Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
3 JUNI 2016. - Decreet houdende wijziging van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011 en het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges, wat de omzetting van de aanbevelingen van GRECO betreft
Titre
3 JUIN 2016. - Décret portant modification du Décret sur les Elections locales et provinciales du 8 juillet 2011 et du décret du 4 avril 2014 relatif à l'organisation et à la procédure de certaines juridictions administratives flamandes, en ce qui concerne la transposition des recommandations du GRECO
Dokumentinformationen
Info du document
Tekst (10)
Texte (10)
Artikel 1. Dit decreet regelt een gewestaangelegenheid.
Article 1er. Le présent décret règle une matière régionale.
Art. 2. In artikel 2 van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° punt 4° wordt vervangen door wat volgt:
"4° Controlecommissie Verkiezingsuitgaven: de Vlaamse Controlecommissie voor de Verkiezingsuitgaven zoals opgericht bij artikel 3 van het decreet van 7 mei 2004 houdende regeling van de controle van de verkiezingsuitgaven en de herkomst van de geldmiddelen voor de verkiezing van het Vlaams Parlement, aangevuld met de voorzitter van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen die zetelt zonder stemrecht;";
2° er wordt een punt 5° toegevoegd dat luidt als volgt:
"5° sperperiode: de periode van 1 juli van een verkiezingsjaar tot en met de dag van de verkiezingen of, in geval van buitengewone verkiezingen, van de dag van de oproeping van de kiezers tot en met de dag van de verkiezingen.".
1° punt 4° wordt vervangen door wat volgt:
"4° Controlecommissie Verkiezingsuitgaven: de Vlaamse Controlecommissie voor de Verkiezingsuitgaven zoals opgericht bij artikel 3 van het decreet van 7 mei 2004 houdende regeling van de controle van de verkiezingsuitgaven en de herkomst van de geldmiddelen voor de verkiezing van het Vlaams Parlement, aangevuld met de voorzitter van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen die zetelt zonder stemrecht;";
2° er wordt een punt 5° toegevoegd dat luidt als volgt:
"5° sperperiode: de periode van 1 juli van een verkiezingsjaar tot en met de dag van de verkiezingen of, in geval van buitengewone verkiezingen, van de dag van de oproeping van de kiezers tot en met de dag van de verkiezingen.".
Art. 2. A l'article 2 du Décret sur les Elections locales et provinciales du 8 juillet 2011, les modifications suivantes sont apportées :
1° le point 4° est remplacé par ce qui suit :
" 4° Commission de Contrôle des Dépenses électorales : la Commission de Contrôle des Dépenses électorales telle que créée par l'article 3 du décret du 7 mai 2004 portant réglementation du contrôle des dépenses électorales et de l'origine des fonds engagés pour l'élection du Parlement flamand, complétée par le président du Conseil des Contestations électorales siégeant sans droit de vote ; " ;
2° il est ajouté un point 5°, rédigé comme suit :
" 5° période de prudence électorale : la période du 1er juillet d'une année électorale jusqu'à et y compris le jour des élections ou, en cas d'élections extraordinaires, du jour de la convocation des électeurs jusqu'à et y compris le jour des élections. ".
1° le point 4° est remplacé par ce qui suit :
" 4° Commission de Contrôle des Dépenses électorales : la Commission de Contrôle des Dépenses électorales telle que créée par l'article 3 du décret du 7 mai 2004 portant réglementation du contrôle des dépenses électorales et de l'origine des fonds engagés pour l'élection du Parlement flamand, complétée par le président du Conseil des Contestations électorales siégeant sans droit de vote ; " ;
2° il est ajouté un point 5°, rédigé comme suit :
" 5° période de prudence électorale : la période du 1er juillet d'une année électorale jusqu'à et y compris le jour des élections ou, en cas d'élections extraordinaires, du jour de la convocation des électeurs jusqu'à et y compris le jour des élections. ".
Art. 3. In de artikelen 190 en 191 van hetzelfde decreet worden de woorden "en de financiële verbintenissen" opgeheven.
Art. 3. Dans les articles 190 et 191 du même décret, les mots " et les engagements financiers " sont abrogés.
Art. 4. In artikel 193 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
" § 1. Uitgaven voor verkiezingspropaganda zijn alle uitgaven en financiële verbintenissen voor mondelinge, schriftelijke, auditieve en visuele boodschappen die verricht worden tijdens de sperperiode en erop gericht zijn het resultaat van een politieke partij, een lijst en de kandidaten ervan gunstig te beïnvloeden.";
2° in paragraaf 3 wordt het woord "verkiezingsperiode" telkens vervangen door het woord "sperperiode".
1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
" § 1. Uitgaven voor verkiezingspropaganda zijn alle uitgaven en financiële verbintenissen voor mondelinge, schriftelijke, auditieve en visuele boodschappen die verricht worden tijdens de sperperiode en erop gericht zijn het resultaat van een politieke partij, een lijst en de kandidaten ervan gunstig te beïnvloeden.";
2° in paragraaf 3 wordt het woord "verkiezingsperiode" telkens vervangen door het woord "sperperiode".
Art. 4. A l'article 193 du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Sont considérés comme dépenses de propagande électorale, toute dépense et tout engagement financier afférents à des messages verbaux, écrits, sonores et visuels, destinés à influencer favorablement le résultat d'un parti politique, d'une liste et de leurs candidats, et effectués pendant la période de prudence électorale. " ;
2° dans le paragraphe 3, les mots " période électorale " sont chaque fois remplacés par les mots " période de prudence électorale ".
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Sont considérés comme dépenses de propagande électorale, toute dépense et tout engagement financier afférents à des messages verbaux, écrits, sonores et visuels, destinés à influencer favorablement le résultat d'un parti politique, d'une liste et de leurs candidats, et effectués pendant la période de prudence électorale. " ;
2° dans le paragraphe 3, les mots " période électorale " sont chaque fois remplacés par les mots " période de prudence électorale ".
Art. 5. In artikel 194, eerste lid, van hetzelfde decreet, worden de woorden "drie maanden die aan de datum van de verkiezingen voorafgaan of, in geval van buitengewone verkiezingen, vanaf de dag van de oproeping van de kiezers" vervangen door het woord "sperperiode".
Art. 5. Dans l'article 194, alinéa 1er, du même décret, les mots " les trois mois qui précèdent la date des élections ou en cas d'élections extraordinaires, à partir du jour de la convocation des électeurs, " sont remplacés par les mots " la période de prudence électorale ".
Art. 6. In deel 4, titel 1, hoofdstuk 1, van hetzelfde decreet, wordt afdeling 5, die bestaat uit artikel 195, vervangen door wat volgt:
"Afdeling 5. - Financiering van de uitgaven voor verkiezingspropaganda met giften en sponsoring
Onderafdeling 1. - De giften
Art. 195. § 1. De partijen, de lijsten en de kandidaten die deelnemen aan de lokale of provinciale verkiezingen mogen hun verkiezingspropaganda financieren met giften binnen de hierna bepaalde grenzen.
§ 2. Worden ook als gift beschouwd:
- de prestaties die kosteloos of onder de reële kostprijs verleend worden;
- de terbeschikkinggestelde kredietlijnen die niet moeten worden terugbetaald;
- de prestaties die door een politieke partij, een lijst of een kandidaat kennelijk boven de marktprijs zijn aangerekend.
Worden niet als gift beschouwd:
- de afdrachten van mandatarissen aan een politieke partij, in welke vorm ook;
- de financiering van kandidaten door een politieke partij, een component van een politieke partij of een lijst;
- de financiering van lijsten door een politieke partij of een component van een politieke partij.
§ 3. Alleen natuurlijke personen mogen giften doen. Giften van rechtspersonen of feitelijke verenigingen evenals giften van natuurlijke personen die feitelijk optreden als tussenpersonen van rechtspersonen of feitelijke verenigingen zijn verboden.
§ 4. De partijen, de lijsten en de kandidaten mogen hun verkiezingspropaganda financieren met giften die per schenker maximum 500 euro of de tegenwaarde ervan bedragen. Gespreid over verschillende begunstigden mag een natuurlijke persoon in totaal maximum 2.000 euro of de tegenwaarde daarvan schenken ter financiering van verkiezingspropaganda.
Onderafdeling 2. - Sponsoring
Art. 195/1. § 1. De partijen, de lijsten en de kandidaten die deelnemen aan de lokale of provinciale verkiezingen mogen zich voor de financiering van hun verkiezingspropaganda laten sponsoren door ondernemingen, feitelijke verenigingen en rechtspersonen binnen de volgende grenzen:
- de partijen, de lijsten en de kandidaten mogen per sponsor maximum 500 euro of de tegenwaarde ervan ontvangen;
- een sponsor mag gespreid over verschillende begunstigden in totaal maximum 2.000 euro of de tegenwaarde daarvan besteden aan sponsoring.
§ 2. Onder sponsoring wordt verstaan het volgens de geldende marktprijzen ter beschikking stellen van gelden of producten in ruil voor publiciteit.
Een onderneming zoals bedoeld in het eerste lid is elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die op duurzame wijze een economisch doel nastreeft, alsmede zijn verenigingen.
Onderafdeling 3. - Elektronische betaling
Art. 195/2. Giften en sponsorbedragen van 125 euro en meer worden elektronisch overgemaakt met een overschrijving, een lopende betalingsopdracht of een bank- of kredietkaart.".
"Afdeling 5. - Financiering van de uitgaven voor verkiezingspropaganda met giften en sponsoring
Onderafdeling 1. - De giften
Art. 195. § 1. De partijen, de lijsten en de kandidaten die deelnemen aan de lokale of provinciale verkiezingen mogen hun verkiezingspropaganda financieren met giften binnen de hierna bepaalde grenzen.
§ 2. Worden ook als gift beschouwd:
- de prestaties die kosteloos of onder de reële kostprijs verleend worden;
- de terbeschikkinggestelde kredietlijnen die niet moeten worden terugbetaald;
- de prestaties die door een politieke partij, een lijst of een kandidaat kennelijk boven de marktprijs zijn aangerekend.
Worden niet als gift beschouwd:
- de afdrachten van mandatarissen aan een politieke partij, in welke vorm ook;
- de financiering van kandidaten door een politieke partij, een component van een politieke partij of een lijst;
- de financiering van lijsten door een politieke partij of een component van een politieke partij.
§ 3. Alleen natuurlijke personen mogen giften doen. Giften van rechtspersonen of feitelijke verenigingen evenals giften van natuurlijke personen die feitelijk optreden als tussenpersonen van rechtspersonen of feitelijke verenigingen zijn verboden.
§ 4. De partijen, de lijsten en de kandidaten mogen hun verkiezingspropaganda financieren met giften die per schenker maximum 500 euro of de tegenwaarde ervan bedragen. Gespreid over verschillende begunstigden mag een natuurlijke persoon in totaal maximum 2.000 euro of de tegenwaarde daarvan schenken ter financiering van verkiezingspropaganda.
Onderafdeling 2. - Sponsoring
Art. 195/1. § 1. De partijen, de lijsten en de kandidaten die deelnemen aan de lokale of provinciale verkiezingen mogen zich voor de financiering van hun verkiezingspropaganda laten sponsoren door ondernemingen, feitelijke verenigingen en rechtspersonen binnen de volgende grenzen:
- de partijen, de lijsten en de kandidaten mogen per sponsor maximum 500 euro of de tegenwaarde ervan ontvangen;
- een sponsor mag gespreid over verschillende begunstigden in totaal maximum 2.000 euro of de tegenwaarde daarvan besteden aan sponsoring.
§ 2. Onder sponsoring wordt verstaan het volgens de geldende marktprijzen ter beschikking stellen van gelden of producten in ruil voor publiciteit.
Een onderneming zoals bedoeld in het eerste lid is elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die op duurzame wijze een economisch doel nastreeft, alsmede zijn verenigingen.
Onderafdeling 3. - Elektronische betaling
Art. 195/2. Giften en sponsorbedragen van 125 euro en meer worden elektronisch overgemaakt met een overschrijving, een lopende betalingsopdracht of een bank- of kredietkaart.".
Art. 6. Dans la partie 4, titre 1er, chapitre 1er, du même décret, la section 5, comprenant l'article 195, est remplacée par ce qui suit :
" Section 5. - Financement des dépenses de propagande électorale à l'aide de dons et de sponsoring
Sous-section 1re. - Les dons
Art. 195. § 1er. Les partis, les listes et les candidats qui participent aux élections locales ou provinciales peuvent financer leur propagande électorale à l'aide de dons dans les limites fixées ci-après.
§ 2. Sont également considérés comme des dons :
- les prestations fournies gratuitement ou en dessous du coût réel ;
- les lignes de crédit mises à disposition qui ne doivent pas être remboursées ;
- les prestations facturées manifestement au-dessus du prix marchand par un parti politique, une liste ou un candidat.
Ne sont pas considérés comme des dons :
- les versements de mandataires à un parti politique, sous quelque forme que ce soit ;
- le financement de candidats par un parti politique, une composante d'un parti politique, ou une liste ;
- le financement de listes par un parti politique ou une composante d'un parti politique.
§ 3. Seules les personnes physiques peuvent faire des dons. Les dons de personnes morales ou d'associations de fait ainsi que les dons de personnes physiques agissant en réalité comme intermédiaire de personnes morales ou d'associations de fait, sont interdits.
§ 4. Les partis, les listes et les candidats peuvent financer leur propagande électorale à l'aide de dons qui s'élèvent au maximum, par donateur, à 500 euros ou sa contrevaleur. Une personne physique peut donner un maximum de 2000 euros ou sa contrevaleur, réparti sur différents bénéficiaires, à titre de financement de la propagande électorale.
Sous-section 2. - Sponsoring
Art. 195/1. § 1er. Les partis, les listes et les candidats participant aux élections locales ou provinciales peuvent se faire sponsoriser pour le financement de leur propagande électorale par des entreprises, des associations de fait et des personnes morales dans les limites suivantes :
- les partis, les listes et les candidats peuvent recevoir, par sponsor, au maximum 500 euros ou sa contrevaleur ;
- un sponsor peut consacrer au maximum 2000 euros ou sa contrevaleur, répartis sur différents bénéficiaires, au sponsoring.
§ 2. Par sponsoring on entend la mise à disposition de fonds ou de produits selon les prix du marché en vigueur, en échange d'une publicité.
Une entreprise telle que visée à l'alinéa 1er est toute personne physique ou morale qui cherche à atteindre un objectif économique, ainsi que ses associations.
Sous-section 3. - Paiement électronique
Art. 195/2. Les dons et montants de sponsoring de 125 euros et plus sont transmis par voie électronique au moyen d'un virement, d'un ordre permanent ou d'une carte bancaire ou de crédit. ".
" Section 5. - Financement des dépenses de propagande électorale à l'aide de dons et de sponsoring
Sous-section 1re. - Les dons
Art. 195. § 1er. Les partis, les listes et les candidats qui participent aux élections locales ou provinciales peuvent financer leur propagande électorale à l'aide de dons dans les limites fixées ci-après.
§ 2. Sont également considérés comme des dons :
- les prestations fournies gratuitement ou en dessous du coût réel ;
- les lignes de crédit mises à disposition qui ne doivent pas être remboursées ;
- les prestations facturées manifestement au-dessus du prix marchand par un parti politique, une liste ou un candidat.
Ne sont pas considérés comme des dons :
- les versements de mandataires à un parti politique, sous quelque forme que ce soit ;
- le financement de candidats par un parti politique, une composante d'un parti politique, ou une liste ;
- le financement de listes par un parti politique ou une composante d'un parti politique.
§ 3. Seules les personnes physiques peuvent faire des dons. Les dons de personnes morales ou d'associations de fait ainsi que les dons de personnes physiques agissant en réalité comme intermédiaire de personnes morales ou d'associations de fait, sont interdits.
§ 4. Les partis, les listes et les candidats peuvent financer leur propagande électorale à l'aide de dons qui s'élèvent au maximum, par donateur, à 500 euros ou sa contrevaleur. Une personne physique peut donner un maximum de 2000 euros ou sa contrevaleur, réparti sur différents bénéficiaires, à titre de financement de la propagande électorale.
Sous-section 2. - Sponsoring
Art. 195/1. § 1er. Les partis, les listes et les candidats participant aux élections locales ou provinciales peuvent se faire sponsoriser pour le financement de leur propagande électorale par des entreprises, des associations de fait et des personnes morales dans les limites suivantes :
- les partis, les listes et les candidats peuvent recevoir, par sponsor, au maximum 500 euros ou sa contrevaleur ;
- un sponsor peut consacrer au maximum 2000 euros ou sa contrevaleur, répartis sur différents bénéficiaires, au sponsoring.
§ 2. Par sponsoring on entend la mise à disposition de fonds ou de produits selon les prix du marché en vigueur, en échange d'une publicité.
Une entreprise telle que visée à l'alinéa 1er est toute personne physique ou morale qui cherche à atteindre un objectif économique, ainsi que ses associations.
Sous-section 3. - Paiement électronique
Art. 195/2. Les dons et montants de sponsoring de 125 euros et plus sont transmis par voie électronique au moyen d'un virement, d'un ordre permanent ou d'une carte bancaire ou de crédit. ".
Art. 7. In deel 4, titel 1, hoofdstuk 1, van hetzelfde decreet, wordt afdeling 6, die bestaat uit de artikelen 196, 197, 198 en 199, vervangen door wat volgt:
"Afdeling 6. - De aangifte van de uitgaven voor verkiezingspropaganda, de herkomst van de geldmiddelen en de registratie van de schenkers en de sponsors
Onderafdeling 1. - Aangiften van de politieke partijen
Art. 196. § 1. De politieke partijen die een gemeenschappelijk volgnummer en een beschermde lijstnaam hebben verkregen met toepassing van titel 13 van deel 2, geven binnen dertig dagen na de verkiezingen hun verkiezingsuitgaven aan bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van het rechtsgebied waarin de nationale zetel van de partij gevestigd is. Bij de aangifte van de uitgaven wordt een aangifte over de herkomst van de geldmiddelen gevoegd.
De politieke partijen die in hun aangifte van de herkomst van de geldmiddelen giften vermelden, registreren de identiteit van de natuurlijke personen die giften van 125 euro en meer hebben gedaan ter financiering van de uitgaven voor verkiezingspropaganda. Deze gegevens worden vertrouwelijk behandeld en binnen dertig dagen na de datum van de verkiezingen meegedeeld aan de Controlecommissie Verkiezingsuitgaven.
De politieke partijen die in hun aangifte van de herkomst van de geldmiddelen sponsoring vermelden, registreren de identiteit van de ondernemingen, de feitelijke verenigingen en de rechtspersonen die hen ter financiering van de uitgaven voor verkiezingspropaganda gesponsord hebben voor een bedrag van 125 euro en meer, en delen deze gegevens binnen dertig dagen na de datum van de verkiezingen mee aan de Controlecommissie Verkiezingsuitgaven.
§ 2. De aangiften worden opgesteld op de daartoe bestemde formulieren en worden ondertekend door de politieke partij gemandateerde persoon. De formulieren worden door de Vlaamse Regering ter beschikking gesteld.
§ 3. De politieke partijen bewaren de bewijsstukken betreffende hun verkiezingsuitgaven en de herkomst van de geldmiddelen gedurende vijf jaar na de datum van de verkiezingen.
Onderafdeling 2. - Aangiften van de lijsten en de kandidaten
Art. 197. § 1. De lijsttrekker geeft binnen dertig dagen na de verkiezingen de verkiezingsuitgaven van de lijst en van elke kandidaat aan bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van het rechtsgebied waarin naargelang het geval de gemeente, het stadsdistrict of het provinciedistrict gelegen is. Bij de aangifte van de uitgaven wordt een aangifte over de herkomst van de geldmiddelen gevoegd.
De lijsten en de kandidaten die in hun aangifte van de herkomst van de geldmiddelen giften vermelden, registreren de identiteit van de natuurlijke personen die giften van 125 euro en meer hebben gedaan ter financiering van de uitgaven voor verkiezingspropaganda. De lijsttrekker behandelt deze gegevens vertrouwelijk en deelt ze binnen dertig dagen na de datum van de verkiezingen mee aan de Controlecommissie Verkiezingsuitgaven.
De lijsten en de kandidaten die in hun aangifte van de herkomst van de geldmiddelen sponsoring vermelden, registreren de identiteit van de ondernemingen, de feitelijke verenigingen en de rechtspersonen die hen ter financiering van de uitgaven voor verkiezingspropaganda gesponsord hebben voor een bedrag van 125 euro en meer. De lijsttrekker deelt deze gegevens binnen dertig dagen na de datum van de verkiezingen mee aan de Controlecommissie Verkiezingsuitgaven.
De lijsttrekker kan een ander persoon machtigen om de in deze paragraaf bedoelde aangiften in te dienen.
§ 2. De aangiften worden opgesteld op de daartoe bestemde formulieren en worden ondertekend door de lijsttrekker of door de daartoe door de lijsttrekker gemandateerde persoon. De formulieren worden door de Vlaamse Regering ter beschikking gesteld.
§ 3. De aangiften worden vanaf de eenendertigste dag na de verkiezingen gedurende vijftien dagen op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg, vermeld in paragraaf 1, ter inzage gelegd.
§ 4. De griffie van de rechtbank van eerste aanleg, vermeld in paragraaf 1, bewaart de aangiften gedurende honderdtwintig dagen na de verkiezingen en bezorgt ze of een kopie ervan aan de Raad voor Verkiezingsbetwistingen als ze daarom verzoekt.
Als geen enkele klacht of bezwaar werd ingediend als vermeld in artikel 201 en 203, kunnen de aangiften door de kandidaten afgehaald worden gedurende drie maanden na de periode, vermeld in het eerste lid.
§ 5. De lijsttrekker bewaart de bewijsstukken betreffende de verkiezingsuitgaven en de herkomst van de geldmiddelen van de lijst gedurende twee jaar na de datum van de verkiezingen.
De kandidaten bewaren hun bewijsstukken betreffende de verkiezingsuitgaven en de herkomst van de geldmiddelen gedurende twee jaar na de datum van de verkiezingen.".
"Afdeling 6. - De aangifte van de uitgaven voor verkiezingspropaganda, de herkomst van de geldmiddelen en de registratie van de schenkers en de sponsors
Onderafdeling 1. - Aangiften van de politieke partijen
Art. 196. § 1. De politieke partijen die een gemeenschappelijk volgnummer en een beschermde lijstnaam hebben verkregen met toepassing van titel 13 van deel 2, geven binnen dertig dagen na de verkiezingen hun verkiezingsuitgaven aan bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van het rechtsgebied waarin de nationale zetel van de partij gevestigd is. Bij de aangifte van de uitgaven wordt een aangifte over de herkomst van de geldmiddelen gevoegd.
De politieke partijen die in hun aangifte van de herkomst van de geldmiddelen giften vermelden, registreren de identiteit van de natuurlijke personen die giften van 125 euro en meer hebben gedaan ter financiering van de uitgaven voor verkiezingspropaganda. Deze gegevens worden vertrouwelijk behandeld en binnen dertig dagen na de datum van de verkiezingen meegedeeld aan de Controlecommissie Verkiezingsuitgaven.
De politieke partijen die in hun aangifte van de herkomst van de geldmiddelen sponsoring vermelden, registreren de identiteit van de ondernemingen, de feitelijke verenigingen en de rechtspersonen die hen ter financiering van de uitgaven voor verkiezingspropaganda gesponsord hebben voor een bedrag van 125 euro en meer, en delen deze gegevens binnen dertig dagen na de datum van de verkiezingen mee aan de Controlecommissie Verkiezingsuitgaven.
§ 2. De aangiften worden opgesteld op de daartoe bestemde formulieren en worden ondertekend door de politieke partij gemandateerde persoon. De formulieren worden door de Vlaamse Regering ter beschikking gesteld.
§ 3. De politieke partijen bewaren de bewijsstukken betreffende hun verkiezingsuitgaven en de herkomst van de geldmiddelen gedurende vijf jaar na de datum van de verkiezingen.
Onderafdeling 2. - Aangiften van de lijsten en de kandidaten
Art. 197. § 1. De lijsttrekker geeft binnen dertig dagen na de verkiezingen de verkiezingsuitgaven van de lijst en van elke kandidaat aan bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van het rechtsgebied waarin naargelang het geval de gemeente, het stadsdistrict of het provinciedistrict gelegen is. Bij de aangifte van de uitgaven wordt een aangifte over de herkomst van de geldmiddelen gevoegd.
De lijsten en de kandidaten die in hun aangifte van de herkomst van de geldmiddelen giften vermelden, registreren de identiteit van de natuurlijke personen die giften van 125 euro en meer hebben gedaan ter financiering van de uitgaven voor verkiezingspropaganda. De lijsttrekker behandelt deze gegevens vertrouwelijk en deelt ze binnen dertig dagen na de datum van de verkiezingen mee aan de Controlecommissie Verkiezingsuitgaven.
De lijsten en de kandidaten die in hun aangifte van de herkomst van de geldmiddelen sponsoring vermelden, registreren de identiteit van de ondernemingen, de feitelijke verenigingen en de rechtspersonen die hen ter financiering van de uitgaven voor verkiezingspropaganda gesponsord hebben voor een bedrag van 125 euro en meer. De lijsttrekker deelt deze gegevens binnen dertig dagen na de datum van de verkiezingen mee aan de Controlecommissie Verkiezingsuitgaven.
De lijsttrekker kan een ander persoon machtigen om de in deze paragraaf bedoelde aangiften in te dienen.
§ 2. De aangiften worden opgesteld op de daartoe bestemde formulieren en worden ondertekend door de lijsttrekker of door de daartoe door de lijsttrekker gemandateerde persoon. De formulieren worden door de Vlaamse Regering ter beschikking gesteld.
§ 3. De aangiften worden vanaf de eenendertigste dag na de verkiezingen gedurende vijftien dagen op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg, vermeld in paragraaf 1, ter inzage gelegd.
§ 4. De griffie van de rechtbank van eerste aanleg, vermeld in paragraaf 1, bewaart de aangiften gedurende honderdtwintig dagen na de verkiezingen en bezorgt ze of een kopie ervan aan de Raad voor Verkiezingsbetwistingen als ze daarom verzoekt.
Als geen enkele klacht of bezwaar werd ingediend als vermeld in artikel 201 en 203, kunnen de aangiften door de kandidaten afgehaald worden gedurende drie maanden na de periode, vermeld in het eerste lid.
§ 5. De lijsttrekker bewaart de bewijsstukken betreffende de verkiezingsuitgaven en de herkomst van de geldmiddelen van de lijst gedurende twee jaar na de datum van de verkiezingen.
De kandidaten bewaren hun bewijsstukken betreffende de verkiezingsuitgaven en de herkomst van de geldmiddelen gedurende twee jaar na de datum van de verkiezingen.".
Art. 7. Dans la partie 4, titre 1er, chapitre 1er, du même décret, la section 6, comprenant les articles 196, 197, 198 et 199, est remplacée par ce qui suit :
" Section 6. - La déclaration des dépenses pour la propagande électorale, l'origine des fonds et l'enregistrement des donateurs et des sponsors
Sous-section 1re. - Déclaration des partis politiques
Art. 196. § 1er. Les partis politiques qui ont obtenu un numéro d'ordre commun et un sigle protégé en application du titre 13 de la partie 2, déclarent leurs dépenses électorales auprès du président du tribunal de première instance du ressort dans lequel le siège national du parti est établi, dans les 30 jours après les élections. Une déclaration d'origine des fonds est jointe à la déclaration des dépenses.
Les partis politiques qui mentionnent des dons dans leur déclaration d'origine des fonds, enregistrent l'identité des personnes physiques ayant fait des dons de 125 euros et plus à titre de financement des dépenses pour la propagande électorale. Ces données sont traitées confidentiellement et sont communiquées à la Commission de Contrôle des Dépenses électorales dans les trente jours après la date des élections.
Les partis politiques qui mentionnent du sponsoring dans leur déclaration d'origine des fonds, enregistrent l'identité des entreprises, des associations de fait et des personnes morales ayant sponsorisé à concurrence de 125 euros et plus, à titre de financement des dépenses pour la propagande électorale, et communiquent ces données à la Commission de Contrôle des Dépenses électorales dans les trente jours après la date des élections.
§ 2. Les déclarations sont établies sur les formulaires appropriés et sont signées par la personne mandatée par le parti politique. Les formulaires sont mis à disposition par le Gouvernement flamand.
§ 3. Les partis politiques conservent les pièces justificatives relatives à leurs dépenses électorales et l'origine des fonds pendant cinq ans après la date des élections.
Sous-section 2. - Déclarations des listes et des candidats
Art. 197. § 1er. Le candidat en tête de liste déclare, dans les trente jours suivant les élections, les dépenses électorales de la liste et de chaque candidat auprès du président du tribunal de première instance du ressort dans lequel la commune, le district urbain ou le district provincial est situé. Une déclaration d'origine des fonds est jointe à la déclaration des dépenses.
Les listes et les candidats qui mentionnent des dons dans leur déclaration d'origine des fonds, enregistrent l'identité des personnes physiques ayant fait des dons de 125 euros et plus à titre de financement des dépenses pour la propagande électorale. Le candidat en tête de liste traite ces données confidentiellement et les communique à la Commission de Contrôle des Dépenses électorales dans les trente jours après la date des élections.
Les listes et les candidats qui mentionnent du sponsoring dans leur déclaration d'origine des fonds, enregistrent l'identité des entreprises, des associations de fait et des personnes morales ayant sponsorisé à concurrence de 125 euros et plus, à titre de financement des dépenses pour la propagande électorale. Le candidat en tête de liste communique ces données à la Commission de Contrôle des Dépenses électorales dans les trente jours après la date des élections.
Le candidat en tête de liste peut autoriser une autre personne à introduire les déclarations visées au présent paragraphe.
§ 2. Les déclarations sont établies sur les formulaires appropriés et sont signées par le candidat en tête de liste ou par la personne mandatée par le candidat en tête de liste. Les formulaires sont mis à disposition par le Gouvernement flamand.
§ 3. Les déclarations peuvent être consultées au greffe du tribunal de première instance, visé au paragraphe 1er, pendant quinze jours à partir du 31e jour après les élections.
§ 4. Le greffe du tribunal de première instance, visé au paragraphe 1er, conserve les déclarations pendant cent vingt jours après les élections, et transmet les déclarations ou une copie de celles-ci au Conseil des Contestations électorales lorsque celui-ci en fait la demande.
Si aucune plainte ou réclamation n'a été introduite, telle que visée aux articles 201 et 203, les déclarations peuvent être retirées par les candidats pendant trois mois après la période, visée à l'alinéa 1er.
§ 5. Le candidat en tête de liste conserve les pièces justificatives relatives aux dépenses électorales et à l'origine des fonds de la liste pendant deux ans après la date des élections.
Les candidats conservent leurs pièces justificatives relatives aux dépenses électorales et à l'origine des fonds pendant deux ans après la date des élections. ".
" Section 6. - La déclaration des dépenses pour la propagande électorale, l'origine des fonds et l'enregistrement des donateurs et des sponsors
Sous-section 1re. - Déclaration des partis politiques
Art. 196. § 1er. Les partis politiques qui ont obtenu un numéro d'ordre commun et un sigle protégé en application du titre 13 de la partie 2, déclarent leurs dépenses électorales auprès du président du tribunal de première instance du ressort dans lequel le siège national du parti est établi, dans les 30 jours après les élections. Une déclaration d'origine des fonds est jointe à la déclaration des dépenses.
Les partis politiques qui mentionnent des dons dans leur déclaration d'origine des fonds, enregistrent l'identité des personnes physiques ayant fait des dons de 125 euros et plus à titre de financement des dépenses pour la propagande électorale. Ces données sont traitées confidentiellement et sont communiquées à la Commission de Contrôle des Dépenses électorales dans les trente jours après la date des élections.
Les partis politiques qui mentionnent du sponsoring dans leur déclaration d'origine des fonds, enregistrent l'identité des entreprises, des associations de fait et des personnes morales ayant sponsorisé à concurrence de 125 euros et plus, à titre de financement des dépenses pour la propagande électorale, et communiquent ces données à la Commission de Contrôle des Dépenses électorales dans les trente jours après la date des élections.
§ 2. Les déclarations sont établies sur les formulaires appropriés et sont signées par la personne mandatée par le parti politique. Les formulaires sont mis à disposition par le Gouvernement flamand.
§ 3. Les partis politiques conservent les pièces justificatives relatives à leurs dépenses électorales et l'origine des fonds pendant cinq ans après la date des élections.
Sous-section 2. - Déclarations des listes et des candidats
Art. 197. § 1er. Le candidat en tête de liste déclare, dans les trente jours suivant les élections, les dépenses électorales de la liste et de chaque candidat auprès du président du tribunal de première instance du ressort dans lequel la commune, le district urbain ou le district provincial est situé. Une déclaration d'origine des fonds est jointe à la déclaration des dépenses.
Les listes et les candidats qui mentionnent des dons dans leur déclaration d'origine des fonds, enregistrent l'identité des personnes physiques ayant fait des dons de 125 euros et plus à titre de financement des dépenses pour la propagande électorale. Le candidat en tête de liste traite ces données confidentiellement et les communique à la Commission de Contrôle des Dépenses électorales dans les trente jours après la date des élections.
Les listes et les candidats qui mentionnent du sponsoring dans leur déclaration d'origine des fonds, enregistrent l'identité des entreprises, des associations de fait et des personnes morales ayant sponsorisé à concurrence de 125 euros et plus, à titre de financement des dépenses pour la propagande électorale. Le candidat en tête de liste communique ces données à la Commission de Contrôle des Dépenses électorales dans les trente jours après la date des élections.
Le candidat en tête de liste peut autoriser une autre personne à introduire les déclarations visées au présent paragraphe.
§ 2. Les déclarations sont établies sur les formulaires appropriés et sont signées par le candidat en tête de liste ou par la personne mandatée par le candidat en tête de liste. Les formulaires sont mis à disposition par le Gouvernement flamand.
§ 3. Les déclarations peuvent être consultées au greffe du tribunal de première instance, visé au paragraphe 1er, pendant quinze jours à partir du 31e jour après les élections.
§ 4. Le greffe du tribunal de première instance, visé au paragraphe 1er, conserve les déclarations pendant cent vingt jours après les élections, et transmet les déclarations ou une copie de celles-ci au Conseil des Contestations électorales lorsque celui-ci en fait la demande.
Si aucune plainte ou réclamation n'a été introduite, telle que visée aux articles 201 et 203, les déclarations peuvent être retirées par les candidats pendant trois mois après la période, visée à l'alinéa 1er.
§ 5. Le candidat en tête de liste conserve les pièces justificatives relatives aux dépenses électorales et à l'origine des fonds de la liste pendant deux ans après la date des élections.
Les candidats conservent leurs pièces justificatives relatives aux dépenses électorales et à l'origine des fonds pendant deux ans après la date des élections. ".
Art. 8. In deel 4, titel 1, van hetzelfde decreet, wordt hoofdstuk 2, dat bestaat uit de artikelen 200 en 201, vervangen door wat volgt:
"HOOFDSTUK 2. - Controle en sancties
Afdeling 1. - Controle van de uitgaven van de politieke partijen
Art. 198. § 1. De voorzitters van de rechtbanken van eerste aanleg, vermeld in artikel 196, maken een verslag op van de verkiezingsuitgaven van de politieke partijen.
§ 2. De verslagen worden binnen zestig dagen na de verkiezingen in vier exemplaren opgemaakt. De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, vermeld in artikel 196, bewaart twee exemplaren. De overige twee exemplaren worden bezorgd aan de voorzitter van de Controlecommissie Verkiezingsuitgaven.
Het verslag wordt opgesteld op de daartoe bestemde formulieren, die door de Vlaamse Regering ter beschikking worden gesteld.
Een exemplaar van het verslag wordt vanaf de eenenzestigste dag na de verkiezingen ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg, vermeld in artikel 196, gedurende vijftien dagen ter inzage gelegd.
De opmerkingen op de verslagen worden door de voorzitters aan de Controlecommissie Verkiezingsuitgaven bezorgd.
Art. 198/1. § 1. Uiterlijk negentig dagen na de ontvangst van alle verslagen doet de Controlecommissie Verkiezingsuitgaven, na onderzoek van de verslagen en van de opmerkingen die overeenkomstig artikel 198 werden ingediend en met inachtneming van de rechten van de verdediging, uitspraak over de aangiften van de politieke partijen, en legt ze desgevallend een sanctie op overeenkomstig artikel 198/2.
§ 2. De Controlecommissie Verkiezingsuitgaven stelt een verslag op van haar controlewerkzaamheden met vermelding van:
1° per politieke partij het totaalbedrag van de verkiezingsuitgaven ten voordele van die partij;
2° elke schending van artikel 190 en 194 die aan de politieke partij toegerekend kan worden;
3° de sancties die ze oplegt.
§ 3. De voorzitter van het Vlaams Parlement stuurt het eindverslag van de Controlecommissie Verkiezingsuitgaven onverwijld naar de diensten van het Belgisch Staatsblad, die het binnen dertig dagen na ontvangst in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad bekendmaken.
Art. 198/2. § 1. De politieke partij die binnen dertig dagen na de verkiezingen geen aangifte van haar verkiezingsuitgaven en de herkomst van de geldmiddelen indient, wordt gestraft met een administratieve boete van 1.000 euro per dag vertraging, met een maximum van 30.000 euro.
Wanneer een politieke partij bij de aanvang van de controle van de verslagen door de Controlecommissie Verkiezingsuitgaven nog geen aangifte heeft ingediend, maant de controlecommissie de betrokken partij schriftelijk aan om de aangifte in te dienen. Indien de controlecommissie die aangifte niet ontvangt binnen een termijn van dertig dagen na de verzending van de aanmaning, verliest de politieke partij de aanvullende partijfinanciering waar ze krachtens het Reglement van het Vlaams Parlement recht op heeft, met ingang van de dag waarop die termijn verstreken is tot de ontvangst van de aangifte.
§ 2. De politieke partij die een onjuiste of onvolledige aangifte doet van haar verkiezingsuitgaven en de herkomst van de geldmiddelen, wordt door de Controlecommissie Verkiezingsuitgaven schriftelijk aangemaand om binnen vijftien dagen de gegevens te corrigeren of aan te vullen.
Indien de Controlecommissie Verkiezingsuitgaven de gevraagde aanvulling of correctie niet ontvangt binnen vijftien dagen na de verzending van de aanmaning, wordt de politieke partij gestraft met een administratieve boete van 1.000 euro per dag bijkomende vertraging, met een maximum van 30.000 euro.
Indien de Controlecommissie Verkiezingsuitgaven de gevraagde aanvulling of correctie niet ontvangt binnen een termijn van vijfenveertig dagen na de verzending van de aanmaning, verliest de politieke partij de aanvullende partijfinanciering waar ze krachtens het Reglement van het Vlaams Parlement recht op heeft, met ingang van de dag waarop die termijn verstreken is tot de ontvangst van de gevraagde aanvulling of correctie.
§ 3. De politieke partij die het in artikel 190 vermelde maximumbedrag overschrijdt, wordt gestraft met een administratieve geldboete die gelijk is aan het bedrag van de overschrijding, met een minimum van 25.000 euro en een maximum dat overeenstemt met vier keer de maandelijkse aanvullende partijfinanciering waar ze krachtens het Reglement van het Vlaams Parlement recht op heeft.
§ 4. De politieke partij die enig onderdeel van artikel 194 schendt, wordt gestraft met een van de volgende sancties:
- een waarschuwing;
- een administratieve boete van 1.000 euro tot 250.000 euro. In geval van herhaling wordt de administratieve boete verdubbeld.
Afdeling 2. - Controle van de uitgaven van de lijsten en de kandidaten
Art. 199. § 1. De Raad voor Verkiezingsbetwistingen doet, met inachtneming van de rechten van de verdediging, uitspraak over de bezwaren, bedoeld in artikel 203, eerste lid, 2°, en spreekt in voorkomend geval de hierna bepaalde sancties uit.
§ 2. De lijst die binnen dertig dagen na de verkiezingen geen aangifte van haar verkiezingsuitgaven en de herkomst van de geldmiddelen indient, wordt gestraft met een administratieve boete van 100 euro per dag vertraging, met een maximum van 3.000 euro.
Wanneer de Raad voor Verkiezingsbetwistingen uitspraak doet over een bezwaar betreffende de verkiezingsuitgaven en de herkomst van de geldmiddelen van een lijst die geen aangifte heeft ingediend, maant de Raad de betrokken lijst schriftelijk aan om de aangifte in te dienen.
Indien de lijst haar aangifte binnen vijftien dagen na de verzending van de aanmaning niet indient, wordt ze gestraft met een administratieve boete van 1.000 euro, vermeerderd met 1.000 euro per volledige maand vertraging, te rekenen vanaf de zestiende dag na de verzending van de aanmaning.
§ 3. De lijst die een onjuiste of onvolledige aangifte doet van haar verkiezingsuitgaven en de herkomst van de geldmiddelen, wordt door de Raad voor Verkiezingsbetwistingen schriftelijk aangemaand om de gegevens te corrigeren of aan te vullen.
Indien de lijst de gevraagde aanvulling of correctie niet indient binnen vijftien dagen na de verzending van de aanmaning, wordt ze gestraft met een administratieve boete van 100 euro per dag bijkomende vertraging, met een maximum van 3.000 euro.
§ 4. De lijst die het in artikel 191 vermelde maximumbedrag overschrijdt, wordt gestraft met een administratieve boete die gelijk is aan het bedrag van de overschrijding, met een minimum van 2.500 euro en een maximum van 25.000 euro.
§ 5. De lijst die enig onderdeel van artikel 194 schendt, wordt gestraft met een van de volgende sancties:
- een waarschuwing;
- een administratieve boete van 100 euro tot 25.000 euro. In geval van herhaling wordt de administratieve boete verdubbeld.
§ 6. De lijst die niet beschikt over een gemeenschappelijk volgnummer en een beschermde lijstnaam en uitgaven verricht voor verkiezingspropaganda op gewestelijk vlak, wordt gestraft met een administratieve boete die gelijk is aan het bedrag van de desbetreffende uitgaven, met een minimum van 2.500 euro en een maximum van 25.000 euro.
§ 7. De in de paragrafen 2 tot 6 bedoelde administratieve geldboetes worden opgelegd aan de lijsttrekker van de betrokken lijst.
§ 8. Een verkozen kandidaat die de bepalingen van artikel 191, § 2 en § 3, of artikel 194 schendt, wordt gestraft met een van de volgende sancties:
- een waarschuwing;
- de inhouding van de presentiegelden ten belope van 5 % gedurende een periode van minimum een maand en maximum twaalf maanden;
- de schorsing van de uitoefening van het mandaat gedurende een periode van minimum een maand en maximum zes maanden;
- de vervallenverklaring van het mandaat.
§ 9. Onverminderd de sancties, vermeld in de paragrafen 2 tot 6, wordt een verkozen lijsttrekker van een lijst die de bepalingen van artikel 191, § 1, artikel 194 of artikel 199 niet naleeft, gestraft met een van de volgende sancties:
- een waarschuwing;
- de inhouding van de presentiegelden ten belope van 5% gedurende een periode van minimum een maand en maximum twaalf maanden;
- de schorsing van de uitoefening van het mandaat gedurende een periode van minimum een maand en maximum zes maanden;
- de vervallenverklaring van het mandaat.
Art. 199/1. Met een gevangenisstraf van acht dagen tot één maand en met een geldboete van vijftig euro tot vijfhonderd euro, of met één van die straffen alleen, wordt gestraft:
1° de kandidaat waarvan binnen dertig dagen na de verkiezingen geen aangifte of een onvolledige aangifte van zijn verkiezingsuitgaven, de herkomst van de geldmiddelen en de registratie van de giften en de sponsoring is ingediend;
2° de kandidaat die voor kiespropaganda met opzet uitgaven doet of verbintenissen aangaat die de maximumbedragen overschrijden, vermeld in artikel 191, § 2 en § 3;
3° de kandidaat die tijdens de sperperiode de bepalingen van artikel 194 niet naleeft.
Afdeling 3. - Controle van de giften en de sponsoring
Art. 200. § 1. Gelijktijdig met het onderzoek van de verslagen, bedoeld in artikel 198, controleert de Controlecommissie Verkiezingsuitgaven de registraties van de giften en de sponsoring van de politieke partijen, de lijsten en de kandidaten zoals bedoeld in artikel 196, § 1, tweede en derde lid, en artikel 197, § 1, tweede en derde lid.
De registraties van de giften worden vertrouwelijk behandeld.
§ 2. De politieke partij die de uitgaven voor haar verkiezingspropaganda financiert met een gift of sponsoring die in strijd is met de artikelen 195 en 195/1, wordt door de Controlecommissie Verkiezingsuitgaven gestraft met een administratieve boete ten belope van het dubbele van de overschrijding van het toegelaten giften- of sponsorbedrag.
§ 3. Wanneer de Controlecommissie Verkiezingsuitgaven een andere schending van de artikelen 195 of 195/1 vaststelt dan bedoeld in paragraaf 2, beslist ze om daarover al dan niet een klacht neer te leggen bij de procureur des Konings.
§ 4. Eenieder die de giftenregeling zoals bedoeld in artikel 195 of de sponsorregeling zoals bedoeld in artikel 195/1 schendt, wordt gestraft met een boete van 26 tot 100.000 euro.
Afdeling 4. - Algemene bepalingen
Art. 201. § 1. Elke inbreuk, vermeld in artikel 199/1 en artikel 200, § 3, kan worden vervolgd, hetzij op initiatief van de procureur des Konings, hetzij op grond van de klacht van een persoon die van enig belang doet blijken.
De procureur des Konings neemt geen anonieme klachten in aanmerking.
§ 2. De termijn voor de uitoefening van het initiatiefrecht van de procureur des Konings en voor de indiening van klachten met betrekking tot de inbreuken, vermeld in artikel 199/1 en artikel 200, § 3, verstrijkt honderdtwintig dagen na de verkiezingen.
§ 3. De procureur des Konings zendt binnen acht dagen na de indiening van een klacht over een inbreuk, bedoeld in artikel 199/1 een kopie aan de Raad voor Verkiezingsbetwistingen, alsook aan de personen tegen wie de klacht is ingediend.
De procureur des Konings zendt binnen acht dagen na de indiening van een klacht over een inbreuk, bedoeld in artikel 200, § 3, een kopie aan de Controlecommissie Verkiezingsuitgaven, alsook aan de personen tegen wie de klacht is ingediend.
De procureur des Konings brengt, naargelang het geval, de Controlecommissie Verkiezingsuitgaven of de Raad voor Verkiezingsbetwistingen binnen dezelfde termijn op de hoogte van zijn beslissing om vervolging in te stellen.
§ 4. Iedereen die een klacht heeft ingediend of een vordering heeft ingesteld die ongegrond blijkt en waarvan vaststaat dat hij die heeft ingediend of ingesteld met het oogmerk te schaden, wordt gestraft met een geldboete van 50 tot 500 euro.
§ 5. De procureur des Konings kan met het oog op de vervolging, vermeld in paragraaf 2, aan een individuele kandidaat vragen alle inlichtingen te verstrekken over de herkomst van de gelden die voor de financiering van zijn verkiezingscampagne zijn aangewend.
§ 6. Het eerste boek van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en artikel 85, is van toepassing op de misdrijven, bedoeld in artikel 199/1 en artikel 200, § 3.
Het vonnis kan op bevel van de rechtbank geheel of bij uittreksel opgenomen worden in de dag- en weekbladen die ze heeft aangeduid.
Art. 201/1. § 1. Elke aanmaning en elke beslissing tot het opleggen van een administratieve sanctie zoals bedoeld in dit hoofdstuk, wordt aangetekend verstuurd of via een deurwaardersexploot betekend.
De mededeling van de beslissing tot het opleggen van een administratieve sanctie vermeldt de strafmaat en de beroepsmodaliteiten.
Tegen elke beslissing van de Controlecommissie Verkiezingsuitgaven tot het opleggen van een administratieve sanctie kan bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring worden ingesteld, overeenkomstig artikel 14, § 1, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
Tegen elke beslissing van de Raad van Verkiezingsbetwistingen tot het opleggen van een administratieve sanctie kan bij de Raad van State een beroep worden ingesteld zoals bedoeld in artikel 25 van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges.
§ 2. De schorsing en de vervallenverklaring, bedoeld in artikel 199, § 8 en § 9, treden in werking zodra die beslissing kracht van gewijsde heeft.
De schorsing treedt ten vroegste in werking na de eedaflegging als raadslid. Voor de duur van de schorsing verkeert het raadslid in een staat van verhindering als vermeld in artikel 14 van het Gemeentedecreet.
Het raadslid dat van zijn mandaat vervallen is verklaard, wordt in de gemeenteraad vervangen door de eerste opvolger van de lijst waarop hij werd verkozen.
§ 3. De in dit hoofdstuk bedoelde administratieve geldboetes zijn ten bate van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest.".
"HOOFDSTUK 2. - Controle en sancties
Afdeling 1. - Controle van de uitgaven van de politieke partijen
Art. 198. § 1. De voorzitters van de rechtbanken van eerste aanleg, vermeld in artikel 196, maken een verslag op van de verkiezingsuitgaven van de politieke partijen.
§ 2. De verslagen worden binnen zestig dagen na de verkiezingen in vier exemplaren opgemaakt. De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, vermeld in artikel 196, bewaart twee exemplaren. De overige twee exemplaren worden bezorgd aan de voorzitter van de Controlecommissie Verkiezingsuitgaven.
Het verslag wordt opgesteld op de daartoe bestemde formulieren, die door de Vlaamse Regering ter beschikking worden gesteld.
Een exemplaar van het verslag wordt vanaf de eenenzestigste dag na de verkiezingen ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg, vermeld in artikel 196, gedurende vijftien dagen ter inzage gelegd.
De opmerkingen op de verslagen worden door de voorzitters aan de Controlecommissie Verkiezingsuitgaven bezorgd.
Art. 198/1. § 1. Uiterlijk negentig dagen na de ontvangst van alle verslagen doet de Controlecommissie Verkiezingsuitgaven, na onderzoek van de verslagen en van de opmerkingen die overeenkomstig artikel 198 werden ingediend en met inachtneming van de rechten van de verdediging, uitspraak over de aangiften van de politieke partijen, en legt ze desgevallend een sanctie op overeenkomstig artikel 198/2.
§ 2. De Controlecommissie Verkiezingsuitgaven stelt een verslag op van haar controlewerkzaamheden met vermelding van:
1° per politieke partij het totaalbedrag van de verkiezingsuitgaven ten voordele van die partij;
2° elke schending van artikel 190 en 194 die aan de politieke partij toegerekend kan worden;
3° de sancties die ze oplegt.
§ 3. De voorzitter van het Vlaams Parlement stuurt het eindverslag van de Controlecommissie Verkiezingsuitgaven onverwijld naar de diensten van het Belgisch Staatsblad, die het binnen dertig dagen na ontvangst in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad bekendmaken.
Art. 198/2. § 1. De politieke partij die binnen dertig dagen na de verkiezingen geen aangifte van haar verkiezingsuitgaven en de herkomst van de geldmiddelen indient, wordt gestraft met een administratieve boete van 1.000 euro per dag vertraging, met een maximum van 30.000 euro.
Wanneer een politieke partij bij de aanvang van de controle van de verslagen door de Controlecommissie Verkiezingsuitgaven nog geen aangifte heeft ingediend, maant de controlecommissie de betrokken partij schriftelijk aan om de aangifte in te dienen. Indien de controlecommissie die aangifte niet ontvangt binnen een termijn van dertig dagen na de verzending van de aanmaning, verliest de politieke partij de aanvullende partijfinanciering waar ze krachtens het Reglement van het Vlaams Parlement recht op heeft, met ingang van de dag waarop die termijn verstreken is tot de ontvangst van de aangifte.
§ 2. De politieke partij die een onjuiste of onvolledige aangifte doet van haar verkiezingsuitgaven en de herkomst van de geldmiddelen, wordt door de Controlecommissie Verkiezingsuitgaven schriftelijk aangemaand om binnen vijftien dagen de gegevens te corrigeren of aan te vullen.
Indien de Controlecommissie Verkiezingsuitgaven de gevraagde aanvulling of correctie niet ontvangt binnen vijftien dagen na de verzending van de aanmaning, wordt de politieke partij gestraft met een administratieve boete van 1.000 euro per dag bijkomende vertraging, met een maximum van 30.000 euro.
Indien de Controlecommissie Verkiezingsuitgaven de gevraagde aanvulling of correctie niet ontvangt binnen een termijn van vijfenveertig dagen na de verzending van de aanmaning, verliest de politieke partij de aanvullende partijfinanciering waar ze krachtens het Reglement van het Vlaams Parlement recht op heeft, met ingang van de dag waarop die termijn verstreken is tot de ontvangst van de gevraagde aanvulling of correctie.
§ 3. De politieke partij die het in artikel 190 vermelde maximumbedrag overschrijdt, wordt gestraft met een administratieve geldboete die gelijk is aan het bedrag van de overschrijding, met een minimum van 25.000 euro en een maximum dat overeenstemt met vier keer de maandelijkse aanvullende partijfinanciering waar ze krachtens het Reglement van het Vlaams Parlement recht op heeft.
§ 4. De politieke partij die enig onderdeel van artikel 194 schendt, wordt gestraft met een van de volgende sancties:
- een waarschuwing;
- een administratieve boete van 1.000 euro tot 250.000 euro. In geval van herhaling wordt de administratieve boete verdubbeld.
Afdeling 2. - Controle van de uitgaven van de lijsten en de kandidaten
Art. 199. § 1. De Raad voor Verkiezingsbetwistingen doet, met inachtneming van de rechten van de verdediging, uitspraak over de bezwaren, bedoeld in artikel 203, eerste lid, 2°, en spreekt in voorkomend geval de hierna bepaalde sancties uit.
§ 2. De lijst die binnen dertig dagen na de verkiezingen geen aangifte van haar verkiezingsuitgaven en de herkomst van de geldmiddelen indient, wordt gestraft met een administratieve boete van 100 euro per dag vertraging, met een maximum van 3.000 euro.
Wanneer de Raad voor Verkiezingsbetwistingen uitspraak doet over een bezwaar betreffende de verkiezingsuitgaven en de herkomst van de geldmiddelen van een lijst die geen aangifte heeft ingediend, maant de Raad de betrokken lijst schriftelijk aan om de aangifte in te dienen.
Indien de lijst haar aangifte binnen vijftien dagen na de verzending van de aanmaning niet indient, wordt ze gestraft met een administratieve boete van 1.000 euro, vermeerderd met 1.000 euro per volledige maand vertraging, te rekenen vanaf de zestiende dag na de verzending van de aanmaning.
§ 3. De lijst die een onjuiste of onvolledige aangifte doet van haar verkiezingsuitgaven en de herkomst van de geldmiddelen, wordt door de Raad voor Verkiezingsbetwistingen schriftelijk aangemaand om de gegevens te corrigeren of aan te vullen.
Indien de lijst de gevraagde aanvulling of correctie niet indient binnen vijftien dagen na de verzending van de aanmaning, wordt ze gestraft met een administratieve boete van 100 euro per dag bijkomende vertraging, met een maximum van 3.000 euro.
§ 4. De lijst die het in artikel 191 vermelde maximumbedrag overschrijdt, wordt gestraft met een administratieve boete die gelijk is aan het bedrag van de overschrijding, met een minimum van 2.500 euro en een maximum van 25.000 euro.
§ 5. De lijst die enig onderdeel van artikel 194 schendt, wordt gestraft met een van de volgende sancties:
- een waarschuwing;
- een administratieve boete van 100 euro tot 25.000 euro. In geval van herhaling wordt de administratieve boete verdubbeld.
§ 6. De lijst die niet beschikt over een gemeenschappelijk volgnummer en een beschermde lijstnaam en uitgaven verricht voor verkiezingspropaganda op gewestelijk vlak, wordt gestraft met een administratieve boete die gelijk is aan het bedrag van de desbetreffende uitgaven, met een minimum van 2.500 euro en een maximum van 25.000 euro.
§ 7. De in de paragrafen 2 tot 6 bedoelde administratieve geldboetes worden opgelegd aan de lijsttrekker van de betrokken lijst.
§ 8. Een verkozen kandidaat die de bepalingen van artikel 191, § 2 en § 3, of artikel 194 schendt, wordt gestraft met een van de volgende sancties:
- een waarschuwing;
- de inhouding van de presentiegelden ten belope van 5 % gedurende een periode van minimum een maand en maximum twaalf maanden;
- de schorsing van de uitoefening van het mandaat gedurende een periode van minimum een maand en maximum zes maanden;
- de vervallenverklaring van het mandaat.
§ 9. Onverminderd de sancties, vermeld in de paragrafen 2 tot 6, wordt een verkozen lijsttrekker van een lijst die de bepalingen van artikel 191, § 1, artikel 194 of artikel 199 niet naleeft, gestraft met een van de volgende sancties:
- een waarschuwing;
- de inhouding van de presentiegelden ten belope van 5% gedurende een periode van minimum een maand en maximum twaalf maanden;
- de schorsing van de uitoefening van het mandaat gedurende een periode van minimum een maand en maximum zes maanden;
- de vervallenverklaring van het mandaat.
Art. 199/1. Met een gevangenisstraf van acht dagen tot één maand en met een geldboete van vijftig euro tot vijfhonderd euro, of met één van die straffen alleen, wordt gestraft:
1° de kandidaat waarvan binnen dertig dagen na de verkiezingen geen aangifte of een onvolledige aangifte van zijn verkiezingsuitgaven, de herkomst van de geldmiddelen en de registratie van de giften en de sponsoring is ingediend;
2° de kandidaat die voor kiespropaganda met opzet uitgaven doet of verbintenissen aangaat die de maximumbedragen overschrijden, vermeld in artikel 191, § 2 en § 3;
3° de kandidaat die tijdens de sperperiode de bepalingen van artikel 194 niet naleeft.
Afdeling 3. - Controle van de giften en de sponsoring
Art. 200. § 1. Gelijktijdig met het onderzoek van de verslagen, bedoeld in artikel 198, controleert de Controlecommissie Verkiezingsuitgaven de registraties van de giften en de sponsoring van de politieke partijen, de lijsten en de kandidaten zoals bedoeld in artikel 196, § 1, tweede en derde lid, en artikel 197, § 1, tweede en derde lid.
De registraties van de giften worden vertrouwelijk behandeld.
§ 2. De politieke partij die de uitgaven voor haar verkiezingspropaganda financiert met een gift of sponsoring die in strijd is met de artikelen 195 en 195/1, wordt door de Controlecommissie Verkiezingsuitgaven gestraft met een administratieve boete ten belope van het dubbele van de overschrijding van het toegelaten giften- of sponsorbedrag.
§ 3. Wanneer de Controlecommissie Verkiezingsuitgaven een andere schending van de artikelen 195 of 195/1 vaststelt dan bedoeld in paragraaf 2, beslist ze om daarover al dan niet een klacht neer te leggen bij de procureur des Konings.
§ 4. Eenieder die de giftenregeling zoals bedoeld in artikel 195 of de sponsorregeling zoals bedoeld in artikel 195/1 schendt, wordt gestraft met een boete van 26 tot 100.000 euro.
Afdeling 4. - Algemene bepalingen
Art. 201. § 1. Elke inbreuk, vermeld in artikel 199/1 en artikel 200, § 3, kan worden vervolgd, hetzij op initiatief van de procureur des Konings, hetzij op grond van de klacht van een persoon die van enig belang doet blijken.
De procureur des Konings neemt geen anonieme klachten in aanmerking.
§ 2. De termijn voor de uitoefening van het initiatiefrecht van de procureur des Konings en voor de indiening van klachten met betrekking tot de inbreuken, vermeld in artikel 199/1 en artikel 200, § 3, verstrijkt honderdtwintig dagen na de verkiezingen.
§ 3. De procureur des Konings zendt binnen acht dagen na de indiening van een klacht over een inbreuk, bedoeld in artikel 199/1 een kopie aan de Raad voor Verkiezingsbetwistingen, alsook aan de personen tegen wie de klacht is ingediend.
De procureur des Konings zendt binnen acht dagen na de indiening van een klacht over een inbreuk, bedoeld in artikel 200, § 3, een kopie aan de Controlecommissie Verkiezingsuitgaven, alsook aan de personen tegen wie de klacht is ingediend.
De procureur des Konings brengt, naargelang het geval, de Controlecommissie Verkiezingsuitgaven of de Raad voor Verkiezingsbetwistingen binnen dezelfde termijn op de hoogte van zijn beslissing om vervolging in te stellen.
§ 4. Iedereen die een klacht heeft ingediend of een vordering heeft ingesteld die ongegrond blijkt en waarvan vaststaat dat hij die heeft ingediend of ingesteld met het oogmerk te schaden, wordt gestraft met een geldboete van 50 tot 500 euro.
§ 5. De procureur des Konings kan met het oog op de vervolging, vermeld in paragraaf 2, aan een individuele kandidaat vragen alle inlichtingen te verstrekken over de herkomst van de gelden die voor de financiering van zijn verkiezingscampagne zijn aangewend.
§ 6. Het eerste boek van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en artikel 85, is van toepassing op de misdrijven, bedoeld in artikel 199/1 en artikel 200, § 3.
Het vonnis kan op bevel van de rechtbank geheel of bij uittreksel opgenomen worden in de dag- en weekbladen die ze heeft aangeduid.
Art. 201/1. § 1. Elke aanmaning en elke beslissing tot het opleggen van een administratieve sanctie zoals bedoeld in dit hoofdstuk, wordt aangetekend verstuurd of via een deurwaardersexploot betekend.
De mededeling van de beslissing tot het opleggen van een administratieve sanctie vermeldt de strafmaat en de beroepsmodaliteiten.
Tegen elke beslissing van de Controlecommissie Verkiezingsuitgaven tot het opleggen van een administratieve sanctie kan bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring worden ingesteld, overeenkomstig artikel 14, § 1, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
Tegen elke beslissing van de Raad van Verkiezingsbetwistingen tot het opleggen van een administratieve sanctie kan bij de Raad van State een beroep worden ingesteld zoals bedoeld in artikel 25 van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges.
§ 2. De schorsing en de vervallenverklaring, bedoeld in artikel 199, § 8 en § 9, treden in werking zodra die beslissing kracht van gewijsde heeft.
De schorsing treedt ten vroegste in werking na de eedaflegging als raadslid. Voor de duur van de schorsing verkeert het raadslid in een staat van verhindering als vermeld in artikel 14 van het Gemeentedecreet.
Het raadslid dat van zijn mandaat vervallen is verklaard, wordt in de gemeenteraad vervangen door de eerste opvolger van de lijst waarop hij werd verkozen.
§ 3. De in dit hoofdstuk bedoelde administratieve geldboetes zijn ten bate van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest.".
Art. 8. Dans la partie 4, titre 1er, du même décret, le chapitre 2, comprenant les articles 200 et 201, est remplacé par ce qui suit :
" CHAPITRE 2. - Contrôle et sanctions
Section 1re. - Contrôle des dépenses des partis politiques
Art. 198. § 1er. Les présidents des tribunaux de première instance, visés à l'article 196, établissent un rapport sur les dépenses électorales des partis politiques.
§ 2. Les rapports sont établis dans les soixante jours après les élections, en quatre exemplaires. Le président du tribunal de première instance, visé à l'article 196, conserve deux exemplaires. Les deux autres exemplaires sont transmis au président de la Commission de Contrôle des Dépenses électorales.
Le rapport est établi sur les formulaires appropriés, mis à disposition par le Gouvernement flamand.
Un exemplaire du rapport peut être consulté au greffe du tribunal de première instance, visé à l'article 196, pendant quinze jours à partir du 61e jour après les élections.
Les remarques relatives aux rapports sont transmises par les présidents à la Commission de Contrôle des Dépenses électorales.
Art. 198/1. § 1er. Au plus tard nonante jours après la réception de tous les rapports, la Commission de Contrôle des Dépenses électorales se prononce, après l'examen des rapports et des remarques introduites conformément à l'article 198, et dans le respect des droits de la défense, sur les déclarations des partis politiques et, le cas échéant, elle impose une sanction conformément à l'article 198/2.
§ 2. La Commission de Contrôle des Dépenses électorales établit un rapport de ses activités de contrôle en mentionnant :
1° par parti politique, le montant total des dépenses électorales engagées pour ce parti ;
2° toute violation des articles 190 et 194 pouvant être imputée au parti politique ;
3° les sanctions qu'elle impose.
§ 3. Le président du Parlement flamand envoie le rapport final de la Commission de Contrôle des Dépenses électorales sans délai aux services du Moniteur belge qui le publieront dans les annexes au Moniteur belge dans les 30 jours de sa réception.
Art. 198/2. § 1er. Le parti politique qui n'introduit pas de déclaration de ses dépenses électorales et de l'origine des fonds dans les trente jours après les élections, est puni d'une amende administrative de 1.000 euros par jour de retard, avec un maximum de 30.000 euros.
Lorsqu'un parti politique n'a pas encore introduit de déclaration au début du contrôle des rapports par la Commission de Contrôle des Dépenses électorales, la commission de contrôle somme le parti concerné par écrit à introduire la déclaration. Si la commission de contrôle ne reçoit pas cette déclaration dans le délai de trente jours après l'envoi de la sommation, le parti politique perd le financement supplémentaire des partis auquel il a droit en vertu du Règlement du Parlement flamand, à partir du jour de l'expiration de ce délai jusqu'à la réception de la déclaration.
§ 2. Le parti politique qui fournit une déclaration inexacte ou incomplète de ses dépenses électorales et de l'origine des fonds, est sommé par écrit par la Commission de Contrôle des Dépenses électorales à corriger ou compléter les données dans les quinze jours.
Si, dans les quinze jours après l'envoi de la sommation, la Commission de Contrôle des Dépenses électorales ne reçoit pas la correction ou le complément demandés, le parti politique est puni d'une amende administrative de 1.000 euros par jour de retard supplémentaire, avec un maximum de 30.000 euros.
Si la Commission de Contrôle des Dépenses électorales ne reçoit pas la correction ou le complément demandés dans le délai de quarante-cinq jours après l'envoi de la sommation, le parti politique perd le financement supplémentaire des partis auquel il a droit en vertu du Règlement du Parlement flamand, à partir du jour de l'expiration de ce délai jusqu'à la réception de la correction ou du complément demandés.
§ 3. Le parti politique qui dépasse le montant maximal, visé à l'article 190, est puni d'une amende administrative égale au montant du dépassement, avec un minimum de 25.000 euros et un maximum qui correspond à quatre fois le financement supplémentaire mensuel des partis auquel il a droit en vertu du Règlement du Parlement flamand.
§ 4. Le parti politique qui viole une partie de l'article 194 est puni d'une des sanctions suivantes :
- un avertissement ;
- une amende administrative entre 1.000 euros et 250.000 euros. En cas de répétition, l'amende administrative est doublée.
Section 2. - Contrôle des dépenses des listes et des candidats
Art. 199. § 1er. Le Conseil des Contestations électorales se prononce, dans le respect des droits de la défense, sur les réclamations, visées à l'article 203, alinéa 1er, 2°, et le cas échéant, prononce une des sanctions suivantes.
§ 2. La liste qui n'introduit pas de déclaration de ses dépenses électorales et de l'origine des fonds dans les trente jours après les élections, est punie d'une amende administrative de 100 euros par jour de retard, avec un maximum de 3.000 euros.
Lorsque le Conseil des Contestations électorales se prononce sur une réclamation relative aux dépenses électorales et à l'origine des fonds d'une liste qui n'a pas introduit de déclaration, le Conseil somme la liste concernée par écrit à introduire la déclaration.
Si, dans les quinze jours suivant l'envoi de la sommation, la liste n'introduit pas sa déclaration, elle est punie d'une amende administrative de 1.000 euros, majorée de 1.000 euros par mois complet de retard, à compter à partir du 16e jour après l'envoi de la sommation.
§ 3. La liste qui fournit une déclaration inexacte ou incomplète de ses dépenses électorales et de l'origine des fonds, est sommée par écrit par le Conseil des Contestations électorales à corriger ou compléter les données.
Si, dans les quinze jours après l'envoi de la sommation, la liste n'introduit pas la correction ou le complément demandés, elle est punie d'une amende administrative de 100 euros par jour de retard supplémentaire, avec un maximum de 3.000 euros.
§ 4. La liste qui dépasse le montant maximal, visé à l'article 191, est punie d'une amende administrative égale au montant du dépassement, avec un minimum de 2.500 euros et un maximum de 25.000 euros.
§ 5. La liste qui viole une partie de l'article 194 est punie d'une des sanctions suivantes :
- un avertissement ;
- une amende administrative entre 100 euros et 25.000 euros. En cas de répétition, l'amende administrative est doublée.
§ 6. La liste qui ne dispose pas d'un numéro d'ordre commun et d'un sigle protégé et effectue des dépenses pour la propagande électorale au niveau régional, est punie d'une amende administrative égale au montant des dépenses concernées, avec un minimum de 2.500 euros et un maximum de 25.000 euros.
§ 7. Les amendes administratives, visées aux paragraphes 2 à 6, sont imposées au candidat en tête de la liste concernée.
§ 8. Un candidat élu qui viole les dispositions de l'article 191, §§ 2 et 3, ou de l'article 194, est puni d'une des sanctions suivantes :
- un avertissement ;
- la retenue des jetons de présence à concurrence de 5% pendant une période d'un mois au minimum et de douze mois au maximum ;
- la suspension de l'exercice du mandat pendant une période d'un mois au minimum et de six mois au maximum ;
- la déchéance du mandat.
§ 9. Sans préjudice des sanctions, visées aux paragraphes 2 à 6, un candidat élu en tête d'une liste qui ne respecte pas les dispositions de l'article 191, § 1er, de l'article 194 ou de l'article 199, est puni d'une des sanctions suivantes :
- un avertissement ;
- la retenue des jetons de présence à concurrence de 5% pendant une période d'un mois au minimum et de douze mois au maximum ;
- la suspension de l'exercice du mandat pendant une période d'un mois au minimum et de six mois au maximum ;
- la déchéance du mandat.
Art. 199/1. Sera puni d'un emprisonnement de huit jours à un mois et d'une amende de cinquante à cinq cent euros ou de l'une de ces peines seulement :
1° le candidat dont aucune déclaration ou déclaration incomplète de ses dépenses électorales, de l'origine des fonds et l'enregistrement des dons et du sponsoring n'est introduite dans les trente jours après les élections ;
2° le candidat qui délibérément fait des dépenses ou contracte des engagements dépassant les montants maximaux, visés à l'article 191, §§ 2 et 3 ;
3° le candidat qui ne respecte pas les dispositions de l'article 194 pendant la période de prudence électorale.
Section 3. - Contrôle des dons et du sponsoring
Art. 200. § 1er. Simultanément avec l'examen des rapports, visé à l'article 198, la Commission de Contrôle des Dépenses électorales contrôle les enregistrements des dons et du sponsoring des partis politiques, des listes et des candidats, tels que visés à l'article 196, § 1er, alinéas 2 et 3, et à l'article 197, § 1er, alinéas 2 et 3.
Les enregistrements des dons sont traités confidentiellement.
§ 2. Le parti politique qui finance les dépenses pour sa propagande électorale au moyen d'un don ou de sponsoring qui est contraire aux articles 195 et 195/1, est puni par la Commission de Contrôle des Dépenses électorales d'une amende administrative à concurrence du double du dépassement du montant de don ou de sponsoring autorisé.
§ 3. Lorsque la Commission de Contrôle des Dépenses électorales constate une autre violation des articles 195 ou 195/1 que celle visée au paragraphe 2, elle décide d'introduire ou non une réclamation devant le Procureur du Roi.
§ 4. Chacun qui viole le règlement des dons, tel que visé à l'article 195, ou le règlement du sponsoring, tel que visé à l'article 195/1, est puni d'une amende entre 26 et 100.000 euros.
Section 4. - Dispositions générales
Art. 201. § 1er. Toute infraction, visée à l'article 199/1 et à l'article 200, § 3, est passible de poursuites soit à l'initiative du Procureur du Roi, soit sur la base de la plainte de toute personne justifiant d'un intérêt.
Les plaintes anonymes ne seront pas prises en considération par le Procureur du Roi.
§ 2. Le délai pour l'exercice du droit d'initiative du Procureur du Roi et l'introduction des plaintes en ce qui concerne les infractions visées à l'article 199/1 et à l'article 200, § 3, expire le cent vingtième jour après les élections.
§ 3. Dans les huit jours après l'introduction d'une plainte relative à une infraction, visée à l'article 199/1, le Procureur du Roi envoie une copie au Conseil des Contestations électorales ainsi qu'aux personnes faisant l'objet de la plainte.
Dans les huit jours après l'introduction d'une plainte relative à une infraction, visée à l'article 200, § 3, le Procureur du Roi envoie une copie à la Commission de Contrôle des Dépenses électorales ainsi qu'aux personnes faisant l'objet de la plainte.
Selon le cas, le Procureur du Roi informe la Commission de Contrôle des Dépenses électorales ou le Conseil des Contestations électorales dans le même délai de sa décision d'engager des poursuites.
§ 4. Toute personne ayant déposé une plainte ou intenté une action qui s'avère non fondée et pour laquelle l'intention de nuire est établie sera punie d'une amende de 50 à 500 euros.
§ 5. Dans le cadre des poursuites visées au § 2, le Procureur du Roi peut demander à un candidat individuel de fournir toute information concernant l'origine des fonds ayant servi au financement de sa campagne de propagande électorale.
§ 6. Le Livre premier du Code pénal, y compris le chapitre VII et l'article 85, est applicable aux infractions, visées à l'article 199/1 et à l'article 200, § 3.
Si le tribunal l'ordonne, le jugement peut être publié intégralement ou par extrait dans les journaux et hebdomadaires qu'il a désigné.
Art. 201/1. § 1er. Toute sommation et toute décision d'imposition d'une sanction administrative telle que visée au présent chapitre, est envoyée par lettre recommandée ou signifiée par exploit d'huissier.
La communication de la décision d'imposer une amende administrative mentionne la peine et les modalités de recours.
Conformément à l'article 14, § 1er, alinéa 2, des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, un recours en annulation peut être introduit auprès du Conseil d'Etat contre toute décision de la Commission de Contrôle des Dépenses électorales.
Un recours tel que visé à l'article 25 du décret du 4 avril 2014 relatif à l'organisation et à la procédure de certaines juridictions administratives flamandes, peut être introduit auprès du Conseil d'Etat contre toute décision du Conseil des Contestations électorales d'imposer une sanction administrative.
§ 2. La suspension et la déchéance, visées à l'article 199, §§ 8 et 9, entrent en vigueur dès que cette décision a force de chose jugée.
La suspension entre en vigueur au plus tôt après la prestation de serment en tant que conseiller. Pour la durée de la suspension, le conseiller se trouve en état d'empêchement, tel que visé à l'article 14 du Décret communal.
Le conseiller qui a été privé de son mandat est remplacé au sein du conseil communal par le premier suppléant de la liste sur laquelle il a été élu.
§ 3. Les amendes administratives visées au présent chapitre sont au profit du budget de la Communauté flamande et de la Région flamande. ".
" CHAPITRE 2. - Contrôle et sanctions
Section 1re. - Contrôle des dépenses des partis politiques
Art. 198. § 1er. Les présidents des tribunaux de première instance, visés à l'article 196, établissent un rapport sur les dépenses électorales des partis politiques.
§ 2. Les rapports sont établis dans les soixante jours après les élections, en quatre exemplaires. Le président du tribunal de première instance, visé à l'article 196, conserve deux exemplaires. Les deux autres exemplaires sont transmis au président de la Commission de Contrôle des Dépenses électorales.
Le rapport est établi sur les formulaires appropriés, mis à disposition par le Gouvernement flamand.
Un exemplaire du rapport peut être consulté au greffe du tribunal de première instance, visé à l'article 196, pendant quinze jours à partir du 61e jour après les élections.
Les remarques relatives aux rapports sont transmises par les présidents à la Commission de Contrôle des Dépenses électorales.
Art. 198/1. § 1er. Au plus tard nonante jours après la réception de tous les rapports, la Commission de Contrôle des Dépenses électorales se prononce, après l'examen des rapports et des remarques introduites conformément à l'article 198, et dans le respect des droits de la défense, sur les déclarations des partis politiques et, le cas échéant, elle impose une sanction conformément à l'article 198/2.
§ 2. La Commission de Contrôle des Dépenses électorales établit un rapport de ses activités de contrôle en mentionnant :
1° par parti politique, le montant total des dépenses électorales engagées pour ce parti ;
2° toute violation des articles 190 et 194 pouvant être imputée au parti politique ;
3° les sanctions qu'elle impose.
§ 3. Le président du Parlement flamand envoie le rapport final de la Commission de Contrôle des Dépenses électorales sans délai aux services du Moniteur belge qui le publieront dans les annexes au Moniteur belge dans les 30 jours de sa réception.
Art. 198/2. § 1er. Le parti politique qui n'introduit pas de déclaration de ses dépenses électorales et de l'origine des fonds dans les trente jours après les élections, est puni d'une amende administrative de 1.000 euros par jour de retard, avec un maximum de 30.000 euros.
Lorsqu'un parti politique n'a pas encore introduit de déclaration au début du contrôle des rapports par la Commission de Contrôle des Dépenses électorales, la commission de contrôle somme le parti concerné par écrit à introduire la déclaration. Si la commission de contrôle ne reçoit pas cette déclaration dans le délai de trente jours après l'envoi de la sommation, le parti politique perd le financement supplémentaire des partis auquel il a droit en vertu du Règlement du Parlement flamand, à partir du jour de l'expiration de ce délai jusqu'à la réception de la déclaration.
§ 2. Le parti politique qui fournit une déclaration inexacte ou incomplète de ses dépenses électorales et de l'origine des fonds, est sommé par écrit par la Commission de Contrôle des Dépenses électorales à corriger ou compléter les données dans les quinze jours.
Si, dans les quinze jours après l'envoi de la sommation, la Commission de Contrôle des Dépenses électorales ne reçoit pas la correction ou le complément demandés, le parti politique est puni d'une amende administrative de 1.000 euros par jour de retard supplémentaire, avec un maximum de 30.000 euros.
Si la Commission de Contrôle des Dépenses électorales ne reçoit pas la correction ou le complément demandés dans le délai de quarante-cinq jours après l'envoi de la sommation, le parti politique perd le financement supplémentaire des partis auquel il a droit en vertu du Règlement du Parlement flamand, à partir du jour de l'expiration de ce délai jusqu'à la réception de la correction ou du complément demandés.
§ 3. Le parti politique qui dépasse le montant maximal, visé à l'article 190, est puni d'une amende administrative égale au montant du dépassement, avec un minimum de 25.000 euros et un maximum qui correspond à quatre fois le financement supplémentaire mensuel des partis auquel il a droit en vertu du Règlement du Parlement flamand.
§ 4. Le parti politique qui viole une partie de l'article 194 est puni d'une des sanctions suivantes :
- un avertissement ;
- une amende administrative entre 1.000 euros et 250.000 euros. En cas de répétition, l'amende administrative est doublée.
Section 2. - Contrôle des dépenses des listes et des candidats
Art. 199. § 1er. Le Conseil des Contestations électorales se prononce, dans le respect des droits de la défense, sur les réclamations, visées à l'article 203, alinéa 1er, 2°, et le cas échéant, prononce une des sanctions suivantes.
§ 2. La liste qui n'introduit pas de déclaration de ses dépenses électorales et de l'origine des fonds dans les trente jours après les élections, est punie d'une amende administrative de 100 euros par jour de retard, avec un maximum de 3.000 euros.
Lorsque le Conseil des Contestations électorales se prononce sur une réclamation relative aux dépenses électorales et à l'origine des fonds d'une liste qui n'a pas introduit de déclaration, le Conseil somme la liste concernée par écrit à introduire la déclaration.
Si, dans les quinze jours suivant l'envoi de la sommation, la liste n'introduit pas sa déclaration, elle est punie d'une amende administrative de 1.000 euros, majorée de 1.000 euros par mois complet de retard, à compter à partir du 16e jour après l'envoi de la sommation.
§ 3. La liste qui fournit une déclaration inexacte ou incomplète de ses dépenses électorales et de l'origine des fonds, est sommée par écrit par le Conseil des Contestations électorales à corriger ou compléter les données.
Si, dans les quinze jours après l'envoi de la sommation, la liste n'introduit pas la correction ou le complément demandés, elle est punie d'une amende administrative de 100 euros par jour de retard supplémentaire, avec un maximum de 3.000 euros.
§ 4. La liste qui dépasse le montant maximal, visé à l'article 191, est punie d'une amende administrative égale au montant du dépassement, avec un minimum de 2.500 euros et un maximum de 25.000 euros.
§ 5. La liste qui viole une partie de l'article 194 est punie d'une des sanctions suivantes :
- un avertissement ;
- une amende administrative entre 100 euros et 25.000 euros. En cas de répétition, l'amende administrative est doublée.
§ 6. La liste qui ne dispose pas d'un numéro d'ordre commun et d'un sigle protégé et effectue des dépenses pour la propagande électorale au niveau régional, est punie d'une amende administrative égale au montant des dépenses concernées, avec un minimum de 2.500 euros et un maximum de 25.000 euros.
§ 7. Les amendes administratives, visées aux paragraphes 2 à 6, sont imposées au candidat en tête de la liste concernée.
§ 8. Un candidat élu qui viole les dispositions de l'article 191, §§ 2 et 3, ou de l'article 194, est puni d'une des sanctions suivantes :
- un avertissement ;
- la retenue des jetons de présence à concurrence de 5% pendant une période d'un mois au minimum et de douze mois au maximum ;
- la suspension de l'exercice du mandat pendant une période d'un mois au minimum et de six mois au maximum ;
- la déchéance du mandat.
§ 9. Sans préjudice des sanctions, visées aux paragraphes 2 à 6, un candidat élu en tête d'une liste qui ne respecte pas les dispositions de l'article 191, § 1er, de l'article 194 ou de l'article 199, est puni d'une des sanctions suivantes :
- un avertissement ;
- la retenue des jetons de présence à concurrence de 5% pendant une période d'un mois au minimum et de douze mois au maximum ;
- la suspension de l'exercice du mandat pendant une période d'un mois au minimum et de six mois au maximum ;
- la déchéance du mandat.
Art. 199/1. Sera puni d'un emprisonnement de huit jours à un mois et d'une amende de cinquante à cinq cent euros ou de l'une de ces peines seulement :
1° le candidat dont aucune déclaration ou déclaration incomplète de ses dépenses électorales, de l'origine des fonds et l'enregistrement des dons et du sponsoring n'est introduite dans les trente jours après les élections ;
2° le candidat qui délibérément fait des dépenses ou contracte des engagements dépassant les montants maximaux, visés à l'article 191, §§ 2 et 3 ;
3° le candidat qui ne respecte pas les dispositions de l'article 194 pendant la période de prudence électorale.
Section 3. - Contrôle des dons et du sponsoring
Art. 200. § 1er. Simultanément avec l'examen des rapports, visé à l'article 198, la Commission de Contrôle des Dépenses électorales contrôle les enregistrements des dons et du sponsoring des partis politiques, des listes et des candidats, tels que visés à l'article 196, § 1er, alinéas 2 et 3, et à l'article 197, § 1er, alinéas 2 et 3.
Les enregistrements des dons sont traités confidentiellement.
§ 2. Le parti politique qui finance les dépenses pour sa propagande électorale au moyen d'un don ou de sponsoring qui est contraire aux articles 195 et 195/1, est puni par la Commission de Contrôle des Dépenses électorales d'une amende administrative à concurrence du double du dépassement du montant de don ou de sponsoring autorisé.
§ 3. Lorsque la Commission de Contrôle des Dépenses électorales constate une autre violation des articles 195 ou 195/1 que celle visée au paragraphe 2, elle décide d'introduire ou non une réclamation devant le Procureur du Roi.
§ 4. Chacun qui viole le règlement des dons, tel que visé à l'article 195, ou le règlement du sponsoring, tel que visé à l'article 195/1, est puni d'une amende entre 26 et 100.000 euros.
Section 4. - Dispositions générales
Art. 201. § 1er. Toute infraction, visée à l'article 199/1 et à l'article 200, § 3, est passible de poursuites soit à l'initiative du Procureur du Roi, soit sur la base de la plainte de toute personne justifiant d'un intérêt.
Les plaintes anonymes ne seront pas prises en considération par le Procureur du Roi.
§ 2. Le délai pour l'exercice du droit d'initiative du Procureur du Roi et l'introduction des plaintes en ce qui concerne les infractions visées à l'article 199/1 et à l'article 200, § 3, expire le cent vingtième jour après les élections.
§ 3. Dans les huit jours après l'introduction d'une plainte relative à une infraction, visée à l'article 199/1, le Procureur du Roi envoie une copie au Conseil des Contestations électorales ainsi qu'aux personnes faisant l'objet de la plainte.
Dans les huit jours après l'introduction d'une plainte relative à une infraction, visée à l'article 200, § 3, le Procureur du Roi envoie une copie à la Commission de Contrôle des Dépenses électorales ainsi qu'aux personnes faisant l'objet de la plainte.
Selon le cas, le Procureur du Roi informe la Commission de Contrôle des Dépenses électorales ou le Conseil des Contestations électorales dans le même délai de sa décision d'engager des poursuites.
§ 4. Toute personne ayant déposé une plainte ou intenté une action qui s'avère non fondée et pour laquelle l'intention de nuire est établie sera punie d'une amende de 50 à 500 euros.
§ 5. Dans le cadre des poursuites visées au § 2, le Procureur du Roi peut demander à un candidat individuel de fournir toute information concernant l'origine des fonds ayant servi au financement de sa campagne de propagande électorale.
§ 6. Le Livre premier du Code pénal, y compris le chapitre VII et l'article 85, est applicable aux infractions, visées à l'article 199/1 et à l'article 200, § 3.
Si le tribunal l'ordonne, le jugement peut être publié intégralement ou par extrait dans les journaux et hebdomadaires qu'il a désigné.
Art. 201/1. § 1er. Toute sommation et toute décision d'imposition d'une sanction administrative telle que visée au présent chapitre, est envoyée par lettre recommandée ou signifiée par exploit d'huissier.
La communication de la décision d'imposer une amende administrative mentionne la peine et les modalités de recours.
Conformément à l'article 14, § 1er, alinéa 2, des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, un recours en annulation peut être introduit auprès du Conseil d'Etat contre toute décision de la Commission de Contrôle des Dépenses électorales.
Un recours tel que visé à l'article 25 du décret du 4 avril 2014 relatif à l'organisation et à la procédure de certaines juridictions administratives flamandes, peut être introduit auprès du Conseil d'Etat contre toute décision du Conseil des Contestations électorales d'imposer une sanction administrative.
§ 2. La suspension et la déchéance, visées à l'article 199, §§ 8 et 9, entrent en vigueur dès que cette décision a force de chose jugée.
La suspension entre en vigueur au plus tôt après la prestation de serment en tant que conseiller. Pour la durée de la suspension, le conseiller se trouve en état d'empêchement, tel que visé à l'article 14 du Décret communal.
Le conseiller qui a été privé de son mandat est remplacé au sein du conseil communal par le premier suppléant de la liste sur laquelle il a été élu.
§ 3. Les amendes administratives visées au présent chapitre sont au profit du budget de la Communauté flamande et de la Région flamande. ".
Art. 9. Artikel 205 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.
Art. 9. L'article 205 du même décret est abrogé.
Art. 10. In artikel 23 van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges wordt het woord "dertig" vervangen door "vijfenveertig".
Art. 10. Dans le décret du 4 avril 2014 relatif à l'organisation et à la procédure de certaines juridictions administratives flamandes, le mot " trente " est remplacé par le mot " quarante-cinq ".