royaume-Uni quitte l'Union conformément à l'article 50, alinéa 3, du Traité sur l'Union européenne sans avoir conclu un accord tel que visé à l'article 50, alinéa 2, du Traité ;
5° des articles 9, 19, 24, 31, 32, 33, 34, 35 et 25 en ce qui concerne le droit à une indemnité vélo en cas d'utilisation d'un speed pedelec, qui produisent leurs effets le 1er avril 2019 ;
6° de l'article 27, qui produit ses effets le 1er juin 2019 ;
7° de l'article 16, qui entre en vigueur le 1er juillet 2019 ;
8° de l'article 25, à l'exception du droit à une indemnité vélo en cas d'utilisation d'un speed pedelec, qui entre en vigueur le 1er janvier 2020.
Art. 45. De Vlaamse minister, bevoegd voor het algemeen beleid inzake personeel en organisatieontwikkeling in de Vlaamse administratie, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 45. Le Ministre flamand qui a la politique générale en matière de personnel et de développement de l'organisation dans l'administration flamande dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 15-10-2019, p. 95405)
Art. N. (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 15-10-2019, p. 95427)