Zum Hauptinhalt

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
7 OKTOBER 2015. - Ministerieel besluit met betrekking tot de minimale kwaliteitseisen en de vergoeding van de multidisciplinaire teams en met betrekking tot de erkenning van multidisciplinaire teams in de integrale jeugdhulp
Titre
7 OCTOBRE 2015. - Arrêté ministériel portant sur les exigences de qualité minimales, sur l'indemnité des équipes multidisciplinaires et sur l'agrément d'équipes multidisciplinaires dans l'aide intégrale à la jeunesse
Dokumentinformationen
Numac: 2016036152
Datum: 2015-10-07
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2016036152
Date: 2015-10-07
Moniteur: Voir
Tekst (21)
Texte (21)
HOOFDSTUK 1. - Definities
CHAPITRE 1er. - Définitions
Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder :
  1° adviesrapport : een rapport als vermeld in artikel 9, § 3, 6°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001 tot vaststelling van de criteria, voorwaarden en refertebedragen van de tussenkomsten in de individuele materiële bijstand voor de sociale integratie van personen met een handicap;
  2° agentschap : het intern verzelfstandigd agentschap Jongerenwelzijn, als vermeld in artikel 59 van het decreet van 7 maart 2008 inzake bijzondere jeugdbijstand;
  3° besluit van 21 februari 2014 : het besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2014 betreffende de integrale jeugdhulp;
  4° decreet van 12 juli 2013 : het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp;
  5° inschalingsverslag : een gemotiveerde inschaling van de beperkingen en behoeften op het vlak van algemene en instrumentele assistentie bij de handelingen van het dagelijkse leven als vermeld in artikel 6, tweede lid, 1°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 2000 houdende vaststelling van de voorwaarden van toekenning van een persoonlijke-assistentiebudget aan personen met een handicap;
  6° samenwerkingsverband : het geformaliseerde samenwerkingsverband, vermeld in artikel 35, § 2, tweede lid, van het besluit van 21 februari 2014;
  7° team : het team binnen de voorziening of het samenwerkingsverband dat door de leidend ambtenaar van het agentschap erkend is als multidisciplinair team ter uitvoering van artikel 35, § 2, van het besluit van 21 februari 2014 en dat diagnostiek kan aanbieden aan de toegangspoort in functie van de aanvraag van niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening bij de toegangspoort;
  8° voorzieningen : de jeugdhulpaanbieders en andere voorzieningen die jeugdhulpverlening aanbieden.
Article 1er. Dans le présent arrêté, on entend par :
  1° rapport de conseil : un rapport, tel que visé à l'article 9, § 3, 6° de l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 juillet 2001 fixant les critères, les conditions et les montants de référence des interventions d'assistance matérielle individuelle à l'intégration sociale des personnes handicapées ;
  2° agence : l'agence autonomisée interne " Jongerenwelzijn ", visée à l'article 59 du décret du 7 mars 2008 relatif à l'assistance spéciale à la jeunesse ;
  3° arrêté du 21 février 2014 : l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 février 2014 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse ;
  4° décret du 12 juillet 2013 : le décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse ;
  5° rapport d'appréciation : une appréciation motivée des limitations et des besoins sur le plan de l'assistance générale et instrumentale aux actes de la vie journalière, telle que visée à l'article 6, alinéa deux, 1° de l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 décembre 2000 établissant les conditions d'octroi d'un budget d'assistance personnelle aux personnes handicapées ;
  6° lien de collaboration : le lien de collaboration formalisé, visé à l'article 35, § 2, alinéa deux de l'arrêté du 21 février 2014 ;
  7° équipe : l'équipe au sein de la structure ou du lien de collaboration qui a été agréée comme équipe multidisciplinaire par le fonctionnaire dirigeant de l'agence en exécution de l'article 35, § 2 de l'arrêté du 21 février 2014 et qui peut offrir le diagnostic à la porte d'entrée en fonction de la demande d'aide à la jeunesse non directement accessible auprès de la porte d'entrée.
  8° structures : les intervenants d'aide à la jeunesse et autres structures offrant de l'aide à la jeunesse.
HOOFDSTUK 2. - Minimale kwaliteitseisen met betrekking tot de werking als team
CHAPITRE 2. - Exigences de qualité minimales en ce qui concerne le fonctionnement comme équipe
Art. 2. Om erkend te kunnen worden door het agentschap als multidisciplinair team als vermeld in artikel 35, § 2, van het besluit van 21 februari 2014, voldoet het team, met behoud van de voorwaarden voor erkenning, vermeld in het voormelde artikel, aan de volgende kwaliteitseisen met betrekking tot de werking van het team :
  1° in elk team :
  a) bestaat de staf ten minste uit :
  1) een master in de Psychologische, Pedagogische of Orthopedagogische Wetenschappen;
  2) een houder van een diploma van Maatschappelijk Assistent uitgereikt door het hoger onderwijs korte type, of een diploma Orthopedagogie of Sociaal Verpleger, uitgereikt door het hoger onderwijs korte type, met professionele ervaring inzake indicatiestelling binnen de jeugdhulp, of een diploma, uitgereikt door het hoger onderwijs van één cyclus, behaald in de richting of afdeling Psychologie, Orthopedagogie, Sociale Wetenschappen, Sociale Re-adaptatiewetenschappen of Gezinswetenschappen met professionele ervaring inzake indicatiestelling binnen de jeugdhulp, of een diploma van het universitair onderwijs van de eerste cyclus of de tweede cyclus, behaald in de richting Orthopedagogie of Pedagogische Wetenschappen, Psychologie, Sociale Wetenschappen, Sociologie, Agogische Wetenschappen, Communicatiewetenschappen of Criminologische Wetenschappen met professionele ervaring inzake indicatiestelling binnen de jeugdhulp.
  b) kan beroep gedaan worden op een doctor in de genees-, heel- en verloskunde;
  2° de vertegenwoordigers van de disciplines, vermeld in punt 1°, a), 1) en 2), en b), beraadslagen samen over een dossier voor ze het aanvraagdocument indienen bij de toegangspoort en ondertekenen elk het aanvraagdocument dat wordt bijgehouden door het team;
  3° het team laat het aanvraagdocument ondertekenen door de minderjarige, zijn ouders en, in voorkomend geval, zijn opvoedingsverantwoordelijken en houdt het ondertekende aanvraagdocument bij in het dossier;
  4° minstens één lid van het team heeft aantoonbare professionele ervaring in de jeugdhulpverlening;
  5° het team of minstens één lid van het team neemt deel aan de opleidingen en intervisie waarvoor het door het agentschap wordt uitgenodigd;
  6° het team informeert de minderjarige, zijn ouders en, in voorkomend geval, zijn opvoedingsverantwoordelijken over :
  a) hun rechten, vermeld in artikel 46 van het decreet van 12 juli 2013;
  b) de mogelijkheid om zich tijdens het proces bij de toegangspoort te laten bijstaan door een vertrouwenspersoon als vermeld in artikel 24 van het decreet van 7 mei 2004 betreffende de rechtspositie van de minderjarige in de integrale jeugdhulp;
  c) de klachtenprocedure binnen de eigen voorziening en de mogelijkheid om een tweede indicatiestelling te vragen aan de toegangspoort, vermeld in artikel 24 van het decreet van 12 juli 2013;
  d) het feit dat het team geen enkele vergoeding of beloning mag vragen of aanvaarden om het aanvraagdocument op te stellen;
  7° nadat de minderjarige, zijn ouders en, in voorkomend geval, zijn opvoedingsverantwoordelijken contact hebben opgenomen met het team voor de aanvraag bij de toegangspoort om niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening, moet minstens één lid van het team of één medewerker van de voorziening of het samenwerkingsverband waartoe het team behoort die personen gezien hebben;
  8° het team bejegent de minderjarige, zijn ouders en, in voorkomend geval, zijn opvoedingsverantwoordelijken op een respectvolle manier door :
  a) de eigenheid en de persoonlijke levenssfeer van de minderjarige, zijn ouders en, in voorkomend geval, zijn opvoedingsverantwoordelijken te respecteren;
  b) de persoonsgegevens over de minderjarige, zijn ouders en, in voorkomend geval, zijn opvoedingsverantwoordelijken alleen door te geven aan derden, die geen deel uitmaken van het agentschap, als de betrokkenen daarmee instemmen;
  c) respectvol met elke minderjarige, ouder en opvoedingsverantwoordelijke om te gaan en geen onderscheid te maken op basis van geslacht, ideologische, filosofische of godsdienstige overtuiging, afkomst of geaardheid of de vermogenstoestand van die personen;
  d) tijdens het proces van de opmaak van aanvraagdocumenten geen onderscheid tussen minderjarigen, ouders of opvoedingsverantwoordelijken te maken naargelang die al dan niet al een band hebben met de voorziening of het samenwerkingsverband waarvan het team deel uit maakt;
  9° het team bewaart de aanvraagdocumenten en de bijlagen die ingediend zijn bij de toegangspoort, alsook alle documenten die als basis hebben gediend voor het opstellen ervan, minimaal tot het ogenblik waarop de betrokkene waar de aanvraag voor werd ingediend de leeftijd van 25 jaar heeft bereikt en volgens de sectorale regelgeving die van toepassing is op de voorziening waartoe het team behoort;
  10° het team verleent de minderjarige, zijn ouders en, in voorkomend geval, zijn opvoedingsverantwoordelijken op hun verzoek inzage in de documenten, vermeld in punt 11°, en houdt daarbij in voorkomend geval rekening met de wetgeving die daarop van toepassing is;
  11° het team heeft een procedure van verwijzing en verwijst de minderjarige, zijn ouders en, in voorkomend geval, zijn opvoedingsverantwoordelijken op een duidelijke en effectieve wijze door naar een ander geschikt team :
  a) als het team van oordeel is dat het geen kwaliteitsvolle dienstverlening kan bieden aan de betrokkenen;
  b) als het team tijdens het proces van de opmaak van het aanvraagdocument tot de vaststelling komt dat het geen kwaliteitsvolle dienstverlening kan bieden;
  12° het team beschikt over een klachtenprocedure.
  In afwijking van de bepaling, vermeld in het eerste lid, punt 1°, moet in het geval een doctor in de genees-, heel- en verloskunde, erkend als specialist in de psychiatrie of de neuropsychiatrie, een erkenning aanvraagt in de vorm van een samenwerkingsverband, enkel worden aangetoond dat er wordt samengewerkt met een persoon met een andere discipline.
  De voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 7°, houdt in dat minstens één lid van het team of één medewerker van de voorziening of het samenwerkingsverband waartoe het team behoort de minderjarige, zijn ouders en, in voorkomend geval, zijn opvoedingsverantwoordelijken ontvangt of een huisbezoek brengt aan die personen. De aanvraag bij de toegangspoort kan niet opgemaakt worden op basis van een uitsluitend telefonische consultatie.
  In het eerste lid, punt 8°, b), wordt verstaan onder persoonsgegevens : iedere informatie betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon. Als identificeerbaar wordt beschouwd een persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificatienummer of van één of meer specifieke elementen die kenmerkend zijn voor zijn fysieke, fysiologische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit.
  In geval van een verwijzing als vermeld in het eerste lid, 11°, b) motiveert het team dat tegenover de betrokkenen, alsook tegenover het agentschap als het agentschap daarom vraagt. Het team neemt in dat geval zelf contact op met het andere team, regelt een afspraak voor de minderjarige, zijn ouders en, in voorkomend geval, zijn opvoedingsverantwoordelijken en bezorgt het andere team de informatie waarover het beschikt, over de minderjarige, zijn ouders en, in voorkomend geval, zijn opvoedingsverantwoordelijken.
Art. 2. Pour pouvoir être agréée par l'agence comme équipe multidisciplinaire, telle que visée à l'article 35, § 2, de l'arrêté du 21 février 2014, l'équipe satisfait aux exigences de qualité suivantes en ce qui concerne le fonctionnement de l'équipe, sans préjudice de l'application des conditions d'agrément, visées à l'article précité :
  1° dans chaque équipe :
  a) le staff se compose au minimum :
  1) d'un master en " Psychologische Wetenschappen ", " Pedagogische Wetenschappen " ou " Orthopedagogische Wetenschappen " ;
  2) d'un titulaire d'un diplôme de " Maatschappelijk Assistent " délivré par l'enseignement supérieur de type court, ou d'un diplôme d' " Orthopedagogie " ou de " Sociaal Verpleger ", délivré par l'enseignement supérieur de type court, assorti d'expérience professionnelle en matière d'évaluation des besoins au sein de l'aide à la jeunesse ou d'un diplôme, délivré par l'enseignement supérieur à cycle unique, obtenu dans la filière ou la section de la "Psychologie", de l'"Orthopedagogie", des "Sociale Wetenschappen", des "Sociale Re-adaptatiewetenschappen" ou des "Gezinswetenschappen", assorti d'expérience professionnelle en matière d'évaluation des besoins au sein de l'aide à la jeunesse, ou d'un diplôme de l'enseignement universitaire du premier cycle ou du second cycle, obtenu dans l'orientation de l'"Orthopedagogie" ou des "Pedagogische Wetenschappen", de la "Psychologie", des "Sociale Wetenschappen", de la "Sociologie", des "Agogische Wetenschappen", des "Communicatiewetenschappen" ou des "Criminologische Wetenschappen", assorti d'expérience professionnelle en matière d'évaluation des besoins au sein de l'aide à la jeunesse.
  b) il peut être fait appel à un docteur en médecine, en chirurgie et en obstétrique ;
  2° les représentants des disciplines visées au point 1°, a), 1) et 2), et b) délibèrent ensemble d'un dossier avant d'en introduire le document de demande auprès de la porte d'entrée et signent chacun le document de demande conservé par l'équipe ;
  3° l'équipe fait signer le document de demande par le mineur, ses parents et, le cas échéant, ses responsables de l'éducation et conserve le document de demande signé dans le dossier ;
  4° au moins un membre de l'équipe a de l'expérience professionnelle démontrable dans l'aide à la jeunesse ;
  5° l'équipe ou au moins un membre de l'équipe participe aux formations et à l'intervision auxquelles l'agence est invitée ;
  6° l'équipe informe le mineur, ses parents et, le cas échéant, ses responsables de l'éducation, au sujet :
  a) de leurs droits, visés à l'article 46 du décret du 12 juillet 2013 ;
  b) de la possibilité de se faire assister pendant le processus auprès de la porte d'entrée par une personne de confiance, telle que visée à l'article 24 du décret du 7 mai 2004 relatif au statut du mineur dans l'aide intégrale à la jeunesse ;
  c) de la procédure de règlement des plaintes au sein de la propre structure et de la possibilité de demander une deuxième évaluation des besoins auprès de la porte d'entrée, telle que visée à l'article 24 du décret du 12 juillet 2013 ;
  d) du fait que l'équipe ne peut demander ni accepter aucune indemnité ou récompense pour établir le document de demande ;
  7° après que le mineur, ses parents et, le cas échéant, ses responsables de l'éducation ont pris contact avec l'équipe au sujet de la demande d'aide à la jeunesse non directement accessible auprès de la porte d'entrée, au moins un membre de l'équipe ou un collaborateur de la structure ou du lien de collaboration dont relève l'équipe, doit avoir vu ces personnes ;
  8° l'équipe approche le mineur, ses parents et, le cas échéant, ses responsables de l'éducation d'une façon respectueuse :
  a) en respectant l'identité et la vie privée du mineur, de ses parents et, le cas échéant, de ses responsables de l'éducation ;
  b) en ne transmettant les données personnelles relatives au mineur, à ses parents et, le cas échéant, à ses responsables de l'éducation à des tiers qui ne font pas partie de l'agence que si les personnes concernées y consentent ;
  c) en approchant tout mineur, parent et responsable de l'éducation respectueusement et en se gardant de discriminer sur la base du genre, des convictions idéologiques, philosophiques ou religieuses, de l'origine ou de l'orientation sexuelle ou sur la base de la situation patrimoniale de ces personnes ;
  d) en ne faisant pas de distinction, lors du processus de la rédaction de documents de demande, entre mineurs, parents ou responsables de l'éducation selon que ceux-ci ont des rapports avec la structure ou le lien de coopération dont l'équipe fait partie ;
  9° l'équipe conserve les documents de demande et les annexes qui ont été introduits auprès de la porte d'entrée, de même que tous les documents qui ont servi de base à leur rédaction, au moins jusqu'au moment auquel la personne concernée en faveur de qui la demande a été introduite, a atteint l'âge de 25 ans et conformément à la législation sectorielle applicable à la structure à laquelle l'équipe ressortit ;
  10° l'équipe accorde un droit de regard dans les documents, visés au point 11° au mineur, à ses parents et, le cas échéant, à ses responsables de l'éducation quand ils en font la demande, tout en respectant, le cas échéant, la législation y applicable ;
  11° l'équipe dispose d'une procédure de renvoi et renvoie le mineur, ses parents et le cas échéant, ses responsables de l'éducation à une autre équipe appropriée d'une façon claire et effective :
  a) lorsque l'équipe estime n'être pas en mesure d'offrir des services de qualité aux personnes concernées ;
  b) lorsque l'équipe constate au cours du processus de la rédaction du document de demande n'être pas en mesure d'offrir des services de qualité ;
  12° l'équipe dispose d'une procédure de règlement des plaintes.
  Par dérogation à la disposition, visée à l'alinéa premier, point 1° et au cas où un docteur en médecine, en chirurgie et en obstétrique agréé comme spécialiste en psychiatrie ou en neuropsychiatrie, demanderait un agrément sous forme d'un lien de coopération, il suffit de démontrer la coopération avec une autre discipline.
  La condition, visée à l'alinéa premier, 7°, implique qu'au moins un membre de l'équipe ou un collaborateur de la structure ou du lien de coopération auxquels l'équipe ressortit, accueille le mineur, ses parents et, le cas échéant, ses responsables de l'éducation ou qu'il effectue une visite au domicile de ces personnes. La demande auprès de la porte d'entrée ne peut pas être rédigée sur la base d'une consultation exclusivement téléphonique.
  A l'alinéa premier, 8°, b), on entend par données personnelles : toute information sur une personne physique identifiée ou identifiable. Est considérée comme identifiable la personne qui peut être identifiée directement ou indirectement, notamment sur la base d'un numéro d'identification ou d'un ou de plusieurs éléments spécifiques caractéristiques pour son identité physique, physiologique, psychique, économique, culturelle ou sociale.
  Dans le cas d'un renvoi, tel que visé à l'alinéa premier, 11°, b), l'équipe le motive vis-à-vis des personnes concernées, comme vis-à-vis de l'agence, si l'agence le demande. L'équipe prend dans ce cas elle-même contact avec l'autre équipe, fixe un rendez-vous pour le mineur, ses parents et, le cas échéant, ses responsables de l'éducation et transmet à l'autre équipe l'information dont elle dispose sur le mineur, ses parents et, le cas échéant, ses responsables de l'éducation.
HOOFDSTUK 3. - Minimale kwaliteitseisen met betrekking tot de indiening van de aanvraag bij de toegangspoort
CHAPITRE 3. - Exigences de qualité minimales relatives à l'introduction de la demande auprès de la porte d'entrée
Art. 3. Om erkend te kunnen worden door het agentschap als multidisciplinair team, als vermeld in artikel 35, § 2, van het besluit van 21 februari 2014, voldoet het team, met behoud van de voorwaarden, vermeld in het voormelde artikel, aan de volgende kwaliteitseisen met betrekking tot de indiening van de aanvraag om niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening bij de toegangspoort :
  1° het team dient de aanvraag in bij de toegangspoort conform artikel 20 van het decreet van 12 juli 2013 en artikel 21 en artikel 23 tot en met 25 van het besluit van 21 februari 2014;
  2° als in het indicatiestellingsvoorstel in het aanvraagdocument individuele materiële bijstand wordt gevraagd, voegt het team bij het aanvraagdocument een adviesrapport;
  3° als in het indicatiestellingsvoorstel in het aanvraagdocument een persoonlijke- assistentiebudget wordt gevraagd als vermeld in artikel 26, zesde lid, van het besluit van 21 februari 2014, voegt het team bij het aanvraagdocument een inschalingsverslag en maakt het daarbij een advies op over de wenselijkheid en de grootteorde van het persoonlijke-assistentiebudget;
  4° het team neemt in het aanvraagdocument een bepaling van de doelgroep op en neemt alleen de gegevens op die nodig zijn voor de motivering van het indicatiestellingsvoorstel;
  5° behalve in geval van overmacht dient het team of een medewerker van het team het aanvraagdocument in bij de toegangspoort binnen een termijn van vier maanden vanaf het moment waarop het team de minderjarige, zijn ouders of, in voorkomend geval, zijn opvoedingsverantwoordelijken heeft ontvangen of een huisbezoek heeft gebracht aan de betrokkene in het kader van de aanvraag bij de toegangspoort;
  6° het aanvraagdocument vermeldt per diagnose die wordt beschreven, de naam en discipline van de personen die ze gesteld hebben en wanneer de diagnose is gesteld en vermeldt, als in het aanvraagdocument naar resultaten van testmateriaal wordt verwezen, wanneer de afname heeft plaatsgevonden en om welke versie van de test het gaat;
  7° er blijkt uit het aanvraagdocument dat het indicatiestellingsvoorstel multidisciplinair tot stand gekomen is;
  8° als het team en de minderjarige, zijn ouders en, in voorkomend geval, zijn opvoedingsverantwoordelijken geen overeenstemming kunnen bereiken over het indicatiestellingsvoorstel, vermeldt het team dat duidelijk en motiveert het dat in het aanvraagdocument, met vermelding van de visie van de minderjarige, zijn ouders en, in voorkomend geval, zijn opvoedingsverantwoordelijken;
  9° er zijn geen tegenstrijdigheden tussen het aanvraagdocument en de bijlagen die bij het aanvraagdocument gevoegd zijn;
  10° een aanvraagdocument dat wordt opgemaakt naar aanleiding van een tweede of volgende aanvraag van eenzelfde minderjarige om niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening bij de toegangspoort, bevat een grondige motivering van de nieuwe aanvraag en beschrijft, in voorkomend geval, de wijziging die zich heeft voorgedaan in de situatie van de minderjarige, zijn ouders en, in voorkomend geval, zijn opvoedingsverantwoordelijken sinds de vorige aanvraag.
  Aanvragen tot tenlasteneming van individuele materiële bijstand voor de sociale integratie van personen met een handicap als vermeld in artikel 6, 2°, en artikel 8, 3°, van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, worden alleen samen met een aanvraagdocument gericht aan de toegangspoort als de minderjarige niet beschikt over een geldig indicatiestellingsverslag of over een geldige beslissing over de toewijzing van het Vlaams Agentschap voor Personen met een handicap als vermeld in artikel 10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 1991 betreffende de indiening en afhandeling van de aanvraag tot ondersteuning bij het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap.
  Als het team overmacht inroept als vermeld in het eerste lid, 5°, moet de overmacht worden gemotiveerd ten aanzien van het agentschap.
Art. 3. Pour pouvoir être agréée par l'agence comme équipe multidisciplinaire, telle que visée à l'article 35, § 2, de l'arrêté du 21 février 2014, l'équipe satisfait, sans préjudice des conditions visées à l'article précité, aux exigences de qualité suivantes en ce qui concerne l'introduction de la demande d'aide à la jeunesse non directement accessible auprès de la porte d'entrée :
  1° l'équipe introduit la demande auprès de la porte d'entrée conformément à l'article 20 du décret du 12 juillet 2013 et à l'article 21 et aux articles 23 à 25 inclus de l'arrêté du 21 février 2014 ;
  2° si de l'assistance matérielle individuelle est demandée dans la proposition d'évaluation des besoins dans le document de demande, l'équipe ajoute un rapport de conseil au document de demande ;
  3° si un budget d'assistance personnelle, tel que visé à l'article 26, alinéa six de l'arrêté du 21 février 2014, est demandé dans la proposition d'évaluation des besoins dans le document de demande, l'équipe ajoute un rapport d'appréciation au document de demande tout en rédigeant un avis sur la désirabilité et la hauteur du budget d'assistance personnelle ;
  4° l'équipe mentionne une disposition relative au groupe-cible dans le document de demande et ne reprend que les données nécessaires à la motivation de la proposition d'évaluation des besoins ;
  5° sauf en cas de force majeure, l'équipe ou un collaborateur de l'équipe introduit le document de demande auprès de la porte d'entrée dans un délai de quatre mois à partir du moment auquel l'équipe a reçu le mineur, ses parents ou, le cas échéant, ses responsables de l'éducation ou qu'elle a effectué une visite au domicile de la personne concernée dans le cadre de la demande auprès de la porte d'entrée ;
  6° le document de demande mentionne, par diagnostic décrit, le nom et la discipline des personnes qui l'ont établi et la date du diagnostic et fait état de la date et de la version des tests utilisés, si le document de demande fait référence à des résultats de tests ;
  7° il ressort du document de demande que la proposition d'évaluation des besoins est le produit d'une coopération multidisciplinaire ;
  8° lorsque l'équipe et le mineur, ses parents et, le cas échéant, ses responsables de l'éducation ne s'accordent pas sur la proposition d'évaluation des besoins, l'équipe en fait une mention claire et en donne une motivation dans le document de demande, avec mention de la vision du mineur, de ses parents et, le cas échéant, de ses responsables de l'éducation ;
  9° il n'y a pas de contradictions entre le document de demande et les annexes qui ont été ajoutées au document de demande ;
  10° le document de demande qui est rédigé à l'occasion d'une deuxième demande ou d'une demande suivante d'aide à la jeunesse non directement accessible auprès de la porte d'entrée en faveur d'un même mineur, contient une motivation approfondie de la nouvelle demande et décrit, le cas échéant, la modification qui s'est produite dans la situation du mineur, de ses parents et le cas échéant, de ses responsables de l'éducation depuis la demande précédente.
  Les demandes de prise en charge du soutien personnel et matériel en vue de l'intégration sociale de personnes handicapées, tel que visé à l'article 6, 2° et à l'article 8, 3° du décret du 7 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap " (Agence flamande pour les Personnes handicapées) sont uniquement adressées à la porte d'entrée ensemble avec un document de demande si le mineur ne dispose pas d'un rapport d'évaluation des besoins valide ou d'une décision valide portant sur l'attribution par la " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap ", telle que visée à l'article 10 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juillet 1991 relatif à l'introduction et traitement de la demande de soutien auprès de l'Agentschap voor Personen met een Handicap.
  Si l'équipe invoque la force majeure, telle que visée à l'alinéa premier, 5°, la force majeure doit être motivée à l'égard de l'agence.
Art. 4. Een team dat behoort tot een voorziening of tot een samenwerkingsverband met minstens één voorziening, die jeugdhulpverlening aanbiedt als vermeld in hoofdstuk 2 van het besluit van 21 februari 2014, dient jaarlijks minimaal 25 aanvraagdocumenten in bij de toegangspoort, die door de toegangspoort als volledig afgewerkt en kwaliteitsvol zijn beoordeeld.
Art. 4. Une équipe relevant d'une structure ou d'un lien de coopération comprenant au moins une structure offrant de l'aide à la jeunesse, telle que visée au chapitre 2 de l'arrêté du 21 février 2014, introduit auprès de la porte d'entrée au moins 25 documents de demande qui ont été évaluées comme étant achevés et de qualité, par an.
HOOFDSTUK 4. - Samenwerkingsverbanden
CHAPITRE 4. - Liens de coopération
Art. 5. Om erkend te kunnen worden als multidisciplinair team moet het team dat deel uitmaakt van een samenwerkingsverband bijkomend voldoen aan de volgende kwaliteitseisen :
  1° het team maakt slechts deel uit van één samenwerkingsverband en als een voorziening toetreedt tot een samenwerkingsverband, wordt de eerste erkenning als multidisciplinair team, die een voorziening in voorkomend geval had voor de toetreding tot het samenwerkingsverband, opgeschort voor de duur van het samenwerkingsverband;
  2° het samenwerkingsverband heeft een uitgeschreven missie, visie en doelstellingen;
  3° het samenwerkingsverband maakt met het oog op een kwaliteitsvolle dienstverlening en rekening houdend met de minimale kwaliteitseisen, vermeld in artikel 2 en 3, afspraken over de verwijzing van de minderjarige binnen het samenwerkingsverband, over de samenwerking bij de opmaak van aanvraagdocumenten en over de uitwisseling van aanvraagdocumenten;
  4° het samenwerkingsverband organiseert op regelmatige basis mono- en multidisciplinaire intervisie met als doel het samenbrengen van expertise en kennisdeling en afstemming;
  5° het samenwerkingsverband wijst een persoon aan die optreedt als aanspreekpunt voor het agentschap;
  6° het samenwerkingsverband bezorgt de schriftelijke en door de bevoegde personen ondertekende samenwerkingsovereenkomst aan het agentschap;
  7° de samenwerkingsovereenkomst wordt aangegaan voor minimaal twaalf maanden en bevat minimaal de volgende elementen :
  a) de namen en de disciplines van de personen die deel uitmaken van het multidisciplinaire team van het samenwerkingsverband;
  b) de namen van de voorzieningen die deel uitmaken van het samenwerkingsverband en van de verantwoordelijken van die voorzieningen;
  c) de naam en contactgegevens van het aanspreekpunt van het samenwerkingsverband;
  d) de wijze waarop het samenwerkingsverband wordt georganiseerd en de instantie die de subsidie vanuit het agentschap voor het team ontvangt;
  e) de duur van de samenwerking;
  f) de inschatting van het aantal aanvraagdocumenten dat jaarlijks zal worden ingediend door het samenwerkingsverband.
  In het eerste lid, 6° en 7°, wordt verstaan onder samenwerkingsovereenkomst :
  de samenwerkingsovereenkomst voor het samenwerkingsverband, vermeld in artikel 35, § 2, tweede lid, van het besluit van 21 februari 2014.
Art. 5. En vue d'être agréée comme équipe multidisciplinaire, l'équipe qui fait partie d'un lien de coopération doit en plus satisfaire aux exigences de qualité suivantes :
  1° l'équipe ne fait partie que d'un seul lien de coopération et si une structure accède à un lien de coopération, le premier agrément en tant qu'équipe multidisciplinaire dont une structure disposait, le cas échéant, avant l'accession au lien de coopération, est suspendu pour la durée du lien de coopération ;
  2° le lien de coopération a une mission, une vision et des objectifs rédigés par écrit ;
  3° le lien de coopération prend des dispositifs relatifs au renvoi du mineur au sein du lien de coopération, à la coopération lors de la rédaction de documents de demande et à l'échange de documents de demande, en vue d'une offre de services de qualité et compte tenu des exigences de qualité minimales, visées aux articles 2 et 3 ;
  4° le lien de coopération organise des intervisions monodisciplinaires et multidisciplinaires sur une base régulière avec comme objectif la mise en commun d'expertise et le partage de connaissances et la coordination ;
  5° le lien de coopération désigne une personne qui agit comme point de contact pour l'agence ;
  6° le lien de coopération transmet l'accord de coopération écrite et signée par les personnes compétentes à l'agence ;
  7° l'accord de coopération est conclu pour au moins douze mois et comprend au moins les éléments suivants :
  a) les noms et les disciplines des personnes qui font partie de l'équipe multidisciplinaire du lien de coopération ;
  b) les noms des structures qui font partie du lien de coopération et des responsables de ces structures ;
  c) le nom et les données de contact du point de contact du lien de coopération ;
  d) la façon dont le lien de coopération est organisé et l'instance réceptrice de la subvention de la part de l'agence au nom de l'équipe ;
  e) la durée de la coopération ;
  f) l'estimation du nombre de documents de demande que le lien de coopération introduira annuellement.
  A l'alinéa premier, 6° et 7°, il faut entendre par accord de coopération :
  l'accord de coopération dans le cadre du lien de collaboration visé à l'article 35, § 2, alinéa deux de l'arrêté du 21 février 2014.
HOOFDSTUK 5. - Vergoeding van de multidisciplinaire teams
CHAPITRE 5. - Indemnité des équipes multidisciplinaires
Art. 6. § 1. Aan de teams die behoren tot een voorziening als vermeld in artikel 35, § 3, eerste lid, 3°, van het besluit van 21 februari 2014, worden de volgende vergoedingen uitbetaald voor de opmaak en aanlevering van aanvraagdocumenten aan de toegangspoort in het kader van de afhandeling van een aanvraag om niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening :
  1° 490 euro voor de opmaak van een eerste aanvraagdocument voor de minderjarige met een vraag naar niet-rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening met uitzondering van aanvragen om individuele materiële bijstand, in voorkomend geval met inbegrip van een inschalingsverslag;
  2° 300 euro voor de opmaak van een volgend aanvraagdocument voor de minderjarige met een vraag naar niet-rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening met uitzondering van aanvragen om individuele materiële bijstand, in voorkomend geval met inbegrip van een inschalingsverslag;
  3° 525 euro voor de opmaak van een eerste aanvraagdocument voor de minderjarige met een vraag naar individuele materiële bijstand met inbegrip van een adviesrapport;
  4° 825 euro voor de opmaak van een eerste aanvraagdocument voor de minderjarige met een vraag naar individuele materiële bijstand met inbegrip van een adviesrapport in combinatie met een eerste aanvraag voor de minderjarige voor een andere vorm van niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening.
  Voor een volgend aanvraagdocument voor de minderjarige, vermeld in § 1, 2°, ontvangt het team het bedrag vermeld in § 1, 1° als de gevraagde nood aan ondersteuning het gevolg is van een andere handicap dan de handicap waarvoor de minderjarige in het verleden werd aangemeld bij de toegangspoort.
  § 2. Aan de teams die behoren tot een voorziening als vermeld in artikel 35, § 1, 1° en 3°, en § 3, eerste lid, 2°, van het besluit van 21 februari 2014, wordt binnen de jaarlijkse begrotingskredieten een subsidie toegekend, gebaseerd op de door het team aangevraagde en in de planning opgenomen aantal ingeschatte aanvraagdocumenten dat jaarlijks zal worden ingediend bij de toegangspoort, vermenigvuldigd met het bedrag per aanvraagdocument, vermeld in paragraaf 1.
  De subsidie, vermeld in het eerste lid, wordt uitbetaald in drie schijven :
  1° een eerste schijf van 40% wordt uitbetaald in het eerste kwartaal van het werkingsjaar waarop de enveloppe betrekking heeft;
  2° een tweede schijf van 40% wordt uitbetaald na rapportering waaruit blijkt dat de gebudgetteerde aantallen werden behaald in het eerste kwartaal;
  3° het saldo van 20 % voor 31 maart van het jaar dat volgt op het werkingsjaar waarop de enveloppe betrekking heeft, na bewijs van effectief geleverde prestaties.
  De bedragen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, 2° en 3° zijn gekoppeld aan de spilindex die van toepassing was op 1 januari 2015.
  § 3. De Vlaamse Gemeenschap zal de middelen die niet binnen de termijn of niet correct besteed zijn en de middelen die niet verantwoord kunnen worden, terugvorderen bij de teams.
  § 4. De vergoedingen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, 2° en 3°, en paragraaf 2, worden gedragen door het fonds. Het fonds neemt deze vergoedingen ten laste op voorwaarde dat het aanvraagdocument voldoet aan de kwaliteitseisen, vermeld in artikel 35, § 3, tweede lid, van het besluit van 21 februari 2014, en in artikel 3 van dit besluit en op voorwaarde dat het adviesrapport en het inschalingsverslag als kwaliteitsvol en volledig zijn beoordeeld.
  In het eerste lid wordt verstaan onder fonds : het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Fonds Jongerenwelzijn, vermeld in artikel 54 van het decreet van 7 maart 2008 inzake de bijzondere jeugdbijstand.
Art. 6. § 1er. Les indemnités suivantes sont payées aux équipes relevant d'une structure, telle que visée à l'article 35, § 3, alinéa premier, 3° de l'arrêté du 21 février 2014 pour la rédaction et la remise de documents de demande à la porte d'entrée dans le cadre du règlement d'une demande d'aide à la jeunesse non directement accessible :
  1° 490 euros pour la rédaction d'un premier document de demande pour le mineur demandant de l'aide à la jeunesse non directement accessible, à l'exception de demandes d'assistance individuelle et matérielle, le cas échéant, y compris un rapport d'appréciation ;
  2° 300 euros pour la rédaction d'un document de demande suivant pour le mineur demandant de l'aide à la jeunesse non directement accessible, à l'exception de demandes d'assistance individuelle et matérielle, le cas échéant, y compris un rapport d'appréciation ;
  3° 525 euros pour la rédaction d'un premier document de demande pour le mineur demandant de l'assistance individuelle et matérielle, y compris un rapport de conseil ;
  4° 825 euros pour la rédaction d'un premier document de demande pour le mineur demandant de l'assistance individuelle et matérielle, y compris un rapport de conseil en combinaison avec une première demande d'une autre forme d'aide à la jeunesse non directement accessible en faveur du mineur.
  Pour un document de demande suivant en faveur du mineur, visé au § 1er, 2°, l'équipe reçoit le montant, visé au § 1er, 1°, si le besoin d'aide demandée est la conséquence d'un autre handicap que le handicap pour lequel le mineur a été enregistré auprès de la porte d'entrée par le passé.
  § 2. Aux équipes relevant d'une structure, telle que visée à l'article 35, § 1er, 1° et 3° et § 3, alinéa premier, 2° de l'arrêté du 21 février 2014, une subvention est octroyée dans les limites des crédits budgétaires annuels, basée sur le nombre estimé de documents de demande qui seront introduits auprès de la porte d'entrée par an et qui ont été repris dans le planning par l'équipe, multipliés par le montant par document de demande, visé au paragraphe 1er.
  La subvention, visée à l'alinéa premier, est payée en trois tranches :
  1° une première tranche de 40 % est payée dans le premier trimestre de l'année d'activité à laquelle l'enveloppe se rapporte ;
  2° une deuxième tranche de 40 % est payée après l'établissement de rapports, dont il ressort que les nombres imputés au budgets ont été atteints dans le premier trimestre ;
  3° le solde de 20 % avant le 31 mars de l'année qui succède à l'année d'activité à laquelle l'enveloppe se rapporte, après preuve des prestations effectivement fournies.
  Les montants, visés au paragraphe 1er, alinéa premier, 1°, 2° et 3° sont liés à l'indice-pivot en vigueur le 1er janvier 2015.
  § 3. La Communauté flamande récupérera auprès des équipes les fonds qui n'ont pas été dépensés dans les délais ou qui n'ont pas été correctement dépensés, et ceux qui ne peuvent être justifiés.
  § 4. Les indemnités, visées au paragraphe 1er, alinéa premier, 1°, 2° et 3° et au paragraphe 2 sont à la charge du fonds. Le fonds prend à sa charge ces indemnités à condition que le document de demande réponde aux exigences de qualité, visées à l'article 35, § 3, alinéa deux de l'arrêté du 21 février 2014 et à l'article 3 du présent arrêté et à condition que le rapport de conseil et le rapport d'appréciation aient été évalués complets et de qualité.
  Dans l'alinéa premier, on entend par fonds : l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique " Fonds Jongerenwelzijn ", visée à l'article 54 du décret du 7 mars 2008 relatif à l'assistance spéciale à la jeunesse ;
HOOFDSTUK 6. - Erkenningsprocedure voor de multidisciplinaire teams
CHAPITRE 6. - Procédure d'agrément pour les équipes multidisciplinaires
Art. 7. § 1. De voorzieningen of de samenwerkingsverbanden, vermeld in artikel 35, § 2, eerste lid, van het besluit van 21 februari 2014, die voor 1 maart 2014 geen erkenning als multidisciplinair team verkregen hebben vanuit het agentschap, richten hun gemotiveerde aanvraag tot erkenning als multidisciplinair team met een aangetekende brief aan het agentschap. Ze voegen daarbij alle bewijsstukken, waarvan de lijst door het agentschap wordt vastgesteld, ter staving van hun aanvraag, in het bijzonder ter staving van het feit dat aan de voorwaarden voor erkenning wordt voldaan. De voorzieningen of samenwerkingsverbanden verstrekken alle extra gegevens waar het agentschap om verzoekt.
  Om ontvankelijk te zijn moet de aanvraag minimaal de volgende informatie bevatten :
  1° een toelichting over het juridische statuut van de aanvrager;
  2° gegevens van de voorziening of instantie waartoe het team behoort, en van de inrichtende macht;
  3° een lijst van de namen van de personen die deel zullen uitmaken van het multidisciplinaire team, met vermelding van hun discipline en kwalificaties.
  Als de aanvraag tot erkenning van een team niet ontvankelijk is, stuurt de administratie die aanvraag met een aangetekende brief uiterlijk dertig dagen na de ontvangst aan de aanvragende, inrichtende macht terug. In die brief wordt de reden van de niet-ontvankelijkheid vermeld.
  § 2. De erkenning als multidisciplinair team wordt toegekend door de leidend ambtenaar van het agentschap en geldt voor onbepaalde duur.
  Bij het verlenen van een erkenning als multidisciplinair team kan het agentschap rekening houden met een evenwichtige geografische spreiding.
  De beslissing van de leidend ambtenaar van het agentschap om de erkenning te verlenen wordt binnen een termijn van twee maanden na de ontvangst van de aanvraag aan de inrichtende macht betekend. Die beslissing wordt betekend met een aangetekende brief.
  Als de beslissing van de leidend ambtenaar van het agentschap, vermeld in het eerste lid, niet binnen de in het derde lid vermelde termijn aan de inrichtende macht is betekend, wordt ervan uitgegaan dat de erkenning van het team wordt geweigerd.
  Elke beslissing tot weigering van erkenning wordt schriftelijk ter kennis gebracht van de inrichtende macht van de voorziening of van het samenwerkingsverband in kwestie en wordt met redenen omkleed.
  § 3. De inrichtende macht kan tot uiterlijk dertig dagen na de ontvangst van de beslissing van de leidend ambtenaar van het agentschap om de erkenning als multidisciplinair team te weigeren of, na het verstrijken van de termijn, vermeld in paragraaf 2, derde lid, een bezwaarschrift indienen. Na die termijn van dertig dagen is het bezwaarschrift niet meer ontvankelijk. De inrichtende macht richt daarvoor een aangetekende brief aan de administratie met vermelding van de motieven waarom ze de weigering ongegrond acht.
  Het bezwaarschrift wordt behandeld volgens de regels die zijn vastgesteld bij of ter uitvoering van hoofdstuk III van het decreet van 7 december 2007 houdende oprichting van de Strategische Adviesraad voor het Vlaamse Welzijns-, Gezondheids- en Gezinsbeleid en van een Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en (Kandidaat-) pleegzorgers.
Art. 7. § 1er. Les structures ou liens de coopération, visés à l'article 35, § 2, alinéa premier, de l'arrêté du 21 février 2014, qui n'ont pas obtenu d'agrément comme équipe multidisciplinaire de la part de l'agence avant le 1 mars 2014, adressent leur demande motivée d'agrément comme équipe multidisciplinaire à l'agence par lettre recommandée. Elles y joignent toutes les pièces justificatives, dont la liste est établie par l'agence, en guise de motivation de leur demande, notamment en guise de motivation du fait qu'il sera satisfait aux conditions pour l'agrément. Les structures ou liens de coopération fournissent toutes les données supplémentaires demandées par l'agence.
  Pour être recevable, la demande doit comporter au moins les informations suivantes :
  1° une note explicative sur le statut juridique du demandeur ;
  2° les données de la structure ou de l'instance dont relève l'équipe et du pouvoir organisateur ;
  3° une liste des noms des personnes qui feront partie de l'équipe multidisciplinaire, avec mention de leur discipline et qualifications.
  Si la demande d'agrément d'une équipe est irrecevable, l'administration renvoie cette demande au pouvoir organisateur demandeur au plus tard trente jours après sa réception par lettre recommandée. Cette lettre mentionne la raison de la non-recevabilité.
  § 2. L'agrément comme équipe multidisciplinaire est accordé par le fonctionnaire dirigeant de l'agence et est valable pour une durée indéterminée.
  L'agence peut tenir compte d'une répartition géographique équilibrée lors de l'octroi d'un agrément.
  La décision du fonctionnaire dirigeant de l'agence d'octroyer l'agrément est notifiée au pouvoir organisateur dans un délai de deux mois après la réception de la demande. Cette décision est notifiée par lettre recommandée.
  Si la décision du fonctionnaire dirigeant de l'agence, visé à l'alinéa premier, n'a pas été notifiée au pouvoir organisateur dans le délai visé à l'alinéa trois, l'agrément de l'équipe est censé être refusé.
  Toute décision de refus d'un agrément est portée à la connaissance du pouvoir organisateur de la structure ou du lien de coopération concernés par écrit et est motivée.
  § 3. Le pouvoir organisateur peut introduire une réclamation pendant au maximum trente jours après la réception de la décision du fonctionnaire dirigeant de l'agence portant sur le refus de l'agrément comme équipe multidisciplinaire ou après l'échéance du délai, visé au paragraphe 2, alinéa trois. La réclamation n'est plus recevable après ce délai de trente jours. Le pouvoir organisateur adresse à cet effet une lettre recommandée à l'administration avec mention des motifs pour lesquels il estime le refus non fondé.
  La réclamation est traitée conformément aux règles fixées par ou en exécution du chapitre III du décret du 7 décembre 2007 portant création du Conseil consultatif stratégique pour la Politique flamande de l'Aide sociale, de la Santé et de la Famille et d'une Commission consultative pour les Structures de l'Aide sociale, de la Santé publique et de la Famille et des (Candidats) accueillants.
Art. 8. Multidisciplinaire teams die ter uitvoering van artikel 142, tweede lid, van het besluit van 21 februari 2014, voor 1 maart 2014 een erkenning als MDT hebben verkregen van de leidend ambtenaar van het agentschap worden in uitvoering van dit besluit door de leidend ambtenaar van het agentschap voor onbepaalde duur erkend als multidisciplinair team, tenzij ze zich hier ten aanzien van het agentschap schriftelijk tegen verzetten.
Art. 8. Les équipes multidisciplinaires qui ont obtenu un agrément comme équipe multidisciplinaire de la part du fonctionnaire dirigeant de l'agence avant le 1 mars 2014, en exécution de l'article 142, alinéa deux, de l'arrêté du 21 février 2014, sont agréés comme équipes multidisciplinaires par le fonctionnaire dirigeant de l'agence pour une durée indéterminée en vertu du présent arrêté, à moins qu'elles ne s'y opposent à l'égard de l'agence.
Art. 9. § 1. Als een team een of meer van de voorwaarden, vermeld in artikel 35, § 2, eerste lid, van het besluit van 21 februari 2014 of artikel 2 tot en met 5 van dit besluit, niet langer naleeft, kan het agentschap het team met een aangetekende brief ertoe aanmanen om zich binnen een termijn van ten hoogste zes maanden opnieuw aan deze bepalingen te conformeren.
  Als het team, ondanks de aanmaning, vermeld in het eerste lid, op het ogenblik van het verstrijken van de termijn van zes maanden de bepalingen, vermeld in het eerste lid, nog altijd niet naleeft, kan het agentschap de erkenning van het team in kwestie schorsen of intrekken, na het team te hebben gehoord.
  Elke beslissing tot schorsing of intrekking van de erkenning wordt met redenen omkleed en met een aangetekende brief meegedeeld aan de inrichtende macht van het team in kwestie. Ze gaat in vanaf de eerste werkdag na de betekening.
  Een beslissing tot schorsing kan worden uitgesproken voor een termijn van ten hoogste één jaar, en is niet verlengbaar. Aan het team waarvan de erkenning is ingetrokken, kan op zijn vroegste één jaar nadat de erkenning is ingetrokken, een nieuwe erkenning worden verleend.
  De bepalingen, vermeld in artikel 7, § 3, van dit besluit, zijn van overeenkomstige toepassing op de schorsing of de intrekking van de erkenning.
  § 2. De erkenning vervalt als niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden, vermeld in artikel 35, § 2, eerste lid, 1°, 2°, 3°, van het besluit van 21 februari 2014.
  § 3. Met behoud van de toepassing van paragraaf 1, eerste lid en tweede lid, kan het agentschap bij vaststelling van de niet-naleving van de erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 35, § 2, eerste lid, van het besluit van 21 februari 2014, en de minimale kwaliteitseisen, vermeld in artikel 2 tot en met 5 van dit besluit, met het team in kwestie overleg plegen over de wijze waarop de naleving van de minimale kwaliteitseisen kan worden gerealiseerd.
Art. 9. § 1er. Si une équipe ne respecte plus une ou plusieurs des conditions, visées à l'article 35, § 2, alinéa premier de l'arrêté du 21 février 2014 ou aux articles 2 à 5 inclus du présent arrêté, l'agence peut enjoindre l'équipe par lettre recommandée de se conformer de nouveau à ces dispositions dans un délai d'au maximum six mois.
  Si, malgré l'injonction, visée à l'alinéa premier, l'équipe ne respecte toujours pas les dispositions, visées à l'alinéa premier, au moment de l'échéance du délai de six mois, l'agence peut suspendre ou retirer l'agrément de l'équipe concernée, après avoir entendu l'équipe.
  Toute décision de suspension ou de retrait de l'agrément est motivée et notifiée au pouvoir organisateur de l'équipe concernée par lettre recommandée. Elle entre en vigueur le premier jour ouvrable après la notification.
  Une décision de suspension peut être prononcée pour un délai d'au maximum un an et n'est pas reconductible. Un nouvel agrément peut être accordé à l'équipe dont l'agrément a été retiré un an après que l'agrément a été retiré au plus tôt.
  Les dispositions, visées à l'article 7, § 3, du présent arrêté, s'appliquent par analogie à la suspension ou au retrait de l'agrément.
  § 2. L'agrément échoit s'il n'est plus satisfait aux conditions, visées à l'article 35, § 2, alinéa premier, 1°, 2°, 3° de l'arrêté du 21 février 2014.
  § 3. Sans préjudice de l'application du paragraphe 1er, alinéas premier et deux et en cas de constat d'un non-respect des conditions d'agrément, visées à l'article 35, § 2, alinéa premier de l'arrêté du 21 février 2014 et des exigences de qualité minimales, visées aux articles 2 à 5 inclus du présent arrêté, l'agence peut se concerter avec l'équipe concernée au sujet de la façon dont le respect des exigences de qualité minimales peut être réalisé.
HOOFDSTUK 7. - Toezicht
CHAPITRE 7. - Contrôle
Art. 10. Zorginspectie houdt ter uitvoering van artikel 78 van het decreet van 12 juli 2013 toezicht op de kwaliteit van de werking van het team en op het voldoen van het team aan de erkenningsvoorwaarden en de kwaliteitseisen als multidisciplinair team, vermeld in artikel 35, § 2, eerste lid, van het besluit van 21 februari 2014, en in artikel 2 tot en met 5 van dit besluit.
Art. 10. `Zorginspectie' effectue un contrôle sur la qualité du fonctionnement de l'équipe et sur le respect par l'équipe des conditions d'agrément et des exigences de qualité comme équipe multidisciplinaire, telle que visée à l'article 35, § 2, alinéa premier de l'arrêté du 21 février 2014 et aux articles 2 à 5 inclus du présent arrêté, en exécution de l'article 78 du décret du 12 juillet 2013.
HOOFDSTUK 8. - Slotbepalingen
CHAPITRE 8. - Dispositions finales
Art. 11. Artikel 35 van het besluit van 21 februari 2014 treedt in werking op 1 januari 2016, met uitzondering van paragraaf 2 die in werking treedt op 1 oktober 2015.
Art. 11. L'article 35 de l'arrêté du 21 février 2014 entre en vigueur le 1 janvier 2016, à l'exception du paragraphe 2, qui entre en vigueur le 1 octobre 2015. " ;
Art. 12. Dit besluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.
Art. 12. Le présent arrêté entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge.
Art. 13. De Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 13. Le Ministre flamand ayant l'assistance aux personnes dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.