Zum Hauptinhalt

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
7 FEBRUARI 2018. - Wet houdende invoering van een taks op de effectenrekeningen. (NOTA : bij arrest nr 138/2019 van 17-10-2019 (BS van 05-11-2019, p. 103582) heeft het Grondwettelijk hof dit wet vernietigd en haandhaaft de gevolgen van de vernietigde bepalingen voor de taks die verschuldigd is voor de referentieperiodes die eindigen vóór of op 30 september 2019)
Titre
7 FEVRIER 2018. - Loi instaurant une taxe sur les comptes-titres. (NOTE : Par son arrêt n° 138/2019 du 17-10-2019 (MB 05-11-2019, p. 103582), la Cour constitutionnelle annule la présente loi et maintient les effets des dispositions annulées pour la taxe qui est due pour les périodes de référence se terminant avant le 30 septembre 2019 ou à cette date.)
Dokumentinformationen
Numac: 2018011027
Datum: 2018-02-07
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2018011027
Date: 2018-02-07
Moniteur: Voir
Tekst (22)
Texte (22)
Hoofdstuk 1. - Algemene bepaling
Chapitre 1er. - Disposition générale
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
Article 1er.. La présente loi règle une matière visée à l'article 74 de la Constitution.
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het Wetboek diverse rechten en taksen
Chapitre 2. - Modifications du Code des droits et taxes divers
Art. 2. In boek II van het Wetboek diverse rechten en taksen, wordt titel II, opgeheven bij het koninklijk besluit van 22 augustus 1934 en vernummerd bij de wet van 19 december 2006, hersteld met als opschrift: "Titel II - Taks op de effectenrekeningen" die de artikelen 151 tot 157 en 158/1 tot 158/6 omvat.
Art. 2. Dans le livre II du Code des droits et taxes divers, le titre II, abrogé par l'arrêté royal du 22 août 1934 et renuméroté par la loi du 19 décembre 2006, est rétabli avec comme intitulé: "Titre II - Taxe sur les comptes-titres" qui contient les articles 151 à 157 et 158/1 à 158/6.
Art. 3. In boek II, titel II, van hetzelfde Wetboek hersteld bij artikel 2, wordt artikel 151, opgeheven bij het koninklijk besluit van 22 augustus 1934, hersteld als volgt :
  "Art. 151. De natuurlijke persoon die tijdens de referentieperiode titularis is van één of meerdere effectenrekeningen in België of in het buitenland, is over zijn aandeel in de gemiddelde waarde van de belastbare financiële instrumenten op die rekeningen onderworpen aan een taks overeenkomstig de bepalingen van deze titel.
  De taks is evenwel niet verschuldigd indien het aandeel van de titularis in de in het eerste lid bedoelde gemiddelde waarde van de belastbare financiële instrumenten op die rekeningen minder bedraagt dan 500 000 euro.".
Art. 3. Dans le livre II, titre II, du même Code, rétabli par l'article 2, l'article 151, abrogé par l'arrêté royal du 22 août 1934, est rétabli dans la rédaction suivante :
  "Art. 151. La personne physique qui durant la période de référence est titulaire d'un ou plusieurs comptes-titres en Belgique ou à l'étranger est, pour sa part dans la valeur moyenne des instruments financiers imposables sur ces comptes, soumise à une taxe conformément aux dispositions du présent titre.
  Cependant, la taxe n'est pas due lorsque la part du titulaire dans la valeur moyenne des instruments financiers imposables sur ces comptes, visée à l'alinéa 1er, est inférieure à un montant de 500 000 euros.".
Art. 4. In boek II, titel II, van hetzelfde Wetboek hersteld bij artikel 2, wordt artikel 152, opgeheven bij het koninklijk besluit van 22 augustus 1934, hersteld als volgt:
  "Art. 152. Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder :
  1° effectenrekening :
  a) wat de rijksinwoners betreft, de effectenrekeningen gehouden bij een of meerdere tussenpersonen, ongeacht waar de tussenpersoon opgericht of gevestigd is, en wat de niet-inwoners betreft, de effectenrekeningen gehouden bij een of meerdere in België opgerichte of gevestigde tussenpersonen, waarop één of meer belastbare financiële instrumenten zijn ingeschreven;
  b) [de belastbare financiële instrumenten zoals bedoeld in het 2°, a), ingeschreven op een effectenrekening, die het voorwerp uitmaken van een omzetting vanaf 9 december 2017 naar niet-belastbare financiële instrumenten ingeschreven in een register van effecten op naam, uitsluitend voor de referentieperiode waarin de omzetting plaatsvindt. De omzetting die heeft plaatsgevonden tussen 9 december 2017 en de datum van inwerkingtreding van deze wet, wordt toegerekend aan de eerste referentieperiode die aanvangt bij de inwerkingtreding van de wet;] (ERRATUM, zie B.St. van 14-03-2018, p. 22979)
  2° belastbare financiële instrumenten:
  a) al dan niet beursgenoteerde aandelen alsmede certificaten betreffende dergelijke instrumenten;
  b) al dan niet beursgenoteerde obligaties alsmede certificaten betreffende dergelijke instrumenten;
  c) al dan niet beursgenoteerde rechten van deelneming in gemeenschappelijke beleggingsfondsen of aandelen in beleggingsvennootschappen, die niet zijn gekocht of waarop niet werd ingeschreven in het kader van een levensverzekering of een regeling voor pensioensparen;
  d) kasbons;
  e) warrants;
  3° beursgenoteerd: verhandeld en toegelaten zijn tot de verhandeling op een Belgische of buitenlandse gereglementeerde markt of een multilaterale handelsfaciliteit in de zin van artikel 2, eerste lid, 4°, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, voor zover deze werkt met minstens één dagelijkse notering, dan wel op een in een derde land gevestigd handelsplatform dat een soortgelijke functie vervult;
  4° gemeenschappelijke beleggingsfondsen of beleggingsvennootschappen: beleggingsfondsen of beleggingsvennootschappen bedoeld in de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen, of bedoeld in de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders, of in analoge bepalingen van buitenlands recht;
  5° titularis: de natuurlijke persoon, ongeacht of deze volle eigenaar, blote eigenaar of vruchtgebruiker is, die houder is van een effectenrekening of die door de tussenpersoon die de rekening beheert, is geregistreerd of wordt geïdentificeerd als de houder van een effectenrekening.
  Elke inbreng van een effectenrekening die plaatsvindt vanaf 1 januari 2018 in een aan de vennootschapsbelasting onderworpen rechtspersoon met als enig doel aan de taks bedoeld in deze titel te ontkomen, heeft tot gevolg dat de inbrenger van de effectenrekening geacht wordt titularis te zijn van de ingebrachte effectenrekening;
  6° referentieperiode: een periode van twaalf opeenvolgende maanden die aanvangt op 1 oktober en eindigt op 30 september van het volgend jaar;
  7° aandeel in de gemiddelde waarde: het gedeelte van de op de effectenrekeningen staande belastbare financiële instrumenten van de titularis dat wordt vermoed proportioneel te zijn met het aantal geregistreerde titularissen van de effectenrekeningen;
  8° tussenpersoon: een kredietinstelling of een beursvennootschap bedoeld in artikel 1, § § 2 en 3, van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen en de beleggingsondernemingen bedoeld in artikel 3, § 1, van de wet van 25 oktober 2016 betreffende de toegang tot het beleggingsdienstenbedrijf en betreffende het statuut van en het toezicht op de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies, die krachtens nationaal recht toegelaten worden om financiële instrumenten voor rekening van de klanten aan te houden;
  9° Belgische tussenpersoon: een tussenpersoon naar Belgisch recht evenals een tussenpersoon die gevestigd is in België. De niet in België gevestigde tussenpersonen die een vertegenwoordiger hebben aangesteld bedoeld in artikel 158/2 worden voor de toepassing van deze titel gelijkgesteld met een Belgische tussenpersoon;
  10° waarde :
  a) voor beursgenoteerde financiële instrumenten, de slotkoers van het financieel instrument. Wanneer er op een van de referentietijdstippen geen notering is, wordt de slotkoers genomen op de eerste voorgaande dag waarop er een notering was;
  b) voor niet-beursgenoteerde gemeenschappelijke beleggingsfondsen of beleggingsvennootschappen, de op het referentietijdstip laatst publiekelijk beschikbare netto-inventariswaarde;
  c) voor andere niet beursgenoteerde financiële instrumenten:
  - de waarde waarvoor het instrument is opgenomen in het laatst beschikbare overzicht van de financiële instrumenten dat de tussenpersoon aan de titularis moet toezenden in overeenstemming met artikel 63 van de gedelegeerde verordening (EG) nr. 2017/565 van de Commissie van 25 april 2016 houdende aanvulling van Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de door beleggingsondernemingen in acht te nemen organisatorische eisen en voorwaarden voor de bedrijfsuitoefening en wat betreft de definitie van begrippen voor de toepassing van genoemde richtlijn;
  - de laatst publiekelijk beschikbare marktwaarde, of bij gebrek daaraan, de naar best vermogen geschatte waarde wanneer het financieel instrument niet is opgenomen in een overzicht van financiële instrumenten bedoeld in het eerste streepje.".
Art. 4. Dans le livre II, titre II, du même Code, rétabli par l'article 2, l'article 152, abrogé par l'arrêté royal du 22 août 1934, est rétabli dans la rédaction suivante:
  "Art. 152. Pour l'application du présent titre, on entend par :
  1° compte-titres :
  a) en ce qui concerne les habitants du Royaume, les comptes-titres détenus auprès d'un ou plusieurs intermédiaires peu importe où cet intermédiaire a été constitué ou est établi, et en ce qui concerne les non-résidents, les comptes-titres détenus auprès d'un ou plusieurs intermédiaires qui ont été constitués ou sont établis en Belgique, sur lesquels sont inscrits un ou plusieurs instruments financiers imposables;
  b) les instruments financiers imposables tels que visés au 2°, a), inscrits sur un compte-titres et qui font l'objet d'une conversion à partir du 9 décembre 2017 vers des instruments financiers non-imposables inscrits dans un registre de titres nominatifs, uniquement pour la période de référence au cours de laquelle la conversion a lieu. La conversion qui a eu lieu entre le 9 décembre 2017 et la date d'entrée en vigueur de la présente loi, sera comptabilisée lors de la première période de référence qui commence avec l'entrée en vigueur de la loi;
  2° instruments financiers imposables:
  a) les actions cotées en bourse ou non ainsi que les certificats relatifs à ces instruments;
  b) les obligations cotées en bourse ou non ainsi que les certificats relatifs à ces instruments;
  c) les parts dans des fonds communs de placement ou actions dans des sociétés d'investissement cotées en bourse ou non qui n'ont pas été achetées ou souscrites dans le cadre d'une assurance vie ou d'un régime d'épargne pension;
  d) les bons de caisse;
  e) les warrants;
  3° cotés en bourse: négociés et admis à la négociation sur un marché réglementé belge ou étranger, ou un système multilatéral de négociation au sens de l'article 2, alinéa 1er, 4°, de loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers, pour autant que celui-ci fonctionne avec au moins une cotation quotidienne, ou une plateforme de négociation établie dans un pays tiers qui remplit une fonction analogue;
  4° fonds communs de placement ou sociétés d'investissement: les fonds de placement ou les sociétés d'investissement visés dans la loi du 3 août 2012 relative aux organismes de placement collectif qui répondent aux conditions de la Directive 2009/65/CE et aux organismes de placement de créances, ou visés dans la loi du 19 avril 2014 relative aux organismes de placement collectif alternatifs et à leurs gestionnaires, ou dans des dispositions analogues de droit étranger;
  5° titulaire: la personne physique, qu'elle soit plein propriétaire, nue-propriétaire ou usufruitière, qui est la détentrice du compte-titres ou qui, par l'intermédiaire qui gère le compte, est enregistrée ou identifiée comme la détentrice du compte-titres.
  Chaque apport d'un compte-titres, ayant lieu à partir du 1er janvier 2018, dans une personne morale soumise à l'impôt des sociétés dans le seul but d'échapper à la taxe prévue par le présent titre, a pour conséquence que l'apporteur de ce compte-titres est considéré comme le titulaire du compte-titres qui a été apporté;
  6° période de référence: une période de douze mois successifs qui commence le 1er octobre et se termine le 30 septembre de l'année suivante;
  7° part dans la valeur moyenne: la fraction des instruments financiers imposables détenus dans les comptes-titres par le titulaire qui est présumée proportionnelle au nombre de titulaires enregistrés de ces comptes-titres;
  8° intermédiaire: un établissement de crédit ou une société de bourse visé à l'article 1er, § § 2 et 3, de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse, ainsi que les entreprises d'investissement, visées à l'article 3, § 1er, de la loi de 25 octobre 2016 relative à l'accès à l'activité de prestation de services d'investissement et au statut et au contrôle des sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement, qui, en vertu du droit national, sont autorisés à détenir des instruments financiers pour le compte de clients;
  9° intermédiaire belge: un intermédiaire de droit belge ainsi qu'un intermédiaire établi en Belgique. Les intermédiaires qui ne sont pas établis en Belgique et qui ont désigné un représentant, visé à l'article 158/2, sont assimilés à un intermédiaire belge pour l'application du présent titre;
  10° valeur :
  a) pour les instruments financiers cotés en bourse, le cours de clôture de l'instrument financier. Lorsqu'il n'y a pas de cotation à un des points de référence, le cours de clôture est déterminé sur la base de la dernière cotation;
  b) pour les fonds communs de placement ou sociétés d'investissement non cotés en bourse, la dernière valeur nette d'inventaire disponible publiquement au point de référence;
  c) pour les autres instruments financiers non cotés en bourse:
  - la valeur à laquelle l'instrument est repris dans le dernier relevé des instruments financiers disponible que l'intermédiaire doit envoyer au titulaire, en vertu de l'article 63 du règlement délégué (UE) 2017/565 de la Commission du 25 avril 2016 complétant la directive 2014/65/UE du Parlement européen et du Conseil en ce qui concerne les exigences organisationnelles et les conditions d'exercice applicables aux entreprises d'investissement et la définition de certains termes aux fins de ladite directive;
  - la dernière valeur de marché disponible publiquement ou, à défaut, la meilleure estimation possible de la valeur lorsque l'instrument financier n'est pas repris dans le relevé des instruments financiers visés au premier tiret.".
Art. 5. In boek II, titel II, van hetzelfde Wetboek hersteld bij artikel 2, wordt artikel 153, opgeheven bij het koninklijk besluit van 22 augustus 1934, hersteld als volgt :
  "Art. 153. Het tarief van de taks wordt vastgesteld op 0,15 pct.".
Art. 5. Dans le livre II, titre II, du même Code, rétabli par l'article 2, l'article 153, abrogé par l'arrêté royal du 22 août 1934, est rétabli dans la rédaction suivante :
  "Art. 153. Le taux de la taxe est fixé à 0,15 p.c.".
Art. 6. In boek II, titel II, van hetzelfde Wetboek hersteld bij artikel 2, wordt artikel 154, opgeheven bij het koninklijk besluit van 22 augustus 1934, hersteld als volgt :
  "Art. 154. § 1. De gemiddelde waarde bedoeld in artikel 151 wordt als volgt berekend :
  1° doorheen de referentieperiode vormt de laatste dag van elke driemaandelijkse periode een referentietijdstip;
  2° op elk referentietijdstip wordt een staat opgemaakt van de waarde van de belastbare financiële instrumenten ingeschreven op de effectenrekeningen;
  3° de waarden van de staten opgemaakt op de verschillende referentietijdstippen worden opgeteld en gedeeld door het aantal referentietijdstippen.
  § 2. In geval van opening, wijziging of afsluiting van een effectenrekening of wanneer een natuurlijke persoon titularis wordt van een effectenrekening of geen titularis meer is in de loop van de referentieperiode, wordt ook de dag van de opening, de wijziging of de afsluiting van de effectenrekening alsook de dag waarop een natuurlijke persoon titularis wordt van een effectenrekening of geen titularis meer is, als een referentietijdstip beschouwd en wordt dit referentietijdstip voor de berekening van de gemiddelde waarde bijgevoegd bij de referentietijdstippen uit paragraaf 1.
  De referentieperiode vangt, in afwijking van artikel 152, 6°, aan op het moment dat een natuurlijke persoon titularis wordt van een effectenrekening. Zij eindigt de dag dat een natuurlijke persoon niet langer titularis is van een effectenrekening.
  Wanneer de referentieperiode naar aanleiding van een volledige of gedeeltelijke overdracht van financiële instrumenten op een effectenrekening van een Belgische tussenpersoon naar een andere Belgische tussenpersoon, aanvangt of eindigt gedurende de referentieperiode bepaald in artikel 152, 6°, en de overdragende titularis hierdoor zijn hoedanigheid van titularis van laatstgenoemde effectenrekening verliest maar titularis wordt van de effectenrekening waarnaar de financiële instrumenten worden overgedragen, wordt enkel de referentieperiode bij de laatste Belgische tussenpersoon waarbij de effectenrekening op het einde van de referentieperiode bedoeld in artikel 152, 6°, wordt gehouden, in aanmerking genomen voor het berekenen van de taks.
  Wanneer de referentieperiode eindigt doordat de titularis die België verlaat en daardoor niet langer rijksinwoner is tezelfdertijd zijn effectenrekening verplaatst naar het buitenland of niet langer titularis of medetitularis is van een of meerdere effectenrekeningen, wordt het bedrag van de taks vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller bestaat uit het aantal dagen waarop men nog rijksinwoner was in de referentieperiode als bedoeld in artikel 152, 6° en de noemer bestaat uit het aantal dagen dat de referentieperiode als bedoeld in artikel 152, 6° omvat.
  In het geval bedoeld in artikel 152, 1°, b), wordt voor het bepalen van de gemiddelde waarde van de omgezette belastbare instrumenten rekening gehouden met een referentieperiode bedoeld in artikel 152, 6°. De referentiepunten tijdens de voornoemde referentieperiode waarop de belastbare instrumenten nog op een effectenrekening werden gehouden voor de omzetting ervan, worden geacht een nulwaarde te kennen.".
Art. 6. Dans le livre II, titre II, du même Code, rétabli par l'article 2, l'article 154, abrogé par l'arrêté royal du 22 août 1934, est rétabli dans la rédaction suivante :
  "Art. 154. § 1er. La valeur moyenne visée à l'article 151 est calculée comme suit :
  1° au cours de la période de référence, le dernier jour de chaque trimestre forme un point de référence;
  2° à chaque point de référence, un relevé de la valeur des instruments financiers imposables inscrits sur les comptes-titres est établi;
  3° les valeurs des relevés établis lors des différents points de référence sont additionnées puis divisées par le nombre de points de référence.
  § 2. En cas d'ouverture, de modification ou de clôture d'un compte-titres ou lorsqu'une personne physique devient titulaire d'un compte-titres ou n'est plus titulaire durant la période de référence, le jour de l'ouverture, de la modification ou de la clôture du compte-titres ou le jour où une personne physique devient titulaire d'un compte-titres ou ne l'est plus, est aussi considéré comme un point de référence et ce point de référence est ajouté aux points de références, conformément au paragraphe 1er, pour calculer la valeur moyenne.
  Par dérogation à l'article 152, 6°, la période de référence commence au moment où une personne physique devient titulaire d'un compte-titres. Elle prend fin le jour où une personne physique n'est plus titulaire d'un compte-titres.
  Lorsqu'à la suite du transfert de tout ou partie des instruments financiers d'un compte-titres d'un intermédiaire belge vers un autre intermédiaire belge, la période de référence commence ou prend fin durant la période de référence prévue à l'article 152, 6°, et que le titulaire qui opère ce transfert perd sa qualité de titulaire dudit compte-titres mais devient titulaire du compte-titres sur lequel les instruments financiers sont transférés, seule la période de référence auprès du dernier intermédiaire belge où le compte-titres est détenu à la fin de la période de référence visée à l'article 152, 6°, est prise en compte pour le calcul de la taxe.
  Lorsque la période de référence prend fin parce que le titulaire qui quitte la Belgique et par ce fait n'est plus considéré comme habitant du Royaume a en même temps déplacé son compte-titres à l'étranger ou n'est plus titulaire ou co-titulaire d'un ou plusieurs comptes-titres, le montant de la taxe est multiplié par une fraction dont le numérateur comprend le nombre de jours durant lesquels il était encore habitant du Royaume durant la période de référence telle que visée à l'article 152, 6°, et le dénominateur comprend le nombre de jours de la période de référence, telle que visée à l'article 152, 6°.
  Dans le cas visé à l'article 152, 1°, b), il est tenu compte, pour la détermination de la valeur moyenne des instruments imposables convertis, de la période de référence visée à l'article 152, 6°. La valeur des points de référence dans la période de référence précitée au cours de laquelle les instruments imposables étaient encore détenus sur un compte-titres avant leur conversion, est considérée comme nulle.".
Art. 7. In boek II, titel II, van hetzelfde Wetboek hersteld bij artikel 2, wordt artikel 155, opgeheven bij koninklijk besluit van 22 augustus 1934, hersteld als volgt :
  "Art. 155. De Belgische tussenpersonen maken op elk referentietijdstip de in artikel 154 bedoelde staat op voor iedere titularis die de volgende gegevens vermeldt :
  1° de naam en het adres van de titularis;
  2° het rekeningnummer van de titularis;
  3° het aandeel in de op dat referentietijdstip opgetekende waarde van de belastbare financiële instrumenten die op één of meerdere effectenrekeningen bedoeld in artikel 152, 1°, a) worden gehouden;
  4° de periode waarover het aandeel in de waarde als bedoeld in het 3° werd berekend.
  Met inachtneming van de in het eerste lid bedoelde vormvereisten, maken de Belgische tussenpersonen, behalve in geval van overdracht als bedoeld in artikel 154, § 2, derde lid, op het einde van elke referentieperiode een overzicht op met daarin vermelding van de in artikel 154 bedoelde gemiddelde waarde, de uiteindelijk verschuldigde taks, het tarief en in voorkomend geval de reeds ingehouden taks. Dit overzicht wordt medegedeeld aan de titularis uiterlijk op de laatste dag van de maand die volgt op het einde van de referentieperiode.
  De Belgische tussenpersoon stelt in het overzicht als bedoeld in het tweede lid de mogelijkheid tot inhouding voor aan de titularis indien zijn aandeel in de effectenrekeningen bedoeld in artikel 152, 1°, a) bij die Belgische tussenpersoon het in artikel 151, tweede lid, bedoelde bedrag niet overschrijdt.".
Art. 7. Dans le livre II, titre II, du même Code, rétabli par l'article 2, l'article 155, abrogé par l'arrêté royal du 22 août 1934, est rétabli dans la rédaction suivante :
  "Art. 155. Les intermédiaires belges établissent, pour chaque titulaire, à chaque point de référence, le relevé visé à l'article 154, qui contient les informations suivantes :
  1° le nom et l'adresse du titulaire;
  2° le numéro de compte du titulaire;
  3° la part dans la valeur enregistrée des instruments financiers imposables qui, au moment du point de référence, sont détenus sur un ou plusieurs comptes-titres visés à l'article 152, 1°, a);
  4° la période au cours de laquelle la part dans la valeur visée au 3° a été calculée.
  Dans le respect des exigences formelles visées à l'alinéa 1er, les intermédiaires belges, excepté dans le cas d'un transfert visé à l'article 154, § 2, alinéa 3, établissent un aperçu à la fin de chaque période de référence qui reprend la valeur moyenne visée à l'article 154, la taxe finale due, le taux et, le cas échéant, les taxes déjà retenues. Cet aperçu est communiqué au titulaire au plus tard le dernier jour du mois qui suit celui de la fin de la période de référence.
  L'intermédiaire belge offre la possibilité au titulaire, dans l'aperçu visé à l'alinéa 2, de retenir la taxe si sa part dans les comptes-titres visés à l'article 152, 1°, a) auprès de cet intermédiaire belge ne dépasse pas le montant visé à l'article 151, alinéa 2.".
Art. 8. In boek II, titel II, van hetzelfde Wetboek hersteld bij artikel 2, wordt artikel 156, opgeheven bij het koninklijk besluit van 22 augustus 1934, hersteld als volgt :
  "Art. 156. De taks is verschuldigd op de eerste dag die volgt op het einde van de referentieperiode.".
Art. 8. Dans le livre II, titre II, du même Code, rétabli par l'article 2, l'article 156, abrogé par l'arrêté royal du 22 août 1934, est rétabli dans la rédaction suivante :
  "Art. 156. La taxe est due le premier jour qui suit la fin de la période de référence.".
Art. 9. In titel II van boek II van hetzelfde Wetboek hersteld bij artikel 2, wordt artikel 157, opgeheven bij het koninklijk besluit van 22 augustus 1934, hersteld als volgt :
  "Art. 157. Behalve in geval van overdracht bedoeld in artikel 154, § 2, derde lid, gaat de Belgische tussenpersoon over tot een bevrijdende inhouding, aangifte en betaling van de taks indien :
  1° het aandeel van de titularis op de effectenrekeningen bedoeld in artikel 152, 1°, a) gehouden bij de Belgische tussenpersoon gelijk is aan of meer bedraagt dan het in artikel 151, tweede lid, bepaalde bedrag; of indien
  2° de titularis, uiterlijk op de laatste dag van de tweede maand die volgt op het einde van de referentieperiode, geopteerd heeft voor de bevrijdende inhouding op de effectenrekeningen bedoeld in artikel 152, 1°, a), door de Belgische tussenpersoon, wanneer de taks niet werd ingehouden zoals bepaald in 1°. ".
Art. 9. Dans le titre II du livre II du même Code, rétabli par l'article 2, l'article 157, abrogé par l'arrêté royal du 22 août 1934, est rétabli dans la rédaction suivante: :
  "Art. 157. Excepté en cas de transfert visé à l'article 154, § 2, alinéa 3, l'intermédiaire belge effectue la retenue libératoire, la déclaration et le paiement de la taxe si :
  1° la part du titulaire dans les comptes-titres visés à l'article 152, 1°, a) détenus auprès de l'intermédiaire belge est égale ou dépasse le montant visé à l'article 151, alinéa 2; ou si
  2° le titulaire a opté, au plus tard le dernier jour du deuxième mois qui suit la fin de la période de référence, pour la retenue libératoire sur les comptes-titres visés à l'article 152, 1°, a), par l'intermédiaire belge, lorsque la taxe n'a pas été retenue conformément au 1°. ".
Art. 10. In boek II, titel II, van hetzelfde Wetboek hersteld bij artikel 2, wordt artikel 158/1, opgeheven bij het koninklijk besluit van 22 augustus 1934, hersteld als volgt :
  "Art. 158/1. In alle andere gevallen dan deze bedoeld in artikel 157, gaat de titularis zelf over tot aangifte en betaling van de taks, tenzij de titularis kan bewijzen dat de taks reeds ingehouden, aangegeven en betaald werd door een tussenpersoon die niet opgericht of gevestigd is in België.
  In afwijking van artikel 152, 7°, kan de titularis die een of meerdere effectenrekeningen in onverdeeldheid of hetzij in zijn geheel, hetzij deels in vruchtgebruik of blote eigendom houdt, in zijn aangifte het aandeel in de onverdeeldheid, het vruchtgebruik of de blote eigendom opgeven dat hem wettelijk of contractueel toekomt. Hij voegt hiertoe de bewijsstukken toe die het wettelijke of contractuele aandeel vastleggen van de titularis, alsook dat van de andere medegerechtigden in de onverdeeldheid, het vruchtgebruik of de blote eigendom. Wat het vruchtgebruik of de blote eigendom op het geheel of delen van de effectenrekeningen betreft, wordt de waarderingsmethode zoals bedoeld in artikel 158/5, § 2, tweede lid, toegepast. Wanneer uit het vastleggen van het wettelijke of contractuele aandeel blijkt dat het aandeel van een medegerechtigde in de onverdeeldheid, van een vruchtgebruiker of een blote eigenaar, natuurlijke persoon, die geen titularis is, het bedrag als bepaald in artikel 151, tweede lid, bereikt of overschrijdt, wordt deze gelijkgesteld met een titularis voor de toepassing van deze titel.
  Indien een titularis opteert om het wettelijke of contractuele aandeel op te geven als bedoeld in het tweede lid, wordt een gezamenlijke aangifte ingediend, waarvan de nadere regels door de Koning worden bepaald.
  Indien een aangifte wordt ingediend als bedoeld in het derde lid, staat elke medegerechtigde in de onverdeeldheid, elke vruchtgebruiker of elke blote eigenaar, alsook de titularis, hoofdelijk in voor de betaling van de taks.".
Art. 10. Dans le livre II, titre II, du même Code, rétabli par l'article 2, l'article 158/1, abrogé par l'arrêté royal du 22 août 1934, est rétabli dans la rédaction suivante :
  "Art. 158/1. Dans tous les cas autres que ceux visés à l'article 157, le titulaire effectue lui-même la déclaration et le paiement de la taxe à moins qu'il puisse prouver que la taxe a déjà été retenue, déclarée et payée par un intermédiaire qui n'a pas été constitué ou n'est pas établi en Belgique.
  Par dérogation à l'article 152, 7°, le titulaire qui détient un ou plusieurs comptes-titres en indivision ou soit totalement, soit partiellement en usufruit ou en nue-propriété, peut reprendre dans sa déclaration la part dans l'indivision, dans l'usufruit ou dans la nue-propriété qui lui revient de manière légale ou contractuelle. Il joint, à cette fin, les pièces justificatives qui déterminent la part légale ou contractuelle du titulaire, ainsi que celle des autres co-bénéficiaires dans l'indivision, l'usufruit ou la nue-propriété. En ce qui concerne l'usufruit ou la nue-propriété sur la totalité ou une partie de comptes-titres, la méthode d'évaluation visée à l'article 158/5, § 2, alinéa 2, est applicable. Lorsqu'il apparait de la détermination de la partie légale ou contractuelle que la part d'un co-bénéficiaire dans l'indivision, d'un usufruitier ou d'un nu-propriétaire personne physique, qui n'est pas titulaire, atteint ou dépasse le montant fixé à l'article 151, alinéa 2, il est assimilé au titulaire pour l'application du présent titre.
  Si un titulaire a choisi de déclarer la part légale ou contractuelle visée à l'alinéa 2, une déclaration conjointe est introduite, dont les modalités sont déterminées par le Roi.
  Si une déclaration est introduite conformément à l'alinéa 3, chaque co-bénéficiaire dans l'indivision, chaque usufruitier ou chaque nu-propriétaire, de même que le titulaire, est tenu solidairement pour le paiement de la taxe.".
Art. 11. In boek II, titel II, van hetzelfde Wetboek hersteld bij artikel 2, wordt artikel 158/2, opgeheven bij het koninklijk besluit van 22 augustus 1934, hersteld als volgt :
  "Art. 158/2. De niet in België gevestigde of opgerichte tussenpersonen kunnen, wanneer zij voor een natuurlijke persoon een aan de taks onderworpen rekening beheren, door of vanwege de minister van Financiën een in België gevestigde aansprakelijke vertegenwoordiger laten erkennen. Deze vertegenwoordiger verbindt zich hoofdelijk jegens de Belgische Staat, tot de betaling van de taks welke de tussenpersoon voor rekening van de titularis doet, en tot uitvoering van alle verplichtingen waartoe de tussenpersoon krachtens deze titel gehouden is.
  In geval van overlijden van de aansprakelijke vertegenwoordiger, van intrekking van zijn erkenning of van een gebeurtenis die tot zijn onbevoegdheid leidt, wordt dadelijk in zijn vervanging voorzien.
  De Koning bepaalt de voorwaarden en nadere regels van erkenning van de aansprakelijke vertegenwoordiger.".
Art. 11. Dans le livre II, titre II, du même Code, rétabli par l'article 2, l'article 158/2, abrogé par l'arrêté royal du 22 août 1934, est rétabli dans la rédaction suivante :
  "Art. 158/2. Les intermédiaires non constitués ou non établis en Belgique peuvent, lorsqu'ils gèrent pour une personne physique un compte soumis à la présente taxe, faire agréer par le ministre des Finances ou son délégué un représentant responsable établi en Belgique. Ce représentant s'engage solidairement, envers l'Etat belge, au paiement de la taxe par l'intermédiaire pour le compte du titulaire et à l'exécution de toutes les obligations dont l'intermédiaire est tenu conformément au présent titre.
  En cas de décès du représentant responsable, de retrait de son agrément ou d'un évènement entraînant son incapacité, il est pourvu immédiatement à son remplacement.
  Le Roi fixe les conditions et modalités d'agrément du représentant responsable.".
Art. 12. In boek II, titel II, van hetzelfde Wetboek hersteld bij artikel 2, wordt een artikel 158/3 ingevoegd, luidende :
  "Art. 158/3. § 1. De in artikel 157 bedoelde belastingschuldigen dienen een aangifte in bij het bevoegde kantoor, uiterlijk op de twintigste dag van de derde maand die volgt op het einde van de referentieperiode.
  De taks wordt betaald op de in het eerste lid bedoelde dag door storting of overschrijving op de rekening van het bevoegde kantoor met vermelding van de heffingsbasis. De Koning bepaalt de wijze waarop de schuldenaars van de taks aangifte doen evenals het bevoegde kantoor.
  § 2. Niet aangifte, laattijdige, onnauwkeurige of onvolledige aangifte, alsook de laattijdige betaling, worden bestraft met een boete die wordt vastgelegd naar gelang van de aard en de ernst van de overtreding, volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld en gaande van 10 pct. tot 200 pct. van de verschuldigde taks. Bij ontstentenis van kwade trouw kan worden afgezien van het minimum van 10 pct.
  Wanneer de taks niet binnen de in paragraaf 1 vastgestelde termijn is betaald, is de interest van rechtswege verschuldigd met ingang van de dag waarop de betaling had moeten geschieden.".
Art. 12. Dans le livre II, titre II, du même Code, rétabli par l'article 2, il est inséré un article 158/3 rédigé comme suit :
  "Art. 158/3. § 1er. Les redevables visés à l'article 157 déposent une déclaration au bureau compétent au plus tard le vingtième jour du troisième mois qui suit la fin de la période de référence.
  La taxe est acquittée au jour visé à l'alinéa 1er par versement ou virement sur le compte du bureau compétent en mentionnant la base imposable. Le Roi détermine les modalités à remplir par les redevables de la taxe lors de la déclaration ainsi que le bureau compétent.
  § 2. L'absence de déclaration, la déclaration tardive, inexacte ou incomplète ainsi que le paiement tardif sont punis par une amende qui est établie en fonction de la nature et de la gravité de l'infraction, selon une échelle dont les graduations sont déterminées par le Roi et allant de 10 p.c. à 200 p.c. de la taxe due. En l'absence de mauvaise foi, il peut être renoncé au minimum de 10 p.c.
  Lorsque la taxe n'est pas acquittée dans le délai fixé au paragraphe 1er, l'intérêt est exigible de plein droit à partir du jour où le paiement aurait dû être fait.".
Art. 13. In boek II, titel II, van hetzelfde Wetboek hersteld bij artikel 2, wordt een artikel 158/4 ingevoegd, luidende :
  "Art. 158/4. § 1. De in artikel 158/1 bedoelde belastingplichtigen dienen een elektronische aangifte in, uiterlijk op de laatste dag voor indiening van de aangifte in de personenbelasting via het elektronisch platform MyMinfin.
  De taks wordt uiterlijk op 31 augustus van het jaar volgend op het jaar waarin de gronden voor belastbaarheid aanwezig zijn, betaald door storting of overschrijving op de rekening van het bevoegde kantoor met vermelding van de heffingsbasis. De Koning bepaalt het bevoegde kantoor, alsook de nadere regels van de aangifte. Er moet slechts overgegaan worden tot betaling van de taks wanneer het door de aangifte verschuldigde bedrag meer bedraagt dan 10 euro.
  § 2. De elektronische aangifte bedoeld in paragraaf 1, die moet worden ingevuld en overgezonden overeenkomstig de daarin voorkomende aanduidingen, wordt door de Federale Overheidsdienst Financiën ter beschikking gesteld en wordt gelijkgesteld met een nauwkeurig gewaarmerkte, gedagtekende en ondertekende aangifte.
  In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, zijn de in artikel 158/1 bedoelde belastingplichtigen vrijgesteld van de verplichting een aangifte in te dienen langs elektronische weg in de gevallen door de Koning bepaald of zolang zij of in voorkomend geval de persoon die gemachtigd is de bedoelde aangifte namens hen in te dienen, niet over de nodige geïnformatiseerde middelen beschikken om aan deze verplichting te voldoen. In dit geval moet de indiening van de aangifte geschieden op papier bij het bevoegde kantoor.
  De door de belastingplichtigen ingediende aangiften bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, alsook de hierbij gevoegde documenten en verantwoordingsstukken, die door de administratie die bevoegd is voor de vestiging, inning of invordering van de taks op effectenrekeningen, fotografisch, optisch, elektronisch of volgens elke andere informatica- of telegeleidingstechniek worden geregistreerd, bewaard of weergegeven, evenals hun weergave op een leesbare drager, hebben bewijskracht voor de toepassing van de bepalingen van het Wetboek diverse rechten en taksen.
  § 3. De niet aangifte, laattijdige, onnauwkeurige of onvolledige aangifte, alsook de laattijdige betaling, worden bestraft met een boete die wordt vastgelegd naar gelang van de aard en de ernst van de overtreding, volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld en gaande van 10 pct. tot 200 pct. van de verschuldigde taks. Bij ontstentenis van kwade trouw kan worden afgezien van het minimum van 10 pct.
  Wanneer de taks niet binnen de in paragraaf 1 vastgestelde termijn is betaald, is de interest van rechtswege verschuldigd met ingang van de dag waarop de betaling had moeten geschieden.".
Art. 13. Dans le livre II, titre II, du même Code, rétabli par l'article 2, il est inséré un article 158/4 rédigé comme suit :
  "Art. 158/4. § 1er. Les contribuables visés à l'article 158/1 déposent une déclaration électronique au plus tard le dernier jour de l'introduction de la déclaration à l'impôt des personnes physiques par le biais de la plate-forme électronique MyMinfin.
  La taxe est acquittée au plus tard le 31 août de l'année qui suit l'année dans laquelle les conditions d'assujettissement sont réunies, par versement ou virement sur le compte du bureau compétent en mentionnant la base imposable. Le Roi détermine le bureau compétent, ainsi que les modalités de la déclaration. Il faut seulement procéder au payement de la taxe quand le montant exigible selon la déclaration dépasse 10 euros.
  § 2. La déclaration électronique, visée au paragraphe 1er, qui doit être remplie et transmise conformément aux indications qui figurent dans celle-ci, est mise à disposition par le Service public fédéral Finances et est assimilée à une déclaration certifiée exacte, datée et signée.
  Par dérogation au paragraphe 1er, alinéa 1er, les contribuables visés à l'article 158/1 sont dispensés de l'obligation d'introduire une déclaration par voie électronique dans les cas prévus par le Roi ou aussi longtemps qu'eux-mêmes ou, le cas échéant, la personne qu'ils ont mandatée pour l'introduction d'une telle déclaration, ne disposent pas des moyens informatiques nécessaires pour remplir cette obligation. Dans ce cas, l'introduction de la déclaration s'effectue sur support papier au bureau compétent.
  Les déclarations visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, ainsi que les documents et pièces justificatives, introduites par les contribuables, qui sont enregistrées, conservées ou reproduites par l'administration qui a l'établissement, la perception ou le recouvrement de la taxe sur les comptes-titres dans ses attributions, selon un procédé photographique, optique, électronique ou par toute autre technique informatique ou télématique, ainsi que leur représentation sur un support lisible ont force probante pour l'application des dispositions du Code des droits et taxes divers.
  § 3. L'absence de déclaration, la déclaration tardive, inexacte ou incomplète ainsi que le paiement tardif sont punis par une amende qui est établie en fonction de la nature et de la gravité de l'infraction, selon une échelle dont les graduations sont déterminées par le Roi et allant de 10 p.c. à 200 p.c. de la taxe due. En l'absence de mauvaise foi, il peut être renoncé au minimum de 10 p.c.
  Lorsque la taxe n'est pas acquittée dans le délai fixé au paragraphe 1er, l'intérêt est dû de plein droit à partir du jour où le paiement aurait dû être fait.".
Art. 14. In boek II, titel II, van hetzelfde Wetboek hersteld bij artikel 2, wordt een artikel 158/5 ingevoegd, luidende :
  "Art. 158/5. § 1. De taks wordt teruggegeven wanneer deze een hogere som vertegenwoordigt dan die welke wettelijk verschuldigd was op de laatste dag van de referentieperiode. De Koning bepaalt de nadere regels en het bevoegde kantoor voor de vraag tot teruggave.
  § 2. Indien het aandeel in de gemiddelde waarde van de belastbare financiële instrumenten op effectenrekeningen bepaald in artikel 152, 7°, een hogere som vertegenwoordigt dan het aandeel in de onverdeeldheid dat wettelijk of contractueel toekomt aan de titularis, kan de titularis teruggave van de betaalde taks vorderen. De titularis legt hiertoe de nodige bewijsstukken voor die het wettelijke of contractuele aandeel vastleggen.
  Wanneer de taks werd ingehouden voor een titularis die delen of het geheel van een of meerdere effectenrekeningen hetzij in vruchtgebruik, hetzij in blote eigendom heeft, en het aandeel waarop de inhouding is berekend een hogere som vertegenwoordigt dan het wettelijke of contractuele aandeel in het vruchtgebruik of de blote eigendom, kan die titularis teruggave van de betaalde taks vorderen. Voor de berekening van het wettelijke of contractuele aandeel van de vruchtgebruiker of blote eigenaar in de gemiddelde waarde met het oog op teruggave, wordt het vruchtgebruik gewaardeerd volgens de regels van de bijlage bij het ministerieel besluit van 1 juli 2017 tot bepaling van de omzettingstabellen van het vruchtgebruik als bedoeld in artikel 745sexies, § 3, van het Burgerlijk Wetboek.
  In geval van teruggave wordt het deel dat het wettelijke of contractuele aandeel in de belastbare financiële instrumenten zoals bedoeld in het eerste of het tweede lid, al dan niet gehouden over meerdere effectenrekeningen, overstijgt, gevoegd bij het aandeel van de medegerechtigden, van de vruchtgebruiker of van de blote eigenaar, zoals bepaald in artikel 152, 7°, om de uiteindelijk verschuldigde taks te berekenen. Het verschil tussen de uiteindelijk verschuldigde taks en de reeds betaalde taks wordt aangerekend aan de medegerechtigde in de onverdeeldheid, de vruchtgebruiker of de blote eigenaar. Wanneer de medegerechtigden in de onverdeeldheid, de vruchtgebruiker of de blote eigenaar natuurlijke personen zijn die geen titularissen zijn van een effectenrekening, worden deze in geval van teruggave gelijkgesteld met een titularis wanneer het aangerekende deel gelijk is aan of meer bedraagt dan het in artikel 151 bedoelde bedrag.
  Wanneer de in het derde lid bedoelde teruggave aanleiding geeft tot een aanrekening van het deel dat het wettelijke of contractuele aandeel van de titularis overstijgt, aan een of meerdere medegerechtigden in de onverdeeldheid, aan de vruchtgebruiker of aan de blote eigenaar, staat elke medegerechtigde in de onverdeeldheid, elke vruchtgebruiker of elke blote eigenaar, alsook de titularis, hoofdelijk in voor de taks die verschuldigd is door de aanrekening van dat deel.
  De Koning kan bepalen in welke gevallen voor een gezamenlijke aangifte geopteerd moet worden en de nadere regels hiervoor vastleggen.
  § 3. In het geval wordt overgegaan tot teruggave van een deel of het geheel van de taks, zijn de moratoire interesten op de terug te betalen sommen van rechtswege verschuldigd volgens het percentage in burgerlijke zaken, en uiterlijk vanaf de eerste dag van de achtste maand die volgt op de maand tijdens dewelke de aanvraag tot teruggave is ingediend voor zover het bevoegde kantoor reeds heeft bevestigd dat het dossier volledig is. Die interest wordt berekend per kalendermaand op het bedrag van elke betaling afgerond op het hoger veelvoud van 10 euro. De maand waarin de betaling wordt uitgevoerd, wordt niet meegerekend.
  § 4. Er wordt slechts overgegaan tot teruggave wanneer het bedrag dat het voorwerp vormt van de teruggave meer bedraagt dan 10 euro.
  § 5. De Koning bepaalt de wijze en de voorwaarden volgens welke de terugbetaling geschiedt en bepaalt tevens de termijn binnen dewelke de terugbetaling moet worden gevraagd met een maximumgrens van twee jaar te rekenen van de dag waarop de taks opeisbaar is geworden.".
Art. 14. Dans le livre II, titre II, du même Code, rétabli par l'article 2, il est inséré un article 158/5 rédigé comme suit :
  "Art. 158/5. § 1er. La taxe est remboursée lorsque celle-ci représente une somme supérieure à celle qui était légalement due au dernier jour de la période de référence. Le Roi détermine les modalités et le bureau compétent pour la demande de remboursement.
  § 2. Si la part dans la valeur moyenne des instruments financiers imposables sur des comptes-titres, définie à l'article 152, 7°, représente un montant supérieur par rapport à la part dans l'indivision qui, légalement ou contractuellement, revient au titulaire, le titulaire peut réclamer le remboursement de la taxe payée. Le titulaire présente à cet effet les pièces justificatives nécessaires pour l'établissement de la part légale ou contractuelle.
  Lorsque la taxe a été retenue dans le chef du titulaire qui détient soit partiellement, soit totalement un ou plusieurs comptes-titres en usufruit ou en nue-propriété, et que la partie sur laquelle la retenue a été calculée, représente une somme plus élevée que la part légale ou contractuelle de l'usufruit ou de la nue-propriété, le titulaire peut revendiquer le remboursement de la taxe payée. Pour le calcul de la part légale ou contractuelle de l'usufruitier ou du nu-propriétaire dans la valeur moyenne en vue du remboursement, l'usufruit est évalué selon les règles de l'annexe à l'arrêté ministériel du 1er juillet 2017 établissant les tables de conversion de l'usufruit visées à l'article 745sexies, § 3, du Code civil.
  En cas de remboursement, la fraction qui est supérieure à la part légale ou contractuelle dans les instruments financiers imposables visée à l'alinéa 1er ou 2, détenue ou non dans plusieurs comptes-titres, est ajoutée à la part des co-bénéficiaires, de l'usufruitier ou du nu-propriétaire comme fixée à l'article 152, 7°, pour calculer la taxe finalement due. La différence entre la taxe finalement due et la taxe déjà acquittée est à la charge du co-bénéficiaire dans l'indivision, de l'usufruitier ou du nu-propriétaire. Lorsque les co-bénéficiaires dans l'indivision, l'usufruitier ou le nu-propriétaire sont des personnes physiques qui ne sont pas titulaires d'un compte-titres, ils seront, en cas de remboursement, traités eux-mêmes comme des titulaires lorsque la fraction qui leur revient est égale ou supérieure au montant visé à l'article 151.
  Lorsque le remboursement, visé à l'alinéa 3, donne lieu à une imputation de la fraction qui dépasse la part légale ou contractuelle du titulaire chez un ou plusieurs co-bénéficiaires dans l'indivision, chez l'usufruitier ou chez le nu-propriétaire, chaque co-bénéficiaire dans l'indivision, chaque usufruitier ou chaque nu-propriétaire, de même que le titulaire, est tenu solidairement de la taxe due pour le règlement de cette fraction.
  Le Roi peut déterminer dans quels cas une déclaration conjointe doit être choisie et en fixer les modalités.
  § 3. Au cas où une partie ou la totalité de la taxe payée est remboursée, les intérêts moratoires sur les sommes à rembourser sont dus de plein droit au taux fixé en matière civile et au plus tard à partir du premier jour du huitième mois qui suit le mois au cours duquel la demande de remboursement a été introduite, pour autant que le bureau compétent ait déjà confirmé que le dossier est complet. Cet intérêt est calculé par mois civil sur le montant de chaque paiement arrondi au multiple inférieur de 10 euros; le mois pendant lequel a eu lieu le paiement est négligé.
  § 4. Le remboursement est effectué uniquement lorsque le montant qui fait l'objet d'un remboursement est supérieur à 10 euros.
  § 5. Le Roi détermine la manière et les conditions selon lesquelles le remboursement est effectué et détermine également le délai dans lequel chaque remboursement doit être demandé avec un maximum de deux ans à compter du jour auquel la taxe devient exigible.".
Art. 15. In boek II, titel II, van hetzelfde Wetboek hersteld bij artikel 2, wordt een artikel 158/6 ingevoegd, luidende :
  "Art. 158/6. [Met het oog op het onderzoek van de fiscale toestand van de titularis van een effectenrekening mag de administratie aan die titularis elke inlichting vragen die de administratie nodig acht om de juiste heffing van de te verzekeren]. (ERRATUM, zie B.St. van 14-03-2018, p. 22979)
  Voor elke foutieve mededeling of gebrek aan mededeling gevraagd met toepassing van het eerste lid kan een geldboete van 750 tot 1 250 euro opgelegd worden. De Koning legt de schaal van de administratieve geldboetes vast en regelt hun toepassingsmodaliteiten. Bij ontstentenis van kwade trouw kan worden afgezien van de minimumboete van 750 euro.".
Art. 15. Dans le livre II, titre II, du même Code, rétabli par l'article 2, il est inséré un article 158/6 rédigé comme suit :
  "Art. 158/6. [En vue de l'examen du statut fiscal du titulaire d'un compte-titres, l'administration peut lui demander tous les renseignements qui lui sont utiles afin d'assurer la juste perception de la taxe.] (ERRATUM, voir M.B. du 14-03-2018, p. 22979)
  Pour toute communication fautive ou absence de communication demandée en application de l'alinéa 1er une amende allant de 750 euros à 1 250 euros peut être infligée. Le Roi fixe l'échelle des amendes administratives et règle les modalités d'application de celles-ci. En l'absence de mauvaise foi, il peut être renoncé à l'amende minimum de 750 euros.".
HOOFDSTUK 3. - Diverse bepaling ter begeleiding van de taks op effectenrekeningen
CHAPITRE 3. - Disposition diverse accompagnant la taxe sur les comptes-titres
Art. 16. In artikel 307, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, laatst gewijzigd bij de programmawet van 25 december 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1/1, eerste lid, wordt een bepaling onder e ingevoegd, luidende :
  "e) het bestaan van meerdere in artikel 152, 1°, a) van het Wetboek diverse rechten en taksen bedoelde effectenrekeningen waarvan de belastingplichtige titularis is als bedoeld in artikel 152, 5°, van hetzelfde Wetboek.";
  2° in hetzelfde artikel wordt een paragraaf 1/5 ingevoegd, luidende :
  " § 1/5. De belastingplichtigen onderworpen aan de belasting van niet-inwoners als bedoeld in artikel 227, 1°, vermelden in de jaarlijkse aangifte het bestaan van meerdere in artikel 152, 1°, a) van het Wetboek diverse rechten en taksen bedoelde effectenrekeningen waarvan de belastingplichtige titularis is als bedoeld in artikel 152, 5°, van hetzelfde Wetboek.".
Art. 16. Dans l'article 307, § 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992, modifié en dernier lieu par la loi-programme du 25 décembre 2017, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er/1, alinéa 1er, il est inséré un lettera e, rédigé comme suit :
  "e) l'existence de plusieurs comptes-titres visés à l'article 152, 1°, a) du Code des droits et taxes divers dont le contribuable est un titulaire visé à l'article 152, 5°, du même Code.";
  2° dans le même article, il est inséré un paragraphe 1er/5, rédigé comme suit :
  " § 1er/5. Les contribuables soumis à l'impôt des non-résidents visé à l'article 227, 1°, mentionnent dans la déclaration annuelle l'existence de plusieurs comptes-titres visés à l'article 152, 1°, a) du Code des droits et taxes divers dont le contribuable est un titulaire visé à l'article 152, 5°, du même Code.".
HOOFDSTUK 4. - Overgangsbepaling en inwerkingtreding
CHAPITRE 4. - Mesure transitoire et entrée en vigueur
Art. 17. De eerste referentieperiode vangt aan op de dag van inwerkingtreding van deze wet en eindigt op 30 september 2018.
Art. 17. La première période de référence commence le jour de l'entrée en vigueur de cette loi et prend fin le 30 septembre 2018.
Art. 18. Deze wet treedt in werking de dag volgend op de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.
Art. 18. La présente loi entre en vigueur le lendemain de sa publication au Moniteur belge.