Zum Hauptinhalt

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
26 APRIL 2019. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006, wat betreft de harmonisering van de arbeidsvoorwaarden
Titre
26 AVRIL 2019. - Arrêté du Gouvernement flamand modifiant le statut du personnel flamand du 13 janvier 2006, en ce qui concerne l'harmonisation des conditions de travail
Dokumentinformationen
Numac: 2019012962
Datum: 2019-04-26
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2019012962
Date: 2019-04-26
Moniteur: Voir
Tekst (33)
Texte (33)
Artikel 1. Aan artikel I 4, § 5, van het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in punt 1° wordt de zinsnede ",hetzij voor in de tijd beperkte acties, hetzij voor een buitengewone toename van het werk" opgeheven;
  2° punt 2° wordt vervangen door wat volgt:
  "2° personeelsleden die afwezig zijn te vervangen;"
  3° aan punt 4° worden twee zinnen toegevoegd, die luiden als volgt:
  "Betrekkingen met een salarisschaal of beginsalarisschaal die overeenstemt met rang A2 of hoger kunnen als een hooggekwalificeerde betrekking contractueel worden ingevuld.
  De invulling van het top- en middenkader gebeurt overeenkomstig deel V;"
  4° er worden een punt 5°, 6° en 7° toegevoegd, die luiden als volgt:
  "5° te voorzien in de personeelsbehoefte voor activiteiten die worden gefinancierd door een andere publieke of private instantie;
  6° te voorzien in de personeelsbehoefte voor activiteiten die hoofdzakelijk verricht worden in mededinging met andere marktdeelnemers;
  7° knelpuntfuncties in te vullen die voorkomen op de lijst van knelpuntfuncties vastgesteld door de Vlaamse minister, bevoegd voor de bestuurszaken.";
  5° er wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "De Vlaamse minister, bevoegd voor de bestuurszaken, stelt in overleg met de functioneel bevoegde ministers, na mededeling aan de Vlaamse Regering, de lijst vast van de contractuele functies die ressorteren onder punt 6°. ".
Article 1er. A l'article I 4, § 5, du Statut du personnel flamand du 13 janvier 2006, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 mai 2009, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le point 1°, le membre de phrase ", soit pour des actions limitées dans le temps, soit en raison d'une augmentation extraordinaire du volume de travail " est abrogé ;
  2° le point 2° est remplacé par ce qui suit :
  " 2° remplacer des membres du personnel qui sont absents ; "
  3° le point 4° est complété par deux phrases, rédigées comme suit :
  " Les emplois avec une échelle de traitement ou une échelle de traitement initial correspondant au rang A2 ou supérieur peuvent être occupés contractuellement comme un emploi hautement qualifié.
  L'encadrement du cadre supérieur et intermédiaire est effectué conformément à la partie V ; "
  4° les points 5°, 6° et 7° sont ajoutés, rédigés comme suit :
  " 5° pourvoir aux besoins en personnel pour des activités financées par une autre instance publique ou privée ;
  6° pourvoir aux besoins en personnel pour des activités qui sont principalement exécutées en concurrence avec d'autres participants au marché ;
  7° remplir les fonctions critiques qui figurent sur la liste des fonctions critiques établie par le Ministre flamand ayant les affaires administratives dans ses attributions. " ;
  5° il est ajouté un alinéa 4, rédigé comme suit :
  " Le Ministre flamand ayant les affaires administratives dans ses attributions, établit, en consultation avec les Ministres fonctionnellement compétents, après notification au Gouvernement flamand, la liste des fonctions contractuelles relevant du point 6°. ".
Art. 2. In artikel I 9, § 2, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 2017, wordt het vierde streepje opgeheven.
Art. 2. Dans l'article I 9, § 2, du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 décembre 2017, le 4ème tiret est abrogé.
Art. 3. Aan artikel III 2, 2°, eerste streepje, van hetzelfde besluit worden de woorden "die minder dan één jaar duren" toegevoegd.
Art. 3. A l'article III 2, 2°, 1er tiret, du même arrêté sont ajoutés les mots " d'une durée inférieure à un an ".
Art. 4. Aan artikel III 16 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 23 mei 2008 en 29 mei 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de eerste zin van paragraaf vier wordt vervangen door wat volgt:
  "De negatieve eindevaluatie van de proefperiode heeft het ontslag van de ambtenaar op proef tot gevolg.";
  2° paragraaf 8 en paragraaf 9 worden opgeheven.
Art. 4. Dans l'article III 16 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mars 2007 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 23 mai 2008 et 29 mai 2009, les modifications suivantes sont apportées :
  1° la 1ère phrase du paragraphe 4 est remplacée par ce qui suit :
  " Une évaluation finale négative du stage conduit au licenciement du fonctionnaire stagiaire. " ;
  2° les paragraphes 8 et 9 sont abrogés.
Art. 5. In artikel III 19, eerste lid, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009, worden de woorden "het verstrijken van de termijn voor het instellen van een beroep of op" opgeheven.
Art. 5. Dans l'article III 19, alinéa 1er, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mars 2007 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 mai 2009, les mots " l'expiration du délai prévu pour introduire un recours ou " sont abrogés.
Art. 6. Aan deel III, hoofdstuk 5, van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2018, wordt een artikel III 33 toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. III 33. De bepalingen inzake de raad van beroep die golden voor 1 juni 2019 blijven van toepassing op de statutaire proeftijden die zijn aangevat voor 1 juni 2019.".
Art. 6. La partie III, chapitre 5, du même arrêté, modifiée en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 avril 2018, est complétée par un article III 33, rédigé comme suit :
  " Art. III 33. Les dispositions relatives à la chambre de recours qui s'appliquaient avant le 1er juin 2019 restent d'application aux stages statutaires qui ont commencé avant le 1er juin 2019. ".
Art. 7. Aan artikel IV 1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009, wordt een paragraaf 4 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 4. Het personeelslid kan na de zesde maand die volgt op de kennisgeving van het evaluatieverslag aan het personeelslid worden geëvalueerd met betrekking tot de prestaties en de wijze waarop de prestaties werden geleverd, op voorwaarde dat:
  1° het evaluatieverslag dat betrekking had op de vorige evaluatie de einduitspraak onvoldoende bevatte;
  2° het personeelslid tijdens de periode die het voorwerp is van de evaluatie gedurende minimaal drie maanden prestaties heeft geleverd. Verloven die zich tijdens deze periode voordoen, schorten deze periode op zolang het personeelslid nog geen drie maanden effectief heeft gepresteerd;
  3° de evaluatoren die gebruik willen maken van de evaluatiemogelijkheid vermeld in het eerste lid, dit naar aanleiding van de kennisgeving van het evaluatieverslag aan het personeelslid meedelen.
  Als de evaluatie na zes maanden niet werd besloten met een onvoldoende, dan worden de prestaties van het personeelslid en de wijze waarop deze werden geleverd de eerstvolgende keer geëvalueerd bij het begin van het volgende kalenderjaar."
Art. 7. L'article IV 1er du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 mai 2009, est complété par un paragraphe 4, rédigé comme suit :
  " § 4. Après le sixième mois qui suit la notification du rapport d'évaluation au membre du personnel, le membre du personnel peut être évalué en ce qui concerne les prestations et les modalités de prestation, à condition que :
  1° le rapport d'évaluation qui portait sur l'évaluation précédente ne contienne pas suffisamment la décision finale ;
  2° le membre du personnel ait effectué des prestations pendant au moins trois mois pendant la période faisant l'objet de l'évaluation. Tout congé pris pendant cette période suspend cette période aussi longtemps que le comportement professionnel effectif du membre du personnel n'a pas dépassé trois mois ;
  3° les évaluateurs qui souhaitent faire usage de la possibilité d'évaluation visée au 1er alinéa en informent le membre du personnel à l'occasion de la notification du rapport d'évaluation.
  Si, après six mois, l'évaluation n'a pas été jugée insatisfaisante, les prestations du membre du personnel et la manière dont elles ont été effectuées sont évaluées la prochaine fois au début de l'année calendrier suivante. "
Art. 8. In artikel V 12, § 4, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 april 2011, worden tussen de zinsnede "paragraaf 2" en de woorden "voor zover" de woorden "en heeft recht op het mobiliteitskrediet vermeld in het artikel V 12bis" ingevoegd.
Art. 8. Dans l'article V 12, § 4, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 avril 2011, les mots " et a droit à un crédit de mobilité visé à l'article V 12bis " sont insérés entre le membre de phrase " § 2, " et les mots " pour autant ".
Art. 9. In artikel V 39, § 2, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2014, worden het zevende, achtste en negende lid opgeheven.
Art. 9. Dans l'article V 39, § 2, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 février 2014, les alinéas 7, 8 et 9 sont abrogés.
Art. 10. Aan deel V, titel 5, hoofdstuk 3, van hetzelfde besluit, het laatste gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2018, wordt een artikel V 56novies toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. V 56novies. De bepalingen inzake de raad van beroep die golden voor 1 juni 2019 blijven van toepassing op de statutaire proeftijden die zijn aangevat voor 1 juni 2019."
Art. 10. A la partie V, titre 5, chapitre 3 du même arrêté, modifiée en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 avril 2018, il est ajouté un article V 56novies, rédigé comme suit :
  " Art. V 56novies. Les dispositions relatives à la chambre de recours qui s'appliquaient avant le 1er juin 2019 restent applicables aux périodes de stage statutaires qui ont commencé avant le 1er juin 2019. "
Art. 11. In deel VII, titel 1, hoofdstuk 1, van hetzelfde besluit, het laatste gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2019, wordt een artikel VII 5bis ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. VII 5bis. Voor de berekening van de verbrekingsvergoeding vermeld in artikel XI 6 en XI 8bis, wordt het bruto weeksalaris bekomen door het bruto maandsalaris te delen door dertien en te vermenigvuldigen met drie.".
Art. 11. Dans la partie VII, titre 1er, chapitre 1er du même arrêté, modifiée en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 avril 2019, il est inséré un article VII 5bis, rédigé comme suit :
  " Art. VII 5bis. Pour le calcul de l'indemnité de rupture visée aux articles XI 6 et XI 8 bis, le traitement hebdomadaire brut est obtenu en divisant le traitement mensuel brut par treize et en le multipliant par trois. ".
Art. 12. Aan artikel VII 8 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 23 mei 2008, 29 mei 2009 en 27 januari 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het derde lid wordt opgeheven;
  2° in het vierde lid wordt tussen het woord "feestdagen" en het woord "die" de woorden "en vervangende vakantiedagen vermeld in artikel X 11, § 2, eerste lid" ingevoegd.
Art. 12. A l'article VII 8 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mars 2007 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 23 mai 2008, 29 mai 2009 et 27 janvier 2017, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le 3ème alinéa est abrogé ;
  2° dans le 4ème alinéa, les mots " et les jours de congé de remplacement visés à l'article X 11, § 2, alinéa 1er " sont insérés entre les mots " jours de fête " et le mot " qui ".
Art. 13. Artikel VII 109 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 oktober 2014, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. VII 109. § 1. In geval van plaats- en tijdsonafhankelijk werken stelt de lijnmanager middelen ter beschikking van het personeelslid. De lijnmanager bepaalt, afhankelijk van de functie en de behoeften, welke middelen ten laste worden genomen.
  Het personeelslid mag die middelen aanwenden voor persoonlijk gebruik.
  De lijnmanager kan een van de volgende beslissingen nemen:
  1° de kostprijs van de internetaansluiting en het internetabonnement ten laste nemen via het derde-betalersysteem;
  2° een forfaitaire vergoeding van 20 euro per maand toekennen voor het professionele gebruik van de eigen internetverbinding van het personeelslid.
  § 2. De lijnmanager kan een forfaitaire vergoeding van 20 euro per maand toekennen voor het professionele gebruik van de eigen ICT-toestellen tijdens plaats- en tijdsonafhankelijk werken als de volgende voorwaarden voldaan zijn:
  1° het professionele gebruik van een eigen ICT-toestel tijdens plaats- of tijdsonafhankelijk werken past binnen het veiligheidsbeleid van een entiteit, raad of instelling;
  2° het personeelslid beschikt niet over een door de werkgever ter beschikking gesteld ICT-toestel dat hij in het kader van plaats- en tijdsonafhankelijk werken kan gebruiken.
  § 3. In het kader van plaats- en tijdonafhankelijk werken heeft het personeelslid geen recht op andere vergoedingen of de terugbetaling van andere kosten dan die vermeld in dit artikel.".
Art. 13. L'article VII 109 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mars 2007 et remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 octobre 2014 est remplacé par ce qui suit :
  " Art. VII 109. § 1. En cas de travail indépendant du lieu et du temps, le gestionnaire de ligne met des moyens à la disposition du membre du personnel. Le manager de ligne détermine les moyens à prendre en charge, en fonction de la fonction et des besoins.
  Le membre du personnel peut utiliser ces moyens pour son usage personnel.
  Le manager de ligne peut prendre une des décisions suivantes :
  1° facturer le coût de la connexion internet et de l'abonnement internet via le système de tiers payant ;
  2° octroyer une indemnité forfaitaire de 20 euros par mois pour l'utilisation professionnelle de la propre connexion internet du membre du personnel.
  § 2. Le manager de ligne peut octroyer une indemnité forfaitaire de 20 euros par mois pour l'utilisation professionnelle de son propre équipement TIC lors du travail indépendant du lieu et du temps si les conditions suivantes sont remplies :
  1° l'utilisation professionnelle de son propre équipement TIC dans le cadre d'un travail indépendant du lieu ou du temps s'inscrit dans la politique de sécurité d'une entité, d'un conseil ou d'une institution ;
  2° le membre du personnel ne dispose pas d'équipement TIC fourni par l'employeur qu'il peut utiliser dans le cadre du travail indépendant du lieu et du temps.
  § 3. Dans le cas du travail indépendant du lieu et du temps, le membre du personnel n'a pas droit à des indemnités ou au remboursement de frais autres que ceux visés au présent article. ".
Art. 14. Aan artikel X 9, § 1, van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° tussen het vijfde en zesde lid worden twee leden ingevoegd, die luiden als volgt:
  "Een personeelslid dat door ziekteverlof niet in staat was om tijdens het lopende kalenderjaar al zijn jaarlijkse vakantiedagen op te nemen, kan bovenop de elf dagen vermeld in het vierde lid of de vijf dagen vermeld in het vijfde lid maximaal dertien bijkomende dagen jaarlijkse vakantiedagen overdragen naar het volgende kalenderjaar. De jaarlijkse vakantiedagen die op grond van dit lid werden overgedragen, tellen niet mee voor de berekening van het maximum van 150 werkdagen vermeld in het vierde lid en moeten binnen de twee jaar die volgen op de overdracht van van de jaarlijkse vakantiedagen worden opgenomen. Bij niet-opname binnen de twee jaar na overdracht gaan de overgedragen dagen verloren.
  In afwijking van het zesde lid kan een personeelslid dat door ziekteverlof niet in staat was om tijdens het lopende kalenderjaar al zijn jaarlijkse vakantiedagen op te nemen en dat door het bereiken van de grens van 150 werkdagen vermeld in het vierde lid de elf dagen vermeld in het vierde lid of de vijf dagen vermeld in het vijfde lid niet of niet volledig kon overdragen bijkomend respectievelijk maximaal elf of vijf dagen jaarlijkse vakantiedagen overdragen naar het volgende jaar die binnen de twee jaar na de overdracht moeten worden opgenomen. Bij niet-opname binnen de twee jaar na overdracht gaan de overgedragen dagen verloren.".
  2° aan het zesde lid, dat het achtste lid wordt, wordt een zin toegevoegd die luidt als volgt:
  "Deze regeling is overeenkomstig van toepassing op het verlof dat met toepassing van het zesde en zevende lid werd overgedragen.".
Art. 14. A l'article X 9, § 1er, du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 décembre 2017, les modifications suivantes sont apportées :
  1° entre les 5ème et 6ème alinéas sont insérés deux nouveaux alinéas, rédigés comme suit :
  " Un membre du personnel qui n'a pas pu prendre tout son congé annuel pendant l'année calendrier en cours en raison d'un congé de maladie peut, outre les 11 jours visés aux alinéas 4 ou les 5 jours visés au paragraphe 5, reporter un maximum de treize jours supplémentaires de congé annuel à l'année civile suivante. Le congé annuel reporté en vertu du présent alinéa n'est pas pris en compte pour le calcul du maximum de 150 jours ouvrables visé à l'alinéa 4 et doit être pris dans les deux ans suivant le report du congé annuel. En cas de non prise dans les deux ans suivant le report, les jours reportés seront perdus.
  Par dérogation à l'alinéa 6, un membre du personnel qui, en raison d'un congé de maladie, n'a pas pu prendre tous son congé annuel pendant l'année calendrier en cours et qui, lorsqu'il a atteint la limite de 150 jours ouvrables visée au paragraphe 4, n'a pu reporter ou n'a pu reporter intégralement les 11 jours visés à l'alinéa 4 ou les 5 jours visés à l'alinéa 5, peut reporter à l'année suivante au maximum 11 ou 5 jours supplémentaires de congé annuel, respectivement, qui doivent être pris dans les deux ans du report. En cas de non reprise dans les deux ans suivant le report, les jours reportés seront perdus. ".
  2° à l'alinéa 6, qui devient l'alinéa 8, il est ajouté une phrase, rédigée comme suit :
  " Cette réglementation s'applique mutatis mutandis au congé reporté en application des alinéas 6 et 7. ".
Art. 15. Aan artikel X 12 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het tweede lid wordt vervangen door wat volgt:
  "Een personeelslid dat voorafgaand aan zijn jaarlijks verlof ziek wordt, kan het jaarlijks verlof intrekken.";
  2° er wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Een personeelslid dat tijdens zijn jaarlijkse vakantie ziek wordt of een ongeval heeft, kan de periode van jaarlijkse vakantie die overeenstemt met de periode gedurende welke men door de ziekte of ongeval arbeidsongeschikt was, omzetten naar ziekteverlof. Opdat de jaarlijkse vakantiedagen naar ziekteverlof kunnen worden omgezet, moet:
  1° het personeelslid een getuigschrift van zijn behandelend arts indienen waaruit de startdatum en duur van de arbeidsongeschiktheid blijkt;
  2° de arbeidsongeschiktheid melden overeenkomstig de regeling die is opgenomen in het arbeidsreglement.".
Art. 15. A l'article X 12 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mars 2007, les modifications suivantes sont apportées :
  1° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
  " Un membre du personnel qui tombe malade avant son congé annuel peut retirer le congé annuel. " ;
  2° il est ajouté un alinéa 3, rédigé comme suit :
  " Un membre du personnel qui tombe malade ou est victime d'un accident pendant son congé annuel peut convertir en congé de maladie la période de congé annuel correspondant à la période pendant laquelle il a été inapte au travail par suite de maladie ou d'accident. Pour que les jours de congé annuel soient convertis en des jours de congé de maladie, il est nécessaire que :
  1° le membre du personnel présente un certificat de son médecin traitant indiquant la date de début et la durée de l'incapacité de travail ;
  2° l'incapacité de travail soit signalée conformément à la réglementation reprise au règlement de travail. ".
Art. 16. Aan artikel X 20 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 januari 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het tweede lid wordt opgeheven;
  2° er wordt een lid toegevoegd dat luidt als volgt:
  "Indien de federale medische dienst bevoegd voor de definitieve ongeschiktverklaring van de ambtenaar meedeelt dat een ambtenaar een onderzoek in het kader van de vroegtijdige oppensioenstelling wegens gezondheidsredenen heeft belemmerd of geweigerd, dan vraagt de lijnmanager aan de ambtenaar om de redenen hiervan mee te delen binnen de veertien dagen. Indien de ambtenaar geen gevolg geeft aan deze vraag om toelichting te geven of geen geldige reden aantoont, wordt hij in non-activiteit gezet vanaf de dag waarop hij het onderzoek heeft belemmerd of geweigerd tot de dag van herneming van het werk.".
Art. 16. A l'article X 20 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 janvier 2017, les modifications suivantes sont apportées :
  1° l'alinéa 2 est abrogé ;
  2° il est ajouté un alinéa, rédigé comme suit :
  " Si le service médical fédéral chargé de la déclaration définitive d'inaptitude du fonctionnaire annonce qu'un fonctionnaire a fait obstacle ou refusé une enquête dans le cadre d'une mise à la retraite anticipée pour des raisons de santé, le manager de ligne demande au fonctionnaire de communiquer les motifs dans les quinze jours. Si le fonctionnaire ne donne pas suite à cette demande d'explications ou ne fournit pas de raison valable, il est mis en non-activité à partir du jour où il a empêché ou refusé l'enquête jusqu'au jour de reprise du travail. ".
Art. 17. Artikel X 22 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 januari 2017, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. X 22. § 1. Een ambtenaar die afwezig is wegens ziekte of ongeval van gemeen recht kan in het kader van de re-integratie in een voltijds arbeidsregime de arbeid deeltijds hervatten onder de vorm van deeltijdse prestaties wegens ziekte.
  De deeltijdse prestaties wegens ziekte worden toegekend door het geneeskundig controleorgaan, dat eveneens de duurtijd van deeltijdse prestaties wegens ziekte, als het prestatieregime tijdens de deeltijdse prestaties wegens ziekte bepaalt.
  De duurtijd vermeld in het tweede lid, bedraagt maximaal drie maanden en kan voor zover de deeltijdse prestaties wegens ziekte blijven bijdragen tot de voltijdse hervatting van de arbeid meermaals worden verlengd met een periode van maximaal drie maanden.
  Het prestatieregime vermeld in het tweede lid bedraagt minimaal 50% van een voltijdse arbeidsduur.
  § 2. De deeltijdse prestaties vermeld in § 1 zijn gedurende de eerste zes maanden van het re-integratietraject een recht.
  Vanaf de zevende maand kunnen de deeltijdse prestaties wegens ziekte, na advies van het geneeskundig controleorgaan, worden toegestaan als ze blijven bijdragen tot de voltijdse re-integratie van de ambtenaar en de lijnmanager instemt met de verderzetting van de deeltijdse prestaties wegens ziekte.
  Van het minimum prestatieregime vermeld in § 1, vierde lid, kan worden afgeweken als de lijnmanager hiermee instemt.
  § 3. De afwezigheid van de ambtenaar tijdens de periode van deeltijdse prestaties wegens ziekte wordt beschouwd als ziekteverlof en met dienstactiviteit gelijkgesteld. De aanrekening op het aantal dagen vermeld in artikel X 20 gebeurt pro rata.
  § 4. Aan het contractuele personeelslid wordt de gedeeltelijke werkhervatting toegekend overeenkomstig de regels die zijn opgenomen in de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en de ZIV-wetgeving.
  De gedeeltelijke werkhervatting is gedurende de eerste zes maanden een recht. Vanaf de zevende maand kan de gedeeltelijke werkhervatting, na advies van de adviserend geneesheer van de mutualiteit, verder worden toegekend als de lijnmanager hiermee instemt.
  Een contractueel personeelslid kan het werk gedeeltelijk hervatten met een arbeidsregime dat minder dan 50% van een voltijdse arbeidsduur bedraagt als de lijnmanager hiermee instemt.".
Art. 17. L'article X 22 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 janvier 2017, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. X 22. § 1. Un fonctionnaire absent à la suite de maladie ou d'accident de droit commun peut, dans le cadre de sa réintégration dans un régime de travail à temps plein, reprendre son travail à temps partiel sous forme de prestations à temps partiel pour cause de maladie.
  Les prestations à temps partiel pour cause de maladie sont accordées par l'organisme de contrôle médical, qui détermine la durée des prestations à temps partiel pour cause de maladie ainsi que le régime de prestations lors des prestations à temps partiel pour cause de maladie.
  La durée visée à l'alinéa 2 ne dépasse pas trois mois et peut être prolongée plusieurs fois d'une période maximale de trois mois, pour autant que les prestations à temps partiel pour cause de maladie continuent à contribuer à la reprise du travail à temps plein.
  Le régime de prestations visé à l'alinéa 2 est d'au moins 50 % d'un régime de travail à temps plein.
  § 2. Les prestations à temps partiel visées au § 1er sont un droit pendant les six premiers mois du parcours de réinsertion.
  A partir du septième mois, les prestations à temps partiel pour cause de maladie peuvent être accordées, après avis de l'organisme de contrôle médical, si elles continuent à contribuer à la réintégration à plein temps du fonctionnaire et si le manager de ligne accepte que les prestations à temps partiel pour cause de maladie soient maintenues.
  Il peut être dérogé au régime de prestations minimum visé au § 1er, alinéa 4, si le manager de ligne y consent.
  § 3. L'absence du fonctionnaire pendant la période de prestations à temps partiel pour cause de maladie est considérée comme un congé de maladie et est assimilée à une activité de service. Les jours sont déduits proportionnellement du nombre de jours visé à l'article X 20.
  § 4. La reprise partielle du travail est accordée au membre du personnel contractuel conformément aux règles prévues par la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail et à la législation relative à l'assurance maladie et invalidité.
  La reprise partielle du travail pendant les six premiers mois est un droit. A partir du septième mois, la reprise partielle du travail peut continuer à être accordée, après avis du médecin-conseil de la mutuelle, si le manager de ligne y consent.
  Un membre du personnel contractuel peut reprendre partiellement le travail dans le cadre d'un régime de travail qui représente moins de 50 % de la durée de travail à temps plein si le manager de ligne y consent. ".
Art. 18. Aan artikel X 23, § 1, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 januari 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° punt 5° wordt opgeheven;
  2° in het derde lid wordt de zinsnede ",4° en 5° " vervangen door de zinsnede " en 4° ".
Art. 18. Dans l'article X 23, § 1er, du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 janvier 2017, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le point 5° est abrogé ;
  2° à l'alinéa 3, le membre de phrase ", 4° et 5° " est remplacé par le membre de phrase " et 4° ".
Art. 19. Aan artikel X 65, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 23 mei 2008 en 29 mei 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in punt 1° worden tussen de zinsnede 'uitgezonderd,' en de zinsnede 'of lid van de districtsraad van een district,' de zinsnede " of lid van het bijzonder comité voor de sociale dienst dat geen gemeenteraadslid of lid van een raad voor maatschappelijk welzijn van een gemeente is," ingevoegd en worden de woorden "de voorzitter van het districtscollege" vervangen door de woorden "de districtsburgemeester";
  2° in punt 2° worden de woorden "lid is van de deputatie" vervangen door de woorden "gedeputeerde is".
Art. 19. Dans l'article X 65 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 23 mai 2008 et 29 mai 2009, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au point 1° le membre de phrase " ou membre du comité spécial du service social n'étant pas membre du conseil communal ou membre d'un conseil de l'aide sociale d'une commune " est inséré entre le membre de phrase " du président " et le membre de phrase " ou membre du conseil de district d'un district " et les mots " du président du collège de district " sont remplacés par les mots " du bourgmestre de district " ;
  2° au point 2°, les mots " n'étant pas membre de la députation " sont remplacés par les mots " n'étant pas député ".
Art. 20. Aan artikel X 66 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 23 mei 2008 en 29 mei 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in punt 1° worden tussen de zinsnede 'uitgezonderd,' en de zinsnede 'of lid van de districtsraad van een district,' de zinsnede " of lid van het bijzonder comité voor de sociale dienst dat geen gemeenteraadslid of lid van een raad voor maatschappelijk welzijn van een gemeente is," ingevoegd en worden de woorden "de voorzitter van het districtscollege en de leden van het districtscollege" vervangen door de woorden "de districtsburgemeester en de districtsschepenen";
  2° in punt 2° worden de woorden "van het districtscollege van een district" vervangen door het woord "districtsburgemeester";
  3° in punt 3° worden de woorden "van het districtscollege van een district" vervangen door het woord "districtsschepen";
  4° in punt 5° worden de woorden "lid is van de deputatie" vervangen door de woorden "gedeputeerde is".
Art. 20. Dans l'article X 66 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 23 mai 2008 et 29 mai 2009, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le point 1°, le membre de phrase " ou membre du comité spécial du service social n'étant pas membre du conseil communal ou membre d'un conseil de l'aide sociale d'une commune " est inséré entre le membre de phrase " bureau permanent " et le membre de phrase " ou membre du conseil de district d'un district " et les mots " du président du collège de district et des membres du collège de district " sont remplacés par les mots " du bourgmestre de district et des échevins de district " ;
  2° dans le point 2°, les mots " du collège de district d'un district " sont remplacés par les mots " du bourgmestre de district " ;
  3° dans le point 3°, les mots " du collège de district d'un district " sont remplacés par les mots " de l'échevin de district " ;
  4° dans le point 5°, les mots " membre de la députation " sont remplacés par le mot " député ".
Art. 21. Aan artikel X 67 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 mei 2008 en het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in punt 1° worden de woorden "voorzitters van het districtscollege van een district" vervangen door het woord "districtsburgemeesters";
  2° in punt 2° worden de woorden "leden van het bureau van het districtscollege van een district" vervangen door het woord "districtsschepenen";
  3° in punt 3° worden de woorden "lid van de deputatie van een provincieraad" vervangen door de woorden "de gedeputeerde";
  4° in punt 9° worden de woorden "gewestelijk staatssecretaris van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest" vervangen door de woorden "staatssecretaris van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest".
Art. 21. Dans l'article X 67 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 mai 2008 et par l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 mai 2009, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le point 1°, les mots " présidents du collège de district d'un district " sont remplacés par les mots " bourgmestres de district " ;
  2° dans le point 2°, les mots " membres du bureau du collège de district " sont remplacés par les mots " échevins de district " ;
  3° dans le point 3°, les mots " membre de la députation d'un conseil provincial " sont remplacés par le mot " député " ;
  4° dans le point 9°, les mots " secrétaire d'Etat régional de la Région Bruxelles-Capitale " sont remplacés par les mots " secrétaire d'Etat de la Région Bruxelles-Capitale ".
Art. 22. In artikel X 69 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 mei 2008, worden de woorden "van het districtscollege van een district" vervangen door de woorden "een districtsburgemeester".
Art. 22. Dans l'article X 69 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 mai 2008, les mots " du collège de district d'un district " sont remplacés par les mots " d'un bourgmestre de district ".
Art. 23. Aan artikel X 80 van hetzelfde besluit wordt een paragraaf 3 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 3. De ambtenaar die op grond van artikel 42 van de arbeidswet van 16 maart 1971 vrijgesteld werd van arbeid krijgt dienstvrijstelling.
  Voor het contractueel personeelslid wordt deze afwezigheid geregeld op grond van de arbeidswet en gelijkgesteld met dienstactiviteit zonder doorbetaling van het salaris.".
Art. 23. L'article X.80 du même arrêté est complété par un paragraphe 3, rédigé comme suit :
  " § 3. Le fonctionnaire qui s'est vu accorder une dispense de travail en vertu de l'article 42 de la loi sur le travail du 16 mars 1971 obtient une dispense de service.
  Pour le membre du personnel contractuel cette absence est réglée en vertu de la loi du travail et assimilée à une activité de service sans rémunération. ".
Art. 24. Aan deel X, titel 14, van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 2017, wordt een artikel X 96 toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. X 96. De deeltijdse prestaties wegens ziekte die door het controleorgaan werden toegekend voor 1 juni 2019 en die een einddatum hebben na 31 mei 2019 blijven doorlopen tot en met de voorziene einddatum en dit overeenkomstig de regeling die gold bij toekenning. Een verlenging gebeurt overeenkomstig de regeling die geldt vanaf 1 juni 2019."
  De deeltijdse prestaties wegens ziekte die werden opgenomen overeenkomstig de regeling die gold voor 1 juli 2019 worden niet aangerekend op de zes maanden vermeld in artikel X 22, § 2. "
Art. 24. A la partie X, titre 14, du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 décembre 2017, il est ajouté un article X 96, rédigé comme suit :
  " Art. X.96. Les prestations à temps partiel pour cause de maladie accordées par l'organisme de contrôle avant le 1er juin 2019 et qui ont une date de fin après le 31 mai 2019 continuent à courir jusqu'à la date de fin prévue et ce conformément au régime en vigueur lors de l'octroi. Une prorogation est accordée conformément au régime applicable à partir du 1er juin 2019. "
  Les prestations à temps partiel pour cause de maladie qui ont été effectuées conformément au régime en vigueur avant le 1er juillet 2019 ne s'appliquent pas aux six mois visés à l'article X 22, § 2. "
Art. 25. In artikel XI 4, § 1, eerste lid, van hetzelfde besluit worden de woorden "overeenstemt met drie maanden loon voor elke volledige of ingegane schijf van vijf jaar tewerkstelling bij de diensten van de Vlaamse overheid" vervangen door de woorden "berekend wordt overeenkomstig artikel XI 8bis".
Art. 25. Dans l'article XI 4, § 1er, alinéa 1er, du même arrêté, les mots " correspond à un traitement de trois mois pour chaque tranche complète ou commencée de cinq ans d'emploi en tant que fonctionnaire des autorités flamandes " sont remplacés par les mots " est calculée conformément à l'article XI 8bis ".
Art. 26. In artikel XI 5 van hetzelfde besluit wordt punt 3° vervangen door wat volgt:
  "3° het ontslag na twee onvoldoendes, zoals bepaald in artikel XI 8.".
Art. 26. Dans l'article XI 5 du même arrêté, le point 3° est remplacé par ce qui suit :
  " 3° le licenciement à la suite de deux évaluations qualifiées d' " insuffisant ", tel que prévu à l'article XI 8. ".
Art. 27. Artikel XI 6 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. XI 6. § 1. Een ambtenaar die vrijwillig ontslag neemt, bezorgt zijn beslissing schriftelijk aan de benoemende overheid.
  Naast de beslissing tot vrijwillig ontslag omvat de schriftelijke melding vermeld in het eerste lid de begindatum en de duur van de door de ambtenaar te respecteren opzeggingstermijn.
  Het vrijwillig ontslag als ambtenaar treedt in werking na het verstrijken van een opzeggingstermijn, onverminderd § 2.
  De opzeggingstermijn start op de maandag die volgt op de week waarin het vrijwillig ontslag schriftelijk ter kennis aan de benoemende overheid werd gebracht.
  De door de ambtenaar te respecteren opzeggingstermijn wordt als volgt vastgesteld:
Art. 27. L'article XI 6 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 mai 2009, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. XI.6. § 1. Un fonctionnaire qui démissionne volontairement doit notifier sa décision par écrit à l'autorité ayant compétence de nomination.
  Outre la décision de démission volontaire, la notification écrite visée à l'alinéa 1er indique la date de début et la durée du délai de préavis à respecter par le fonctionnaire.
  La démission volontaire en tant que fonctionnaire entre en vigueur à l'expiration d'un délai de préavis, sans préjudice du § 2.
  Le délai de préavis commence à courir le lundi suivant la semaine au cours de laquelle la démission volontaire a été notifiée par écrit à l'autorité ayant compétence de nomination.
  Le délai de préavis à respecter par le fonctionnaire est le suivant :
Anciënniteit bij de diensten van de Vlaamse overheid opzeggingstermijn
Van 0 tot minder dan drie maanden 1 week
Van drie maanden tot minder dan zes maanden 2 weken
Van zes maanden tot minder dan twaalf maanden 3 weken
Van twaalf maanden tot minder dan 18 maanden 4 weken
Van 18 maanden tot minder dan 24 maanden 5 weken
Van 2 jaar tot minder dan 4 jaar 6 weken
Van 4 jaar tot minder dan 5 jaar 7 weken
Van 5 jaar tot minder dan 6 jaar 9 weken
Van 6 jaar tot minder dan 7 jaar 10 weken
Van 7 jaar tot minder dan 8 jaar 12 weken
Vanaf 8 jaar 13 weken
Anciënniteit bij de diensten van de Vlaamse overheid opzeggingstermijnVan 0 tot minder dan drie maanden 1 weekVan drie maanden tot minder dan zes maanden 2 wekenVan zes maanden tot minder dan twaalf maanden 3 wekenVan twaalf maanden tot minder dan 18 maanden 4 wekenVan 18 maanden tot minder dan 24 maanden 5 wekenVan 2 jaar tot minder dan 4 jaar 6 wekenVan 4 jaar tot minder dan 5 jaar 7 wekenVan 5 jaar tot minder dan 6 jaar 9 wekenVan 6 jaar tot minder dan 7 jaar 10 wekenVan 7 jaar tot minder dan 8 jaar 12 wekenVanaf 8 jaar 13 weken
Voor de bepaling van de anciënniteit in het kader van de vaststelling van de opzeggingstermijn wordt rekening gehouden met de periodes van ononderbroken tewerkstelling als personeelslid bij de diensten van de Vlaamse overheid. Periodes gedurende welke de ambtenaar met een verlof was, tellen mee voor de berekening van de anciënniteit vermeld in dit lid.
  Onverminderd het zesde lid wordt eveneens de tewerkstelling als personeelslid meegerekend die werd gepresteerd bij de federale overheid of bij een provincie door de ambtenaar die krachtens de staatshervorming of in het kader van de afslanking van de provincies van de federale overheid of een provincie naar de diensten van de Vlaamse overheid werd overgeheveld
  In onderling akkoord tussen de benoemende overheid en de ambtenaar kan worden overeengekomen dat er geen opzeggingstermijn moet worden gepresteerd of dat de te presteren opzeggingstermijn afwijkt van de termijn vastgesteld op grond van dit artikel.
  § 2. In afwijking van paragraaf 1, derde lid, gaat het vrijwillig ontslag als ambtenaar onmiddellijk in mits de ambtenaar een verbrekingsvergoeding betaalt.
  De hoogte van de verbrekingsvergoeding vermeld in het eerste lid is gelijk aan het salaris dat tijdens de opzeggingstermijn, die overeenkomstig artikel XI 6, § 1, had moeten worden gepresteerd, moest worden uitbetaald. Bij de berekening van de verbrekingsvergoeding wordt ook rekening gehouden met de voordelen die de ambtenaar op basis van het statuut verwierf.
  De verbrekingsvergoeding wordt pro rata verminderd als de ambtenaar op het moment van het ontslag als gevolg van de opname van verlof voor deeltijdse prestaties, deeltijdse prestaties wegens een chronische ziekte of een handicap, een vermindering in het kader van zorgkrediet of een vermindering in het kader van een medisch bijstandsverlof niet voltijds werkt.
  In afwijking van het derde lid wordt de vergoeding niet pro rata verminderd als een ambtenaar op het moment van het ontslag niet voltijds werkt als gevolg van deeltijdse prestaties wegens ziekte of een vermindering in het kader van een ouderschapsverlof of palliatief verlof.
  § 3. Een benoeming bij een andere overheid die definitief geworden is, wordt gelijkgesteld met vrijwillig ontslag. Het vrijwillig ontslag gaat in, zonder opzeggingstermijn, op de dag waarop de ambtenaar benoemd wordt bij de andere overheid.
  In afwijking van het vorige lid wordt een tijdelijke benoeming bij een administratief rechtscollege van de Vlaamse overheid niet gelijkgesteld met vrijwillig ontslag.".
Ancienneté auprès des services de l'Autorité flamande délai de préavis
De 0 à moins de trois mois 1 semaine
De trois mois à moins de six mois 2 semaines
De six mois à moins de douze mois 3 semaines
De 12 mois à moins de 18 mois 4 semaines
De 18 mois à moins de 24 mois 5 semaines
De 2 ans à moins de 4 ans 6 semaines
De 4 ans à moins de 5 ans 7 semaines
De 5 ans à moins de 6 ans 9 semaines
De 6 ans à moins de 7 ans 10 semaines
De 7 ans à moins de 8 ans 12 semaines
A partir de 8 ans 13 semaines
Ancienneté auprès des services de l'Autorité flamande délai de préavisDe 0 à moins de trois mois 1 semaineDe trois mois à moins de six mois 2 semainesDe six mois à moins de douze mois 3 semainesDe 12 mois à moins de 18 mois 4 semainesDe 18 mois à moins de 24 mois 5 semainesDe 2 ans à moins de 4 ans 6 semainesDe 4 ans à moins de 5 ans 7 semainesDe 5 ans à moins de 6 ans 9 semainesDe 6 ans à moins de 7 ans 10 semainesDe 7 ans à moins de 8 ans 12 semainesA partir de 8 ans 13 semaines
Pour la détermination de l'ancienneté dans le cadre de la fixation du délai de préavis, il est tenu compte des périodes d'emploi ininterrompu en tant que membre du personnel auprès des services de l'Autorité flamande. Les périodes de congé du fonctionnaire sont prises en compte dans le calcul de l'ancienneté visée au présent alinéa.
  Sans préjudice de l'alinéa 6, l'emploi en tant que membre du personnel presté auprès de l'autorité fédérale ou d'une province par le fonctionnaire, qui a été transféré vers les services de l'Autorité flamande en vertu de la réforme de l'Etat ou dans le cadre du dégraissage des provinces, est également pris en compte.
  De commun accord entre l'autorité ayant compétence de nomination et le fonctionnaire, il peut être convenu qu'aucun délai de préavis ne doit être presté ou que le délai de préavis à prester sera différent du délai fixé en vertu du présent article.
  § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, alinéa 3, la démission volontaire en tant que fonctionnaire prend effet immédiatement à condition que le fonctionnaire verse une indemnité de rupture.
  Le montant de l'indemnité de rupture visée à l'alinéa 1er est égal au traitement à verser pendant le délai de préavis, qui aurait dû être accompli conformément à l'article XI 6, § 1er. Les avantages dont bénéficiait le fonctionnaire sur la base du statut sont également pris en compte pour le calcul de l'indemnité de rupture.
  L'indemnité de rupture est réduite au prorata si le fonctionnaire, au moment du licenciement ne travaille pas à temps plein à la suite d'un congé pour prestations à temps partiel, d'un congé pour prestations à temps partiel pour cause d'une maladie chronique ou un handicap, d'une réduction dans le cadre d'un crédit soins ou d'une réduction dans le cadre d'un congé d'assistance médicale.
  Par dérogation à l'alinéa 3, l'indemnité n'est pas réduite au prorata si le fonctionnaire, au moment du licenciement, ne travaille pas à temps plein à la suite de prestations à temps partiel pour cause de maladie ou d'une réduction dans le cadre de congé parental ou congé pour soins palliatifs.
  § 3. Une nomination auprès d'une autre autorité qui est devenue définitive est assimilée à une démission volontaire. La démission volontaire prend effet, sans préavis, le jour où le fonctionnaire est nommé auprès de l'autre autorité.
  Par dérogation à l'alinéa précédent, une nomination temporaire auprès d'une juridiction administrative de l'Autorité flamande n'est pas assimilée à une démission volontaire. "
Art. 28. Aan artikel XI 7 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 januari 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid wordt het cijfer "62" vervangen door het cijfer "63" en wordt het woord "tweeënzestigste" vervangen door het woord "drieënzestigste";
  2° het tweede lid wordt opgeheven.
Art. 28. Dans l'article XI 7 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 janvier 2017, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 1er, le chiffre " 62 " est remplacé par le chiffre " 63 " et le mot " soixante-deuxième " est remplacé par le mot " soixante-troisième " ;
  2° le deuxième alinéa est supprimé.
Art. 29. Artikel XI 8 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 21 februari 2014 en 27 januari 2017, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. XI 8. § 1. Een ambtenaar kan ontslagen worden als hij na een eerste evaluatie onvoldoende naar aanleiding van één van de tien eerstvolgende evaluaties een tweede evaluatie onvoldoende krijgt.
  De benoemende overheid neemt de beslissing tot ontslag van de ambtenaar binnen de 30 kalenderdagen die volgen op de datum waarop de onvoldoende definitief is geworden. Indien de benoemende overheid deze beslissing niet binnen de voormelde 30 kalenderdagen neemt, dan wordt de ambtenaar geacht niet te zijn ontslagen.
  Indien de benoemende overheid beslist om de ambtenaar vermeld in het eerste lid niet te ontslaan of als de termijn vermeld in het tweede lid verstreken is, dan kan de benoemende overheid pas naar aanleiding van een volgende evaluatie die met een onvoldoende werd afgesloten, beslissen om de ambtenaar vermeld in het eerste lid te ontslaan.
  § 2. Als de benoemende overheid beslist om de ambtenaar te ontslaan, dan bezorgt hij deze beslissing schriftelijk per beveiligde zending aan de ambtenaar.
  Het ontslag als ambtenaar treedt in werking na het verstrijken van een opzeggingstermijn, onverminderd artikel XI 8bis.
  De startdatum en duur van de opzeggingstermijn worden in het geschrift vermeld in het eerste lid aan de ambtenaar meegedeeld.
  § 3. De opzeggingstermijn start op de maandag die volgt op de week waarin de beveiligde zending uitwerking heeft.
  § 4. De door de benoemende overheid te respecteren opzeggingstermijn wordt als volgt vastgesteld:
Art. 29. L'article XI 8 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 21 février 2014 et 27 janvier 2017, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. XI.8. § 1er. Un fonctionnaire peut être licencié lorsqu'il se voit infliger une deuxième évaluation qualifiée d'" insuffisant " à l'occasion d'une des dix évaluations suivantes succédant à une première évaluation qualifiée d'" insuffisant ".
  L'autorité ayant compétence de nomination prend la décision de licenciement du fonctionnaire dans les 30 jours calendrier suivant la date à laquelle la qualification d' " insuffisant " est devenue définitive. Si l'autorité ayant compétence de nomination ne prend pas cette décision dans les 30 jours calendrier précités, le fonctionnaire est réputé non licencié.
  Si l'autorité ayant compétence de nomination décide de ne pas licencier le fonctionnaire visé à l'alinéa 1er ou si le délai visé à l'alinéa 2 a expiré, elle ne peut décider de licencier le fonctionnaire visé à l'alinéa 1er que sur la base d'une évaluation suivante conclue par une qualification d'" insuffisant ".
  § 2. Si l'autorité ayant compétence de nomination décide de licencier le fonctionnaire, elle transmet cette décision par écrit au fonctionnaire par courrier sécurisé.
  La démission en tant que fonctionnaire entre en vigueur à l'expiration d'un délai de préavis, sans préjudice de l'article XI 8bis.
  La date de début et la durée du délai de préavis sont notifiées au fonctionnaire dans l'écrit visé à l'alinéa 1er.
  § 3. Le délai de préavis commence à courir le lundi suivant la semaine au cours de laquelle l'envoi sécurisé prend effet.
  § 4. Le délai de préavis à respecter par l'autorité ayant compétence de nomination est fixé comme suit :
Anciënniteit bij de diensten van de Vlaamse overheid Opzeggingstermijn
0 jaar tot minder dan 1 jaar 7 weken
1 tot minder dan 2 jaar 11 weken
2 tot minder dan 3 jaar 12 weken
3 tot minder dan 4 jaar 13 weken
4 jaar tot minder dan 5 jaar 15 weken
5 jaar tot minder dan 6 jaar 18 weken
6 jaar tot minder dan 7 jaar 21 weken
7 jaar tot minder dan 8 jaar 24 weken
8 jaar tot minder dan 9 jaar 27 weken
9 jaar tot minder dan 10 jaar 30 weken
10 jaar tot minder dan 11 jaar 33 weken
11 jaar tot minder dan 12 jaar 36 weken
12 jaar tot minder dan 13 jaar 39 weken
13 jaar tot minder dan 14 jaar 42 weken
14 jaar tot minder dan 15 jaar 45 weken
15 jaar tot minder dan 16 jaar 48 weken
16 jaar tot minder dan 17 jaar 51 weken
17 jaar tot minder dan 18 jaar 54 weken
18 jaar tot minder dan 19 jaar 57 weken
19 jaar tot minder dan 20 jaar 60 weken
20 jaar tot minder dan 21 jaar 62 weken
21 jaar tot minder dan 22 jaar 63 weken
22 jaar tot minder dan 23 jaar 64 weken
23 jaar tot minder dan 24 jaar 65 weken
24 jaar tot minder dan 25 jaar 66 weken
25 jaar tot minder dan 26 jaar 67 weken
26 jaar tot minder dan 27 jaar 68 weken
27 jaar tot minder dan 28 jaar 69 weken
28 jaar tot minder dan 29 jaar 70 weken
29 jaar tot minder dan 30 jaar 71 weken
30 jaar tot minder dan 31 jaar 72 weken
31 jaar tot minder dan 32 jaar 73 weken
32 jaar tot minder dan 33 jaar 74 weken
33 jaar tot minder dan 34 jaar 75 weken
34 jaar tot minder dan 35 jaar 76 weken
35 jaar tot minder dan 36 jaar 77 weken
36 jaar tot minder dan 37 jaar 78 weken
37 jaar tot minder dan 38 jaar 79 weken
38 jaar tot minder dan 39 jaar 80 weken
39 jaar tot minder dan 40 jaar 81 weken
40 jaar tot minder dan 41 jaar 82 weken
Anciënniteit bij de diensten van de Vlaamse overheid Opzeggingstermijn0 jaar tot minder dan 1 jaar 7 weken1 tot minder dan 2 jaar 11 weken2 tot minder dan 3 jaar 12 weken3 tot minder dan 4 jaar 13 weken4 jaar tot minder dan 5 jaar 15 weken5 jaar tot minder dan 6 jaar 18 weken6 jaar tot minder dan 7 jaar 21 weken7 jaar tot minder dan 8 jaar 24 weken8 jaar tot minder dan 9 jaar 27 weken9 jaar tot minder dan 10 jaar 30 weken10 jaar tot minder dan 11 jaar 33 weken11 jaar tot minder dan 12 jaar 36 weken12 jaar tot minder dan 13 jaar 39 weken13 jaar tot minder dan 14 jaar 42 weken14 jaar tot minder dan 15 jaar 45 weken15 jaar tot minder dan 16 jaar 48 weken16 jaar tot minder dan 17 jaar 51 weken17 jaar tot minder dan 18 jaar 54 weken18 jaar tot minder dan 19 jaar 57 weken19 jaar tot minder dan 20 jaar 60 weken20 jaar tot minder dan 21 jaar 62 weken21 jaar tot minder dan 22 jaar 63 weken22 jaar tot minder dan 23 jaar 64 weken23 jaar tot minder dan 24 jaar 65 weken24 jaar tot minder dan 25 jaar 66 weken25 jaar tot minder dan 26 jaar 67 weken26 jaar tot minder dan 27 jaar 68 weken27 jaar tot minder dan 28 jaar 69 weken28 jaar tot minder dan 29 jaar 70 weken29 jaar tot minder dan 30 jaar 71 weken30 jaar tot minder dan 31 jaar 72 weken31 jaar tot minder dan 32 jaar 73 weken32 jaar tot minder dan 33 jaar 74 weken33 jaar tot minder dan 34 jaar 75 weken34 jaar tot minder dan 35 jaar 76 weken35 jaar tot minder dan 36 jaar 77 weken36 jaar tot minder dan 37 jaar 78 weken37 jaar tot minder dan 38 jaar 79 weken38 jaar tot minder dan 39 jaar 80 weken39 jaar tot minder dan 40 jaar 81 weken40 jaar tot minder dan 41 jaar 82 weken
In onderling akkoord tussen de benoemende overheid en de ambtenaar kan een opzeggingstermijn worden vastgesteld die korter is dan de termijn vermeld in het eerste lid.
  § 5. Voor de bepaling van de anciënniteit in het kader van de vaststelling van de opzeggingstermijn wordt rekening gehouden met de periodes van ononderbroken tewerkstelling als personeelslid bij de diensten van de Vlaamse overheid. Periodes gedurende welke de ambtenaar met een verlof was, tellen mee voor de berekening van de anciënniteit vermeld in dit lid.
  Onverminderd het eerste lid wordt eveneens de tewerkstelling als personeelslid meegerekend die werd gepresteerd bij de federale overheid of bij een provincie door de ambtenaar die krachtens de staatshervorming of in het kader van de afslanking van de provincies van de federale overheid of een provincie naar de diensten van de Vlaamse overheid werd overgeheveld.".
Ancienneté auprès des services de l'Autorité flamande Délai de préavis
0 an à moins d'1 an 7 semaines
1 an à moins de 2 ans 11 semaines
2 ans à moins de 3 ans 12 semaines
3 ans à moins de 4 ans 13 semaines
4 ans à moins de 5 ans 15 semaines
5 ans à moins de 6 ans 18 semaines
6 ans à moins de 7 ans 21 semaines
7 ans à moins de 8 ans 24 semaines
8 ans à moins de 9 ans 27 semaines
9 ans à moins de 10 ans 30 semaines
10 ans à moins de 11 ans 33 semaines
11 ans à moins de 12 ans 36 semaines
12 ans à moins de 13 ans 39 semaines
13 ans à moins de 14 ans 42 semaines
14 ans à moins de 15 ans 45 semaines
15 ans à moins de 16 ans 48 semaines
16 ans à moins de 17 ans 51 semaines
17 ans à moins de 18 ans 54 semaines
18 ans à moins de 19 ans 57 semaines
19 ans à moins de 20 ans 60 semaines
20 ans à moins de 21 ans 62 semaines
21 ans à moins de 22 ans 63 semaines
22 ans à moins de 23 ans 64 semaines
23 ans à moins de 24 ans 65 semaines
24 ans à moins de 25 ans 66 semaines
25 ans à moins de 26 ans 67 semaines
26 ans à moins de 27 ans 68 semaines
27 ans à moins de 28 ans 69 semaines
28 ans à moins de 29 ans 70 semaines
29 ans à moins de 30 ans 71 semaines
30 ans à moins de 31 ans 72 semaines
31 ans à moins de 32 ans 73 semaines
32 ans à moins de 33 ans 74 semaines
33 ans à moins de 34 ans 75 semaines
34 ans à moins de 35 ans 76 semaines
35 ans à moins de 36 ans 77 semaines
36 ans à moins de 37 ans 78 semaines
37 ans à moins de 38 ans 79 semaines
38 ans à moins de 39 ans 80 semaines
39 ans à moins de 40 ans 81 semaines
40 ans à moins de 41 ans 82 semaines
Ancienneté auprès des services de l'Autorité flamande Délai de préavis0 an à moins d'1 an 7 semaines1 an à moins de 2 ans 11 semaines2 ans à moins de 3 ans 12 semaines3 ans à moins de 4 ans 13 semaines4 ans à moins de 5 ans 15 semaines5 ans à moins de 6 ans 18 semaines6 ans à moins de 7 ans 21 semaines7 ans à moins de 8 ans 24 semaines8 ans à moins de 9 ans 27 semaines9 ans à moins de 10 ans 30 semaines10 ans à moins de 11 ans 33 semaines11 ans à moins de 12 ans 36 semaines12 ans à moins de 13 ans 39 semaines13 ans à moins de 14 ans 42 semaines14 ans à moins de 15 ans 45 semaines15 ans à moins de 16 ans 48 semaines16 ans à moins de 17 ans 51 semaines17 ans à moins de 18 ans 54 semaines18 ans à moins de 19 ans 57 semaines19 ans à moins de 20 ans 60 semaines20 ans à moins de 21 ans 62 semaines21 ans à moins de 22 ans 63 semaines22 ans à moins de 23 ans 64 semaines23 ans à moins de 24 ans 65 semaines24 ans à moins de 25 ans 66 semaines25 ans à moins de 26 ans 67 semaines26 ans à moins de 27 ans 68 semaines27 ans à moins de 28 ans 69 semaines28 ans à moins de 29 ans 70 semaines29 ans à moins de 30 ans 71 semaines30 ans à moins de 31 ans 72 semaines31 ans à moins de 32 ans 73 semaines32 ans à moins de 33 ans 74 semaines33 ans à moins de 34 ans 75 semaines34 ans à moins de 35 ans 76 semaines35 ans à moins de 36 ans 77 semaines36 ans à moins de 37 ans 78 semaines37 ans à moins de 38 ans 79 semaines38 ans à moins de 39 ans 80 semaines39 ans à moins de 40 ans 81 semaines40 ans à moins de 41 ans 82 semaines
Un délai de préavis plus court que celui visé à l'alinéa 1er peut être fixé de commun accord entre l'autorité ayant compétence de nomination et le fonctionnaire.
  § 5. Pour la détermination de l'ancienneté dans le cadre de la fixation du délai de préavis, il est tenu compte des périodes d'emploi ininterrompu en tant que membre du personnel auprès des services de l'Autorité flamande. Les périodes de congé du fonctionnaire sont prises en compte dans le calcul de l'ancienneté visée au 1er alinéa.
  Sans préjudice de l'alinéa 1er, l'emploi en tant que membre du personnel presté auprès de l'autorité fédérale ou auprès d'une province par le fonctionnaire qui a été transféré vers les services de l'Autorité flamande en vertu de la réforme de l'Etat ou dans le cadre du dégraissage des provinces, est également pris en compte. ".
Art. 30. In deel XI, hoofdstuk 1, van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 januari 2017, worden de artikelen XI 8bis, XI 8ter, XI 8quater en XI 8quinques ingevoegd, die luiden als volgt:
  "Art. XI.8bis. § 1. In afwijking van artikel XI 8, § 2, tweede lid, kan de benoemende overheid beslissen dat het ontslag als ambtenaar onmiddellijk ingaat, mits aan de ambtenaar een verbrekingsvergoeding wordt uitbetaald.
  De hoogte van de verbrekingsvergoeding vermeld in het eerste lid is gelijk aan het salaris dat tijdens de opzeggingstermijn, die overeenkomstig artikel XI 8, § 4, had moeten worden gepresteerd, moest worden uitbetaald. Bij de berekening van de verbrekingsvergoeding wordt ook rekening gehouden met de voordelen die de ambtenaar op basis van het statuut verwierf.
  De verbrekingsvergoeding wordt pro rata verminderd als de ambtenaar op het moment van het ontslag als gevolg van de opname van een verlof voor deeltijdse prestaties, deeltijdse prestaties wegens een chronische ziekte of een handicap, een vermindering in het kader van zorgkrediet of een vermindering in het kader van een medisch bijstandsverlof niet voltijds werkt.
  In afwijking van het derde lid wordt de vergoeding niet pro rata verminderd als een ambtenaar op het moment van het ontslag niet voltijds werkt als gevolg van een deeltijdse prestaties wegens ziekte of een vermindering in het kader van een ouderschapsverlof of palliatief verlof.
  Als de ambtenaar op het moment van het ontslag voltijds afwezig is als gevolg van één van de volgende verloven, dan wordt er rekening gehouden met het salaris dat de ambtenaar zou hebben genoten, mocht hij niet met verlof zijn geweest:
  1° zorgkrediet;
  2° federaal zorgverlof;
  3° onbetaald verlof;
  4° politiek verlof;
  5° gestandaardiseerd gunstverlof;
  6° een verlof in het kader van een tewerkstelling voor een externe werkgever gedurende welke het loon niet wordt doorbetaald.
  § 2. In het geschrift waarmee de beslissing tot ontslag wordt meegedeeld, wordt in afwijking van artikel XI 8, § 2, derde lid, ook de waarde van de verbrekingsvergoeding die zal worden uitbetaald meegedeeld.
  § 3. Tijdens een lopende opzeggingstermijn kan de benoemende overheid beslissen om het ontslag als ambtenaar alsnog onmiddellijk te laten ingaan, mits betaling van een verbrekingsvergoeding.
  De hoogte van de verbrekingsvergoeding vermeld in het eerste lid is gelijk aan het salaris dat tijdens de nog resterende opzeggingstermijn moest worden uitbetaald. Artikel XI 8bis, § 1, tweede tot vijfde lid zijn overeenkomstig van toepassing.
  Art. XI.8ter. Met het oog op de onderbrenging van de ambtenaar onder de werkloosheidsverzekering, de ziekteverzekering, sector uitkeringen, en de moederschapsverzekering worden tijdens de opzeggingstermijn of op de verbrekingsvergoeding de desbetreffende werknemersbijdragen ingehouden en samen met de werkgeversbijdrage gestort. Indien deze niet volstaan, betaalt de werkgever de nog benodigde werkgevers- en werknemersbijdragen.
  Art. XI.8quater. § 1. Een ambtenaar die overeenkomstig artikel XI 8, § 1, ontslagen wordt, heeft recht op outplacementbegeleiding op voorwaarde dat hij recht heeft op ofwel:
  1° een opzeggingstermijn van minstens dertig weken;
  2° een verbrekingsvergoeding die een opzeggingstermijn van minstens dertig weken vervangt.
  § 2. In geval van een ontslag met een opzeggingstermijn heeft de ambtenaar recht op een outplacementbegeleiding van zestig uren die worden opgenomen tijdens het sollicitatieverlof vermeld in artikel XI.8quinques.
  § 3. In geval van een ontslag met een verbrekingsvergoeding heeft de ambtenaar recht op een outplacementbegeleiding van zestig uren waarvan de waarde gelijk is aan een twaalfde van het bruto jaarsalaris van het kalenderjaar dat het ontslag voorafgaat met een minimumwaarde van €1800 en een maximumwaarde van €5500. Deze waardes worden pro rata verminderd in geval de ambtenaar op het moment van het ontslag verminderd werkt.
  De opzeggingstermijn op grond waarvan de vergoeding vermeld in artikel XI 8bis berekend wordt, wordt in geval de ambtenaar recht heeft op outplacementbegeleiding met vier weken verminderd.
  Het tweede lid is niet van toepassing als de ambtenaar binnen de zeven kalenderdagen na kennisname van het ontslag door middel van een geneeskundig getuigschrift aantoont dat hij medisch ongeschikt is om een outplacementbegeleiding te volgen.
  Art. XI.8quinques. Een ambtenaar die overeenkomstig artikel XI.8, § 1, ontslagen wordt, heeft tijdens de opzeggingstermijn onder de volgende voorwaarden recht op sollicitatieverlof:
  1° de ambtenaar heeft recht op de outplacementbegeleiding vermeld in artikel XI 8quater: één dag per week, op te nemen met een volle of halve dag;
  2° de ambtenaar heeft geen recht op outplacementbegeleiding vermeld in artikel X.8quater:
  * gedurende de weken die de laatste zesentwintig weken van de opzeggingstermijn voorafgaan: een halve dag per week;
  * gedurende de laatste zesentwintig weken van de opzeggingstermijn: één dag per week op te nemen met een volle of halve dag.
  Het sollicitatieverlof wordt met dienstactiviteit gelijkgesteld. Het niet-opgenomen verlof kan niet naar de volgende week worden overgedragen."
Art. 30. Dans la partie XI, chapitre 1er, du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 janvier 2017, sont insérés les articles XI 8bis, XI 8ter, XI 8quater et XI 8quinques, rédigés comme suit :
  " Art. XI.8bis. § 1er. Par dérogation à l'article XI 8, § 2, alinéa 2, l'autorité ayant compétence de nomination peut décider que le licenciement en tant que fonctionnaire prend effet immédiatement, à condition qu'une indemnité de rupture soit versée au fonctionnaire.
  Le montant de l'indemnité de rupture visée à l'alinéa 1er est égal au traitement à verser pendant le délai de préavis, qui aurait dû être versé conformément à l'article XI 8, § 4. Lors du calcul de l'indemnité de rupture, il est également tenu compte des avantages que le fonctionnaire a acquis sur la base du statut.
  L'indemnité de rupture est réduite au prorata si, au moment du licenciement, le fonctionnaire ne travaille pas à temps plein à la suite d'un congé pour prestations à temps partiel, d'un congé pour prestations à temps partiel pour cause de maladie chronique ou d'un handicap, d'une réduction dans le cadre d'un crédit soins ou d'une réduction dans le cadre d'un congé d'assistance médicale.
  Par dérogation à l'alinéa 3, l'indemnité n'est pas réduite au prorata si, au moment du licenciement, le fonctionnaire ne travaille pas à temps plein à la suite d'un congé pour prestations à temps partiel pour cause de maladie ou d'une réduction dans le cadre d'un congé parental ou d'un congé pour soins palliatifs.
  Si, au moment du licenciement, le fonctionnaire est absent à temps plein à la suite de l'un des congés suivants, il est tenu compte du traitement qu'il aurait perçu s'il n'avait pas été en congé :
  1° crédit-soins ;
  2° congé soins fédéral ;
  3° congé non payé ;
  4° congé politique ;
  5° congé de faveur standardisé ;
  6° un congé dans le cadre d'un emploi pour un employeur externe au cours duquel le traitement n'est plus versé.
  § 2. Par dérogation à l'article XI 8, § 2, alinéa 3, l'écrit notifiant la décision de licenciement indique également la valeur de l'indemnité de rupture à verser.
  § 3. Pendant un délai de préavis en cours, l'autorité ayant compétence de nomination peut décider de donner effet immédiatement au licenciement en tant que fonctionnaire, moyennant le versement d'une indemnité de rupture.
  Le montant de l'indemnité de rupture visée à l'alinéa 1er est égal au traitement à verser pendant le délai de préavis restant. L'article XI 8bis, § 1, alinéas 2 à 5, s'applique mutatis mutandis.
  Art. XI.8ter. En vue de la reprise du fonctionnaire dans le régime de l'assurance chômage, de l'assurance maladie, secteur allocations, et de l'assurance maternité, les cotisations ouvrières concernées sont retenues pendant le délai de préavis ou sur l'indemnité de rupture, et versées ensemble avec les cotisations patronales. Lorsque ce paiement de cotisations ne suffit pas, l'employeur paie les cotisations patronales et ouvrières encore requises.
  Art. XI.8quater. § 1er. Un fonctionnaire licencié conformément à l'article XI 8, § 1er, a droit à un accompagnement de l'outplacement, à condition qu'il ait droit :
  1° à un délai de préavis d'au moins trente semaines ;
  2° à une indemnité de rupture qui remplace un délai de préavis d'au moins trente semaines.
  § 2. En cas de licenciement avec un délai de préavis, le fonctionnaire a droit à un accompagnement de l'outplacement de soixante heures qui sont prises pendant le congé de recherche d'emploi visé à l'article XI 8quinques.
  § 3. En cas de licenciement avec une indemnité de rupture, le fonctionnaire a droit à un accompagnement de l'outplacement de soixante heures, dont la valeur est égale à un douzième du traitement annuel brut de l'année calendrier précédant le licenciement, avec une valeur minimale de 1800 euros et une valeur maximale de 5500 euros. Ces valeurs sont réduites au prorata en cas de réduction du temps de travail du fonctionnaire au moment du licenciement.
  Le délai de préavis sur la base duquel est calculée l'indemnité visée à l'article XI 8bis est réduit de quatre semaines lorsque le fonctionnaire a droit à un accompagnement de l'outplacement.
  L'alinéa 2 ne s'applique pas si le fonctionnaire démontre dans les sept jours calendrier suivant la prise de connaissance du licenciement, au moyen d'un certificat médical, qu'il ne possède pas l'aptitude médicale requise pour suivre un accompagnement de l'outplacement.
  Art. XI.8quinques. Un fonctionnaire licencié conformément à l'article XI 8, § 1er, a droit à un congé de recherche d'emploi pendant le délai de préavis, dans les conditions suivantes :
  1° le fonctionnaire a droit à l'accompagnement de l'outplacement visé à l'article XI 8quater : un jour par semaine, à prendre à la journée ou à la demi-journée ;
  2° le fonctionnaire n'a pas droit à l'accompagnement de l'outplacement visé à l'article X 8quater :
  * au cours des semaines précédant les vingt-six dernières semaines du délai de préavis : une demi-journée par semaine ;
  * au cours des vingt-six dernières semaines du délai de préavis : une journée par semaine, à prendre à la journée ou à la demi-journée.
  Le congé de recherche d'emploi est assimilé à une activité de service. Le congé non pris ne peut être reporté à la semaine suivante. "
Art. 31. Aan deel XI, hoofdstuk 3, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 januari 2017, worden een artikel XI 14, XI 15 en XI 16 toegevoegd, die luiden als volgt:
  "Art. XI.14. Op het vrijwillig ontslag dat door de ambtenaar bij de benoemende overheid is ingediend voor 1 juni 2019 blijven de regels van toepassing die golden op het moment dat het vrijwillig ontslag werd ingediend.
  Art. XI.15. Op de opzeggingstermijnen die lopen op 31 mei 2019 blijven de regels van toepassing die golden bij de start van de opzeggingstermijn.
  Art. XI.16. Voor de ambtenaar die op 31 mei 2019 vast benoemd is, wordt de opzeggingstermijn vermeld in artikel XI 8, § 2, tweede lid, berekend door de uitkomst van punt 1° en 2° bij elkaar op te tellen:
  1° op grond van de anciënniteit opgebouwd tot en met 31 mei 2019 heeft de ambtenaar recht op een opzeggingstermijn van dertien weken per begonnen periode van vijf jaar anciënniteit;
  2° op grond van de anciënniteit opgebouwd vanaf 1 juni 2019 wordt de opzeggingstermijn berekend overeenkomstig artikel XI 8, § 4.".
Art. 31. La partie XI, chapitre 3, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 janvier 2017, est complétée par les articles XI 14, XI 15 et XI 16, rédigés comme suit :
  " Art. XI.14. Lors de la démission volontaire introduite par le fonctionnaire auprès de l'autorité ayant compétence de nomination avant le 1er juin 2019, les règles en vigueur au moment de l'introduction de la démission volontaire restent d'application.
  Art. XI.15. Les délais de préavis qui sont en cours le 31 mai 2019 restent soumis aux règles en vigueur au début du délai de préavis.
  Art. XI.16. Pour le fonctionnaire nommé à titre définitif le 31 mai 2019, le délai de préavis visé à l'article XI 8, § 2, alinéa 2, est calculé en additionnant les résultats des points 1° et 2° :
  1° sur la base de l'ancienneté acquise jusqu'au 31 mai 2019 inclus, le fonctionnaire a droit à un délai de préavis de treize semaines par période commencée de cinq ans d'ancienneté ;
  2° sur la base de l'ancienneté acquise depuis le 1er juin 2019, le délai de préavis est calculé conformément à l'article XI 8, § 4. ".
Art. 32. Dit besluit treedt in werking op 1 juni 2019, met uitzondering van:
  1° artikel 8 dat uitwerking heeft met ingang van 1 april 2018;
  2° artikelen 19, 20, 21 en 22 die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2019;
  3° artikel 13, wat de forfaitaire vergoeding voor het gebruik van eigen ICT-middelen tijdens PTOW betreft, dat in werking treedt op 1 oktober 2019.
Art. 32. Le présent arrêté en vigueur le 1er juin 2019, à l'exception :
  1° de l'article 8, qui produit ses effets le 1 avril 2018 ;
  2° des articles 19, 20 21 et 22, qui produisent leurs effets le 1er septembre 2019 ;
  3° de l'article 13, en ce qui concerne l'indemnité forfaitaire pour l'utilisation des ressources propres TIC pendant la période de travail indépendant du lieu du temps, qui entrera en vigueur le 1er octobre 2019.
Art. 33. De Vlaamse minister, bevoegd voor het algemeen beleid inzake personeel en organisatieontwikkeling in de Vlaamse administratie, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 33. Le Ministre flamand ayant dans ses attributions la politique générale en matière de personnel et de développement de l'organisation au sein de l'administration flamande est chargé de l'exécution du présent arrêté.