Zum Hauptinhalt

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
6 JULI 2018. - Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2018(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 30-08-2018 en tekstbijwerking tot 29-05-2019)
Titre
6 JUILLET 2018. - Décret contenant diverses mesures d'accompagnement de l'ajustement du budget 2018(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 30-08-2018 et mise à jour au 29-05-2019)
Dokumentinformationen
Numac: 2018013336
Datum: 2018-07-06
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2018013336
Date: 2018-07-06
Moniteur: Voir
Inhoud
HOOFDSTUK 1. - Algemeen HOOFDSTUK 2. - Mobiliteit en Openbare Werken Afdeling 1. - Wijziging van het decreet houdend... Afdeling 2. - Subsidie voor de nv International... HOOFDSTUK 3. - Cultuur, Jeugd, Sport en Media Afdeling 1. - Verdeling investeringsmiddelen ov... Afdeling 2. - Provinciale middelen Jeugd Afdeling 3. - Fonds Vrijwilligersbeleid Afdeling 4. - Indexatie dotatie diensten met af... HOOFDSTUK 4. - Omgeving Afdeling 1. - Opheffing Fonds Grondwaterbeheer Afdeling 2. - Rechtzetting verwijzing Klimaatfonds Afdeling 3. - Wijzigingen van de Vlaamse Codex ... HOOFDSTUK 5. - Landbouw en Visserij HOOFDSTUK 6. - Financiën en Begroting Afdeling 1. - Onroerende voorheffing Afdeling 2. - Leegstandsheffing bedrijfsruimten... HOOFDSTUK 7. - Kanselarij en Bestuur Afdeling 1. - Wijziging Fonds Departement Kanse... Afdeling 2. - Wijziging van het decreet van 5 j... HOOFDSTUK 8. - Onderwijs en Vorming Afdeling 1. - Toelage hogere instituten en ande... Afdeling 2. - Bijstellen toekenning aanvullende... Afdeling 3. - Maatregelen tot uitvoering van ca... Afdeling 4. - Maatregelen tot uitvoering van ca... Afdeling 5. - Maatregelen tot uitvoering van ca... Afdeling 6. - Maatregelen tot uitvoering van ca... Afdeling 7. - Maatregelen tot uitvoering van ca... Afdeling 8. - Maatregel om de aanvullende pensi... Afdeling 9. - Werkingsbudget voor versterking v... Afdeling 10. - Machtiging aan AGION voor verbin... HOOFDSTUK 9. - Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Afdeling 1. - Fonds ter beschikking gestelde ex... Afdeling 2. - Opheffing fonds voor de bestrijdi... Afdeling 3. - Opheffing fonds voor de subsidiër... HOOFDSTUK 10. - Inwerkingtreding
Inhoud
CHAPITRE 1er. - Généralités CHAPITRE 2. - Domaine politique de la Mobilité ... Section 1re. - Modification au décret portant c... Section 2. - Subvention à la sa Internationale ... CHAPITRE 3. - Culture, Jeunesse, Sports et Médias Section 1re. - Répartition des moyens d'investi... Section 2. - Moyens provinciaux à la Jeunesse Section 3. - Fonds Vrijwilligersbeleid Section 4. - Indexation de la dotation des serv... CHAPITRE 4. - Environnement et Aménagement du T... Section 1re. - Suppression du Fonds Grondwaterb... Section 2. - Rectification de la référence rela... Section 3. - Modifications au Code flamand de l... CHAPITRE 5. - Agriculture et Pêche CHAPITRE 6. - Finances et Budget Section 1re. - Précompte immobilier Section 2. - Redevance d'inoccupation de sites ... CHAPITRE 7. - Chancellerie et Gouvernance publique Section 1re. - Modification au Fonds Departemen... Section 2. - Modification au décret du 5 juille... CHAPITRE 8. - Enseignement et Formation Section 1re. - Allocation aux instituts supérie... Section 2. - Ajustement de l'attribution de pér... Section 3. - Mesures de mise en oeuvre de la CC... Section 4. - Mesures de mise en oeuvre de la CC... Section 5. - Mesures de mise en oeuvre de la CC... Section 6. - Mesures de mise en oeuvre de la CC... Section 7. - Mesures de mise en oeuvre de la CC... Section 8. - Mesure visant à payer les cotisati... Section 9. - Budget de fonctionnement pour le r... Section 10. - Autorisation à AGIOn (Agence de l... CHAPITRE 9. - Domaine politique du Bien-Etre, d... Section 1re. - Fonds mis à disposition des anci... Section 2. - Suppression du Fonds voor de bestr... Section 3. - Suppression du Fonds voor de subsi... CHAPITRE 10. - Entrée en vigueur
Tekst (88)
Texte (88)
HOOFDSTUK 1. - Algemeen
CHAPITRE 1er. - Généralités
Artikel 1. Dit decreet regelt een gewest- en gemeenschapsaangelegenheid.
Article 1er. Le présent décret règle une matière communautaire et régionale.
HOOFDSTUK 2. - Mobiliteit en Openbare Werken
CHAPITRE 2. - Domaine politique de la Mobilité et de Travaux publics
Afdeling 1. - Wijziging van het decreet houdende de oprichting van de nv BAM
Section 1re. - Modification au décret portant création de la sa BAM
Art. 2. In artikel 15 van het decreet van 13 december 2002 houdende de oprichting van de naamloze vennootschap van publiek recht Beheersmaatschappij Antwerpen Mobiel (BAM), zoals laatst gewijzigd door het decreet van 13 juli 2012, wordt paragraaf 2 opgeheven.
Art. 2. Dans l'article 15 du décret du 13 décembre 2002 portant création de la société anonyme de droit public " Beheersmaatschappij Antwerpen Mobiel (BAM) ", tel que modifié en dernier lieu par le décret du 13 juillet 2012, le paragraphe 2 est abrogé.
Afdeling 2. - Subsidie voor de nv Internationale Luchthaven Kortrijk-Wevelgem inzake veiligheid en beveiliging
Section 2. - Subvention à la sa Internationale Luchthaven Kortrijk-Wevelgem en matière de sûreté et de sécurité
Art. 3. In artikel 65 van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het beheer en de uitbating van de regionale luchthavens Oostende-Brugge, Kortrijk-Wevelgem en Antwerpen wordt een paragraaf 4 ingevoegd, die luidt als volgt :
  " § 4. De Vlaamse Regering kan tijdelijk, en uiterlijk tot 31 maart 2024, binnen de perken van de daartoe op de begroting beschikbare kredieten, een toelage toekennen aan de nv Internationale Luchthaven Kortrijk-Wevelgem tot dekking van de lasten die voortvloeien uit het verstrekken van de taken inzake veiligheid en beveiliging (inclusief brandweerdiensten). De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van berekening, de parameters en de betalingsmodaliteiten van deze toelage.".
Art. 3. Dans l'article 65 du décret du 10 juillet 2008 relatif à la gestion et à l'exploitation des aéroports régionaux d'Ostende-Bruges, Courtrai-Wevelgem et Anvers, il est inséré un paragraphe 4, rédigé comme suit :
  " § 4. Dans les limites des crédits disponibles à cet effet au budget, le Gouvernement flamand peut attribuer temporairement et jusqu'au 31 mars 2024 au plus tard, une allocation à la sa Internationale Luchthaven Kortrijk-Wevelgem visant à couvrir les charges découlant de la fourniture de tâches en matière de sûreté et de sécurité (y compris les services d'incendie). Le Gouvernement flamand arrête le mode de calcul, les paramètres et les modalités de paiement de cette allocation. ".
HOOFDSTUK 3. - Cultuur, Jeugd, Sport en Media
CHAPITRE 3. - Culture, Jeunesse, Sports et Médias
Afdeling 1. - Verdeling investeringsmiddelen overgedragen provinciale gebouwen
Section 1re. - Répartition des moyens d'investissement transférés aux bâtiments provinciaux
Art. 4. Binnen het Fonds Culturele Infrastructuur worden gedurende de periode 2018 tot en met 2024 middelen toegekend voor investeringsnoden van de in het tweede lid vermelde gebouwen. De middelen bedragen jaarlijks 3,5 miljoen euro gedurende die periode, voor zover de nodige kredieten zijn voorzien in de begroting.
  Bij de toekenning van de middelen wordt over de periode 2018 tot en met 2024 de volgende verdeelsleutel gehanteerd :
  1° 24,1 % voor de volgende gebouwen samen : Arenberg, Fotomuseum, Mode-museum, Museum Edelsmeedkunst, Juwelen en Diamant;
  2° 18,6 % voor de volgende gebouwen samen : Bibliotheek Hasselt Limburg, Gallo-Romeins Museum en Z33;
  3° 14,2 % voor de volgende gebouwen samen : Roger Raveelmuseum, Caermers-klooster en Schrijvershuis Anton Van Wilderode;
  4° 3,2 % voor Hanenbos;
  5° 39,9 % voor de volgende gebouwen samen : MuZee, Permeke en Lijsternest.
  Voor de gebouwen die eigendom zijn van de lokale besturen, dient het bestuur uiterlijk op de door het Fonds Culturele Infrastructuur bepaalde datum een meerjarenplan in bij het Fonds Culturele Infrastructuur, met een overzicht van de reële investeringsnoden voor de periode 2018 tot en met 2024.
  Voor de gebouwen die eigendom zijn van de Vlaamse Gemeenschap, maakt het Fonds Culturele Infrastructuur uiterlijk op dezelfde datum een meerjarenplan op met een overzicht van de reële investeringsnoden voor de periode 2018 tot en met 2024.
  De Vlaamse Regering beslist over de verdeling van de middelen, vermeld in het eerste lid op basis van de ingediende meerjarenplannen.
Art. 4. Pendant la période de 2018 jusqu'en 2024 inclus, des moyens sont attribués au sein du Fonds Culturele Infrastructuur pour les besoins d'investissement des bâtiments visés à l'alinéa 2. Le budget annuel pour cette période est de 3,5 millions d'euros, à condition que les crédits nécessaires soient prévus au budget.
  L'attribution des moyens pour la période 2018 à 2024 se fait selon la clé de répartition suivante :
  1° 24,1 % pour l'ensemble des bâtiments suivants : Arenberg, Fotomuseum, Mode-museum, Museum Edelsmeedkunst, Juwelen en Diamant;
  2° 18,6 % pour l'ensemble des bâtiments suivants : Bibliotheek Hasselt Limburg, Gallo-Romeins Museum et Z33;
  3° 14,2 % pour l'ensemble des bâtiments suivants : Roger Raveelmuseum, Caermers-klooster et Schrijvershuis Anton Van Wilderode;
  4° 3,2 % pour Hanenbos;
  5° 39,9 % pour l'ensemble des bâtiments suivants : MuZee, Permeke et Lijsternest.
  Au plus tard à la date fixée par le Fonds Culturele Infrastructuur, l'administration soumet à ce Fonds un plan pluriannuel pour les bâtiments propriétés des administrations locales, accompagné d'un aperçu des besoins réels d'investissement pour la période 2018 à 2024.
  Pour les bâtiments propriétés de la Communauté flamande, le Fonds Culturele Infrastructuur établit, au plus tard à la même date, un plan pluriannuel contenant un aperçu des besoins réels d'investissement pour la période 2018 à 2024.
  Le Gouvernement flamand arrête la répartition des moyens visés à l'alinéa 1er sur la base des plans pluriannuels introduits.
Afdeling 2. - Provinciale middelen Jeugd
Section 2. - Moyens provinciaux à la Jeunesse
Art. 5. In artikel 13 van het decreet van 20 januari 2012 houdende een vernieuwd jeugd- en kinderrechtenbeleid wordt paragraaf 2, opgeheven bij het decreet van 18 december 2015, opnieuw opgenomen in de volgende lezing :
  " § 2. Voor de periode 2018 tot en met 2021 kan de Vlaamse Regering, in het kader van de afslanking van de provincies, bijkomende middelen toekennen aan erkende landelijk georganiseerde jeugdverenigingen, verenigingen informatie en participatie en cultuureducatieve verenigingen. Deze middelen omvatten een subsidiëring van een kern van personeelsleden en een subsidiëring op grond van werkelijk gepresteerde activiteiten. Deze middelen worden toegekend aan verenigingen die ressorteren onder dit decreet en in 2014 een provinciale subsidie ontvingen, voor zover die provinciale middelen nog niet werden toegevoegd aan de aanvullende variabele subsidie, als vermeld in paragraaf 1, tweede lid.".
Art. 5. Dans l'article 13 du décret du 20 janvier 2012 relatif à une politique rénovée des droits de l'enfant et de la jeunesse, le paragraphe 2, abrogé par le décret du 18 décembre 2015, est rétabli dans la rédaction suivante :
  " § 2. Pour la période 2018 à 2021, le Gouvernement flamand peut, dans le cadre de la réduction des provinces, attribuer des moyens supplémentaires aux associations de jeunesse agréées au niveau national, aux associations d'information et de participation et aux associations culturo-éducatives. Ces moyens comprennent un subventionnement pour un noyau de membres du personnel et un subventionnement sur la base des activités effectivement réalisées. Ces moyens seront attribués aux associations relevant du présent décret et ayant reçu une subvention provinciale en 2014, dans la mesure où ces moyens provinciaux n'ont pas encore été ajoutés à la subvention variable supplémentaire, telle que visée au paragraphe 1er, alinéa 2. ".
Afdeling 3. - Fonds Vrijwilligersbeleid
Section 3. - Fonds Vrijwilligersbeleid
Art. 6. Er wordt een begrotingsfonds Vrijwilligersbeleid opgericht, hierna "het Fonds" te noemen.
  Het Fonds is een begrotingsfonds zoals vermeld in artikel 12 van het decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle door het Rekenhof.
  Het Fonds wordt gefinancierd door alle ontvangsten die voortvloeien uit de overdracht van de reserve, die de Vereniging van de Vlaamse Provincies heeft aangelegd met de middelen die de Nationale Loterij ter beschikking heeft gesteld voor de financiering van de vrijwilligersverzekering.
  Het Fonds wordt aangewend voor de financiering van de verzekering als bedoeld in artikel 6 van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers, en voor het beheer en de promotie ervan.
Art. 6. Il est créé un fonds budgétaire " Vrijwilligersbeleid ", dénommé ci-après " le Fonds ".
  Le Fonds est un fonds budgétaire tel que visé à l'article 12 du décret du 8 juillet 2011 réglant le budget, la comptabilité, l'attribution de subventions et le contrôle de leur utilisation, et le contrôle par la Cour des Comptes.
  Le Fonds est financé par l'ensemble des recettes découlant du transfert de la réserve constituée par la Vereniging van de Vlaamse Provincies avec les moyens mis à disposition par la Loterie Nationale pour le financement de l'assurance relative au bénévole.
  Le Fonds est utilisé pour le financement de l'assurance telle que visée à l'article 6 de la loi du 3 juillet 2005 relative aux droits des volontaires, et pour sa gestion et promotion.
Afdeling 4. - Indexatie dotatie diensten met afzonderlijk beheer "de beheersdienst van het Kasteel-Domein van Gaasbeek" en "het cultuur- en congrescentrum van de Vlaamse Gemeenschap `Landcommanderij Alden Biesen' te Bilzen"
Section 4. - Indexation de la dotation des services à gestion séparée, à savoir le service de gestion du Kasteel-Domein van Gaasbeek et le centre de culture et de congrès de la Communauté flamande " Landcommanderij Alden Biesen " à Bilzen
Art. 7. Met behoud van de toepassing van artikel 47, § 1, van het decreet van 23 december 2016 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2017, worden de dotaties aan de volgende diensten met afzonderlijk beheer die worden ingeschreven op de begroting van de algemene uitgaven van de Vlaamse Gemeenschap gekoppeld aan de gezondheidsindex als bedoeld in artikel 2, § 1, van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van het concurrentievermogen :
  1° de beheersdienst van het Kasteel-Domein van Gaasbeek, vermeld in artikel 62 van het decreet van 25 juni 1992 houdende diverse bepalingen tot begeleiding van de begroting 1992;
  2° het cultuur- en congrescentrum van de Vlaamse Gemeenschap `Landcommanderij Alden Biesen' te Bilzen, vermeld in artikel 35 van het decreet van 21 december 1994 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1995.
Art. 7. Sans préjudice de l'application de l'article 47, § 1er, du décret du 23 décembre 2016 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2017, les dotations aux services à gestion séparée suivants, inscrites au budget des dépenses générales de la Communauté flamande, sont liées à l'indice santé tel que visé à l'article 2, § 1er, de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité :
  1° le service de gestion du Kasteel-Domein van Gaasbeek, visé à l'article 62 du décret du 25 juin 1992 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 1992;
  2° le centre de culture et de congrès de la Communauté flamande " Landcommanderij Alden Biesen ", visé à l'article 35 du décret du 21 décembre 1994 contenant des mesures d'accompagnement du budget 1995.
HOOFDSTUK 4. - Omgeving
CHAPITRE 4. - Environnement et Aménagement du Territoire
Afdeling 1. - Opheffing Fonds Grondwaterbeheer
Section 1re. - Suppression du Fonds Grondwaterbeheer
Art. 8. In artikel 10.2.3, § 1, tweede lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, gewijzigd bij de decreten van 22 december 2006, 21 december 2012 en 19 december 2014, ingevoegd bij het decreet van 7 mei 2004, gewijzigd bij de decreten van 24 december 2004, 23 december 2005, 30 juni 2006 en 18 december 2015, wordt het punt 13° opgeheven.
Art. 8. Dans l'article 10.2.3, § 1er, alinéa 2, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, modifié par les décrets des 22 décembre 2006, 21 décembre 2012 et 19 décembre 2014, inséré par le décret du 7 mai 2004, modifié par les décrets des 24 décembre 2004, 23 décembre 2005, 30 juin 2006 et 18 décembre 2015, le point 13° est abrogé.
Art. 9. In artikel 10.2.5 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 7 mei 2004, gewijzigd bij de decreten van 23 december 2005, 22 december 2006, 21 december 2012 en 19 december 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 2 wordt het tweede lid vervangen door wat volgt :
  "In afwijking van het eerste lid zijn de in paragraaf 1, 13° en 14°, genoemde ontvangsten te beschouwen als toegewezen ontvangsten. Zij mogen aangewend worden in het kader van het beleid inzake de waterhuishouding, en voor de Polders en Wateringen, met uitzondering evenwel van de loon- en werkingskosten van de Vlaamse Milieumaatschappij.";
  2° in paragraaf 2 wordt het derde lid opgeheven;
  3° in paragraaf 5 wordt in punt 2° tussen de zinsnede " § 1, 13° " en de zinsnede ", vermelde ontvangsten" de zinsnede "en 14° " ingevoegd;
  4° in paragraaf 5 wordt tussen de punten 3° en 4° een punt 3° /1 ingevoegd dat luidt als volgt :
  "3° /1 het per 12 mei 2006 beschikbaar saldo en de op die datum nog openstaande vorderingen, verbintenissen en verplichtingen van het Schadefonds opgericht bij decreet van 24 januari 1984 en gewijzigd bij decreet van 12 december 1990, worden overgedragen naar het Fonds voor de Waterhuishouding, opgericht bij dit decreet;";
  5° in paragraaf 5 wordt punt 4° vervangen door wat volgt :
  "4° de middelen van het Fonds voor de Waterhuishouding kunnen aangewend worden voor al wat dienen kan in het raam van het beleid inzake waterhuishouding, en voor de polders en de wateringen, met uitzondering evenwel van de loon- en werkingskosten van de Vlaamse Milieumaatschappij.";
  6° paragraaf 6 wordt opgeheven.
Art. 9. A l'article 10.2.5 du même décret, inséré par le décret du 7 mai 2004, modifié par les décrets des 23 décembre 2005, 22 décembre 2006, 21 décembre 2012 et 19 décembre 2014, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au paragraphe 2, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
  " Par dérogation à l'alinéa 1er, les recettes mentionnées au paragraphe 1er, 13° et 14°, sont considérées comme des recettes attribuées. Elles peuvent être affectées à la gestion en matière de régulation des débits, et aux Polders et Wateringues, à l'exception toutefois des charges salariales et des frais de fonctionnement de la Vlaamse Milieumaatschappij.;
  2° au paragraphe 2, l'alinéa 3 est abrogé;
  3° au paragraphe 5, point 2°, le membre de phrase " et 14° " est ajouté après le membre de phrase " les recettes visées au § 1er, 13° ";
  4° au paragraphe 5, il est inséré entre les points 3° et 4° un point 3° /1, rédigé comme suit :
  " 3° /1 le solde disponible au 12 mai 2006 et les créances, engagements et obligations impayés à cette date du Schadefonds, créé par le décret du 24 janvier 1984 et modifié par le décret du 12 décembre 1990, sont transférés au Fonds voor de Waterhuishouding, créé par le présent décret; ";
  5° au paragraphe 5, le point 4° est remplacé par ce qui suit :
  " 4° les moyens du Fonds voor de Waterhuishouding peuvent être affectés à tout ce qui est utile dans le cadre de la gestion en matière de régulation des débits, et aux polders et wateringues, à l'exception toutefois des charges salariales et des frais de fonctionnement de la Vlaamse Milieumaatschappij. ";
  6° le paragraphe 6 est abrogé.
Afdeling 2. - Rechtzetting verwijzing Klimaatfonds
Section 2. - Rectification de la référence relative au Klimaatfonds
Art. 10. In artikel 14, § 2 en § 4, van het decreet van 13 juli 2012 van het decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de tweede aanpassing van de begroting 2012 wordt de zinsnede "artikel 13.5.1. van het Energiedecreet van 8 mei 2009" vervangen door de zinsnede "artikel 8.5.1. van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, ingevoegd bij decreet van 14 februari 2014".
Art. 10. Dans l'article 14, §§ 2 et 4, du décret du 13 juillet 2012 contenant diverses mesures d'accompagnement du second ajustement du budget 2012, le membre de phrase " l'article 13.5.1 du décret du 8 mai 2009 portant les dispositions générales en matière de politique énergétique (cité comme " décret sur l'Energie ") est remplacé par le membre de phrase " l'article 8.5.1. du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, inséré par le décret du 14 février 2014 ".
Afdeling 3. - Wijzigingen van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat betreft het uitsluiten van de cumul van vermindering van het tarief voor schenkingen van en van verlaging van het verkooprecht voor een beschermd monument waarvoor een investeringsplicht geldt met de vermindering van de personenbelasting voor uitgaven voor beschermde goederen
Section 3. - Modifications au Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013, en ce qui concerne l'exclusion du cumul de la diminution du tarif des donations et de la réduction du droit de vente pour un monument classé soumis à une obligation d'investissement avec la diminution des impôts des personnes physiques pour les dépenses relatives aux biens classés
Art. 11. In artikel 2.8.4.4.1, § 6, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, ingevoegd bij het decreet van 21 april 2017, worden de woorden "als de voormelde premies" vervangen door de zinsnede ", noch met de belastingvermindering van de personenbelasting, vermeld in artikel 14536 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, als de voormelde premies of de belastingvermindering".
Art. 11. Dans l'article 2.8.4.4.1, § 6, du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013, inséré par le décret du 21 avril 2017, les mots " si les primes précitées " sont remplacés par le membre de phrase " , ni avec la diminution des impôts des personnes physiques, visée à l'article 14536 du Code des Impôts sur les Revenus 1992, si les primes ou la diminution des impôts précitées ".
Art. 12. In artikel 2.9.4.2.10, § 4, tweede lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 21 april 2017, worden de woorden "als die premies" vervangen door de zinsnede "noch met de belastingvermindering van de personenbelasting, vermeld in artikel 14536 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, als de voormelde premies of de belastingvermindering".
Art. 12. Dans l'article 2.9.4.2.10, § 4, alinéa 2, du même décret, inséré par le décret du 21 avril 2017, les mots " si les primes précitées " sont remplacés par le membre de phrase " ni avec la diminution des impôts des personnes physiques, visée à l'article 14536 du Code des Impôts sur les Revenus 1992, si les primes ou la diminution des impôts précitées ".
Art. 13. In artikel 2.9.4.2.14, § 4, tweede lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 mei 2018, worden de woorden "als die premies" vervangen door de zinsnede "noch met de vermindering van de personenbelasting, vermeld in artikel 14536 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, als de voormelde premies of de belastingvermindering".
Art. 13. Dans l'article 2.9.4.2.14, § 4, alinéa 2, du même décret, inséré par le décret du 18 mai 2018, les mots " si les primes précitées " sont remplacés par le membre de phrase " ni avec la diminution des impôts des personnes physiques, visée à l'article 14536 du Code des Impôts sur les Revenus 1992, si les primes ou la diminution des impôts précitées ".
HOOFDSTUK 5. - Landbouw en Visserij
CHAPITRE 5. - Agriculture et Pêche
Art. 14. § 1. Er wordt een "Fonds toezicht en handhaving Landbouwdecreet" opgericht, hierna "het Fonds" te noemen. Het Fonds is een begrotingsfonds als bedoeld in artikel 12 van het decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle door het Rekenhof.
  § 2. De middelen van het Fonds bestaan uit :
  1° de administratieve geldboeten en exclusief bestuurlijke geldboeten, in voorkomend geval de vermeerdering hiervan met het economisch voordeel voortvloeiend uit het plegen van de inbreuk, geïnd in uitvoering van het decreet van 28 juni 2013 betreffende het landbouw- en visserijbeleid;
  2° de expertisekosten geïnd in uitvoering van het decreet van 28 juni 2013 betreffende het landbouw- en visserijbeleid;
  3° de bijdragen en bestuurlijke geldboeten, geïnd in uitvoering van het decreet van 3 april 2009 houdende de organisatie van co-existentie van genetisch gemodificeerde gewassen met conventionele en biologische gewassen.
  § 3. De middelen van het Fonds kunnen worden aangewend voor :
  1° specifieke werkingskosten in uitvoering van hoofdstuk 3. Controle- en sanctiebepalingen van het decreet van 28 juni 2013 betreffende het landbouw- en visserijbeleid;
  2° de uitgaven voor het vergoeden van de economische schade, vermeld in artikel 14 van het decreet van 3 april 2009 houdende de organisatie van co-existentie van genetisch gemodificeerde gewassen met conventionele en biologische gewassen en de uitvoeringsbesluiten ervan.
Art. 14. § 1er. Il est créé un " Fonds toezicht en handhaving Landbouwdecreet ", dénommé ci-après " le Fonds ". Le Fonds est un fonds budgétaire tel que visé à l'article 12 du décret du 8 juillet 2011 réglant le budget, la comptabilité, l'attribution de subventions et le contrôle de leur utilisation, et le contrôle par la Cour des Comptes.
  § 2. Les moyens du Fonds comprennent :
  1° les amendes administratives et à l'exclusion des sanctions administratives, en y ajoutant, le cas échéant, l'avantage économique découlant de la commission de l'infraction, perçues en exécution du décret du 28 juin 2013 relatif à la politique de l'agriculture et de la pêche;
  2° les frais d'expertise perçus en exécution du décret du 28 juin 2013 relatif à la politique de l'agriculture et de la pêche;
  3° les contributions et sanctions administratives, perçues en exécution du décret du 3 avril 2009 portant l'organisation de la coexistence de cultures génétiquement modifiées et de cultures conventionnelles et biologiques.
  § 3. Les moyens du Fonds peuvent être affectés :
  1° aux frais de fonctionnement spécifiques en exécution du chapitre 3. Dispositions de contrôle et de sanction du décret du 28 juin 2013 relatif à la politique de l'agriculture et de la pêche;
  2° les dépenses en vue du dédommagement de la perte économique, visée à l'article 14 du décret du 3 avril 2009 portant l'organisation de la coexistence de cultures génétiquement modifiées et de cultures conventionnelles et biologiques et à ses arrêtés d'exécution.
Art. 15. In artikel 4 van het decreet van 19 mei 2006 betreffende de oprichting en werking van het Fonds voor Landbouw en Visserij, vervangen bij het decreet van 28 juni 2013, wordt punt 6° opgeheven.
Art. 15. Dans l'article 4 du décret du 19 mai 2006 relatif à la création et au fonctionnement du Fonds pour l'Agriculture et la Pêche, remplacé par le décret du 28 juin 2013, le point 6° est abrogé.
Art. 16. In artikel 5 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 28 juni 2013, worden punt 3°, 4° en 5° opgeheven.
Art. 16. Dans l'article 5 du même décret, remplacé par le décret du 28 juin 2013, les points 3°, 4° et 5° sont abrogés.
Art. 17. In artikel 7 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 28 juni 2013, wordt paragraaf 3 opgeheven.
Art. 17. Dans l'article 7 du même décret, remplacé par le décret du 28 juin 2013, le paragraphe 3 est abrogé.
Art. 18. In artikel 61 van het decreet van 28 juni 2013 betreffende het landbouw- en visserijbeleid wordt de zinsnede "het Fonds voor Landbouw en Visserij, opgericht bij het decreet van 19 mei 2006 betreffende de oprichting en de werking van het Fonds voor Landbouw en Visserij" vervangen door zinsnede "Fonds toezicht en handhaving Landbouwdecreet, opgericht bij het decreet van 6 juli 2018 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2018".
Art. 18. Dans l'article 61 du décret du 28 juin 2013 relatif à la politique de l'agriculture et de la pêche, le membre de phrase " au Fond pour l'Agriculture et la Pêche, fondé par le décret du 19 mai 2006 relatif à la fondation et au fonctionnement du Fonds pour l'Agriculture et la Pêche " est remplacé par le membre de phrase " au " Fonds toezicht en handhaving Landbouwdecreet ", créé par le décret du 6 juillet 2018 contenant diverses mesures d'accompagnement de l'ajustement du budget 2018 ".
HOOFDSTUK 6. - Financiën en Begroting
CHAPITRE 6. - Finances et Budget
Afdeling 1. - Onroerende voorheffing
Section 1re. - Précompte immobilier
Art. 19. Aan artikel 2.1.4.0.1, § 3, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, gewijzigd bij het decreet van 20 december 2013 en het decreet van 18 november 2016, wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "De coëfficiënt wordt verkregen door het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers van het jaar 1996 te delen door het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers van het jaar dat voorafgaat aan het jaar van de inkomsten. Daarbij worden de volgende afrondingen toegepast :
  1° het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers wordt afgerond op het hogere of lagere honderdste naargelang het cijfer van de duizendsten al of niet vijf bereikt;
  2° de coëfficiënt wordt afgerond op het hogere of lagere tienduizendste naargelang het cijfer van de honderdduizendsten al of niet vijf bereikt;
  3° na de toepassing van de coëfficiënt wordt het verkregen tariefbedrag afgerond op het hogere of lagere honderdste naargelang het cijfer van de duizendsten al of niet vijf bereikt.".
Art. 19. A l'article 2.1.4.0.1, § 3, du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013, modifié par les décrets des 20 décembre 2013 et 18 novembre 2016, il est ajouté un alinéa 2, rédigé comme suit :
  " Le coefficient est obtenu en divisant la moyenne des indices mensuels de l'année 1996 par la moyenne des indices mensuels de l'année précédant l'année des revenus. Dans ce cadre, les arrondissements suivants sont appliqués :
  1° la moyenne des indices mensuels est arrondie au centième supérieur ou inférieur selon que le chiffre des millièmes s'élève à cinq ou non;
  2° le coefficient est arrondi au dix millième supérieur ou inférieur selon que le chiffre des cent millièmes s'élève à cinq ou non;
  3° après l'application du coefficient, le montant du tarif est arrondi au centième supérieur ou inférieur selon que le chiffre des millièmes s'élève à cinq ou non. ".
Afdeling 2. - Leegstandsheffing bedrijfsruimten - opschorting brownfieldconvenant
Section 2. - Redevance d'inoccupation de sites d'activité économique - suspension de la convention Brownfield
Art. 20. In artikel 2.6.7.7.1 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 wordt tussen het tweede en derde lid een lid ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "In afwijking van het tweede lid, blijft de opschorting van de heffing behouden als de eigenaar, aan wie een opschorting is verleend met toepassing van artikel 2.6.7.2.1, overgaat tot overdracht van de aan de heffing onderworpen bedrijfsruimte aan een actor bij het brownfieldconvenant.".
Art. 20. Dans l'article 2.6.7.7.1 du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013, il est inséré entre les alinéas 2 et 3, un alinéa, rédigé comme suit :
  " Par dérogation à l'alinéa 2, la suspension de la redevance est maintenue si le propriétaire, à qui une suspension a été accordée en application de l'article 2.6.7.2.1, procède au transfert du site d'activité économique soumis à la redevance à un opérateur auprès de la convention Brownfield. ".
HOOFDSTUK 7. - Kanselarij en Bestuur
CHAPITRE 7. - Chancellerie et Gouvernance publique
Afdeling 1. - Wijziging Fonds Departement Kanselarij en Bestuur
Section 1re. - Modification au Fonds Departement Kanselarij en Bestuur
Art. 21. In artikel 9 van het decreet van 18 december 2015 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2016 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° aan het tweede lid wordt een punt 5° toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "5° de publieksgerichte werking van het bouwmeesterschap in het kader van het Atelier Bouwmeester.";
  2° aan het derde lid wordt een punt 5° toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "5° de (co)productie van activiteiten in het kader van de publieksgerichte werking van het bouwmeesterschap en het Atelier Bouwmeester.".
Art. 21. A l'article 9 du décret du 18 décembre 2015 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2016, sont apportées les modifications suivantes :
  1° à l'alinéa 2, il est ajouté un point 5°, rédigé comme suit :
  " 5° le fonctionnement axé sur le public du maître architecte dans le cadre de l'Atelier Bouwmeester. ";
  2° à l'alinéa 3, il est ajouté un point 5°, rédigé comme suit :
  " 5° la (co)production d'activités dans le cadre du fonctionnement axé sur le public du maître architecte et de l'Atelier Bouwmeester. ".
Afdeling 2. - Wijziging van het decreet van 5 juli 2002 tot vaststelling van de regels inzake de dotatie en de verdeling van het Vlaams Gemeentefonds
Section 2. - Modification au décret du 5 juillet 2002 réglant la dotation et la répartition du Fonds flamand des Communes
Art. 22. In artikel 11, § 1, van het decreet van 5 juli 2002 tot vaststelling van de regels inzake de dotatie en de verdeling van het Vlaams Gemeentefonds, wordt het getal "700" vervangen door het getal "441" en het woord "zevenhonderdste" vervangen door het woord "vierhonderdeenenveertigste".
Art. 22. Dans l'article 11, § 1er, du décret du 5 juillet 2002 réglant la dotation et la répartition du Fonds flamand des Communes, le nombre " 700 " est remplacé par le nombre " 441 " et le mot " sept-centièmes " est remplacé par le mot " quatre cent quarante et unième ".
HOOFDSTUK 8. - Onderwijs en Vorming
CHAPITRE 8. - Enseignement et Formation
Afdeling 1. - Toelage hogere instituten en andere instellingen voor Schone Kunsten
Section 1re. - Allocation aux instituts supérieurs et à d'autres institutions des Beaux-Arts
Art. 23. In artikel III.119 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, bekrachtigd bij het decreet van 20 december 2013, gewijzigd bij de decreten van 25 april 2014 en 19 december 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° aan paragraaf 1 wordt een zevende lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "Vanaf het begrotingsjaar 2018 wordt een bedrag van 400.000 euro toegevoegd aan de toelage, vermeld in deze paragraaf.";
  2° in paragraaf 6 wordt de laatste zin vervangen door wat volgt :
  "Voor de berekening van de 2 % worden de bijkomende toelagen van 250.000 euro in 2015 en 2016 en van 400.000 euro vanaf 2018 niet in rekening gebracht.".
Art. 23. A l'article III.119 du Code de l'Enseignement supérieur du 11 octobre 2013, sanctionné par le décret du 20 décembre 2013, modifié par les décrets des 25 avril 2014 et 19 décembre 2014, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au paragraphe 1er, il est ajouté un alinéa 7, rédigé comme suit :
  " A partir de l'année budgétaire 2018, un montant de 400.000 euros est ajouté à l'allocation visée au présent paragraphe. ";
  2° au paragraphe 6, la dernière phrase est remplacée par ce qui suit :
  " Pour le calcul des 2 %, les allocations supplémentaires de 250.000 euros en 2015 et en 2016, et de 400.000 euros à partir de 2018 ne sont pas portées en compte. ".
Afdeling 2. - Bijstellen toekenning aanvullende leraarsuren/punten/werkingsmiddelen asielmiddelen volwassenenonderwijs
Section 2. - Ajustement de l'attribution de périodes/enseignant, de points, de moyens de fonctionnement, de moyens en matière d'asile complémentaires relatifs à l'éducation des Adultes
Art. 24. In artikel 196sexies, § 1, van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2015, en gewijzigd bij de decreten van 23 december 2016, 30 juni 2017 en 22 december 2017, wordt het derde lid vervangen door wat volgt :
  "Ten laste van het begrotingsjaar 2018 worden 33.970,40 aanvullende leraarsuren, 496,83 aanvullende punten en een bedrag van 579.000,23 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 96,40 aanvullende vte, 1.589,46 aanvullende punten en een bedrag van 1.339.999,77 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor basiseducatie toegekend.".
Art. 24. Dans l'article 196sexies, § 1er, du décret du 15 juin 2007 relatif à l'éducation des adultes, inséré par le décret du 18 décembre 2015 et modifié par les décrets des 23 décembre 2016, 30 juin 2017 et 22 décembre 2017, l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit :
  " A charge de l'année budgétaire 2018, 33.970,40 périodes/enseignant complémentaires, 496,83 points complémentaires et un montant de 579.000,23 euros de moyens de fonctionnement sont octroyés aux centres d'éducation des adultes, et 96,40 ETP complémentaires, 1.589,46 points complémentaires et un montant de 1.339.999,77 euros de moyens de fonctionnement sont octroyés aux centres d'éducation de base. ".
Afdeling 3. - Maatregelen tot uitvoering van cao XI - Lerarenplatform en omzetting van niet-ingevulde vervangingen - Basisonderwijs
Section 3. - Mesures de mise en oeuvre de la CCT XI - Plate-forme des enseignants et conversion des remplacements non comblés - Enseignement fondamental
Art. 25. In hoofdstuk IX van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 wordt een afdeling 3quater ingevoegd, die luidt als volgt :
  "Afdeling 3quater. Lerarenplatform
  Onderafdeling 1. Toepassingsgebied en definities
  Art. 153duodecies. Deze afdeling is van toepassing op de wervingsambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel, die worden vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 en in artikel 4, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991 en die worden tewerkgesteld in de scholen van het basisonderwijs.
  Art. 153terdecies. Voor de toepassing van deze afdeling wordt begrepen onder :
  1° reguliere vervanging :
  a) een vervanging van een afwezigheid van minder dan een schooljaar die voldoet aan volgende voorwaarden :
  - het te vervangen personeelslid is aangesteld in een gefinancierde of gesubsidieerde betrekking in het onderwijs;
  - het personeelslid dat afwezig is, kan worden vervangen volgens de gangbare financierings- en subsidiëringsregels;
  of
  b) een vervanging van een korte afwezigheid op basis van afdeling 3ter van dit hoofdstuk;
  2° samenwerkingsplatform :
  - een scholengemeenschap; of
  - meerdere scholengemeenschappen; of
  - een scholengemeenschap en één of meer scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren; of
  - meerdere scholengemeenschappen en één of meer scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren;
  3° inzetbaarheidspercentage : de verhouding tussen de totale duur van de uitgeoefende reguliere vervangingen, uitgedrukt in kalenderdagen, en de totale duur van de aanstelling, uitgedrukt in kalenderdagen, telkens vermenigvuldigd met het volume van de opdracht.
  Onderafdeling 2. Pilootproject Art. 153quaterdecies. Tijdens het schooljaar 2018-2019 wordt een pilootproject `lerarenplatform' opgezet om tijdelijk aangestelde personeelsleden werkzekerheid te bieden.
  Art. 153quinquiesdecies. Alle scholen van het gewoon en buitengewoon basisonderwijs die deel uitmaken van een samenwerkingsplatform kunnen deelnemen aan het pilootproject.
  Art. 153sexiesdecies. De deelnemende scholen moeten in het bevoegde lokaal comité onderhandelen over :
  - de deelname aan het lerarenplatform;
  - de criteria van aanstelling van de betrokken personeelsleden;
  - de criteria van inzetbaarheid van de betrokken personeelsleden in pedagogisch zinvolle taken;
  - de inzetbaarheid in de verschillende scholengemeenschappen indien het samenwerkingsplatform bestaat uit meerdere scholengemeenschappen of in de scholen die niet behoren tot een scholengemeenschap.
  Onderafdeling 3. Berekening van de middelen Art. 153septiesdecies. Het aantal beschikbare voltijdse equivalenten bedraagt 2500 voor alle scholen van het basisonderwijs. Indien niet alle scholen deelnemen wordt dit aantal proportioneel verminderd. De omzetting van voltijds equivalenten naar lestijden gebeurt door het aantal voltijdse equivalenten te vermenigvuldigen met 23,79.
  Onderafdeling 4. Toekenning van de middelen Art. 153duodevicies. Alle deelnemende scholen ontvangen lestijden voor de aanstelling van personeelsleden in het lerarenplatform. Het volume van deze lestijden per deelnemende school wordt berekend a rato van het aandeel van de lestijden van het vorige schooljaar van de betreffende school ten opzichte van het totaal aantal lestijden van het vorige schooljaar van alle deelnemende scholen samen, waarbij onder het totale aantal lestijden wordt verstaan de som van het totale aantal :
  a) lestijden volgens de schalen;
  b) SES-lestijden;
  c) additionele lestijden volgens de schalen gebaseerd op de leerling-leerkracht -ratio;
  d) aanvullende lestijden voor het voeren van een gelijkekansenbeleid in het buitengewoon basisonderwijs;
  e) aanvullende lestijden godsdienst, niet-confessionele zedenleer en cultuurbeschouwing.
  Onderafdeling 5. Aanwending van de middelen
  Art. 153undevicies. De lestijden voor het lerarenplatform worden samengelegd op het niveau van het samenwerkingsplatform. Deze lestijden kunnen niet worden overgedragen naar het volgende schooljaar of naar een ander samenwerkingsplatform.
  Het personeelslid in het lerarenplatform krijgt een aanstelling die ten vroegste aanvangt op 1 oktober en uiterlijk eindigt op het einde van het schooljaar. De aanstelling is alleen mogelijk in een wervingsambt van het onderwijzend personeel.
  De decreten Rechtspositie zijn van toepassing voor wat betreft de tijdelijke aanstelling, maar de betrekking komt niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren, muteren, reaffecteren of wedertewerkstellen in deze betrekkingen.
  Art. 153vicies. Het personeelslid wordt voor ten minste een halftijdse opdracht aangesteld in de scholen die deel uitmaken van het samenwerkingsplatform. De halftijdse opdracht kan bestaan uit lestijden voor het lerarenplatform en andere lestijden.
  Art. 153viciessemel. Een personeelslid in het lerarenplatform wordt ingezet voor reguliere vervangingen.
  Art. 153viciesbis. Als het personeelslid niet kan worden ingezet voor reguliere vervangingen, wordt het op basis van zijn bekwaamheidsbewijs ingezet in zinvolle pedagogische taken.
  Art. 153viciester. De personeelsleden aangesteld in het lerarenplatform moeten op het niveau van het samenwerkingsplatform samen een inzetbaarheidspercentage van 85 procent bereiken.
  Als het bereikte inzetbaarheidspercentage op positieve of negatieve wijze afwijkt van dit vooropgesteld percentage, zal dit verschil - op positieve of negatieve wijze - worden verrekend op de middelen lerarenplatform die in voorkomend geval in het daarop volgend schooljaar worden toegekend aan het samenwerkingsplatform. Indien het bereikte inzetbaarheidspercentage lager lag dan het vooropgestelde inzetbaarheidspercentage, wordt het aantal lestijden dat wordt toegekend aan een samenwerkingsplatform verminderd met het aantal lestijden dat overeenkomt met het aantal dat nodig was om het vooropgestelde inzetbaarheidspercentage te bereiken. Indien het bereikte inzetbaarheidspercentage hoger lag dan het vooropgestelde inzetbaarheidspercentage, wordt het aantal lestijden vermeerderd met het aantal lestijden dat overeenkomt met het aantal dat nodig was om het vooropgestelde inzetbaarheidspercentage te bereiken.
  Onderafdeling 6. Monitoring en verderzetting van het lerarenplatform Art. 153viciesquater. Het pilootproject lerarenplatform wordt opgevolgd en gemonitord in de gemeenschappelijke vergadering van Sectorcomité X, van onderafdeling Vlaamse Gemeenschap van afdeling 2 van het Comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van het overkoepelend onderhandelingscomité met de overheid en de sociale partners, met het oog op een mogelijke verdere implementatie van de maatregel vanaf 2019-2020.
  Art. 153viciesquinquies. Deze afdeling treedt in werking op 1 oktober 2018 en houdt op uitwerking te hebben op een door de regering te bepalen datum.".
Art. 25. Dans le chapitre IX du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental, il est inséré une section 3quater, rédigée comme suit :
  " Section 3quater. Plate-forme des enseignants
  Sous-section 1re. Champ d'application et définitions
  Art. 153duodecies. La présente section s'applique aux fonctions de recrutement du personnel directeur et enseignant visés à l'article 2, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire et à l'article 4, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné, et employés dans les écoles de l'enseignement fondamental.
  Art. 153terdecies. Pour l'application de la présente section, il faut entendre par :
  1° remplacement régulier :
  a) un remplacement d'une absence inférieure à une année scolaire, remplissant les conditions suivantes :
  - le membre du personnel à remplacer est désigné à un emploi financé ou subventionné dans l'enseignement;
  - le membre du personnel absent peut être remplacé selon les règles de financement et de subventionnement courants;
  ou
  b) un remplacement d'une courte absence sur la base de la section 3ter du présent chapitre;
  2° plate-forme de coopération :
  - un centre d'enseignement; ou
  - plusieurs centres d'enseignement; ou
  - un centre d'enseignement et une ou plusieurs écoles n'appartenant pas à un centre d'enseignement; ou
  - plusieurs centres d'enseignement et une ou plusieurs écoles n'appartenant pas à un centre d'enseignement;
  3° pourcentage d'employabilité : le rapport entre la durée totale des remplacements réguliers effectués, exprimée en jours calendriers, et la durée totale de la désignation, exprimée en jours calendriers, multipliée dans chaque cas par le volume de la charge.
  Sous-section 2. Projet pilote Art. 153quaterdecies. Pendant l'année scolaire 2018-2019, un projet pilote " plate-forme des enseignants " est développé afin d'assurer de sécurité d'emploi aux membres du personnel désignés à titre temporaire.
  Art. 153quinquiesdecies. L'ensemble des écoles de l'enseignement fondamental ordinaire et spécial faisant partie d'une plate-forme de coopération, peuvent participer au projet pilote.
  Art. 153sexiesdecies. Les écoles participantes doivent négocier au sein du comité local compétent sur :
  - la participation à la plate-forme des enseignants;
  - les critères de désignation des membres du personnel concernés;
  - les critères d'employabilité des membres du personnel concernés dans des missions pédagogiques utiles;
  - l'employabilité dans les différents centres d'enseignement si la plate-forme de coopération comprend plusieurs centres d'enseignement ou dans les écoles n'appartenant pas à un centre d'enseignement.
  Sous-section 3. Calcul des moyens Art. 153septiesdecies. Le nombre d'équivalents à temps plein disponibles est de 2.500 pour l'ensemble des écoles de l'enseignement fondamental. Dans le cas où l'ensemble des écoles ne participent pas, ce nombre sera réduit proportionnellement. La conversion d'équivalents à temps plein en périodes de cours s'opère en multipliant le nombre d'équivalents à temps plein par 23,79.
  Sous-section 4. Attribution des moyens Art. 153duodevicies. Toutes les écoles participantes reçoivent des périodes de cours pour la désignation de membres du personnel à la plate-forme des enseignants. Le volume de ces périodes de cours par école participante est calculé au prorata de la part des périodes de cours de l'année scolaire précédente de l'école concernée par rapport au nombre total de périodes de cours de l'année scolaire précédente de l'ensemble des écoles participantes, le nombre total de périodes de cours étant la somme du nombre total :
  a) des périodes de cours selon les échelles;
  b) des périodes de cours SES;
  c) des périodes de cours additionnelles selon les échelles sur la base du ratio entre l'élève et l'enseignant;
  d) des périodes de cours complémentaires destinées à la conduite d'une politique d'égalité des chances dans l'enseignement fondamental spécial;
  e) des périodes de cours complémentaires de religion, de morale non confessionnelle et de considération de la culture.
  Sous-section 5. Utilisation des moyens
  Art. 153undevicies. Les périodes de cours pour la plate-forme des enseignants sont réunies au niveau de la plate-forme de coopération. Ces périodes de cours ne peuvent pas être transférées à l'année scolaire suivante ou à une autre plate-forme de coopération.
  Le membre du personnel de la plate-forme des enseignants reçoit une désignation qui commence au plus tôt le 1er octobre et se termine au plus tard à la fin de l'année scolaire. La désignation est uniquement possible dans une fonction de recrutement du personnel enseignant.
  Les décrets relatifs au statut sont applicables en ce qui concerne la désignation temporaire, mais l'emploi n'entre pas en ligne de compte pour une déclaration de vacance et l'autorité scolaire ne peut en aucun cas nommer un membre du personnel à titre définitif, l'affecter, le muter, le réaffecter ou le remettre ou travail dans ces emplois.
  Art. 153vicies. Le membre du personnel est désigné pour au moins une charge à mi-temps dans les écoles faisant partie de la plate-forme de coopération. La charge à mi-temps peut comprendre des périodes de cours pour la plate-forme des enseignants et d'autres périodes de cours.
  Art. 153viciessemel. Un membre du personnel de la plate-forme des enseignants est désigné à des remplacements réguliers.
  Art. 153viciesbis. Si le membre du personnel ne peut pas être désigné à des remplacements réguliers, il est affecté, sur la base de son certificat d'aptitude, à des missions pédagogiques valorisantes.
  Art. 153viciester. Les membres du personnel désignés à la plate-forme des enseignants doivent atteindre collectivement un pourcentage d'employabilité de 85 pour cent au niveau de la plate-forme de coopération.
  Si le pourcentage d'employabilité atteint déroge positivement ou négativement à ce pourcentage envisagé, cette différence sera imputée - positivement ou négativement - aux moyens de la plate-forme des enseignants qui, le cas échéant, seront attribués à la plate-forme de coopération au cours de l'année scolaire suivante. Si le pourcentage d'employabilité atteint était inférieur au pourcentage d'employabilité envisagé, le nombre de périodes de cours accordé à une plate-forme de coopération est réduit du nombre de périodes de cours correspondant au nombre nécessaire pour atteindre le pourcentage d'employabilité envisagé. Si le pourcentage d'employabilité atteint était supérieur au pourcentage d'employabilité envisagé, le nombre de périodes de cours est augmenté du nombre de périodes de cours correspondant au nombre nécessaire pour atteindre le pourcentage d'employabilité envisagé.
  Sous-section 6. Monitoring et continuation de la plate-forme des enseignants Art. 153viciesquater. Le projet pilote " plate-forme des enseignants " est suivi et contrôlé en réunion commune du Comité sectoriel X, de la sous-section Communauté flamande de la section 2 du Comité des services publics provinciaux et locaux et du comité coordinateur de négociation avec les pouvoirs publics et les partenaires sociaux, en vue d'une éventuelle poursuite de la mise en oeuvre de la mesure à partir de 2019-2020.
  Art. 153viciesquinquies. Cette section entre en vigueur le 1er octobre 2018 et cesse de produire ses effets à une date à fixer par le gouvernement. ".
Art. 26. In hoofdstuk IX van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 wordt een afdeling 3quinquies ingevoegd, die luidt als volgt :
  "Afdeling 3quinquies. Omzetting van niet-ingevulde vervangingen
  Art. 153viciessexies. Vanaf het schooljaar 2018-2019 krijgen schoolbesturen van het basisonderwijs de mogelijkheid om de betrekkingen in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel die in aanmerking komen voor een reguliere vervanging zoals gedefinieerd in afdeling 3quater, artikel 153ter decies, 1°, a), om te zetten in vervangingseenheden. Deze omzetting is enkel mogelijk op voorwaarde dat geen geschikt kandidaat kan worden gevonden die de betrokken vervanging kan uitoefenen. Het schoolbestuur ondertekent hiertoe een verklaring op eer.
  Voor het bepalen van het aantal vervangingseenheden wordt de teller van de opdrachtbreuk van het afwezige personeelslid vermenigvuldigd met het aantal kalenderdagen afwezigheid van het afwezige personeelslid.
  Deze vervangingseenheden kunnen worden opgespaard en later tijdens het schooljaar worden aangewend. Voor de verrekening van de aanwending worden de vervangingseenheden gedeeld door de teller van de opdrachtbreuk van de vervanger. De wettelijke feestdagen, de weekends en de herfst-, kerst-, krokus- en paasvakantie die, geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk aansluiten bij een periode van omzetting naar vervangingseenheden, en die een nieuwe periode van omzetting naar vervangingseenheden onmiddellijk voorafgaan, moeten eveneens worden aangerekend op de vervangingseenheden.
  De scholen onderhandelen in het bevoegde lokaal comité over de nadere modaliteiten van de aanwending.
  Art. 153viciessepties. De maatregel wordt jaarlijks opgevolgd en gemonitord in de gemeenschappelijke vergadering van Sectorcomité X, van onderafdeling Vlaamse Gemeenschap van afdeling 2 van het Comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van het overkoepelend onderhandelingscomité met de overheid en de sociale partners, met het oog op continuering en een eventuele uitbreiding naar andere ambten en personeelscategorieën.
  Art. 153duodetricies. Deze afdeling treedt in werking op 1 september 2018 en houdt op uitwerking te hebben op een door de regering te bepalen datum.".
Art. 26. Dans le chapitre IX du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental, il est inséré une section 3quinquies, rédigée comme suit :
  " Section 3quinquies. Conversion de remplacements non comblés
  Art. 153viciessexies. A partir de l'année scolaire 2018-2019, les autorités scolaires de l'enseignement fondamental pourront convertir les emplois dans une fonction de recrutement du personnel directeur et enseignant éligibles à un remplacement régulier tel que défini à la section 3quater, article 153terdecies, 1°, a), en unités de remplacement. Cette conversion n'est possible qu'à la condition qu'aucun candidat capable d'effectuer le remplacement en question puisse être trouvé. A cette fin, l'autorité scolaire signe une déclaration sur l'honneur.
  Pour déterminer le nombre d'unités de remplacement, le numérateur de la fraction de charge du membre du personnel absent est multiplié par le nombre de jours calendriers d'absence du membre du personnel absent.
  Ces unités de remplacement peuvent être cumulées et utilisées plus tard dans l'année scolaire. Pour le calcul de l'utilisation, les unités de remplacement sont divisées par le numérateur de la fraction de charge du remplaçant. Les jours fériés légaux, les week-ends et les vacances d'automne, de Noël, de Carnaval et de Pâques qui, en tout ou en partie, suivent immédiatement une période de conversion en unités de remplacement, et qui précèdent immédiatement une nouvelle période de conversion en unités de remplacement, doivent également être décomptés des unités de remplacement.
  Les écoles négocient au sein du comité local compétent sur les modalités relatives à l'utilisation.
  Art. 153viciessepties. Chaque année, la mesure est suivie et contrôlée en réunion commune du Comité sectoriel X, de la sous-section Communauté flamande de la section 2 du Comité des services publics provinciaux et locaux et du comité coordinateur de négociation avec les pouvoirs publics et les partenaires sociaux, en vue de la continuation et d'une éventuelle extension vers d'autres fonctions et catégories du personnel.
  Art. 153duodetricies. Cette section entre en vigueur le 1er septembre 2018 et cesse de produire ses effets à une date à fixer par le gouvernement. ".
Afdeling 4. - Maatregelen tot uitvoering van cao XI - Lerarenplatform en omzetting van niet-ingevulde vervangingen - Secundair Onderwijs
Section 4. - Mesures de mise en oeuvre de la CCT XI Plate-forme des enseignants et conversion des remplacements non comblés - Enseignement secondaire
Art. 27. In deel III, titel 1, hoofdstuk 3, afdeling 2, onderafdeling 2, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, bekrachtigd bij het decreet van 27 mei 2011, wordt het opschrift vervangen door wat volgt :
  "Onderwijzend personeel - herverdeling en overdracht van uren".
Art. 27. Dans la partie III, titre 1er, chapitre 3, section 2, sous-section 2, du Code de l'enseignement secondaire du 17 décembre 2010, sanctionné par le décret du 27 mai 2011, l'intitulé est remplacé par ce qui suit :
  " Personnel enseignant - redistribution et transfert d'heures ".
Art. 28. In deel III, titel 1, hoofdstuk 3, afdeling 2, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, bekrachtigd bij het decreet van 27 mei 2011, wordt een onderafdeling 2/1 ingevoegd, die luidt als volgt :
  "Onderafdeling 2/1. Onderwijzend personeel - lerarenplatform
  Art. 22/1. Deze onderafdeling is van toepassing op de wervingsambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel, die worden vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 en in artikel 4, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsi-dieerd onderwijs van 27 maart 1991 en die worden tewerkgesteld in het secundair onderwijs.
  Art. 22/2. Voor de toepassing van deze onderafdeling wordt begrepen onder :
  1° reguliere vervanging : een vervanging van een afwezigheid van minder dan een schooljaar die voldoet aan volgende voorwaarden :
  - het te vervangen personeelslid is aangesteld in een gefinancierde of gesubsidieerde betrekking in het onderwijs;
  - het personeelslid dat afwezig is, kan worden vervangen volgens de gangbare financierings- en subsidiëringsregels;
  2° samenwerkingsplatform :
  - een scholengemeenschap of;
  - meerdere scholengemeenschappen of;
  - een scholengemeenschap en één of meer scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren of;
  - meerdere scholengemeenschappen en één of meer scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren;
  3° inzetbaarheidspercentage : de verhouding tussen de totale duur van de uitgeoefende reguliere vervangingen, uitgedrukt in kalenderdagen, en de totale duur van de aanstelling, uitgedrukt in kalenderdagen, telkens vermenigvuldigd met het volume van de opdracht.
  Art. 22/3. Tijdens het schooljaar 2018-2019 wordt een pilootproject `lerarenplatform' opgezet om tijdelijk aangestelde personeelsleden werkzekerheid te bieden.
  Art. 22/4. In het secundair onderwijs kunnen een aantal projectscholen die deel uitmaken van een samenwerkingsplatform deelnemen binnen het voorziene aantal voltijdse equivalenten. De selectie van de samenwerkingsplatformen gebeurt door de Vlaamse Regering op voorstel van de gemeenschappelijke vergadering van Sectorcomité X, van onderafdeling Vlaamse Gemeenschap van afdeling 2 van het Comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van het overkoepelend onderhandelingscomité met de overheid en de sociale partners op basis van volgende criteria :
  - evenredige spreiding over de netten volgens lesurenpakket;
  - geografische spreiding;
  - grootte van het samenwerkingsplatform;
  - de inhoud van de protocollen van de onderhandelingen.
  Art. 22/5. De deelnemende scholen moeten in het bevoegde lokaal comité onderhandelen over :
  - de deelname aan het lerarenplatform;
  - de criteria van aanstelling van de betrokken personeelsleden;
  - de criteria van inzetbaarheid van de betrokken personeelsleden in pedagogisch zinvolle taken;
  - de inzetbaarheid in de verschillende scholengemeenschappen indien het samenwerkingsplatform bestaat uit meerdere scholengemeenschappen of in de scholen die niet behoren tot een scholengemeenschap.
  Art. 22/6. De totale som van de uren-leraar en lesuren zoals bepaald in artikel 22/8 van alle deelnemende scholen mag niet meer bedragen dan 148.422 uren-leraar/lesuren. Het aantal beschikbare voltijdse equivalenten bedraagt 350 voor het secundair onderwijs voor het totaal van alle deelnemende scholen. De omzetting van voltijds equivalenten naar lesuren of uren-leraar gebeurt door het aantal voltijdse equivalenten te vermenigvuldigen met 21,47.
  Art. 22/7. Alle deelnemende scholen ontvangen lesuren of uren-leraar voor de aanstelling van personeelsleden in het lerarenplatform. Het volume van deze lesuren of uren-leraar per deelnemende school wordt berekend a rato van het aandeel van de lesuren of uren-leraar van vorig schooljaar van de betreffende school ten opzichte van het totaal aantal lesuren of uren-leraar van vorig schooljaar van alle deelnemende scholen samen waarbij onder het totaal aantal lesuren of uren-leraar wordt verstaan de som van het totale aantal :
  - uren-leraar voor de levensbeschouwelijke en de niet-levensbeschouwelijke vakken;
  - uren-leraar geïntegreerd ondersteuningsaanbod;
  - lesuren voor levensbeschouwing en niet-levensbeschouwing;
  - lesuren geïntegreerd ondersteuningsaanbod.
  Art. 22/8. De lesuren en uren-leraar voor het lerarenplatform worden samengelegd op het niveau van het samenwerkingsplatform. Deze lesuren en uren-leraar kunnen niet worden overgedragen naar het volgende schooljaar of naar een ander samenwerkingsplatform.
  Het personeelslid in het lerarenplatform krijgt een aanstelling die ten vroegste aanvangt op 1 oktober en uiterlijk eindigt op het einde van het schooljaar. De aanstelling is alleen mogelijk in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel.
  De decreten Rechtspositie zijn van toepassing voor wat betreft de tijdelijke aanstelling, maar de betrekking komt niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren, muteren, reaffecteren of wedertewerkstellen in deze betrekkingen.
  Art. 22/9. Het personeelslid wordt voor ten minste een halftijdse opdracht aangesteld in de scholen die deel uitmaken van het samenwerkingsplatform. De halftijdse opdracht kan bestaan uit lesuren en uren-leraar voor het lerarenplatform en andere lesuren en uren-leraar.
  Art. 22/10. Een personeelslid in het lerarenplatform wordt ingezet voor reguliere vervangingen.
  Art. 22/11. Als het personeelslid niet kan worden ingezet voor reguliere vervangingen, wordt het op basis van zijn bekwaamheidsbewijs ingezet in zinvolle pedagogische taken.
  Art. 22/12. De personeelsleden aangesteld in het lerarenplatform moeten op het niveau van het samenwerkingsplatform samen een inzetbaarheidspercentage van 85 procent bereiken.
  Als het bereikte inzetbaarheidspercentage op positieve of negatieve wijze afwijkt van dit vooropgesteld percentage, zal dit verschil - op positieve of negatieve wijze - worden verrekend op de middelen lerarenplatform die in voorkomend geval het daarop volgend schooljaar worden toegekend aan het samenwerkingsplatform. Indien het bereikte inzetbaarheidspercentage lager lag dan het vooropgestelde inzetbaarheidspercentage, wordt het aantal lesuren/uren-leraar dat wordt toegekend aan een samenwerkingsplatform verminderd met het aantal lesuren/uren-leraar dat overeenkomt met het aantal dat nodig was om het vooropgestelde inzetbaarheidspercentage te bereiken. Indien het bereikte inzetbaarheidspercentage hoger lag dan het vooropgestelde inzetbaarheidspercentage, wordt het aantal lesuren/uren-leraar vermeerderd met het aantal lesuren/uren-leraar dat overeenkomt met het aantal dat nodig was om het vooropgestelde inzetbaarheidspercentage te bereiken.
  Art. 22/13. Het pilootproject lerarenplatform wordt opgevolgd en gemonitord in de gemeenschappelijke vergadering van Sectorcomité X, van onderafdeling Vlaamse Gemeenschap van afdeling 2 van het Comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van het overkoepelend onderhandelingscomité met de overheid en de sociale partners, met het oog op een mogelijke verdere implementatie van de maatregel vanaf 2019-2020.
  Art. 22/14. Deze afdeling treedt in werking op 1 oktober 2018 en houdt op uitwerking te hebben op een door de Vlaamse Regering te bepalen datum.".
Art. 28. Dans la partie III, titre 1er, chapitre 3, section 2, du Code de l'enseignement secondaire du 17 décembre 2010, sanctionné par le décret du 27 mai 2011, il est inséré une sous-section 2/1, rédigée comme suit :
  " Sous-section 2/1. Personnel enseignant - plate-forme des enseignants
  Art. 22/1. La présente sous-section s'applique aux fonctions de recrutement du personnel directeur et enseignant visés à l'article 2, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire et à l'article 4, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné, et employés dans l'enseignement secondaire.
  Art. 22/2. Pour l'application de la présente sous-section, il faut entendre par :
  1° remplacement régulier : un remplacement d'une absence inférieure à une année scolaire, remplissant les conditions suivantes :
  - le membre du personnel à remplacer est désigné à un emploi financé ou subventionné dans l'enseignement;
  - le membre du personnel absent peut être remplacé selon les règles de financement et de subventionnement courants;
  2° plate-forme de coopération :
  - un centre d'enseignement ou;
  - plusieurs centres d'enseignement ou;
  - un centre d'enseignement et une ou plusieurs écoles n'appartenant pas à un centre d'enseignement ou;
  - plusieurs centres d'enseignement et une ou plusieurs écoles n'appartenant pas à un centre d'enseignement;
  3° pourcentage d'employabilité : le rapport entre la durée totale des remplacements réguliers effectués, exprimée en jours calendriers, et la durée totale de la désignation, exprimée en jours calendriers, multipliée dans chaque cas par le volume de la tâche.
  Art. 22/3. Pendant l'année scolaire 2018-2019, un projet pilote " plate-forme des enseignants " est conçu afin d'assurer de sécurité d'emploi aux membres du personnel désignés à titre temporaire.
  Art. 22/4. Dans l'enseignement secondaire, un nombre d'écoles de projet faisant partie d'une plate-forme de coopération peuvent participer dans les limites du nombre prévu d'équivalents à temps plein. La sélection des plates-formes de coopération est effectuée par le Gouvernement flamand sur proposition de la réunion commune du Comité sectoriel X, de la sous-section Communauté flamande de la section 2 du Comité des services publics provinciaux et locaux et du comité coordinateur de négociation avec les pouvoirs publics et les partenaires sociaux sur la base des critères suivants :
  - la répartition proportionnelle entre les réseaux selon le capital périodes;
  - la répartition géographique;
  - l'ampleur de la plate-forme de coopération;
  - le contenu des protocoles des négociations.
  Art. 22/5. Les écoles participantes doivent négocier au sein du comité local compétent sur :
  - la participation à la plate-forme des enseignants;
  - les critères de désignation des membres du personnel concernés;
  - les critères d'employabilité des membres du personnel concernés dans des missions pédagogiques utiles;
  - l'employabilité dans les différents centres d'enseignement si la plate-forme de coopération comprend plusieurs centres d'enseignement ou dans les écoles ne faisant pas partie d'un centre d'enseignement.
  Art. 22/6. La somme totale des périodes-professeur et des heures de cours telle que définies à l'article 22/8 de toutes les écoles participantes ne peut pas dépasser 148.422 périodes-professeur/heures de cours. Le nombre d'équivalents à temps plein disponibles est de 350 pour l'enseignement secondaire pour l'ensemble des écoles participantes. La conversion d'équivalents à temps plein en périodes de cours ou en périodes-professeur s'opère en multipliant le nombre d'équivalents à temps plein par 21,47.
  Art. 22/7. Toutes les écoles participantes reçoivent des périodes de cours ou des périodes-professeur pour la désignation de membres du personnel à la plate-forme des enseignants. Le volume de ces périodes de cours ou périodes-professeur par école participante est calculé au prorata de la part des périodes de cours ou des périodes-professeur de l'année scolaire précédente de l'école concernée par rapport au nombre total de périodes de cours ou périodes-professeur de l'année scolaire précédente de l'ensemble des écoles participantes, le nombre total de périodes de cours ou de périodes-professeur étant la somme du nombre total :
  - des périodes-professeur pour les cours philosophiques et non philosophiques;
  - des périodes-professeur d'offre d'appui intégrée;
  - des heures de cours d'opinion philosophique et non philosophique;
  - des heures de cours d'offre d'appui intégrée.
  Art. 22/8. Les heures de cours et périodes-professeur pour la plate-forme des enseignants sont réunies au niveau de la plate-forme de coopération. Ces heures de cours et périodes-professeur ne peuvent pas être transférées à l'année scolaire suivante ou à une autre plate-forme de coopération.
  Le membre du personnel de la plate-forme des enseignants est désigné au plus tôt le 1er octobre et au plus tard à la fin de l'année scolaire. La désignation est uniquement possible dans une fonction de recrutement du personnel directeur et enseignant.
  Les décrets relatifs au statut sont applicables en ce qui concerne la désignation temporaire, mais l'emploi n'entre pas en ligne de compte pour une déclaration de vacance et l'autorité scolaire ne peut en aucun cas nommer un membre du personnel à titre définitif, l'affecter, le muter, le réaffecter ou le remettre au travail dans ces emplois.
  Art. 22/9. Le membre du personnel est désigné pour au moins une charge à mi-temps dans les écoles faisant partie de la plate-forme de coopération. La charge à mi-temps peut comprendre des heures de cours et périodes-professeur pour la plate-forme des enseignants et d'autres heures de cours et périodes-professeur.
  Art. 22/10. Un membre du personnel de la plate-forme des enseignants est désigné pour des remplacements réguliers.
  Art. 22/11. Si le membre du personnel ne peut pas être désigné pour des remplacements réguliers, il est affecté, sur la base de son certificat d'aptitude, à des missions pédagogiques utiles.
  Art. 22/12. Les membres du personnel désignés à la plate-forme des enseignants doivent atteindre collectivement un pourcentage d'employabilité de 85 pour cent au niveau de la plate-forme de coopération.
  Si le pourcentage d'employabilité atteint déroge positivement ou négativement à ce pourcentage envisagé, cette différence sera imputée - positivement ou négativement - aux moyens de la plate-forme des enseignants qui, le cas échéant, seront attribués à la plate-forme de coopération au cours de l'année scolaire suivante. Si le pourcentage d'employabilité atteint était inférieur au pourcentage d'employabilité envisagé, le nombre d'heures de cours/de périodes-professeur attribué à une plate-forme de coopération est réduit du nombre d'heures de cours/de périodes-professeur correspondant au nombre nécessaire pour atteindre le pourcentage d'employabilité envisagé. Si le pourcentage d'employabilité atteint était supérieur au pourcentage d'employabilité envisagé, le nombre d'heures de cours/de périodes-professeur est augmenté du nombre d'heures de cours/de périodes-professeur correspondant au nombre nécessaire pour atteindre le pourcentage d'employabilité envisagé.
  Art. 22/13. Le projet pilote " plate-forme des enseignants " est suivi et contrôlé en réunion commune du Comité sectoriel X, de la sous-section Communauté flamande de la section 2 du Comité des services publics provinciaux et locaux et du comité coordinateur de négociation avec les pouvoirs publics et les partenaires sociaux, en vue d'une éventuelle poursuite de la mise en oeuvre de la mesure à partir de 2019-2020.
  Art. 22/14. Cette section entre en vigueur le 1er octobre 2018 et cesse de produire ses effets à une date à fixer par le Gouvernement flamand. ".
Art. 29. In deel III, titel 1, hoofdstuk 3, afdeling 2, van de Codex Secundair Onderwijs 17 december 2010, bekrachtigd bij het decreet van 27 mei 2011, wordt een onderafdeling 2/2 ingevoegd, die luidt als volgt :
  "Onderafdeling 2/2. Onderwijzend personeel - Omzetting van niet-ingevulde vervangingen
  Art. 22/15. Vanaf het schooljaar 2018-2019 krijgen schoolbesturen van het secundair onderwijs de mogelijkheid om de betrekkingen in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel die in aanmerking komen voor een reguliere vervanging zoals gedefinieerd in onderafdeling 2/1, artikel 22/2, 1°, a), om te zetten in vervangingseenheden. Deze omzetting is enkel mogelijk op voorwaarde dat geen geschikt kandidaat kan worden gevonden die de betrokken vervanging kan uitoefenen. Het schoolbestuur ondertekent hiertoe een verklaring op eer.
  Voor het bepalen van het aantal vervangingseenheden wordt de teller van de opdrachtbreuk van het afwezige personeelslid vermenigvuldigd met de kalenderdagen afwezigheid van het afwezige personeelslid.
  Deze vervangingseenheden kunnen worden opgespaard en later tijdens het schooljaar worden aangewend. Voor de verrekening van de aanwending worden de vervangingseenheden gedeeld door de teller van de opdrachtbreuk van de vervanger. De wettelijke feestdagen, de weekends en de herfst-, kerst-, krokus- en paasvakantie die, geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk aansluiten bij een periode van omzetting naar vervangingseenheden, en die een nieuwe periode van omzetting naar vervangingseenheden onmiddellijk voorafgaan, moeten eveneens worden aangerekend op de vervangingseenheden.
  De scholen onderhandelen in het bevoegde lokaal comité over de nadere modaliteiten van de aanwending.
  Art. 22/16. De maatregel wordt jaarlijks opgevolgd en gemonitord in de gemeenschappelijke vergadering van Sectorcomité X, van onderafdeling Vlaamse Gemeenschap van afdeling 2 van het Comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van het overkoepelend onderhandelingscomité met de overheid en de sociale partners, met het oog op continuering en een eventuele uitbreiding naar andere ambten en personeelscategorieën.
  Art. 22/17. Deze afdeling treedt in werking op 1 september 2018 en houdt op uitwerking te hebben op een door de Vlaamse Regering te bepalen datum.".
Art. 29. Dans la partie III, titre 1er, chapitre 3, section 2, du Code de l'enseignement secondaire du 17 décembre 2010, sanctionné par le décret du 27 mai 2011, il est inséré une sous-section 2/2, rédigée comme suit :
  " Sous-section 2/2. Personnel enseignant - Conversion des remplacements non comblés
  Art. 22/15. A partir de l'année scolaire 2018-2019, les autorités scolaires de l'enseignement secondaire pourront convertir les emplois dans une fonction de recrutement du personnel directeur et enseignant éligibles à un remplacement régulier tel que défini à la sous-section 2/1, article 22/2, 1°, a), en unités de remplacement. Cette conversion n'est possible qu'à la condition qu'aucun candidat capable d'effectuer le remplacement en question puisse être trouvé. A cette fin, l'autorité scolaire signe une déclaration sur l'honneur.
  Pour déterminer le nombre d'unités de remplacement, le numérateur de la fraction de charge du membre du personnel absent est multiplié par le nombre de jours calendriers d'absence du membre du personnel absent.
  Ces unités de remplacement peuvent être cumulées et utilisées plus tard dans l'année scolaire. Pour le calcul de l'utilisation, les unités de remplacement sont divisées par le numérateur de la fraction de charge du remplaçant. Les jours fériés légaux, les week-ends et les vacances d'automne, de Noël, de Carnaval et de Pâques qui, en tout ou en partie, suivent immédiatement une période de conversion en unités de remplacement, et qui précèdent immédiatement une nouvelle période de conversion en unités de remplacement, doivent également être décomptés des unités de remplacement.
  Les écoles négocient au sein du comité local compétent sur les modalités relatives à l'utilisation.
  Art. 22/16. Chaque année, la mesure est suivie et contrôlée en réunion commune du Comité sectoriel X, de la sous-section Communauté flamande de la section 2 du Comité des services publics provinciaux et locaux et du comité coordinateur de négociation avec les pouvoirs publics et les partenaires sociaux, en vue de la continuation et d'une éventuelle extension vers d'autres fonctions et catégories du personnel.
  Art. 22/17. Cette section entre en vigueur le 1er septembre 2018 et cesse de produire ses effets à une date à fixer par le Gouvernement flamand. ".
Afdeling 5. - Maatregelen tot uitvoering van cao XI : aanpassing van de rechtsgrond voor een terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking naar aanleiding van de vacantverklaring van bepaalde betrekkingen van personeelsleden die afwezig zijn omwille van een verlofstelsel in het besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2016 betreffende codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs (bekrachtigd bij het decreet van 23 december 2016)
Section 5. - Mesures de mise en oeuvre de la CCT XI : adaptation du fondement juridique pour une mise en disponibilité par défaut d'emploi suite à la déclaration de vacance de certains emplois de membres du personnel qui sont absents à l'occasion d'un régime de congé visé à l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 octobre 2016 portant codification de certaines dispositions relatives à l'enseignement (sanctionné par le décret du 23 décembre 2016)
Art. 30. In artikel V.75, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2016 betreffende codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs, bekrachtigd bij het decreet van 23 december 2016, wordt aan de opsomming de zin "- een vaste benoeming van een ander personeelslid in hun betrekking die vacant is verklaard in toepassing van artikel 28, § 1, eerste lid, 4° of 5°, of artikel 100terdecies van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 of van artikel 33, § 1, eerste lid, 4° en 5°, of artikel 84undevicies van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991." toegevoegd.
Art. 30. L'énumération dans l'article V.75, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 octobre 2016 portant codification de certaines dispositions relatives à l'enseignement, sanctionné par le décret du 23 décembre 2016, est complétée par la phrase suivante " - une nomination à titre définitif d'un autre membre du personnel à leur emploi ayant été déclaré vacant en application de l'article 28, § 1er, alinéa 1er, 4° ou 5°, ou de l'article 100terdecies du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire ou de l'article 33, § 1er, alinéa 1er, 4° et 5°, ou de l'article 84undevicies du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné. ".
Afdeling 6. - Maatregelen tot uitvoering van cao XI : vereenvoudiging van de procedure betreffende vaste benoeming en vacantverklaring in het decreet rechtpositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991
Section 6. - Mesures de mise en oeuvre de la CCT XI : simplification de la procédure relative à la nomination à titre définitif et à la déclaration de vacance visées au décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire
Art. 31. Aan artikel 3 van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, het laatst gewijzigd bij het decreet van 27 april 2018, wordt aan punt 11° de zin "Met het oog op een vaste benoeming is dit ook een betrekking die vacant wordt verklaard volgens artikel 28, § 1, 4° en 5°, of artikel 100terdecies;" toegevoegd.
Art. 31. A l'article 3, point 11°, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire, modifié en dernier lieu par le décret du 27 avril 2018, il est ajouté la phrase " En vue d'une nomination à titre définitif, il s'agit également d'un emploi déclaré vacant en vertu de l'article 28, § 1er, 4° et 5°, ou de l'article 100terdecies; ".
Art. 32. In artikel 28 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 1 juli 2011 en gewijzigd bij het decreet van 3 juli 2015 en bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2016, bekrachtigd bij het decreet van 23 december 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt :
  " § 1. De raad van bestuur - voor het vormingscentrum de afgevaardigd bestuurder - verklaart jaarlijks alle vacante betrekkingen vacant met het oog op een vaste benoeming op 1 januari van het lopende schooljaar. De lijst van de vacant verklaarde betrekkingen omvat :
  1° alle vacante betrekkingen in de betrokken instelling of instellingen op 15 oktober van dat schooljaar;
  2° de betrekkingen die in de periode van 15 oktober tot en met 1 januari van dat schooljaar vacant zullen worden ten gevolge van de pensionering of de terbeschikkingstelling voorafgaand aan het rustpensioen van de titularis. De raad van bestuur kan deze betrekkingen vacant verklaren;
  3° de betrekking van een vastbenoemd personeelslid dat uiterlijk op 15 oktober van dat schooljaar in toepassing van artikel V.75, § 2, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016 ter beschikking wordt gesteld wegens ontstentenis van betrekking. Op het ogenblik van deze terbeschikkingstelling wordt de betrekking waar het personeelslid titularis van is een vacante betrekking;
  4° het deel van de betrekking in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel van een vastbenoemd personeelslid waarvoor dat personeelslid op 15 oktober van dat schooljaar een verlof wegens verminderde prestaties vanaf de leeftijd van 55 jaar geniet als vermeld in artikel 5, § 1, 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties;
  5° het deel van de betrekking in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel van een vastbenoemd personeelslid waarvoor dat personeelslid op 15 oktober van dat schooljaar een gedeeltelijke loopbaan-onderbreking vanaf de leeftijd van 50 of 55 jaar geniet als vermeld in artikel 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 september 2011 betreffende de loopbaanonderbreking van de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding.
  In afwijking van het eerste lid bepaalt de raad van bestuur voor haar centra voor volwassenenonderwijs jaarlijks op basis van een beleidsplan en na onderhandelingen in het bevoegde lokaal comité welke vacante betrekkingen hij vacant verklaart. De raad van bestuur moet de vacante betrekkingen waarover in het bevoegde lokaal comité geen akkoord wordt bereikt vacant verklaren als het gaat om vacante betrekkingen die gedurende de drie aan het betrokken schooljaar voorafgaande schooljaren ook vacant waren. De raad van bestuur moet alleszins jaarlijks de betrekkingen, vermeld in het eerste lid, 4° en 5°, vacant verklaren.";
  2° in paragraaf 2 wordt de zinsnede "elk jaar voor 1 april" vervangen door de zinsnede "elk schooljaar voor 15 november".
Art. 32. A l'article 28 du même décret, remplacé par le décret du 1er juillet et modifié par le décret du 3 juillet 2015 et par l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 octobre 2016, sanctionné par le décret du 23 décembre 2016, sont apportées les modifications suivantes :
  1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
  " § 1er. Chaque année, le conseil d'administration - l'administrateur délégué pour le centre de formation - fait une déclaration de vacance pour tous les emplois devenus vacants, en vue d'une nomination à titre définitif au 1er janvier de l'année scolaire en cours. La liste des emplois déclarés vacants comprend :
  1° tous les emplois vacants dans le ou les établissements concernés au 15 octobre de cette année scolaire;
  2° les emplois qui, dans la période du 15 octobre au 1er janvier inclus de cette année scolaire, deviendront vacants par suite d'une mise à la retraite ou d'une mise à disposition préalable à la pension de retraite du titulaire. Le conseil d'administration peut faire une déclaration de vacance de ces emplois;
  3° l'emploi d'un membre du personnel nommé qui, au plus tard le 15 octobre de cette année scolaire, est mis en disponibilité par défaut d'emploi en application de l'article V.75, § 2, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 octobre 2016 portant codification de certaines dispositions relatives à l'enseignement. Au moment de cette mise en disponibilité, l'emploi dont est titulaire le membre du personnel devient un emploi vacant;
  4° la partie de l'emploi dans une fonction de recrutement du personnel directeur et enseignant d'un membre du personnel nommé pour laquelle ce membre du personnel bénéficie le 15 octobre de l'année scolaire en question, d'un congé pour prestations réduites à partir de l'âge de 55 ans, tel que visé à l'article 5, § 1er, 3°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 avril 1990 relatif aux congés pour prestations réduites;
  5° la partie de l'emploi dans une fonction de recrutement du personnel directeur et enseignant d'un membre du personnel nommé pour laquelle ce membre du personnel bénéficie le 15 octobre de l'année scolaire en question, d'une interruption de carrière partielle à partir de l'âge de 50 ou de 55 ans, tel que visé à l'article 9 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 septembre 2011 relatif à l'interruption de carrière des membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des élèves.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, le conseil d'administration détermine chaque année pour ses centres d'éducation des adultes, sur la base d'un plan directeur et après des négociations au sein du comité local compétent, quels sont les emplois vacants pour lesquels il fait une déclaration de vacance. Le conseil d'administration doit déclarer vacants les emplois vacants n'ayant pas recueilli un accord au sein du comité local compétent, s'il s'agit d'emplois vacants qui étaient déjà vacants pendant les trois années scolaires précédant l'année scolaire en question. Chaque année, le conseil d'administration doit en tout cas déclarer vacants les emplois visés à l'alinéa 1er, 4° et 5°. ";
  2° au paragraphe 2, le membre de phrase " chaque année avant le 1er avril " est remplacé par le membre de phrase " chaque année scolaire avant le 15 novembre ".
Art. 33. Artikel 36 van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 3 juli 2015, wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. 36. Een personeelslid kan in vast verband worden benoemd als hij op het ogenblik van de vaste benoeming voldoet aan de bepalingen van artikel 17, met uitzondering van paragraaf 1, 7°, en daarenboven :
  1° op 30 juni voorafgaand aan de datum waarop de benoeming ingaat ten minste 720 dagen dienstanciënniteit telt, waarvan 360 dagen in het betrokken ambt. Als het een leraar betreft in het bezit van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs kan de raad van bestuur eisen dat, van de 720 dagen er 360 werden gepresteerd in de opleiding, de module, het vak of de specialiteit van de vacant verklaarde betrekking;
  2° zich kandidaat heeft gesteld in de vorm en binnen de termijn, vermeld in de oproep tot de kandidaten;
  3° op 31 december voorafgaand aan de vaste benoeming voor doorlopende duur is aangesteld in het ambt waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld. Behoort de instelling waar het personeelslid voor doorlopende duur is aangesteld, niet tot een scholengemeenschap, dan vervult het personeelslid deze voorwaarde voor alle instellingen van de scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren. Behoort de instelling waar het personeelslid voor doorlopende duur is aangesteld tot een scholengemeenschap, dan vervult het personeelslid deze voorwaarde voor alle instellingen van deze scholengemeenschap. Is het personeelslid op 31 december voor doorlopende duur aangesteld in het ambt van leraar, dan geldt dit als een aanstelling in dat ambt voor alle opleidingen, modules of vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid het recht op een aanstelling van doorlopende duur heeft opgebouwd, zoals bepaald in artikel 21, § 5, en artikel 21bis, § 5. De bepalingen van dit punt zijn niet van toepassing op een personeelslid dat werd aangesteld bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling of op een personeelslid bedoeld in hoofdstuk Vbis voor wat betreft het volume van zijn opdracht waarvoor hij vast benoemd is en waarvoor hij een verlof heeft verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen. Dit personeelslid moet, voor zover hij het ambt van leraar uitoefent, 360 dagen dienstanciënniteit hebben verworven in de opleiding, de module, het vak of de specialiteit van de vacant verklaarde betrekking;
  4° als laatste evaluatie of beoordeling in het betrokken ambt geen evaluatie of beoordeling met eindconclusie "onvoldoende" heeft verkregen bij de scholengroep waar de vacante betrekking zich situeert. Als het personeelslid de evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" kreeg in een instelling van de scholengroep die behoort tot een scholengemeenschap, dan geldt deze bepaling voor alle instellingen van deze scholengroep die behoren tot deze scholengemeenschap. Als het personeelslid de evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" kreeg in een instelling van de scholengroep die niet behoort tot een scholengemeenschap, dan geldt deze bepaling voor alle instellingen van deze scholengroep die niet behoren tot een scholengemeenschap. Als het personeelslid niet werd geëvalueerd of niet werd beoordeeld, wordt deze voorwaarde geacht voldaan te zijn.
  De vaste benoeming is slechts mogelijk als het personeelslid de betrekking in hoofdambt uitoefent.".
Art. 33. L'article 36 du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 3 juillet 2015, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 36. Un membre du personnel peut être nommé définitivement si au moment de la nomination à titre définitif, il répond aux dispositions de l'article 17, à l'exception du paragraphe 1er, 7°, et qu'en outre :
  1° il compte au 30 juin précédant la date de l'entrée en vigueur de la nomination au moins 720 jours d'ancienneté de service, dont 360 jours dans la fonction concernée. S'il s'agit d'un enseignant en possession d'un certificat d'aptitude jugé suffisant, le conseil d'administration peut exiger que sur ces 720 jours, 360 aient été prestés dans la formation, le module, la branche ou la spécialité de l'emploi déclaré vacant;
  2° il a posé sa candidature dans les formes et le délai mentionnés dans l'appel aux candidats;
  3° il a été désigné au 31 décembre précédant la nomination définitive à durée ininterrompue dans la fonction pour laquelle il a posé sa candidature. Si l'établissement où le membre du personnel est désigné à durée ininterrompue n'appartient pas à un centre d'enseignement, le membre du personnel remplit cette condition pour tous les établissements du groupe d'écoles n'appartenant pas à un centre d'enseignement. Si l'établissement où le membre du personnel est désigné à durée ininterrompue appartient à un centre d'enseignement, le membre du personnel remplit cette condition pour tous les établissements de ce centre d'enseignement. Si le membre du personnel est désigné le 31 décembre pour une durée ininterrompue dans la fonction d'enseignant, cette désignation est censée être une désignation dans cette fonction pour tous les formations, modules ou branches et spécialités pour lesquels le membre du personnel a accumulé le droit à une désignation à durée ininterrompue, telle que prévue à l'article 21, § 5 et à l'article 21bis, § 5. Les dispositions du présent point ne s'appliquent pas à un membre du personnel désigné à titre de réaffectation ou de remise au travail ou à un membre du personnel visé au chapitre Vbis pour ce qui concerne le volume de la charge pour laquelle il est nommé à titre définitif et pour laquelle il a obtenu un congé afin d'exercer temporairement une autre charge. Ce membre du personnel doit, pour autant qu'il exerce la fonction d'enseignant, avoir acquis 360 jours d'ancienneté de service dans la formation, le module, la branche ou la spécialité de l'emploi déclaré vacant;
  4° si celui-ci, lors de la dernière évaluation ou appréciation dans la fonction concernée, n'a pas obtenu comme conclusion finale la mention " insuffisant " dans le groupe d'écoles où se situe l'emploi vacant. Si le membre du personnel a obtenu une évaluation portant la conclusion finale " insuffisant " dans un établissement du groupe d'écoles appartenant à un centre d'enseignement, cette disposition vaut pour tous les établissements de ce groupe d'écoles appartenant à ce centre d'enseignement. Si le membre du personnel a obtenu une évaluation portant la conclusion finale " insuffisant " dans un établissement d'un groupe d'écoles n'appartenant pas à un centre d'enseignement, cette disposition vaut pour tous les établissements de ce groupe d'écoles n'appartenant pas à un centre d'enseignement. Si le membre du personnel n'a pas fait l'objet d'une évaluation ou d'une appréciation, la condition est censée être remplie.
  La nomination à titre définitif n'est possible que si le membre du personnel exerce l'emploi en fonction principale. ".
Art. 34. In artikel 37, § 3, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 18 mei 1999 en gewijzigd bij het decreet van 3 juli 2015, wordt de zinsnede "1 juli of op 1 oktober" vervangen door de zinsnede "1 januari".
Art. 34. Dans l'article 37, § 3, du même décret, remplacé par le décret du 18 mai 1999 et modifié par le décret du 3 juillet 2015, le membre de phrase " 1er juillet ou 1er octobre " est remplacé par le membre de phrase " 1er janvier ".
Art. 35. In artikel 40ter van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 14 juli 1998 en gewijzigd bij de decreten van 18 mei 1999, 8 juni 2000 en 3 juli 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid van paragraaf 2 wordt in punt 3° de zinsnede "1 oktober" vervangen door de zinsnede "1 februari";
  2° in het derde lid van paragraaf 2 wordt de zinsnede "1 juli of 1 oktober" vervangen door de zinsnede "1 januari";
  3° in paragraaf 3 wordt de zinsnede "1 juli of 1 oktober" vervangen door de zinsnede "1 januari".
Art. 35. A l'article 40ter du même décret, inséré par le décret du 14 juillet 1998 et modifié par les décrets des 18 mai 1999, 8 juin 2000 et 3 juillet 2015, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au point 3° de l'alinéa 1er du paragraphe 2, le membre de phrase " 1er octobre " est remplacé par le membre de phrase " 1er février ";
  2° à l'alinéa 3 du paragraphe 2, le membre de phrase " 1er juillet ou le 1er octobre " est remplacé par le membre de phrase " 1er janvier ";
  3° au paragraphe 3, le membre de phrase " 1er juillet ou 1er octobre " est remplacé par le membre de phrase " 1er janvier ".
Art. 36. Aan hoofdstuk IX, afdeling 2, van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 16 juni 2017, wordt een artikel 77decies toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "Art. 77decies. § 1. Dit artikel is van toepassing op een personeelslid wiens betrekking vacant is verklaard in toepassing van artikel 28, § 1, 4° en 5°, of artikel 100terdecies.
  § 2. Het personeelslid wiens betrekking volgens paragraaf 1 vacant is verklaard, blijft na de vacantverklaring van die betrekking in de administratieve en geldelijke toestand die verbonden is aan zijn verlof of afwezigheid.
  Als het personeelslid, vermeld in het eerste lid, in de loop van het schooljaar uit zijn verlof of afwezigheid terugkeert, dan neemt hij in de eigen instelling of, als dat niet mogelijk is, in een andere instelling van de scholengemeenschap of desgevallend de scholengroep een vacante betrekking in. Als er geen vacante betrekking voorhanden is, wordt het personeelslid ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking in toepassing van artikel V.75, § 1, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016.
  Als het personeelslid, vermeld in het eerste lid, op 1 september uit zijn verlof of afwezigheid terugkeert, neemt dit personeelslid bij de verdeling van de betrekkingen zijn rangorde in op basis van zijn dienstanciënniteit, zoals voorzien in het besluit van de Vlaamse Regering van 29 april 1992 betreffende de verdeling van betrekkingen, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage.".
Art. 36. Au chapitre IX, section 2, du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 16 juin 2017, il est ajouté un article 77decies, rédigé comme suit :
  " Art. 77decies. § 1er. Le présent article s'applique à un membre du personnel dont l'emploi a été déclaré vacant en application de l'article 28, § 1er, 4° et 5°, ou de l'article 100terdecies.
  § 2. Le membre du personnel dont l'emploi a été déclaré vacant selon le paragraphe 1er, conserve après la déclaration de vacance dudit emploi, les positions administrative et pécuniaire liées à son congé ou absence.
  Si le membre du personnel visé à l'alinéa 1er revient de son congé ou de son absence pendant l'année scolaire, il occupe un emploi vacant dans son propre établissement ou, si cela n'est pas possible, dans un autre établissement du centre d'enseignement ou, le cas échéant, du groupe d'écoles. S'il n'y a pas d'emploi vacant, le membre du personnel sera mis en disponibilité par défaut d'emploi en application de l'article V.75, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 octobre 2016 portant codification de certaines dispositions relatives à l'enseignement.
  Si le membre du personnel visé à l'alinéa 1er revient de son congé ou de son absence le 1er septembre, ce membre du personnel prend, lors de la répartition des emplois, son ordre sur la base de son ancienneté de service, comme le prévoit l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 avril 1992 relatif à la répartition de fonctions, à la mise en disponibilité par défaut d'emploi, à la réaffectation, à la remise au travail et à l'attribution d'un traitement d'attente ou d'une subvention-traitement d'attente. ".
Art. 37. Artikel 100terdecies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 3 juli 2015, wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. 100terdecies. § 1. Met het oog op een vaste benoeming op 1 oktober 2018 moet de raad van bestuur volgende betrekkingen in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel vacant verklaren :
  1° het deel van de betrekking in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel van een vastbenoemd personeelslid waarvoor dat personeelslid op 1 mei 2018 een verlof wegens verminderde prestaties vanaf de leeftijd van 55 jaar geniet als vermeld in artikel 5, § 1, 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties;
  2° het deel van de betrekking in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel van een vastbenoemd personeelslid waarvoor dat personeelslid op 1 mei 2018 een gedeeltelijke loopbaanonderbreking vanaf de leeftijd van 50 of 55 jaar geniet als vermeld in artikel 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 september 2011 betreffende de loopbaanonderbreking van de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding.
  De lijst van deze vacant verklaarde betrekkingen wordt voor 10 september 2018 openbaar gemaakt, samen met een beschrijving van de wijze waarop de kandidaturen voor mutatie of vaste benoeming moeten worden ingediend.
  § 2. Onverminderd artikel 28, § 1, moet de raad van bestuur met het oog op een vaste benoeming op 1 januari 2019 bijkomend ook betrekkingen vacant verklaren die beantwoorden aan de volgende voorwaarden :
  1° de betrekking is ingericht in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel;
  2° de vastbenoemde titularis van de betrekking, vermeld in punt 1°, is voor zijn volledige opdracht of voor een deel van zijn opdracht voor een volledig schooljaar afwezig omwille van een of meer van volgende verlofstelsels :
  a) verlof wegens bijzondere opdracht zoals bepaald in artikel 77quater van dit decreet;
  b) verlof wegens opdracht zoals bepaald in artikel 77quater van dit decreet;
  c) verlof voor vakbondsopdrachten zoals bepaald in artikel 29 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 genomen ter toepassing van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen;
  d) verlof om een ambt uit te oefenen in een ministerieel kabinet zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juli 1995 betreffende het verlof om een ambt uit te oefenen in een ministerieel kabinet van een lid van een gemeenschaps- of gewestregering, van een lid van de Federale Regering of van een gewestelijk staatssecretaris, en bij een secretariaat, de cel algemene beleidscoördinatie en een cel algemeen beleid bij een lid van de Federale Regering door personeelsleden van het onderwijs en van de centra voor leerlingenbegeleiding;
  e) verlof erkende politieke groepen zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 1991 betreffende het verlof dat aan de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra wordt verleend voor het verrichten van bepaalde prestaties ten behoeve van in de wetgevende vergaderingen van de Staat en van de Gemeenschappen en of de Gewesten erkende politieke groepen, respectievelijk ten behoeve van de voorzitters van die groepen;
  f) politiek verlof zoals bepaald in artikel 29 tot en met 36bis van het decreet van 28 april 1993 betreffende het onderwijs IV;
  g) verlof toegekend aan personeelsleden die ter beschikking van de koning worden gesteld zoals bepaald in artikel 39 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 genomen ter toepassing van artikel 160 van het van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor het kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen;
  h) verlof voor verminderde prestaties zoals bepaald in hoofdstuk II van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties;
  i) afwezigheid voor verminderde prestaties zoals bepaald in hoofdstuk III van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties.
  Van het totale volume van de opdrachten waarvoor de personeelsleden onder de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, afwezig zijn, moet de raad van bestuur 33 procent vacant verklaren en mag hij maximum 50 procent vacant verklaren. Deze bepaling geldt telkens apart :
  - voor het geheel van de instellingen van het deeltijds kunstonderwijs;
  - voor het geheel van de instellingen van het volwassenenonderwijs;
  - in het basisonderwijs voor het geheel van de instellingen die tot een scholengemeenschap behoren enerzijds en voor de scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren anderzijds;
  - in het secundair onderwijs voor het geheel van de instellingen die tot een scholengemeenschap behoren enerzijds en voor de scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren anderzijds.
  Gaat het om een netoverschrijdende scholengemeenschap dan maakt de scholengemeenschap afspraken over de vaststelling van dit percentage.
  Deze vacant verklaarde betrekkingen worden toegevoegd aan de lijst van de vacant verklaarde betrekkingen, vermeld in artikel 28, § 2.".
Art. 37. L'article 100terdecies du même décret, inséré par le décret du 3 juillet 2015, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 100terdecies. § 1er. En vue d'une nomination à titre définitif au 1er octobre 2018, le conseil d'administration doit déclarer vacants les emplois suivants dans une fonction de recrutement du personnel directeur et enseignant;
  1° la partie de l'emploi dans une fonction de recrutement du personnel directeur et enseignant d'un membre du personnel nommé pour laquelle ce membre du personnel bénéficie le 1er mai 2018 d'un congé pour prestations réduites à partir de l'âge de 55 ans, tel que visé à l'article 5, § 1er, 3°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 avril 1990 relatif aux congés pour prestations réduites;
  2° la partie de l'emploi dans une fonction de recrutement du personnel directeur et enseignant d'un membre du personnel nommé pour laquelle ce membre du personnel bénéficie le 1er mai 2018 d'une interruption de carrière partielle à partir de l'âge de 50 ou de 55 ans, tel que visé à l'article 9 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 septembre 2011 relatif à l'interruption de carrière des membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des élèves.
  La liste reprenant ces emplois déclarés vacants est publiée avant le 10 septembre 2018, conjointement avec une description de la façon dont les candidatures à une mutation ou à une nomination à titre définitif doivent être introduites. ".
  § 2. Sans préjudice de l'article 28, § 1er, le conseil d'administration doit également, en vue d'une nomination à titre définitif au 1er janvier 2019, déclarer des emplois vacants remplissant les conditions suivantes :
  1° l'emploi est créé dans une fonction de recrutement du personnel directeur et enseignant;
  2° le titulaire nommé de l'emploi visé au point 1°, est absent pour la totalité ou une partie de sa charge pour une année scolaire complète en raison d'un ou de plusieurs régimes de congés suivants :
  a) congé pour mission spéciale tel que visé à l'article 77quater du présent décret;
  b) congé pour mission tel que visé à l'article 77quater du présent décret;
  c) congé pour activité syndicale tel que visé à l'article 29 de l'arrêté royal du 15 janvier 1974, pris en exécution de l'article 160 de l'arrêté royal du 22 mars 1969 fixant le statut des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat, des internats dépendant de ces établissements et des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements;
  d) congé pour l'exercice d'une fonction auprès d'un cabinet ministériel tel que visé à l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 juillet 1995 relatif au congé pour l'exercice d'une fonction auprès d'un cabinet ministériel d'un membre d'un gouvernement de communauté ou de région, d'un membre du Gouvernement fédéral ou d'un secrétaire d'état régional, et auprès d'un secrétariat, de la cellule de coordination générale de la politique et d'une cellule de politique générale auprès d'un membre du Gouvernement fédéral, par des membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des élèves;
  e) congé groupes politiques reconnus tel que visé à l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 décembre 1991 relatif au congé accordé aux membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des élèves pour accomplir certaines prestations au bénéfice de groupes politiques reconnus dans les chambres législatives de l'Etat, des Communautés ou des Régions, ou au bénéfice des présidents de ces groupes;
  f) congé politique tel que visé aux articles 29 à 36bis inclus du décret du 28 avril 1993 relatif à l'enseignement-IV;
  g) congé accordé aux membres du personnel mis à disposition du Roi tel que visé à l'article 39 de l'arrêté royal du 15 janvier 1974, pris en exécution de l'article 160 de l'arrêté royal du 22 mars 1969 fixant le statut des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat, des internats dépendant de ces établissements et des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements;
  h) congé pour prestations réduites tel que visé au chapitre II de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 avril 1990 relatif aux congés pour prestations réduites;
  i) absence pour prestations réduites telle que visée au chapitre III de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 avril 1990 relatif aux congés pour prestations réduites.
  Sur le volume total des charges pour lesquelles les membres du personnel sont absents aux conditions visées à l'alinéa 1er, le conseil d'administration doit déclarer 33 pour cent d'emplois vacants, et peut déclarer un maximum de 50 pour cent d'emplois vacants. Cette disposition vaut chaque fois de manière distincte :
  - pour l'ensemble des établissements de l'enseignement artistique à temps partiel;
  - pour l'ensemble des établissements de l'éducation des Adultes;
  - dans l'enseignement fondamental, pour l'ensemble des établissements appartenant à un centre d'enseignement d'une part et pour les écoles n'appartenant pas à un centre d'enseignement d'autre part;
  - dans l'enseignement secondaire, pour l'ensemble des établissements appartenant à un centre d'enseignement d'une part et pour les écoles n'appartenant pas à un centre d'enseignement d'autre part.
  S'il s'agit d'un centre d'enseignement inter-caractère, ce centre s'entendra sur la détermination de ce pourcentage.
  Ces emplois déclarés vacants seront ajoutés à la liste des emplois déclarés vacants, visés à l'article 28, § 2. ".
Afdeling 7. - Maatregelen tot uitvoering van cao XI : vereenvoudiging van de procedure betreffende vaste benoeming en vacantverklaring in het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991
Section 7. - Mesures de mise en oeuvre de la CCT XI : simplification de la procédure relative à la nomination à titre définitif et à la déclaration de vacance visées au décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné
Art. 38. In artikel 5 van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991, het laatst gewijzigd bij het decreet van 27 april 2018, wordt aan punt 5° de zin "Met het oog op een vaste benoeming is dit ook een betrekking die vacant wordt verklaard volgens artikel 33, § 1, 4° en 5°, of artikel 84undevicies;" toegevoegd.
Art. 38. Au point 5° de l'article 5 du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné, modifié en dernier lieu par le décret du 27 avril 2018, il est ajouté la phrase " En vue d'une nomination à titre définitif, il s'agit également d'un emploi déclaré vacant en vertu de l'article 33, § 1er, 4° et 5°, ou de l'article 84undevicies; ".
Art. 39. In artikel 31 van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 3 juli 2015, wordt paragraaf 1 vervangen door wat volgt :
  " § 1. Een personeelslid kan in vast verband worden benoemd als hij op het ogenblik van de vaste benoeming voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 19 en, rekening houdend met artikel 77, daarenboven :
  1° op 30 juni voorafgaand aan de datum waarop de benoeming ingaat ten minste 720 dagen dienstanciënniteit heeft waarvan 360 dagen in het bedoelde ambt. Deze anciënniteit moet hij hebben bereikt :
  a) ofwel bij de betrokken inrichtende macht wat de instellingen of CLB's betreft die niet tot de scholengemeenschap behoren;
  b) ofwel bij de betrokken inrichtende macht en/of bij een andere inrichtende macht, beide voor wat de instellingen betreft die tot dezelfde scholengemeenschap behoren. Wanneer de inrichtende macht toepassing maakt van deze bepaling, kan ze eisen dat bij haar een dienstanciënniteit van ten minste 360 dagen, waarvan 240 effectief gepresteerd, werd verworven;
  c) ofwel bij een andere inrichtende macht wanneer het een wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking gesteld personeelslid betreft, tenzij het personeelslid ter beschikking gesteld werd wegens ontstentenis van betrekking in een instelling van een ander net of voor het gesubsidieerd vrij onderwijs van een ander karakter of een andere groep.
  Als het een leraar betreft in het bezit van een voldoende geacht of gelijkwaardig geacht bekwaamheidsbewijs kan de inrichtende macht eisen dat van de 720 dagen er 360 werden gepresteerd in de opleiding, de module, het vak of de specialiteit van de vacant verklaarde betrekking;
  2° zich kandidaat heeft gesteld in de vorm en binnen de termijn, vermeld in de oproep tot de kandidaten;
  3° op 31 december voorafgaand aan de vaste benoeming voor doorlopende duur is aangesteld in het ambt waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld. Behoort de instelling of het CLB waar het personeelslid voor doorlopende duur is aangesteld, niet tot een scholengemeenschap, dan vervult het personeelslid deze voorwaarde voor alle instellingen of CLB's van de inrichtende macht die niet tot een scholengemeenschap behoren. Behoort de instelling waar het personeelslid voor doorlopende duur is aangesteld, tot een scholengemeenschap, dan vervult het personeelslid deze voorwaarde voor alle instellingen van de scholengemeenschap. Is het personeelslid op 31 december voor doorlopende duur aangesteld in het ambt van leraar, dan geldt dit als een aanstelling in dat ambt voor alle opleidingen, modules of vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid het recht op een aanstelling van doorlopende duur heeft opgebouwd, zoals bepaald in artikel 23, § 5, en artikel 23bis, § 5. De bepalingen van dit punt zijn niet van toepassing op een personeelslid dat werd aangesteld bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling of op een personeelslid bedoeld in hoofdstuk IVbis voor wat betreft het volume van zijn opdracht waarvoor hij is vast benoemd en waarvoor hij een verlof heeft verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen. Dit personeelslid moet, voorzover hij het ambt van leraar uitoefent, 360 dagen dienstanciënniteit hebben verworven in de opleiding, de module, het vak of de specialiteit van de vacant verklaarde betrekking;
  4° als laatste evaluatie in het betrokken ambt geen evaluatie met de eindconclusie "onvoldoende" verkregen heeft bij de inrichtende macht waar de vacante betrekking zich situeert. Als het personeelslid de evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" kreeg in een instelling van de inrichtende macht die behoort tot een scholengemeenschap, dan geldt deze bepaling voor alle instellingen van deze inrichtende macht die behoren tot deze scholengemeenschap. Als het personeelslid de evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" kreeg in een instelling van de inrichtende macht die niet behoort tot een scholengemeenschap, dan geldt deze bepaling voor alle instellingen van deze inrichtende macht die niet behoren tot een scholengemeenschap. Als het personeelslid niet werd geëvalueerd, wordt deze voorwaarde geacht voldaan te zijn.
  De benoeming is slechts mogelijk indien de betrekking in hoofdambt wordt uitgeoefend.".
Art. 39. Dans l'article 31 du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 3 juillet 2015, le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
  " § 1er. Un membre du personnel peut être nommé à titre définitif si au moment de la nomination définitive, il répond aux dispositions de l'article 19, en tenant compte de l'article 77, et qu'en outre :
  1° il compte au 30 juin précédant la date de l'entrée en vigueur de la nomination au moins 720 jours d'ancienneté de service, dont 360 jours dans la fonction concernée. Il doit avoir atteint cette ancienneté :
  a) soit auprès du pouvoir organisateur concerné pour ce qui concerne les établissements ou les CLB n'appartenant pas au centre d'enseignement;
  b) soit auprès du pouvoir organisateur concerné et/ou un autre pouvoir organisateur, tous deux pour ce qui concerne les établissements appartenant au même centre d'enseignement. Lorsque le pouvoir organisateur fait application de cette disposition, il peut exiger qu'une ancienneté de service de minimum 360 jours ait été acquise chez lui, dont 240 jours effectivement prestés;
  c) soit auprès d'un autre pouvoir organisateur lorsqu'il s'agit d'un membre du personnel mis en disponibilité par défaut d'emploi, à moins que le membre du personnel ait été mis en disponibilité par défaut d'emploi dans un établissement d'un autre réseau ou pour l'enseignement libre subventionné d'un autre caractère ou d'un autre groupe.
  S'il s'agit d'un enseignant qui est porteur d'un titre jugé suffisant ou équivalent, le pouvoir organisateur peut exiger que 360 de ces 720 jours aient été prestés dans la formation, le module, la branche ou la spécialité de l'emploi déclaré vacant;
  2° il a posé sa candidature dans les formes et le délai mentionnés dans l'appel aux candidats;
  3° il a été désigné au 31 décembre précédant la nomination à titre définitif à durée ininterrompue dans la fonction pour laquelle il a posé sa candidature. Si l'établissement ou le CLB où le membre du personnel est désigné à durée ininterrompue n'appartient pas à un centre d'enseignement, le membre du personnel remplit cette condition pour tous les établissements ou CLB du pouvoir organisateur n'appartenant pas à un centre d'enseignement. Si l'établissement où le membre du personnel est désigné pour une durée ininterrompue appartient à un centre d'enseignement, le membre du personnel remplit cette condition pour tous les établissements du centre d'enseignement. Si le membre du personnel est désigné le 31 décembre pour une durée ininterrompue dans la fonction d'enseignant, cette désignation est censée être une désignation dans cette fonction pour tous les formations, modules ou branches et spécialités pour lesquels le membre du personnel a accumulé le droit a une désignation à durée ininterrompue, telle que prévue à l'article 23, § 5, et à l'article 23bis, § 5. Les dispositions du présent point ne s'appliquent pas à un membre du personnel désigné à titre de réaffectation ou de remise au travail ou à un membre du personnel visé au chapitre IVbis pour ce qui concerne le volume de la charge pour laquelle il est nommé à titre définitif et pour laquelle il a obtenu un congé afin d'exercer temporairement une autre charge. Ce membre du personnel doit, pour autant qu'il exerce la fonction d'enseignant, avoir acquis 360 jours d'ancienneté de service dans la formation, le module, la branche ou la spécialité de l'emploi déclaré vacant;
  4° si ce dernier, lors de la dernière évaluation dans la fonction concernée n'a pas obtenu comme conclusion finale la mention " insuffisant " auprès du pourvoir organisateur où se situe l'emploi vacant. Si le membre du personnel a obtenu une évaluation portant la conclusion finale " insuffisant " dans un établissement du pouvoir organisateur appartenant à un centre d'enseignement, cette disposition vaut pour tous les établissements de ce pouvoir organisateur appartenant à ce centre d'enseignement. Si le membre du personnel a obtenu une évaluation portant la conclusion finale " insuffisant " dans un établissement du pouvoir organisateur n'appartenant pas à un centre d'enseignement, cette disposition vaut pour tous les établissements de ce pouvoir organisateur n'appartenant pas à un centre d'enseignement. Si le membre du personnel n'a pas fait l'objet d'une évaluation, cette condition est censée être remplie.
  La nomination n'est possible que si l'emploi est exercé en fonction principale. ".
Art. 40. In artikel 33 van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2016, bekrachtigd bij het decreet van 23 december 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt :
  " § 1. Behoudens andersluidende overeenkomst in het bevoegd paritair comité en onverminderd de bepalingen betreffende de reaffectatie en wedertewerkstelling, deelt de inrichtende macht ieder schooljaar met het oog op een vaste benoeming op 1 januari van het schooljaar, voor 15 november aan de personeelsleden van haar instellingen de vacante betrekkingen mee. Behoort een instelling tot een scholengemeenschap dan deelt de inrichtende macht van die instelling de vacante betrekkingen in haar instellingen die behoren tot die scholengemeenschap mee aan de personeelsleden van de scholengemeenschap. De mededeling van de vacante betrekkingen omvat :
  1° alle vacante betrekkingen in de betrokken instelling of instellingen op 15 oktober van dat schooljaar;
  2° eventueel de betrekkingen die in de periode van 15 oktober tot en met 1 januari van dat schooljaar vacant zullen worden ten gevolge van de pensionering of de terbeschikkingstelling voorafgaand aan het rustpensioen van de titularis. De inrichtende macht kan deze betrekkingen eveneens meedelen als vacante betrekking met het oog op een vaste benoeming;
  3° de betrekking van een vastbenoemd personeelslid dat uiterlijk op 15 oktober van dat schooljaar in toepassing van artikel V.75, § 2, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016 ter beschikking wordt gesteld wegens ontstentenis van betrekking. Op het ogenblik van deze terbeschikkingstelling wordt de betrekking waar het personeelslid titularis van is een vacante betrekking;
  4° het deel van de betrekking in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel van een vastbenoemd personeelslid waarvoor dat personeelslid op 15 oktober van dat schooljaar een verlof wegens verminderde prestaties vanaf de leeftijd van 55 jaar geniet als vermeld in artikel 5, § 1, 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties;
  5° het deel van de betrekking in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel van een vastbenoemd personeelslid waarvoor dat personeelslid op 15 oktober van dat schooljaar een gedeeltelijke loopbaanonderbreking vanaf de leeftijd van 50 of 55 jaar geniet als vermeld in artikel 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 september 2011 betreffende de loopbaanonderbreking van de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding.
  De mededeling van de vacante betrekkingen bevat een duidelijke omschrijving van de aangeboden betrekkingen en vermeldt de vorm waarin en de termijn waarbinnen een personeelslid moet kandideren, evenals de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een vaste benoeming. Dit bericht wordt aan alle in het eerste lid bedoelde personeelsleden meegedeeld en openbaar gemaakt.
  De vaste benoeming gaat in 1 januari volgend op de vacantverklaring, voor zover de betrekkingen bedoeld in deze paragraaf op die datum nog vacant zijn.";
  2° paragraaf 4 wordt vervangen door wat volgt :
  " § 4. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, bepaalt de inrichtende macht voor haar centra voor volwassenenonderwijs jaarlijks op basis van een beleidsplan en na onderhandelingen in het bevoegde lokale onderhandelingscomité welke vacante betrekkingen ze meedeelt.
  De inrichtende macht moet de vacante betrekkingen waarover in het bevoegde lokale onderhandelingscomité geen akkoord wordt bereikt, meedelen als het gaat om vacante betrekkingen die gedurende de drie aan het betrokken schooljaar voorafgaande schooljaren ook vacant waren. De inrichtende macht moet alleszins jaarlijks de betrekkingen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 4° en 5°, meedelen.".
Art. 40. A l'article 33 du même décret, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 octobre 2016, sanctionné par le décret du 23 décembre 2016, sont apportées les modifications suivantes :
  1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
  " § 1er. Sauf accord contraire au sein du comité paritaire compétent et sans préjudice des dispositions en matière de réaffectation et de remise au travail, le pouvoir organisateur communique chaque année scolaire avant le 15 novembre les vacances d'emploi aux membres du personnel de ses établissements, en vue d'une nomination à titre définitif au 1er janvier de l'année scolaire. Si un établissement appartient à un centre d'enseignement, le pouvoir organisateur de cet établissement communique les vacances d'emploi dans ses établissements faisant partie de ce centre d'enseignement aux membres du personnel dudit centre. La liste des emplois vacants comprend :
  1° tous les emplois vacants dans le ou les établissements concernés au 15 octobre de cette année scolaire;
  2° éventuellement les emplois qui, dans la période du 15 octobre au 1er janvier inclus de cette année scolaire, deviendront vacants par suite d'une mise à la retraite ou d'une mise à disposition préalable à la pension de retraite du titulaire. Le pouvoir organisateur peut également communiquer ces emplois comme emplois vacants en vue d'une nomination à titre définitif;
  3° l'emploi d'un membre du personnel nommé qui, au plus tard le 15 octobre de cette année, est mis en disponibilité par défaut d'emploi en application de l'article V.75, § 2, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 octobre 2016 portant codification de certaines dispositions relatives à l'enseignement. Au moment de cette mise en disponibilité, l'emploi dont est titulaire le membre du personnel devient un emploi vacant;
  4° la partie de l'emploi dans une fonction de recrutement du personnel directeur et enseignant d'un membre du personnel nommé pour laquelle ce membre du personnel bénéficie le 15 octobre de l'année scolaire en question, d'un congé pour prestations réduites à partir de l'âge de 55 ans, tel que visé à l'article 5, § 1er, 3°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 avril 1990 relatif aux congés pour prestations réduites;
  5° la partie de l'emploi dans une fonction de recrutement du personnel directeur et enseignant d'un membre du personnel nommé pour laquelle ce membre du personnel bénéficie le 15 octobre de l'année scolaire en question, d'une interruption de carrière partielle à partir de l'âge de 50 ou de 55 ans, tel que visé à l'article 9 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 septembre 2011 relatif à l'interruption de carrière des membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des élèves.
  La communication des emplois vacants comprend une description précise des emplois offerts et mentionne la forme et le délai dans lesquels un membre du personnel doit poser sa candidature, ainsi que les conditions pour être admissible à une nomination à titre définitif. Cet avis est communiqué à tous les membres du personnel visés à l'alinéa 1er et est rendu public.
  La nomination à titre définitif prend cours le 1er janvier suivant la déclaration de vacance, pour autant que les emplois visés au présent paragraphe soient encore vacants à cette date. ";
  2° le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit :
  " § 4. Par dérogation au paragraphe 1er, alinéa 1er, le pouvoir organisateur détermine chaque année pour ses centres d'éducation des adultes, sur la base d'un plan directeur et après négociation au sein du comité local de négociation compétent, quels sont les emplois pour lesquels il fait une déclaration de vacance.
  Le pouvoir organisateur doit communiquer les emplois vacants n'ayant pas recueilli un accord au sein du comité local de négociation compétent, s'il s'agit d'emplois vacants qui étaient déjà vacants pendant les trois années scolaires précédant l'année scolaire en question. Le pouvoir organisateur doit en tout cas communiquer chaque année les emplois visés au paragraphe 1er, alinéa 1er, 4° et 5°. ".
Art. 41. In artikel 35bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 14 juli 1998 en gewijzigd bij de decreten van 8 juni 2000 en 3 juli 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid van paragraaf 2 wordt in punt 3° de zinsnede "vanaf 1 oktober" vervangen door de zinsnede "vanaf 1 januari";
  2° in het derde lid van paragraaf 2 wordt de zinsnede "1 juli of 1 oktober" vervangen door de zinsnede "1 januari";
  3° in paragraaf 3 wordt de zinsnede "1 juli of 1 oktober" vervangen door de zinsnede "1 januari".
Art. 41. A l'article 35bis du même décret, inséré par le décret du 14 juillet 1998 et modifié par les décrets des 8 juin 2000 et 3 juillet 2015, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au point 3° du paragraphe 2 de l'alinéa 1er, le membre de phrase " à partir du 1er octobre " est remplacé par le membre de phrase " à partir du 1er janvier ";
  2° à l'alinéa 3 du paragraphe 2, le membre de phrase " 1er juillet ou 1er octobre " est remplacé par le membre de phrase " 1er janvier ";
  3° au paragraphe 3, le membre de phrase " 1er juillet ou 1er octobre " est remplacé par le membre de phrase " 1er janvier ".
Art. 42. In titel II, hoofdstuk VI, afdeling 2, van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 16 juni 2017, wordt een artikel 51decies toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "Art. 51decies. § 1. Dit artikel is van toepassing op een personeelslid wiens betrekking vacant is verklaard in toepassing van artikel 33, § 1, 4° en 5°, of artikel 84undevicies.
  § 2. Het personeelslid van wie de betrekking volgens paragraaf 1 vacant is verklaard, blijft na de vacantverklaring van die betrekking in de administratieve en geldelijke toestand die verbonden is aan zijn verlof of afwezigheid.
  Als het personeelslid, vermeld in het eerste lid, in de loop van het schooljaar uit zijn verlof of afwezigheid terugkeert, dan neemt hij in de eigen instelling of, als dat niet mogelijk is, in een andere instelling van de inrichtende macht een vacante betrekking in. In het basis- en secundair onderwijs is dit beperkt tot de instellingen van de inrichtende macht die behoren tot dezelfde scholengemeenschap. Als er geen vacante betrekking voorhanden is, wordt het personeelslid ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking in toepassing van artikel V.75, § 1, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016.
  Als het personeelslid, vermeld in het eerste lid, op 1 september uit zijn verlof of afwezigheid terugkeert, neemt dit personeelslid bij de verdeling van de betrekkingen zijn rangorde in op basis van zijn dienstanciënniteit, zoals voorzien in het besluit van de Vlaamse Regering van 29 april 1992 betreffende de verdeling van betrekkingen, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage.".
Art. 42. Au titre II, chapitre VI, section 2, du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 16 juin 2017, il est ajouté un article 51decies, rédigé comme suit :
  " Art. 51decies. § 1er. Le présent article s'applique à un membre du personnel dont l'emploi a été déclaré vacant en application de l'article 33, § 1er, 4° et 5°, ou de l'article 84undevicies.
  § 2. Le membre du personnel dont l'emploi a été déclaré vacant selon le paragraphe 1er, conserve après la déclaration de vacance dudit emploi, les positions administrative et pécuniaire liées à son congé ou absence.
  Si le membre du personnel visé à l'alinéa 1er revient de son congé ou de son absence pendant l'année scolaire, il occupe un emploi vacant dans son propre établissement ou, si cela n'est pas possible, dans un autre établissement du pouvoir organisateur. Dans l'enseignement fondamental et secondaire, cela se limite aux établissements du pouvoir organisateur appartenant au même centre d'enseignement. S'il n'y a pas d'emploi vacant, le membre du personnel sera mis en disponibilité par défaut d'emploi en application de l'article V.75, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 octobre 2016 portant codification de certaines dispositions relatives à l'enseignement.
  Si le membre du personnel visé à l'alinéa 1er revient de son congé ou de son absence le 1er septembre, ce membre du personnel prend, lors de la répartition des emplois, son ordre sur la base de son ancienneté de service, comme le prévoit l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 avril 1992 relatif à la répartition de fonctions, à la mise en disponibilité par défaut d'emploi, à la réaffectation, à la remise au travail et à l'attribution d'un traitement d'attente ou d'une subvention-traitement. ".
Art. 43. Artikel 84undevicies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 3 juli 2015, wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. 84undevicies. § 1. Met het oog op een vaste benoeming op 1 oktober 2018 deelt de inrichtende macht volgende betrekkingen in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel mee als vacante betrekkingen :
  1° het deel van de betrekking van een vastbenoemd personeelslid waarvoor dat personeelslid op 1 mei 2018 een verlof wegens verminderde prestaties vanaf de leeftijd van 55 jaar geniet als vermeld in artikel 5, § 1, 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties;
  2° het deel van de betrekking van een vastbenoemd personeelslid waarvoor dat personeelslid op 1 mei 2018 een gedeeltelijke loopbaanonderbreking vanaf de leeftijd van 50 of 55 jaar geniet als vermeld in artikel 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 september 2011 betreffende de loopbaanonderbreking van de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding.
  De mededeling van deze vacante betrekkingen gebeurt voor 10 september 2018.
  § 2. Onverminderd artikel 33, § 1 en § 4, moet de inrichtende macht met het oog op een vaste benoeming op 1 januari 2019 bijkomend ook betrekkingen als vacante betrekkingen meedelen die beantwoorden aan de volgende voorwaarden :
  1° de betrekking is ingericht in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel;
  2° de vastbenoemde titularis van de betrekking, vermeld in punt 1°, is voor zijn volledige opdracht of voor een deel van zijn opdracht voor een volledig schooljaar afwezig omwille van een of meer van volgende verlofstelsels :
  a) verlof wegens bijzondere opdracht zoals bepaald in artikel 51quater van dit decreet;
  b) verlof wegens opdracht zoals bepaald in artikel 51quater van dit decreet;
  c) verlof voor vakbondsopdrachten zoals bepaald in artikel 53 van het decreet van 5 april 1995 tot oprichting van onderhandelingscomités in het vrij gesubsidieerd onderwijs of zoals bepaald in het koninklijk besluit van 16 december 1981 betreffende het syndicaal verlof in het Gesubsidieerd onderwijs;
  d) verlof om een ambt uit te oefenen in een ministerieel kabinet zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juli 1995 betreffende het verlof om een ambt uit te oefenen in een ministerieel kabinet van een lid van een gemeenschaps- of gewestregering, van een lid van de Federale Regering of van een gewestelijk staatssecretaris, en bij een secretariaat, de cel algemene beleidscoördinatie en een cel algemeen beleid bij een lid van de Federale Regering door personeelsleden van het onderwijs en van de centra voor leerlingenbegeleiding;
  e) verlof erkende politieke groepen zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 1991 betreffende het verlof dat aan de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra wordt verleend voor het verrichten van bepaalde prestaties ten behoeve van in de wetgevende vergaderingen van de Staat en van de Gemeenschappen en of de Gewesten erkende politieke groepen, respectievelijk ten behoeve van de voorzitters van die groepen;
  f) politiek verlof zoals bepaald in artikel 29 tot en met 36bis van het decreet van 28 april 1993 betreffende het onderwijs IV;
  g) verlof voor verminderde prestaties zoals bepaald in hoofdstuk II van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties;
  h) afwezigheid voor verminderde prestaties zoals bepaald in hoofdstuk III van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties.
  Van het totale volume van de opdrachten waarvoor de personeelsleden onder de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, afwezig zijn, moet de inrichtende macht 33 procent vacant verklaren en mag hij maximum 50 procent vacant verklaren. Deze bepaling geldt telkens apart :
  - voor het geheel van de instellingen van het deeltijds kunstonderwijs;
  - voor het geheel van de instellingen van het volwassenenonderwijs;
  - in het basisonderwijs voor het geheel van de instellingen die tot een scholengemeenschap behoren enerzijds en voor de scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren anderzijds;
  - in het secundair onderwijs voor het geheel van de instellingen die tot een scholengemeenschap behoren enerzijds en voor de scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren anderzijds.
  Als een scholengemeenschap in het basisonderwijs of secundair onderwijs instellingen bevat van meerdere inrichtende machten maakt de scholengemeenschap afspraken over de vaststelling van dit percentage.
  Deze betrekkingen worden toegevoegd aan de mededeling van de vacante betrekkingen, vermeld in artikel 33, § 1.".
Art. 43. L'article 84undevicies du même décret, inséré par le décret du 3 juillet 2015, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 84undevicies. § 1er. En vue d'une nomination à titre définitif au 1er octobre 2018, le pouvoir organisateur déclare vacants les emplois suivants dans une fonction de recrutement d'un membre du personnel directeur et enseignant;
  1° la partie de l'emploi d'un membre du personnel nommé pour laquelle ce membre du personnel bénéficie au 1er mai 2018 d'un congé pour prestations réduites à partir de l'âge de 55 ans, tel que visé à l'article 5, § 1er, 3°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 avril 1990 relatif aux congés pour prestations réduites;
  2° la partie de l'emploi d'un membre du personnel nommé pour laquelle ce membre du personnel bénéficie au 1er mai 2018 d'une interruption de carrière partielle à partir de l'âge de 50 ou de 55 ans, tel que visé à l'article 9 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 septembre 2011 relatif à l'interruption de carrière des membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des élèves.
  La communication de ces emplois vacants se fait avant le 10 septembre 2018.
  § 2. Sans préjudice de l'article 33, §§ 1er et 4, le pouvoir organisateur doit également déclarer les emplois comme des emplois vacants remplissant les conditions suivantes, en vue d'une nomination à titre définitif au 1er janvier 2019 :
  1° l'emploi est créé dans une fonction de recrutement du personnel directeur et enseignant;
  2° le titulaire nommé de l'emploi visé au point 1°, est absent pour la totalité ou une partie de sa charge pour une année scolaire complète en raison d'un ou de plusieurs régimes de congés suivants :
  a) congé pour mission spéciale tel que visé à l'article 51quater du présent décret;
  b) congé pour mission tel que visé à l'article 51quater du présent décret;
  c) congé pour missions syndicales tel que visé à l'article 53 du décret du 5 avril 1995 portant création de comités de négociation dans l'enseignement libre subventionné ou tel que visé à l'arrêté royal du 16 décembre 1981 relatif au congé syndical dans l'enseignement subventionné;
  d) congé pour l'exercice d'une fonction auprès d'un cabinet ministériel tel que visé à l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 juillet 1995 relatif au congé pour l'exercice d'une fonction auprès d'un cabinet ministériel d'un membre d'un gouvernement de communauté ou de région, d'un membre du Gouvernement fédéral ou d'un secrétaire d'état régional, et auprès d'un secrétariat, de la cellule de coordination générale de la politique et d'une cellule de politique générale auprès d'un membre du Gouvernement fédéral, par des membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des élèves;
  e) congé groupes politiques reconnus tel que visé à l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 décembre 1991 relatif au congé accordé aux membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des élèves pour accomplir certaines prestations au bénéfice de groupes politiques reconnus dans les chambres législatives de l'Etat, des Communautés ou des Régions, ou au bénéfice des présidents de ces groupes;
  f) congé politique tel que visé aux articles 29 à 36bis inclus du décret du 28 avril 1993 relatif à l'enseignement-IV;
  g) congé pour prestations réduites tel que visé au chapitre II de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 avril 1990 relatif aux congés pour prestations réduites;
  h) absence pour prestations réduites telle que visée au chapitre III de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 avril 1990 relatif aux congés pour prestations réduites.
  Sur le volume total des charges pour lesquelles les membres du personnel sont absents aux conditions visées à l'alinéa 1er, le pouvoir organisateur doit déclarer 33 pour cent d'emplois vacants, et peut déclarer un maximum de 50 pour cent d'emplois vacants. Cette disposition vaut chaque fois de manière distincte :
  - pour l'ensemble des établissements de l'enseignement artistique à temps partiel;
  - pour l'ensemble des établissements de l'éducation des Adultes;
  - dans l'enseignement fondamental, pour l'ensemble des établissements appartenant à un centre d'enseignement d'une part et pour les écoles n'appartenant pas à un centre d'enseignement d'autre part;
  - dans l'enseignement secondaire, pour l'ensemble des établissements appartenant à un centre d'enseignement d'une part et pour les écoles n'appartenant pas à un centre d'enseignement d'autre part.
  Si un centre d'enseignement dans l'enseignement fondamental ou secondaire comprend des établissements de plusieurs pouvoirs organisateurs, le centre d'enseignement s'entendra sur la détermination de ce pourcentage.
  Ces emplois sont ajoutés à la déclaration des emplois vacants, visée à l'article 33, § 1er. ".
Afdeling 8. - Maatregel om de aanvullende pensioenbedragen uit te betalen aan de personeelsleden van de centra basiseducatie en dit in uitvoering van de protocollen nr. 78 en 78bis, afgesloten in het Vlaams Onderhandelingscomité voor de Basiseducatie met betrekking tot regeling van aanvullend pensioen voor de personeelsleden in de basiseducatie
Section 8. - Mesure visant à payer les cotisations de pension complémentaire aux membres du personnel des centres d'éducation de base en exécution des protocoles nos 78 et 78bis, conclus au sein du Comité flamand de négociation de l'éducation de base en ce qui concerne la réglementation des pensions complémentaires pour les membres du personnel de l'éducation de base
Art. 44. Aan artikel 88 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs wordt een paragraaf 3 toegevoegd, die luidt als volgt :
  " § 3. In uitvoering van de protocollen van akkoord nr. 78 en nr. 78BIS van de onderhandelingen die gevoerd werden in de vergadering van het Vlaams Onderhandelingscomité voor de Basiseducatie tussen de Vlaamse Regering, de werkgevers Federatie Centra voor Basiseducatie vzw, het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs (VOCVO) en de representatieve vakorganisaties ACOD, COC en VSOA, wordt het aanvullend pensioenbedrag door de bevoegde administratie aan de personeelsleden van de centra basiseducatie uitbetaald.".
Art. 44. A l'article 88 du décret du 15 juin 2007 relatif à l'éducation des adultes, il est ajouté un paragraphe 3, rédigé comme suit :
  " § 3. En exécution des protocoles d'accord n° s 78 et 78BIS des négociations menées au sein de la réunion du Comité flamand de négociation de l'éducation de base entre le Gouvernement flamand, l'association sans but lucratif " Federatie Centra voor Basiseducatie ", le Centre flamand d'Aide à l'Education des Adultes (VOCVO) et les syndicats représentatifs ACOD, COC et VSOA, le montant de la pension complémentaire est payé par l'administration compétente aux membres du personnel des centres d'éducation de base. ".
Afdeling 9. - Werkingsbudget voor versterking van de leerkracht in het basis-onderwijs
Section 9. - Budget de fonctionnement pour le renforcement de l'enseignant dans l'enseignement fondamental
Art. 45. Aan hoofdstuk XI van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, het laatst gewijzigd bij het decreet van 16 juni 2017, wordt een afdeling 5 toegevoegd, die luidt als volgt :
  "Afdeling 5. Project ondersteuning leerkrachten in het basisonderwijs 2018-2019".
Art. 45. Au chapitre XI du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental, modifié en dernier lieu par le décret du 16 juin 2017, il est ajouté une section 5, rédigée comme suit :
  " Section 5. Projet relatif au soutien des enseignants dans l'enseignement fondamental pour les années 2018-2019 ".
Art. 46. In hetzelfde decreet wordt in afdeling 5, ingevoegd bij artikel 45, een artikel 172sexies ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "Artikel 172sexies. Voor begrotingsjaar 2018 wordt een extra werkingsbudget van 9.000.000 euro toegekend aan de scholen van het gewoon en buitengewoon basisonderwijs, voor het schooljaar 2018-2019.
  Dit werkingsbudget moet worden aangewend om in het basisonderwijs de leerkracht in de klas te ondersteunen. De criteria met betrekking tot de aanwending van het werkingsbudget in de school, moeten onderhandeld worden in het bevoegde lokaal comité. Als de school deel uitmaakt van een scholengemeenschap, maakt de scholengemeenschap afspraken over de aanwending van de middelen.
  De regering bepaalt de verdeling van het extra werkingsbudget over de scholen, de berekeningswijze per school en houdt daarbij minstens rekening met het aantal leerlingen per school, en de uitbetalingsmodaliteiten.".
Art. 46. Dans la section 5 du même décret, insérée par l'article 45, il est inséré un article 172sexies, rédigé comme suit :
  " Article 172sexies. En ce qui concerne l'année budgétaire 2018, un budget de fonctionnement supplémentaire de 9.000.000 euros est attribué aux écoles de l'enseignement fondamental ordinaire et spécial pour l'année scolaire 2018-2019.
  Ce budget de fonctionnement doit être utilisé à l'appui de l'enseignant de l'enseignement fondamental dans la classe. Les critères d'utilisation du budget de fonctionnement de l'école doivent être négociés au sein du comité local compétent. Si l'école fait partie d'un centre d'enseignement, ce centre prend des engagements quant à l'utilisation des moyens.
  Le gouvernement arrête la répartition du budget de fonctionnement supplémentaire entre les écoles, le mode de calcul par école, en tenant compte au moins du nombre d'élèves par école, et les modalités de paiement. ".
Art. 47. In artikel 154, § 2, van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 24 november 2017, wordt de zinsnede "vermeld in artikel 76, artikel 173quinquies/2, artikel 173quinquies/3 of artikel 173quinquies/4" vervangen door de zinsnede "vermeld in artikel 76, artikel 87bis, artikel 172sexies, artikel 173quinquies/2, artikel 173quinquies/3 of artikel 173quinquies/4".
Art. 47. Dans l'article 154, § 2, du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 24 novembre 2017, le membre de phrase " visé à l'article 76, l'article 173quinquies/2, l'article 173quinquies/3 ou l'article 173quinquies/4 " est remplacé par le membre de phrase " visé aux articles 76, 87bis, 172sexies, 173quinquies/2, 173quinquies/3 ou 173quinquies/4 ".
Afdeling 10. - Machtiging aan AGION voor verbintenissen voor huursubsidies
Section 10. - Autorisation à AGIOn (Agence de l'Infrastructure dans l'Enseignement) relative aux engagements pour les subventions de location
Art. 48. In artikel 20 van het decreet van 30 juni 2017 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2017 wordt het bedrag "6.600.000 euro" vervangen door het bedrag "10.200.000 euro".
Art. 48. Dans l'article 20 du décret du 30 juin 2017 contenant diverses mesures d'accompagnement de l'ajustement du budget 2017, le montant " 6.600.000 euros " est remplacé par le montant " 10.200.000 euros ".
HOOFDSTUK 9. - Welzijn, Volksgezondheid en Gezin
CHAPITRE 9. - Domaine politique du Bien-Etre, de la Santé publique et de la Famille
Afdeling 1. - Fonds ter beschikking gestelde ex-provinciale personeelsleden
Section 1re. - Fonds mis à disposition des anciens membres du personnel provinciaux
Art. 49. Bij het Vlaams ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin wordt een begrotingsfonds als vermeld in [1 artikel 15, § 2, van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019]1 opgericht voor de aanwending van de betaling van salarissen, vergoedingen en toelagen van personeelsleden die ter uitvoering van artikel 264bis van het Provinciedecreet werden overgedragen aan de Vlaamse Gemeenschap en die vanaf 1 januari 2018 via het Vlaams ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin ter beschikking worden gesteld van specifieke voorzieningen in de gezondheids- of welzijnssector.
  Aan het fonds worden toegewezen alle terugvorderingen van salarissen, vergoedingen en toelagen met betrekking tot de personeelsleden, vermeld in het eerste lid.
  De middelen van het fonds dienen aangewend te worden voor de betaling van salarissen, vergoedingen en toelagen van de personeelsleden, vermeld in het eerste lid.
  
Art. 49. Il est créé auprès du Ministère flamand du Bien-Etre, de la Santé publique et de la Famille, un fonds budgétaire tel que visé à [1 l'article 15, § 2, du Code flamand des Finances publiques du 29 mars 2019]1, pour l'utilisation du paiement des traitements, indemnités et allocations des membres du personnel qui, en exécution de l'article 264bis du Décret provincial, ont été transférés à la Communauté flamande et qui, à partir du 1er janvier 2018, sont mis à la disposition de structures spécifiques dans le secteur de la santé ou du bien-être par l'intermédiaire du Ministère flamand du Bien-Etre, de la Santé publique et de la Famille.
  Tous les recouvrements des traitements, indemnités et allocations relatifs aux membres du personnel visés à l'alinéa 1er, sont assignés au fonds.
  Les moyens du fonds doivent être utilisés pour le paiement des traitements, indemnités et allocations relatifs aux membres du personnel visés à l'alinéa 1er.
  
Afdeling 2. - Opheffing fonds voor de bestrijding van het tabaks- en middelengebruik
Section 2. - Suppression du Fonds voor de bestrijding van het tabaks- en middelengebruik
Art. 50. Artikel 19 van het decreet van 27 juni 2003 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2003 wordt opgeheven.
Art. 50. L'article 19 du décret du 27 juin 2003 contenant diverses mesures d'accompagnement de l'ajustement du budget 2003 est abrogé.
Afdeling 3. - Opheffing fonds voor de subsidiëring van zorgvernieuwingsprojecten
Section 3. - Suppression du Fonds voor de subsidiëring van zorgvernieuwingsprojecten
Art. 51. Artikel 24 van het decreet van 24 december 2004 houdende bepalingen tot begeleiding van de tweede aanpassing van de begroting 2004, gewijzigd bij de decreten van 22 december 2006 en 29 juni 2007, wordt opgeheven.
Art. 51. L'article 24 du décret du 24 décembre 2004 contenant diverses mesures d'accompagnement du deuxième ajustement du budget 2004, modifié par les décrets des 22 décembre 2006 et 29 juin 2007, est abrogé.
HOOFDSTUK 10. - Inwerkingtreding
CHAPITRE 10. - Entrée en vigueur
Art. 52. Dit decreet treedt in werking 10 dagen na bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, met uitzondering van :
  1° artikel 4, 7, 23, 24 en 49, die uitwerking hebben vanaf 1 januari 2018;
  2° artikel 10, dat uitwerking heeft vanaf 6 mei 2014;
  3° artikel 11 en 12, die in werking treden op de dag die volgt op de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad;
  4° artikel 13, dat van toepassing is op verkoopovereenkomsten afgesloten vanaf 1 juni 2018;
  5° artikel 19, dat uitwerking heeft vanaf aanslagjaar 2018;
  6° artikel 20, dat uitwerking heeft vanaf 21 juli 2012;
  7° artikel 25, 27, 28 en 30, die in werking treden op 1 oktober 2018;
  8° artikel 32 tot en met 36 en 38 tot en met 42, die in werking treden op 15 oktober 2018;
  9° artikel 26, 29 en 44 tot en met 47, die in werking treden op 1 september 2018;
  10° artikel 37 en 43, die uitwerking hebben vanaf 30 april 2018.
Art. 52. Le présent décret entre en vigueur 10 jours suivant sa publication au Moniteur belge, à l'exception :
  1° des articles 4, 7, 23, 24 et 49 qui produisent leurs effets le 1er janvier 2018;
  2° de l'article 10, qui produit ses effets le 6 mai 2014;
  3° des articles 11 et 12, qui entrent en vigueur le jour suivant sa publication au Moniteur belge;
  4° de l'article 13, qui s'applique aux contrats de vente conclus à partir du 1er juin 2018;
  5° de l'article 19 qui produit ses effets à partir de l'année d'imposition 2018;
  6° de l'article 20, qui produit ses effets le 21 juillet 2012;
  7° des articles 25, 27, 28 et 30 qui entrent en vigueur le 1er octobre 2018;
  8° des articles 32 à 36 inclus et 38 à 42 inclus, qui entrent en vigueur le 15 octobre 2018;
  9° des articles 26, 29 et 44 à 47 inclus, qui entrent en vigueur le 1er septembre 2018;
  10° des articles 37 et 43, qui produisent leurs effets le 30 avril 2018.