Zum Hauptinhalt

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
21 DECEMBER 2018. - Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2019(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2018 en tekstbijwerking tot 13-05-2022)
Titre
21 DECEMBRE 2018. - Décret contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2019(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 28-12-2018 et mise à jour au 13-05-2022)
Dokumentinformationen
Numac: 2018015650
Datum: 2018-12-21
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2018015650
Date: 2018-12-21
Moniteur: Voir
Inhoud
HOOFDSTUK 1. - Algemeen HOOFDSTUK 2. - Cultuur, Jeugd, Sport en Media Afdeling 1. - Oprichting begrotingsfonds voor d... Afdeling 2. - Wijzigingen aan het decreet van 2... HOOFDSTUK 3. - Economie, Wetenschap en Innovatie Afdeling 1. - Opheffing Fonds voor de aanwendin... HOOFDSTUK 4. - Financiën en Begroting Afdeling 1. - Vrijstelling BIV voor elektrische... Afdeling 2. - Aanpassing aan het roerend partne... HOOFDSTUK 5. - Internationaal Vlaanderen Afdeling 1. - Opheffingsbepaling van rechtspers... HOOFDSTUK 6. - Kanselarij en Bestuur Afdeling 1. - Opheffing DAB Digitale Drukkerij Afdeling 2. - Wijziging van het decreet van 5 j... Afdeling 3. - Wijziging algemeen rampenfonds - ... HOOFDSTUK 7. - Mobiliteit en Openbare Werken Afdeling 1. - Verkeersveiligheidsfonds - subsid... HOOFDSTUK 8. - Omgeving Afdeling 1. - Prijzen rolmodellen inzake afval-... Afdeling 2. - Wijziging van het decreet van 23 ... Afdeling 3. - Decreet van 18 juli 2003 betreffe... HOOFDSTUK 9. - Werk en Sociale Economie Afdeling 1. - Maatwerk bij collectieve inschake... HOOFDSTUK 10. - Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Afdeling 1. - Fonds Justitiehuizen Afdeling 2. - Toevoeging aan artikel 58 van het... Afdeling 3. - Werking en toelagen preventief ge... Afdeling 4. - Opheffing wettelijke bepaling twe... Afdeling 5. - Overeenkomsten tussen het Comité ... HOOFDSTUK 11. - Landbouw en Visserij Afdeling 1. - Landbouwrampenfonds - uitsluiten ... HOOFDSTUK 12. - Onderwijs en Vorming Afdeling 1. - Uitbreiding tijdelijk onderwijs a... Afdeling 2. - Eenmalig werkingsbudget voor het ... Afdeling 3. - Aanpassing budget lerarenplatform... Afdeling 4. - Eenmalig werkingsbudget voor werk... Afdeling 5. - Schrappen voorwaarde dat een scho... Afdeling 6. - Aanpassing budget lerarenplatform... Afdeling 7. - Cao V Hoger Onderwijs Afdeling 8. - Inkanteling hbo5/SLO-opleidingen ... Afdeling 9. - Bijkomende financiering voor de u... Afdeling 10. - Subsidie KU Leuven voor de optie... Afdeling 11. - Inkanteling HBO5/SLO-opleidingen... Afdeling 12. - Bijkomende investeringsmiddelen ... Afdeling 13. - Bijkomende middelen wettelijke w... Afdeling 14. - Toelage hogere instituten en and... Afdeling 15. - Technische aanpassing regeling t... Afdeling 16. - Aanpassing berekening werkingsto... Afdeling 17. - Oprichting begrotingsfonds "Fond... Afdeling 18. - Toekenning jaarlijkse aanvullend... Afdeling 19. - Machtiging aan AGION voor verbin... Afdeling 20. - Aanpassing maximumpercentage vas... Afdeling 21. - Aanpassing aanwending recuperati... Afdeling 22. - Cao V Hogere Zeevaartschool Afdeling 23. Aanpassing regeling diensten met o... Afdeling 24. Verschuiving teldag omkaderingsber... Afdeling 25. - Extra werkingsmiddelen voor tech... HOOFDSTUK 13. - Inwerkingtreding
Inhoud
CHAPITRE 1er. - Généralités CHAPITRE 2. - Culture, Jeunesse, Sport et Médias Section 1re. - Création du fonds budgétaire pou... Section 2. - Modifications au décret du 26 janv... CHAPITRE 3. - Economie, Science et Innovation Section 1re. - Abrogation du Fonds d'affectatio... CHAPITRE 4. - Finances et Budget Section 1re. - Exonération de la taxe de mise e... Section 2. - Adaptation à l'abattement mobilier... CHAPITRE 5. - Affaires étrangères de la Flandre Section 1re. - Disposition abrogatoire de la pe... CHAPITRE 6. - Chancellerie et Gouvernance publique Section 1re. Abrogation SGS Imprimerie numérique Section 2. - Modification du décret du 5 juille... Section 3. - Modification fonds des calamités p... CHAPITRE 7. - Mobilité et Travaux publics Section 1re. - Fonds de sécurité routière - sub... CHAPITRE 8. - Environnement et Aménagement du T... Section 1re. - Prix pour modèles en matière de ... Section 2. - Modification du décret du 23 décem... Section 3. Décret du 18 juillet 2003 relatif à ... CHAPITRE 9. - Emploi et Economie sociale Section 1re. - Travail adapté dans le cadre de ... CHAPITRE 10. Bien-Etre, Santé publique et Famille Section 1re. Fonds Maisons de Justice Section 2. - Ajout à l'article 58 au Décret sur... Section 3. - Fonctionnement et allocations poli... Section 4. - Abrogation de la disposition légal... Section 5. - Conventions entre le Comité de l'a... CHAPITRE 11. - Agriculture et Pêche Section 1re. - Fonds des calamités agricoles - ... CHAPITRE 12. - Enseignement et Formation Section 1re. - Extension de l'enseignement temp... Section 2. - Budget de fonctionnement unique po... Section 3. - Adaptation du budget de la Plate-f... Section 4. - Budget de fonctionnement unique po... Section 5. - Suppression de la condition qu'une... Section 6. - Adaptation du budget de la plate-f... Section 7. - CCT V Enseignement supérieur Section 8. - Intégration des formations hbo5/SL... Section 9. - Financement supplémentaire pour l'... Section 10. - Subvention KU Leuven pour l'optio... Section 11. - Intégration des formations HBO5/S... Section 12. - Moyens d'investissement supplémen... Section 13. - Moyens supplémentaires cotisation... Section 14. - Allocation aux instituts supérieu... Section 15. - Adaptation technique du règlement... Section 16. - Adaptation du calcul des allocati... Section 17. - Création du fonds budgétaire " Fo... Section 18. - Attribution de périodes/enseignan... Section 19. - Autorisation à AGIOn (Agence de l... Section 20. - Adaptation du pourcentage maximal... Section 21. - Adaptation de l'affectation du fo... Section 22. - CCT V Ecole supérieure de Navigation Section 23. - Adaptation du règlement relatif a... Section 24. - Glissement du jour de comptage du... Section 25. - Moyens de fonctionnement suppléme... CHAPITRE 13. - Entrée en vigueur
Tekst (128)
Texte (128)
HOOFDSTUK 1. - Algemeen
CHAPITRE 1er. - Généralités
Artikel 1. Dit decreet regelt een gewest- en gemeenschapsaangelegenheid.
Article 1er. Le présent décret règle une matière communautaire et régionale.
HOOFDSTUK 2. - Cultuur, Jeugd, Sport en Media
CHAPITRE 2. - Culture, Jeunesse, Sport et Médias
Afdeling 1. - Oprichting begrotingsfonds voor de classificatie van films, voor het eerst vertoond in Belgische bioscopen
Section 1re. - Création du fonds budgétaire pour la classification de films, projetés pour la première fois aux cinémas belges
Art. 2. Er wordt een begrotingsfonds voor de classificatie van films voor het eerst vertoond in Belgische bioscopen opgericht als vermeld in artikel 12 van het Rekendecreet van 8 juli 2011, hierna het `fonds'.
  Het fonds wordt gespijsd door de bijdragen van de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad, aan de Vlaamse Gemeenschap voor de coördinatie en het secretariaat van de classificatie van films voor het eerst vertoond in Belgische bioscopen. Het fonds kan ook gespijsd worden door geldelijke boetes, die door de klachtencommissie als sanctie kunnen worden toegekend bij niet-naleving van de reglementering.
  Het fonds wordt aangewend voor de loon- en werkingskosten die gemaakt worden in het kader van de classificatie van films voor het eerst vertoond in Belgische bioscopen, door de Vlaamse Gemeenschap.
Art. 2. Il est créé un fonds budgétaire pour la classification de films, projetés pour la première fois aux cinémas belges, tel que visé à l'article 12 du Décret sur les Comptes du 8 juillet 2011, ci-après dénommé le " fonds ".
  Le fonds est alimenté par les contributions de la Communauté française, de la Communauté germanophone et de la Commission communautaire commune de Bruxelles-Capitale, à la Communauté flamande pour la coordination et le secrétariat de la classification de films, projetés pour la première fois aux cinémas belges. Le fonds peut également être alimenté par des amendes, qui peuvent être imposées par la commission des réclamations comme sanction en cas de non-respect de la réglementation.
  Le fonds est affecté aux charges salariales et aux frais de fonctionnement exposés par la Communauté flamande dans le cadre de la classification de films, projetés pour la première fois aux cinémas belges.
Afdeling 2. - Wijzigingen aan het decreet van 26 januari 2018 tot oprichting van het privaatrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen in de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk
Section 2. - Modifications au décret du 26 janvier 2018 portant création de l'agence autonomisée externe de droit privé " Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen " (Musée Royal des Beaux-Arts - Anvers) sous forme d'une association sans but lucratif
Art. 3. In artikel 16 van het decreet van 26 januari 2018 tot oprichting van het privaatrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen in de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk, wordt het jaartal "2018" vervangen door het jaartal "2019".
Art. 3. Dans l'article 16 du décret du 26 janvier 2018 portant création de l'agence autonomisée externe de droit privé " Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen " (Musée Royal des Beaux-Arts - Anvers) sous forme d'une association sans but lucratif, l'année " 2018 " est remplacée par l'année " 2019 ".
Art. 4. In artikel 18 van hetzelfde decreet wordt het jaartal "2019" vervangen door het jaartal "2020".
Art. 4. Dans l'article 18 du même décret, l'année " 2019 " est remplacée par l'année " 2020 ".
HOOFDSTUK 3. - Economie, Wetenschap en Innovatie
CHAPITRE 3. - Economie, Science et Innovation
Afdeling 1. - Opheffing Fonds voor de aanwending van courante ontvangsten
Section 1re. - Abrogation du Fonds d'affectation des recettes courantes
Art. 5. Artikel 1 van het decreet van 6 juli 1994 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 1994, gewijzigd bij het decreet van 22 december 1995, wordt opgeheven.
Art. 5. L'article 1er du décret du 6 juillet 1994 contenant des mesures d'accompagnement de l'ajustement du budget 1994, modifié par le décret du 22 décembre 1995, est abrogé.
HOOFDSTUK 4. - Financiën en Begroting
CHAPITRE 4. - Finances et Budget
Afdeling 1. - Vrijstelling BIV voor elektrische motorfietsen en motorfietsen op waterstof
Section 1re. - Exonération de la taxe de mise en circulation pour motocyclettes électriques et motocyclettes à hydrogène
Art. 6. In artikel 2.3.6.0.2 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:
  "Dit artikel is alleen van toepassing op wegvoertuigen van natuurlijke personen en andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten.".
Art. 6. Dans l'article 2.3.6.0.2 du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
  " Le présent article s'applique uniquement aux véhicules routiers de personnes physiques et d'autres personnes morales que les sociétés, les entreprises publiques autonomes et les associations sans but lucratif, qui exercent des activités de leasing. ".
Afdeling 2. - Aanpassing aan het roerend partnerabattement inzake erfbelasting
Section 2. - Adaptation à l'abattement mobilier pour partenaire en matière d'impôt de succession
Art. 7. Aan artikel 2.7.6.0.6, § 2, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, ingevoegd bij decreet van 6 juli 2018, wordt de zin "Die vrijstelling geldt niet als de rechtverkrijgende partner een bloedverwant in de rechte lijn van de erflater is of een rechtverkrijgende is die voor de toepassing van het tarief met een rechtverkrijgende in de rechte lijn wordt gelijkgesteld." toegevoegd.
Art. 7. L'article 2.7.6.0.6, § 2 du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013, inséré par le décret du 6 juillet 2018, est complété par la phrase " Cette exonération ne vaut pas si le partenaire ayant droit est un parent en ligne directe du défunt, ou un ayant droit qui est assimilé à un ayant droit en ligne directe pour l'application du tarif. ".
HOOFDSTUK 5. - Internationaal Vlaanderen
CHAPITRE 5. - Affaires étrangères de la Flandre
Afdeling 1. - Opheffingsbepaling van rechtspersoon CVN
Section 1re. - Disposition abrogatoire de la personne morale CVN
Art. 8. Artikel 6 van het decreet van 8 december 1998 houdende diverse bepalingen naar aanleiding van de begrotingscontrole 1998 wordt opgeheven. De middelen, rechten en verplichtingen van de opgeheven rechtspersoon Commissie Cultureel Verdrag Vlaanderen-Nederland (CVN) worden overgenomen door vzw De Buren.
Art. 8. L'article 6 du décret du 8 décembre 1998 contenant diverses dispositions dans le cadre du contrôle budgétaire 1998, est abrogé. Les moyens, droits et obligations de la personne morale abrogée " Commissie Cultureel Verdrag Vlaanderen-Nederland " (CVN) sont repris par l'a.s.b.l. " De Buren ".
HOOFDSTUK 6. - Kanselarij en Bestuur
CHAPITRE 6. - Chancellerie et Gouvernance publique
Afdeling 1. - Opheffing DAB Digitale Drukkerij
Section 1re. Abrogation SGS Imprimerie numérique
Art. 9. Artikel 69 van het decreet van 23 december 2011 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2012 wordt opgeheven.
Art. 9. L'article 69 du décret du 23 décembre 2011 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2012 est abrogé.
Afdeling 2. - Wijziging van het decreet van 5 juli 2002 tot vaststelling van de regels inzake de dotatie en de verdeling van het Vlaams Gemeentefonds
Section 2. - Modification du décret du 5 juillet 2002 réglant la dotation et la répartition du Fonds flamand des Communes
Art. 10. In artikel 19septies decies, eerste lid, van het decreet van 5 juli 2002 tot vaststelling van de regels inzake de dotatie en de verdeling van het Vlaams Gemeentefonds, ingevoegd bij het decreet van 22 december 2017, wordt het bedrag "23.819.200 euro" vervangen door het bedrag "23.919.200 euro" en wordt het bedrag "1.064.000 euro" vervangen door het bedrag "1.164.000 euro".
Art. 10. Dans l'article 19septies decies, alinéa 1er, du décret du 5 juillet 2002 réglant la dotation et la répartition du Fonds flamand des Communes, inséré par le décret du 22 décembre 2017, le montant " 23.819.200 euros " est remplacé par le montant " 23.919.200 euros " et le montant " 1.064.000 euros " est remplacé par le montant " 1.164.000 euros ".
Afdeling 3. - Wijziging algemeen rampenfonds - uitsluiten teelt- of oogstschade
Section 3. - Modification fonds des calamités publiques - exclusion des dégâts causés aux cultures ou aux récoltes
Art. 11. In artikel 7 van het decreet van 3 juni 2016 betreffende de tegemoetkoming voor schade, aangericht door algemene rampen in het Vlaamse Gewest, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in punt 5°, a), worden de zinsnede "de niet-binnengehaalde oogsten," en de woorden "en de teelten", opgeheven;
  2° er wordt een punt 6° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "6° schade aan teelten of oogsten.".
Art. 11. A l'article 7 du décret du 3 juin 2016 relatif à l'intervention suite à des dommages causés par des calamités publiques en Région flamande, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le point 5° , a), le membre de phrase " des récoltes non engrangées, " et les mots " et des cultures " sont abrogés ;
  2° il est ajouté un point 6° , rédigé comme suit :
  " 6° des dommages causés aux cultures ou aux récoltes. ".
Art. 12. In artikel 9, eerste lid, van hetzelfde decreet wordt punt 4° opgeheven.
Art. 12. Dans l'article 9, alinéa 1er, du même décret, le point 4° est abrogé.
HOOFDSTUK 7. - Mobiliteit en Openbare Werken
CHAPITRE 7. - Mobilité et Travaux publics
Afdeling 1. - Verkeersveiligheidsfonds - subsidies veilige schoolomgevingen
Section 1re. - Fonds de sécurité routière - subventions environnements scolaires sûrs
Art. 13. Aan artikel 42 van het decreet van 3 juli 2015 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2015, gewijzigd bij de decreten van 18 december 2015, 8 juli 2016 en 22 december 2017, wordt een paragraaf 6 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 6. Om de verkeersveiligheid te bevorderen, kan de Vlaamse Regering, binnen de perken van de begrotingskredieten, een subsidie verlenen aan de gemeenten voor projecten die de aanleg of de verbetering van de infrastructuur aan schoolomgevingen tot doel hebben, andere dan deze bedoeld in artikel 26/10 en artikel 26/12 van het decreet van 20 maart 2009 betreffende het mobiliteitsbeleid.
  Enkel de uitvoering van de in de projectdossiers beschreven maatregelen en acties komen in aanmerking voor een subsidie. De voorbereidende werkzaamheden, zoals de opmaak van het projectdossier en eventuele bijkomende studies, onderzoeken of analyses komen niet in aanmerking voor een subsidie.
  Binnen de perken van de kredieten van het verkeersveiligheidsfonds wordt hiervoor een budgettaire enveloppe per jaar voorzien. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden op basis waarvan de projecten, vermeld in het eerste lid, subsidiabel zijn en bepaalt de procedure voor de aanvraag, beoordeling, toekenning en uitbetaling van de subsidie.".
Art. 13. L'article 42 du décret du 3 juillet 2015 contenant diverses mesures d'accompagnement de l'ajustement du budget 2015, modifié par les décrets des 18 décembre 2015, 8 juillet 2016 et 22 décembre 2017, est complété par un paragraphe 6, rédigé comme suit :
  " § 6. Pour promouvoir la sécurité routière, le Gouvernement flamand peut accorder une subvention, dans les limites des crédits budgétaires, aux communes pour des projets visant à réaliser l'aménagement ou l'amélioration de l'infrastructure des environnements scolaires, autres que ceux visés aux articles 26/10 et 26/12 du décret du 20 mars 2009 relatif à la politique de mobilité.
  Seule l'exécution des mesures et des actions décrites aux dossiers de projet, est éligible à une subvention. Les activités préparatoires, telles que l'établissement du dossier de projet et les éventuelles études, recherches ou analyses additionnelles, ne sont pas éligibles à une subvention.
  Dans les limites des crédits du fonds de sécurité routière, une enveloppe budgétaire est annuellement prévue à cet effet. Le Gouvernement flamand arrête les modalités sur la base desquelles les projets, visés à l'alinéa 1er, sont subventionnables, et arrête la procédure de demande, d'évaluation, d'octroi et de paiement de la subvention. ".
HOOFDSTUK 8. - Omgeving
CHAPITRE 8. - Environnement et Aménagement du Territoire
Afdeling 1. - Prijzen rolmodellen inzake afval-, materialen- en bodembeleid
Section 1re. - Prix pour modèles en matière de politique des déchets, des matériaux et du sol
Art. 14. De Vlaamse Regering wordt gemachtigd om de OVAM Ecodesign Award en de OVAM GroeneVent Awards uit te reiken. De OVAM Ecodesign Award is een jaarlijkse prijs voor studenten die oog hebben voor duurzaamheid in hun jaar- of eindwerk. De OVAM GroeneVent Awards is een jaarlijkse prijs voor organisatoren van evenementen in Vlaanderen die hun milieu-impact verlagen en streven naar een duurzame organisatie van hun evenementen.
  De Vlaamse Regering kan de criteria en de procedure voor de toekenning van de OVAM Ecodesign Award en de OVAM GroeneVent Awards bepalen.
Art. 14. Le Gouvernement flamand est autorisé à remettre le " OVAM Ecodesign Award " et les " OVAM GroeneVent Awards ". Le " OVAM Ecodesign Award " est un prix annuel pour des étudiants qui se soucient de la durabilité dans leur travail final ou mémoire. Les " OVAM GroeneVent Awards " est un prix annuel pour des organisateurs d'événements en Flandre qui réduisent leur impact environnemental et aspirent à une organisation durable de leurs événements.
  Le Gouvernement flamand peut déterminer les critères et la procédure d'octroi du " OVAM Ecodesign Award " et des " OVAM GroeneVent Awards ".
Afdeling 2. - Wijziging van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materialenkringlopen en afvalstoffen - Milieu-heffingen
Section 2. - Modification du décret du 23 décembre 2011 relatif à la gestion durable de cycles de matériaux et de déchets - Redevances environnementales
Art. 15. Aan artikel 46, § 1, van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen worden volgende wijzigingen aangebracht:
  1° aan punt 6°, a), wordt de volgende zin toegevoegd:
  "Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton.";
  2° aan punt 6°, b), wordt na de eerste zin de volgende zin toegevoegd:
  "Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton.";
  3° in punt 11° wordt na de eerste zin de volgende zin ingevoegd:
  "Vanaf 1 januari 2019 geldt dit tarief ook voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van gipshoudend slib van de productie van calciumchloride en van loodslakken van metallurgische processen.";
  4° het vierde lid wordt vervangen door wat volgt:
  "In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16° en 17°, geldt met ingang van het heffingsjaar 2019 voor de verwerking van verpulpingsresidu's en ontinktingsslib van papier- en kartonafval die ontstaan bij bedrijven die papier- en kartonafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten volgende heffingen:
  1° voor het verbranden en meeverbranden met een energierecuperatie kleiner dan 65 %: 7 euro per ton;
  2° voor het verbranden en meeverbranden met een energierecuperatie tussen 65 % en 80 %: 2 euro per ton;
  3° voor het verbranden en meeverbranden met energierecuperatie van meer dan 80 %: 0 euro per ton.
  In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16° en 17°, geldt voor recyclageresidu's van kunststofafval van bedrijven die kunststofafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, met ingang van het heffingsjaar 2010, een heffingstarief van 2 euro per ton.";
  5° in het vijfde lid wordt na de eerste zin, die eindigt met de woorden "een heffingstarief van 2,2 euro/ton", de volgende zin ingevoegd:
  "Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton.";
  6° aan het zesde lid, dat eindigt met de woorden "een heffingstarief van 2,2 euro/ton", wordt de volgende zin toegevoegd:
  "Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton.";
  7° er wordt een lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Onverminderd de bepalingen, vermeld in punt 19°, wordt het bedrag van de milieuheffing voor het overbrengen van in het Vlaamse Gewest geproduceerd papier- en kartonafval naar een vergunde inrichting buiten het Vlaamse Gewest waar het betrokken papier- en kartonafval wordt onderworpen aan handelingen met EU-code R12/R13, berekend op de toegepaste verwerkingswijze van de uit de R12/R13 handeling ontstane residu's, volgens de bedragen vermeld in punt 1° tot en met 18°, die worden bepaald door de toegepaste verwerkingswijze van de residu's indien deze ontstaan uit handelingen met EU-code R12/R13 die binnen het Vlaamse Gewest worden gesteld.".
Art. 15. A l'article 46, § 1er, du décret du 23 décembre 2011 relatif à la gestion durable de cycles de matériaux et de déchets, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le point 6° , a), est complété par la phrase suivante :
  " Un taux de 0 euros par tonne s'applique à partir du 1er juillet 2019. " ;
  2° le point 6° , b), est complété, après la première phrase, par la phrase suivante :
  " Un taux de 0 euros par tonne s'applique à partir du 1er juillet 2019. " ;
  3° au point 11° la phrase suivante est insérée après la première phrase :
  " A partir du 1er janvier 2019, ce tarif vaut également pour le déversement sur une décharge autorisée de boues à base de gypse de la production de chlorure de calcium et de scories de plomb de procédés métallurgiques. " ;
  4° l'alinéa quatre est remplacé par ce qui suit :
  " Par dérogation aux cas visés à l'alinéa 1er, 16° et 17° , les taux de redevance suivants s'appliquent à partir de l'année de redevance 2019 pour le traitement de résidus de dépulpage et de boues de désencrage provenant de déchets de papier et de carton d'entreprises qui utilisent les déchets de papier et de carton comme matière première pour la production de nouvelles matières ou de nouveaux produits :
  1° Pour l'incinération et la co-incinération avec une récupération d'énergie inférieure à 65 % : 7 euros par tonne ;
  2° Pour l'incinération et la co-incinération avec une récupération d'énergie entre 65 % et 80 % : 2 euros par tonne ;
  3° Pour l'incinération et la co-incinération avec une récupération d'énergie supérieure à 80 % : 0 euros par tonne.
  Par dérogation aux cas visés à l'alinéa premier, 16° et 17° , un taux de redevance de 2 euros/tonne s'applique aux résidus de recyclage de déchets plastiques provenant d'entreprises utilisant des déchets plastiques comme matière première pour la fabrication de nouvelles substances ou produits, à partir de l'année d'imposition 2010. " ;
  5° Dans l'alinéa 5, après la première phrase qui finit par les mots " un taux de redevance de 2,2 euros/tonne ", la phrase suivante est insérée :
  " Un taux de 0 euros par tonne s'applique à partir du 1er juillet 2019. " ;
  6° L'alinéa 6, qui finit par les mots " un taux de redevance de 2,2 euros/tonne ", est complété par la phrase suivante :
  " Un taux de 0 euros par tonne s'applique à partir du 1er juillet 2019. " ;
  7° Il est ajouté un alinéa, rédigé comme suit :
  " Sans préjudice des dispositions visées au point 19° , le montant de la redevance écologique pour le transfert de déchets de papier et de carton produits en Région flamande vers un établissement autorisé en dehors de la Région flamande où les déchets de papier et de carton sont soumis à des opérations portant le Code UE R12/R13, est calculé sur la base du mode de traitement appliqué des résidus provenant de l'opération R12/R13, selon les montants visés aux points 1° à 18° inclus, qui sont déterminés par le mode de traitement appliqué des résidus si ceux-ci proviennent d'opérations portant le Code UE R12/R13 effectuées au sein de la Région flamande. ".
Art. 16. In artikel 46, § 3, van hetzelfde decreet wordt aan het eerste lid een punt 7° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "7° voor wat betreft het in het Vlaamse Gewest geproduceerd papier- en kartonafval dat wordt overgebracht naar een vergunde inrichting buiten het Vlaamse Gewest waar het betrokken papier- en kartonafval wordt onderworpen aan handelingen voor nuttige toepassing met EU-code R3 of wordt opgeslagen in afwachting van de overbrenging naar een dergelijke vergunde inrichting met het oog op de onderwerping aan handelingen met EU-code R3: de recyclageresidu's afkomstig van dit papier- en kartonafval.".
Art. 16. Dans l'article 46, § 3 du même décret, il est ajouté à l'alinéa premier un point 7° ainsi rédigé :
  " 7° en ce qui concerne les déchets de papier et de carton produits en Région flamande qui sont transférés vers un établissement autorisé en dehors de la Région flamande où les déchets de papier et de carton concernés font l'objet d'opérations de valorisation portant le code UE R3 ou sont stockés en attendant leur transfert vers un tel établissement autorisé en vue de les soumettre aux opérations portant le code UE R3 : les résidus de recyclage provenant de ces déchets de papier et carton. ".
Art. 17. Aan artikel 46 van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen wordt een paragraaf 8 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 8. Vanaf 1 januari 2019 worden de bedragen, vermeld in paragraaf 1, 16° en 17°, en geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 5, met 4 euro per ton verminderd, meer bepaald in de gevallen dat de betreffende afvalstoffen per trein worden aangevoerd.".
Art. 17. L'article 46 du décret du 23 décembre 2011 relatif à la gestion durable de cycles de matériaux et de déchets, est complété par un paragraphe 8, rédigé comme suit :
  " § 8. A partir du 1er janvier 2019, les montants visés au paragraphe 1er, 16° et 17° , et indexés conformément aux dispositions du paragraphe 5, sont diminués de 4 euros par tonne, notamment dans les cas où les déchets concernés sont transportés par train. ".
Afdeling 3. - Decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018
Section 3. Décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau, coordonné le 15 juin 2018
Art. 18. Artikel 4.2.1.1.4 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 4.2.1.1.4. In afwijking van artikel 4.2.1.1.1 is geen heffing verschuldigd voor:
  1° een vergunde grondwaterwinning uitsluitend gebruikt voor thermische energie-opslag voor zover het gewonnen, niet-verontreinigde grondwater integraal wordt teruggepompt in dezelfde watervoerende laag, als waaruit het wordt gewonnen;
  2° een vergunde oppervlaktewaterwinning uitsluitend gebruikt voor thermische energieopslag en terug geloosd in hetzelfde oppervlaktewater als waaruit het wordt gewonnen.
  De heffingsplichtige waterverontreiniging, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, dient op 1 januari van het jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar in het bezit te zijn van een milieu- of omgevingsvergunning respectievelijk voor:
  1° het winnen van grondwater voor thermische energieopslag (indelingsrubriek 53.6 van bijlage 1 bij titel II van het VLAREM);
  2° gebruik van oppervlaktewater uitsluitend voor thermische energieopslag en teruglozing ervan in hetzelfde oppervlaktewater (indelingsrubriek 3.7 van bijlage 1 bij titel II van het VLAREM).
  Elke heffingsplichtige waterverontreiniging die in aanmerking wenst te komen voor de vrijstelling, vermeld in het eerste lid, dient bij de aangifte bedoeld in artikel 4.2.4.1 een schriftelijke aanvraag te voegen vergezeld van de bewijsstukken waaruit blijkt dat aan bovenvermelde vrijstellingsvoorwaarden is voldaan. De verleende vrijstelling geldt voor het heffingsjaar waarvoor de aanvraag is ingediend en voor de volgende heffingsjaren behoudens in geval van wijzigingen die tot gevolg hebben dat de installatie niet meer aan de hierboven vermelde vrijstellingsvoorwaarden voldoet.
  Elke verandering van de vergunningssituatie en/of wijziging aan de grond-waterwinning respectievelijk de oppervlaktewaterwinning moet onmiddellijk per aangetekend schrijven aan de leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij worden gemeld.".
Art. 18. L'article 4.2.1.1.4 du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau, coordonné le 15 juin 2018, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 4.2.1.1.4. Par dérogation à l'article 4.2.1.1.1, aucune redevance n'est due pour :
  1° un captage d'eau souterraine autorisé, utilisé exclusivement pour le stockage d'énergie thermique, dans la mesure où les eaux souterraines captées non polluées sont intégralement réinjectées dans le même aquifère que celui dont elles ont été prélevées ;
  2° un captage d'eau de surface autorisé, utilisé exclusivement pour le stockage d'énergie thermique et avec déversement dans les mêmes eaux de surface que celles dont elles ont été prélevées.
  Au 1er janvier de l'année précédant l'année de redevance, le redevable assujetti à la redevance sur la pollution des eaux, visé à l'alinéa 1er, 1° et 2° , doit être en possession d'un permis écologique ou d'environnement, respectivement pour :
  1° le captage d'eaux souterraines pour le stockage d'énergie thermique (rubrique de classification 53.6 de l'annexe 1re au titre II du VLAREM) ;
  2° l'utilisation d'eaux de surface exclusivement pour le stockage d'énergie thermique et leur déversement dans les mêmes eaux de surface (rubrique de classification 3.7 de l'annexe 1re au titre II du VLAREM).
  Tout redevable assujetti à la redevance sur la pollution des eaux qui souhaite bénéficier de l'exemption visée à l'alinéa 1er, est tenu d'ajouter à la déclaration visée à l'article 4.2.4.1 une demande écrite accompagnée des pièces justificatives démontrant que les conditions d'exemption visées ci-dessus sont remplies. L'exemption accordée porte sur l'année de redevance pour laquelle la demande est introduite et pour les années de redevance suivantes, sauf en cas de modifications à la suite desquelles l'installation ne remplit plus les conditions d'exemption visées ci-dessus.
  Toute modification de la situation de permis et/ou toute modification au captage d'eaux souterraines, respectivement au captage d'eaux de surface doit être notifiée sans tarder par lettre recommandée au fonctionnaire dirigeant de la Société flamande de l'Environnement. ".
Art. 19. Artikel 4.2.1.1.6 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 4.2.1.1.6. § 1. Voor zover het niet wordt geloosd in de openbare riolering met een getotaliseerde maximale nominale pompcapaciteit hoger dan 10 mü per uur of bij gebrek aan pompcapaciteit met volumes hoger dan 10 mü per uur is in afwijking van artikel 4.2.1.1.1 geen heffing verschuldigd voor de lozing van het onttrokken grondwater uit de volgende grondwaterwinningen:
  1° grondwaterwinningen voor het uitvoeren van proefpompingen die minder dan drie maanden in gebruik zijn;
  2° bronbemalingen die ofwel:
  a) technisch nodig zijn voor de verwezenlijking van bouwkundige werken of voor de aanleg van openbare nutsvoorzieningen;
  b) noodzakelijk zijn voor de exploitatie van tunnels voor openbare wegen en/of openbaar vervoer of voor de waterbeheersing van mijnverzakkingsgebieden;
  c) noodzakelijk zijn om het gebruik en/of de exploitatie van gebouwen of bedrijfsterreinen mogelijk te maken of houden, op voorwaarde dat:
  1) deze noodzakelijkheid is gestaafd door een hydrologisch attest opgesteld door een MER-deskundige in de discipline water, deeldomein geohydrologie die daarvoor in het Vlaamse Gewest is erkend met toepassing van de bepalingen van titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;
  2) het hydrologisch attest, vermeld in punt 1), vóór 15 maart van elk heffingsjaar bij de leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij of de door hem gedelegeerde ambtenaar is ingediend. De Vlaamse Regering kan regels vaststellen met betrekking tot de minimale inhoud en de vorm van bedoeld hydrologisch attest;
  3° draineringen die noodzakelijk zijn om het gebruik en/of de exploitatie van bouw- en weiland mogelijk te maken of te houden.
  § 2. In afwijking van artikel 4.2.1.1.1 is voor grondwaterwinningen gebruikt voor ondergrondse beluchting zoals bedoeld in indelingsrubriek 53.12 van bijlage 1 bij titel II van het VLAREM geen heffing verschuldigd voor het deel van het belucht grondwater dat teruggepompt wordt in dezelfde freatische watervoerende laag.".
Art. 19. L'article 4.2.1.1.6 du même décret est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 4.2.1.1.6. § 1er. Par dérogation à l'article 4.2.1.1.1, aucune redevance n'est due pour le déversement des eaux souterraines captées des captages d'eau souterraine suivants, dans la mesure où elles ne sont pas déversées dans les égouts publics ayant une capacité de pompage nominale maximale totalisée supérieure à 10 mü par heure ou à défaut de capacité de pompage par volumes supérieurs à 10 mü par heure :
  1° les captages d'eau souterraine destinés à des essais de pompage, en service pendant moins de trois mois ;
  2° les épuisements par puits qui soit :
  a) sont techniquement nécessaires à la réalisation de travaux de construction ou à l'aménagement d'équipements d'utilité publique ;
  b) sont nécessaires à l'exploitation de tunnels destinés aux voies publiques et/ou aux transports publics ou à l'aménagement hydraulique des zones d'affaissement minières ;
  c) sont nécessaires pour permettre ou maintenir l'utilisation et/ou l'exploitation de bâtiments ou de sites industriels, à condition que ;
  1) cette nécessité soit étayée par une attestation hydrologique établie par un expert EIE dans la discipline des eaux, sous-domaine de la géohydrologie, agréé à cet effet en Région flamande en application des dispositions du titre V, chapitre 6, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement ;
  2) l'attestation hydrologique visée au point 1) soit introduite avant le 15 mars de chaque année de redevance auprès du fonctionnaire dirigeant de la Société flamande de l'Environnement ou du fonctionnaire délégué par lui. Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités relatives à la forme et au contenu minimal de l'attestation hydrologique visée ;
  3° les drainages nécessaires pour permettre ou maintenir l'utilisation et/ou l'exploitation de terres arables et de pâturages.
  § 2. Par dérogation à l'article 4.2.1.1.1, aucune redevance n'est due pour les captages d'eau souterraine utilisés pour l'aération souterraine telle que visée à la rubrique de classification 53.12 de l'annexe 1 au titre II du VLAREM, pour la partie des eaux souterraines aérées qui est réinjectée dans le même aquifère phréatique. ".
Art. 20. Aan artikel 4.2.1.2.2 van hetzelfde decreet wordt een punt 9° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "9° het deel van het belucht grondwater van grondwaterwinningen gebruikt voor ondergrondse beluchting zoals bedoeld in indelingsrubriek 53.12 van bijlage 1 bij titel II van het VLAREM dat teruggepompt wordt in dezelfde freatische watervoerende laag.".
Art. 20. L'article 4.2.1.2.2 du même décret est complété par un point 9° , rédigé comme suit :
  " 9° la partie des eaux souterraines aérées des captages d'eau souterraine utilisés pour l'aération souterraine telle que visée à la rubrique de classification 53.12 de l'annexe 1 au titre II du VLAREM, qui est réinjectée dans le même aquifère phréatique. ".
Art. 21. In paragraaf 2 van artikel 4.2.2.1.1 van hetzelfde decreet wordt punt 1° vervangen door wat volgt:
  "1° de heffingsplichtigen waterverontreiniging, bedoeld in artikel 4.2.2.3.1 en artikel 4.2.2.5.1, die zijn aangesloten op het openbaar hydrografisch net, en bovendien:
  a) ofwel op basis van de bepalingen van titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, alle uitvoeringsbepalingen van deze wet, evenals de bepalingen uit de betreffende omgevingsvergunning verplicht zijn hun afvalwater zelf te zuiveren en in oppervlaktewater te lozen;
  b) ofwel moeten voldoen aan de voorwaarden voor de lozing van huishoudelijk afvalwater, ander dan afkomstig van woongelegenheden, waarvan het debiet maximaal 600 mü/jaar bedraagt, zoals bedoeld in indelingsrubriek 3 van bijlage 1 bij titel II van het VLAREM.".
Art. 21. Dans le paragraphe 2 de l'article 4.2.2.1.1 du même décret, le point 1° est remplacé par ce qui suit :
  " 1° les redevables assujettis à la redevance sur la pollution des eaux, visés aux articles 4.2.2.3.1 et 4.2.2.5.1, qui sont raccordés au réseau hydrographique public, et qui en outre
  a) sont obligés, en vertu des dispositions du titre V du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, de toutes les dispositions d'exécution du présent décret ainsi que des dispositions du permis d'environnement concerné, d'épurer eux-mêmes leurs eaux usées et de les déverser dans les eaux de surface ;
  b) soit doivent répondre aux conditions pour le déversement des eaux usées domestiques, autres que celles provenant d'habitations, dont le débit maximal s'élève à 600 mü/an, telles que visées dans la rubrique de classification 3 de l'annexe 1 du titre II du VLAREM. ".
Art. 22. Paragraaf 1 van artikel 4.2.2.1.3 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt:
  " § 1. Voor de heffingsplichtigen waterverontreiniging bedoeld in artikel 4.2.2.3.1 en 4.2.2.5.1 wordt het bedrag van de heffing verminderd met B
  waarbij:
  B = de som van de bijdrage en de vergoeding, vermeld in de artikelen 4.3.2.1 tot 4.3.2.4, exclusief btw. De Vlaamse Milieumaatschappij kan vermelde som voorafgaand aan de aanrekening door de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk in mindering brengen. De heffing kan in geen geval negatief worden.
  Voor de heffingsplichtigen waterverontreiniging bedoeld in artikel 4.2.2.3.1 en 4.2.2.5.1 wordt geen heffing gevestigd op het waterverbruik waarop de Vennootschap vermeld in artikel 2.6.1.1.1, de vergoeding, vermeld in artikel 2.6.2.1, aanrekent voor de bovengemeentelijke sanering van het afvalwater geloosd in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar, exclusief btw, op voorwaarde dat de heffingsplichtige waterverontreiniging deze vergoeding heeft betaald.".
Art. 22. Le paragraphe 1er de l'article 4.2.2.1.3 du même décret est remplacé par ce qui suit :
  " § 1er. Pour les redevables assujettis à la redevance sur la pollution des eaux, visés aux articles 4.2.2.3.1 et 4.2.2.5.1, le montant de la redevance est diminué de B
  où :
  B = la somme de la contribution et de l'indemnité, visées aux articles 4.3.2.1 à 4.3.2.4, hors TVA. La Société flamande de l'Environnement peut déduire la somme précitée préalablement à l'imputation par les exploitants d'un réseau public de distribution d'eau. La redevance ne peut en aucun cas devenir négative.
  Pour les redevables assujettis à la redevance sur la pollution des eaux, visés aux articles 4.2.2.3.1. et 4.2.2.5.1., aucune redevance n'est établie sur la consommation d'eau sur laquelle la Société visée à l'article 2.6.1.1.1 impute l'indemnité visée à l'article 2.6.2.1 pour l'assainissement supracommunal des eaux usées déversées pendant l'année précédant l'année de redevance, hors TVA, à condition que le redevable assujetti à la redevance sur la pollution des eaux ait payé cette indemnité. ".
Art. 23. In artikel 4.2.2.1.4 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 2, tweede lid, wordt de zinsnede ", op straffe van nietigheid" opgeheven;
  2° in paragraaf 5 wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:
  "Hiertoe moet de heffingsplichtige waterverontreiniging, vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van het bedoelde dossier, een hernieuwingsaanvraag indienen bij de ambtenaar die conform artikel 4.2.1.1.8 aangewezen is voor de vestiging van de heffing, samen met een attest afgeleverd door een milieu-deskundige bedoeld in paragraaf 2, waarin de conclusie van het aanvankelijk ingediende dossier wordt herbevestigd.";
  3° er wordt een paragraaf 8 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 8. Alle vermeldingen en bepalingen opgenomen in paragrafen 2, 3, 4 en 5 zijn voorgeschreven op straffe van nietigheid.".
Art. 23. A l'article 4.2.2.1.4 du même décret les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 2, alinéa 2, le membre de phrase " A peine de nullité, " est abrogé ;
  2° dans le paragraphe 5, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
  " A cet effet, avant l'expiration de la durée de validité du dossier visé, le redevable assujetti à la redevance sur la pollution des eaux doit introduire une demande de renouvellement auprès du fonctionnaire désigné conformément à l'article 4.2.1.1.8 pour l'établissement de la redevance, accompagnée d'une attestation délivrée par un expert environnemental visé au paragraphe 2, dans laquelle la conclusion du dossier introduit initialement est reconfirmée. " ;
  3° il est ajouté un paragraphe 8, rédigé comme suit :
  " § 8. Toutes les mentions et dispositions reprises aux paragraphes 2, 3, 4 et 5 sont prescrites sous peine de nullité. ".
Art. 24. Artikel 4.2.2.2.1 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 4.2.2.2.1. Voor de heffingsplichtigen waterverontreiniging met een waterverbruik van minder dan 500 mü per jaar wordt de vuilvracht als volgt berekend:
  1° voor elke heffingsplichtige waterverontreiniging die uitsluitend water heeft afgenomen van een openbaar waterdistributienetwerk op enig tijdstip gedurende het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar en waarbij het waterverbruik in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar, op basis van de facturatie door de drinkwatermaatschappij, minder dan 500 mü bedraagt:
  N = 0,025 x Qw
  waarin:
  N = de vuilvracht uitgedrukt in vervuilingseenheden;
  Qw = het door de drinkwatermaatschappij in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar totaal gefactureerd waterverbruik uitgedrukt in mü;
  2° voor elke heffingsplichtige waterverontreiniging die gedurende het gehele jaar voorafgaand aan het heffingsjaar uitsluitend beschikte over een eigen waterwinning van minder dan 500 mü per jaar:
  N = 0,025 x Qp
  waarin:
  N = de vuilvracht uitgedrukt in vervuilingseenheden;
  Qp = a) voor natuurlijke personen: 30 x M, waarin M het aantal personen is dat op 1 januari van het heffingsjaar deel uitmaakt van eenzelfde gezin of gemeenschap;
  b) voor rechtspersonen: het overeenkomstig 4.2.2.5.2 bepaalde verbruik;
  3° voor elke heffingsplichtige waterverontreiniging die op enig tijdstip gedurende het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar water heeft afgenomen van een openbaar waterdistributienetwerk en die tevens op enig tijdstip gedurende dat jaar beschikte over een eigen waterwinning waarbij het totale waterverbruik kleiner is dan 500 mü per jaar:
  N = 0,025 x (Qw + Qg)
  waarin:
  N = de vuilvracht uitgedrukt in vervuilingseenheden;
  Qw = het door de drinkwatermaatschappij in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar totaal gefactureerd waterverbruik uitgedrukt in mü;
  Qg = a) voor natuurlijke personen: 10 x M, waarin M het aantal personen is dat op 1 januari van het heffingsjaar deel uitmaakt van eenzelfde gezin of gemeenschap;
  b) voor rechtspersonen: het overeenkomstig 4.2.2.5.2 bepaalde verbruik;".
Art. 24. L'article 4.2.2.2.1. du même décret est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 4.2.2.2.1 Pour les redevables assujettis à la redevance sur la pollution des eaux dont la consommation d'eau est inférieure à 500 mü par an, la charge polluante est calculée comme suit :
  1° pour chaque redevable assujetti à la redevance sur la pollution des eaux qui a uniquement prélevé de l'eau d'un réseau public de distribution d'eau à une date quelconque au cours de l'année précédant l'année de redevance, la consommation d'eau étant de moins de 500 mü au cours de l'année précédant l'année de redevance sur la base de la facture établie par la société de distribution d'eau potable :
  N = 0,025 x Qw
  où :
  N = la charge polluante exprimée en unités de pollution ;
  Qw = la consommation d'eau totale exprimée en mü, facturée par la société de distribution d'eau potable au cours de l'année précédant l'année de redevance ;
  2° pour chaque redevable assujetti à la redevance sur la pollution des eaux qui disposait uniquement d'une propre prise d'eau de moins de 500 mü par an, pendant l'année entière précédant l'année de redevance :
  N = 0,025 x Qp
  où :
  N = la charge polluante exprimée en unités de pollution ;
  Qp = a) pour les personnes physiques : 30 x M, où M est le nombre de personnes qui, au 1er janvier de l'année de redevance, font partie d'un même ménage ou d'une même communauté ;
  b) pour les personnes morales : la consommation définie conformément à 4.2.2.5.2 ;
  3° pour chaque redevable assujetti à la redevance sur la pollution des eaux qui, à un moment quelconque au cours de l'année précédant l'année de redevance, a prélevé de l'eau d'un réseau public de distribution d'eau, et qui disposait également à un moment quelconque au cours de cette année d'une propre prise d'eau, la consommation d'eau totale étant inférieure à 500 mü par an :
  N = 0,025 x (Qw + Qg)
  où :
  N = la charge polluante exprimée en unités de pollution ;
  Qw = la consommation d'eau totale exprimée en mü, facturée par la société de distribution d'eau potable au cours de l'année précédant l'année de redevance ;
  Qg = a) pour les personnes physiques : 10 x M, où M est le nombre de personnes qui, au 1er janvier de l'année de redevance, font partie d'un même ménage ou d'une même communauté ;
  b) pour les personnes morales : la consommation définie conformément à 4.2.2.5.2 ; ".
Art. 25. Aan artikel 4.2.2.3.8 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° aan het tweede lid wordt de volgende zin toegevoegd:
  "Als de verzegeling verbroken wordt, verwittigt de heffingsplichtige onmiddellijk de ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij belast met de controle of een onderzoek in verband met de toepassing van de heffing en gebruikt hiervoor het formulier dat de Vlaamse Milieumaatschappij ter beschikking stelt.";
  2° na het tweede lid wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "In geval van het resetten van de debietmeetsystemen vermeld in deze paragraaf in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar worden de tellerstanden voor dat jaar voor de berekening van de heffing uitgesloten.".
Art. 25. A l'article 4.2.2.3.8. du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
  1° l'alinéa 2 est complété par la phrase suivante :
  " Si le scellé est brisé, le redevable assujetti à la redevance sur la pollution des eaux avertit immédiatement les fonctionnaires de la Société flamande de l'Environnement chargés du contrôle ou d'une enquête concernant l'application de la redevance, en utilisant à cet effet le formulaire mis à disposition par la Société flamande de l'Environnement. " ;
  2° après l'alinéa 2 il est ajouté un alinéa 3, rédigé comme suit :
  " En cas du reset des systèmes de mesure du débit, visé au présent paragraphe, au cours de l'année précédant l'année de redevance, le relevé du compteur pour cette année est exclu pour le calcul de la redevance. ".
Art. 26. In artikel 4.2.2.5.2 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° aan het derde lid wordt de volgende zin toegevoegd:
  "Als de verzegeling verbroken wordt, verwittigt de heffingsplichtige onmiddellijk de ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij belast met de controle of een onderzoek in verband met de toepassing van de heffing. De heffingsplichtige gebruikt hiervoor het formulier dat de Vlaamse Milieumaatschappij ter beschikking stelt.";
  2° er wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "In geval van het resetten van de debietmeetsystemen, vermeld in deze paragraaf, in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar worden de tellerstanden voor dat jaar voor de berekening van de heffing uitgesloten.".
Art. 26. A l'article 4.2.2.5.2. du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
  1° l'alinéa 3 est complété par la phrase suivante :
  " Si le scellé est brisé, le redevable assujetti à la redevance sur la pollution des eaux avertit immédiatement les fonctionnaires de la Société flamande de l'Environnement chargés du contrôle ou d'une enquête concernant l'application de la redevance. Le redevable assujetti à la redevance utilise à cet effet le formulaire mis à disposition par la Société flamande de l'Environnement. " ;
  2° il est ajouté un alinéa 4, rédigé comme suit :
  " En cas du reset des systèmes de mesure du débit, visé au présent paragraphe, au cours de l'année précédant l'année de redevance, le relevé du compteur pour cette année est exclu pour le calcul de la redevance. ".
Art. 27. Aan artikel 4.2.3.1, § 2, van hetzelfde decreet wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "In geval van het resetten van het debietmeetsysteem met registratie, vermeld in deze paragraaf, in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar worden de tellerstanden voor dat jaar voor de berekening van de heffing uitgesloten.".
Art. 27. L'article 4.2.3.1., § 2, du même décret est complété par un alinéa 3, rédigé comme suit :
  " En cas du reset du système de mesure du débit avec enregistrement, visé au présent paragraphe, au cours de l'année précédant l'année de redevance, le relevé du compteur pour cette année est exclu pour le calcul de la redevance. ".
Art. 28. In bijlage 5 van hetzelfde decreet, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de vermeldingen:
  "
Art. 28. A l'article 5 du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
  1° les mentions :
  "
51.a
  51.b
Wasserijen, met uitzondering van wassalons:       
 a) natwasserijen 1 mü gebruikt water 0,031 0,006 0,003 0 0,040
 b) chemische wasserijen en droogkuis 1 mü gebruikt water 0,08 0,001 0,009 0 0,090
51.a
  51.b Wasserijen, met uitzondering van wassalons: a) natwasserijen 1 mü gebruikt water 0,031 0,006 0,003 0 0,040b) chemische wasserijen en droogkuis 1 mü gebruikt water 0,08 0,001 0,009 0 0,090
"
  worden vervangen door wat volgt:
  "
51.a
  51.b
Blanchisseries, à l'exception des salons-lavoirs :       
 a) lavage à l'eau 1 mü d'eau utilisée 0,031 0,006 0,003 0 0,040
 b) nettoyage à sec 1 mü d'eau utilisée 0,08 0,001 0,009 0 0,090
51.a
  51.b Blanchisseries, à l'exception des salons-lavoirs : a) lavage à l'eau 1 mü d'eau utilisée 0,031 0,006 0,003 0 0,040b) nettoyage à sec 1 mü d'eau utilisée 0,08 0,001 0,009 0 0,090
"
  sont remplacés par ce qui suit :
  "
51 Wasserijen, met uitzondering van wassalons: nat-wasserijen 1 mü gebruikt water 0,031 0,006 0,003 0 0,040
51 Wasserijen, met uitzondering van wassalons: nat-wasserijen 1 mü gebruikt water 0,031 0,006 0,003 0 0,040
"
  2° bij de nummering 58 wordt de omschrijving van de activiteit in de tweede kolom vervangen door wat volgt:
  "het grondwater onttrokken bij:
  1° de in artikel 4.2.1.1.3 vermelde grondwaterwinningen en geloosd in de openbare riolering;
  2° de in artikel 4.2.1.1.6 vermelde grondwaterwinningen en met een getotaliseerde maximale nominale pompcapaciteit hoger dan 10 mü per uur of bij gebrek aan pompcapaciteit met volumes hoger dan 10 mü per uur geloosd in de openbare riolering";
  3° de tweede zin onderaan de tabel wordt vervangen door wat volgt:
  "Voor de toepassing van de nummeringen die als grondslag "1 mü gebruikt water" vermelden wordt onder aantal mü gebruikt water verstaan de hoeveelheid gedurende het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar verbruikte water Q, zoals gedefinieerd in artikel 4.1.1.5.1, verminderd met het koelwater K, zoals gedefinieerd in artikel 4.2.2.3.1 van deze wet.".
51 Blanchisseries, à l'exception des salons-lavoirs : lavage à l'eau 1 mü d'eau utilisée 0,031 0,006 0,003 0 0,040
51 Blanchisseries, à l'exception des salons-lavoirs : lavage à l'eau 1 mü d'eau utilisée 0,031 0,006 0,003 0 0,040
"
  2° au numéro 58, la description de l'activité dans la deuxième colonne est remplacée par ce qui suit :
  " les eaux souterraines captées lors des :
  1° captages d'eaux souterraines visés à l'article 4.2.1.1.3 et déversées dans les égouts publics ;
  2° captages d'eaux souterraines visés à l'article 4.2.1.1.6, et déversées dans les égouts publics ayant une capacité de pompage nominale maximale totalisée supérieure à 10 mü par heure ou à défaut de capacité de pompage par volumes supérieurs à 10 mü par heure " ;
  3° La deuxième phrase en bas du tableau est remplacée par ce qui suit :
  " Pour l'application des numérotations mentionnant comme base " 1 mü d'eau utilisée ", il faut entendre par nombre de mü d'eau utilisée, la quantité d'eau Q utilisée pendant l'année précédant l'année de redevance, telle que définie à l'article 4.1.1.5.1, diminuée des eaux de refroidissement K telles que définies à l'article 4.2.2.3.1 de la présente loi. ".
HOOFDSTUK 9. - Werk en Sociale Economie
CHAPITRE 9. - Emploi et Economie sociale
Afdeling 1. - Maatwerk bij collectieve inschakeling
Section 1re. - Travail adapté dans le cadre de l'intégration collective
Art. 29. In artikel 2 van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling wordt de zinsnede "de Verordening (EG) nr. 800/2008 van de Commissie van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard" vervangen door de zinsnede "de verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard".
Art. 29. Dans l'article 2 du décret du 12 juillet 2013 relatif au travail adapté dans le cadre de l'intégration collective, le membre de phrase " du Règlement (CE) n° 800/2008 de la Commission du 6 août 2008 déclarant certaines catégories d'aide compatibles avec le marché commun en application des articles 87 et 88 du traité (Règlement général d'exemption par catégorie) " est remplacé par le membre de phrase " du Règlement (UE) n° 651/2014 de la Commission du 17 juin 2014 déclarant certaines catégories d'aide compatibles avec le marché interne en application des articles 107 et 108 du Traité ".
Art. 30. Artikel 18 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.
Art. 30. L'article 18 du même décret est abrogé.
HOOFDSTUK 10. - Welzijn, Volksgezondheid en Gezin
CHAPITRE 10. Bien-Etre, Santé publique et Famille
Afdeling 1. - Fonds Justitiehuizen
Section 1re. Fonds Maisons de Justice
Art. 31. § 1. Bij het [2 Agentschap Justitie en Handhaving, opgericht bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 september 2021 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap "Agentschap Justitie en Handhaving]2 wordt een begrotingsfonds als vermeld in [1 artikel 15, § 2, van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019]1 opgericht voor de aanwending van de betaling van initiatieven die gespecialiseerde programma's ontwikkelen of samenwerkingsverbanden voor justitiabelen uitwerken, die zulke programma's of samenwerkingsverbanden ondersteunen, of die een vernieuwend project uitwerken.
  § 2. Het fonds wordt gespijsd door de jaarlijkse ontvangsten uitgekeerd door de federale overheid die kaderen in de subsidiëring van organisaties, andere dan de Justitiehuizen, die opdrachten uitoefenen in het kader van de uitvoering van alternatieve straffen en maatregelen die door een gerechtelijke of federale administratieve overheid zijn opgelegd en waarvan de besteding gebeurt binnen de bevoegdheid van artikel 5, § 1, III, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. Hiermee worden de federale middelen beoogd die in het voormalige veiligheidsfonds en verkeersveiligheidsfonds werden bestemd voor de uitvoering van alternatieve straffen en maatregelen opgelegd door een gerechtelijke of federale administratieve overheid.
  § 3. Het fonds wordt aangewend ter financiering van uitgaven voor werking, subsidies en investeringen ten bate van organisaties die opdrachten uitoefenen in het kader van de uitvoering van alternatieve straffen en maatregelen die door een gerechtelijke of administratieve overheid zijn opgelegd.
  
Art. 31. § 1er. Il est créé auprès [2 de l'Agence de la Justice et du Maintien, créée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 septembre 2021 portant création de l'agence autonomisée interne Agence de la Justice et du Maintien (" Agentschap Justitie en Handhaving ")]2, un fonds budgétaire tel que visé à [1 l'article 15, § 2, du Code flamand des Finances publiques du 29 mars 2019]1, pour l'affectation du paiement d'initiatives qui développent des programmes spécialisés ou élaborent des partenariats pour des justiciables, qui soutiennent de tels programmes ou partenariat, ou qui élaborent un projet innovateur.
  § 2. Le fonds est alimenté par les recettes annuelles distribuées par l'autorité fédérale, qui s'inscrivent dans le subventionnement d'organisations, autres que les Maisons de Justice, qui exercent des missions dans le cadre de l'exécution de peines et mesures alternatives imposées par une autorité administrative judiciaire ou fédérale, dont l'affectation se fait dans la compétence de l'article 5, § 1er, III, de la Loi spéciale de réformes institutionnelles du 8 août 1980. On envisage les moyens fédéraux qui étaient affectés, dans l'ancien fonds de sécurité et fonds de sécurité routière, à l'exécution des peines et mesures alternatives imposées par une autorité administrative judiciaire ou fédérale.
  § 3. Le fonds est affecté au financement des dépenses pour le fonctionnement, les subventions et les investissements au profit d'organisations qui exercent des missions dans le cadre de l'exécution de peines et mesures alternatives imposées par une autorité judiciaire ou administrative.
  
Afdeling 2. - Toevoeging aan artikel 58 van het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009
Section 2. - Ajout à l'article 58 au Décret sur les soins résidentiels du 13 mars 2009
Art. 32. In het artikel 58 van het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009, gewijzigd bij het decreet van 21 juni 2013, wordt aan paragraaf 1 een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "De Vlaamse Regering kan een programmatie als vermeld in het eerste lid bepalen voor de vormen van huisvesting, verzorging en dienstverlening aan gebruikers, erkend met toepassing van artikel 49.".
Art. 32. Dans l'article 58 du Décret sur les soins résidentiels du 13 mars 2009, modifié par le décret du 21 juin 2013, le paragraphe 1er est complété par un alinéa 4, rédigé comme suit :
  " Le Gouvernement flamand peut déterminer une programmation telle que visée à l'alinéa 1er pour les formes de logement, de services de soins et d'aide aux usagers, agréées en application de l'article 49. ".
Afdeling 3. - Werking en toelagen preventief gezondheidsbeleid: variabel krediet - Milieugezondheidszorg
Section 3. - Fonctionnement et allocations politique de santé préventive : crédit variable - Santé environnementale
Art. 33. In artikel 2 van het decreet van 7 juli 1998 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 1998, vervangen bij het decreet van 19 december 2003 en laatst gewijzigd bij het decreet van 30 juni 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 wordt tussen de zinsnede "Zorg en Gezondheid," en de woorden "wordt opgericht" de zinsnede "voor de uitvoering van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 februari 2007 betreffende de preventie van de veteranenziekte op publiek toegankelijke plaatsen, meer bepaald voor de afhandeling van de kosten verbonden aan het goedkeuringsprotocol alternatieve beheersmaatregelen, en voor de uitvoering van het decreet betreffende het preventieve gezondheidsbeleid van 21 november 2003, meer bepaald het principe `vervuiler betaalt' als vermeld in artikel 54, § 3, van het decreet," ingevoegd;
  2° aan paragraaf 2 worden een paragraaf 2/7 en een paragraaf 2/8 toegevoegd, die luiden als volgt:
  " § 2/7. Het Fonds wordt gespijsd met middelen die in uitvoering van een overeenkomst tussen de Vlaamse Gemeenschap en derden worden betaald als dekking van de kosten die verbonden zijn aan de erkenning, realisatie en voortgangsbewaking van een proefproject met betrekking tot de goedkeuring van alternatieve beheersmaatregelen betreffende de preventie van de veteranenziekte op publiek toegankelijke plaatsen, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 9 februari 2007 betreffende de preventie van de veteranenziekte op publiek toegankelijke plaatsen.
  § 2/8. Het Fonds wordt, conform artikel 54, § 3, van het decreet van 21 november 2003 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid, gespijsd met een partim van bestaande milieugerelateerde heffingen of belastingen die door burgers worden betaald na het akkoord van de Vlaamse Regering of met middelen van bedrijven die medeverantwoordelijk zijn voor de aanwezigheid van fysische of chemische factoren die schadelijk zijn voor de gezondheid en dit in uitvoering van een overeenkomst die een bedrijf in kwestie daarover met de Vlaamse Gemeenschap heeft gesloten.";
  3° aan paragraaf 3 worden een paragraaf 3/7 en een paragraaf 3/8 toegevoegd, die luiden als volgt:
  " § 3/7. Ten laste van dit Fonds worden de expertisekosten die gedragen worden door het Agentschap Zorg en Gezondheid aangerekend, voor zover die verband houden met de erkenning, realisatie en voortgangsbewaking van een proefproject in het kader van alternatieve beheersmaatregelen voor legionella, in uitvoering van artikel 19 tot en met 21 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 februari 2007 betreffende de preventie van de veteranenziekte op publiek toegankelijke plaatsen.
  § 3/8. Ten laste van dit Fonds worden alle soorten uitgaven die gedaan worden door het Agentschap Zorg en Gezondheid aangerekend, voor zover die uitgaven verband houden met de oprichting van een netwerk voor de bewaking van de in de mens gemeten blootstelling of voor de bewaking van de effecten van fysische en chemische factoren op de bevolking, om maatregelen te kunnen nemen voor de bescherming van de volksgezondheid.".
Art. 33. A l'article 2 du décret du 7 juillet 1998 contenant diverses mesures d'accompagnement de l'ajustement du budget 1998, remplacé par le décret du 19 décembre 2003 et modifié en dernier lieu par le décret du 30 juin 2017, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, le membre de phrase " pour l'exécution de l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 février 2007 relatif à la prévention de la maladie du légionnaire dans les lieux publics, notamment pour le traitement des frais liés au protocole d'approbation de mesures de gestion alternatives, et pour l'exécution du décret relatif à la politique de santé préventive du 21 novembre 2003, notamment le principe du pollueur-payeur tel que visé à l'article 54, § 3, du décret, " est inséré entre le membre de phrase " l'Agence des Soins et de la Santé, " et les mots " dénommé ci-après ;
  2° le paragraphe 2 est complété par un paragraphe 2/7 et un paragraphe 2/8, rédigés comme suit :
  " § 2/7. Le Fonds est alimenté par les moyens payés en exécution d'une convention entre la Communauté flamande et des tiers pour couvrir les frais liés à l'agrément, la réalisation et le suivi d'un projet-pilote concernant l'approbation de mesures de gestion alternatives relatif à la prévention de la maladie du légionnaire dans des espaces accessibles au public, visée à l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 février 2007 relatif à la prévention de la maladie du légionnaire dans des espaces accessibles au public.
  § 2/8. Conformément à l'article 54, § 3, du décret du 21 novembre 2003 relatif à la politique de santé préventive, le Fonds est alimenté par une partie de redevances ou taxes existantes liées à l'environnement, qui sont payées par les citoyens après l'accord du Gouvernement flamand, ou par des moyens d'entreprises qui sont coresponsables de la présence de facteurs physiques ou chimiques qui sont nuisibles à la santé, en exécution d'une convention qu'une entreprise concernée a conclue à ce sujet avec la Communauté flamande. " ;
  3° le paragraphe 3 est complété par un paragraphe 3/7 et un paragraphe 3/8, rédigés comme suit :
  " § 3/7. Sont imputés à charge de ce Fonds, les frais d'expertise supportés par l'Agence des Soins et de la Santé, dans la mesure où ils sont liés à l'agrément, la réalisation et le suivi d'un projet-pilote dans le cadre des mesures de gestion alternatives pour la maladie du légionnaire, en exécution des articles 19 à 21 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 février 2007 relatif à la prévention de la maladie du légionnaire dans des espaces accessibles au public.
  § 3/8. Sont imputées à charge de ce Fonds, toutes sortes de dépenses réalisées par l'Agence des Soins et de la Santé, dans la mesure où ces dépenses sont liées à l'établissement d'un réseau de surveillance de l'exposition mesurée dans l'homme ou de surveillance des effets des facteurs physiques et chimiques sur la population, dans le but de pouvoir prendre des mesures visant à protéger la santé publique. ".
Afdeling 4. - Opheffing wettelijke bepaling tweede pensioenpijler
Section 4. - Abrogation de la disposition légale relative au deuxième pilier de pension
Art. 34. Artikel 55 van de programmawet van 20 juli 2006, gewijzigd bij de wetten van 27 december 2006, 22 december 2008, 29 december 2010, 10 april 2014, 18 maart 2016 en 25 december 2017, wordt opgeheven.
Art. 34. L'article 55 de la loi-programme du 20 juillet 2006, modifié par les lois des 27 décembre 2006, 22 décembre 2008, 29 décembre 2010, 10 avril 2014, 18 mars 2016 et 25 décembre 2017, est abrogé.
Afdeling 5. - Overeenkomsten tussen het Comité van de verzekering voor Genees-kundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid
Section 5. - Conventions entre le Comité de l'assurance soins de santé, institué auprès du Service des soins de santé de l'INAMI, et l'Agence des Soins et de la Santé
Art. 35. In artikel 2 van het decreet van 7 juli 1998 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 1998, vervangen bij het decreet van 19 december 2003 en gewijzigd bij het decreet van 8 juli 2011, 21 december 2012, 19 december 2014, 18 december 2015 en 8 juli 2016, worden volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 wordt de zinsnede "en voor de uitvoering van de overeenkomst (1 juli 2017 - 31 december 2018) van 27 januari 2017 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid," vervangen door de zinsnede ", voor de uitvoering van het avenant van 1 oktober 2018 bij de overeenkomst (1 juli 2017 - 31 december 2019) van 27 januari 2017 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid en voor de uitvoering van de overeenkomst (1 januari 2018 - 31 december 2020) van 1 oktober 2018 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid;";
  2° er wordt een paragraaf 2/7 ingevoegd, die luidt als volgt:
  " § 2/7. Het Fonds wordt gespijsd met middelen die in uitvoering van het avenant van 1 oktober 2018 bij de overeenkomst (1 juli 2017 - 31 december 2019) van 27 januari 2017 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid worden uitbetaald.";
  3° er wordt een paragraaf 2/8 ingevoegd, die luidt als volgt:
  " § 2/8. Het Fonds wordt gespijsd met middelen die in de uitvoering van de overeenkomst (1 januari 2018 - 31 december 2020) van 1 oktober 2018 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid worden uitbetaald.";
  4° er wordt een paragraaf 3/7 ingevoegd, die luidt als volgt:
  " § 3/7. Ten laste van dit Fonds worden alle soorten uitgaven die gedaan worden door het Agentschap Zorg en Gezondheid aangerekend, voor zover die uitgaven verband houden met de uitvoering van het avenant van 1 oktober 2018 bij de overeenkomst (1 juli 2017 - 31 december 2019) van 27 januari 2017 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid.";
  5° er wordt een paragraaf 3/8 ingevoegd, die luidt als volgt:
  " § 3/8. Ten laste van dit Fonds worden alle soorten uitgaven die gedaan worden door het Agentschap Zorg en Gezondheid aangerekend, voor zover die uitgaven verband houden met de uitvoering van de overeenkomst (1 januari 2018 - 31 december 2020) van 1 oktober 2018 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid.".
Art. 35. A l'article 2 du décret du 7 juillet 1998 contenant diverses mesures d'accompagnement de l'ajustement du budget 1998, remplacé par le décret du 19 décembre 2003 et modifié par les décrets des 8 juillet 2011, 21 décembre 2012, 19 décembre 2014, 18 décembre 2015 et 8 juillet 2016, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, le membre de phrase " et pour l'exécution de la convention (1 juillet 2017 - 31 décembre 2018) du 27 janvier 2017 entre le Comité de l'assurance soins de santé, institué auprès du Service des soins de santé de l'INAMI, et l'Agence des Soins et de la Santé, " est remplacé par le membre de phrase " , pour l'exécution de l'avenant du 1er octobre 2018 à la convention (1 juillet 2017 - 31 décembre 2018) du 27 janvier 2017 entre le Comité de l'assurance soins de santé, institué auprès du Service des soins de santé de l'INAMI, et l'Agence des Soins et de la Santé, et pour l'exécution de la convention (1er janvier 2018 - 31 décembre 2020) du 1er octobre entre le Comité de l'assurance soins de santé, institué auprès du Service des soins de santé de l'INAMI, et l'Agence des Soins et de la Santé ; " ;
  2° il est inséré un paragraphe 2/7, rédigé comme suit :
  " § 2/7. Le Fonds est alimenté par des moyens payés en exécution de l'avenant du 1er octobre 2018 à la convention (1er juillet 2017 - 31 décembre 2019) du 27 janvier 2017 entre le Comité de l'assurance soins de santé, institué auprès du Service des soins de santé de l'INAMI, et l'Agence des Soins et de la Santé. " ;
  3° il est inséré un paragraphe 2/8, rédigé comme suit :
  " § 2/8. Le Fonds est alimenté par des moyens payés en exécution de la convention (1er janvier 2018 - 31 décembre 2020) du 1er octobre 2018 entre le Comité de l'assurance soins de santé, institué auprès du Service des soins de santé de l'INAMI, et l'Agence des Soins et de la Santé. " ;
  4° il est inséré un paragraphe 3/7, rédigé comme suit :
  " § 3/7. Sont imputées à charge de ce Fonds, toutes sortes de dépenses réalisées par l'Agence des Soins et de la Santé, dans la mesure où ces dépenses sont liées à l'exécution de l'avenant du 1er octobre 2018 à la convention (1er juillet 2017 - 31 décembre 2019) du 27 janvier 2017 entre le Comité de l'assurance soins de santé, institué auprès du Service des soins de santé de l'INAMI, et l'Agence des Soins et de la Santé. " ;
  5° il est inséré un paragraphe 3/8, rédigé comme suit :
  " § 3/8. Sont imputées à charge de ce Fonds, toutes sortes de dépenses réalisées par l'Agence des Soins et de la Santé, dans la mesure où ces dépenses sont liées à l'exécution de la convention (1er janvier 2018 - 31 décembre 2020) du 1er octobre 2018 entre le Comité de l'assurance soins de santé, institué auprès du Service des soins de santé de l'INAMI, et l'Agence des Soins et de la Santé. ".
HOOFDSTUK 11. - Landbouw en Visserij
CHAPITRE 11. - Agriculture et Pêche
Afdeling 1. - Landbouwrampenfonds - uitsluiten teelt- en oogstschade
Section 1re. - Fonds des calamités agricoles - exclusion des dégâts causés aux cultures et ou récoltes
Art. 36. Voor de landbouwrampen erkend vanaf [1 31 december 2019]1, zijn teelten en oogsten geen vergoedbare goederen meer in het kader van de wet van 12 juli 1976 betreffende het herstel van zekere schade veroorzaakt aan private goederen door natuurrampen.
  
Art. 36. Pour les calamités agricoles reconnues à partir du [1 31 décembre 2019]1, les cultures et récoltes ne sont plus de biens indemnisables dans le cadre de la loi du 12 juillet 1976 relative à la réparation de certains dommages causés à des biens privés par des calamités naturelles.
  
HOOFDSTUK 12. - Onderwijs en Vorming
CHAPITRE 12. - Enseignement et Formation
Afdeling 1. - Uitbreiding tijdelijk onderwijs aan huis (TOAH) naar kleuters vanaf 2,5 jaar
Section 1re. - Extension de l'enseignement temporaire en milieu familial (TOAH) aux jeunes enfants à partir de 2,5 ans
Art. 37. In artikel 34 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, het laatst gewijzigd bij de codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016, worden paragraaf 1 en 2 vervangen door wat volgt:
  " § 1. Leerlingen voor wie het door ziekte of ongeval tijdelijk onmogelijk is om onderwijs te volgen in hun school, hebben, onder de voorwaarden door de regering bepaald, recht op tijdelijk onderwijs aan huis.
  Leerlingen die vijf jaar of ouder geworden zijn vóór 1 januari van het lopende schooljaar voor wie het door ziekte of ongeval tijdelijk onmogelijk is om onderwijs te volgen in hun school, hebben, onder de voorwaarden door de regering bepaald, recht op synchroon internetonderwijs.
  Het recht op tijdelijk onderwijs aan huis en het recht op synchroon internetonderwijs kan gecombineerd worden.
  § 2. Het schoolbestuur is verplicht om de ouders van leerlingen die ervoor in aanmerking komen te informeren over het recht op, de mogelijkheden van en de modaliteiten van het tijdelijk onderwijs aan huis en van synchroon internetonderwijs.".
Art. 37. Dans l'article 34 du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental, modifié en dernier lieu par la codification de certaines dispositions relatives à l'enseignement du 28 octobre 2016, les paragraphes 1 et 2 sont remplacés par ce qui suit :
  " § 1er. Les élèves qui sont temporairement dans l'impossibilité de suivre l'enseignement dans leur école pour cause de maladie ou d'accident, ont droit à suivre temporairement un enseignement en milieu familial, aux conditions fixées par le Gouvernement.
  Les élèves ayant cinq ans au moins avant le 1er janvier de l'année scolaire en cours qui sont temporairement dans l'impossibilité de suivre l'enseignement dans leur école pour cause de maladie ou d'accident, ont droit à l'enseignement synchrone via internet, aux conditions fixées par le Gouvernement.
  Le droit à l'enseignement temporaire en milieu familial et le droit à l'enseignement synchrone via internet peuvent être combinés.
  § 2. L'autorité scolaire est tenue d'informer les parents des élèves qui entrent en ligne de compte, du droit à, des possibilités et des modalités de l'enseignement temporaire en milieu familial et de l'enseignement synchrone via internet. ".
Afdeling 2. - Eenmalig werkingsbudget voor het kleuteronderwijs
Section 2. - Budget de fonctionnement unique pour l'enseignement maternel
Art. 38. Aan artikel 87bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 22 december 2017, worden volgende wijzigingen aangebracht:
  1° er wordt een paragraaf 3 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 3. Voor het begrotingsjaar 2019 wordt een extra werkingsbudget van 10.000.000 euro toegekend aan de scholen van het gewoon en buitengewoon basisonderwijs, voor het schooljaar 2018-2019. Deze middelen kunnen ook aangewend worden tijdens het schooljaar 2019-2020.
  Het extra werkingsbudget per school is het resultaat van de vermenigvuldiging van het aantal kleuters in de school op 1 februari 2018, met de G_Kl, waarbij:
  G_Kl = het extra werkingsbudget vermeld in het eerste lid, gedeeld door het totaal aantal kleuters in het gewoon en buitengewoon basisonderwijs op 1 februari 2018.
  Het extra werkingsbudget wordt aan de schoolbesturen uitbetaald uiterlijk op 31 maart 2019.";
  2° er wordt een paragraaf 4 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 4. Voor het begrotingsjaar 2019 wordt een extra werkingsbudget van 397.607 euro toegekend aan het gewoon en buitengewoon basisonderwijs, voor het schooljaar 2018-2019. Deze middelen kunnen ook aangewend worden tijdens het schooljaar 2019-2020.
  Het extra werkingsbudget per school is het resultaat van de vermenigvuldiging van het aantal kleuters in de school op 1 februari 2018, met de G_Kl, waarbij:
  G_Kl = het extra werkingsbudget, vermeld in het eerste lid, gedeeld door het totaal aantal kleuters in het gewoon en buitengewoon basisonderwijs op 1 februari 2018.
  Het extra werkingsbudget wordt aan de schoolbesturen uitbetaald uiterlijk op 31 maart 2019.".
Art. 38. A l'article 87bis du même décret, inséré par le décret du 22 décembre 2017, les modifications suivantes sont apportées :
  1° il est ajouté un paragraphe 3, rédigé comme suit :
  " § 3. En ce qui concerne l'année budgétaire 2019, un budget de fonctionnement supplémentaire de 10.000.000 euros est attribué aux écoles de l'enseignement fondamental ordinaire et spécial pour l'année scolaire 2018-2019. Ces moyens peuvent également être affectés pendant l'année scolaire 2019-2020.
  Le budget de fonctionnement supplémentaire par école est le résultat de la multiplication du nombre de jeunes enfants dans l'école au 1er février 2018 par G_Kl, où :
  G_Kl = le budget de fonctionnement supplémentaire, visé à l'alinéa 1er, divisé par le nombre total de jeunes enfants dans l'enseignement fondamental ordinaire et spécial au 1er février 2018.
  Le budget de fonctionnement supplémentaire est payé aux autorités scolaires au plus tard le 31 mars 2019. " ;
  2° il est ajouté un paragraphe 4, rédigé comme suit :
  " § 4. En ce qui concerne l'année budgétaire 2019, un budget de fonctionnement supplémentaire de 397.607 euros est attribué à l'enseignement fondamental ordinaire et spécial pour l'année scolaire 2018-2019. Ces moyens peuvent également être affectés pendant l'année scolaire 2019-2020.
  Le budget de fonctionnement supplémentaire par école est le résultat de la multiplication du nombre de jeunes enfants dans l'école au 1er février 2018 par G_Kl, où :
  G_Kl = le budget de fonctionnement supplémentaire, visé à l'alinéa 1er, divisé par le nombre total de jeunes enfants dans l'enseignement fondamental ordinaire et spécial au 1er février 2018.
  Le budget de fonctionnement supplémentaire est payé aux autorités scolaires au plus tard le 31 mars 2019. ".
Afdeling 3. - Aanpassing budget lerarenplatform basisonderwijs
Section 3. - Adaptation du budget de la Plate-forme des enseignants - enseignement fondamental
Art. 39. In hoofdstuk IX, afdeling 3quater, van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 6 juli 2018, wordt een artikel 153duodevicies/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 153duodevicies/1. In afwijking van artikel 153 septies decies wordt het aantal beschikbare voltijdse equivalenten dat niet werd ingevuld omdat niet alle scholen deelnemen aan het lerarenplatform, verdeeld over de deelnemende samenwerkingsplatformen.
  Het volume van deze lestijden per deelnemend samenwerkingsplatform wordt berekend naar rato van het aandeel van de lestijden van het vorige schooljaar van de scholen van het betreffende samenwerkingsplatform ten opzichte van het totaal aantal lestijden van het vorige schooljaar van alle deelnemende scholen samen, waarbij onder het totale aantal lestijden wordt verstaan de som van het totale aantal:
  1° lestijden volgens de schalen;
  2° SES-lestijden;
  3° additionele lestijden volgens de schalen gebaseerd op de leerling-leerkracht-ratio;
  4° aanvullende lestijden voor het voeren van een gelijkekansenbeleid in het buitengewoon basisonderwijs;
  5° aanvullende lestijden godsdienst, niet-confessionele zedenleer en cultuur-beschouwing.".
Art. 39. Dans le chapitre IX, section 3quater, du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 6 juillet 2018, il est inséré un article 153duodevicies/1, rédigé comme suit :
  " Art. 153duodevicies/1. Par dérogation à l'article 153septies decies, le nombre d'équivalents à temps plein disponibles qui n'a pas été rempli parce que toutes les écoles ne participent pas à la plate-forme des enseignants, est réparti entre les plate-formes de coopération participantes.
  Le volume de ces périodes de cours par plate-forme participante est calculé au prorata de la part des périodes de cours de l'année scolaire précédente des écoles de la plate-forme de coopération concernée par rapport au nombre total de périodes de cours de l'année scolaire précédente de l'ensemble des écoles participantes, le nombre total de périodes de cours étant la somme du nombre total :
  1° des périodes de cours selon les échelles ;
  2° des périodes SES ;
  3° des périodes de cours additionnelles selon les échelles sur la base du ratio entre l'élève et l'enseignant ;
  4° des périodes de cours complémentaires destinées à la conduite d'une politique d'égalité des chances dans l'enseignement fondamental spécial ;
  5° des périodes de cours complémentaires de religion, de morale non confessionnelle et de considération de la culture. ".
Afdeling 4. - Eenmalig werkingsbudget voor werkdrukverlaging in het basisonderwijs
Section 4. - Budget de fonctionnement unique pour la réduction de la charge de travail dans l'enseignement fondamental
Art. 40. Aan hoofdstuk XI van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 6 juli 2018, wordt een artikel 172septies toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 172septies. § 1. Voor het begrotingsjaar 2019 wordt een extra werkingsbudget van 10.000.000 euro toegekend aan de scholen van het gewoon en buitengewoon basisonderwijs, voor het schooljaar 2018-2019. Deze middelen kunnen ook aangewend worden tijdens het schooljaar 2019-2020.
  Dit werkingsbudget moet worden aangewend om in het basisonderwijs de leerkracht in de klas te ondersteunen. Het werkingsbudget moet aangewend worden volgens de bepalingen van artikel 154, § 2. De criteria met betrekking tot de aanwending van het werkingsbudget in de school moeten onderhandeld worden in het bevoegde lokaal comité. Als de school deel uitmaakt van een scholengemeenschap, maakt de scholengemeenschap afspraken over de aanwending van de middelen.
  § 2. Het extra werkingsbudget waarop de school recht heeft, is A*B, waarbij:
  1° A: het werkingsbudget, vermeld in paragraaf 1, gedeeld door het totale aantal lestijden in het basisonderwijs van het vorige schooljaar van alle scholen samen, waarbij onder het totale aantal lestijden in het basisonderwijs wordt verstaan de som van het totale aantal:
  a) lestijden volgens de schalen;
  b) SES-lestijden;
  c) additionele lestijden volgens de schalen die gebaseerd zijn op de leerling-leerkrachtratio;
  d) aanvullende lestijden godsdienst, niet-confessionele zedenleer en cultuur-beschouwing;
  e) aanvullende lestijden voor het voeren van een gelijkekansenbeleid in het buitengewoon basisonderwijs;
  2° B: het totale aantal lestijden van de school van het vorige schooljaar, waarbij onder het totale aantal lestijden van de school wordt verstaan de som van de:
  a) lestijden volgens de schalen;
  b) SES-lestijden;
  c) additionele lestijden volgens de schalen die gebaseerd zijn op de leerling-leerkrachtratio;
  d) aanvullende lestijden godsdienst, niet-confessionele zedenleer en cultuur-beschouwing;
  e) aanvullende lestijden voor het voeren van een gelijkekansenbeleid in het buitengewoon basisonderwijs.
  § 3. Het extra werkingsbudget wordt aan de schoolbesturen uitbetaald uiterlijk op 31 maart 2019.".
Art. 40. Le chapitre XI du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 6 juillet 2018, est complété par un article 172septies, rédigé comme suit :
  " Art. 172septies. § 1er. En ce qui concerne l'année budgétaire 2019, un budget de fonctionnement supplémentaire de 10.000.000 euros est attribué aux écoles de l'enseignement fondamental ordinaire et spécial pour l'année scolaire 2018-2019. Ces moyens peuvent également être affectés pendant l'année scolaire 2019-2020.
  Ce budget de fonctionnement doit être utilisé à l'appui de l'enseignant de l'enseignement fondamental dans la classe. Le budget de fonctionnement doit être affecté selon les dispositions de l'article 154, § 2. Les critères d'utilisation du budget de fonctionnement de l'école doivent être négociés au sein du comité local compétent. Si l'école fait partie d'un centre d'enseignement, ce centre prend des engagements quant à l'utilisation des moyens.
  § 2. Le budget de fonctionnement supplémentaire auquel l'école a droit, est A*B, où :
  1° A : le budget de fonctionnement, visé au paragraphe 1er, partagé par le nombre total de périodes de cours dans l'enseignement fondamental de l'année scolaire précédente de l'ensemble des écoles, le nombre total de périodes de cours dans l'enseignement fondamental étant la somme du nombre total des :
  a) périodes de cours selon les échelles ;
  b) périodes SES ;
  c) périodes de cours additionnelles selon les échelles sur la base du ratio entre l'élève et l'enseignant ;
  d) périodes de cours complémentaires de religion, de morale non confessionnelle et de considération de la culture ;
  e) périodes de cours complémentaires destinées à la conduite d'une politique d'égalité des chances dans l'enseignement fondamental spécial ;
  2° B : le nombre total de période de cours de l'école de l'année scolaire précédente, le nombre total de période de cours de l'école étant la somme des :
  a) périodes de cours selon les échelles ;
  b) périodes SES ;
  c) périodes de cours additionnelles selon les échelles sur la base du ratio entre l'élève et l'enseignant ;
  d) périodes de cours complémentaires de religion, de morale non confessionnelle et de considération de la culture ;
  e) périodes de cours complémentaires destinées à la conduite d'une politique d'égalité des chances dans l'enseignement fondamental spécial ;
  § 3. Le budget de fonctionnement supplémentaire est payé aux autorités scolaires au plus tard le 31 mars 2019. ".
Afdeling 5. - Schrappen voorwaarde dat een school voor buitengewoon secundair onderwijs opleidingsvorm 4 type 5 enkel bij een universitair ziekenhuis kan worden opgericht
Section 5. - Suppression de la condition qu'une école d'enseignement secondaire spécial de la forme d'enseignement 4, type 5, ne peut être établie qu'auprès d'un hôpital universitaire
Art. 41. In artikel 3, punt 47° /1, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, ingevoegd bij het decreet van 21 maart 2014, wordt het woord "universitair" opgeheven.
Art. 41. Dans l'article 3, point 47° /1 du code de l'Enseignement secondaire du 17 décembre 2010, inséré par le décret du 21 mars 2014, le mot " universitaire " est abrogé.
Art. 42. In artikel 253 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 21 maart 2014, wordt het woord "universitair" opgeheven.
Art. 42. Dans l'article 253 du même code, modifié par le décret du 21 mars 2014, le mot " universitaire " est abrogé.
Art. 43. In artikel 259, § 1, 5° , van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 21 maart 2014, wordt het woord "universitair" opgeheven.
Art. 43. Dans l'article 259, § 1er, 5° , du même code, inséré par le décret du 21 mars 2014, le mot " universitaire " est abrogé.
Art. 44. In artikel 295, tweede lid, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 21 maart 2014, wordt het woord "universitair" opgeheven.
Art. 44. Dans l'article 295, alinéa 2, du même code, modifié par le décret du 21 mars 2014, le mot " universitaire " est abrogé.
Art. 45. In artikel 350/1, § 1, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 21 maart 2014, wordt het woord "universitair" opgeheven.
Art. 45. Dans l'article 350/1, § 1er, du même code, inséré par le décret du 21 mars 2014, le mot " universitaire " est abrogé.
Afdeling 6. - Aanpassing budget lerarenplatform secundair onderwijs
Section 6. - Adaptation du budget de la plate-forme des enseignants - enseignement secondaire
Art. 46. In artikel 22/6 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 6 juli 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het getal "148.422" wordt vervangen door het getal "156.917";
  2° het getal "350" wordt vervangen door het getal "369,87".
Art. 46. A l'article 22/6 du même code, inséré par le décret du 6 juillet 2018, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le nombre " 148.422 " est remplacé par le nombre " 156.917 " ;
  2° le nombre " 350 " est remplacé par le nombre " 369,87 ".
Afdeling 7. - Cao V Hoger Onderwijs
Section 7. - CCT V Enseignement supérieur
Art. 47. Aan artikel III.24 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, gewijzigd bij de decreten van 19 december 2014, 23 december 2016 en 15 juni 2018, wordt een paragraaf 8, 9 en 10 toegevoegd, die luiden als volgt:
  " § 8. Vanaf het begrotingsjaar 2019 worden de totale werkingsmiddelen van de universiteiten met 2.508.061 euro vermeerderd. Dit bedrag wordt verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke universiteit in de totale werkingsmiddelen.
  Vanaf het begrotingsjaar 2019 worden de totale werkingsmiddelen van de hogescholen (inclusief de Hogere Zeevaartschool) met 1.747.939 euro vermeerderd. Dit bedrag wordt verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke hogeschool in de totale werkingsmiddelen.
  De bedragen, vermeld in het eerste en het tweede lid, worden vanaf het begrotingsjaar 2020 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9.
  § 9. Vanaf het begrotingsjaar 2020 worden de totale werkingsmiddelen van de hoge-scholen (inclusief de Hogere Zeevaartschool) met 4.390.165 euro vermeerderd. Dit bedrag wordt verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke hogeschool in de totale werkingsmiddelen.
  Het bedrag, vermeld in het eerste lid, wordt vanaf het begrotingsjaar 2021 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9.
  § 10. Vanaf het begrotingsjaar 2021 worden de totale werkingsmiddelen van de hogescholen (inclusief de Hogere Zeevaartschool) met 5.092.455 euro vermeerderd. Dit bedrag wordt verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke hogeschool in de totale werkingsmiddelen.
  Vanaf het begrotingsjaar 2021 worden de totale werkingsmiddelen van de universiteiten met 7.119.565 euro vermeerderd. Dit bedrag wordt verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke universiteit in de totale werkingsmiddelen.
  De bedragen, vermeld in het eerste en het tweede lid, worden vanaf het begrotingsjaar 2022 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9.".
Art. 47. L'article III.24 du Code de l'Enseignement supérieur du 11 octobre 2013, modifié par les décrets des 19 décembre 2014, 23 décembre 2016 et 15 juin 2018, est complété par les paragraphes 8, 9 et 10, rédigés comme suit :
  " § 8. A partir de l'année budgétaire 2019, les moyens de fonctionnement totaux des universités sont majorés de 2.508.061 euros. Ce montant est réparti sur la base de la part en pourcentage de chaque université dans les moyens de fonctionnement totaux.
  A partir de l'année budgétaire 2019, les moyens de fonctionnement totaux des instituts supérieurs (y compris l'Ecole supérieure de Navigation) sont majorées de 1.747.939 euros. Ce montant est réparti sur la base de la part en pourcentage de chaque institut supérieur dans les moyens de fonctionnement totaux.
  A partir de l'année budgétaire 2020, les montants visés aux alinéas 1er et 2, sont indexés à l'aide de la formule d'indexation, visée à l'article III.5, § 9.
  § 9. A partir de l'année budgétaire 2020, les moyens de fonctionnement totaux des instituts supérieurs (y compris l'Ecole supérieure de Navigation) sont majorées de 4.390.165 euros. Ce montant est réparti sur la base de la part en pourcentage de chaque institut supérieur dans les moyens de fonctionnement totaux.
  A partir de l'année budgétaire 2021, le montant visé à l'alinéa 1er, est indexé à l'aide de la formule d'indexation, visée à l'article III.5, § 9.
  § 10. A partir de l'année budgétaire 2021, les moyens de fonctionnement totaux des instituts supérieurs (y compris l'Ecole supérieure de Navigation) sont majorées de 5.092.455 euros. Ce montant est réparti sur la base de la part en pourcentage de chaque institut supérieur dans les moyens de fonctionnement totaux.
  A partir de l'année budgétaire 2021, les moyens de fonctionnement totaux des universités sont majorés de 7.119.565 euros. Ce montant est réparti sur la base de la part en pourcentage de chaque université dans les moyens de fonctionnement totaux.
  A partir de l'année budgétaire 2022, les montants visés aux alinéas 1er et 2, sont indexés à l'aide de la formule d'indexation, visée à l'article III.5, § 9. ".
Afdeling 8. - Inkanteling hbo5/SLO-opleidingen volwassenenonderwijs
Section 8. - Intégration des formations hbo5/SLO dans l'éducation des adultes
Art. 48. Aan artikel III.33/1 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 4 mei 2018, wordt een paragraaf 5 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 5. De Vlaamse Regering kan binnen de beschikbare budgetten de middelen bestemd voor de specifieke lerarenopleiding die vanaf het schooljaar 2019-2020 niet meer aangewend dienen te worden binnen het volwassenenonderwijs, overdragen van de loonkredieten volwassenenonderwijs naar de werkingstoelagen van de hogescholen of universiteiten die lerarenopleidingen aanbieden. De Vlaamse Regering bepaalt hiervoor het toewijzingsmechanisme.".
Art. 48. L'article III.33/1 du même code, inséré par le décret du 4 mai 2018, est complété par un § 5, rédigé comme suit :
  " § 5. Dans les limites des budgets disponibles, le Gouvernement flamand peut transférer les moyens destinés à la formation spécifique des enseignants, qui ne doivent plus être affectés au sein de l'éducation des adultes à partir de l'année scolaire 2019-2020, des crédits de traitement de l'éducation des adultes aux allocations de fonctionnement des instituts supérieurs ou des universités proposant des formations des enseignants. Le Gouvernement flamand définit le mécanisme d'attribution à cet effet. ".
Afdeling 9. - Bijkomende financiering voor de uitbreiding van de studieomvang van de bacheloropleiding Verpleegkunde
Section 9. - Financement supplémentaire pour l'extension du volume des études de la formation de bachelor en art infirmier
Art. 49. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 6 juli 2018, wordt een artikel III.40/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. III.40/1. § 1. De hogescholen die de professioneel gerichte bacheloropleiding `bachelor in de Verpleegkunde' aanbieden, ontvangen in het begrotingsjaar 2019 een bedrag van 2,850 miljoen euro voor de uitbreiding van de studieomvang van deze opleiding van 180 naar 240 studiepunten. Vanaf het begrotingsjaar 2020 wordt dit bedrag verhoogd tot 11,420 miljoen euro.
  Dit bedrag wordt vanaf het begrotingsjaar 2021 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9.
  § 2. Het bedrag, vermeld in paragraaf 1, wordt verdeeld over de hogescholen die de professioneel gerichte bacheloropleiding `bachelor in de Verpleegkunde' aanbieden op basis van het aantal financieringspunten diploma's in deze opleiding berekend op basis van de volgende academiejaren:
  1° voor het begrotingsjaar 2019: op basis van het aantal financieringspunten diploma's in deze opleiding in de academiejaren 2012-2013, 2013-2014, 2014-2015, 2015-2016 en 2016-2017;
  2° voor het begrotingsjaar 2020: op basis van het aantal financieringspunten diploma's in deze opleiding in de academiejaren 2013-2014, 2014-2015, 2015-2016, 2016-2017 en 2017-2018;
  3° voor het begrotingsjaar 2021: op basis van het aantal financieringspunten diploma's in deze opleiding in de academiejaren 2013-2014, 2014-2015, 2015-2016, 2016-2017 en 2017-2018;
  4° voor het begrotingsjaar 2022: op basis van het aantal financieringspunten diploma's in deze opleiding in de academiejaren 2015-2016, 2016-2017, 2017-2018 en 2019-2020;
  5° voor het begrotingsjaar 2023: op basis van het aantal financieringspunten diploma's in deze opleiding in de academiejaren 2016-2017, 2017-2018, 2019-2020 en 2020-2021;
  6° voor het begrotingsjaar 2024: op basis van het aantal financieringspunten diploma's in deze opleiding in de academiejaren 2017-2018, 2019-2020, 2020-2021 en 2021-2022;
  7° voor het begrotingsjaar 2025: op basis van het aantal financieringspunten diploma's in deze opleiding in de academiejaren 2019-2020, 2020-2021, 2021-2022 en 2022-2023.
  § 3. Vanaf het begrotingsjaar 2022 worden de middelen, berekend overeenkomstig paragraaf 1, jaarlijks met 1/5 afgebouwd. De vrijgekomen middelen worden toegevoegd aan het variabel onderwijsdeel voor de professioneel gerichte bachelor-opleidingen VOWprof2014, vermeld in artikel III.5.".
Art. 49. Dans le même code, modifié en dernier lieu par le décret du 6 juillet 2018, il est inséré un article III.40/1, rédigé comme suit :
  " Art. III.40/1. § 1er. Les instituts supérieurs proposant la formation professionnelle de bachelor " Bachelor in de verpleegkunde ", reçoivent dans l'année budgétaire 2019 un montant de 2,850 millions d'euros pour l'extension du volume des études de cette formation de 180 à 240 unités d'études. A partir de l'année budgétaire 2020, ce montant est majoré à 11,420 millions d'euros.
  A partir de l'année budgétaire 2021, ce montant est indexé à l'aide de la formule d'indexation visée à l'article III.5, § 9.
  § 2. Le montant visé au paragraphe 1er est réparti entre les instituts supérieurs proposant la formation professionnelle de bachelor " Bachelor in de verpleegkunde ", sur la base du nombre d'unités de financement dans cette formation, calculé sur la base des années académiques suivantes :
  1° pour l'année budgétaire 2019 : sur la base du nombre d'unités de financement diplômes dans cette formation pendant les années académiques 2012-2013, 2013-2014, 2014-2015, 2015-2016 et 2016-2017 ;
  2° pour l'année budgétaire 2020 : sur la base du nombre d'unités de financement diplômes dans cette formation pendant les années académiques 2013-2014, 2014-2015, 2015-2016, 2016-2017 et 2017-2018 ;
  3° pour l'année budgétaire 2021 : sur la base du nombre d'unités de financement diplômes dans cette formation pendant les années académiques 2013-2014, 2014-2015, 2015-2016, 2016-2017 et 2017-2018 ;
  4° pour l'année budgétaire 2022 : sur la base du nombre d'unités de financement diplômes dans cette formation pendant les années académiques 2015-2016, 2016-2017, 2017-2018 et 2019-2020 ;
  5° pour l'année budgétaire 2023 : sur la base du nombre d'unités de financement diplômes dans cette formation pendant les années académiques 2016-2017, 2017-2018, 2019-2020 et 2020-2021 ;
  6° pour l'année budgétaire 2024 : sur la base du nombre d'unités de financement diplômes dans cette formation pendant les années académiques 2017-2018, 2019-2020, 2020-2021 et 2021-2022 ;
  7° pour l'année budgétaire 2025 : sur la base du nombre d'unités de financement diplômes dans cette formation pendant les années académiques 2019-2020, 2020-2021, 2021-2022 et 2022-2023.
  § 3. A partir de l'année budgétaire 2022, les moyens calculés conformément au paragraphe 1er, sont réduits annuellement de 1/5. Les moyens libérés sont ajoutés au volet variable d'enseignement pour les formations professionnelles de bachelor VOWprof2014, visées à l'article III.5. ".
Afdeling 10. - Subsidie KU Leuven voor de optie `Islamitische theologie en godsdienstwetenschappen'
Section 10. - Subvention KU Leuven pour l'option " théologie islamique et sciences religieuses "
Art. 50. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 6 juli 2018, wordt een artikel III.40/2 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. III.40/2. Vanaf het begrotingsjaar 2019 ontvangt de Katholieke Universiteit Leuven jaarlijks een bedrag van 158.000 euro als financiering van de optie `Islamitische theologie en godsdienstwetenschappen' binnen de Master of Arts in de wereldreligies.
  De subsidie, vermeld in het eerste lid, geldt als bijdrage in de personeels- en werkingskosten die worden gemaakt in het kader van de uitbouw van de optie `Islamitische theologie en godsdienstwetenschappen' binnen de Master of Arts in de wereldreligies.
  De Katholieke Universiteit Leuven bezorgt jaarlijks tegen 15 januari aan de bevoegde dienst van de Vlaamse overheid een activiteitenverslag van de periode waarop de subsidie betrekking heeft en een gedetailleerde verantwoording van de kosten.".
Art. 50. Dans le même code, modifié en dernier lieu par le décret du 6 juillet 2018, il est inséré un article III.40/2, rédigé comme suit :
  " Art. III.40/2. A partir de l'année budgétaire 2019, la Katholieke Universiteit Leuven reçoit annuellement un montant de 158.000 euros à titre de financement de l'option " Théologie islamique et sciences religieuses " au sein du " Master of Arts in de wereldreligies ".
  La subvention visée à l'alinéa 1er vaut comme contribution dans les frais de personnel et de fonctionnement qui sont exposés dans le cadre de l'élaboration de l'option " Théologie islamique et sciences religieuses " au sein du " Master of Arts in de wereldreligies ".
  La Katholieke Universiteit Leuven transmet annuellement avant le 15 janvier au service compétent de l'Autorité flamande un rapport d'activités de la période sur laquelle porte la subvention, ainsi qu'une justification détaillée des frais. ".
Afdeling 11. - Inkanteling HBO5/SLO-opleidingen beroepsonderwijs
Section 11. - Intégration des formations HBO5/SLO dans l'enseignement professionnel
Art. 51. Aan artikel III.42/1 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 4 mei 2018, wordt een paragraaf 5 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 5. De Vlaamse Regering kan binnen de beschikbare budgetten de middelen bestemd voor het hoger beroepsonderwijs die vanaf het schooljaar 2019-2020 niet meer aangewend dienen te worden binnen het volwassenenonderwijs, overdragen van de loonkredieten volwassenenonderwijs naar de werkingstoelagen van de hogescholen die graduaatsopleidingen aanbieden. De Vlaamse Regering bepaalt hiervoor het toewijzingsmechanisme.".
Art. 51. L'article III.42/1 du même code, inséré par le décret du 4 mai 2018, est complété par un § 5, rédigé comme suit :
  " § 5. Dans les limites des budgets disponibles, le Gouvernement flamand peut transférer les moyens destinés à l'enseignement supérieur professionnel qui ne doivent plus être affectés au sein de l'éducation des adultes à partir de l'année scolaire 2019-2020, des crédits de traitement de l'éducation des adultes aux allocations de fonctionnement des instituts supérieurs proposant des formations de graduat. Le Gouvernement flamand définit le mécanisme d'attribution à cet effet. ".
Afdeling 12. - Bijkomende investeringsmiddelen hogescholen
Section 12. - Moyens d'investissement supplémentaires - instituts supérieurs
Art. 52. Aan artikel III.46 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, vervangen bij het decreet van 16 juni 2017, worden een paragraaf 7, een paragraaf 8 en een paragraaf 9 toegevoegd, die luiden als volgt:
  " § 7. Vanaf het begrotingsjaar 2019 wordt een investeringstoelage van 9.000.000 euro toegekend aan de hogescholen.
  De verdeling per hogeschool gebeurt op basis van het aantal unieke studenten die op 31 oktober van het academiejaar t-1/t in de desbetreffende hogeschool in een graduaatsopleiding zijn ingeschreven.
  Het bedrag, vermeld in het eerste lid, op prijsniveau 2019, wordt jaarlijks aangepast overeenkomstig paragraaf 5 van dit artikel.
  § 8. In afwijking van paragraaf 7 gebeurt de verdeling van het bedrag in paragraaf 7, eerste lid, voor het begrotingsjaar 2019 op basis van het bedrag dat elke hogeschool ontvangt volgens de bepalingen in paragraaf 1 van artikel III.42/1 van dit decreet.
  § 9. Vanaf het begrotingsjaar 2019 wordt een bedrag van 1.000.000 euro voor 60 % toegevoegd aan de enveloppe voor de gesubsidieerde vrije hogescholen en voor 40 % aan de enveloppe van de publiekrechtelijke hogescholen, vermeld in paragraaf 2, 2° , van dit artikel.
  Het bedrag, vermeld in het eerste lid, op prijsniveau 2019, wordt jaarlijks aangepast overeenkomstig paragraaf 5 van dit artikel.".
Art. 52. L'article III.46 du Code de l'Enseignement supérieur du 11 octobre 2013, remplacé par le décret du 16 juin 2017, est complété par les paragraphes 7, 8 et 9, rédigés comme suit :
  " § 7. " A partir de l'année budgétaire 2019, une allocation d'investissement de 9.000.000 euros est accordée aux instituts supérieurs.
  La répartition par institut supérieur se fait sur la base du nombre d'étudiants uniques qui se sont inscrits le 31 octobre de l'année académique t-1/t, à une formation de graduat dans l'institut supérieur concerné.
  Le montant visé à l'alinéa 1er, au niveau des prix 2019, est adapté annuellement conformément au paragraphe 5 du présent article.
  § 8. Par dérogation au paragraphe 7, la répartition du montant visé au paragraphe 7, alinéa 1er, se fait pour l'année budgétaire 2019 sur la base du montant que chaque institut supérieur reçoit selon les dispositions du paragraphe 1er de l'article III.42/1 du présent décret.
  § 9. A partir de l'année budgétaire 2019, un montant de 1.000.000 euros est ajouté pour 60 % à l'enveloppe des instituts supérieurs libres subventionnés, et pour 40 % à l'enveloppe des instituts supérieurs de droit public, visés au paragraphe 2, 2° , du présent article.
  Le montant visé à l'alinéa 1er, au niveau des prix 2019, est adapté annuellement conformément au paragraphe 5 du présent article. ".
Afdeling 13. - Bijkomende middelen wettelijke werkgeversbijdrage
Section 13. - Moyens supplémentaires cotisation patronale légale
Art. 53. Aan artikel III.58 van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 17 juni 2016, 23 december 2016 en 22 december 2017, wordt een paragraaf 7 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 7. Naast de bedragen, vermeld in paragraaf 1, 2, 5 en 6, ontvangen vanaf het begrotingsjaar 2019 de volgende universiteiten de hierna vermelde bijkomende uitkering, uitgedrukt in euro, als bijdrage in het dekken van de kosten, vermeld in paragraaf 1 en 2:
  a) Katholieke Universiteit Leuven 714.551,84
  b) Vrije Universiteit Brussel 236.277,78
  c) Universiteit Antwerpen 40.159,42
  d) Universiteit Hasselt 9.010,96.
  Vanaf het begrotingsjaar 2020 volgen deze bedragen de evolutie van de gezondheidsindex.".
Art. 53. L'article III.58 du même code, modifié par les décrets des 17 juin 2016, 23 décembre 2016 et 22 décembre 2017, est complété par un paragraphe 7, rédigé comme suit :
  " § 7. Outre les montants visés aux paragraphes 1er, 2, 5 et 6, à partir de l'année budgétaire 2019, les universités suivantes reçoivent l'allocation supplémentaire suivante, exprimée en euros, à titre d'intervention dans les frais visés aux paragraphes 1er et 2 :
  a) Katholieke Universiteit Leuven 714.551,84
  b) Vrije Universiteit Brussel236.277,78
  c) Universiteit Antwerpen40.159,42
  d) Universiteit Hasselt9.010,96.
  A partir de l'année budgétaire 2020, ces montants sont adaptés à l'évolution de l'indice santé. ".
Afdeling 14. - Toelage hogere instituten en andere instellingen voor Schone Kunsten
Section 14. - Allocation aux instituts supérieurs et à d'autres institutions des Beaux-Arts
Art. 54. In artikel III.119 van dezelfde codex, bekrachtigd bij het decreet van 20 december 2013, gewijzigd bij de decreten van 25 april 2014, 19 december 2014 en 6 juli 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° aan paragraaf 1 wordt een achtste lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Vanaf het begrotingsjaar 2019 wordt een bedrag van 400.000 euro toegevoegd aan de toelage vermeld in deze paragraaf.";
  2° in paragraaf 6 wordt de laatste zin vervangen door wat volgt: "Voor de berekening van de 2 % worden de bijkomende toelagen van 250.000 euro in 2015 en 2016, de bijkomende toelage van 400.000 euro vanaf 2018 en de bijkomende toelage van 400.000 euro vanaf 2019 niet in rekening gebracht.".
Art. 54. A l'article III.119 du même code, sanctionné par le décret du 20 décembre 2013, modifié par les décrets des 25 avril 2014, 19 décembre 2014 et 6 juillet 2018, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le paragraphe 1er est complété par un alinéa 8, rédigé comme suit :
  " A partir de l'année budgétaire 2019, un montant de 400.000 euros est ajouté à l'allocation visée au présent paragraphe. " ;
  2° dans le paragraphe 6, la dernière phrase est remplacée par ce qui suit : " Pour le calcul des 2 %, les allocations supplémentaires de 250.000 euros en 2015 et en 2016, et l'allocation supplémentaire de 400.000 euros à partir de 2018, et l'allocation supplémentaire de 400.000 euros à partir de 2019, ne sont pas portées en compte. ".
Afdeling 15. - Technische aanpassing regeling tot toekenning van een aanvullend pensioenbedrag aan de personeelsleden van de centra voor basiseducatie
Section 15. - Adaptation technique du règlement d'octroi d'un montant de pension complémentaire aux membres du personnel des centres d'éducation de base
Art. 55. In artikel 88, § 3, van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, toegevoegd bij het decreet van 6 juli 2018, wordt de zinsnede "de protocollen van akkoord nr. 78 en nr. 78BIS" vervangen door de zinsnede "het protocol van akkoord nr. 86".
Art. 55. Dans l'article 88, § 3, du décret du 15 juin 2007 relatif à l'éducation des adultes, ajouté par le décret du 6 juillet 2018, le membre de phrase " des protocoles d'accord n° s 78 et 78BIS " est remplacé par le membre de phrase " du protocole d'accord n° 86 ".
Afdeling 16. - Aanpassing berekening werkingstoelagen CBE en CVO
Section 16. - Adaptation du calcul des allocations de fonctionnement CBE et CVO
Art. 56. Artikel 89 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 4 juli 2008 en 16 maart 2018, wordt vervangen door wat volgt:
  "De centra voor basiseducatie ontvangen ten laste van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het schooljaar n-1/n een werkingstoelage per lesuurcursist, berekend op basis van het gemiddelde aantal gerealiseerde lesurencursist van de referteperiodes van 1 januari n-4 tot en met 31 december n-2. De Vlaamse Regering bepaalt de werkingstoelage per lesuurcursist.
  De werkingstoelage wordt betaald in twee schijven vanaf het begrotingsjaar 2020. De eerste schijf wordt betaald gedurende het eerste trimester van het begrotingsjaar. De eerste schijf bedraagt 50 percent van het totale bedrag waarop het centrum voor het schooljaar n-1/n recht heeft. Het resterende saldo wordt uitbetaald tijdens het tweede semester van het begrotingsjaar.
  Het totale volume aan werkingsmiddelen wordt jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex.".
Art. 56. L'article 89 du même décret, modifié par les décrets des 4 juillet 2008 et 16 mars 2018, est remplacé par ce qui suit :
  " Les centres d'éducation de base reçoivent à charge du budget de la Communauté flamande pour l'année scolaire n-1/n une allocation de fonctionnement par heures de cours/apprenant, calculée sur la base du nombre moyen d'heures de cours/apprenant réalisées des périodes de référence du 1er janvier n-4 au 31 décembre n-2. Le Gouvernement flamand détermine l'allocation de fonctionnement par heure de cours/apprenant.
  L'allocation de fonctionnement est payée en deux tranches à partir de l'année budgétaire 2020. La première tranche est payée pendant le premier trimestre de l'année budgétaire. La première tranche s'élève à 50 % du montant total auquel le centre a droit pour l'année scolaire n-1/n. Le solde est payé au cours du second semestre de l'année budgétaire.
  Le volume total de moyens de fonctionnement est annuellement adapté à l'évolution de l'indice santé. ".
Art. 57. In artikel 108 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 16 maart 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 worden de woorden "het schooljaar n/n+1" vervangen door de woorden "het schooljaar n-1/n";
  2° in paragraaf 2 wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:
  "De werkingstoelage wordt betaald in twee schijven vanaf het begrotingsjaar 2020. De eerste schijf wordt betaald gedurende het eerste trimester van het begrotingsjaar. De eerste schijf bedraagt 50 percent van het totale bedrag waarop het centrum voor het schooljaar n-1/n recht heeft. Het resterende saldo wordt uitbetaald tijdens het tweede semester van het begrotingsjaar.";
  3° er wordt een paragraaf 4 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 4. Het totale volume aan werkingsmiddelen volgt de evolutie van de gewogen financieringspunten voor het bijkomend bedrag dat berekend wordt op basis van de formule, vermeld in paragraaf 3.
  Het totale volume aan werkingsmiddelen wordt jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex.".
Art. 57. A l'article 108 du même décret, remplacé par le décret du 16 mars 2018, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, les mots " l'année scolaire n/n+1 " sont remplacés par les mots " l'année scolaire n-1/n " ;
  2° dans le paragraphe 2, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
  " L'allocation de fonctionnement est payée en deux tranches à partir de l'année budgétaire 2020. La première tranche est payée pendant le premier trimestre de l'année budgétaire. La première tranche s'élève à 50 % du montant total auquel le centre a droit pour l'année scolaire n-1/n. Le solde est payé au cours du second semestre de l'année budgétaire. " ;
  3° il est ajouté un paragraphe 4, rédigé comme suit :
  " § 4. Le volume total de moyens de fonctionnement suit l'évolution des unités de financement pondérées pour le montant supplémentaire qui est calculé sur la base de la formule, visée au paragraphe 3.
  Le volume total de moyens de fonctionnement est annuellement adapté à l'évolution de l'indice santé. ".
Afdeling 17. - Oprichting begrotingsfonds "Fonds Volwassenenonderwijs"
Section 17. - Création du fonds budgétaire " Fonds Volwassenenonderwijs " (Fonds de l'Education des Adultes)
Art. 58. Artikel 113decies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 16 maart 2018, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 113decies. § 1. Er wordt per 1 september 2019 een begrotingsfonds "Fonds Volwassenenonderwijs" opgericht, hierna genoemd `het fonds'.
  § 2. Het fonds is een begrotingsfonds zoals vermeld in artikel 12 van het decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle door het Rekenhof.
  § 3. Het fonds wordt gespijsd door:
  1° alle ontvangsten die voortvloeien uit de inschrijvingsgelden van het volwassenenonderwijs, vermeld in artikel 113novies. Elk centrumbestuur betaalt daartoe in het jaar n aan het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen voor elk van zijn gesubsidieerde of gefinancierde centra in twee schijven een bedrag dat berekend wordt tegen 100 % van de inschrijvingsgelden van de cursisten die ingeschreven waren in het schooljaar n-2/n-1. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop het centrumbestuur de inschrijvingsgelden overmaakt aan het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen;
  2° andere ontvangsten ten behoeve van het volwassenenonderwijs.
  § 4. Het fonds wordt aangewend ter financiering van:
  1° de werkingstoelagen en de werkingsmiddelen in het volwassenenonderwijs;
  2° de premie aan cursisten die een diploma van het secundair onderwijs behaald hebben als vermeld in artikel 41, § 4, 2° en 2° bis. De Vlaamse Regering bepaalt de opleidingen, bekrachtigd met een diploma van het secundair onderwijs, die in aanmerking komen voor het verkrijgen van een premie, het bedrag dat wordt toegekend en de procedure voor de toekenning van de premie;
  3° de betaling van andere uitgaven ten voordele van het volwassenenonderwijs.
  § 5. Het saldo en de vastgestelde rechten vastgesteld op 31 december 2019 op het Fonds Inschrijvingsgelden Centra voor Volwassenenonderwijs zoals bepaald in artikel 110 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, wordt overgedragen naar het fonds, zoals bepaald in het vorige artikel.".
Art. 58. L'article 113decies du même décret, inséré par le décret du 16 mars 2018, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 113decies. § 1er. Il est créé un fonds budgétaire " Fonds Volwassenenonderwijs ", dénommé ci-après " le fonds ".
  § 2. Le fonds est un fonds budgétaire, tel que visé à l'article 12 du décret du 8 juillet 2011 réglant le budget, la comptabilité, l'attribution de subventions et le contrôle de leur utilisation, et le contrôle par la Cour des Comptes.
  § 3. Le Fonds est alimenté par :
  1° toutes les recettes découlant des droits d'inscription de l'éducation des adultes, visés à l'article 113novies. Chaque autorité du centre paie à cet effet dans l'année n à l'" Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen " pour chacun de ses centres subventionnés ou financés en deux tranches un montant calculé à 100 % des droits d'inscription des apprenants qui étaient inscrits dans l'année scolaire n-2/n-1. Le Gouvernement flamand détermine la façon dont l'autorité du centre effectue le transfert des droits d'inscription à l'" Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen ".
  2° d'autres recettes au profit de l'éducation des adultes.
  § 4. Le fonds est affecté au financement :
  1° des allocations de fonctionnement et des moyens de fonctionnement dans l'éducation des adultes ;
  2° la prime aux apprenants qui ont obtenu un diplôme de l'enseignement secondaire tel que visé à l'article 41, § 4, 2° et 2° bis. Le Gouvernement flamand arrête les formations sanctionnées par un diplôme de l'enseignement secondaire, qui entrent en ligne de compte pour une prime, le montant à octroyer et la procédure d'octroi de la prime ;
  3° du paiement d'autres dépenses au profit de l'éducation des adultes.
  § 5. Le solde et les droits établis le 31 décembre 2019 au " Fonds Inschrijvingsgelden Centra voor Volwassenenonderwijs " tel que stipulé à l'article 110 du décret du 15 juin 2007 relatif à l'éducation des adultes, sont transférés au fonds, tel que fixé à l'article précédent. "
Afdeling 18. - Toekenning jaarlijkse aanvullende leraarsuren/punten/werkingsmiddelen ten behoeve van de asielproblematiek
Section 18. - Attribution de périodes/enseignant, de points, de moyens de fonctionnement complémentaires annuels au profit de la problématique en matière d'asile
Art. 59. Aan artikel 196sexies, § 1, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2015, en gewijzigd bij de decreten van 23 december 2016, 30 juni 2017, 22 december 2017 en 6 juli 2018, wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Ten laste van het begrotingsjaar 2019 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 643.454,45 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.731.545,55 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor basiseducatie toegekend.".
Art. 59. L'article 196sexies, § 1er, du même décret, inséré par le décret du 18 décembre 2015 et modifié par les décrets des 23 décembre 2016, 30 juin 2017, 22 décembre 2017 et 6 juillet 2018, est complété par un alinéa 4, rédigé comme suit :
  " A charge de l'année budgétaire 2019, 32.955,75 périodes/enseignant complémentaires, 481,99 points complémentaires et un montant de 643.454,45 euros de moyens de fonctionnement sont octroyés aux centres d'éducation des adultes, et 132,96 ETP complémentaires, 2.192,09 points complémentaires et un montant de 1.731.545,55 euros de moyens de fonctionnement sont octroyés aux centres d'éducation de base. ".
Afdeling 19. - Machtiging aan AGION voor verbintenissen voor huursubsidies
Section 19. - Autorisation à AGIOn (Agence de l'Infrastructure dans l'Enseignement) relative aux engagements pour les subventions de location
Art. 60. In artikel 20 van het decreet van 30 juni 2017 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2017, gewijzigd bij het decreet van 6 juli 2018, wordt de zinsnede "10.200.000 euro" vervangen door de zinsnede "15.200.000 euro".
Art. 60. Dans l'article 20 du décret du 30 juin 2017 contenant diverses mesures d'accompagnement de l'ajustement du budget 2017, modifié par le décret du 6 juillet 2018, le membre de phrase " 10.200.000 euros " est remplacé par le membre de phrase " 15.200.000 euros ".
Afdeling 20. - Aanpassing maximumpercentage vaste benoeming in de sector basiseducatie
Section 20. - Adaptation du pourcentage maximal de nomination à titre définitif dans le secteur de l'éducation de base
Art. 61. In artikel 39, § 3, 1° en 2° , van het decreet van 7 juli 2017 betreffende de rechtspositie in de basiseducatie wordt de zinsnede "90 %" telkens vervangen door de zinsnede "77 %".
Art. 61. Dans l'article 39, § 3, 1° et 2° , du décret du 7 juillet 2017 relatif au statut des membres du personnel dans l'éducation de base, le membre de phrase " 90 % " est chaque fois remplacé par le membre de phrase " 77 % ".
Afdeling 21. - Aanpassing aanwending recuperatiefonds Studietoelagen
Section 21. - Adaptation de l'affectation du fonds de récupération Allocations d'études
Art. 62. In artikel 21 van het decreet van 23 december 2005 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2006, gewijzigd bij de decreten van 30 juni 2006, 22 december 2006 en 21 december 2007, wordt paragraaf 4 vervangen door wat volgt:
  " § 4. Het fonds wordt aangewend voor de betaling van school- en studietoelagen aan leerlingen en studenten overeenkomstig het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap.
  Het fonds wordt eveneens aangewend voor de kosten die voortvloeien uit gedwongen invordering van terugvorderingen ter uitvoering van artikel 62 van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap.".
Art. 62. Dans l'article 21 du décret du 23 décembre 2005 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2006, modifié par les décrets des 30 juin 2006, 22 décembre 2006 et 21 décembre 2007, le § 4 est remplacé par ce qui suit :
  " § 4. Le fonds est utilisé pour le paiement d'allocations scolaires et d'allocations d'études aux élèves et étudiants, conformément aux dispositions du décret du 8 juin 2007 relatif à l'aide financière aux études de la Communauté flamande.
  Le fonds est également utilisé pour les frais découlant du recouvrement obligatoire des recouvrements en exécution de l'article 62 du décret du 8 juin 2007 relatif à l'aide financière aux études de la Communauté flamande. ".
Afdeling 22. - Cao V Hogere Zeevaartschool
Section 22. - CCT V Ecole supérieure de Navigation
Art. 63. Aan artikel 2 van het decreet van 20 februari 2009 betreffende de Hogere Zeevaartschool, het laatst gewijzigd bij het decreet van 19 juni 2015, wordt een paragraaf 5 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 5. Het bedrag van de werkingsuitkering, berekend overeenkomstig de bepalingen van dit artikel, wordt verhoogd overeenkomstig het procentueel aandeel van de Hogere Zeevaartschool conform de bepalingen in artikel III.24 van de Codex Hoger Onderwijs.".
Art. 63. L'article 2 du décret du 20 février 2009 relatif à la " Hogere Zeevaartschool ", modifié en dernier lieu par le décret du 19 juin 2015, est complété par un paragraphe 5, rédigé comme suit :
  " § 5. Le montant de l'allocation de fonctionnement, calculé conformément aux dispositions du présent article, est majoré conformément à la part en pourcentage de l'Ecole supérieure de Navigation conformément aux dispositions de l'article III.24 du Code de l'Enseignement supérieur. ".
Afdeling 23. Aanpassing regeling diensten met onderwijsbehoeften
Section 23. - Adaptation du règlement relatif aux services présentant des besoins en matière d'enseignement
Art. 64. In artikel IV.4, 1° , van de codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016, wordt het woord "vijftien" vervangen door het woord "negen".
Art. 64. Dans l'article IV.4,1° , de la codification de certaines dispositions relatives à l'enseignement du 28 octobre 2016, le mot " quinze " est remplacé par le mot " neuf ".
Art. 65. In artikel IV.6, § 1, van dezelfde codificatie, worden de tweede en de derde zin vervangen door wat volgt:
  "Vanaf 2019 bedraagt de subsidie-enveloppe minimaal 1.469.000 euro. Dit bedrag wordt geïndexeerd op basis van de gezondheidsindex.".
Art. 65. Dans l'article IV.6, § 1er, de la même codification, les deuxième et troisième phrases sont remplacées par ce qui suit :
  " A partir de 2019, l'enveloppe subventionnelle s'élève à 1.469.000 euros au minimum. Ce montant est indexé sur la base de l'indice santé. ".
Afdeling 24. Verschuiving teldag omkaderingsberekening voor domeinen in oprichting voor de inwerkingtreding van het decreet Deeltijds Kunstonderwijs
Section 24. - Glissement du jour de comptage du calcul de l'encadrement pour les domaines en cours de création avant l'entrée en vigueur du décret sur l'Enseignement à temps partiel
Art. 66. In artikel 69 van het decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs wordt paragraaf 4 vervangen door wat volgt:
  " § 4. In afwijking van paragraaf 1 en 2 is de teldag voor de berekening van de lestijden voor de structuuronderdelen van academies in oprichting en van domeinen waarvan de oprichting gestart is vóór 31 augustus 2018 1 oktober van het lopende schooljaar.
  In het geval van de oprichting van een academie geldt die teldag voor de hele academie vanaf het schooljaar van oprichting tot en met de elf daaropvolgende schooljaren.
  In het geval van de oprichting van een domein waarvan de oprichting gestart is vóór 31 augustus 2018 geldt die teldag enkel voor het domein in kwestie tot en met het schooljaar waarin alle leerjaren van de verschillende graden van het domein zijn uitgebouwd conform artikel 157.".
Art. 66. Dans l'article 69 du décret du 9 mars 2018 relatif à l'enseignement artistique à temps partiel le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit :
  " § 4. Par dérogation aux paragraphes 1er et 2, le jour de comptage pour le calcul des périodes de cours pour les subdivisions structurelles des académies en cours de création et des domaines dont la création est entamée avant le 31 août 2018, est le 1er octobre de l'année scolaire en cours.
  En cas de création d'une académie ce jour de comptage s'applique à l'ensemble de l'académie à partir de l'année scolaire de création jusqu'aux onze années scolaires suivantes incluses.
  En cas de création d'un domaine dont la création est entamée avant le 31 août 2018, ce jour de comptage ne s'applique qu'au domaine en question jusqu'à l'année scolaire dans laquelle les années d'études des différents degrés du domaine sont développées conformément à l'article 157. ".
Art. 67. In artikel 71 van hetzelfde decreet wordt in paragraaf 2 en paragraaf 3 punt 3° telkens vervangen door wat volgt:
  "3° in afwijking van artikel 69 is de teldag voor de berekening van de solidariteitsfactor voor academies in oprichting conform artikel 114 en voor domeinen waarvan de oprichting gestart is vóór 31 augustus 2018 conform artikel 157 1 februari van het voorgaande schooljaar.".
Art. 67. Dans l'article 71 du même décret, le point 3° des paragraphes 2 et 3 est chaque fois remplacé par ce qui suit :
  " 3° par dérogation à l'article 69, le jour de comptage pour le calcul du facteur de solidarité pour les académies en cours de création conformément à l'article 114 et pour les domaines dont la création est entamée avant le 31 août 2018 conformément à l'article 157, est le 1er février de l'année scolaire précédente. ".
Art. 68. In artikel 153 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° tussen het tweede en derde lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "In afwijking van het eerste en tweede lid is de teldag voor domeinen in oprichting, waarvan de programmatie vóór 31 augustus 2018 van start is gegaan, 1 oktober 2018, als die teldag een hogere omkadering oplevert dan de teldag 1 februari 2018.";
  2° in het derde lid, dat het vierde lid wordt, worden de woorden "volgens het eerste en tweede lid" vervangen door de woorden "volgens het eerste, tweede en derde lid".
Art. 68. A l'article 153 du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
  1° entre les alinéas deux et trois est inséré un alinéa libellé comme suit :
  " Par dérogation aux alinéas premier et deux le jour de comptage pour les domaines en cours de création dont la programmation a démarré avant le 31 août 2018, est le 1er octobre 2018, si ce jour de comptage implique un encadrement supérieur à celui impliqué par 1er février 2018. " ;
  2° dans le troisième alinéa, qui devient le quatrième alinéa, le membre de phrase " des alinéas 1er et 2 " est remplacé par le membre de phrase " des alinéas 1er, 2 et 3 ".
Afdeling 25. - Extra werkingsmiddelen voor technische uitrusting in het secundair onderwijs
Section 25. - Moyens de fonctionnement supplémentaires pour l'équipement technique dans l'enseignement secondaire
Art. 69. Ten laste van de begroting 2019 ontvangen de scholen van het voltijds gewoon of buitengewoon secundair onderwijs, die gefinancierd of gesubsidieerd worden door de Vlaamse Gemeenschap, een forfaitair bedrag per regelmatige leerling die op 1 februari 2018 is ingeschreven in een van de structuuronderdelen die hierna worden vermeld. Dat bedrag per leerling wordt vastgesteld door het beschikbaar krediet van 5 miljoen euro te delen door het totaal aantal regelmatige leerlingen op 1 februari 2018 van de in aanmerking genomen structuuronderdelen.
  Structuuronderdelen:
  1° alle structuuronderdelen van de volgende studiegebieden van het voltijds gewoon secundair onderwijs en van opleidingsvorm 4 van het buitengewoon secundair onderwijs:
  a) Auto;
  b) Bouw;
  c) Chemie;
  d) Grafische communicatie en media;
  e) Hout;
  f) Koeling en warmte;
  g) Land- en tuinbouw;
  h) Mechanica-elektriciteit;
  i) Textiel;
  j) Voeding;
  2° structuuronderdelen van opleidingsvorm 3 van het buitengewoon secundair onderwijs:
  a) Aluminium- en kunststofschrijnwerker;
  b) Auto-hulpmechanicien;
  c) Bakkersgast;
  d) Betonstaalvlechter;
  e) Groen- en tuinbeheer duaal;
  f) Grootkeukenhulp;
  g) Grootkeukenmedewerker;
  h) Hoeklasser;
  i) Hulpkelner;
  j) Hulpwever;
  k) Interieurbouwer;
  l) Keukenhulp;
  m) Keukenmedewerker;
  n) Lasser monteerder;
  o) Lasser monteerder BMBE;
  p) Lasser monteerder MIG/MAG;
  q) Lasser monteerder TIG;
  r) Loodgieter;
  s) Machinaal houtbewerker;
  t) Metselaar;
  u) Meubelstoffeerder;
  v) Onderhoudsassistent;
  w) Plaatbewerker;
  x) Plaatslager;
  y) Puntlasser;
  z) Schilder-decorateur;
  aa) Slagersgast;
  ab) Stratenmaker;
  ac) Tuinbouwarbeider;
  ad) Vloerder-tegelzetter;
  ae) Werfbediener ruwbouw;
  af) Werkplaatsschrijnwerker;
  ag) Zeefdrukker.
  De school gebruikt de middelen, vermeld in het eerste lid, alleen voor de aankoop van didactische uitrusting of de beveiliging van al aanwezige didactische uitrusting voor de structuuronderdelen die die middelen hebben gegenereerd. Die uitrustingsgoederen zijn noodzakelijk, duurzaam en direct gerelateerd aan het leerplan of het opleidingsprofiel in kwestie.
  De schriftelijke bewijsstukken van de aanwending liggen in de school ter con-trole voor de verificatie en inspectie van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming. De middelen, vermeld in het eerste lid, die niet zijn aangewend conform dit artikel, worden teruggevorderd.
  Het extra werkingsbudget wordt aan de schoolbesturen uitbetaald uiterlijk op 31 maart 2019.
Art. 69. A charge du budget 2019, les écoles de l'enseignement secondaire ordinaire ou spécial à temps plein financées ou subventionnées par la Communauté flamande reçoivent un montant forfaitaire par élève régulier qui est inscrit au 1er février 2018 dans une des subdivisions structurelles suivantes : Ce montant par élève est établi en divisant le crédit disponible de 5 millions d'euros par le nombre total d'élèves réguliers au 1er février 2018 des subdivisions structurelles prises en compte.
  Subdivisions structurelles :
  1° toutes les subdivisions structurelles des disciplines suivantes de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein et de la forme d'enseignement 4 de l'enseignement secondaire spécial :
  a) Auto ;
  b) Bouw ;
  c) Chemie ;
  d) Grafische communicatie en media ;
  e) Hout ;
  f) Koeling en warmte ;
  g) Land- en tuinbouw ;
  h) Mechanica-elektriciteit ;
  i) Textiel ;
  j) Voeding ;
  2° des subdivisions structurelles de la forme d'enseignement 3 de l'enseignement secondaire spécial :
  a) Aluminium- en kunststofschrijnwerker ;
  b) Auto-hulpmechanicien ;
  c) Bakkersgast ;
  d) Betonstaalvlechter ;
  e) Groen- en tuinbeheer duaal ;
  f) Grootkeukenhulp ;
  g) Grootkeukenmedewerker ;
  h) Hoeklasser ;
  i) Hulpkelner ;
  j) Hulpwever ;
  k) Interieurbouwer ;
  l) Keukenhulp ;
  m) Keukenmedewerker ;
  n) Lasser monteerder ;
  o) Lasser monteerder BMBE ;
  p) Lasser monteerder MIG/MAG ;
  q) Lasser monteerder TIG ;
  r) Loodgieter ;
  s) Machinaal houtbewerker ;
  t) Metselaar ;
  u) Meubelstoffeerder ;
  v) Onderhoudsassistent ;
  w) Plaatbewerker ;
  x) Plaatslager ;
  y) Puntlasser ;
  z) Schilder-decorateur ;
  aa) Slagersgast ;
  ab) Stratenmaker ;
  ac) Tuinbouwarbeider ;
  ad) Vloerder-tegelzetter ;
  ae) Werfbediener ruwbouw ;
  af) Werkplaatsschrijnwerker ;
  ag) Zeefdrukker.
  L'école n'utilise les moyens visés à l'alinéa 1er que pour l'achat d'équipements didactiques ou la sécurisation des équipements didactiques déjà présents pour les subdivisions structurelles ayant généré ces moyens. Ces biens d'équipement sont nécessaires, durables et directement liés au programme d'études ou au profil de formation en question.
  Les pièces justificatives écrites de l'affectation sont mises à disposition dans l'école aux fins de vérification et d'inspection par le Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation. Les moyens visés à l'alinéa 1er qui ne sont pas affectés conformément au présent article, sont recouvrés.
  Le budget de fonctionnement supplémentaire est payé aux autorités scolaires au plus tard le 31 mars 2019.
HOOFDSTUK 13. - Inwerkingtreding
CHAPITRE 13. - Entrée en vigueur
Art. 70. Dit decreet treedt in werking op 1 januari 2019, met uitzondering van:
  1° artikelen 7, 55 en 68, die uitwerking hebben vanaf 1 september 2018;
  2° artikelen 11 en 12, die in werking treden vanaf [1 31 december 2019]1, met dien verstande dat de schade aan teelten en oogsten die het rechtstreekse gevolg is van een algemene ramp die als dusdanig voor [1 31 december 2019]1 erkend is door de Vlaamse Regering en die vergoed kan worden krachtens het decreet van 3 juni 2016 betreffende de tegemoetkoming voor schade, aangericht door algemene rampen in het Vlaamse Gewest, nog wel vergoed kan worden;
  3° artikelen 56, 57 en 58, die in werking treden vanaf 1 september 2019;
  4° artikel 35, 3° en 5° , die uitwerking hebben vanaf 1 januari 2018;
  5° artikelen 39 en 46, die uitwerking hebben vanaf 1 oktober 2018.
  
Art. 70. Le présent décret entre en vigueur le 1er janvier 2019, à l'exception :
  1° des articles 7, 55 et 68, qui produisent leurs effets à partir du 1er septembre 2018 ;
  2° des articles 11 et 12 qui entrent en vigueur le [1 31 décembre 2019]1, étant entendu que les dégâts aux cultures et aux récoltes causés directement par une calamité publique, qui sont reconnus comme tels par le Gouvernement flamand avant le [1 31 décembre 2019]1 et qui peuvent être indemnisés en vertu du décret du 3 juin 2016 relatif à l'intervention suite à des dommages causés par des calamités publiques en Région flamande, peuvent encore être indemnisés ;
  3° des articles 56, 57 et 58, qui entrent en vigueur le 1er septembre 2019 ;
  4° de l'article 35, 3° et 5°, qui produisent leurs effets à partir du 1er janvier 2018 ;
  5° des articles 39 et 46, qui produisent leurs effets à partir du 1er octobre 2018.