Zum Hauptinhalt

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
5 APRIL 2019. - Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor voorzieningen in de jeugdhulp(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-02-2020 en tekstbijwerking tot 31-08-2023)
Titre
5 AVRIL 2019. - Arrêté du Gouvernement flamand relatif aux conditions d'agrément et aux normes de subventionnement des structures de l'aide à la jeunesse(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 28-02-2020 et mise à jour au 31-08-2023)
Dokumentinformationen
Numac: 2019013585
Datum: 2019-04-05
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2019013585
Date: 2019-04-05
Moniteur: Voir
Tekst (117)
Texte (120)
HOOFDSTUK 1.- Algemene bepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder:
   1° administrateur-generaal: het personeelslid dat belast is met de leiding van de administratie en van het fonds;
   2° [2 administratie: het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Opgroeien regie, dat is opgericht bij artikel 3 van het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Opgroeien regie;]2 3° afdeling: een gedeelte van een voorziening of van een organisatie voor bijzondere jeugdzorg dat qua vestigingsplaats, organisatie, materiële infrastructuur of pedagogisch beleid verschilt van een ander gedeelte van de voorziening of van de organisatie voor bijzondere jeugdzorg; [1 3° /1 afzondering: het verblijf van een minderjarige in een individuele afzonderingskamer die daarvoor speciaal voorzien is, of in een andere individuele ruimte, die de minderjarige niet zelfstandig kan verlaten;]1
   [1 3° /2 afzonderingskamer: een specifiek veilig ingerichte, hoog beveiligde ruimte die de minderjarige niet zelfstandig kan verlaten;]1
   4° bemiddeling: de bemiddeling, vermeld in artikel 2, 1°, van het decreet van 15 februari 2019; [4 4° /1 besluit van 5 mei 2023: het besluit van de Vlaamse Regering van 5 mei 2023 over de uitvoering van een hulpprogramma geblokkeerde ontwikkelingstrajecten;]4
   5° betrokken partij: de minderjarige, de ouders, en in voorkomend geval zijn opvoedingsverantwoordelijken, betrokken personen uit zijn leefomgeving en de betrokken jeugdhulpaanbieders;
   6° capaciteit: het aantal minderjarigen dat een erkende voorziening mag opnemen of begeleiden;
   7° centraal permanent crisismeldpunt: het centraal permanent crisismeldpunt, vermeld in artikel 44, § 2, 1°, van het decreet van 12 juli 2013;
   8° contextbegeleiding: de breedsporige ondersteuning van de minderjarige en alle relevante betrokkenen uit zijn gezins- en opvoedingsmilieu en andere belangrijke levensdomeinen;
  9° dagbegeleiding: de breedsporige ondersteuning van de minderjarige gedurende een bepaald deel van de dag in een aangepaste omgeving;
  10° decreet van 17 oktober 2003: het decreet van 17 oktober 2003 betreffende de kwaliteit van gezondheids- en welzijnsvoorzieningen;
  11° [6 decreet van 7 mei 2004: het decreet van 7 mei 2004 betreffende de rechtspositie van de minderjarige in de integrale jeugdhulp en binnen het kader van het decreet betreffende het jeugddelinquentierecht]6;
  12° decreet van [1 15 februari 2019]1: het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht;
  13° decreet van 12 juli 2013: het decreet van 12 juli 2013 betreffende integrale jeugdhulp ; [7 13° /1 decreet van 3 juni 2022: het decreet van 3 juni 2022 houdende de verplichting voor bepaalde organisaties om een uittreksel uit het strafregister als vermeld in artikel 596, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, te controleren voor bepaalde nieuwe medewerkers;]7
  14° departement Onderwijs en Vorming: het departement opgericht bij artikel 22 § 1 van het besluit van de Vlaamse regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie;
  15° erkende voorzieningen: de voorzieningen die conform de bepalingen van hoofdstuk 2 van dit besluit zijn erkend;
  16° fonds: het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Fonds Jongerenwelzijn, vermeld in artikel 54 van het decreet van 7 maart 2008;
  17° gebruiker: een gebruiker als vermeld in artikel 2, 3°, van het decreet van 17 oktober 2003;
  18° gemeenschapsdienst: de gemeenschapsdienst, vermeld in artikel 2, 3°, van het decreet van 15 februari 2019 ;
  19° gemeenschapsinstelling: een door de overheid ingerichte instelling met een gesloten aanbod, als vermeld in artikel 2, 4° van het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht; [1
  19° /1 GES+: ernstig externaliserend of internaliserend storend gedrag, in combinatie met een handicap, waarvan de impact dermate groot is dat er nood is aan continue, hoofdzakelijke residentiële ondersteuning met een semi-gesloten karakter;]1
[3
  19° /2 gezinsbegeleiding: de breedsporige ondersteuning van een gezin en alle relevante betrokkenen, met als finaliteit het verbeteren van de opvoedingscontext en van de relationele, individuele, familiale en maatschappelijke context en gericht op maatschappelijke integratie; [6
  19° /2/1 gezinshuis: een kleinschalige vorm van residentiële ondersteuning, waarbij een gezinshuisouder minderjarigen in het eigen gezin opvangt en begeleidt, die zich richt op minderjarigen met complexe problematieken die de draagkracht van het doorsneepleeggezin overstijgen]6
; [6
  19° /2/2 gezinshuisouder: een personeelslid dat bezoldigd en in voltijds dienstverband minderjarigen in het eigen gezin opvangt en begeleidt;]6

  19° /3 gezinsverblijf: gezinsbegeleiding waarbij een gezin in residentieel verband opgevangen worden;
  20° handelingsplan: een document als vermeld in artikel 58 van het decreet van 12 juli 2013, dat wordt opgemaakt door een jeugdhulpaanbieder;
  21° herstelgericht groepsoverleg: het overleg, vermeld in artikel 2, 6°, van het decreet van 15 februari 2019;
  22° inputgebieden: de organisatorisch gerichte aandachtsgebieden die betrekking hebben op de activiteiten die het mogelijk maken dat de organisatie bepaalde resultaten behaalt op het vlak van leiderschap, personeelsbeleid, beleid en strategie en middelen en partnerschappen;
  23° inrichtende macht: een openbaar bestuur of rechtspersoon die geen winst nastreeft en onder de verantwoordelijkheid waarvan een erkende voorziening functioneert;
  24° jeugdhulpaanbieders: een natuurlijke persoon of een voorziening die jeugdhulpverlening aanbiedt als vermeld in artikel 3 van het decreet van 12 juli 2013, in de vorm van rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening of niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening of beide, en het ondersteuningscentrum Jeugdzorg, vermeld in artikel 33 van het voormelde decreet;
  25° kernprocessen: de basisprocessen en -procedures volgens dewelke een organisatie haar hulpverlening vormgeeft, die bestaat uit:
  a) onthaal van de gebruiker;
  b) doelstellingen en handelingsplan;
  c) afsluiting en nazorg;
  d) pedagogisch profiel;
  e) gebruikersdossier;
  [3 25° /1 kleinschalige wooneenheid: minderjarigen die samenwonen onder flexibel toezicht en ondersteund door een begeleiding op maat, binnen een integraal begeleidingstraject;]3

  26° kwaliteitsbeleid: het kwaliteitsbeleid, vermeld in artikel 5, § 1, van het decreet van 17 oktober 2003;
  27° kwaliteitshandboek: het kwaliteitshandboek, vermeld in artikel 5, § 4, van het decreet van 17 oktober 2003;
  28° kwaliteitsmanagementsysteem: het kwaliteitsmanagementsysteem, vermeld in artikel 5, § 2, van het decreet van 17 oktober 2003;
  29° kwaliteitszorg: de kwaliteitszorg, vermeld in artikel 4 van het decreet van 17 oktober 2003;
  30° leerproject: een gestructureerd leerprogramma, als vermeld in artikel 2, 8° van het decreet van 15 februari 2019
  31° minderjarige: elke natuurlijke persoon voor wie hulpverlening wordt georganiseerd met toepassing van het decreet van 12 juli 2013;
  32° minderjarige delictpleger: een minderjarige als vermeld in artikel 2, 11°, van het decreet van 15 februari 2019;
  33° minderjarige verdachte: een minderjarige als vermeld in artikel 2, 12° van het decreet van 15 februari 2019;
  34° minister: de Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen;
  35° module: een duidelijk afgelijnde eenheid van jeugdhulpverlening, op basis van de hulpvraag. Een module wordt aangeboden door een jeugdhulpaanbieder, en is gebaseerd op één enkele typemodule, die afzonderlijk, gelijktijdig of consecutief kan worden aangeboden met andere eenheden van jeugdhulpverlening, op een manier waarbij de flexibiliteit gewaarborgd is;
  36° ondersteunende begeleiding: de breedsporige ondersteuning die zich richt op specifieke problematieken waarmee de minderjarige en zijn context in een lopend hulpverleningstraject te maken krijgen;
  37° onderwijsinspectie: de inspectie, vermeld in artikel 32 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs;
  38° opvoedingsverantwoordelijken: andere natuurlijke personen dan de ouders die de minderjarige op duurzame wijze in feite onder hun bewaring hebben of bij wie de minderjarige geplaatst is door bemiddeling of ten laste van een openbare overheid;
  39° outputgebieden: de resultaatgerichte aandachtsgebieden die betrekking hebben op de verschillende aspecten van de organisatievoering;
  40° personeelsleden: personen die, al dan niet bezoldigd en al dan niet in beroepsverband, prestaties leveren in een voorziening; [6
  40° /1 pleeggezin: een pleeggezin als vermeld in artikel 2, § 1, 45°, van het decreet van 12 juli 2013;]6

  41° positief project: een project als vermeld in artikel 2,16 ° van het decreet van 15 februari 2019.
  42° sociale dienst: de sociale dienst Jeugdrechtbank, vermeld in artikel 56, van het decreet van 12 juli 2013;
  43° toegangspoort: de toegangspoort, vermeld in artikel 17 van het decreet van 12 juli 2013;
  44° typemodule: een afgelijnde eenheid van jeugdhulpverlening die gebaseerd is op één functie of op een specifiek omschreven kernproces van hulpverlening, die deel uitmaakt van een intersectoraal opgemaakte set van typemodules en die tot doel heeft de kernopdrachten van de sectoren in eenzelfde taal te formuleren en op elkaar af te stemmen;
  45° verblijf: een aangepaste woon- en leefomgeving onder toezicht en begeleiding;
  46° vereffeningsfonds: een fonds dat minderjarige delictplegers in een bemiddelingsprocedure of binnen een herstelgericht groepsoverleg in staat stelt de mogelijkheid om schade die ze veroorzaakt hebben, te vergoeden bij het slachtoffer. Daarvoor doen ze een wederdienst naar de samenleving, in de vorm van vrijwilligerswerk;
  47° zelfevaluatie: een zelfevaluatie als vermeld in artikel 5, § 3, van het decreet van 17 oktober 2003;
  48° Zorginspectie: [5 Zorginspectie als vermeld in artikel 4, § 2, derde lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2023 over het Departement Zorg]5.
  
Article 1er. Dans le présent arrêté, on entend par :
administrateur général : le membre du personnel chargé de la direction de l'administration et du fonds ;
[2 administration : l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique " Opgroeien regie " (Grandir régie), créée par l'article 3 du décret du 30 avril 2004 portant création de l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique Grandir régie ;]2
section : une partie d'une structure ou d'une organisation d'aide spéciale à la jeunesse qui diffère, en termes de localisation, d'organisation, d'infrastructure matérielle ou de politique pédagogique, d'une autre partie de la structure ou de l'organisation d'aide spéciale à la jeunesse ;
[1 3° /1 isolement: le séjour d'un mineur dans une chambre d'isolement individuelle spécialement prévue à cet effet, ou dans un autre local individuel que le mineur ne peut quitter pas de manière autonome ;]1
[1 3° /2 chambre d'isolement : un espace spécifiquement aménagé et hautement sécurisé, que le mineur ne peut pas quitter de manière autonome;]1
médiation : la médiation, visée à l'article 2, 1°, du décret du 15 février 2019 ;
[4 4° /1 arrêté du 5 mai 2023 : l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 mai 2023 relatif à la mise en oeuvre d'un programme d'aide parcours de développement bloqués;]4
partie concernée : le mineur d'âge, les parents et le cas échéant, ses responsables de l'éducation, les personnes concernées de son entourage et les offreurs d'aide à la jeunesse concernés ;
capacité : le nombre de mineurs qu'une structure agréée peut accueillir ou accompagner ;
point central et permanent d'alerte de crise : le point central et permanent d'alerte de crise, visé à l'article 44, § 2, 1°, du décret du 12 juillet 2013 ;
accompagnement contextuel : le soutien généraliste au mineur et à tous les intéressés pertinents de son milieu familial et éducatif et d'autres domaines importants de la vie ;
accompagnement de jour : le soutien généraliste au mineur pendant une partie de la journée dans un environnement adapté ;
10° décret du 17 octobre 2003 : le décret du 17 octobre 2003 relatif à la qualité des structures de soins de santé et d'aide sociale ;
11° [6 ] décret du 7 mai 2004 : le décret du 7 mai 2004 relatif au statut du mineur dans l'aide intégrale à la jeunesse et dans le cadre du décret sur le droit en matière de délinquance juvénile ; -6;
12° décret du 15 février 2019 : le décret du 15 février 2019 sur le droit en matière de délinquance juvénile ;
13° décret du 12 juillet 2013 : le décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse ;
[7 13° /1 décret du 3 juin 2022 : le décret du 3 juin 2022 portant l'obligation pour certaines organisations de contrôler un extrait du casier judiciaire tel que visé à l'article 596, alinéa 2, du Code d'instruction criminelle, pour certains nouveaux collaborateurs ; ]7
14° Département de l'Enseignement et de la Formation : le département créé par l'article 22, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 juin 2005 relatif à l'organisation de l'Administration flamande ;
15° structures agréées : les structures qui sont agréées conformément aux dispositions du chapitre 2 du présent arrêté ;
16° fonds : l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique " Fonds Jongerenwelzijn " (Fonds d'Aide sociale aux Jeunes), visée à l'article 54 du décret du 7 mars 2008 ;
17° usager : un usager tel que visé à l'article 2, 3°, du décret du 17 octobre 2003 ;
18° service communautaire : le service communautaire, visé à l'article 2, 3°, du décret du 15 février 2019 ;
19° institution communautaire : une institution créée par les pouvoirs publics avec une offre en milieu fermé, telle que visée à l'article 2, 4° du décret du 15 février 2019 sur le droit en matière de délinquance juvénile ;
[1 19° /1 GES+ : un comportement perturbant à extériorisation ou internalisation grave, en combinaison avec un handicap, dont l'impact est tellement important qu'il y a un besoin de soutien continu, principalement de l'accompagnement au logement ayant un caractère semi-fermé ;]1
[3 19° /2 accompagnement familial : le soutien généralisé d'une famille et de tous les acteurs concernés, dont la finalité est d'améliorer le contexte éducatif et le contexte relationnel, individuel, familial et social et de favoriser l'intégration sociale ;
[6 19° /2/1 maison de famille : une forme de soutien résidentiel de petite taille, dans laquelle un parent de maison de famille accueille et accompagne des mineurs dans sa propre famille, qui se concentre sur des mineurs confrontés à des problèmes complexes qui dépassent la capacité de la famille d'accueil ordinaire]6

[6 19° /2/2 parent de maison de famille : un membre du personnel qui accueille et accompagne des mineurs dans sa propre famille, de façon rémunérée et à temps plein ; ]6
19° /3 résidence familiale : l'accompagnement familial dans le cadre duquel une famille peut être accueilli dans un contexte résidentiel ; ]3
20° plan d'action : un document tel que visé à l'article 58 du décret du 12 juillet 2013, qui est établi par un offreur d'aide à la jeunesse ;
21° concertation restauratrice en groupe : la concertation, visée à l'article 2, 6°, du décret du 15 février 2019 ;
22° domaines d'entrée : les domaines d'attention de type organisationnel, portant sur les activités qui permettent à l'organisation d'atteindre certains résultats en matière de direction, gestion du personnel, politique et stratégie, et ressources et partenariats ;
23° pouvoir organisateur : une administration publique ou une personne morale qui ne recherche pas le profit et sous la responsabilité de laquelle fonctionne une structure agréée [3 ou un projet tel que visé à l'article 70 est organisé et coordonné ]3;
24° offreurs d'aide à la jeunesse : une personne physique ou une structure qui offre de l'aide à la jeunesse, telle que visée à l'article 3 du décret du 12 juillet 2013, sous forme d'aide à la jeunesse directement accessible ou d'aide à la jeunesse non directement accessible ou de prise en charge directe ou non directe de la jeunesse ou les deux, et le centre de soutien d'Aide sociale à la Jeunesse, visé à l'article 33 du décret précité ;
25° processus essentiels : les processus et procédures de base selon lesquels une organisation concrétise son aide, et qui comprennent :
a) accueil de l'usager ;
b) objectifs et plan d'action ;
c) clôture et suivi ;
d) profil pédagogique ;
e) dossier d'usager ;
[3 25° /1 unité résidentielle de petite taille : des mineurs vivant ensemble sous une supervision flexible et soutenus par un accompagnement sur mesure, dans le cadre d'un parcours d'accompagnement intégral.]3
26° politique de qualité : la politique de qualité, visée à l'article 5, § 1er, du décret du 17 octobre 2003 ;
27° manuel de qualité : le manuel de qualité, visé à l'article 5, § 4, du décret du 17 octobre 2003 ;
28° système de gestion de la qualité : le système de gestion de la qualité, visé à l'article 5, § 2, du décret du 17 octobre 2003 ;
29° gestion de la qualité : la gestion de la qualité, visée à l'article 4 du décret du 17 octobre 2003 ;
30° projet d'apprentissage : un programme d'apprentissage structuré, tel que visé à l'article 2, 8° du décret du 15 février 2019 ;
31° mineur : toute personne physique pour laquelle une aide est organisée en application du décret du 12 juillet 2013 ;
32° délinquant mineur : un mineur tel que visé à l'article 2, 11°, du décret du 15 février 2019 ;
33° suspect mineur : un mineur tel que visé à l'article 2, 12°, du décret du 15 février 2019 ;
34° Ministre : le Ministre flamand ayant l'assistance aux personnes dans ses attributions ;
35° module : une unité de services d'aide à la jeunesse nettement délimitée, basée sur la demande d'aide. Un module est offert par un offreur d'aide à la jeunesse et est basé sur un seul module type, qui peut être offert séparément, simultanément ou consécutivement et de façon à garantir la flexibilité, avec d'autres unités d'aide à la jeunesse ;
36° accompagnement de soutien : le soutien généraliste s'axant sur des problématiques spécifiques auxquelles le mineur et son contexte doivent faire face pendant un parcours d'aide en cours ;
37° inspection de l'enseignement : l'inspection, visée à l'article 32 du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement ;
38° responsables de l'éducation : les personnes physiques autres que les parents, ayant en permanence et de fait la garde du mineur ou les personnes auprès desquelles le mineur a été placé par l'intermédiaire ou à charge d'une administration publique ;
39° domaines de sortie : les domaines d'attention axés sur le résultat, portant sur les différents aspects de la gestion organisationnelle ;
40° membres du personnel : les personnes qui, rémunérées ou non et à titre professionnel ou non, fournissent des prestations dans une structure ;
[6 40° /1 famille d'accueil : une famille d'accueil telle que visée à l'article 2, § 1er, 45°, du décret du 12 juillet 2013 ]6
41° projet positif : un projet tel que visé à l'article 2, 16 °, du décret du 15 février 2019 ;
42° service social : le Service social du Tribunal de la Jeunesse, visé à l'article 56 du décret du 12 juillet 2013 ;
43° porte d'entrée : la porte d'entrée, visée à l'article 17 du décret du 12 juillet 2013 ;
44° module type : une unité délimitée d'aide à la jeunesse, basée sur une seule fonction ou sur un processus fondamental d'aide spécifiquement décrit, qui fait partie d'une série de modules types fixée intersectoriellement et qui a pour but de formuler les missions-clés des secteurs dans une même langue et de les aligner ;
45° séjour : un cadre de vie et de logement adapté sous la surveillance et l'accompagnement ;
46° fonds de liquidation : un fonds permettant aux délinquants mineurs dans le cadre d'une procédure de médiation ou d'une concertation restauratrice en groupe, d'indemniser à la victime les dommages qu'ils ont causés. A cette fin, ils rendent un service en retour à la société, sous la forme de travail bénévole ;
47° auto-évaluation : une auto-évaluation telle que visée à l'article 5, § 3, du décret du 17 octobre 2003 ;
48° Inspection des Soins : [5 l'Inspection des Soins, telle que visée à l'article 4, § 2, alinéa 3, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 mai 2023 relatif au Département Soins ]5.
Art.2.§ 1. De erkende voorzieningen worden ingedeeld in de volgende categorieën:
  1° categorie 1: de organisaties voor bijzondere jeugdzorg;
  2° categorie 2:
   de centra voor integrale gezinszorg;
  3° categorie 3:
   de onthaal-, oriëntatie- en observatiecentra;
  4° categorie 4:
   de diensten voor crisishulp aan huis;
  5° categorie 5: de diensten voor herstelgerichte en constructieve afhandeling;
  6° categorie 6: de organisaties voor naadloze flexibele trajecten onderwijs - welzijn. [1
  7° categorie 7: de observatie- en behandelcentra;
  8° categorie 8: de centra voor ernstige gedrags- en emotionele stoornissen.]1
[2
  9° categorie 9: de centra voor kinderzorg en gezinsondersteuning]2

  § 2. De administrateur-generaal legt van elke erkende voorziening, met uitzondering van de voorzieningen van de categorie 5, voor elke typemodule waarvoor ze erkend is de capaciteit vast.
  
Art. 2. § 1er. Les structures agréées sont subdivisées en les catégories suivantes :
catégorie 1 : les organisations d'assistance spéciale à la jeunesse :
catégorie 2 : les centres d'aide intégrale aux familles ;
catégorie 3 : les centres d'accueil, d'orientation et d'observation ;
catégorie 4 : les services d'aide de crise à domicile ;
catégorie 5 : les services de traitement restaurateur et constructif ;
catégorie 6 : les organisations pour des parcours enseignement-bien-être fluides et flexibles.
[1 7° catégorie 7 : les centres d'observation et de traitement ;
catégorie 8 : les centres pour troubles sévères comportementaux et émotionnels.]1

[2 9° catégorie 9 : les centres d'aide aux enfants et d'assistance des familles ;]2
§ 2. L'administrateur général définit la capacité de chaque structure agréée, à l'exception des structures de la catégorie 5, pour chaque module type pour lequel elle est agréée.
Art.3.Een organisatie voor bijzondere jeugdzorg organiseert, al dan niet op beslissing van een jeugdrechter of een jeugdrechtbank, veranderings- en krachtgerichte hulpverlening voor al dan niet gemotiveerde minderjarigen en hun gezinnen met duidelijk gemanifesteerde problemen en noden. De hulpverlening die wordt georganiseerd door een organisatie voor bijzondere jeugdzorg heeft als finaliteit de ontwikkelings- en ontplooiingskansen van de minderjarige te vrijwaren en te versterken, en zijn maatschappelijke integratie te bevorderen. Daarbij worden zijn gezin en zijn ruimer familiaal, sociaal en professioneel netwerk betrokken. Een organisatie voor bijzondere jeugdzorg organiseert haar aanbod op basis van de typemodules verblijf voor -12-jarigen, verblijf voor +12-jarigen, verblijf voor 0-25-jarigen, [3 veilig]3 verblijf, [4 verblijf 5 dagen per week, verblijf in een gezinshuis, begeleiding en ondersteuning van een gezinshuis, ]4 contextbegeleiding kortdurend krachtgericht, contextbegeleiding laagintensief, contextbegeleiding breedsporig, contextbegeleiding kortdurend intensief, dagbegeleiding in groep, contextbegeleiding in functie van autonoom wonen basisintensiteit, contextbegeleiding in functie [1 van]1 autonoom wonen middenintensiteit, [2 begeleiding in een kleinschalige wooneenheid,]2 ondersteunende begeleiding en delictgerichte contextbegeleiding, vermeld in bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd. Een organisatie voor bijzondere jeugdzorg die erkend is om modules contextbegeleiding en modules contextbegeleiding in functie van autonoom wonen aan te bieden, kan, op basis van de reële noden van de gebruikers, zelf de verhouding tussen het effectieve aantal ingezette modules contextbegeleiding en contextbegeleiding in functie van autonoom wonen bepalen. De administrateur-generaal kan bepalen dat een organisatie voor bijzondere jeugdzorg op jaarbasis een welbepaald aantal minderjarigen die in een gemeenschapsinstelling verblijven [3 of die toegewezen zijn aan een typemodule veilig verblijf]3, moet begeleiden of opvangen. [5 De administrateur-generaal kan bepalen dat modules waarvoor aan een organisatie voor bijzondere jeugdzorg erkenning is verleend, uitsluitend ingezet kunnen worden voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingen. In het zesde lid wordt verstaan onder niet-begeleide minderjarige vreemdeling: iedere persoon die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 5 van titel XIII, hoofdstuk 6, van de programmawet (I) van 24 december 2002.]5
  
Art. 3. Une organisation d'aide spéciale à la jeunesse organise, sur décision ou non d'un juge de la jeunesse ou d'un tribunal de la jeunesse, une aide axée sur le changement et les forces pour les mineurs motivés ou non motivés et leurs familles avec des problèmes et des besoins clairement manifestés.
L'aide organisée par une organisation d'aide spéciale à la jeunesse vise à sauvegarder et à renforcer les possibilités de développement et d'épanouissement du mineur, ainsi qu'à promouvoir son intégration sociale. Sa famille et son réseau familial, social et professionnel plus large y sont associés.
Une organisation d'aide spéciale à la jeunesse organise son offre sur la base des modules types suivants : séjour pour les -12 ans, séjour pour les +12 ans, séjour pour les 0-25 ans, séjour [3 sûr]3, [4 séjour 5 jours par semaine, séjour dans une maison de famille, accompagnement et soutien d'une maison de famille ]4 accompagnement contextuel de courte durée et axé sur les forces, accompagnement contextuel de faible intensité, accompagnement contextuel généraliste, accompagnement contextuel de courte durée et intensif, accompagnement de jour en groupe, accompagnement contextuel en fonction de l'habitation autonome à intensité de base, accompagnement contextuel en fonction de l'habitation autonome à intensité moyenne, [2 accompagnement dans une unité résidentielle de petite taille, ]2 accompagnement de soutien et accompagnement contextuel axé sur les délits, visée à l'annexe 1re, jointe au présent arrêté.
Une organisation d'aide spéciale à la jeunesse agréée pour offrir des modules d'accompagnement contextuel et des modules d'accompagnement contextuel en fonction de l'habitation autonome, peut, sur la base des besoins réels des usagers, elle-même déterminer le rapport entre le nombre effectif de modules d'accompagnement contextuel et d'accompagnement contextuel en fonction de l'habitation autonome utilisés.
L'administrateur général peut décider qu'une organisation d'aide spéciale à la jeunesse doit accompagner ou accueillir, sur une base annuelle, un nombre déterminé de mineurs résidant dans une institution communautaire [3 ou qui sont affectés à un module type séjour sûr ]3.
[5 L'administrateur général peut décider que des modules pour lesquels l'agrément est accordé à une organisation d'aide spéciale à la jeunesse peuvent uniquement être utilisés pour des mineurs étrangers non accompagnés.
A l'alinéa 6, on entend par " mineur étranger non accompagné " toute personne répondant aux conditions visées à l'article 5 du titre XIII, chapitre 6, de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002.]5
Art. 4. Een centrum voor integrale gezinszorg organiseert, al dan niet op beslissing van een jeugdrechter of een jeugdrechtbank, veranderings- en krachtgerichte hulpverlening en het verblijf van ouders, al dan niet alleenstaand, en hun kinderen, en van aanstaande ouders van wie de gezinscohesie, de zorg voor de komende generatie en de maatschappelijke integratie in het gedrang komt of al verstoord is. De hulpverlening die wordt georganiseerd door een centrum voor integrale gezinszorg heeft als finaliteit het verbeteren van de opvoedingscontext en van de relationele, individuele, familiale en maatschappelijke context en is gericht op maatschappelijke integratie. Een centrum voor integrale gezinszorg wordt erkend op basis van de typemodules [1 verblijf van een gezin en gezinsbegeleiding"]1, vermeld in bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd.
  

Änderungen

Inwerkingtreding : 01-01-2022>
Art. 4. Un centre d'aide intégrale aux familles organise, sur décision ou non d'un juge de la jeunesse ou d'un tribunal de la jeunesse, une aide axée sur le changement et les forces, et le séjour de parents, isolés ou non, et de leurs enfants, et de futurs parents dont la cohésion familiale, le soin de la génération future et l'intégration sociale risquent d'être compromis ou sont déjà perturbés.
L'aide organisée par un centre d'aide intégrale aux familles vise à améliorer le contexte d'éducation et du contexte relationnel, individuel, familial et social et est axée sur l'intégration sociale.
Un centre d'aide intégrale aux familles est agréé sur la base des modules type [1 séjour d'une famille et accompagnement familial]1, visés à l'annexe 1re, jointe au présent arrêté.
Art. 5. Een onthaal-, oriëntatie- en observatiecentrum organiseert, al dan niet op beslissing van een jeugdrechter of een jeugdrechtbank, voor het ene gedeelte van zijn totale capaciteit diagnostiek als vermeld in artikel 2, § 1, 12°, van het decreet van 12 juli 2013, al dan niet gecombineerd met verblijf, en zet het andere gedeelte van zijn capaciteit in voor het hulpprogramma crisisjeugdhulpverlening als vermeld in artikel 44 van het voormelde decreet. Een onthaal-, oriëntatie- en observatiecentrum wordt erkend op basis van de typemodules handelingsgerichte diagnostiek en verblijf in het kader van diagnostiek, vermeld in bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 5. Un centre d'accueil, d'orientation et d'observation organise, sur décision ou non d'un juge de la jeunesse ou d'un tribunal de la jeunesse, pour l'une partie de sa capacité totale en matière de diagnostic, telle que visée à l'article 2, § 1er, 12°, du décret du 12 juillet 2013, en combinaison ou non avec un séjour, et engage l'autre partie de sa capacité pour le programme d'aide en matière de services d'aide à la jeunesse en situation de crise, tel que visé à l'article 44 du décret précité.
Un centre d'accueil, d'orientation et d'observation est agréé sur la base des modules types de diagnostic axé sur les actions et de séjour dans le cadre du diagnostic, visés à l'annexe 1re, jointe au présent arrêté.
Art. 6. Een dienst voor crisishulp aan huis organiseert kortdurende, intensieve, ambulante en mobiele crisishulpverlening voor minderjarigen in een acute perspectiefloze opvoedingssituatie en de gezinnen waartoe ze behoren. De hulpverlening die wordt georganiseerd door een dienst voor crisishulp aan huis heeft als finaliteit het herwinnen van een opvoedingsperspectief door in een acute opvoedingscrisis de crisis samen met de minderjarige en zijn gezin aan te pakken. Een dienst voor crisishulp aan huis wordt erkend op basis van de typemodule contextbegeleiding in functie van crisis, vermeld in bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 6. Un service d'aide de crise à domicile organise une aide de crise de courte durée, intensive, ambulatoire et mobile pour les mineurs dans une situation aiguë d'éducation sans perspective et les familles auxquelles ils appartiennent.
L'aide organisée par un service d'aide de crise à domicile vise à retrouver une perspective d'éducation en abordant la crise avec le mineur et sa famille lors d'une crise aiguë d'éducation.
Un service d'aide de crise à domicile est agréé sur la base du module type accompagnement contextuel en fonction d'une crise, visé à l'annexe 1re, jointe au présent arrêté.
Art. 7. Een dienst voor herstelgerichte en constructieve afhandeling organiseert bemiddeling, herstelgericht groepsoverleg, gemeenschapsdienst en leerprojecten voor minderjarige delictsplegers en minderjarige verdachten en ondersteunt hen bij het tot stand komen en de uitvoering van een positief project.
Art. 7. Unservice de traitement restaurateur et constructif organise la médiation, la concertation restauratrice en groupe, le service communautaire et des projets d'apprentissage pour les délinquants mineurs et des suspects mineurs, et les soutient lors de l'élaboration et de la mise en oeuvre d'un projet positif.
Art. 8. Een organisatie voor naadloze flexibele trajecten onderwijs - welzijn organiseert trajecten die preventief of curatief ingezet worden voor leerlingen bij wie schooluitval of ongekwalificeerde uitstroom dreigt vanwege pedagogische, juridische, sociale of persoonlijke redenen. Een organisatie voor naadloze flexibele trajecten onderwijs - welzijn heeft als finaliteit het versterken van secundaire onderwijsinstellingen in hun omgang met de leerlingen, vermeld in het eerste lid, of het bevorderen van de reïntegratie van die leerlingen in het onderwijs. Een traject is qua duur, methodiek en invulling afgestemd op de behoeften en leeftijd van de individuele leerling of leerlingengroep. Een naadloos flexibel traject wordt altijd doorlopen met een of meer leerlingen, met een of meer onderwijsinstellingen, of met beide. Een organisatie voor naadloze flexibele trajecten onderwijs - welzijn wordt erkend op basis van de typemodule begeleiding in functie van onderwijs-welzijnstrajecten, vermeld in bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 8. Une organisation pour des parcours enseignement-bien-être fluides et flexibles organise des parcours qui sont utilisés à titre préventif ou curatif pour les élèves qui risquent de décrocher ou de sortir de l'enseignement sans qualification pour des raisons pédagogiques, juridiques, sociales ou personnelles.
Une organisation pour des parcours enseignement-bien-être fluides et flexibles vise à renforcer les établissements d'enseignement secondaire dans leurs rapports avec les élèves, visés à l'alinéa 1er, ou à promouvoir la réinsertion de ces élèves dans l'enseignement. Un parcours est adapté, pour ce qui est de la durée, la méthodologie et la concrétisation, aux besoins et à l'âge de l'élève individuel ou du groupe d'élèves.
Un parcours enseignement-bien-être fluide et flexible est toujours parcouru avec un ou plusieurs élèves, avec un ou plusieurs établissements d'enseignement, ou avec les deux.
Une organisation pour des parcours enseignement-bien-être fluides et flexibles est agréée sur la base du module type accompagnement en fonction de parcours enseignement-bien-être, visé à l'annexe 1re, jointe au présent arrêté.
Art. 9. Een voorziening kan een aanvraag indienen om maximaal 10 % van haar erkende capaciteit flexibel of innovatief in te zetten. De aanvraag moet worden ingediend op een door de administratie ter beschikking gesteld formulier.
Art. 8/1. [1 Un centre d'observation et de traitement organise le traitement avec diagnostic intégré de mineurs qui lui sont confiés ou non sur décision d'un juge de la jeunesse ou d'un tribunal de la jeunesse et peut affecter une partie de sa capacité au diagnostic tel que visé à l'article 2, § 1er, 12°, du décret du 12 juillet 1997.
Un centre d'observation et de traitement est agréé sur la base des modules type de diagnostic manuel, de traitement avec diagnostic intégré, de séjour 7 jours par semaine, de séjour 5 jours par semaine visés à l'annexe 1re au présent arrêté.]1
Art. 8/2. [1 Een centrum voor ernstige gedrags- en emotionele stoornissen organiseert verblijf en begeleiding voor minderjarigen met een normale begaafdheid tot licht verstandelijke handicap en GES+ of met een matige of ernstige verstandelijke handicap en GES+, die hem al dan niet op beslissing van een jeugdrechter of een jeugdrechtbank toevertrouwd zijn. Een centrum voor ernstige gedrags- en emotionele stoornissen wordt erkend op basis van de typemodules verblijf in een voorziening van categorie 8, contextbegeleiding kortdurend intensief en ondersteunende begeleiding, vermeld in bijlage 1, die bij dit besluit gevoegd is.]1
  .
Art. 8/2. [1 Un centre pour troubles comportementaux et émotionnels graves organise le séjour et l'accompagnement pour les mineurs d'âge ayant une qualification normale pour un handicap mental léger et GES+ ou ayant un handicap mental modéré ou grave et GES+, qui lui sont confiés ou non sur décision d'un juge de la jeunesse ou d'un tribunal de la jeunesse.
Un centre pour troubles graves du comportement et des troubles émotionnels est agréé sur la base des modules types de séjour dans une structure de catégorie 8, accompagnement contextuel pendant une courte durée intensif et accompagnement, visé à l'annexe 1re, jointe au présent arrêté.]1
Art. 8/3. [1 Een centrum voor kinderzorg en gezinsondersteuning organiseert vroegtijdige en geïndiceerde zorg en ondersteuning voor aanstaande ouders en voor ouders met kinderen van 0 tot en met 12 jaar. De ondersteuning gebeurt op vraag van de ouders of op basis van signalen van andere actoren over opvoedingsnoden of op beslissing van een jeugdrechter of een jeugdrechtbank. De ondersteuning door een centrum voor kinderzorg en gezinsondersteuning heeft als doelstelling het stimuleren van de ontwikkelingskansen van de kinderen en het versterken van de pedagogische relatie en de pedagogische vaardigheden binnen een gezinscontext. Voor de ondersteuning, vermeld in het eerste lid, biedt een centrum voor kinderzorg en gezinsondersteuning minimaal gezinsbegeleiding aan, al dan niet in combinatie met verblijf en pedagogische training. Een centrum voor kinderzorg kan ook dagbegeleiding aanbieden als vermeld in artikel 35/1, § 1, 8°. Een centrum voor kinderzorg en gezinsondersteuning houdt bij de uitvoering van zijn opdracht rekening met de persoonskenmerken van de kinderen en de ouders, de opvoedingssituatie, de context en het bredere omgevingsnetwerk en schakelt, indien nodig, meer gespecialiseerde hulp bij. Een centrum voor kinderzorg en gezinsondersteuning wordt erkend op basis van de typemodule verblijf voor -12-jarigen en de typemodule contextbegeleiding breedsporig, vermeld in bijlage 1, en, voor wat mobiele begeleiding, training en dagbegeleiding betreft, voor begeleidingspunten als vermeld in artikel 35/1, § 4.]1
  
Art. 8/3. [1 Un centre d'aide aux enfants et d'assistance des familles organise des soins précoces et indiqués ainsi qu'un soutien aux futurs parents et aux parents d'enfants âgés de 0 à 12 ans. Le soutien est fourni à la demande des parents ou sur la base de signaux provenant d'autres acteurs concernant les besoins éducatifs ou sur la décision d'un juge de la jeunesse ou d'un tribunal de la jeunesse.
Le soutien par un centre d'aide aux enfants et d'assistance des familles a pour objectif de stimuler les chances de développement des enfants et de renforcer les relations pédagogiques et les aptitudes pédagogiques dans un contexte familial.
En ce qui concerne le soutien mentionné à l'alinéa 1er, un centre d'aide aux enfants et d'assistance des familles offre, au minimum, un accompagnement familial, combiné ou non avec une résidence et une formation pédagogique. Un centre d'aide aux enfants peut également offrir un accompagnement de jour tel que visé à l'article 35/1, § 1er, 8°.
Lors de l'accomplissement de sa mission, un centre d'aide aux enfants et d'assistance des familles prend en compte les caractéristiques personnelles des enfants et des parents, la situation pédagogique, le contexte et le réseau environnemental plus large et, si nécessaire, fait appel à une aide plus spécialisée.
Un centre d'aide aux enfants et d'assistance des familles est reconnu sur la base du module type séjour pour les -12 ans et du module type accompagnement contextuel élargi, énumérés à l'annexe 1re, et, en ce qui concerne l'accompagnement mobile, la formation et l'accompagnement de jour, pour les points d'accompagnement tels qu'énumérés à l'article 35/1, § 4.]1
Art. 9/1. [1 . Een voorziening van de categorie 9 kan, met toepassing van artikel 9, een aanvraag indienen om een deel van haar capaciteit preventief in te zetten, als aan al de volgende voorwaarden is voldaan: 1° de aanvraag speelt in op lokale noden; 2° de aanvraag vertrekt van de opdrachten en expertises van een voorziening van de categorie 9; 3° de aanvraag heeft betrekking op ondersteuning en versterking van actoren die universele diensten aanbieden en eerstelijnsactoren; 4° de aanvraag beschrijft de impact op de reguliere werking van de voorziening. ]1
  
Art. 9. Une structure peut introduire une demande pour engagement au maximum 10 % de sa capacité agréée de manière flexible ou innovatrice.
La demande doit être introduite sur un formulaire mis à disposition par l'administration.
Art. 10. Elke voorziening sluit een convenant af met de administratie. De voorzieningen van de categorie 6, sluiten een convenant af met de administratie en met het departement Onderwijs en Vorming. Dat convenant bevat:
  1° een omschrijving van het werkgebied van de voorziening;
  2° uitsluitend voor voorzieningen die met toepassing van artikel 3, vijfde lid, een welbepaald aantal minderjarigen opvangen of begeleiden die in een gemeenschapsinstelling verblijven, de wijze waarop wordt samengewerkt met de gemeenschapstelling, de sociale dienst en de toegangspoort;
  3° in voorkomend geval, de beschrijving van de manier waarop een voorziening een deel van haar capaciteit flexibel of innovatief inzet, met toepassing van artikel 9. Die beschrijving bevat:
  a) het soort en het aantal modules dat flexibel of innovatief ingezet wordt;
  b) het beoogde effect van de flexibele of innovatieve inzet;
  c) de duurtijd van de flexibele of innovatieve inzet;
  d) de opvolging van de flexibele of innovatieve inzet.
Art. 9/1. [1 Une structure de la catégorie 9 peut, en application de l'article 9, introduire une demande d'utilisation préventive d'une partie de sa capacité si toutes les conditions suivantes sont remplies :
la demande répond aux besoins locaux ;
la demande émane des missions et expertises d'une structure de la catégorie 9 ;
la demande porte sur le soutien et le renforcement des acteurs fournissant des services universels et des acteurs de première ligne ;
la demande décrit l'impact sur le fonctionnement régulier de l'installation. ]1
HOOFDSTUK 2.- Erkenningsvoorwaarden
Art. 10. Chaque structure conclut une convention avec l'administration. Les structures de la catégorie 6 concluent une convention avec l'administration et avec le Département de l'Enseignement et de la Formation. Cette convention comprend :
Afdeling 1. - Algemene erkenningsvoorwaarden
CHAPITRE 2. - Conditions d'agrément
Art.11.In dit artikel wordt verstaan onder:
   1° gemandateerde voorziening: het ondersteuningscentrum Jeugdzorg en de vertrouwenscentra kindermishandeling, vermeld in respectievelijk artikel 33 en 42 van het decreet van 12 juli 2013;
  2° jeugdhulpverleningsplan: een document dat wordt opgemaakt door de gemandateerde voorziening of de sociale dienst en waarin de doelstellingen en verwachtingen zijn opgenomen ten aanzien van de minderjarige, zijn ouders en, in voorkomend geval, zijn opvoedingsverantwoordelijken en de betrokken jeugdhulpaanbieder of jeugdhulpaanbieders. Om erkend te worden en te blijven, moet een voorziening aan al de volgende algemene erkenningsvoorwaarden voldoen:
   1° de voorziening mag uitsluitend minderjarigen opnemen en begeleiden. Die beperking is niet van toepassing op een centrum voor integrale gezinszorg voor wat de opname en begeleiding van meerderjarige ouders en meerderjarige aanstaande ouders betreft;
   2° alleen als door de individuele situatie van een minderjarige een opname of een begeleiding door de voorziening pedagogisch wenselijk is en als de materiële mogelijkheden van een voorziening die opname of begeleiding toelaten, mag een voorziening minderjarigen opnemen of begeleiden boven haar totaal erkende capaciteit. Die opname van minderjarigen boven haar totaal erkende capaciteit verleent geen aanspraak op een aanpassing van de subsidie, met uitzondering van de subsidie, vermeld in de artikel 42 en 43;
   3° alleen als het door de individuele situatie van een minderjarige pedagogisch wenselijk is, mag een voorziening een minderjarige, van wie de leeftijd en het geslacht niet in overeenstemming is met haar erkenning, opnemen of begeleiden. Een dergelijke opname of begeleiding geeft geen aanspraak op een aanpassing van de subsidie;
   4° [3 de voorziening past de verplichting van artikel 3 van het decreet van 3 juni 2022 toe]3;
  5° de voorziening maakt op basis van de gegevens waarover ze beschikt, binnen vijfenveertig dagen na de opname van de minderjarige in de voorziening of vanaf de begeleiding, een handelingsplan op met de betrokken partijen. [2 Deze verplichting is niet van toepassing voor trajecten die korter duren dan 45 dagen. ]2 Deze verplichting is niet van toepassing op de voorzieningen van de categorieën 4 tot en met 6;
   [1 Voorzieningen van categorieën 3 en 7 maken een handelingsplan op binnen negentig dagen na de opname van de minderjarige in de voorziening of vanaf de begeleiding.]1
   6° het handelingsplan, dat de leidraad vormt voor het pedagogisch handelen door de voorziening, bevat de volgende delen:
  a) de identiteit van de minderjarige en van de andere partijen die betrokken zijn bij de hulpverlening; b) de tussentijdse en concrete doelstellingen, in voorkomend geval ter uitvoering van de algemene doelstellingen die geformuleerd zijn in het jeugdhulpverleningsplan;
   c) de aandachtspunten en de klemtonen die in de hulpverlening gelegd moeten worden en waarbij de minderjarige, het gezin, de school, het werkmilieu en het bredere sociale netwerk worden betrokken;
   d) de acties die individueel aangewend zullen worden om de doelstellingen, gelet op de aandachtspunten en klemtonen, te realiseren;
  e) de afspraken over de bezoekregeling, de briefwisseling en het opvoedingsregime, rekening houdend met hetgeen in voorkomend geval werd beslist door de gemandateerde voorziening of door de jeugdrechtbank; f) de taakverdeling en de samenwerkingsafspraken tussen de betrokken partijen;
  7° [3 een kopie van het handelingsplan wordt gecommuniceerd aan de minderjarige en zijn ouders of opvoedingsverantwoordelijken, overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 7 mei 2004. In voorkomend geval wordt een kopie van het handelingsplan opgestuurd naar de gemandateerde voorziening, de jeugdrechter of de jeugdrechtbank en de sociale dienst]3;
  8° het handelingsplan kan binnen de voorziening, na evaluatie en samenspraak met de betrokken partijen, worden bijgestuurd. Die bijsturing wordt schriftelijk vastgelegd. Punt 7° is van overeenkomstige toepassing;
   9° [3 de voorziening maakt minstens om de zes maanden een evolutieverslag op, dat gecommuniceerd wordt aan de minderjarige en zijn ouders of opvoedingsverantwoordelijken, overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 7 mei 2004. In voorkomend geval wordt het evolutieverslag verstuurd naar de gemandateerde voorziening, de jeugdrechter of de jeugdrechtbank en de sociale dienst]3;
   10° de voorziening zorgt ervoor dat de minderjarigen de gelegenheid hebben om zich moreel te verdiepen en hun eventuele godsdienst te beoefenen volgens de voorschriften en de verplichtingen ervan; 11° sancties worden aangepast aan de persoonlijkheid van de minderjarige. Ze zijn er altijd op gericht de opvoeding te bevorderen en hebben geen traumatische uitwerking. Lichamelijke straffen en geestelijk geweld, alsook onthouding van maaltijden, zijn verboden;
  12° de voorziening legt over elke minderjarige en eventueel over het gezin waartoe hij behoort, een dossier aan dat alle nuttige gegevens voor de hulp- en dienstverlening bevat. In dat dossier worden de volgende gegevens en documenten opgenomen:
  a) inlichtingen van administratieve aard, met inbegrip van de stukken die ter beschikking gesteld zijn door de administratie, de toegangspoort, de gemandateerde voorziening of de jeugdrechtbank en de sociale dienst;
   b) de gegevens over de toestand van de minderjarige en het gezin waartoe hij behoort, en hun mening daarover;
   c) het handelingsplan, vermeld in punt 5°, elke bijsturing ervan, vermeld in punt 8°, en de evolutieverslagen, vermeld in 9°. Deze verplichting is niet van toepassing op de diensten voor herstelgerichte en constructieve afhandeling; 13° de voorziening bewaart het dossier van de minderjarige tot hij de volle leeftijd van vijfendertig jaar heeft bereikt. Bij het afsluiten van het dossier wordt hij hiervan op de hoogte gebracht.
  14° Zorginspectie, en, voor de voorzieningen van de categorie 6, ook de onderwijsinspectie, kan het dossier van de minderjarige uitsluitend ter plaatse inzien; 15° naast de wettelijk verplichte verzekeringen wordt een verzekering afgesloten voor:
  a) de burgerlijke aansprakelijkheid van de voorziening en van de personen die er tewerkgesteld zijn of die er verblijven; b) de burgerlijke aansprakelijkheid van elke opgenomen of begeleide minderjarige; c) de lichamelijke schade waarvan een opgenomen of begeleide minderjarige het slachtoffer kan zijn; 16° de voorziening dient jaarlijks voor 1 juni bij de administratie, en voor wat de voorzieningen van de categorie 6 betreft ook bij het departement Onderwijs, een kwaliteitsverslag in over het voorbije jaar, dat de volgende gegevens bevat:
  a) de resultaten van de zelfevaluatie;
  b) de geformuleerde verbeteracties;
  c) de wijze waarop de verbeteracties zijn uitgevoerd;
  d) de kwaliteitsplanning voor het lopende jaar;
  e) een inhoudelijk en kwantitatief activiteitenverslag over het voorgaande jaar;
  17° elke ernstige gebeurtenis wordt onverwijld en binnen achtenveertig uur gemeld aan de administratie en, in voorkomend geval, aan de gemandateerde voorziening of aan de jeugdrechtbank en de sociale dienst;
  18° de voorziening beschikt over een geschreven referentiekader voor grensoverschrijdend gedrag ten aanzien van de minderjarigen. De voorziening hanteert een procedure voor preventie van, detectie van en gepast reageren op grensoverschrijdend gedrag ten aanzien van de minderjarigen. In die procedure is een registratiesysteem opgenomen. Grensoverschrijdend gedrag ten aanzien van minderjarigen wordt onverwijld gemeld aan de administratie;
  19° de voorziening maakt gebruik van een registratiesysteem dat de administratie beschikbaar stelt.
  20° het personeel in dienst van de voorziening moet voldoen aan de voorwaarde van artikel 24 van het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Opgroeien regie. Deze bepaling is niet van toepassing op voorzieningen of afdelingen van voorzieningen die uitsluitend minderjarigen met een migratieachtergrond opnemen of begeleiden. De administratie kan nadere vormvoorwaarden bepalen voor het kwaliteitsverslag, vermeld in het tweede lid, 16°.
  
Section 1re. - Conditions générales d'agrément
Afdeling 2. - Bijzondere erkenningsvoorwaarden
Art. 11.Dans le présent article, on entend par :
Onderafdeling 1. - Organisaties voor bijzondere jeugdzorg
Section 2. -Conditions particulières d'agrément
Art. 12. Een voorziening van de categorie 1 moet aan al de volgende bijzondere voorwaarden voldoen:
   1° de voorziening vertaalt hulpverlening in cliënttrajecten, waarbij modules naadloos worden ingezet naargelang van een evoluerende hulpvraag. Naargelang van de noden in een individueel traject kunnen modules gecombineerd worden;
  2° de voorziening bekijkt op regelmatige basis of de georganiseerde hulp nog aansluit bij de noden van de betrokken personen. Als vraagverheldering resulteert in de behoefte om een traject te wijzigen, wordt het traject bijgesteld, na overleg met alle betrokken partijen en binnen de toepassing van het decreet van 12 juli 2013;
   3° in de voorziening wordt voor elke cliënt een interne regie geactiveerd, die het verloop van het traject binnen de voorziening opvolgt, alle betrokken partijen op de hoogte houdt en de naadloosheid en eenduidigheid van het traject garandeert;
  4° de voorziening coördineert op organisatieniveau het beheer van het aanbod, waardoor naadloze schakelingen in de trajecten mogelijk zijn en breukmomenten vermeden worden.
Sous-section 1ère. - Organisations d'aide spéciale à la jeunesse
Art. 13. Een voorziening van de categorie 1 die erkend is om een module verblijf aan te bieden moet, met behoud van de toepassing van artikel 12, aan al de volgende bijzondere voorwaarden voldoen:
   1° bij aanwezigheid van minderjarigen staat de voorziening en elke afdeling ervan onder toezicht;
   2° in overleg met de minderjarige en zijn ouders zorgt de voorziening ervoor dat een medisch dossier van de minderjarige wordt bijgehouden en beheerd door een arts;
   3° de voorziening voorziet in een passende medische verzorging en leeft medische voorschriften na;
   4° de voeding is evenwichtig en afwisselend;
   5° de kledij van de minderjarige is verzorgd;
   6° de voorziening houdt per minderjarige die eigen inkomsten heeft, een individuele rekening bij;
   7° de voorziening ziet toe op de naleving van de sociale wetgeving over de minderjarige;
   8° als de voorziening op de hoogte is van het bestaan van een of meer spaarrekeningen op naam van de minderjarige, worden de minderjarige en zijn de ouders of wettelijke vertegenwoordiger daarover ingelicht.
Art. 12. Une structure de la catégorie 1 doit satisfaire à toutes les conditions particulières suivantes :
la structure traduit l'aide en parcours personnalisés, les modules étant utilisés parfaitement en fonction de la demande d'aide en évolution. Suivant les besoins dans un parcours individuel, les modules peuvent être combinés ;
la structure vérifie à intervalles réguliers si l'aide organisée correspond encore aux besoins des personnes concernées. Si la clarification de la demande débouche sur le besoin d'une modification du parcours, ce parcours est adapté de concert avec toutes les parties concernées, et dans le cadre de l'application du décret du 12 juillet 2013 ;
dans la structure, il est activé pour chaque client une régie interne, qui suit le déroulement du parcours au sein de la structure, qui tient toutes les parties concernées au courant et garantit la cohérence et l'uniformité du parcours ;
la structure coordonne au niveau organisationnel la gestion de l'offre, permettant ainsi des transitions en douceur, sans rupture, dans les parcours.
Art.14. De administrateur-generaal kan een opnameplicht opleggen aan een voorziening van de categorie 1, of een afdeling ervan, die erkend is om tot uitputting van haar capaciteit uitsluitend minderjarigen vanaf twaalf jaar op te nemen, als de minderjarigen vooraf in een voorziening van de categorie 3 zijn opgenomen.
Art. 13. Une structure de la catégorie 1 qui est agréée pour offrir un module de séjour, doit satisfaire à toutes les conditions particulières suivantes, sans préjudice de l'application de l'article 12:
en présence de mineurs, la structure et chacune de ses sections sont placées sous surveillance ;
en concertation avec le mineur et ses parents, la structure veille à ce qu'un dossier médical du mineur soit tenu et géré par un médecin ;
la structure dispense les soins médicaux appropriés et se conforme à la réglementation médicale ;
l'alimentation est équilibrée et variée ;
le mineur dispose de vêtements bien entretenus ;
la structure tient un compte individuel pour chaque mineur disposant de ses propres revenus ;
la structure veille au respect de la législation sociale par rapport au mineur ;
si la structure est au courant de l'existence d'un ou de plusieurs comptes d'épargne au nom du mineur, le mineur et ses parents ou le représentant légal en sont informés.
Art. 15. Een voorziening van de categorie 1 die erkend is om de typemodule [2 veilig]2 verblijf aan te bieden, moet, met behoud van de toepassing van artikel 13, aan al de volgende bijzondere voorwaarden voldoen:
  1° [2 de voorziening neemt in de typemodule veilig verblijf uitsluitend minderjarigen op die in aanmerking komen voor het hulpprogramma geblokkeerde ontwikkelingstrajecten, vermeld in artikel 2 van het besluit van 5 mei 2023, en voor wie een vorm van geslotenheid tijdelijk noodzakelijk is voor de bescherming van de psychische of fysieke integriteit van de minderjarige]2;
  2° [2 ...]2
  3° de voorziening organiseert een permanente opvoedkundige aanwezigheid op maat van de minderjarige, die zich vertaalt in:
  a) een doorgedreven individuele begeleiding met een invulling van de intensiteit van het verblijf naargelang van de noden en de veiligheid van de minderjarige;
  b) een planmatige en op continuïteit gefocuste begeleiding met extra aandacht voor de veiligheid;
  c) leefgroepen van maximaal zes minderjarigen;
  4° de voorziening organiseert binnen een individueel handelingsplan voor elke jongere structureel extra ondersteuning, in het bijzonder op de volgende domeinen:
   a) herstel van normale gezagshiërarchieën;
   b) investeren in beschermende factoren en wegnemen van risicofactoren;
   c) agressiebeheersing en afleren van destructief gedrag;
   d) beleving van relaties en seksualiteit; e) activeren, herstellen en creëren van een positieve en ondersteunende context;
   f) inzetten op schools functioneren;
   g) sterke afstemming met medische actoren;
   h) veiligheid in al zijn facetten is een rode draad doorheen de begeleiding;
   i) werken aan re-integratie en (her)aansluiting bij de reguliere hulpverlening;
   5° de voorziening organiseert alternatieve dagbesteding bij schooluitval en aangepaste interne en externe time-outmogelijkheden;
   6° de voorziening werkt structureel samen met de volgende partners:
   a) politie;
   b) gemeenschapsinstellingen;
   c) de gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg;
   d) jeugdrechters en sociale diensten;
   e) onderwijs- en tewerkstellingsactoren;
   f) vrijetijdsactoren;
   g) partners uit de gezondheidszorg;
  7° [2 de voorziening is partner in een samenwerkingsverband om de doelstellingen van het hulpprogramma geblokkeerde ontwikkelingstrajecten te organiseren als vermeld in artikel 10 van het besluit van 5 mei 2023, en ontwikkelt, in afstemming en via regelmatige bijsturing met de andere partners van het hulpprogramma binnen het werkingsgebied, een pedagogisch beleid rond veiligheid dat is neergelegd in het huishoudelijk reglement van de voorziening en waarbij al de volgende elementen worden beschreven:
   a) de visie op relationele veiligheid;
   b) de visie op infrastructurele veiligheid die minstens de mogelijkheid tot geslotenheid omvat;
   c) de modaliteiten waaronder geslotenheid op maat en individueel gedifferentieerd wordt in het traject van de minderjarige]2
; [1
   7/1° [2 de voorziening die het noodzakelijk vindt om minderjarigen soms tijdelijk af te zonderen of andere vrijheidsbeperkende maatregelen te nemen om de veiligheid te herstellen bij acuut en ernstig gevaar of om de veiligheid te behouden bij potentieel gevaar, ter preventie van acuut en ernstig gevaar voor de minderjarigen of anderen, ent zich daarvoor volledig op de modaliteiten van het decreet van 7 mei 2004. In het huishoudelijk reglement van de voorziening worden minstens de volgende elementen beschreven:
  a) het preventiebeleid op afzondering;
  b) de infrastructurele vertaling van de afzondering;
  c) de wijze van registratie van elke afzondering;
  d) de duur van de afzondering;
  e) het toezicht op en de mogelijkheden tot contact van de minderjarige tijdens de afzondering;
  f) de opvolging van de afzondering in het ruimere pedagogisch traject van de jongere]2
:
  8° de voorziening voert een duidelijk beleid rond de veiligheid van het personeel en de minderjarigen;
  9° de voorziening zorgt voor een professionalisering door intensieve coaching, vorming en permanente ondersteuning van het personeel.
  
Art. 14. L'administrateur général peut imposer une obligation d'admission à une structure de la catégorie 1, ou à l'une de ses sections, qui est agréée pour n'accueillir que des mineurs à partir de l'âge de 12 ans, jusqu'à épuisement de sa capacité, si les mineurs ont été admis, auparavant, dans une structure de la catégorie 3.
Art. 15/1. [1 Een voorziening van de categorie 1 die erkend is om de typemodule begeleiding in een kleinschalige wooneenheid aan te bieden, voldoet aan al de volgende bijzondere voorwaarden:
  1° in een kleinschalige wooneenheid kunnen minimaal drie minderjarigen wonen, al dan niet in samenwerking met een of meer andere voorzieningen van de categorie 1 aan wie erkenning verleend is voor de typemodule begeleiding in een kleinschalige wooneenheid;
  2° de aanwezigheid en intensiteit van begeleiding wordt afgestemd op maat van de minderjarige. Daarnaast bestaat er een permanentiesysteem waarop minderjarigen een beroep kunnen doen in dringende situaties;
  3° de voorziening voert een strategie die en een beleid dat bijdraagt aan de inclusie en verbinding van de minderjarigen met de samenleving;
  4° de voorziening werkt samen met de initiatieven die de administratie neemt in het kader van gepaste instroom van minderjarigen in een kleinschalige wooneenheid. ]1

  
Art. 15. Une structure de la catégorie 1 agréée pour offrir le module type séjour [2 sûr]2 doit satisfaire à toutes les conditions particulières suivantes, sans préjudice de l'application de l'article 13 :
[2 la structure n'admet dans le module type séjour sûr que des mineurs éligibles au programme d'aide parcours de développement bloqués visés à l'article 2 de l'arrêté du 5 mai 2023, et pour lesquels une forme de maintien en milieu fermé est temporairement nécessaire à la protection de l'intégrité psychique ou physique du mineur]2 ;
[2 ...]2
la structure organise une présence éducative permanente adaptée au mineur, ce qui se traduit par :
a) un accompagnement individuel approfondi, avec une concrétisation de l'intensité du séjour en fonction des besoins et de la sécurité du mineur ;
b) un accompagnement planifié, axé sur la continuité, en accordant une attention particulière à la sécurité ;
c) des groupes de six mineurs au maximum ;
la structure organise, dans le cadre d'un plan d'action individuel, un soutien structurel supplémentaire pour chaque jeune, notamment dans les domaines suivants :
a) le rétablissement des hiérarchies normales d'autorité ;
b) l'investissement dans les facteurs de protection et l'élimination des facteurs de risque ;
c) la maîtrise de l'agression et le désapprentissage de comportements destructeurs ;
d) la perception des relations et de la sexualité ;
e) l'activation, la restauration et la création d'un contexte positif et de soutien ;
f) l'investissement dans la réussite scolaire ;
g) une coordination étroite avec les acteurs médicaux ;
h) la sécurité sous toutes ses facettes constitue un fil conducteur de l'accompagnement ;
i) la poursuite de la réintégration et de la (ré)adhésion à l'aide régulière ;
la structure organise des activités de jour alternatives en cas de décrochage scolaire et des possibilités de time-out internes et externes adaptées ;
la structure coopère structurellement avec les partenaires suivants :
a) la police ;
b) les institutions communautaires ;
c) les soins spécialisés de santé mentale ;
d) les juges de la jeunesse et les services sociaux ;
e) les acteurs de l'enseignement et de l'emploi ;
f) les acteurs de loisirs ;
g) les partenaires du secteur des soins de santé ;
[2 la structure est partenaire d'un partenariat pour organiser les objectifs du programme d'aide parcours de développement bloqués tels que visés à l'article 10 de l'arrêté du 5 mai 2023, et développe, en concertation et par des ajustements réguliers avec les autres partenaires du programme d'aide au sein de la zone d'activité, une politique pédagogique de sécurité qui est définie dans le règlement d'ordre intérieur de la structure et dans laquelle l'ensemble des éléments suivants sont décrits :
a) la vision de la sécurité relationnelle ;
b) la vision des infrastructures de sécurité, qui inclut au moins la possibilité de maintien en milieu fermé ;
c) les modalités selon lesquelles le maintien en milieu fermé est sur mesure et différencié individuellement dans le parcours du mineu]2
;
[1 7°/1 [2 la structure qui juge nécessaire de parfois isoler temporairement les mineurs ou de prendre d'autres mesures restrictives de liberté afin de rétablir la sécurité en cas de danger aigu et grave ou afin de maintenir la sécurité en cas de danger potentiel, pour prévenir un danger aigu et grave pour les mineurs ou autrui, se greffe pour ce faire entièrement sur les termes du décret du 7 mai 2004. Le règlement d'ordre intérieur de la structure décrit au moins les éléments suivants :
a) la politique de prévention de l'isolement ;
b) la traduction de l'isolement en termes d'infrastructure ;
c) le mode d'enregistrement de chaque isolement ;
d) la durée de l'isolement ;
e) la surveillance et les possibilités de contact du mineur durant l'isolement ;
f) le suivi de l'isolement dans le parcours pédagogique plus large du jeune]2
]1
;
la structure mène une politique claire en matière de sécurité du personnel et des mineurs ;
la structure assure la professionnalisation à l'aide du coaching intensif, de la formation et du soutien permanent du personnel.
Art. 15/2. [1 Een voorziening van categorie 1 die erkend is om de typemodule verblijf in een gezinshuis aan te bieden, voldoet, met behoud van de toepassing van artikel 13, aan de volgende bijzondere voorwaarden:
   1° de voorziening biedt aan de gezinshuisouder en al zijn gezinsleden een kwaliteitsvolle ondersteuning en begeleiding zodat de opvang en begeleiding in een gezinshuis daadwerkelijk inspeelt op de behoeften van de minderjarige en bijdraagt tot continuïteit in relaties, veiligheid en welzijn van alle betrokkenen;
  2° de voorziening staat in voor een correcte en passende informatieverstrekking aan gezinshuisouders over het individueel functioneren van de minderjarigen en de samenwerking met de ouders in functie van een kwaliteitsvolle handelingsplanning en evaluatie;
  3° de voorziening ondersteunt de samenwerkingsrelatie van de gezinshuisouder met de ouders en alle relevante betrokkenen uit het gezins- en opvoedingsmilieu van de minderjarige en maakt daarvoor de nodige afspraken, in voorkomend geval rekening houdend met de beslissing van de verwijzende instantie;
  4° de voorziening voorziet, al dan niet via structurele samenwerking met andere voorzieningen binnen het werkingsgebied waaraan een erkenning voor de typemodule verblijf of de typemodule verblijf in een gezinshuis is verleend, in een residentiële terugvalmogelijkheid voor de minderjarigen die in een gezinshuis verblijven;
   5° de voorziening werkt, minimaal rond de volgende opdrachten, structureel samen met de dienst voor pleegzorg uit het werkingsgebied en ook met andere voorzieningen uit het werkingsgebied waaraan een erkenning voor de typemodule verblijf in een gezinshuis is verleend:
   a) haar gezinshuis of gezinshuizen bekendmaken;
   b) gezinshuisouders werven en screenen aan de hand van de bijzondere voorwaarden, vermeld in paragraaf 3;
  c) minderjarigen naar een gezinshuis oriënteren;
  d) vorming voor gezinshuisouders organiseren;
  e) professionaliserings-, uitwisselings- en intervisiemogelijkheden voor gezinshuisouders organiseren. In het eerste lid, 5°, wordt verstaan onder dienst voor pleegzorg: de dienst voor pleegzorg, vermeld in artikel 7 van het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg.
  § 2. Een gezinshuis voldoet aan de volgende bijzondere voorwaarden:
  1° in een gezinshuis worden maximaal zes minderjarigen begeleid en opgevangen, met inbegrip van eigen kinderen en pleegkinderen. Per bezoldigde gezinshuisouder worden maximaal drie minderjarigen begeleid en opgevangen. Voormelde beperkingen gelden niet voor broers of zussen. De administrateur-generaal kan afwijkingen toestaan van het maximale aantal minderjarigen per gezinshuis en per gezinshuisouder na een gemotiveerde schriftelijke aanvraag van de moederorganisatie;
  2° een gezinshuis werkt aantoonbaar volgens de volgende principes:
  a) er wordt een positief en ondersteunend gezinsklimaat aangeboden waarin alle minderjarigen onvoorwaardelijk en evenwaardig ondersteund worden;
  b) er wordt structuur en continuïteit aangeboden, met weloverwogen regels en afspraken en met het oog op zo weinig mogelijk repressie;
  c) de ouders en andere relevante betrokkenen uit het gezins- en opvoedingsmilieu van de minderjarige worden betrokken bij het dagelijks leven van het gezinshuis;
  d) er wordt samengewerkt met actoren die universele diensten en activiteiten aanbieden en met eerstelijnsactoren en vrijetijdsactoren in de buurt om het gewone leven binnen te brengen in de bijzondere situatie van de plaatsing;
  e) vanuit het dagelijkse leven wordt in voorkomend geval bij specifieke zorgbehoeften bijgeschakeld naar een meer gespecialiseerd aanbod;
  3° alle meerderjarige gezinsleden van een gezinshuis voldoen aan de verplichting, vermeld in artikel 3 van het decreet van 3 juni 2022.
  § 3. Een gezinshuisouder voldoet aan de volgende bijzondere voorwaarden:
  1° een gezinshuisouder beschikt over een menswetenschappelijk diploma, minimaal van bachelorniveau, of kan aantonen over voldoende relevante competenties te beschikken om op dat niveau te functioneren; 2° een gezinshuisouder wordt geselecteerd op basis van een onderbouwd screeningsproces, waarbij rekening gehouden wordt met al de volgende elementen:
   a) de pedagogische draagkracht om de opgevangen minderjarigen een stabiel leefklimaat te bieden;
  b) de materiële mogelijkheden;
  c) de nodige competenties en persoonlijkheidskenmerken om adequaat om te gaan met complexe opvoedingssituaties in een gezinshuis;
   d) de gezinssituatie en sociale context van het gezin. Bij de toetsing van de kenmerken van een minderjarige aan het profiel van de gezinshuisouder en zijn gezin wordt in voorkomend geval rekening gehouden met bevindingen uit voorgaande hulpverlening. Ook waakt de voorziening erover dat de ideologische, filosofische en godsdienstige overtuiging van de minderjarige en het gezin van oorsprong gerespecteerd worden.]1

  
Art. 15/1. [1 Une structure de la catégorie 1 qui est agréée pour offrir le module type accompagnement dans unité résidentielle de petite taille doit satisfaire à toutes les conditions particulières suivantes :
une unité résidentielle de petite taille peut accueillir au moins trois mineurs, en coopération ou non avec une ou plusieurs autres structures de la catégorie 1, auxquelles l'agrément a été accordé pour le module type accompagnement dans une unité résidentielle de petite taille ;
la présence et l'intensité de l'accompagnement sont adaptées aux besoins du mineur. En outre, il existe un système de permanence auquel les mineurs peuvent faire appel en cas d'urgence ;
la structure mène une stratégie et une politique contribuant à l'inclusion et à la connexion des mineurs à la société ;
la structure collabore avec les initiatives prises par l'administration dans le cadre de l'afflux adéquat de mineurs dans une unité résidentielle de petite taille. ]1
Art. 16. Een voorziening van de categorie 1 die erkend is om de typemodule delictgerichte contextbegeleiding aan te bieden, moet aan al de volgende bijzondere voorwaarden voldoen:
  1° de voorziening zet de typemodule alleen in voor minderjarige delictplegers of minderjarige verdachten;
  2° de voorziening gebruikt onderbouwde methodieken die de criminogene noden van de minderjarige centraal stellen en die responsief en contextgericht zijn. [1
  3° de voorziening stelt een verslag op over de uitvoering van de delictgerichte contextbegeleiding overeenkomstig het decreet van 15 februari 2019 en zijn uitvoeringsbesluiten, en stuurt dat verslag naar de minderjarige verdachte of delictpleger, zijn ouders of opvoedingsverantwoordelijke, de jeugdrechter of de jeugdrechtbank, en de sociale dienst. Het verslag wordt besproken met de ouders of, in voorkomend geval, de opvoedingsverantwoordelijken van de minderjarige verdachte of de minderjarige delictpleger. Die personen worden ertoe uitgenodigd om hun bedenkingen te formuleren, die bij het verslag worden gevoegd.]1

  
Art. 15/2. [1 § 1er. Une structure de la catégorie 1 qui est agréée pour offrir le module type séjour dans une maison de famille doit satisfaire aux conditions particulières suivantes, sans préjudice de l'application de l'article 13 :
la structure propose au parent de maison de famille et à tous les membres de sa famille un soutien et un accompagnement de qualité de façon à ce que l'accueil et l'accompagnement au sein d'une maison de famille répondent véritablement aux besoins du mineur et contribue à une continuité dans les relations, à la sécurité et au bien-être de toutes les personnes concernées ;
la structure veille à fournir des informations correctes et appropriées aux parents de maison de famille concernant le fonctionnement individuel des mineurs et la collaboration avec les parents en fonction d'une planification des actions et d'une évaluation de qualité ;
la structure soutient la relation de collaboration du parent de maison de famille avec les parents et toutes les autres personnes concernées de l'environnement familial et éducatif du mineur et conclut à cet effet les accords nécessaires, le cas échéant en tenant compte de la décision de l'instance de renvoi ;
la structure prévoit, que ce soit ou non via une collaboration structurelle avec d'autres structures au sein de la zone d'action à laquelle un agrément pour le module type séjour ou le module type séjour dans une maison de famille a été accordé, une solution de repli résidentielle pour les mineurs séjournant dans une maison de famille ;
la structure collabore de manière structurelle, au minimum concernant les missions suivantes, avec le service de placement familial de la zone d'action et aussi avec d'autres structures de la zone d'action auxquelles un agrément pour le module type séjour dans une maison de famille a été accordé :
a) faire connaître sa ou ses maisons de famille ;
b) recruter et screener les parents de maisons de famille sur la base des conditions particulières visées au paragraphe 3 ;
c) orienter des mineurs vers une maison de famille ;
d) organiser la formation pour les parents de maisons de famille ;
e) organiser des possibilités de professionnalisation, d'échange et d'intervision pour les parents de maisons de famille.
A l'alinéa 1er, 5°, on entend par " service de placement familial " le service de placement familial visé à l'article 7 du décret du 29 juin 2012 portant organisation du placement familial.
§ 2. Une maison de famille satisfait aux conditions particulières suivantes :
dans une maison de famille, six mineurs au maximum sont accompagnés et accueillis, en ce compris les propres enfants et enfants placés. Trois mineurs au maximum sont accompagnés et accueillis par parent de maison de famille rémunéré. Les restrictions susmentionnées ne s'appliquent pas aux frères et soeurs. L'administrateur général peut accorder des dérogations au nombre maximum de mineurs par maison de famille et par parent de maison de famille après une demande écrite motivée de l'organisation mère ;
une maison de famille fonctionne visiblement selon les principes suivants :
a) un environnement familial positif et favorable est proposé dans lequel tous les mineurs sont soutenus de manière inconditionnelle et égale ;
b) une structure et une continuité sont offertes, avec des règles et des accords mûrement réfléchis et dans le but de réduire au maximum la répression ;
c) les parents et autres acteurs concernés du milieu familial et éducatif du mineur sont impliqués dans la vie quotidienne de la maison de famille ;
d) il y a une collaboration avec des opérateurs proposant des services et activités universels et avec des acteurs de la première ligne et du secteur récréatif à proximité afin d'introduire la vie ordinaire dans la situation particulière du placement ;
e) à partir de la vie quotidienne, une offre plus spécialisée est le cas échéant activée en cas de besoins de soins spécifiques ;
tous les membres de la famille majeurs d'une maison de famille répondent à l'obligation visée à l'article 3 du décret du 3 juin 2022.
§ 3. Un parent de maison de famille satisfait aux conditions particulières suivantes :
un parent de maison de famille est au minimum titulaire d'un diplôme en sciences humaines de niveau bachelier, ou peut démontrer qu'il dispose de compétences pertinentes suffisantes pour fonctionner à ce niveau ;
un parent de maison de famille est sélectionné sur la base d'un processus de screening étayé, tenant compte de l'ensemble des éléments suivants :
a) la capacité pédagogique d'offrir aux mineurs accueillis un cadre de vie stable ;
b) les capacités matérielles ;
c) les compétences et caractéristiques personnelles nécessaires afin de gérer de manière adéquate les situations éducatives compliquées dans une maison de famille ;
d) la situation familiale et le contexte social de la famille.
Lors de la confrontation des caractéristiques d'un mineur au profil du parent de maison de famille et de sa famille, on tient, le cas échéant, compte de constatations faites lors de prestations de service antérieures. La structure veille aussi à ce que les convictions idéologiques, philosophiques et religieuses du mineur et de sa famille d'origine soient respectées. ]1
Onderafdeling 2. - Centra voor integrale gezinszorg
Art. 16.Une structure de la catégorie 1 qui est agréée pour offrir le module type accompagnement contextuel axé sur les délits doit satisfaire à toutes les conditions particulières suivantes :
Art.17. Een voorziening van de categorie 2 moet aan al de volgende bijzondere voorwaarde voldoen: 1° de voorwaarden, vermeld in artikel 12 en 13; 2° de voorziening vordert voor elke verblijfsdag een financiële bijdrage van de ouder of de aanstaande ouder die in de voorziening verblijft, als deelname in de kosten voor het gebruik van een ingerichte kamer of studio, gemeenschappelijke ruimtes, sanitair en kookfaciliteiten.
Sous-section 2. - Centres d'aide intégrale aux familles
Art. 18. De bijdrage, vermeld in artikel 17, 2°, wordt bepaald op basis van het actuele maandinkomen van de ouders of de aanstaande ouders. Als beide ouders van een gezin in de voorziening verblijven, wordt het gezamenlijke actuele maandinkomen in aanmerking genomen. De bijdrage bedraagt 25 % van het leefloon dat de ouders of de aanstaande ouders ontvangen of dat ze zouden ontvangen, als ze niet over andere inkomsten beschikken. Als de ouders of de aanstaande ouders een eigen inkomen hebben, wordt de bijdrage verhoogd met 15 % van het gedeelte van het inkomen dat het leefloon overstijgt. De minister kan een lijst opstellen met de eigen inkomsten die mee in rekening genomen zullen worden voor het berekenen van het inkomen. De voorziening expliciteert de modaliteiten van de bijdrage in een huishoudelijk reglement en transparante procedures, die aan de gebruikers worden gecommuniceerd. Als opgenomen personen weigeren om de bewijsstukken voor te leggen die nodig zijn om de bijdrage te bepalen, kan de voorziening zelf de gepaste bijdrage bepalen.
Art. 17. Une structure de la catégorie 2 doit satisfaire à toutes les conditions particulières suivantes :
les conditions, visées aux articles 12 et 13 ;
pour chaque jour de séjour, la structure demande une contribution financière du parent ou du futur parent résidant dans la structure, à titre de participation aux frais d'utilisation d'une chambre ou d'un studio aménagé, des espaces communs, des sanitaires et des équipements de cuisine.
Onderafdeling 3. - Onthaal-, oriëntatie- en observatiecentra
Art. 18. La contribution, visée à l'article 17, 2°, est arrêtée sur la base du revenu mensuel actuel des parents ou des futurs parents. Lorsque les deux parents d'une famille résident dans la structure, le revenu mensuel actuel commun est pris en compte.
Art.19.Een voorziening van de categorie 3 moet aan al de volgende bijzondere voorwaarden voldoen:
  1° de voorziening voldoet aan al de voorwaarden, vermeld in artikel 12 en 13;
  2° de voorziening voert diagnostiek in residentieel of mobiel verband uit, overeenkomstig de beslissing van de verwijzende instantie;
  3° de voorziening hanteert actuele en wetenschappelijk onderbouwde instrumenten om haar diagnostische opdracht uit te voeren;
   4° het team dat belast is met de diagnostiek van de minderjarigen, is multidisciplinair samengesteld en bestaat minimaal uit een master in de psychologische of pedagogische wetenschappen en een bachelor in het sociaal werk;
   5° [1 de voorziening die het noodzakelijk vindt om minderjarigen soms tijdelijk af te zonderen of andere vrijheidsbeperkende maatregelen te nemen, om hun eigen veiligheid, de veiligheid van andere minderjarigen of die van het personeel te verzekeren, beschikt daarvoor over een huishoudelijk reglement. Het huishoudelijk reglement wordt bij de opname bekendgemaakt aan de betrokken partijen. In het huishoudelijk reglement worden minstens de volgende elementen beschreven:
   a) de inrichting van de afzonderingskamer;
   b) de wijze van registratie van elke afzondering;
   c) de duur van de afzondering;
   d) het toezicht op en de mogelijkheden tot contact van de minderjarige in kwestie;]1
6° elke minderjarige [1 die in residentieel verband wordt opgevangen]1 wordt na zijn opname in de voorziening medisch onderzocht. [2
   7° de oriëntatie- en observatieverslagen bevatten een oriëntatievoorstel en een leidraad voor begeleiding of behandeling. Die verslagen worden bij afsluiten van de diagnostische opdracht [3 aan de minderjarige en zijn ouders of opvoedingsverantwoordelijken gecommuniceerd, overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 7 mei 2004 en]3 bezorgd, in voorkomend geval, aan de gemandateerde voorziening, de toegangspoort, de jeugdrechter of de jeugdrechtbank en de sociale dienst. Het handelingsplan kan geïntegreerd worden in het oriëntatie- en observatieverslag.]2

  
Sous-section 3. - Centres d'accueil, d'orientation et d'observation
Onderafdeling 4. - Diensten voor crisishulp aan huis
Art. 19.Une structure de la catégorie 3 doit satisfaire à toutes les conditions particulières suivantes :
Art.20. Een voorziening van de categorie 4 begeleidt uitsluitend minderjarigen en hun gezinnen die doorverwezen worden door een centraal permanent crisismeldpunt.
Sous-section 4. - Services d'aide de crise à domicile
Onderafdeling 5. - Diensten voor herstelgerichte en constructieve afhandeling
Art. 20. Une structure de la catégorie 4 n'accompagne que des mineurs et leurs familles qui sont renvoyés par un point central et permanent d'alerte de crise.
Art. 21. Een voorziening van de categorie 5 moet voldoen aan al de volgende bijzondere voorwaarden:
  1° de voorziening betrekt in de uitvoering van haar opdracht de slachtoffers, de ouders of, in voorkomend geval, de opvoedingsverantwoordelijken en, als dat aangewezen is, de ruimere omgeving van het familiale, sociale en professionele netwerk van de minderjarige verdachte of de minderjarige delictpleger; 2° de voorziening organiseert in haar werkgebied een samenwerkingsverband met de actoren die betrokken zijn bij de uitvoering van haar opdracht.
Sous-section 5. - Services de traitement restaurateur et constructif
Art. 22. Voor de uitvoering van bemiddeling en herstelgericht groepsoverleg moet een voorziening van de categorie 5 voldoen aan al de volgende aanvullende voorwaarden:
   1° in het kader van de bemiddeling die is voorgesteld door de procureur des Konings, moet de voorziening:
  a) contact opnemen met de betrokken personen als die zelf nog geen enkel initiatief genomen hebben ten aanzien van de voorziening binnen 10 kalenderdagen na de ontvangst van het afschrift van het schriftelijke voorstel van de procureur des Konings;
   b) zich gedurende de gehele bemiddeling verzekeren van de uitdrukkelijke en onvoorwaardelijke instemming van de personen die eraan deelnemen;
   c) de procureur des Konings inlichten zodra blijkt dat bemiddeling niet of niet langer mogelijk is, onmiddellijk en uiterlijk binnen twee maanden. In dat geval richt de voorziening een bondig verslag tot de procureur des Konings, dat een van de volgende vermeldingen bevat:
  1) de bemiddeling heeft geen aanvang genomen omdat minstens een van de betrokken personen niet werd bereikt;
   2) de bemiddeling heeft geen aanvang genomen omdat minstens een van de betrokken personen niet wil dat de bemiddeling een aanvang neemt;
  3) de bemiddeling heeft geen aanvang genomen omdat de betrokken personen al een akkoord hebben of het slachtoffer geen eisen meer formuleert;
  4) de bemiddeling heeft geen aanvang genomen omdat een van de voorwaarden voor een bemiddeling niet meer is vervuld;
  5) de bemiddeling heeft geen resultaat opgeleverd. In dat geval vermeldt het verslag de naam van de betrokken personen die gecontacteerd werden, met de informatie dat tussen hen geen overeenkomst werd bereikt, en elke andere informatie waarvan de mededeling voor akkoord getekend werd door alle partijen; d) binnen twee maanden na haar aanwijzing door de procureur des Konings, een bondig verslag richten aan de procureur des Konings over de voortgang van de bemiddeling . Dat verslag verduidelijkt dat de bemiddeling een aanvang genomen heeft, maar nog niet afgerond is. De informatie die schade kan berokkenen aan de minderjarige verdachte of aan het slachtoffer, wordt niet opgenomen;
   e) als de bemiddeling afgerond wordt, het akkoord dat is ondertekend door de betrokken personen, bezorgen aan de procureur des Konings, opdat die het zou goedkeuren;
   een verslag opstellen over de uitvoering van het akkoord en dat richten aan de procureur des Konings. Het verslag wordt besproken met de ouders of, in voorkomend geval, met de opvoedingsverantwoordelijken van de minderjarige verdachte. Aldus worden ze ertoe uitgenodigd om hun bedenkingen te formuleren, die, met akkoord van alle partijen, bij het verslag worden toegevoegd;
  2° in het kader van de bemiddeling die is voorgesteld door de jeugdrechter of door de jeugdrechtbank, moet de voorziening:
  a) contact opnemen met de betrokken personen als die zelf nog geen enkel initiatief genomen hebben ten aanzien van de voorziening binnen 10 kalenderdagen na de ontvangst van het afschrift van het voorstel van de jeugdrechter of de jeugdrechtbank;
   b) zich gedurende de gehele bemiddeling verzekeren van de uitdrukkelijke en onvoorwaardelijke instemming van de personen die eraan deelnemen;
   c) de jeugdrechter of de jeugdrechtbank en de sociale dienst inlichten zodra blijkt dat bemiddeling niet of niet langer mogelijk is, onmiddellijk en uiterlijk binnen twee maanden. In dat geval richt de voorziening een bondig verslag tot de jeugdrechter of de jeugdrechtbank en aan de sociale dienst, dat een van de volgende vermeldingen bevat:
  1) de bemiddeling heeft geen aanvang genomen omdat minstens een van de betrokken personen niet is bereikt;
  2) de bemiddeling heeft geen aanvang genomen omdat minstens een van de betrokken personen niet wil dat de bemiddeling een aanvang neemt;
  3) de bemiddeling heeft geen aanvang genomen omdat de betrokken personen al een akkoord hebben of het slachtoffer geen eisen meer formuleert;
  4) de bemiddeling heeft geen aanvang genomen omdat een van de voorwaarden voor een bemiddeling niet meer is vervuld;
  5) de bemiddeling heeft geen resultaat opgeleverd. In dat geval vermeldt het verslag de naam van de betrokken personen die gecontacteerd zijn, met de informatie dat tussen hen geen overeenkomst is bereikt; d) binnen twee maanden na haar aanwijzing door de jeugdrechter of de jeugdrechtbank, een bondig verslag over de voortgang van de bemiddeling richten aan [1 de minderjarige verdachte of delictpleger, zijn ouders of opvoedingsverantwoordelijke,]1 de jeugdrechter of de jeugdrechtbank en aan de sociale dienst. Dat verslag verduidelijkt dat de bemiddeling een aanvang heeft genomen, maar nog niet afgerond is. De informatie die schade kan berokkenen aan de minderjarige verdachte of aan de minderjarige delictpleger, wordt niet opgenomen;
  e) het door de betrokken partijen ondertekende akkoord bezorgen aan [1 de minderjarige verdachte of delictpleger, zijn ouders of opvoedingsverantwoordelijke,]1 de jeugdrechter of de jeugdrechtbank, opdat die het zou homologeren, en aan de sociale dienst;
  f) een bondig verslag opstellen over de uitvoering van het akkoord en dat richten aan [1 de minderjarige verdachte of delictpleger, zijn ouders of opvoedingsverantwoordelijke,]1 de jeugdrechter of de jeugdrechtbank, opdat die het zou homologeren, en aan de sociale dienst. Het verslag wordt besproken met de ouders of, in voorkomend geval, met de opvoedingsverantwoordelijken van de minderjarige verdachte of de minderjarige delictpleger. Aldus worden ze ertoe uitgenodigd om hun bedenkingen te formuleren, die, met akkoord van alle partijen, bij het verslag worden toegevoegd; 3° in het kader van het herstelgerichte groepsoverleg dat is voorgesteld door de jeugdrechter of door de jeugdrechtbank, moet de voorziening:
  a) contact opnemen met de betrokken personen als die zelf nog geen enkel initiatief genomen hebben ten aanzien van de voorziening binnen tien kalenderdagen na de ontvangst van het afschrift van het voorstel van de jeugdrechter of de jeugdrechtbank;
  b) zich gedurende het gehele herstelgerichte groepsoverleg verzekeren van de uitdrukkelijke en onvoorwaardelijke instemming van de personen die eraan deelnemen;
  c) de jeugdrechter of de jeugdrechtbank en de sociale dienst inlichten zodra blijkt dat herstelgericht groepsoverleg niet of niet langer mogelijk is, onmiddellijk en uiterlijk binnen twee maanden. In dat geval richt de voorziening een bondig verslag aan [1 de minderjarige verdachte of delictpleger, zijn ouders of opvoedingsverantwoordelijke,]1 de jeugdrechter of de jeugdrechtbank en aan de sociale dienst, dat een van de volgende vermeldingen bevat:
  1) het herstelgerichte groepsoverleg zal geen aanvang nemen omdat minstens een van de betrokken personen niet is bereikt;
  2) het herstelgerichte groepsoverleg zal geen aanvang nemen omdat minstens één van de betrokken personen niet wil dat de bemiddeling een aanvang neemt;
  3) het herstelgerichte groepsoverleg zal geen aanvang nemen omdat de betrokken personen al een akkoord hebben of het slachtoffer geen eisen meer formuleert;
  4) het herstelgerichte groepsoverleg zal geen aanvang nemen omdat een van de voorwaarden voor een herstelgericht groepsoverleg niet meer is vervuld;
  5) het herstelgerichte groepsoverleg heeft geen resultaat opgeleverd. In dat geval vermeldt het verslag de naam van de betrokken personen die gecontacteerd werden, met de informatie dat tussen hen geen overeenkomst is bereikt, en elke andere informatie waarvan de mededeling voor akkoord getekend is door alle partijen. De informatie die schade kan berokkenen aan de minderjarige verdachte of aan het slachtoffer, wordt niet opgenomen;
  d) als het herstelgerichte groepsoverleg afgerond wordt, het door de betrokken partijen ondertekende akkoord, bezorgen aan [1 de minderjarige verdachte of delictpleger, zijn ouders of opvoedingsverantwoordelijke,]1 de jeugdrechter of de jeugdrechtbank, opdat die het zou homologeren, en aan de sociale dienst. Een intentieverklaring van de minderjarige verdachte of aan de minderjarige delictpleger wordt ook toegevoegd. Daarin verklaart die welke stappen hij zal ondernemen om de relationele en materiële schade en de schade aan de gemeenschap te herstellen en om verdere feiten in de toekomst te voorkomen. De intentieverklaring wordt voor akkoord door alle betrokken partijen ondertekend;
  e) een bondig verslag opstellen over de uitvoering van het akkoord en dat richten aan [1 de minderjarige verdachte of delictpleger, zijn ouders of opvoedingsverantwoordelijke,]1 de jeugdrechter of de jeugdrechtbank en aan de sociale dienst. Het verslag wordt besproken met de ouders of, in voorkomend geval, met de opvoedingsverantwoordelijken van de minderjarige verdachte of de minderjarige delictpleger. Aldus worden ze ertoe uitgenodigd om hun bedenkingen te formuleren, die bij het verslag worden toegevoegd;
   4° de voorziening legt een dossier aan dat de volgende gegevens en documenten bevat:
  a) inlichtingen van administratieve aard, met inbegrip van de stukken die ter beschikking gesteld zijn door de administratie, de jeugdrechtbank en de sociale dienst;
  b) [2 ...]2
  c) het bondige verslag, vermeld in 1°, d), 2°, d) en f) en 3°, e);
  d) de door de dienst op te stellen stukken ter uitvoering van het samenwerkingsakkoord herstelrechtelijk aanbod;
  e) in voorkomend geval de overeenkomst en intentieverklaring;
   5° de voorziening zoekt naar permanente overlegstructuren met de bemiddelingsdiensten voor meerderjarigen;
   6° de voorziening besteedt bij het vervullen van de voorwaarden, vermeld in dit besluit, bijzondere aandacht aan de principes van vrijwilligheid, vertrouwelijkheid en meervoudige partijdigheid.
  
Art. 21. Une structure de la catégorie 5 doit satisfaire à toutes les conditions particulières suivantes :
la structure associe, lors de l'exécution de sa mission, les victimes, les parents ou, le cas échéant, les responsables de l'éducation et, si nécessaire, l'environnement plus large du réseau familial, social et professionnel du suspect mineur ou du délinquant mineur ;
la structure organise, dans sa zone d'action, un partenariat avec les acteurs associés à l'exécution de sa mission.
Art.23.Voor de organisatie van een vereffeningsfonds moet een voorziening van de categorie 5 aan al de volgende bijzondere voorwaarden voldoen:
  1° als er meerdere voorzieningen van de categorie 5 actief zijn in haar werkgebied, organiseren de betrokken voorzieningen het vereffeningsfonds samen;
  2° de voorziening stelt een provinciale commissie samen die minimaal uit de volgende leden bestaat:
   a) een personeelslid van de administratie;
   b) een vertegenwoordiger van de Orde van Advocaten;
   c) een vertegenwoordiger van een dienst voor slachtofferzorg die werkzaam is in het werkgebied van de voorziening;
  3° de voorziening maakt samen met de commissie, vermeld in punt 2°, een huishoudelijk reglement op waarin de samenstelling, de taken en de werking van de commissie, de behandelingsprocedure en de toekenningscriteria van aanvragen wordt geregeld;
  4° een aanvraag die de voorziening indient bij de commissie, vermeld in punt 2°, moet het resultaat zijn van een bemiddelingsproces of een herstelgericht groepsoverleg en bevat de volgende elementen:
   a) een beschrijving van de verzekerbaarheid van de schade die de minderjarige verdachte of de minderjarige delictpleger heeft aangericht;
   b) het standpunt van de ouders of, in voorkomend geval, de opvoedingsverantwoordelijken van de minderjarige verdachte of de minderjarige delictpleger;
   c) de grootte van de schade en de opportuniteit van de vergoedingsmodaliteit voor het slachtoffer;
   d) de motivatie van de minderjarige verdachte of de minderjarige delictpleger om de schade te vergoeden; e) een overzicht van de doorlopen stappen in het kader van de subsidiariteit, waarbij voorrang gegeven wordt aan andere mogelijkheden om de schade te vergoeden;
  5° de commissie, vermeld in punt 2°, beslist over de aanvragen, vermeld in punt 4°. Per uur vrijwilligerswerk dat de minderjarige verdachte of de minderjarige delictpleger presteert, bedraagt de toelage [1 7,85 euro]1. Dat bedrag is gekoppeld aan de [1 spilindex die van toepassing is op 1 januari 2023]1. Het aantal uur vrijwilligerswerk is afhankelijk van de leeftijd waarop de feiten zijn gepleegd en mag niet meer bedragen dan:
  a) voor een twaalfjarige: 38 uur;
  b) voor een dertienjarige: 76 uur;
  c) voor een veertienjarige: 152 uur;
  d) voor een vijftienjarige: 228 uur;
  e) voor een zestienjarige en ouder: 319 uur;
  6° de voorziening bezorgt de administratie een overzicht van de beslissingen van de commissie, vermeld in punt 2°, en het bedrag dat werkelijk aan het slachtoffer is uitgekeerd. Dat laatste bedrag kan nooit hoger zijn het bedrag dat de commissie heeft vastgelegd.
  
Art. 22. Pour la réalisation de la médiation et de la concertation restauratrice en groupe, une structure de la catégorie 5 doit satisfaire à toutes les conditions supplémentaires suivantes :
dans le cadre de la médiation proposée par le procureur du Roi, la structure doit :
a) prendre contact avec les personnes concernées si elles n'ont pas encore pris d'initiative à l'égard de la structure dans les 10 jours calendaires après la réception de la copie de la proposition écrite du procureur du Roi ;
b) s'assurer, pendant toute la médiation, du consentement exprès et inconditionnel des personnes qui y participent ;
c) informer le procureur du Roi dès qu'il apparaît que la médiation n'est pas ou plus possible, immédiatement et au plus tard dans les deux mois. Dans ce cas, la structure adresse un rapport concis au procureur du Roi, qui contient l'une des mentions suivantes :
1) la médiation n'a pas commencé parce qu'au moins une des personnes concernées n'a pas été jointe ;
2) la médiation n'a pas commencé parce qu'au moins une des personnes concernées ne veut pas que la médiation commence ;
3) la médiation n'a pas commencé parce que les personnes concernées sont déjà parvenues à un accord ou parce que la victime ne formule plus d'exigences ;
4) la médiation n'a pas commencé parce que l'une des conditions pour une médiation n'est plus remplie ;
5) la médiation n'a pas eu de résultat. Dans ce cas, le rapport mentionne les noms des personnes concernées qui ont été contactées, avec l'indication qu'aucun accord n'a été conclu entre elles, et toute autre information dont la communication a été signée pour accord par toutes les parties ;
d) dans un délai de deux mois après sa désignation par le procureur du Roi, adresser un rapport concis au procureur du Roi sur l'état d'avancement de la médiation. Ce rapport clarifie que la médiation a commencé mais qu'elle n'est pas encore terminée. Les informations susceptibles de nuire au suspect mineur ou à la victime ne sont pas reprises ;
e) si la médiation est terminée, transmettre l'accord signé par les personnes concernées au procureur du Roi pour approbation ;
f) établir un rapport sur la mise en oeuvre de l'accord et l'adresser au procureur du Roi. Le rapport fait l'objet d'une discussion avec les parents ou, le cas échéant, avec les responsables de l'éducation du suspect mineur. Ils sont ainsi invités à formuler leurs remarques, qui sont ajoutées au rapport avec l'accord de toutes les parties ;
dans le cadre de la médiation proposée par le juge de la jeunesse ou par le tribunal de la jeunesse, la structure doit :
a) prendre contact avec les personnes concernées si elles n'ont pas pris d'initiative à l'égard de la structure dans les dix jours calendaires suivant la réception de la copie de la proposition du juge de la jeunesse ou du tribunal de la jeunesse ;
b) s'assurer, pendant toute la médiation, du consentement exprès et inconditionnel des personnes qui y participent ;
c) informer le juge de la jeunesse ou le tribunal de la jeunesse et le service social dès qu'il apparaît que la médiation n'est pas ou plus possible, immédiatement et au plus tard dans les deux mois. Dans ce cas, la structure adresse un rapport concis au juge de la jeunesse ou au tribunal de la jeunesse et au service social, qui contient l'une des mentions suivantes :
1) la médiation n'a pas commencé parce qu'au moins une des personnes concernées n'a pas été jointe ;
2) la médiation n'a pas commencé parce qu'au moins une des personnes concernées ne veut pas que la médiation commence ;
3) la médiation n'a pas commencé parce que les personnes concernées sont déjà parvenues à un accord ou parce que la victime ne formule plus d'exigences ;
4) la médiation n'a pas commencé parce que l'une des conditions pour une médiation n'est plus remplie ;
5) la médiation n'a pas eu de résultat. Dans ce cas, le rapport mentionne les noms des personnes concernées qui ont été contactées, avec l'indication qu'aucun accord n'a été conclu entre elles ;
d) dans les deux mois après sa désignation par le juge de la jeunesse ou le tribunal de la jeunesse, adresser un rapport concis sur l'état d'avancement de la médiation au [1 suspect ou à l'auteur de délit mineur, à ses parents ou au responsable de l'éducation, au]1 juge de la jeunesse ou au tribunal de la jeunesse et au service social. Ce rapport clarifie que la médiation a commencé mais qu'elle n'est pas encore terminée. Les informations susceptibles de nuire au suspect mineur ou au délinquant mineur, ne sont pas reprises ;
e) transmettre l'accord signé par les parties concernées au [1 suspect ou à l'auteur de délit mineur, à ses parents ou au responsable de l'éducation, au]1 juge de la jeunesse ou au tribunal de la jeunesse pour homologation, et au service social ;
f) établir un rapport concis sur l'exécution de l'accord et l'adresser au [1 suspect ou à l'auteur de délit mineur, à ses parents ou au responsable de l'éducation, au]1 juge de la jeunesse ou au tribunal de la jeunesse pour homologation, et au service social. Le rapport fait l'objet d'une discussion avec les parents ou, le cas échéant, avec les responsables de l'éducation du suspect mineur ou du délinquant mineur. Ils sont ainsi invités à formuler leurs remarques, qui sont ajoutées au rapport avec l'accord de toutes les parties ;
dans le cadre de la concertation restauratrice en groupe proposée par le juge de la jeunesse ou le tribunal de la jeunesse, la structure doit :
a) prendre contact avec les personnes concernées si elles n'ont pas pris d'initiative à l'égard de la structure dans les dix jours calendaires suivant la réception de la copie de la proposition du juge de la jeunesse ou du tribunal de la jeunesse ;
b) s'assurer, pendant toute la concertation restauratrice en groupe, du consentement exprès et inconditionnel des personnes qui y participent;
c) informer le juge de la jeunesse ou le tribunal de la jeunesse et le service social dès qu'il apparaît que la concertation restauratrice en groupe n'est pas ou plus possible, immédiatement et au plus tard dans les deux mois. Dans ce cas, la structure adresse un rapport concis au [1 suspect ou à l'auteur de délit mineur, à ses parents ou au responsable de l'éducation, au]1 juge de la jeunesse ou au tribunal de la jeunesse et au service social, qui contient l'une des mentions suivantes :
1) la concertation restauratrice en groupe ne commencera pas parce qu'au moins l'une des personnes concernées n'a pas été jointe ;
2) la concertation restauratrice en groupe ne commencera pas parce qu'au moins une des personnes impliquées ne veut pas que la concertation commence ;
3) la concertation restauratrice en groupe ne commencera pas parce que les personnes concernées sont déjà parvenues à un accord ou parce que la victime ne formule plus d'exigences ;
4) la concertation restauratrice en groupe ne commencera pas parce que l'une des conditions d'une concertation restauratrice en groupe n'est plus remplie ;
5) la concertation restauratrice en groupe n'a pas eu de résultat. Dans ce cas, le rapport mentionne les noms des personnes concernées qui ont été contactées, avec l'indication qu'aucun accord n'a été conclu entre elles, et toute autre information dont la communication a été signée pour accord par toutes les parties. Les informations susceptibles de nuire au suspect mineur ou à la victime ne sont pas reprises ;
d) si la concertation restauratrice en groupe est terminée, transmettre l'accord signé par les parties concernées au [1 suspect ou à l'auteur de délit mineur, à ses parents ou au responsable de l'éducation, au]1 juge de la jeunesse ou au tribunal de la jeunesse pour homologation, et au service social. Une déclaration d'intention du suspect mineur ou du délinquant mineur est également ajoutée. Il y explique les mesures qu'il prendra pour réparer les dommages relationnels et matériels et les dommages causés à la communauté, et pour prévenir d'autres faits à l'avenir. La déclaration d'intention est signée pour accord par toutes les parties concernées ;
e) établir un rapport concis sur l'exécution de l'accord et l'adresser au [1 suspect ou à l'auteur de délit mineur, à ses parents ou au responsable de l'éducation, au]1 juge de la jeunesse ou au tribunal de la jeunesse et au service social. Le rapport fait l'objet d'une discussion avec les parents ou, le cas échéant, avec les responsables de l'éducation du suspect mineur ou du délinquant mineur. Ils sont ainsi invités à formuler leurs remarques, qui sont ajoutées au rapport ;
la structure compose un dossier contenant les informations et documents suivants :
a) des informations administratives, y compris les pièces qui ont été mises à disposition par l'administration, le tribunal de la jeunesse et le service social ;
b) [2 ...]2
c) le rapport concis visé aux points 1°, d), 2°, d) et f) et 3°, e) ;
d) les documents à établir par le service en exécution de l'accord de coopération relatif à l'offre restauratrice ;
e) le cas échéant, l'accord et la déclaration d'intention ;
la structure recherche des structures de concertation permanentes avec les services de médiation pour majeurs ;
en répondant aux conditions visées au présent arrêté, la structure accorde une attention particulière aux principes de volontariat, de confidentialité et de partialité multiple.
Art. 24. Bij de uitvoering van gemeenschapsdiensten moet de voorziening voldoen aan al de volgende bijkomende voorwaarden:
  1° voor de aanvang van de gemeenschapsdienst stelt de voorziening een rapport op dat de volgende gegevens bevat:
  a) de identiteit van de minderjarige;
  b) het aantal uren gemeenschapsdienst dat is opgelegd;
  c) afspraken over de uitvoering van de gemeenschapsdienst, rekening houdend met de eventuele beslissingen van de jeugdrechtbank;
  2° de voorziening stelt een verslag op over de uitvoering van de gemeenschapsdienst overeenkomstig het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht en haar uitvoeringsbesluiten, en stuurt dat verslag naar de jeugdrechter of de jeugdrechtbank [1 , de minderjarige verdachte of delictpleger, zijn ouders of opvoedingsverantwoordelijke,]1 en de sociale dienst. Het verslag wordt besproken met de ouders of, in voorkomend geval, de opvoedingsverantwoordelijken van de minderjarige verdachte of de minderjarige delictpleger. Die personen worden ertoe uitgenodigd om hun bedenkingen te formuleren, die bij het verslag worden gevoegd;
   3° de voorziening legt, in overeenstemming met de regelgeving over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens, een dossier aan dat de volgende gegevens en documenten bevat:
  a) inlichtingen van administratieve aard, met inbegrip van de stukken die ter beschikking gesteld zijn door de administratie, de jeugdrechtbank en de sociale dienst;
   b) [2 ...]2
   c) het rapport, vermeld in punt 1° ;
   d) het verslag over de uitvoering van de gemeenschapsdienst, vermeld in punt 2°. Een kopie van het rapport, vermeld in het eerste lid, 1°, wordt onmiddellijk opgestuurd naar de [1 minderjarige verdachte of delictpleger, zijn ouders of opvoedingsverantwoordelijke, de]1 jeugdrechtbank en de sociale dienst.
  
Art. 23. Pour l'organisation d'un fonds de liquidation, une structure de la catégorie 5 doit satisfaire à toutes les conditions particulières suivantes :
si plusieurs structures de la catégorie 5 opèrent dans sa zone d'action, les structures concernées organisent conjointement le fonds de liquidation ;
la structure compose une commission provinciale qui comprend au moins les membres suivants :
a) un membre du personnel de l'administration ;
b) un représentant de l'Ordre des Avocats ;
c) un représentant d'un service d'aide aux victimes opérant dans la zone d'action de la structure ;
la structure établit conjointement avec la commission visée au point 2°, un règlement d'ordre intérieur dans lequel sont réglés la composition, les tâches et le fonctionnement de la commission, la procédure de traitement et les critères d'octroi des demandes ;
la demande que la structure introduit auprès de la commission, visée au point 2°, doit être le résultat d'un processus de médiation ou d'une concertation restauratrice en groupe et contient les éléments suivants :
a) une description de l'assurabilité des dommages causés par le suspect mineur ou le délinquant mineur ;
b) le point de vue des parents ou, le cas échéant, des responsables de l'éducation du suspect mineur ou du délinquant mineur ;
c) l'étendue des dommages et l'opportunité de la modalité de remboursement pour la victime ;
d) la motivation du suspect mineur ou du délinquant mineur à indemniser le dommage ;
e) un aperçu des démarches entreprises dans le cadre de la subsidiarité, la priorité étant accordée à d'autres possibilités d'indemniser les dommages ;
la commission visée au point 2° décide des demandes visées au point 4°. Par heure de travail bénévole effectuée par le suspect mineur ou le délinquant mineur, l'allocation s'élève à [1 7,85 euros ]1. Ce montant est lié à l'[1 indice-pivot en vigueur le 1er janvier 2023]1. Le nombre d'heures de travail bénévole dépend de l'âge auquel les infractions ont été commises et ne devrait pas dépasser :
a) pour un mineur de 12 ans : 38 heures ;
b) pour un mineur de 13 ans : 76 heures ;
c) pour un mineur de 14 ans : 152 heures ;
d) pour un mineur de 15 ans : 228 heures ;
e) pour un jeune de 16 ans et plus : 319 heures ;
la structure transmet à l'administration un aperçu des décisions de la commission visée au point 2° et du montant effectivement versé à la victime. Ce dernier montant ne peut jamais être supérieur au montant engagé par la commission.
Art. 25. Voor de uitvoering van leerprojecten moet de voorziening voldoen aan al de volgende aanvullende voorwaarden:
  1° de voorziening stelt voor de aanvang van het leerproject een rapport op dat de volgende gegevens bevat:
  a) de identiteit van de minderjarige;
   b) het aantal uren leerproject dat is opgelegd;
   c) afspraken over de uitvoering van het leerproject, rekening houdend met de eventuele beslissingen van de verwijzende instantie;
   2° de voorziening stelt een verslag op over de uitvoering van het leerproject en de inzet van de minderjarige overeenkomstig het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht en haar uitvoeringsbesluiten, en stuurt dat verslag, in voorkomend geval, naar de procureur des Konings, de jeugdrechter of de jeugdrechtbank [1 , de minderjarige verdachte of delictpleger, zijn ouders of opvoedingsverantwoordelijke,]1 en de sociale dienst. Het verslag wordt besproken met de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen ten aanzien van de minderjarige verdachte, en met zijn ouders of, in voorkomend geval, opvoedingsverantwoordelijken. Die personen worden ertoe uitgenodigd om hun bedenkingen te formuleren, die bij het verslag worden gevoegd;
  3° de voorziening legt, in overeenstemming met de regelgeving over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens, een dossier aan dat de volgende gegevens en documenten bevat:
  a) inlichtingen van administratieve aard, met inbegrip van de stukken die ter beschikking gesteld zijn door de administratie, de jeugdrechtbank en de sociale dienst;
  b) [2 ...]2
  c) het rapport, vermeld in punt 1° ;
  d) het verslag over de uitvoering van het leerproject en de inzet van de minderjarige, vermeld in punt 2° ; Een kopie van het rapport, vermeld in het eerste lid, 1°, wordt onmiddellijk opgestuurd naar de [1 minderjarige verdachte of delictpleger, zijn ouders of opvoedingsverantwoordelijke, de]1 jeugdrechtbank en de sociale dienst.
  
Art. 24. Lors de l'exécution de services communautaires, la structure doit satisfaire à toutes les conditions supplémentaires suivantes :
avant le début du service communautaire, la structure établit un rapport contenant les informations suivantes :
a) l'identité du mineur ;
b) le nombre d'heures de service communautaire imposées ;
c) les accords sur l'exécution du service communautaire, en tenant compte des décisions éventuelles du tribunal de la jeunesse ;
la structure établit un rapport sur l'exécution du service communautaire conformément au décret du 15 février 2019 sur le droit en matière de délinquance juvénile et à ses arrêtés d'exécution, et envoie ce rapport au juge de la jeunesse ou au [1 suspect ou à l'auteur de délit mineur, à ses parents ou au responsable de l'éducation, au]1 tribunal de la jeunesse et au service social. Le rapport fait l'objet d'une discussion avec les parents ou, le cas échéant, avec les responsables de l'éducation du suspect mineur ou du délinquant mineur. Ces personnes sont ainsi invitées à formuler leurs remarques, qui sont ajoutées au rapport ;
conformément à la réglementation relative à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel, la structure compose un dossier contenant les données et documents suivants :
a) des informations administratives, y compris les pièces qui ont été mises à disposition par l'administration, le tribunal de la jeunesse et le service social ;
b) [2 ...]2
c) le rapport visé au point 1° ;
d) le rapport sur l'exécution du service communautaire, visé au point 2°.
Une copie du rapport visé à l'alinéa 1er, 1°, est envoyée immédiatement au [1 suspect ou à l'auteur de délit mineur, à ses parents ou au responsable de l'éducation, au]1 tribunal de la jeunesse et au service social.
Art. 26. Voor de uitvoering van een positief project moet de voorziening aan al de volgende bijzondere voorwaarden voldoen:
   1° de voorziening onderneemt de volgende acties:
   a) ze informeert de jongere en zijn context actief en laagdrempelig over het aanbod;
   b) ze biedt actieve procesbegeleiding bij het tot stand komen van een positief project;
  c) ze waarborgt de opvolging tijdens de uitvoeringsfase;
  2° ze neemt contact op met de betrokken personen als die zelf nog geen enkel initiatief genomen hebben ten aanzien van de voorziening binnen acht dagen na de ontvangst van het afschrift van het voorstel van de, in voorkomend geval, de procureur des Konings, de jeugdrechter of de jeugdrechtbank;
  3° ze verzekert zich gedurende de volledige uitvoering van het positieve project van de uitdrukkelijke en onvoorwaardelijke instemming van de personen die eraan deelnemen;
  4° in voorkomend geval licht ze de procureur des Konings, de jeugdrechter of de jeugdrechtbank erover in dat de minderjarige verdachte of de minderjarige delictpleger geen positief project zal voorstellen;
  5° ze bezorgt het positieve project onmiddellijk aan [1 de minderjarige verdachte of delictpleger, zijn ouders of opvoedingsverantwoordelijke,]1 de procureur des Konings, de jeugdrechter of de jeugdrechtbank;
  6° ze stelt een bondig verslag op over de uitvoering van het positieve project en de inzet van de minderjarige overeenkomstig het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht en haar uitvoeringsbesluiten en richt dat aan, in voorkomend geval, de procureur des Konings, de jeugdrechter of de jeugdrechtbank [1 , de minderjarige verdachte of delictpleger, zijn ouders of opvoedingsverantwoordelijke]1 en de sociale dienst. Het verslag wordt besproken met de ouders of, in voorkomend geval, met de opvoedingsverantwoordelijken van de minderjarige verdachte of de minderjarige delictpleger. Aldus worden ze ertoe uitgenodigd om hun bedenkingen te formuleren, die bij het verslag worden toegevoegd.
  
Art. 25. Pour l'exécution de projets d'apprentissage, la structure doit satisfaire à toutes les conditions supplémentaires suivantes :
avant le début du projet d'apprentissage, la structure établit un rapport contenant les informations suivantes :
a) l'identité du mineur ;
b) le nombre d'heures de projet d'apprentissage imposées ;
c) les accords sur l'exécution du projet d'apprentissage, en tenant compte des décisions éventuelles de l'instance de renvoi ;
la structure établit un rapport sur l'exécution du projet d'apprentissage et l'engagement du mineur conformément au décret du 15 février 2019 sur le droit en matière de délinquance juvénile et à ses arrêtés d'exécution, et envoie ce rapport, le cas échéant, au procureur du Roi, au juge de la jeunesse ou au tribunal de la jeunesse [1 au suspect ou à l'auteur de délit mineur, à ses parents ou au responsable de l'éducation,]1 et au service social. Le rapport fait l'objet d'une discussion avec les personnes qui exercent l'autorité parentale à l'égard du suspect mineur, et avec ses parents ou, le cas échéant, ses responsables de l'éducation. Ces personnes sont ainsi invitées à formuler leurs remarques, qui sont ajoutées au rapport ;
conformément à la réglementation relative à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel, la structure compose un dossier contenant les données et documents suivants :
a) des informations administratives, y compris les pièces qui ont été mises à disposition par l'administration, le tribunal de la jeunesse et le service social ;
b) [2 ...]2
c) le rapport visé au point 1° ;
d) le rapport sur l'exécution du projet d'apprentissage et l'engagement du mineur, visé au point 2° ;
Une copie du rapport visé à l'alinéa 1er, 1°, est envoyée immédiatement au [1 suspect ou l'auteur de délit mineur, à ses parents ou au responsable de l'éducation, au]1 tribunal de la jeunesse et au service social.
Onderafdeling 6. - Diensten voor naadloze flexibele trajecten onderwijs - welzijn
Art. 26.Pour l'exécution d'un projet positif, la structure doit satisfaire à toutes les conditions particulières suivantes :
Art. 27. Een voorziening van de categorie 6 moet aan al de volgende bijzondere voorwaarden voldoen:
  1° de voorziening mag, binnen de modules waarvoor ze is erkend, alleen leerlingen uit het secundair onderwijs of secundaire onderwijsinstellingen begeleiden die zijn aangemeld door een centrum voor leerlingenbegeleiding;
  2° de voorziening stelt samen met het aanmeldende centrum voor leerlingenbegeleiding, de leerling en zijn context, en eventuele andere betrokkenen doelstellingen op en maakt afspraken over de opvolging en evaluatie ervan. Minimaal om de twee maanden worden de doelstellingen met alle betrokkenen geëvalueerd en in voorkomend geval bijgestuurd;
  3° de voorziening gaat binnen elk traject na welke leerling of leerlingen, en/of welke onderwijsinstellingen betrokken moet(en) worden en welke acties nodig zijn om tegemoet te komen aan de vraag die bij de aanmelding of bij de verdere vraagverheldering is gesteld;
  4° per module waarvoor een organisatie voor naadloze flexibele trajecten onderwijs - welzijn is erkend, wordt één traject georganiseerd. Binnen dat traject kan er met één leerling, met meerdere leerlingen, met één onderwijsinstelling, met meerdere onderwijsinstellingen of een combinatie van de voorgaande gewerkt worden.
Sous-section 6. - Services pour des parcours enseignement-bien-être fluides et flexibles
Onderafdeling 7. [1 - Observatie- en behandelcentra]1
Art. 27. Une structure de la catégorie 6 doit satisfaire à toutes les conditions particulières suivantes :
Art. 27/1. [1 Een voorziening van de categorie 7 voldoet aan al de volgende bijzondere voorwaarden:
  1° de voorziening voldoet aan al de voorwaarden, vermeld in artikel 12 en 13;
  2° de voorziening voert diagnostiek en behandeling met geïntegreerde diagnostiek in residentieel of mobiel verband uit, overeenkomstig de beslissing van de verwijzende instantie;
  3° de voorziening hanteert actuele en wetenschappelijk onderbouwde instrumenten om haar opdracht uit te voeren;
  4° de teams die belast zijn met de diagnostiek en behandeling van de minderjarigen, zijn multidisciplinair samengesteld en bestaan minimaal uit een master in de psychologische of pedagogische wetenschappen, een bachelor in het sociaal werk en een kinder- en jeugdpsychiater;
  5° de voorziening die het noodzakelijk vindt om minderjarigen soms tijdelijk af te zonderen of andere vrijheidsbeperkende maatregelen te nemen, om hun eigen veiligheid, de veiligheid van andere minderjarigen of die van het personeel te verzekeren, beschikt daarvoor over een huishoudelijk reglement. Het huishoudelijk reglement wordt bij de opname bekendgemaakt aan de betrokken partijen. In het huishoudelijk reglement worden minstens de volgende elementen beschreven:
  a) de inrichting van de afzonderingskamer;
  b) de wijze van registratie van elke afzondering;
  c) de duur van de afzondering;
  d) het toezicht op en de mogelijkheden tot contact van de minderjarige in kwestie;
  6° elke minderjarige die in residentieel verband wordt opgevangen, wordt na zijn opname in de voorziening medisch onderzocht.]1
[2 de voorziening stelt binnen zes maanden na de opstart van de begeleiding een beeldvormingsverslag en behandelplan op en bezorgt die documenten aan de minderjarige en zijn ouders of opvoedingsverantwoordelijken, overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 7 mei 2004, en, in voorkomend geval, aan de gemandateerde voorziening, de jeugdrechter of de jeugdrechtbank en de sociale dienst; 8° de voorziening maakt op het einde van de behandeling een afrondingsverslag op waarin, als dat gewenst is, een advies voor vervolghulp is opgenomen. Ze bezorgt dat verslag aan de minderjarige en zijn ouders of opvoedingsverantwoordelijken, overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 7 mei 2004, en, in voorkomend geval, aan de gemandateerde voorziening, de jeugdrechter of de jeugdrechtbank en de sociale dienst.]2
  
Sous-section 7. [1 - Centres d'observation et de traitement]1
Onderafdeling 8.[1 - Centra voor ernstige gedrags- en emotionele stoornissen]1
Art. 27/1.[1 Une structure de la catégorie 7 répond à toutes les conditions particulières suivantes :
Art. 27/2. [1 Een voorziening van de categorie 8 voldoet aan de volgende bijzondere voorwaarden:
  1° de voorziening voldoet aan al de voorwaarden, vermeld in artikel 12 en 13;
  2° de voorziening kan voor minimaal zes minderjarigen residentiële ondersteuning aanbieden;
  3° de voorziening beschikt over een aangepaste infrastructuur zodat er bescherming en beveiliging kan worden geboden als de problematiek van de minderjarige dat vereist;
  4° de voorziening voorziet in een veilige leefomgeving met individuele kamers en de mogelijkheid tot afzondering;
  5° de voorziening die het noodzakelijk vindt om minderjarigen soms tijdelijk af te zonderen of andere vrijheidsbeperkende maatregelen te nemen, om hun eigen veiligheid, de veiligheid van andere minderjarigen of die van het personeel te verzekeren, beschikt daarvoor over een huishoudelijk reglement. Het huishoudelijk reglement wordt bij de opname bekendgemaakt aan de betrokken partijen. In het huishoudelijk reglement worden minstens de volgende elementen beschreven:
  a) de inrichting van de afzonderingskamer;
  b) de wijze van registratie van elke afzondering;
  c) de duur van de afzondering;
  d) het toezicht op en de mogelijkheden tot contact van de minderjarige in kwestie;
  6° de voorziening kan voorzien in een voltijdse residentiële ondersteuning als de problematiek van de minderjarige dat vereist;
  7° de voorziening neemt deel aan het instroomoverleg dat de toegangspoort organiseert met het oog op een gepaste toewijzing; 8° de voorziening werkt met andere voorzieningen van de categorie 8 in de regio samen om ervoor te zorgen dat de helft van de totale capaciteit in de regio prioritair ingezet wordt voor uitstroom uit de gemeenschapsinstellingen;
  9° de voorziening draagt specifieke knowhow over aan andere actoren die betrokken zijn bij de ondersteuning van minderjarigen met GES+.]1
[2
  10° de voorziening zet haar aanbod uitsluitend in voor minderjarigen die in aanmerking komen voor het hulpprogramma geblokkeerde ontwikkelingstrajecten, vermeld in artikel 2 van het besluit van 5 mei 2023. De administrateur-generaal kan afwijkingen toestaan op organisatieniveau wegens de specificiteit van de doelgroep.]2

  
Sous-section 8. [1 - Centres pour troubles sévères comportementaux et émotionnels]1
Onderafdeling 9.[1 Centra voor kinderzorg en gezinsondersteuning]1
Art. 27/2.[1 Une structure de la catégorie 8 satisfait à toutes les conditions particulières suivantes :
Art.27/3.[1 Een voorziening van de categorie 9 voldoet aan de volgende bijzondere voorwaarden:
  1° de voorziening voldoet aan al de voorwaarden, vermeld in artikel 12 en 13;
  2° de voorziening beschikt over onderbouwde methodieken en actuele expertise op minimaal de volgende domeinen:
  a) het mentaal welzijn van het jonge kind en zijn ouders;
  b) het versterken van de opvoedingsrelatie en opvoedingsvaardigheden, rekening houdende met de context van de gezinnen;
  3° de voorziening werkt structureel samen met partners die actief zijn rond gezinnen met jonge kinderen, minimaal:
  a) de dienst voor pleegzorg uit haar werkingsgebied;
  b) de voorzieningen van de categorie 1 en 2 uit haar werkingsgebied;
  4° de voorziening neemt deel aan netwerken die relevant zijn voor de uitvoering van haar opdrachten; 5° de voorziening beschikt over infrastructuur die afgestemd is op de doelgroep en die een aangepast leefklimaat en pedagogisch verantwoorde leefomgeving ondersteunt; 6° de voorziening stemt de inzet van de begeleidingspunten, vermeld in artikel 35/1 aantoonbaar af op de noden van de gezinnen.]1

  
Sous-section 9.1" [1 Centres d'aide aux enfants et d'assistance des familles ]1
HOOFDSTUK 3. - Kwaliteitsbeleid
Art. 27/3.[1 Une structure de la catégorie 9 satisfait à toutes les conditions particulières suivantes :
Art. 28. Met toepassing van artikel 5, § 1, van het decreet van 17 oktober 2003 heeft de voorziening een kwaliteitsbeleid dat de volgende elementen bevat:
   1° de missie van de voorziening;
   2° de visie van de voorziening;
   3° de waarden;
   4° de te creëren maatschappelijke meerwaarde, alsook de strategische doelstellingen om die meerwaarde te realiseren;
   5° de omschrijving van de volgende aandachtsgebieden:
   a) kwaliteitszorg;
   b) inputgebieden:
   1) leiderschap;
  2) personeelsbeleid;
  3) beleid en strategie;
  4) middelen en partnerschappen;
   c) kernprocessen;
  d) outputgebieden:
  1) gebruikersresultaten;
   2) medewerkersresultaten;
  3) samenlevingsresultaten.
CHAPITRE 3. - Politique de la qualité
Art. 29. Met toepassing van artikel 6, § 2, van het decreet van 17 oktober 2003 heeft de voorziening in haar kwaliteitsbeleid aandacht voor:
   1° gelijke kansen, op het gebied van toegankelijkheid, diversiteit en non-discriminatie;
   2° goed bestuur, in het bijzonder wat de diversiteit in samenstelling, de deskundigheid, de opdrachten en de verantwoordelijkheden van de bestuursorganen betreft.
Art. 28. En application de l'article 5, § 1er, du décret du 17 octobre 2003, la structure dispose d'une politique de qualité qui comprend les éléments suivants :
la mission de la structure ;
la vision de la structure ;
les valeurs ;
la plus-value sociale à créer, ainsi que les objectifs stratégiques pour réaliser cette plus-value ;
la description des domaines d'attention suivants :
a) gestion de la qualité ;
b) domaines d'entrée ;
1) leadership ;
2) gestion du personnel ;
3) politique et stratégie ;
4) moyens et partenariats ;
c) processus clés ;
d) domaines de sortie ;
1) résultats pour les usagers ;
2) résultats pour les collaborateurs ;
3) résultats pour la société.
Art.30. Conform artikel 5, § 2, van het decreet van 17 oktober 2003 beschikt de voorziening over een kwaliteitsmanagementsysteem dat minimaal de organisatorische structuur, de bevoegdheden, de verantwoordelijkheden en de processen en procedures, in het bijzonder van de aandachtsgebieden, vermeld in artikel 29, bevat.
Art. 29. En application de l'article 6, § 2, du décret du 17 octobre 2003, la structure a, dans sa politique de qualité, de l'attention pour :
l'égalité des chances, au niveau de l'accessibilité, de la diversité et de la non-discrimination ;
la bonne gouvernance, en particulier en ce qui concerne la diversité de la composition, l'expertise, les missions et les responsabilités des organes de gestion.
Art.31. Met behoud van de toepassing van artikel 5, § 3, van het decreet van 17 oktober 2003 evalueert de voorziening systematisch zelf haar werking en minimaal de aandachtsgebieden kwaliteitszorg, de kernprocessen en de outputgebieden, vermeld in artikel 28, 5°, van dit besluit, op basis van het schema, opgenomen in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd. Op basis van de zelfevaluatie, vermeld in het eerste lid, formuleert de voorziening verbeteracties die betrekking kunnen hebben op alle elementen van het kwaliteitsbeleid, vermeld in artikel 28.
Art. 30. Conformément à l'article 5, § 2, du décret du 17 octobre 2003, la structure dispose d'un système de gestion de la qualité qui comprend au moins la structure organisationnelle, les compétences, les responsabilités et les processus et procédures, en particulier des domaines d'attention, visés à l'article 29.
Art.32. De voorziening beschikt over een borgend kwaliteitshandboek dat de volgende elementen bevat:
  1° het kwaliteitsbeleid, vermeld in artikel 28;
  2° het kwaliteitsmanagementsysteem, vermeld in artikel 30;
   3° de zelfevaluatie en verbeteracties, vermeld in artikel 31. Het kwaliteitshandboek, vermeld in het eerste lid, is gebruiksvriendelijk en toegankelijk en wordt door alle geledingen van de voorziening gedragen.
Art. 31. Sans préjudice de l'application de l'article 5, § 3, du décret du 17 octobre 2003, la structure évalue systématiquement son fonctionnement et au moins les domaines d'attention de la gestion de la qualité, des processus clés et des domaines de sortie, visés à l'article 28, 5°, du présent arrêté, sur la base du schéma repris en annexe 2, jointe au présent arrêté.
Sur la base de l'auto-évaluation, visée à l'alinéa 1er, la structure formule des actions d'amélioration qui peuvent avoir trait à tous les éléments de la gestion de la qualité, visée à l'article 28.
HOOFDSTUK 4. - Subsidiëring van de voorzieningen
Art. 32. La structure dispose d'un manuel de garantie de la qualité qui contient au moins les éléments suivants :
Afdeling 1. Forfaitaire subsidie
CHAPITRE 4. - Subventionnement des structures
Art. 33. Voor de uitvoering van hun opdrachten ontvangen de voorzieningen van categorie 1 tot en met 4 [1 en de voorzieningen van categorie [2 6 tot en met 9]2]1 per module waarvoor ze erkend zijn, een forfaitaire subsidie, als vermeld in bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd
  
Section 1re. - Subvention forfaitaire
Art.35. Een erkende voorziening van categorie 5 ontvangt een forfaitaire subsidie op basis van een aantal punten dat vastgelegd is bij de erkenning.
   § 2. Om het aantal punten, vermeld in paragraaf 1, te bepalen, worden de afhandelingsvormen als volgt geteld:
  1° twee punten voor elke bemiddeling waarvoor de procureur des Konings, de jeugdrechter of de jeugdrechtbank een aanmelding van een minderjarige heeft gedaan;
  2° drie punten voor elke gemeenschapsdienst waarvoor de jeugdrechter of de jeugdrechtbank een aanmelding heeft gedaan of dat in een door de jeugdrechtbank of de jeugdrechter gehomologeerd positief project is opgenomen;
  3° vier punten voor elk positief project waarvoor de procureur des Konings, de jeugdrechter of de jeugdrechtbank een aanmelding van een minderjarige heeft gedaan;
  4° vijf punten voor elk herstelgericht groepsoverleg waarvoor de jeugdrechter of de jeugdrechtbank een aanmelding heeft gedaan.
   5° vijf punten voor elk leerproject van maximaal dertig uur waarvoor de procureur des Konings [1 , de jeugdrechter of de jeugdrechtbank]1 een aanmelding [1 hebben]1 gedaan of dat in een door de jeugdrechter of jeugdrechtbank gehomologeerd positief [3 of door het parket goedgekeurd]3 project opgenomen is; 6° negen punten voor elk leerproject van maximaal zestig uur waarvoor de jeugdrechter of de jeugdrechtbank een aanmelding heeft gedaan of dat in een door de jeugdrechter of jeugdrechtbank gehomologeerd positief project opgenomen is; 7° dertien punten voor elk leerproject van maximaal 220 uur waarvoor de jeugdrechtbank een aanmelding heeft gedaan of dat in een door de jeugdrechter of jeugdrechtbank gehomologeerd positief project opgenomen is.
  § 3. Als de som van de punten van het effectieve aantal aangemelde dossiers van een dienst voor herstelgerichte en constructieve afhandeling, opgeteld met toepassing van paragraaf 2, twee jaar na elkaar minder dan 80 % bedraagt van het aantal waarvoor de dienst erkend is, wordt het aantal punten waarvoor hij erkend is, het volgende jaar ambtshalve verminderd tot 110 % van het gemiddelde van de voorbije twee jaar.
  § 4. Als de som van de punten van het effectieve aantal aangemelde dossiers van een dienst voor herstelgerichte en constructieve afhandeling, opgeteld met toepassing van paragraaf 2, twee jaar na elkaar meer dan 105 % bedraagt van het aantal waarvoor de dienst erkend is, wordt, binnen de beschikbare begrotingskredieten, het aantal punten waarvoor hij erkend is, het volgende jaar verhoogd tot het gemiddelde van de voorbije twee jaar.
  § 5. Een dienst voor herstelgerichte en constructieve afhandeling ontvangt per punt waarvoor hij erkend is, een forfaitaire subsidie van [2 [4 687,12 euro]4]2. Per jaar dat de gemiddelde anciënniteit van de gesubsidieerde personeelsleden van een dienst voor herstelgerichte en constructieve afhandeling hoger ligt dan vijf jaar, wordt deze subsidie per punt verhoogd met [2 [4 13,36 euro]4]2. De bedragen, vermeld in het eerste lid, zijn gekoppeld aan de [4 spilindex die van toepassing is op 1 januari 2023]4.
  
Art. 33. Pour l'exécution de leurs missions, les structures de la catégorie 1 à 4 [1 et les structures des catégories [2 6 à 9 inclus]2]1 reçoivent, par module pour lequel elles sont agréées, une subvention forfaitaire telle que visée à l'annexe 1re, jointe au présent arrêté.
Art. 35/1.   [1 § 1. In dit artikel wordt verstaan onder:
  1° gezinsbegeleiding: mobiele, pedagogische begeleiding voor kinderen en hun gezin die bestaat uit het aanbieden van begeleiding voor het gezin gemiddeld eenmaal per week gedurende één tot drie uur;
  2° intensieve crisisbegeleiding: intensieve mobiele pedagogische begeleiding voor kinderen en hun gezin die bestaat uit het aanbieden van drie tot vijf keer per week gedurende één tot vijf uur begeleiding aan het gezin;
  3° intensieve gezinsbegeleiding: intensieve mobiele pedagogische begeleiding voor kinderen en hun gezin die bestaat uit het aanbieden van twee tot drie keer per week gedurende één tot drie uur begeleiding aan het gezin;
  4° pedagogische training van ouders samen met kinderen in groepsverband: ambulante pedagogische training van ouders samen met kinderen in groepsverband die bestaat uit het aanbieden van een training voor minimaal zes gezinnen tegelijk. Die training heeft gemiddeld één tot drie keer per week gedurende twee tot zes uur plaats. De training heeft als voornaamste focus het aanleren van vaardigheden op het vlak van de ouder-kindinteractie en heeft een uitgesproken methodische aanpak, met een duidelijke omschrijving van de beoogde doelgroep en doelstellingen, en van de fasering, inhoud en onderbouwing van het gehanteerde programma;
  5° pedagogische training van ouders in groepsverband en van kinderen in groepsverband: ambulante pedagogische training in groepsverband van ouders en van kinderen die bestaat uit het aanbieden van een training. Die training heeft gemiddeld één tot drie keer per week gedurende één tot zes uur plaats. De training heeft als voornaamste focus het aanleren van vaardigheden op het vlak van de ouder-kindinteractie en heeft een uitgesproken methodische aanpak, met een duidelijke omschrijving van de beoogde doelgroep en doelstellingen, en van de fasering, inhoud en onderbouwing van het gehanteerde programma;
  6° pedagogische training van ouders in groepsverband: ambulante pedagogische training van ouders in groepsverband die bestaat uit het aanbieden van een training. Die training heeft gemiddeld één tot drie keer per week gedurende één tot drie uur plaats. De training heeft als voornaamste focus het aanleren van vaardigheden op het vlak van de ouder-kindinteractie en heeft een uitgesproken methodische aanpak, met een duidelijke omschrijving van de beoogde doelgroep en doelstellingen, en van de fasering, inhoud en onderbouwing van het gehanteerde programma; 7° individuele pedagogische training van ouders: ambulante pedagogische training van ouders individueel die bestaat uit het aanbieden van een individuele training ingebed in het leefgroepwerking van de voorziening. Die training heeft gemiddeld één tot drie keer per week gedurende één tot drie uur plaats. De training heeft als voornaamste focus het aanleren van vaardigheden op het vlak van de ouder-kindinteractie en heeft een uitgesproken methodische aanpak, met een duidelijke omschrijving van de beoogde doelgroep en doelstellingen, en van de fasering, inhoud en onderbouwing van het gehanteerde programma; 8° dagbegeleiding: ambulante opvang die bestaat erin dat een kind twee tot vijf keer per week in de voorziening wordt opgevangen gedurende 3 tot 8 uur met als doel opvang en begeleiding te organiseren in de voorziening ter ondersteuning van het kind en gezin in gezinsbegeleiding.
  § 2. Bovenop de subsidie, vermeld in artikel 33, ontvangt een erkende voorziening van de categorie 9 een forfaitaire subsidie op basis van een aantal begeleidingspunten die vastgelegd zijn bij de erkenning.
  § 3. Een erkende voorziening van de categorie 9 ontvangt per punt waarvoor ze erkend is, een forfaitaire subsidie van 919,82 euro. Per jaar dat de gemiddelde anciënniteit van de gesubsidieerde personeelsleden hoger ligt dan 5 jaar, wordt die subsidie per punt verhoogd met 17,60 euro. De bedragen, vermeld in het eerste lid, zijn gekoppeld aan de spilindex die van toepassing is op 1 januari 2023.
  § 4. De punten, vermeld in paragraaf 2, worden als volgt bepaald:
  1° een punt per gezin voor elke begonnen periode van een maand voor een gezinsbegeleiding;
  2° zes punten per gezin voor een intensieve crisisbegeleiding van een maand;
  3° drie punten per gezin voor elke begonnen periode van een maand voor een intensieve gezinsbegeleiding; 4° drie punten per gezin voor elke begonnen periode van een maand voor een pedagogische training van ouders samen met kinderen in groepsverband;
  5° anderhalf punt per kind voor elke begonnen periode van een maand voor een pedagogische training van ouders in groepsverband en van kinderen in groepsverband;
   6° een half punt per gezin voor elke begonnen periode van een maand voor een pedagogische training van ouders in groepsverband;
   7° twee punten per gezin voor elke begonnen periode van een maand voor een individuele pedagogische training van ouders; 8° twee en een half punt per kind voor elke begonnen periode van een maand voor dagbegeleiding. ]1

  
Art. 34. 2021-12-17/42, art. 10, 006; En vigueur : 01-01-2022>
Art. 36. Boven de subsidie, vermeld in artikel 35, ontvangt een erkende voorziening van de categorie 5, binnen de perken van de begroting, een bijkomende subsidie voor de organisatie van het vereffeningsfonds. De subsidie, vermeld in het eerste lid, wordt vastgesteld op basis van het overzicht, vermeld artikel 23, 6°. De subsidie, vermeld in het eerste lid, wordt integraal aangewend voor de vergoeding van slachtoffers.
Art. 35. § 1er. Une structure agréée de la catégorie 5 reçoit une subvention forfaitaire sur la base d'un certain nombre de points arrêté lors de l'agrément.
§ 2. Pour arrêter le nombre de points, visé au § 1er, les formes de traitement sont comptées comme suit :
2 points pour chaque médiation pour laquelle le procureur du Roi, le juge de la jeunesse ou le tribunal de la jeunesse a effectué une notification d'un mineur ;
3 points pour chaque service communautaire pour lequel le juge de la jeunesse ou le tribunal de la jeunesse a effectué une notification ou qui est repris dans un projet positif homologué par le tribunal de la jeunesse ou le juge de la jeunesse ;
4 points pour chaque projet positif pour lequel le procureur du Roi, le juge de la jeunesse ou le tribunal de la jeunesse a effectué une notification d'un mineur ;
5 points pour chaque concertation restauratrice en groupe pour laquelle le juge de la jeunesse ou le tribunal de la jeunesse a effectué une notification ;
5 points pour chaque projet d'apprentissage de 30 heures au maximum pour lequel le procureur du Roi [1 , le juge de la jeunesse ou le tribunal de la jeunesse]1 [1 ont]1 effectué une notification ou qui est repris dans un projet positif homologué par le juge de la jeunesse ou le tribunal de la jeunesse [3 , ou approuvé par le parquet]3 ;
9 points pour chaque projet d'apprentissage de 60 heures au maximum pour lequel le juge de la jeunesse ou le tribunal de la jeunesse a effectué une notification ou qui est repris dans un projet positif homologué par le juge de la jeunesse ou le tribunal de la jeunesse ;
13 points pour chaque projet d'apprentissage de 220 heures au maximum pour lequel le tribunal de la jeunesse a effectué une notification ou qui est repris dans un projet positif homologué par le juge de la jeunesse ou le tribunal de la jeunesse.
§ 3. Lorsque la somme des points du nombre de dossiers effectivement notifiés d'un service de traitement restaurateur et constructif, additionnés en application du § 2, s'élève pendant deux années consécutives à moins de 80 % du nombre pour lequel le service est agréé, le nombre de points pour lequel il est agréé est diminué d'office l'année suivante jusqu'à 110 % de la moyenne des deux années écoulées.
§ 4. Lorsque la somme des points du nombre de dossiers effectivement notifiés d'un service de traitement restaurateur et constructif, additionnés en application du § 2, s'élève pendant deux années consécutives à plus de 105 % du nombre pour lequel le service est agréé, le nombre de points pour lequel il est agréé est majoré l'année suivante, dans les limites des crédits budgétaires disponibles, jusqu'à la moyenne des deux années écoulées.
§ 5. Un service de traitement restaurateur et constructif reçoit par point pour lequel il est agréé, une subvention forfaitaire de [2 [4 687,12 euros]4 euros]2. Par année dans laquelle l'ancienneté moyenne des membres du personnel subventionnés d'un service de traitement restaurateur et constructif est supérieure à cinq ans, cette subvention est majorée de [2 [4 13,36 euros]4-2 par point.
Les montants, visés à l'alinéa premier, sont liés à l'[4 indice-pivot en vigueur le 1er janvier 2023 ]4.
Art. 37. Voor de bepaling van de anciënniteitscorrectie, vermeld in bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd, en in artikel 35, § 5, wordt jaarlijks de situatie van 1 januari van het jaar in kwestie als basis genomen. De erkende voorziening dient daarvoor uiterlijk op 15 januari van het jaar in kwestie een overzicht in van het tewerkgestelde personeel op een door de administratie ter beschikking gesteld formulier. Van een inrichtende macht waaraan erkenning is verleend voor twee of meer voorzieningen, wordt de anciënniteitscorrectie bepaald op basis van de gemiddelde anciënniteit van het tewerkgestelde personeel van die voorzieningen.
Art. 35/1. [1 § 1er. Dans le présent article, on entend par :
accompagnement familial : accompagnement mobile pédagogique pour les enfants et leurs familles qui consiste à offrir un accompagnement pour la famille en moyenne une fois par semaine pendant une à trois heures ;
accompagnement intensif en cas de crise : accompagnement pédagogique mobile intensif pour les enfants et leurs familles, qui consiste à offrir un accompagnement pour la famille en trois à cinq fois par semaine pendant une à cinq heures ;
accompagnement familial intensif : accompagnement pédagogique mobile intensif pour les enfants et leurs familles qui consiste à offrir un accompagnement pour la famille en deux à trois fois par semaine pendant une à trois heures ;
formation pédagogique pour les parents avec les enfants en groupe : une formation pédagogique ambulatoire des parents et des enfants en groupe qui consiste à offrir une formation pour au moins six familles à la fois. Cette formation a lieu en moyenne une à trois fois par semaine pendant deux à six heures. La formation vise principalement à enseigner des compétences en matière d'interaction entre le parent et l'enfant, et elle suit une approche méthodologique claire, avec une définition claire du groupe-cible et des objectifs visés, ainsi que de l'échelonnement, du contenu et de la justification du programme utilisé;
formation pédagogique pour les parents en groupe et les enfants en groupe : une formation pédagogique ambulatoire en groupe pour les parents et les enfants, qui consiste à offrir une formation. Cette formation a lieu en moyenne une à trois fois par semaine pendant une à six heures. La formation vise principalement à enseigner des compétences en matière d'interaction entre le parent et l'enfant et elle suit une approche méthodologique claire, avec une définition claire du groupe-cible et des objectifs visés, ainsi que de l'échelonnement, du contenu et de la justification du programme utilisé ;
formation pédagogique pour les parents en groupe : une formation pédagogique ambulatoire en groupe pour les parents et les enfants, qui consiste à offrir une formation. Cette formation a lieu en moyenne une à trois fois par semaine pendant une à trois heures. La formation vise principalement à enseigner des compétences en matière d'interaction entre le parent et l'enfant et elle suit une approche méthodologique claire, avec une définition claire du groupe-cible et des objectifs visés, ainsi que de l'échelonnement, du contenu et de la justification du programme utilisé ;
formation pédagogique individuelle des parents : la formation pédagogique ambulatoire pour les parents, qui consiste à offrir une formation individuelle intégrée à l'animation d'unités de vie de la structure. Cette formation a lieu en moyenne une à trois fois par semaine pendant une à trois heures. La formation vise principalement à enseigner des compétences en matière d'interaction entre le parent et l'enfant et elle suit une approche méthodologique claire, avec une définition claire du groupe-cible et des objectifs visés, ainsi que de l'échelonnement, du contenu et de la justification du programme utilisé ;
accompagnement de jour : accueil ambulatoire consistant à accueillir un enfant deux à cinq fois par semaine dans l'établissement pendant 3 à 8 heures dans le but d'organiser l'accueil et l'accompagnement dans la structure d'aide à l'enfant et à la famille en accompagnement familial.
§ 2. En plus de la subvention visée à l'article 33, une structure agréée de la catégorie 9 recevra une subvention forfaitaire sur la base d'un certain nombre de points d'accompagnement fixés lors de l'agrément.
§ 3. Une structure agréée de catégorie 9 recevra une subvention forfaitaire de 919,82 euros par point pour lequel elle est agréée. Par année où l'ancienneté moyenne des membres du personnel subventionnés est supérieure à 5 ans, le montant de la subvention est augmenté de 17,60 euros par point.
Les montants visés à l'alinéa 1er sont liés à l'indice-pivot en vigueur le 1er janvier 2023.
§ 4. Les points visés à l'alinéa 2 sont déterminés comme suit :
un point par famille pour chaque période d'un mois d'accompagnement familial entamée ;
six points par famille pour un mois d'accompagnement de crise intensif ;
trois points par famille pour chaque période d'un mois d'accompagnement familial intensif entamée ;
trois points par famille pour chaque période d'un mois entamée pour une formation pédagogique des parents avec des enfants en groupe ;
un point et demi par enfant pour chaque période d'un mois entamée pour une formation pédagogique des parents en groupe et des enfants en groupe ;
un demi-point par famille pour chaque période d'un mois entamée pour une formation pédagogique des parents en groupe ;
deux points par famille pour chaque période d'un mois entamée pour une formation individuelle pédagogique des parents ;
deux points et demi par enfant pour chaque période d'un mois d'accompagnement de jour entamée. ]1
Art.38.Minimaal 70 % van de subsidie, vermeld in artikel [1 33 tot en met 35/1]1, wordt aangewend voor personeelskosten. De minister kan op basis van een gemotiveerde aanvraag door de inrichtende macht voor een voorziening een afwijking toestaan van het percentage, vermeld in het eerste lid.
  
Art. 36. Outre la subvention visée à l'article 35, une structure agréée de la catégorie 5 reçoit, dans les limites du budget, une subvention supplémentaire pour l'organisation du fonds de liquidation.
La subvention, visée à l'alinéa 1er, est arrêtée sur la base de l'aperçu, visé à l'article 23, 6°.
La subvention, visée à l'alinéa 1er, est affectée intégralement à l'indemnisation de victimes.
Art. 39. Minimaal twee derde van het gesubsidieerde personeel wordt ingezet in begeleidende functies.
Art. 37. Pour la détermination de la correction d'ancienneté, visée à l'annexe 1re jointe au présent arrêté, et à l'article 35, § 5, la situation du 1er janvier de l'année en question est annuellement prise comme base.
La structure agréée introduit à cet effet, au plus tard le 15 janvier de l'année en question, un aperçu du personnel employé sur un formulaire mis à disposition par l'administration.
Pour un pouvoir organisateur auquel un agrément est accordé pour deux structures ou plus, la correction d'ancienneté est déterminée sur la base de l'ancienneté moyenne du personnel employé de ces structures.
Art. 40. De subsidie wordt in maandelijkse voorschotten uitgekeerd. Het bedrag van het maandelijkse voorschot wordt berekend op een twaalfde van 90 % van de jaarlijkse subsidie-enveloppe. Het saldo wordt uitbetaald in het eerste kwartaal van het volgende jaar.
Art. 38. Au minimum 70 % de la subvention, visée aux articles [1 33 à 35/1 ]1 être affectée aux frais de personnel.
Sur la base d'une demande motivée par le pouvoir organisateur, le Ministre peut accorder une dérogation au pourcentage visé à l'alinéa 1er pour une structure.
Afdeling 2. - Bijkomende subsidie
Art. 39. Au minimum deux tiers du personnel subventionné sont affectés à des fonctions d'accompagnement.
Art. Personeelskosten die voortvloeien uit de toepassing van het koninklijk besluit van 3 mei 2007 tot regeling van het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag worden gesubsidieerd op basis van de effectieve uitgaven. Om in aanmerking te komen voor de subsidie, vermeld in het eerste lid, dient de erkende voorziening een aanvraag in op een door de administratie ter beschikking gesteld formulier.
Art. 40. La subvention est payée en avances mensuelles. Le montant de l'avance mensuelle est calculé à un douzième de 90 % de l'enveloppe subventionnelle annuelle. Le solde est payé dans le premier trimestre de l'année suivante.
Art. 42. Aan erkende voorzieningen van de categorieën [1 1, 3,[2 7, 8 en 9]2]1 worden op maandbasis subsidies toegekend om zakgeld te betalen aan minderjarigen bij wie een module met de functie verblijf geactiveerd is door een beslissing van een toegangspoort of een doorverwijzing van een centraal permanent crisismeldpunt. De tarieven van het zakgeld zijn opgenomen in bijlage 3, die bij besluit is gevoegd. De betaling van het zakgeld wordt gestaafd met een ontvangstbewijs dat door de minderjarigen wordt gedateerd en ondertekend. De subsidies, vermeld in het eerste lid, worden niet verleend voor de minderjarigen die over een maandelijks netto-inkomen beschikken van meer dan [3 219,07 euro]3. Dat bedrag is gekoppeld aan de [3 spilindex die van toepassing is op 1 januari 2023]3.
  (1)2020-03-20/17, art. 63, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2020>
  (2)2023-10-27/07, art. 9, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2024>
  (3)2023-11-17/15, art. 9, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2023>
Section 2. - Subvention supplémentaire
Art.42/1. [1 Aan voorzieningen van categorie 1 die erkend zijn voor de typemodule verblijf in een gezinshuis, wordt per minderjarige en per verblijfsdag in een gezinshuis een subsidie toegekend als forfaitaire kostenvergoeding conform de volgende tabel: Leeftijd minderjarige Kostenvergoeding (in euro) 0-6 29,48 7-12 29,97 13-15 32,22 16-17 33,97 18 en ouder 35,70 De minister kan bepaalde dagen afwezigheid gelijkstellen met werkelijke aanwezigheid. De forfaitaire kostenvergoeding, vermeld in het eerste lid, is uitsluitend bestemd als tegemoetkoming in de uitgaven die een gezinshuisouder maakt voor het verblijf en de zorg van de minderjarigen. De bedragen, vermeld in het eerste lid, zijn gekoppeld aan de spilindex die van toepassing is op 1 januari 2023. De forfaitaire kostenvergoeding, vermeld in het eerste lid, wordt in maandelijkse voorschotten uitgekeerd aan de voorzieningen die erkend zijn voor de typemodule verblijf in een gezinshuis. Ze storten de voormelde kostenvergoeding onmiddellijk door aan de gezinshuisouder.]-1
Art. 41. Les frais de personnel découlant de l'application de l'arrêté royal du 3 mai 2007 fixant le régime de chômage avec complément d'entreprise sont subventionnés sur la base des dépenses effectives.
Pour être éligible à la subvention visée à l'alinéa 1er, la structure agréée introduit une demande sur un formulaire mis à disposition par l'administration.
Art. 43. Voor personen die begeleid worden met een module contextbegeleiding in functie van autonoom wonen, [-1 of met een module begeleiding in een kleinschalige wooneenheid]-1 kan, na uitputting van de procedure waaruit blijkt dat de betrokkene geen recht heeft op het leefloon en niet over voldoende eigen inkomsten beschikt, per begeleidingsdag een subsidie worden uitbetaald die 1/365 bedraagt van het bedrag, vermeld in artikel 14, § 1, eerste lid, 2°, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie. De minister bepaalt de wijze waarop aan de organisatie voor bijzondere jeugdzorg voorschotten worden verleend gedurende de periode waarin de procedure loopt.
   De subsidies, vermeld in het eerste lid, worden verminderd met de eigen inkomsten waarover de betrokkene beschikt. Voor inkomsten uit arbeid geldt op die vermindering een vrijstelling als vermeld in artikel 35, § 1, van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 houdende het algemeen reglement betreffende het recht op maatschappelijke integratie.
  

Änderungen

Art. 42. Des subventions sont octroyées sur une base manuelle aux structures agréées des catégories [1 1, 3, [2 7, 8 et 9 ]2]1 pour payer de l'argent de poche à des mineurs pour lesquels un module avec la fonction séjour a été activé suite à une décision d'une porte d'entrée ou un renvoi d'un point central et permanent d'alerte de crise. Les tarifs de l'argent de poche sont repris en annexe 3, jointe au présent arrêté.
Le paiement de l'argent de poche est étayé à l'aide d'un récépissé daté et signé par les mineurs.
Les subventions, visées à l'alinéa 1er, ne sont pas octroyées aux mineurs disposant d'un revenu net mensuel de plus de [3 219,07 euros ]3. Ce montant est lié à l'[3 indice-pivot en vigueur le 1er janvier 2023]3.
Art. 44. Aan erkende voorzieningen van de categorieën 1 tot en met 3 [1 en van de [-3 categorieën 7 tot en met 9]-3]1 kan een subsidie voor bijzondere kosten toegekend worden om bijzondere kosten te vergoeden voor verstrekte buitengewone medische en paramedische verzorging aan minderjarigen bij wie een verblijfsmodule [-2 of een module begeleiding in een kleinschalige wooneenheid]-2 geactiveerd is.
   Aan de erkende voorzieningen van categorieën 1 en 3 [1 en van de [3 categorieën 7 tot en met 9]3]1 kunnen, onder de voorwaarden, vermeld in artikel 46, ook subsidies worden toegekend om de kosten te vergoeden voor het herstellen van schade die is veroorzaakt door minderjarigen in crisissituatie.
   De administrateur-generaal kan in uitzonderlijke omstandigheden, om de fysieke of psychische integriteit van de betrokken minderjarige te behouden of te herstellen, aan de erkende voorzieningen van categorie 1 tot en met 3 [1 en van de categorieën 7 en 8]1 subsidies verlenen voor bijzondere uitgaven die niet vermeld zijn in het eerste of het tweede lid.
   Geen enkele subsidie voor bijzondere kosten kan worden verleend:
   1° als een natuurlijke of rechtspersoon, wettelijk, bij overeenkomst of door een rechterlijke beslissing, verplicht is om die kosten te betalen of terug te betalen;
   2° als de kosten het gevolg zijn van een fout, nalatigheid of onvoorzichtigheid van een personeelslid van de voorziening.
   Voor elke aanvraag van een subsidie voor bijzondere kosten geldt een vrijstelling van 1.000 euro.
  

Änderungen

[1](2)
Art. 42/1. [1 Aux structures de la catégorie 1 qui sont agréées pour le module type séjour dans une maison de famille, une subvention est accordée par mineur et par jour de séjour dans une maison de famille à titre d'indemnité forfaitaire conformément au tableau suivant :
-
Age du mineur Indemnité (en euros)
0-6 29,48
7-12 29,97
13-15 32,22
16-17 33,97
18 et plus 35,70
Age du mineur Indemnité (en euros) 0-6 29,48 7-12 29,97 13-15 32,22 16-17 33,97 18 et plus 35,70
Le ministre peut assimiler certains jours d'absence à une présence réelle.
L'indemnité forfaitaire visée à l'alinéa 1er est exclusivement destinée comme intervention dans les dépenses exposées par un parent de maison de famille pour le séjour et les soins des mineurs.
Les montants visés à l'alinéa 1er sont liés à l'indice-pivot en vigueur le 1er janvier 2023.
L'indemnité forfaitaire visée à l'alinéa 1er est payée en tranches mensuelles aux structures agréées pour le module type séjour dans une maison de famille. Celles-ci reversent directement l'indemnité précitée au parent de la maison de famille. ]1
Art. De buitengewone medische of paramedische verzorgingen, vermeld in artikel 44, worden betaald of terugbetaald naar rata van de bedragen die vastgesteld zijn door de wettelijke en reglementaire bepalingen over de ziekte- en invaliditeitsverzekering. Bij opname in het ziekenhuis komt alleen het verblijf in een gemeenschappelijke kamer voor subsidiëring in aanmerking, tenzij het verblijf in een afzonderlijke kamer wegens uitzonderlijke omstandigheden verantwoord is.
Art. 43. Aux personnes accompagnées par un module d'accompagnement contextuel en vue de l'habitation autonome, [1 ou par un module d'accompagnement dans une unité résidentielle de petite taille ]1 peut être payée, après épuisement de la procédure dont il ressort que la personne intéressée n'a pas droit au revenu d'intégration sociale et ne dispose pas de propres revenus suffisants, une subvention par jour d'accompagnement, qui s'élève à 1/365 du montant, visé à l'article 14, § 1er, alinéa 1er, 2° de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale. Le Ministre détermine les conditions d'octroi des avances à l'organisation d'aide spéciale à la jeunesse pendant la période dans laquelle la procédure se déroule.
Les subventions, visées à l'alinéa 1er, sont réduites des propres revenus dont l'intéressé dispose. Pour les revenus du travail, une immunisation telle que visée à l'article 35, § 1er, de l'arrêté royal du 11 juillet 2002 portant règlement général en matière de droit à l'intégration sociale s'applique à cette diminution.
Art. 46. Voor elk schadegeval, vermeld in artikel 44, tweede lid, moeten de volgende documenten worden overgelegd:
   1° een omstandig verslag van de feiten, dat opgesteld is door de directie van de voorziening en dat de crisissituatie staaft;
   2° een becijferde inventaris van de beschadigingen.
Art. 44. Aux structures agréées des catégories 1 à 3 [1 et des catégories 7 et 8]1 peut être accordée une subvention pour frais particuliers pour indemniser des frais particuliers découlant des soins médicaux et paramédicaux extraordinaires dispensés aux mineurs pour lesquels un module de séjour [2 ou un module d'accompagnement dans une unité résidentielle de petite taille]2 a été activé.
Aux structures agréées des catégories 1 et 3, [1 et des catégories [3 7 à 9 ]3]1 des subventions peuvent également être accordées, aux conditions visées à l'article 46, pour indemniser les frais de réparation des dommages causés par des mineurs en situation de crise.
L'administrateur général peut, dans des circonstances exceptionnelles, afin de préserver ou de rétablir l'intégrité physique ou psychique du mineur concerné, accorder des subventions aux structures agréées des catégories 1 à 3 [1 et des catégories 7 et 8]1, pour des dépenses particulières non visées aux alinéas 1er ou 2.
Aucune subvention pour des frais particuliers ne peut être accordée :
si une personne physique ou morale est tenue, par la loi, un contrat ou une décision judiciaire, de payer ou de rembourser ces frais ;
si les frais résultent d'une erreur, d'une négligence ou d'une imprudence de la part d'un membre du personnel de la structure.
Pour chaque demande d'une subvention pour frais particuliers, une franchise de 1.000 euros s'applique.
Afdeling 3. - Reserves
Art. 45. Les soins médicaux ou paramédicaux extraordinaires visés à l'article 44 sont payés ou remboursés au prorata des montants déterminés par les dispositions légales et réglementaires en matière d'assurance maladie et invalidité.
Art. 47. Een erkende voorziening kan op de volgende wijze reserves opbouwen met de subsidies, vermeld in dit besluit:
   1° de reserves worden aangewend om de specifieke dienstverlening, vermeld in dit besluit, te kunnen realiseren;
   2° maximaal 20 % van de jaarlijkse subsidiebedragen, vermeld in dit besluit, kan als reserve overgedragen worden naar het volgende kalenderjaar;
   3° de gecumuleerde reserve, opgebouwd uit de jaarlijkse subsidiebedragen, vermeld in punt 2°, is maximaal 50 % van de jaarlijkse subsidiebedragen, vermeld in punt 2° ;
   4° als het maximum, vermeld in punt 2° en 3°, overschreden wordt, wordt het overschreden bedrag teruggestort aan de administratie, tenzij de voorziening een aanwendingsplan of aanzuiveringsplan heeft dat voldoet aan de volgende criteria:
   a) het aanwendingsplan of aanzuiveringsplan is aangevraagd en door de administratie bevestigd, uiterlijk voor het afsluiten van het boekjaar waarin de toegelaten reserve overschreden zou worden;
   b) het aanwendingsplan of aanzuiveringsplan toont aan dat de aanwending uiterlijk tien jaar na de aanvraag, vermeld in a), volledig gerealiseerd zal zijn;
   c) het aanwendingsplan of aanzuiveringsplan toont aan dat het gaat om de compensatie van een verlies van maximaal vijf boekjaren die het boekjaar in kwestie voorafgaan;
   d) het voorafgaand advies van de Inspectie van Financiën over het aanwendingsplan of aanzuiveringsplan is hierbij verplicht.
   Naast de reserve, vermeld in het eerste lid, kan de erkende voorziening een sociaal passief vastleggen, dat wordt beperkt tot 25 % van de jaarlijkse personeelskosten.
   Als aan een inrichtende macht erkenning is verleend voor twee of meer voorzieningen, worden de bepalingen in het eerste en het tweede lid toegepast op de som van de subsidie die aan die voorzieningen uitgekeerd.
Art. 46. Pour chaque sinistre, visé à l'article 44, alinéa 2, les documents suivants doivent être produits :
un rapport circonstancié des faits, établi par la direction de la structure et appuyant la situation de crise ;
un inventaire chiffré des dégâts.
Afdeling 4.- Bezetting
Section 3. Réserves
Art. 48. Als de bezetting van de modules van een erkende voorziening twee opeenvolgende jaren voor elk van die jaren geen 80 % bereikt, wordt de erkende capaciteit verminderd tot 110 % van de gemiddelde bezetting van de voorgaande twee jaar.
   De 80 %, vermeld in het eerste lid, wordt herleid tot 70 % voor de erkende voorzieningen van de categorie 3.
Art. 47. Une structure agréée peut constituer des réserves à partir des subventions visées dans le présent arrêté, selon les modalités suivantes :
les réserves sont affectées afin de pouvoir réaliser les services spécifiques visés au présent arrêté ;
au maximum 20 % des montants de subvention annuels visés au présent arrêté, peuvent être reportés comme réserve à l'année calendaire suivante ;
la réserve cumulée, constituée des montants de subvention annuels, visés au point 2°, s'élève au maximum à 50 % des montants de subvention annuels, visés au point 2° ;
lorsque le maximum visé aux points 2° et 3°, est dépassé, le montant dépassé est remboursé à l'administration, sauf si la structure dispose d'un plan d'affectation ou d'apurement qui répond aux critères suivants :
a) le plan d'affectation ou le plan d'apurement est demandé et confirmé par l'administration, au plus tard avant la clôture de l'exercice dans lequel la réserve autorisée serait dépassée ;
b) le plan d'affectation ou le plan d'apurement démontre que l'affectation sera entièrement réalisée au plus tard dix ans après la demande visée au a) ;
c) le plan d'affectation ou le plan d'apurement démontre qu'il s'agit d'une compensation d'une perte au cours de cinq exercices au maximum qui précèdent l'exercice en question ;
d) l'avis préalable de l'Inspection des Finances sur le plan d'affectation ou le plan d'apurement est obligatoire dans ce contexte.
Outre la réserve visée à l'alinéa 1er, la structure agréée peut engager un passif social, qui est limité à 25 % des frais de personnel annuels.
Si un pouvoir organisateur a obtenu l'agrément pour deux structures ou plus, les dispositions des alinéas 1er et 2 sont appliquées à la somme de la subvention versée à ces structures.
Art. 49. Voor de berekening van de bezetting van een module contextbegeleiding wordt bij een mobiele begeleiding maar één module per gezin geteld.
Section 4. - Occupation
Art. 50.
Art. 48. Si l'occupation des modules d'une structure agréée n'atteint pas 80 % pendant deux années consécutives pour chacune de ces années, la capacité agréée est réduite à 110 % de l'occupation moyenne des deux années précédentes.
Les 80 % visés à l'alinéa 1er sont ramenés à 70 % pour les structures agréées de la catégorie 3.
Art.51. De minister kan nadere regels uitvaardigen over de berekening van de bezetting.
Art. 49. Pour le calcul de l'occupation d'un module d'accompagnement contextuel, il n'est compté qu'un seul module par famille en cas d'un accompagnement mobile.
HOOFDSTUK 5. - Erkenningsprocedure en toezicht op de naleving van de erkenningsvoorwaarden
Art. 50.
Afdeling 1. - Procedure voor het verlenen van een erkenning van een voorziening
Art. 51. Le Ministre peut arrêter des modalités sur le calcul de l'occupation.
Art. 52. Elke inrichtende macht die minderjarigen in een voorziening wil opnemen of door een voorziening wil laten begeleiden, laat die voorziening vooraf erkennen conform de regels, vermeld in artikel 53 tot en met artikel 60.
CHAPITRE 5. - Procédure d'agrément et contrôle du respect des conditions d'agrément
Art. 53. Een erkenning kan alleen worden verleend:
   1° als daarvoor een ontvankelijke aanvraag wordt ingediend;
   2° als voldaan is aan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in dit besluit;
   3° als de begrotingskredieten dat mogelijk maken.
Section 1. - Procédure d'octroi d'un agrément d'une structure
Art. 54. Een aanvraag van erkenning van een voorziening is alleen ontvankelijk als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:
   1° [1 de inrichtende macht dient de aanvraag elektronisch in bij de administratie met het aanvraagformulier dat de administratie ter beschikking stelt]1;
   2° de aanvraag bevat al de volgende gegevens:
   a) de identiteit van de inrichtende macht;
   b) de categorie of categorieën waarvoor erkenning wordt gevraagd;
   c) de typemodules waarvoor erkenning wordt gevraagd;
   d) het aantal modules waarvoor erkenning wordt gevraagd;
   e) het werkgebied;
   f) per typemodule de leeftijdscategorie en het geslacht van de minderjarigen voor wie de erkenning wordt gevraagd;
   g) de verschillende afdelingen waaruit de voorziening zal bestaan of de voorzieningen zullen bestaan;
   h) het pedagogische profiel van de voorziening of de voorzieningen; i) voor een organisatie voor bijzondere jeugdzorg die modules verblijf wil aanbieden met toepassing van artikel 14: het aantal minderjarigen en het geslacht van de minderjarigen voor wie de erkenning wordt gevraagd;
   j) voor een organisatie voor bijzondere jeugdzorg die structureel minderjarigen wil opnemen of begeleiden die in een gemeenschapsinstelling verblijven: het aantal minderjarigen dat ze op jaarbasis willen opnemen of begeleiden;
   k) voor een centrum voor integrale gezinszorg: het maximale aantal gebruikers dat het centrum voor integrale gezinszorg per afdeling residentieel kan opnemen.
  

Änderungen

Art. 52. Tout pouvoir organisateur qui souhaite accueillir des mineurs dans une structure ou les faire accompagner par une structure, fait agréer à l'avance cette structure conformément aux règles visées aux articles 53 à 60.
Art. 55. De minister legt de verdeling van de erkende en te erkennen capaciteit over de regio's vast in een programmatie die gebaseerd is op de punten, vermeld in bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 53. L'agrément peut uniquement être octroyé :
si une demande recevable est introduite à cet effet ;
les conditions d'agrément visées au présent arrêté sont remplies ;
si les crédits budgétaires le permettent.
Art. 56. Per gerechtelijk arrondissement wordt één voorziening van categorie 5 erkend. De minister kan daarvan afwijken vanwege de grootte van het arrondissement of het aantal dossiers.
Art. 54. Une demande d'agrément d'une structure n'est recevable que si toutes les conditions suivantes sont remplies :
[1 le pouvoir organisateur introduit la demande par voie électronique auprès de l'administration à l'aide du formulaire de demande mis à disposition par l'administration ]1;
la demande comprend toutes les données suivantes :
a) l'identité du pouvoir organisateur ;
b) la catégorie ou les catégories pour lesquelles un agrément est demandé ;
c) les modules types pour lesquels un agrément est demandé ;
d) le nombre de modules pour lesquels un agrément est demandé ;
e) la zone d'action ;
f) par module type, la catégorie d'âge et le sexe des mineurs pour lesquels l'agrément est demandé ;
g) les différentes sections qui constitueront la structure ou les structures ;
h) le profil pédagogique de la structure ou des structures ;
i) pour une organisation d'aide spéciale à la jeunesse qui souhaite offrir ces modules de séjour en application de l'article 14 : le nombre de mineurs et le sexe des mineurs pour lesquels l'agrément est demandé ;
j) pour une organisation d'aide spéciale à la jeunesse qui souhaite accueillir ou accompagner structurellement des mineurs résidant dans une institution communautaire, le nombre de mineurs qu'elle entend accueillir ou accompagner sur une base annuelle ;
k) pour un centre d'aide intégrale aux familles : le nombre maximal d'usagers que le centre d'aide intégrale aux familles peut accueillir de manière résidentielle par section.
Art. 57. [-1 § 1. De administratie stuurt na de ontvangst van de aanvraag een elektronische ontvangstmelding aan de aanvragende inrichtende macht.]-1
   [1 § 1/1.]1. Als de aanvraag van erkenning van een voorziening niet ontvankelijk is, stuurt de administratie die aanvraag met een aangetekende zending en uiterlijk dertig dagen na ontvangst aan de aanvragende, inrichtende macht terug. In die zending wordt de reden van de niet-ontvankelijkheid vermeld.
   § 2. Als de aanvraag van erkenning van een voorziening ontvankelijk is, en als de administrateur-generaal voorneemt om de erkenning te weigeren, betekent de administratie dat voornemen aan de inrichtende macht.
   De betekening, vermeld in het eerste lid, gebeurt met een aangetekende zending met kennisgeving van ontvangst. In die zending worden de mogelijkheid en de voorwaarden vermeld waarop een bezwaarschrift als vermeld in artikel 59, kan worden ingediend.
   § 3. De beslissing van de administrateur-generaal om de erkenning te verlenen wordt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag betekend aan de inrichtende macht. Die beslissing wordt betekend met een aangetekende zending.
  

Änderungen

Art. 55. Le Ministre détermine la répartition de la capacité agréée et de la capacité à agréer entre les régions dans une programmation qui est basée sur les points visés à l'annexe 1re, jointe au présent arrêté.
Art. 58. Als de beslissing van de administrateur-generaal, vermeld in artikel 57, niet is betekend aan de inrichtende macht, binnen de termijn vermeld in artikel 57, § 3, wordt ervan uitgegaan dat de erkenning van de voorziening wordt geweigerd.
Art. 56. Une seule structure de la catégorie 5 est agréée par arrondissement judiciaire. Le Ministre peut déroger à cette règle en raison de la taille de l'arrondissement ou du nombre de dossiers.
Art. 59. § 1. De inrichtende macht kan tot uiterlijk dertig dagen na de ontvangst van het voornemen van de administrateur-generaal om de erkenning van de voorziening te weigeren of, in geval van toepassing van artikel 57, na het verstrijken van de termijn, vermeld in artikel 57, § 3, een bezwaarschrift indienen. Na die termijn van dertig dagen is het bezwaarschrift niet meer ontvankelijk. Om het bezwaarschrift te kunnen indienen, stuurt de inrichtende macht een aangetekende zending aan de administratie met vermelding van de motieven waarom ze de weigering ongegrond acht.
   Het bezwaarschrift wordt behandeld volgens de regels die zijn vastgesteld bij of ter uitvoering van hoofdstuk III van het decreet van 7 december 2007 houdende de oprichting van de Strategische Adviesraad voor het Vlaamse Welzijns-, Gezondheids- en Gezinsbeleid en van een Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.
   § 2. Als de inrichtende macht geen bezwaarschrift heeft ingediend conform paragraaf 1, eerste lid, wordt de beslissing van de administrateur-generaal om de erkenning te weigeren, betekend aan de inrichtende macht. De administratie betekent die beslissing met een aangetekende zending binnen dertig dagen na het verstrijken van de termijn, vermeld in paragraaf 1, eerste lid.
Art. 57. [1 § 1. Après la réception de la demande, l'administration envoie un accusé de réception électronique au pouvoir organisateur demandeur. ]1
[1 § 1/1]1 Si la demande d'agrément d'une structure est irrecevable, l'administration renvoie cette demande au pouvoir organisateur demandeur par envoi recommandé au plus tard trente jours après sa réception. Cet envoi mentionne la raison de la non-recevabilité.
§ 2. Si la demande d'agrément d'une structure est recevable, et si l'administrateur général propose de refuser l'agrément, l'administration notifie cette intention au pouvoir organisateur.
La notification visée à l'alinéa 1er s'effectue par envoi recommandé avec accusé de réception. Cet envoi reprend la possibilité et les conditions d'introduction d'une réclamation telle que visée à l'article 59.
§ 3. La décision de l'administrateur général d'octroyer l'agrément est notifiée au pouvoir organisateur dans un délai de six mois après la réception de la demande. Cette décision est notifiée par envoi recommandé.
Art. 60. De administrateur-generaal kan een voornemen tot erkenning bekendmaken met het oog op een volwaardige erkenning, indien de voorziening voldoet aan de erkenningsvoorwaarden. In de periode tussen het voornemen tot erkenning en het verlenen van een volwaardige erkenning kan de inrichtende macht geen aanspraak maken op subsidies op grond van dit besluit noch minderjarigen begeleiden of opvangen.
   Als de inrichtende macht binnen achttien maanden, te rekenen vanaf de bekendmaking van het voornemen tot erkenning van de administrateur-generaal, niet het bewijs kan leveren dat de voorziening aan de erkenningsvoorwaarden voldoet, wordt het voornemen tot erkenning ambtshalve ingetrokken.
Art. 58. Si la décision de l'administrateur général visée à l'article 57 n'a pas été notifiée au pouvoir organisateur dans le délai visé à l'article 57, § 3, l'agrément de la structure est censé être refusé.
Art. 61. Als de administrateur-generaal de erkenning weigert, kan de inrichtende macht de aanvraag niet onmiddellijk opnieuw indienen. Er moet minstens één jaar verstreken zijn sinds de betekening van de beslissing tot weigering, of de inrichtende macht moet aantonen dat de reden voor de weigering niet langer bestaat.
Art. 59. § 1er. Le pouvoir organisateur peut déposer une réclamation jusqu'à trente jours au plus tard de la réception de l'intention de l'administrateur général de refuser l'agrément de la structure ou, en cas d'application de l'article 57, après l'expiration du délai mentionné à l'article 57, § 3. La réclamation n'est plus recevable après ce délai de trente jours. Afin de pouvoir déposer la réclamation, le pouvoir organisateur adresse un envoi recommandé à l'administration avec mention des motifs pour lesquels il estime le refus non fondé.
La réclamation est traitée conformément aux règles fixées par ou en exécution du chapitre III du décret du 7 décembre 2007 portant création du Conseil consultatif stratégique pour la Politique de l'Aide sociale, de la Santé et de la Famille et d'une Commission consultative pour les Structures de l'Aide sociale, de la Santé publique et de la Famille.
§ 2. Si le pouvoir organisateur n'a pas introduit de réclamation conformément au § 1er, alinéa 1er, la décision de l'administrateur général de refuser l'agrément, est notifiée au pouvoir organisateur. L'administration notifie cette décision par envoi recommandé dans les trente jours de l'expiration du délai visé au § 1er, alinéa 1er.
Afdeling 2.- Procedure voor het wijzigingen van een erkenning van een voorziening
Art. 60. L'administrateur général peut annoncer son intention d'accorder l'agrément en vue d'un agrément à part entière si la structure remplit les conditions d'agrément.
Art. 62. Artikel 53 tot en met 61 zijn van overeenkomstige toepassing voor het wijzigen van de categorie, de capaciteit, de leeftijd en het geslacht van de doelgroep, alsook voor een verhuizing van de voorziening of een afdeling ervan naar een ander bestuurlijk arrondissement.
Art. 61. Si l'administrateur général refuse l'agrément, le pouvoir organisateur ne peut pas réintroduire immédiatement la demande. Au moins un an doit s'être écoulé depuis la notification de la décision de refus, ou le pouvoir organisateur doit démontrer que le motif du refus n'existe plus.
Art. 63. De administrateur-generaal kan op elk ogenblik de andere voorwaarden dan de voorwaarden van de erkenning, vermeld in artikel 62, wijzigen, nadat de inrichtende macht daarvoor een aanvraag heeft ingediend.
Section 2. - Procédure pour modifier l'agrément d'une structure
Afdeling 3.- Procedure voor het intrekken van een erkenning van een voorziening
Art. 62. Les articles 53 à 61 s'appliquent par analogie à la modification de la catégorie, de la capacité, de l'âge et du sexe du groupe cible, ainsi qu'au déménagement de la structure ou d'une section de celle-ci à un autre arrondissement administratif.
Art. 64. Als een voorziening niet langer voldoet aan een of meer erkenningsvoorwaarden, kan de administratie de inrichtende macht ertoe aanmanen zich binnen acht dagen tot zes maanden naar die voorwaarden te schikken.
   De inrichtende macht wordt aangemaand met een aangetekende zending met kennisgeving van ontvangst. In die zending wordt vermeld welke erkenningsvoorwaarden niet worden nageleefd.
Art. 63. L'administrateur général peut à tout moment modifier les conditions autres que les conditions d'agrément visées à l'article 62, après que le pouvoir organisateur a introduit une demande à cet effet.
Art. 65. § 1. Als ondanks de aanmaning de voorziening de erkenningsvoorwaarden niet naleeft, kan de administrateur-generaal zich voornemen de erkenning in te trekken. De administratie betekent dat voornemen met een aangetekende zending met kennisgeving van ontvangst aan de inrichtende macht. In die zending worden de mogelijkheid en de voorwaarden vermeld waarop de inrichtende macht een bezwaarschrift kan indienen.
   § 2. Artikel 59 is van overeenkomstige toepassing als de administrateur-generaal definitief beslist een erkenning in te trekken. Als de beslissing, vermeld in het eerste lid, niet aan de inrichtende macht is betekend binnen de termijn die daarvoor is bepaald conform artikel 59, blijft de voorziening erkend.
Section 3. - Procédure de retrait d'un agrément d'une structure
Art. In afwijking van artikel 64 en 65 kan de administrateur-generaal, na de inrichtende macht te hebben gehoord, de erkenning onmiddellijk intrekken als blijkt dat de gezondheid, de veiligheid of de zedelijkheid van minderjarigen binnen een voorziening ernstig in het gedrang komt.
Art. 64. Si une structure ne répond plus à une ou plusieurs conditions d'agrément, l'administration peut sommer le pouvoir organisateur de se conformer à ces conditions dans un délai de huit jours à six mois.
Le pouvoir organisateur est sommé par un envoi recommandé avec accusé de réception. Cet envoi mentionne les conditions d'agrément qui ne sont pas respectées.
Afdeling 4. - Toezicht op de naleving van de erkenningsvoorwaarden
Art. 65. § 1er. Si, malgré la sommation, la structure ne respecte pas les conditions d'agrément, l'administrateur général peut avoir l'intention de retirer l'agrément. L'administration notifie cette intention par envoi recommandé avec accusé de réception au pouvoir organisateur. L'envoi mentionne la possibilité et les conditions selon lesquelles le pouvoir organisateur peut déposer une réclamation.
Art. 67. Personeelsleden van Zorginspectie bij het [-1 Departement Zorg]-1, en voor wat voorzieningen van de categorie 6 betreft ook de onderwijsinspectie, oefenen ter plaatse of op basis van stukken toezicht uit op de naleving van de erkenningsvoorwaarden door de voorzieningen.
   De voorzieningen verlenen hun medewerking aan de uitoefening van het toezicht. Ze bezorgen aan de personeelsleden, vermeld in het eerste lid, op hun eenvoudig verzoek, de stukken die verband houden met de erkenningsaanvraag of de erkenning.
  

Änderungen

Art. 66. Par dérogation aux articles 64 et 65, l'administrateur général peut, après avoir entendu le pouvoir organisateur, retirer immédiatement l'agrément s'il apparaît que la santé, la sécurité ou la moralité des mineurs dans une structure est gravement compromise.
HOOFDSTUK 6. - Gelijkgestelde voorzieningen en projecten
Section 4. - Contrôle du respect des conditions d'agrément
Art. 68. Alleen voor de toelating om minderjarigen op te nemen, worden de volgende voorzieningen gelijkgesteld met erkende voorzieningen:
   1° de voorzieningen die erkend zijn in het kader van het decreet van 27 juni 1990 houdende oprichting van een Vlaams Fonds voor de Sociale Integratie van Personen met een Handicap of van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van een intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap;
   2° [-1 2° de andere voorzieningen die erkend zijn in het kader van het decreet van 12 juli 2013;"]-1;
   3° de ziekenhuizen, vermeld in het koninklijk besluit van 7 augustus 1987 houdende coördinatie van de wet op de ziekenhuizen;
   4° de voorzieningen die buiten het Nederlands taalgebied liggen en waarvoor een overeenkomst is gesloten met de Vlaamse Gemeenschap;
   5° de schoolinternaten.
   De gelijkstelling, vermeld in het eerste lid, kan worden ingetrokken na advies van de inspectiedienst van de administratie of van de betrokken sector.
  

Änderungen

Art. 67. Les membres du personnel de l'Inspection des Soins [1 du Département Soins ]1 et, pour les structures de la catégorie 6, également l'inspection de l'Enseignement, exercent sur place ou sur pièces le contrôle du respect des conditions d'agrément par les structures.
Les structures apportent leur collaboration à l'exercice du contrôle. Elles transmettent aux membres du personnel, visés à l'alinéa 1er, sur leur simple demande, les pièces ayant trait à la demande d'agrément ou à l'agrément.
Art. 69. § 1. De residentiële voorzieningen, vermeld in artikel 68, eerste lid, 3° en 5°, kunnen, nadat ze een factuur of ander verantwoordingsstuk hebben voorgelegd, per minderjarige subsidies ontvangen voor de noodzakelijke kosten die verbonden zijn aan het verblijf, met een maximum per dag conform het tarief vermeld in bijlage 4, die bij dit besluit is gevoegd.
   De minister kan subsidies verlenen aan de voorzieningen, vermeld in het eerste lid, om aan de minderjarigen zakgeld te betalen conform bijlage 3, die bij dit besluit is gevoegd.
   § 2. Er worden geen subsidies toegekend als andere instanties al subsidiëren of als overheidskredieten ter beschikking worden gesteld voor het onderhoud van de minderjarigen.
   De beperking, vermeld in het eerste lid, geldt niet voor de psychiatrische ziekenhuizen.
CHAPITRE 6. - Structures et projets assimilés
Art. 70. Voor de organisatie en coördinatie van een project, [-1 vermeld in artikel 2, § 1, 46° /1,]-1 van het decreet van 12 juli 2013 kan ten laste van het fonds en binnen de begrotingskredieten, aan een of meer inrichtende machten, op hun aanvraag, een subsidie worden verleend. Een subsidieaanvraag is alleen ontvankelijk:
   1° [-1 als ze door de inrichtende macht(en) elektronisch bij de administratie wordt ingediend]-1;
   2° als ze de volgende elementen bevat:
   a) de identiteit en het adres van de inrichtende macht;
   b) een omschrijving van het project die de volgende elementen bevat:
   1) de probleemstelling die aan de grondslag ligt van het project;
   2) de manier waarop het project op de probleemstelling ingrijpt;
   3) de verhouding van het project tot het bestaande aanbod;
   4) de maatschappelijke relevantie van het project;
   5) de doelgroep en het aantal minderjarigen op wie het project betrekking zal hebben;
   6) verwijzingen naar bestaand onderzoek als die beschikbaar zijn; 7) de beoogde effecten van het project;
   8) de indicatoren en meetfactoren om de beoogde effecten te meten;
   9) de wijze waarop en door wie het project opgevolgd en geëvalueerd zal worden;
   10) de wijze waarop het project structureel gemaakt kan worden; 11) de duurtijd en fasering van het project;
   12) een begroting van alle inkomsten en uitgaven die betrekking hebben op de realisatie van het project.
   Artikel 11 en artikel 28 tot en met 32 zijn van overeenkomstige toepassing op de projecten.
   De duurtijd vermeld in het tweede lid, 2°, b), 11), bedraagt maximaal vijf jaar. [-1 De beslissing tot overschrijding van die termijn kan alleen worden genomen als de inrichtende macht daarvoor een aanvraag indient die, behalve de elementen, vermeld in het tweede lid, 2°, een motivatie voor de verlenging bevat]-1.
   [-1 De beslissing tot toekenning van een subsidie bevat]1:
   1° de identiteit en het adres van [-1 de inrichtende macht]-1;
   2° de omschrijving van het project, vermeld in het tweede lid, 2°, b);
   3° een verwijzing naar het vierde lid;
   4° een verwijzing naar de specifieke criteria, vermeld in het derde lid;
   5° de wijze waarop over de voortgang van het project wordt gerapporteerd, zowel inhoudelijk als financieel;
   6° de opgave van de subsidiebedragen en van de bestemming van de bedragen;
   7° de vermelding van de uitbetalingsmodaliteiten van de subsidies;
   8° de looptijd van [-1 het project]-1;
   9° [-1 ...]-1
   De subsidie wordt verleend op voorwaarde dat:
   1° ze uitsluitend wordt aangewend voor de personeelskosten en de werkingskosten die nodig zijn voor de realisatie van het project;
   2° er een boekhoudplan wordt gebruikt conform een rekeningstelsel dat wordt bepaald door de minister;
   3° toezicht van de administratie mogelijk is op de boekhouding en op de aanwending van de subsidies, zowel op basis van stukken als ter plaatse.
  

Änderungen

Art. 68. Uniquement en ce qui concerne l'autorisation d'accueillir des mineurs, les structures suivantes sont assimilées aux structures agréées :
les structures qui sont agréées dans le cadre du décret du 27 juin 1990 portant création d'un " Vlaams Fonds voor sociale Integratie van Personen met een Handicap " ou du décret du 7 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique " Vlaamse Agentschap voor Personen met een Handicap "" ;
[1 les autres structures qui sont agréées dans le cadre du décret du 12 juillet 2013 ]1 ;
les hôpitaux, visés à l'arrêté royal du 7 août 1987 portant coordination de la loi sur les hôpitaux ;
les structures situées en dehors de la région de langue néerlandaise, pour lesquelles un accord a été conclu avec la Communauté flamande ;
les internats scolaires.
L'assimilation visée à l'alinéa 1er, peut être retirée après avis du service d'inspection de l'administration ou du secteur concerné.
HOOFDSTUK 7.- Wijzigingsbepalingen
Art. 69. § 1er. Sur présentation d'une facture ou d'une autre pièce justificative, les structures résidentielles, visées à l'article 68, alinéa 1er, 3° et 5°, peuvent recevoir par mineur des subventions pour les frais nécessaires liés au séjour, avec un maximum par jour conformément au tarif visé à l'annexe 4, jointe au présent arrêté.
Art. 71. Artikel 4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2014 betreffende de integrale jeugdhulp wordt vervangen door wat volgt:
   "Art. 4. Onder de integrale jeugdhulp valt de volgende jeugdhulpverlening die met toepassing van het decreet van 12 maart 2013 wordt aangeboden door:
   1° de gemeenschapsinstellingen, vermeld in artikel 2, 4° van het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht; 2° de erkende voorzieningen, vermeld in artikel 1, 15° van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 april 2019 inzake de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor voorzieningen voor jeugdhulp.
   Onder de integrale jeugdhulp valt ook de jeugdhulpverlening in het raam van projecten als vermeld in artikel 70 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 april 2019 inzake de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor voorzieningen voor jeugdhulp.".
Art. 70. Pour l'organisation et la coordination d'un projet, [1 visé à l'article 2, § 1, 46° /1,]1 du décret du 12 juillet 2013, une subvention peut être octroyée, à charge du fonds et dans les limites des crédits budgétaires, à un pouvoir organisateur ou plusieurs pouvoirs organisateurs, sur leur demande.
Une demande de subvention n'est recevable que :
[1 si elle est introduite par le(s) pouvoir(s) organisateur(s) auprès de l'administration ]1 ;
si elle comprend les éléments suivants :
a) l'identité et l'adresse du pouvoir organisateur ;
b) une description du projet comprenant les éléments suivants :
1) la problématique qui est à la base du projet ;
2) la manière dont le projet intervient dans la problématique ;
3) le rapport du projet à l'offre existante ;
4) la pertinence sociale du projet ;
5) le groupe cible et le nombre de mineurs sur lesquels portera le projet ;
6) des références à des études existantes, si elles sont disponibles ;
7) les effets envisagés du projet ;
8) les indicateurs et facteurs de mesure pour mesurer les effets envisagés ;
9) la manière dont et par qui le projet sera suivi et évalué ;
10) la manière dont le projet peut être rendu structurel ;
11) la durée et les phases du projet ;
12) un budget de toutes les recettes et dépenses relatives à la réalisation du projet.
L'article 11 et les articles 28 à 32 s'appliquent par analogie aux projets.
La durée, visée à l'alinéa 2, 2°, b), 11), s'élève à cinq ans au maximum. [1 La décision de dépasser ce délai ne peut être prise que si le pouvoir organisateur introduit une demande à cet effet qui comprend, outre les éléments visées à l'alinéa deux, 2°, une motivation de la prolongation.]1.
[1 La décision d'octroi d'une subvention comprend :]1
l'identité et l'adresse [1 le pouvoir organisateur ]1 ;
la description du projet, visé à l'alinéa 2, 2°, b) ;
une référence à l'alinéa 4 ;
une référence aux critères spécifiques, visés à l'alinéa 3 ;
la manière dont il est fait un rapport sur l'avancement du projet, tant au niveau du contenu qu'au niveau financier ;
l'indication des montants de subvention et de l'affectation des montants ;
la mention des modalités de paiement des subventions ;
la durée [1 du projet ]1 ;
[1 ...]1
La subvention est octroyée à condition :
qu'elle soit affectée uniquement aux frais de personnel et aux frais de fonctionnement qui sont nécessaires à la réalisation du projet ;
qu'un plan comptable est utilisé conformément à un système de comptes établi par le Ministre;
que le contrôle de l'administration soit possible, de la comptabilité et de l'affectation des subventions, tant sur la base de documents que sur place.
Art. 72. In artikel 35 van hetzelfde besluit wordt paragraaf 1, punt 2° vervangen door wat volgt:
   "2° : de onthaal-, observatie- en oriëntatiecentra, vermeld in artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 april 2019 inzake de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor voorzieningen voor jeugdhulp.".
CHAPITRE 7. - Dispositions modificatives
Art. 73. In artikel 74, paragraaf 1 van hetzelfde besluit wordt het vierde lid vervangen door wat volgt:
   "De vergoeding wordt niet toegekend voor de crisisinterventie, -begeleiding of -opvang gepresteerd door de diensten voor crisishulp aan huis, vermeld in artikel 6 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 april 2019 inzake de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor voorzieningen voor jeugdhulp."
Art. 71. L'article 4 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 février 2014 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse est remplacé par ce qui suit :
" Art. 4. L'aide intégrale à la jeunesse comprend les services d'aide à la jeunesse suivants, offerts en application du décret du 12 mars 2013, par :
les institutions communautaires, visées à l'article 2, 4°, du décret du 15 février 2019 sur le droit en matière de délinquance juvénile ;
les structures agréées, visées à l'article 1er, 15°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 avril 2019 relatif aux conditions d'agrément et aux normes de subventionnement des structures de l'aide à la jeunesse.
L'aide intégrale à la jeunesse comprend également les services d'aide à la jeunesse dans le cadre de projets tels que visés à l'article 70 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 avril 2019 relatif aux conditions d'agrément et aux normes de subventionnement des structures de l'aide à la jeunesse.
HOOFDSTUK 8.- Opheffings-, Overgangs- en Slotbepalingen
Art. 72. Dans l'article 35 du même arrêté, le paragraphe 1er, point 2° est remplacé par ce qui suit :
Art. 74. De volgende regelingen worden opgeheven:
   1° het besluit van de Vlaamse regering van 13 juli 1994 inzake de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor de voorzieningen van de bijzondere jeugdbijstand, het laatst gewijzigd bij besluit van de Vlaamse Regering van 22 januari 2016 tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 1994 inzake de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor de voorzieningen van de bijzondere jeugdbijstand;
   2° het besluit van de Vlaamse Regering van 18 december 2015 betreffende de subsidiëring van naadloze flexibele trajecten onderwijs - welzijn.
Art. 73. Dans l'article 74, § 1er, du même arrêté, l'alinéa 4 est remplacé par ce qui suit :
" L'indemnité n'est pas accordée pour l'intervention, l'accompagnement ou l'accueil de crise presté par les services d'aide de crise à domicile, visés à l'article 6 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 avril 2019 relatif aux conditions d'agrément et aux normes de subventionnement des structures de l'aide à la jeunesse. "
Art. Elke wijziging aan dit besluit, voor wat erkenning, organisatie en subsidiëring van de voorzieningen van de categorie 6 betreft, kan uitsluitend door de Vlaamse Regering worden doorgevoerd op gezamenlijk voorstel van de Vlaamse minister, bevoegd voor onderwijs, en de minister.
CHAPITRE 8. - Dispositions abrogatoires, transitoires et finales
Art. 76. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2019. Art. 77. De Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, en de Vlaamse minister, bevoegd voor onderwijs, zijn, ieder wat hem of haar betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 74. Les réglementations suivantes sont abrogées :
l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 juillet 1994 relatif aux conditions à l'agrément et à l'octroi de subventions aux institutions de l'assistance spéciale à la jeunesse, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 janvier 2016 modifiant diverses dispositions de l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 juillet 1994 relatif aux conditions à l'agrément et à l'octroi de subventions aux institutions de l'assistance spéciale à la jeunesse ;
l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 décembre 2015 relatif au subventionnement de parcours enseignement-bien-être fluides et flexibles.
BIJLAGEN.
Art. 75. Toute modification du présent arrêté, en ce qui concerne l'agrément, l'organisation et le subventionnement des structures de la catégorie 6, ne peut être apportée par le Gouvernement flamand que sur proposition conjointe du Ministre flamand chargé de l'enseignement et du Ministre.
Art.N1. Bijlage 1. - Forfaitaire subsidies als vermeld in artikel 33 [2 typemodule subsidie voor gemiddelde anciënniteit van 5 jaar subsidie per bijkomend jaar anciënniteit punten verblijf voor -12-jarigen 44.124,94 894,99 4,0 verblijf voor +12-jarigen 44.830,54 894,99 4,0 verblijf 0-25-jarigen 44.477,74 894,99 4,0 bijkomende subsidie voor verblijfsmodules, erkend met toepassing van artikel 14 van dit besluit 4017,53 96.86 0,5 beveiligend verblijf 89.661,11 1789,98 8,0 verblijf in het kader van diagnostiek 47.929,01 989,42 4,5 verblijf 7 dagen per week 47.929,01 989,42 4,5 verblijf 5 dagen per week 35.946,76 742,07 3,5 verblijf in een voorziening van categorie 8 69.496,48 1398,41 6,25 dagbegeleiding in groep 18.326,85 384,61 2,0 contextbegeleiding kortdurend krachtgericht 8817,75 192,31 1,0 contextbegeleiding laagintensief 8817,75 192,31 1,0 contextbegeleiding breedsporig 17.635,53 384,61 2,0 contextbegeleiding kortdurend intensief 26.453,28 576,92 3,0 contextbegeleiding in functie van autonoom wonen basisintensiteit 8817,75 192,31 1,0 contextbegeleiding in functie van autonoom wonen middenintensiteit 17.635,53 384,61 2,0 ondersteunende begeleiding 44.088,81 961,53 5,0 contextbegeleiding in functie van crisis 6981,79 144,76 0,8 handelingsgerichte diagnostiek 39.642,61 873,97 4,5 behandeling met geïntegreerde diagnostiek 31.383,73 691,90 3,5 begeleiding in functie van onderwijs-welzijnstrajecten 2565,50 54,75 0,30De subsidiebedragen zijn gekoppeld aan de index van de consumptieprijzen die van toepassing is op 1 januari 2020.]2
  (2)2021-02-05/06, art. 5, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2020>
   Gewijzigd bij / 2021-12-17/42, art. 19, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2022> 2023-11-17/15, art. 11, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2023>
Art. 76. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er janvier 2019.
Art. N2. Bijlage 2
  (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 12-07-2019, p. 70756)
Art. 77. Le Ministre flamand ayant l'assistance aux personnes dans ses attributions et le Ministre flamand ayant l'enseignement dans ses attributions sont chargés, chacun en ce qui le ou la concerne, de l'exécution du présent arrêté.
Art. N3. Bijlage 3
  (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 12-07-2019, p. 70756)
  Gewijzigd bij : 2023-11-17/15, art. 12, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2023>
ANNEXES.
Art. N4. Bijlage 4 (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 12-07-2019, p. 70756)
Art. N1. Annexe 1. - Subventions forfaitaires telles que visées à l'article 33
[2
-
module type subvention pour une ancienneté moyenne de 5 ans subvention par année d'ancienneté supplémentaire points
séjour pour les -12 ans 44 124,94 894,99 4,0
séjour pour les +12 ans 44 830,54 894,99 4,0
séjour 0-25 ans 44 477,74 894,99 4,0
subvention supplémentaire pour les modules de séjour, agréés en application de l'article 14 du présent arrêté 4 017,53 96,86 0,5
séjour sécurisant 89 661,11 1 789,98 8,0
séjour dans le cadre du diagnostic 47 929,01 989,42 4,5
séjour 7 jours par semaine 47 929,01 989,42 4,5
séjour 5 jours par semaine 35 946,76 742,07 3,5
séjour dans une structure de la catégorie B 69 496,48 1 398,41 6,25
accompagnement de jour en groupe 18 326,85 384,61 2,0
accompagnement contextuel de courte durée et axé sur les forces 8 817,75 192,31 1,0
accompagnement contextuel de faible intensité 8 817,75 192,31 1,0
accompagnement contextuel généraliste 17 635,53 384,61 2,0
accompagnement contextuel intensif de courte durée 26 453,28 576,92 3,0
accompagnement contextuel en vue de l'habitation autonome à intensité de base 8817,75 192,31 1,0
accompagnement contextuel en vue de l'habitation autonome à intensité moyenne 17 635,53 384,61 2,0
accompagnement de soutien 44 088,81 961,53 5,0
accompagnement contextuel à la suite d'une crise 6 981,79 144,76 0,8
diagnostic visant l'action 39 642,61 873,97 4,5
traitement avec diagnostic intégré 31 383,73 691,90 3,5
accompagnement en vue de parcours enseignement-bien-être 2 565,50 54,75 0,30
module type subvention pour une ancienneté moyenne de 5 ans subvention par année d'ancienneté supplémentaire points séjour pour les -12 ans 44 124,94 894,99 4,0 séjour pour les +12 ans 44 830,54 894,99 4,0 séjour 0-25 ans 44 477,74 894,99 4,0 subvention supplémentaire pour les modules de séjour, agréés en application de l'article 14 du présent arrêté 4 017,53 96,86 0,5 séjour sécurisant 89 661,11 1 789,98 8,0 séjour dans le cadre du diagnostic 47 929,01 989,42 4,5 séjour 7 jours par semaine 47 929,01 989,42 4,5 séjour 5 jours par semaine 35 946,76 742,07 3,5 séjour dans une structure de la catégorie B 69 496,48 1 398,41 6,25 accompagnement de jour en groupe 18 326,85 384,61 2,0 accompagnement contextuel de courte durée et axé sur les forces 8 817,75 192,31 1,0 accompagnement contextuel de faible intensité 8 817,75 192,31 1,0 accompagnement contextuel généraliste 17 635,53 384,61 2,0 accompagnement contextuel intensif de courte durée 26 453,28 576,92 3,0 accompagnement contextuel en vue de l'habitation autonome à intensité de base 8817,75 192,31 1,0 accompagnement contextuel en vue de l'habitation autonome à intensité moyenne 17 635,53 384,61 2,0 accompagnement de soutien 44 088,81 961,53 5,0 accompagnement contextuel à la suite d'une crise 6 981,79 144,76 0,8 diagnostic visant l'action 39 642,61 873,97 4,5 traitement avec diagnostic intégré 31 383,73 691,90 3,5 accompagnement en vue de parcours enseignement-bien-être 2 565,50 54,75 0,30
Les montants de subvention sont liés à l'indice des prix à la consommation en vigueur au 1er janvier 2020.]2
(2)2021-02-05/06, art. 5, 004; En vigueur : 01-01-2020>
-
Modifié par:
(3)2021-12-17/42, art. 19, 006; En vigueur : 01-01-2022>
2023-11-17/15, art. 11, 010; En vigueur : 01-01-2023>
-
Art. N2. Annexe 2
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 12-07-2019, p. 70786)
-
Art. N3. Annexe 3
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 12-07-2019, p. 70786)
Modifié par:
)2023-11-17/15, art. 12, 010; En vigueur : 01-01-2023>
-
Art. N4. Annexe 4
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 12-07-2019, p. 70786)