Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
23 DECEMBER 2016. - Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2017(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 29-12-2016 en tekstbijwerking tot 29-05-2019)
Titre
23 DECEMBRE 2016. - Décret contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2017(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 29-12-2016 et mise à jour au 29-05-2019)
Dokumentinformationen
Info du document
Inhoud
HOOFDSTUK 1. - Algemeen
HOOFDSTUK 2. - Economie, Wetenschap en Innovatie
Afdeling 1. - Fonds voor het Wetenschaps- en In...
Afdeling 2. - Fonds voor de verwerving, het beh...
Afdeling 3. - Fonds winstuitkering LRM
HOOFDSTUK 3. - Werk en Sociale Economie
Afdeling 1. - Schrapping van de bepalingen met ...
HOOFDSTUK 4. - Kanselarij en Bestuur
Afdeling 1. - Machtiging vervreemding domeingoe...
HOOFDSTUK 5. - Energie
Afdeling 1. - Wijzigingen aan titel XIII van he...
HOOFDSTUK 6. - Leefmilieu en Natuur
Afdeling 1. - Uitbreiding uitgavenkader Vlaams ...
Afdeling 2. - Wijzigingsvoorstel onvergunde loz...
Afdeling 3. - Modal shift afvaltransport
HOOFDSTUK 7. - Welzijn, Volksgezondheid en Gezin
Afdeling 1. - Opschorting van de premie met bet...
Afdeling 2. - Niet-indexering van de gezinsbijs...
HOOFDSTUK 8. - Cultuur, Jeugd, Sport en Media
Afdeling 1. - Aanpassing decreet betreffende de...
Afdeling 2. - Politieke jongerenbewegingen
Afdeling 3. - Opheffing Eigen Vermogen Frans Ma...
HOOFDSTUK 9. - Onderwijs en Vorming
Afdeling 1. - Werkingsmiddelen basisonderwijs g...
Afdeling 2. - Bevriezen - integratietoelage bas...
Afdeling 3. - Werkingsmiddelen secundair onderw...
Afdeling 4. - Integratietoelage secundair onder...
Afdeling 5. - Indexeren lineaire bijstelling va...
Afdeling 6. - Uitbreiding toepassingsgebied fon...
Afdeling 7. - Bestendiging middelen bijkomende ...
Afdeling 8. - Bijkomende middelen praktijkgeric...
Afdeling 9. - Aanpassing bijdrage wettelijke en...
Afdeling 10. - Opheffen van het Fonds MOD Onder...
Afdeling 11. - Inhaalbeweging in de schoolinfra...
Afdeling 12. - Verlenging bijkomende middelen i...
Afdeling 13. - Kinderdagverblijven van het geme...
Afdeling 14. - Middelenfonds
HOOFDSTUK 10. - Financiën en Begroting
Afdeling 1. - Vermindering van de onroerende vo...
Afdeling 2. - Wijziging aan bepaalde vrijstelli...
Afdeling 3. - Verlaging van de belastingverhogi...
Afdeling 4. - Fonds met betrekking tot de audit...
Afdeling 5. - Winwinlening
Afdeling 6. - Belastingvermindering voor dakiso...
Afdeling 7. - Bevriezing index subsidies
HOOFDSTUK 11. - Inwerkingtreding
Inhoud
CHAPITRE 1er. - Généralités
CHAPITRE 2. - Economie, Science et Innovation
Section 1re. - Fonds pour la Politique en matiè...
Section 2. - Fonds pour l'acquisition, la gesti...
Section 3. - Fonds de paiement de dividendes LRM
CHAPITRE 3. - Emploi et Economie sociale
Section 1re. - Suppression des dispositions rel...
CHAPITRE 4. - Chancellerie et Gouvernance publique
Section 1re. - Autorisation d'aliénation d'imme...
CHAPITRE 5. - Energie
Section 1re. - Modifications au titre XIII du d...
CHAPITRE 6. - Environnement et Nature
Section 1re. - Extension du cadre de dépenses "...
Section 2. - Proposition de modification dévers...
Section 3. - Transfert modal transport des déchets
CHAPITRE 7. - Bien-Etre, Santé publique et Famille
Section 1re. - Suspension de la prime relative ...
Section 2. - Non indexation de l'allocation fam...
CHAPITRE 8. - Culture, Jeunesse, Sport et Médias
Section 1re. - Adaptation du décret du 22 décem...
Section 2. - Mouvements politiques de jeunes
Section 3. - Abrogation Fonds propres Centre Fr...
CHAPITRE 9. - Enseignement et Formation
Section 1re. - Moyens de fonctionnement de l'en...
Section 2. - Gel de la subvention d'intégration...
Section 3. - Moyens de fonctionnement enseignem...
Section 4. - Subvention d'intégration enseignem...
Section 5. - Indexation ajustement linéaire des...
Section 6. - Extension champ d'application fond...
Section 7. - Continuité des moyens pour le fina...
Section 8. - Moyens supplémentaires recherche s...
Section 9. - Adaptation contribution cotisation...
Section 10. - Abrogation du " Fonds MOD Onderwi...
Section 11. - Mouvement de rattrapage pour l'in...
Section 12. - Prolongation moyens supplémentair...
Section 13. - Garderies de l'enseignement commu...
Section 14. - " Middelenfonds " (Fonds des moyens)
CHAPITRE 10. - Finances et Budget
Section 1re. - Diminution du précompte immobili...
Section 2. - Modification de certains régimes d...
Section 3. - Diminution de l'augmentation d'imp...
Section 4. - Fonds relatif aux audits dans le c...
Section 5. - Prêt Gagnant-Gagnant
Section 6. - Réduction des impôts pour l'isolat...
Section 7. - Gel de l'indice pour les subventions
CHAPITRE 11. - Entrée en vigueur
Tekst (94)
Texte (94)
HOOFDSTUK 1. - Algemeen
CHAPITRE 1er. - Généralités
Artikel 1. Dit decreet regelt een gemeenschaps- en gewestaangelegenheid.
Article 1er. Le présent décret règle une matière communautaire et régionale.
HOOFDSTUK 2. - Economie, Wetenschap en Innovatie
CHAPITRE 2. - Economie, Science et Innovation
Afdeling 1. - Fonds voor het Wetenschaps- en Innovatiebeleid
Section 1re. - Fonds pour la Politique en matière de Sciences et d'Innovation.
Art. 2. In artikel 5 van het decreet van 22 november 1995 houdende aanpassing van de begroting 1995 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 worden de woorden "de Programmatie van het Wetenschapsbeleid" vervangen door de woorden "het Wetenschaps- en Innovatiebeleid";
2° in paragraaf 2, a), worden de woorden "Administratie Programmatie van het Wetenschapsbeleid" vervangen door de woorden "het Departement EWI";
3° in paragraaf 2, b), worden tussen de woorden "wetenschappelijk onderzoek" en de woorden "alsmede van publicaties over de valorisatie van het wetenschappelijk onderzoek" de woorden "en het innovatiebeleid van bedrijven en overheid" ingevoegd;
4° in paragraaf 2, c), worden de woorden "de administratie Programmatie Wetenschapsbeleid" vervangen door de woorden "het Departement EWI";
5° aan paragraaf 2 wordt een punt e) toegevoegd, dat luidt als volgt:
"e) het naar 2017 over te dragen saldo beschikbaar op 31 december 2016 op de begroting van de VRWI ad 762.000 euro.";
6° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt:
" § 3. De kredieten van het Fonds voor het Wetenschaps- en Innovatiebeleid worden aangewend voor:
a) al wat kan dienen in het kader van activiteiten met betrekking tot initiatieven ter bevordering van het wetenschappelijk onderzoek en de innovatie bij bedrijven en onderzoeksinstellingen en de informatie over dit onderzoek, het wetenschapsbeleid en innovatiebeleid, met uitzondering evenwel van de loon- en werkingskosten van de diensten van de Vlaamse Gemeenschap;
b) studies, onderzoeksprojecten en wetenschappelijke werkgroepen in het kader van transitietrajecten Visie 2050.''.
1° in paragraaf 1 worden de woorden "de Programmatie van het Wetenschapsbeleid" vervangen door de woorden "het Wetenschaps- en Innovatiebeleid";
2° in paragraaf 2, a), worden de woorden "Administratie Programmatie van het Wetenschapsbeleid" vervangen door de woorden "het Departement EWI";
3° in paragraaf 2, b), worden tussen de woorden "wetenschappelijk onderzoek" en de woorden "alsmede van publicaties over de valorisatie van het wetenschappelijk onderzoek" de woorden "en het innovatiebeleid van bedrijven en overheid" ingevoegd;
4° in paragraaf 2, c), worden de woorden "de administratie Programmatie Wetenschapsbeleid" vervangen door de woorden "het Departement EWI";
5° aan paragraaf 2 wordt een punt e) toegevoegd, dat luidt als volgt:
"e) het naar 2017 over te dragen saldo beschikbaar op 31 december 2016 op de begroting van de VRWI ad 762.000 euro.";
6° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt:
" § 3. De kredieten van het Fonds voor het Wetenschaps- en Innovatiebeleid worden aangewend voor:
a) al wat kan dienen in het kader van activiteiten met betrekking tot initiatieven ter bevordering van het wetenschappelijk onderzoek en de innovatie bij bedrijven en onderzoeksinstellingen en de informatie over dit onderzoek, het wetenschapsbeleid en innovatiebeleid, met uitzondering evenwel van de loon- en werkingskosten van de diensten van de Vlaamse Gemeenschap;
b) studies, onderzoeksprojecten en wetenschappelijke werkgroepen in het kader van transitietrajecten Visie 2050.''.
Art. 2. A l'article 5 du décret du 22 novembre 1995 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 1995, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, les mots " Programmation de la Politique scientifique " sont remplacés par les mots " Politique en matière de Sciences et d'Innovation " ;
2° dans le paragraphe 2, a) les mots " Administration de la Programmation de la Politique scientifique " sont remplacés par les mots " le Département EWI " ;
3° dans le paragraphe 2, b) les mots " , de la politique d'innovation d'entreprises et des pouvoirs publics " sont insérés entre les mots " de la recherche scientifique " et les mots " et de la valorisation de la recherche scientifique " ;
4° dans le paragraphe 2, c) les mots " la " Administratie Programmatie Wetenschapsbeleid " " sont remplacés par les mots " le Département EWI " ;
5° le paragraphe 2, est complété par un point e), rédigé comme suit :
" e) au solde disponible le 31 décembre 2016 au budget du Conseil flamand pour la Science et l'Innovation à 762.000 euros, à reporter à 2017. " ;
6° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Les crédits du Fonds pour la Politique en matière de Sciences et d'Innovation sont affectés à :
a) toute fin utile dans le cadre d'activités relatives aux initiatives de promotion de la recherche scientifique et de l'innovation auprès des entreprises et des institutions de recherche ainsi que de l'information relative à cette recherche, à la politique scientifique et à la politique d'innovation, à l'exception toutefois des charges salariales et des frais de fonctionnement des services de la Communauté flamande ;
b) des études, projets de recherche et groupes de travail scientifiques dans le cadre de parcours de transition " Visie 2050 ".
1° dans le paragraphe 1er, les mots " Programmation de la Politique scientifique " sont remplacés par les mots " Politique en matière de Sciences et d'Innovation " ;
2° dans le paragraphe 2, a) les mots " Administration de la Programmation de la Politique scientifique " sont remplacés par les mots " le Département EWI " ;
3° dans le paragraphe 2, b) les mots " , de la politique d'innovation d'entreprises et des pouvoirs publics " sont insérés entre les mots " de la recherche scientifique " et les mots " et de la valorisation de la recherche scientifique " ;
4° dans le paragraphe 2, c) les mots " la " Administratie Programmatie Wetenschapsbeleid " " sont remplacés par les mots " le Département EWI " ;
5° le paragraphe 2, est complété par un point e), rédigé comme suit :
" e) au solde disponible le 31 décembre 2016 au budget du Conseil flamand pour la Science et l'Innovation à 762.000 euros, à reporter à 2017. " ;
6° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Les crédits du Fonds pour la Politique en matière de Sciences et d'Innovation sont affectés à :
a) toute fin utile dans le cadre d'activités relatives aux initiatives de promotion de la recherche scientifique et de l'innovation auprès des entreprises et des institutions de recherche ainsi que de l'information relative à cette recherche, à la politique scientifique et à la politique d'innovation, à l'exception toutefois des charges salariales et des frais de fonctionnement des services de la Communauté flamande ;
b) des études, projets de recherche et groupes de travail scientifiques dans le cadre de parcours de transition " Visie 2050 ".
Afdeling 2. - Fonds voor de verwerving, het beheer en de vervreemding van onroerende goederen
Section 2. - Fonds pour l'acquisition, la gestion et l'aliénation de biens immobiliers
Art. 3. In artikel 102 van het decreet van 18 december 2009 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2010 worden de paragrafen 2 tot en met 4 opgeheven.
Art. 3. Dans l'article 102 du décret du 18 décembre 2009 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2010, les paragraphes 2 à 4 sont abrogés.
Afdeling 3. - Fonds winstuitkering LRM
Section 3. - Fonds de paiement de dividendes LRM
Art. 4. In artikel 35 van het decreet van 18 december 2015 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2016 worden de woorden "met een maximum van 10 miljoen euro" opgeheven.
Art. 4. Dans l'article 35 du décret du 18 décembre 2015 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2016, les mots " à concurrence de 10 millions euros au maximum " sont abrogés.
HOOFDSTUK 3. - Werk en Sociale Economie
CHAPITRE 3. - Emploi et Economie sociale
Afdeling 1. - Schrapping van de bepalingen met betrekking tot standaard doorlooptijd en financieringsvoorwaarden van het ondersteuningsorgaan voor de sociale economie
Section 1re. - Suppression des dispositions relatives au délai de procédure standard et aux conditions de financement de l'organe d'appui pour l'économie sociale
Art. 5. In artikel 9 van het decreet van 17 februari 2012 betreffende de ondersteuning van het ondernemerschap op het vlak van de sociale economie en de stimulering van het maatschappelijk verantwoord ondernemen worden paragraaf 3 en paragraaf 6 opgeheven.
Art. 5. Dans l'article 9 du décret du 17 février 2012 relatif à l'appui à l'entrepreneuriat dans le domaine de l'économie sociale et à la stimulation de l'entrepreneuriat socialement responsable, les paragraphes 3 et 6 sont abrogés.
Art. 6. Artikel 10 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.
Art. 6. L'article 10 du même décret est abrogé.
HOOFDSTUK 4. - Kanselarij en Bestuur
CHAPITRE 4. - Chancellerie et Gouvernance publique
Afdeling 1. - Machtiging vervreemding domeingoederen door Vlaamse Regering
Section 1re. - Autorisation d'aliénation d'immeubles domaniaux par le Gouvernement flamand
Art. 7. In afwijking van de wet van 31 mei 1923 betreffende de vervreemding van onroerende domeingoederen, gewijzigd bij de wetten van 2 juli 1969 en 6 juli 1989 en van overeenkomstige toepassing verklaard op de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest bij artikel 22 van het decreet van 20 december 1989 houdende bepalingen tot uitvoering van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap, wordt de Vlaamse Regering ertoe gemachtigd onroerende domeingoederen, ongeacht de geschatte waarde ervan, uit de hand of bij wijze van ruiling te vervreemden of er zakelijke rechten op te vestigen. Die machtiging geldt enkel voor het jaar 2017 en blijft van toepassing op de beslissingen tot vervreemding van of vestiging van zakelijke rechten op onroerende domeingoederen die gedurende het jaar 2017 zijn getroffen en die op 31 december 2017 nog niet zijn uitgevoerd.
De voorwaarden tot overdracht worden bepaald door de Vlaamse Regering.
De voorwaarden tot overdracht worden bepaald door de Vlaamse Regering.
Art. 7. Par dérogation à la loi du 31 mai 1923 relative à l'aliénation d'immeubles domaniaux, modifiée en dernier lieu par les lois des 2 juillet 1969 et 6 juillet 1989 et déclarée applicable par analogie à la Communauté flamande et à la Région flamande par l'article 22 du décret du 20 décembre 1989 contenant des dispositions d'exécution du budget de la Communauté flamande, le Gouvernement flamand est autorisé à aliéner, de gré à gré ou par voie d'échange, des immeubles domaniaux, quelle qu'en soit la valeur, et constituer des droits réels sur ces biens. Cette autorisation s'applique uniquement pour l'année 2017 et reste d'application sur les décisions d'aliénation ou d'établissement de droits réels sur des immeubles domaniaux qui sont prises au cours de l'année 2017 et qui ne sont pas encore effectuées le 31 décembre 2017.
Les conditions de transfert sont définies par le Gouvernement flamand.
Les conditions de transfert sont définies par le Gouvernement flamand.
HOOFDSTUK 5. - Energie
CHAPITRE 5. - Energie
Afdeling 1. - Wijzigingen aan titel XIII van het Energiedecreet van 8 mei 2009
Section 1re. - Modifications au titre XIII du décret sur l'Energie du 8 mai 2009
Art. 8. In titel XIII van het Energiedecreet van 8 mei 2009, wordt hoofdstuk V, opgeheven bij het decreet van 14 februari 2014, opnieuw opgenomen in de volgende lezing:
"Hoofdstuk V. Administratieve sancties opgelegd door de Vlaamse Belastingdienst
Art. 13.5.1. § 1. Bij niet-naleving van de door de Vlaamse Regering in toepassing van artikel 14.2.2 opgelegde eisen inzake de consistentie, volledigheid en accuraatheid van de te rapporteren gegevens, kan de Vlaamse Belastingdienst de toegangshouder een administratieve geldboete opleggen die niet lager is dan 150 euro, en niet hoger dan 20.000 euro.
§ 2. Bij niet-naleving van de in toepassing van artikel 14.2.2 opgelegde rapporterings- of betaaltermijn kan de Vlaamse Belastingdienst de toegangshouder een administratieve geldboete opleggen van 250 euro per kalenderdag vertraging.
§ 3. De betrokkene wordt van de beslissing tot het opleggen van de administratieve geldboete, vermeld in paragraaf 1 en 2, in kennis gesteld met een aangetekende brief met bericht van ontvangst. De kennisgeving vermeldt het bedrag van de administratieve geldboete.
§ 4. De betrokkene kan tegen het opleggen van de administratieve geldboete bezwaar indienen bij de Vlaamse Belastingdienst. Het bezwaar moet worden gemotiveerd en op straffe van verval worden ingediend binnen zestig kalenderdagen na de kennisgeving van de administratieve geldboete.
§ 5. De administratieve geldboete moet worden betaald binnen zestig kalenderdagen na de kennisgeving ervan, of indien bezwaar is ingediend, binnen zestig kalenderdagen na de beslissing omtrent het bezwaar.
§ 6. De vordering tot betaling van de administratieve geldboete verjaart na verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf de dag waarop ze is ontstaan.
De verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden, die bepaald zijn in artikel 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.
§ 7. Bij gebrek aan voldoening van de administratieve geldboete en toebehoren wordt een dwangschrift uitgevaardigd, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door het bevoegde personeelslid van de Vlaamse Belastingdienst.
§ 8. Op basis van dat dwangschrift kan via gerechtsdeurwaardersexploot een dwangbevel betekend worden.
§ 9. Binnen een termijn van dertig dagen na de betekening van het dwangbevel kan de belastingschuldige bij gerechtsdeurwaardersexploot een met redenen omkleed verzet aantekenen, houdende dagvaarding van het Vlaamse Gewest, bij de rechtbank van eerste aanleg van de plaats waar de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie die de administratieve geldboete moet innen, is gevestigd.".
"Hoofdstuk V. Administratieve sancties opgelegd door de Vlaamse Belastingdienst
Art. 13.5.1. § 1. Bij niet-naleving van de door de Vlaamse Regering in toepassing van artikel 14.2.2 opgelegde eisen inzake de consistentie, volledigheid en accuraatheid van de te rapporteren gegevens, kan de Vlaamse Belastingdienst de toegangshouder een administratieve geldboete opleggen die niet lager is dan 150 euro, en niet hoger dan 20.000 euro.
§ 2. Bij niet-naleving van de in toepassing van artikel 14.2.2 opgelegde rapporterings- of betaaltermijn kan de Vlaamse Belastingdienst de toegangshouder een administratieve geldboete opleggen van 250 euro per kalenderdag vertraging.
§ 3. De betrokkene wordt van de beslissing tot het opleggen van de administratieve geldboete, vermeld in paragraaf 1 en 2, in kennis gesteld met een aangetekende brief met bericht van ontvangst. De kennisgeving vermeldt het bedrag van de administratieve geldboete.
§ 4. De betrokkene kan tegen het opleggen van de administratieve geldboete bezwaar indienen bij de Vlaamse Belastingdienst. Het bezwaar moet worden gemotiveerd en op straffe van verval worden ingediend binnen zestig kalenderdagen na de kennisgeving van de administratieve geldboete.
§ 5. De administratieve geldboete moet worden betaald binnen zestig kalenderdagen na de kennisgeving ervan, of indien bezwaar is ingediend, binnen zestig kalenderdagen na de beslissing omtrent het bezwaar.
§ 6. De vordering tot betaling van de administratieve geldboete verjaart na verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf de dag waarop ze is ontstaan.
De verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden, die bepaald zijn in artikel 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.
§ 7. Bij gebrek aan voldoening van de administratieve geldboete en toebehoren wordt een dwangschrift uitgevaardigd, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door het bevoegde personeelslid van de Vlaamse Belastingdienst.
§ 8. Op basis van dat dwangschrift kan via gerechtsdeurwaardersexploot een dwangbevel betekend worden.
§ 9. Binnen een termijn van dertig dagen na de betekening van het dwangbevel kan de belastingschuldige bij gerechtsdeurwaardersexploot een met redenen omkleed verzet aantekenen, houdende dagvaarding van het Vlaamse Gewest, bij de rechtbank van eerste aanleg van de plaats waar de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie die de administratieve geldboete moet innen, is gevestigd.".
Art. 8. Dans le titre XIII du décret sur l'Energie du 8 mai 2009, le chapitre V, abrogé par le décret du 14 février 2014, est rétabli dans la rédaction suivante :
" Chapitre V. Sanctions administratives imposées par le Service flamand des Impôts
Art. 13.5.1. § 1er. En cas de non-respect des exigences imposées par le Gouvernement flamand en application de l'article 14.2.2, relatives au caractère correct, complet et consistant des données à déclarer, le Service flamand des Impôts peut imposer au titulaire d'accès une amende administrative qui n'est ni inférieure à 150 euros, ni supérieure à 20.000 euros.
§ 2. En cas de non-respect du délai de déclaration ou de paiement imposé en application de l'article 14.2.2, le Service flamand des Impôts peut imposer au titulaire d'accès une amende administrative de 250 euros par jour calendaire de retard.
§ 3. L'intéressé est informé de la décision d'imposition d'une amende administrative, visée aux paragraphes 1er et 2, par lettre recommandée contre récépissé. La notification indique le montant de l'amende administrative.
§ 4. L'intéressé peut déposer une réclamation auprès du Service flamand des Impôts contre l'imposition de l'amende administrative. La réclamation doit être motivée et, sous peine de déchéance, être déposée dans les soixante jours calendaires après la notification de l'amende administrative.
§ 5. L'amende administrative doit être payée dans les soixante jours calendaires après sa notification ou, en cas d'introduction d'une réclamation, dans les soixante jours calendaires après la décision relative à la réclamation.
§ 6. La demande en paiement de l'amende administrative se prescrit après cinq ans, à compter du jour où elle est née.
La prescription est interrompue selon le mode et aux conditions fixés à l'article 2244 et suivants du Code civil.
§ 7. A défaut de paiement de l'amende administrative et des accessoires, une contrainte est émise, visée et déclarée exécutoire par le membre du personnel compétent du Service flamand des Impôts.
§ 8. Sur la base de cette contrainte, un commandement peut être signifié par exploit d'huissier de justice.
§ 9. Dans un délai de trente jours à compter de la signification du commandement, le redevable peut, par exploit d'huissier, introduire une opposition motivée portant citation de la Région flamande, auprès du tribunal de première instance du lieu où se situe l'entité compétente de l'administration flamande qui doit percevoir l'amende administrative. ".
" Chapitre V. Sanctions administratives imposées par le Service flamand des Impôts
Art. 13.5.1. § 1er. En cas de non-respect des exigences imposées par le Gouvernement flamand en application de l'article 14.2.2, relatives au caractère correct, complet et consistant des données à déclarer, le Service flamand des Impôts peut imposer au titulaire d'accès une amende administrative qui n'est ni inférieure à 150 euros, ni supérieure à 20.000 euros.
§ 2. En cas de non-respect du délai de déclaration ou de paiement imposé en application de l'article 14.2.2, le Service flamand des Impôts peut imposer au titulaire d'accès une amende administrative de 250 euros par jour calendaire de retard.
§ 3. L'intéressé est informé de la décision d'imposition d'une amende administrative, visée aux paragraphes 1er et 2, par lettre recommandée contre récépissé. La notification indique le montant de l'amende administrative.
§ 4. L'intéressé peut déposer une réclamation auprès du Service flamand des Impôts contre l'imposition de l'amende administrative. La réclamation doit être motivée et, sous peine de déchéance, être déposée dans les soixante jours calendaires après la notification de l'amende administrative.
§ 5. L'amende administrative doit être payée dans les soixante jours calendaires après sa notification ou, en cas d'introduction d'une réclamation, dans les soixante jours calendaires après la décision relative à la réclamation.
§ 6. La demande en paiement de l'amende administrative se prescrit après cinq ans, à compter du jour où elle est née.
La prescription est interrompue selon le mode et aux conditions fixés à l'article 2244 et suivants du Code civil.
§ 7. A défaut de paiement de l'amende administrative et des accessoires, une contrainte est émise, visée et déclarée exécutoire par le membre du personnel compétent du Service flamand des Impôts.
§ 8. Sur la base de cette contrainte, un commandement peut être signifié par exploit d'huissier de justice.
§ 9. Dans un délai de trente jours à compter de la signification du commandement, le redevable peut, par exploit d'huissier, introduire une opposition motivée portant citation de la Région flamande, auprès du tribunal de première instance du lieu où se situe l'entité compétente de l'administration flamande qui doit percevoir l'amende administrative. ".
HOOFDSTUK 6. - Leefmilieu en Natuur
CHAPITRE 6. - Environnement et Nature
Afdeling 1. - Uitbreiding uitgavenkader Vlaams Klimaatfonds
Section 1re. - Extension du cadre de dépenses " Vlaams Klimaatfonds "
Art. 9. In artikel 14 van het decreet van 3 juli 2012 houdende bepalingen tot begeleiding van de tweede aanpassing van de begroting 2012 wordt paragraaf 5 vervangen door wat volgt:
" § 5. Met betrekking tot de periodes na 2012 mogen de inkomsten van het Fonds aangewend worden voor:
- de uitvoering van intern Vlaams klimaatbeleid met het oog op het behalen van de Vlaamse broeikasgasemissiereductiedoelstellingen;
- de uitvoering van het Vlaamse beleid inzake de flexibiliteitsmechanismen van het Protocol van Kyoto of zoals uitgewerkt in Europese of internationale wetgeving of akkoorden;
- de uitvoering van Vlaamse bijdrage(n) in het kader van de internationale steun aan ontwikkelingslanden in hun strijd tegen klimaatverandering in overeenstemming met de beslissingen van de United Nations Framework Convention on Climate Change (UNFCCC);
- de remediëring van competitiviteitsverlies bij de Vlaamse bedrijven ten gevolge van Europees of internationaal klimaatbeleid;
- alle beleidskosten die verband houden met de voorbereiding, organisatie of bijdragen in het kader van klimaatveilingen.
Ter uitvoering hiervan is het voor het Fonds in afwijking van het Rekendecreet toegestaan om middelen te storten richting AGION, het GO! en andere begrotingsfondsen binnen de Vlaamse overheid, én worden deze begrotingsfondsen gemachtigd om deze middelen te ontvangen vanuit het Vlaams Klimaatfonds. De Vlaamse Regering wordt gemachtigd om hiertoe de passende begrotingsartikelen te creëren.".
" § 5. Met betrekking tot de periodes na 2012 mogen de inkomsten van het Fonds aangewend worden voor:
- de uitvoering van intern Vlaams klimaatbeleid met het oog op het behalen van de Vlaamse broeikasgasemissiereductiedoelstellingen;
- de uitvoering van het Vlaamse beleid inzake de flexibiliteitsmechanismen van het Protocol van Kyoto of zoals uitgewerkt in Europese of internationale wetgeving of akkoorden;
- de uitvoering van Vlaamse bijdrage(n) in het kader van de internationale steun aan ontwikkelingslanden in hun strijd tegen klimaatverandering in overeenstemming met de beslissingen van de United Nations Framework Convention on Climate Change (UNFCCC);
- de remediëring van competitiviteitsverlies bij de Vlaamse bedrijven ten gevolge van Europees of internationaal klimaatbeleid;
- alle beleidskosten die verband houden met de voorbereiding, organisatie of bijdragen in het kader van klimaatveilingen.
Ter uitvoering hiervan is het voor het Fonds in afwijking van het Rekendecreet toegestaan om middelen te storten richting AGION, het GO! en andere begrotingsfondsen binnen de Vlaamse overheid, én worden deze begrotingsfondsen gemachtigd om deze middelen te ontvangen vanuit het Vlaams Klimaatfonds. De Vlaamse Regering wordt gemachtigd om hiertoe de passende begrotingsartikelen te creëren.".
Art. 9. Dans l'article 14 du décret du 3 juillet 2012 contenant diverses mesures d'accompagnement du deuxième ajustement du budget 2012, le paragraphe 5 est remplacé par ce qui suit :
" § 5. En ce qui concerne la période après 2012, les ressources du Fonds peuvent être affectées :
- à la mise en oeuvre de la politique climatique interne de la Flandre en vue d'atteindre les objectifs flamands en matière de réduction des émissions de gaz à effet de serre ;
- à la mise en oeuvre de la politique flamande relative aux mécanismes de flexibilité du Protocole de Kyoto ou élaborés dans les législations ou conventions européennes ou internationales ;
- à la mise en oeuvre de la/des contribution(s) flamande(s) à l'aide internationale aux pays en développement dans la lutte qu'ils mènent contre le changement climatique conformément aux décisions de la Convention-cadre des Nations-Unies sur les changements climatiques (UNFCCC) ;
- à la remédiation de la perte de compétitivité qu'accusent les entreprises flamandes du fait de la politique climatique européenne ou internationale ;
- à tous les frais de gestion relatifs à la préparation, à l'organisation ou aux contributions consenties dans le cadre d'enchères climatiques.
En vue de son exécution, le Fonds est autorisé, par dérogation au Décret sur les Comptes, à verser des moyens vers AGION, le GO!, et d'autres fonds budgétaires au sein de l'Autorité flamande, et ces fonds budgétaires sont autorisés à recevoir ces moyens à partir du " Vlaams Klimaatfonds ". Le Gouvernement flamand est autorisé à créer les articles budgétaires appropriés à cet effet. ".
" § 5. En ce qui concerne la période après 2012, les ressources du Fonds peuvent être affectées :
- à la mise en oeuvre de la politique climatique interne de la Flandre en vue d'atteindre les objectifs flamands en matière de réduction des émissions de gaz à effet de serre ;
- à la mise en oeuvre de la politique flamande relative aux mécanismes de flexibilité du Protocole de Kyoto ou élaborés dans les législations ou conventions européennes ou internationales ;
- à la mise en oeuvre de la/des contribution(s) flamande(s) à l'aide internationale aux pays en développement dans la lutte qu'ils mènent contre le changement climatique conformément aux décisions de la Convention-cadre des Nations-Unies sur les changements climatiques (UNFCCC) ;
- à la remédiation de la perte de compétitivité qu'accusent les entreprises flamandes du fait de la politique climatique européenne ou internationale ;
- à tous les frais de gestion relatifs à la préparation, à l'organisation ou aux contributions consenties dans le cadre d'enchères climatiques.
En vue de son exécution, le Fonds est autorisé, par dérogation au Décret sur les Comptes, à verser des moyens vers AGION, le GO!, et d'autres fonds budgétaires au sein de l'Autorité flamande, et ces fonds budgétaires sont autorisés à recevoir ces moyens à partir du " Vlaams Klimaatfonds ". Le Gouvernement flamand est autorisé à créer les articles budgétaires appropriés à cet effet. ".
Afdeling 2. - Wijzigingsvoorstel onvergunde lozingen
Section 2. - Proposition de modification déversements non autorisés
Art. 10. Artikel 35ter, § 10, van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van oppervlaktewateren tegen verontreiniging, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2012, wordt vervangen door wat volgt:
" § 10. In afwijking van artikel 35ter, § 1, wordt in geval van i) onvergunde lozing, ii) de lozing die niet voldoet aan de bijzondere voorwaarde vermeld in de lozings- of milieuvergunning om een contract, vermeld in artikel 32septies, § 4, af te sluiten, of iii) de lozing van afvalwater via een noodaansluiting die niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 35bis, § 9, het bedrag van de heffing voor de periode waarin vermelde lozing zich voordeed, als volgt vastgesteld:
H = T x Qx x Cx + T x Nkx
waarbij:
H = het bedrag van de verschuldigde heffing voor waterverontreiniging;
T = het bedrag van het eenheidstarief van de heffing voor alle andere heffingsplichtigen, vermeld in het vierde lid van artikel 35ter, § 2;
Qx = het waterverbruik, waarvan de hoeveelheid gelijk is aan het totale waterverbruik Q bepaald overeenkomstig artikel 35septies, § 2, verminderd met de hoeveelheid koelwater K, vermeld in artikel 35quinquies, § 1, vermenigvuldigd met dx en gedeeld door 365 of, indien hiervan het bewijs geleverd wordt, gedeeld door het reëel aantal dagen waarop afvalwater geloosd wordt in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar. dx is de cumulatieve duur van de lozingen in het betrokken heffingsjaar, uitgedrukt in dagen. dx is niet groter dan 365 en wordt berekend als volgt:
Σ [(deind - dbegin) + F]
waarbij:
dbegin =
1° de datum van aanvang van de lozing, zoals opgenomen in de schriftelijke melding van de heffingsplichtige aan de maatschappij of de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving, tenzij de maatschappij aantoont dat de lozing reeds op een vroegere datum startte, op voorwaarde dat de melding plaatsvond voorafgaand aan de eventuele vaststelling van de lozing door de ambtenaren van de maatschappij belast met een controle of een onderzoek in verband met de toepassing van de heffing of de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving;
2° de datum van vaststelling van de lozing, als vermeld in het proces-verbaal van overtreding of een vaststellingsverslag als vermeld in artikel 35decies, § 2, tenzij de maatschappij aantoont dat de lozing reeds op een vroegere datum startte, indien de lozing werd vastgesteld door de ambtenaren van de maatschappij belast met een controle of een onderzoek in verband met de toepassing van de heffing of de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving voorafgaand aan een eventuele schriftelijke melding door de heffingsplichtige;
deind = de datum waarop door de bevoegde ambtenaren van de maatschappij of de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving vastgesteld werd dat de lozing stopgezet is, mits mogelijkheid voor de heffingsplichtige om een andere datum te bewijzen;
F =
1° 1 indien de lozing gemeld werd door de heffingsplichtige aan de maatschappij of de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving en deze melding plaatsvond voorafgaand aan de eventuele vaststelling van de lozing door de bevoegde ambtenaren van de maatschappij of de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving;
2° 30 in alle andere gevallen tenzij de heffingsplichtige de werkelijke aanvangsdatum van de lozing bewijst en de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving deze kan bevestigen of staven op basis van vergelijking met zijn eigen vaststellingen. In voorkomend geval wordt F gelijkgesteld aan 1 en wordt dbegin gelijkgesteld aan de bevestigde datum van aanvang van de lozing;
Cx = de omzettingscoëfficiënt, vermeld in kolom 8 van de tabel opgenomen in bijlage bij deze wet;
Nkx = de vuilvracht veroorzaakt door de lozing van koelwater bepaald overeenkomstig artikel 35quinquies, § 1, vermenigvuldigd met dx en gedeeld door 365 of, indien hiervan het bewijs geleverd wordt, gedeeld door het reëel aantal dagen waarop koelwater geloosd wordt in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar.
Indien de heffingsplichtige voor de periode dx het aandeel van de lozing vermeld in het eerste lid in de totale afvalwaterlozing bewijst en de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving deze kan bevestigen of staven op basis van vergelijking met zijn eigen vaststellingen, wordt voor de betrokken periode dx de bepalingen in dit artikel enkel toegepast op dit aandeel.
In alle andere gevallen wordt de vuilvracht vermeld in artikel 35ter, § 1, vermenigvuldigd met (365-dx)/365.".
" § 10. In afwijking van artikel 35ter, § 1, wordt in geval van i) onvergunde lozing, ii) de lozing die niet voldoet aan de bijzondere voorwaarde vermeld in de lozings- of milieuvergunning om een contract, vermeld in artikel 32septies, § 4, af te sluiten, of iii) de lozing van afvalwater via een noodaansluiting die niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 35bis, § 9, het bedrag van de heffing voor de periode waarin vermelde lozing zich voordeed, als volgt vastgesteld:
H = T x Qx x Cx + T x Nkx
waarbij:
H = het bedrag van de verschuldigde heffing voor waterverontreiniging;
T = het bedrag van het eenheidstarief van de heffing voor alle andere heffingsplichtigen, vermeld in het vierde lid van artikel 35ter, § 2;
Qx = het waterverbruik, waarvan de hoeveelheid gelijk is aan het totale waterverbruik Q bepaald overeenkomstig artikel 35septies, § 2, verminderd met de hoeveelheid koelwater K, vermeld in artikel 35quinquies, § 1, vermenigvuldigd met dx en gedeeld door 365 of, indien hiervan het bewijs geleverd wordt, gedeeld door het reëel aantal dagen waarop afvalwater geloosd wordt in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar. dx is de cumulatieve duur van de lozingen in het betrokken heffingsjaar, uitgedrukt in dagen. dx is niet groter dan 365 en wordt berekend als volgt:
Σ [(deind - dbegin) + F]
waarbij:
dbegin =
1° de datum van aanvang van de lozing, zoals opgenomen in de schriftelijke melding van de heffingsplichtige aan de maatschappij of de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving, tenzij de maatschappij aantoont dat de lozing reeds op een vroegere datum startte, op voorwaarde dat de melding plaatsvond voorafgaand aan de eventuele vaststelling van de lozing door de ambtenaren van de maatschappij belast met een controle of een onderzoek in verband met de toepassing van de heffing of de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving;
2° de datum van vaststelling van de lozing, als vermeld in het proces-verbaal van overtreding of een vaststellingsverslag als vermeld in artikel 35decies, § 2, tenzij de maatschappij aantoont dat de lozing reeds op een vroegere datum startte, indien de lozing werd vastgesteld door de ambtenaren van de maatschappij belast met een controle of een onderzoek in verband met de toepassing van de heffing of de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving voorafgaand aan een eventuele schriftelijke melding door de heffingsplichtige;
deind = de datum waarop door de bevoegde ambtenaren van de maatschappij of de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving vastgesteld werd dat de lozing stopgezet is, mits mogelijkheid voor de heffingsplichtige om een andere datum te bewijzen;
F =
1° 1 indien de lozing gemeld werd door de heffingsplichtige aan de maatschappij of de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving en deze melding plaatsvond voorafgaand aan de eventuele vaststelling van de lozing door de bevoegde ambtenaren van de maatschappij of de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving;
2° 30 in alle andere gevallen tenzij de heffingsplichtige de werkelijke aanvangsdatum van de lozing bewijst en de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving deze kan bevestigen of staven op basis van vergelijking met zijn eigen vaststellingen. In voorkomend geval wordt F gelijkgesteld aan 1 en wordt dbegin gelijkgesteld aan de bevestigde datum van aanvang van de lozing;
Cx = de omzettingscoëfficiënt, vermeld in kolom 8 van de tabel opgenomen in bijlage bij deze wet;
Nkx = de vuilvracht veroorzaakt door de lozing van koelwater bepaald overeenkomstig artikel 35quinquies, § 1, vermenigvuldigd met dx en gedeeld door 365 of, indien hiervan het bewijs geleverd wordt, gedeeld door het reëel aantal dagen waarop koelwater geloosd wordt in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar.
Indien de heffingsplichtige voor de periode dx het aandeel van de lozing vermeld in het eerste lid in de totale afvalwaterlozing bewijst en de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving deze kan bevestigen of staven op basis van vergelijking met zijn eigen vaststellingen, wordt voor de betrokken periode dx de bepalingen in dit artikel enkel toegepast op dit aandeel.
In alle andere gevallen wordt de vuilvracht vermeld in artikel 35ter, § 1, vermenigvuldigd met (365-dx)/365.".
Art. 10. L'article 35ter, § 10, de la loi du 26 mars 1971 sur la protection des eaux de surface contre la pollution, inséré par le décret du 21 décembre 2012, est remplacé par ce qui suit :
" § 10. Par dérogation à l'article 35ter, § 1er, en cas de i) déversement non autorisé, ii) déversement qui ne répond pas à la condition particulière visée à l'autorisation de déversement ou écologique afin de conclure un contrat, visé à l'article 32septies, § 4, ou iii) déversement d'eaux usées via un raccordement d'urgence qui ne répond pas aux conditions, visées à l'article 35bis, § 9, le montant de la redevance pour la période dans laquelle le déversement visé a eu lieu est fixé comme suit :
H = T x Qx x Cx + T x Nkx
où :
H = le montant de la redevance due pour la pollution de l'eau ;
T = le montant du tarif unitaire de la redevance pour tous les autres redevables, visés à l'alinéa 4 de l'article 35ter, § 2 ;
Qx = la consommation d'eau, dont la quantité est égale à la consommation d'eau totale Q, fixée conformément à l'article 35septies, § 2, diminuée de la quantité d'eau de refroidissement K, visée à l'article 35quinquies, § 1er, multipliée par dx et divisée par 365 ou, lorsque la preuve en est fournie, divisée par le nombre réel de jours pendant lesquels des eaux usées sont déversées dans l'année précédant l'année d'imposition. dx est la durée cumulative des déversements dans l'année de redevance concernée, exprimée en jours. dx n'est pas supérieur à 365 et est calculé comme suit :
Σ [(deind - dbegin) + F]
où :
dbegin =
1° la date de début du déversement, telle que reprise dans la notification écrite du redevable à la société ou au contrôleur compétent pour le maintien environnemental, à moins que la société démontre que le déversement a déjà commencé à une date antérieure à l'éventuelle constatation du déversement par les fonctionnaires de la Société chargés d'un contrôle ou d'un examen relatif à l'application de la redevance ou le contrôleur compétent pour le maintien environnemental ;
2° la date de constatation du déversement, telle que visée au procès-verbal de contravention ou au rapport de constatation, tel que visé à l'article 35decies, § 2, à moins que la société démontre que le déversement a déjà commencé à une date antérieure lorsque le déversement a été constaté par les fonctionnaires de la Société chargés d'un contrôle ou d'un examen relatif à l'application de la redevance ou le contrôleur compétent pour le maintien environnemental précédant une notification écrite éventuelle par le redevable ;
deind = la date à laquelle il a été constaté par les fonctionnaires compétents de la société ou le contrôleur compétent pour le maintien environnemental que le déversement a été arrêté, moyennant la possibilité pour le redevable de prouver une autre date ;
F =
1° 1 lorsque le déversement a été communiqué par le redevable à la société ou au contrôleur compétent pour le maintien environnemental et que cette communication a eu lieu précédant l'éventuelle constatation du déversement par les fonctionnaires compétents de la société ou le contrôleur compétent pour le maintien environnemental ;
2° 30 dans tous les autres cas sauf si le redevable prouve la date réelle de début du déversement et le contrôleur compétent pour le maintien environnemental peut la confirmer ou justifier sur la base d'une comparaison à ses propres constats. Le cas échéant, F est assimilé à 1 et dbegin est assimilé à la date confirmée du début du déversement ;
Cx = le coefficient de conversion, visé à la colonne 8 du tableau repris en annexe à la présente loi ;
Nkx = la charge polluée causée par le déversement d'eau de refroidissement, fixée conformément à l'article 35quinquies, § 1er, multipliée par dx et divisée par 365 ou, lorsque la preuve en est fournie, divisée par le nombre réel de jours pendant lesquels des eaux de refroidissement sont déversées dans l'année précédant l'année d'imposition.
Si le redevable prouve, pour la période dx, la part du déversement visé à l'alinéa 1er dans le déversement total des eaux usées et le contrôleur compétent pour le maintien environnemental peut la confirmer ou justifier sur la base d'une comparaison à ses propres constats, les dispositions du présent article ne sont appliquées qu'à cette part pour la période dx concernée.
Dans tous les autres cas, la charge polluée visée à l'art. 35ter, § 1er, est multipliée par (365-dx)/365. ".
" § 10. Par dérogation à l'article 35ter, § 1er, en cas de i) déversement non autorisé, ii) déversement qui ne répond pas à la condition particulière visée à l'autorisation de déversement ou écologique afin de conclure un contrat, visé à l'article 32septies, § 4, ou iii) déversement d'eaux usées via un raccordement d'urgence qui ne répond pas aux conditions, visées à l'article 35bis, § 9, le montant de la redevance pour la période dans laquelle le déversement visé a eu lieu est fixé comme suit :
H = T x Qx x Cx + T x Nkx
où :
H = le montant de la redevance due pour la pollution de l'eau ;
T = le montant du tarif unitaire de la redevance pour tous les autres redevables, visés à l'alinéa 4 de l'article 35ter, § 2 ;
Qx = la consommation d'eau, dont la quantité est égale à la consommation d'eau totale Q, fixée conformément à l'article 35septies, § 2, diminuée de la quantité d'eau de refroidissement K, visée à l'article 35quinquies, § 1er, multipliée par dx et divisée par 365 ou, lorsque la preuve en est fournie, divisée par le nombre réel de jours pendant lesquels des eaux usées sont déversées dans l'année précédant l'année d'imposition. dx est la durée cumulative des déversements dans l'année de redevance concernée, exprimée en jours. dx n'est pas supérieur à 365 et est calculé comme suit :
Σ [(deind - dbegin) + F]
où :
dbegin =
1° la date de début du déversement, telle que reprise dans la notification écrite du redevable à la société ou au contrôleur compétent pour le maintien environnemental, à moins que la société démontre que le déversement a déjà commencé à une date antérieure à l'éventuelle constatation du déversement par les fonctionnaires de la Société chargés d'un contrôle ou d'un examen relatif à l'application de la redevance ou le contrôleur compétent pour le maintien environnemental ;
2° la date de constatation du déversement, telle que visée au procès-verbal de contravention ou au rapport de constatation, tel que visé à l'article 35decies, § 2, à moins que la société démontre que le déversement a déjà commencé à une date antérieure lorsque le déversement a été constaté par les fonctionnaires de la Société chargés d'un contrôle ou d'un examen relatif à l'application de la redevance ou le contrôleur compétent pour le maintien environnemental précédant une notification écrite éventuelle par le redevable ;
deind = la date à laquelle il a été constaté par les fonctionnaires compétents de la société ou le contrôleur compétent pour le maintien environnemental que le déversement a été arrêté, moyennant la possibilité pour le redevable de prouver une autre date ;
F =
1° 1 lorsque le déversement a été communiqué par le redevable à la société ou au contrôleur compétent pour le maintien environnemental et que cette communication a eu lieu précédant l'éventuelle constatation du déversement par les fonctionnaires compétents de la société ou le contrôleur compétent pour le maintien environnemental ;
2° 30 dans tous les autres cas sauf si le redevable prouve la date réelle de début du déversement et le contrôleur compétent pour le maintien environnemental peut la confirmer ou justifier sur la base d'une comparaison à ses propres constats. Le cas échéant, F est assimilé à 1 et dbegin est assimilé à la date confirmée du début du déversement ;
Cx = le coefficient de conversion, visé à la colonne 8 du tableau repris en annexe à la présente loi ;
Nkx = la charge polluée causée par le déversement d'eau de refroidissement, fixée conformément à l'article 35quinquies, § 1er, multipliée par dx et divisée par 365 ou, lorsque la preuve en est fournie, divisée par le nombre réel de jours pendant lesquels des eaux de refroidissement sont déversées dans l'année précédant l'année d'imposition.
Si le redevable prouve, pour la période dx, la part du déversement visé à l'alinéa 1er dans le déversement total des eaux usées et le contrôleur compétent pour le maintien environnemental peut la confirmer ou justifier sur la base d'une comparaison à ses propres constats, les dispositions du présent article ne sont appliquées qu'à cette part pour la période dx concernée.
Dans tous les autres cas, la charge polluée visée à l'art. 35ter, § 1er, est multipliée par (365-dx)/365. ".
Art. 11. Het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaamse Milieumaatschappij past, ten aanzien van heffingsdossiers waarvoor nog een bezwaarschrift of een vordering in rechte hangende is of heffingsdossiers waarvoor een aanvraag tot ambtshalve ontheffing als vermeld in artikel 376 van het WIB 92 ingediend wordt bij en aanvaard wordt door de Vlaamse Milieumaatschappij of een navordering als vermeld in artikel 35terdecies, § 2, van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging gevestigd wordt, na schriftelijke aangetekende aanvraag van de heffingsplichtige gericht tot de Vlaamse Milieumaatschappij, ingediend ten laatste één jaar na publicatie van dit decreet, artikel 35ter, § 1 en § 10, van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging in de versie zoals gewijzigd bij dit decreet toe op de heffingen, van de in dit artikel vermelde heffingsdossiers, gevestigd voor het heffingsjaar dat door de heffingsplichtige opgegeven werd in zijn aanvraag en voor zover voldaan wordt aan de in dat artikel gestelde voorwaarden en het heffingsjaar niet voor het heffingsjaar 2004 ligt. Voor de ambtshalve ontheffingen en navorderingen moet vermelde aanvraag ten laatste zes maanden na het verzoek tot ontheffing of kennisgeving van de navordering gericht worden aan de Vlaamse Milieumaatschappij.
In dat geval kan, in afwijking van artikel 418 van het WIB 92, enkel het verschil tussen het oorspronkelijke heffingsbedrag vermeerderd met de eventuele heffingsverhoging én het herrekende bedrag overeenkomstig het bij dit decreet gewijzigde artikel 35ter, § 1 en § 10, van de in het eerste lid genoemde wet vermeerderd met de eventuele heffingsverhoging, terugbetaald worden aan de heffingsplichtige.
Alle kosten verbonden aan eerdere betwistingen in dit verband blijven ten laste van de heffingsplichtige.
In dat geval kan, in afwijking van artikel 418 van het WIB 92, enkel het verschil tussen het oorspronkelijke heffingsbedrag vermeerderd met de eventuele heffingsverhoging én het herrekende bedrag overeenkomstig het bij dit decreet gewijzigde artikel 35ter, § 1 en § 10, van de in het eerste lid genoemde wet vermeerderd met de eventuele heffingsverhoging, terugbetaald worden aan de heffingsplichtige.
Alle kosten verbonden aan eerdere betwistingen in dit verband blijven ten laste van de heffingsplichtige.
Art. 11. L'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique " Vlaamse Milieumaatschappij " (Société flamande de l'Environnement) applique, à l'égard de dossiers d'imposition pour lesquels un recours ou une action en justice est toujours en instance ou de dossiers d'imposition pour lesquels une demande de dégrèvement d'office telle que visée à l'article 376 du CIR 92 est introduite auprès de et est acceptée par la " Vlaamse Milieumaatschappij " ou une redevance supplémentaire telle que visée à l'article 35terdecies, § 2, de la loi du 26 mars 1971 sur la protection des eaux de surface contre la pollution est constituée, après la demande écrite recommandée du redevable adressée à la " Vlaamse Milieumaatschappij ", introduite au plus tard un an après la publication du présent décret, l'article 35ter, § 1er et § 10, de la loi du 26 mars 1971 sur la protection des eaux de surface contre la pollution aux redevances, dans la version telle que modifiée par le présent décret, des dossiers d'imposition visés au présent article, établies pour l'année d'imposition indiquée par le redevable dans sa demande et dans la mesure où il est satisfait aux conditions fixées audit article et l'année d'imposition ne précède pas l'année d'imposition 2004. Pour les dégrèvements d'office et les redevances supplémentaires, ladite demande doit être adressée à la " Vlaamse Milieumaatschappij " au plus tard six mois après la demande de dégrèvement ou de notification de la redevance supplémentaire.
Dans ce cas, par dérogation à l'article 418 du CIR 92, seule la différence entre le montant original de la redevance, majoré de l'éventuelle augmentation de la redevance, et le montant recalculé conformément à l'article 35ter, § 1er et § 10, de la loi visée à l'alinéa premier majoré de l'éventuelle augmentation de la redevance, peut être remboursée au redevable.
Tous les frais liés à des contestations antérieures à ce sujet demeurent à charge du redevable.
Dans ce cas, par dérogation à l'article 418 du CIR 92, seule la différence entre le montant original de la redevance, majoré de l'éventuelle augmentation de la redevance, et le montant recalculé conformément à l'article 35ter, § 1er et § 10, de la loi visée à l'alinéa premier majoré de l'éventuelle augmentation de la redevance, peut être remboursée au redevable.
Tous les frais liés à des contestations antérieures à ce sujet demeurent à charge du redevable.
Art. 12. Artikel 27 van het decreet van 18 december 2015 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2016, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 27. Het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid de Vlaamse Milieumaatschappij past, ten aanzien van heffingsdossiers waarvoor nog een bezwaarschrift of een vordering in rechte hangende is of heffingsdossiers waarvoor een aanvraag tot ambtshalve ontheffing als vermeld in artikel 376 van het federale WIB 92 ingediend wordt bij en aanvaard wordt door de Vlaamse Milieumaatschappij of een navordering als vermeld in artikel 35terdecies, § 2, van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging gevestigd wordt, na schriftelijke aangetekende aanvraag van de heffingsplichtige gericht tot de Vlaamse Milieumaatschappij, ingediend ten laatste één jaar na publicatie van dit decreet, artikel 35ter, § 10bis, van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging toe op de heffingen, van de in dit artikel vermelde heffingsdossiers, gevestigd voor het heffingsjaar dat door de heffingsplichtige opgegeven werd in zijn aanvraag en voor zover voldaan wordt aan de in dat artikel gestelde voorwaarden en het heffingsjaar niet voor het heffingsjaar 2004 ligt. Voor de ambtshalve ontheffingen en navorderingen moet vermelde aanvraag ten laatste zes maanden na het verzoek tot ontheffing of kennisgeving van de navordering gericht worden aan de Vlaamse Milieumaatschappij.
In dat geval kan, in afwijking van artikel 418 van het federale WIB 92, enkel het verschil tussen het oorspronkelijke heffingsbedrag vermeerderd met de eventuele heffingsverhoging én het bedrag berekend overeenkomstig artikel 35ter, § 10bis, van de in het eerste lid genoemde wet, vermeerderd met de eventuele heffingsverhoging, terugbetaald worden aan de heffingsplichtige.
Alle kosten verbonden aan eerdere betwistingen in dit verband blijven ten laste van de heffingsplichtige.".
"Art. 27. Het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid de Vlaamse Milieumaatschappij past, ten aanzien van heffingsdossiers waarvoor nog een bezwaarschrift of een vordering in rechte hangende is of heffingsdossiers waarvoor een aanvraag tot ambtshalve ontheffing als vermeld in artikel 376 van het federale WIB 92 ingediend wordt bij en aanvaard wordt door de Vlaamse Milieumaatschappij of een navordering als vermeld in artikel 35terdecies, § 2, van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging gevestigd wordt, na schriftelijke aangetekende aanvraag van de heffingsplichtige gericht tot de Vlaamse Milieumaatschappij, ingediend ten laatste één jaar na publicatie van dit decreet, artikel 35ter, § 10bis, van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging toe op de heffingen, van de in dit artikel vermelde heffingsdossiers, gevestigd voor het heffingsjaar dat door de heffingsplichtige opgegeven werd in zijn aanvraag en voor zover voldaan wordt aan de in dat artikel gestelde voorwaarden en het heffingsjaar niet voor het heffingsjaar 2004 ligt. Voor de ambtshalve ontheffingen en navorderingen moet vermelde aanvraag ten laatste zes maanden na het verzoek tot ontheffing of kennisgeving van de navordering gericht worden aan de Vlaamse Milieumaatschappij.
In dat geval kan, in afwijking van artikel 418 van het federale WIB 92, enkel het verschil tussen het oorspronkelijke heffingsbedrag vermeerderd met de eventuele heffingsverhoging én het bedrag berekend overeenkomstig artikel 35ter, § 10bis, van de in het eerste lid genoemde wet, vermeerderd met de eventuele heffingsverhoging, terugbetaald worden aan de heffingsplichtige.
Alle kosten verbonden aan eerdere betwistingen in dit verband blijven ten laste van de heffingsplichtige.".
Art. 12. L'article 27 du décret du 18 décembre 2015 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2016, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 27. L'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique " Vlaamse Milieumaatschappij " (Société flamande de l'Environnement) applique, à l'égard de dossiers d'imposition pour lesquels un recours ou une action en justice est toujours en instance ou de dossiers d'imposition pour lesquels une demande de dégrèvement d'office telle que visée à l'article 376 du CIR 92 fédéral est introduite auprès de et est acceptée par la " Vlaamse Milieumaatschappij " ou une redevance supplémentaire telle que visée à l'article 35terdecies, § 2, de la loi du 26 mars 1971 sur la protection des eaux de surface contre la pollution est constituée, après la demande écrite recommandée du redevable adressée à la " Vlaamse Milieumaatschappij ", introduite au plus tard un an après la publication du présent décret, l'article 35ter, § 10bis, de la loi du 26 mars 1971 sur la protection des eaux de surface contre la pollution aux redevances, des dossiers d'imposition visés au présent article, établies pour l'année d'imposition indiquée par le redevable dans sa demande et dans la mesure où il est satisfait aux conditions fixées audit article et l'année d'imposition ne précède pas l'année d'imposition 2004. Pour les dégrèvements d'office et les redevances supplémentaires, ladite demande doit être adressée à la " Vlaamse Milieumaatschappij " au plus tard six mois après la demande de dégrèvement ou de notification de la redevance supplémentaire.
Dans ce cas, par dérogation à l'article 418 du CIR fédéral, seule la différence entre le montant original de la redevance, majoré de l'éventuelle augmentation de la redevance et le montant calculé conformément à l'article 35ter, § 10bis, de la loi visée à l'alinéa premier, majoré de l'éventuelle augmentation de la redevance, peut être remboursée au redevable.
Tous les frais liés à des contestations antérieures à ce sujet demeurent à charge du redevable. ".
" Art. 27. L'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique " Vlaamse Milieumaatschappij " (Société flamande de l'Environnement) applique, à l'égard de dossiers d'imposition pour lesquels un recours ou une action en justice est toujours en instance ou de dossiers d'imposition pour lesquels une demande de dégrèvement d'office telle que visée à l'article 376 du CIR 92 fédéral est introduite auprès de et est acceptée par la " Vlaamse Milieumaatschappij " ou une redevance supplémentaire telle que visée à l'article 35terdecies, § 2, de la loi du 26 mars 1971 sur la protection des eaux de surface contre la pollution est constituée, après la demande écrite recommandée du redevable adressée à la " Vlaamse Milieumaatschappij ", introduite au plus tard un an après la publication du présent décret, l'article 35ter, § 10bis, de la loi du 26 mars 1971 sur la protection des eaux de surface contre la pollution aux redevances, des dossiers d'imposition visés au présent article, établies pour l'année d'imposition indiquée par le redevable dans sa demande et dans la mesure où il est satisfait aux conditions fixées audit article et l'année d'imposition ne précède pas l'année d'imposition 2004. Pour les dégrèvements d'office et les redevances supplémentaires, ladite demande doit être adressée à la " Vlaamse Milieumaatschappij " au plus tard six mois après la demande de dégrèvement ou de notification de la redevance supplémentaire.
Dans ce cas, par dérogation à l'article 418 du CIR fédéral, seule la différence entre le montant original de la redevance, majoré de l'éventuelle augmentation de la redevance et le montant calculé conformément à l'article 35ter, § 10bis, de la loi visée à l'alinéa premier, majoré de l'éventuelle augmentation de la redevance, peut être remboursée au redevable.
Tous les frais liés à des contestations antérieures à ce sujet demeurent à charge du redevable. ".
Afdeling 3. - Modal shift afvaltransport
Section 3. - Transfert modal transport des déchets
Art. 13. Aan artikel 46 van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materialenkringlopen en afvalstoffen wordt een paragraaf 7 toegevoegd, die luidt als volgt:
" § 7. Vanaf 1 januari 2017 worden de bedragen vermeld in paragraaf 1, 16° en 17°, en geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 5, met 4 euro per ton verminderd, meer bepaald in de gevallen dat de betreffende afvalstoffen per schip worden aangevoerd.".
" § 7. Vanaf 1 januari 2017 worden de bedragen vermeld in paragraaf 1, 16° en 17°, en geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 5, met 4 euro per ton verminderd, meer bepaald in de gevallen dat de betreffende afvalstoffen per schip worden aangevoerd.".
Art. 13. L'article 46 du décret du 23 décembre 2011 relatif à la gestion durable de cycles de matériaux et de déchets, est complété par un paragraphe 7, rédigé comme suit :
" § 7. A partir du 1er janvier 2017, les montants visés au paragraphe 1er, 16° et 17°, et indexés conformément aux dispositions du paragraphe 5, sont diminués de 4 euros par tonne, notamment dans les cas où les déchets concernés sont transportés par bateau. ".
" § 7. A partir du 1er janvier 2017, les montants visés au paragraphe 1er, 16° et 17°, et indexés conformément aux dispositions du paragraphe 5, sont diminués de 4 euros par tonne, notamment dans les cas où les déchets concernés sont transportés par bateau. ".
HOOFDSTUK 7. - Welzijn, Volksgezondheid en Gezin
CHAPITRE 7. - Bien-Etre, Santé publique et Famille
Afdeling 1. - Opschorting van de premie met betrekking tot bijzondere beroepstitels en bijzondere beroepsbekwaamheden van verpleegkundigen tewerkgesteld in de ouderenzorg
Section 1re. - Suspension de la prime relative aux titres professionnels particuliers et aux qualifications professionnelles particulières d'infirmiers occupés dans les soins aux personnes âgées
Art. 14. In artikel 42 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging, wordt een vierde lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"De rustoorden voor bejaarden en de rust- en verzorgingstehuizen die onder hun personeel verpleegkundigen tellen die beschikken over een bijzondere beroepstitel of bijzondere beroepsbekwaamheid van geriatrisch verpleegkundige of die beschikken over een bijzondere beroepsbekwaamheid van verpleegkundige met een bijzondere deskundigheid in de palliatieve zorg, kunnen, volgens de nadere regels vermeld in de "Overeenkomst tussen de rustoorden voor bejaarden, de rust- en verzorgingstehuizen, de centra voor dagverzorging en de verzekeringsinstellingen", het bedrag slechts aanrekenen aan de Dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, op voorwaarde dat de erkenning voor de bedoelde bijzondere beroepstitel en/of bijzondere beroepsbekwaamheid door de verpleegkundigen verkregen werd voor 2 september 2016.".
"De rustoorden voor bejaarden en de rust- en verzorgingstehuizen die onder hun personeel verpleegkundigen tellen die beschikken over een bijzondere beroepstitel of bijzondere beroepsbekwaamheid van geriatrisch verpleegkundige of die beschikken over een bijzondere beroepsbekwaamheid van verpleegkundige met een bijzondere deskundigheid in de palliatieve zorg, kunnen, volgens de nadere regels vermeld in de "Overeenkomst tussen de rustoorden voor bejaarden, de rust- en verzorgingstehuizen, de centra voor dagverzorging en de verzekeringsinstellingen", het bedrag slechts aanrekenen aan de Dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, op voorwaarde dat de erkenning voor de bedoelde bijzondere beroepstitel en/of bijzondere beroepsbekwaamheid door de verpleegkundigen verkregen werd voor 2 september 2016.".
Art. 14. Dans l'article 42 de la loi coordonnée du 14 juillet 1994 relative à l'assurance obligatoire soins de santé, il est inséré un alinéa quatre, rédigé comme suit :
" Les maisons de repos pour personnes âgées et les maisons de repos et de soins comptant parmi leur personnel des infirmiers disposant d'un titre professionnel particulier ou d'une qualification professionnelle particulière d'infirmier gériatrique ou d'infirmier ayant une expertise particulière dans les soins palliatifs, ne peuvent, selon les modalités visées à la " Convention entre les maisons de repos et de soins, les maisons de repos pour personnes âgées, les centres de soins de jour et les organismes assureurs ", imputer le montant au Service des Soins de Santé de l'INAMI qu'à condition que l'agrément du titre professionnel particulier et/ou de la qualification professionnelle particulière concerné(e) ait été obtenu(e) par les infirmiers avant le 2 septembre 2016. ".
" Les maisons de repos pour personnes âgées et les maisons de repos et de soins comptant parmi leur personnel des infirmiers disposant d'un titre professionnel particulier ou d'une qualification professionnelle particulière d'infirmier gériatrique ou d'infirmier ayant une expertise particulière dans les soins palliatifs, ne peuvent, selon les modalités visées à la " Convention entre les maisons de repos et de soins, les maisons de repos pour personnes âgées, les centres de soins de jour et les organismes assureurs ", imputer le montant au Service des Soins de Santé de l'INAMI qu'à condition que l'agrément du titre professionnel particulier et/ou de la qualification professionnelle particulière concerné(e) ait été obtenu(e) par les infirmiers avant le 2 septembre 2016. ".
Afdeling 2. - Niet-indexering van de gezinsbijslag in het jaar 2017
Section 2. - Non indexation de l'allocation familiale dans l'année 2017
Art. 15. De overschrijding van de spilindex die volgt op deze van mei 2016 wordt niet verrekend voor alle sociale uitkeringen met betrekking tot de gezinsbijslag binnen de begroting van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin waar de evolutie gekoppeld is aan de schommelingen van het prijsindexcijfer dat berekend en toegepast wordt zoals bepaald in de wet van 2 augustus 1971, houdende inrichting van een stelsel waarbij wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden te worden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.
Art. 15. Le dépassement de l'indice-pivot qui suit celui de mai 2016 n'est pas réglé pour toutes les allocations sociales relatives à l'allocation familiale au sein du budget du domaine politique Bien-Etre, Santé publique et Famille dont l'évolution est liée aux fluctuations de l'indice des prix qui est calculé et appliqué tel que visé à la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
Art. 16. Artikel 16, § 3, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers vindt, met betrekking tot de overschrijding van de spilindex die volgt op de overschrijding in mei 2016, geen toepassing voor de prestaties inzake de gezinsbijslag die worden toegekend door de Vlaamse Gemeenschap.
Art. 16. L'article 16, § 3, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés ne s'applique pas, en ce qui concerne le dépassement de l'indice-pivot qui suit celui de mai 2016, aux prestations en matière d'allocation familiale qui sont octroyées par la Communauté flamande.
HOOFDSTUK 8. - Cultuur, Jeugd, Sport en Media
CHAPITRE 8. - Culture, Jeunesse, Sport et Médias
Afdeling 1. - Aanpassing decreet betreffende de amateurkunsten van 22 december 2000 met het oog op een transparantere subsidieverstrekking
Section 1re. - Adaptation du décret du 22 décembre 2000 relatif aux arts amateurs, en vue d'un subventionnement plus transparent
Art. 17. In artikel 14 van het decreet betreffende de amateurkunsten van 22 december 2000 wordt paragraaf 2 vervangen door wat volgt:
" § 2. Het forum ontvangt een jaarlijkse subsidie-enveloppe. De Vlaamse Regering stelt die enveloppe per beleidsperiode vast. De subsidie-enveloppe bevat de nodige middelen voor de ondersteuning van de jaarlijkse personeels- en werkingskosten van de organisatie.".
" § 2. Het forum ontvangt een jaarlijkse subsidie-enveloppe. De Vlaamse Regering stelt die enveloppe per beleidsperiode vast. De subsidie-enveloppe bevat de nodige middelen voor de ondersteuning van de jaarlijkse personeels- en werkingskosten van de organisatie.".
Art. 17. Dans l'article 14 du décret du 22 décembre 2000 relatif aux arts amateurs, le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. Le forum perçoit une enveloppe subventionnelle annuelle. Le Gouvernement flamand fixe cette enveloppe par période de gestion. L'enveloppe subventionnelle comprend les moyens nécessaires pour l'appui des frais annuels de personnel et de fonctionnement de l'organisation. ".
" § 2. Le forum perçoit une enveloppe subventionnelle annuelle. Le Gouvernement flamand fixe cette enveloppe par période de gestion. L'enveloppe subventionnelle comprend les moyens nécessaires pour l'appui des frais annuels de personnel et de fonctionnement de l'organisation. ".
Afdeling 2. - Politieke jongerenbewegingen
Section 2. - Mouvements politiques de jeunes
Art. 18. In het decreet van 20 januari 2012 houdende een vernieuwd jeugd- en kinderrechtenbeleid wordt artikel 15 vervangen door wat volgt:
"Art. 15. § 1. De Vlaamse Regering erkent politieke jongerenbewegingen.
Een politieke jongerenbeweging komt voor erkenning in aanmerking als ze de jeugd stimuleert om actief burgerschap op te nemen en de jeugd sensibiliseert en vormt met het oog op haar participatie in de politieke besluitvorming, in de werking van een welbepaalde politieke partij en in het maatschappelijk debat.
Als politieke partij wordt beschouwd: de vereniging van natuurlijke personen, al dan niet met rechtspersoonlijkheid, die aan de door de Grondwet, de wet en het decreet bepaalde verkiezingen deelneemt, die overeenkomstig de wettelijke en decretale bepalingen over de verkiezingen van het Vlaams Parlement, de Kamer van volksvertegenwoordigers, de Senaat of het Europees Parlement kandidaten voorstelt en die, binnen de grenzen van de Grondwet, de wet en het decreet de volkswil beoogt te beïnvloeden op de wijze bepaald in haar statuten of haar programma.
Een politieke jongerenbeweging telt ten minste 100 leden, jonger dan eenendertig jaar. Het lidmaatschap dient te blijken uit een uitdrukkelijke, jaarlijkse wilsverklaring van betrokkene, die hierbij toestemming geeft tot de verwerking van zijn persoonsgegevens met het oog op de controle door de administratie op de gestelde erkenningsvoorwaarden. Het lidmaatschap mag niet automatisch volgen uit het lidmaatschap van een andere vereniging.
Politieke jongerenbewegingen kunnen in het kader van dit decreet uitsluitend op basis van dit artikel worden erkend.
Per politieke partij komt slechts één politieke jongerenbeweging in aanmerking voor erkenning.
§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt:
1° de nadere regels voor de indiening van de aanvraag tot erkenning als politieke jongerenbeweging;
2° de wijze waarop en de termijn waarbinnen de politieke jongerenbeweging op de hoogte gebracht wordt van de beslissing van de Vlaamse Regering om die politieke jongerenbeweging te erkennen of van het voornemen van de Vlaamse Regering om die politieke jongerenbeweging niet te erkennen;
3° de termijn waarin een politieke jongerenbeweging een gemotiveerd bezwaar kan indienen tegen het voornemen van de Vlaamse Regering om de door de vereniging aangevraagde erkenning te weigeren en de wijze waarop dit moet gebeuren. Als dat bezwaarschrift laattijdig of ongemotiveerd wordt ingediend, dan is het bezwaar onontvankelijk;
4° de termijn waarin de vereniging op de hoogte wordt gebracht van de onontvankelijkheid van haar bezwaarschrift;
5° de termijn waarin en de wijze waarop de politieke jongerenbeweging die een ontvankelijk bezwaar heeft ingediend tegen het voornemen van de Vlaamse Regering om de door haar aangevraagde erkenning te weigeren, op de hoogte gebracht wordt van de beslissing van de Vlaamse Regering over het ingediende bezwaar. Die termijn wordt gerekend vanaf het ogenblik waarop de vereniging haar ontvankelijk bezwaar heeft ingediend.
Met behoud van de toepassing van artikel 17/2 kan de Vlaamse Regering nadere voorwaarden bepalen voor de erkenning en voor het toezicht op de naleving van de erkenningsvoorwaarden.".
"Art. 15. § 1. De Vlaamse Regering erkent politieke jongerenbewegingen.
Een politieke jongerenbeweging komt voor erkenning in aanmerking als ze de jeugd stimuleert om actief burgerschap op te nemen en de jeugd sensibiliseert en vormt met het oog op haar participatie in de politieke besluitvorming, in de werking van een welbepaalde politieke partij en in het maatschappelijk debat.
Als politieke partij wordt beschouwd: de vereniging van natuurlijke personen, al dan niet met rechtspersoonlijkheid, die aan de door de Grondwet, de wet en het decreet bepaalde verkiezingen deelneemt, die overeenkomstig de wettelijke en decretale bepalingen over de verkiezingen van het Vlaams Parlement, de Kamer van volksvertegenwoordigers, de Senaat of het Europees Parlement kandidaten voorstelt en die, binnen de grenzen van de Grondwet, de wet en het decreet de volkswil beoogt te beïnvloeden op de wijze bepaald in haar statuten of haar programma.
Een politieke jongerenbeweging telt ten minste 100 leden, jonger dan eenendertig jaar. Het lidmaatschap dient te blijken uit een uitdrukkelijke, jaarlijkse wilsverklaring van betrokkene, die hierbij toestemming geeft tot de verwerking van zijn persoonsgegevens met het oog op de controle door de administratie op de gestelde erkenningsvoorwaarden. Het lidmaatschap mag niet automatisch volgen uit het lidmaatschap van een andere vereniging.
Politieke jongerenbewegingen kunnen in het kader van dit decreet uitsluitend op basis van dit artikel worden erkend.
Per politieke partij komt slechts één politieke jongerenbeweging in aanmerking voor erkenning.
§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt:
1° de nadere regels voor de indiening van de aanvraag tot erkenning als politieke jongerenbeweging;
2° de wijze waarop en de termijn waarbinnen de politieke jongerenbeweging op de hoogte gebracht wordt van de beslissing van de Vlaamse Regering om die politieke jongerenbeweging te erkennen of van het voornemen van de Vlaamse Regering om die politieke jongerenbeweging niet te erkennen;
3° de termijn waarin een politieke jongerenbeweging een gemotiveerd bezwaar kan indienen tegen het voornemen van de Vlaamse Regering om de door de vereniging aangevraagde erkenning te weigeren en de wijze waarop dit moet gebeuren. Als dat bezwaarschrift laattijdig of ongemotiveerd wordt ingediend, dan is het bezwaar onontvankelijk;
4° de termijn waarin de vereniging op de hoogte wordt gebracht van de onontvankelijkheid van haar bezwaarschrift;
5° de termijn waarin en de wijze waarop de politieke jongerenbeweging die een ontvankelijk bezwaar heeft ingediend tegen het voornemen van de Vlaamse Regering om de door haar aangevraagde erkenning te weigeren, op de hoogte gebracht wordt van de beslissing van de Vlaamse Regering over het ingediende bezwaar. Die termijn wordt gerekend vanaf het ogenblik waarop de vereniging haar ontvankelijk bezwaar heeft ingediend.
Met behoud van de toepassing van artikel 17/2 kan de Vlaamse Regering nadere voorwaarden bepalen voor de erkenning en voor het toezicht op de naleving van de erkenningsvoorwaarden.".
Art. 18. Dans le décret du 20 janvier 2012 relatif à une politique rénovée des droits de l'enfant et de la jeunesse, l'article 15 est remplacé par ce qui suit :
" Art. 15. § 1er. Le Gouvernement flamand agrée des mouvements politiques de jeunes.
Un mouvement politique de jeunes est éligible à l'agrément s'il encourage la jeunesse à assumer une citoyenneté active et s'il sensibilise et forme la jeunesse en vue de sa participation à la prise de décision politique, au fonctionnement d'un parti politique déterminé et au débat sociétal.
Est considéré comme un parti politique : l'association de personnes physiques, dotées ou non de la personnalité juridique, qui participe aux élections prévues par la Constitution, la loi et le décret, qui propose des candidats conformément aux dispositions légales et décrétales relatives aux élections du Parlement flamand, de la Chambre des Représentants, du Sénat ou du Parlement européen et qui, dans les limites de la Constitution, de la loi et du décret, vise à influencer la volonté populaire de la manière fixée dans ses statuts ou son programme.
Un mouvement politique de jeunes compte au moins 100 membres de moins de trente-et-un ans. L'affiliation doit être démontrée par une déclaration de volonté explicite annuelle de l'intéressé, autorisant le traitement de ses données personnelles en vue du contrôle par l'administration des conditions d'agrément définies. L'affiliation ne peut pas automatiquement résulter de l'affiliation à une autre association.
Dans le cadre du présent décret, les mouvements politiques de jeunes ne peuvent être agréés que sur la base du présent article.
Par parti politique, seul un mouvement politique de jeunes est éligible à l'agrément.
§ 2. Le Gouvernement flamand arrête :
1° les modalités de l'introduction de la demande d'agrément comme mouvement politique de jeunes ;
2° le mode et le délai de notification au mouvement politique de jeunes de la décision du Gouvernement flamand d'agréer ce mouvement politique de jeunes ou de l'intention du Gouvernement flamand de ne pas agréer ce mouvement politique de jeunes ;
3° le délai dans lequel un mouvement politique de jeunes peut introduire une réclamation motivée contre l'intention du Gouvernement flamand de refuser l'agrément demandé par l'association, ainsi que les modalités y afférentes. Si cette réclamation est introduite tardivement ou sans motivation, elle est irrecevable ;
4° le délai dans lequel l'association est informée de l'irrecevabilité de sa réclamation ;
5° le délai et le mode de notification de la décision du Gouvernement flamand relative à la réclamation introduite, au mouvement politique de jeunes ayant introduit une réclamation recevable contre l'intention du Gouvernement flamand de refuser l'agrément qu'il a demandé. Ce délai est calculé à partir du moment où l'association a introduit sa réclamation recevable.
Sans préjudice de l'application de l'article 17/2, le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités relatives à l'agrément et au contrôle du respect des conditions d'agrément. ".
" Art. 15. § 1er. Le Gouvernement flamand agrée des mouvements politiques de jeunes.
Un mouvement politique de jeunes est éligible à l'agrément s'il encourage la jeunesse à assumer une citoyenneté active et s'il sensibilise et forme la jeunesse en vue de sa participation à la prise de décision politique, au fonctionnement d'un parti politique déterminé et au débat sociétal.
Est considéré comme un parti politique : l'association de personnes physiques, dotées ou non de la personnalité juridique, qui participe aux élections prévues par la Constitution, la loi et le décret, qui propose des candidats conformément aux dispositions légales et décrétales relatives aux élections du Parlement flamand, de la Chambre des Représentants, du Sénat ou du Parlement européen et qui, dans les limites de la Constitution, de la loi et du décret, vise à influencer la volonté populaire de la manière fixée dans ses statuts ou son programme.
Un mouvement politique de jeunes compte au moins 100 membres de moins de trente-et-un ans. L'affiliation doit être démontrée par une déclaration de volonté explicite annuelle de l'intéressé, autorisant le traitement de ses données personnelles en vue du contrôle par l'administration des conditions d'agrément définies. L'affiliation ne peut pas automatiquement résulter de l'affiliation à une autre association.
Dans le cadre du présent décret, les mouvements politiques de jeunes ne peuvent être agréés que sur la base du présent article.
Par parti politique, seul un mouvement politique de jeunes est éligible à l'agrément.
§ 2. Le Gouvernement flamand arrête :
1° les modalités de l'introduction de la demande d'agrément comme mouvement politique de jeunes ;
2° le mode et le délai de notification au mouvement politique de jeunes de la décision du Gouvernement flamand d'agréer ce mouvement politique de jeunes ou de l'intention du Gouvernement flamand de ne pas agréer ce mouvement politique de jeunes ;
3° le délai dans lequel un mouvement politique de jeunes peut introduire une réclamation motivée contre l'intention du Gouvernement flamand de refuser l'agrément demandé par l'association, ainsi que les modalités y afférentes. Si cette réclamation est introduite tardivement ou sans motivation, elle est irrecevable ;
4° le délai dans lequel l'association est informée de l'irrecevabilité de sa réclamation ;
5° le délai et le mode de notification de la décision du Gouvernement flamand relative à la réclamation introduite, au mouvement politique de jeunes ayant introduit une réclamation recevable contre l'intention du Gouvernement flamand de refuser l'agrément qu'il a demandé. Ce délai est calculé à partir du moment où l'association a introduit sa réclamation recevable.
Sans préjudice de l'application de l'article 17/2, le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités relatives à l'agrément et au contrôle du respect des conditions d'agrément. ".
Art. 19. In artikel 17, § 5, van hetzelfde decreet wordt:
1° het eerste en het tweede lid opgeheven;
2° in het derde lid het woord "andere" opgeheven.
1° het eerste en het tweede lid opgeheven;
2° in het derde lid het woord "andere" opgeheven.
Art. 19. Dans l'article 17, § 5, du même décret :
1° les alinéas premier et deux sont abrogés ;
2° dans l'alinéa trois, le mot " autres " est abrogé.
1° les alinéas premier et deux sont abrogés ;
2° dans l'alinéa trois, le mot " autres " est abrogé.
Art. 20. In hetzelfde decreet wordt een artikel 17/2 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 17/2. § 1. Een politieke jongerenbeweging wordt erkend als zij:
1° een vereniging zonder winstoogmerk;
2° in haar werking de principes en de regels van de democratie aanvaardt is en ook de rechten van het kind en het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden onderschrijft en uitdraagt;
3° haar zetel heeft in het Nederlandse taalgebied of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad;
4° ervoor zorgt dat alle gegevens die verband houden met de erkenningsvoorwaarden op de zetel voorhanden zijn in het Nederlands en die ter beschikking stelt voor onderzoek door de administratie;
5° de bevoegdheden die wettelijk toekomen aan de algemene vergadering of aan de raad van bestuur, niet overdraagt aan een derde.
Vanaf het ogenblik dat de politieke jongerenbeweging erkend wordt:
1° werkt zij mee aan onderzoek dat door of namens de Vlaamse Regering wordt georganiseerd met het oog op het voeren van een jeugd- en kinderrechtenbeleid;
2° dient ze jaarlijks een door de algemene vergadering van de vereniging goedgekeurd verslag in, waaruit blijkt dat zij aan de erkenningsvoorwaarden voldoet.".
"Art. 17/2. § 1. Een politieke jongerenbeweging wordt erkend als zij:
1° een vereniging zonder winstoogmerk;
2° in haar werking de principes en de regels van de democratie aanvaardt is en ook de rechten van het kind en het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden onderschrijft en uitdraagt;
3° haar zetel heeft in het Nederlandse taalgebied of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad;
4° ervoor zorgt dat alle gegevens die verband houden met de erkenningsvoorwaarden op de zetel voorhanden zijn in het Nederlands en die ter beschikking stelt voor onderzoek door de administratie;
5° de bevoegdheden die wettelijk toekomen aan de algemene vergadering of aan de raad van bestuur, niet overdraagt aan een derde.
Vanaf het ogenblik dat de politieke jongerenbeweging erkend wordt:
1° werkt zij mee aan onderzoek dat door of namens de Vlaamse Regering wordt georganiseerd met het oog op het voeren van een jeugd- en kinderrechtenbeleid;
2° dient ze jaarlijks een door de algemene vergadering van de vereniging goedgekeurd verslag in, waaruit blijkt dat zij aan de erkenningsvoorwaarden voldoet.".
Art. 20. Dans le même décret, il est inséré un article 17/2, rédigé comme suit :
" Art. 17/2. § 1er. Pour être agréé comme mouvement politique de jeunes, l'association doit :
1° être une association sans but lucratif ;
2° s'agissant de ses activités, accepter les principes et les règles démocratiques, et également souscrire aux droits de l'enfant, à la Convention européenne des Droits de l'Homme et aux libertés fondamentales, et les diffuser ;
3° avoir son siège en région de langue néerlandaise ou dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale ;
4° assurer que toutes les données afférentes aux conditions d'agrément soient disponibles en néerlandais au siège et les mettre à la disposition de l'administration aux fins de vérification ;
5° ne pas céder à des tiers les compétences qui incombent légalement à l'assemblée générale ou au conseil d'administration.
A partir de son agrément, le mouvement politique de jeunes doit également :
1° collaborer à des enquêtes effectuées par ou au nom du Gouvernement flamand en vue de mener une politique des droits de l'enfant et de la jeunesse ;
2° annuellement introduire un rapport approuvé par l'assemblée générale de l'association, démontrant qu'elle répond aux conditions d'agrément. ".
" Art. 17/2. § 1er. Pour être agréé comme mouvement politique de jeunes, l'association doit :
1° être une association sans but lucratif ;
2° s'agissant de ses activités, accepter les principes et les règles démocratiques, et également souscrire aux droits de l'enfant, à la Convention européenne des Droits de l'Homme et aux libertés fondamentales, et les diffuser ;
3° avoir son siège en région de langue néerlandaise ou dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale ;
4° assurer que toutes les données afférentes aux conditions d'agrément soient disponibles en néerlandais au siège et les mettre à la disposition de l'administration aux fins de vérification ;
5° ne pas céder à des tiers les compétences qui incombent légalement à l'assemblée générale ou au conseil d'administration.
A partir de son agrément, le mouvement politique de jeunes doit également :
1° collaborer à des enquêtes effectuées par ou au nom du Gouvernement flamand en vue de mener une politique des droits de l'enfant et de la jeunesse ;
2° annuellement introduire un rapport approuvé par l'assemblée générale de l'association, démontrant qu'elle répond aux conditions d'agrément. ".
Art. 21. In hetzelfde decreet wordt een artikel 19/7 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 19/7. Politieke jongerenbewegingen die in 2016 gesubsidieerd werden op basis van artikel 15 van het decreet van 20 januari 2012 houdende een vernieuwd jeugd- en kinderrechtenbeleid worden per 1 januari 2017 erkend en blijven erkend zolang zij aan de erkenningsvoorwaarden voldoen.".
"Art. 19/7. Politieke jongerenbewegingen die in 2016 gesubsidieerd werden op basis van artikel 15 van het decreet van 20 januari 2012 houdende een vernieuwd jeugd- en kinderrechtenbeleid worden per 1 januari 2017 erkend en blijven erkend zolang zij aan de erkenningsvoorwaarden voldoen.".
Art. 21. Dans le même décret, il est inséré un article 19/7, rédigé comme suit :
" Art. 19/7. Les mouvements politiques de jeunes qui ont été subventionnés en 2016 sur la base de l'article 15 du décret du 20 janvier 2012 relatif à une politique rénovée des droits de l'enfant et de la jeunesse, sont agréés au 1er janvier 2017 et resteront agréés tant qu'ils répondent aux conditions d'agrément. ".
" Art. 19/7. Les mouvements politiques de jeunes qui ont été subventionnés en 2016 sur la base de l'article 15 du décret du 20 janvier 2012 relatif à une politique rénovée des droits de l'enfant et de la jeunesse, sont agréés au 1er janvier 2017 et resteront agréés tant qu'ils répondent aux conditions d'agrément. ".
Afdeling 3. - Opheffing Eigen Vermogen Frans Masereel Centrum
Section 3. - Abrogation Fonds propres Centre Frans Masereel
Art. 22. De artikelen 12 tot en met 14 van het koninklijk besluit van 13 juli 1972 houdende oprichting van het eigen vermogen van het Frans Masereel Centrum te Kasterlee, worden opgeheven.
Art. 22. Les articles 12 à 14 de l'arrêté royal du 13 juillet 1972 portant création des fonds propres du Centre Frans Masereel à Kasterlee, sont abrogés.
HOOFDSTUK 9. - Onderwijs en Vorming
CHAPITRE 9. - Enseignement et Formation
Afdeling 1. - Werkingsmiddelen basisonderwijs gemeenschapsonderwijs: technische correcties
Section 1re. - Moyens de fonctionnement de l'enseignement fondamental de l'enseignement communautaire : corrections techniques
Art. 23. In artikel 85, § 3, 1°, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 worden de woorden "in 2017" vervangen door de woorden "vanaf 2017".
Art. 23. Dans l'article 85, § 3, 1°, du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental, les mots " en 2017 " sont remplacés par les mots " à partir de 2017 ".
Art. 24. In artikel 86, § 3, 1°, van hetzelfde decreet worden de woorden "in 2017" vervangen door de woorden "vanaf 2017".
Art. 24. Dans l'article 86, § 3, 1°, du même décret, les mots " en 2017 " sont remplacés par les mots " à partir de 2017 ".
Afdeling 2. - Bevriezen - integratietoelage basisonderwijs
Section 2. - Gel de la subvention d'intégration enseignement fondamental
Art. 25. In het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 wordt een artikel 86ter ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 86ter. Met het oog op het in overeenstemming brengen van de integratietoelagen toegekend in het begrotingsjaar 2017 voor de leerlingen geïntegreerd onderwijs voor het schooljaar 2015-2016 worden in het begrotingsjaar 2017 volgende afwijkingen voorzien:
1° afwijking op artikelen 85bis en 85ter van het decreet basisonderwijs:
Van het werkingsbudget voor het buitengewoon onderwijs wordt in het begrotingsjaar 2017 4.259.000 euro afgehouden voor het werkingsbudget voor de integratietoelage voor GON-leerlingen, hierna BschK-GON te noemen. Dit bedrag wordt nog verhoogd met de loonkosten die jaarlijks vrijkomen door de toepassing van artikel 192, § 2;
2° afwijking op artikel 85quater, 2° en 3°, van het decreet basisonderwijs:
Voor alle scholen wordt per schoolkenmerk, vermeld in artikel 85quater, 1°, apart voor het aantal leerlingen van het buitengewoon basisonderwijs en apart voor het aantal leerlingen van het geïntegreerd onderwijs, op de respectievelijke teldata, het aantal leerlingen vermenigvuldigd met het overeenkomstige puntengewicht.
Het B-SchK wordt gedeeld door het totale aantal te verdelen punten voor buitengewoon basisonderwijs. Het quotiënt van die deling is de geldwaarde per punt voor schoolkenmerken voor buitengewoon basisonderwijs, hierna GPP-SchK te noemen.
Het BschK-GON wordt gedeeld door het totale aantal te verdelen punten voor het geïntegreerd onderwijs. Het quotiënt van die deling is de geldwaarde per punt voor schoolkenmerken voor geïntegreerd onderwijs, hierna GPP-SchKGON te noemen;
3° afwijking op artikel 86bis, tweede lid, van het decreet basisonderwijs:
De integratietoelage per school van het buitengewoon basisonderwijs is het resultaat van de vermenigvuldiging van het totale aantal punten per school zoals berekenend in het eerste lid met de GPP-SchKGON, als vermeld in punt 2°. ".
"Art. 86ter. Met het oog op het in overeenstemming brengen van de integratietoelagen toegekend in het begrotingsjaar 2017 voor de leerlingen geïntegreerd onderwijs voor het schooljaar 2015-2016 worden in het begrotingsjaar 2017 volgende afwijkingen voorzien:
1° afwijking op artikelen 85bis en 85ter van het decreet basisonderwijs:
Van het werkingsbudget voor het buitengewoon onderwijs wordt in het begrotingsjaar 2017 4.259.000 euro afgehouden voor het werkingsbudget voor de integratietoelage voor GON-leerlingen, hierna BschK-GON te noemen. Dit bedrag wordt nog verhoogd met de loonkosten die jaarlijks vrijkomen door de toepassing van artikel 192, § 2;
2° afwijking op artikel 85quater, 2° en 3°, van het decreet basisonderwijs:
Voor alle scholen wordt per schoolkenmerk, vermeld in artikel 85quater, 1°, apart voor het aantal leerlingen van het buitengewoon basisonderwijs en apart voor het aantal leerlingen van het geïntegreerd onderwijs, op de respectievelijke teldata, het aantal leerlingen vermenigvuldigd met het overeenkomstige puntengewicht.
Het B-SchK wordt gedeeld door het totale aantal te verdelen punten voor buitengewoon basisonderwijs. Het quotiënt van die deling is de geldwaarde per punt voor schoolkenmerken voor buitengewoon basisonderwijs, hierna GPP-SchK te noemen.
Het BschK-GON wordt gedeeld door het totale aantal te verdelen punten voor het geïntegreerd onderwijs. Het quotiënt van die deling is de geldwaarde per punt voor schoolkenmerken voor geïntegreerd onderwijs, hierna GPP-SchKGON te noemen;
3° afwijking op artikel 86bis, tweede lid, van het decreet basisonderwijs:
De integratietoelage per school van het buitengewoon basisonderwijs is het resultaat van de vermenigvuldiging van het totale aantal punten per school zoals berekenend in het eerste lid met de GPP-SchKGON, als vermeld in punt 2°. ".
Art. 25. Dans le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental, il est inséré un article 86ter, rédigé comme suit :
" Art. 86ter. En vue de faire correspondre les subventions d'intégration accordées dans l'année budgétaire 2017 pour les élèves de l'enseignement intégré pour l'année scolaire 2015-2016, les dérogations suivantes sont prévues dans l'année budgétaire 2017 :
1° dérogation aux articles 85bis et 85ter du décret relatif à l'enseignement fondamental :
Du budget de fonctionnement pour l'enseignement spécial, il sera retenu 4.259.000 euros dans l'année budgétaire 2017 pour le budget de fonctionnement pour la subvention d'intégration pour les élèves GON, dénommée ci-après " Bschk-GON ". Ce montant est encore majoré des charges salariales dégagées annuellement en application de l'article 192, § 2 ;
2° dérogation à l'article 85quater, point 2° et point 3°, du décret relatif à l'enseignement fondamental :
Pour toutes les écoles, par caractéristique de l'école, visée à l'article 85quater, 1°, séparément pour le nombre d'élèves de l'enseignement fondamental spécial et séparément pour le nombre d'élèves de l'enseignement intégré, aux dates de comptage respectives, le nombre d'élèves est multiplié par la pondération correspondante.
La B-SchK est divisée par le nombre total de points à répartir pour l'enseignement fondamental spécial. Le quotient de cette division est la valeur monétaire par point pour les caractéristiques de l'école pour l'enseignement fondamental spécial, dénommée ci-après " GPP-SchK ".
La BschK-GON est divisée par le nombre total de points à répartir pour l'enseignement intégré. Le quotient de cette division est la valeur monétaire par point pour les caractéristiques de l'école pour l'enseignement intégré, ci-après dénommée GPP-SchKGON.
3° dérogation à l'article 86bis, alinéa 2, du décret relatif à l'enseignement fondamental :
La subvention d'intégration par école de l'enseignement fondamental spécial est le produit de la multiplication du nombre total de points par école, tel que calculé au premier alinéa, par la GPP-SchKGON, telle que fixée au point 2°. ".
" Art. 86ter. En vue de faire correspondre les subventions d'intégration accordées dans l'année budgétaire 2017 pour les élèves de l'enseignement intégré pour l'année scolaire 2015-2016, les dérogations suivantes sont prévues dans l'année budgétaire 2017 :
1° dérogation aux articles 85bis et 85ter du décret relatif à l'enseignement fondamental :
Du budget de fonctionnement pour l'enseignement spécial, il sera retenu 4.259.000 euros dans l'année budgétaire 2017 pour le budget de fonctionnement pour la subvention d'intégration pour les élèves GON, dénommée ci-après " Bschk-GON ". Ce montant est encore majoré des charges salariales dégagées annuellement en application de l'article 192, § 2 ;
2° dérogation à l'article 85quater, point 2° et point 3°, du décret relatif à l'enseignement fondamental :
Pour toutes les écoles, par caractéristique de l'école, visée à l'article 85quater, 1°, séparément pour le nombre d'élèves de l'enseignement fondamental spécial et séparément pour le nombre d'élèves de l'enseignement intégré, aux dates de comptage respectives, le nombre d'élèves est multiplié par la pondération correspondante.
La B-SchK est divisée par le nombre total de points à répartir pour l'enseignement fondamental spécial. Le quotient de cette division est la valeur monétaire par point pour les caractéristiques de l'école pour l'enseignement fondamental spécial, dénommée ci-après " GPP-SchK ".
La BschK-GON est divisée par le nombre total de points à répartir pour l'enseignement intégré. Le quotient de cette division est la valeur monétaire par point pour les caractéristiques de l'école pour l'enseignement intégré, ci-après dénommée GPP-SchKGON.
3° dérogation à l'article 86bis, alinéa 2, du décret relatif à l'enseignement fondamental :
La subvention d'intégration par école de l'enseignement fondamental spécial est le produit de la multiplication du nombre total de points par école, tel que calculé au premier alinéa, par la GPP-SchKGON, telle que fixée au point 2°. ".
Afdeling 3. - Werkingsmiddelen secundair onderwijs gemeenschapsonderwijs: technische correcties
Section 3. - Moyens de fonctionnement enseignement secondaire enseignement communautaire : corrections techniques
Art. 26. In artikel 249, § 3, 1°, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, bekrachtigd bij het decreet van 27 mei 2011, worden de woorden "in 2017" vervangen door de woorden "vanaf 2017".
Art. 26. Dans l'article 249, § 3, 1° du code de l'Enseignement secondaire du 17 décembre 2010, ratifié par le décret du 27 mai 2011, les mots " en 2017 " sont remplacés par les mots " à partir de 2017 ".
Art. 27. In artikel 329, § 3, 1°, van dezelfde codex worden de woorden "in 2017" vervangen door de woorden "vanaf 2017".
Art. 27. Dans l'article 329, § 3, 1°, du même code, les mots " en 2017 " sont remplacés par les mots " à partir de 2017 ".
Afdeling 4. - Integratietoelage secundair onderwijs
Section 4. - Subvention d'intégration enseignement secondaire
Art. 28. In de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, bekrachtigd bij het decreet van 27 mei 2011, wordt een artikel 330/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 330/1. Met het oog op het in overeenstemming brengen van de integratietoelagen toegekend in het begrotingsjaar 2017 voor de leerlingen geïntegreerd onderwijs voor het schooljaar 2015-2016 worden in het begrotingsjaar 2017 volgende afwijkingen voorzien:
1° afwijking op artikelen 324 en 325 van de Codex Secundair Onderwijs:
Van het werkingsbudget voor het buitengewoon onderwijs wordt in het begrotingsjaar 2017 1.432.000 euro afgehouden voor het werkingsbudget voor de integratietoelage voor GON-leerlingen, hierna BschK-GON te noemen;
2° afwijking op artikel 326, 2° en 3°, van de Codex Secundair Onderwijs:
Voor alle scholen wordt per schoolkenmerk, vermeld in artikel 326, 1°, apart voor het aantal leerlingen van het buitengewoon secundair onderwijs en apart voor het aantal leerlingen van het geïntegreerd onderwijs, op de respectievelijke teldata, het aantal leerlingen vermenigvuldigd met het overeenkomstige puntengewicht.
Het B-SchK wordt gedeeld door het totale aantal te verdelen punten voor buitengewoon secundair onderwijs. Het quotiënt van die deling is de geldwaarde per punt voor schoolkenmerken voor buitengewoon secundair onderwijs, hierna GPP-SchK te noemen.
Het BschK-GON wordt gedeeld door het totale aantal te verdelen punten voor het geïntegreerd onderwijs. Het quotiënt van die deling is de geldwaarde per punt voor schoolkenmerken voor geïntegreerd onderwijs, hierna GPP-SchKGON te noemen;
3° afwijking op artikel 330, tweede lid, van de Codex Secundair Onderwijs:
De integratietoelage per school van het buitengewoon secundair onderwijs is het resultaat van de vermenigvuldiging van het totale aantal punten per school zoals berekenend in het eerste lid met de GPP-SchKGON, als vermeld in punt 2°. ".
"Art. 330/1. Met het oog op het in overeenstemming brengen van de integratietoelagen toegekend in het begrotingsjaar 2017 voor de leerlingen geïntegreerd onderwijs voor het schooljaar 2015-2016 worden in het begrotingsjaar 2017 volgende afwijkingen voorzien:
1° afwijking op artikelen 324 en 325 van de Codex Secundair Onderwijs:
Van het werkingsbudget voor het buitengewoon onderwijs wordt in het begrotingsjaar 2017 1.432.000 euro afgehouden voor het werkingsbudget voor de integratietoelage voor GON-leerlingen, hierna BschK-GON te noemen;
2° afwijking op artikel 326, 2° en 3°, van de Codex Secundair Onderwijs:
Voor alle scholen wordt per schoolkenmerk, vermeld in artikel 326, 1°, apart voor het aantal leerlingen van het buitengewoon secundair onderwijs en apart voor het aantal leerlingen van het geïntegreerd onderwijs, op de respectievelijke teldata, het aantal leerlingen vermenigvuldigd met het overeenkomstige puntengewicht.
Het B-SchK wordt gedeeld door het totale aantal te verdelen punten voor buitengewoon secundair onderwijs. Het quotiënt van die deling is de geldwaarde per punt voor schoolkenmerken voor buitengewoon secundair onderwijs, hierna GPP-SchK te noemen.
Het BschK-GON wordt gedeeld door het totale aantal te verdelen punten voor het geïntegreerd onderwijs. Het quotiënt van die deling is de geldwaarde per punt voor schoolkenmerken voor geïntegreerd onderwijs, hierna GPP-SchKGON te noemen;
3° afwijking op artikel 330, tweede lid, van de Codex Secundair Onderwijs:
De integratietoelage per school van het buitengewoon secundair onderwijs is het resultaat van de vermenigvuldiging van het totale aantal punten per school zoals berekenend in het eerste lid met de GPP-SchKGON, als vermeld in punt 2°. ".
Art. 28. Dans le code de l'Enseignement secondaire du 17 décembre 2010, ratifié par le décret du 27 mai 2011, il est inséré un article 330/1, rédigé comme suit :
" Art. 330/1. En vue de faire correspondre les subventions d'intégration accordées dans l'année budgétaire 2017 pour les élèves de l'enseignement intégré pour l'année scolaire 2015-2016, les dérogations suivantes sont prévues dans l'année budgétaire 2017 :
1° dérogation aux articles 324 et 325 du Code de l'Enseignement secondaire :
Du budget de fonctionnement pour l'enseignement spécial, il sera retenu 1.432.000 euros dans l'année budgétaire 2017 pour le budget de fonctionnement pour la subvention d'intégration pour les élèves GON, dénommée ci-après " Bschk-GON ".
2° dérogation à l'article 326, 2° et 3°, du Code de l'Enseignement secondaire :
Pour toutes les écoles, par caractéristique de l'école, visée à l'article 326, 1°, séparément pour le nombre d'élèves de l'enseignement secondaire spécial et séparément pour le nombre d'élèves de l'enseignement intégré, aux dates de comptage respectives, le nombre d'élèves est multiplié par la pondération correspondante.
La B-SchK est divisée par le nombre total de points à répartir pour l'enseignement secondaire spécial. Le quotient de cette division est la valeur monétaire par point pour les caractéristiques de l'école pour l'enseignement secondaire spécial, dénommée ci-après " GPP-SchK ".
La BschK-GON est divisée par le nombre total de points à répartir pour l'enseignement intégré. Le quotient de cette division est la valeur monétaire par point pour les caractéristiques de l'école pour l'enseignement intégré, ci-après dénommée GPP-SchKGON.
3° dérogation à l'article 330, alinéa 2, du Code de l'Enseignement secondaire :
La subvention d'intégration par école de l'enseignement secondaire spécial est le produit de la multiplication du nombre total de points par école, tel que calculé au premier alinéa, par la GPP-SchKGON, telle que fixée au point 2°. ".
" Art. 330/1. En vue de faire correspondre les subventions d'intégration accordées dans l'année budgétaire 2017 pour les élèves de l'enseignement intégré pour l'année scolaire 2015-2016, les dérogations suivantes sont prévues dans l'année budgétaire 2017 :
1° dérogation aux articles 324 et 325 du Code de l'Enseignement secondaire :
Du budget de fonctionnement pour l'enseignement spécial, il sera retenu 1.432.000 euros dans l'année budgétaire 2017 pour le budget de fonctionnement pour la subvention d'intégration pour les élèves GON, dénommée ci-après " Bschk-GON ".
2° dérogation à l'article 326, 2° et 3°, du Code de l'Enseignement secondaire :
Pour toutes les écoles, par caractéristique de l'école, visée à l'article 326, 1°, séparément pour le nombre d'élèves de l'enseignement secondaire spécial et séparément pour le nombre d'élèves de l'enseignement intégré, aux dates de comptage respectives, le nombre d'élèves est multiplié par la pondération correspondante.
La B-SchK est divisée par le nombre total de points à répartir pour l'enseignement secondaire spécial. Le quotient de cette division est la valeur monétaire par point pour les caractéristiques de l'école pour l'enseignement secondaire spécial, dénommée ci-après " GPP-SchK ".
La BschK-GON est divisée par le nombre total de points à répartir pour l'enseignement intégré. Le quotient de cette division est la valeur monétaire par point pour les caractéristiques de l'école pour l'enseignement intégré, ci-après dénommée GPP-SchKGON.
3° dérogation à l'article 330, alinéa 2, du Code de l'Enseignement secondaire :
La subvention d'intégration par école de l'enseignement secondaire spécial est le produit de la multiplication du nombre total de points par école, tel que calculé au premier alinéa, par la GPP-SchKGON, telle que fixée au point 2°. ".
Afdeling 5. - Indexeren lineaire bijstelling van de werkingsmiddelen hoger onderwijs
Section 5. - Indexation ajustement linéaire des moyens de fonctionnement de l'enseignement supérieur
Art. 29. Aan artikel III.24, § 7, van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, bekrachtigd bij het decreet van 20 december 2013, gewijzigd bij het decreet van 19 december 2014, wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Dit bedrag wordt vanaf het begrotingsjaar 2017 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9.".
"Dit bedrag wordt vanaf het begrotingsjaar 2017 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9.".
Art. 29. L'article III.24, § 7, du Code de l'Enseignement supérieur du 11 octobre 2013, ratifié par le décret du 20 décembre 2013, modifié par le décret du 19 décembre 2014, est complété par un alinéa 2, rédigé comme suit :
" A partir de l'année budgétaire 2017, ces montants sont indexés au moyen de la formule d'indexation visée à l'article III.5, § 9. ".
" A partir de l'année budgétaire 2017, ces montants sont indexés au moyen de la formule d'indexation visée à l'article III.5, § 9. ".
Afdeling 6. - Uitbreiding toepassingsgebied fonds Hoger Onderwijs
Section 6. - Extension champ d'application fonds Enseignement supérieur
Art. 30. In artikel III.36 van de Codex Hoger Onderwijs worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt het woord "recuperatiefonds" vervangen door de woorden "fonds Hoger Onderwijs";
2° in paragraaf 1 wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:
"Het fonds is een begrotingsfonds in de zin van artikel 12 van het decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle door het Rekenhof.";
3° in paragraaf 1 wordt het derde lid vervangen door wat volgt:
"De middelen van het fonds worden aangewend voor:
a. de betaling van de werkingsuitkeringen aan de hogescholen;
b. de betaling van de investeringstoelagen aan de hogescholen en universiteiten in het kader van het Vlaams Klimaatbeleidsplan;
c. de betaling van andere uitgaven ten voordele van het Vlaamse hoger onderwijs.";
4° in paragraaf 2 wordt na de zinsnede "artikel V.298 en V.299" de zinsnede ", alsook de middelen ontvangen vanuit het Vlaams Klimaatfonds zoals vermeld in artikel 14 van het decreet van 13 juli 2012 houdende bepalingen tot begeleiding van de tweede aanpassing van de begroting 2012" ingevoegd;
5° paragraaf 5 wordt opgeheven.
1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt het woord "recuperatiefonds" vervangen door de woorden "fonds Hoger Onderwijs";
2° in paragraaf 1 wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:
"Het fonds is een begrotingsfonds in de zin van artikel 12 van het decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle door het Rekenhof.";
3° in paragraaf 1 wordt het derde lid vervangen door wat volgt:
"De middelen van het fonds worden aangewend voor:
a. de betaling van de werkingsuitkeringen aan de hogescholen;
b. de betaling van de investeringstoelagen aan de hogescholen en universiteiten in het kader van het Vlaams Klimaatbeleidsplan;
c. de betaling van andere uitgaven ten voordele van het Vlaamse hoger onderwijs.";
4° in paragraaf 2 wordt na de zinsnede "artikel V.298 en V.299" de zinsnede ", alsook de middelen ontvangen vanuit het Vlaams Klimaatfonds zoals vermeld in artikel 14 van het decreet van 13 juli 2012 houdende bepalingen tot begeleiding van de tweede aanpassing van de begroting 2012" ingevoegd;
5° paragraaf 5 wordt opgeheven.
Art. 30. A l'article III.36 du Code de l'Enseignement supérieur les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le § 1er, alinéa 1er, les mots " fonds de récupération " sont remplacés par les mots " fonds Enseignement supérieur " ;
2° dans le paragraphe 1er, l'alinéa deux est remplacé par ce qui suit :
" Le Fonds est un fonds budgétaire au sens de l'article 12 du décret du 8 juillet 2011 réglant le budget, la comptabilité, l'attribution de subventions et le contrôle de leur utilisation, et le contrôle par la Cour des Comptes. " ;
3° dans le paragraphe 1er, l'alinéa trois est remplacé par ce qui suit :
" Les moyens du Fonds peuvent être affectés :
a. au paiement des allocations de fonctionnement aux instituts supérieurs ;
b. au paiement des subventions d'investissement aux instituts supérieurs et universités dans le cadre du Plan politique flamand Climat ;
c. au paiement d'autres dépenses au profit de l'enseignement supérieur flamand. " ;
4° dans le § 2, le membre de phrase " , ainsi que les moyens reçus du " Vlaams Klimaatfonds ", tels que visés à l'article 14 du décret du 13 juillet 2012 contenant diverses mesures d'accompagnement du deuxième ajustement du budget 2012 " est inséré après le membre de phrase " articles V.298 et V.299 " ;
5° le paragraphe 5 est abrogé.
1° dans le § 1er, alinéa 1er, les mots " fonds de récupération " sont remplacés par les mots " fonds Enseignement supérieur " ;
2° dans le paragraphe 1er, l'alinéa deux est remplacé par ce qui suit :
" Le Fonds est un fonds budgétaire au sens de l'article 12 du décret du 8 juillet 2011 réglant le budget, la comptabilité, l'attribution de subventions et le contrôle de leur utilisation, et le contrôle par la Cour des Comptes. " ;
3° dans le paragraphe 1er, l'alinéa trois est remplacé par ce qui suit :
" Les moyens du Fonds peuvent être affectés :
a. au paiement des allocations de fonctionnement aux instituts supérieurs ;
b. au paiement des subventions d'investissement aux instituts supérieurs et universités dans le cadre du Plan politique flamand Climat ;
c. au paiement d'autres dépenses au profit de l'enseignement supérieur flamand. " ;
4° dans le § 2, le membre de phrase " , ainsi que les moyens reçus du " Vlaams Klimaatfonds ", tels que visés à l'article 14 du décret du 13 juillet 2012 contenant diverses mesures d'accompagnement du deuxième ajustement du budget 2012 " est inséré après le membre de phrase " articles V.298 et V.299 " ;
5° le paragraphe 5 est abrogé.
Afdeling 7. - Bestendiging middelen bijkomende financiering voor de instellingen hoger onderwijs met een vestigingsplaats in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad
Section 7. - Continuité des moyens pour le financement supplémentaire pour les institutions d'enseignement supérieur ayant une implantation en région bilingue de Bruxelles-Capitale
Art. 31. In artikel III.41, § 1, van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, bekrachtigd bij het decreet van 20 december 2013, gewijzigd bij de decreten van 25 april 2014 en 18 december 2015, worden in het zesde lid de woorden "In de begrotingsjaren 2015 en 2016" vervangen door de woorden "Vanaf het begrotingsjaar 2015".
Art. 31. Dans l'article III.41, § 1er, du Code de l'Enseignement supérieur du 11 octobre 2013, ratifié par le décret du 20 décembre 2013, modifié par les décrets des 25 avril 2014 et 18 décembre 2015, dans l'alinéa 6, les mots " Dans les années budgétaires 2015 et 2016 " sont remplacés par les mots " A partir de l'année budgétaire 2015 ".
Afdeling 8. - Bijkomende middelen praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek aan de hogescholen
Section 8. - Moyens supplémentaires recherche scientifique appliquée à la pratique aux instituts supérieurs
Art. 32. In artikel III.45, § 1, van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, bekrachtigd bij het decreet van 20 december 2013, wordt in het tweede en derde lid het woord "jaarlijks" geschrapt en wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Vanaf het begrotingsjaar 2017 wordt een bedrag van minstens 10.000.000 euro toegevoegd voor het praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek. Dit bedrag wordt vanaf het begrotingsjaar 2018 geïndexeerd aan de hand van de formule, vermeld in artikel III.5, § 9.".
"Vanaf het begrotingsjaar 2017 wordt een bedrag van minstens 10.000.000 euro toegevoegd voor het praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek. Dit bedrag wordt vanaf het begrotingsjaar 2018 geïndexeerd aan de hand van de formule, vermeld in artikel III.5, § 9.".
Art. 32. Dans l'article III.45, § 1er, du Code de l'Enseignement supérieur du 11 octobre 2013, ratifié par le décret du 20 décembre 2013, dans les alinéas 2 et 3, le mot " annuellement " est supprimé, et il est ajouté un alinéa 4, rédigé comme suit :
" A partir de l'année budgétaire 2017, un montant minimal de 10.000.000 euros est ajouté pour la recherche scientifique appliquée à la pratique. A partir de l'année budgétaire 2018, ce montant est indexé au moyen de la formule visée à l'article III.5, § 9. ".
" A partir de l'année budgétaire 2017, un montant minimal de 10.000.000 euros est ajouté pour la recherche scientifique appliquée à la pratique. A partir de l'année budgétaire 2018, ce montant est indexé au moyen de la formule visée à l'article III.5, § 9. ".
Afdeling 9. - Aanpassing bijdrage wettelijke en conventionele werkgeversbijdragen universiteiten
Section 9. - Adaptation contribution cotisations patronales légales et conventionnelles universités
Art. 33. Aan artikel III.58 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, bekrachtigd bij het decreet van 20 december 2013, gewijzigd bij het decreet van 17 juni 2016, wordt een paragraaf 5 toegevoegd, die luidt als volgt:
" § 5. Naast de bedragen, vermeld in paragraaf 1 en 2, ontvangen vanaf het begrotingsjaar 2017 de volgende universiteiten de hierna vermelde bijkomende uitkering, uitgedrukt in euro, als bijdrage in het dekken van de kosten, vermeld in paragraaf 1 en 2:
a) Katholieke Universiteit Leuven 714.551,84
b) Vrije Universiteit Brussel 236.277,78
c) Universiteit Antwerpen 40.159,42
d) Universiteit Hasselt 9.010,96
Vanaf het begrotingsjaar 2018 volgen deze bedragen de evolutie van de gezondheidsindex.".
" § 5. Naast de bedragen, vermeld in paragraaf 1 en 2, ontvangen vanaf het begrotingsjaar 2017 de volgende universiteiten de hierna vermelde bijkomende uitkering, uitgedrukt in euro, als bijdrage in het dekken van de kosten, vermeld in paragraaf 1 en 2:
a) Katholieke Universiteit Leuven 714.551,84
b) Vrije Universiteit Brussel 236.277,78
c) Universiteit Antwerpen 40.159,42
d) Universiteit Hasselt 9.010,96
Vanaf het begrotingsjaar 2018 volgen deze bedragen de evolutie van de gezondheidsindex.".
Art. 33. L'article III.58 du Code de l'Enseignement supérieur du 11 octobre 2013, ratifié par le décret du 20 décembre 2013, modifié par le décret du 17 juin 2016, est complété par un paragraphe 5, rédigé comme suit :
" § 5. Outre les montants visés aux paragraphes 1er et 2, à partir de l'année budgétaire 2017, les universités suivantes reçoivent l'allocation supplémentaire suivante, exprimée en euros, à titre d'intervention dans les frais visés aux paragraphes 1er et 2 :
a) Katholieke Universiteit Leuven 714.551,84
b) Vrije Universiteit Brussel 236.277,78
c) Universiteit Antwerpen 40.159,42
d) Universiteit Hasselt 9.010,96
A partir de l'année budgétaire 2018, ces montants sont adaptés à l'évolution de l'indice santé. ".
" § 5. Outre les montants visés aux paragraphes 1er et 2, à partir de l'année budgétaire 2017, les universités suivantes reçoivent l'allocation supplémentaire suivante, exprimée en euros, à titre d'intervention dans les frais visés aux paragraphes 1er et 2 :
a) Katholieke Universiteit Leuven 714.551,84
b) Vrije Universiteit Brussel 236.277,78
c) Universiteit Antwerpen 40.159,42
d) Universiteit Hasselt 9.010,96
A partir de l'année budgétaire 2018, ces montants sont adaptés à l'évolution de l'indice santé. ".
Afdeling 10. - Opheffen van het Fonds MOD Onderwijs en Vorming
Section 10. - Abrogation du " Fonds MOD Onderwijs en Vorming "
Art. 34. In het decreet van 9 juli 2010 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2010 wordt afdeling VI. Fonds MOD Onderwijs en Vorming, dat bestaat uit artikel 9 opgeheven.
Art. 34. Dans le décret du 9 juillet 2010 contenant diverses mesures d'accompagnement de l'ajustement du budget 2010, la Section VI. " Fonds MOD Onderwijs en Vorming ", comprenant l'article 9, est abrogée.
Afdeling 11. - Inhaalbeweging in de schoolinfrastructuur
Section 11. - Mouvement de rattrapage pour l'infrastructure scolaire
Art. 35. Aan artikel 14, § 1, van het decreet van 18 december 2009 houdende bepalingen tot begeleiding van de derde aanpassing van de begroting 2009 wordt een tweede lid toegevoegd dat luidt als volgt:
"Het Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs is er ook toe gemachtigd om verbintenissen aan te gaan die meebrengen dat het in het eerste lid bedoelde maximum van 100 miljoen euro per jaar wordt overschreden, maar in dat geval wordt de reguliere begrotingsmachtiging van het Agentschap of het Gemeenschapsonderwijs, naargelang het geval, geblokkeerd ten belope van het bedrag van de overschrijding.".
"Het Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs is er ook toe gemachtigd om verbintenissen aan te gaan die meebrengen dat het in het eerste lid bedoelde maximum van 100 miljoen euro per jaar wordt overschreden, maar in dat geval wordt de reguliere begrotingsmachtiging van het Agentschap of het Gemeenschapsonderwijs, naargelang het geval, geblokkeerd ten belope van het bedrag van de overschrijding.".
Art. 35. L'article 14, § 1er, du décret du 18 décembre 2009 contenant diverses mesures d'accompagnement du troisième ajustement du budget 2009, est complété par un alinéa 2, rédigé comme suit :
" L'Agence de l'Infrastructure dans l'Enseignement est également autorisée à contracter des engagements impliquant le dépassement du maximum de 100 millions euros par année, visé à l'alinéa 1er, mais dans ce cas, l'autorisation budgétaire régulière de l'Agence ou de l'Enseignement communautaire, selon le cas, est bloquée à concurrence du montant du dépassement. ".
" L'Agence de l'Infrastructure dans l'Enseignement est également autorisée à contracter des engagements impliquant le dépassement du maximum de 100 millions euros par année, visé à l'alinéa 1er, mais dans ce cas, l'autorisation budgétaire régulière de l'Agence ou de l'Enseignement communautaire, selon le cas, est bloquée à concurrence du montant du dépassement. ".
Afdeling 12. - Verlenging bijkomende middelen in kader van de asielcrisis
Section 12. - Prolongation moyens supplémentaires dans le cadre de la crise de l'asile
Art. 36. Aan artikel 196sexies, § 1, van het decreet betreffende het volwassenenonderwijs van 15 juni 2007, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2015, wordt een tweede lid toegevoegd dat luidt als volgt:
"Ten laste van het begrotingsjaar 2017 worden 56.879 aanvullende leraarsuren, 831 aanvullende punten en een bedrag van 513.031,18 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 65 aanvullende vte, 1074 aanvullende punten en een bedrag van 769.546,77 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor basiseducatie toegekend.".
"Ten laste van het begrotingsjaar 2017 worden 56.879 aanvullende leraarsuren, 831 aanvullende punten en een bedrag van 513.031,18 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 65 aanvullende vte, 1074 aanvullende punten en een bedrag van 769.546,77 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor basiseducatie toegekend.".
Art. 36. L'article 196sexies, § 1er, du décret relatif à l'éducation des adultes du 15 juin 2007, inséré par le décret du 18 décembre 2015, est complété par un alinéa 2, rédigé comme suit :
" A charge de l'année budgétaire 2017, 56.879 périodes/enseignant complémentaires, 831 points complémentaires et un montant de 513.031,18 euros de moyens de fonctionnement sont octroyés aux centres d'éducation des adultes, et 65 ETP complémentaires, 1.074 points complémentaires et un montant de 769.546,77 euros de moyens de fonctionnement sont octroyés aux centres d'éducation de base. ".
" A charge de l'année budgétaire 2017, 56.879 périodes/enseignant complémentaires, 831 points complémentaires et un montant de 513.031,18 euros de moyens de fonctionnement sont octroyés aux centres d'éducation des adultes, et 65 ETP complémentaires, 1.074 points complémentaires et un montant de 769.546,77 euros de moyens de fonctionnement sont octroyés aux centres d'éducation de base. ".
Afdeling 13. - Kinderdagverblijven van het gemeenschapsonderwijs in het tweetalig hoofdstedelijk gebied Brussel
Section 13. - Garderies de l'enseignement communautaire dans la Région bilingue de Bruxelles-Capitale
Art. 37. Aan artikel X.22. van het decreet betreffende onderwijs XIV van 14 februari 2003 wordt een tweede tot en met een zesde lid toegevoegd die luiden als volgt:
"Vanaf 1 januari 2017 wordt de op 1 juni 2016 door de Vlaamse onderwijsbegroting gefinancierde personeelsformatie van 811 uren in het ambt van verpleger en 5832 uren in het ambt van kinderverzorger als vast benoemd of contractueel titularis in de peutertuinen en kinderdagverblijven van het gemeenschapsonderwijs in het tweetalig hoofdstedelijk gebied Brussel geleidelijk afgebouwd.
Telkens wanneer een vast benoemde of contractueel aangestelde titularis uit dienst treedt, vermindert het toegestane volume financierbare uren met het aantal financierbare uren dat betrokkene presteerde.
Deze afbouwregeling geldt totdat het aantal uren dat gefinancierd wordt binnen de begroting Onderwijs nog 2880 uren, voor de totaliteit van de beide ambten van verpleger en kinderverzorger, bedraagt.
Telkens een vast benoemde of contractueel aangestelde titularis voltijds of deeltijds afwezig is voor een periode en het totaal aantal gefinancierde uren niet gedaald is tot onder de 2880 uren, voor de totaliteit van de beide ambten van verpleger en kinderverzorger, kan geen vervanger worden aangesteld die een salaris ontvangt van het agentschap onderwijsdiensten.
De middelen die jaarlijks vrijkomen door toepassing van het derde en het vijfde lid worden geherinvesteerd in de onderwijsbegroting.".
"Vanaf 1 januari 2017 wordt de op 1 juni 2016 door de Vlaamse onderwijsbegroting gefinancierde personeelsformatie van 811 uren in het ambt van verpleger en 5832 uren in het ambt van kinderverzorger als vast benoemd of contractueel titularis in de peutertuinen en kinderdagverblijven van het gemeenschapsonderwijs in het tweetalig hoofdstedelijk gebied Brussel geleidelijk afgebouwd.
Telkens wanneer een vast benoemde of contractueel aangestelde titularis uit dienst treedt, vermindert het toegestane volume financierbare uren met het aantal financierbare uren dat betrokkene presteerde.
Deze afbouwregeling geldt totdat het aantal uren dat gefinancierd wordt binnen de begroting Onderwijs nog 2880 uren, voor de totaliteit van de beide ambten van verpleger en kinderverzorger, bedraagt.
Telkens een vast benoemde of contractueel aangestelde titularis voltijds of deeltijds afwezig is voor een periode en het totaal aantal gefinancierde uren niet gedaald is tot onder de 2880 uren, voor de totaliteit van de beide ambten van verpleger en kinderverzorger, kan geen vervanger worden aangesteld die een salaris ontvangt van het agentschap onderwijsdiensten.
De middelen die jaarlijks vrijkomen door toepassing van het derde en het vijfde lid worden geherinvesteerd in de onderwijsbegroting.".
Art. 37. L'article X.22 du décret relatif à l'enseignement XIV du 14 février 2003, est complété par les alinéas 2 à 6 inclus, rédigés comme suit :
" A partir du 1er janvier 2017, le cadre organique financé par le budget flamand de l'enseignement le 1er juin 2016, de 811 heures dans la fonction d'infirmier et de 5832 heures dans la fonction de puériculteur en tant que titulaire statutaire ou contractuel dans les prégardiennats et garderies de l'enseignement communautaire en région bilingue de Bruxelles-Capitale, est progressivement supprimé.
Chaque fois qu'un titulaire statutaire ou contractuel quitte le service, le volume autorisé d'heures admises au financement est diminué du nombre d'heures admises au financement que l'intéressé effectuait.
Ce régime de cessation progressive vaut jusqu'à ce que le nombre d'heures qui est financé au sein du budget de l'Enseignement, s'élève à 2880 heures pour la totalité des deux fonctions d'infirmier et de puériculteur.
Chaque fois qu'un titulaire statutaire ou contractuel est absent à temps plein ou partiel pour une période, et le nombre total d'heures financées n'a pas baissé en dessous de 2880 heures, pour la totalité des deux fonctions d'infirmier et de puériculteur, aucun remplaçant ne peut être désigné qui reçoit un traitement de l' " Agentschap voor Onderwijsdiensten ".
Les moyens dégagés annuellement en application des alinéas 3 et 5 sont réinvestis dans le budget de l'enseignement. ".
" A partir du 1er janvier 2017, le cadre organique financé par le budget flamand de l'enseignement le 1er juin 2016, de 811 heures dans la fonction d'infirmier et de 5832 heures dans la fonction de puériculteur en tant que titulaire statutaire ou contractuel dans les prégardiennats et garderies de l'enseignement communautaire en région bilingue de Bruxelles-Capitale, est progressivement supprimé.
Chaque fois qu'un titulaire statutaire ou contractuel quitte le service, le volume autorisé d'heures admises au financement est diminué du nombre d'heures admises au financement que l'intéressé effectuait.
Ce régime de cessation progressive vaut jusqu'à ce que le nombre d'heures qui est financé au sein du budget de l'Enseignement, s'élève à 2880 heures pour la totalité des deux fonctions d'infirmier et de puériculteur.
Chaque fois qu'un titulaire statutaire ou contractuel est absent à temps plein ou partiel pour une période, et le nombre total d'heures financées n'a pas baissé en dessous de 2880 heures, pour la totalité des deux fonctions d'infirmier et de puériculteur, aucun remplaçant ne peut être désigné qui reçoit un traitement de l' " Agentschap voor Onderwijsdiensten ".
Les moyens dégagés annuellement en application des alinéas 3 et 5 sont réinvestis dans le budget de l'enseignement. ".
Art. 38. Artikel X.25 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.
Art. 38. L'article X.25 du même décret est abrogé.
Afdeling 14. - Middelenfonds
Section 14. - " Middelenfonds " (Fonds des moyens)
Art. 39. In artikel 55, § 1, van het decreet van 18 december 2015 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2016 worden tussen de woorden "salaristoelage" en "van" de woorden "en andere ontvangsten" toegevoegd.
Art. 39. Dans l'article 55, § 1er, du décret du 18 décembre 2015 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2016, le membre de phrase " et autres recettes " est inséré entre les mots " subventions-traitements recouvrés " et le mot " du ".
Art. 40. Aan artikel 55, § 3, van hetzelfde decreet wordt de zinsnede "en andere onderwijsgerelateerde ontvangsten." toegevoegd.
Art. 40. L'article 55, § 3, du même décret est complété par le membre de phrase " , et d'autres recettes relatives à l'enseignement ".
HOOFDSTUK 10. - Financiën en Begroting
CHAPITRE 10. - Finances et Budget
Afdeling 1. - Vermindering van de onroerende voorheffing wat de ingrijpende energetische renovatie betreft
Section 1re. - Diminution du précompte immobilier en ce qui concerne la rénovation énergétique substantielle
Art. 41. In artikel 2.1.5.0.1, § 2, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, gewijzigd bij de decreten van 19 december 2014 en 18 december 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid worden punt 4° en 5° vervangen door wat volgt:
"4° 50% van de onroerende voorheffing gedurende vijf jaar voor gebouwde onroerende goederen waarvoor de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning is ingediend na 31 december 2012 en die op 1 januari van het aanslagjaar ten hoogste een E-peil hebben volgens de volgende tabel:
1° in het eerste lid worden punt 4° en 5° vervangen door wat volgt:
"4° 50% van de onroerende voorheffing gedurende vijf jaar voor gebouwde onroerende goederen waarvoor de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning is ingediend na 31 december 2012 en die op 1 januari van het aanslagjaar ten hoogste een E-peil hebben volgens de volgende tabel:
Art. 41. A l'article 2.1.5.0.1, § 2, du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013, modifié par les décrets des 19 décembre 2014 et 18 décembre 2015, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 1er, les points 4° et 5° sont remplacés par ce qui suit :
" 4° de 50% du précompte immobilier pendant cinq ans pour des biens immeubles bâtis pour lesquels la demande d'autorisation urbanistique est introduite après le 31 décembre 2012 et dont, le 1er janvier de l'année d'imposition, le niveau E maximal s'élève aux niveaux du tableau suivant :
1° dans l'alinéa 1er, les points 4° et 5° sont remplacés par ce qui suit :
" 4° de 50% du précompte immobilier pendant cinq ans pour des biens immeubles bâtis pour lesquels la demande d'autorisation urbanistique est introduite après le 31 décembre 2012 et dont, le 1er janvier de l'année d'imposition, le niveau E maximal s'élève aux niveaux du tableau suivant :
| datum aanvraag stedenbouwkundige vergunning | E-peil nieuwbouw | E-peil ingrijpende energetische renovatie |
| vanaf 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013 | E50 | / |
| vanaf 1 januari 2014 tot en met 31 december 2015 | E40 | / |
| Vanaf 1 januari 2016 tot en met 30 september 2016 | E30 | / |
| vanaf 1 oktober 2016 | E30 | E90 |
tot en met 31 december 2013 E50 /vanaf 1 januari 2014
tot en met 31 december 2015 E40 /Vanaf 1 januari 2016
tot en met 30 september 2016 E30 /vanaf 1 oktober 2016 E30E90
5° 100% van de onroerende voorheffing gedurende vijf jaar voor gebouwde onroerende goederen waarvoor de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning is ingediend na 31 december 2012 en die op 1 januari van het aanslagjaar een E-peil hebben volgens de volgende tabel:
| Date de demande Autorisation urbanistique | Niveau E constructions nouvelles | Niveau E rénovation énergétique substantielle |
| à partir du 1er janvier 2016 au 31 décembre 2013 | E50 | / |
| à partir du 1er janvier 2014 au 31 décembre 2015 | E40 | / |
| à partir du 1er janvier 2016 au 30 septembre 2016 | E30 | / |
| à partir du 1er octobre 2016 | E30 | E90 |
au 31 décembre 2013 E50 /à partir du 1er janvier 2014
au 31 décembre 2015 E40 /à partir du 1er janvier 2016 au 30 septembre 2016 E30 /à partir du 1er octobre 2016 E30 E90
5° de 100% du précompte immobilier pendant cinq ans pour des biens immeubles bâtis pour lesquels la demande d'autorisation urbanistique est introduite après le 31 décembre 2012 et dont, le 1er janvier de l'année d'imposition, le niveau E maximal s'élève aux niveaux du tableau suivant :
| datum aanvraag stedenbouwkundigevergunning | E-peil nieuwbouw | E-peil ingrijpende energetische renovatie |
| datum aanvraag stedenbouwkundige vergunning | E-peil nieuwbouw | E-peil ingrijpendeenergetische renovatie |
| vanaf 1 januari 2013 tot en met 31 december 2014 | E30 | / |
| Vanaf 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015 | E30 | / |
| Vanaf 1 januari 2016 tot en met 30 september 2016 | E20 | / |
| vanaf 1 oktober 2016 | E20 | E60 |
.";
2° het zesde lid, tweede zin, wordt vervangen door wat volgt:
"De verminderingen worden alleen toegekend als het gaat om renovatie of nieuwbouw als vermeld in artikel 1.1.1, § 2, 50° en 110°, van het Energiebesluit van 19 november 2010.".
| Date de demande Autorisation urbanistique | Niveau E constructions nouvelles | Niveau E rénovation énergétique substantielle |
| à partir du 1er janvier 2013 au 31 décembre 2014 | E30 | / |
| à partir du 1er janvier 2015 au 31 décembre 2015 | E30 | / |
| à partir du 1er janvier 2016 au 30 septembre 2016 | E20 | / |
| à partir du 1er octobre 2016 | E20 | E60 |
. ";
2° l'alinéa six, deuxième phrase, est remplacé par ce qui suit :
" Les réductions ne sont accordées que lorsqu'il s'agit de nouvelles constructions ou de rénovation, telles que visées à l'article 1.1.1, § 2, 50° et 110° de l'Arrêté relatif à l'Energie du 19 novembre 2010. ".
Afdeling 2. - Wijziging aan bepaalde vrijstellingsregelingen wat de onroerende voorheffing betreft
Section 2. - Modification de certains régimes d'exonération en ce qui concerne le précompte immobilier
Art. 42. In artikel 2.1.6.0.1 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, gewijzigd bij het decreet van 20 december 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid, 9°, eerste zin, wordt het jaartal "2017" vervangen door het jaartal "2020";
2° aan het tweede lid wordt een zin toegevoegd, die luidt als volgt:
"Bij de beoordeling van de voorwaarde dat de goederen op zichzelf niets mogen opbrengen wordt geen rekening gehouden met het feit dat deze onroerende goederen worden gebruikt voor het installeren van hernieuwbare energietechnologieën zoals vermeld in het Energiedecreet van 8 mei 2009, zelfs indien de belastingschuldige daarvoor een vergoeding krijgt van een derde partij.".
1° in het eerste lid, 9°, eerste zin, wordt het jaartal "2017" vervangen door het jaartal "2020";
2° aan het tweede lid wordt een zin toegevoegd, die luidt als volgt:
"Bij de beoordeling van de voorwaarde dat de goederen op zichzelf niets mogen opbrengen wordt geen rekening gehouden met het feit dat deze onroerende goederen worden gebruikt voor het installeren van hernieuwbare energietechnologieën zoals vermeld in het Energiedecreet van 8 mei 2009, zelfs indien de belastingschuldige daarvoor een vergoeding krijgt van een derde partij.".
Art. 42. A l'article 2.1.6.0.1 du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013, modifié par le décret du 20 décembre 2013, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 1er, point 9°, première phrase, l'année " 2017 " est remplacée par l'année " 2020 " ;
2° l'alinéa deux est complété par une phrase, rédigée comme suit :
" Lors de l'évaluation de la condition que les biens sont improductifs par eux-mêmes, il n'est pas tenu compte du fait que ces biens immobiliers sont utilisés pour l'installation de technologies d'énergie renouvelables telles que visées au Décret sur l'Energie du 8 mai 2009, même si le contribuable reçoit une indemnité d'une tierce partie. ".
1° dans l'alinéa 1er, point 9°, première phrase, l'année " 2017 " est remplacée par l'année " 2020 " ;
2° l'alinéa deux est complété par une phrase, rédigée comme suit :
" Lors de l'évaluation de la condition que les biens sont improductifs par eux-mêmes, il n'est pas tenu compte du fait que ces biens immobiliers sont utilisés pour l'installation de technologies d'énergie renouvelables telles que visées au Décret sur l'Energie du 8 mai 2009, même si le contribuable reçoit une indemnité d'une tierce partie. ".
Afdeling 3. - Verlaging van de belastingverhoging inzake de registratiebelasting bij laattijdige registratie
Section 3. - Diminution de l'augmentation d'impôt en matière d'impôt d'enregistrement en cas d'enregistrement tardif
Art. 43. Aan artikel 3.18.0.0.11 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, ingevoegd bij decreet van 19 december 2014, en gewijzigd bij de decreten van 3 juli 2015 en 17 juli 2015, wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"In afwijking van het eerste lid, 1°, bedraagt de belastingverhoging 1% van de registratiebelasting als de persoon de voorgeschreven termijnen met hoogstens dertig kalenderdagen heeft overschreden, zonder dat deze belastingverhoging lager mag zijn dan 100 euro.".
"In afwijking van het eerste lid, 1°, bedraagt de belastingverhoging 1% van de registratiebelasting als de persoon de voorgeschreven termijnen met hoogstens dertig kalenderdagen heeft overschreden, zonder dat deze belastingverhoging lager mag zijn dan 100 euro.".
Art. 43. L'article 3.18.0.0.11 du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013, inséré par le décret du 19 décembre 2014, et modifié par les décrets des 3 juillet 2015 et 17 juillet 2015, est complété par un alinéa 3, rédigé comme suit :
" Par dérogation à l'alinéa 1er, 1°, l'augmentation d'impôt s'élève à 1% de l'impôt d'enregistrement si la personne a dépassé les délais imposés de trente jours calendaires au maximum, sans que cette augmentation d'impôt puisse être inférieure à 100 euros. ".
" Par dérogation à l'alinéa 1er, 1°, l'augmentation d'impôt s'élève à 1% de l'impôt d'enregistrement si la personne a dépassé les délais imposés de trente jours calendaires au maximum, sans que cette augmentation d'impôt puisse être inférieure à 100 euros. ".
Afdeling 4. - Fonds met betrekking tot de audits in kader van de Europese structuurfondsen
Section 4. - Fonds relatif aux audits dans le cadre des fonds structurels européens
Art. 44. § 1. Er wordt een fonds met betrekking tot audits Europese Structuurfondsen opgericht [1 conform artikel 15, § 2, van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019]1.
§ 2. Aan het fonds met betrekking tot audits Europese Structuurfondsen worden de ontvangsten van technische bijstand in het kader van de auditwerkzaamheden door de Vlaamse Auditautoriteit toegewezen (in het kader van de programma's welke door de Vlaamse Regering aan de Vlaamse Auditautoriteit worden toebedeeld) alsook mogelijke andere ontvangsten die dienen als tegemoetkoming voor het uitvoeren van audits ten behoeve van de Europese structuurfondsen.
§ 3. De middelen van het fonds met betrekking tot audits Europese Structuurfondsen dienen aangewend te worden voor het uitvoeren van audits in het kader van de Europese structuurfondsen. Deze audits kunnen zowel extern als intern uitgevoerd worden.
§ 2. Aan het fonds met betrekking tot audits Europese Structuurfondsen worden de ontvangsten van technische bijstand in het kader van de auditwerkzaamheden door de Vlaamse Auditautoriteit toegewezen (in het kader van de programma's welke door de Vlaamse Regering aan de Vlaamse Auditautoriteit worden toebedeeld) alsook mogelijke andere ontvangsten die dienen als tegemoetkoming voor het uitvoeren van audits ten behoeve van de Europese structuurfondsen.
§ 3. De middelen van het fonds met betrekking tot audits Europese Structuurfondsen dienen aangewend te worden voor het uitvoeren van audits in het kader van de Europese structuurfondsen. Deze audits kunnen zowel extern als intern uitgevoerd worden.
Art. 44. § 1er. Il est créé un fonds relatif aux audits dans le cadre des Fonds structurels européens, [1 conformément à l'article 15, § 2, du Code flamand des Finances publiques du 29 mars 2019]1.
§ 2. Au fonds relatif aux audits dans le cadre des Fonds structurels européens sont attribuées les recettes d'assistance technique dans le cadre des activités d'audit par l'Autorité d'audit flamande (dans le cadre des programmes attribués par le Gouvernement flamand à l'Autorité d'audit flamande), ainsi que d'autres recettes éventuelles qui servent d'intervention pour l'exécution d'audits au profit des Fonds structurels européens.
§ 3. Les moyens du fonds relatifs aux audits dans le cadre des Fonds structurels européens doivent être affectés à l'exécution d'audits dans le cadre des Fonds structurels européens. Ces audits peuvent être exécutés tant au niveau interne qu'externe.
§ 2. Au fonds relatif aux audits dans le cadre des Fonds structurels européens sont attribuées les recettes d'assistance technique dans le cadre des activités d'audit par l'Autorité d'audit flamande (dans le cadre des programmes attribués par le Gouvernement flamand à l'Autorité d'audit flamande), ainsi que d'autres recettes éventuelles qui servent d'intervention pour l'exécution d'audits au profit des Fonds structurels européens.
§ 3. Les moyens du fonds relatifs aux audits dans le cadre des Fonds structurels européens doivent être affectés à l'exécution d'audits dans le cadre des Fonds structurels européens. Ces audits peuvent être exécutés tant au niveau interne qu'externe.
Afdeling 5. - Winwinlening
Section 5. - Prêt Gagnant-Gagnant
Art. 45. In artikel 2, 5°, van het decreet van 19 mei 2006 betreffende de Winwinlening, gewijzigd bij het decreet van 10 december 2010, worden tussen het woord "micro-onderneming" en de woorden "als gedefinieerd in" de woorden ", met inbegrip van de coöperatieve vennootschap, vermeld in artikel 350 tot en met artikel 436 van het wetboek van 7 mei 1999 van vennootschappen," ingevoegd.
Art. 45. Dans l'article 2, 5° du décret du 19 mai 2006 relatif au Prêt gagnant-gagnant, modifié par le décret du 10 décembre 2010, les mots " , y compris la société coopérative, visée aux articles 350 à 436 du code des sociétés du 7 mai 1999, " sont insérés entre les mots " ou moyenne entreprise " et les mots " au sens de ".
Afdeling 6. - Belastingvermindering voor dakisolatie
Section 6. - Réduction des impôts pour l'isolation de toiture
Art. 46. Aan artikel 14547, eerste lid, van het Wetboek van 10 april 1992 van de Inkomstenbelastingen, ingevoegd bij de wet van 8 mei 2014, worden de woorden "voor zover de uitgaven uiterlijk op 31 december 2017 werkelijk zijn betaald en betrekking hebben op werken die worden verricht in het kader van een overeenkomst die uiterlijk 31 december 2016 werd gesloten en waarvoor uiterlijk 31 december 2016 een voorschot werd betaald." toegevoegd.
Art. 46. L'article 14547, alinéa 1er, du Code des Impôts sur les Revenus du 10 avril 1992, inséré par la loi du 8 mai 2014, est complété par les mots " dans la mesure où les dépenses sont effectivement payées le 31 décembre 2017 au plus tard et concernent des travaux effectués dans le cadre d'une convention conclue au plus tard le 31 décembre 2016, pour lesquels une avance a été payée au plus tard le 31 décembre 2016. ".
Afdeling 7. - Bevriezing index subsidies
Section 7. - Gel de l'indice pour les subventions
Art. 47. § 1. Voor alle subsidies binnen de begroting van de Vlaamse Gemeenschap waarvan de evolutie gekoppeld is aan de schommelingen van een prijsindexcijfer, wordt, voor het gedeelte van de niet-looncomponent van de subsidie, de indexaanpassing niet verrekend in het begrotingsjaar 2017, 2018 en 2019.
Het eerste lid is niet van toepassing op:
1° de studiefinanciering, vermeld in artikel 46 van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap;
2° de betaalde vergoedingen, vermeld in artikel 16 van het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg;
3° artikel 65, 1°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 november 2013 houdende de subsidies en de eraan gekoppelde voorwaarden voor de realisatie van specifieke dienstverlening door gezinsopvang en groepsopvang van baby's en peuters;
4° artikel 55 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 november 2012 betreffende de erkenning en de subsidiëring van de centra voor kinderzorg en gezinsondersteuning;
5° de tarieven voor zakgeld, vermeld in bijlage 4 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 1994 inzake de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor de voorzieningen van de bijzondere jeugdbijstand;
6° de zakgelden die worden toegekend voor minderjarigen met een handicap op basis van artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2008 tot bepaling van het bedrag, de voorwaarden voor de toekenning en de wijze van vereffening van een vrij besteedbaar bedrag voor minderjarigen aan wie residentiële jeugdhulpverlening wordt geboden in voorzieningen die erkend zijn en gesubsidieerd worden door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap;
7° rustoorden voor bejaarden, vermeld in artikel 34, eerste lid, 12°, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen;
8° centra voor kortverblijf, vermeld in artikel 34, eerste lid, 12°, van dezelfde wet;
9° rust- en verzorgingstehuizen, vermeld in artikel 34, eerste lid, 11° en 12°, van dezelfde wet;
10° dagverzorgingscentra, vermeld in artikel 34, eerste lid, 11°, van dezelfde wet;
11° psychiatrische verzorgingstehuizen, vermeld in artikel 34, eerste lid, 11°, van dezelfde wet;
12° revalidatieovereenkomsten, vermeld in artikel 23, § 3, van dezelfde wet;
13° beschut wonen, vermeld in artikel 34, eerste lid, 18°, van dezelfde wet;
14° geïntegreerde diensten voor thuisverpleging, vermeld in artikel 34, eerste lid, 13°, van dezelfde wet;
15° multidisciplinaire begeleidingsequipes voor palliatieve verzorging, vermeld in artikel 23, § 3bis, van dezelfde wet;
16° overeenkomsten in uitvoering van artikel 56, § 2, eerste lid, 3°, van dezelfde wet, gesloten met geïntegreerde diensten voor thuisverpleging en een initiatief beschut wonen;
17° geïsoleerde G-diensten en Sp-diensten, vermeld in artikel 5, § 1, I, 1°, d), 3° en 4°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen;
18° de subsidies verleend in het kader van artikel 2, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 1996 houdende de subsidieregeling van het loon en van de sociale lasten van de werknemers in de beschutte werkplaatsen die erkend zijn door het Departement voor Werk en Sociale Economie;
19° de premie verleend op basis van artikel 94, § 1, van de Programmawet van 30 december 1988, hoofdstuk II. Opzetting van een stelsel van gesubsidieerde contractuelen bij sommige openbare besturen.
De toepassing van het eerste lid mag niet leiden tot een nominale vermindering van de subsidies, vermeld in het eerste lid.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, is de niet-verrekening van de index-aanpassing ook van toepassing op de looncomponent van de werkingsmiddelen van het gewoon en het buitengewoon basisonderwijs en het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs in het begrotingsjaar 2017.
In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, is de niet-verrekening van de index-aanpassing niet van toepassing op de werkingsmiddelen van het gewoon en het buitengewoon basisonderwijs in het begrotingsjaar 2018 en 2019.
§ 3. De bepalingen van paragraaf 1 en 2 zijn eveneens van toepassing op de werkingsmiddelen die bestemd zijn voor de scholen van het gefinancierd gemeenschapsonderwijs.
Het eerste lid is niet van toepassing op:
1° de studiefinanciering, vermeld in artikel 46 van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap;
2° de betaalde vergoedingen, vermeld in artikel 16 van het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg;
3° artikel 65, 1°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 november 2013 houdende de subsidies en de eraan gekoppelde voorwaarden voor de realisatie van specifieke dienstverlening door gezinsopvang en groepsopvang van baby's en peuters;
4° artikel 55 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 november 2012 betreffende de erkenning en de subsidiëring van de centra voor kinderzorg en gezinsondersteuning;
5° de tarieven voor zakgeld, vermeld in bijlage 4 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 1994 inzake de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor de voorzieningen van de bijzondere jeugdbijstand;
6° de zakgelden die worden toegekend voor minderjarigen met een handicap op basis van artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2008 tot bepaling van het bedrag, de voorwaarden voor de toekenning en de wijze van vereffening van een vrij besteedbaar bedrag voor minderjarigen aan wie residentiële jeugdhulpverlening wordt geboden in voorzieningen die erkend zijn en gesubsidieerd worden door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap;
7° rustoorden voor bejaarden, vermeld in artikel 34, eerste lid, 12°, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen;
8° centra voor kortverblijf, vermeld in artikel 34, eerste lid, 12°, van dezelfde wet;
9° rust- en verzorgingstehuizen, vermeld in artikel 34, eerste lid, 11° en 12°, van dezelfde wet;
10° dagverzorgingscentra, vermeld in artikel 34, eerste lid, 11°, van dezelfde wet;
11° psychiatrische verzorgingstehuizen, vermeld in artikel 34, eerste lid, 11°, van dezelfde wet;
12° revalidatieovereenkomsten, vermeld in artikel 23, § 3, van dezelfde wet;
13° beschut wonen, vermeld in artikel 34, eerste lid, 18°, van dezelfde wet;
14° geïntegreerde diensten voor thuisverpleging, vermeld in artikel 34, eerste lid, 13°, van dezelfde wet;
15° multidisciplinaire begeleidingsequipes voor palliatieve verzorging, vermeld in artikel 23, § 3bis, van dezelfde wet;
16° overeenkomsten in uitvoering van artikel 56, § 2, eerste lid, 3°, van dezelfde wet, gesloten met geïntegreerde diensten voor thuisverpleging en een initiatief beschut wonen;
17° geïsoleerde G-diensten en Sp-diensten, vermeld in artikel 5, § 1, I, 1°, d), 3° en 4°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen;
18° de subsidies verleend in het kader van artikel 2, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 1996 houdende de subsidieregeling van het loon en van de sociale lasten van de werknemers in de beschutte werkplaatsen die erkend zijn door het Departement voor Werk en Sociale Economie;
19° de premie verleend op basis van artikel 94, § 1, van de Programmawet van 30 december 1988, hoofdstuk II. Opzetting van een stelsel van gesubsidieerde contractuelen bij sommige openbare besturen.
De toepassing van het eerste lid mag niet leiden tot een nominale vermindering van de subsidies, vermeld in het eerste lid.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, is de niet-verrekening van de index-aanpassing ook van toepassing op de looncomponent van de werkingsmiddelen van het gewoon en het buitengewoon basisonderwijs en het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs in het begrotingsjaar 2017.
In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, is de niet-verrekening van de index-aanpassing niet van toepassing op de werkingsmiddelen van het gewoon en het buitengewoon basisonderwijs in het begrotingsjaar 2018 en 2019.
§ 3. De bepalingen van paragraaf 1 en 2 zijn eveneens van toepassing op de werkingsmiddelen die bestemd zijn voor de scholen van het gefinancierd gemeenschapsonderwijs.
Art. 47. § 1er. Pour toutes les subventions au sein du budget de la Communauté flamande dont l'évolution est liée aux fluctuations d'un indice des prix, pour la partie de la composante non traitement de la subvention, l'indexation n'est pas réglée dans les années budgétaires 2017, 2018 et 2019.
L'alinéa premier n'est pas applicable :
1° à l'aide financière aux études, visée à l'article 46 du décret du 8 juin 2007 relatif à l'aide financière aux études de la Communauté flamande ;
2° aux indemnités payées, visées à l'article 16 du décret du 29 juin 2012 portant organisation du placement familial ;
3° à l'article 65, 1°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 novembre 2013 relatif aux subventions et aux conditions y afférentes pour la réalisation de services spécifiques par l'accueil familial et l'accueil en groupe de bébés et de bambins ;
4° à l'article 55 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 novembre 2012 relatif à l'agrément et au subventionnement des centres d'aide aux enfants et d'assistance des familles ;
5° aux taux de l'argent de poche, visés en annexe 4 à l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 juillet 1994 relatif aux conditions d'agrément et aux normes de subventionnement des structures d'assistance spéciale à la jeunesse ;
6° à l'argent de poche octroyé pour mineurs handicapés sur la base de l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juillet 2008 déterminant le montant, les conditions d'octroi et le mode de liquidation d'un montant librement utilisable pour les mineurs auxquels il est offert des services résidentiels de l'aide à la jeunesse dans des structures agréées et subventionnées par la " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap " (Agence flamande pour les Personnes handicapées) ;
7° aux maisons de repos, visées à l'article 34, alinéa premier, 12°, de la loi coordonnée du 14 juillet 1994 relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités ;
8° aux centres de court séjour, visés à l'article 34, alinéa 1er, 12°, de la même loi ;
9° aux maisons de repos et de soins, visées à l'article 34, alinéa 1er, 11° et 12°, de la même loi ;
10° aux centres de soins de jour, visés à l'article 34, alinéa 1er, 11°, de la même loi ;
11° aux maisons de soins psychiatriques, visées à l'article 34, alinéa 1er, 11°, de la même loi ;
12° aux conventions de rééducation fonctionnelle, visées à l'article 23, § 3, de la même loi ;
13° aux habitations protégées, visées à l'article 34, alinéa 1er, 18°, de la même loi ;
14° aux services intégrés de soins infirmiers à domicile, visés à l'article 34, alinéa 1er, 13°, de la même loi ;
15° aux équipes d'accompagnement multidisciplinaires de soins palliatifs, visées à l'article 23, § 3bis, de la même loi ;
16° aux conventions en exécution de l'article 56, § 2, alinéa premier, 3°, de la même loi, conclues avec des services intégrés de soins infirmiers à domicile et une initiative d'habitation protégée ;
17° aux Services G isolés et aux Services Sp isolés, tels que fixés à l'article 5, § 1er, I, 1°, d), 3° et 4°, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles ;
18° aux subventions octroyées dans le cadre de l'article 2, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 décembre 1996 réglant l'octroi d'interventions dans la rémunération et les charges sociales des travailleurs employés par les ateliers protégés, agréés par la "Vlaams Subsidieagentschap voor Werk en Sociale Economie" (Agence flamande de Subventionnement de l'Emploi et de l'Economie sociale) ;
19° à la prime accordée sur la base de l'article 94, § 1er, de la Loi-programme du 30 décembre 1988, chapitre II. Création d'un régime de contractuels subventionnés auprès de certains pouvoirs publics.
L'application de l'alinéa 1er ne peut pas entraîner une diminution nominale des subventions, visées à l'alinéa 1er.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, alinéa 1er, le non règlement de l'indexation s'applique également à la composante des traitements des moyens de fonctionnement de l'enseignement fondamental ordinaire et spécial et de l'enseignement secondaire ordinaire et spécial dans l'année budgétaire 2017.
Par dérogation au paragraphe 1er, alinéa 1er, le non règlement de l'indexation ne s'applique pas aux moyens de fonctionnement de l'enseignement fondamental ordinaire et spécial dans les années budgétaires 2018 et 2019.
§ 3. Les dispositions des paragraphes 1er et 2 s'appliquent également aux moyens de fonctionnement destinés aux écoles de l'enseignement communautaire financé.
L'alinéa premier n'est pas applicable :
1° à l'aide financière aux études, visée à l'article 46 du décret du 8 juin 2007 relatif à l'aide financière aux études de la Communauté flamande ;
2° aux indemnités payées, visées à l'article 16 du décret du 29 juin 2012 portant organisation du placement familial ;
3° à l'article 65, 1°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 novembre 2013 relatif aux subventions et aux conditions y afférentes pour la réalisation de services spécifiques par l'accueil familial et l'accueil en groupe de bébés et de bambins ;
4° à l'article 55 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 novembre 2012 relatif à l'agrément et au subventionnement des centres d'aide aux enfants et d'assistance des familles ;
5° aux taux de l'argent de poche, visés en annexe 4 à l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 juillet 1994 relatif aux conditions d'agrément et aux normes de subventionnement des structures d'assistance spéciale à la jeunesse ;
6° à l'argent de poche octroyé pour mineurs handicapés sur la base de l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juillet 2008 déterminant le montant, les conditions d'octroi et le mode de liquidation d'un montant librement utilisable pour les mineurs auxquels il est offert des services résidentiels de l'aide à la jeunesse dans des structures agréées et subventionnées par la " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap " (Agence flamande pour les Personnes handicapées) ;
7° aux maisons de repos, visées à l'article 34, alinéa premier, 12°, de la loi coordonnée du 14 juillet 1994 relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités ;
8° aux centres de court séjour, visés à l'article 34, alinéa 1er, 12°, de la même loi ;
9° aux maisons de repos et de soins, visées à l'article 34, alinéa 1er, 11° et 12°, de la même loi ;
10° aux centres de soins de jour, visés à l'article 34, alinéa 1er, 11°, de la même loi ;
11° aux maisons de soins psychiatriques, visées à l'article 34, alinéa 1er, 11°, de la même loi ;
12° aux conventions de rééducation fonctionnelle, visées à l'article 23, § 3, de la même loi ;
13° aux habitations protégées, visées à l'article 34, alinéa 1er, 18°, de la même loi ;
14° aux services intégrés de soins infirmiers à domicile, visés à l'article 34, alinéa 1er, 13°, de la même loi ;
15° aux équipes d'accompagnement multidisciplinaires de soins palliatifs, visées à l'article 23, § 3bis, de la même loi ;
16° aux conventions en exécution de l'article 56, § 2, alinéa premier, 3°, de la même loi, conclues avec des services intégrés de soins infirmiers à domicile et une initiative d'habitation protégée ;
17° aux Services G isolés et aux Services Sp isolés, tels que fixés à l'article 5, § 1er, I, 1°, d), 3° et 4°, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles ;
18° aux subventions octroyées dans le cadre de l'article 2, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 décembre 1996 réglant l'octroi d'interventions dans la rémunération et les charges sociales des travailleurs employés par les ateliers protégés, agréés par la "Vlaams Subsidieagentschap voor Werk en Sociale Economie" (Agence flamande de Subventionnement de l'Emploi et de l'Economie sociale) ;
19° à la prime accordée sur la base de l'article 94, § 1er, de la Loi-programme du 30 décembre 1988, chapitre II. Création d'un régime de contractuels subventionnés auprès de certains pouvoirs publics.
L'application de l'alinéa 1er ne peut pas entraîner une diminution nominale des subventions, visées à l'alinéa 1er.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, alinéa 1er, le non règlement de l'indexation s'applique également à la composante des traitements des moyens de fonctionnement de l'enseignement fondamental ordinaire et spécial et de l'enseignement secondaire ordinaire et spécial dans l'année budgétaire 2017.
Par dérogation au paragraphe 1er, alinéa 1er, le non règlement de l'indexation ne s'applique pas aux moyens de fonctionnement de l'enseignement fondamental ordinaire et spécial dans les années budgétaires 2018 et 2019.
§ 3. Les dispositions des paragraphes 1er et 2 s'appliquent également aux moyens de fonctionnement destinés aux écoles de l'enseignement communautaire financé.
HOOFDSTUK 11. - Inwerkingtreding
CHAPITRE 11. - Entrée en vigueur
Art. 48. Dit decreet treedt in werking op 1 januari 2017, met uitzondering van:
1° artikel 8, 22 en 45 die in werking treden 10 dagen na bekendmaking in het Belgisch Staatsblad;
2° artikel 41 en 42, 2°, die in werking treden vanaf aanslagjaar 2017;
3° artikel 46 dat in werking treedt vanaf aanslagjaar 2018;
4° artikel 14 dat uitwerking heeft vanaf 2 september 2016.
1° artikel 8, 22 en 45 die in werking treden 10 dagen na bekendmaking in het Belgisch Staatsblad;
2° artikel 41 en 42, 2°, die in werking treden vanaf aanslagjaar 2017;
3° artikel 46 dat in werking treedt vanaf aanslagjaar 2018;
4° artikel 14 dat uitwerking heeft vanaf 2 september 2016.
Art. 48. Le présent décret entre en vigueur le 1er janvier 2017, à l'exception :
1° des articles 8, 22 et 45, qui entrent en vigueur dix jours après leur publication au Moniteur belge ;
2° des articles 41 et 42, 2°, qui entrent en vigueur à partir de l'année d'imposition 2017 ;
3° de l'article 46, qui entre en vigueur à partir de l'année d'imposition 2018 ;
4° de l'article 14, qui produit ses effets à partir du 2 septembre 2016.
1° des articles 8, 22 et 45, qui entrent en vigueur dix jours après leur publication au Moniteur belge ;
2° des articles 41 et 42, 2°, qui entrent en vigueur à partir de l'année d'imposition 2017 ;
3° de l'article 46, qui entre en vigueur à partir de l'année d'imposition 2018 ;
4° de l'article 14, qui produit ses effets à partir du 2 septembre 2016.