Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
22 MAART 2019. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende wijzigingen aan het besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2014 betreffende de integrale jeugdhulp
Titre
22 MARS 2019. - Arrêté du Gouvernement flamand modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 février 2014 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse
Dokumentinformationen
Info du document
Tekst (26)
Texte (26)
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2014 betreffende de integrale jeugdhulp
CHAPITRE 1er. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 février 2014 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse
Artikel 1. In artikel 12, 1°, artikel 15, eerste lid, artikel 52, 53, 2°, en artikel 75 van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2014 betreffende de integrale jeugdhulp wordt het woord "Managementcomité" vervangen door het woord "agentschap".
Article 1er. Dans l'article 12, 1°, l'article 15, alinéa 1er, les articles 52, 53, 2°, et l'article 75 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 février 2014 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse, les mots " le comité de gestion " sont remplacés par les mots " l'agence ".
Art. 2. In artikel 14, 73, tweede lid, artikel 74, § 2, artikel 98, tweede lid, en artikel 100, eerste lid, van hetzelfde besluit wordt het woord "Managementcomité" telkens vervangen door het woord "agentschap".
Art. 2. Dans les articles 14 et 73, alinéa 2, l'article 74, § 2, l'article 98, alinéa 2, et l'article 100, alinéa 1er, du même arrêté, les mots " le comité de gestion " sont à chaque fois remplacés par les mots " l'agence ".
Art. 3. In artikel 20, 61 en 85 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden "maximaal tien jaar na het bereiken door de betrokkene van de meerderjarigheid" worden vervangen door de woorden "de betrokkene de leeftijd van vijfendertig jaar heeft bereikt;
2° de zin "Een maand voor de vernietiging van het dossier wordt de betrokkene schriftelijk op de hoogte gebracht van het feit dat hij een kopie van het dossier kan verkrijgen" wordt vervangen door de zin "Bij het afsluiten van het dossier wordt de betrokkene hiervan op de hoogte gebracht.
1° de woorden "maximaal tien jaar na het bereiken door de betrokkene van de meerderjarigheid" worden vervangen door de woorden "de betrokkene de leeftijd van vijfendertig jaar heeft bereikt;
2° de zin "Een maand voor de vernietiging van het dossier wordt de betrokkene schriftelijk op de hoogte gebracht van het feit dat hij een kopie van het dossier kan verkrijgen" wordt vervangen door de zin "Bij het afsluiten van het dossier wordt de betrokkene hiervan op de hoogte gebracht.
Art. 3. Aux articles 20, 61, et 85 du même arrêté, sont apportées les modifications suivantes :
1° les mots " jusqu'à dix ans après que l'intéressé a atteint la majorité " sont remplacés par les mots " jusqu'au moment où l'intéressé a atteint l'âge de trente-cinq ans " ;
2° la phrase " Un mois avant la destruction du dossier, l'intéressé est avisé par écrit du fait qu'il peut obtenir une copie du dossier " est remplacée par la phrase " L'intéressé en est avisé au moment de la clôture du dossier ".
1° les mots " jusqu'à dix ans après que l'intéressé a atteint la majorité " sont remplacés par les mots " jusqu'au moment où l'intéressé a atteint l'âge de trente-cinq ans " ;
2° la phrase " Un mois avant la destruction du dossier, l'intéressé est avisé par écrit du fait qu'il peut obtenir une copie du dossier " est remplacée par la phrase " L'intéressé en est avisé au moment de la clôture du dossier ".
Art. 4. In artikel 21, vierde lid, artikel 62, tweede lid, en artikel 72, tweede lid, van hetzelfde besluit worden de woorden "Managementcomité Integrale Jeugdhulp" vervangen door het woord "agentschap".
Art. 4. Dans l'article 21, alinéa 4, l'article 62, alinéa 2 et l'article 72, alinéa 2, du même arrêté, les mots " au comité de gestion de l'aide intégrale à la jeunesse " sont remplacés par les mots " à l'agence ".
Art. 5. Artikel 22 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 22. Een aanvraag, zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende integrale jeugdhulp kan worden ingediend als cumulatief de volgende voorwaarden vervuld zijn:
1° de minderjarige, zijn ouders of opvoedingsverantwoordelijken hebben een hulpvraag gesteld in de rechtstreeks toegankelijke of niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening, maar die hulpvraag is niet beantwoord om een andere reden dan de volledige bezetting van de capaciteit;
2° de minderjarige, zijn ouders of opvoedingsverantwoordelijken kunnen aantonen dat er een poging tot bemiddeling, als vermeld in artikel 30, tweede lid, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende integrale jeugdhulp kan heeft plaatsgevonden;
3° de minderjarige, zijn ouders of opvoedingsverantwoordelijken zijn niet betrokken bij een procedure bij het ondersteuningscentrum of bij het vertrouwenscentrum kindermishandeling.
Het verzoek moet gestaafd worden met een document dat aantoont dat er een poging tot bemiddeling heeft plaatsgevonden. Een poging tot bemiddeling als vermeld in het eerste lid, 2°, impliceert dat de vraag naar bemiddeling is gesteld, maar ofwel dat bemiddeling heeft plaatsgevonden, maar niet heeft geleid tot een conflictoplossing, ofwel dat bemiddeling niet heeft plaatsgevonden omdat een van de betrokken partijen zich niet heeft aangeboden bij de bemiddelaar of omdat er binnen een redelijke termijn geen bemiddeling werd georganiseerd.
Als een jeugdhulpaanbieder jeugdhulpverlening weigert aan een minderjarige, een ouder of een opvoedingsverantwoordelijke, moet hij een attest van weigering opmaken waarin die weigering wordt gemotiveerd en waarin de mogelijkheid voor de minderjarige, de ouders of de opvoedingsverantwoordelijke wordt vermeld om bij de toegangspoort een verzoek tot toekenning van jeugdhulpverlening in te dienen. Hij moet de minderjarige, zijn ouders en, in voorkomend geval, zijn opvoedingsverantwoordelijken ook informeren over die mogelijkheid.
In geval van een aanvraag als vermeld in het eerste lid, stelt het team Indicatiestelling het deel van het aanvraagdocument over de identificatiegegevens in overleg met de betrokkenen op en stelt het een erkend multidisciplinair team aan om het aanvraagdocument volledig in te vullen in overleg met de minderjarige, zijn ouders of, in voorkomend geval, zijn opvoedingsverantwoordelijken.".
"Art. 22. Een aanvraag, zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende integrale jeugdhulp kan worden ingediend als cumulatief de volgende voorwaarden vervuld zijn:
1° de minderjarige, zijn ouders of opvoedingsverantwoordelijken hebben een hulpvraag gesteld in de rechtstreeks toegankelijke of niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening, maar die hulpvraag is niet beantwoord om een andere reden dan de volledige bezetting van de capaciteit;
2° de minderjarige, zijn ouders of opvoedingsverantwoordelijken kunnen aantonen dat er een poging tot bemiddeling, als vermeld in artikel 30, tweede lid, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende integrale jeugdhulp kan heeft plaatsgevonden;
3° de minderjarige, zijn ouders of opvoedingsverantwoordelijken zijn niet betrokken bij een procedure bij het ondersteuningscentrum of bij het vertrouwenscentrum kindermishandeling.
Het verzoek moet gestaafd worden met een document dat aantoont dat er een poging tot bemiddeling heeft plaatsgevonden. Een poging tot bemiddeling als vermeld in het eerste lid, 2°, impliceert dat de vraag naar bemiddeling is gesteld, maar ofwel dat bemiddeling heeft plaatsgevonden, maar niet heeft geleid tot een conflictoplossing, ofwel dat bemiddeling niet heeft plaatsgevonden omdat een van de betrokken partijen zich niet heeft aangeboden bij de bemiddelaar of omdat er binnen een redelijke termijn geen bemiddeling werd georganiseerd.
Als een jeugdhulpaanbieder jeugdhulpverlening weigert aan een minderjarige, een ouder of een opvoedingsverantwoordelijke, moet hij een attest van weigering opmaken waarin die weigering wordt gemotiveerd en waarin de mogelijkheid voor de minderjarige, de ouders of de opvoedingsverantwoordelijke wordt vermeld om bij de toegangspoort een verzoek tot toekenning van jeugdhulpverlening in te dienen. Hij moet de minderjarige, zijn ouders en, in voorkomend geval, zijn opvoedingsverantwoordelijken ook informeren over die mogelijkheid.
In geval van een aanvraag als vermeld in het eerste lid, stelt het team Indicatiestelling het deel van het aanvraagdocument over de identificatiegegevens in overleg met de betrokkenen op en stelt het een erkend multidisciplinair team aan om het aanvraagdocument volledig in te vullen in overleg met de minderjarige, zijn ouders of, in voorkomend geval, zijn opvoedingsverantwoordelijken.".
Art. 5. L'article 22 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
" Art. 22. Une demande, telle que visée à l'article 29, alinéa 1er, du décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse peut être soumise s'il est répondu cumulativement aux conditions suivantes :
1° le mineur, ses parents ou ses responsables de l'éducation ont introduit une demande d'aide pour des services d'aide à la jeunesse directement accessibles ou non directement accessibles, mais il n'a pas été répondu à cette demande d'aide pour une raison autre que l'occupation complète de la capacité ;
2° le mineur, ses parents ou ses responsables de l'éducation peuvent démontrer qu'une tentative de médiation a eu lieu, telle que visée à l'article 30, alinéa 2 du décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse ;
3° le mineur, ses parents ou ses responsables de l'éducation ne sont pas impliqués dans une procédure auprès du centre de soutien ou auprès du centre de confiance pour enfants maltraités.
La demande doit être étayée par un document démontrant qu'une tentative de médiation a eu lieu. Une tentative de médiation, telle que visée à l'alinéa 1er, 2°, implique que la demande de médiation a été introduite, mais que soit la médiation a eu lieu, mais n'a pas débouché sur une résolution du conflit, soit que la médiation n'a pas eu lieu parce que l'une des parties concernées ne s'est pas présentée auprès du médiateur ou parce qu'aucune médiation n'a été organisée dans des délais raisonnables.
Si un offreur d'aide à la jeunesse refuse des services d'aide à la jeunesse à un mineur, à un parent ou à un responsable de l'éducation, il doit établir une attestation de refus qui motive le refus et qui mentionne la possibilité pour le mineur, les parents ou pour un responsable de l'éducation d'introduire une demande en vue de l'octroi de services d'aide à la jeunesse auprès de la porte d'entrée. Il doit aussi informer le mineur, ses parents et, le cas échéant, ses responsables de l'éducation de cette possibilité.
En cas de demande telle que visée à l'alinéa 1er, l'équipe chargée de l'indication rédige la partie du document de demande relative aux données d'identification en concertation avec les intéressés et désigne une équipe multidisciplinaire agréée pour compléter entièrement le document de demande en concertation avec le mineur, ses parents ou, le cas échéant, ses responsables de l'éducation. ".
" Art. 22. Une demande, telle que visée à l'article 29, alinéa 1er, du décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse peut être soumise s'il est répondu cumulativement aux conditions suivantes :
1° le mineur, ses parents ou ses responsables de l'éducation ont introduit une demande d'aide pour des services d'aide à la jeunesse directement accessibles ou non directement accessibles, mais il n'a pas été répondu à cette demande d'aide pour une raison autre que l'occupation complète de la capacité ;
2° le mineur, ses parents ou ses responsables de l'éducation peuvent démontrer qu'une tentative de médiation a eu lieu, telle que visée à l'article 30, alinéa 2 du décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse ;
3° le mineur, ses parents ou ses responsables de l'éducation ne sont pas impliqués dans une procédure auprès du centre de soutien ou auprès du centre de confiance pour enfants maltraités.
La demande doit être étayée par un document démontrant qu'une tentative de médiation a eu lieu. Une tentative de médiation, telle que visée à l'alinéa 1er, 2°, implique que la demande de médiation a été introduite, mais que soit la médiation a eu lieu, mais n'a pas débouché sur une résolution du conflit, soit que la médiation n'a pas eu lieu parce que l'une des parties concernées ne s'est pas présentée auprès du médiateur ou parce qu'aucune médiation n'a été organisée dans des délais raisonnables.
Si un offreur d'aide à la jeunesse refuse des services d'aide à la jeunesse à un mineur, à un parent ou à un responsable de l'éducation, il doit établir une attestation de refus qui motive le refus et qui mentionne la possibilité pour le mineur, les parents ou pour un responsable de l'éducation d'introduire une demande en vue de l'octroi de services d'aide à la jeunesse auprès de la porte d'entrée. Il doit aussi informer le mineur, ses parents et, le cas échéant, ses responsables de l'éducation de cette possibilité.
En cas de demande telle que visée à l'alinéa 1er, l'équipe chargée de l'indication rédige la partie du document de demande relative aux données d'identification en concertation avec les intéressés et désigne une équipe multidisciplinaire agréée pour compléter entièrement le document de demande en concertation avec le mineur, ses parents ou, le cas échéant, ses responsables de l'éducation. ".
Art. 6. In artikel 26 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het derde lid, 2°, worden tussen het woord "verleden" en het woord "niet-rechtstreeks" de woorden "rechtstreeks toegankelijke of" ingevoegd;
2° in het achtste lid wordt het woord "Managementcomité" vervangen door het woord "agentschap".
1° in het derde lid, 2°, worden tussen het woord "verleden" en het woord "niet-rechtstreeks" de woorden "rechtstreeks toegankelijke of" ingevoegd;
2° in het achtste lid wordt het woord "Managementcomité" vervangen door het woord "agentschap".
Art. 6. A l'article 26 du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
1° dans l'alinéa 3, 2° les mots " directement ou " sont insérés entre les mots " une aide à la jeunesse " et les mots " non directement accessible ".
2° dans l'alinéa 8, les mots " Le comité de gestion " sont remplacés par les mots " L'agence ".
1° dans l'alinéa 3, 2° les mots " directement ou " sont insérés entre les mots " une aide à la jeunesse " et les mots " non directement accessible ".
2° dans l'alinéa 8, les mots " Le comité de gestion " sont remplacés par les mots " L'agence ".
Art. 7. In artikel 37, tweede lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 oktober 2015 wordt de zinsede ",het ondersteuningscentrum" opgeheven.
Art. 7. Dans l'article 37, alinéa 2 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 octobre 2015, le membre de phrase " , du centre de soutien " est abrogé.
Art. 8. In artikel 39 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste lid, 1°, worden de woorden "of naar een op basis van de weging ondergeschikte" opgeheven;
2° in paragraaf 3 worden de woorden "Managementcomité Integrale Jeugdhulp" vervangen door het woord "agentschap".
1° in paragraaf 1, eerste lid, 1°, worden de woorden "of naar een op basis van de weging ondergeschikte" opgeheven;
2° in paragraaf 3 worden de woorden "Managementcomité Integrale Jeugdhulp" vervangen door het woord "agentschap".
Art. 8. A l'article 39 du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
1° au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, les mots " subordonné sur la base de la pondération " sont abrogés ;
2° dans le paragraphe 3, les mots " le comité de gestion de l'aide intégrale à la jeunesse " sont remplacés par les mots " l'agence ".
1° au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, les mots " subordonné sur la base de la pondération " sont abrogés ;
2° dans le paragraphe 3, les mots " le comité de gestion de l'aide intégrale à la jeunesse " sont remplacés par les mots " l'agence ".
Art. 9. In artikel 40 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 oktober 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 2 wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Op beslissing van de administrateur-generaal kan het aanbod, in afwijking van de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 2°, ingezet worden naast andere hulpverlening dan niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening die geboden wordt aan de minderjarige.";
2° in de bestaande paragraaf 2, derde lid, dat het vierde lid wordt, worden de woorden "Managementcomité Integrale Jeugdhulp" vervangen door het woord "agentschap".
1° in paragraaf 2 wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Op beslissing van de administrateur-generaal kan het aanbod, in afwijking van de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 2°, ingezet worden naast andere hulpverlening dan niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening die geboden wordt aan de minderjarige.";
2° in de bestaande paragraaf 2, derde lid, dat het vierde lid wordt, worden de woorden "Managementcomité Integrale Jeugdhulp" vervangen door het woord "agentschap".
Art. 9. A l'article 40 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 octobre 2015, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 2, il est inséré un nouvel alinéa entre les alinéas 1er et 2, rédigé comme suit :
" Sur décision de l'administrateur général, l'offre peut, par dérogation à la condition visée à l'alinéa 1er, 2°, être engagée complémentairement à toute aide autre que l'aide à la jeunesse non directement accessible offerte au mineur. " ;
2° dans le paragraphe 2 existant, alinéa 3, qui devient l'alinéa 4, les mots " le comité de gestion de l'aide intégrale à la jeunesse " sont remplacés par les mots " l'agence " ;
1° au paragraphe 2, il est inséré un nouvel alinéa entre les alinéas 1er et 2, rédigé comme suit :
" Sur décision de l'administrateur général, l'offre peut, par dérogation à la condition visée à l'alinéa 1er, 2°, être engagée complémentairement à toute aide autre que l'aide à la jeunesse non directement accessible offerte au mineur. " ;
2° dans le paragraphe 2 existant, alinéa 3, qui devient l'alinéa 4, les mots " le comité de gestion de l'aide intégrale à la jeunesse " sont remplacés par les mots " l'agence " ;
Art. 10. In artikel 41, tweede lid, van hetzelfde besluit wordt de zinsnede "24 uur" vervangen door de woorden "twee werkdagen".
Art. 10. Dans l'article 41, alinéa 2, du même arrêté, le membre de phrase " 24 heures " est remplacé par les mots " deux jours ouvrables ".
Art. 11. In artikel 43 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste en derde lid, wordt tussen de zinsnede "eerste lid, 1°, " en de woorden "van het voormelde decreet" de zinsnede "en 3°, " ingevoegd;
2° in paragraaf 2, derde lid, wordt de zinsnede "3°, " opgeheven.
1° in paragraaf 1, eerste en derde lid, wordt tussen de zinsnede "eerste lid, 1°, " en de woorden "van het voormelde decreet" de zinsnede "en 3°, " ingevoegd;
2° in paragraaf 2, derde lid, wordt de zinsnede "3°, " opgeheven.
Art. 11. A l'article 43 du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er et 3, le membre de phrase " et 3° " est inséré entre le membre de phrase " alinéa premier, 1° " et les mots " du décret précité " ;
2° au paragraphe 2, alinéa 3, le membre de phrase " 3°, " est abrogé ;
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er et 3, le membre de phrase " et 3° " est inséré entre le membre de phrase " alinéa premier, 1° " et les mots " du décret précité " ;
2° au paragraphe 2, alinéa 3, le membre de phrase " 3°, " est abrogé ;
Art. 12. In artikel 49 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 6 februari 2015 en 23 februari 2018, worden de woorden "Managementcomité Integrale Jeugdhulp" telkens vervangen door het woord "agentschap".
Art. 12. Dans l'article 49 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 6 février 2015 et 23 février 2018, les mots " le comité de gestion de l'aide intégrale à la jeunesse " sont chaque fois remplacés les mots " l'agence ".
Art. 13. Artikel 51 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 51. § 1. De bemiddeling voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 30, tweede en derde lid, van het decreet van 12 juli 2013.
Bij de bemiddeling werken de partijen aan een gedragen en gedeelde oplossing. Dat kan inhouden dat jeugdhulpverlening wordt opgestart of dat bestaande jeugdhulpverlening wordt voortgezet, aangepast of stopgezet.
§ 2. De bemiddeling kan niet worden ingezet voor de beslissingen van de intersectorale toegangspoort, de sociale dienst en de gemandateerde voorzieningen. Ze kan alleen worden ingezet in een conflict tussen de minderjarige, zijn ouders of, in voorkomend geval, zijn opvoedingsverantwoordelijken en een jeugdhulpaanbieder of tussen de minderjarige en zijn ouders of, in voorkomend geval, zijn opvoedingsverantwoordelijken. De bemiddeling schort het proces bij de gemandateerde voorzieningen, de intersectorale toegangspoort of de sociale dienst niet op.
§ 3. Het resultaat van een bemiddeling kan, als alle partijen daarmee instemmen, worden neergeschreven in een overeenkomst. Partijen kunnen in de overeenkomst opnemen of ze daarover willen rapporteren, aan wie en op welke manier.
§ 4. Bemiddeling vindt plaats onder leiding van een erkende bemiddelaar.".
"Art. 51. § 1. De bemiddeling voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 30, tweede en derde lid, van het decreet van 12 juli 2013.
Bij de bemiddeling werken de partijen aan een gedragen en gedeelde oplossing. Dat kan inhouden dat jeugdhulpverlening wordt opgestart of dat bestaande jeugdhulpverlening wordt voortgezet, aangepast of stopgezet.
§ 2. De bemiddeling kan niet worden ingezet voor de beslissingen van de intersectorale toegangspoort, de sociale dienst en de gemandateerde voorzieningen. Ze kan alleen worden ingezet in een conflict tussen de minderjarige, zijn ouders of, in voorkomend geval, zijn opvoedingsverantwoordelijken en een jeugdhulpaanbieder of tussen de minderjarige en zijn ouders of, in voorkomend geval, zijn opvoedingsverantwoordelijken. De bemiddeling schort het proces bij de gemandateerde voorzieningen, de intersectorale toegangspoort of de sociale dienst niet op.
§ 3. Het resultaat van een bemiddeling kan, als alle partijen daarmee instemmen, worden neergeschreven in een overeenkomst. Partijen kunnen in de overeenkomst opnemen of ze daarover willen rapporteren, aan wie en op welke manier.
§ 4. Bemiddeling vindt plaats onder leiding van een erkende bemiddelaar.".
Art. 13. L'article 51 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
" Art. 51. § 1er. La médiation répond aux conditions, visées à l'article 30, alinéas 2 et 3, du décret du 12 juillet 2013 ;
Lors de la médiation, les parties oeuvrent à une solution portée et partagée. Cela peut impliquer que le service d'aide à la jeunesse soit lancé ou que le service d'aide à la jeunesse existant soit prolongé, adapté ou arrêté.
§ 2. La médiation ne peut pas être engagée pour les décisions de la porte d'entrée intersectorielle, du service social et des structures mandatées. Elle peut seulement être engagée en cas d'un conflit entre le mineur, ses parents ou, le cas échéant, ses responsables de l'éducation et un offreur d'aide à la jeunesse, ou entre le mineur et ses parents ou, le cas échéant, les responsables de son éducation. La médiation ne suspend pas le processus auprès des structures mandatées, auprès de la porte d'entrée intersectorielle ou auprès du service social.
§ 3. Le résultat d'une médiation peut, si toutes les parties y consentent, être établi dans une convention. Les parties peuvent indiquer dans la convention si elles désirent faire rapport à ce sujet, à qui, et de quelle manière.
§ 4. La médiation se déroule sous la direction d'un médiateur agréé. ".
" Art. 51. § 1er. La médiation répond aux conditions, visées à l'article 30, alinéas 2 et 3, du décret du 12 juillet 2013 ;
Lors de la médiation, les parties oeuvrent à une solution portée et partagée. Cela peut impliquer que le service d'aide à la jeunesse soit lancé ou que le service d'aide à la jeunesse existant soit prolongé, adapté ou arrêté.
§ 2. La médiation ne peut pas être engagée pour les décisions de la porte d'entrée intersectorielle, du service social et des structures mandatées. Elle peut seulement être engagée en cas d'un conflit entre le mineur, ses parents ou, le cas échéant, ses responsables de l'éducation et un offreur d'aide à la jeunesse, ou entre le mineur et ses parents ou, le cas échéant, les responsables de son éducation. La médiation ne suspend pas le processus auprès des structures mandatées, auprès de la porte d'entrée intersectorielle ou auprès du service social.
§ 3. Le résultat d'une médiation peut, si toutes les parties y consentent, être établi dans une convention. Les parties peuvent indiquer dans la convention si elles désirent faire rapport à ce sujet, à qui, et de quelle manière.
§ 4. La médiation se déroule sous la direction d'un médiateur agréé. ".
Art. 14. In hetzelfde besluit worden een artikel 51/1 tot en met 51/4 ingevoegd, die luiden als volgt:
"Art. 51/1. § 1. De bemiddelaar moet voldoen aan al de volgende kwaliteitseisen:
1° een door de Vlaamse overheid georganiseerde vorming tot bemiddelaar in de jeugdhulp gevolgd hebben;
2° minimaal één keer per jaar deelnemen aan een intervisiemoment in het kader van bemiddeling;
3° de deontologische code voor voorzitters cliëntoverleg, die is goedgekeurd door de Vlaamse overheid, naleven;
4° een overeenkomst met de Vlaamse Gemeenschap ondertekenen.
De vorming, vermeld in het eerste lid, 1°, is alleen toegankelijk voor personen die een basisopleiding bemiddeling hebben gevolgd die erkend is door de federale overheid. Personen die veel ervaring in bemiddeling hebben, kunnen vrijgesteld worden van de vorming, vermeld in het eerste lid, 1°, als hun eerder verworven competenties die aangetoond zijn in een dossier, geaccepteerd worden door een beoordelingscommissie die het agentschap daarvoor aangesteld heeft.
§ 2. Om vergoed te worden, moet de bemiddelaar:
1° de persoonsgegevens die voor de organisatie van bemiddeling noodzakelijk zijn, registreren en verwerken in een systeem dat de Vlaamse overheid daarvoor ter beschikking stelt;
2° een attest opmaken dat er een bemiddelingspoging heeft plaatsgevonden, als een partij daarnaar vraagt.
Art. 51/2. § 1. Het cliëntoverleg voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 30, tweede lid en derde lid, van het decreet van 12 juli 2013.
Het cliëntoverleg kan ingezet worden op voorwaarde dat verschillende jeugdhulpaanbieders of andere personen en voorzieningen die jeugdhulpverlening aanbieden, erbij betrokken zijn of een engagement opnemen of willen opnemen om betrokken te worden bij de jeugdhulpverlening.
§ 2. Een cliëntoverleg resulteert altijd in een werkplan dat wordt opgesteld conform een sjabloon dat de Vlaamse overheid heeft goedgekeurd, en dat wordt opgevolgd en geëvalueerd door een hulpcoördinator die aangesteld is in samenspraak met de cliënt, zijn ouders en, in voorkomend geval, de opvoedingsverantwoordelijken. Elke jeugdhulpaanbieder die bij de jeugdhulpverlening aan de minderjarige betrokken is, kan de rol van hulpcoördinator opnemen.
§ 3. Met de instemming van de minderjarige, zijn ouders en, in voorkomend geval, zijn opvoedingsverantwoordelijken kunnen maximaal twee deskundigen, die niet betrokken zijn bij de lopende hulpverlening, uitgenodigd worden. Ze adviseren de deelnemers aan het overleg.
§ 4. De externe voorzitter is onafhankelijk ten opzichte van de aan het cliëntoverleg deelnemende jeugdhulpaanbieders, de minderjarige en zijn context.
Art. 51/3. § 1. De externe voorzitter moet voldoen aan al de volgende kwaliteitseisen:
1° een door de Vlaamse overheid georganiseerde vorming tot voorzitter cliëntoverleg in de integrale jeugdhulp gevolgd hebben;
2° minimaal één keer per jaar deelnemen aan een intervisiemoment in het kader van cliëntoverleg integrale jeugdhulp;
3° de deontologische code voor voorzitters cliëntoverleg, die is goedgekeurd door de Vlaamse overheid, naleven;
4° een overeenkomst met de Vlaamse Gemeenschap ondertekenen.
Personen die een ruime ervaring in cliëntoverleg hebben, kunnen vrijgesteld worden van de vorming, vermeld in het eerste lid, 1°, als hun eerder verworven competenties, aangetoond in een dossier, geaccepteerd worden door een beoordelingscommissie die het agentschap daarvoor aangesteld heeft.
§ 2. Om vergoed te worden, moeten de externe (co)voorzitters:
1° de persoonsgegevens die noodzakelijk zijn voor de organisatie van bemiddeling in de jeugdhulp, registreren en verwerken in een systeem dat de Vlaamse overheid daarvoor ter beschikking stelt;
2° een werkplan opmaken conform het sjabloon die de Vlaamse overheid ter beschikking stelt.
§ 3. De deskundige, vermeld in artikel 51/2, § 3, moet voldoen aan de kwaliteitseis, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 4°.
Art. 51/4. § 1. De minister kan bijkomende kwaliteitseisen bepalen voor het inzetten van cliëntoverleg en bemiddeling.
§ 2. De minister bepaalt de organisatie van bemiddeling en cliëntoverleg en de vergoeding van bemiddelaars en voorzitters.".
"Art. 51/1. § 1. De bemiddelaar moet voldoen aan al de volgende kwaliteitseisen:
1° een door de Vlaamse overheid georganiseerde vorming tot bemiddelaar in de jeugdhulp gevolgd hebben;
2° minimaal één keer per jaar deelnemen aan een intervisiemoment in het kader van bemiddeling;
3° de deontologische code voor voorzitters cliëntoverleg, die is goedgekeurd door de Vlaamse overheid, naleven;
4° een overeenkomst met de Vlaamse Gemeenschap ondertekenen.
De vorming, vermeld in het eerste lid, 1°, is alleen toegankelijk voor personen die een basisopleiding bemiddeling hebben gevolgd die erkend is door de federale overheid. Personen die veel ervaring in bemiddeling hebben, kunnen vrijgesteld worden van de vorming, vermeld in het eerste lid, 1°, als hun eerder verworven competenties die aangetoond zijn in een dossier, geaccepteerd worden door een beoordelingscommissie die het agentschap daarvoor aangesteld heeft.
§ 2. Om vergoed te worden, moet de bemiddelaar:
1° de persoonsgegevens die voor de organisatie van bemiddeling noodzakelijk zijn, registreren en verwerken in een systeem dat de Vlaamse overheid daarvoor ter beschikking stelt;
2° een attest opmaken dat er een bemiddelingspoging heeft plaatsgevonden, als een partij daarnaar vraagt.
Art. 51/2. § 1. Het cliëntoverleg voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 30, tweede lid en derde lid, van het decreet van 12 juli 2013.
Het cliëntoverleg kan ingezet worden op voorwaarde dat verschillende jeugdhulpaanbieders of andere personen en voorzieningen die jeugdhulpverlening aanbieden, erbij betrokken zijn of een engagement opnemen of willen opnemen om betrokken te worden bij de jeugdhulpverlening.
§ 2. Een cliëntoverleg resulteert altijd in een werkplan dat wordt opgesteld conform een sjabloon dat de Vlaamse overheid heeft goedgekeurd, en dat wordt opgevolgd en geëvalueerd door een hulpcoördinator die aangesteld is in samenspraak met de cliënt, zijn ouders en, in voorkomend geval, de opvoedingsverantwoordelijken. Elke jeugdhulpaanbieder die bij de jeugdhulpverlening aan de minderjarige betrokken is, kan de rol van hulpcoördinator opnemen.
§ 3. Met de instemming van de minderjarige, zijn ouders en, in voorkomend geval, zijn opvoedingsverantwoordelijken kunnen maximaal twee deskundigen, die niet betrokken zijn bij de lopende hulpverlening, uitgenodigd worden. Ze adviseren de deelnemers aan het overleg.
§ 4. De externe voorzitter is onafhankelijk ten opzichte van de aan het cliëntoverleg deelnemende jeugdhulpaanbieders, de minderjarige en zijn context.
Art. 51/3. § 1. De externe voorzitter moet voldoen aan al de volgende kwaliteitseisen:
1° een door de Vlaamse overheid georganiseerde vorming tot voorzitter cliëntoverleg in de integrale jeugdhulp gevolgd hebben;
2° minimaal één keer per jaar deelnemen aan een intervisiemoment in het kader van cliëntoverleg integrale jeugdhulp;
3° de deontologische code voor voorzitters cliëntoverleg, die is goedgekeurd door de Vlaamse overheid, naleven;
4° een overeenkomst met de Vlaamse Gemeenschap ondertekenen.
Personen die een ruime ervaring in cliëntoverleg hebben, kunnen vrijgesteld worden van de vorming, vermeld in het eerste lid, 1°, als hun eerder verworven competenties, aangetoond in een dossier, geaccepteerd worden door een beoordelingscommissie die het agentschap daarvoor aangesteld heeft.
§ 2. Om vergoed te worden, moeten de externe (co)voorzitters:
1° de persoonsgegevens die noodzakelijk zijn voor de organisatie van bemiddeling in de jeugdhulp, registreren en verwerken in een systeem dat de Vlaamse overheid daarvoor ter beschikking stelt;
2° een werkplan opmaken conform het sjabloon die de Vlaamse overheid ter beschikking stelt.
§ 3. De deskundige, vermeld in artikel 51/2, § 3, moet voldoen aan de kwaliteitseis, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 4°.
Art. 51/4. § 1. De minister kan bijkomende kwaliteitseisen bepalen voor het inzetten van cliëntoverleg en bemiddeling.
§ 2. De minister bepaalt de organisatie van bemiddeling en cliëntoverleg en de vergoeding van bemiddelaars en voorzitters.".
Art. 14. Dans le même arrêté sont insérés les articles 51/1 à 51/4, rédigés comme suit :
" Art. 51/1. § 1er. Le médiateur doit répondre à toutes les exigences de qualité suivantes :
1° avoir suivi une formation de médiateur, organisée par l'Autorité flamande, dans l'aide à la jeunesse flamande :
2° participer au moins une fois par an à un moment d'intervision dans le cadre de médiation ;
3° respecter le code déontologique destiné aux présidents de concertation avec le client, agréé par l'Autorité flamande ;
4° signer une convention avec la Communauté flamande.
La formation visée à l'alinéa 1er, 1°, n'est accessible qu'aux personnes qui ont suivi une formation de base en médiation, agréée par l'autorité fédérale. Les personnes disposant d'une vaste expérience dans la médiation, peuvent être dispensées de la formation, visée à l'alinéa 1er, 1°, si leurs compétences acquises antérieurement, démontrées dans un dossier, sont acceptées par une commission d'évaluation désignée à cette fin par l'agence.
§ 2. Afin de toucher une indemnisation, le médiateur doit :
1° enregistrer et traiter les données à caractère personnel nécessaires pour l'organisation de la médiation dans un système mis à disposition à cet effet par l'Autorité flamande ;
2° rédiger une attestation prouvant qu'une tentative de médiation a eu lieu, à la demande d'une partie.
Art. 51/2. § 1er. La concertation avec le client remplit les conditions, visées à l'article 30, alinéas 2 et 3, du décret du 12 juillet 2013 ;
La concertation avec le client peut être engagée à condition que les différents offreurs d'aide à la jeunesse ou d'autres personnes et d'autres structures offrant de l'aide à la jeunesse, y soient associés ou assument ou veuillent assumer un engagement afin d'être associés dans l'aide à la jeunesse.
§ 2. Une concertation avec le client aboutit toujours à un plan de travail qui a été rédigé conformément à un modèle approuvé par l'Autorité flamande, et qui a été suivi et évalué par un coordinateur adjoint désigné en concertation avec le client, ses parents et, le cas échéant, les responsables de l'éducation. Tout offreur de l'aide à la jeunesse associé à l'offre d'aide à la jeunesse en faveur du mineur peut prendre le rôle de coordinateur adjoint.
§ 3. Moyennant l'assentiment du mineur, de ses parents et, le cas échéant, de ses responsables de l'éducation, au maximum deux experts, qui ne sont pas associés au service de l'aide actuellement offert, peuvent être invités. Ils conseillent les participants à la concertation.
§ 4. Le président externe est indépendant par rapport aux offreurs de l'aide à la jeunesse participant à la concertation avec le client, par rapport au mineur et à son contexte.
Art. 51/3. § 1er. Le président externe doit répondre à toutes les conditions de qualité suivantes :
1° avoir suivi une formation de président de concertation avec le client au sein de l'aide à la jeunesse intégrale, organisée par l'Autorité flamande ;
2° participer au moins une fois par an à un moment d'intervision dans le cadre de la concertation avec le client au sein de l'aide intégrale à la jeunesse ;
3° respecter le code déontologique destiné aux présidents de concertation avec le client, agréé par l'Autorité flamande ;
4° signer une convention avec la Communauté flamande.
Les personnes disposant d'une vaste expérience dans la concertation avec le client, peuvent être dispensées de la formation, visée à l'alinéa 1er, 1°, si leurs compétences acquises antérieurement, démontrées dans un dossier, sont acceptées par une commission d'évaluation désignée à cet effet par l'agence.
§ 2. Afin de toucher une indemnisation, les (co)présidents externes doivent :
1° enregistrer et traiter les données à caractère personnel nécessaires pour l'organisation de la médiation dans un système mis à disposition à cet effet par l'Autorité flamande ;
2° rédiger un plan de travail conformément au modèle mis à disposition par l'Autorité flamande à cet effet.
§ 3. Le spécialiste, visé à l'article 51/2, § 3, doit répondre à la condition de qualité, visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, 4°.
Art. 51/4. § 1er. Le ministre peut fixer des conditions de qualité supplémentaires concernant l'engagement d'une concertation avec le client et de médiation.
§ 2. Le ministre détermine l'organisation de la médiation et de la concertation avec le client et l'indemnisation des médiateurs et des présidents. ".
" Art. 51/1. § 1er. Le médiateur doit répondre à toutes les exigences de qualité suivantes :
1° avoir suivi une formation de médiateur, organisée par l'Autorité flamande, dans l'aide à la jeunesse flamande :
2° participer au moins une fois par an à un moment d'intervision dans le cadre de médiation ;
3° respecter le code déontologique destiné aux présidents de concertation avec le client, agréé par l'Autorité flamande ;
4° signer une convention avec la Communauté flamande.
La formation visée à l'alinéa 1er, 1°, n'est accessible qu'aux personnes qui ont suivi une formation de base en médiation, agréée par l'autorité fédérale. Les personnes disposant d'une vaste expérience dans la médiation, peuvent être dispensées de la formation, visée à l'alinéa 1er, 1°, si leurs compétences acquises antérieurement, démontrées dans un dossier, sont acceptées par une commission d'évaluation désignée à cette fin par l'agence.
§ 2. Afin de toucher une indemnisation, le médiateur doit :
1° enregistrer et traiter les données à caractère personnel nécessaires pour l'organisation de la médiation dans un système mis à disposition à cet effet par l'Autorité flamande ;
2° rédiger une attestation prouvant qu'une tentative de médiation a eu lieu, à la demande d'une partie.
Art. 51/2. § 1er. La concertation avec le client remplit les conditions, visées à l'article 30, alinéas 2 et 3, du décret du 12 juillet 2013 ;
La concertation avec le client peut être engagée à condition que les différents offreurs d'aide à la jeunesse ou d'autres personnes et d'autres structures offrant de l'aide à la jeunesse, y soient associés ou assument ou veuillent assumer un engagement afin d'être associés dans l'aide à la jeunesse.
§ 2. Une concertation avec le client aboutit toujours à un plan de travail qui a été rédigé conformément à un modèle approuvé par l'Autorité flamande, et qui a été suivi et évalué par un coordinateur adjoint désigné en concertation avec le client, ses parents et, le cas échéant, les responsables de l'éducation. Tout offreur de l'aide à la jeunesse associé à l'offre d'aide à la jeunesse en faveur du mineur peut prendre le rôle de coordinateur adjoint.
§ 3. Moyennant l'assentiment du mineur, de ses parents et, le cas échéant, de ses responsables de l'éducation, au maximum deux experts, qui ne sont pas associés au service de l'aide actuellement offert, peuvent être invités. Ils conseillent les participants à la concertation.
§ 4. Le président externe est indépendant par rapport aux offreurs de l'aide à la jeunesse participant à la concertation avec le client, par rapport au mineur et à son contexte.
Art. 51/3. § 1er. Le président externe doit répondre à toutes les conditions de qualité suivantes :
1° avoir suivi une formation de président de concertation avec le client au sein de l'aide à la jeunesse intégrale, organisée par l'Autorité flamande ;
2° participer au moins une fois par an à un moment d'intervision dans le cadre de la concertation avec le client au sein de l'aide intégrale à la jeunesse ;
3° respecter le code déontologique destiné aux présidents de concertation avec le client, agréé par l'Autorité flamande ;
4° signer une convention avec la Communauté flamande.
Les personnes disposant d'une vaste expérience dans la concertation avec le client, peuvent être dispensées de la formation, visée à l'alinéa 1er, 1°, si leurs compétences acquises antérieurement, démontrées dans un dossier, sont acceptées par une commission d'évaluation désignée à cet effet par l'agence.
§ 2. Afin de toucher une indemnisation, les (co)présidents externes doivent :
1° enregistrer et traiter les données à caractère personnel nécessaires pour l'organisation de la médiation dans un système mis à disposition à cet effet par l'Autorité flamande ;
2° rédiger un plan de travail conformément au modèle mis à disposition par l'Autorité flamande à cet effet.
§ 3. Le spécialiste, visé à l'article 51/2, § 3, doit répondre à la condition de qualité, visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, 4°.
Art. 51/4. § 1er. Le ministre peut fixer des conditions de qualité supplémentaires concernant l'engagement d'une concertation avec le client et de médiation.
§ 2. Le ministre détermine l'organisation de la médiation et de la concertation avec le client et l'indemnisation des médiateurs et des présidents. ".
Art. 15. In hetzelfde besluit worden een hoofdstuk 8/1, dat bestaat uit artikel 74/1, en een hoofdstuk 8/2, dat bestaat uit artikel 74/2, ingevoegd, die luiden als volgt:
"Hoofdstuk 8/1. Hulpprogramma gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg in de gemeenschapsinstellingen
Art. 74/1. De jeugdhulp organiseert voor minderjarigen met een hulpvraag rond geestelijke gezondheid die verblijven in een gemeenschapsinstelling, een hulpprogramma gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg.
Het hulpprogramma wordt bij voorkeur zo dicht mogelijk bij de verblijfplaats van de minderjarige in een gemeenschapsinstelling uitgevoerd.
De aanmelding voor het hulpprogramma gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg kan alleen gebeuren door een personeelslid met de functie van psycholoog of pedagoog in een gemeenschapsinstelling ten behoeve van minderjarigen waarvan men inschat dat psychiatrische expertise noodzakelijk is om een of meer van de volgende redenen:
1° kennisuitwisseling en -verruiming;
2° verzamelen van klinische en psychometrisch onderbouwde informatie voor een behandeladvies of de vaststelling van de vereiste jeugdpsychiatrische zorgintensiteit met het oog op vervolghulpverlening of het formuleren van een oriëntatievoorstel als vermeld in artikel 26, § 4, van het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht;
3° gespecialiseerde behandeling voor geestelijke gezondheidsproblemen in de gemeenschapsinstelling met mogelijkheid tot voortzetting van dat aanbod na het verblijf van de jongere in de gemeenschapsinstelling;
4° de gemeenschapsinstelling wordt geconfronteerd met een crisissituatie en schat in dat ze zelf of met een doorverwijzing in de jeugdhulpverlening niet tijdig tot een gepaste oplossing kan komen.
Het hulpprogramma gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg omvat de volgende modules die al dan niet gecombineerd kunnen worden ingezet:
1° de module info en advies;
2° de module diagnostiek: diagnostisch onderzoek met het oog op behandeladvies en bepaling van zorgintensiteit;
3° de module behandeling: persoonsgerichte, gespecialiseerde behandeling voor geestelijke gezondheidsproblemen die zowel ambulant als mobiel aangeboden kan worden, inclusief de organisatie van nazorg;
4° de module crisisverblijf: een residentieel aanbod in een voorziening binnen de geestelijke gezondheidszorg.
Het hulpprogramma gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg in de gemeenschapsinstellingen moet erkend worden door het agentschap. Om erkend te kunnen worden, moet het hulpprogramma opgenomen zijn in een samenwerkingsprotocol dat ondertekend is door de betrokken jeugdhulpaanbieders, algemene of psychiatrische ziekenhuizen of revalidatiecentra, en dat goedgekeurd is door het agentschap, na advies van het Intersectoraal Regionaal Overleg Jeugdhulp.
In het vijfde lid wordt verstaan onder:
1° algemeen ziekenhuis: een ziekenhuis als vermeld in artikel 2 van de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen;
2° psychiatrisch ziekenhuis: een ziekenhuis als vermeld in artikel 3 van de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen;
3° revalidatievoorziening: een zorgvoorziening als vermeld in artikel 2, 16°, van het decreet van 6 juli 2018 betreffende de overname van de sectoren psychiatrische verzorgingstehuizen, initiatieven van beschut wonen, revalidatieovereenkomsten, revalidatieziekenhuizen en multidisciplinaire begeleidingsequipes voor palliatieve verzorging, die een van de volgende revalidatieovereenkomsten heeft afgesloten: een revalidatieovereenkomst met de Centra voor Ambulante Revalidatie van diverse taal-, spraak- en stemstoornissen, mentale stoornissen en gedragsstoornissen, een revalidatieovereenkomst met de psychosociale revalidatievoorzieningen voor kinderen en jongeren met een ernstige medisch-psychologische aandoening of een revalidatieovereenkomst met revalidatiecentra voor personen met een verslavingsproblematiek.
De minister bepaalt de inhoud en de geldigheidsduur van het samenwerkingsprotocol, vermeld in het vijfde lid.
De minister kent, met behoud van de toepassing van de sectorale subsidieregels die van toepassing zijn, binnen de beschikbare kredieten middelen toe voor het hulpprogramma gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg in een gemeenschapsinstelling.
HOOFDSTUK 8/2. - Hulpprogramma gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg in jeugdhulpvoorzieningen
Art. 74/2. De jeugdhulp organiseert in elke regio voor minderjarigen met een hulpvraag rond geestelijke gezondheid die residentieel in een jeugdhulpvoorziening verblijven, een hulpprogramma gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg.
Het hulpprogramma wordt bij voorkeur zo dicht mogelijk bij de verblijfplaats van de minderjarige in de jeugdhulpvoorziening uitgevoerd.
De aanmelding voor het hulpprogramma gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg kan alleen gebeuren bij een centraal permanent meldpunt, georganiseerd door de regionale medewerkers continuïteit en toegang, dat instaat voor de doorverwijzing binnen elke regio ten behoeve van minderjarigen waarvan men inschat dat psychiatrische expertise noodzakelijk is om één een of meer van de volgende redenen:
1° kennisuitwisseling en -verruiming of voorbereiding van een intake;
2° verzamelen van klinische en psychometrisch onderbouwde informatie voor een behandeladvies of de vaststelling van de vereiste jeugdpsychiatrische zorgintensiteit met het oog op vervolghulpverlening;
3° jeugdpsychiatrische begeleiding in de jeugdhulpvoorziening met mogelijkheid tot voortzetting van dat aanbod na het verblijf van de jongere in de jeugdhulpvoorziening.
Het hulpprogramma gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg in jeugdhulpvoorzieningen omvat de volgende modules die al dan niet gecombineerd kunnen worden ingezet:
1° de module info en advies, inclusief vroegdetectie van geestelijke gezondheidsproblemen;
2° de module diagnostiek: jeugdpsychiatrisch diagnostisch onderzoek in functie van behandeladvies en bepaling van zorgintensiteit;
3° de module behandeling, inclusief vroeginterventie en persoonsgerichte, gespecialiseerde behandeling voor geestelijke gezondheidsproblemen, die zowel residentieel, ambulant als mobiel aangeboden kan worden, inclusief de organisatie van nazorg.
Het hulpprogramma gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg in jeugdhulpvoorzieningen moet erkend worden door het agentschap. Om erkend te kunnen worden, moet het hulpprogramma opgenomen zijn in een samenwerkingsprotocol dat ondertekend is door de betrokken jeugdhulpaanbieders, algemene of psychiatrische ziekenhuizen of revalidatiecentra, en dat goedgekeurd is door het agentschap, na advies van het Intersectoraal Regionaal Overleg Jeugdhulp.
In het vijfde lid wordt verstaan onder:
1° algemeen ziekenhuis: een ziekenhuis als vermeld in artikel 2 van de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen;
2° psychiatrisch ziekenhuis: een ziekenhuis als vermeld in artikel 3 van de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen;
3° revalidatievoorziening: een zorgvoorziening als vermeld in artikel 2, 16°, van het decreet van 6 juli 2018 betreffende de overname van de sectoren psychiatrische verzorgingstehuizen, initiatieven van beschut wonen, revalidatieovereenkomsten, revalidatieziekenhuizen en multidisciplinaire begeleidingsequipes voor palliatieve verzorging, die een van de volgende revalidatieovereenkomsten heeft afgesloten: een revalidatieovereenkomst met de Centra voor Ambulante Revalidatie van diverse taal-, spraak- en stemstoornissen, mentale stoornissen en gedragsstoornissen, een revalidatieovereenkomst met de psychosociale revalidatievoorzieningen voor kinderen en jongeren met een ernstige medisch-psychologische aandoening of een revalidatieovereenkomst met revalidatiecentra voor personen met een verslavingsproblematiek.
De minister bepaalt de inhoud en de geldigheidsduur van het samenwerkingsprotocol, vermeld in het vijfde lid.
De minister kent, met behoud van de toepassing van de sectorale subsidieregels die van toepassing zijn, binnen de beschikbare kredieten middelen toe voor het hulpprogramma gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg in jeugdhulpvoorzieningen.".
"Hoofdstuk 8/1. Hulpprogramma gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg in de gemeenschapsinstellingen
Art. 74/1. De jeugdhulp organiseert voor minderjarigen met een hulpvraag rond geestelijke gezondheid die verblijven in een gemeenschapsinstelling, een hulpprogramma gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg.
Het hulpprogramma wordt bij voorkeur zo dicht mogelijk bij de verblijfplaats van de minderjarige in een gemeenschapsinstelling uitgevoerd.
De aanmelding voor het hulpprogramma gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg kan alleen gebeuren door een personeelslid met de functie van psycholoog of pedagoog in een gemeenschapsinstelling ten behoeve van minderjarigen waarvan men inschat dat psychiatrische expertise noodzakelijk is om een of meer van de volgende redenen:
1° kennisuitwisseling en -verruiming;
2° verzamelen van klinische en psychometrisch onderbouwde informatie voor een behandeladvies of de vaststelling van de vereiste jeugdpsychiatrische zorgintensiteit met het oog op vervolghulpverlening of het formuleren van een oriëntatievoorstel als vermeld in artikel 26, § 4, van het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht;
3° gespecialiseerde behandeling voor geestelijke gezondheidsproblemen in de gemeenschapsinstelling met mogelijkheid tot voortzetting van dat aanbod na het verblijf van de jongere in de gemeenschapsinstelling;
4° de gemeenschapsinstelling wordt geconfronteerd met een crisissituatie en schat in dat ze zelf of met een doorverwijzing in de jeugdhulpverlening niet tijdig tot een gepaste oplossing kan komen.
Het hulpprogramma gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg omvat de volgende modules die al dan niet gecombineerd kunnen worden ingezet:
1° de module info en advies;
2° de module diagnostiek: diagnostisch onderzoek met het oog op behandeladvies en bepaling van zorgintensiteit;
3° de module behandeling: persoonsgerichte, gespecialiseerde behandeling voor geestelijke gezondheidsproblemen die zowel ambulant als mobiel aangeboden kan worden, inclusief de organisatie van nazorg;
4° de module crisisverblijf: een residentieel aanbod in een voorziening binnen de geestelijke gezondheidszorg.
Het hulpprogramma gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg in de gemeenschapsinstellingen moet erkend worden door het agentschap. Om erkend te kunnen worden, moet het hulpprogramma opgenomen zijn in een samenwerkingsprotocol dat ondertekend is door de betrokken jeugdhulpaanbieders, algemene of psychiatrische ziekenhuizen of revalidatiecentra, en dat goedgekeurd is door het agentschap, na advies van het Intersectoraal Regionaal Overleg Jeugdhulp.
In het vijfde lid wordt verstaan onder:
1° algemeen ziekenhuis: een ziekenhuis als vermeld in artikel 2 van de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen;
2° psychiatrisch ziekenhuis: een ziekenhuis als vermeld in artikel 3 van de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen;
3° revalidatievoorziening: een zorgvoorziening als vermeld in artikel 2, 16°, van het decreet van 6 juli 2018 betreffende de overname van de sectoren psychiatrische verzorgingstehuizen, initiatieven van beschut wonen, revalidatieovereenkomsten, revalidatieziekenhuizen en multidisciplinaire begeleidingsequipes voor palliatieve verzorging, die een van de volgende revalidatieovereenkomsten heeft afgesloten: een revalidatieovereenkomst met de Centra voor Ambulante Revalidatie van diverse taal-, spraak- en stemstoornissen, mentale stoornissen en gedragsstoornissen, een revalidatieovereenkomst met de psychosociale revalidatievoorzieningen voor kinderen en jongeren met een ernstige medisch-psychologische aandoening of een revalidatieovereenkomst met revalidatiecentra voor personen met een verslavingsproblematiek.
De minister bepaalt de inhoud en de geldigheidsduur van het samenwerkingsprotocol, vermeld in het vijfde lid.
De minister kent, met behoud van de toepassing van de sectorale subsidieregels die van toepassing zijn, binnen de beschikbare kredieten middelen toe voor het hulpprogramma gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg in een gemeenschapsinstelling.
HOOFDSTUK 8/2. - Hulpprogramma gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg in jeugdhulpvoorzieningen
Art. 74/2. De jeugdhulp organiseert in elke regio voor minderjarigen met een hulpvraag rond geestelijke gezondheid die residentieel in een jeugdhulpvoorziening verblijven, een hulpprogramma gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg.
Het hulpprogramma wordt bij voorkeur zo dicht mogelijk bij de verblijfplaats van de minderjarige in de jeugdhulpvoorziening uitgevoerd.
De aanmelding voor het hulpprogramma gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg kan alleen gebeuren bij een centraal permanent meldpunt, georganiseerd door de regionale medewerkers continuïteit en toegang, dat instaat voor de doorverwijzing binnen elke regio ten behoeve van minderjarigen waarvan men inschat dat psychiatrische expertise noodzakelijk is om één een of meer van de volgende redenen:
1° kennisuitwisseling en -verruiming of voorbereiding van een intake;
2° verzamelen van klinische en psychometrisch onderbouwde informatie voor een behandeladvies of de vaststelling van de vereiste jeugdpsychiatrische zorgintensiteit met het oog op vervolghulpverlening;
3° jeugdpsychiatrische begeleiding in de jeugdhulpvoorziening met mogelijkheid tot voortzetting van dat aanbod na het verblijf van de jongere in de jeugdhulpvoorziening.
Het hulpprogramma gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg in jeugdhulpvoorzieningen omvat de volgende modules die al dan niet gecombineerd kunnen worden ingezet:
1° de module info en advies, inclusief vroegdetectie van geestelijke gezondheidsproblemen;
2° de module diagnostiek: jeugdpsychiatrisch diagnostisch onderzoek in functie van behandeladvies en bepaling van zorgintensiteit;
3° de module behandeling, inclusief vroeginterventie en persoonsgerichte, gespecialiseerde behandeling voor geestelijke gezondheidsproblemen, die zowel residentieel, ambulant als mobiel aangeboden kan worden, inclusief de organisatie van nazorg.
Het hulpprogramma gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg in jeugdhulpvoorzieningen moet erkend worden door het agentschap. Om erkend te kunnen worden, moet het hulpprogramma opgenomen zijn in een samenwerkingsprotocol dat ondertekend is door de betrokken jeugdhulpaanbieders, algemene of psychiatrische ziekenhuizen of revalidatiecentra, en dat goedgekeurd is door het agentschap, na advies van het Intersectoraal Regionaal Overleg Jeugdhulp.
In het vijfde lid wordt verstaan onder:
1° algemeen ziekenhuis: een ziekenhuis als vermeld in artikel 2 van de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen;
2° psychiatrisch ziekenhuis: een ziekenhuis als vermeld in artikel 3 van de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen;
3° revalidatievoorziening: een zorgvoorziening als vermeld in artikel 2, 16°, van het decreet van 6 juli 2018 betreffende de overname van de sectoren psychiatrische verzorgingstehuizen, initiatieven van beschut wonen, revalidatieovereenkomsten, revalidatieziekenhuizen en multidisciplinaire begeleidingsequipes voor palliatieve verzorging, die een van de volgende revalidatieovereenkomsten heeft afgesloten: een revalidatieovereenkomst met de Centra voor Ambulante Revalidatie van diverse taal-, spraak- en stemstoornissen, mentale stoornissen en gedragsstoornissen, een revalidatieovereenkomst met de psychosociale revalidatievoorzieningen voor kinderen en jongeren met een ernstige medisch-psychologische aandoening of een revalidatieovereenkomst met revalidatiecentra voor personen met een verslavingsproblematiek.
De minister bepaalt de inhoud en de geldigheidsduur van het samenwerkingsprotocol, vermeld in het vijfde lid.
De minister kent, met behoud van de toepassing van de sectorale subsidieregels die van toepassing zijn, binnen de beschikbare kredieten middelen toe voor het hulpprogramma gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg in jeugdhulpvoorzieningen.".
Art. 15. Dans le même arrêté, il est inséré un chapitre 8/1, comprenant l'article 74/1, et un chapitre 8/2, comprenant l'article 74/2, rédigés comme suit :
" Chapitre 8/1 : Programme d'aide de soins spécialisés de santé mentale au sein des institutions communautaires
Art. 74/1. L'aide à la jeunesse organise un programme d'aide de soins spécialisés de santé mentale pour des mineurs ayant une demande d'aide concernant la santé mentale et séjournant dans une institution communautaire.
Le programme d'aide est de préférence mis en oeuvre aussi proche que possible du lieu de séjour du mineur au sein d'une institution communautaire.
L'inscription au programme d'aide de soins spécialisés de santé mentale ne peut être effectuée que par un membre du personnel exerçant la fonction de psychologue ou de pédagogue dans une institution communautaire au bénéfice des mineurs, l'expertise psychiatrique de ceux-ci étant considérée comme nécessaire pour une ou plusieurs des raisons suivantes :
1° l'échange et l'élargissement des connaissances ;
2° la collecte d'informations cliniquement et psychométriquement étayées en vue de l'établissement d'un avis de traitement ou en vue de la constatation de l'intensité des soins pédopsychiatriques requise visant à offrir de l'aide continuée ou à formuler une proposition d'orientation telle que visée à l'article 26, § 4, du décret du 15 février 2019 sur le droit en matière de délinquance juvénile ;
3° le traitement spécialisé en cas de problèmes de soins de santé mentale au sein de l'institution communautaire, accompagné de la possibilité de continuer cette offre après le séjour du jeune dans l'institution communautaire ;
4° l'institution communautaire fait face à une situation de crise et estime ne pas pouvoir offrir de solution appropriée elle-même ou via un renvoi dans l'aide à la jeunesse en temps voulu.
Le programme d'aide des soins de santé mentale spécialisés comprend les modules suivants qui peuvent être mis en oeuvre de façon combinée ou non :
1° le module " informations et conseils " ;
2° le module " diagnostic " : un examen diagnostique en vue de l'établissement d'un avis de traitement et de la détermination de l'intensité des soins ;
3° le module " traitement " : un traitement personnalisé et spécialisé pour des problèmes de santé mentale dont l'offre peut être tant ambulatoire que mobile, y compris l'organisation des soins de suivi ;
4° le module " séjour de crise " : une offre résidentielle dans une structure au sein des soins de santé mentale.
Le programme d'aide des soins de santé mentale spécialisés au sein des institutions communautaires doit être agréé par l'agence. Pour être agréé, le programme d'aide doit être repris dans un protocole de collaboration qui est signé par les offreurs d'aide à la jeunesse, les hôpitaux généraux ou psychiatriques ou les centres de rééducation concernés et qui est approuvé par l'agence, après avis de la concertation régionale et intersectorielle d'aide à la jeunesse ("Intersectoraal Regionaal Overleg Jeugdhulp").
Dans l'alinéa 5, on entend par :
1° hôpital général : un hôpital tel que visé à l'article 2 de la loi coordonnée du 10 juillet 2008 sur les hôpitaux et autres établissements de soins ;
2° hôpital psychiatrique : un hôpital tel que visé à l'article 3 de la loi coordonnée du 10 juillet 2008 sur les hôpitaux et autres établissements de soins ;
3° structure de revalidation : une structure de soins telle que visée à l'article 2, 16°, du décret du 6 juillet 2018 relatif à la reprise des secteurs des maisons de soins psychiatriques, des initiatives d'habitation protégée, des conventions de revalidation, des hôpitaux de revalidation et des équipes d'accompagnement multidisciplinaires de soins palliatifs,qui a conclu l'une des conventions de revalidation suivantes : une convention de revalidation avec les Centres de revalidation ambulatoire de divers troubles du langage, de la parole et de la voix, de troubles mentaux et comportementaux ("Centra voor Ambulante Revalidatie van diverse taal-, spraak- en stemstoornissen"), une convention de revalidation avec les structures de revalidation psychosociale pour enfants et jeunes souffrant d'une affectation médicopsychiatrique grave ou une convention de revalidation avec les centres de revalidation pour personnes ayant des problèmes de dépendance.
Le ministre détermine le contenu et la durée de validité du protocole de collaboration, visé à l'alinéa 5.
Le ministre octroie des moyens au programme d'aide des soins de santé mentale spécialisés au sein d'une institution communautaire, dans les limites des crédits disponibles et sans préjudice de l'application des règles de subvention sectorielles applicables.
CHAPITRE 8/2. - Programme d'aide des soins de santé mentale spécialisés dans les structures d'aide à la jeunesse
Art. 74/2. Dans chaque région, l'aide à la jeunesse organise un programme d'aide de soins de santé mentale spécialisés pour des mineurs ayant une demande d'aide concernant la santé mentale et séjournant dans une structure d'aide à la jeunesse.
Le programme d'aide est effectué de préférence aussi proche que possible du lieu de séjour du mineur au sein d'une structure d'aide à la jeunesse.
L'inscription au programme d'aide des soins de santé mentale spécialisés ne peut être effectuée qu'auprès d'un point de contact central et permanent organisé par des collaborateurs régionaux " Continuité et Accès " qui assure le renvoi dans chaque région en faveur de mineurs, l'expertise psychiatrique de celui-ci étant considérée nécessaire pour une ou plusieurs des raisons suivantes :
1° l'échange et l'élargissement des connaissances ou la préparation d'une prise en charge ;
2° la collecte d'informations cliniquement et psychométriquement étayées en vue de l'établissement d'un avis de traitement ou de la détermination de l'intensité des soins pédopsychiatriques requise en vue de l'aide continuée ;
3° l'accompagnement pédopsychiatrique au sein de la structure d'aide à la jeunesse assorti de la possibilité de continuer cette offre après le séjour du jeune dans la structure d'aide à la jeunesse.
Le programme d'aide des soins de santé mentale spécialisés au sein des structures d'aide à la jeunesse comprend les modules suivants qui peuvent être mis en oeuvre de façon combinée ou non :
1° le module " informations et conseils ", y compris la détection précoce des problèmes de santé mentaux ;
2° le module " diagnostic " : un examen pédopsychiatrique diagnostique en fonction de l'établissement d'un avis de traitement et de la détermination de l'intensité des soins ;
3° le module " traitement ", y compris l'intervention précoce et un traitement personnalisé spécialisé pour des problèmes de santé mentale dont l'offre peut être résidentielle, ambulatoire ainsi que mobile, y compris l'organisation du suivi ;
Le programme d'aide des soins de santé mentale spécialisés au sein des structures d'aide à la jeunesse doit être agréé par l'agence. Pour être agréé, le programme d'aide doit être repris dans un protocole de collaboration qui est signé par les offreurs d'aide à la jeunesse concernés, les hôpitaux généraux ou psychiatriques ou les centres de revalidation et qui est approuvé par l'agence, après avis de la Concertation régionale et intersectorielle d'aide à la jeunesse.
Dans l'alinéa 5, on entend par :
1° hôpital général : un hôpital tel que visé à l'article 2 de la loi coordonnée du 10 juillet 2008 sur les hôpitaux et autres établissements de soins ;
2° hôpital psychiatrique : un hôpital tel que visé à l'article 3 de la loi coordonnée du 10 juillet 2008 sur les hôpitaux et autres établissements de soins ;
3° structure de revalidation : une structure de soins telle que visée à l'article 2, 16°, du décret du 6 juillet 2018 relatif à la reprise des secteurs des maisons de soins psychiatriques, des initiatives d'habitation protégée, des conventions de revalidation, des hôpitaux de revalidation et des équipes d'accompagnement multidisciplinaires de soins palliatifs,qui a conclu l'une des conventions de revalidation suivantes : une convention de revalidation avec les Centres de revalidation ambulatoire de divers troubles du langage, de la parole et de la voix, de troubles mentaux et comportementaux ("Centra voor Ambulante Revalidatie van diverse taal-, spraak- en stemstoornissen"), une convention de revalidation avec les structures de revalidation psychosociale pour enfants et jeunes souffrant d'une affectation médicopsychiatrique grave ou une convention de revalidation avec les centres de revalidation pour personnes ayant des problèmes de dépendance.
Le Ministre détermine le contenu et la durée de validité du protocole de collaboration, visé à l'alinéa 5.
Le ministre accorde des moyens dans les limites des crédits disponibles en faveur du programme d'aide des soins de santé mentale spécialisés au sein des structures d'aide à la jeunesse, sans préjudice de l'application des règles de subvention sectorielles applicables.
" Chapitre 8/1 : Programme d'aide de soins spécialisés de santé mentale au sein des institutions communautaires
Art. 74/1. L'aide à la jeunesse organise un programme d'aide de soins spécialisés de santé mentale pour des mineurs ayant une demande d'aide concernant la santé mentale et séjournant dans une institution communautaire.
Le programme d'aide est de préférence mis en oeuvre aussi proche que possible du lieu de séjour du mineur au sein d'une institution communautaire.
L'inscription au programme d'aide de soins spécialisés de santé mentale ne peut être effectuée que par un membre du personnel exerçant la fonction de psychologue ou de pédagogue dans une institution communautaire au bénéfice des mineurs, l'expertise psychiatrique de ceux-ci étant considérée comme nécessaire pour une ou plusieurs des raisons suivantes :
1° l'échange et l'élargissement des connaissances ;
2° la collecte d'informations cliniquement et psychométriquement étayées en vue de l'établissement d'un avis de traitement ou en vue de la constatation de l'intensité des soins pédopsychiatriques requise visant à offrir de l'aide continuée ou à formuler une proposition d'orientation telle que visée à l'article 26, § 4, du décret du 15 février 2019 sur le droit en matière de délinquance juvénile ;
3° le traitement spécialisé en cas de problèmes de soins de santé mentale au sein de l'institution communautaire, accompagné de la possibilité de continuer cette offre après le séjour du jeune dans l'institution communautaire ;
4° l'institution communautaire fait face à une situation de crise et estime ne pas pouvoir offrir de solution appropriée elle-même ou via un renvoi dans l'aide à la jeunesse en temps voulu.
Le programme d'aide des soins de santé mentale spécialisés comprend les modules suivants qui peuvent être mis en oeuvre de façon combinée ou non :
1° le module " informations et conseils " ;
2° le module " diagnostic " : un examen diagnostique en vue de l'établissement d'un avis de traitement et de la détermination de l'intensité des soins ;
3° le module " traitement " : un traitement personnalisé et spécialisé pour des problèmes de santé mentale dont l'offre peut être tant ambulatoire que mobile, y compris l'organisation des soins de suivi ;
4° le module " séjour de crise " : une offre résidentielle dans une structure au sein des soins de santé mentale.
Le programme d'aide des soins de santé mentale spécialisés au sein des institutions communautaires doit être agréé par l'agence. Pour être agréé, le programme d'aide doit être repris dans un protocole de collaboration qui est signé par les offreurs d'aide à la jeunesse, les hôpitaux généraux ou psychiatriques ou les centres de rééducation concernés et qui est approuvé par l'agence, après avis de la concertation régionale et intersectorielle d'aide à la jeunesse ("Intersectoraal Regionaal Overleg Jeugdhulp").
Dans l'alinéa 5, on entend par :
1° hôpital général : un hôpital tel que visé à l'article 2 de la loi coordonnée du 10 juillet 2008 sur les hôpitaux et autres établissements de soins ;
2° hôpital psychiatrique : un hôpital tel que visé à l'article 3 de la loi coordonnée du 10 juillet 2008 sur les hôpitaux et autres établissements de soins ;
3° structure de revalidation : une structure de soins telle que visée à l'article 2, 16°, du décret du 6 juillet 2018 relatif à la reprise des secteurs des maisons de soins psychiatriques, des initiatives d'habitation protégée, des conventions de revalidation, des hôpitaux de revalidation et des équipes d'accompagnement multidisciplinaires de soins palliatifs,qui a conclu l'une des conventions de revalidation suivantes : une convention de revalidation avec les Centres de revalidation ambulatoire de divers troubles du langage, de la parole et de la voix, de troubles mentaux et comportementaux ("Centra voor Ambulante Revalidatie van diverse taal-, spraak- en stemstoornissen"), une convention de revalidation avec les structures de revalidation psychosociale pour enfants et jeunes souffrant d'une affectation médicopsychiatrique grave ou une convention de revalidation avec les centres de revalidation pour personnes ayant des problèmes de dépendance.
Le ministre détermine le contenu et la durée de validité du protocole de collaboration, visé à l'alinéa 5.
Le ministre octroie des moyens au programme d'aide des soins de santé mentale spécialisés au sein d'une institution communautaire, dans les limites des crédits disponibles et sans préjudice de l'application des règles de subvention sectorielles applicables.
CHAPITRE 8/2. - Programme d'aide des soins de santé mentale spécialisés dans les structures d'aide à la jeunesse
Art. 74/2. Dans chaque région, l'aide à la jeunesse organise un programme d'aide de soins de santé mentale spécialisés pour des mineurs ayant une demande d'aide concernant la santé mentale et séjournant dans une structure d'aide à la jeunesse.
Le programme d'aide est effectué de préférence aussi proche que possible du lieu de séjour du mineur au sein d'une structure d'aide à la jeunesse.
L'inscription au programme d'aide des soins de santé mentale spécialisés ne peut être effectuée qu'auprès d'un point de contact central et permanent organisé par des collaborateurs régionaux " Continuité et Accès " qui assure le renvoi dans chaque région en faveur de mineurs, l'expertise psychiatrique de celui-ci étant considérée nécessaire pour une ou plusieurs des raisons suivantes :
1° l'échange et l'élargissement des connaissances ou la préparation d'une prise en charge ;
2° la collecte d'informations cliniquement et psychométriquement étayées en vue de l'établissement d'un avis de traitement ou de la détermination de l'intensité des soins pédopsychiatriques requise en vue de l'aide continuée ;
3° l'accompagnement pédopsychiatrique au sein de la structure d'aide à la jeunesse assorti de la possibilité de continuer cette offre après le séjour du jeune dans la structure d'aide à la jeunesse.
Le programme d'aide des soins de santé mentale spécialisés au sein des structures d'aide à la jeunesse comprend les modules suivants qui peuvent être mis en oeuvre de façon combinée ou non :
1° le module " informations et conseils ", y compris la détection précoce des problèmes de santé mentaux ;
2° le module " diagnostic " : un examen pédopsychiatrique diagnostique en fonction de l'établissement d'un avis de traitement et de la détermination de l'intensité des soins ;
3° le module " traitement ", y compris l'intervention précoce et un traitement personnalisé spécialisé pour des problèmes de santé mentale dont l'offre peut être résidentielle, ambulatoire ainsi que mobile, y compris l'organisation du suivi ;
Le programme d'aide des soins de santé mentale spécialisés au sein des structures d'aide à la jeunesse doit être agréé par l'agence. Pour être agréé, le programme d'aide doit être repris dans un protocole de collaboration qui est signé par les offreurs d'aide à la jeunesse concernés, les hôpitaux généraux ou psychiatriques ou les centres de revalidation et qui est approuvé par l'agence, après avis de la Concertation régionale et intersectorielle d'aide à la jeunesse.
Dans l'alinéa 5, on entend par :
1° hôpital général : un hôpital tel que visé à l'article 2 de la loi coordonnée du 10 juillet 2008 sur les hôpitaux et autres établissements de soins ;
2° hôpital psychiatrique : un hôpital tel que visé à l'article 3 de la loi coordonnée du 10 juillet 2008 sur les hôpitaux et autres établissements de soins ;
3° structure de revalidation : une structure de soins telle que visée à l'article 2, 16°, du décret du 6 juillet 2018 relatif à la reprise des secteurs des maisons de soins psychiatriques, des initiatives d'habitation protégée, des conventions de revalidation, des hôpitaux de revalidation et des équipes d'accompagnement multidisciplinaires de soins palliatifs,qui a conclu l'une des conventions de revalidation suivantes : une convention de revalidation avec les Centres de revalidation ambulatoire de divers troubles du langage, de la parole et de la voix, de troubles mentaux et comportementaux ("Centra voor Ambulante Revalidatie van diverse taal-, spraak- en stemstoornissen"), une convention de revalidation avec les structures de revalidation psychosociale pour enfants et jeunes souffrant d'une affectation médicopsychiatrique grave ou une convention de revalidation avec les centres de revalidation pour personnes ayant des problèmes de dépendance.
Le Ministre détermine le contenu et la durée de validité du protocole de collaboration, visé à l'alinéa 5.
Le ministre accorde des moyens dans les limites des crédits disponibles en faveur du programme d'aide des soins de santé mentale spécialisés au sein des structures d'aide à la jeunesse, sans préjudice de l'application des règles de subvention sectorielles applicables.
Art. 16. In artikel 79, eerste lid, wordt punt 8° vervangen door wat volgt:
"8° de aanwending van het resterende bedrag van het derde van de gezinsbijslagen ter uitvoering van artikel 68, § 2, van het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid.".
"8° de aanwending van het resterende bedrag van het derde van de gezinsbijslagen ter uitvoering van artikel 68, § 2, van het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid.".
Art. 16. Dans l'article 79, alinéa 1er, le point 8° est remplacé par ce qui suit :
" 8° l'affectation du solde du tiers des allocations familiales en exécution de l'article 68, § 2, du décret du 27 avril 2018 réglant les allocations dans le cadre de la politique familiale. ".
" 8° l'affectation du solde du tiers des allocations familiales en exécution de l'article 68, § 2, du décret du 27 avril 2018 réglant les allocations dans le cadre de la politique familiale. ".
Art. 17. Artikel 86 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
Art. 86. § 1. Voor de uitvoering van de gerechtelijke maatregelen, vermeld in artikel 48, § 1, eerste lid, 3° tot en met 14°, van het decreet van 12 juli 2013, komen de jeugdhulpaanbieders in aanmerking die jeugdhulpverlening aanbieden met toepassing van de regelgeving, vermeld in artikel 3, § 1, eerste lid, 1°, en 3° tot en met 7°, van het decreet van 12 juli 2013.
De volgende voorzieningen worden alleen voor de uitvoering van de gerechtelijke maatregelen, vermeld in het eerste lid, gelijkgesteld met een jeugdhulpaanbieder die maatregelen mag uitvoeren:
1° de ziekenhuizen, vermeld in de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen;
2° de voorzieningen die buiten het Nederlandse taalgebied liggen en waarvoor een overeenkomst is gesloten met de Vlaamse Gemeenschap;
3° de schoolinternaten.
" § 2. In afwijking van de termijn, vermeld in artikel 48, § 1, eerste lid, 4° tot en met 10°, van het decreet van 12 juli 2013 bedraagt de maximumtermijn van de typemodules hoogstens:
1° één jaar, eenmalig verlengbaar met maximaal zes maanden voor de typemodules verblijf in een pleeggezin en begeleiding voor pleeggezinnen, gezinnen en pleegkinderen in een pleeggezin, perspectiefzoekend;
2° negen maanden voor de typemodule beveiligend verblijf;
3° zes maanden voor de typemodule contextbegeleiding kortdurend intensief;
4° vier maanden voor de typemodule contextbegeleiding met het oog op positieve heroriëntering;
5° drie maanden, telkens verlengbaar met een maand voor de volgende typemodules:
a) diagnostiek in het kader van de bijzondere jeugdbijstand;
b) verblijf met het oog op diagnostiek;
6° drie maanden voor de volgende typemodules:
a) ondersteunende begeleiding, rechtstreeks toegankelijk;
b) verblijf en begeleiding voor pleeggezinnen, gezinnen en pleegkinderen in een pleeggezin, ondersteunend en voor korte duur;
7° zes weken, eenmalig verlengbaar met maximaal zes weken voor de typemodule verblijf voor kinderen, voor korte duur;
8° achtentwintig dagen, tweemaal verlengbaar met maximaal zeven dagen voor de typemodule contextbegeleiding bij crisis;
9° twee weken voor de volgende typemodules:
a) een kortdurend crisisverblijf;
b) een crisisverblijf en begeleiding voor pleeggezinnen, gezinnen en pleegkinderen in een pleeggezin;
c) een time-out in de gemeenschapsinstellingen.
§ 3. De minister bepaalt de nadere regels betreffende de organisatie en het aantal plaatsen van de time-outcapaciteit in de gemeenschapsinstellingen, vermeld in paragraaf 2, 9° c).".
Art. 86. § 1. Voor de uitvoering van de gerechtelijke maatregelen, vermeld in artikel 48, § 1, eerste lid, 3° tot en met 14°, van het decreet van 12 juli 2013, komen de jeugdhulpaanbieders in aanmerking die jeugdhulpverlening aanbieden met toepassing van de regelgeving, vermeld in artikel 3, § 1, eerste lid, 1°, en 3° tot en met 7°, van het decreet van 12 juli 2013.
De volgende voorzieningen worden alleen voor de uitvoering van de gerechtelijke maatregelen, vermeld in het eerste lid, gelijkgesteld met een jeugdhulpaanbieder die maatregelen mag uitvoeren:
1° de ziekenhuizen, vermeld in de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen;
2° de voorzieningen die buiten het Nederlandse taalgebied liggen en waarvoor een overeenkomst is gesloten met de Vlaamse Gemeenschap;
3° de schoolinternaten.
" § 2. In afwijking van de termijn, vermeld in artikel 48, § 1, eerste lid, 4° tot en met 10°, van het decreet van 12 juli 2013 bedraagt de maximumtermijn van de typemodules hoogstens:
1° één jaar, eenmalig verlengbaar met maximaal zes maanden voor de typemodules verblijf in een pleeggezin en begeleiding voor pleeggezinnen, gezinnen en pleegkinderen in een pleeggezin, perspectiefzoekend;
2° negen maanden voor de typemodule beveiligend verblijf;
3° zes maanden voor de typemodule contextbegeleiding kortdurend intensief;
4° vier maanden voor de typemodule contextbegeleiding met het oog op positieve heroriëntering;
5° drie maanden, telkens verlengbaar met een maand voor de volgende typemodules:
a) diagnostiek in het kader van de bijzondere jeugdbijstand;
b) verblijf met het oog op diagnostiek;
6° drie maanden voor de volgende typemodules:
a) ondersteunende begeleiding, rechtstreeks toegankelijk;
b) verblijf en begeleiding voor pleeggezinnen, gezinnen en pleegkinderen in een pleeggezin, ondersteunend en voor korte duur;
7° zes weken, eenmalig verlengbaar met maximaal zes weken voor de typemodule verblijf voor kinderen, voor korte duur;
8° achtentwintig dagen, tweemaal verlengbaar met maximaal zeven dagen voor de typemodule contextbegeleiding bij crisis;
9° twee weken voor de volgende typemodules:
a) een kortdurend crisisverblijf;
b) een crisisverblijf en begeleiding voor pleeggezinnen, gezinnen en pleegkinderen in een pleeggezin;
c) een time-out in de gemeenschapsinstellingen.
§ 3. De minister bepaalt de nadere regels betreffende de organisatie en het aantal plaatsen van de time-outcapaciteit in de gemeenschapsinstellingen, vermeld in paragraaf 2, 9° c).".
Art. 17. L'article 86 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
Art. 86. § 1er. Les offreurs d'aide à la jeunesse qui offrent des services d'aide à la jeunesse en application de la réglementation visée à l'article 3, § 1er, alinéa 1er, 1°, et 3° à 7°, du décret du 12 juillet 2013, entrent en ligne de compte pour l'exécution des mesures judiciaires visées à l'article 48, § 1er, alinéa 1er, 3° à 14°, du décret du 12 juillet 2013.
Les structures suivantes sont assimilées à un offreur d'aide à la jeunesse compétent d'exécuter des mesures uniquement pour l'exécution des mesures judiciaires, visées à l'alinéa 1er :
1° les hôpitaux, visés à la loi coordonnée du 10 juillet 2008 sur les hôpitaux et autres établissements de soins ;
2° les structures situées en dehors de la région de langue néerlandaise et pour lesquelles une convention a été conclue avec la Communauté flamande ;
3° les internats scolaires.
" § 2. Par dérogation au délai, visé à l'article 48, § 1er, alinéa 1er, 4° à 10°, du décret du 12 juillet 2013, le délai maximal des modules types s'élève au maximum à :
1° un an, qui peut une fois être prolongé de six mois au maximum pour les modules types séjour dans une famille d'accueil et accompagnement pour les familles d'accueil, les familles et les enfants placés dans une famille d'accueil à la recherche d'une perspective ("verblijf in een pleeggezin en begeleiding voor pleeggezinnen, gezinnen en pleegkinderen in een pleeggezin, perspectiefzoekend") ;
2° neuf mois pour le module type séjour sécurisé ("beveiligend verblijf") ;
3° six mois pour le module type accompagnement contextuel intensif de courte durée " ("contextbegeleiding kortdurend intensief") ;
4° quatre mois pour le module type accompagnement contextuel en vue d'une réorientation positive ("contextbegeleiding met het oog op positieve heroriëntering") ;
5° trois mois, qui peut chaque fois être prolongé de trois mois pour les modules types suivants :
a) diagnostic dans le cadre de l'assistance spéciale à la jeunesse ("diagnostiek in het kader van de bijzondere jeugdbijstand");
b) séjour en vue d'un diagnostic ("verblijf met het oog op diagnostiek");
6° trois mois pour les modules types suivantes :
a) accompagnement de soutien qui est directement accessible ("ondersteunende begeleiding, rechtstreeks toegankelijk");
b) séjour et accompagnement, de soutien et de courte durée, des familles d'accueil, des familles et les enfants placés dans une famille d'accueil ("verblijf en begeleiding voor pleeggezinnen, gezinnen en pleegkinderen in een pleeggezin, ondersteunend en voor korte duur") ;
7° six mois, qui peut une fois être prolongé de six semaines au maximum pour le module type séjour de courte durée pour enfants ("verblijf voor kinderen, voor korte duur") ;
8° 28 jours qui peut être prolongé deux fois de sept jours au maximum pour le module type accompagnement contextuel en cas de crise ("contextbegeleiding bij crisis") ;
9° deux semaines pour les modules type suivantes :
a) un séjour de crise de courte durée ("kortdurend crisisverblijf") ;
b) un séjour de crise et accompagnement pour les familles d'accueil, les familles et les enfants placés dans une famille d'accueil ("crisisverblijf en begeleiding voor pleeggezinnen, gezinnen en pleegkinderen in een pleeggezin");
c) un time-out dans les institutions communautaires ("time-out in de gemeenschapsinstellingen").
§ 3. Le ministre détermine les modalités relatives à l'organisation et le nombre des places dans la capacité de time-out au sein des institutions communautaires, visé au paragraphe 2, 9° c). ".
Art. 86. § 1er. Les offreurs d'aide à la jeunesse qui offrent des services d'aide à la jeunesse en application de la réglementation visée à l'article 3, § 1er, alinéa 1er, 1°, et 3° à 7°, du décret du 12 juillet 2013, entrent en ligne de compte pour l'exécution des mesures judiciaires visées à l'article 48, § 1er, alinéa 1er, 3° à 14°, du décret du 12 juillet 2013.
Les structures suivantes sont assimilées à un offreur d'aide à la jeunesse compétent d'exécuter des mesures uniquement pour l'exécution des mesures judiciaires, visées à l'alinéa 1er :
1° les hôpitaux, visés à la loi coordonnée du 10 juillet 2008 sur les hôpitaux et autres établissements de soins ;
2° les structures situées en dehors de la région de langue néerlandaise et pour lesquelles une convention a été conclue avec la Communauté flamande ;
3° les internats scolaires.
" § 2. Par dérogation au délai, visé à l'article 48, § 1er, alinéa 1er, 4° à 10°, du décret du 12 juillet 2013, le délai maximal des modules types s'élève au maximum à :
1° un an, qui peut une fois être prolongé de six mois au maximum pour les modules types séjour dans une famille d'accueil et accompagnement pour les familles d'accueil, les familles et les enfants placés dans une famille d'accueil à la recherche d'une perspective ("verblijf in een pleeggezin en begeleiding voor pleeggezinnen, gezinnen en pleegkinderen in een pleeggezin, perspectiefzoekend") ;
2° neuf mois pour le module type séjour sécurisé ("beveiligend verblijf") ;
3° six mois pour le module type accompagnement contextuel intensif de courte durée " ("contextbegeleiding kortdurend intensief") ;
4° quatre mois pour le module type accompagnement contextuel en vue d'une réorientation positive ("contextbegeleiding met het oog op positieve heroriëntering") ;
5° trois mois, qui peut chaque fois être prolongé de trois mois pour les modules types suivants :
a) diagnostic dans le cadre de l'assistance spéciale à la jeunesse ("diagnostiek in het kader van de bijzondere jeugdbijstand");
b) séjour en vue d'un diagnostic ("verblijf met het oog op diagnostiek");
6° trois mois pour les modules types suivantes :
a) accompagnement de soutien qui est directement accessible ("ondersteunende begeleiding, rechtstreeks toegankelijk");
b) séjour et accompagnement, de soutien et de courte durée, des familles d'accueil, des familles et les enfants placés dans une famille d'accueil ("verblijf en begeleiding voor pleeggezinnen, gezinnen en pleegkinderen in een pleeggezin, ondersteunend en voor korte duur") ;
7° six mois, qui peut une fois être prolongé de six semaines au maximum pour le module type séjour de courte durée pour enfants ("verblijf voor kinderen, voor korte duur") ;
8° 28 jours qui peut être prolongé deux fois de sept jours au maximum pour le module type accompagnement contextuel en cas de crise ("contextbegeleiding bij crisis") ;
9° deux semaines pour les modules type suivantes :
a) un séjour de crise de courte durée ("kortdurend crisisverblijf") ;
b) un séjour de crise et accompagnement pour les familles d'accueil, les familles et les enfants placés dans une famille d'accueil ("crisisverblijf en begeleiding voor pleeggezinnen, gezinnen en pleegkinderen in een pleeggezin");
c) un time-out dans les institutions communautaires ("time-out in de gemeenschapsinstellingen").
§ 3. Le ministre détermine les modalités relatives à l'organisation et le nombre des places dans la capacité de time-out au sein des institutions communautaires, visé au paragraphe 2, 9° c). ".
Art. 18. Artikel 87 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 87. De minister bepaalt welke combinaties van typemodules niet mogelijk zijn.".
"Art. 87. De minister bepaalt welke combinaties van typemodules niet mogelijk zijn.".
Art. 18. L'article 87 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
" Art. 87. Le ministre détermine les combinaisons de modules types incompatibles. ".
" Art. 87. Le ministre détermine les combinaisons de modules types incompatibles. ".
Art. 19. In hoofdstuk 11 van hetzelfde besluit worden afdeling 1, die bestaat uit artikel 88 tot en met 92, en afdeling 2, die bestaat uit artikel 93 tot en met 96, opgeheven.
Art. 19. Dans le chapitre 11 du même arrêté, la section 1re, comprenant les articles 88 à 92, et la section 2, comprenant les articles 93 à 96 inclus, sont abrogées.
Art. 20. In artikel 97, tweede lid, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° punt 10° wordt opgeheven;
2° punt 11° wordt vervangen door wat volgt:
"11° een vertegenwoordiger van de Vlaamse Gemeenschapscommissie voor de regio Brussel: op voordracht van de Vlaamse Gemeenschapscommissie.".
1° punt 10° wordt opgeheven;
2° punt 11° wordt vervangen door wat volgt:
"11° een vertegenwoordiger van de Vlaamse Gemeenschapscommissie voor de regio Brussel: op voordracht van de Vlaamse Gemeenschapscommissie.".
Art. 20. A l'article 97, alinéa 2, du même arrêté, sont apportées les modifications suivantes :
1° le point 10° est abrogé ;
2° le point 11° est remplacé par la disposition suivante :
" 11° un représentant de la Commission communautaire flamande pour la région de Bruxelles : sur proposition de la Commission communautaire flamande ;
1° le point 10° est abrogé ;
2° le point 11° est remplacé par la disposition suivante :
" 11° un représentant de la Commission communautaire flamande pour la région de Bruxelles : sur proposition de la Commission communautaire flamande ;
HOOFDSTUK 2. - Slotbepalingen
CHAPITRE 2. - Dispositions finales
Art. 21. Artikel 18 van het decreet van 15 maart 2019 houdende diverse wijzigingsbepalingen betreffende het decreet betreffende de rechtspositie van de minderjarige in de integrale jeugdhulp en het decreet betreffende de integrale jeugdhulp treedt in werking op de datum van inwerkingtreding van dit besluit.
Art. 21. L'article 18 du décret du 15 mars 2019 contenant diverses dispositions modificatives concernant le décret relatif au statut du mineur dans l'aide intégrale à la jeunesse et le décret relatif à l'aide intégrale à la jeunesse entre en vigueur à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté.
Art. 22. De artikelen 23 en 24 van het decreet van 15 maart 2019 houdende diverse wijzigingsbepalingen betreffende het decreet betreffende de rechtspositie van de minderjarige in de integrale jeugdhulp en het decreet betreffende de integrale jeugdhulp treden in werking op 1 september 2019.
Art. 22. Les articles 23 et 24 du décret du 15 mars 2019 contenant diverses dispositions modificatives concernant le décret relatif au statut du mineur dans l'aide intégrale à la jeunesse et le décret relatif à l'aide intégrale à la jeunesse entrent en vigueur le 1er septembre 2019.
Art. 23. De artikelen 17 en 18 van dit besluit treden in werking op 1 september 2019.
Art. 23. Les articles 17 et 18 du présent arrêté entrent en vigueur le 1er septembre 2019.
Art. 24. De Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 24. Le Ministre flamand ayant l'aide aux personnes dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.