Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
23 MAART 2017. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 juni 2007 betreffende het opleidingsfonds dienstencheques
Titre
23 MARS 2017. - Arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale modifiant l'arrêté royal du 7 juin 2007 concernant le fonds de formation titres-services
Dokumentinformationen
Info du document
Tekst (17)
Texte (17)
Artikel 1. In artikel 1 van het koninklijk besluit van 7 juni 2007 betreffende het opleidingsfonds dienstencheques, laatst gewijzigd bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 29 oktober 2015, wordt punt 3° geschrapt.
Article 1er. Dans l'article 1er de l'arrêté royal du 7 juin 2007 concernant le fonds de formation titres-services, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 29 octobre 2015, le 3° est supprimé.
Art. 2. In artikel 2, § 1, van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 22 juli 2009, worden het eerste en het tweede lid vervangen als volgt:
" § 1. Om in aanmerking te komen voor de terugbetaling van de opleidingskosten bedoeld in artikel 9bis, § 1, van de wet moet de opleiding:
-ofwel samenhangen met de functie die de dienstenchequewerknemer uitoefent. In het bijzonder de volgende opleidingsthema's hangen samen met de uitgeoefende functie: attitude, omgaan met klanten, ergonomie, efficiënt organiseren, veiligheid en hygiëne, het leren van gebarentaal en het gebruik van het Nederlands/Frans/Engels op de werkvloer.
Een opleiding eerste hulp hangt samen met de uitgeoefende functie en komt ook in aanmerking voor een terugbetaling van de in artikel 9bis, § 1 van de wet beoogde opleidingskosten;
- ofwel een specialisatie of professionele mobiliteit van de dienstenchequewerknemer nastreven binnen de dienstenchequesector, of binnen gelijk welke andere sector.".
" § 1. Om in aanmerking te komen voor de terugbetaling van de opleidingskosten bedoeld in artikel 9bis, § 1, van de wet moet de opleiding:
-ofwel samenhangen met de functie die de dienstenchequewerknemer uitoefent. In het bijzonder de volgende opleidingsthema's hangen samen met de uitgeoefende functie: attitude, omgaan met klanten, ergonomie, efficiënt organiseren, veiligheid en hygiëne, het leren van gebarentaal en het gebruik van het Nederlands/Frans/Engels op de werkvloer.
Een opleiding eerste hulp hangt samen met de uitgeoefende functie en komt ook in aanmerking voor een terugbetaling van de in artikel 9bis, § 1 van de wet beoogde opleidingskosten;
- ofwel een specialisatie of professionele mobiliteit van de dienstenchequewerknemer nastreven binnen de dienstenchequesector, of binnen gelijk welke andere sector.".
Art. 2. Dans l'article 2, § 1er du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal du 22 juillet 2009, les alinéas 1er et 2 sont remplacés par ce qui suit:
" § 1er. Pour entrer en ligne de compte pour le remboursement des frais de formation visés à l'article 9bis, § 1er, de la loi, la formation :
-soit est en lien avec la fonction exercée par le travailleur titre-service. Les sujets de formation suivants sont notamment considérés comme ayant un lien avec la fonction exercée: l'attitude, le savoir-faire avec des clients, l'ergonomie, l'organisation efficace, la sécurité et l'hygiène, l'apprentissage de la langue des signes et l'usage du néerlandais/français/anglais sur le lieu du travail.
Une formation de secourisme est considérée comme étant en lien avec la fonction exercée et entre également en ligne de compte pour le remboursement des frais de formation visés à l'article 9bis, § 1er, de la loi;
- soit poursuit un objectif de spécialisation ou de mobilité professionnelle du travailleur titres-services au sein du secteur titres-services ou au sein de tout autre secteur. ".
" § 1er. Pour entrer en ligne de compte pour le remboursement des frais de formation visés à l'article 9bis, § 1er, de la loi, la formation :
-soit est en lien avec la fonction exercée par le travailleur titre-service. Les sujets de formation suivants sont notamment considérés comme ayant un lien avec la fonction exercée: l'attitude, le savoir-faire avec des clients, l'ergonomie, l'organisation efficace, la sécurité et l'hygiène, l'apprentissage de la langue des signes et l'usage du néerlandais/français/anglais sur le lieu du travail.
Une formation de secourisme est considérée comme étant en lien avec la fonction exercée et entre également en ligne de compte pour le remboursement des frais de formation visés à l'article 9bis, § 1er, de la loi;
- soit poursuit un objectif de spécialisation ou de mobilité professionnelle du travailleur titres-services au sein du secteur titres-services ou au sein de tout autre secteur. ".
Art. 3. In artikel 4 van hetzelfde besluit, laatst gewijzigd bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 29 oktober 2015, worden volgende wijzigingen aangebracht:
1° § 1 wordt aangevuld met de woorden ", en de vormingsplannen moet goedkeuren zoals bedoeld in artikel 8 van het koninklijk besluit van 12 december 2001 betreffende de dienstencheques.";
2° in § 4 worden de woorden "of vertegenwoordigd" tussen de woorden "moeten aanwezig" en "zijn" ingevoegd.
1° § 1 wordt aangevuld met de woorden ", en de vormingsplannen moet goedkeuren zoals bedoeld in artikel 8 van het koninklijk besluit van 12 december 2001 betreffende de dienstencheques.";
2° in § 4 worden de woorden "of vertegenwoordigd" tussen de woorden "moeten aanwezig" en "zijn" ingevoegd.
Art. 3. Dans l'article 4 du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 29 octobre 2015, les modifications suivantes sont apportées :
1° le § 1er est complété par les mots " , et d'approuver les plans de formations visés à l'article 8 de l'arrêté royal du 12 décembre 2001 concernant les titres-services. ";
2° au § 4, les mots " ou représentés " sont insérés entre les mots " être présents " et les mots " pour pouvoir rendre ".
1° le § 1er est complété par les mots " , et d'approuver les plans de formations visés à l'article 8 de l'arrêté royal du 12 décembre 2001 concernant les titres-services. ";
2° au § 4, les mots " ou représentés " sont insérés entre les mots " être présents " et les mots " pour pouvoir rendre ".
Art. 4. In artikel 5 van hetzelfde besluit, laatst gewijzigd bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 29 oktober 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, tweede lid, 1°, worden de woorden "het nummer van de vestigingseenheid of vestigingseenheden," ingevoegd tussen de woorden "uniek ondernemingsnummer," en de woorden "de identiteit";
2° in paragraaf 1, tweede lid, wordt punt 4° aangevuld met de woorden "in deze vestigingseenheid of vestigingseenheden";
3° het tweede lid van paragraaf 2 wordt vervangen als volgt:
"Als de onderneming haar aanvraag of haar dossier niet binnen de twee maanden die volgen op de verzending van de voornoemde brief vervolledigt, wordt de aanvraag als onbestaande beschouwd.".
1° in paragraaf 1, tweede lid, 1°, worden de woorden "het nummer van de vestigingseenheid of vestigingseenheden," ingevoegd tussen de woorden "uniek ondernemingsnummer," en de woorden "de identiteit";
2° in paragraaf 1, tweede lid, wordt punt 4° aangevuld met de woorden "in deze vestigingseenheid of vestigingseenheden";
3° het tweede lid van paragraaf 2 wordt vervangen als volgt:
"Als de onderneming haar aanvraag of haar dossier niet binnen de twee maanden die volgen op de verzending van de voornoemde brief vervolledigt, wordt de aanvraag als onbestaande beschouwd.".
Art. 4. Dans l'article 5 du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 29 octobre 2015, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 1er, alinéa 2, 1°, les mots " le numéro de l'unité d'établissement ou des unités d'établissement, " sont insérés entre les mots " unique d'entreprise, " et les mots " l'identité ";
2° au paragraphe 1er, l'alinéa 2, 4°, est complété par les mots " dans cette ou ces unité(s) d'établissement ";
3° l'alinéa 2 du paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" Si l'entreprise ne complète pas sa demande ou son dossier dans les deux mois qui suivent l'envoi du courrier précité, la demande est considérée nulle et non avenue. ".
1° au paragraphe 1er, alinéa 2, 1°, les mots " le numéro de l'unité d'établissement ou des unités d'établissement, " sont insérés entre les mots " unique d'entreprise, " et les mots " l'identité ";
2° au paragraphe 1er, l'alinéa 2, 4°, est complété par les mots " dans cette ou ces unité(s) d'établissement ";
3° l'alinéa 2 du paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" Si l'entreprise ne complète pas sa demande ou son dossier dans les deux mois qui suivent l'envoi du courrier précité, la demande est considérée nulle et non avenue. ".
Art. 5. In artikel 6, paragraaf 1, tweede lid, 1° van hetzelfde besluit worden de woorden "het nummer van de vestigingseenheid" ingevoegd tussen de woorden "uniek ondernemingsnummer," en de woorden "de identiteit".
Art. 5. Dans l'article 6, paragraphe 1er, alinéa 2, 1° du même arrêté, les mots " le numéro de l'unité d'établissement, " sont insérés entre les mots " unique d'entreprise, " et les mots " l'identité ".
Art. 6. In artikel 6bis van hetzelfde besluit, wordt paragraaf 2, tweede lid vervangen als volgt:
" Als de verstrekker van de opleiding zijn/haar aanvraag of dossier niet binnen de twee maanden die volgen op de verzending van de voornoemde brief vervolledigt, wordt de aanvraag als onbestaande beschouwd.".
" Als de verstrekker van de opleiding zijn/haar aanvraag of dossier niet binnen de twee maanden die volgen op de verzending van de voornoemde brief vervolledigt, wordt de aanvraag als onbestaande beschouwd.".
Art. 6. Dans l'article 6bis du même arrêté, le paragraphe 2, alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
" Si le prestataire de la formation ne complète pas sa demande ou son dossier dans les deux mois qui suivent l'envoi du courrier précité, la demande est considérée nulle et non avenue. ".
" Si le prestataire de la formation ne complète pas sa demande ou son dossier dans les deux mois qui suivent l'envoi du courrier précité, la demande est considérée nulle et non avenue. ".
Art. 7. In artikel 6ter, paragraaf 1, tweede lid, 1° van hetzelfde besluit worden de woorden "het nummer van de betrokken vestigingseenheid of vestigingseenheden van de erkende onderneming" ingevoegd tussen de woorden "uniek ondernemingsnummer," en de woorden "de identiteit".
Art. 7. Dans l'article 6ter, paragraphe 1er, alinéa 2, 1° du même arrêté, les mots " le numéro de l'unité d'établissement ou des unités d'établissement concernées de l'entreprise agréée, " sont insérés entre les mots " unique d'entreprise, " et les mots " l'identité ".
Art. 8. In artikel 6quater, eerste paragraaf, vijfde lid, 1° van hetzelfde besluit worden de woorden "het nummer van de vestigingseenheid waaraan de werknemer verbonden is," ingevoegd tussen de woorden "uniek ondernemingsnummer," en de woorden "de identiteit".
Art. 8. Dans l'article 6quater, paragraphe premier, alinéa 5, 1° du même arrêté, les mots " le numéro d'unité d'établissement à laquelle le travailleur est rattaché, " sont insérés entre les mots " unique d'entreprise, " et les mots " l'identité ".
Art. 9. In artikel 7, derde lid van hetzelfde besluit worden de woorden "met uitzondering van een cofinanciering door een sectoraal opleidingsfonds," geschrapt.
Art. 9. Dans l'article 7, al. 3 du même arrêté, les mots " à l'exception d'un co-financement par un fonds de formation sectoriel, " sont supprimés.
Art. 10. Artikel 8 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 22 juli 2009 en 10 oktober 2013, wordt vervangen als volgt:
"Art. 8. § 1. Een erkende onderneming kan enkel de terugbetaling verkrijgen van opleidingskosten gemaakt tijdens een periode waarin haar erkenning, bedoeld in hoofdstuk IIbis van het voornoemde koninklijk besluit van 12 december 2001, niet ingetrokken was, en op voorwaarde dat ze kan aantonen dat ze ten minste 2000 dienstencheques heeft ingediend bij het bevoegde uitgiftebedrijf in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gedurende het kalenderjaar dat voorafging aan het kalenderjaar van de berekening van haar budget. Als dat niet het geval is, zal het erkende bedrijf van het bestuur geen enkel budget ontvangen.
§ 2. Het maximale recht op terugbetaling voor de opleidingskosten van een bepaald kalenderjaar voor een erkende onderneming, dat in het voorgaande kalenderjaar over een erkenning beschikte in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, voor een terugbetaling zoals bedoeld in artikel 6 of artikel 6ter wordt als volgt berekend:
a x b/c
a = het voor dat kalenderjaar beschikbare budget voor het opleidingsfonds dienstencheques, bedoeld in artikel 9bis, § 2, van de wet. De bedragen die niet werden toegekend aan de erkende bedrijven die het minimaal aantal vereiste dienstencheques niet hebben ingediend, worden opgenomen in het beschikbare budget;
b = het aantal door het uitgiftebedrijf aan de erkende onderneming betaalde dienstencheques in het vorige kalenderjaar;
c = het totale aantal door het uitgiftebedrijf betaalde dienstencheques in het vorige kalenderjaar, waarvan het totale aantal dienstencheques wordt afgetrokken dat is ingediend door de erkende bedrijven die niet het minimale aantal vereiste dienstencheques hebben bereikt.
Elke onderneming die in de loop van dit kalenderjaar en in het kader van de dienstencheques in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een erkenning krijgt, ontvangt een maximaal recht op terugbetaling, dat:
- 1.000 EUR bedraagt als deze erkenning wordt toegekend in de loop van het eerste kwartaal van dit kalenderjaar;
- 750 EUR bedraagt als deze erkenning wordt toegekend in de loop van het tweede kwartaal van dit kalenderjaar;
- 500 EUR bedraagt als deze erkenning wordt toegekend in de loop van het derde kwartaal van dit kalenderjaar;
- 250 EUR bedraagt indien deze erkenning wordt toegekend in de loop van het vierde kwartaal van dit kalenderjaar.
Dit maximale recht op terugbetaling wordt toegekend aan een onderneming die erkend is in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
§ 3. Als de door een erkende onderneming ingediende aanvragen voor een bepaald kalenderjaar het bedrag bedoeld in § 2 overschrijden, wordt de terugbetaling tot dit bedrag beperkt voor de aanvraag die de overschrijding veroorzaakt.
§ 4. Onverminderd de verplichting om zijn personeel te vormen, het opleggen van een eventuele administratieve boete en de terugvordering van de ten onrechte ontvangen bedragen, wordt het erkende bedrijf dat een aanvraag voor een terugbetaling van de opleidingskosten voor een of meer werknemers indient bij het in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bevoegde Secretariaat opleidingsfonds, tijdens het jaar dat volgt op de gemotiveerde inhoudingsbeslissing van het bestuur uitgesloten van het budget waarin dit artikel voorziet, als het een identieke aanvraag betreffende dezelfde opleiding, dezelfde periode en dezelfde werknemers indient bij het orgaan dat bevoegd is voor de terugbetaling van deze opleidingskosten in het Vlaams en/of Waals Gewest, en/of op sectorniveau.".
"Art. 8. § 1. Een erkende onderneming kan enkel de terugbetaling verkrijgen van opleidingskosten gemaakt tijdens een periode waarin haar erkenning, bedoeld in hoofdstuk IIbis van het voornoemde koninklijk besluit van 12 december 2001, niet ingetrokken was, en op voorwaarde dat ze kan aantonen dat ze ten minste 2000 dienstencheques heeft ingediend bij het bevoegde uitgiftebedrijf in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gedurende het kalenderjaar dat voorafging aan het kalenderjaar van de berekening van haar budget. Als dat niet het geval is, zal het erkende bedrijf van het bestuur geen enkel budget ontvangen.
§ 2. Het maximale recht op terugbetaling voor de opleidingskosten van een bepaald kalenderjaar voor een erkende onderneming, dat in het voorgaande kalenderjaar over een erkenning beschikte in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, voor een terugbetaling zoals bedoeld in artikel 6 of artikel 6ter wordt als volgt berekend:
a x b/c
a = het voor dat kalenderjaar beschikbare budget voor het opleidingsfonds dienstencheques, bedoeld in artikel 9bis, § 2, van de wet. De bedragen die niet werden toegekend aan de erkende bedrijven die het minimaal aantal vereiste dienstencheques niet hebben ingediend, worden opgenomen in het beschikbare budget;
b = het aantal door het uitgiftebedrijf aan de erkende onderneming betaalde dienstencheques in het vorige kalenderjaar;
c = het totale aantal door het uitgiftebedrijf betaalde dienstencheques in het vorige kalenderjaar, waarvan het totale aantal dienstencheques wordt afgetrokken dat is ingediend door de erkende bedrijven die niet het minimale aantal vereiste dienstencheques hebben bereikt.
Elke onderneming die in de loop van dit kalenderjaar en in het kader van de dienstencheques in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een erkenning krijgt, ontvangt een maximaal recht op terugbetaling, dat:
- 1.000 EUR bedraagt als deze erkenning wordt toegekend in de loop van het eerste kwartaal van dit kalenderjaar;
- 750 EUR bedraagt als deze erkenning wordt toegekend in de loop van het tweede kwartaal van dit kalenderjaar;
- 500 EUR bedraagt als deze erkenning wordt toegekend in de loop van het derde kwartaal van dit kalenderjaar;
- 250 EUR bedraagt indien deze erkenning wordt toegekend in de loop van het vierde kwartaal van dit kalenderjaar.
Dit maximale recht op terugbetaling wordt toegekend aan een onderneming die erkend is in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
§ 3. Als de door een erkende onderneming ingediende aanvragen voor een bepaald kalenderjaar het bedrag bedoeld in § 2 overschrijden, wordt de terugbetaling tot dit bedrag beperkt voor de aanvraag die de overschrijding veroorzaakt.
§ 4. Onverminderd de verplichting om zijn personeel te vormen, het opleggen van een eventuele administratieve boete en de terugvordering van de ten onrechte ontvangen bedragen, wordt het erkende bedrijf dat een aanvraag voor een terugbetaling van de opleidingskosten voor een of meer werknemers indient bij het in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bevoegde Secretariaat opleidingsfonds, tijdens het jaar dat volgt op de gemotiveerde inhoudingsbeslissing van het bestuur uitgesloten van het budget waarin dit artikel voorziet, als het een identieke aanvraag betreffende dezelfde opleiding, dezelfde periode en dezelfde werknemers indient bij het orgaan dat bevoegd is voor de terugbetaling van deze opleidingskosten in het Vlaams en/of Waals Gewest, en/of op sectorniveau.".
Art. 10. L'article 8 du même arrêté modifié par les arrêtés royaux des 22 juillet 2009 et 10 octobre 2013 est remplacé par ce qui suit :
" Art. 8. § 1er. Une entreprise agréée peut uniquement obtenir le remboursement des frais de formation consentis pendant une période durant laquelle son agrément, visé au chapitre IIbis de l'arrêté royal précité de 12 décembre 2001, n'a pas été retiré, et à condition qu'elle justifie avoir rentré au moins 2000 titres-services auprès de la société émettrice compétente en Région de Bruxelles-Capitale au cours de l'année calendrier qui précède celle du calcul de son budget. Si tel n'est pas le cas, l'entreprise agréée ne se verra attribuer aucun budget par l'administration.
§ 2. Le droit maximum au remboursement pour les frais de formation d'une année calendrier déterminée d'une entreprise agréée, disposant d'un agrément en Région de Bruxelles-Capitale dans l'année calendrier précédente, pour un remboursement prévu à l'article 6 ou à l'article 6ter est calculé comme suit :
a x b/c
a = le budget disponible pour cette année calendrier pour le fonds de formation titres-services, visé à l'article 9bis, § 2, de la loi. Les montants non attribués aux entreprises agréées qui n'ont pas rentré le nombre minimal de titres-services requis sont comptabilisés dans le budget disponible;
b = le nombre des titres-services payés par la société émettrice à l'entreprise agréée dans l'année calendrier précédente;
c = le nombre total des titres-services payés par la société émettrice dans l'année calendrier précédente, duquel est retiré le nombre total des titres-services rentrés par les entreprises agréées qui n'ont pas atteint le nombre minimal de titres-services requis.
Chaque entreprise qui obtient un agrément en Région de Bruxelles-capitale dans le cadre des titres-services au cours de cette année calendrier reçoit un droit maximum de remboursement qui est de :
- 1.000 EUR si cet agrément est donné au cours du premier trimestre de cette année calendrier;
- 750 EUR si cet agrément est donné au cours du deuxième trimestre de cette année calendrier;
- 500 EUR si cet agrément est donné au cours du troisième trimestre de cette année calendrier;
- 250 EUR si cet agrément est donné au cours du quatrième trimestre de cette année calendrier.
Ce droit maximum de remboursement est octroyé à l'entreprise agréée en Région de Bruxelles-Capitale.
§ 3. Si les demandes introduites par l'entreprise agréée pour une année civile dépassent le montant prévu au § 2, alors, pour la demande qui dépasse ce montant, le remboursement est limité à ce montant.
§ 4. Sans préjudice de l'obligation de former son personnel, de l'imposition d'une éventuelle amende administrative et du recouvrement des montants perçus indûment, l'entreprise agréée qui adresse une demande de remboursement de ses frais de formation pour un ou plusieurs travailleurs auprès du Secrétariat fonds de formation compétent en Région de Bruxelles-Capitale, et qui introduit une demande identique concernant la même formation, pour la même période, et les mêmes travailleurs, auprès de l'organe compétent pour le remboursement de ces frais de formation en Région Flamande et/ou en Région Wallonne et/ou au niveau sectoriel est privée du budget prévu au présent article pendant l'année qui suit l'année de la décision motivée de privation adoptée par l'administration. ".
" Art. 8. § 1er. Une entreprise agréée peut uniquement obtenir le remboursement des frais de formation consentis pendant une période durant laquelle son agrément, visé au chapitre IIbis de l'arrêté royal précité de 12 décembre 2001, n'a pas été retiré, et à condition qu'elle justifie avoir rentré au moins 2000 titres-services auprès de la société émettrice compétente en Région de Bruxelles-Capitale au cours de l'année calendrier qui précède celle du calcul de son budget. Si tel n'est pas le cas, l'entreprise agréée ne se verra attribuer aucun budget par l'administration.
§ 2. Le droit maximum au remboursement pour les frais de formation d'une année calendrier déterminée d'une entreprise agréée, disposant d'un agrément en Région de Bruxelles-Capitale dans l'année calendrier précédente, pour un remboursement prévu à l'article 6 ou à l'article 6ter est calculé comme suit :
a x b/c
a = le budget disponible pour cette année calendrier pour le fonds de formation titres-services, visé à l'article 9bis, § 2, de la loi. Les montants non attribués aux entreprises agréées qui n'ont pas rentré le nombre minimal de titres-services requis sont comptabilisés dans le budget disponible;
b = le nombre des titres-services payés par la société émettrice à l'entreprise agréée dans l'année calendrier précédente;
c = le nombre total des titres-services payés par la société émettrice dans l'année calendrier précédente, duquel est retiré le nombre total des titres-services rentrés par les entreprises agréées qui n'ont pas atteint le nombre minimal de titres-services requis.
Chaque entreprise qui obtient un agrément en Région de Bruxelles-capitale dans le cadre des titres-services au cours de cette année calendrier reçoit un droit maximum de remboursement qui est de :
- 1.000 EUR si cet agrément est donné au cours du premier trimestre de cette année calendrier;
- 750 EUR si cet agrément est donné au cours du deuxième trimestre de cette année calendrier;
- 500 EUR si cet agrément est donné au cours du troisième trimestre de cette année calendrier;
- 250 EUR si cet agrément est donné au cours du quatrième trimestre de cette année calendrier.
Ce droit maximum de remboursement est octroyé à l'entreprise agréée en Région de Bruxelles-Capitale.
§ 3. Si les demandes introduites par l'entreprise agréée pour une année civile dépassent le montant prévu au § 2, alors, pour la demande qui dépasse ce montant, le remboursement est limité à ce montant.
§ 4. Sans préjudice de l'obligation de former son personnel, de l'imposition d'une éventuelle amende administrative et du recouvrement des montants perçus indûment, l'entreprise agréée qui adresse une demande de remboursement de ses frais de formation pour un ou plusieurs travailleurs auprès du Secrétariat fonds de formation compétent en Région de Bruxelles-Capitale, et qui introduit une demande identique concernant la même formation, pour la même période, et les mêmes travailleurs, auprès de l'organe compétent pour le remboursement de ces frais de formation en Région Flamande et/ou en Région Wallonne et/ou au niveau sectoriel est privée du budget prévu au présent article pendant l'année qui suit l'année de la décision motivée de privation adoptée par l'administration. ".
Art. 11. In artikel 9 van hetzelfde besluit, laatst gewijzigd bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 29 oktober 2015, worden de woorden "binnen de grenzen van de beschikbare begrotingskredieten" vervangen door de woorden " voor zover het globale budget met betrekking tot het Opleidingsfonds dienstencheques voor het kalenderjaar niet overschreden is".
Art. 11. Dans l'article 9 du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 29 octobre 2015, les mots " dans la limite des crédits budgétaires disponibles " sont remplacés par les mots " pour autant que le budget global concernant le Fonds de formation titres-services pour l'année calendrier ne soit pas dépassé ".
Art. 12. In hetzelfde besluit wordt er een artikel 9bis ingevoegd, luidende:
"Art. 9bis § 1. Als de erkende onderneming de resterende verhoging wil genieten, die overeenstemt met 2% van 27% van de som van de aanschafprijs van de dienstencheque en de daaraan gekoppelde tegemoetkoming, bedoeld in artikel 8, § 1, derde lid van het koninklijk besluit van 12 december 2001 betreffende de dienstencheques, bezorgt ze een vormingsplan aangepast aan de behoeften van de personeelsleden die dienstenchequewerknemers zijn aan het Secretariaat opleidingsfonds.
§ 2. Het Secretariaat opleidingsfonds bevestigt de ontvangst van dit plan en bezorgt het ter goedkeuring aan de Commissie opleidingsfonds dienstencheques.
§ 3. Binnen de twee maanden nadat ze het dossier ontvangt, spreekt de Commissie opleidingsfonds dienstencheques er zich over uit. Het Secretariaat opleidingsfonds deelt de beslissing van de Commissie mee aan de administratie.
§ 4. Als de Commissie op 31 december van het jaar waarin de erkende onderneming het plan heeft ingediend, geen beslissing heeft genomen, is het goedgekeurd.".
"Art. 9bis § 1. Als de erkende onderneming de resterende verhoging wil genieten, die overeenstemt met 2% van 27% van de som van de aanschafprijs van de dienstencheque en de daaraan gekoppelde tegemoetkoming, bedoeld in artikel 8, § 1, derde lid van het koninklijk besluit van 12 december 2001 betreffende de dienstencheques, bezorgt ze een vormingsplan aangepast aan de behoeften van de personeelsleden die dienstenchequewerknemers zijn aan het Secretariaat opleidingsfonds.
§ 2. Het Secretariaat opleidingsfonds bevestigt de ontvangst van dit plan en bezorgt het ter goedkeuring aan de Commissie opleidingsfonds dienstencheques.
§ 3. Binnen de twee maanden nadat ze het dossier ontvangt, spreekt de Commissie opleidingsfonds dienstencheques er zich over uit. Het Secretariaat opleidingsfonds deelt de beslissing van de Commissie mee aan de administratie.
§ 4. Als de Commissie op 31 december van het jaar waarin de erkende onderneming het plan heeft ingediend, geen beslissing heeft genomen, is het goedgekeurd.".
Art. 12. Dans le même arrêté, il est inséré un article 9bis, rédigé comme suit :
" Art. 9bis § 1er. Lorsque l'entreprise agréée entend bénéficier de l'augmentation résiduelle correspondant à 2 % de 27 % de la somme du prix de l'acquisition du titre-service et l'intervention qui y est liée visée à l'article 8, § 1er, alinéa 3 de l'arrêté royal du 12 décembre 2001 concernant les titres-services, elle transmet un plan de formation adapté aux besoins du personnel renseigné comme travailleurs en titres-services au Secrétariat fonds de formation.
§ 2. Le Secrétariat fonds de formation accuse réception de ce plan et le transmet pour approbation à la Commission fonds de formation titres-services.
§ 3. Dans les deux mois de la réception du dossier, la Commission fonds de formation titres-services se prononce. Le Secrétariat fonds de formation communique la décision de la Commission à l'administration.
§ 4. En cas d'absence de décision de la Commission à la date du 31 décembre de l'année où le plan a été introduit par l'entreprise agréée, celui-ci est réputé approuvé. ".
" Art. 9bis § 1er. Lorsque l'entreprise agréée entend bénéficier de l'augmentation résiduelle correspondant à 2 % de 27 % de la somme du prix de l'acquisition du titre-service et l'intervention qui y est liée visée à l'article 8, § 1er, alinéa 3 de l'arrêté royal du 12 décembre 2001 concernant les titres-services, elle transmet un plan de formation adapté aux besoins du personnel renseigné comme travailleurs en titres-services au Secrétariat fonds de formation.
§ 2. Le Secrétariat fonds de formation accuse réception de ce plan et le transmet pour approbation à la Commission fonds de formation titres-services.
§ 3. Dans les deux mois de la réception du dossier, la Commission fonds de formation titres-services se prononce. Le Secrétariat fonds de formation communique la décision de la Commission à l'administration.
§ 4. En cas d'absence de décision de la Commission à la date du 31 décembre de l'année où le plan a été introduit par l'entreprise agréée, celui-ci est réputé approuvé. ".
Art. 13. In artikel 10 van hetzelfde besluit wordt het woord "Ministerraad" vervangen door het woord "Minister".
Art. 13. Dans l'article 10 du même arrêté, les mots " Conseil des ministres " sont remplacés par le mot " Ministre ".
Art. 14. In hetzelfde besluit wordt er een artikel 10ter ingevoegd, luidende:
"Art. 10ter. De in dit besluit bedoelde termijnen zijn kalenderdagen. De dag van de handeling die de aanvang van de termijn vormt, is niet inbegrepen. De vervaldag wordt in de termijn meegerekend. Als de vervaldag evenwel een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is, wordt de vervaldag uitgesteld tot de eerstkomende werkdag.".
"Art. 10ter. De in dit besluit bedoelde termijnen zijn kalenderdagen. De dag van de handeling die de aanvang van de termijn vormt, is niet inbegrepen. De vervaldag wordt in de termijn meegerekend. Als de vervaldag evenwel een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is, wordt de vervaldag uitgesteld tot de eerstkomende werkdag.".
Art. 14. Dans le même arrêté, il est inséré un article 10ter, rédigé comme suit :
" Art. 10ter. Les délais prévus par le présent arrêté sont des jours de calendrier. Le jour de l'acte qui est le point de départ du délai n'y est pas compris. Le jour de l'échéance est compté dans le délai. Toutefois, lorsque le jour de l'échéance est un samedi, un dimanche ou un jour férié légal, le jour de l'échéance est reporté au plus prochain jour ouvrable. ".
" Art. 10ter. Les délais prévus par le présent arrêté sont des jours de calendrier. Le jour de l'acte qui est le point de départ du délai n'y est pas compris. Le jour de l'échéance est compté dans le délai. Toutefois, lorsque le jour de l'échéance est un samedi, un dimanche ou un jour férié légal, le jour de l'échéance est reporté au plus prochain jour ouvrable. ".
Art. 15. In hetzelfde besluit wordt er een artikel 10quater ingevoegd, luidende:
"Art. 10quater. Voor het jaar 2016 kunnen enkel de erkende ondernemingen met maatschappelijke zetel in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gedurende het volledige jaar 2016 in toepassing van artikel 8 het maximale recht op terugbetaling en op het budget toegekend door het Opleidingsfonds dienstencheques van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest genieten.".
"Art. 10quater. Voor het jaar 2016 kunnen enkel de erkende ondernemingen met maatschappelijke zetel in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gedurende het volledige jaar 2016 in toepassing van artikel 8 het maximale recht op terugbetaling en op het budget toegekend door het Opleidingsfonds dienstencheques van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest genieten.".
Art. 15. Dans le même arrêté, il est inséré un article 10quater, rédigé comme suit :
" Art. 10quater. Pour l'année 2016, seules les entreprises agréées ayant établi leur siège social en Région de Bruxelles-Capitale, et ce durant toute l'année 2016, peuvent bénéficier du droit maximum au remboursement et du budget octroyé par le Fonds de Formation titres-services de la Région de Bruxelles-Capitale en application de l'article 8. ".
" Art. 10quater. Pour l'année 2016, seules les entreprises agréées ayant établi leur siège social en Région de Bruxelles-Capitale, et ce durant toute l'année 2016, peuvent bénéficier du droit maximum au remboursement et du budget octroyé par le Fonds de Formation titres-services de la Région de Bruxelles-Capitale en application de l'article 8. ".
Art. 16. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2017, met uitzondering van artikel 15, dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2016.
Art. 16. Le présent arrêté produit ses effets le 1er janvier 2017, à l'exception de l'article 15 qui produit ses effets le 1er janvier 2016.
Art. 17. De minister bevoegd voor Tewerkstelling wordt belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 17. Le Ministre chargé de l'Emploi est chargé de l'exécution du présent arrêté.