Zum Hauptinhalt

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
6 FEBRUARI 2018. - Reglement van de Nationale Bank van België van 6 februari 2018 betreffende de deskundigheid van de verantwoordelijken voor de compliancefunctie
Titre
6 FEVRIER 2018. - Règlement de la Banque nationale de Belgique du 6 février 2018 relatif à l'expertise des responsables de la fonction de compliance
Tekst (18)
Texte (18)
Afdeling I. - Definities
Section Ire. - Définitions
Artikel 1. Voor de toepassing van dit reglement wordt verstaan onder :
  1° "gereglementeerde ondernemingen" :
  a)de kredietinstellingen naar Belgisch recht in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, van de wet van 25 april 2014, alsook de in België gevestigde bijkantoren van kredietinstellingen die ressorteren onder het recht van derde landen;
  b)de beleggingsondernemingen naar Belgisch recht die erkend zijn als beursvennootschappen in de zin van artikel 1, § 3, tweede lid van de wet van 25 april 2014, alsook de in België gevestigde bijkantoren van als beursvennootschappen erkende beleggingsondernemingen die ressorteren onder het recht van derde landen;
  c)de verzekeringsondernemingen naar Belgisch recht in de zin van artikel 5, 1° van de wet van 13 maart 2016, alsook de in België gevestigde bijkantoren van verzekeringsondernemingen die ressorteren onder het recht van derde landen;
  d)in het kader van het geconsolideerde toezicht, het groepstoezicht of het aanvullende conglomeraatstoezicht, de financiële holdings naar Belgisch recht in de zin van artikel 3, 38° van de wet van 25 april 2014, en de gemengde financiële holdings naar Belgisch recht in de zin van artikel 3, 39° van de wet van 25 april 2014 en artikel 338, 7° van de wet van 13 maart 2016;
  e)entiteiten die verantwoordelijk zijn voor een Belgische verzekeringsgroep in de zin van artikelen 339, 2° en 343 van de wet van 13 maart 2016;
  2° "wet van 25 april 2014" : de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen;
  3° "wet van 13 maart 2016" : de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;
  4° "wet van 25 oktober 2016" : de wet van 25 oktober 2016 betreffende de toegang tot het beleggingsdienstenbedrijf en betreffende het statuut van en het toezicht op de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies;
  5° "wet van 3 augustus 2012" : de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen;
  6° "wet van 4 april 2014" : de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen;
  7° "wet van 2 augustus 2002" : de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten;
  8° "FSMA" : Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten;
  9° "NBB" : Nationale Bank van België;
  10° "toezichthouder" : de Nationale Bank van België of, wat de kredietinstellingen, de financiële holdings en de gemengde financiële holdings betreft, de Nationale Bank van België of de Europese Centrale Bank, volgens de bevoegdheidsverdeling vastgelegd door of krachtens Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen;
  11° "verantwoordelijke voor de compliancefunctie" : de persoon die in een gereglementeerde onderneming verantwoordelijk is voor de compliancefunctie als bedoeld in artikel 36 van de wet van 25 april 2014 en artikel 55 van de wet van 13 maart 2016;
  12° "examen voor de bank- en beleggingsdienstensector" : examen bedoeld voor de kandidaat-verantwoordelijken voor de compliancefunctie van een in 1°, a), b) of d) bedoelde gereglementeerde onderneming;
  13 "examen voor de verzekeringssector" : examen bedoeld voor de kandidaat-verantwoordelijken voor de compliancefunctie van een in 1°, c) of e) bedoelde gereglementeerde onderneming;
  14° "activiteitensector" : hetzij de verzekeringssector, hetzij de bank- en beleggingsdienstensector.
Article 1er. Pour l'application du présent règlement, il y a lieu d'entendre par :
  1° "entreprises réglementées" :
  a) les établissements de crédit de droit belge au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, de la loi du 25 avril 2014, ainsi que les succursales établies en Belgique d'établissements de crédit relevant du droit d'Etats tiers;
  b) les entreprises d'investissement de droit belge agréées en qualité de sociétés de bourse au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 2, de la loi du 25 avril 2014, ainsi que les succursales établies en Belgique d'entreprises d'investissement agréées en qualité de sociétés de bourserelevant du droit d'Etats tiers;
  c) les entreprises d'assurances de droit belge au sens de l'article 5, 1° de la loi du 13 mars 2016, ainsi que les succursales établies en Belgique d'entreprises d'assurances relevant du droit d'Etats tiers;
  d) dans le cadre du contrôle consolidé, de la surveillance du groupe ou de la surveillance complémentaire des conglomérats, les compagnies financières de droit belge au sens de l'article 3, 38°, de la loi du 25 avril 2014, et les compagnies financières mixtes de droit belge au sens de l'article 3, 39°, de la loi du 25 avril 2014 et de l'article 338, 7°, de la loi du 13 mars 2016;
  e) les entités responsables d'un groupe belge d'assurance au sens des articles 339, 2°, et 343 de la loi du 13 mars 2016;
  2° "loi du 25 avril 2014" : la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse;
  3° "loi du 13 mars 2016" : la loi du 13 mars 2016 relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance ou de réassurance;
  4° "loi du 25 octobre 2016" : la loi du 25 octobre 2016 relative à l'accès à l'activité de prestation de services d'investissement et au statut et au contrôle des sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement;
  5° "loi du 3 août 2012" : la loi du 3 août 2012 relative aux organismes de placement collectif qui répondent aux conditions de la directive 2009/65/CE et aux organismes de placement en créances ;
  6° "loi du 4 avril 2014" : la loi du 4 avril 2014 relative aux assurances;
  7° "loi du 2 août 2002" : la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers;
  8° "FSMA" : l'Autorité des services et marchés financiers;
  9° "BNB" : la Banque nationale de Belgique;
  10° "autorité de contrôle" : la Banque nationale de Belgique ou, s'agissant des établissements de crédit, des compagnies financières et des compagnies financières mixtes, la Banque nationale de Belgique ou la Banque centrale européenne selon les répartitions de compétences prévues par ou en vertu du Règlement (UE) n° 1024/2013 du Conseil du 15 octobre 2013 confiant à la Banque centrale européenne des missions spécifiques ayant trait aux politiques en matière de contrôle prudentiel des établissements de crédit;
  11° "responsable de la fonction de compliance" : la personne qui, au sein d'une entreprise réglementée est responsable de la fonction de compliance visée à l'article 36 de la loi du 25 avril 2014 et à l'article 55 de la loi du 13 mars 2016;
  12° "examen du secteur bancaire et des services d'investissement" : examen destiné aux candidats responsables de la fonction de compliance d'une entreprise réglementée visée au 1°, a), b) ou d);
  13° "examen du secteur des assurances" : examen destiné aux candidats responsables de la fonction de compliance d'une entreprise réglementée visée au 1°, c), ou e);
  14° "secteur d'activités" : soit le secteur des assurances, soit le secteur bancaire et des services d'investissement.
Afdeling II. - Vereisten inzake deskundigheid in hoofde van de verantwoordelijken voor de compliancefunctie
Section II. - Exigences en matière d'expertise des responsables de la fonction de compliance
Art. 2. § 1. Om de deskundigheid van de verantwoordelijke voor de compliancefunctie te beoordelen overeenkomstig art. 60, § 2 van de wet van 25 april 2014 of art. 81, § 2 van de wet van 13 maart 2016, ziet de toezichthouder er minstens op toe dat de volgende vereisten door de kandidaat worden nageleefd :
  1° beschikken over ten minste drie jaar passende ervaring. Met passende ervaring wordt ervaring bedoeld die een kandidaat heeft opgedaan bij het uitoefenen van functies waar hij of zij een beoordelingsverantwoordelijkheid droeg in een werkomgeving die inhoudelijk gelijkenissen of raakvlakken vertoont met de functies van de verantwoordelijke voor de compliancefunctie en met de gereglementeerde onderneming die de kandidaat-verantwoordelijke voor de compliancefunctie heeft benoemd.
  Deze passende ervaring moet volledig zijn opgedaan in de periode van zes jaar voorafgaand aan de datum van het voorstel tot benoeming.
  2° houder zijn van een masterdiploma dat is uitgereikt door een universiteit of een hogeschool overeenkomstig een decreet van de Vlaamse, Franse of Duitstalige Gemeenschap, dan wel van een gelijkwaardig diploma dat vóór het academiejaar 2004-2005 is uitgereikt, of van een buitenlands diploma dat krachtens de geldende wetgeving of door de NBB als gelijkwaardig wordt beschouwd met het in deze bepaling bedoelde Belgische diploma.
  De kandidaat-verantwoordelijken voor de compliancefunctie die kunnen aantonen dat zij praktische ervaring en kennis hebben opgedaan op financieel gebied die relevant zijn voor de uitoefening van de functie, zijn vrijgesteld van de toepassing van 2°. Of de praktische ervaring en de kennis relevant zijn, zal door de toezichthouder worden beoordeeld aan de hand van een gedetailleerd dossier dat door de betrokken gereglementeerde onderneming moet worden overgemaakt en, zo nodig, tijdens een individueel gesprek met de kandidaat.
  3° een grondige kennis hebben verworven van de inhoud en de toepassing van de wettelijke en reglementaire integriteits- en gedragsregels die van toepassing zijn op de gereglementeerde onderneming. Deze grondige kennis wordt aangetoond :
  a)met een attest waaruit blijkt dat de kandidaat-verantwoordelijke voor de compliancefunctie geslaagd is voor een examen dat werd afgenomen door een instelling waarvan de examens zijn erkend door de FSMA en de NBB overeenkomstig afdeling III van dit reglement.
  Het gaat meer bepaald om de volgende examens :
  -(i) hetzij het examen voor de bank- en beleggingsdienstensector voor de kandidaat-verantwoordelijken voor de compliancefunctie die zijn benoemd in een in artikel 1, 1°, a), b) en d) bedoelde gereglementeerde onderneming.
  De kandidaat-verantwoordelijken voor de compliancefunctie die zijn benoemd in een in artikel 1, 1°, a) en d) bedoelde gereglementeerde onderneming die geen beleggingsdiensten verleent en aanbiedt, mogen een attest van slagen voor het examen indienen waarin alleen het slagen voor het theoretische deel en voor de in artikel 5, 2°, derde lid, b) bedoelde module B van het praktische examen voor de bank- en beleggingsdienstensector wordt vermeld.
  -(ii) hetzij het examen voor de verzekeringssector voor de kandidaat-verantwoordelijken voor de compliancefunctie die zijn benoemd in een in artikel 1, 1°, c) en e) bedoelde gereglementeerde onderneming.
  De kandidaat-verantwoordelijken voor de compliancefunctie die zijn benoemd in een in artikel 1, 1°, c) en e) bedoelde gereglementeerde onderneming die geen levensverzekerings-activiteiten zoals gedefinieerd in Bijlage II van de wet van 13 maart 2016 aanbiedt, mogen een attest van slagen indienen waarin alleen het slagen voor het theoretische deel en voor de in artikel 5, 2°, derde lid, a) bedoelde module B van het praktische examen voor de verzekeringssector wordt vermeld.
  b)en met de deelname, vanaf het slagen voor het examen, aan een opleidingsprogramma bij een opleidingsinstelling die is erkend door de FSMA, op advies van de NBB, met een minimumduur van 20 uur om de drie jaar. In afwijking van wat voorafgaat is de minimumduur van het opleidingsprogramma 40 uur om de drie jaar wanneer de kandidaat-verantwoordelijke voor de compliancefunctie eerder al was benoemd in een gereglementeerde onderneming.
  4° beschikken over de nodige vaardigheden om de verantwoordelijkheid voor de compliancefunctie te dragen.
  5° blijk hebben geven van professioneel gedrag, met name doordat er geen indicatie voorhanden is, die in de richting van het tegendeel wijst.
  § 2. Om permanent aan de in paragraaf 1, 3°, bedoelde kennisvoorwaarde te voldoen, nemen de verantwoordelijken voor de compliancefunctie deel aan een programma tot permanente opleiding bij een opleidingsinstelling die, op advies van de NBB, door de FSMA is erkend, met een minimumduur van 40 uur om de drie jaar.
  § 3. De kandidaat-verantwoordelijken voor de compliancefunctie die voldoen aan de voorwaarden als bedoeld in § 1, 1°, 2°, 4° en 5°, worden geacht aan de in § 1 bedoelde vereisten inzake deskundigheid te voldoen.
  De gereglementeerde ondernemingen waarin ze werden benoemd beschikken vanaf hun benoeming over een termijn van één jaar om de toezichthouder het in artikel 2, § 1, 3°, a) bedoelde attest van slagen te bezorgen.
  De toezichthouder kan, onder uitzonderlijke en door de betrokken onderneming naar behoren gemotiveerde omstandigheden, afwijkingen toestaan van de termijn van één jaar als vastgesteld in het vorige lid.
  Wanneer de in de vorige leden bepaalde termijn niet wordt nageleefd, wordt de betrokken kandidaat-verantwoordelijke voor de compliancefunctie niet langer geacht aan de deskundigheidsvereiste te voldoen, en dat tot wanneer een in artikel 2, § 1, 3°, a) bedoeld attest van slagen wordt bezorgd aan de toezichthouder.
  § 4. De in artikel 1, 1°, a) en d) bedoelde gereglementeerde ondernemingen die geen beleggingsdiensten verlenen of aanbieden, moeten de toezichthouder onverwijld in kennis stellen wanneer ze voornemens zijn om dergelijke diensten te verlenen of aan te bieden. In dat geval beschikt de verantwoordelijke voor de compliancefunctie van de betrokken onderneming over een termijn van één jaar vanaf de kennisgeving van de verandering van activiteiten aan de toezichthouder om een attest van slagen in te dienen voor het examen over de in artikel 5, 2°, derde lid, b) bedoelde module A van het praktische examen voor de bank- en beleggingsdienstensector, behalve wanneer het attest van slagen dat in het initiële erkenningsdossier was ingediend al betrekking had op die module.
  Zo ook moeten de in artikel 1, 1°, c) en e) bedoelde gereglementeerde ondernemingen die geen levensverzekeringsactiviteiten zoals gedefinieerd in Bijlage II van de wet van 13 maart 2016 aanbieden, de toezichthouder onverwijld in kennis stellen wanneer ze de intentie hebben om dergelijke verzekeringen aan te bieden. In dat geval beschikt de verantwoordelijke voor de compliancefunctie van de betrokken onderneming over een termijn van een jaar vanaf de kennisgeving aan de toezichthouder van de verandering van activiteiten om een attest van slagen in te dienen voor de in artikel 5, 2°, derde lid, a) bedoelde module A van het praktische examen voor de verzekeringssector, behalve wanneer het attest van slagen in het initiële erkenningsdossier al die module betrof.
  Als de betrokken verantwoordelijken voor de compliancefunctie geen dergelijk attest indienen, zullen ze niet langer worden geacht te voldoen aan de in artikel 2, § 1, 3° bedoelde vereiste van beroepskennis.
  De toezichthouder kan, in uitzonderlijke en door de betrokken onderneming naar behoren gemotiveerde omstandigheden, afwijkingen toestaan op de in de leden 1 en 2 vastgestelde termijn van één jaar.
Art. 2. § 1er. Pour apprécier la condition d'expertise du responsable de la fonction de compliance conformément à l'article 60, § 2, de la loi du 25 avril 2014 ou l'article 81, § 2, de la loi du 13 mars 2016, l'autorité de contrôle veille, à tout le moins, à ce que les exigences suivantes soient respectées par le candidat:
  1° disposer d'une expérience adéquate, acquise pendant au moins trois ans. Par expérience adéquate, il convient d'entendre une expérience acquise dans le cadre de l'exercice de fonctions comportant une responsabilité de jugement, dans un environnement de travail, qui, sur le plan du contenu, montre des similitudes ou des points communs avec les fonctions du responsable de la fonction de compliance et avec l'entreprise réglementée qui a nommé le candidat responsable de la fonction de compliance.
  Cette expérience adéquate doit avoir été acquise dans sa totalité au cours de la période de six ans précédant la date de la proposition de nomination.
  2° être titulaire d'un diplôme de master délivré par une université ou par une école supérieure conformément à un décret de la Communauté française, de la Communauté flamande, ou de la Communauté germanophone, ou d'un diplôme équivalent délivré avant l'année académique 2004-2005, ou d'un diplôme étranger considéré, en vertu de la législation applicable, ou par la BNB, comme équivalent au diplôme belge visé à la présente disposition.
  Sont dispensés de l'application du 2° les candidats responsables de la fonction de compliance qui peuvent démontrer avoir acquis une expérience pratique et des connaissances en matière financière jugées adéquates à l'exercice de la fonction. Le caractère adéquat de l'expérience pratique et des connaissances sera apprécié par l'autorité de contrôle sur base d'un dossier détaillé remis par l'entreprise réglementée concernée et pouvant, le cas échéant, être complété par un entretien individuel avec le candidat.
  3° avoir acquis une connaissance approfondie du contenu et de l'application des règles légales et réglementaires d'intégrité et de conduite qui s'appliquent à l'entreprise réglementée. Cette connaissance approfondie est démontrée :
  a) au moyen d'une attestation certifiant que le candidat responsable de la fonction de compliance a réussi un examen auprès d'un organisme dont les examens ont été agréés par la FSMA et la BNB conformément à la section III du présent règlement.
  Il s'agit plus précisément des examens suivants :
  - (i) soit l'examen du secteur bancaire et des services d'investissements pour les candidats responsables de la fonction de compliance nommés au sein d'une entreprise réglementée visée à l'article 1er, 1°, a), b) et d).
  Les candidats responsables de la fonction de compliance qui sont nommés dans une entreprise réglementée visée à l'article 1er, 1°, a) et d) qui ne fournit et n'offre pas de services d'investissement sont autorisés à remettre une attestation de réussite de l'examen mentionnant uniquement la réussite de la partie théorique et du module B de l'examen pratique du secteur bancaire et des services d'investissement visé à l'article 5, 2°, alinéa 3, b).
  - (ii) soit l'examen du secteur des assurances pour les candidats responsables de la fonction de compliance nommés au sein d'une entreprise réglementée visée à l'article 1er, 1°, c) et e).
  Les candidats responsables de la fonction de compliance qui sont nommés dans une entreprise réglementée visée à l'article 1er, 1°, c) et e) qui ne propose pas d'activités d'assurance-vie telle que définie à l'Annexe II de la loi du 13 mars 2016 sont autorisés à remettre une attestation de réussite de l'examen mentionnant uniquement la réussite de la partie théorique et du module B de l'examen pratique du secteur des assurances visé à l'article 5, 2°, alinéa 3, a).
  b) et moyennant la participation, à dater de la réussite de l'examen, à un programme de formation auprès d'un organisme de formation agréé par la FSMA, sur avis de la BNB, d'une durée minimale de 20 heures tous les 3 ans. Par dérogation à ce qui précède, lorsque le candidat responsable de la fonction de compliance était déjà précédemment nommé auprès d'une entreprise réglementée, la durée minimale du programme de formation est de 40 heures tous les 3 ans.
  4° disposer des compétences nécessaires pour assumer la responsabilité de la fonction de compliance.
  5° avoir fait preuve d'un comportement professionnel, notamment par l'absence d'indice indiquant le contraire.
  § 2. Pour satisfaire en permanence à la condition de connaissances visée au paragraphe 1er, 3°, les responsables de la fonction de compliance participent à un programme de formation permanente auprès d'un organisme de formation agréé par la FSMA, sur avis de la BNB, d'une durée minimale de 40 heures tous les trois ans.
  § 3. Les candidats responsables de la fonction de compliance qui remplissent les conditions visées au paragraphe 1er, 1°, 2°, 4° et 5° sont réputés remplir l'exigence d'expertise visée au § 1er.
  Les entreprises réglementées au sein desquelles ils ont été nommés disposent d'un délai d'un an à dater de leur nomination pour fournir à l'autorité de contrôle l'attestation de réussite de l'examen visée à l'article 2, § 1er, 3°, a).
  L'autorité de contrôle peut, dans des circonstances exceptionnelles, dûment motivées par l'entreprise concernée, autoriser des dérogations au délai d'un an prévu à l'alinéa précédent.
  Lorsque le délai prévu aux alinéas précédents n'est pas respecté, le candidat responsable de la fonction de compliance concerné n'est plus réputé remplir l'exigence d'expertise, et ce jusqu'à ce qu'une attestation de réussite de l'examen visée à l'article 2, § 1er, 3°, a) soit fournie à l'autorité de contrôle.
  § 4. Les entreprises réglementées visée à l'article 1er, 1°, a) et d) qui ne fournissent ou n'offrent pas de services d'investissement doivent notamment signaler sans délai à l'autorité de contrôle lorsqu'elles ont l'intention de fournir ou d'offrir de tels services. Dans ce cas, le responsable de la fonction de compliance de l'entreprise concernée dispose d'un délai d'un an à dater de la notification du changement d'activités à l'autorité de contrôle pour remettre une attestation de réussite de l'examen portant sur le module A de l'examen pratique du secteur bancaire et des services d'investissement visé à l'article 5, 2°, alinéa 3, b), sauf si l'attestation de réussite remise dans le dossier initial d'agrément portait déjà sur ce module.
  De même, les entreprises réglementées visées à l'article 1er, 1°, c) et e) qui ne proposent pas d'activités d'assurance-vie telle que définie à l'Annexe II de la loi du 13 mars 2016 doivent signaler sans délai à l'autorité de contrôle lorsqu'elles ont l'intention de proposer de telles assurances. Dans ce cas, le responsable de la fonction de compliance de l'entreprise concernée dispose d'un délai d'un an à dater de la notification du changement d'activités à l'autorité de contrôle pour remettre une attestation de réussite de l'examen portant sur le module A de l'examen pratique du secteur des assurances visé à l'article 5, 2°, alinéa 3, a), sauf si l'attestation de réussite remise dans le dossier initial d'agrément portait déjà sur ce module.
  A défaut, les responsables de la fonction de compliance concernés ne seront plus considérés comme remplissant la condition de connaissances professionnelles de l'article 2, § 1er, 3°.
  L'autorité de contrôle peut, dans des circonstances exceptionnelles, dûment motivées par l'entreprise concernée, autoriser des dérogations au délai d'un an prévu aux alinéas 1 et 2.
Art. 3. De gereglementeerde ondernemingen zorgen ervoor dat de verantwoordelijken voor de compliancefunctie te allen tijde de voor hen geldende verplichting tot permanente opleiding als bedoeld in artikel 2, § 2 naleven.
  De gereglementeerde ondernemingen zorgen er ook voor dat de andere personen die belast zijn met de compliancefunctie deelnemen aan een dergelijk opleidingsprogramma met een minimumduur van 20 uur om de drie jaar.
  De naleving van deze bepaling wordt aangetoond aan de hand van attesten die ter beschikking van de toezichthouder moeten worden gehouden.
  Voor de toepassing van dit artikel en van artikel 2, § 1, 3°, b) en § 2, kan de deelname aan door de FSMA of de NBB georganiseerde evenementen voor personen die belast zijn met de compliancefunctie in aanmerking worden genomen bij de berekening van de minimumduur van de permanente opleiding. Naargelang van het programma van die evenementen verstrekt de FSMA of de NBB, naargelang van het geval, een deelnemingsattest aan de deelnemer dat ten minste de volgende informatie bevat :
  a) de naam van de deelnemer;
  b) de identificatie van de opleidingsinstelling;
  c) de datum van de opleiding;
  d) het onderwerp/de titel van de opleiding;
  e) de duur van de opleiding;
  f) in voorkomend geval, de datum van de test (als het om een opleiding op afstand gaat);
  g) de datum van opmaak van het deelnemingsattest;
  h) de handtekening van de verantwoordelijke van de opleidingsinstelling.
Art. 3. Les entreprises réglementées veillent à ce que les responsables de la fonction de compliance respectent en permanence leur obligation de formation permanente prévue à l'article 2, § 2.
  Les entreprises réglementées veillent également à ce que les autres personnes qui sont chargés de la fonction de compliance participent à un tel programme de formation d'une durée minimale de 20 heures tous les 3 ans.
  Le respect de la présente disposition est démontré par le biais d'attestations qui doivent être tenues à disposition de l'autorité de contrôle.
  Pour l'application du présent article et de l'article 2, § 1er, 3°, b) et § 2, la participation à des évènements organisés par la FSMA ou la BNB à l'attention des personnes qui sont chargées de la fonction de compliance peut être prise en compte dans le calcul de la durée minimale de formation permanente. En fonction du programme de ces évènements, la FSMA ou la BNB, selon le cas, remet au participant une attestation de participation, mentionnant au moins les informations suivantes :
  a) le nom du participant à la formation;
  b) l'identité de l'organisme de formation;
  c) la date de la formation;
  d) le sujet/titre de la formation;
  e) la durée de la formation;
  f) le cas échéant, la date du test (s'il s'agit d'une formation à distance);
  g) la date d'établissement de l'attestation de participation;
  h) la signature du responsable de l'organisme de formation.
Afdeling III. - Erkenning van de examens
Section III. - Agrément des examens
Art. 4. § 1. De instellingen die een in artikel 2, § 1, 3°, a) bedoeld examen willen organiseren moeten de erkenning van dat examen verkrijgen bij de NBB en de FSMA.
  De aan de NBB gerichte erkenningsaanvraag wordt aan haar gericht in de vorm en volgens de modaliteiten die zij bepaalt en op haar website bekendmaakt. De NBB kan de verplichting opleggen om de aanvraag en het dossier geheel of gedeeltelijk langs elektronische weg in te dienen.
  De erkenningsaanvraag wordt vergezeld van een dossier dat alle inlichtingen bevat die nodig zijn om de erkenningsaanvraag te beoordelen en waaruit blijkt dat het examen aan alle in artikel 5 opgesomde erkenningsvoorwaarden voldoet.
  § 2. De NBB beslist binnen een termijn van drie maanden vanaf de ontvangst van het volledige dossier.
  Ze brengt haar beslissing ter kennis van de aanvrager bij een ter post aangetekende brief.
Art. 4. § 1er. Les organismes qui entendent organiser un examen visé à l'article 2, § 1er, 3°, a) sont tenus d'obtenir l'agrément de cet examen auprès de la BNB et de la FSMA.
  La demande d'agrément adressée à la BNB l'est dans la forme et selon les modalités que celle-ci détermine et rend publiques sur son site web. La BNB peut prévoir l'obligation d'introduire la demande et le dossier, en tout ou en partie, par voie électronique.
  La demande d'agrément est accompagnée d'un dossier dans lequel sont fournis tous les renseignements nécessaires à l'appréciation de la demande d'agrément et dont il ressort que l'examen remplit toutes les conditions d'agrément énoncées à l'article 5.
  § 2. La BNB statue dans un délai de 3 mois à dater de la réception d'un dossier complet.
  Les décisions en matière d'agrément sont communiquées au demandeur par lettre recommandée à la poste.
Art. 5. Om te kunnen worden erkend moeten de in artikel 2, § 1, 3°, a) bedoelde examens aan de volgende voorwaarden voldoen :
  1° voor elk examen bepaalt de exameninstelling of het gaat om een examen voor de bank- en beleggingsdienstensector of om een examen voor de verzekeringssector.
  2° het examen bestaat uit een theoretisch en een praktisch gedeelte.
  Het theoretische deel van het examen betreft alle wettelijke en reglementaire gedrags- en integriteitsregels die van toepassing zijn op de gereglementeerde ondernemingen en die verband houden met de compliancefunctie.
  Het praktische deel van het examen bestaat uit twee modules :
  a)wat het praktische deel van het examen voor de verzekeringssector betreft :
  -een module over de waakzaamheidsplicht ten aanzien van het cliënteel en de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor witwassen van geld en terrorismefinanciering (de zogenoemde "module A van het praktische examen voor de verzekeringssector"); en
  -een module die alle andere wettelijke en reglementaire gedrags- en integriteitsregels betreft die van toepassing zijn op de in artikel 1, 1°, c) en e) bedoelde gereglementeerde ondernemingen en die verband houden met de compliancefunctie (de zogenoemde "module B van het praktische examen voor de verzekeringssector";
  b)wat het praktische deel van het examen voor de bank- en beleggingsdienstensector betreft :
  -een module over de gedragsregels bedoeld in of in uitvoering van de artikelen 27 tot 28bis van de wet van 2 augustus 2002 en over de organisatorische regels in verband met de verstrekking van beleggingsdiensten bedoeld in of in uitvoering van de artikelen 41 tot 42/2, 64, 65/2, 65/3, 510 tot 510/2, 527 en 529/1 van de wet van 25 april 2014, de artikelen 25/1, § 1, tweede lid, 4°, 26, §§ 1, 2, 5 en 6, 26/1 en 26/2 van de wet van 25 oktober 2016, de artikelen 219, § 4, 220 en 221, eerste lid van de wet van 3 augustus 2012 en artikel 33, eerste lid van de wet van 19 april 2014 (de zogenoemde "module A van het praktische examen voor de bank- en beleggingsdienstensector");
  -een module die de andere wettelijke en reglementaire gedrags- en integriteitsregels betreft die van toepassing zijn op de in artikel 1, 1°, a), b) en d) bedoelde gereglementeerde ondernemingen en die verband houden met de compliancefunctie (de zogenoemde "module B van het praktische examen voor de bank- en beleggingsdienstensector").
  Module B van het praktische examen voor de verzekeringssector moet tenminste betrekking hebben op de naleving van de gedragsregels die van toepassing zijn op de verzekeringsondernemingen in uitvoering van artikel 26, tweede en vierde lid van de wet van 2 augustus 2002 en de naleving van de in artikel 42 van de wet van 13 maart 2016 bedoelde organisatorische regels.
  Module B van het praktische examen voor de bank- en beleggingsdienstensector moet tenminste betrekking hebben op de naleving van de waakzaamheidsplicht ten aanzien van het cliënteel, de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor witwassen van geld en terrorismefinanciering en de naleving van de organisatorische regels bedoeld in of in uitvoering van de artikelen 21, 65, 65/1, 66, 502, 528, 529 en 530 van de wet van 25 april 2014, de artikelen 25 tot 25/3, 26, § 4 en 42 van de wet van 25 oktober 2016, de artikelen 41, 42, 44, 82, 83, 83/1, 201, 202, 213/1 tot 213/4, 218 en 219, §§ 1, 2 en 4 van de wet van 3 augustus 2012 en de artikelen 26 tot 32, 33, tweede tot vierde lid, 37, 40 tot 47, 208, 209, 319, 320, 330 van de wet van 19 april 2014, en in de artikelen 30 tot 45, 57 tot 66, en 75 tot 82 van de gedelegeerde Verordening (EU) nr. 231/2013 van de Commissie van 19 december 2012 tot aanvulling van Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad ten aanzien van vrijstellingen, algemene voorwaarden voor de bedrijfsuitoefening, bewaarders, hefboomfinanciering, transparantie en toezicht.
  3° Het examen wordt voorafgegaan door een opleiding waarin alle in punt 2° bedoelde onderwerpen aan bod komen.
  4° De examenvragen worden regelmatig aangepast aan de wettelijke en reglementaire ontwikkelingen. Ze worden ook regelmatig afgewisseld.
  Bijgewerkte examenvragen moeten voorafgaandelijk ter goedkeuring worden voorgelegd aan de FSMA en de NBB volgens de modaliteiten die door hen worden bepaald en op hun websites worden bekendgemaakt.
  5° Het examen wordt ter beoordeling voorgelegd aan een jury die is samengesteld uit minstens drie personen die over voldoende deskundigheid en onafhankelijkheid beschikken om hun functies uit te oefenen. De algemene samenstelling van de jury weerspiegelt een voldoende brede waaier van ervaringen.
  Een vertegenwoordiger van de FSMA en/of de NBB kan het praktische deel van het examen en de beraadslagingen van de jury bijwonen als waarnemer.
  6° Het attest van slagen voor het examen wordt maar toegekend als de kandidaat 60 % van de punten heeft behaald op elk onderdeel van het examen.
  Het attest van slagen voor het examen bevat de volgende elementen :
  -de naam en voornaam van de kandidaat;
  -de exacte benaming van het afgelegde examen;
  -de vermelding dat de kandidaat is geslaagd;
  -de datum van het examen;
  -de handtekening van de verantwoordelijke van de exameninstelling.
  7° Elk examen wordt minstens één keer per jaar georganiseerd en moet bestaan uit twee sessies.
  8° De resultaten van elk examen alsook de lijst van de personen die voor het examen zijn geslaagd, worden overgemaakt aan de FSMA en de NBB.
  9° Er wordt een beroepsprocedure georganiseerd binnen de exameninstelling.
Art. 5. Pour pouvoir être agréés, les examens visés à l'article 2, § 1er, 3°, a) doivent satisfaire aux conditions suivantes :
  1° pour chaque examen, l'organisme d'examen définit s'il s'agit d'un examen du secteur bancaire et des services d'investissement ou d'un examen du secteur des assurances.
  2° l'examen inclut une partie théorique et une partie pratique.
  La partie théorique de l'examen couvre l'ensemble des règles de conduite et d'intégrité légales et réglementaires qui s'appliquent aux entreprises réglementées concernées et qui relèvent de la fonction de compliance.
  La partie pratique de l'examen contient deux modules :
  a) en ce qui concerne la partie pratique de l'examen du secteur des assurances :
  - un module qui porte sur le respect du devoir de vigilance à l'égard de la clientèle et la prévention de l'utilisation du système financier aux fins du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme (dénommé "module A de l'examen pratique du secteur des assurances"); et
  - un module qui couvre l'ensemble des autres règles de conduite et d'intégrité légales et réglementaires qui s'appliquent aux entreprises réglementées visées à l'article 1er, 1°, c) et e) et qui relèvent de la fonction de compliance (dénommé "module B de l'examen pratique du secteur des assurances");
  b) en ce qui concerne la partie pratique de l'examen du secteur bancaire et des services d'investissement :
  - un module qui porte sur les règles de conduite visées par ou prise en exécution des articles 27 à 28bis de la loi du 2 août 2002 et sur les règles organisationnelles liées à la prestation de services d'investissement visées par ou prises en exécution des articles 41 à 42/2, 64, 65/2, 65/3, 510 à 510/2, 527 et 529/1 de la loi du 25 avril 2014, des articles 25/1, § 1er, alinéa 2, 4°, 26, §§ 1er, 2, 5 et 6, 26/1 et 26/2 de la loi du 25 octobre 2016, des articles 219, § 4, 220 et 221, alinéa 1er de la loi du 3 août 2012 et de l'article 33, alinéa 1er de la loi du 19 avril 2014 (dénommé "module A de l'examen pratique du secteur bancaire et des services d'investissement");
  - un module qui couvre l'ensemble des autres règles de conduite et d'intégrité légales et réglementaires qui s'appliquent aux entreprises réglementées visées à l'article 1er, 1°, a), b) et d) et qui relèvent de la fonction de compliance (dénommé "module B de l'examen pratique du secteur bancaire et des services d'investissement").
  Le module B de l'examen pratique du secteur des assurances doit à tout le moins porter sur le respect des règles de conduite applicables aux entreprises d'assurances en exécution de l'article 26, alinéas 2 à 4 de la loi du 2 août 2002 et sur le respect des règles organisationnelles visées à l'article 42 de la loi du 13 mars 2016.
  Le module B de l'examen pratique du secteur bancaire et des services d'investissement doit à tout le moins porter sur le respect du devoir de vigilance à l'égard de la clientèle et la prévention de l'utilisation du système financier aux fins du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et sur le respect des règles organisationnelles visées par ou en exécution des articles 21, 65, 65/1, 66, 502, 528, 529 et 530 de la loi du 25 avril 2014, des articles 25 à 25/3, 26, § 4 et 42 de la loi du 25 octobre 2016, des articles 41, 42, 44, 82, 83, 83/1, 201, 202, 213/1 à 213/4, 218 et 219, §§ 1er, 2 et 4 de la loi du 3 août 2012 et des articles 26 à 32, 33, alinéas 2 à 4, 37, 40 à 47, 208, 209, 319, 320, 330 de la loi du 19 avril 2014, et aux articles 30 à 45, 57 à 66, et 75 à 82 du Règlement délégué (UE) n ° 231/2013 de la Commission du 19 décembre 2012 complétant la directive 2011/61/UE du Parlement européen et du Conseil en ce qui concerne les dérogations, les conditions générales d'exercice, les dépositaires, l'effet de levier, la transparence et la surveillance.
  3° l'examen est précédé d'une formation portant sur l'ensemble des matières couvertes visées au point 2°.
  4° Les questions de l'examen sont régulièrement mises à jour en fonction des évolutions légales et réglementaires. Elles font également l'objet d'une rotation régulière.
  Les mises à jour des questions de l'examen sont soumises à l'approbation préalable de la FSMA et de la BNB selon les modalités que celles-ci déterminent et rendent publiques sur leur site web.
  5° l'examen est soumis à l'appréciation d'un jury, composé de trois personnes au moins, qui disposent de l'expertise et de l'indépendance adéquate pour l'exercice de leurs fonctions. La composition globale du jury reflète un éventail suffisamment large d'expériences.
  Un représentant de la FSMA et/ou de la BNB peut assister en tant qu'observateur à la partie pratique de l'examen et aux délibérations du jury.
  6° le certificat de réussite de l'examen n'est octroyé que si le candidat à l'examen a obtenu un résultat de 60 % des points dans chaque partie de l'examen.
  Le certificat de réussite de l'examen comporte les éléments suivants :
  - nom et prénom du candidat à l'examen;
  - la dénomination exacte de l'examen passé;
  - la mention que le candidat a réussi l'examen;
  - la date de l'examen;
  - la signature du responsable de l'organisme d'examen.
  7° chaque examen est organisé au moins une fois par an et doit comporter deux sessions.
  8° les résultats de chaque examen sont transmis à la FSMA et à la BNB, ainsi que la liste des personnes ayant réussi l'examen.
  9° une procédure de recours est organisée au sein de l'organisme d'examen.
Art. 6. Er moet permanent zijn voldaan aan de voorwaarden voor de initiële erkenning van het examen.
  De exameninstellingen moeten de FSMA en de NBB informeren over elke wijziging van de voorwaarden voor de initiële erkenning en elk document dat toelaat na te gaan of de erkenningsvoorwaarden op doorlopende wijze worden gerespecteerd ter beschikking houden van de NBB.
  Als een examen niet langer beantwoordt aan de erkenningsvoorwaarden, kan de NBB, op advies van de FSMA, overgaan tot het herroepen van de erkenning op grond van een gemotiveerde beslissing en na de exameninstelling te hebben gehoord.
  De NBB kan beslissen die herroeping openbaar te maken door ze te publiceren op haar website.
Art. 6. Les conditions de l'agrément initial de l'examen doivent être respectées en permanence.
  Les organismes d'examen sont tenus d'informer la FSMA et la BNB de toute modification concernant les conditions de l'agrément initial et de tenir à la disposition de la BNB tout document permettant de vérifier à tout moment le respect permanent des conditions d'agrément.
  Si un examen ne répond plus aux conditions d'agrément, la BNB, sur avis de la FSMA, peut procéder à la révocation de l'agrément, moyennant une décision motivée, et après avoir entendu l'organisme d'examen.
  La BNB peut décider de rendre la décision de révocation publique en la publiant sur son site web.
Afdeling IV. - Samenwerking tussen de NBB en de FSMA
Section IV. - Coopération entre la BNB et la FSMA
Art. 7. De NBB sluit een samenwerkingsprotocol met de FSMA met het oog op de efficiënte en coherente uitvoering van dit reglement, met name gelet op de bevoegdheden van de NBB en de FSMA inzake de erkenning van de in artikel 4, § 1 bedoelde examens en de erkenning van de in artikel 2, § 1, 3°, b) bedoelde opleidingsinstellingen. De NBB publiceert dat samenwerkingsprotocol op haar website.
Art. 7. La BNB conclut un protocole avec la FSMA en vue d'assurer une mise en oeuvre efficace et cohérente du présent règlement au regard, notamment, des compétences de la BNB et de la FSMA en ce qui concerne l'agrément des examens visés à l'article 4, § 1er et l'agrément des organismes de formation visés à l'article 2, § 1er, 3°, b). La BNB publie ce protocole sur son site web.
Afdeling V. - Inwerkingtreding en overgangsbepalingen
Section V. - Entrée en vigueur et dispositions transitoires
Art. 8. Dit reglement treedt in werking op 1 juni 2018.
Art. 8. Le présent règlement entre en vigueur le 1er juin 2018.
Art. 9. Onverminderd de voor hen geldende verplichting om deel te nemen aan een programma tot permanente opleiding conform artikel 2, § 2, worden de verantwoordelijken voor de compliancefunctie wier benoeming werd goedgekeurd door de toezichthouder vóór de datum van inwerkingtreding van dit reglement geacht te voldoen aan de in artikel 2, § 1 bedoelde deskundigheidsvereisten. Laatstgenoemden zijn ook vrijgesteld van de verplichting om het in artikel 2, § 1, 3°, a) bedoelde attest van slagen voor het examen in te dienen in geval van een latere benoeming als verantwoordelijke voor de compliancefunctie in een andere gereglementeerde onderneming die tot dezelfde activiteitensector behoort als de gereglementeerde onderneming waarbij ze in functie zijn op de datum van inwerkingtreding van het reglement.
Art. 9. Sans préjudice de leur obligation de participer à un programme de formation permanente conformément àl'article 2, § 2, les responsables de la fonction de compliance dont la nomination a été approuvée par l'autorité de controle avant la date de l'entrée en vigueur du présent règlement sont réputés remplir les exigences d'expertise visées à l'article 2, § 1er. Ces derniers sont également dispensés de l'obligation de remettre l'attestation de réussite d'examen visée à l'article 2, § 1er, 3°, a), en cas de nomination ultérieure en qualité de responsable de la fonction de compliance dans une autre entreprise réglementée appartenant au même secteur d'activités que l'entreprise réglementée au sein de laquelle ils sont en fonction à la date de l'entrée en vigueur du règlement.
Art. 10. Voor de toepassing van artikel 2, § 1, 3°, a) is het de kandidaat-verantwoordelijken voor de compliancefunctie toegestaan een attest in te dienen waaruit blijkt dat ze vóór de inwerkingtreding van dit reglement zijn geslaagd voor een door de FSMA erkend examen.
  Voor de toepassing van artikel 2, § 1, 3°, b) en § 2 kunnen de kandidaat-verantwoordelijken voor de compliancefunctie en de verantwoordelijken voor de compliancefunctie ook opleidingsuren doen gelden in het kader van een deelname aan een door de FSMA erkend opleidingsprogramma.
  Voor de toepassing van artikel 2, § 1, 3°, b) op de in het eerste lid bedoelde kandidaat-verantwoordelijken voor de compliancefunctie is de voorwaarde om deel te nemen aan een programma tot permanente opleiding van toepassing vanaf de datum van inwerkingtreding van dit reglement.
Art. 10. Pour l'application de l'article 2, § 1er, 3°, a), les candidats responsables de la fonction de compliance sont autorisés à remettre une attestation certifiant qu'ils ont réussi un examen agréé par la FSMA avant l'entrée en vigueur du présent règlement.
  Pour l'application de l'article 2, § 1er, 3°, b) et § 2, les candidats responsables de la fonction de compliance et les responsables de la fonction de compliance peuvent également se prévaloir des heures de formation dans le cadre d'une participation à un programme de formation agréé par la FSMA.
  Pour l'application de l'article 2, § 1er, 3°, b) aux candidats responsables de la fonction de compliance visés à l'alinéa 1er, la condition de participation à un programme de formation permanente s'applique à dater de l'entrée en vigueur du présent règlement.
Art. 11. De examens die op de datum van inwerkingtreding van dit reglement zijn erkend door de FSMA krijgen een voorlopige erkenning overeenkomstig artikel 2, § 1, 3°, a).
  De instellingen die een in het eerste lid bedoeld examen organiseren moeten echter vóór 1 september 2018 bij de FSMA en de NBB een definitieve erkenning aanvragen overeenkomstig afdeling III van het reglement.
  Als geen erkenningsaanvraag wordt ingediend binnen de in het tweede lid bepaalde termijn, wordt de in het eerste lid bedoelde voorlopige erkenning van rechtswege beëindigd. Wanneer een erkenningsaanvraag werd ingediend binnen de in het tweede lid bepaalde termijn, wordt de in het eerste lid bedoelde voorlopige erkenning van rechtswege beëindigd in geval van een beslissing tot weigering van de erkenning door de FSMA en de NBB.
Art. 11. Les examens qui, à la date d'entrée en vigueur du présent règlement, sont agréés par la FSMA, reçoivent provisoirement un agrément conformément à l'article 2, § 1er, 3°, a).
  Les organismes qui organisent un examen visé à l'alinéa 1er sont toutefois tenus de solliciter auprès de la FSMA et de la BNB un agrément définitif conformément à la section III du règlement avant le 1er septembre 2018.
  Faute de déposer une demande d'agrément dans le délai prévu à l'alinéa 2, l'agrément provisoire visé à l'alinéa 1er prend fin de plein droit. Lorsqu'une demande d'agrément a été introduite dans le délai prévu à l'alinéa 2, l'agrément provisoire visé à l'alinéa 1er prend fin de plein droit en cas de décision de refus d'agrément prise par la FSMA et la BNB.
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. Toelichtingsnota bij het reglement van de Nationale Bank van België betreffende de deskundigheid van de verantwoordelijken voor de compliancefunctie
  I. Algemene overwegingen
  In het kader van de initiatieven ter versterking van het vertrouwen in de financiële sector heeft de sub-working group on regulatory and supervisory issues van de High Level Expert Group, die door de minister van Financiën in 2015 werd opgericht, onder meer gewerkt rond de compliancefunctie in financiële instellingen.
  De algemene doelstelling van deze subwerkgroep inzake compliance is het versterken van de grondslag van de compliancefunctie binnen de gereglementeerde ondernemingen, om de integriteit van de financiële sector en het vertrouwen van de consumenten in die sector te helpen vergroten. De groep heeft met name geconcludeerd dat de respectieve benaderingen van de FSMA en de NBB in verband met de beoordeling van de voorwaarden inzake deskundigheid en professionele betrouwbaarheid ("fit & proper") van de verantwoordelijken voor de compliancefunctie nader op elkaar moeten worden afgestemd.
  Voor wat het luik "deskundigheid" betreft zijn artikel 40 van de bankwet en artikel 60 van de wet op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen gewijzigd door de wet van 5 december 2017 houdende diverse financiële bepalingen om te verduidelijken dat de NBB, bij reglement, de minimumvoorwaarden kan vastleggen waaraan dient te worden voldaan inzake het vereiste van passende deskundigheid, met inbegrip van de modaliteiten van de procedure voor de beoordeling van dat vereiste.
  Het door de subwerkgroep verdedigde standpunt hield met name in dat het examen dat deel uitmaakt van de erkenningsregeling voor de complianceofficers van de FSMA, in het kader van haar opdrachten inzake het toezicht op de gedragsregels, ook als criterium kan worden gebruikt bij de beoordeling, door de prudentiële toezichthouder, van het vereiste van deskundigheid in hoofde van de verantwoordelijken voor de compliancefunctie.
  In dit verband hebben de NBB en de FSMA een gezamenlijke aanpak ontwikkeld om de vereisten van beide toezichthouders inzake de beoordeling van de deskundigheid van de verantwoordelijken voor de compliancefunctie beter op elkaar af te stemmen. De NBB heeft gestalte gegeven aan deze aanpak via een reglement betreffende de deskundigheid van de verantwoordelijken voor de compliancefunctie. De FSMA heeft eveneens een reglement opgesteld ter wijziging van haar reglement van 27 oktober 2011 betreffende de erkenning van compliance officers.
  Zo wordt er met dit reglement naar gestreefd een grotere administratieve transparantie te verzekeren met betrekking tot de minimumvereisten waarmee de toezichthouder rekening moet houden bij voornoemde beoordeling, en er aldus voor te zorgen dat de kandidaat-verantwoordelijken voor de compliancefunctie die aan een dergelijke beoordeling worden onderworpen, hiervoor de nodige voorbereidingen kunnen treffen in een transparant kader. De in dit reglement vastgestelde regels mogen in geen geval een beperking inhouden van de beoordelingsvrijheid waarover de toezichthouder noodzakelijkerwijs moet beschikken bij de beoordeling van voornoemd vereiste.
  Momenteel komen de verwachtingen van de toezichthouder overigens reeds aan bod in zijn circulaire NBB_2013_02 van 17 juni 2013 betreffende de standaarden van deskundigheid en professionele betrouwbaarheid voor de leden van het directiecomité, bestuurders, verantwoordelijken van onafhankelijke controlefuncties en effectieve leiders van financiële instellingen. Het spreekt voor zich dat deze circulaire onverkort van toepassing blijft, behoudens meer specifieke bepalingen in onderhavig reglement.
  II. Ingevoerde regeling
  A. Vereisten inzake deskundigheid in hoofde van de verantwoordelijken voor de compliancefunctie
  Wat de ervaringsvoorwaarde betreft, moet de gereglementeerde onderneming, met name aan de hand van de beschrijvingen van de eerder door de kandid(a)ate uitgeoefende functies, aantonen dat hij/zij gedurende ten minste drie jaar passende ervaring heeft opgedaan. Opdat die ervaring passend zou kunnen worden geacht, is het belangrijk dat de betrokken persoon, bij de uitoefening van zijn functies, een beoordelingsverantwoordelijkheid heeft gedragen met betrekking tot de toepassing van de wettelijke integriteits- en gedragsregels. Dit betekent dus dat de ervaring opgedaan in het kader van functies waarbij de kandid(a)ate zich beperkte tot de toepassing van de integriteits- en gedragsregels op basis van precieze instructies die hij of zij - zonder enige beoordelingsmogelijkheid - moest opvolgen, niet in aanmerking kan worden genomen. Ook relevante ervaring opgedaan buiten gereglementeerde ondernemingen, bijvoorbeeld in een advocatenkantoor of in een consultantcybedrijf, kan in aanmerking worden genomen. Wel dient de werkomgeving inhoudelijk gelijkenissen of raakvlakken te vertonen met de functies van de verantwoordelijke voor de compliancefunctie van een gereglementeerde onderneming en met de gereglementeerde onderneming waar de kandidaat wordt benoemd. De activiteiten, de omvang en de complexiteit van de onderneming zijn factoren die zullen meespelen in de beoordeling. Ook zal op een proportionele manier rekening worden gehouden met de inhoud van de regels die de kandidaat-verantwoordelijke voor de compliancefunctie diende toe te passen in het kader van zijn eerder opgedane ervaring, om te kunnen garanderen dat zij een zekere gelijkenis vertonen met de regels die hij zal moeten toepassen in zijn hoedanigheid van verantwoordelijke voor de compliancefunctie.
  In geval van mobiliteit van de verantwoordelijke voor de compliancefunctie kan de voorwaarde inzake passende ervaring bij elke nieuwe erkenningsaanvraag opnieuw worden onderzocht om rekening te houden met de specifieke kenmerken van de onderneming waar de verantwoordelijke voor de compliancefunctie wordt benoemd.
  Om te garanderen dat de opgedane ervaring nog steeds pertinent is in een permanent evoluerende reglementaire context, wordt ook verduidelijkt dat die passende ervaring integraal moet zijn opgedaan tijdens de periode van zes jaar vóór de datum waarop de erkenningsaanvraag wordt ingediend.
  Wat de voorwaarde inzake beroepskennis betreft, moet de gereglementeerde onderneming aantonen dat de kandid(a)ate voldoende kennis heeft verworven en behouden van de wettelijke en reglementaire integriteits- en gedragsregels, met name door de verplichting om te slagen voor een examen dat wordt afgenomen door een opleidingscentrum waarvan de examens door de FSMA en de NBB zijn erkend. De voorwaarden en de procedure met betrekking tot de erkenning van de examens worden gedefinieerd in artikel 4 tot 6 van het reglement. Vermits de examens slechts op periodieke basis worden georganiseerd, is voorzien dat een kandidaat zijn/haar functie kan opnemen mits hij/zij binnen het jaar slaagt voor het examen en mits aan alle andere voorwaarden is voldaan (art. 2, § 3).
  Een afzonderlijk examen, bestaande uit een theoretisch en een praktisch deel, zal worden georganiseerd voor de bank- en beleggingsdienstensector enerzijds en de verzekeringssector anderzijds. Het praktische deel van het examen bestaat uit twee modules, waarvan één module ("module A") optioneel is in functie van de activiteiten van de instelling. Het gaat daarbij meer bepaald om :
  i. een "AML"-module voor de verzekeringsondernemingen : deze module dient niet te worden gevolgd door kandidaat-verantwoordelijken voor de compliancefunctie voor verzekeringsondernemingen die geen levensverzekeringsactiviteiten aanbieden; en
  ii. een module `beleggingsdiensten' voor de gereglementeerde ondernemingen van de bank- en beleggingsdienstensector : Deze module dient niet te worden gevolgd door kandidaat-verantwoordelijken voor de compliancefunctie voor banken of (gemengde) financiële holdings die geen beleggingsdiensten aanbieden.
  Art. 2, § 4 bepaalt in dit verband dat de gereglementeerde onderneming de toezichthouder onverwijld dient te verwittigen indien zij nieuwe activiteiten ontwikkelt, die de verantwoordelijke voor de compliancefunctie ertoe verplichten om binnen een termijn van één jaar voor voornoemde optionele module te slagen.
  Het spreekt tevens voor zich dat de attesten die worden uitgereikt bij het slagen voor het examen duidelijk vermelden welke modules de kandidaat met succes heeft afgelegd.
  Tot slot wordt tevens rekening gehouden met het feit dat iemand ervoor kan opteren het examen af te leggen zonder onmiddellijk te worden benoemd als verantwoordelijke voor de compliancefunctie in een gereglementeerde onderneming. In dat geval wordt verwacht dat zijn kennis, vanaf het slagen in het examen, up-to-date wordt gehouden aan de hand van opleidingen met een minimumduur van 20 uur om de drie jaar (art. 2, § 1, 3°, b)). Voor de kandidaat-verantwoordelijken voor de compliancefunctie die eerder al in een gereglementeerde onderneming waren benoemd, en die bij die gelegenheid voor het examen zijn geslaagd, zal de NBB in het kader van de nieuwe benoemingsprocedure rekening houden met de manier waarop ze de voor hen geldende verplichting tot permanente opleiding hebben nageleefd bij de uitoefening van hun eerdere functie als verantwoordelijke voor de compliancefunctie. In dat geval zal de aan te tonen minimumduur van de permanente opleiding 40 uur bedragen om de drie jaar, wat overeenstemt met de in art. 2, § 2, vereiste minimumduur van de permante opleiding voor verantwoordelijken voor de compliancefunctie.
  In artikel 2, § 2, van het reglement wordt immers verduidelijkt dat de verantwoordelijken voor de compliancefunctie, om te allen tijde aan de voorwaarde inzake beroepskennis te voldoen, aan een permanent opleidingsprogramma met een minimumduur van 40 uur om de drie jaar moeten deelnemen bij een opleidingscentrum dat, op advies van de NBB, door de FSMA is erkend.
  Meer algemeen moeten de gereglementeerde ondernemingen er ook op toezien dat de andere personen die met de compliancefunctie zijn belast (de medewerk(st)ers van de compliancecel van de gereglementeerde onderneming), ook deelnemen aan opleidingen met een minimumduur van 20 uur om de 3 jaar (zie artikel 3, tweede lid, van dit reglement).
  Kort samengevat, kunnen zich, wat de permanente opleiding betreft, volgende gevallen voordoen :
  -de verantwoordelijke voor de compliancefunctie : hij moet, vanaf het moment waarop hij benoemd wordt, minimum 40 uur deelnemen aan opleidingen over een periode van 3 jaar;
  - een persoon die het examen succesvol heeft afgelegd maar nog niet werd benoemd als verantwoordelijke voor de compliancefunctie bij een gereglementeerde onderneming, en die later, op het moment van dergelijke benoeming, wil laten gelden dat hij voor het examen is geslaagd : die persoon moet, vanaf het slagen voor het examen, minimum 20 uur deelnemen aan opleidingen over een periode van 3 jaar. Dit geldt ook als de persoon, op het moment waarop hij voor het examen slaagt, niet met een complianceopdracht bij een gereglementeerde onderneming is belast; zo niet, zou die persoon niet kunnen laten gelden dat hij voor het examen is geslaagd in het kader van een goedkeuringsprocedure op het moment waarop hij als verantwoordelijke voor de compliancefunctie bij een gereglementeerde onderneming wordt benoemd (zie artikel 2, § 1, 3°, b, van het reglement);
  - een persoon die al als verantwoordelijke voor de compliancefunctie is benoemd, maar die, overeenkomstig artikel 2, § 3, van het reglement, het examen nog moet afleggen : die persoon is nog niet onderworpen aan de verplichting tot permanente opleiding, maar zal, binnen twaalf maanden na zijn inschrijving op de voorlopige lijst, de opleiding ter voorbereiding van het examen moeten volgen en voor het examen moeten slagen. Hij zal, onmiddellijk nadat hij voor het examen is geslaagd, minimum 40 uur moeten deelnemen aan opleidingen over een periode van 3 jaar (zie artikel 2, § 3, van het reglement);
  - medewerkers van de verantwoordelijke voor de compliancefunctie die met complianceopdrachten zijn belast : zij moeten minimum 20 uur deelnemen aan opleidingen over een periode van 3 jaar (zie artikel 3, tweede lid, van het reglement).
  Tot slot dienen de kandidaat-verantwoordelijken voor de compliancefunctie over de nodige vaardigheden te beschikken en blijk te hebben gegeven professioneel gedrag. Deze componenten zijn geënt op de componenten die aan bod komen in de circulaire NBB_2013_02 van 17 juni 2013.
  "Vaardigheden" ("skills") geven aan wat iemand kan. Ze worden ingezet om een bepaald gedrag te laten zien in bepaalde situaties. Toegepast op de compliancefunctie gaat het hierbij o.a. over het onafhankelijke beoordelingsvermogen en het gewicht dat de betrokkene in de schaal kan leggen bij het besluitvormingsproces van de instelling. Het is niet de bedoeling dat de toezichthouder afzonderlijke vaardigheden toetst; er zal eerder gekeken worden naar de manier waarop de instelling rekening heeft gehouden met de component "vaardigheden" bij haar interne beoordelingsproces van de kandidaat.
  "Professioneel gedrag" verwijst naar observeerbaar gedrag waarin de normen en waarden van de beroepsuitoefening (de beroepsethiek) zichtbaar zijn en tot uitdrukking komen in het dagelijks handelen. Meer in het bijzonder gaat het over het gedrag dat vereist is om de naleving van toepasselijke regelgeving in de financiële sector te verzekeren en, ruimer gezien, om de belangen van de instelling en haar cliënten, collega's, tegenpartijen en andere stakeholders, en de gemeenschap in haar geheel te beschermen. Professioneel gedrag moet komen van de persoon zelf, maar wordt mede bepaald door de omgeving waarin deze fungeert (bijvoorbeeld beroepscodes, interne gedragsregels van instellingen). Algemeen gesproken kan een persoon worden geacht hieraan te voldoen als geen indicaties voorhanden zijn die in de richting van het tegendeel wijzen. Indien de persoon eerder al in contact stond met de toezichthouder, speelt die eerdere relatie een rol. Ook kan contact genomen worden met personen waarmee de betrokkene in het verleden reeds in professioneel verband heeft gehandeld (de zogenaamde "referenties").
  B. Erkenning van de examens
  De instellingen die een examen voor verantwoordelijken voor de compliancefunctie willen organiseren, moeten de erkenning van dat examen verkrijgen van zowel de NBB als de FSMA. De erkenningsvoorwaarden zijn identiek voor beide beslissingen.
  Eerst en vooral moet de instelling verduidelijken of haar examen bedoeld is voor de verantwoordelijken voor de compliancefunctie van de bank- en beleggingsdienstensector of voor de verantwoordelijken voor de compliancefunctie van de verzekeringssector.
  Elk examen moet verplicht bestaan uit een theoretisch en een praktisch deel. Om te kunnen nagaan of de betrokkenen een minimale theoretische kennis bezitten van alle regels waarvan de verantwoordelijke voor de compliancefunctie de naleving moet garanderen, moet het theoretisch deel van het examen betrekking hebben op alle wettelijke en reglementaire gedrags- en integriteitsregels die van toepassing zijn op de betrokken gereglementeerde ondernemingen en verband houden met de compliancefunctie.
  Het praktisch deel van het examen moet uit twee afzonderlijke modules bestaan, waarvan één module eventueel facultatief zal zijn in functie van de activiteiten van de onderneming waar de verantwoordelijke voor de compliancefunctie zijn functie zal uitoefenen, zoals hierboven uitgelegd. In zekere mate wordt op die manier rekening gehouden met de problemen waarmee de verantwoordelijke voor de compliancefunctie van die ondernemingen daarwerkelijk wordt geconfronteerd bij de uitoefening van zijn functie. Die gedeeltelijke modalisering van het praktisch deel van het examen heeft echter een impact op de mobiliteit van de verantwoordelijke voor de compliancefunctie die het examen mogelijk opnieuw zal moeten afleggen als hij wordt benoemd bij een andere gereglementeerde onderneming, waarvan de activiteiten verschillen van die van de onderneming waar hij vroeger als verantwoordelijke was benoemd. Verder heeft die gedeeltelijke modalisering ook tot gevolg dat een verantwoordelijke voor de compliancefunctie mogelijk voor een aanvullende module van het examen zal moeten slagen, als de gereglementeerde onderneming waar hij actief is, haar activiteiten uitbreidt (bijvoorbeeld een verzekeringsonderneming die levensverzekeringsactiviteiten zou gaan verrichten en waarvan de verantwoordelijke voor de compliancefunctie dan voor de "AML"-examenmodule zou moeten slagen) (zie artikel 2, § 4, van het reglement).
  De module van het praktisch deel van het examen die verplicht is voor alle kandidaten zal ook verplicht betrekking moeten hebben op bepaalde materies. Zo zal module B van het praktisch deel van het voor de verzekeringssector bestemde examen, op zijn minst betrekking moeten hebben op de naleving van de gedrags- en organisatorische regels die verband houden met de verzekeringsdistributie. Module B van het praktisch deel van het examen dat bestemd is voor de bank- en beleggingsdienstensector, zal verplicht vragen moeten bevatten over de waakzaamheidsplicht ten aanzien van de cliënten en over de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, alsook over bepaalde organisatorische vereisten.
  Daarnaast worden nog andere voorwaarden gekoppeld aan de erkenning van de examens, waaronder de verplichting om het examen te laten voorafgaan door een opleiding, de verplichting dat het examen moet bestaan uit twee sessies (waarvan de tweede een herkansing impliceert), de verplichting om de examenvragen regelmatig aan te passen, en de verplichting om een beroepsprocedure te organiseren. De voorafgaande opleiding kan, naar keuze van de instelling, het theoretisch of het praktisch deel van het examen voorafgaan.
  De voorwaarden voor de erkenning van het examen moeten te allen tijde worden nageleefd door de instelling die dat examen organiseert. Als dat niet gebeurt, kan zowel de NBB als de FSMA na het advies van de andere instelling te hebben ingewonnen, de erkenning van het betrokken examen herroepen.
  C. Overgangsbepalingen
  Een `grandfathering' is voorzien voor de verantwoordelijken voor de compliancefunctie die reeds benoemd waren op het ogenblik van de inwerkingtreding van het reglement. Zij dienen niet aan een herbeoordeling te worden onderworpen. Wanneer zij later worden benoemd bij een andere instelling uit dezelfde sector, dienen ze het examen niet af te leggen.
  De vereiste van permanente vorming (cf. art. 2, § 2 van het reglement) wordt daarentegen wel op hen van toepassing. De verantwoordelijken voor de compliancefunctie waarvan sprake dienen dus, vanaf de inwerkingtreding van dit reglement, deel te nemen aan een programme tot permanente opleiding met een minimumduur van 40 uur om de 3 jaar.
  Wanneer die personen van sector veranderen, moeten zij bovendien een attest indienen waaruit blijkt dat zij zijn geslaagd voor het examen van de sector waar zij de functie van verantwoordelijke van de compliancefunctie zullen uitoefenen.
  Als overgangsmaatregel krijgen de bestaande examens die door de FSMA zijn erkend, een voorlopige erkenning, op voorwaarde echter dat er, voor de instellingen die de examens organiseren, vóór 31 augustus 2018 een erkenningsaanvraag bij de NBB en de FSMA wordt ingediend. Gebeurt dit niet of wordt de erkenningsaanvraag geweigerd, dan wordt de voorlopige erkenning van rechtswege beëindigd. Kandidaten kunnen zich blijven beroepen op de attesten van slagen voor examens die uitsluitend door de FSMA zijn erkend (conform de regeling vervat in het FSMA-reglement van 27 oktober 2011). De kandidaat-verantwoordelijken voor de compliancefunctie die voor een dergelijk examen zijn geslaagd, hoeven, volgens de nieuwe regeling, niet opnieuw een examen af te leggen.
  In diezelfde geest kunnen de (kandidaat-) verantwoordelijken voor de compliancefunctie, wat het vereiste van permanente vorming betreft, ook opleidingsuren doen gelden in het kader van een deelname aan een door de FSMA erkend opleidingsprogramma. Naar de toekomst toe zal de FSMA evenwel geen opleidingsprogramma's meer erkennen, doch enkel, op advies van de NBB, opleidingscentra.
Art. N. Note explicative jointe au règlement de la Banque nationale de Belgique relatif à l'expertise des responsables de la fonction de compliance
  I. Considérations générales
  Dans le cadre des initiatives visant à renforcer la confiance dans le secteur financier, le sub-working group on regulatory and supervisory issues du High Level Expert Group, qui a été créé par le ministre des Finances en 2015, s'est notamment penché sur la fonction de compliance dans les établissements financiers.
  L'objectif général poursuivi par ce sub-working group en matière de compliance est d'accroître l'assise de la fonction de compliance au sein des entreprises réglementées afin de contribuer à renforcer l'intégrité du secteur financier et la confiance des consommateurs dans ce secteur. Le groupe a notamment conclu qu'il convenait d'aligner davantage les approches de la FSMA et de la BNB pour l'appréciation des conditions d'expertise et d'honorabilité professionnelle ("fit & proper") des personnes responsables de la fonction de compliance.
  S'agissant du volet "expertise", les articles 40 de la loi bancaire et 60 de la loi relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance ou de réassurance ont été modifiés par la loi du 5 décembre 2017 portant des dispositions financières diverses afin de préciser que la BNB pouvait, par règlement, fixer les conditions minimales à remplir en ce qui concerne l'exigence d'expertise adéquate, notamment les modalités liées à la procédure d'appréciation de cette exigence.
  La position défendue par le sub-working group visait notamment à ce que l'examen mis en place dans le système d'agrément des compliance officers de la FSMA, dans le cadre de ses missions de contrôle des règles de conduite, puisse également servir d'élément d'appréciation dans le cadre de l'appréciation de l'exigence d'expertise des responsables de la fonction compliance par l''autorité de contrôle prudentiel.
  A cet égard, la BNB et la FSMA ont mis au point une approche commune pour favoriser l'harmonisation des exigences des deux autorités de contrôle en matière d'appréciation de l'expertise des responsables de la fonction de compliance. La BNB a transposé cette approche dans un règlement relatif à l'expertise des responsables de la fonction de compliance. La FSMA a elle aussi élaboré un règlement visant à modifier son règlement du 27 octobre 2011 relatif à l'agrément des compliance officers.
  Ainsi, le présent règlement tend à garantir une transparence administrative accrue en ce qui concerne les exigences minimales dont doit tenir compte l'autorité de contrôle dans l'appréciation susmentionnée, et ainsi faire en sorte que les candidats à un poste de responsable de la fonction de compliance qui sont soumis à ce type d'appréciation puissent procéder aux préparatifs nécessaires à cette fin dans un cadre transparent. Les règles fixées dans le présent règlement ne peuvent en aucun cas restreindre la liberté d'appréciation dont doit nécessairement bénéficier l'autorité de contrôle dans l'appréciation de l'exigence précitée.
  Par ailleurs, à l'heure actuelle, les attentes de l'autorité de contrôle figurent déjà dans sa circulaire NBB_2013_02 du 17 juin 2013 relative aux normes en matière d'expertise et d'honorabilité professionnelle pour les membres du Comité de direction, les administrateurs, les responsables de fonctions de contrôle indépendantes et dirigeants effectifs d'établissements financiers. Il va de soi que cette circulaire reste intégralement d'application, sauf dispositions plus spécifiques prévues par le présent règlement.
  II. Régime adopté
  A. Exigences d'expertise dans le chef des responsables de la fonction de compliance
  En ce qui concerne la condition d'expérience, l'entreprise réglementée doit démontrer, notamment au moyen des descriptions des fonctions exercées antérieurement par le ou la candidat(e), qu'il ou elle a acquis une expérience adéquate durant une période d'au moins trois ans. Afin que cette expérience soit considérée comme adéquate, il importe que, dans l'exercice de ses fonctions, la personne concernée ait disposé d'une responsabilité de jugement, c'est-à-dire d'un pouvoir d'appréciation quant à l'application des règles légales d'intégrité et de conduite. En d'autres termes, ne pourrait être retenue une expérience acquise dans le cadre de fonctions dans lesquelles le ou la candidat(e) se limitait à appliquer les règles d'intégrité et de conduite selon des instructions précises, qu'il ou elle devait exécuter sans aucune faculté de jugement. Une expérience pertinente acquise en dehors d'entreprises réglementées, comme par exemple dans un cabinet d'avocats ou dans une entreprise de consultance, peut entrer en ligne de compte. En revanche, l'environnement de travail doit, sur le plan du contenu, montrer des similitudes ou des points communs avec les fonctions du responsable de la fonction de compliance officer d'une entreprise réglementée et avec l'entreprise réglementée au sein de laquelle le candidat est nommé. Les activités de l'entreprise, ainsi que sa taille et sa complexité, sont des facteurs qui joueront un rôle dans l'appréciation. De plus, il sera tenu compte, de manière proportionnelle, du contenu des règles que le candidat responsable de la fonction de compliance a été amené à appliquer dans le cadre de cette expérience antérieure pour s'assurer d'une certaine similitude avec celles qu'il sera amené à appliquer en tant que responsable de la fonction de compliance.
  En cas de mobilité d'un responsable de la fonction de compliance, la condition d'expérience adéquate a vocation a être ré-examinée à chaque nouvelle demande de nomination afin de tenir compte des particularités de l'entreprise au sein de laquelle le responsable de la fonction de compliance est nommé.
  Afin d'assurer que l'expérience acquise est toujours pertinente dans un contexte réglementaire en permanente évolution, il est également précisé que cette expérience adéquate doit avoir été acquise dans sa totalité au cours de la période de six ans précédant la date d'introduction de la demande d'agrément.
  En ce qui concerne la condition de connaissances professionnelles, l'entreprise réglementée doit démontrer que le ou la candidat(e) a acquis et conservé des connaissances suffisantes en matière de règles légales et réglementaires d'intégrité et de conduite, notamment par le biais d'une obligation de réussir un examen auprès d'un organisme de formation dont les examens sont agréés par la FSMA et la BNB. Les conditions et la procédure d'agrément des examens sont définies aux articles 4 à 6 du règlement. Comme les examens ne sont organisés que périodiquement, il est prévu qu'un ou une candidat(e) puisse prendre ses fonctions moyennant la réussite de l'examen dans l'année et le respect de toutes les autres conditions (article 2, § 3).
  Un examen distinct, composé d'une partie théorique et d'une partie pratique, sera organisé pour le secteur des services bancaires et d'investissement, d'une part, et pour le secteur des assurances, d'autre part. La partie pratique de l'examen consiste en deux modules, dont l'un ("module A") est optionnel en fonction des activités de l'établissement. Il s'agit en particulier des modules suivants :
  i. un module "AML" destiné aux entreprises d'assurance : les candidats à un poste de responsable de la fonction de compliance pour des entreprises d'assurance ne proposant pas de services d'assurance-vie ne sont pas tenus de suivre ce module ; et
  ii. un module "services d'investissement" destiné aux entreprises réglementées du secteur bancaire et des services d'investissement : les candidats à un poste de responsable de la fonction de compliance pour des banques ou des compagnies financières (mixte) ne proposant pas de services d'investissement ne sont pas tenus de suivre ce module.
  L'article 2, § 4, prévoit à cet égard que l'entreprise réglementée doit avertir sans délai l'autorité de contrôle si elle développe de nouvelles activités qui obligent le responsable de la fonction de compliance à réussir le module optionnel précité dans un délai d'un an.
  En outre, il va de soi que les attestations délivrées en cas de réussite de l'examen mentionnent clairement quels modules le candidat a réussis.
  Enfin, il est également tenu compte du fait qu'une personne peut avoir fait le choix de passer l'examen sans être nommée immédiatement en tant que responsable de la fonction de compliance au sein d'une entreprise réglementée. Dans ce cas, il est attendu que ses connaissances soient maintenues à niveau, à dater de la réussite de l'examen, par des formations d'une durée minimale de 20 heures tous les trois ans (art. 2, § 1, 3°, b)). Pour les candidats à un poste de responsable de la fonction de compliance qui étaient déjà été précédemment nommés au sein d'une entreprise réglementée, et qui ont réussi l'examen à cette occasion, la BNB tiendra compte, lors de la nouvelle procédure d'agrément, de la manière dont ils ont respecté leur obligation de formation permanente dans le cadre de l'exercice de leurs précédentes fonctions de responsable de la fonction de compliance. Dans ce cas, la durée minimale de la formation permanente à justifier depuis la réussite de l'examen sera de 40 heures tous les trois ans, ce qui correspond à la durée minimale de la formation permanente requise à l'article 2, § 2 pour les responsable de la fonction de compliance.
  Il est en effet précisé à l'article 2, § 2 du règlement que pour satisfaire en permanence à la condition de connaissances professionnelles, les responsables de la fonction de compliance doivent participer à un programme de formation permanente d'une durée minimale de 40 heures tous les trois ans auprès d'un organisme de formation agréé par la FSMA, sur avis de la BNB.
  Plus généralement, les entreprises réglementées doivent également veiller à ce que les autres personnes chargées de la fonction de compliance (les collaborateurs (trices) de la cellule compliance de l'entreprise réglementée) participent elles aussi à des formations pendant au moins 20 heures tous les trois ans (cf. article 3, alinéa 2 du présent règlement).
  En résumé, les cas concrets suivants peuvent se présenter en matière de formation permanente :
  -le responsable de la fonction de compliance: il doit participer, à dater de sa nomination, à au moins 40 heures de formation sur une période de trois ans;
  - une personne ayant réussi l'examen mais qui n'est pas encore nommé en qualité de responsable de la fonction de compliance au sein d'une entreprise réglementée et qui souhaite pouvoir se prévaloir ultérieurement de la réussite de l'examen au moment d'une telle nomination: cette personne doit participer, à dater de la réussite de l'examen, à au moins 20 heures de formation sur une période de trois ans. Ceci vaut même si cette personne n'est pas, au moment de la réussite de l'examen, chargée de missions de compliance au sein d'une entreprise réglementée ; à défaut, cette personne ne pourrait se prévaloir de la réussite de l'examen dans le cadre de la procédure d'approbation au moment de sa nomination en tant que responsable de la fonction de compliance au sein d'une entreprise réglementée (cf. article 2, § 1er, 3°, b du règlement);
  - une personne ayant déjà été nommée responsable de la fonction de compliance mais devant encore passer l'examen, conformément à l'article 2, § 3, du règlement : cette personne n'est pas encore soumise à l'obligation de formation permanente, mais elle devra, dans les douze mois de sa nomination, suivre la formation préparatoire à l'examen et passer celui-ci. Elle devra participer à au moins 40 heures de formation sur une période de trois ans, dès la réussite de l'examen (cf. article 2, § 3 du règlement);
  - des collaborateurs du responsable de la fonction de compliance chargés de missions de compliance : ils doivent participer à au moins 20 heures de formation sur une période de trois ans (cf. article 3, alinéa 2 du règlement).
  Enfin, les candidats à un poste de responsable de la fonction de compliance doivent disposer des compétences nécessaires et faire preuve d'un comportement professionnel. Ces composantes sont inspirées de celles qui figurent dans la circulaire NBB_2013_02 du 17 juin 2013.
  Les "compétences" (skills) se réfèrent à ce qu'un individu est capable de faire. Elles servent à adopter un comportement précis dans certaines situations. En ce qui concerne la fonction de compliance, citons notamment l'indépendance de jugement ainsi que le poids que l'intéressé est capable de mettre dans la balance en matière de prise de décision au sein de l'établissement. Il ne s'agit pas pour l'autorité de contrôle d'évaluer les compétences une à une ; l'évaluation portera plutôt sur la manière dont l'établissement a pris en compte la composante "compétences" dans son processus interne d'évaluation du candidat.
  Le "comportement professionnel" porte sur le comportement observable, d'où ressortent, dans les activités quotidiennes, les normes et valeurs de l'exercice de la profession. Il s'agit plus particulièrement du comportement requis pour garantir le respect de la réglementation applicable au secteur financier et, plus largement, pour protéger les intérêts de l'établissement et de sa clientèle, des homologues, des contreparties et des autres parties prenantes, ainsi que de l'ensemble de la communauté. Le comportement professionnel doit émaner de la personne elle-même, mais il est déterminé également par l'environnement dans lequel cette personne opère (notamment sur le plan de l'éthique du métier et des règles de conduite internes des établissements). En règle générale, on peut considérer qu'une personne possède un comportement professionnel en l'absence d'indices indiquant le contraire. Si la personne a par le passé été en contact avec l'autorité de contrôle, cette relation antérieure avec l'autorité de contrôle joue un rôle. On peut, dans ce cas, prendre contact avec les personnes avec qui l'intéressé a été en contact professionnel par le passé (les "références").
  B. Agrément des examens
  Les organismes qui entendent organiser un examen destiné aux responsables de la fonction de compliance sont tenus d'obtenir une décision d'agrément tant de la BNB que de la FSMA. Les conditions d'agrément sont identiques pour ces deux décisions.
  L'organisme doit tout d'abord préciser si son examen s'adresse aux responsables de la fonction de compliance du secteur bancaire et des services d'investissement ou du secteur des assurances.
  Chaque examen doit obligatoirement comporter une partie théorique et une partie pratique. Pour s'assurer d'une connaissance théorique minimale de l'ensemble des règles dont le responsable de la fonction de compliance doit assurer le respect, la partie théorique de l'examen doit couvrir l'ensemble des règles de conduite et d'intégrité légales et réglementaires qui s'appliquent aux entreprises réglementées concernées et qui relèvent de la fonction de compliance.
  La partie pratique devra quant à elle contenir deux modules distincts, dont l'un sera éventuellement facultatif en fonction des activités exercées par l'entreprise au sein de laquelle le responsable de la fonction de compliance exerce ses fonctions, comme expliqué supra. Dans une certaine mesure, il est ainsi tenu compte des problématiques réellement rencontrées par les responsables de la fonction de compliance de ces entreprises dans l'exercice de leurs fonctions. Cette modalisation partielle de la partie pratique de l'examen a cependant un impact sur la mobilité du responsable de la fonction de compliance qui pourrait être amené à devoir à nouveau passer l'examen en cas de nomination dans une autre entreprise réglementée, même au sein du même secteur, mais dont les activités diffèrent de celle au sein de laquelle il était précédemment nommé comme responsable. Cette modalisation partielle a également comme conséquence qu'un responsable de la fonction de compliance pourrait devoir passer un module d'examen complémentaire si l'entreprise réglementée au sein de laquelle il est actif étend ses activités (par exemple une entreprise d'assurance qui développerait des activités en assurance-vie et dont le responsable de la fonction de compliance devrait alors passer le module d'examen "AML") (cf. article 2, § 4 du règlement)
  Le module de la partie pratique de l'examen obligatoire pour tous les candidats devra également obligatoirement porter sur certaines matières. Ainsi, le module B de la partie pratique de l'examen destiné au secteur des assurances devra à tout le moins porter sur le respect des règles de conduite et organisationnelles liées à l'activité de distribution d'assurances. Le module B de la partie pratique de l'examen destiné au secteur bancaire et des services en investissement devra obligatoirement contenir des questions relatives au devoir de vigilance à l'égard de la clientèle et la prévention de l'utilisation du système financier aux fins du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme, ainsi que sur certaines exigences organisationnelles.
  D'autres conditions d'agrément des examens sont prévues, dont l'obligation de faire précéder l'examen d'une formation, l'obligation, pour l'examen, de comporter deux sessions (dont la deuxième implique une épreuve de repêchage), l'obligation de mise à jour régulière des questions et l'obligation de mettre en place une procédure de recours. La formation préalable peut, au choix de l'organisme, précéder la partie théorique et/ou la partie pratique de l'examen.
  Les conditions d'agrément de l'examen doivent être respectées en permanence par l'organisme qui l'organise et à défaut, tant la BNB que la FSMA peut, moyennant avis de l'autre institution, révoquer l'agrément de l'examen concerné.
  C. Dispositions transitoires
  Un maintien des acquis (grandfathering) est prévu pour les responsables de la fonction de compliance qui ont déjà été nommés lors de l'entrée en vigueur du règlement. Ils ne doivent pas faire l'objet d'une réévaluation. S'ils sont nommés ultérieurement au sein d'un autre établissement du même secteur, ils ne doivent pas repasser l'examen.
  En revanche, ils sont soumis à l'exigence de formation permanente (cf. art. 2, § 2 du règlement). Les responsables de la fonction de compliance dont question doivent donc participer, à dater de l'entrée en vigueur de ce règlement, à un programme de formation permanente d'une durée minimale de 40 heures tous les trois ans.
  En outre, en cas de changement de secteur, ces personnes doivent attester de la réussite de l'examen du secteur dans lequel elles exerceront des fonctions de responsable de la fonction de compliance.
  A titre de disposition transitoire, les examens actuels qui sont agréés par la FSMA bénéficient d'un agrément provisoire, à condition toutefois, pour les organismes qui les organisent, d'avoir introduit une demande d'agrément à temps auprès de la BNB et de la FSMA avant le 31 août 2018. Dans le cas contraire ou en cas de refus de la demande d'agrément, il est mis un terme de plein droit à l'agrément provisoire. Les certificats de réussite d'examens agréés exclusivement par la FSMA (conformément au régime prévu par le règlement de la FSMA du 27 octobre 2011) peuvent continuer à être invoqués. Les candidats responsables de la fonction de compliance qui ont passé ce type d'examen ne doivent pas repasser un examen sous la nouvelle mouture.
  Dans le même ordre d'idées, s'agissant de l'exigence de formation permanente, les (candidats) responsables de la fonction de compliance peuvent également faire valoir des heures de formation dans le cadre d'une participation à un programme de formation agréé par la FSMA. A l'avenir, la FSMA n'agréera toutefois plus de programmes de formation, mais uniquement, sur avis de la BNB, des centres de formation.