Zum Hauptinhalt

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
23 DECEMBER 2016. - Decreet aangaande de bekrachtiging van de codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs, gecodificeerd op 28 oktober 2016
Titre
23 DECEMBRE 2016. - Décret ratifiant la codification de certaines dispositions relatives à l'enseignement, codifiées le 28 octobre 2016
Dokumentinformationen
Numac: 2017020115
Datum: 2016-12-23
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2017020115
Date: 2016-12-23
Moniteur: Voir
Tekst (5)
Texte (5)
Artikel 1. Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.
Article 1er. Le présent décret règle une matière communautaire.
Art. 2. Deel I tot en met XI en deel XII, punt 1° tot en met 42°, van de Codificatie betreffende sommige bepalingen voor het onderwijs, gevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2016 betreffende de codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs, worden bekrachtigd.
  De bij dit decreet bekrachtigde bepalingen voor het onderwijs worden aangehaald als "Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs".
Art. 2. Les parties I à XI et la partie XII, points 1° à 42° de la Codification de certaines dispositions relatives à l'enseignement, jointes à l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 octobre 2016 portant codification de certaines dispositions relatives à l'enseignement, sont ratifiées.
  Les dispositions relatives à l'enseignement qui sont ratifiées en vertu du présent décret, sont citées comme " Codification de certaines dispositions relatives à l'enseignement ".
Art. 3. De volgende wetten, decreten, koninklijke besluiten en artikelen, zoals gewijzigd tot op de datum van inwerkingtreding van dit decreet, worden opgeheven, maar zijn opgenomen in de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs:
  1° artikel 20 en 21 van het koninklijk besluit van 20 augustus 1957 houdende coördinatie van de wetten op het lager onderwijs;
  2° artikel 3, § 1, § 5, § 8, § 9; 4; 6; 6bis; 6quater, eerste lid, derde lid; 7; 12; 24, § 1, eerste lid, § 2, eerste en tweede lid, § 3; 25; 26; 27, § 1; 28; 32; 35; 36 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving;
  3° artikel 2 van het koninklijk besluit van 18 april 1967 tot regeling van de wijze waarop het aantal opvoeders in het Rijksonderwijs berekend wordt;
  4° artikel 20 van de wet van 6 juli 1970 op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs;
  5° artikel 1, 2, 4, 4/1, 7, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15 van het koninklijk besluit nr. 184 van 30 december 1982 tot vaststelling van de wijze waarop voor de Rijksinstituten voor buitengewoon onderwijs en de tehuizen van het Rijk de ambten worden bepaald van het paramedisch personeel en van het personeel toegekend in het kader van het internaat;
  6° artikel 1, 2, 3, 4, 5, 7, 8 van het koninklijk besluit nr. 456 van 10 september 1986 houdende rationalisatie en programmatie van de internaten van het door de Staat georganiseerde of gesubsidieerde onderwijs;
  7° artikel 3ter, 3quater, 3quinquies, 4, 5, 17, 90, 90bis, 91, 92, 93, 93bis, 93ter, 93quater, 94, 95, 95bis tot en met 95sexies , 96, 96bis, 96ter, 97, 97bis, 98, 98bis, 99, 100/1, 100bis tot en met 100sexies, 100septies tot en met 100decies, 191, 199, 200, 190, 192, 198 van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II;
  8° artikel 2 tot en met 10, 15, 16, 29, 29/2 tot en met 29/7 van het decreet van 9 april 1992 betreffende het onderwijs III;
  9° artikel 29 tot en met 36bis van het decreet van 28 april 1993 betreffende het onderwijs IV;
  10° artikel 57 van het decreet van 15 december 1993 betreffende het onderwijs V;
  11° artikel 50, 51, 54, 80, 169octies, 169novies, 164 van het decreet van 21 december 1994 betreffende het onderwijs VI;
  12° artikel 12, 14, 16, 15, 17, 62, 63, 64, 67 van het decreet van 8 juli 1996 betreffende het onderwijs VII;
  13° artikel 12, 13, 14 van het decreet van 14 juli 1998 betreffende het onderwijs IX;
  14° artikel 170, 172, 173 van het decreet van 18 mei 1999 betreffende het onderwijs XI;
  15° artikel V.21 tot en met V.35, IX.1, IX.2 tot en met IX.9, XI.1, XI.2, XI.3, XI.6, XIII.9 van het decreet van 13 juli 2001 betreffende het onderwijs XIII-Mozaïek;
  16° artikel II.1, IV.1-IV.5, IV.6 tot en met IV.10, VIII.1 tot en met VIII.5 van het decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijke onderwijskansen;
  17° artikel X.1 tot en met X.17, X.22 tot en met X.26, X.28, X.29, X.35, X.39 tot en met X.43, X.48, X.49 tot en met X.55, X.57, X.58, X.59, X.61 van het decreet van 14 februari 2003 betreffende het onderwijs XIV;
  18° artikel X.2, X.5, X.5bis van het decreet van 15 juli 2005 betreffende het onderwijs XV;
  19° artikel IX.4, IX.5 van het decreet van 7 juli 2006 betreffende het onderwijs XVI;
  20° artikel V.1 tot en met V.4 van het decreet van 16 mei 2007 betreffende dringende maatregelen voor het onderwijs;
  21° artikel XI.6, XI.7, XI.9 van het decreet van 4 juli 2008 betreffende het onderwijs XVIII;
  22° artikel 20 van het decreet van 4 juli 2008 betreffende de werkingsbudgetten in het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 wat de werkingsbudgetten betreft;
  23° artikel 3 tot en met 6, 8 tot en met 8quinquies van het decreet van 10 juli 2008 houdende enkele dringende maatregelen voor het deeltijds kunstonderwijs;
  24° artikel VIII.26 van het decreet van 9 juli 2010 betreffende het onderwijs XX;
  25° artikel XI.1 tot en met XI.3, XI.4 tot en met XI.7 van het decreet van 1 juli 2011 betreffende het onderwijs XXI;
  26° artikel XI.1 van het decreet van 21 december 2012 betreffende het onderwijs XXII;
  27° artikel X.1, X.2 tot en met X.8 van het decreet van 25 april 2014 betreffende het onderwijs XXIV.
Art. 3. Les lois, décrets, arrêtés royaux et articles, tels que modifiés jusqu'à la date d'entrée en vigueur du présent décret, sont abrogés mais sont repris dans la Codification de certaines dispositions relatives à l'enseignement :
  1° les articles 20 et 21 de l'arrêté royal du 20 août 1957 portant coordination des lois sur l'enseignement primaire ;
  2° l'article 3, § 1er, § 5, § 8, § 9; l'article 4; l'article 6; l'article 6bis; l'article 6quater, alinéa premier, alinéa trois; l'article 7; l'article 12; l'article 24, § 1er, alinéa premier, § 2, alinéas premier et deux, § 3; l'article 25; l'article 26; l'article 27, § 1er; l'article 28; l'article 32; l'article 35; l'article 36 de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement ;
  3° l'article 2 de l'arrêté royal du 18 avril 1967 fixant les règles de calcul du nombre d'éducateurs dans l'enseignement de l'Etat ;
  4° l'article 20 de la loi du 6 juillet 1970 sur l'enseignement spécial et intégré ;
  5° les articles 1er, 2, 4, 4/1, 7, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15 de l'Arrêté royal n° 184 du 30 décembre 1982 fixant la façon de déterminer, pour les instituts d'enseignement spécial de l'Etat et les homes de l'Etat, les fonctions du personnel paramédical et du personnel attribué dans le cadre de leur internat ;
  6° les articles 1er, 2, 3, 4, 5, 7, 8 de l'arrêté royal n° 456 du 10 septembre 1986 portant rationalisation et programmation des internats de l'enseignement organisé ou subventionné par l'Etat ;
  7° les articles 3ter, 3quater, 3quinquies, 4, 5, 17, 90, 90bis, 91, 92, 93, 93bis, 93ter, 93quater, 94, 95, 95bis à 95sexies, 96, 96bis, 96ter, 97, 97bis, 98, 98bis, 99, 100/1, 100bis à 100sexies, 100septies à 100decies, 191, 199, 200, 190, 192, 198 du décret du 31 juillet 1990 relatif à l'enseignement-II ;
  8° les articles 2 à 10, 15, 16, 29, 29/2 à 29/7 du décret du 9 avril 1992 relatif à l'enseignement III ;
  9° les articles 29 à 36bis du décret du 28 avril 1993 relatif à l'enseignement-IV ;
  10° l'article 57 du décret du 15 décembre 1993 relatif à l'enseignement-V ;
  11° les articles 50, 51, 54, 80, 169octies, 169novies, 164 du décret du 21 décembre 1994 relatif à l'enseignement-VI ;
  12° les articles 12, 14, 16, 15, 17, 62, 63, 64, 67 du décret du 8 juillet 1996 relatif à l'enseignement-VII ;
  13° les articles 12, 13, 14 du décret du 14 juillet 1998 relatif à l'enseignement-IX ;
  14° les articles 170, 172, 173 du décret du 18 mai 1999 relatif à l'enseignement-XI ;
  15° les articles V.21 à V.35, IX.1, IX.2 à IX.9, XI.1, XI.2, XI.3, XI.6, XIII.9 du décret du 13 juillet 2001 relatif à l'enseignement XIII - Mosaïque ;
  16° les articles II.1, IV.1-IV.5, IV.6 à IV.10, VIII.1 à VIII.5 du décret du 28 juin 2002 relatif à l'égalité des chances en éducation ;
  17° les articles X.1 à X.17, X.22 à X.26, X.28, X.29, X.35, X.39 à X.43, X.48, X.49 à X.55, X.57, X.58, X.59, X.61 du décret du 14 février 2003 relatif à l'enseignement - XIV ;
  18° les articles X.2, X.5, X.5bis du décret du 15 juillet 2005 relatif à l'enseignement-XV ;
  19° les articles IX.4, IX.5 du décret du 7 juillet 2006 relatif à l'enseignement-XVI ;
  20° les articles V.1 à V.4 du décret du 16 mai 2007 relatif aux mesures urgentes pour l'enseignement ;
  21° les articles XI.6, XI.7, XI.9 du décret du 4 juillet 2008 relatif à l'enseignement-XVIII ;
  22° l'article 20 du décret du 4 juillet 2008 relatif aux budgets de fonctionnement dans l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental du 25 février 1997 pour ce qui concerne les budgets de fonctionnement ;
  23° les articles 3 à 6, 8 à 8quinquies du décret du 10 juillet 2008 portant diverses mesures urgentes relatives à l'enseignement artistique à temps partiel ;
  24° l'article VIII.26 du décret du 9 juillet 2010 relatif à l'enseignement-XX ;
  25° les articles XI.1 à XI.3, XI.4 à XI.7 du décret du 1 juillet 2011 relatif à l'enseignement XXI ;
  26° l'article XI.1 du décret du 21 décembre 2012 relatif à l'enseignement-XXII ;
  27° les articles X.1, X.2 à X.8 du décret du 25 avril 2014 relatif à l'enseignement-XXIV.
Art. 4. De volgende wetten, decreten, koninklijke besluiten, besluiten van de Vlaamse Regering en artikelen, zoals gewijzigd tot op de datum van inwerkingtreding van dit decreet, worden opgeheven:
  1° de wet van 30 december 1952 waarbij de studenten der Rijksuniversiteiten en der met de universiteiten gelijkgestelde Rijksinrichtingen voor hoger onderwijs onderworpen worden aan een geneeskundig onderzoek met het oog op het opsporen der besmettelijke ziekten;
  2° de wet van 11 maart 1954 tot instelling van een centrale examencommissie voor de toekenning van de graad van geaggregeerde van het hoger secundair onderwijs voor de handelswetenschappen;
  3° de wet van 22 juli 1955 waarbij aan sommige handelshogescholen toelating gegeven wordt tot het verlenen van de graad van geaggregeerde voor het hoger secundair onderwijs in de handelswetenschappen;
  4° de artikel 3, § 6, § 7bis; 4, vierde lid; 6ter; 6quater, tweede, vierde, vijfde lid; 24, § 1, eerste lid, tweede zin, tweede en derde lid, § 2, derde en vierde lid; 36bis, 38, 39 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving;
  5° de wet van 9 april 1965 houdende diverse maatregelen voor de universitaire expansie;
  6° de wet van 24 maart 1971 tot wijziging van de wet van 28 april 1953 betreffende de inrichting van het universitair onderwijs door de Staat, gewijzigd door de wet van 9 april 1965 houdende diverse maatregelen voor de universitaire expansie en van de wet van 5 juli 1920 tot toekenning van rechtspersoonlijkheid aan de Staatsuniversiteiten Gent en Luik;
  7° de wet van 28 mei 1971 houdende nieuwe maatregelen van de universitaire expansie;
  8° de wet van 6 juli 1972 tot aanvulling, wat betreft de overgangsbepalingen, van de wet van 9 april 1965 houdende diverse maatregelen voor de universitaire expansie;
  9° de wet van 20 mei 1976 betreffende het behalen van wettelijke graden door vluchtelingen die aan een Belgische universiteit of daarmee gelijkgestelde inrichtingen, universitaire studiën ten wetenschappelijke titel aangevat of voleindigd hebben;
  10° het koninklijk besluit van 28 oktober 1955 betreffende de bezoldigde werkzaamheden verricht door de laboratoria, de klinieken of andere soortgelijke diensten der Rijksuniversiteiten;
  11° het koninklijk besluit van 21 november 1955 tot uitvoering van de wet van 30 december 1952 waarbij de studenten der rijksuniversiteiten en der met de universiteiten gelijkgestelde rijksinrichtingen voor hoger onderwijs onderworpen worden aan een geneeskundig onderzoek met het oog op het opsporen der besmettelijke ziekten;
  12° het koninklijk besluit van 14 januari 1956 tot regeling van de wijze van toekenning, door sommige handelshogescholen, van de graad van geaggregeerde voor het hoger secundair onderwijs voor de handelswetenschappen;
  13° het koninklijk besluit van 20 augustus 1957 houdende coördinatie van de wetten op het lager onderwijs;
  14° het koninklijk besluit van 26 maart 1960 houdende toepassing van de artikelen 24 en 37 der wet van 29 mei 1959;
  15° het koninklijk besluit van 7 maart 1961 betreffende de wedden van sommige leden van het onderwijzend personeel van de Staat;
  16° het koninklijk besluit van 13 augustus 1962 tot regeling van de psycho-medisch-sociale centra;
  17° het koninklijk besluit van 4 maart 1963 houdende vaststelling van de modaliteiten van eedaflegging voor de personeelsleden van de vrije onderwijsinrichtingen, van de vrije diensten voor studie- en beroepsoriëntering en van de vrije psycho-medisch-sociale centra, met het oog op de betaling der staatstoelagen;
  18° het koninklijk besluit van 5 maart 1964 houdende uitvoering van de wet van 31 juli 1963 betreffende het pensioen der leden van het personeel van de diensten voor school- en beroepsoriëntering en van de psycho-medisch-sociale centra, die een weddetoelage van het Rijk ontvangen;
  19° het koninklijk besluit van 8 januari 1965 tot vaststelling van de administratieve en geldelijke toestand der leden van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Nationale Opvoeding en Cultuur die hun dienstplicht vervullen in vredestijd;
  20° het koninklijk besluit van 26 februari 1965 tot vaststelling van de betrekkingen bij het Ministerie van Nationale Opvoeding en Cultuur waaraan het voordeel van kosteloze inwoning verbonden is;
  21° het koninklijk besluit van 21 april 1965 tot vaststelling van het statuut van het wetenschappelijk personeel der wetenschappelijke inrichtingen van de Staat;
  22° het koninklijk besluit van 29 augustus 1966 houdende het statuut van de leden van het administratief personeel en van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs;
  23° het koninklijk besluit van 30 november 1966 houdende toepassing van artikel 7, lid 2, 2°, van de wet van 30 juli 1963 houdende taalregeling in het onderwijs;
  24° artikel 2bis van het koninklijk besluit van 18 april 1967 tot regeling van de wijze waarop het aantal opvoeders in het Rijksonderwijs berekend wordt;
  25° het koninklijk besluit van 1 augustus 1967 betreffende de geldelijke toestand van de tot het Gesubsidieerd onderwijs behorende leden van de homologatiecommissie en van de examencommissie van de Staat voor het secundair onderwijs;
  26° het koninklijk besluit van 23 oktober 1967 houdende het algemeen reglement voor de rijksuniversiteiten en de rijksuniversitaire centra;
  27° het koninklijk besluit van 13 februari 1968 houdende erkenning van de definitieve benoeming van de personeelsleden der gesubsidieerde officiële en vrije inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, secundair en hoger onderwijs van het korte type en het lange type met volledig leerplan en van de tehuizen voor kinderen wier ouders geen vaste verblijfplaats hebben;
  28° het koninklijk besluit van 3 mei 1968 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder de houders van de benoemingsbrief ter vervanging van het brevet van officier der artillerie of der genie, die uit de Applicatieschool komt (specialiteit bouwkunde) de graad van burgerlijk metallurgisch ingenieur kan behalen;
  29° het koninklijk besluit van 5 juni 1968 tot regeling van de aanpassing aan de schommelingen van het indexcijfer der kleinhandelsprijzen van het Rijk, van de toelagen bepaald bij de wet van 3 augustus 1960 houdende toekenning van sociale voordelen aan de universiteiten en gelijkgestelde inrichtingen;
  30° het koninklijk besluit van 2 oktober 1968 tot vaststelling en rangschikking van de ambten der leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel bij de inrichtingen voor kleuteronderwijs, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, en van de ambten der leden van de inspectiedienst belast met het toezicht op deze inrichtingen;
  31° het koninklijk besluit van 22 april 1969 tot vaststelling van de lichamelijke geschiktheid vereist van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel en van het paramedisch personeel der rijksinrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen;
  32° het koninklijk besluit van 22 april 1969 betreffende de bekwaamheidsbewijzen vereist van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel en van het paramedisch personeel der rijksinrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen;
  33° het koninklijk besluit van 25 september 1969 houdende opname van de Rijksfaculteit der landbouwwetenschappen te Gent in de Rijksuniversiteit te Gent;
  34° het koninklijk besluit van 20 augustus 1970 houdende toepassing van artikel 34 van de wetten op het toekennen van de academische graden en het programma van de universitaire examens, gecoördineerd op 31 december 1949, wat betreft de vrijstelling van ondervraging, het aantal proeven en de duur van de studiën;
  35° het koninklijk besluit van 7 september 1970 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder aanstellingen voor een beperkte duur kunnen geschieden aan het College voor de Ontwikkelingslanden van het Rijksuniversitair Centrum te Antwerpen;
  36° het koninklijk besluit van 10 september 1971 houdende uitvoering van de wet van 28 april 1953 betreffende de inrichting van het universitair onderwijs door de Staat, gewijzigd bij de wet van 9 april 1965, houdende diverse maatregelen voor de universitaire expansie en aangevuld bij de wet van 16 juli 1970 betreffende de financiering van de universitaire investeringen;
  37° het koninklijk besluit van 4 augustus 1972 tot vaststelling van de regels voor het bepalen van het aantal studenten in de universitaire instellingen bedoeld in artikel 27, § 1 van de wet van 27 juli 1971 op de financiering en de controle van de universitaire instellingen;
  38° het koninklijk besluit van 11 augustus 1972 houdende uitvoering van de wet van 28 april 1953 betreffende de inrichting van het universitair onderwijs door de Staat, gewijzigd bij de wetten van 9 april 1965, houdende diverse maatregelen voor de universitaire expansie, 16 juli 1970, betreffende de financiering van de universitaire investeringen en 27 juli 1971 op de financiering en de controle van de universitaire instellingen;
  39° het koninklijk besluit van 28 juni 1974 tot uitvoering van de wet van 28 april 1953 betreffende de inrichting van het universitair onderwijs door de Staat;
  40° het koninklijk besluit van 1 juli 1974 waarbij de vakken, het peil van de vereiste kennis en de vrijstellingen van ondervraging worden bepaald voor het door de universiteiten en de `Faculté polytechnique de Mons' georganiseerd examen voor toelating tot de studies van kandidaat burgerlijk ingenieur;
  41° het koninklijk besluit van 9 augustus 1974 tot vaststelling van het bedrag der inschrijvingsgelden in het College voor ontwikkelingslanden van het Rijksuniversitair Centrum te Antwerpen;
  42° het koninklijk besluit van 12 februari 1975 tot aanpassing aan de evolutie van de bouwkosten van de bedragen der leningen toegestaan aan de universitaire inrichtingen bij artikel 8bis, 1ste alinea, van de wet van 2 augustus 1960;
  43° het koninklijk besluit van 14 maart 1975 tot vaststelling van de toekenningsvoorwaarden van rentetoelagen tot het bouwen van restaurants en tehuizen voor universiteitsstudenten;
  44° het koninklijk besluit van 20 juni 1975 betreffende de voldoend geachte bekwaamheidsbewijzen in het kleuter- en lager onderwijs;
  45° het koninklijk besluit van 4 augustus 1975 betreffende de voldoend geachte bekwaamheidsbewijzen in de gesubsidieerde vrije inrichtingen die secundair onderwijs verstrekken overeenkomstig de wet 19 juli 1971 betreffende de algemene structuur en de organisatie van het secundair onderwijs;
  46° het koninklijk besluit van 14 augustus 1975 tot uitvoering van de wet van 28 april 1953 betreffende de inrichting van het universitair onderwijs door de Staat;
  47° het koninklijk besluit van 3 juni 1976 waarbij vrijstelling van de vereiste inzake leeftijdsgrens verleend wordt aan sommige leermeesters, leraars en inspecteurs katholieke en protestantse godsdienst der inrichtingen voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat;
  48° het koninklijk besluit van 8 juli 1976 genomen voor de toepassing van artikel 40 van het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 tot vaststelling van het statuut van de leermeesters, de leraars en de inspecteurs katholieke en protestantse godsdienst der inrichtingen voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat;
  49° het koninklijk besluit van 8 juli 1976 genomen voor de toepassing van artikel 45 van het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 tot vaststelling van het statuut van de leermeesters, de leraars en de inspecteurs katholieke en protestantse godsdienst der inrichtingen voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat;
  50° het koninklijk besluit van 31 december 1976 betreffende de invordering van door de universitaire instellingen van de Staat ten onrechte betaalde bedragen;
  51° het koninklijk besluit van 15 april 1977 houdende oprichting en vaststelling van de structuur van een pedagogische leergang bij de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten te Antwerpen;
  52° het koninklijk besluit van 31 maart 1977 tot regeling van de toestand van sommige personeelsleden van het Rijksonderwijs;
  53° het koninklijk besluit van 15 april 1977 tot uitbreiding tot de universitaire instellingen van de Staat van de bepalingen van het koninklijk besluit van 13 mei 1975 tot regeling van de tegemoetkomingen van de Staat en van sommige instellingen van openbaar nut in de vervoerkosten van het personeel;
  54° het koninklijk besluit van 15 april 1977 tot vaststelling van de regelen en de voorwaarden voor de berekening van het aantal betrekkingen in sommige ambten van het opvoedend hulppersoneel en van het administratief personeel van de inrichtingen voor secundair onderwijs en voor het hoger onderwijs, met uitzondering van het universitair onderwijs;
  55° het koninklijk besluit van 9 maart 1981 houdende uitvoering van de wet van 2 augustus 1960 betreffende de tussenkomst van de Staat in de financiering van de vrije universiteiten en van diverse inrichtingen voor hoger onderwijs en voor wetenschappelijk onderzoek;
  56° het koninklijk besluit van 9 juni 1981 tot vaststelling van de verkiezingsprocedure voor de ambten van rector en vice-rector bij het Rijksuniversitair Centrum te Antwerpen;
  57° het koninklijk besluit van 24 augustus 1981 tot wijziging van het koninklijk besluit van 13 augustus 1962 tot regeling van de psycho-medisch-sociale centra en van de diensten voor studie- en beroepsoriëntering;
  58° het koninklijk besluit van 6 november 1981 tot wijziging van het koninklijk besluit van 26 maart 1956 houdende oprichting van een afdeling tot opleiding van bouwkundige tekenaars bij het Nationaal Hoger Instituut voor Bouwkunst en Stedebouw te Antwerpen;
  59° het koninklijk besluit nr. 82 van 31 juli 1982 tot sanering van de financiën van deficitaire universitaire instellingen;
  60° het koninklijk besluit van 15 december 1982 tot vaststelling van de benaming en de structuur van de door de Staat georganiseerde inrichtingen voor secundair onderwijs;
  61° het koninklijk besluit nr. 167 van 30 december 1982 betreffende de financiering van de universitaire investeringen;
  62° artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 184 van 30 december 1982 tot vaststelling van de wijze waarop voor de Rijksinstituten voor buitengewoon onderwijs en de tehuizen van het Rijk de ambten worden bepaald van het paramedisch personeel en van het personeel toegekend in het kader van het internaat;
  63° het koninklijk besluit van 9 maart 1983 houdende uitvoering van de wet van 2 augustus 1960 betreffende de tussenkomst van de Staat in de financiering van de Vrije Universiteiten en van diverse inrichtingen voor hoger onderwijs en voor wetenschappelijk onderzoek en houdende vaststelling van de rentevoet voor de tranche 1981-1982;
  64° het koninklijk besluit van 25 mei 1983 betreffende de financiering van acties voor het demonstreren van nieuwe procedés, producten en uitrustingen voor een rationeel energieverbruik uitgevoerd op initiatief van de universitaire instellingen;
  65° het koninklijk besluit van 7 december 1983 tot vaststelling van de toekenningsvoorwaarden van rentetoelagen tot het bouwen van restaurants en tehuizen voor universiteitsstudenten vanaf 1980;
  66° het koninklijk besluit nr. 297 van 31 maart 1984 betreffende de opdrachten, de wedden, de weddetoelagen en de verloven voor verminderde prestaties in het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding;
  67° het koninklijk besluit van 15 juni 1984 tot vaststelling van de vorm en van de regels voor de uitreiking van het getuigschrift van basisonderwijs;
  68° het koninklijk besluit van 8 augustus 1984 houdende uitvoering van de wet van 24 december 1976 betreffende de budgettaire voorstellen 1976-1977;
  69° het koninklijk besluit van 18 december 1984 tot aanduiding van de Rijksscholen en de Rijksscholengroepen die staatsdiensten zijn met afzonderlijk beheer;
  70° het koninklijk besluit van 29 december 1984 betreffende het financieel en materieel beheer van de staatsdiensten met afzonderlijk beheer in het Rijksonderwijs;
  71° het koninklijk besluit van 21 oktober 1985 betreffende het verlof wegens opdracht en de terbeschikkingstelling wegens bijzondere opdracht van de gesubsidieerde personeelsleden van de gesubsidieerde psycho-medisch-sociale centra;
  72° het koninklijk besluit nr. 455 van 10 september 1986 houdende de maatregelen tot sanering van het Academisch Ziekenhuis van de Rijksuniversiteit Gent;
  73° artikel 6, 9 van het koninklijk besluit nr. 456 van 10 september 1986 houdende rationalisatie en programmatie van de internaten van het door de Staat georganiseerde of gesubsidieerde onderwijs;
  74° het koninklijk besluit nr. 470 van 14 oktober 1986 tot vaststelling van het maximaal afwijkingspercentage tussen het totale aantal organieke ambten en het totale aantal budgettaire ambten van sommige categorieën van personeelsleden van het Rijksonderwijs en van het gesubsidieerd onderwijs;
  75° het koninklijk besluit nr. 471 van 24 oktober 1986 tot beperking van het aantal verloven wegens opdracht en de terbeschikkingstelling wegens opdracht, verleend aan de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra;
  76° het koninklijk besluit van 1 december 1986 tot aanduiding van de Rijksinrichtingen voor kunstonderwijs die staatsdiensten zijn met afzonderlijk beheer;
  77° het koninklijk besluit van 28 december 1987 tot aanduiding van de rijksinternaten en rijkstehuizen die staatsdiensten zijn met afzonderlijk beheer;
  78° het koninklijk besluit van 10 januari 1989 houdende klassering van sommige afdelingen in uitvoering van artikel 6, § 2, van het koninklijk besluit nr. 64 van 20 juli 1982 houdende vaststelling van de minimale schoolbevolking van bepaalde afdelingen in het Nederlandstalig onderwijs voor sociale promotie;
  79° het koninklijk besluit van 20 juli 2005 tot wijziging van verschillende bepalingen betreffende de toekenning en de uitbetaling van een vakbondspremie aan sommige personeelsleden van de overheidssector;
  80° het decreet van 1 augustus 1978 houdende maatregelen tot samenwerking onder de Antwerpse universitaire instellingen;
  81° artikel 131, 188 van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II;
  82° het decreet van 23 oktober 1991 houdende wijziging van artikel 19 en artikel 108 van het decreet van 17 juli 1991 betreffende inspectie en pedagogische begeleidingsdiensten;
  83° artikel 15, 17, 18 van het financiedecreet van 23 oktober 1991 voor het begrotingsjaar 1992;
  84° artikel 29/1, 32, 59 van het decreet van 9 april 1992 betreffende het onderwijs III;
  85° artikel 33 van het decreet van 15 december 1993 betreffende het onderwijs V;
  86° artikel 49 van het decreet van 21 december 1994 betreffende het onderwijs VI;
  87° artikel 15 van het decreet van 5 april 1995 tot wijziging van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap om de organisatie van een specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde te organiseren, en andere bepalingen betreffende de universiteiten;
  88° artikel 71, 92, 93 van het decreet van 8 juli 1996 betreffende het onderwijs VII;
  89° artikel 18 van het decreet van 15 juli 1997 betreffende het onderwijs VIII;
  90° artikel 4 van het decreet van 19 december 1997 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1998;
  91° het decreet van 19 december 1998 tot bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 september 1998 betreffende de beroepsprofielen van de leraren;
  92° artikel 175 van het decreet van 18 mei 1999 betreffende het onderwijs XI;
  93° het decreet van 8 juni 2000 houdende dringende maatregelen betreffende het lerarenambt;
  94° artikel VI.8 van het decreet van 13 juli 2001 betreffende het onderwijs XIII-Mozaïek;
  95° artikel VIII.6 van het decreet van 28 juni 2002 betreffende de gelijke onderwijskansen I;
  96° artikel X.31 tot en met X.34 van het decreet van 14 februari 2003 betreffende het onderwijs XIV;
  97° artikel 8 van het decreet van 27 juni 2003 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2003;
  98° artikel IX.5 van het decreet van 7 juli 2006 betreffende het onderwijs XVI;
  99° het decreet van 14 juli 2006 tot bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juni 2006 betreffende de organisatie van tijdelijke projecten in het basis- en secundair onderwijs;
  100° het decreet van 9 maart 2007 tot bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 februari 2007 betreffende de organisatie van tijdelijke projecten voor de Opleiding voor Opleiders van Volwassenen;
  101° artikel X.2, X.4, X.5 van het decreet van 22 juni 2007 betreffende het onderwijs XVII;
  102° het decreet van 13 juli 2007 tot bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juni 2007 betreffende de goedkeuring van tijdelijke projecten in het deeltijds kunstonderwijs vanaf het schooljaar 2007-2008;
  103° het decreet van 4 juli 2008 betreffende de werkingsbudgetten in het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 wat de werkingsbudgetten betreft;
  104° artikel XI.11 van het decreet van 4 juli 2008 betreffende het onderwijs XVIII;
  105° het decreet van 10 juli 2008 tot bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juni 2008 tot wijziging van sommige besluiten van de Vlaamse Regering met betrekking tot tijdelijke projecten in het basisonderwijs en secundair onderwijs;
  106° het decreet van 10 juli 2008 houdende verlenging van sommige van de tijdelijke projecten die zijn vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juni 2006 betreffende de organisatie van tijdelijke projecten in het basis- en secundair onderwijs;
  107° het decreet van 10 juli 2008 houdende enkele dringende maatregelen voor het deeltijds kunstonderwijs;
  108° artikel X.1, X.2 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende het onderwijs XIX;
  109° artikel 16 van het decreet van 18 december 2009 houdende bepalingen tot begeleiding van de derde aanpassing van de begroting 2009;
  110° het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 1990 tot erkenning als kredietinstelling in het kader van artikel 18, § 1, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving met het oog op de financiering van onroerende investeringen voor het gesubsidieerd officieel onderwijs;
  111° het besluit van de Vlaamse Regering van 9 oktober 1991 houdende aanvullende maatregelen betreffende de vertegenwoordiging van de personeelsgeledingen in de raad van bestuur van het Limburgs Universitair Centrum nodig om de overgang van het oude naar het nieuwe stelsel te regelen;
  112° het besluit van de Vlaamse Regering van 13 november 1991 betreffende uitvoering van het decreet van 21 december 1990 houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 1991, houdende verdeling van de leningsmachtigingen over universiteiten;
  113° het besluit van de Vlaamse Regering van 18 december 1991 betreffende de toekenning van het provisioneel krediet 1991 voor de speciale fondsen voor onderzoek aan de universitaire instellingen en de geconcerteerde onderzoeksacties;
  114° het besluit van de Vlaamse Regering van 18 december 1991 houdende de overgangsregeling betreffende het verlenen van de academische graad van geaggregeerde voor het hoger onderwijs, in uitvoering van artikel 201, tweede lid, van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap;
  115° het besluit van de Vlaamse Regering van 12 februari 1992 houdende vaststelling van het reglement voor de verkiezing van de leden van de raad van bestuur van de Universiteit Gent;
  116° het besluit van de Vlaamse Regering van 13 mei 1992 houdende vaststelling van het reglement voor de verkiezing van de leden van de raad van bestuur van het Universitair Centrum Antwerpen;
  117° het besluit van de Vlaamse Regering van 13 mei 1992 houdende vaststelling van de academische opleidingen die slechts door één universiteit in de Vlaamse Gemeenschap worden aangeboden;
  118° het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 1992 houdende vaststelling, voor de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap, van de berekeningswijze van de studiepunten en van de minimale voorwaarden van overdracht van examencijfers en van de voorwaarden voor het aanvullen van een jaarprogramma met opleidingsonderdelen van een volgend jaarprogramma;
  119° het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1992 houdende financiering van de schijf 1992 van de speciale fondsen voor het onderzoek in de universitaire instellingen;
  120° het besluit van de Vlaamse Regering van 14 oktober 1992 houdende overgangsmaatregel voor het academiejaar 1992-1993 inzake de toelatingsvoorwaarden tot de academische opleiding van burgerlijk ingenieur-architect;
  121° het besluit van de Vlaamse Regering van 2 december 1992 betreffende de vorm van de diploma's waarbij een academische graad wordt toegekend;
  122° het besluit van de Vlaamse Regering van 3 februari 1993 betreffende de organisatie en de werking van de examencommissies van de Vlaamse Gemeenschap voor het academisch onderwijs;
  123° het besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 1994 houdende vaststelling van de benamingen van de academische graden van doctor;
  124° het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 1995 betreffende de omvorming van de opleidingen en opties van de hogescholen van de Vlaamse Gemeenschap;
  125° het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juli 1995 betreffende de organisatie van de examens in de hogescholen van de Vlaamse Gemeenschap;
  126° het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juli 1996 houdende bekrachtiging van de werkingscodes van de pedagogische begeleidingsdiensten in het onderwijs;
  127° het besluit van de Vlaamse Regering van 15 oktober 1996 houdende de procedure en de vorm voor de gelijkstelling van de diploma's van een wetenschappelijke graad met de diploma's van een academische graad;
  128° het besluit van de Vlaamse Regering van 3 december 1996 tot opheffing van de commissies tot beheer van het eigen vermogen en de commissies van toezicht in bepaalde instellingen voor hoger kunstonderwijs van het voormalige gemeenschapsonderwijs;
  129° het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 1996 betreffende de vorm van de diploma's uitgereikt door de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap;
  130° het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juli 1997 betreffende de omvorming van de lerarenopleidingen van de hogescholen van de Vlaamse Gemeenschap;
  131° het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juli 1997 betreffende de aanwijzing van de personeelsleden bedoeld in artikel 182, § 1, 3°, van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap;
  132° het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juli 1997 houdende regeling van de procedure en de voorwaarden van subsidiëring van innovatieprojecten op het gebied van het hoger onderwijs;
  133° het besluit van de Vlaamse Regering van 9 december 1997 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 19 december 1990, tot erkenning als kredietinstelling in het kader van artikel 18, § 1, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving met het oog op de financiering van onroerende investeringen voor het gesubsidieerd onderwijs;
  134° het besluit van de Vlaamse Regering van 18 mei 1999 tot vaststelling van het administratieve statuut van de commissaris-coördinator bij de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap;
  135° het besluit van de Vlaamse Regering van 21 april 1999 betreffende de verdeling van de personeelsleden die ten behoeve van het secundair onderwijs een verlof krijgen voor de effectieve begeleiding van de vorming en de ondersteuning van de scholengemeenschappen;
  136° het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juli 1999 houdende oproep tot de kandidaten inzake het verlenen van een erkenning en een subsidie aan een universitair Steunpunt Nederlands als Tweede Taal;
  137° het besluit van de Vlaamse Regering van 14 januari 2000 houdende de organisatie van het toelatingsexamen tot de opleidingen van arts en tandarts in het jaar 2000;
  138° het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2000 betreffende de overdracht van personeel van de psycho-medisch-sociale centra of de centra voor medisch schooltoezicht naar de centra voor leerlingenbegeleiding;
  139° het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juli 2000 betreffende de erkenning van een universitair steunpunt Werkgelegenheid, Arbeid en Vorming;
  140° het besluit van de Vlaamse Regering van 17 juli 2000 betreffende de overdracht van de leerlingendossiers van de PMS- en MST-Centra naar de centra voor leerlingenbegeleiding;
  141° het besluit van de Vlaamse Regering van 6 oktober 2000 betreffende de toekenning van subsidies aan Vlaamse universiteiten in 2000 voor de uitvoering van interface-activiteiten;
  142° het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 2000 houdende voortzetting van subsidiëring van gecoördineerde initiatieven van institutionele en onderwijskundige grensoverschrijdende samenwerking van Vlaamse instellingen voor hoger onderwijs met partners uit regio's begrepen onder het zogenaamde `grenslandenbeleid';
  143° het besluit van de Vlaamse Regering van 4 mei 2001 houdende afwijking van de beperking van het prijsindexcijfer tot 75% voor het basisonderwijs in de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2001;
  144° het besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2001 betreffende de toekenning van subsidies aan Vlaamse universiteiten in 2001 voor de uitvoering van interfaceactiviteiten;
  145° het besluit van de Vlaamse Regering van 16 november 2001 houdende overheveling van kredieten met betrekking tot het leerlingenvervoer voor het begrotingsjaar 2001;
  146° het besluit van de Vlaamse Regering van 30 november 2001 betreffende de opwaardering van het elektronisch netwerk voor de hogescholen;
  147° het besluit van de Vlaamse Regering van 17 mei 2002 houdende vaststelling van de benaming van de diploma's van master die de Vrije Universiteit Brussel voor het Instituut voor Europese Studies (IES) uitreikt;
  148° het besluit van de Vlaamse Regering van 17 mei 2002 houdende vaststelling van de benaming van de diploma's van master die de Confederale Universiteit Antwerpen voor het Instituut voor Ontwikkelingsbeleid en -beheer (IOB) uitreikt;
  149° het besluit van de Vlaamse Regering van 6 september 2002 betreffende de werking van de adviescommissie projecten hoger kunstonderwijs;
  150° het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 betreffende een geschilberaadslaging;
  151° het besluit van de Vlaamse Regering van 6 september 2002 houdende vaststelling van de procedure en de voorwaarden voor de toekenning van aanvullende middelen in het begrotingsjaar 2002 aan de Vlaamse universiteiten en houdende vaststelling van de vorm en de inhoud van de convenants;
  152° het besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2003 tot regeling van de situatie van de personeelsleden uit het onderwijs die in het schooljaar 2002-2003 in de instellingen van het Gemeenschapsonderwijs in Duitsland ter beschikking zijn of worden gesteld wegens ontstentenis van betrekking;
  153° het besluit van de Vlaamse Regering van 12 september 2003 tot definitieve regeling van de situatie van de personeelsleden uit het onderwijs die tewerkgesteld zijn in de instellingen van het gemeenschapsonderwijs in Duitsland;
  154° het besluit van de Vlaamse Regering van 13 februari 2004 tot vaststelling van de lijst van de bachelor- en de masteropleidingen in het hoger onderwijs in Vlaanderen;
  155° het besluit van de Vlaamse Regering van 5 maart 2004 betreffende het tijdelijk project zorgondersteuning in de centra voor leerlingenbegeleiding;
  156° het besluit van de Vlaamse Regering van 11 juni 2004 betreffende de regeling van de wijze van verantwoording van het gebruik van een andere onderwijstaal dan het Nederlands;
  157° het besluit van de Vlaamse Regering van 25 juni 2004 betreffende het percentage van aanwending van het extra lesurenpakket onderwijsvoorrang in het buitengewoon secundair onderwijs voor het schooljaar 2004-2005;
  158° het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2004 houdende de vervroegde inwerkingtreding van sommige bepalingen van het decreet van 30 april 2004 betreffende de flexibilisering van het hoger onderwijs in Vlaanderen en houdende dringende hogeronderwijsmaatregelen ten aanzien van sommige instellingen van hoger onderwijs;
  159° het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2004 betreffende het experimenteel Brussels curriculum in het voltijds secundair onderwijs;
  160° het besluit van de Vlaamse Regering van 25 maart 2005 betreffende het project `Huis van het Nederlands';
  161° het besluit van de Vlaamse Regering van 22 juli 2005 tot vaststelling van de overgangsaccreditatie van sommige hogeschoolopleidingen;
  162° het besluit van de Vlaamse Regering van 21 april 2006 tot vaststelling van de overgangsaccreditatie van sommige universitaire opleidingen;
  163° het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2006 houdende wijziging van de bijlage bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 februari 2004 tot vaststelling van de lijst van de bachelors- en de mastersopleidingen in het hoger onderwijs in Vlaanderen;
  164° het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006 tot tweede aanpassing van de overgangsaccreditatie van sommige universitaire opleidingen;
  165° het besluit van de Vlaamse Regering van 16 februari 2007 houdende wijziging van de bijlage bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 februari 2004 tot vaststelling van de lijst van de bachelor- en de masteropleidingen in het hoger onderwijs in Vlaanderen;
  166° het besluit van de Vlaamse Regering van 11 mei 2007 tot tweede aanpassing van de overgangsaccreditatie van sommige hogeschoolopleidingen;
  167° het besluit van de Vlaamse Regering van 23 november 2007 tot derde aanpassing van de overgangsaccreditatie van sommige hogeschoolopleidingen;
  168° het besluit van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008 tot vaststelling van de methodologie en de criteria van de voortgangstoets voor de academisch gerichte opleidingen van de hogescholen in Vlaanderen;
  169° het besluit van de Vlaamse Regering van 21 maart 2008 tot oprichting van overlegorganen die bijdragen tot een optimale deelname van Vlaamse Gemeenschap aan het Europees actieprogramma Een Leven Lang Leren;
  170° het besluit van de Vlaamse Regering van 23 mei 2008 houdende goedkeuring van programmatie van specifieke structuuronderdelen van de tweede of derde graad of van een nieuw studiegebied van scholen al dan niet behorende tot een scholengemeenschap;
  171° het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juni 2008 houdende vastlegging van een model van overeenkomst tussen de Vlaamse Regering en de expertisenetwerken en regionale platformen in het kader van de lerarenopleidingen in Vlaanderen;
  172° het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2008 houdende vastlegging van een lijst van algemene resultaatsindicatoren voor het Aanmoedigingsfonds hoger onderwijs voor de periode 2008-2011;
  173° het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2008 aangaande diversiteitsprojecten in de lerarenopleidingen;
  174° het besluit van de Vlaamse Regering van 10 oktober 2008 betreffende de tegemoetkoming voor het begrotingsjaar 2007 aan de besturen van de Centra voor Volwassenenonderwijs en de Centra voor Basiseducatie in het vrij gesubsidieerd onderwijs met betrekking tot de financiële controle;
  175° het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juni 2008 tot tijdelijke erkenning van de opleiding bachelor in de rechten van de Katholieke Universiteit Brussel, gezamenlijk georganiseerd met de Katholieke Universiteit Leuven;
  176° het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2008 tot tijdelijke erkenning van de opleiding bachelor in de journalistiek van de XIOS Hogeschool Limburg;
  177° het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2008 tot tijdelijke erkenning van de opleiding bachelor in het communicatiemanagement van de XIOS Hogeschool Limburg;
  178° het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2008 tot tijdelijke erkenning van de opleiding `Master of Human Ecology' van de Vrije Universiteit Brussel;
  179° het besluit van de Vlaamse Regering van 7 november 2008 betreffende de erkenning en de subsidiëring als Centrum voor Basiseducatie voor het schooljaar 2008-2009;
  180° het besluit van de Vlaamse Regering van 6 maart 2009 tot tijdelijke erkenning van de opleiding bachelor in de vroedkunde van de Artesis Hogeschool Antwerpen;
  181° het besluit van de Vlaamse Regering van 6 maart 2009 tot tijdelijke erkenning van de opleiding bachelor in de verpleegkunde van de Artesis Hogeschool Antwerpen;
  182° het besluit van de Vlaamse Regering van 24 april 2009 houdende goedkeuring van programmatie van specifieke structuuronderdelen van de tweede of derde graad of van een nieuw studiegebied van scholen al dan niet behorende tot een scholengemeenschap;
  183° het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009 tot vierde aanpassing van de overgangsaccreditaties van sommige hogeschoolopleidingen;
  184° het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 tot tijdelijke erkenning van de master-na-masteropleiding master in de internationale betrekkingen en de diplomatie van de Universiteit Antwerpen;
  185° het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009 tot aanpassing van de overgangsaccreditatie van de opleiding `master in de ingenieurswetenschappen: biomedische ingenieurstechnieken';
  186° het besluit van de Vlaamse Regering 4 september 2009 tot tijdelijke erkenning van de master-na-masteropleiding master in de actuariële wetenschappen van de Vrije Universiteit Brussel;
  187° het besluit van de Vlaamse Regering van 26 november 2010 houdende wijziging van de bijlage bij het besluit van de Vlaamse Regering van 22 juni 2007 tot vaststelling van de lijst van bachelor- en masteropleidingen en afstudeerrichtingen binnen een masteropleiding met een bijkomende titel;
  188° het besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 2010 betreffende de toekenning van subsidies aan de expertisenetwerken en het regionaal platform in het kader van de lerarenopleidingen in Vlaanderen;
  189° het besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 2010 houdende de vastlegging van de maximale groei in het volwassenenonderwijs en de basiseducatie voor het schooljaar 2009-2010 en schooljaar 2010-2011;
  190° het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2011 houdende de vastlegging van de maximale groei in de basiseducatie en het volwassenenonderwijs voor het schooljaar 2011-2012;
  191° het besluit van de Vlaamse Regering van 9 september 2011 betreffende innovatie in de lerarenopleidingen;
  192° het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2011 betreffende de subsidiëring van voortrajecten binnen het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap;
  193° het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juni 2012 houdende de vastlegging van de maximale groei voor de Centra voor Basiseducatie en de Centra voor Volwassenenonderwijs inclusief een restrictieve aanwending van de leraarsuren voor de opleidingen NT2 voor vier CVO voor het schooljaar 2012-2013;
  194° het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2012 betreffende de organisatie van pilootprojecten ter voorbereiding op de hervorming van het deeltijds kunstonderwijs 2012-2014;
  195° het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2012 betreffende de commissie voor de evaluatie van de werking van de pedagogische begeleidingsdiensten, de permanente ondersteuningscellen en het Samenwerkingsverband Netgebonden Pedagogische Begeleidingsdiensten;
  196° het besluit van de Vlaamse Regering van 19 oktober 2012 betreffende de subsidiëring van voortrajecten binnen het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap voor het schooljaar 2012-2013;
  197° het besluit van de Vlaamse Regering van 26 oktober 2012 betreffende de tegemoetkoming voor het begrotingsjaar 2012 aan de schoolbesturen en aan de besturen van de Centra voor Volwassenenonderwijs en de Centra voor Basiseducatie in het gesubsidieerd vrij onderwijs met betrekking tot de financiële controle over het boekjaar 2011;
  198° het besluit van de Vlaamse Regering van 31 mei 2013 tot vastlegging van het percentage van de omvang aan opleidingsonderdelen aangeboden in een andere onderwijstaal dan het Nederlands, zoals bedoeld in artikel 91sexies, § 2, van het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen;
  199° het besluit van de Vlaamse Regering van 20 september 2013 betreffende de bepaling van de mobiliteitstoelage per categorie op advies van het Vlaamse Erasmuscomité 2013-2014;
  200° het besluit van de Vlaamse Regering van 22 november 2013 betreffende de tegemoetkoming voor het begrotingsjaar 2013 aan de schoolbesturen en aan de besturen van de Centra voor Volwassenenonderwijs en de Centra voor Basiseducatie in het gesubsidieerd vrij onderwijs met betrekking tot de financiële controle over het boekjaar 2012;
  201° het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 2014 betreffende de toekenning van een subsidie voor de tolkuren Vlaamse Gebarentaal voor secundair, hoger en volwassenenonderwijs voor 2012-2013 en 2013-2014.
Art. 4. Les lois, décrets, arrêtés royaux, arrêtés du Gouvernement flamand et articles, tels que modifiés jusqu'à la date de l'entrée en vigueur du présent arrêté sont abrogés :
  1° la loi du 30 décembre 1952 soumettant les étudiants des Universités de l'Etat et des établissements d'enseignement supérieur de l'Etat assimiles aux universités, à un examen médical en vue du dépistage des maladies contagieuses ;
  2° la loi du 11 mars 1954 tendant l'établissement d'un jury central pour la collation du grade d'agrégé de l'enseignement secondaire supérieur pour les sciences commerciales ;
  3° la loi du 22 juillet 1955 permettant à certains instituts supérieurs de commerce de conférer le grade d'agrégé de l'enseignement secondaire supérieur pour les sciences commerciales ;
  4° les articles 3, § 6, § 7bis; 4, alinéa quatre ; 6ter; 6quater, alinéas deux, quatre, cinq ; 24, § 1er, alinéa premier, deuxième phrase, alinéas deux et trois, § 2, alinéas trois et quatre ; 36bis, 38, 39 de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement ;
  5° la loi du 9 avril 1965 portant diverses mesures en faveur de l'expansion universitaire ;
  6° la loi du 24 mars 1971 modifiant la loi du 28 avril 1953 sur l'organisation de l'enseignement universitaire par l'Etat, modifiée par la loi du 9 avril 1965 portant diverses mesures en faveur de l'expansion universitaire et la loi du 5 juillet 1920 accordant la personnalité civile aux universités de l'Etat à Gand et à Liège ;
  7° la loi du 28 mai 1971 portant de nouvelles mesures en faveur de l'expansion universitaire ;
  8° la loi du 6 juillet 1972 complétant, en ce qui concerne les dispositions transitoires, la loi du 9 avril 1965 portant diverses mesures en faveur de l'expansion universitaire ;
  9° la loi du 20 mai 1976 relative à l'obtention de grades légaux par des réfugiés qui ont entamé ou accompli des études au titre scientifique dans une université belge ou un établissement assimilé ;
  10° l'arrêté royal du 28 octobre 1955 relatif aux prestations rétribuées, fournies par les laboratoires, les cliniques ou autres services similaires des universités de l'Etat ;
  11° l'arrêté royal du 21 novembre 1955 portant exécution de la loi du 30 décembre 1952 soumettant les étudiants des universités de l'Etat et des établissements d'enseignement supérieur de l'Etat assimilés aux universités, à un examen médical en vue du dépistage des maladies contagieuses ;
  12° l'arrêté royal du 14 janvier 1956 réglant le mode de collation par certains instituts supérieurs de commerce, du grade d'agrégé de l'enseignement secondaire supérieur pour les sciences commerciales ;
  13° l'arrêté royal du 20 août 1957 portant coordination des lois sur l'enseignement primaire ;
  14° l'arrêté royal du 26 mars 1960 portant application des articles 24 et 37 de la loi du 29 mai 1959 ;
  15° l'arrêté royal du 7 mars 1961 relatif aux traitements de certains membres du personnel enseignant de l'Etat ;
  16° l'arrêté royal organique des centres psycho-médico-sociaux du 13 août 1962 ;
  17° l'arrêté royal du 4 mars 1963 déterminant les modalités de prestation de serment pour les membres du personnel des établissements scolaires libres, des offices libres d'orientation scolaire et professionnelle et des centres libres psycho-médico-sociaux en vue du paiement des subventions de l'Etat ;
  18° l'arrêté royal du 5 mars 1964 portant exécution de la loi du 31 juillet 1963 relative à la pension des membres du personnel des offices d'orientation scolaire et professionnelle et des centres psycho-médico-sociaux, qui reçoivent une subvention-traitement de l'Etat ;
  19° l'arrêté royal du 8 janvier 1965 déterminant la position administrative et pécuniaire des membres du personnel enseignant, scientifique et assimilé du Ministère de l'Education nationale et de la Culture, appelés à remplir leurs obligations militaires en temps de paix ;
  20° l'arrêté royal du 26 février 1965 déterminant les fonctions du Ministère de l'Education nationale et de la Culture auxquelles est attaché le bénéfice de la gratuité du logement ;
  21° l'arrêté royal du 21 avril 1965 fixant le statut du personnel scientifique des établissements scientifiques de l'Etat ;
  22° l'arrêté royal du 29 août 1966 fixant le statut des membres du personnel administratif, du personnel de maîtrise, gens de métier et de service des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat ;
  23° l'arrêté royal du 30 novembre 1966 portant application de l'article 7, alinéa 2, 2°, de la loi du 30 juillet 1963, concernant le régime linguistique dans l'enseignement ;
  24° l'article 2bis de l'arrêté royal du 18 avril 1967 fixant les règles de calcul du nombre d'éducateurs dans l'enseignement de l'Etat ;
  25° l'arrêté royal du 1 août 1967 relatif à la situation pécuniaire des membres de la commission d'homologation et des jurys d'Etat de l'enseignement moyen, normal et technique qui appartiennent à l'enseignement subventionné ;
  26° l'arrêté royal du 23 octobre 1967 portant règlement général des universités et des centres universitaires de l'Etat ;
  27° l'arrêté royal du 13 février 1968 portant agréation de la nomination définitive des membres du personnel des établissements officiels et libres subventionnés d'enseignement maternel, primaire, spécial, secondaire et supérieur de type court et de type long, de plein exercice, et des homes pour enfants dont les parents n'ont pas de résidence fixe ;
  28° l'arrêté royal du 3 mai 1968 fixant les conditions selon lesquelles le porteur de la lettre de nomination tenant lieu de brevet d'officier d'artillerie ou du génie, issu de l'Ecole d'Application ( spécialité construction ) peut obtenir le grade d'ingénieur civil métallurgiste ;
  29° arrêté royal du 5 juin 1968 fixant les modalités d'adaptation à l'évolution de l'index des prix de détail du Royaume, du montant des subventions prévues par la loi du 3 août 1960 accordant des avantages sociaux aux universités et établissements assimilés ;
  30° l'arrêté royal du 2 octobre 1968 déterminant et classant les fonctions des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat et les fonctions des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements ;
  31° l'arrêté royal du 22 avril 1969 fixant les aptitudes physiques requises des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat et des internats dépendant de ces établissements ;
  32° l'arrêté royal du 22 avril 1969 fixant les titres requis des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation et du personnel paramédical des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat et des internats dépendant de ces établissements ;
  33° l'arrêté royal du 25 septembre 1969 portant incorporation de la Faculté des sciences agronomiques de l'Etat à Gand à l'Université de l'Etat à Gand ;
  34° l'arrêté royal du 20 août 1970 portant application de l'article 34 des lois sur la collation des grades académiques et le programme des examens universitaires, coordonnées le 31 décembre 1949, en ce qui concerne les dispenses d'interrogation, le nombre d'épreuves et la durée des études ;
  35° l'arrêté royal du 7 septembre 1970 fixant les conditions de désignation à court terme au Collège des pays en voie de développement du Centre universitaire de l'Etat à Anvers ;
  36° l'arrêté royal du 10 septembre 1971 portant exécution de la loi du 28 avril 1953 sur l'organisation de l'enseignement universitaire par l'Etat, modifié par la loi du 9 avril 1965, portant diverses mesures en faveur de l'expansion universitaire et complétée par la loi du 16 juillet 1970 relative au financement des investissements universitaires ;
  37° l'arrêté royal du 4 août 1972 fixant les règles pour la détermination du nombre d'étudiants dans les institutions universitaires, dont question à l'article 27, § 1er, de la loi du 27 juillet 1971, relative au financement et au contrôle des institutions universitaires ;
  38° l'arrêté royal du 11 août 1972 portant exécution de la loi du 28 avril 1953 sur l'organisation de l'enseignement universitaire par l'Etat, modifié par la loi du 9 avril 1965, portant diverses mesures en faveur de l'expansion universitaire, la loi du 16 juillet 1970 relative au financement des investissements universitaires et la loi du 27 juillet 1971 sur le financement et le contrôle des institutions universitaires ;
  39° l'arrêté royal du 28 juin 1974 portant exécution de la loi du 28 avril 1953 sur l'organisation de l'enseignement universitaire par l'Etat ;
  40° l'arrêté royal du 1 juillet 1974 déterminant, en ce qui concerne l'examen d'admission aux études de candidat-ingénieur civil organisé par les universités de la Faculté polytechnique de Mons, les matières de l'examen, le niveau des connaissances exigées et les dispenses d'interrogation ;
  41° l'arrêté royal du 9 août 1974 fixant le montant des droits d'inscription dans le Collège des pays en voie de développement du "Rijksuniversitair Centrum te Antwerpen" ;
  42° l'arrêté royal du 12 février 1975 fixant les modalités d'adaptation à l'évolution du coût de la construction des montants des prêts accordés aux institutions universitaires en vertu de l'article 8bis, 1er alinéa, de la loi du 2 août 1960 ;
  43° l'arrêté royal du 14 mars 1975 fixant les conditions d'octroi de subventions en intérêts pour la construction de restaurants et de homes pour étudiants universitaires ;
  44° l'arrêté royal du 20 juin 1975 relatif aux titres suffisants dans l'enseignement gardien et primaire ;
  45° l'arrêté royal du 4 août 1975 relatif aux titres jugés suffisants dans les établissements libres subventionnés dispensant l'enseignement secondaire conformément à la loi du 19 juillet 1971 relative à la structure générale et à l'organisation de l'enseignement secondaire ;
  46° l'arrêté royal du 14 août 1975 portant exécution de la loi du 28 avril 1953 sur l'organisation de l'enseignement universitaire par l'Etat ;
  47° l'arrêté royal du 3 juin 1976 accordant dispense de la condition relative a la limite d'age à certains maitres de religion, professeurs de religion et inspecteurs de religion des religions catholique et protestante des établissements d'enseignement primaire, spécial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat ;
  48° l'arrêté royal du 8 juillet 1976 pris en application de l'article 40 de l'arrêté royal du 25 octobre 1971 fixant le statut des maîtres de religion, des professeurs de religion et des inspecteurs de religion des religions catholique et protestante des établissements d'enseignement primaire, spécial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat ;
  49° l'arrêté royal du 8 juillet 1976 pris en application de l'article 45 de l'arrêté royal du 25 octobre 1971 fixant le statut des maîtres de religion, des professeurs de religion et des inspecteurs de religion des religions catholique et protestante des établissements d'enseignement primaire, spécial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat ;
  50° l'arrêté royal du 31 décembre 1976 relatif au recouvrement des sommes payées indûment par les institutions universitaires de l'Etat ;
  51° l'arrêté royal du 15 avril 1977 portant création et fixant la structure d'un cours de pédagogie à l'Académie royale des Beaux-Arts d'Anvers ;
  52° l'arrêté royal du 31 mars 1977 réglant la situation de certains membres du personnel de l'enseignement de l'Etat ;
  53° l'arrêté royal du 15 avril 1977 étendant aux institutions universitaires de l'Etat les dispositions de l'arrêté royal du 13 mai 1975 réglant l'intervention de l'Etat et de certains organismes d'intérêt public dans les frais de transport des membres du personnel ;
  54° l'arrêté royal du 15 avril 1977 fixant les règles et les conditions de calcul du nombre d'emplois dans certaines fonctions du personnel auxiliaire d'éducation et du personnel administratif des établissements d'enseignement secondaire et d'enseignement supérieur, à l'exception de l'enseignement universitaire ;
  55° l'arrêté royal du 9 mars 1981 portant exécution de la loi du 2 août 1960 relative à l'intervention de l'Etat dans le financement des universités libres et des diverses institutions d'enseignement supérieur et de recherche scientifique ;
  56° l'arrêté royal du 9 juin 1981 fixant la procédure d'élection aux fonctions de recteur et de vice-recteur au "Rijksuniversitair Centrum Antwerpen" ;
  57° l'arrêté royal du 24 août 1981 modifiant l'arrêté royal du 13 août 1962 organique des centres psycho-médico-sociaux et des offices d'orientation scolaire et professionnelle ;
  58° l'arrêté royal du 6 novembre 1981 modifiant l'arrêté royal du 26 mars 1956 portant création d'une section de préparation à la profession de dessinateur-architecte à l'Institut national supérieur d'Architecture et d'Urbanisme d'Anvers ;
  59° l'arrêté royal n° 82 du 31 juillet 1982 relatif à l'assainissement des finances des institutions universitaires déficitaires ;
  60° l'arrêté royal du 15 décembre 1982 fixant les appellations et la structure des établissements d'enseignement secondaire de l'Etat ;
  61° l'arrêté royal n° 167 du 30 décembre 1982 relatif au financement des investissements universitaires ;
  62° l'article 3 de l'arrêté royal n° 184 du 30 décembre 1982 fixant la façon de déterminer, pour les Instituts d'enseignement spécial de l'Etat, les fonctions du personnel paramédical et du personnel attribué dans le cadre de leur internat ;
  63° l'arrêté royal du 9 mars 1983 portant exécution de la loi du 2 août 1960 relative à l'intervention de l'Etat dans le financement des universités libres et des diverses institutions d'enseignement supérieur et de recherche scientifique et fixant le taux d'intérêt pour la tranche 1981-1982 ;
  64° l'arrêté royal du 25 mai 1983 relatif au financement d'actions de démonstration de procédés, produits et équipements nouveaux d'utilisation rationnelle de l'énergie, réalisées à l'initiative des institutions universitaires ;
  65° l'arrêté royal du 7 décembre 1983 fixant les conditions d'octroi de subventions en intérêts pour la construction de restaurants et de homes pour étudiants universitaires à partir de 1980;
  66° l'arrêté royal n° 297 du 31 mars 1984 relatif aux charges, traitements, subventions-traitements et congés pour prestations réduites dans l'enseignement et les centres d'encadrement des élèves ;
  67° l'arrêté royal du 15 juin 1984 déterminant la forme et les règles de délivrance du certificat d'études de base ;
  68° l'arrêté royal du 8 août 1984 portant exécution de la loi du 24 décembre 1976 relative aux propositions budgétaires 1976-1977 ;
  69° l'arrêté royal du 18 décembre 1984 désignant les écoles de l'Etat et les groupes d'écoles de l'état qui sont des services de l'état à gestion séparée ;
  70° l'arrêté royal du 29 décembre 1984 relatif à la gestion financière et matérielle des services à gestion séparée de l'enseignement de l'Etat ;
  71° l'arrêté royal du 21 octobre 1985 relatif au congé pour mission et à la disponibilité pour mission spéciale des membres du personnel subventionnés des centres psycho-médico-sociaux subventionnés ;
  72° l'arrêté royal n° 455 du 10 septembre 1986 portant les mesures d'assainissement applicables à l'Hôpital universitaire de l'Université de l'Etat, à Gand ;
  73° les articles 6, 9 de l'arrêté royal n° 456 du 10 septembre 1986 portant rationalisation et programmation des internats de l'enseignement organisé ou subventionné par l'Etat ;
  74° l'arrêté royal n° 470 du 14 octobre 1986 fixant le pourcentage maximum des écarts entre le nombre total des emplois organiques et le nombre total des emplois budgétaires de certaines catégories du personnel de l'enseignement de l'Etat et de l'enseignement subventionné ;
  75° l'arrêté royal n° 471 du 24 octobre 1986 visant à limiter le nombre de congés pour mission ou de mises en disponibilité pour mission, accordés aux membres du personnel de l'enseignement et des centres psycho-médico-sociaux ;
  76° l'arrêté royal du 1 décembre 1986 portant désignation des établissements d'enseignement artistique de l'Etat qui sont des services de l'Etat à gestion séparée ;
  77° l'arrêté royal du 28 décembre 1987 désignant les internats de l'état et les homes de l'état qui sont des services de l'état à gestion séparée ;
  78° l'arrêté royal du 10 janvier 1989 portant la classification de certaines sections en exécution de l'article 6, § 2 de l'arrêté royal n° 64 du 20 juillet 1982 fixant les minima de population scolaire de certaines sections de l'enseignement néerlandophone de promotion sociale ;
  79° l'arrêté royal du 20 juillet 2005 modifiant diverses dispositions relatives à l'octroi et au paiement d'une prime syndicale à certains membres du personnel du secteur public ;
  80° le décret du 1 août 1978 portant certaines mesures favorisant la collaboration entre les institutions universitaires anversoises ;
  81° les articles 131, 188 du décret du 31 juillet 1990 relatif à l'enseignement-II ;
  82° le décret du 23 octobre 1991 modifiant les articles 19 et 108 du décret du 17 juillet 1991 relatif à l'inspection et aux services d'encadrement pédagogique ;
  83° les articles 15, 17, 18 du décret de finances pour l'année budgétaire 1992 ;
  84° les articles 29/1, 32, 59 du décret du 9 avril 1992 relatif à l'enseignement-III ;
  85° l'article 33 du décret du 15 décembre 1993 relatif à l'enseignement-V ;
  86° l'article 49 du décret du 21 décembre 1994 relatif à l'enseignement-VI ;
  87° l'article 15 du décret du 5 avril 1995 modifiant le décret du 12 juin 1991 relatif aux universités dans la Communauté flamande portant sur l'organisation d'une formation spécifique en médecine générale et sur d'autres dispositions relatives aux universités ;
  88° les articles 71, 92, 93 du décret du 8 juillet 1996 relatif à l'enseignement-VII ;
  89° l'article 18 du décret du 15 juillet 1997 relatif à l'enseignement-VIII ;
  90° l'article 4 du décret du 19 décembre 1997 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 1998 ;
  91° le décret du 19 décembre 1998 sanctionnant l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 septembre 1998 relatif aux profils professionnels des enseignants ;
  92° l'article 175 du décret du 18 mai 1999 relatif à l'enseignement-XI ;
  93° le décret du 8 juin 2000 portant des mesures urgentes relatives à la fonction d'enseignant ;
  94° l'article VI.8 du décret du 13 juillet 2001 relatif à l'enseignement XIII - Mosaïque ;
  95° l'article VIII.6 du décret du 28 juin 2002 relatif à l'égalité des chances en éducation-I ;
  96° les articles X.31 à X.34 du décret du 14 février 2003 relatif à l'enseignement-XIV ;
  97° l'article 8 du décret du 27 juin 2003 contenant diverses mesures d'accompagnement de l'ajustement du budget 2003 ;
  98° l'article IX.5 du décret du 7 juillet 2006 relatif à l'enseignement-XVI ;
  99° le décret du 14 juillet 2006 sanctionnant l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 juin 2006 relatif à l'organisation de projets temporaires dans l'enseignement fondamental et secondaire ;
  100° le décret du 9 mars 2007 sanctionnant l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 février 2007 relatif à l'organisation de projets temporaires pour la Formation de Formateurs d'Adultes ;
  101° les articles X.2, X.4, X.5 du décret du 22 juin 2007 relatif à l'enseignement-XVII ;
  102° le décret du 13 juillet 2007 sanctionnant l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 juin 2007 portant approbation de projets temporaires dans l'enseignement artistique à temps partiel à partir de l'année scolaire 2007-2008 ;
  103° le décret du 4 juillet 2008 relatif aux budgets de fonctionnement dans l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental du 25 février 1997 pour ce qui concerne les budgets de fonctionnement ;
  104° l'article XI.11 du décret du 4 juillet 2008 relatif à l'enseignement-XVIII ;
  105° le décret du 10 juillet 2008 sanctionnant l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 juin 2008 modifiant certains arrêtés du Gouvernement flamand relatifs aux projets temporaires dans l'enseignement fondamental et secondaire ;
  106° le décret du 10 juillet 2008 portant prolongation de certains des projets temporaires mentionnés dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 juin 2006 relatif à l'organisation de projets temporaires dans l'enseignement fondamental et secondaire ;
  107° le décret du 10 juillet 2008 portant diverses mesures urgentes relatives à l'enseignement artistique à temps partiel ;
  108° les articles X.1, X.2 du décret du 8 mai 2009 relatif à l'enseignement-XIX ;
  109° l'article 16 du décret du 18 décembre 2009 contenant diverses mesures d'accompagnement de l'ajustement du budget 2009 ;
  110° l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 décembre 1990 portant agrément comme établissement de crédit dans le cadre de l'article 18, § 1er, de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement, en vue du financement des investissements immobiliers dans l'enseignement officiel subventionné ;
  111° l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 octobre 1991 portant les mesures complémentaires requises pour régler le passage de l'ancien au nouveau régime, en ce qui concerne la représentation des catégories du personnel au conseil d'administration du "Limburgs Universitair Centrum" ;
  112° l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 novembre 1991 pris en exécution du décret du 21 décembre 1990 contenant le budget général des dépenses de la Communauté flamande pour l'année budgétaire 1991 et portant répartition des autorisations de prêt entre les universités ;
  113° l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 décembre 1991 relatif à l'octroi du crédit provisionnel 1991 pour les fonds spéciaux pour la recherche dans les institutions universitaires et les actions de recherche concertées ;
  114° l' arreté du Gouvernement flamand du 18 décembre 1991 portant le régime transitoire pour la collation du grade académique d'agrégé de l'enseignement supérieur, en exécution de l'article 201, alinéa deux, du décret du 12 juin 1991 relatif aux universités dans la Communauté flamande ;
  115° l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 février 1992 fixant le règlement de l'élection des membres du conseil d'administration de l'"Universiteit Gent" ;
  116° l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 mai 1992 fixant le règlement de l'élection des membres du conseil d'administration du "Universitair Centrum Antwerpen" ;
  117° l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 mai 1992 fixant les formations académiques qui ne sont organisées que par une seule université dans la Communauté flamande ;
  118° l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 juin 1992 fixant, pour les universités en Communauté flamande, le mode de calcul des points (unités capitalisables), les conditions minimales de report des cotes obtenues aux examens et les conditions auxquelles un programme annuel peut être complété par des subdivisions d'un programme annuel ultérieur ;
  119° l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 juillet 1992 portant financement de la tranche 1992 des fonds spéciaux pour la recherche aux institutions universitaires ;
  120° l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 octobre 1992 relatif à la mesure transitoire pour l'annéé académique 1992-1993 en matière des conditions d'admission à la formation académique d'ingénieur civil - architecte ;
  121° l'arrêté du Gouvernement flamand du 2 décembre 1992 relatif à la forme des diplômes conférant un grade académique ;
  122° l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 février 1993 relatif à l'organisation et au fonctionnement des jurys de la Communauté flamande pour l'enseignement académique ;
  123° l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 octobre 1994 fixant les dénominations des grades académiques de docteur ;
  124° l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 1995 relatif à la transformation des formations et options des instituts supérieurs en Communauté flamande ;
  125° l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 juillet 1995 relatif à l'organisation des examens dans les instituts supérieurs de la Communauté flamande ;
  126° l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 juillet 1996 sanctionnant les codes de fonctionnement des services d'encadrement pédagogique dans l'enseignement ;
  127° l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 octobre 1996 fixant la procédure et la forme pour l'assimilation des diplômes d'un grade scientifique aux diplômes d'un grade académique ;
  128° l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 décembre 1996 abrogeant les commissions de gestion du propre patrimoine et les commissions de surveillance de certains établissements d'enseignement supérieur artistique de l'ancien enseignement communautaire ;
  129° l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 décembre 1996 relatif à la forme des diplômes délivrés par les instituts supérieurs en Communauté flamande ;
  130° l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 juillet 1997 relatif à la transformation des formations des enseignants des instituts supérieurs en Communauté flamande ;
  131° l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 juillet 1997 relatif à la désignation des membres du personnel visés à l'article 182, § 1er, 3°, du décret du 13 juillet 1994 relatif aux instituts supérieurs en Communauté flamande ;
  132° l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 juillet 1997 fixant la procédure et les conditions d'octroi de subventions aux projets innovateurs de l'enseignement supérieur ;
  133° l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 décembre 1990 modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 décembre 1990 portant agrément comme établissement de crédit dans le cadre de l'article 18, § 1er, de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement, en vue du financement des investissements immobiliers dans l'enseignement libre subventionné ;
  134° l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 mai 1999 déterminant le statut administratif du commissaire-coordinateur auprès des instituts supérieurs en Communauté flamande ;
  135° l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 avril 1999 relatif à la répartition des personnels qui, au profit de l'enseignement secondaire, obtiennent un congé pour l'encadrement effectif de la formation et le soutien des centres d'enseignement ;
  136° l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 juillet 1999 portant appel aux candidats pour l'octroi d'un agrément et d'une subvention à une antenne néerlandaise comme deuxième langue ;
  137° l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 janvier 2000 portant organisation de l'examen d'admission aux formations de médecin et de dentiste en l'an 2000 ;
  138° l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 2000 relatif au transfert des personnels des centres psycho-médico-sociaux ou des centres d'inspection médicale scolaire aux centres d'encadrement des élèves ;
  139° l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juillet 2000 relatif à l'agrément d'une antenne universitaire Emploi, Travail et Formation ;
  140° l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 juillet 2000 relatif au transfert des dossiers d'élèves des centres P.M.S. et M.S.T. aux centres d'encadrement des élèves ;
  141° l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 octobre 2000 relatif à l'octroi de subventions aux universités flamandes en 2000 pour la réalisation d'activités d'interface ;
  142° l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 décembre 2000 prolongeant l'octroi de subventions aux initiatives coordonnées de coopération institutionnelle et pédagogique transfrontalière des instituts supérieurs flamands avec des partenaires provenant de régions auxquelles s'applique la politique dite " transfrontalière " ;
  143° l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 mai 2001 portant dérogation à la limitation de l'indice des prix à 75 % pour l'enseignement fondamental en Communauté flamande pour l'année budgétaire 2001 ;
  144° l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 octobre 2001 relatif à l'octroi de subventions aux universités flamandes en 2001 pour la réalisation d'activités d'interface ;
  145° l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 novembre 2001 transférant des crédits relatifs au transport scolaire pour l'année budgétaire 2001 ;
  146° l'arrêté du Gouvernement flamand du 30 novembre 2001 relatif à la revalorisation du réseau électronique des instituts supérieurs ;
  147° l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 mai 2002 fixant la dénomination des diplômes de maîtrise délivrés par la " Vrije Universiteit Brussel " pour l' " Instituut voor Europese Studies (IES) " (Institut d'Etudes européennes) ;
  148° l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 mai 2002 fixant la dénomination des diplômes de maîtrise délivrés par la " Confederale Universiteit Antwerpen " pour l' " Instituut voor Ontwikkelingsbeleid en -beheer (IOB) " (Institut interuniversitaire pour la Politique et la Gestion de Développement) ;
  149° l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 septembre 2002 relatif au fonctionnement de la commission consultative Projets de l'Enseignement supérieur artistique ;
  150° l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2002 relatif à la délibération adoptée en matière d'un différend ;
  151° l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 septembre 2002 fixant la procédure et les conditions d'allocation de moyens supplémentaires aux universités flamandes dans l'année budgétaire 2002 et fixant la forme et le contenu des protocoles d'accord ;
  152° l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 février 2003 réglant la situation des membres du personnel de l'enseignement qui, pendant l'année scolaire 2002-2003, dans les établissements de l'enseignement communautaire en Allemagne, sont en disponibilité ou sont mis en disponibilité par défaut d'emploi ;
  153° l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 septembre 2003 fixant définitivement la situation des personnels de l'enseignement employés dans les établissements de l'enseignement communautaire en Allemagne ;
  154° l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 février 2004 établissant la liste des formations de bachelor et de master dans l'enseignement supérieur en Flandre ;
  155° l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 mars 2004 relatif au projet temporaire 'appui de la gestion de l'encadrement renforcé' dans les centres d'encadrement des élèves ;
  156° l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 juin 2004 relatif au règlement du mode de justification de l'emploi d'une autre langue d'enseignement que le néerlandais ;
  157° l'arrêté du Gouvernement flamand du 25 juin 2004 relatif au pourcentage d'utilisation des périodes supplémentaires du capital-périodes d'enseignement prioritaire dans l'enseignement secondaire spécial pour l'année scolaire 2004-2005 ;
  158° l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juillet 2004 portant entrée en vigueur anticipée de certaines dispositions du décret du 30 avril 2004 relatif à la flexibilisation de l'enseignement supérieur en Flandre et portant des mesures urgentes en matière d'enseignement supérieur à l'égard de certaines institutions d'enseignement supérieur ;
  159° l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juillet 2004 relatif au programme d'études expérimental dans l'enseignement secondaire à temps plein à Bruxelles ;
  160° l'arrêté du Gouvernement flamand du 25 mars 2005 relatif au projet " Huis van het Nederlands " (Maison du néerlandais) ;
  161° l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 juillet 2005 fixant l'accréditation temporaire de transition de certaines formations d'instituts supérieurs ;
  162° l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 avril 2006 fixant l'accréditation de transition de certaines formations universitaires ;
  163° l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 juillet 2006 modifiant l'annexe à l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 février 2004 établissant la liste des formations de bachelor et de master dans l'enseignement supérieur en Flandre ;
  164° l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 décembre 2006 portant second ajustement de l'accréditation de transition de certaines formations universitaires ;
  165° l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 février 2007 modifiant l'annexe à l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 février 2004 établissant la liste des formations de bachelor et de master dans l'enseignement supérieur en Flandre ;
  166° l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 mai 2007 portant deuxième ajustement de l'accréditation de transition de certaines formations supérieures dispensées par les instituts supérieurs ;
  167° l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 novembre 2007 portant troisième adaptation de l'accréditation de transition de certaines formations d'instituts supérieurs ;
  168° l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 mars 2008 fixant la méthodologie et les critères de l'évaluation de l'avancement pour les formations à orientation académique des instituts supérieurs en Flandre ;
  169° l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 mars 2008 portant création d'organes de concertation contribuant à une participation optimale de la Communauté flamande au programme d'action européen Apprentissage tout au long de la Vie ;
  170° l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 mai 2008 approuvant la programmation de subdivisions structurelles spécifiques du deuxième ou troisième degré ou d'une nouvelle discipline d'écoles appartenant ou non à un centre d'enseignement ;
  171° l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 juin 2008 fixant un modèle de convention entre le Gouvernement flamand et les réseaux d'expertise et plateformes régionales dans le cadre des formations des enseignants en Flandre ;
  172° l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 juillet 2008 établissant une liste des indicateurs généraux de résultats pour le Fonds d'encouragement enseignement supérieur pour la période 2008-2011 ;
  173° l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 juillet 2008 relatif à des projets de diversité dans les formations des enseignants ;
  174° l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 octobre 2008 relatif à l'intervention pour l'année budgétaire 2007 aux directions des centres d'éducation des adultes et des centres d'éducation de base dans l'enseignement libre subventionné, concernant le contrôle financier ;
  175° l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 juin 2008 portant agrément temporaire de la formation de 'bachelor in de rechten' (bachelor en droit) de la 'Katholieke Universiteit Brussel', organisée en commun avec la 'Katholieke Universiteit Leuven' ;
  176° l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juillet 2008 portant agrément temporaire de la formation de `bachelor in de journalistiek' (bachelor en journalisme) du `XIOS Hogeschool Limburg' ;
  177° l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juillet 2008 portant agrément temporaire de la formation de "bachelor in het communicatiemanagement" (bachelor en gestion de la communication) du "XIOS Hogeschool Limburg " ;
  178° l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 juillet 2008 portant agrément temporaire de la formation `Master of Human Ecology' de la `Vrije Universiteit Brussel' ;
  179° l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 novembre 2008 relatif à l'agrément et au subventionnement comme centre d'éducation de base pour l'année scolaire 2008-2009 ;
  180° l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 mars 2009 portant agrément temporaire de la formation de `bachelor in de vroedkunde' (bachelor en obstétrique) de la ' Artesis Hogeschool Antwerpen ` ;
  181° l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 mars 2009 portant agrément temporaire de la formation de `bachelor in de verpleegkunde' (bachelor en nursing) de la 'Artesis Hogeschool Antwerpen' ;
  182° l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 avril 2009 approuvant la programmation de subdivisions structurelles spécifiques du deuxième ou troisième degré ou d'une nouvelle discipline d'écoles appartenant ou non à un centre d'enseignement ;
  183° l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 mai 2009 portant quatrième adaptation des accréditations de transition de certaines formations d'instituts supérieurs ;
  184° l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juillet 2009 portant agrément de la formation de master après master 'master in de internationale betrekkingen en de diplomatie' de l' 'Universiteit Antwerpen' ;
  185° l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 septembre 2009 portant adaptation de l'accréditation de transition de la formation 'master in de ingenieurswetenschappen : biomedische ingenieurstechnieken' ;
  186° l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 septembre 2009 portant agrément temporaire de la formation de master après master 'master in de actuariële wetenschappen' de la 'Vrije Universiteit Brussel' ;
  187° l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 novembre 2010 modifiant l'annexe à l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 juin 2007 établissant la liste des formations de bachelor et de master et des orientations diplômantes au sein d'une formation de master comportant un titre supplémentaire ;
  188° l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 décembre 2010 relatif à l'octroi de subventions aux réseaux d'expertise et à la plateforme régionale dans le cadre des formations des enseignants en Flandre ;
  189° l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 décembre 2010 fixant la croissance maximale de l'éducation des adultes et de l'éducation de base pour l'année scolaire 2009-2010 et l'année scolaire 2010-2011 ;
  190° l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juin 2011 fixant la croissance maximale de l'éducation de base et de l'éducation des adultes pour l'année scolaire 2011-2012 ;
  191° l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 septembre 2011 relatif à l'innovation dans les formations des enseignants ;
  192° l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2011 relatif au subventionnement des parcours préalables au sein du système d'apprentissage et de travail en Communauté flamande ;
  193° l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 juin 2012 fixant la croissance maximale pour les centres d'éducation de base et les centres d'éducation des adultes, y compris une utilisation restrictive des périodes/enseignant pour les formations 'NT2' dispensées auprès de quatre centres d'éducation des adultes pour l'année scolaire 2012-2013 ;
  194° l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 avril 2012 relatif à l'organisation de projets pilotes en préparation à la réforme de l'enseignement artistique à temps partiel 2012-2014 ;
  195° l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 juillet 2012 relatif à la commission d'évaluation du fonctionnement des services d'encadrement pédagogique, des cellules permanentes d'appui et du " Samenwerkingsverband Netgebonden Pedagogische Begeleidingsdiensten " ;
  196° l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 octobre 2012 relatif au subventionnement de parcours préalables au sein du système d'apprentissage et de travail en Communauté flamande pour l'année scolaire 2012-2013 ;
  197° l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 octobre 2012 relatif à l'intervention pour l'année budgétaire 2012 aux autorités scolaires et aux autorités des centres d'éducation des adultes et des centres d'éducation de base dans l'enseignement libre subventionné, concernant le contrôle financier de l'exercice 2011 ;
  198° l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 mai 2013 fixant le pourcentage du volume des subdivisions de formation dispensées dans une langue d'enseignement autre que le néerlandais, tel que visé à l'article 91sexies, § 2, du décret du 4 avril 2003 relatif à la restructuration de l'enseignement supérieur en Flandre ;
  199° l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 septembre 2013 relatif à la détermination de l'allocation de mobilité par catégorie sur avis du " Vlaamse Erasmuscomité " 2013-2014 ;
  200° l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 novembre 2013 relatif à l'intervention pour l'année budgétaire 2013 aux autorités scolaires et aux autorités des centres d'éducation des adultes et des centres d'éducation de base dans l'enseignement libre subventionné, concernant le contrôle financier de l'exercice 2012 ;
  201° l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 décembre 2014 relatif à l'octroi d'une subvention pour les heures d'interprétation en Langage gestuel flamand pour l'enseignement secondaire, l'enseignement supérieur et l'éducation des adultes en 2012-2013 et 2013-2014.
Art. 5. Dit decreet treedt in werking op 1 januari 2017.
Art. 5. Le présent décret entre en vigueur le 1 janvier 2017.