Zum Hauptinhalt

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
23 DECEMBER 2016. - Decreet tot wijziging van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming, het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning en het decreet van 25 april 2014 betreffende complexe projecten, wat betreft de milieueffectrapportage van bepaalde openbare en particuliere projecten
Titre
23 DECEMBRE 2016. - Décret modifiant le décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, le décret du 27 octobre 2006 relatif à l'assainissement du sol et à la protection du sol, le décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement et le décret du 25 avril 2014 relatif aux projets complexes, en ce qui concerne l'évaluation des incidences de certains projets publics et privés sur l'environnement
Dokumentinformationen
Numac: 2017020118
Datum: 2016-12-23
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2017020118
Date: 2016-12-23
Moniteur: Voir
Tekst (34)
Texte (34)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
Artikel 1. Dit decreet regelt een gewestaangelegenheid.
Article 1er. Le présent décret règle une matière régionale.
Art. 2. Dit decreet voorziet in de gedeeltelijke omzetting van richtlijn 2014/52/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot wijziging van richtlijn 2011/92/EU betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten.
Art. 2. Le présent décret prévoit la transposition partielle de la directive 2014/52/UE du Parlement européen et du Conseil du 16 avril 2014 modifiant la directive 2011/92/UE concernant l'évaluation des incidences de certains projets publics et privés sur l'environnement.
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
CHAPITRE 2. - Modifications au décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement
Art. 3. Aan artikel 4.1.4 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake het milieubeleid, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002, wordt een paragraaf 3 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 3. De administratie beschikt over voldoende expertise om de rapporten te onderzoeken. Als dat nodig is, heeft ze toegang tot voldoende expertise om de rapporten te onderzoeken.".
Art. 3. A l'article 4.1.4 du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, inséré par le décret du 18 décembre 2002, il est ajouté un paragraphe 3, rédigé comme suit :
  " § 3. L'administration dispose d'une expertise suffisante pour examiner les rapports. Si nécessaire, elle a accès à une expertise suffisante pour examiner les rapports.".
Art. 4. In artikel 4.1.7, eerste lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002 en gewijzigd bij het decreet van 25 april 2014, wordt tussen de zinsnede "ook bij de uitwerking ervan," en de woorden "rekening met het goedgekeurde rapport" het woord "terdege" ingevoegd.
Art. 4. A l'article 4.1.7, alinéa premier, du même décret, inséré par le décret du 18 décembre 2002 et modifié par le décret du 25 avril 2014, le mot " dûment " est inséré entre le membre de phrase "l'autorité tiendra" et le membre de phrase "compte du rapport".
Art. 5. Aan artikel 4.3.1 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002 en gewijzigd bij het decreet van 23 maart 2012, worden een tweede en derde lid toegevoegd, die luiden als volgt:
  "Bij de milieueffectrapportage over projecten worden de directe en indirecte aanzienlijke effecten van een project geval per geval op passende wijze geïdentificeerd, beschreven en beoordeeld op de volgende disciplines:
  1° de bevolking en de menselijke gezondheid;
  2° de biodiversiteit, met bijzondere aandacht voor de beschermde soorten en habitats, vermeld in bijlage I tot en met IV van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
  3° het land, de bodem, het water, de lucht en het klimaat;
  4° de materiële goederen, het cultureel erfgoed en het landschap;
  5° de samenhang tussen de disciplines, vermeld in punt 1° tot en met 4°.
  De effecten op de disciplines, vermeld in het tweede lid, omvatten de verwachte effecten die voortvloeien uit de kwetsbaarheid van het project voor risico's op zware ongevallen of rampen die relevant zijn voor het project in kwestie.".
Art. 5. A l'article 4.3.1 du même décret, inséré par le décret du 18 décembre 2002 et modifié par le décret du 23 mars 2012, il est ajouté un alinéa deux et un alinéa trois, rédigés comme suit :
  "Dans le cas d'une évaluation de l'impact sur l'environnement de projets, les incidences notables directes et indirectes d'un projet sont adéquatement identifiées, décrites et évaluées, au cas par cas, sur la base des disciplines suivantes :
  1° la population et la santé humaine ;
  2° la biodiversité, en accordant une attention particulière aux espèces et habitats protégés, visés aux annexes Ire à IV du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel ;
  3° les terres, le sol, l'eau, l'air et le climat ;
  4° les biens matériels, le patrimoine culturel et le paysage ;
  5° l'interaction entre les disciplines visées aux points 1° à 4°.
  Les incidences visées à l'alinéa deux, sur les disciplines y énoncées englobent les incidences susceptibles de résulter de la vulnérabilité du projet aux risques d'accidents majeurs et/ou de catastrophes pertinents pour le projet concerné.".
Art. 6. Aan artikel 4.3.2 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002, vervangen bij het decreet van 23 maart 2012 en gewijzigd bij de decreten van 28 februari 2014 en 25 april 2014, wordt een paragraaf 5 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 5. De Vlaamse Regering kan besluiten dit hoofdstuk niet toe te passen op projecten, of projectonderdelen, die uitsluitend bestemd zijn voor defensie, dan wel op projecten die uitsluitend de respons op civiele noodsituaties tot doel hebben, als ze van oordeel is dat de toepassing ervan in die gevallen nadelige gevolgen heeft voor deze doeleinden.".
Art. 6. A l'article 4.3.2 du même décret, inséré par le décret du 18 décembre 2002, remplacé par le décret du 23 mars 2012 et modifié par les décrets des 28 février 2014 et 25 avril 2014, il est ajouté un paragraphe 5, rédigé comme suit :
  " § 5. Le Gouvernement flamand peut décider de ne pas appliquer le présent chapitre à des projets ou à des parties de projet, exclusivement destinés à la défense ou à des projets dont l'objectif exclusif est de répondre à des situations d'urgence qui concernent la sécurité civile, s'il estime que son application pourrait nuire à ces objectifs.".
Art. 7. In artikel 4.3.3 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002 en gewijzigd bij de decreten van 12 december 2008, 23 maart 2012, 1 maart 2013, 28 februari 2014 en 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 1. De Vlaamse Regering kan op gemotiveerd verzoek van de initiatiefnemer een welbepaald project dat conform artikel 4.3.2 en dit artikel aan milieueffectrapportage moet worden onderworpen, in uitzonderlijke gevallen vrijstellen van de verplichting tot milieueffectrapportage als de toepassing van de bepalingen over de milieueffectrapportage nadelige gevolgen heeft voor het doel van het project en als aan de doelstellingen, vermeld in dit hoofdstuk, wordt voldaan. De Vlaamse Regering kan de nadere regels over de inhoud van het gemotiveerde verzoek van de initiatiefnemer bepalen.
  De Vlaamse Regering gaat in dat geval na of er geen andere vorm van beoordeling geschikt is en stelt de verzamelde informatie ter beschikking van het publiek.
  Als het project aanzienlijke effecten kan hebben voor mens of milieu in andere lidstaten van de Europese Unie of in verdragspartijen bij het Verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband, ondertekend in Espoo op 25 februari 1991, of in andere gewesten, of als de bevoegde autoriteiten van die lidstaten, verdragspartijen of gewesten daarom verzoeken, worden de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten, verdragspartijen of gewesten betrokken bij de milieueffectrapportageprocedure voor er een beslissing wordt genomen.
  De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de vrijstelling, vermeld in het eerste lid, en voor de grens- en gewestgrensoverschrijdende procedure, vermeld in het derde lid.";
  2° er wordt een paragraaf 1bis ingevoegd, die luidt als volgt:
  " § 1bis. Een project dat met een specifiek decreet wordt aangenomen, kan door het decreet in kwestie vrijgesteld worden van de bepalingen over de openbare raadpleging over het project-MER, zoals vastgelegd in de toepasselijke vergunningsprocedure, als aan de doelstellingen, vermeld in dit hoofdstuk, wordt voldaan.
  Als het project aanzienlijke effecten kan hebben voor mens of milieu in andere lidstaten van de Europese Unie of in verdragspartijen bij het Verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband, ondertekend in Espoo op 25 februari 1991, of in andere gewesten, of als de bevoegde autoriteiten van die lidstaten, verdragspartijen of gewesten daarom verzoeken, worden de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten, verdragspartijen of gewesten betrokken bij de milieueffectrapportageprocedure voor er een beslissing wordt genomen.";
  3° in paragraaf 2, eerste lid, wordt de zin "De beslissing dat al dan niet een project-MER moet worden opgesteld, wordt ter beschikking van het publiek gesteld op de wijze, bepaald door de Vlaamse Regering." vervangen door de zin "De beslissing dat al dan niet een project-MER moet worden opgesteld, wordt openbaar gemaakt door de vergunningverlenende overheid.";
  4° paragraaf 4 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 4. Het verzoek, vermeld in paragraaf 3, bevat ten minste:
  1° een beschrijving en verduidelijking van het voorgenomen project, met in het bijzonder:
  a) een beschrijving van de fysieke kenmerken van het hele project en, als dat relevant is, van sloopwerken;
  b) een beschrijving van de locatie van het project, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project een invloed kan hebben;
  2° een beschrijving van de waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten van het voorgenomen project;
  3° als er informatie over deze effecten beschikbaar is: een beschrijving van de waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten van het voorgenomen project ten gevolge van:
  a) de verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen, als dat van toepassing is;
  b) het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, met name bodem, land, water en biodiversiteit;
  4° in voorkomend geval een beschrijving van de kenmerken van het voorgenomen project of van de geplande maatregelen om te vermijden of te voorkomen wat anders wellicht aanzienlijke milieueffecten zouden zijn geweest.
  Bij het verzoek, vermeld in paragraaf 3, wordt, als dat relevant is, rekening gehouden met de criteria, vermeld in bijlage II, die bij dit decreet is gevoegd, en wordt, als dat relevant is, rekening gehouden met de beschikbare resultaten van andere relevante beoordelingen van de milieueffecten die zijn gemaakt met toepassing van deze titel of met toepassing van andere gewestelijke of federale regelgeving.
  De initiatiefnemer bezorgt het verzoek aan de administratie door betekening of door afgifte tegen ontvangstbewijs.";
  5° paragraaf 6 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 6. De administratie neemt onverwijld en uiterlijk binnen een termijn van zestig dagen na de ontvangst van het verzoek, vermeld in paragraaf 3, een beslissing. In voorkomend geval bevat de beslissing ook de voorwaarden die aan de ontheffing zijn verbonden.
  Als besloten wordt dat een project-MER moet worden opgesteld, bevat de beslissing de belangrijkste redenen waarom een project-MER moet worden opgesteld, waarbij verwezen wordt naar de relevante criteria, vermeld in bijlage II, die bij dit decreet is gevoegd.
  Als besloten wordt dat er geen project-MER hoeft te worden opgesteld, bevat de beslissing de belangrijkste redenen waarom er geen project-MER hoeft te worden opgesteld, waarbij verwezen wordt naar de relevante criteria, vermeld in bijlage II, die bij dit decreet is gevoegd, en, als de initiatiefnemer die heeft voorgesteld, de kenmerken van het project of de geplande maatregelen om te vermijden of te voorkomen wat anders wellicht aanzienlijke nadelige milieueffecten zouden zijn geweest.
  De administratie houdt, als dat relevant is, bij de beslissing rekening met de resultaten van voorafgaande controles die zijn verricht of beoordelingen van de effecten op het milieu die zijn gemaakt met toepassing van deze titel of met toepassing van andere gewestelijke of federale regelgeving.
  De ontheffing wordt verleend voor een beperkte duur en vervalt als het project niet wordt aangevangen binnen de termijn die in de beslissing is vastgesteld. De ontheffing vervalt in elk geval zodra de initiatiefnemer zijn vergunningsaanvraag niet heeft ingediend binnen een termijn van vier jaar na de ontheffingsbeslissing.
  De beslissing wordt binnen een termijn van zeventig dagen na de ontvangst van het verzoek bekendgemaakt, ter inzage gelegd bij de administratie en aan de initiatiefnemer betekend.";
  6° in paragraaf 8 worden de woorden "De definitieve beslissing wordt" vervangen door de zinsnede "In de gevallen, vermeld in paragraaf 1 en 6, wordt de definitieve beslissing";
  7° paragraaf 9 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 9. De administratie zorgt ervoor dat een afschrift van de definitieve beslissing of beslissingen wordt verstuurd naar de Commissie van de Europese Gemeenschap:
  1° in de gevallen, vermeld in paragraaf 1: onverwijld en in ieder geval voor de vergunningsbeslissing is genomen;
  2° in de gevallen, vermeld in paragraaf 1bis: om de twee jaar na 16 mei 2017.";
  8° in paragraaf 10 worden de woorden "de vrijstelling en" opgeheven.
Art. 7. A l'article 4.3.3 du même décret, inséré par le décret du 18 décembre 2002 et modifié par les décrets des 12 décembre 2008, 23 mars 2012, 1 mars 2013, 28 février 2014 et 25 avril 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le paragraphe 1er est remplacé par la disposition suivante :
  " § 1er. Le Gouvernement flamand peut, dans des cas exceptionnels, à la demande motivée de l'initiateur et par rapport à un projet déterminé qui doit être soumis à une évaluation des incidences sur l'environnement conformément à l'article 4.3.2 et au présent article, dispenser ce projet de l'évaluation des incidences sur l'environnement si l'application des dispositions de l'évaluation des incidences sur l'environnement nuit à l'objectif du projet et qu'il est satisfait aux objectifs, visés au présent chapitre. Le Gouvernement flamand peut préciser les modalités relatives au contenu de la demande motivée de l'initiateur.
  Le Gouvernement flamand examine dans ce cas d'autres formes d'évaluation adéquates et met les informations ainsi recueillies à la disposition du public.
  Si le projet est susceptible d'avoir des incidences notables sur l'homme ou sur l'environnement dans d'autres états-membres de l'Union européenne ou pour les parties contractantes à la convention sur l'évaluation de l'impact sur l'environnement dans un contexte transfrontalier, signée à Espoo le 25 février 1991 ou dans d'autres régions, ou si les autorités compétentes de ces états-membres, parties contractantes ou régions en font la demande, les autorités compétentes des états-membres, parties contractantes ou régions concernés sont associées à la procédure d'évaluation de l'impact sur l'environnement avant qu'une décision ne soit prise.
  Le Gouvernement flamand peut préciser les modalités de la dispense, visée à l'alinéa premier et de la procédure tranfrontalière et transrégionale, visée à l'alinéa trois." ;
  2° il est inséré un paragraphe 1bis, rédigé comme suit :
  " § 1bis. Un projet adopté par un décret spécifique, peut être dispensé par le décret concerné des dispositions relatives à la consultation publique sur le projet-MER (rapport d'incidence sur l'environnement), telles que fixées dans la procédure d'autorisation applicable, s'il a été satisfait aux objectifs, visés dans le présent chapitre.
  Si le projet est susceptible d'avoir un impact substantiel sur l'homme ou sur l'environnement dans d'autres états-membres de l'Union européenne ou pour les parties contractantes à la convention sur l'évaluation de l'impact sur l'environnement dans un contexte transfrontalier, signée à Espoo le 25 février 1991 ou dans d'autres régions, ou si les autorités compétentes de ces états-membres, parties contractantes ou régions en font la demande, les autorités compétentes des états-membres, parties contractantes ou régions concernés sont associées à la procédure d'évaluation de l'impact sur l'environnement avant qu'une décision ne soit prise." ;
  3° au paragraphe 2, alinéa premier, la phrase "La décision quant à la nécessité d'établir un projet MER, est notifiée au public selon le mode défini par le Gouvernement flamand." est remplacée par la phrase "La décision quant à la nécessité d'établir un projet MER, est rendue publique par l'autorité délivrant le permis." ;
  4° le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit :
  " § 4. La demande, visée au paragraphe 3, comprend au moins :
  1° une description et un détail du projet envisagé, y compris en particulier :
  a) une description des caractéristiques physiques de l'ensemble du projet et, le cas échéant, des travaux de démolition ;
  b) une description de la localisation du projet, en accordant une attention particulière à la sensibilité environnementale des zones géographiques susceptibles d'être affectées ;
  2° une description des éléments de l'environnement susceptibles d'être affectés de manière notable par le projet ;
  3° une description de tous les effets notables, dans la mesure des informations disponibles sur ces effets, que le projet est susceptible d'avoir sur l'environnement résultant :
  a) des résidus et des émissions attendus ainsi que de la production de déchets, le cas échéant ;
  b) de l'utilisation des ressources naturelles, en particulier le sol, les terres, l'eau et la biodiversité ;
  4° le cas échéant, une description des caractéristiques du projet envisagé ou des mesures envisagées afin d'éviter ou de prévenir ce qu'auraient autrement été des incidences sur l'environnement notables ;
  Lors de la demande, visée au paragraphe 3, il est tenu compte, le cas échéant, des critères visés à l'annexe II, jointe au présent décret et, le cas échéant, des résultats disponibles d'autres évaluations pertinentes des incidences environnementales, établies en application du présent titre ou en application d'autres réglementations régionales ou fédérales.
  L'initiateur remet la demande à l'administration par signification ou par remise contre récépissé." ;
  5° le paragraphe 6 est remplacé par la disposition suivante :
  " § 6. L'administration prend une décision sans délai et au plus tard dans les soixante jours après la réception de la demande, visée au paragraphe 3. Le cas échéant, la décision comprend également les conditions liées à l'exemption.
  S'il est décidé qu'un projet MER doit être établi, la décision comprend les motivations principales de la nécessité d'établir un projet MER, faisant référence aux critères pertinents, visés à l'annexe II, jointe au présent décret.
  S'il est décidé que l'établissement d'un projet MER n'est pas nécessaire, la décision en comprend les motivations principales, faisant référence aux critères pertinents, visés à l'annexe II, jointe au présent décret et lorsque l'initiateur les a présentées, les caractéristiques du projet ou des mesures envisagées afin d'éviter ou de prévenir ce qu'auraient autrement été des incidences environnementales défavorables substantielles.
  Le cas échéant, l'administration tient compte, lorsqu'elle prend une décision, des résultats de contrôles effectués au préalable ou des évaluations des incidences environnementales effectuées en application du présent titre ou en application d'autres réglementations régionales ou fédérales.
  L'exemption est octroyée pour une durée limitée et échoit lorsque le projet n'est pas démarré endéans le délai fixé dans la décision. L'exemption échoit en tout cas du moment que l'initiateur a omis d'introduire sa demande d'autorisation dans un délai de quatre ans après la décision d'exemption.
  La décision est publiée dans un délai de septante jours après la réception de la demande, et est ouverte à la consultation auprès de l'administration et notifiée à l'initiateur. " ;
  6° au paragraphe 8, les mots " L'initiateur joindra " sont remplacés par le membre de phrase " Dans les cas, visés aux paragraphes 1er et 6, l'initiateur joindra " ;
  7° le paragraphe 9 est remplacé par ce qui suit :
  " § 9. L'administration veillera à ce qu'une copie de la décision ou des décisions définitive(s) soit envoyée à la Commission de la Communauté européenne :
  1° dans les cas, visés au paragraphe 1er : sans délai et en tout cas avant que la décision d'autorisation n'ait été prise ;
  2° dans les cas, visés au paragraphe 1bis : tous les deux ans après le 16 mai 2017." ;
  8° dans le paragraphe 10, les mots " d'exemption et de " sont abrogés.
Art. 8. In artikel 4.3.4 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002 en vervangen bij het decreet van 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen doorgevoerd:
  1° in paragraaf 1, tweede lid, worden tussen de zinsnede "het project, met inbegrip van" en de woorden "een beknopte beschrijving van" de woorden "de locatie en de technische capaciteit ervan en met inbegrip van" ingevoegd;
  2° in paragraaf 4, tweede lid, worden tussen de woorden "verleent de administratie een advies over" en de woorden "de informatie die de initiatiefnemer" de woorden "de reikwijdte en het detailleringsniveau van" ingevoegd.
Art. 8. A l'article 4.3.4 du même décret, inséré par le décret du 18 décembre 2002 et remplacé par le décret du 25 avril 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er, alinéa deux, les mots " sa localisation et sa capacité technique et y compris " sont insérés entre le membre de phrase "du projet, y compris " et les mots " une description succincte" ;
  2° au paragraphe 4, alinéa deux, les mots " la portée et le niveau de détail de " sont insérés entre les mots "l'administration rend un avis sur" et les mots "les informations que l'initiateur".
Art. 9. Aan artikel 4.3.6 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002 en gewijzigd bij het decreet van 25 april 2014, wordt een paragraaf 4 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 4. De administratie vervult haar taken op objectieve wijze en ziet erop toe dat ze zich niet bevindt in een situatie die tot een belangenconflict aanleiding geeft.".
Art. 9. A l'article 4.3.6 du même décret, inséré par le décret du 18 décembre 2002 et modifié par le décret du 25 avril 2014, il est ajouté un paragraphe 4, rédigé comme suit :
  " § 4. L'administration accomplit ses tâches de façon objective et veille à ne pas aboutir dans une situation donnant lieu à un conflit d'intérêts.".
Art. 10. In artikel 4.3.7 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002 en gewijzigd bij het decreet van 25 april 2014, wordt paragraaf 1 vervangen door wat volgt:
  " § 1. Als een milieueffectrapport is vereist, stelt de initiatiefnemer een project-MER op en dient hij die in. De door de initiatiefnemer te verstrekken informatie bevat ten minste:
  1° een beschrijving van het project met informatie over de locatie, het ontwerp, de omvang en andere relevante kenmerken van het project;
  2° een beschrijving van de waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten van het project;
  3° een beschrijving van de kenmerken van het project of de geplande maatregelen om de waarschijnlijk aanzienlijke nadelige milieueffecten te vermijden, te voorkomen of te beperken en, als dat mogelijk is, te compenseren;
  4° een beschrijving van de redelijke alternatieven die de initiatiefnemer heeft onderzocht en die relevant zijn voor het project, en de specifieke kenmerken ervan, met opgave van de belangrijkste motieven voor de gekozen optie, in het licht van de milieueffecten van het project;
  5° een niet-technische samenvatting van de gegevens, vermeld in punt 1° tot en met 4° ;
  6° alle aanvullende informatie als vermeld in bijlage IIbis, die bij dit decreet is gevoegd, die van belang is voor de specifieke kenmerken van een bepaald project of projecttype en voor de milieuaspecten die daardoor kunnen worden beïnvloed.
  Als er een advies wordt uitgebracht met toepassing van artikel 4.3.4, § 4, is het project-MER gebaseerd op dat advies en bevat het de informatie die redelijkerwijs mag worden vereist om tot een gemotiveerde conclusie over de aanzienlijke milieueffecten van het project te komen, waarbij rekening wordt gehouden met de bestaande kennis en beoordelingsmethodes. Om overlappingen van beoordelingen te voorkomen, houdt de initiatiefnemer bij het opstellen van het project-MER rekening met de beschikbare resultaten van andere uitgevoerde relevante beoordelingen met toepassing van deze titel of met toepassing van andere gewestelijke of federale regelgeving.".
Art. 10. A l'article 4.3.7 du même décret, inséré par le décret du 18 décembre 2002 et modifié par le décret du 25 avril 2014, le paragraphe 1er est remplacé par la disposition suivante :
  " § 1er. Si un rapport d'incidence sur l'environnement est requis, l'initiateur établit un projet MER et l'introduit. L'information à fournir par l'initiateur comprend au minimum :
  1° une description du projet comportant des informations relatives au site, à la conception, aux dimensions et aux autres caractéristiques pertinentes du projet;
  2° une description des incidences notables probables du projet sur l'environnement;
  3° une description des caractéristiques du projet et/ou des mesures envisagées pour éviter, prévenir ou réduire et, si possible, compenser les incidences négatives notables probables sur l'environnement;
  4° une description des solutions de substitution raisonnables qui ont été examinées par l'initiateur, en fonction du projet et de ses caractéristiques spécifiques, et une indication des principales raisons du choix effectué, eu égard aux incidences du projet sur l'environnement;
  5° un résumé non technique des informations visées aux points 1° à 4° ;
  6° toutes les informations supplémentaires, telles que visées à l'annexe IIbis, jointe au présent décret, en fonction des caractéristiques spécifiques d'un projet ou d'un type de projets particulier et des éléments de l'environnement sur lesquels une incidence pourrait se produire.
  Si un avis est émis en application de l'article 4.3.4, § 4, le projet MER est basé sur cet avis et comprend l'information qui peut raisonnablement être exigée afin d'aboutir à une conclusion motivée au niveau des incidences environnementales notables du projet, compte tenu des connaissances et des méthodes d'évaluation existantes. Pour éviter tout double emploi lors des évaluations, l'initiateur tient compte, lors de l'établissement du projet MER, des résultats disponibles d'autres évaluations pertinentes qui ont été effectuées en application du présent titre ou en application d'autres réglementations régionales ou fédérales.".
Art. 11. In artikel 4.6.3 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002 en gewijzigd bij het decreet van 23 december 2010, worden paragraaf 1 en 2 vervangen door wat volgt:
  " § 1. Er wordt over een project of over categorieën van projecten die gedurende een bepaalde periode zijn uitgevoerd, die aanzienlijke nadelige milieueffecten kunnen veroorzaken en waarvoor een project-MER is opgesteld, een evaluatie of een monitoringonderzoek georganiseerd van de aanzienlijke nadelige milieueffecten ten gevolge van de bouw en exploitatie van het project of de projecten.
  Als dat passend is, kan worden gebruikgemaakt van bestaande monitoringregelingen op grond van andere wetgeving om overlapping van monitoring te vermijden.
  § 2. Het soort parameters dat wordt gemonitord, en de looptijd van de monitoring moeten evenredig zijn met de aard, de locatie en de omvang van het project en met het belang van de milieueffecten.".
Art. 11. A l'article 4.6.3 du même décret, inséré par le décret du 18 décembre 2002 et modifié par le décret du 23 décembre 2010, les paragraphes 1er et 2 sont remplacés par la disposition suivante :
  " § 1er. Une évaluation ou un monitorage des incidences environnementales nuisibles notables découlant de la construction et de l'exploitation du projet ou des projets est organisée pour un projet ou pour des catégories de projets qui ont été exécutés pendant une période spécifique, susceptibles d'avoir des incidences environnementales nuisibles notables et pour lesquels un projet MER a été établi.
  Si opportun, des dispositifs de monitorage existants basés sur d'autres textes législatifs peuvent être utilisés afin d'éviter de doubles monitorages.
  § 2. Le type de paramètres qui fait l'objet du monitorage et la durée du monitorage doivent être proportionnels à la nature, à la localisation et aux dimensions du projet et à l'importance des incidences environnementales.".
Art. 12. Bijlage II bij hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002 en gewijzigd bij het decreet van 23 maart 2012, wordt vervangen door bijlage 1, die bij dit decreet is gevoegd.
Art. 12. L'annexe II au même décret, insérée par le décret du 18 décembre 2002 et modifiée par le décret du 23 mars 2012, est remplacée par l'annexe 1re, jointe au présent décret.
Art. 13. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 12 juni 2015, wordt een bijlage IIbis ingevoegd, die als bijlage 2 bij dit decreet is gevoegd.
Art. 13. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 12 juin 2015, il est inséré une annexe IIbis, jointe en tant qu'annexe 2 au présent décret.
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006
CHAPITRE 3. - Modifications du décret relatif au sol du 27 octobre 2006
Art. 14. In artikel 47bis, § 3, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006, ingevoegd bij het decreet van 28 maart 2014, worden tussen het eerste en het tweede lid drie leden ingevoegd, die luiden als volgt:
  "Als besloten wordt dat een project-MER moet worden opgesteld, bevat de beslissing van de OVAM, vermeld in het eerste lid, de belangrijkste redenen waarom een project-MER moet worden opgesteld, waarbij verwezen wordt naar de relevante criteria, vermeld in bijlage II bij het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake het milieubeleid.
  Als besloten wordt dat er geen project-MER hoeft te worden opgesteld, bevat de beslissing van de OVAM de belangrijkste redenen waarom er geen project-MER hoeft te worden opgesteld, waarbij verwezen wordt naar de relevante criteria, vermeld in bijlage II bij het voormelde decreet, en, als de exploitant die heeft voorgesteld, de kenmerken van het project of de geplande maatregelen om te vermijden of te voorkomen wat anders wellicht aanzienlijke nadelige milieueffecten zouden zijn geweest.
  De OVAM houdt bij de beslissing, vermeld in het eerste lid, als dat relevant is, rekening met de resultaten van voorafgaande controles die zijn verricht of beoordelingen van de effecten op het milieu die zijn gemaakt met toepassing van titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake het milieubeleid of met toepassing van andere gewestelijke of federale regelgeving.".
Art. 14. A l'article 47bis, § 3 du décret relatif au sol du 27 octobre 2006, inséré par le décret du 28 mars 2014, trois alinéas sont insérés entre l'alinéa premier et l'alinéa deux, rédigés comme suit :
  "S'il est décidé qu'un projet MER doit être établi, la décision de l'OVAM, visée à l'alinéa premier, comprend les motivations principales de la nécessité d'établir un projet MER, faisant référence aux critères pertinents, visés à l'annexe II, jointe au décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement.
  S'il est décidé que l'établissement d'un projet MER n'est pas nécessaire, la décision de l'OVAM comprend les motivations principales de la non-nécessité de l'établissement d'un projet MER, faisant référence aux critères pertinents, visés à l'annexe II, jointe au décret précité et lorsque l'exploitant les a présentées, les caractéristiques du projet ou des mesures envisagées afin d'éviter ou de prévenir ce qu'auraient autrement été des incidences environnementales nuisibles notables.
  Au cours de la prise de décision visée à l'alinéa premier, l'OVAM tient compte, le cas échéant, des résultats de contrôles ou d'évaluations des incidences environnementales préalables réalisées en application du titre IV du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement ou en application d'autres réglementations régionales ou fédérales.".
Art. 15. In artikel 47ter, § 1, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 28 maart 2014, worden de tekens "4.3.4, § 5" vervangen door de tekens "4.3.4, § 2".
Art. 15. Dans l'article 47ter, § 1er, du même décret, inséré par le décret du 28 mars 2014, les signes " 4.3.4, § 5 " sont remplacés par les signes " 4.3.4, § 2 ".
Art. 16. In artikel 50 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 28 maart 2014, wordt paragraaf 1bis vervangen door wat volgt:
  " § 1bis. Als het bodemsaneringsproject activiteiten omvat waarvoor een project-MER is vereist, wordt de termijn van negentig dagen, vermeld in paragraaf 1, verlengd tot 150 dagen na de ontvangst van het ontvankelijke en volledige bodemsaneringsproject. In het conformiteitsattest van het bodemsaneringsproject neemt de OVAM een gemotiveerde conclusie over de aanzienlijke effecten van het project op het milieu. Ze houdt daarbij rekening met het advies van de administratie die bevoegd is voor milieueffectrapportage, met de adviezen van de adviesverlenende instanties en met de inspraak in het kader van het openbaar onderzoek.".
Art. 16. Dans l'article 50 du même décret, modifié par le décret du 28 mars 2014, le paragraphe 1bis est remplacé par ce qui suit :
  " § 1bis. Si le projet d'assainissement du sol comprend des activités exigeant l'établissement d'un projet MER, le délai de nonante jours, visé au paragraphe 1er, est élargi à 150 jours à compter de la réception du projet d'assainissement du sol recevable et complet. L'OVAM prend une conclusion motivée concernant les incidences notables du projet sur l'environnement dans l'attestation de conformité du projet d'assainissement du sol, tenant compte de l'avis de l'administration compétente de l'évaluation des incidences sur l'environnement, des avis des instances rendant des avis et de la participation des citoyens dans le cadre de l'enquête publique."
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen van het decreet van 25 april 2014 betreffende complexe projecten
CHAPITRE 4. - Modifications au décret du 25 avril 2014 relatif aux projets complexes
Art. 17. In het decreet van 25 april 2014 betreffende complexe projecten wordt een artikel 6/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 6/1. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 6, vervult haar taken voortvloeiende uit richtlijn 2011/92/EU op objectieve wijze en ziet erop toe dat ze zich niet bevindt in een situatie die tot een belangenconflict aanleiding geeft.".
Art. 17. Dans le décret du 25 avril 2014 relatif aux projets complexes, il est inséré un article 6/1, rédigé comme suit :
  "Art. 6/1. L'autorité compétente, visée à l'article 6, accomplit ses tâches découlant de la directive 2011/92/UE de façon objective et veille à ne pas se retrouver dans une situation donnant lieu à un conflit d'intérêts.".
Art. 18. In artikel 23, derde lid, van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° aan punt 4° wordt de zinsnede "met inbegrip van een samenvatting van deze opmerkingen, adviezen en overwegingen" toegevoegd;
  2° aan punt 9° wordt de zinsnede "met inbegrip van een beschrijving van alle kenmerken van het ontwerp van projectbesluit en/of de geplande maatregelen om aanzienlijke nadelige effecten op het milieu te vermijden, te voorkomen of te beperken en, als dat mogelijk is, te compenseren" toegevoegd.
Art. 18. A l'article 23, alinéa trois, du même décret sont apportées les modifications suivantes :
  1° le membre de phrase suivant est ajouté au point 4° " y compris un résumé de ces remarques, avis et considérations " ;
  2° le membre de phrase suivant est ajouté au point 9° " y compris une description de toutes les caractéristiques de l'ébauche de l'arrêté relatif au projet et/ou des mesures envisagées afin d'éviter, de prévenir ou de limiter et si possible, de compenser des incidences nuisibles notables sur l'environnement. "
Art. 19. Aan artikel 26, derde lid, van hetzelfde decreet worden de volgende zinsnede en zin toegevoegd:
  "en bevat bovendien een gemotiveerde conclusie over de aanzienlijke effecten van het project op het milieu. Bij het nemen van de gemotiveerde conclusie wordt rekening gehouden met de beslissing over de goedkeuring van het MER van de dienst die bevoegd is voor milieueffectrapportage, en met de adviezen en de inspraak in het kader van het projectbesluit.".
Art. 19. A l'article 26, alinéa trois du même décret, le membre de phrase et la phrase suivants sont ajoutés :
  "et comprend en plus une conclusion motivée concernant les incidences notables du projet sur l'environnement. Lors de la prise de la conclusion motivée, il est tenu compte de la décision relative à l'approbation du MER du service compétent de l'évaluation de l'impact sur l'environnement et des avis et de la participation des citoyens dans le cadre de l'arrêté relatif au projet.".
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
CHAPITRE 5. - Modifications au décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement
Art. 20. In het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning wordt een artikel 15/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 15/1. Voor de kennisneming van en de beslissing over een vergunningsaanvraag voor een project of voor de verandering van een project, waarvoor overeenkomstig artikel 15 het college van burgemeester en schepenen bevoegd is, is evenwel de deputatie bevoegd als voldaan is aan volgende twee voorwaarden:
  1° voor het project moet een milieueffectrapport worden opgesteld en is er geen ontheffing van de rapportageverplichting verkregen;
  2° het college van burgemeester en schepenen is initiatiefnemer en aanvrager van het project.
  Voor de kennisneming van en de beslissing over een vergunningsaanvraag voor een project of voor de verandering van een project, waarvoor overeenkomstig artikel 15 de deputatie bevoegd is, is evenwel de Vlaamse Regering bevoegd als voldaan is aan volgende twee voorwaarden:
  1° voor het project moet een milieueffectrapport worden opgesteld en is er geen ontheffing van de rapportageverplichting verkregen;
  2° de deputatie is initiatiefnemer en aanvrager van het project.".
Art. 20. Dans le décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, il est inséré un article 15/1, rédigé comme suit :
  "Art. 15/1. Pour la prise de connaissance et la décision concernant une demande de permis pour un projet ou pour la modification d'un projet, pour lesquels, conformément à l'article 15, le collège des bourgmestre et échevins est compétent, la députation est toutefois compétente, s'il est satisfait aux deux conditions suivantes :
  1° un rapport d'évaluation des incidences environnementales doit être établi et aucune exemption de l'obligation de faire un rappport n'a été obtenue pour le projet ;
  2° le collège des bourgmestre et échevins est l'initiateur et le demandeur du projet.
  Pour la prise de connaissance et la décision concernant une demande de permis pour un projet ou pour la modification d'un projet, pour lesquels, conformément à l'article15, la députation est compétente, le Gouvernement flamand est toutefois compétent, s'il est satisfait aux deux conditions suivantes :
  1° un rapport d'évaluation des incidences environnementales doit être établi et aucune exemption de l'obligation de faire un rappport n'a été obtenue pour le projet ;
  2° la députation est l'initiateur et le demandeur du projet." .
HOOFDSTUK 6. - Slotbepalingen
CHAPITRE 6. - Dispositions finales
Art. 21. In artikel 394 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning wordt paragraaf 1 vervangen door wat volgt:
  " § 1. Milieueffectrapportages over projecten waarvoor de kennisgeving, vermeld in artikel 4.3.4, § 2, van het DABM, ter beschikking is gesteld van de administratie die bevoegd is voor milieueffectrapportage, vóór de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, worden uitgevoerd overeenkomstig de procedure die van toepassing was op de datum van de terbeschikkingstelling van de kennisgeving.".
Art. 21. A l'article 394 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
  " § 1er. Les rapports des incidences sur l'environnement concernant des projets, pour lesquels la notification, visée à l'article 4.3.4, § 2 du DABM, a été mise à disposition de l'administration compétente des rapports des incidences sur l'environnement avant la date de l'entrée en vigueur du présent décret, sont réalisés conformément à la procédure applicable à la date de la mise à disposition de la notification.".
Art. 22. § 1. Milieueffectrapportages over projecten waarvoor de project-m.e.r.-screeningsnota, vermeld in artikel 4.3.3, § 2, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, ter beschikking is gesteld van de bevoegde overheid vóór de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, worden uitgevoerd overeenkomstig de procedure die van toepassing was op de datum van de terbeschikkingstelling van de project-m.e.r.-screeningsnota.
  Milieueffectrapportages over projecten waarvoor het gemotiveerde verzoek tot ontheffing, vermeld in artikel 4.3.3, § 3, van het voormelde decreet van 5 april 1995, ter beschikking is gesteld van de administratie die bevoegd is voor milieueffectrapportage, vóór de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, worden uitgevoerd overeenkomstig de procedure die van toepassing was op de datum van de terbeschikkingstelling van het gemotiveerde verzoek tot ontheffing.
  § 2. Milieueffectrapportages over projecten waarvoor de kennisgeving, vermeld in artikel 4.3.4, § 2, van het voormelde decreet van 5 april 1995, ter beschikking is gesteld van de administratie die bevoegd is voor milieueffectrapportage, vóór de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, worden uitgevoerd overeenkomstig de procedure die van toepassing was op de datum van de terbeschikkingstelling van de kennisgeving.
Art. 22. § 1er. Les rapportages des incidences sur l'environnement concernant des projets, pour lesquels la note de screening du projet MER, visée à l'article 4.3.3, § 2 du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, a été mise à disposition de l'autorité compétente avant la date de l'entrée en vigueur du présent décret, sont réalisés conformément à la procédure applicable à la date de la mise à disposition de la note de screening du projet MER.
  Les rapports des incidences sur l'environnement concernant des projets, pour lesquels la demande motivée d'exemption, visée à l'article 4.3.3, § 3 du décret précité du 5 avril 1995, a été mise à disposition de l'administration compétente des rapports des incidences sur l'environnement avant la date de l'entrée en vigueur du présent décret, sont réalisés conformément à la procédure applicable à la date de la mise à disposition de la demande motivée d'exemption.
  § 2. Les rapports des incidences sur l'environnement concernant des projets, pour lesquels la notification, visée à l'article 4.3.4, § 2 du décret précité du 5 avril 1995, a été mise à disposition de l'administration compétente des rapports des incidences sur l'environnement avant la date de l'entrée en vigueur du présent décret, sont réalisés conformément à la procédure applicable à la date de la mise à disposition de la notification.
Art. 23. Milieueffectrapportages over complexe projecten waarvoor de projectonderzoeksnota bezorgd werd aan de dienst bevoegd voor milieueffectrapportage overeenkomstig artikel 18, § 2, van het decreet van 25 april 2014 betreffende complexe projecten vóór de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, worden uitgevoerd overeenkomstig de procedure die van toepassing was op de datum van het bezorgen van de alternatievenonderzoeksnota.
Art. 23. Les rapports des incidences sur l'environnement concernant des projets complexes pour lesquels la note d'examen du projet a été remise au service compétent de l'évaluation de l'impact sur l'environnement conformément à l'article 18, § 2 du décret du 25 avril 2014 relatif aux projets complexes avant la date de l'entrée en vigueur du présent décret, sont réalisés conformément à la procédure applicable à la date de la remise de la note d'examen des alternatives.
Art. 24. Milieueffectrapportages over bodemsaneringsprojecten waarvoor de kennisgeving bezorgd werd aan de OVAM overeenkomstig het besluit dat genomen werd krachtens artikel 48 van het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming vóór de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, worden uitgevoerd overeenkomstig de procedure die van toepassing was op de datum van de indiening van het bodemsaneringsproject.
Art. 24. Les rapports des incidences sur l'environnement concernant des projets d'assainissement du sol pour lesquels la notification a été remise à l'OVAM conformément à l'arrêté qui a été pris en vertu de l'article 48 du décret du 27 octobre 2006 relatif à l'assainissement du sol et à la protection du sol avant la date de l'entrée en vigueur du présent décret, sont réalisés conformément à la procédure applicable à la date de l'introduction du projet d'assainissement du sol.
Art. 25. Dit decreet treedt in werking op een door de Vlaamse Regering vast te stellen datum.
Art. 25. Le présent décret entre en vigueur à une date à fixer par le Gouvernement flamand.
(NOTE : Entrée en vigueur fixée au 23-02-2017 par AGF 2017-02-17/17, art. 30)
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlage 1 bij het decreet van 23 december 2016 tot wijziging van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming, het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning en het decreet van 25 april 2014 betreffende complexe projecten, wat betreft de milieueffectrapportage van bepaalde openbare en particuliere projecten
  Bijlage II bij het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
  "Bijlage II. - Criteria als vermeld in artikel 4.3.2, § 1, § 2, § 2bis, § 3, § 3bis en § 4
  De criteria overeenkomstig artikel 4.3.2, § 1, § 2, § 2bis, § 3, § 3bis en § 4, zijn:
  1° de kenmerken van de projecten. Bij de kenmerken van de projecten moeten in het bijzonder de volgende aspecten in overweging worden genomen:
  a) de omvang en het ontwerp van het hele project;
  b) de cumulatie met andere bestaande of goedgekeurde projecten;
  c) het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, met name land, bodem, water en biodiversiteit;
  d) de productie van afvalstoffen;
  e) verontreiniging en hinder;
  f) de risico's op zware ongevallen of rampen die relevant zijn voor het project in kwestie, waaronder rampen die worden veroorzaakt door klimaat-verandering, in overeenstemming met wetenschappelijke kennis;
  g) de risico's voor de menselijke gezondheid (bijvoorbeeld als gevolg van waterverontreiniging of luchtvervuiling);
  2° de locatie van de projecten. Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de projecten van invloed kunnen zijn, moeten in het bijzonder de volgende aspecten in overweging worden genomen:
  a) het bestaande en goedgekeurde landgebruik;
  b) de relatieve rijkdom aan en de beschikbaarheid, de kwaliteit en het regeneratievermogen van natuurlijke hulpbronnen (met inbegrip van bodem, land, water en biodiversiteit) in het gebied en de ondergrond ervan;
  c) het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende types van gebieden:
  1) wetlands, oeverformaties, riviermondingen;
  2) kustgebieden en het mariene milieu;
  3) berg en bosgebieden;
  4) natuurreservaten en parken;
  5) gebieden die in de wetgeving van de lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd;
  6) Natura 2000-gebieden die zijn aangewezen krachtens het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
  7) gebieden waarin de milieukwaliteitsnormen die in de wetgeving van de Unie zijn vastgesteld en die relevant zijn voor het project, niet worden nagekomen of worden beschouwd als nietnagekomen;
  8) gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid;
  9) landschappen en plaatsen van historisch, cultureel of archeologisch belang;
  3° de soort en de kenmerken van het potentiële effect. De waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten van projecten moeten, in samenhang met de criteria, vermeld in punt 1° en 2°, in aanmerking worden genomen, met aandacht voor het effect van het project op de disciplines, vermeld in artikel 4.3.1, tweede lid, met inachtneming van:
  a) de orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten (bijvoorbeeld geografisch gebied en omvang van de bevolking die getroffen kan worden);
  b) de aard van het effect;
  c) het grensoverschrijdende karakter van het effect;
  d) de intensiteit en de complexiteit van het effect;
  e) de waarschijnlijkheid van het effect;
  f) de verwachte aanvang, de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect;
  g) de cumulatie van effecten met de effecten van andere bestaande of goedgekeurde projecten;
  h) de mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen.".
Art. N1. Annexe 1re au décret du 23 décembre 2016 modifiant le décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, le décret du 27 octobre 2006 relatif à l'assainissement du sol et à la protection du sol, le décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement et le décret du 25 avril 2014 relatif aux projets complexes, en ce qui concerne l'évaluation des incidences de certains projets publics et privés sur l'environnement
  Annexe II au décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement
  "Annexe II. - Critères tels que visés à l'article 4.3.2, § 1er, § 2, § 2bis, § 3, § 3bis et § 4
  Les critères visés à l'article 4.3.2, § 1er, § 2, § 2bis, § 3, § 3bis et § 4 sont :
  1° les caractéristiques des projets. Pour ce qui concerne les caractéristiques des projets, les aspects suivants doivent être considérés en particulier :
  a) la dimension et la conception de l'ensemble du projet ;
  b) le cumul avec d'autres projets existants ou approuvés ;
  c) l'utilisation des ressources naturelles, en particulier le sol, les terres, l'eau et la biodiversité ;
  d) la production de déchets ;
  e) la pollution et les nuisances ;
  f) les risque d'accidents et/ou de catastrophes majeurs en rapport avec le projet concerné, notamment dus au changement climatique, compte tenu de l'état des connaissances scientifiques ;
  g) les risques pour la santé humaine (dus, par exemple, à la contamination de l'eau ou à la pollution atmosphérique) ;
  2° la localisation des projets La sensibilité environnementale des zones géographiques susceptibles d'être affectées par le projet doit être considérée en prenant notamment en compte :
  a) l'utilisation existante et approuvée des terres ;
  b) la richesse relative, la disponibilité, la qualité et la capacité de régénération des ressources naturelles de la zone (y compris le sol, les terres, l'eau et la biodiversité) et de son sous-sol ;
  c) la capacité de charge de l'environnement naturel, en accordant une attention particulière aux zones suivantes :
  1) zones humides, rives, estuaires ;
  2) zones côtières et environnement marin ;
  3) zones de montagnes et de forêts ;
  4) réserves et parcs naturels ;
  5) zones répertoriées ou protégées par la législation nationale ;
  6) zones Natura 2000 désignées par le décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel ;
  7) zones ne respectant pas ou considérées comme ne respectant pas les normes de qualité environnementale fixées par la législation de l'Union et pertinentes pour le projet ;
  8) zones à forte densité de population ;
  9) paysages et sites importants du point de vue historique, culturel ou archéologique ;
  3° le type et les caractéristiques de l'impact potentiel. Les incidences notables probables qu'un projet pourrait avoir sur l'environnement doivent être considérées en fonction des critères énumérés aux points 1° et 2° de la présente annexe, par rapport aux incidences du projet sur les disciplines précisées à l'article 4.3.1, alinéa deux, en tenant compte de :
  a) l'ampleur et l'étendue spatiale de l'impact (zone géographique et importance de la population susceptible d'être touchée, par exemple) ;
  b) la nature de l'impact ;
  c) la nature transfrontalière de l'impact ;
  d) l'intensité et la complexité de l'impact ;
  e) la probabilité de l'impact ;
  f) le début, la durée, la fréquence et la réversibilité attendus de l'impact ;
  g) le cumul de l'impact avec celui d'autres projets existants et/ou approuvés ;
  h) la possibilité de réduire l'impact de manière efficace. ".
Art. N2. Bijlage 2 bij het decreet van 23 december 2016 tot wijziging van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming, het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning en het decreet van 25 april 2014 betreffende complexe projecten, wat betreft de milieueffectrapportage van bepaalde openbare en particuliere projecten
  Bijlage IIbis bij het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
  "Bijlage IIbis. - Informatie op te nemen in het project-MER als vermeld in artikel 4.3.7, § 1
  1° een beschrijving van het project, met in het bijzonder:
  a) een beschrijving van de locatie van het project;
  b) een beschrijving van de fysieke kenmerken van het hele project, en, als dat relevant is, met inbegrip van de vereiste sloopwerken, en de eisen met betrekking tot landgebruik tijdens de bouw en bedrijfsfasen;
  c) een beschrijving van de voornaamste kenmerken van de bedrijfsfase van het project (met name productieprocessen), bijvoorbeeld energievraag en energieverbruik, aard en hoeveelheden van de gebruikte materialen en natuurlijke hulpbronnen (waaronder water, land, bodem en biodiversiteit);
  d) een prognose van de soort en de hoeveelheid van de verwachte residuen en emissies (zoals water, lucht, bodem en ondergrondverontreiniging, geluidshinder, trillingen, licht, warmte, straling) en de hoeveelheden en soorten afvalstoffen die geproduceerd zijn tijdens de bouw en bedrijfsfasen;
  2° een beschrijving van de door de opdrachtgever onderzochte redelijke alternatieven (bijvoorbeeld met betrekking tot het projectontwerp, de technologie, de locatie, de omvang en de schaal) die relevant zijn voor het voorgestelde project en de specifieke kenmerken ervan, en een opgave van de belangrijkste redenen voor de selectie van de gekozen optie, met inbegrip van een vergelijking van de milieueffecten;
  3° een beschrijving van de relevante aspecten van de huidige toestand van het milieu (referentiescenario) en een schets van de mogelijke ontwikkeling daarvan als het project niet wordt uitgevoerd voor zover natuurlijke veranderingen van het referentiescenario redelijkerwijs kunnen worden beoordeeld op basis van de beschikbaarheid van milieuinformatie en wetenschappelijke kennis;
  4° een beschrijving van de disciplines, vermeld in artikel 4.3.1, tweede lid, waarop het project van aanzienlijke invloed kan zijn: bevolking, menselijke gezondheid, biodiversiteit (bijvoorbeeld fauna en flora), land (bijvoorbeeld ruimte-beslag), bodem (bijvoorbeeld organisch materiaal, erosie, verdichting, afdekking), water (bijvoorbeeld hydromorfologische veranderingen, kwantiteit en kwaliteit), lucht, klimaat (bijvoorbeeld broeikasgasemissies, effecten die van belang zijn voor adaptatie), materiële goederen, cultureel erfgoed, inclusief architectonische en archeologische aspecten, en het landschap;
  5° een beschrijving van de waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten van het project ten gevolge van, onder meer:
  a) de bouw en het bestaan van het project, met inbegrip van, als dat relevant is, sloopwerken;
  b) het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, met name land, bodem, water en biodiversiteit, waarbij zo veel mogelijk rekening wordt gehouden met de duurzame beschikbaarheid van die hulpbronnen;
  c) de uitstoot van verontreinigende stoffen, geluidshinder, trillingen, licht, warmte, straling, het ontstaan van milieuhinder en het verwijderen en terugwinnen van afvalstoffen;
  d) de risico's voor de menselijke gezondheid, het cultureel erfgoed of het milieu (bijvoorbeeld door ongevallen of rampen);
  e) de cumulatie van effecten met andere bestaande of goedgekeurde projecten, waarbij rekening wordt gehouden met alle bestaande milieuproblemen met betrekking tot gebieden die vanuit milieuoogpunt van bijzonder belang zijn en waarop het project van invloed kan zijn, of met het gebruik van natuurlijke hulpbronnen;
  f) het effect van het project op het klimaat (bijvoorbeeld de aard en de omvang van emissies van broeikasgassen) en de kwetsbaarheid van het project voor klimaatverandering;
  g) de gebruikte technologieën en stoffen;
  6° een beschrijving van de methoden of bewijsstukken die gebruikt zijn voor de identificatie en de beoordeling van de aanzienlijke milieueffecten, met inbegrip van een overzicht van de moeilijkheden (bijvoorbeeld technische gebreken of ontbrekende kennis) die zijn ondervonden bij het verzamelen van de vereiste informatie en de belangrijkste onzekerheden;
  7° een beschrijving van de geplande maatregelen om alle geïdentificeerde aanzienlijke nadelige milieueffecten te vermijden, te voorkomen, te beperken of zo mogelijk te compenseren en, in voorkomend geval, van eventuele voorgestelde monitoringsregelingen (bijvoorbeeld de voorbereiding van een postproject analyse). In die beschrijving moet worden uitgelegd in welke mate aanzienlijke nadelige milieueffecten worden vermeden, voorkomen, beperkt of gecompenseerd, zowel in de bouwfase als in de bedrijfsfase;
  8° een beschrijving van de verwachte aanzienlijke nadelige milieueffecten van het project die voortvloeien uit de kwetsbaarheid van het project voor risico's op zware ongevallen of rampen die relevant zijn voor het project in kwestie. Daarvoor kan gebruikgemaakt worden van beschikbare relevante informatie die is verkregen met toepassing van het samenwerkingsakkoord van 5 juni 2015 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken of de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leef milieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle of overeenkomstig andere uitgevoerde relevante beoordelingen die zijn gemaakt met toepassing van titel IV of met toepassing van andere gewestelijke of federale regelgeving, als aan de vereisten, vermeld in titel IV, hoofdstuk III, wordt voldaan. In voorkomend geval moet de beschrijving de geplande maatregelen ter voorkoming of verzachting van de aanzienlijke nadelige milieueffecten van dergelijke gebeurtenissen omvatten, alsook details over de paraatheid en het voorgenomen reactievermogen bij dergelijke noodsituaties;
  9° een niet-technische samenvatting van de informatie die verstrekt is conform punt 1° tot en met 8° ;
  10° een referentielijst waarin de bronnen worden vermeld die zijn gebruikt voor de in het rapport opgenomen beschrijvingen en beoordelingen.
  De beschrijving van de waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten, vermeld in punt 5°, op de disciplines, vermeld in artikel 4.3.1, tweede lid, moet betrekking hebben op de directe en, in voorkomend geval, de indirecte, secundaire, cumulatieve en grensoverschrijdende effecten op korte termijn, middellange termijn en lange termijn, permanente en tijdelijke, positieve en negatieve effecten van het project. De aanzienlijke milieueffecten worden onder meer beoordeeld in het licht van de conform titel II, hoofdstuk II, vastgestelde milieukwaliteitsnormen.
Art. N2. Annexe 2 au décret du 23 décembre 2016 modifiant le décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, le décret du 27 octobre 2006 relatif à l'assainissement du sol et à la protection du sol, le décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement et le décret du 25 avril 2014 relatif aux projets complexes, en ce qui concerne l'évaluation des incidences de certains projets publics et privés sur l'environnement
  Annexe IIbis au décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement
  "Annexe IIbis. - Informations à intégrer au projet MER, telles que visées à l'article 4.3.7, § 1er
  1° une description du projet, y compris en particulier :
  a) une description de la localisation du projet ;
  b) une description des caractéristiques physiques de l'ensemble du projet, y compris, le cas échéant, des travaux de démolition nécessaires, et des exigences en matière d'utilisation des terres lors des phases de construction et de fonctionnement ;
  c) une description des principales caractéristiques de la phase opérationnelle du projet (en particulier tout procédé de fabrication): par exemple, la demande et l'utilisation d'énergie, la nature et les quantités des matériaux et des ressources naturelles (y compris l'eau, la terre, le sol et la biodiversité) utilisés ;
  d) une estimation des types et des quantités de résidus et d'émissions attendus (tels que la pollution de l'eau, de l'air, du sol et du sous-sol, le bruit, la vibration, la lumière, la chaleur, la radiation) et des types et des quantités de déchets produits durant les phases de construction et de fonctionnement ;
  2° une description des solutions de substitution raisonnables (par exemple en termes de conception du projet, de technologie, de localisation, de dimension et d'échelle) qui ont été examinées par le maître d'ouvrage, en fonction du projet proposé et de ses caractéristiques spécifiques, et une indication des principales raisons du choix effectué, notamment une comparaison des incidences sur l'environnement ;
  3° une description des aspects pertinents de l'état actuel de l'environnement (scénario de référence) et un aperçu de son évolution probable en l'absence de mise en oeuvre du projet, dans la mesure où les changements naturels par rapport au scénario de référence peuvent être évalués moyennant un effort raisonnable sur la base des informations environnementales et des connaissances scientifiques disponibles ;
  4° une description des disciplines précisées à l'article 4.3.1, alinéa deux, susceptibles d'être affectés de manière notable par le projet: la population, la santé humaine, la biodiversité (par exemple la faune et la flore), les terres (par exemple l'occupation des terres), le sol (par exemple, les matières organiques, l'érosion, le tassement, l'imperméabilisation), l'eau (par exemple, les changements hydromorphologiques, la quantité et la qualité), l'air, le climat (par exemple, les émissions de gaz à effet de serre, les impacts pertinents pour l'adaptation), les biens matériels, le patrimoine culturel, y compris les aspects architecturaux et archéologiques, et le paysage ;
  5° une description des incidences notables que le projet est susceptible d'avoir sur l'environnement résultant, entre autres :
  a) de la construction et de l'existence du projet, y compris, le cas échéant, des travaux de démolition ;
  b) de l'utilisation des ressources naturelles, en particulier les terres, le sol, l'eau et la biodiversité, en tenant compte, dans la mesure du possible, de la disponibilité durable de ces ressources ;
  c) de l'émission de polluants, du bruit, de la vibration, de la lumière, de la chaleur et de la radiation, de la création de nuisances et de l'élimination et de la valorisation des déchets ;
  d) des risques pour la santé humaine, pour le patrimoine culturel ou pour l'environnement (imputables, par exemple, à des accidents ou à des catastrophes) ;
  e) du cumul des incidences avec d'autres projets existants et/ou approuvés, en tenant compte des problèmes environnementaux existants éventuels relatifs aux zones revêtant une importance particulière pour l'environnement susceptibles d'être touchées ou à l'utilisation des ressources naturelles ;
  f) des incidences du projet sur le climat (par exemple la nature et l'ampleur des émissions de gaz à effet de serre) et de la vulnérabilité du projet au changement climatique ;
  g) des technologies et des substances utilisées ;
  6° une description des méthodes de prévision ou des éléments probants utilisés pour identifier et évaluer les incidences notables sur l'environnement, notamment le détail des difficultés (par exemple lacunes techniques ou dans les connaissances) rencontrées en compilant les informations requises, ainsi que des principales incertitudes ;
  7° une description des mesures envisagées pour éviter, prévenir, réduire ou, si possible, compenser les incidences négatives notables identifiées du projet sur l'environnement et, le cas échéant, des éventuelles modalités de suivi proposées (par exemple l'élaboration d'une analyse post-projet). Cette description devrait expliquer dans quelle mesure les incidences négatives notables sur l'environnement sont évitées, prévenues, réduites ou compensées et devrait couvrir à la fois les phases de construction et de fonctionnement ;
  8° une description des incidences négatives notables attendues du projet sur l'environnement qui résultent de la vulnérabilité du projet à des risques d'accidents et/ou de catastrophes majeurs en rapport avec le projet concerné. Les informations pertinentes disponibles et obtenues en application de l'accord de coopération du 5 juin 2015 entre l'Etat fédéral, la Région flamande, la Région wallonne et la Région de Bruxelles-Capitale concernant la maîtrise des dangers liés aux accidents majeurs impliquant des substances dangereuses ou de la loi du 15 avril 1994 relative à la protection de la population et de l'environnement contre les dangers résultant des rayonnements ionisants et relative à l'Agence fédérale de Contrôle nucléaire ou conformément à d'autres évaluations appropriées effectuées en application du titre IV ou en application d'autres réglementations régionales ou fédérales, peuvent être utilisées à cet effet, pour autant que les exigences visées au titre IV, chapitre III, soient remplies. Le cas échéant, cette description devrait comprendre les mesures envisagées pour prévenir ou atténuer les incidences négatives notables de ces événements sur l'environnement et le détail de la préparation et de la réponse envisagée à ces situations d'urgence ;
  9° un résumé non technique des informations transmises sur la base des points 1 à 8 ;
  10° une liste de référence précisant les sources utilisées pour les descriptions et les évaluations figurant dans le rapport.
  La description des incidences sur l'environnement notables probables, visée au point 5°, sur les disciplines, visées à l'article 4.3.1, alinéa deux, doit avoir rapport aux incidences directes et, le cas échéant, indirectes, secondaires, cumulatives et transfrontalières à court terme, à moyen terme et à long terme et aux incidences positives et négatives, permanentes et temporaires du projet. Les incidences sur l'environnement notables sont entre autres évaluées à la lumière des normes de qualité environnementale établies conformément au titre II, chapitre II.