Artikel 1. Dit besluit voorziet in de gedeeltelijke omzetting van de volgende Europese richtlijnen :
1° richtlijn 91/271/EEG van de Raad van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater;
2° richtlijn 1999/31/EG van de Raad 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen;
3° richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid;
4° richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 maart 2001 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu en tot intrekking van Richtlijn 90/220/EEG van de Raad;
5° richtlijn 2004/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 inzake de beperking van emissies van vluchtige organische stoffen ten gevolge van het gebruik van organische oplosmiddelen in bepaalde verven en vernissen en producten voor het overspuiten van voertuigen, en tot wijziging van Richtlijn 1999/13/EG;
6° richtlijn 2006/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 betreffende het beheer van afval van winningsindustrieën en houdende wijziging van Richtlijn 2004/35/EG;
7° richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen;
8° richtlijn 2008/105/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 inzake milieukwaliteitsnormen op het gebied van het waterbeleid tot wijziging en vervolgens intrekking van de Richtlijnen 82/176/EEG, 83/513/EEG, 84/156/EEG, 84/491/EEG en 86/280/EEG van de Raad, en tot wijziging van Richtlijn 2000/60/EG;
9° richtlijn 2009/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG teneinde de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten van de Gemeenschap te verbeteren en uit te breiden;
10° richtlijn 2009/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de geologische opslag van kooldioxide en tot wijziging van Richtlijn 85/337/EEG van de Raad, de Richtlijnen 2000/60/EG, 2001/80/EG, 2004/35/EG, 2006/12/EG en 2008/1/EG en Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad;
11° richtlijn 2009/41/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 inzake het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde micro-organismen;
12° richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging);
13° richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten;
14° richtlijn 2012/18/EU van 4 juli 2012 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, houdende wijziging en vervolgens intrekking van Richtlijn 96/82/EG van de Raad;
15° richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG;
16° uitvoeringsbesluit van de Commissie van 7 mei 2012 betreffende de vaststelling van opstart- en stilleggingsperioden voor de toepassing van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad inzake industriële emissies.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
27 NOVEMBER 2015. - Besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-02-2016 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Titre
27 NOVEMBRE 2015. - Arrêté du Gouvernement flamand portant exécution du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 23-02-2016 et mise à jour au 28-11-2025)
Dokumentinformationen
Info du document
Inhoud
TITEL 1. - Algemene bepalingen
Hoofdstuk 1. - Europees kader
Hoofdstuk 2. - Definities
Hoofdstuk 3. - Omgevingsfonds
TITEL 2. - Vooroverleg en projectvergadering
TITEL 3. - De vergunningverlening
Hoofdstuk 1. - De bevoegde overheid
Hoofdstuk 2. - Projecten waarvoor de gewestelij...
Hoofdstuk 3. - Toepassingsgebied van de gewone ...
Hoofdstuk 4. - De samenstelling van een aanvraag
Hoofdstuk 5. - Het openbaar onderzoek
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Afdeling 2. - Aanplakking van een affiche
Afdeling 3. - Publicatie op de website
Afdeling 4. - Publicatie in een dag- of weekblad
Afdeling 5. - Individuele kennisgeving
Afdeling 6. - De terinzagelegging
Afdeling 7. - De informatievergadering
Afdeling 8. - Het formuleren van standpunten, o...
Afdeling 9. - Landsgrens- en gewestgrensoversch...
Afdeling 10. - Het afsluiten van het openbaar o...
Hoofdstuk 6. - Adviesinstanties
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Afdeling 2. - De instanties die advies verlenen...
Afdeling 3. - De instanties die advies verlenen...
Afdeling 4. [1 - De instanties die advies verle...
Afdeling 5. [1 - De instanties die advies verle...
Hoofdstuk 7. - De omgevingsvergunningscommissies
Afdeling 1. - Samenstelling van de omgevingsver...
Afdeling 2. - Advisering door en werking van de...
Hoofdstuk 8. [1 - Beslissing over de aanleg, wi...
Hoofdstuk 9. - De beslissing
Afdeling 1. - Inhoud van de beslissing
Afdeling 1/1. [1 Duur van de vergunningen]1
Afdeling 2. - Aanvang van de vergunningsduur
Afdeling 3. - Bekendmaking van de beslissing
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen
Onderafdeling 2. - Aanplakking van een affiche
Onderafdeling 3. - Publicatie op de website
Onderafdeling 4. - Publicatie in een dag- of we...
Onderafdeling 5. - Individuele kennisgeving
Onderafdeling 6. - De terinzagelegging
Onderafdeling 7. - Landsgrens- en gewestgrensov...
Hoofdstuk 10. - De gewone vergunningsprocedure
Afdeling 1. - De gewone vergunningsprocedure in...
Onderafdeling 1. - Ontvankelijkheids- en volled...
Onderafdeling 2. - Onderzoek van het project
Onderafdeling 3. - Situaties die resulteren in ...
Onderafdeling 4. - Beslissing over de vergunnin...
Afdeling 2. - De gewone vergunningsprocedure in...
Onderafdeling 1. - Ontvankelijkheids- en volled...
Onderafdeling 2. - Onderzoek van het beroep
Onderafdeling 3. - Situaties die resulteren in ...
Onderafdeling 4. - Beslissing over het ingestel...
Hoofdstuk 11. - De vereenvoudigde vergunningspr...
Afdeling 1. - De vereenvoudigde vergunningsproc...
Onderafdeling 1. - Ontvankelijkheids- en volled...
Onderafdeling 2. - Onderzoek van het project
Onderafdeling 3. - Beslissing over de vergunnin...
Afdeling 2. - De vereenvoudigde vergunningsproc...
Onderafdeling 1. - Ontvankelijkheids- en volled...
Onderafdeling 2. - Onderzoek van het beroep
Onderafdeling 3. - Situaties die resulteren in ...
Onderafdeling 4. - Beslissing over het ingestel...
Hoofdstuk 12. - De omgevingsvergunning op proef
Hoofdstuk 13. - Actualisatie van de gecoördinee...
Afdeling 1. - Actualisatie als gevolg van overd...
Afdeling 2. - Actualisatie als gevolg van de st...
Afdeling 3. - Actualisatie als gevolg van een v...
TITEL 4. - Het bijstellen van de omgevingsvergu...
Hoofdstuk 1. - De bijstelling van de [1 voorwaa...
Afdeling 1. - De indiening van het verzoek en a...
Afdeling 2. - Het ontvankelijkheids- en volledi...
Afdeling 3. - Het openbaar onderzoek
Afdeling 4. - Adviesverlening
Afdeling 5. - Situaties die resulteren in een t...
Afdeling 6. - De beslissing
Afdeling 7. - Bekendmaking van de beslissing
Hoofdstuk 2. - De bijstelling van de [1 voorwaa...
Afdeling 1. - Het instellen van het beroep
Afdeling 2. - Het ontvankelijkheids- en volledi...
Afdeling 3. - Adviesverlening
Afdeling 4. - Situaties die resulteren in een t...
Afdeling 5. - De beslissing
Afdeling 6. - Bekendmaking van de beslissing
Hoofdstuk 3. - De bijstelling van het voorwerp ...
Afdeling 1. - Bekendmaking van de inspraakproce...
Afdeling 2. - De indiening van het verzoek en a...
Afdeling 3. - Het ontvankelijkheids- en volledi...
Afdeling 4. - Het openbaar onderzoek
Afdeling 5. - Adviesverlening
Afdeling 6. - Situaties die resulteren in een t...
Afdeling 7. - De beslissing
Afdeling 8. - Bekendmaking van de beslissing
Hoofdstuk 4. - De bijstelling van het voorwerp ...
Afdeling 1. - De indiening van het beroep
Afdeling 2. - Het ontvankelijkheids- en volledi...
Afdeling 3. - Adviesverlening
Afdeling 4. - Situaties die resulteren in een t...
Afdeling 5. - De beslissing
Afdeling 6. - Bekendmaking van de beslissing
Hoofdstuk 5. - De bijstelling van de omgevingsv...
TITEL 5. - Schorsing of opheffing van de omgevi...
TITEL 6. - De melding
Hoofdstuk 1. - De samenstelling van een melding...
Hoofdstuk 2. - Bekendmaking
Hoofdstuk 3. [1 - Bijstelling van de meldingsak...
TITEL 7. - De omgevingsambtenaren
Hoofdstuk 1. - De gewestelijke omgevingsambtenaren
Hoofdstuk 1/1. [1 - De provinciale omgevingsamb...
Hoofdstuk 2. - De gemeentelijke omgevingsambten...
Afdeling 1. - Aanwijzing van de gemeentelijke o...
Afdeling 2. - Onverenigbaarheden
Afdeling 3. - Aanwijzingsvoorwaarden van waarne...
Hoofdstuk 3. - Kwaliteitseisen
TITEL 8. - Digitalisering
Hoofdstuk 1. - Algemene bepalingen
Hoofdstuk 2. - Uitwisselingsplatform en omgevin...
Afdeling 1. - Toegang
Afdeling 2. - Digitale indiening, behandeling e...
Onderafdeling 1. - Digitale indiening
Onderafdeling 2. - Digitale behandeling
Onderafdeling 3. - Digitale beslissing
Hoofdstuk 3. - Omgevingsvergunningenregister
Hoofdstuk 4. [1 - Regeling bij technische stori...
Afdeling 1. [1 - Algemene bepalingen]1
Afdeling 2. [1 - Technische storingen van korte...
Afdeling 3. [1 - Langdurige technische storingen]1
TITEL 9. - Wijzigingsbepalingen
Hoofdstuk 1.
Hoofdstuk 2. - Wijzigingen van het besluit van ...
Hoofdstuk 3. - Wijzigingen van het besluit van ...
Hoofdstuk 4. - Wijziging van het besluit van de...
Hoofdstuk 5. - Wijzigingen van het besluit van ...
Hoofdstuk 6. - Wijzigingen van het besluit van ...
Hoofdstuk 7. - Wijzigingen van het besluit van ...
Hoofdstuk 8. - Wijzigingen van het besluit van ...
Hoofdstuk 9. - Wijzigingen van het besluit van ...
Hoofdstuk 10. - Wijziging van het besluit van d...
Hoofdstuk 11. - Wijziging van het besluit van d...
Hoofdstuk 12. - Wijzigingen van het besluit van...
Hoofdstuk 13. - Wijzigingen van het besluit van...
Hoofdstuk 14. - Wijziging van het besluit van d...
Hoofdstuk 15. - Wijziging van het besluit van d...
Hoofdstuk 16. - Wijzigingen van het besluit van...
Hoofdstuk 17. - Wijziging van het besluit van d...
Hoofdstuk 18. - Wijzigingen van het besluit van...
Hoofdstuk 19. - Wijzigingen van het besluit van...
Hoofdstuk 20. - Wijziging van het besluit van d...
Hoofdstuk 21. - Wijziging van het besluit van d...
Hoofdstuk 22. - Wijzigingen van het besluit van...
Hoofdstuk 23. - Wijzigingen van het besluit van...
Hoofdstuk 24. - Wijziging van het besluit van d...
Hoofdstuk 25. - Wijziging van het besluit van d...
Hoofdstuk 26. - Wijziging van het besluit van d...
Hoofdstuk 27. - Wijziging van het besluit van d...
Hoofdstuk 28. - Wijziging van het besluit van d...
Hoofdstuk 29. - Wijzigingen van het besluit van...
Hoofdstuk 30. - Wijzigingen van het besluit van...
Hoofdstuk 31. - Wijziging van het besluit van d...
Hoofdstuk 32. - Wijziging van het besluit van d...
Hoofdstuk 33. - Wijzigingen van het Soortenbesl...
Hoofdstuk 34. - Wijziging van het besluit van d...
Hoofdstuk 35. - Wijzigingen van het besluit van...
Hoofdstuk 36. - Wijziging van het besluit van d...
Hoofdstuk 37. - Wijzigingen van het besluit van...
Hoofdstuk 38. - Wijzigingen van het besluit van...
Hoofdstuk 39. - Wijzigingen van het besluit van...
Hoofdstuk 40. - Wijzigingen van het besluit van...
Hoofdstuk 41. - Wijziging van het VLAREL van 19...
Hoofdstuk 42. - Wijzigingen van het Energiebesl...
Hoofdstuk 43. - Wijziging van het besluit van d...
Hoofdstuk 44. - Wijziging van het besluit van d...
Hoofdstuk 45. - Wijziging van het besluit van d...
Hoofdstuk 46. - Wijzigingen van het besluit van...
Hoofdstuk 47. - Wijziging van het besluit van d...
Hoofdstuk 48. - Wijziging van het besluit van d...
Hoofdstuk 49. - Wijzigingen van het besluit van...
Hoofdstuk 50. - Wijzigingen van het besluit van...
Hoofdstuk 51. - Wijzigingen van het besluit van...
Hoofdstuk 52. - Wijzigingen van het besluit van...
Hoofdstuk 53. - Wijzigingen van het Besluit Vla...
Hoofdstuk 54. - Wijzigingen van het besluit van...
Hoofdstuk 55. - Wijziging van het besluit van d...
Hoofdstuk 56. - Wijzigingen van het Onroerender...
Hoofdstuk 57. - Wijzigingen van titel III van h...
Hoofdstuk 58. - Wijzigingen van de bijlage III ...
Hoofdstuk 59. - Wijzigingen van het besluit van...
Hoofdstuk 60. - Wijzigingen van het besluit van...
TITEL 10. - Slotbepalingen
Hoofdstuk 1. - Opheffingsbepalingen
Hoofdstuk 2. - Overgangsbepalingen wat betreft ...
Hoofdstuk 3. - Overgangsbepalingen wat betreft ...
Afdeling 1. - Het indienen van de mededeling me...
Afdeling 2. - Behandeling van de mededeling met...
Onderafdeling 1. - Onderzoek naar de ontvankeli...
Onderafdeling 2. - Onderzoek naar de vereiste v...
Onderafdeling 3. - Organisatie van het openbaar...
Onderafdeling 4. - Raadpleging van de adviesins...
Afdeling 3. - Aktename van de mededeling met de...
Afdeling 4. - Behandeling van de mededeling met...
Hoofdstuk 4. - Diverse overgangsbepalingen
Hoofdstuk 5. - Inwerkingtredings- en uitvoering...
BIJLAGEN.
Inhoud
TITRE 1er. - Dispositions générales
Chapitre 1er. - Cadre européen
Chapitre 2. - Définitions
Chapitre 3. - Fonds pour l'environnement
TITRE 2. - Concertation préalable et réunion de...
TITRE 3. - L'octroi du permis
Chapitre 1er. - L'autorité compétente
Chapitre 2. - Projets pour lesquels le fonction...
Chapitre 3. - Champ d'application de la procédu...
Chapitre 4. - La composition d'une demande
Chapitre 5. - L'enquête publique
Section 1re. - Dispositions générales
Section 2. - Affichage
Section 3. - Publication sur le site Internet
Section 4. - Publication dans un quotidien ou u...
Section 5. - Notification individuelle
Section 6. - L'ouverture à la consultation
Section 7. - La séance d'information
Section 8. - La formulation de points de vue, o...
Section 9. - Incidences transfrontières nationa...
Section 10. - La clôture de l'enquête publique
Chapitre 6. - Instances d'avis
Section 1re. - Dispositions générales
Section 2. - Les instances qui rendent un avis ...
Section 3. - Les instances qui rendent un avis ...
Section 4. [1 - Les instances qui rendent un av...
Section 5. [1 - Les instances qui rendent un av...
Chapitre 7. - Les commissions du permis d'envir...
Section 1re. - Composition des commissions du p...
Section 2. - Avis et fonctionnement des commiss...
Chapitre 8. [1 - Décision concernant l'aménagem...
Chapitre 9. - La décision
Section 1re. - Contenu de la décision
Section 1/1. [1 Durée des autorisations]1
Section 2. - Prise de cours de la durée du permis
Section 3. - Publication de la décision
Sous-section 1re. - Dispositions générales
Sous-section 2. - Affichage
Sous-section 3. - Publication sur le site Internet
Sous-section 4. - Publication dans un quotidien...
Sous-section 5. - Notification individuelle
Sous-section 6. - L'ouverture à la consultation
Sous-section 7. - Incidences transfrontières na...
Chapitre 10. - La procédure d'autorisation ordi...
Section 1re. - La procédure d'autorisation ordi...
Sous-section 1re. - Examen de la recevabilité e...
Sous-section 2. - Examen du projet
Sous-section 3. - Situations entraînant une pro...
Sous-section 4. - Décision au sujet de la deman...
Section 2. - La procédure d'autorisation ordina...
Sous-section 1re. - Examen de la recevabilité e...
Sous-section 2. - Examen du recours
Sous-section 3. - Situations entraînant une pro...
Sous-section 4. - Décision au sujet du recours ...
Chapitre 11. - La procédure d'autorisation simp...
Section 1re. - La procédure d'autorisation simp...
Sous-section 1re. - Examen de la recevabilité e...
Sous-section 2. - Examen du projet
Sous-section 3. - Décision au sujet de la deman...
Section 2. - La procédure d'autorisation simpli...
Sous-section 1re. - Examen de la recevabilité e...
Sous-section 2. - Examen du recours
Sous-section 3. - Situations entraînant une pro...
Sous-section 4. - Décision au sujet du recours ...
Chapitre 12. - Le permis d'environnement à titr...
Chapitre 13. - Actualisation du permis d'enviro...
Section 1re. - Actualisation consécutive à une ...
Section 2. - Actualisation consécutive à la ces...
Section 3. - Actualisation consécutive à un per...
TITRE 4. - L'actualisation du permis d'environn...
Chapitre 1er. - L'actualisation des [1 conditio...
Section 1re. - L'introduction de la demande et ...
Section 2. - L'examen de la recevabilité et de ...
Section 3. - L'enquête publique
Section 4. - Services de conseil
Section 5. - Situations entraînant une prolonga...
Section 6. - La décision
Section 7. - Publication de la décision
Chapitre 2. - L'actualisation des [1 conditions...
Section 1re. - L'introduction du recours
Section 2. - L'examen de la recevabilité et de ...
Section 3. - Services de conseil
Section 4. - Situations entraînant une prolonga...
Section 5. - La décision
Section 6. - Publication de la décision
Chapitre 3. - L'actualisation de l'objet et de ...
Section 1re. - Publication de la procédure de c...
Section 2. - L'introduction de la demande et l'...
Section 3. - L'examen de la recevabilité et de ...
Section 4. - L'enquête publique
Section 5. - Consultation
Section 6. - Situations entraînant une prolonga...
Section 7. - La décision
Section 8. - Publication de la décision
Chapitre 4. - L'actualisation de l'objet et de ...
Section 1re. - L'introduction du recours
Section 2. - L'examen de la recevabilité et de ...
Section 3. - Services de conseil
Section 4. - Situations entraînant une prolonga...
Section 5. - La décision
Section 6. - Publication de la décision
Chapitre 5. - L'actualisation du permis d'envir...
TITRE 5. - Suspension ou abrogation du permis d...
TITRE 6. - La déclaration
Chapitre 1er. - La composition d'un dossier de ...
Chapitre 2. - Publication
Chapitre 3. [1 - Ajustement de l'acte de déclar...
TITRE 7. - Les fonctionnaires environnement
Chapitre 1er. - Les fonctionnaires environnemen...
Chapitre 1/1. [1 - Les fonctionnaires environne...
Chapitre 2. - Les fonctionnaires environnement ...
Section 1re. - Désignation des fonctionnaires e...
Section 2. - Incompatibilités
Section 3. - Conditions de désignation de fonct...
Chapitre 3. - Exigences de qualité
TITRE 8. - Numérisation
Chapitre 1er. - Dispositions générales
Chapitre 2. - Plate-forme d'échange et guichet ...
Section 1re. - Accès
Section 2. - Introduction, traitement et décisi...
Sous-section 1re. - Introduction numérique
Sous-section 2. - Traitement numérique
Sous-section 3. - Décision numérique
Chapitre 3. - Registre des permis d'environnement
Chapitre 4. [1 - Règlement en cas de perturbati...
Section 1ère. [1 - Dispositions générales]1
Section 2. [1 - Perturbations techniques de cou...
Section 3. [1 - Perturbations techniques de lon...
TITRE 9. - Dispositions modificatives
Chapitre 1er.
Chapitre 2. - Modifications de l'arrêté du Gouv...
Chapitre 3. - Modifications de l'arrêté du Gouv...
Chapitre 4. - Modification de l'arrêté du Gouve...
Chapitre 5. - Modifications de l'arrêté du Gouv...
Chapitre 6. - Modifications de l'arrêté du Gouv...
Chapitre 7. - Modifications de l'arrêté du Gouv...
Chapitre 8. - Modifications de l'arrêté du Gouv...
Chapitre 9. - Modifications de l'arrêté du Gouv...
Chapitre 10. - Modification de l'arrêté du Gouv...
Chapitre 11. - Modification de l'arrêté du Gouv...
Chapitre 12. - Modifications de l'arrêté du Gou...
Chapitre 13. - Modifications de l'arrêté du Gou...
Chapitre 14. - Modification de l'arrêté du Gouv...
Chapitre 15. - Modification de l'arrêté du Gouv...
Chapitre 16. - Modifications de l'arrêté du Gou...
Chapitre 17. - Modification de l'arrêté du Gouv...
Chapitre 18. - Modifications de l'arrêté du Gou...
Chapitre 19. - Modifications de l'arrêté du Gou...
Chapitre 20. - Modification de l'arrêté du Gouv...
Chapitre 21. - Modification de l'arrêté du Gouv...
Chapitre 22. - Modifications de l'arrêté du Gou...
Chapitre 23. - Modifications de l'arrêté du Gou...
Chapitre 24. - Modification de l'arrêté du Gouv...
Chapitre 25. - Modification de l'arrêté du Gouv...
Chapitre 26. - Modification de l'arrêté du Gouv...
Chapitre 27. - Modification de l'arrêté du Gouv...
Chapitre 28. - Modification de l'arrêté Gouvern...
Chapitre 29. - Modifications de l'arrêté du Gou...
Chapitre 30. - Modifications de l'arrêté du Gou...
Chapitre 31. - Modification de l'arrêté du Gouv...
Chapitre 32. - Modifications de l'arrêté du Gou...
Chapitre 33. - Modifications de l'arrêté des Es...
Chapitre 34. - Modification de l'arrêté du Gouv...
Chapitre 35. - Modifications de l'arrêté du Gou...
Chapitre 36. - Modification de l'arrêté du Gouv...
Chapitre 37. - Modifications de l'arrêté du Gou...
Chapitre 38. - Modifications de l'arrêté du Gou...
Chapitre 39. - Modifications de l'arrêté du Gou...
Chapitre 40. - Modifications de l'arrêté du Gou...
Chapitre 41. - Modification du VLAREL du 19 nov...
Chapitre 42. - Modifications de l'arrêté relati...
Chapitre 43. - Modification de l'arrêté du Gouv...
Chapitre 44. - Modification de l'arrêté du Gouv...
Chapitre 45. - Modifications de l'arrêté du Gou...
Chapitre 46. - Modifications de l'arrêté du Gou...
Chapitre 47. - Modifications de l'arrêté du Gou...
Chapitre 48. - Modification de l'arrêté du Gouv...
Chapitre 49. - Modifications de l'arrêté du Gou...
Chapitre 50. - Modifications de l'arrêté du Gou...
Chapitre 51. - Modifications de l'arrêté du Gou...
Chapitre 52. - Modifications de l'arrêté du Gou...
Chapitre 53. - Modifications de l'arrêté du 20 ...
Chapitre 54. - Modifications de l'arrêté du Gou...
Chapitre 55. - Modifications de l'arrêté du Gou...
Chapitre 56. - Modifications de l'arrêté relati...
Chapitre 57. - Modifications du titre III du VL...
Chapitre 58. - Modifications de l'annexe III du...
Chapitre 59. - Modifications de l'arrêté du Gou...
Chapitre 60. - Modifications de l'arrêté du Gou...
TITRE 10. - Dispositions finales
Chapitre 1er. - Dispositions abrogatoires
Chapitre 2. - Dispositions transitoires concern...
Chapitre 3. - Dispositions transitoires concern...
Section 1re. - L'introduction de la notificatio...
Section 2. - Traitement de la notification avec...
Sous-section 1re. - Examen de la recevabilité e...
Sous-section 2. - Examen de l'exigence d'une év...
Sous-section 3. - Organisation de l'enquête pub...
Sous-section 4. - Consultation des instances d'...
Section 3. - Prise d'acte de la notification av...
Section 4. - Traitement de la notification avec...
Chapitre 4. - Dispositions transitoires diverses
Chapitre 5. - Dispositions d'entrée en vigueur ...
ANNEXES.
Tekst (1020)
Texte (1020)
TITEL 1. - Algemene bepalingen
TITRE 1er. - Dispositions générales
Hoofdstuk 1. - Europees kader
Chapitre 1er. - Cadre européen
Article 1er. Le présent arrêté transpose partiellement les directives européennes suivantes :
1° la directive 91/271/CEE du Conseil, du 21 mai 1991, relative au traitement des eaux urbaines résiduaires ;
2° la directive 1999/31/CE du Conseil du 26 avril 1999 concernant la mise en décharge des déchets ;
3° la directive 2000/60/CE du Parlement européen et du Conseil du 23 octobre 2000 établissant un cadre pour une politique communautaire dans le domaine de l'eau ;
4° la directive 2001/18/CE du Parlement européen et du Conseil du 12 mars 2001 relative à la dissémination volontaire d'organismes génétiquement modifiés dans l'environnement et abrogeant la Directive 90/220/CEE du Conseil ;
5° la directive 2004/42/CE du Parlement européen et du Conseil du 21 avril 2004 relative à la réduction des émissions de composés organiques volatils dues à l'utilisation de solvants organiques dans certains vernis et peintures et dans les produits de retouche de véhicules, et modifiant la Directive 1999/13/CE ;
6° la directive 2006/21/CE du Parlement européen et du Conseil du 15 mars 2006 concernant la gestion des déchets de l'industrie extractive et modifiant la Directive 2004/35/CE ;
7° la directive 2008/98/CE du Parlement européen et du Conseil du 19 novembre 2008 relative aux déchets et abrogeant certaines directives ;
8° la directive 2008/105/CE du Parlement européen et du Conseil du 16 décembre 2008 établissant des normes de qualité environnementale dans le domaine de l'eau, modifiant et abrogeant les Directives du Conseil 82/176/CEE, 83/513/CEE, 84/156/CEE, 84/491/CEE, 86/280/CEE et modifiant la Directive 2000/60/CE ;
9° la directive 2009/29/CE du Parlement européen et du Conseil du 23 avril 2009 modifiant la directive 2003/87/CE afin d'améliorer et d'étendre le système communautaire d'échange de quotas d'émission de gaz à effet de serre ;
10° la directive 2009/31/CE du Parlement européen et du Conseil du 23 avril 2009 relative au stockage géologique du dioxyde de carbone et modifiant la directive 85/337/CEE du Conseil, les Directives 2000/60/CE, 2001/80/CE, 2004/35/CE, 2006/12/CE et 2008/1/CE et le règlement (CE) n° 1013/2006 du Parlement européen et du Conseil ;
11° la directive 2009/41/CE du Parlement Européen et du Conseil du 6 mai 2009 relative à l'utilisation confinée de micro-organismes génétiquement modifiés ;
12° la directive 2010/75/UE du Parlement européen et du Conseil du 24 novembre 2010 relative aux émissions industrielles (prévention et réduction intégrées de la pollution) ;
13° la directive 2011/92/UE du Parlement européen et du Conseil du 13 décembre 2011 concernant l'évaluation des incidences de certains projets publics et privés sur l'environnement ;
14° la directive 2012/18/UE du Parlement européen et du Conseil du 4 juillet 2012 concernant la maîtrise des dangers liés aux accidents majeurs impliquant des substances dangereuses, modifiant puis abrogeant la Directive 96/82/CE du Conseil ;
15° la directive 2012/27/UE du Parlement européen et du Conseil du 25 octobre 2012 relative à l'efficacité énergétique, modifiant les Directives 2009/125/CE et 2010/30/UE et abrogeant les Directives 2004/8/CE et 2006/32/CE ;
16° la décision d'exécution de la Commission du 7 mai 2012 concernant la détermination des périodes de démarrage et d'arrêt aux fins de la directive 2010/75/UE du Parlement européen et du Conseil relative aux émissions industrielles.
1° la directive 91/271/CEE du Conseil, du 21 mai 1991, relative au traitement des eaux urbaines résiduaires ;
2° la directive 1999/31/CE du Conseil du 26 avril 1999 concernant la mise en décharge des déchets ;
3° la directive 2000/60/CE du Parlement européen et du Conseil du 23 octobre 2000 établissant un cadre pour une politique communautaire dans le domaine de l'eau ;
4° la directive 2001/18/CE du Parlement européen et du Conseil du 12 mars 2001 relative à la dissémination volontaire d'organismes génétiquement modifiés dans l'environnement et abrogeant la Directive 90/220/CEE du Conseil ;
5° la directive 2004/42/CE du Parlement européen et du Conseil du 21 avril 2004 relative à la réduction des émissions de composés organiques volatils dues à l'utilisation de solvants organiques dans certains vernis et peintures et dans les produits de retouche de véhicules, et modifiant la Directive 1999/13/CE ;
6° la directive 2006/21/CE du Parlement européen et du Conseil du 15 mars 2006 concernant la gestion des déchets de l'industrie extractive et modifiant la Directive 2004/35/CE ;
7° la directive 2008/98/CE du Parlement européen et du Conseil du 19 novembre 2008 relative aux déchets et abrogeant certaines directives ;
8° la directive 2008/105/CE du Parlement européen et du Conseil du 16 décembre 2008 établissant des normes de qualité environnementale dans le domaine de l'eau, modifiant et abrogeant les Directives du Conseil 82/176/CEE, 83/513/CEE, 84/156/CEE, 84/491/CEE, 86/280/CEE et modifiant la Directive 2000/60/CE ;
9° la directive 2009/29/CE du Parlement européen et du Conseil du 23 avril 2009 modifiant la directive 2003/87/CE afin d'améliorer et d'étendre le système communautaire d'échange de quotas d'émission de gaz à effet de serre ;
10° la directive 2009/31/CE du Parlement européen et du Conseil du 23 avril 2009 relative au stockage géologique du dioxyde de carbone et modifiant la directive 85/337/CEE du Conseil, les Directives 2000/60/CE, 2001/80/CE, 2004/35/CE, 2006/12/CE et 2008/1/CE et le règlement (CE) n° 1013/2006 du Parlement européen et du Conseil ;
11° la directive 2009/41/CE du Parlement Européen et du Conseil du 6 mai 2009 relative à l'utilisation confinée de micro-organismes génétiquement modifiés ;
12° la directive 2010/75/UE du Parlement européen et du Conseil du 24 novembre 2010 relative aux émissions industrielles (prévention et réduction intégrées de la pollution) ;
13° la directive 2011/92/UE du Parlement européen et du Conseil du 13 décembre 2011 concernant l'évaluation des incidences de certains projets publics et privés sur l'environnement ;
14° la directive 2012/18/UE du Parlement européen et du Conseil du 4 juillet 2012 concernant la maîtrise des dangers liés aux accidents majeurs impliquant des substances dangereuses, modifiant puis abrogeant la Directive 96/82/CE du Conseil ;
15° la directive 2012/27/UE du Parlement européen et du Conseil du 25 octobre 2012 relative à l'efficacité énergétique, modifiant les Directives 2009/125/CE et 2010/30/UE et abrogeant les Directives 2004/8/CE et 2006/32/CE ;
16° la décision d'exécution de la Commission du 7 mai 2012 concernant la détermination des périodes de démarrage et d'arrêt aux fins de la directive 2010/75/UE du Parlement européen et du Conseil relative aux émissions industrielles.
Hoofdstuk 2. - Definities
Chapitre 2. - Définitions
Art. 2. In dit besluit wordt verstaan onder :
1° adviserend schepencollege : het college van burgemeester en schepenen van het ambtsgebied waarop de vergunningsaanvraag betrekking heeft, of de gemeentelijke omgevingsambtenaar als die conform artikel 24, tweede lid, artikel 42, tweede lid, of artikel 59, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014 advies verleent;
2° afdeling, bevoegd voor het toezicht Volksgezondheid : de [6 subentiteit van het Departement Zorg, vermeld in artikel 2, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2023 over het Departement Zorg, bevoegd voor het toezicht volksgezondheid]6;
3° [5 ...]5
4° afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving : [2 de subentiteit van het departement, bevoegd voor de milieuhandhaving]2;
5° afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen : [2 de subentiteit van het departement, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen;]2
6° [7 afdeling, bevoegd voor veiligheidsrapportage: de subentiteit van het departement, bevoegd voor veiligheidsrapportage]7;]2
7° afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning : [2 de subentiteit van het departement, bevoegd voor de milieuaspecten in de omgevingsvergunning]2;
8° afdeling RO, bevoegd voor de omgevingsvergunning : [2 de subentiteit van het departement, bevoegd voor de aspecten ruimtelijke ordening in de omgevingsvergunning]2;
9° ARBIS : het Koninklijk besluit van 20 juli 2001 houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen;
10° beveiligde zending : een van de onderstaande betekeningswijzen :
a) een analoge zending : een aangetekende brief of een afgifte tegen ontvangstbewijs;
b) een digitale zending : een zending via het omgevingsloket of het uitwisselingsplatform, op voorwaarde dat de gegevens worden uitgewisseld conform de bepalingen van dit besluit;
11° bevoegde autoriteit : de bevoegde autoriteit van het betrokken gewest, de betrokken EU-lidstaat of een verdragspartij bij het Verdrag van Espoo, respectievelijk het Verdrag van Helsinki;
12°[1 bevoegde bestuur : de bevoegde overheid, haar omgevingsambtenaar of een persoon die gemachtigd is door de bevoegde overheid of haar omgevingsambtenaar;]1
13° bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten : de projecten of veranderingen van projecten die uitsluitend mobiele of verplaatsbare inrichtingen of activiteiten omvatten als vermeld in artikel 5.1.1, 10°, van het DABM over twee of meer gemeenten, of twee of meer provincies;
14° decreet van 25 april 2014 : het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;
15° [2 departement: het Departement Omgeving;]2
16° [2 ...]2
17° GOVC : de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie;
18° GPBV-installatie : een vaste technische eenheid waarin een of meer van de activiteiten en processen, vermeld in de indelingslijst en aangeduid met de letter X in de vierde kolom van de indelingslijst, alsook andere op dezelfde locatie ten uitvoer gebrachte en daarmee rechtstreeks samenhangende activiteiten plaatsvinden die technisch in verband staan met de voormelde activiteiten en die gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging;
19° indelingslijst : de lijst, opgenomen als bijlage 1 bij titel II van het VLAREM;
20° indelingsrubriek : een bepaalde categorie van inrichtingen of activiteiten die in de indelingslijst wordt aangewezen door een nummer. In de indelingslijst wordt elke onderverdeling in een bepaalde categorie van inrichtingen of activiteiten die over een eigen nummer beschikt, als een afzonderlijke indelingsrubriek beschouwd;
21° ingedeelde inrichting of activiteit : één inrichting of activiteit en de aanhorigheden ervan op een bepaalde locatie of, in voorkomend geval, verschillende inrichtingen of activiteiten en de aanhorigheden ervan op een bepaalde locatie die voor hun exploitatie als een samenhangend technisch geheel moeten worden beschouwd. Het feit dat verschillende inrichtingen en activiteiten een verschillend eigendomsstatuut hebben, belet niet dat ze door hun onderlinge technische samenhang als één ingedeelde inrichting of activiteit kunnen worden beschouwd;
22° Natuurdecreet : het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
23° Omgevingsfonds : het begrotingsfonds Omgevingsfonds, vermeld in artikel 11 van het decreet van 25 april 2014;
24° omgevingsloket : het digitale loket, vermeld in artikel 147, derde lid;
25° OVR : een omgevingsveiligheidsrapport als vermeld in [7 artikel 4/1.1.1, 5°,]7van het DABM;
26° passende beoordeling : een passende beoordeling als vermeld in artikel 36ter, § 3, van het Natuurdecreet;
27° POVC : de provinciale omgevingsvergunningscommissie;
28° [3 ...]3
29° project-MER : een milieueffectrapport over een project als vermeld in [7 artikel 4.1.1, 7°, ]7 van het DABM;
30° Seveso-inrichting : een inrichting als vermeld in rubriek 17.2 van de indelingslijst;
31° titel II van het VLAREM : het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne;
32° uitwisselingsplatform : het digitale platform, vermeld in artikel 147, eerste lid;
33° Verdrag van Espoo : het verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband, ondertekend in Espoo op 25 februari 1991, en bijlage I, II, III, IV, V, VI en VII;
34° Verdrag van Helsinki : het verdrag betreffende de grensoverschrijdende gevolgen van industriële ongevallen, ondertekend in Helsinki op 17 maart 1992.
[7 35° Vlaams expertisecentrum m.e.r., afgekort VECM: de instantie die belast is met de taken van milieueffectrapportage, vermeld in artikel 4.1.1, 19°, van het DABM;
36° m.e.r.-besluit van 24 oktober 2025: het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2025 tot uitvoering van titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, wat betreft de milieueffectrapportage.]7
Tenzij bij dit besluit een andersluidende definitie is bepaald, zijn de volgende definities van toepassing in dit besluit :
1° de definities, vermeld in artikel 1.1.2 en 4.1.1 van de VCRO;
2° de definities, vermeld in artikel [7 4.1.1, 4/1.1.1,]7 5.1.1 en 5.1.2 van het DABM;
3° de definities, vermeld in titel II van het VLAREM;
[4 4° de definities, vermeld in artikel 2 van het decreet van 15 juli 2016 betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid;
5° de definities, vermeld in artikel 2 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.]4
1° adviserend schepencollege : het college van burgemeester en schepenen van het ambtsgebied waarop de vergunningsaanvraag betrekking heeft, of de gemeentelijke omgevingsambtenaar als die conform artikel 24, tweede lid, artikel 42, tweede lid, of artikel 59, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014 advies verleent;
2° afdeling, bevoegd voor het toezicht Volksgezondheid : de [6 subentiteit van het Departement Zorg, vermeld in artikel 2, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2023 over het Departement Zorg, bevoegd voor het toezicht volksgezondheid]6;
3° [5 ...]5
4° afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving : [2 de subentiteit van het departement, bevoegd voor de milieuhandhaving]2;
5° afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen : [2 de subentiteit van het departement, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen;]2
6° [7 afdeling, bevoegd voor veiligheidsrapportage: de subentiteit van het departement, bevoegd voor veiligheidsrapportage]7;]2
7° afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning : [2 de subentiteit van het departement, bevoegd voor de milieuaspecten in de omgevingsvergunning]2;
8° afdeling RO, bevoegd voor de omgevingsvergunning : [2 de subentiteit van het departement, bevoegd voor de aspecten ruimtelijke ordening in de omgevingsvergunning]2;
9° ARBIS : het Koninklijk besluit van 20 juli 2001 houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen;
10° beveiligde zending : een van de onderstaande betekeningswijzen :
a) een analoge zending : een aangetekende brief of een afgifte tegen ontvangstbewijs;
b) een digitale zending : een zending via het omgevingsloket of het uitwisselingsplatform, op voorwaarde dat de gegevens worden uitgewisseld conform de bepalingen van dit besluit;
11° bevoegde autoriteit : de bevoegde autoriteit van het betrokken gewest, de betrokken EU-lidstaat of een verdragspartij bij het Verdrag van Espoo, respectievelijk het Verdrag van Helsinki;
12°[1 bevoegde bestuur : de bevoegde overheid, haar omgevingsambtenaar of een persoon die gemachtigd is door de bevoegde overheid of haar omgevingsambtenaar;]1
13° bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten : de projecten of veranderingen van projecten die uitsluitend mobiele of verplaatsbare inrichtingen of activiteiten omvatten als vermeld in artikel 5.1.1, 10°, van het DABM over twee of meer gemeenten, of twee of meer provincies;
14° decreet van 25 april 2014 : het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;
15° [2 departement: het Departement Omgeving;]2
16° [2 ...]2
17° GOVC : de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie;
18° GPBV-installatie : een vaste technische eenheid waarin een of meer van de activiteiten en processen, vermeld in de indelingslijst en aangeduid met de letter X in de vierde kolom van de indelingslijst, alsook andere op dezelfde locatie ten uitvoer gebrachte en daarmee rechtstreeks samenhangende activiteiten plaatsvinden die technisch in verband staan met de voormelde activiteiten en die gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging;
19° indelingslijst : de lijst, opgenomen als bijlage 1 bij titel II van het VLAREM;
20° indelingsrubriek : een bepaalde categorie van inrichtingen of activiteiten die in de indelingslijst wordt aangewezen door een nummer. In de indelingslijst wordt elke onderverdeling in een bepaalde categorie van inrichtingen of activiteiten die over een eigen nummer beschikt, als een afzonderlijke indelingsrubriek beschouwd;
21° ingedeelde inrichting of activiteit : één inrichting of activiteit en de aanhorigheden ervan op een bepaalde locatie of, in voorkomend geval, verschillende inrichtingen of activiteiten en de aanhorigheden ervan op een bepaalde locatie die voor hun exploitatie als een samenhangend technisch geheel moeten worden beschouwd. Het feit dat verschillende inrichtingen en activiteiten een verschillend eigendomsstatuut hebben, belet niet dat ze door hun onderlinge technische samenhang als één ingedeelde inrichting of activiteit kunnen worden beschouwd;
22° Natuurdecreet : het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
23° Omgevingsfonds : het begrotingsfonds Omgevingsfonds, vermeld in artikel 11 van het decreet van 25 april 2014;
24° omgevingsloket : het digitale loket, vermeld in artikel 147, derde lid;
25° OVR : een omgevingsveiligheidsrapport als vermeld in [7 artikel 4/1.1.1, 5°,]7van het DABM;
26° passende beoordeling : een passende beoordeling als vermeld in artikel 36ter, § 3, van het Natuurdecreet;
27° POVC : de provinciale omgevingsvergunningscommissie;
28° [3 ...]3
29° project-MER : een milieueffectrapport over een project als vermeld in [7 artikel 4.1.1, 7°, ]7 van het DABM;
30° Seveso-inrichting : een inrichting als vermeld in rubriek 17.2 van de indelingslijst;
31° titel II van het VLAREM : het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne;
32° uitwisselingsplatform : het digitale platform, vermeld in artikel 147, eerste lid;
33° Verdrag van Espoo : het verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband, ondertekend in Espoo op 25 februari 1991, en bijlage I, II, III, IV, V, VI en VII;
34° Verdrag van Helsinki : het verdrag betreffende de grensoverschrijdende gevolgen van industriële ongevallen, ondertekend in Helsinki op 17 maart 1992.
[7 35° Vlaams expertisecentrum m.e.r., afgekort VECM: de instantie die belast is met de taken van milieueffectrapportage, vermeld in artikel 4.1.1, 19°, van het DABM;
36° m.e.r.-besluit van 24 oktober 2025: het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2025 tot uitvoering van titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, wat betreft de milieueffectrapportage.]7
Tenzij bij dit besluit een andersluidende definitie is bepaald, zijn de volgende definities van toepassing in dit besluit :
1° de definities, vermeld in artikel 1.1.2 en 4.1.1 van de VCRO;
2° de definities, vermeld in artikel [7 4.1.1, 4/1.1.1,]7 5.1.1 en 5.1.2 van het DABM;
3° de definities, vermeld in titel II van het VLAREM;
[4 4° de definities, vermeld in artikel 2 van het decreet van 15 juli 2016 betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid;
5° de definities, vermeld in artikel 2 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.]4
Änderungen
Art. 2. Dans le présent arrêté, on entend par :
1° collège consultatif des échevins : le collège des bourgmestre et échevins du ressort sur lequel porte la demande de permis ou le fonctionnaire environnement communal si celui-ci rend un avis conformément à l'article 24, alinéa 2, à l'article 42, alinéa 2, ou à l'article 59, alinéa 2, du décret du 25 avril 2014 ;
2° division compétente pour la surveillance de la Santé publique : la [6 ous-entité du Département Soins, visé à l'article 2, alinéa 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 mai 2023 relatif au Département Soins, compétente pour la surveillance de la santé publique]6;
3° [5 ...]5
4° division compétente pour le maintien environnemental : [2 la sous-entité du département, compétente pour le maintien de l'environnement]2 ;
5° division compétente pour les ressources naturelles : [2 la sous-entité du département, compétente pour les richesses naturelles;]2
6° [7 division compétente pour les rapports de sécurité : la sous-entité du département, compétente pour les rapports de sécurité]7]2 ;
7° division Environnement compétente pour le permis d'environnement : [2 la sous-entité du département, compétente pour les aspects environnementaux du permis d'environnement]2 ;
8° division RO compétente pour le permis d'environnement : [2 la sous-entité du département, compétente pour les aspects aménagement du territoire du permis d'environnement]2 ;
9° RGPRI : l'Arrêté royal du 20 juillet 2001 portant règlement général de la protection de la population, des travailleurs et de l'environnement contre le danger des rayonnements ionisants ;
10° envoi sécurisé : une des modalités de notification suivantes :
a) un envoi analogique : une lettre recommandée ou une remise contre récépissé ;
b) un envoi numérique : un envoi par le biais du guichet environnement et de la plate-forme d'échange, à condition que les données soient échangées conformément aux dispositions du présent arrêté ;
11° autorité compétente : l'autorité compétente de la région concernée, de l'Etat membre de l'UE concerné ou d'une partie contractante à la Convention d'Espoo ou à la Convention de Helsinki ;
12° [1 administration compétente : l'autorité compétente, son fonctionnaire environnement ou une personne mandatée par l'autorité compétente ou son fonctionnaire environnement;]1
13° projets mobiles ou transportables supracommunaux : les projets ou changements de projets comportant exclusivement des établissements ou activités mobiles ou transportables tels que visés à l'article 5.1.1, 10°, du DABM (décret contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement) répartis sur deux ou plusieurs communes ou sur deux ou plusieurs provinces ;
14° décret du 25 avril 2014 : le décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement ;
15° [2 département : le Département de l'Environnement;]2
16° [2 ...]2
17° GOVC : la commission régionale du permis d'environnement ;
18° installation IPPC : une unité technique fixe au sein de laquelle interviennent une ou plusieurs des activités désignées par la lettre X dans la quatrième colonne de la liste de classification, ainsi que toute autre activité s'y rapportant directement, exercée sur le même site, qui est liée techniquement aux activités précitées et qui est susceptible d'avoir des incidences sur les émissions et la pollution ;
19° liste de classification : la liste reprise en annexe 1 au titre II du VLAREM ;
20° rubrique de classification : une catégorie déterminée d'établissements ou d'activités désignée dans la liste de classification par un numéro. Dans la liste de classification, chaque subdivision dans une catégorie définie d'établissements ou d'activités qui dispose d'un numéro propre est considérée comme une rubrique de classification distincte ;
21° établissement classé ou activité classée : un établissement ou une activité et ses dépendances en un lieu déterminé ou, le cas échéant, plusieurs établissements ou activités et leurs dépendances en un lieu déterminé qui doivent, aux fins de leur exploitation, être considérés comme un ensemble technique cohérent. Le fait que différents établissements et activités aient un statut différent en matière de propriété n'empêche pas qu'ils puissent, de par leur cohésion technique, être considérés comme un seul établissement classé ou une seule activité classée ;
22° décret sur la Nature : le décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel ;
23° Fonds pour l'environnement : le fonds budgétaire Fonds pour l'environnement, visé à l'article 11 du décret du 25 avril 2014 ;
24° guichet environnement : le guichet numérique, visé à l'article 147, alinéa 3 ;
25° RSE : un rapport de sécurité environnementale tel que visé à [7 l'article 4/1.1.1, 5°,]7, du DABM ;
26° évaluation appropriée : une évaluation appropriée telle que mentionnée à l'article 36ter, § 3, du décret sur la Nature ;
27° POVC : la commission provinciale du permis d'environnement ;
28° [3 ...]3
29° RIE d'un projet : un rapport d'incidence sur l'environnement concernant un projet tel que visé à [7 l'article 4.1.1, 7°]7, du DABM ;
30° établissement Seveso : un établissement tel que visé à la rubrique 17.2 de la liste de classification ;
31° titre II du VLAREM : l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er juin 1995 fixant les dispositions générales et sectorielles en matière d'hygiène de l'environnement ;
32° plate-forme d'échange : la plate-forme numérique, visée à l'article 147, alinéa 3 ;
33° Convention d'Espoo : la convention sur l'évaluation de l'impact sur l'environnement dans un contexte transfrontière, signée à Espoo le 25 février 1991, et ses annexes I, II, III, IV, V, VI et VII ;
34° Convention de Helsinki : la convention sur les effets transfrontières des accidents industriels, signée à Helsinki le 17 mars 1992 ;
[7 35° Centre d'Expertise flamand R.I.E., en abrégé VECM : l'instance chargée des rapports d'incidence sur l'environnement, visée à l'article 4.1.1, 19°, du DABM ;
36° arrêté R.I.E. du 24 octobre 2025. l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 octobre 2025 portant exécution du titre IV du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, pour ce qui est des rapports d'incidence sur l'environnement. ]7
Sauf définition contraire dans le présent arrêté, les définitions suivantes sont applicables dans le présent arrêté :
1° les définitions visées aux articles 1.1.2 et 4.1.1 du VCRO ;
2° les définitions visées aux articles [7 4.1.1, 4/1.1.1, ]7 5.1.1 et 5.1.2 du DABM ;
3° les définitions visées au titre II du VLAREM;
[4 4° les définitions, visées à l'article 2 du décret du 15 juillet 2016 relatif à la politique d'implantation commerciale intégrale ;
5° les définitions, visées à l'article 2 du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel.]4
1° collège consultatif des échevins : le collège des bourgmestre et échevins du ressort sur lequel porte la demande de permis ou le fonctionnaire environnement communal si celui-ci rend un avis conformément à l'article 24, alinéa 2, à l'article 42, alinéa 2, ou à l'article 59, alinéa 2, du décret du 25 avril 2014 ;
2° division compétente pour la surveillance de la Santé publique : la [6 ous-entité du Département Soins, visé à l'article 2, alinéa 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 mai 2023 relatif au Département Soins, compétente pour la surveillance de la santé publique]6;
3° [5 ...]5
4° division compétente pour le maintien environnemental : [2 la sous-entité du département, compétente pour le maintien de l'environnement]2 ;
5° division compétente pour les ressources naturelles : [2 la sous-entité du département, compétente pour les richesses naturelles;]2
6° [7 division compétente pour les rapports de sécurité : la sous-entité du département, compétente pour les rapports de sécurité]7]2 ;
7° division Environnement compétente pour le permis d'environnement : [2 la sous-entité du département, compétente pour les aspects environnementaux du permis d'environnement]2 ;
8° division RO compétente pour le permis d'environnement : [2 la sous-entité du département, compétente pour les aspects aménagement du territoire du permis d'environnement]2 ;
9° RGPRI : l'Arrêté royal du 20 juillet 2001 portant règlement général de la protection de la population, des travailleurs et de l'environnement contre le danger des rayonnements ionisants ;
10° envoi sécurisé : une des modalités de notification suivantes :
a) un envoi analogique : une lettre recommandée ou une remise contre récépissé ;
b) un envoi numérique : un envoi par le biais du guichet environnement et de la plate-forme d'échange, à condition que les données soient échangées conformément aux dispositions du présent arrêté ;
11° autorité compétente : l'autorité compétente de la région concernée, de l'Etat membre de l'UE concerné ou d'une partie contractante à la Convention d'Espoo ou à la Convention de Helsinki ;
12° [1 administration compétente : l'autorité compétente, son fonctionnaire environnement ou une personne mandatée par l'autorité compétente ou son fonctionnaire environnement;]1
13° projets mobiles ou transportables supracommunaux : les projets ou changements de projets comportant exclusivement des établissements ou activités mobiles ou transportables tels que visés à l'article 5.1.1, 10°, du DABM (décret contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement) répartis sur deux ou plusieurs communes ou sur deux ou plusieurs provinces ;
14° décret du 25 avril 2014 : le décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement ;
15° [2 département : le Département de l'Environnement;]2
16° [2 ...]2
17° GOVC : la commission régionale du permis d'environnement ;
18° installation IPPC : une unité technique fixe au sein de laquelle interviennent une ou plusieurs des activités désignées par la lettre X dans la quatrième colonne de la liste de classification, ainsi que toute autre activité s'y rapportant directement, exercée sur le même site, qui est liée techniquement aux activités précitées et qui est susceptible d'avoir des incidences sur les émissions et la pollution ;
19° liste de classification : la liste reprise en annexe 1 au titre II du VLAREM ;
20° rubrique de classification : une catégorie déterminée d'établissements ou d'activités désignée dans la liste de classification par un numéro. Dans la liste de classification, chaque subdivision dans une catégorie définie d'établissements ou d'activités qui dispose d'un numéro propre est considérée comme une rubrique de classification distincte ;
21° établissement classé ou activité classée : un établissement ou une activité et ses dépendances en un lieu déterminé ou, le cas échéant, plusieurs établissements ou activités et leurs dépendances en un lieu déterminé qui doivent, aux fins de leur exploitation, être considérés comme un ensemble technique cohérent. Le fait que différents établissements et activités aient un statut différent en matière de propriété n'empêche pas qu'ils puissent, de par leur cohésion technique, être considérés comme un seul établissement classé ou une seule activité classée ;
22° décret sur la Nature : le décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel ;
23° Fonds pour l'environnement : le fonds budgétaire Fonds pour l'environnement, visé à l'article 11 du décret du 25 avril 2014 ;
24° guichet environnement : le guichet numérique, visé à l'article 147, alinéa 3 ;
25° RSE : un rapport de sécurité environnementale tel que visé à [7 l'article 4/1.1.1, 5°,]7, du DABM ;
26° évaluation appropriée : une évaluation appropriée telle que mentionnée à l'article 36ter, § 3, du décret sur la Nature ;
27° POVC : la commission provinciale du permis d'environnement ;
28° [3 ...]3
29° RIE d'un projet : un rapport d'incidence sur l'environnement concernant un projet tel que visé à [7 l'article 4.1.1, 7°]7, du DABM ;
30° établissement Seveso : un établissement tel que visé à la rubrique 17.2 de la liste de classification ;
31° titre II du VLAREM : l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er juin 1995 fixant les dispositions générales et sectorielles en matière d'hygiène de l'environnement ;
32° plate-forme d'échange : la plate-forme numérique, visée à l'article 147, alinéa 3 ;
33° Convention d'Espoo : la convention sur l'évaluation de l'impact sur l'environnement dans un contexte transfrontière, signée à Espoo le 25 février 1991, et ses annexes I, II, III, IV, V, VI et VII ;
34° Convention de Helsinki : la convention sur les effets transfrontières des accidents industriels, signée à Helsinki le 17 mars 1992 ;
[7 35° Centre d'Expertise flamand R.I.E., en abrégé VECM : l'instance chargée des rapports d'incidence sur l'environnement, visée à l'article 4.1.1, 19°, du DABM ;
36° arrêté R.I.E. du 24 octobre 2025. l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 octobre 2025 portant exécution du titre IV du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, pour ce qui est des rapports d'incidence sur l'environnement. ]7
Sauf définition contraire dans le présent arrêté, les définitions suivantes sont applicables dans le présent arrêté :
1° les définitions visées aux articles 1.1.2 et 4.1.1 du VCRO ;
2° les définitions visées aux articles [7 4.1.1, 4/1.1.1, ]7 5.1.1 et 5.1.2 du DABM ;
3° les définitions visées au titre II du VLAREM;
[4 4° les définitions, visées à l'article 2 du décret du 15 juillet 2016 relatif à la politique d'implantation commerciale intégrale ;
5° les définitions, visées à l'article 2 du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel.]4
Änderungen
Hoofdstuk 3. - Omgevingsfonds
Chapitre 3. - Fonds pour l'environnement
Art. 3. [1 De leidend ambtenaar van het departement wordt aangesteld als inhoudelijk ordonnateur van het Omgevingsfonds. De leidend ambtenaar van het departement kan zijn bevoegdheden van inhoudelijk ordonnateur van het Omgevingsfonds delegeren aan personeelsleden van niveau A van het departement.]1
Art. 3. [1 Le fonctionnaire dirigeant du département est désigné comme ordonnateur fonctionnel du Fonds pour l'environnement. Il peut déléguer ses compétences d'ordonnateur fonctionnel du Fonds pour l'environnement à des membres du personnel de niveau A du département.]1
Art. 4. Op het einde van ieder kwartaal worden een staat van ontvangsten en een staat van uitgaven opgemaakt.
De Vlaamse Regering legt de staten, vermeld in het eerste lid, door bemiddeling van de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begroting, voor aan het Rekenhof. De verantwoordingsstukken worden bewaard bij de instantie die deze heeft opgemaakt.
De Vlaamse Regering legt de staten, vermeld in het eerste lid, door bemiddeling van de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begroting, voor aan het Rekenhof. De verantwoordingsstukken worden bewaard bij de instantie die deze heeft opgemaakt.
Art. 4. A la fin de chaque trimestre, un état des recettes et un état des dépenses sont établis.
Le Gouvernement flamand soumet les états visés à l'alinéa 1er à la Cour des Comptes par l'intermédiaire du ministre flamand chargé des finances et du budget. Les pièces justificatives sont conservées auprès de l'instance qui les a établies.
Le Gouvernement flamand soumet les états visés à l'alinéa 1er à la Cour des Comptes par l'intermédiaire du ministre flamand chargé des finances et du budget. Les pièces justificatives sont conservées auprès de l'instance qui les a établies.
Art. 5. § 1. [1 De leidend ambtenaar van het departement wordt aangesteld als beheerder van het Omgevingsfonds. De leidend ambtenaar van het departement kan de bevoegdheid, vermeld in dit hoofdstuk, overdragen aan ambtenaren van niveau A van het departement. Die ambtenaren mogen niet als ordonnateur van het Omgevingsfonds worden voorgedragen of benoemd.]1
§ 2. De beheerder is bevoegd om :
1° bestekken voor werken, leveringen of diensten, of de bescheiden die ze vervangen, goed te keuren;
2° de wijze te kiezen waarop de opdrachten worden gegund;
3° opdrachten voor de aanneming van werken, leveringen of diensten te gunnen en te zorgen voor de uitvoering ervan.
De machtiging, vermeld in het eerste lid, geldt alleen binnen de beschikbare kredieten.
§ 3. De beheerder is belast met de eenvoudige uitvoering van de opdrachten voor de aanneming van werken, leveringen of diensten die in het kader van het functioneren van het Omgevingsfonds worden gegund door de Vlaamse Regering of de Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu. Onder eenvoudige uitvoering wordt verstaan : het nemen van alle maatregelen en beslissingen om de opdracht binnen de aanneming te realiseren, met uitzondering van de maatregelen en beslissingen die een beoordeling door de gunnende overheid vereisen.
§ 4. De beheerder is bevoegd om :
1° met betrekking tot de opdrachten, vermeld in paragraaf 2 en 3 :
a) gemotiveerde afwijkingen toe te staan van de essentiële bepalingen en voorwaarden conform artikel 9 van het koninklijk besluit van 14 januari 2013 tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten en van de concessies voor openbare werken;
b) boeten kwijt te schelden, na advies van de bevoegde juridische afdeling over de gegrondheid en de ontvankelijkheid van de kwijtschelding;
2° met betrekking tot de opdrachten, vermeld in paragraaf 2 en 3 :
a) prijsherzieningen die voortvloeien uit de overeenkomsten in kwestie, goed te keuren zonder beperking van bedrag;
b) andere verrekeningen dan de voormelde herzieningen, ramingstaten en de daaraan verbonden termijnverlengingen goed te keuren voor zover daaruit geen totale extra uitgaven van meer dan 25% voortvloeien en de uitgaven niet meer bedragen dan 250.000 euro.
§ 5. De beheerder is bevoegd om allerlei uitgaven die buiten de toepassing van de wetgeving op de overheidsopdrachten vallen en die betrekking hebben op de uitvoering van de taken van het Omgevingsfonds, goed te keuren tot een bedrag van maximaal 62.500 euro per beslissing, voor zover het niet gaat om subsidies.
§ 2. De beheerder is bevoegd om :
1° bestekken voor werken, leveringen of diensten, of de bescheiden die ze vervangen, goed te keuren;
2° de wijze te kiezen waarop de opdrachten worden gegund;
3° opdrachten voor de aanneming van werken, leveringen of diensten te gunnen en te zorgen voor de uitvoering ervan.
De machtiging, vermeld in het eerste lid, geldt alleen binnen de beschikbare kredieten.
§ 3. De beheerder is belast met de eenvoudige uitvoering van de opdrachten voor de aanneming van werken, leveringen of diensten die in het kader van het functioneren van het Omgevingsfonds worden gegund door de Vlaamse Regering of de Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu. Onder eenvoudige uitvoering wordt verstaan : het nemen van alle maatregelen en beslissingen om de opdracht binnen de aanneming te realiseren, met uitzondering van de maatregelen en beslissingen die een beoordeling door de gunnende overheid vereisen.
§ 4. De beheerder is bevoegd om :
1° met betrekking tot de opdrachten, vermeld in paragraaf 2 en 3 :
a) gemotiveerde afwijkingen toe te staan van de essentiële bepalingen en voorwaarden conform artikel 9 van het koninklijk besluit van 14 januari 2013 tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten en van de concessies voor openbare werken;
b) boeten kwijt te schelden, na advies van de bevoegde juridische afdeling over de gegrondheid en de ontvankelijkheid van de kwijtschelding;
2° met betrekking tot de opdrachten, vermeld in paragraaf 2 en 3 :
a) prijsherzieningen die voortvloeien uit de overeenkomsten in kwestie, goed te keuren zonder beperking van bedrag;
b) andere verrekeningen dan de voormelde herzieningen, ramingstaten en de daaraan verbonden termijnverlengingen goed te keuren voor zover daaruit geen totale extra uitgaven van meer dan 25% voortvloeien en de uitgaven niet meer bedragen dan 250.000 euro.
§ 5. De beheerder is bevoegd om allerlei uitgaven die buiten de toepassing van de wetgeving op de overheidsopdrachten vallen en die betrekking hebben op de uitvoering van de taken van het Omgevingsfonds, goed te keuren tot een bedrag van maximaal 62.500 euro per beslissing, voor zover het niet gaat om subsidies.
Art. 5. § 1er. [1 Le fonctionnaire dirigeant du département est désigné comme gestionnaire du Fonds pour l'environnement. Il peut céder la compétence visée dans le présent chapitre à des fonctionnaires de niveau A du département. Ces fonctionnaires ne peuvent pas être proposés ou nommés comme ordonnateur du Fonds pour l'environnement.]1
§ 2. Le gestionnaire est habilité à :
1° approuver les cahiers spéciaux des charges de travaux, de fournitures ou de services, ou les documents qui les remplacent ;
2° choisir le mode de passation des marchés ;
3° attribuer les marchés de travaux, de fournitures ou de services et veiller à leur exécution.
L'habilitation visée à l'alinéa 1er est valable uniquement dans les limites des crédits disponibles.
§ 3. Le gestionnaire est chargé de la simple exécution des marchés de travaux, de fournitures ou de services attribués dans le cadre du fonctionnement du Fonds pour l'environnement par le Gouvernement flamand ou par le ministre flamand qui a l'aménagement du territoire dans ses attributions et le ministre flamand qui a l'environnement dans ses attributions. Par " simple exécution ", on entend : la prise de toutes les mesures et décisions visant la réalisation du marché dans les limites de l'entreprise, à l'exception des mesures et décisions nécessitant une appréciation du pouvoir adjudicateur.
§ 4. Le gestionnaire est habilité à :
1° concernant les marchés visés aux paragraphes 2 et 3 :
a) accorder des dérogations motivées aux dispositions et conditions essentielles conformément à l'article 9 de l'arrêté royal du 14 janvier 2013 établissant les règles générales d'exécution des marchés publics et des concessions de travaux publics ;
b) procéder à des remises d'amendes, après avis de la division juridique compétente sur le bien-fondé et la recevabilité de la remise ;
2° concernant les marchés visés aux paragraphes 2 et 3 :
a) approuver des révisions de prix résultant des accords en question, sans limitation de montant ;
b) approuver des décomptes autres que les révisions précitées, des états estimatifs et les prolongations de délai y afférentes, pour autant que les dépenses supplémentaires totales qui en résultent ne soient pas supérieures à 25 % et que les dépenses n'excèdent pas 250.000 euros.
§ 5. Le gestionnaire est également compétent pour approuver des dépenses diverses qui ne tombent pas sous le coup de la législation sur les marchés publics et qui se rapportent à l'exécution des missions du Fonds pour l'environnement, à concurrence d'un montant maximum de 62.500 euros par décision, pour autant qu'il ne s'agisse pas de subventions.
§ 2. Le gestionnaire est habilité à :
1° approuver les cahiers spéciaux des charges de travaux, de fournitures ou de services, ou les documents qui les remplacent ;
2° choisir le mode de passation des marchés ;
3° attribuer les marchés de travaux, de fournitures ou de services et veiller à leur exécution.
L'habilitation visée à l'alinéa 1er est valable uniquement dans les limites des crédits disponibles.
§ 3. Le gestionnaire est chargé de la simple exécution des marchés de travaux, de fournitures ou de services attribués dans le cadre du fonctionnement du Fonds pour l'environnement par le Gouvernement flamand ou par le ministre flamand qui a l'aménagement du territoire dans ses attributions et le ministre flamand qui a l'environnement dans ses attributions. Par " simple exécution ", on entend : la prise de toutes les mesures et décisions visant la réalisation du marché dans les limites de l'entreprise, à l'exception des mesures et décisions nécessitant une appréciation du pouvoir adjudicateur.
§ 4. Le gestionnaire est habilité à :
1° concernant les marchés visés aux paragraphes 2 et 3 :
a) accorder des dérogations motivées aux dispositions et conditions essentielles conformément à l'article 9 de l'arrêté royal du 14 janvier 2013 établissant les règles générales d'exécution des marchés publics et des concessions de travaux publics ;
b) procéder à des remises d'amendes, après avis de la division juridique compétente sur le bien-fondé et la recevabilité de la remise ;
2° concernant les marchés visés aux paragraphes 2 et 3 :
a) approuver des révisions de prix résultant des accords en question, sans limitation de montant ;
b) approuver des décomptes autres que les révisions précitées, des états estimatifs et les prolongations de délai y afférentes, pour autant que les dépenses supplémentaires totales qui en résultent ne soient pas supérieures à 25 % et que les dépenses n'excèdent pas 250.000 euros.
§ 5. Le gestionnaire est également compétent pour approuver des dépenses diverses qui ne tombent pas sous le coup de la législation sur les marchés publics et qui se rapportent à l'exécution des missions du Fonds pour l'environnement, à concurrence d'un montant maximum de 62.500 euros par décision, pour autant qu'il ne s'agisse pas de subventions.
TITEL 2. - Vooroverleg en projectvergadering
TITRE 2. - Concertation préalable et réunion de projet
Art. 6. Met behoud van de mogelijkheid van informeel vooroverleg kan een initiatiefnemer de bevoegde overheid verzoeken een projectvergadering te organiseren voor projecten of voor veranderingen aan projecten waarvoor, als ze het voorwerp zouden uitmaken van een vergunningsaanvraag, het advies van de POVC of de GOVC vereist is [2 ...]2.
[1 Voor de projecten of veranderingen aan projecten waarvoor de toepassing is vereist van artikel 3, § 3, van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 mei 2000 tot aanwijzing van de handelingen in de zin van artikel 4.1.1, 5°, artikel 4.4.7, § 2, en artikel 4.7.1, § 2, tweede lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en tot regeling van het vooroverleg met de Vlaamse Bouwmeester, kan de bevoegde overheid, op verzoek van de initiatiefnemer, beslissen om een projectvergadering te houden.]1
[1 Voor de projecten of veranderingen aan projecten waarvoor de toepassing is vereist van artikel 3, § 3, van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 mei 2000 tot aanwijzing van de handelingen in de zin van artikel 4.1.1, 5°, artikel 4.4.7, § 2, en artikel 4.7.1, § 2, tweede lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en tot regeling van het vooroverleg met de Vlaamse Bouwmeester, kan de bevoegde overheid, op verzoek van de initiatiefnemer, beslissen om een projectvergadering te houden.]1
Art. 6. Un initiateur peut, tout en conservant la faculté de concertation préalable informelle, demander à l'autorité compétente d'organiser une réunion de projet pour les projets ou modifications de projets requérant l'avis de la POVC ou de la GOVC s'ils devaient faire l'objet d'une demande de permis [2 ...]2.
[1 Pour les projets ou modifications de projets requérant l'application de l'article 3, § 3, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 mai 2000 portant désignation des opérations au sens de l'article 4.1.1, 5°, l'article 4.4.7, § 2, et l'article 4.7.1, § 2, deuxième alinéa, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire et réglant la concertation préalable avec l'Architecte du Gouvernement flamand, l'autorité compétente peut décider, à la demande de l'initiateur, d'organiser une réunion de projet.]1
[1 Pour les projets ou modifications de projets requérant l'application de l'article 3, § 3, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 mai 2000 portant désignation des opérations au sens de l'article 4.1.1, 5°, l'article 4.4.7, § 2, et l'article 4.7.1, § 2, deuxième alinéa, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire et réglant la concertation préalable avec l'Architecte du Gouvernement flamand, l'autorité compétente peut décider, à la demande de l'initiateur, d'organiser une réunion de projet.]1
Art. 7. § 1. Het verzoek om een projectvergadering wordt ingediend met een beveiligde zending bij de overheid die conform artikel 15 van het decreet van 25 april 2014 bevoegd is voor de vergunningsaanvraag.
§ 2. Bij een verzoek om een projectvergadering wordt een projectstudie gevoegd.
De projectstudie omvat ten minste :
1° de naam, de hoedanigheid en het adres van de initiatiefnemer;
2° een omschrijving van het project of de verandering eraan;
3° de ligging en de beschrijving van de gronden waarop het project betrekking heeft;
4° in voorkomend geval en als ze al bekend zijn, de indelingsrubrieken die op de exploitatie van de ingedeelde inrichting [1 of activiteit]1 van toepassing zullen zijn;
5° een omschrijving van de ruimtelijke uitwerking van het project of de verandering eraan;
6° in voorkomend geval een omschrijving van de mogelijke hinder en risico's die de exploitatie van de ingedeelde inrichting [1 of activiteit]1 voor mens en leefmilieu zou kunnen veroorzaken.
§ 3. De initiatiefnemer vermeldt in zijn verzoek de contactgegevens van eventuele derde-belanghebbenden van wie hij het wenselijk acht dat ze voor de projectvergadering worden uitgenodigd.
§ 2. Bij een verzoek om een projectvergadering wordt een projectstudie gevoegd.
De projectstudie omvat ten minste :
1° de naam, de hoedanigheid en het adres van de initiatiefnemer;
2° een omschrijving van het project of de verandering eraan;
3° de ligging en de beschrijving van de gronden waarop het project betrekking heeft;
4° in voorkomend geval en als ze al bekend zijn, de indelingsrubrieken die op de exploitatie van de ingedeelde inrichting [1 of activiteit]1 van toepassing zullen zijn;
5° een omschrijving van de ruimtelijke uitwerking van het project of de verandering eraan;
6° in voorkomend geval een omschrijving van de mogelijke hinder en risico's die de exploitatie van de ingedeelde inrichting [1 of activiteit]1 voor mens en leefmilieu zou kunnen veroorzaken.
§ 3. De initiatiefnemer vermeldt in zijn verzoek de contactgegevens van eventuele derde-belanghebbenden van wie hij het wenselijk acht dat ze voor de projectvergadering worden uitgenodigd.
Art. 7. § 1er. La demande de réunion de projet est introduite par un envoi sécurisé auprès de l'autorité compétente pour la demande de permis conformément à l'article 15 du décret du 25 avril 2014.
§ 2. Une étude de projet est jointe à la demande de réunion de projet.
L'étude de projet comporte au moins :
1° les nom, qualité et adresse de l'initiateur ;
2° une description du projet ou de sa modification ;
3° l'emplacement et la description des terrains sur lesquels porte le projet ;
4° le cas échéant et si elles sont déjà connues, les rubriques de classification qui s'appliqueront à l'exploitation de l'établissement classé [1 ou de l'activité classée]1;
5° une description de l'impact territorial du projet ou de sa modification ;
6° le cas échéant, une description des nuisances et risques potentiels que pourrait occasionner l'exploitation de l'établissement classé [1 ou de l'activité classée]1 pour l'homme et l'environnement.
§ 3. L'initiateur mentionne dans sa demande les données de contact d'éventuels tiers intéressés qu'il estime souhaitable d'inviter à une réunion de projet.
§ 2. Une étude de projet est jointe à la demande de réunion de projet.
L'étude de projet comporte au moins :
1° les nom, qualité et adresse de l'initiateur ;
2° une description du projet ou de sa modification ;
3° l'emplacement et la description des terrains sur lesquels porte le projet ;
4° le cas échéant et si elles sont déjà connues, les rubriques de classification qui s'appliqueront à l'exploitation de l'établissement classé [1 ou de l'activité classée]1;
5° une description de l'impact territorial du projet ou de sa modification ;
6° le cas échéant, une description des nuisances et risques potentiels que pourrait occasionner l'exploitation de l'établissement classé [1 ou de l'activité classée]1 pour l'homme et l'environnement.
§ 3. L'initiateur mentionne dans sa demande les données de contact d'éventuels tiers intéressés qu'il estime souhaitable d'inviter à une réunion de projet.
Art. 8. § 1. Het bevoegde bestuur is belast met de organisatie van een projectvergadering met :
1° de adviesinstanties, vermeld in [1 artikel 35, 37, 38/1 of 38/3]1;
2° het adviserend schepencollege;
3° [3 de afdeling, bevoegd voor veiligheidsrapportage, in geval van een project waarvoor een OVR moet worden opgestel;]3.
[3 4° het VECM in geval van een project of een verandering daaraan als vermeld in bijlage 1 en 2 van het m.e.r.-besluit van 24 oktober 2025"]3
De vergadering wordt gehouden binnen een termijn van zestig dagen na de datum van ontvangst van het verzoek om een projectvergadering.
Het bevoegde bestuur stelt het verzoek en de projectstudie uiterlijk dertig dagen voor de datum van de projectvergadering ter beschikking van de adviesinstanties, het adviserend schepencollege en, in voorkomend geval, [3 de afdeling ,bevoegd voor veiligheidsrapportage of het VECM]3.
§ 2. Op basis van de elementen die zijn opgenomen in de projectstudie, vermeld in artikel 7, § 2, formuleren de adviesinstanties, [2 vermeld in artikel 35, 37, 38/1 of 38/3]2, uiterlijk op het moment van de projectvergadering hun opmerkingen over het geplande project of de verandering eraan, en suggereren ze eventuele projectbijsturingen die ze nodig of nuttig achten.
§ 3. De derde-belanghebbenden die de bevoegde overheid met toepassing van artikel 8, derde lid, van het decreet van 25 april 2014 heeft uitgenodigd, worden gehoord.
§ 4. Van het overleg wordt een ontwerp van verslag opgesteld.
Het bevoegde bestuur stelt het ontwerp van verslag binnen een termijn van dertig dagen na de projectvergadering ter beschikking van :
1° de initiatiefnemer;
2° de adviesinstanties, [2 vermeld in artikel 35, 37, 38/1 of 38/3]2;
3° het adviserend schepencollege;
4° de derde-belanghebbenden die aanwezig waren op de projectvergadering;
5° in voorkomend geval, [3 de afdeling, bevoegd voor veiligheidsrapportage of het VECM]3.
Alleen de personen en instanties die aanwezig waren op de projectvergadering, kunnen binnen een vervaltermijn van veertien dagen na de ontvangst van het ontwerp van verslag opmerkingen op het verslag bezorgen. De opmerkingen worden bij het verslag gevoegd. Het finale verslag wordt ter beschikking gesteld van de voormelde partijen.
1° de adviesinstanties, vermeld in [1 artikel 35, 37, 38/1 of 38/3]1;
2° het adviserend schepencollege;
3° [3 de afdeling, bevoegd voor veiligheidsrapportage, in geval van een project waarvoor een OVR moet worden opgestel;]3.
[3 4° het VECM in geval van een project of een verandering daaraan als vermeld in bijlage 1 en 2 van het m.e.r.-besluit van 24 oktober 2025"]3
De vergadering wordt gehouden binnen een termijn van zestig dagen na de datum van ontvangst van het verzoek om een projectvergadering.
Het bevoegde bestuur stelt het verzoek en de projectstudie uiterlijk dertig dagen voor de datum van de projectvergadering ter beschikking van de adviesinstanties, het adviserend schepencollege en, in voorkomend geval, [3 de afdeling ,bevoegd voor veiligheidsrapportage of het VECM]3.
§ 2. Op basis van de elementen die zijn opgenomen in de projectstudie, vermeld in artikel 7, § 2, formuleren de adviesinstanties, [2 vermeld in artikel 35, 37, 38/1 of 38/3]2, uiterlijk op het moment van de projectvergadering hun opmerkingen over het geplande project of de verandering eraan, en suggereren ze eventuele projectbijsturingen die ze nodig of nuttig achten.
§ 3. De derde-belanghebbenden die de bevoegde overheid met toepassing van artikel 8, derde lid, van het decreet van 25 april 2014 heeft uitgenodigd, worden gehoord.
§ 4. Van het overleg wordt een ontwerp van verslag opgesteld.
Het bevoegde bestuur stelt het ontwerp van verslag binnen een termijn van dertig dagen na de projectvergadering ter beschikking van :
1° de initiatiefnemer;
2° de adviesinstanties, [2 vermeld in artikel 35, 37, 38/1 of 38/3]2;
3° het adviserend schepencollege;
4° de derde-belanghebbenden die aanwezig waren op de projectvergadering;
5° in voorkomend geval, [3 de afdeling, bevoegd voor veiligheidsrapportage of het VECM]3.
Alleen de personen en instanties die aanwezig waren op de projectvergadering, kunnen binnen een vervaltermijn van veertien dagen na de ontvangst van het ontwerp van verslag opmerkingen op het verslag bezorgen. De opmerkingen worden bij het verslag gevoegd. Het finale verslag wordt ter beschikking gesteld van de voormelde partijen.
Art. 8. § 1er. L'administration compétente est chargée de l'organisation d'une réunion de projet avec :
1° les instances d'avis, mentionnées aux [1 articles 35, 37, 38/1 ou 38/3]1 ;
2° le collège consultatif des échevins ;
3° [3 la division compétente pour les rapports de sécurité, dans le cas d'un projet pour lequel un RSE doit être établi]3.
[3 4° le VECM dans le cas d'un projet ou de sa modification, comme mentionné dans les annexes 1re et 2 de l'arrêté R.I.E du 24 octobre 2025 ]3
La réunion se tient dans les soixante jours qui suivent la date de réception de la demande d'une réunion de projet.
Au plus tard trente jours avant la date de la réunion de projet, l'administration compétente met la demande et l'étude de projet à la disposition des instances d'avis, du collège consultatif des échevins et, le cas échéant, de [3 la division compétente pour les rapports de sécurité ou le VECM]3.
§ 2. Sur la base des éléments repris dans l'étude de projet visée à l'article 7, § 2, les instances d'avis [2 mentionnées aux articles 35, 37, 38/1 ou 38/3]2 formulent, au plus tard au moment de la réunion de projet, leurs observations sur le projet planifié ou sa modification et suggèrent les éventuelles adaptations de projet qu'elles jugent nécessaires ou utiles.
§ 3. Les tiers intéressés invités par l'autorité compétente en application de l'article 8, alinéa 3, du décret du 25 avril 2014 sont entendus.
§ 4. Un projet de rapport de la concertation est établi.
Dans les trente jours qui suivent la réunion de projet, l'administration compétente met le projet de rapport à la disposition :
1° de l'initiateur ;
2° des instances d'avis, [2 mentionnées aux articles 35, 37, 38/1 ou 38/3]2 ;
3° du collège consultatif des échevins ;
4° des tiers intéressés qui étaient présents à la réunion de projet ;
5° le cas échéant, de [3 la division compétente pour les rapports de sécurité ou le VECM ]3.
Seules les personnes et les instances qui étaient présentes à la réunion de projet peuvent transmettre des observations sur le rapport dans les quatorze jours qui suivent la réception du projet de rapport. Les observations sont jointes au rapport. Le rapport définitif est mis à la disposition des parties précitées.
1° les instances d'avis, mentionnées aux [1 articles 35, 37, 38/1 ou 38/3]1 ;
2° le collège consultatif des échevins ;
3° [3 la division compétente pour les rapports de sécurité, dans le cas d'un projet pour lequel un RSE doit être établi]3.
[3 4° le VECM dans le cas d'un projet ou de sa modification, comme mentionné dans les annexes 1re et 2 de l'arrêté R.I.E du 24 octobre 2025 ]3
La réunion se tient dans les soixante jours qui suivent la date de réception de la demande d'une réunion de projet.
Au plus tard trente jours avant la date de la réunion de projet, l'administration compétente met la demande et l'étude de projet à la disposition des instances d'avis, du collège consultatif des échevins et, le cas échéant, de [3 la division compétente pour les rapports de sécurité ou le VECM]3.
§ 2. Sur la base des éléments repris dans l'étude de projet visée à l'article 7, § 2, les instances d'avis [2 mentionnées aux articles 35, 37, 38/1 ou 38/3]2 formulent, au plus tard au moment de la réunion de projet, leurs observations sur le projet planifié ou sa modification et suggèrent les éventuelles adaptations de projet qu'elles jugent nécessaires ou utiles.
§ 3. Les tiers intéressés invités par l'autorité compétente en application de l'article 8, alinéa 3, du décret du 25 avril 2014 sont entendus.
§ 4. Un projet de rapport de la concertation est établi.
Dans les trente jours qui suivent la réunion de projet, l'administration compétente met le projet de rapport à la disposition :
1° de l'initiateur ;
2° des instances d'avis, [2 mentionnées aux articles 35, 37, 38/1 ou 38/3]2 ;
3° du collège consultatif des échevins ;
4° des tiers intéressés qui étaient présents à la réunion de projet ;
5° le cas échéant, de [3 la division compétente pour les rapports de sécurité ou le VECM ]3.
Seules les personnes et les instances qui étaient présentes à la réunion de projet peuvent transmettre des observations sur le rapport dans les quatorze jours qui suivent la réception du projet de rapport. Les observations sont jointes au rapport. Le rapport définitif est mis à la disposition des parties précitées.
TITEL 3. - De vergunningverlening
TITRE 3. - L'octroi du permis
Hoofdstuk 1. - De bevoegde overheid
Chapitre 1er. - L'autorité compétente
Art. 9. De aanvraag wordt ingediend bij de overheid die bevoegd is conform artikel 15 van het decreet van 25 april 2014.
Art. 9. La demande est introduite auprès de l'autorité compétente conformément à l'article 15 du décret du 25 avril 2014.
Hoofdstuk 2. - Projecten waarvoor de gewestelijke omgevingsambtenaar bevoegd is om [1 ...]1 een beslissing te nemen
Chapitre 2. - Projets pour lesquels le fonctionnaire environnement régional est compétent pour prendre une décision [1 ...]1
Art. 10. De gewestelijke omgevingsambtenaar is [2 in eerste administratieve aanleg]2 bevoegd om een beslissing te nemen over de volgende vergunningsaanvragen :
1° de vergunningsaanvragen, vermeld in artikel 15 van het decreet van 25 april 2014, waarvoor de Vlaamse Regering in eerste administratieve aanleg bevoegd is, als de aanvragen worden behandeld conform de vereenvoudigde vergunningsprocedure;
2° [1 de vergunningsaanvragen, vermeld in artikel 15 van het decreet van 25 april 2014, waarvoor de Vlaamse Regering in eerste administratieve aanleg bevoegd is, als de aanvragen worden behandeld conform de gewone procedure en het advies van de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie in de desbetreffende aanleg niet hoeft te worden gevraagd.]1
[2 De gewestelijke omgevingsambtenaar is bevoegd om een beslissing te nemen over beroepen tegen beslissingen over vergunningsaanvragen, waarvoor de deputatie in eerste administratieve aanleg bevoegd is, als de aanvragen behandeld zijn conform de vereenvoudigde vergunningsprocedure.]2
[3 In procedures waarvoor de beslissingsbevoegdheid zich op gewestelijk niveau situeert, is de gewestelijke omgevingsambtenaar gemachtigd om:
1° te beslissen over de toepassing van:
a) de administratieve lus, vermeld in artikel 13 van het decreet van 25 april 2014;
b) het toestaan van wijzigingen aan de vergunningsaanvraag, vermeld in artikel 30, 45 en 64 van het decreet van 25 april 2014;
2° het vergunningsbesluit aan te passen conform artikel 79 van het decreet van 25 april 2014.]3
[1 De regeling, vermeld [3 in het eerste, tweede en derde lid]3, houdt niet in dat de Vlaamse Regering de mogelijkheid om beslissingen te nemen, verliest.]1
1° de vergunningsaanvragen, vermeld in artikel 15 van het decreet van 25 april 2014, waarvoor de Vlaamse Regering in eerste administratieve aanleg bevoegd is, als de aanvragen worden behandeld conform de vereenvoudigde vergunningsprocedure;
2° [1 de vergunningsaanvragen, vermeld in artikel 15 van het decreet van 25 april 2014, waarvoor de Vlaamse Regering in eerste administratieve aanleg bevoegd is, als de aanvragen worden behandeld conform de gewone procedure en het advies van de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie in de desbetreffende aanleg niet hoeft te worden gevraagd.]1
[2 De gewestelijke omgevingsambtenaar is bevoegd om een beslissing te nemen over beroepen tegen beslissingen over vergunningsaanvragen, waarvoor de deputatie in eerste administratieve aanleg bevoegd is, als de aanvragen behandeld zijn conform de vereenvoudigde vergunningsprocedure.]2
[3 In procedures waarvoor de beslissingsbevoegdheid zich op gewestelijk niveau situeert, is de gewestelijke omgevingsambtenaar gemachtigd om:
1° te beslissen over de toepassing van:
a) de administratieve lus, vermeld in artikel 13 van het decreet van 25 april 2014;
b) het toestaan van wijzigingen aan de vergunningsaanvraag, vermeld in artikel 30, 45 en 64 van het decreet van 25 april 2014;
2° het vergunningsbesluit aan te passen conform artikel 79 van het decreet van 25 april 2014.]3
[1 De regeling, vermeld [3 in het eerste, tweede en derde lid]3, houdt niet in dat de Vlaamse Regering de mogelijkheid om beslissingen te nemen, verliest.]1
Art. 10. Le fonctionnaire environnement régional est [2 en première instance administrative]2 compétent pour prendre une décision sur les demandes de permis suivantes :
1° les demandes de permis mentionnées à l'article 15 du décret du 25 avril 2014, pour lesquelles le Gouvernement flamand est compétent en première instance administrative lorsque les demandes sont traitées conformément à la procédure d'autorisation simplifiée ;
2° [1 les demandes d'autorisation visées à l'article 15 du décret du 25 avril 2014, pour lesquelles le Gouvernement flamand est compétent en première instance administrative lorsque les demandes sont traitées conformément à la procédure ordinaire et que l'avis de la commission régionale du permis d'environnement ne doit pas être demandé dans l'instance concernée.]1
[2 Le fonctionnaire environnement régional est compétent pour prendre une décision sur les recours contre des décisions sur des demandes d'autorisation, pour lesquels la députation est compétente en première instance administrative, si les demandes sont traitées conformément à la procédure d'autorisation simplifiée.]2
[3 Dans les procédures pour lesquelles le pouvoir décisionnel se situe au niveau régional, le fonctionnaire environnement régional est habilité à :
1° statuer sur :
a) l'application de la boucle administrative visée à l'article 13 du décret du 25 avril 2014 ;
b) l'autorisation de modifications de la demande de permis, visées aux articles 30, 45 et 64 du décret du 25 avril 2014 ;
2° adapter la décision d'autorisation conformément à l'article 79 du décret du 25 avril 2014.]3
[1 Le régime visé [3 aux alinéas 1er, 2 et 3]3 n'implique pas que le Gouvernement flamand perd la faculté de prendre des décisions.]1
1° les demandes de permis mentionnées à l'article 15 du décret du 25 avril 2014, pour lesquelles le Gouvernement flamand est compétent en première instance administrative lorsque les demandes sont traitées conformément à la procédure d'autorisation simplifiée ;
2° [1 les demandes d'autorisation visées à l'article 15 du décret du 25 avril 2014, pour lesquelles le Gouvernement flamand est compétent en première instance administrative lorsque les demandes sont traitées conformément à la procédure ordinaire et que l'avis de la commission régionale du permis d'environnement ne doit pas être demandé dans l'instance concernée.]1
[2 Le fonctionnaire environnement régional est compétent pour prendre une décision sur les recours contre des décisions sur des demandes d'autorisation, pour lesquels la députation est compétente en première instance administrative, si les demandes sont traitées conformément à la procédure d'autorisation simplifiée.]2
[3 Dans les procédures pour lesquelles le pouvoir décisionnel se situe au niveau régional, le fonctionnaire environnement régional est habilité à :
1° statuer sur :
a) l'application de la boucle administrative visée à l'article 13 du décret du 25 avril 2014 ;
b) l'autorisation de modifications de la demande de permis, visées aux articles 30, 45 et 64 du décret du 25 avril 2014 ;
2° adapter la décision d'autorisation conformément à l'article 79 du décret du 25 avril 2014.]3
[1 Le régime visé [3 aux alinéas 1er, 2 et 3]3 n'implique pas que le Gouvernement flamand perd la faculté de prendre des décisions.]1
Hoofdstuk 3. - Toepassingsgebied van de gewone en de vereenvoudigde procedure
Chapitre 3. - Champ d'application de la procédure d'autorisation ordinaire et simplifiée
Art. 11. Conform artikel 17, § 2, van het decreet van 25 april 2014 en met behoud van de toepassing van [3 artikel 17, § 3 en § 4,]3 van het decreet van 25 april 2014 is de vereenvoudigde vergunningsprocedure van toepassing op een vergunningsaanvraag voor :
1° in geval van een project dat uitsluitend betrekking heeft op de vergunningsplichtige exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit :
a) een beperkte verandering van een ingedeelde inrichting of activiteit als vermeld in artikel 12 van dit besluit;
b) een ingedeelde inrichting of activiteit die uitsluitend tijdelijke inrichtingen of activiteiten omvat als vermeld in artikel 5.1.1, 11°, van het DABM, of de veranderingen daaraan;
c) een ingedeelde inrichting of activiteit die vergunningsplichtig is geworden door aanvulling of wijziging van de indelingslijst;
d) een verandering door wijziging of uitbreiding van een vergunningsplichtige ingedeelde inrichting of activiteit waarbij de aangevraagde verandering uitsluitend een indelingsrubriek van de derde klasse omvat;
[1 e) een verandering door uitbreiding van een vergunningsplichtige ingedeelde inrichting of activiteit waarbij de aangevraagde verandering uitsluitend tijdelijke inrichtingen of activiteiten omvat als vermeld in artikel 5.1.1, 11°, van het DABM.]1
2° in geval van een project dat uitsluitend betrekking heeft op vergunningsplichtige stedenbouwkundige handelingen, het verkavelen van gronden of de bijstelling van een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden : de projecten, vermeld in artikel 13 van dit besluit, of veranderingen daaraan;
3° [2 in geval van een project dat uitsluitend betrekking heeft op vergunningsplichtige kleinhandelsactiviteiten met een netto handelsoppervlakte van maximaal 20.000 vierkante meter;]2
[2 4° in geval van een project dat uitsluitend betrekking heeft op vergunningsplichtige wijzigingen van de vegetatie als vermeld in artikel 9bis, § 7, en artikel 13, § 4 en § 5, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
5° in geval van een project dat betrekking heeft op minstens twee van de vergunningsplichten, vermeld in artikel 5, 1°, van het decreet van 25 april 2014 : de projecten, vermeld in artikel 14 van dit besluit, of veranderingen eraan.]2
1° in geval van een project dat uitsluitend betrekking heeft op de vergunningsplichtige exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit :
a) een beperkte verandering van een ingedeelde inrichting of activiteit als vermeld in artikel 12 van dit besluit;
b) een ingedeelde inrichting of activiteit die uitsluitend tijdelijke inrichtingen of activiteiten omvat als vermeld in artikel 5.1.1, 11°, van het DABM, of de veranderingen daaraan;
c) een ingedeelde inrichting of activiteit die vergunningsplichtig is geworden door aanvulling of wijziging van de indelingslijst;
d) een verandering door wijziging of uitbreiding van een vergunningsplichtige ingedeelde inrichting of activiteit waarbij de aangevraagde verandering uitsluitend een indelingsrubriek van de derde klasse omvat;
[1 e) een verandering door uitbreiding van een vergunningsplichtige ingedeelde inrichting of activiteit waarbij de aangevraagde verandering uitsluitend tijdelijke inrichtingen of activiteiten omvat als vermeld in artikel 5.1.1, 11°, van het DABM.]1
2° in geval van een project dat uitsluitend betrekking heeft op vergunningsplichtige stedenbouwkundige handelingen, het verkavelen van gronden of de bijstelling van een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden : de projecten, vermeld in artikel 13 van dit besluit, of veranderingen daaraan;
3° [2 in geval van een project dat uitsluitend betrekking heeft op vergunningsplichtige kleinhandelsactiviteiten met een netto handelsoppervlakte van maximaal 20.000 vierkante meter;]2
[2 4° in geval van een project dat uitsluitend betrekking heeft op vergunningsplichtige wijzigingen van de vegetatie als vermeld in artikel 9bis, § 7, en artikel 13, § 4 en § 5, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
5° in geval van een project dat betrekking heeft op minstens twee van de vergunningsplichten, vermeld in artikel 5, 1°, van het decreet van 25 april 2014 : de projecten, vermeld in artikel 14 van dit besluit, of veranderingen eraan.]2
Art. 11. Conformément à l'article 17, § 2, du décret du 25 avril 2014 et sans préjudice de l'application [3 de l'article 17, §§ 3 et 4,]3 du décret du 25 avril 2014, la procédure d'autorisation simplifiée s'applique à une demande de permis pour :
1° dans le cas d'un projet portant exclusivement sur l'exploitation soumise à autorisation d'un établissement classé ou d'une activité classée :
a) une modification mineure d'un établissement classé ou d'une activité classée telle que visée à l'article 12 du présent arrêté ;
b) un établissement classé ou une activité classée qui comporte exclusivement des établissements ou activités temporaires tels que visés à l'article 5.1.1, 11°, du DABM, ou leurs modifications ;
c) un établissement classé ou une activité classée qui devient soumis(e) à autorisation par ajout ou modification de la liste de classification ;
d) un changement par modification ou extension d'un établissement classé ou d'une activité classée soumis(e) à autorisation où le changement demandé comporte exclusivement une rubrique de classification de troisième classe ;
[1 e) un changement par extension d'un établissement classé ou d'une activité classée soumis(e) à autorisation où le changement demandé comporte exclusivement des établissements ou activités temporaires tels que visés à l'article 5.1.1, 11°, du DABM.]1
2° dans le cas d'un projet portant exclusivement sur des actes urbanistiques soumis à autorisation, le lotissement de terrains ou l'actualisation du permis d'environnement pour le lotissement de terrains : les projets mentionnés à l'article 13 du présent arrêté ou leurs modifications ;
3° [2 dans le cas d'un projet portant exclusivement sur des activités de commerce de détail soumises à autorisation ayant une superficie commerciale nette de 20.000 mètres carrés au maximum ;]2
[2 4° dans le cas d'un projet portant exclusivement sur des modifications de la végétation soumises à autorisation, telles que visées à l'article 9bis, § 7, et l'article 13, §§ 4 et 5, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel ;
5° dans le cas d'un projet portant sur au moins deux des obligations d'autorisation, visées à l'article 5, 1°, du décret du 25 avril 2014 : les projets, visés à l'article 14 du présent arrêté, ou ses modifications.]2
1° dans le cas d'un projet portant exclusivement sur l'exploitation soumise à autorisation d'un établissement classé ou d'une activité classée :
a) une modification mineure d'un établissement classé ou d'une activité classée telle que visée à l'article 12 du présent arrêté ;
b) un établissement classé ou une activité classée qui comporte exclusivement des établissements ou activités temporaires tels que visés à l'article 5.1.1, 11°, du DABM, ou leurs modifications ;
c) un établissement classé ou une activité classée qui devient soumis(e) à autorisation par ajout ou modification de la liste de classification ;
d) un changement par modification ou extension d'un établissement classé ou d'une activité classée soumis(e) à autorisation où le changement demandé comporte exclusivement une rubrique de classification de troisième classe ;
[1 e) un changement par extension d'un établissement classé ou d'une activité classée soumis(e) à autorisation où le changement demandé comporte exclusivement des établissements ou activités temporaires tels que visés à l'article 5.1.1, 11°, du DABM.]1
2° dans le cas d'un projet portant exclusivement sur des actes urbanistiques soumis à autorisation, le lotissement de terrains ou l'actualisation du permis d'environnement pour le lotissement de terrains : les projets mentionnés à l'article 13 du présent arrêté ou leurs modifications ;
3° [2 dans le cas d'un projet portant exclusivement sur des activités de commerce de détail soumises à autorisation ayant une superficie commerciale nette de 20.000 mètres carrés au maximum ;]2
[2 4° dans le cas d'un projet portant exclusivement sur des modifications de la végétation soumises à autorisation, telles que visées à l'article 9bis, § 7, et l'article 13, §§ 4 et 5, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel ;
5° dans le cas d'un projet portant sur au moins deux des obligations d'autorisation, visées à l'article 5, 1°, du décret du 25 avril 2014 : les projets, visés à l'article 14 du présent arrêté, ou ses modifications.]2
Art. 12. De verandering van een vergund project die betrekking heeft op de vergunningsplichtige exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit, wordt als een beperkte verandering beschouwd als de verandering geen betekenisvol bijkomend risico inhoudt voor de mens of het milieu en de hinder niet significant vergroot.
De volgende veranderingen van de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit worden in elk geval geacht een betekenisvol bijkomend risico voor de mens of het milieu in te houden of de hinder significant te vergroten :
1° de verandering door wijziging en uitbreiding, waarbij de aangevraagde verandering een nieuwe indelingsrubriek met een inrichting of activiteit van de eerste of de tweede klasse omvat;
2° de verandering door toevoeging, vermeld in artikel 5.1.1, 12°, c), van het DABM;
3° de verandering die [1 een uitbreiding van een of meer vergunde inrichtingen of activiteiten]1 met meer dan 50% inhoudt. De procentuele stijging van 50% wordt bepaald ten opzichte van de ingedeelde inrichting of activiteit die is vergund na het doorlopen van een procedure met een openbaar onderzoek;
4° de verandering van een GPBV-installatie die significante negatieve effecten heeft voor de mens of het milieu en de verandering van een GPBV-installatie die op zich voldoet aan de drempelwaarden van een indelingsrubriek die is aangeduid met de letter X in de vierde kolom van de indelingslijst.
De volgende veranderingen van de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit worden in elk geval geacht een betekenisvol bijkomend risico voor de mens of het milieu in te houden of de hinder significant te vergroten :
1° de verandering door wijziging en uitbreiding, waarbij de aangevraagde verandering een nieuwe indelingsrubriek met een inrichting of activiteit van de eerste of de tweede klasse omvat;
2° de verandering door toevoeging, vermeld in artikel 5.1.1, 12°, c), van het DABM;
3° de verandering die [1 een uitbreiding van een of meer vergunde inrichtingen of activiteiten]1 met meer dan 50% inhoudt. De procentuele stijging van 50% wordt bepaald ten opzichte van de ingedeelde inrichting of activiteit die is vergund na het doorlopen van een procedure met een openbaar onderzoek;
4° de verandering van een GPBV-installatie die significante negatieve effecten heeft voor de mens of het milieu en de verandering van een GPBV-installatie die op zich voldoet aan de drempelwaarden van een indelingsrubriek die is aangeduid met de letter X in de vierde kolom van de indelingslijst.
Art. 12. La modification d'un projet autorisé portant sur l'exploitation soumise à autorisation d'un établissement classé ou d'une d'activité classée est considérée comme une modification mineure si elle ne comporte pas de risque supplémentaire significatif pour l'homme ou pour l'environnement et n'aggrave pas substantiellement les nuisances.
Les modifications suivantes de l'exploitation d'un établissement classé ou d'une d'activité classée sont en tout état de cause réputées comporter un risque supplémentaire significatif pour l'homme ou pour l'environnement ou aggraver substantiellement les nuisances :
1° le changement par modification ou extension, où le changement demandé comporte une nouvelle rubrique de classification avec un établissement ou une activité de première ou de deuxième classe ;
2° la modification par ajout, mentionné à l'article 5.1.1, 12°, c), du DABM ;
3° la modification qui comporte [1 une extension de plus de 50 % d'un ou de plusieurs établissements ou activités autorisés]1. L'augmentation de 50 % est déterminée à l'égard de l'établissement classé ou de l'activité classée qui été autorisé(e) après avoir parcouru une procédure avec enquête publique ;
4° la modification d'une installation IPPC qui a des incidences négatives significatives sur l'homme ou l'environnement et la modification d'une installation IPPC qui répond en soi aux valeurs limites d'une rubrique de classification qui est désignée par la lettre X dans la quatrième colonne de la liste de classification.
Les modifications suivantes de l'exploitation d'un établissement classé ou d'une d'activité classée sont en tout état de cause réputées comporter un risque supplémentaire significatif pour l'homme ou pour l'environnement ou aggraver substantiellement les nuisances :
1° le changement par modification ou extension, où le changement demandé comporte une nouvelle rubrique de classification avec un établissement ou une activité de première ou de deuxième classe ;
2° la modification par ajout, mentionné à l'article 5.1.1, 12°, c), du DABM ;
3° la modification qui comporte [1 une extension de plus de 50 % d'un ou de plusieurs établissements ou activités autorisés]1. L'augmentation de 50 % est déterminée à l'égard de l'établissement classé ou de l'activité classée qui été autorisé(e) après avoir parcouru une procédure avec enquête publique ;
4° la modification d'une installation IPPC qui a des incidences négatives significatives sur l'homme ou l'environnement et la modification d'une installation IPPC qui répond en soi aux valeurs limites d'une rubrique de classification qui est désignée par la lettre X dans la quatrième colonne de la liste de classification.
Art. 13. De vereenvoudigde vergunningsprocedure is van toepassing op :
1° aanvragen voor projecten die stedenbouwkundige handelingen omvatten, de vergunningsaanvragen voor projecten of voor veranderingen daaraan, waarbij de aangevraagde stedenbouwkundige handelingen voldoen aan een van de volgende voorwaarden :
a) de handelingen worden uitgevoerd in een gebied waarvoor een gemeentelijk of provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan, een bijzonder plan van aanleg of een niet-vervallen verkaveling bestaat, en het aangevraagde is in overeenstemming met de bepalingen van het gemeentelijk of provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan, het bijzonder plan van aanleg of de niet-vervallen verkaveling;
b) de handelingen hebben geen betrekking op :
1) i) het oprichten van gebouwen of constructies met een hoogte van meer dan twintig meter;
ii) het verbouwen van lagere gebouwen of constructies waardoor die een hoogte van meer dan twintig meter bereiken;
iii) het verhogen van gebouwen of constructies die hoger zijn dan twintig meter met meer dan vijf meter;
2) het oprichten of wijzigen van infrastructuurwerken met een lengte van meer dan 500 meter;
3) uitgevoerd buiten industriegebied in de ruime zin :
i) het oprichten van gebouwen of constructies met een bruto grondoppervlakte van meer dan 500 vierkante meter;
ii) het verbouwen van kleinere gebouwen en constructies waardoor die dezelfde oppervlakte bereiken;
iii) het uitbreiden van gebouwen of constructies met meer dan 500 vierkante meter;
4) uitgevoerd buiten een industriegebied in de ruime zin :
i) het oprichten van gebouwen of constructies met een brutovolume van meer dan 3000 kubieke meter;
ii) het verbouwen van kleinere gebouwen of constructies waardoor die een brutovolume van meer dan 3000 kubieke meter bereiken;
iii) het uitbreiden van gebouwen of constructies met meer dan 3000 kubieke meter;
5) uitgevoerd buiten een industriegebied in de ruime zin en telkens met een grondoppervlakte van meer dan 1000 vierkante meter :
i) het ontbossen;
ii) het aanmerkelijk wijzigen van het reliëf van de bodem;
iii) het gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten van een grond;
iv) het aanleggen of wijzigen van recreatieve terreinen;
6) het geheel of gedeeltelijk wijzigen van de hoofdfunctie van een bebouwd onroerend goed met het oog op een nieuwe functie, met een bruto grondoppervlakte van meer dan 500 vierkante meter;
7) [3 aanvragen die afwijken van verkavelingsvoorschriften;]3
8) [1 ...]1
9) aanvragen waarvoor de toepassing is vereist van artikel 4.4.1, 4.4.3, 4.4.6, [3 4.4.7, 4.4.9/1, 4.4.16]3 tot en met 4.4.23 en 4.4.26, § 2, van de VCRO;
2° aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden of voor de bijstelling van een dergelijke omgevingsvergunning als aan al de volgende voorwaarden is voldaan :
a) de kavels waarop de aanvraag betrekking heeft, liggen in een gebied waarvoor een goedgekeurd provinciaal of gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan of een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg geldt;
b) de aanvraag is in overeenstemming met het voor de kavels geldende plan, vermeld in punt a);
c) het voor de kavels geldende plan, vermeld in punt a), bevat zowel bestemmingsvoorschriften als voorschriften voor de inplanting, de grootte en het uiterlijk van de constructies;
3° aanvragen van de militaire overheid tot oprichting van militaire installaties en gebouwen in gebieden die op de plannen van aanleg of op de ruimtelijke uitvoeringsplannen aangegeven zijn als militair domein als ze voorkomen op een lijst die gevoegd is bij een protocol, gesloten tussen de minister van Landsverdediging en de Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, dat in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.
[4 ...]4
In het eerste lid wordt verstaan onder industriegebied in de ruime zin : elk gebied dat hoofdzakelijk bestemd is voor industrie en bedrijvigheid, zoals gebied voor vervuilende industrie, gebied voor milieubelastende industrie, gebied voor ambachtelijke bedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen, regionaal bedrijventerrein of lokaal bedrijventerrein.
1° aanvragen voor projecten die stedenbouwkundige handelingen omvatten, de vergunningsaanvragen voor projecten of voor veranderingen daaraan, waarbij de aangevraagde stedenbouwkundige handelingen voldoen aan een van de volgende voorwaarden :
a) de handelingen worden uitgevoerd in een gebied waarvoor een gemeentelijk of provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan, een bijzonder plan van aanleg of een niet-vervallen verkaveling bestaat, en het aangevraagde is in overeenstemming met de bepalingen van het gemeentelijk of provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan, het bijzonder plan van aanleg of de niet-vervallen verkaveling;
b) de handelingen hebben geen betrekking op :
1) i) het oprichten van gebouwen of constructies met een hoogte van meer dan twintig meter;
ii) het verbouwen van lagere gebouwen of constructies waardoor die een hoogte van meer dan twintig meter bereiken;
iii) het verhogen van gebouwen of constructies die hoger zijn dan twintig meter met meer dan vijf meter;
2) het oprichten of wijzigen van infrastructuurwerken met een lengte van meer dan 500 meter;
3) uitgevoerd buiten industriegebied in de ruime zin :
i) het oprichten van gebouwen of constructies met een bruto grondoppervlakte van meer dan 500 vierkante meter;
ii) het verbouwen van kleinere gebouwen en constructies waardoor die dezelfde oppervlakte bereiken;
iii) het uitbreiden van gebouwen of constructies met meer dan 500 vierkante meter;
4) uitgevoerd buiten een industriegebied in de ruime zin :
i) het oprichten van gebouwen of constructies met een brutovolume van meer dan 3000 kubieke meter;
ii) het verbouwen van kleinere gebouwen of constructies waardoor die een brutovolume van meer dan 3000 kubieke meter bereiken;
iii) het uitbreiden van gebouwen of constructies met meer dan 3000 kubieke meter;
5) uitgevoerd buiten een industriegebied in de ruime zin en telkens met een grondoppervlakte van meer dan 1000 vierkante meter :
i) het ontbossen;
ii) het aanmerkelijk wijzigen van het reliëf van de bodem;
iii) het gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten van een grond;
iv) het aanleggen of wijzigen van recreatieve terreinen;
6) het geheel of gedeeltelijk wijzigen van de hoofdfunctie van een bebouwd onroerend goed met het oog op een nieuwe functie, met een bruto grondoppervlakte van meer dan 500 vierkante meter;
7) [3 aanvragen die afwijken van verkavelingsvoorschriften;]3
8) [1 ...]1
9) aanvragen waarvoor de toepassing is vereist van artikel 4.4.1, 4.4.3, 4.4.6, [3 4.4.7, 4.4.9/1, 4.4.16]3 tot en met 4.4.23 en 4.4.26, § 2, van de VCRO;
2° aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden of voor de bijstelling van een dergelijke omgevingsvergunning als aan al de volgende voorwaarden is voldaan :
a) de kavels waarop de aanvraag betrekking heeft, liggen in een gebied waarvoor een goedgekeurd provinciaal of gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan of een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg geldt;
b) de aanvraag is in overeenstemming met het voor de kavels geldende plan, vermeld in punt a);
c) het voor de kavels geldende plan, vermeld in punt a), bevat zowel bestemmingsvoorschriften als voorschriften voor de inplanting, de grootte en het uiterlijk van de constructies;
3° aanvragen van de militaire overheid tot oprichting van militaire installaties en gebouwen in gebieden die op de plannen van aanleg of op de ruimtelijke uitvoeringsplannen aangegeven zijn als militair domein als ze voorkomen op een lijst die gevoegd is bij een protocol, gesloten tussen de minister van Landsverdediging en de Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, dat in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.
[4 ...]4
In het eerste lid wordt verstaan onder industriegebied in de ruime zin : elk gebied dat hoofdzakelijk bestemd is voor industrie en bedrijvigheid, zoals gebied voor vervuilende industrie, gebied voor milieubelastende industrie, gebied voor ambachtelijke bedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen, regionaal bedrijventerrein of lokaal bedrijventerrein.
Art. 13. La procédure d'autorisation simplifiée s'applique aux :
1° demandes pour des projets qui comportent des actes urbanistiques, aux demandes de permis pour des projets ou leurs modifications, où les actes urbanistiques demandés répondent à l'une des conditions suivantes :
a) les actes sont exécutés dans une zone pour laquelle il existe un plan d'exécution spatial communal ou provincial, un plan particulier d'aménagement ou un lotissement non échu, et la demande est conforme aux dispositions du plan d'exécution spatial communal ou provincial, du plan particulier d'aménagement ou du lotissement non échu ;
b) les actes portent sur :
1) i) l'érection de bâtiments ou de constructions d'une hauteur excédant vingt mètres ;
ii) la transformation de bâtiments ou de constructions de sorte qu'ils atteignent une hauteur excédant vingt mètres ;
iii) le surhaussement de plus de cinq mètres de bâtiments ou de constructions d'une hauteur excédant vingt mètres ;
2) l'érection ou la modification d'infrastructures d'une longueur excédant 500 mètres ;
3) exécutés en dehors d'une zone industrielle au sens large :
i) l'érection de bâtiments ou de constructions d'une superficie brute au sol excédant 500 mètres carrés ;
ii) la transformation de bâtiments et constructions plus petits de sorte qu'ils atteignent la même superficie ;
iii) l'extension de bâtiments ou de constructions de plus de 500 mètres carrés ;
4) exécutés en dehors d'une zone industrielle au sens large :
i) l'érection de bâtiments ou de constructions d'un volume brut excédant 3000 mètres cubes ;
ii) la transformation de bâtiments ou de constructions plus petits de sorte qu'ils atteignent un volume brut excédant 3000 mètres cubes ;
iii) l'extension de bâtiments ou de constructions de plus de 3000 mètres cubes ;
5) exécutés en dehors d'une zone industrielle au sens large et chaque fois d'une superficie au sol excédant 1000 mètres carrés :
i) le déboisement ;
ii) la modification significative du relief du sol ;
iii) l'utilisation, l'aménagement ou l'équipement de façon générale d'un terrain ;
iv) l'aménagement ou la modification de terrains récréatifs ;
6) la modification entière ou partielle de la fonction principale d'un bien immobilier bâti en vue d'une nouvelle fonction, d'une superficie brute au sol excédant 500 mètres carrés ;
7) [3 des demandes dérogeant aux prescriptions de lotissement ;]3
8) [1 ...]1
9) des demandes pour lesquelles l'application des articles 4.4.1, 4.4.3, 4.4.6, [3 4.4.7, 4.4.9/1, 4.4.16]3 à 4.4.23 et 4.4.26, § 2, du VCRO est requise ;
2° demandes de permis d'environnement pour le lotissement de terrains ou pour l'actualisation d'un tel permis d'environnement lorsque toutes les conditions suivantes sont remplies :
a) les lots concernés par la demande se situent dans une zone à laquelle s'applique un plan d'exécution spatial provincial ou communal approuvé ou un plan particulier d'aménagement approuvé ;
b) la demande est conforme au plan applicable aux lots, visé au point a) ;
c) le plan applicable aux lots, visé au point a), contient aussi bien des prescriptions d'affectation que des prescriptions relatives à l'implantation, aux dimensions et à l'aspect des constructions ;
3° demandes des autorités militaires en vue de la réalisation d'installations et de bâtiments militaires dans des zones désignées sur les plans d'aménagement ou sur les plans d'exécution spatiaux comme domaine militaire, lorsqu'ils figurent sur une liste jointe à un protocole, conclu entre le ministre de la Défense nationale et le ministre flamand qui a l'aménagement du territoire dans ses attributions, et publié au Moniteur belge.
[4 ...]4
A l'alinéa 1er, on entend par zone industrielle au sens large : toute zone principalement destinée à l'industrie et à l'activité, telle qu'une zone pour les industries polluantes, une zone pour les industries préjudiciables à l'environnement, une zone pour les entreprises artisanales et les petites et moyennes entreprises, un terrain d'entreprises régional ou local.
1° demandes pour des projets qui comportent des actes urbanistiques, aux demandes de permis pour des projets ou leurs modifications, où les actes urbanistiques demandés répondent à l'une des conditions suivantes :
a) les actes sont exécutés dans une zone pour laquelle il existe un plan d'exécution spatial communal ou provincial, un plan particulier d'aménagement ou un lotissement non échu, et la demande est conforme aux dispositions du plan d'exécution spatial communal ou provincial, du plan particulier d'aménagement ou du lotissement non échu ;
b) les actes portent sur :
1) i) l'érection de bâtiments ou de constructions d'une hauteur excédant vingt mètres ;
ii) la transformation de bâtiments ou de constructions de sorte qu'ils atteignent une hauteur excédant vingt mètres ;
iii) le surhaussement de plus de cinq mètres de bâtiments ou de constructions d'une hauteur excédant vingt mètres ;
2) l'érection ou la modification d'infrastructures d'une longueur excédant 500 mètres ;
3) exécutés en dehors d'une zone industrielle au sens large :
i) l'érection de bâtiments ou de constructions d'une superficie brute au sol excédant 500 mètres carrés ;
ii) la transformation de bâtiments et constructions plus petits de sorte qu'ils atteignent la même superficie ;
iii) l'extension de bâtiments ou de constructions de plus de 500 mètres carrés ;
4) exécutés en dehors d'une zone industrielle au sens large :
i) l'érection de bâtiments ou de constructions d'un volume brut excédant 3000 mètres cubes ;
ii) la transformation de bâtiments ou de constructions plus petits de sorte qu'ils atteignent un volume brut excédant 3000 mètres cubes ;
iii) l'extension de bâtiments ou de constructions de plus de 3000 mètres cubes ;
5) exécutés en dehors d'une zone industrielle au sens large et chaque fois d'une superficie au sol excédant 1000 mètres carrés :
i) le déboisement ;
ii) la modification significative du relief du sol ;
iii) l'utilisation, l'aménagement ou l'équipement de façon générale d'un terrain ;
iv) l'aménagement ou la modification de terrains récréatifs ;
6) la modification entière ou partielle de la fonction principale d'un bien immobilier bâti en vue d'une nouvelle fonction, d'une superficie brute au sol excédant 500 mètres carrés ;
7) [3 des demandes dérogeant aux prescriptions de lotissement ;]3
8) [1 ...]1
9) des demandes pour lesquelles l'application des articles 4.4.1, 4.4.3, 4.4.6, [3 4.4.7, 4.4.9/1, 4.4.16]3 à 4.4.23 et 4.4.26, § 2, du VCRO est requise ;
2° demandes de permis d'environnement pour le lotissement de terrains ou pour l'actualisation d'un tel permis d'environnement lorsque toutes les conditions suivantes sont remplies :
a) les lots concernés par la demande se situent dans une zone à laquelle s'applique un plan d'exécution spatial provincial ou communal approuvé ou un plan particulier d'aménagement approuvé ;
b) la demande est conforme au plan applicable aux lots, visé au point a) ;
c) le plan applicable aux lots, visé au point a), contient aussi bien des prescriptions d'affectation que des prescriptions relatives à l'implantation, aux dimensions et à l'aspect des constructions ;
3° demandes des autorités militaires en vue de la réalisation d'installations et de bâtiments militaires dans des zones désignées sur les plans d'aménagement ou sur les plans d'exécution spatiaux comme domaine militaire, lorsqu'ils figurent sur une liste jointe à un protocole, conclu entre le ministre de la Défense nationale et le ministre flamand qui a l'aménagement du territoire dans ses attributions, et publié au Moniteur belge.
[4 ...]4
A l'alinéa 1er, on entend par zone industrielle au sens large : toute zone principalement destinée à l'industrie et à l'activité, telle qu'une zone pour les industries polluantes, une zone pour les industries préjudiciables à l'environnement, une zone pour les entreprises artisanales et les petites et moyennes entreprises, un terrain d'entreprises régional ou local.
Art. 14. Voor vergunningsaanvragen voor projecten of voor veranderingen aan projecten die [1 minstens twee van de vergunningsplichten, vermeld in artikel 5, 1°, van het decreet van 25 april 2014,]1 omvatten, is de vereenvoudigde vergunningsprocedure van toepassing als voldaan is aan al de volgende voorwaarden :
1° de vergunningsplichtige exploitatie valt onder de toepassing van artikel 11, 1°, a), b) en d);
2° de stedenbouwkundige handelingen vallen onder de toepassing van artikel 13;
[1 3° de kleinhandelsactiviteiten vallen onder de toepassing van artikel 11, 3° ;
4° de vegetatiewijzigingen vallen onder de toepassing van artikel 11, 4°.]1
1° de vergunningsplichtige exploitatie valt onder de toepassing van artikel 11, 1°, a), b) en d);
2° de stedenbouwkundige handelingen vallen onder de toepassing van artikel 13;
[1 3° de kleinhandelsactiviteiten vallen onder de toepassing van artikel 11, 3° ;
4° de vegetatiewijzigingen vallen onder de toepassing van artikel 11, 4°.]1
Art. 14. Pour les demandes de permis pour des projets ou pour des modifications de projets qui comportent [1 au moins deux des obligations d'autorisation, visées à l'article 5, 1°, du décret du 25 avril 2014,]1, la procédure d'autorisation simplifiée s'applique lorsque toutes les conditions suivantes sont remplies :
1° l'exploitation soumise à autorisation tombe sous le coup de l'article 11, 1°, a), b) et d) ;
2° les actes urbanistiques tombent sous le coup de l'article 13;
[1 3° les activités de commerce de détail relèvent de l'application de l'article 11, 3° ;
4° les modifications de la végétation relèvent de l'application de l'article 11, 4°.]1
1° l'exploitation soumise à autorisation tombe sous le coup de l'article 11, 1°, a), b) et d) ;
2° les actes urbanistiques tombent sous le coup de l'article 13;
[1 3° les activités de commerce de détail relèvent de l'application de l'article 11, 3° ;
4° les modifications de la végétation relèvent de l'application de l'article 11, 4°.]1
Hoofdstuk 4. - De samenstelling van een aanvraag
Chapitre 4. - La composition d'une demande
Art. 15. § 1. De vergunningsaanvraag voor projecten of voor veranderingen aan projecten die [2 vergunningsplichtige stedenbouwkundige handelingen, de vergunningsplichtige exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten, vergunningsplichtige kleinhandelsactiviteiten of vergunningsplichtige vegetatiewijzigingen]2 omvatten wordt met een beveiligde zending ingediend bij de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 van het decreet van 25 april 2014.
De vergunningsaanvrager gebruikt hiertoe;
1° het formulier, opgenomen in bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd;
2° de in het formulier aangewezen addenda uit de addenda-bibliotheek die is opgenomen in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd.
De vergunningsaanvraag omvat de gegevens die in het formulier en de desbetreffende addenda voorgeschreven zijn als verplicht in te vullen of bij te voegen.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, zijn gemachtigd gezamenlijk het formulier en de addenda-bibliotheek, vermeld in het tweede lid, en de dossiersamenstelling te wijzigen, waarbij minstens de volgende gegevens worden gevraagd :
1° het voorwerp van de vergunningsaanvraag;
2° de identificatiegegevens van de plaats waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag uitgevoerd zal worden;
3° plannen;
4° de relevante potentiële effecten op mens en milieu;
5° in voorkomend geval, gegevens omtrent de milieueffectrapportage of de omgevingsveiligheidsrapportage;
6° in voorkomend geval, gegevens omtrent de passende beoordeling;
7° de identificatiegegevens van de vergunningsaanvrager of de exploitant;
8° de identificatiegegevens van de architect als diens medewerking vereist is.
§ 2. De vergunningsaanvraag voor projecten die strekken tot het verkavelen van gronden, wordt met een beveiligde zending ingediend bij de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 van het decreet van 25 april 2014.
De vergunningsaanvrager gebruikt hiertoe :
1° het formulier, opgenomen in bijlage 3, die bij dit besluit is gevoegd;
2° de in het formulier aangewezen addenda uit de addenda-bibliotheek die is opgenomen in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd.
De vergunningsaanvraag omvat de gegevens die in het formulier en de desbetreffende addenda voorgeschreven zijn als verplicht in te vullen of bij te voegen.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, zijn gemachtigd gezamenlijk het formulier en de addenda-bibliotheek, vermeld in het tweede lid, en de dossiersamenstelling te wijzigen, waarbij minstens de volgende gegevens worden gevraagd :
1° het voorwerp van de vergunningsaanvraag;
2° de identificatiegegevens van de plaats waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag uitgevoerd zal worden;
3° plannen;
4° de relevante potentiële effecten op mens en milieu;
5° in voorkomend geval, gegevens omtrent de milieueffectrapportage of de omgevingsveiligheidsrapportage;
6° in voorkomend geval, gegevens omtrent de passende beoordeling;
7° de identificatiegegevens van de vergunningsaanvrager.
[1 § 3. [3 Het bevoegde bestuur verzoekt, als dat nodig is, de vergunningsaanvrager om aanvullende informatie, conform bijlage II van het DABM, die rechtstreeks ter zake doet om te komen tot de gemotiveerde conclusie over de aanzienlijke milieueffecten van het project]3.]1
De vergunningsaanvrager gebruikt hiertoe;
1° het formulier, opgenomen in bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd;
2° de in het formulier aangewezen addenda uit de addenda-bibliotheek die is opgenomen in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd.
De vergunningsaanvraag omvat de gegevens die in het formulier en de desbetreffende addenda voorgeschreven zijn als verplicht in te vullen of bij te voegen.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, zijn gemachtigd gezamenlijk het formulier en de addenda-bibliotheek, vermeld in het tweede lid, en de dossiersamenstelling te wijzigen, waarbij minstens de volgende gegevens worden gevraagd :
1° het voorwerp van de vergunningsaanvraag;
2° de identificatiegegevens van de plaats waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag uitgevoerd zal worden;
3° plannen;
4° de relevante potentiële effecten op mens en milieu;
5° in voorkomend geval, gegevens omtrent de milieueffectrapportage of de omgevingsveiligheidsrapportage;
6° in voorkomend geval, gegevens omtrent de passende beoordeling;
7° de identificatiegegevens van de vergunningsaanvrager of de exploitant;
8° de identificatiegegevens van de architect als diens medewerking vereist is.
§ 2. De vergunningsaanvraag voor projecten die strekken tot het verkavelen van gronden, wordt met een beveiligde zending ingediend bij de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 van het decreet van 25 april 2014.
De vergunningsaanvrager gebruikt hiertoe :
1° het formulier, opgenomen in bijlage 3, die bij dit besluit is gevoegd;
2° de in het formulier aangewezen addenda uit de addenda-bibliotheek die is opgenomen in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd.
De vergunningsaanvraag omvat de gegevens die in het formulier en de desbetreffende addenda voorgeschreven zijn als verplicht in te vullen of bij te voegen.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, zijn gemachtigd gezamenlijk het formulier en de addenda-bibliotheek, vermeld in het tweede lid, en de dossiersamenstelling te wijzigen, waarbij minstens de volgende gegevens worden gevraagd :
1° het voorwerp van de vergunningsaanvraag;
2° de identificatiegegevens van de plaats waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag uitgevoerd zal worden;
3° plannen;
4° de relevante potentiële effecten op mens en milieu;
5° in voorkomend geval, gegevens omtrent de milieueffectrapportage of de omgevingsveiligheidsrapportage;
6° in voorkomend geval, gegevens omtrent de passende beoordeling;
7° de identificatiegegevens van de vergunningsaanvrager.
[1 § 3. [3 Het bevoegde bestuur verzoekt, als dat nodig is, de vergunningsaanvrager om aanvullende informatie, conform bijlage II van het DABM, die rechtstreeks ter zake doet om te komen tot de gemotiveerde conclusie over de aanzienlijke milieueffecten van het project]3.]1
Art. 15. § 1er. La demande de permis pour des projets ou pour des modifications de projets qui comportent [2 des actes urbanistiques soumis à autorisation, l'exploitation soumise à autorisation d'établissements ou d'activités classés, des activités de commerce de détail soumises à autorisation ou des modifications de la végétation soumises à autorisation]2 est introduite par un envoi sécurisé auprès de l'autorité compétente mentionnée à l'article 15 du décret du 25 avril 2014.
A cet effet, le demandeur du permis utilise :
1° le formulaire repris à l'annexe 1 jointe au présent arrêté ;
2° les avenants, indiqués sur le formulaire, issus de la bibliothèque d'avenants reprise à l'annexe 2 jointe au présent arrêté.
La demande de permis comprend les données prescrites comme devant être obligatoirement remplies ou jointes sur le formulaire et dans les avenants concernés.
Le ministre flamand qui a l'aménagement du territoire dans ses attributions et le ministre flamand qui a l'environnement dans ses attributions sont autorisés à modifier conjointement le formulaire et la bibliothèque d'avenants, visés à l'alinéa 2, ainsi que la composition du dossier, les données minimales demandées étant les suivantes :
1° l'objet de la demande de permis ;
2° les données d'identification du lieu où sera exécuté l'objet de la demande de permis ;
3° des plans ;
4° les incidences potentielles pertinentes sur l'homme et l'environnement ;
5° le cas échéant, des données concernant l'évaluation des incidences sur l'environnement ou le rapport de sécurité environnementale ;
6° le cas échéant, des données concernant l'évaluation appropriée ;
7° les données d'identification du demandeur du permis ou de l'exploitant ;
8° les données d'identification de l'architecte si son concours est requis.
§ 2. La demande de permis pour des projets tendant au lotissement de terrains est introduite par un envoi sécurisé auprès de l'autorité compétente mentionnée à l'article 15 du décret du 25 avril 2014.
A cet effet, le demandeur du permis utilise :
1° le formulaire repris à l'annexe 3 jointe au présent arrêté ;
2° les avenants, indiqués sur le formulaire, issus de la bibliothèque d'avenants reprise à l'annexe 2 jointe au présent arrêté.
La demande de permis comprend les données prescrites comme devant être obligatoirement remplies ou jointes sur le formulaire et dans les avenants concernés.
Le ministre flamand qui a l'aménagement du territoire dans ses attributions et le ministre flamand qui a l'environnement dans ses attributions sont autorisés à modifier conjointement le formulaire et la bibliothèque d'avenants, visés à l'alinéa 2, ainsi que la composition du dossier, les données minimales demandées étant les suivantes :
1° l'objet de la demande de permis ;
2° les données d'identification du lieu où sera exécuté l'objet de la demande de permis ;
3° des plans ;
4° les incidences potentielles pertinentes sur l'homme et l'environnement ;
5° le cas échéant, des données concernant l'évaluation des incidences sur l'environnement ou le rapport de sécurité environnementale ;
6° le cas échéant, des données concernant l'évaluation appropriée ;
7° les données d'identification du demandeur du permis.
[1 § 3. [3 § 3. Si nécessaire, l'administration compétente demande au demandeur d'autorisation des informations complémentaires, conformément à l'annexe II du DABM, qui sont directement utiles à l'élaboration de la conclusion motivée sur les incidences notables du projet sur l'environnement.]3.]1
A cet effet, le demandeur du permis utilise :
1° le formulaire repris à l'annexe 1 jointe au présent arrêté ;
2° les avenants, indiqués sur le formulaire, issus de la bibliothèque d'avenants reprise à l'annexe 2 jointe au présent arrêté.
La demande de permis comprend les données prescrites comme devant être obligatoirement remplies ou jointes sur le formulaire et dans les avenants concernés.
Le ministre flamand qui a l'aménagement du territoire dans ses attributions et le ministre flamand qui a l'environnement dans ses attributions sont autorisés à modifier conjointement le formulaire et la bibliothèque d'avenants, visés à l'alinéa 2, ainsi que la composition du dossier, les données minimales demandées étant les suivantes :
1° l'objet de la demande de permis ;
2° les données d'identification du lieu où sera exécuté l'objet de la demande de permis ;
3° des plans ;
4° les incidences potentielles pertinentes sur l'homme et l'environnement ;
5° le cas échéant, des données concernant l'évaluation des incidences sur l'environnement ou le rapport de sécurité environnementale ;
6° le cas échéant, des données concernant l'évaluation appropriée ;
7° les données d'identification du demandeur du permis ou de l'exploitant ;
8° les données d'identification de l'architecte si son concours est requis.
§ 2. La demande de permis pour des projets tendant au lotissement de terrains est introduite par un envoi sécurisé auprès de l'autorité compétente mentionnée à l'article 15 du décret du 25 avril 2014.
A cet effet, le demandeur du permis utilise :
1° le formulaire repris à l'annexe 3 jointe au présent arrêté ;
2° les avenants, indiqués sur le formulaire, issus de la bibliothèque d'avenants reprise à l'annexe 2 jointe au présent arrêté.
La demande de permis comprend les données prescrites comme devant être obligatoirement remplies ou jointes sur le formulaire et dans les avenants concernés.
Le ministre flamand qui a l'aménagement du territoire dans ses attributions et le ministre flamand qui a l'environnement dans ses attributions sont autorisés à modifier conjointement le formulaire et la bibliothèque d'avenants, visés à l'alinéa 2, ainsi que la composition du dossier, les données minimales demandées étant les suivantes :
1° l'objet de la demande de permis ;
2° les données d'identification du lieu où sera exécuté l'objet de la demande de permis ;
3° des plans ;
4° les incidences potentielles pertinentes sur l'homme et l'environnement ;
5° le cas échéant, des données concernant l'évaluation des incidences sur l'environnement ou le rapport de sécurité environnementale ;
6° le cas échéant, des données concernant l'évaluation appropriée ;
7° les données d'identification du demandeur du permis.
[1 § 3. [3 § 3. Si nécessaire, l'administration compétente demande au demandeur d'autorisation des informations complémentaires, conformément à l'annexe II du DABM, qui sont directement utiles à l'élaboration de la conclusion motivée sur les incidences notables du projet sur l'environnement.]3.]1
Hoofdstuk 5. - Het openbaar onderzoek
Chapitre 5. - L'enquête publique
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Section 1re. - Dispositions générales
Art. 16. Als een openbaar onderzoek moet worden gehouden, duurt dat onderzoek dertig dagen en begint het binnen de periode van tien dagen :
1° na de datum waarop de vergunningsaanvraag ontvankelijk en volledig is verklaard in geval van een eerste openbaar onderzoek in eerste aanleg;
2° in voorkomend geval, na de datum van de beslissing van de bevoegde overheid om een openbaar onderzoek te organiseren naar aanleiding van de toepassing van een administratieve lus of een wijziging van de vergunningsaanvraag.
Bij gebrek aan een ontvankelijk- en volledigverklaring begint de termijn van tien dagen, vermeld in het eerste lid, 1°, te lopen op de veertigste dag na de indiening van de vergunningsaanvraag.
De vergunningsaanvraag wordt bekendgemaakt door :
1° de aanplakking van een affiche op de plaats waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag uitgevoerd zal worden, conform artikel 20;
2° de publicatie op de website van de gemeente waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag uitgevoerd zal worden, conform artikel 21;
3° in voorkomend geval, de publicatie in een dag- of weekblad, conform artikel 22;
4° in voorkomend geval, de individuele kennisgeving, conform artikel 23;
5° de analoge of digitale terinzagelegging van de vergunningsaanvraag in het gemeentehuis van de gemeente waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag uitgevoerd zal worden, conform artikel 24;
6° in voorkomend geval, een informatievergadering, conform artikel 25.
In afwijking van het derde lid wordt een vergunningsaanvraag voor projecten of voor veranderingen aan projecten die uitsluitend mobiele of verplaatsbare inrichtingen of activiteiten omvatten, bekendgemaakt door :
1° de publicatie op de website van de bevoegde overheid, conform artikel 21;
2° in voorkomend geval, de publicatie in een dag- of weekblad, conform artikel 22;
3° de analoge of digitale terinzagelegging van de vergunningsaanvraag in :
a) het gemeentehuis in geval van uitsluitend mobiele of verplaatsbare inrichtingen of activiteiten in één gemeente, conform artikel 24;
b) het provinciehuis van de provincie of provincies waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag voor bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten uitgevoerd zal worden, conform artikel 24;
4° in voorkomend geval, een informatievergadering, conform artikel 25.
1° na de datum waarop de vergunningsaanvraag ontvankelijk en volledig is verklaard in geval van een eerste openbaar onderzoek in eerste aanleg;
2° in voorkomend geval, na de datum van de beslissing van de bevoegde overheid om een openbaar onderzoek te organiseren naar aanleiding van de toepassing van een administratieve lus of een wijziging van de vergunningsaanvraag.
Bij gebrek aan een ontvankelijk- en volledigverklaring begint de termijn van tien dagen, vermeld in het eerste lid, 1°, te lopen op de veertigste dag na de indiening van de vergunningsaanvraag.
De vergunningsaanvraag wordt bekendgemaakt door :
1° de aanplakking van een affiche op de plaats waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag uitgevoerd zal worden, conform artikel 20;
2° de publicatie op de website van de gemeente waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag uitgevoerd zal worden, conform artikel 21;
3° in voorkomend geval, de publicatie in een dag- of weekblad, conform artikel 22;
4° in voorkomend geval, de individuele kennisgeving, conform artikel 23;
5° de analoge of digitale terinzagelegging van de vergunningsaanvraag in het gemeentehuis van de gemeente waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag uitgevoerd zal worden, conform artikel 24;
6° in voorkomend geval, een informatievergadering, conform artikel 25.
In afwijking van het derde lid wordt een vergunningsaanvraag voor projecten of voor veranderingen aan projecten die uitsluitend mobiele of verplaatsbare inrichtingen of activiteiten omvatten, bekendgemaakt door :
1° de publicatie op de website van de bevoegde overheid, conform artikel 21;
2° in voorkomend geval, de publicatie in een dag- of weekblad, conform artikel 22;
3° de analoge of digitale terinzagelegging van de vergunningsaanvraag in :
a) het gemeentehuis in geval van uitsluitend mobiele of verplaatsbare inrichtingen of activiteiten in één gemeente, conform artikel 24;
b) het provinciehuis van de provincie of provincies waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag voor bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten uitgevoerd zal worden, conform artikel 24;
4° in voorkomend geval, een informatievergadering, conform artikel 25.
Art. 16. Lorsqu'une enquête publique doit être tenue, cette enquête dure trente jours et commence dans la période de dix jours :
1° qui suivent la date à laquelle la demande de permis a été déclarée recevable et complète dans le cas d'une première enquête publique en première instance ;
2° le cas échéant, qui suivent la date de la décision de l'autorité compétente d'organiser une enquête publique à la suite de l'application d'une boucle administrative ou d'une modification de la demande de permis.
A défaut d'une déclaration confirmant la recevabilité et l'exhaustivité de la demande, le délai de dix jours visé à l'alinéa 1er, 1°, commence à courir le trentième jour qui suit l'introduction de la demande de permis.
La demande de permis est annoncée par :
1° voie d'affichage sur le lieu où sera exécuté l'objet de la demande de permis, conformément à l'article 20 ;
2° la publication sur le site Internet de la commune où sera exécuté l'objet de la demande de permis, conformément à l'article 21 ;
3° le cas échéant, la publication dans un quotidien ou un hebdomadaire, conformément à l'article 22 ;
4° le cas échéant, la notification individuelle, conformément à l'article 23 ;
5° l'ouverture à la consultation analogique ou numérique de la demande de permis à la maison communale de la commune où sera exécuté l'objet de la demande de permis, conformément à l'article 24 ;
6° le cas échéant, une séance d'information, conformément à l'article 25.
Par dérogation à l'alinéa 3, une demande de permis pour des projets ou pour des modifications de projets comportant exclusivement des établissements ou activités mobiles ou transportables est annoncée par :
1° la publication sur le site Internet de l'autorité compétente, conformément à l'article 21 ;
2° le cas échéant, la publication dans un quotidien ou un hebdomadaire, conformément à l'article 22 ;
3° l'ouverture à la consultation analogique ou numérique de la demande de permis à :
a) la maison communale, dans le cas d'établissements ou activités mobiles ou transportables exclusivement dans une seule commune, conformément à l'article 24 ;
b) la maison de la province de la ou des provinces où sera exécuté l'objet de la demande de permis pour des projets mobiles ou transportables supracommunaux, conformément à l'article 24 ;
4° le cas échéant, une séance d'information, conformément à l'article 25.
1° qui suivent la date à laquelle la demande de permis a été déclarée recevable et complète dans le cas d'une première enquête publique en première instance ;
2° le cas échéant, qui suivent la date de la décision de l'autorité compétente d'organiser une enquête publique à la suite de l'application d'une boucle administrative ou d'une modification de la demande de permis.
A défaut d'une déclaration confirmant la recevabilité et l'exhaustivité de la demande, le délai de dix jours visé à l'alinéa 1er, 1°, commence à courir le trentième jour qui suit l'introduction de la demande de permis.
La demande de permis est annoncée par :
1° voie d'affichage sur le lieu où sera exécuté l'objet de la demande de permis, conformément à l'article 20 ;
2° la publication sur le site Internet de la commune où sera exécuté l'objet de la demande de permis, conformément à l'article 21 ;
3° le cas échéant, la publication dans un quotidien ou un hebdomadaire, conformément à l'article 22 ;
4° le cas échéant, la notification individuelle, conformément à l'article 23 ;
5° l'ouverture à la consultation analogique ou numérique de la demande de permis à la maison communale de la commune où sera exécuté l'objet de la demande de permis, conformément à l'article 24 ;
6° le cas échéant, une séance d'information, conformément à l'article 25.
Par dérogation à l'alinéa 3, une demande de permis pour des projets ou pour des modifications de projets comportant exclusivement des établissements ou activités mobiles ou transportables est annoncée par :
1° la publication sur le site Internet de l'autorité compétente, conformément à l'article 21 ;
2° le cas échéant, la publication dans un quotidien ou un hebdomadaire, conformément à l'article 22 ;
3° l'ouverture à la consultation analogique ou numérique de la demande de permis à :
a) la maison communale, dans le cas d'établissements ou activités mobiles ou transportables exclusivement dans une seule commune, conformément à l'article 24 ;
b) la maison de la province de la ou des provinces où sera exécuté l'objet de la demande de permis pour des projets mobiles ou transportables supracommunaux, conformément à l'article 24 ;
4° le cas échéant, une séance d'information, conformément à l'article 25.
Art. 17. Als de vergunningsaanvraag een nog niet goedgekeurd project-MER of OVR omvat, en de alternatieven, onderzocht in dit [1 ...]1 of OVR, zich uitstrekken over meer gemeenten dan de gemeente waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag uitgevoerd zal worden, publiceren de gemeenten, waarop de alternatieven in het nog niet goedgekeurd [1 ...]1 of OVR betrekking hebben, op verzoek van het bevoegde bestuur, een mededeling op hun website waarin ze melden dat :
1° er een vergunningsaanvraag ingediend is in de gemeente waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag uitgevoerd zal worden;
2° er over de vergunningsaanvraag, vermeld in punt 1°, een openbaar onderzoek gehouden wordt in de gemeente waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag uitgevoerd zal worden;
3° de vergunningsaanvraag, vermeld in punt 1°, een project-MER of OVR bevat waarvan de alternatieven betrekking hebben op de betrokken gemeente.
De mededeling, vermeld in het eerste lid, gebeurt uiterlijk op de begindatum van het openbaar onderzoek en tot en met de laatste dag daarvan.
De gemeente waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag uitgevoerd zal worden, moet de mededeling, vermeld in het eerste lid, niet doen.
[1 Als de vergunningsaanvraag een nog niet goedgekeurd project-MER omvat, en het projectgebied of de alternatieven, onderzocht in dit project-MER, zich uitstrekken over meer gemeenten dan de gemeente waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag uitgevoerd zal worden, is artikel 49 van het m.e.r.-besluit van overeenkomstige toepassing.]1
1° er een vergunningsaanvraag ingediend is in de gemeente waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag uitgevoerd zal worden;
2° er over de vergunningsaanvraag, vermeld in punt 1°, een openbaar onderzoek gehouden wordt in de gemeente waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag uitgevoerd zal worden;
3° de vergunningsaanvraag, vermeld in punt 1°, een project-MER of OVR bevat waarvan de alternatieven betrekking hebben op de betrokken gemeente.
De mededeling, vermeld in het eerste lid, gebeurt uiterlijk op de begindatum van het openbaar onderzoek en tot en met de laatste dag daarvan.
De gemeente waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag uitgevoerd zal worden, moet de mededeling, vermeld in het eerste lid, niet doen.
[1 Als de vergunningsaanvraag een nog niet goedgekeurd project-MER omvat, en het projectgebied of de alternatieven, onderzocht in dit project-MER, zich uitstrekken over meer gemeenten dan de gemeente waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag uitgevoerd zal worden, is artikel 49 van het m.e.r.-besluit van overeenkomstige toepassing.]1
Art. 17. Lorsque la demande de permis comprend [1 ...]1 un RSE non encore approuvé et que les alternatives examinées dans [1 ...]1ce RSE s'étendent sur d'autres communes que celle où sera exécuté l'objet de la demande de permis, les communes concernées par les alternatives examinées dans [1 ...]1 le RSE non encore approuvé publient sur leur site Internet, à la demande de l'administration compétente, une communication dans laquelle elle signalent que :
1° une demande de permis a été introduite dans la commune où sera exécuté l'objet de la demande de permis ;
2° une enquête publique sur la demande de permis visée au point 1° est tenue dans la commune où sera exécuté l'objet de la demande de permis ;
3° la demande de permis visée au point 1° comprend un RIE du projet ou un RSE dont les alternatives concernent la commune en question.
La communication visée à l'alinéa 1er a lieu au plus tard à la date de début de l'enquête publique jusqu'à son dernier jour inclus.
La commune où sera exécuté l'objet de la demande de permis ne doit pas faire la communication visée à l'alinéa 1er.
[1 Lorsque la demande d'autorisation comprend un RIE du projet non encore approuvé et que la zone du projet ou les alternatives examinées dans ce RIE du projet s'étendent sur d'autres communes que celle où sera exécuté l'objet de la demande d'autorisation, l'article 49 de l'arrêté R.I.E. s'applique mutatis mutandis. ]1
1° une demande de permis a été introduite dans la commune où sera exécuté l'objet de la demande de permis ;
2° une enquête publique sur la demande de permis visée au point 1° est tenue dans la commune où sera exécuté l'objet de la demande de permis ;
3° la demande de permis visée au point 1° comprend un RIE du projet ou un RSE dont les alternatives concernent la commune en question.
La communication visée à l'alinéa 1er a lieu au plus tard à la date de début de l'enquête publique jusqu'à son dernier jour inclus.
La commune où sera exécuté l'objet de la demande de permis ne doit pas faire la communication visée à l'alinéa 1er.
[1 Lorsque la demande d'autorisation comprend un RIE du projet non encore approuvé et que la zone du projet ou les alternatives examinées dans ce RIE du projet s'étendent sur d'autres communes que celle où sera exécuté l'objet de la demande d'autorisation, l'article 49 de l'arrêté R.I.E. s'applique mutatis mutandis. ]1
Art. 18. [1 De gemeente stelt de tekst ter beschikking die gebruikt wordt voor de bekendmaking, vermeld in artikel 16, derde lid, 1° tot en met 4°, of vierde lid, 1° en 2°.]1
De tekst, vermeld in het eerste lid, bevat minstens de volgende gegevens :
1° [1 op welke vergunningsplicht of vergunningsplichten, vermeld in artikel 5 van het decreet van 25 april 2014, de aanvraag betrekking heeft;]1
[1 1/1° een beknopte omschrijving van het voorwerp van de vergunningsaanvraag;]1
2° de ligging van het voorwerp van de vergunningsaanvraag;
3° de naam van de aanvrager of exploitant. Als de aanvraag wordt ondertekend door een natuurlijk persoon namens een rechtspersoon, wordt alleen de naam van de rechtspersoon vermeld;
4° de overheid die bevoegd is voor de vergunningsaanvraag;
5° de overheid waarbij relevante informatie kan worden verkregen;
6° de begin- en einddatum van het openbaar onderzoek;
7° de plaats waar de vergunningsaanvraag tijdens het openbaar onderzoek ter inzage ligt;
8° de mogelijkheid om standpunten, opmerkingen en bezwaren in te dienen over de vergunningsaanvraag of, in voorkomend geval, het nog niet goedgekeurd project-MER of nog niet goedgekeurd OVR, alsook de voorwaarden en modaliteiten waaronder ze ingediend kunnen worden;
9° in voorkomend geval, de datum, het uur en de plaats van de informatievergadering;
10° in voorkomend geval, een verwijzing naar de eerder gehouden openbare onderzoeken.
De tekst, vermeld in het eerste lid, bevat minstens de volgende gegevens :
1° [1 op welke vergunningsplicht of vergunningsplichten, vermeld in artikel 5 van het decreet van 25 april 2014, de aanvraag betrekking heeft;]1
[1 1/1° een beknopte omschrijving van het voorwerp van de vergunningsaanvraag;]1
2° de ligging van het voorwerp van de vergunningsaanvraag;
3° de naam van de aanvrager of exploitant. Als de aanvraag wordt ondertekend door een natuurlijk persoon namens een rechtspersoon, wordt alleen de naam van de rechtspersoon vermeld;
4° de overheid die bevoegd is voor de vergunningsaanvraag;
5° de overheid waarbij relevante informatie kan worden verkregen;
6° de begin- en einddatum van het openbaar onderzoek;
7° de plaats waar de vergunningsaanvraag tijdens het openbaar onderzoek ter inzage ligt;
8° de mogelijkheid om standpunten, opmerkingen en bezwaren in te dienen over de vergunningsaanvraag of, in voorkomend geval, het nog niet goedgekeurd project-MER of nog niet goedgekeurd OVR, alsook de voorwaarden en modaliteiten waaronder ze ingediend kunnen worden;
9° in voorkomend geval, de datum, het uur en de plaats van de informatievergadering;
10° in voorkomend geval, een verwijzing naar de eerder gehouden openbare onderzoeken.
Art. 18. [1 La commune met à disposition le texte utilisé pour la publication visée à l'article 16, alinéa 3, 1° à 4°, ou alinéa 4, 1° et 2°.]1
Le texte visé à l'alinéa 1er contient au moins les données suivantes :
1° [1 l'obligation d'autorisation ou les obligations d'autorisation visées à l'article 5 du décret du 25 avril 2014 auxquelles la demande se rapporte]1 ;
[1 1/1° une description succincte de l'objet de la demande de permis;]1
2° l'emplacement de l'objet de la demande de permis ;
3° le nom du demandeur ou de l'exploitant. Lorsque la demande est signée par une personne physique au nom d'une personne morale, seul le nom de la personne morale est mentionné ;
4° l'autorité compétente pour la demande de permis ;
5° l'autorité auprès de laquelle des informations pertinentes peuvent être obtenues ;
6° la date de début et de fin de l'enquête publique ;
7° le lieu où la demande de permis peut être consultée durant l'enquête publique ;
8° la possibilité d'introduire des points de vue, observations et objections sur la demande de permis ou, le cas échéant, sur le RIE du projet ou le RSE non encore approuvé ainsi que les conditions et modalités de leur introduction ;
9° le cas échéant, les date, heure et lieu de la séance d'information ;
10° le cas échéant, un renvoi aux enquêtes publiques précédemment tenues.
Le texte visé à l'alinéa 1er contient au moins les données suivantes :
1° [1 l'obligation d'autorisation ou les obligations d'autorisation visées à l'article 5 du décret du 25 avril 2014 auxquelles la demande se rapporte]1 ;
[1 1/1° une description succincte de l'objet de la demande de permis;]1
2° l'emplacement de l'objet de la demande de permis ;
3° le nom du demandeur ou de l'exploitant. Lorsque la demande est signée par une personne physique au nom d'une personne morale, seul le nom de la personne morale est mentionné ;
4° l'autorité compétente pour la demande de permis ;
5° l'autorité auprès de laquelle des informations pertinentes peuvent être obtenues ;
6° la date de début et de fin de l'enquête publique ;
7° le lieu où la demande de permis peut être consultée durant l'enquête publique ;
8° la possibilité d'introduire des points de vue, observations et objections sur la demande de permis ou, le cas échéant, sur le RIE du projet ou le RSE non encore approuvé ainsi que les conditions et modalités de leur introduction ;
9° le cas échéant, les date, heure et lieu de la séance d'information ;
10° le cas échéant, un renvoi aux enquêtes publiques précédemment tenues.
Art. 19. In geval van betwistingen over het openbaar onderzoek stelt de gemeente of de vergunningsaanvrager de nodige verklaringen of bewijsstukken ter beschikking van het bevoegde bestuur, nadat daarom verzocht is.
Art. 19. En cas de contestations au sujet de l'enquête publique, la commune ou le demandeur du permis met les déclarations ou justificatifs nécessaires à la disposition de l'administration compétente à sa demande.
Afdeling 2. - Aanplakking van een affiche
Section 2. - Affichage
Art. 20. § 1. De tekst, vermeld in artikel 18, wordt met zwarte letters op een gele affiche van minimaal A2-formaat afgedrukt en wordt voorafgegaan door een van de volgende opschriften :
1° "BEKENDMAKING OPENBAAR ONDERZOEK OVER EEN AANVRAAG VAN OMGEVINGSVERGUNNING";
2° "BEKENDMAKING HERNEMING OPENBAAR ONDERZOEK TEN GEVOLGE VAN EEN WIJZIGING VAN DE OMGEVINGSVERGUNNINGSAANVRAAG TIJDENS DE LOPENDE PROCEDURE";
3° "BEKENDMAKING OPENBAAR ONDERZOEK TEN GEVOLGE VAN DE TOEPASSING VAN EEN ADMINISTRATIEVE LUS IN HET KADER VAN EEN OMGEVINGSVERGUNNINGSAANVRAAG".
§ 2. De affiche wordt aangeplakt uiterlijk op de dag voor de begindatum van het openbaar onderzoek en tot en met de laatste dag daarvan. Op de startdatum [1 ...]1 van de aanplakking brengt de vergunningsaanvrager de gemeente op de hoogte van [1 die datum en verklaart hierbij dat de affiche conform artikel 20 van het Omgevingsvergunningenbesluit werd aangeplakt en aangeplakt zal blijven tot de laatste dag van het openbaar onderzoek.]1. [1 Die datum wordt]1 in het omgevingsloket ingevoerd.
De affiche wordt aangeplakt op een plaats waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag paalt aan een openbare weg, of als het aan verschillende openbare wegen paalt, aan elk van die openbare wegen. Als het voorwerp van de vergunningsaanvraag niet paalt aan een openbare weg, wordt de affiche aangeplakt op een plaats aan de dichtstbijzijnde openbare weg.
Als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op het openbaar domein, wordt de affiche aangeplakt aan elke zijde waar men van op de openbare weg de grens van het voorwerp van de vergunningsaanvraag bereikt.
De vergunningsaanvrager plakt de affiche op een schutting, op een muur of op een bord dat aan een paal bevestigd is, op de grens tussen het terrein of de toegang tot het terrein en de openbare weg en evenwijdig met de openbare weg, met de tekst gericht naar de openbare weg en op een maximumhoogte van twee meter.
De affiche is altijd goed leesbaar vanaf de openbare weg.
1° "BEKENDMAKING OPENBAAR ONDERZOEK OVER EEN AANVRAAG VAN OMGEVINGSVERGUNNING";
2° "BEKENDMAKING HERNEMING OPENBAAR ONDERZOEK TEN GEVOLGE VAN EEN WIJZIGING VAN DE OMGEVINGSVERGUNNINGSAANVRAAG TIJDENS DE LOPENDE PROCEDURE";
3° "BEKENDMAKING OPENBAAR ONDERZOEK TEN GEVOLGE VAN DE TOEPASSING VAN EEN ADMINISTRATIEVE LUS IN HET KADER VAN EEN OMGEVINGSVERGUNNINGSAANVRAAG".
§ 2. De affiche wordt aangeplakt uiterlijk op de dag voor de begindatum van het openbaar onderzoek en tot en met de laatste dag daarvan. Op de startdatum [1 ...]1 van de aanplakking brengt de vergunningsaanvrager de gemeente op de hoogte van [1 die datum en verklaart hierbij dat de affiche conform artikel 20 van het Omgevingsvergunningenbesluit werd aangeplakt en aangeplakt zal blijven tot de laatste dag van het openbaar onderzoek.]1. [1 Die datum wordt]1 in het omgevingsloket ingevoerd.
De affiche wordt aangeplakt op een plaats waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag paalt aan een openbare weg, of als het aan verschillende openbare wegen paalt, aan elk van die openbare wegen. Als het voorwerp van de vergunningsaanvraag niet paalt aan een openbare weg, wordt de affiche aangeplakt op een plaats aan de dichtstbijzijnde openbare weg.
Als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op het openbaar domein, wordt de affiche aangeplakt aan elke zijde waar men van op de openbare weg de grens van het voorwerp van de vergunningsaanvraag bereikt.
De vergunningsaanvrager plakt de affiche op een schutting, op een muur of op een bord dat aan een paal bevestigd is, op de grens tussen het terrein of de toegang tot het terrein en de openbare weg en evenwijdig met de openbare weg, met de tekst gericht naar de openbare weg en op een maximumhoogte van twee meter.
De affiche is altijd goed leesbaar vanaf de openbare weg.
Art. 20. § 1er. Le texte visé à l'article 18 est imprimé en caractères noirs sur une affiche jaune de format A2 minimum et est précédé de l'un des intitulés suivants :
1° " AVIS ENQUETE PUBLIQUE SUR UNE DEMANDE DE PERMIS D'ENVIRONNEMENT " ;
2° " AVIS REPRISE ENQUETE PUBLIQUE A LA SUITE D'UNE MODIFICATION DE LA DEMANDE DE PERMIS D'ENVIRONNEMENT DURANT LA PROCEDURE EN COURS " ;
3° " AVIS ENQUETE PUBLIQUE A LA SUITE DE L'APPLICATION D'UNE BOUCLE ADMINISTRATIVE DANS LE CADRE D'UNE DEMANDE DE PERMIS D'ENVIRONNEMENT ".
§ 2. L'affiche est apposée au plus tard la veille de la date de début de l'enquête publique jusqu'à son dernier jour inclus. A la date de début [1 ...]1 de l'affichage, le demandeur du permis informe la commune de [1 cette date et déclare par là que l'affiche a été apposée et le restera jusqu'au dernier jour de l'enquête publique conformément à l'article 20 de l'arrêté relatif au permis d'environnement.]1. [1 Cette date est introduite]1 dans le guichet environnement.
L'affichage se fait à un endroit où l'objet de la demande de permis confine à une voie publique ou, s'il confine à plusieurs voies publiques, à chacune de ces voies publiques. Lorsque l'objet de la demande de permis ne confine pas à une voie publique, l'affichage se fait à un endroit de la voie publique la plus proche.
Lorsque la demande de permis porte sur le domaine public, l'affichage se fait de chaque côté où l'on atteint la limite de l'objet de la demande de permis à partir de la voie publique.
Le demandeur du permis procède à l'affichage sur une palissade, un mur ou un panneau fixé à un poteau, à la limite entre le terrain ou l'accès au terrain et la voie publique et en parallèle de celle-ci, texte orienté vers la voie publique et à une hauteur maximale de deux mètres.
L'affiche doit toujours être bien lisible à partir de la voie publique.
1° " AVIS ENQUETE PUBLIQUE SUR UNE DEMANDE DE PERMIS D'ENVIRONNEMENT " ;
2° " AVIS REPRISE ENQUETE PUBLIQUE A LA SUITE D'UNE MODIFICATION DE LA DEMANDE DE PERMIS D'ENVIRONNEMENT DURANT LA PROCEDURE EN COURS " ;
3° " AVIS ENQUETE PUBLIQUE A LA SUITE DE L'APPLICATION D'UNE BOUCLE ADMINISTRATIVE DANS LE CADRE D'UNE DEMANDE DE PERMIS D'ENVIRONNEMENT ".
§ 2. L'affiche est apposée au plus tard la veille de la date de début de l'enquête publique jusqu'à son dernier jour inclus. A la date de début [1 ...]1 de l'affichage, le demandeur du permis informe la commune de [1 cette date et déclare par là que l'affiche a été apposée et le restera jusqu'au dernier jour de l'enquête publique conformément à l'article 20 de l'arrêté relatif au permis d'environnement.]1. [1 Cette date est introduite]1 dans le guichet environnement.
L'affichage se fait à un endroit où l'objet de la demande de permis confine à une voie publique ou, s'il confine à plusieurs voies publiques, à chacune de ces voies publiques. Lorsque l'objet de la demande de permis ne confine pas à une voie publique, l'affichage se fait à un endroit de la voie publique la plus proche.
Lorsque la demande de permis porte sur le domaine public, l'affichage se fait de chaque côté où l'on atteint la limite de l'objet de la demande de permis à partir de la voie publique.
Le demandeur du permis procède à l'affichage sur une palissade, un mur ou un panneau fixé à un poteau, à la limite entre le terrain ou l'accès au terrain et la voie publique et en parallèle de celle-ci, texte orienté vers la voie publique et à une hauteur maximale de deux mètres.
L'affiche doit toujours être bien lisible à partir de la voie publique.
Afdeling 3. - Publicatie op de website
Section 3. - Publication sur le site Internet
Art. 21. § 1. De gemeente publiceert de tekst, vermeld in artikel 18, op haar website op een voor bekendmakingen geëigende en opvallende plaats. De gemeente kan meer gegevens op de website publiceren.
De tekst wordt uiterlijk op de dag voor de begindatum van het openbaar onderzoek gepubliceerd en blijft op de website staan tot en met de laatste dag van het openbaar onderzoek.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 publiceert het bevoegde bestuur de tekst, vermeld in artikel 18, op zijn website in geval van vergunningsaanvragen voor bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten, met toepassing van de voorwaarden, vermeld in dit artikel.
De tekst wordt uiterlijk op de dag voor de begindatum van het openbaar onderzoek gepubliceerd en blijft op de website staan tot en met de laatste dag van het openbaar onderzoek.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 publiceert het bevoegde bestuur de tekst, vermeld in artikel 18, op zijn website in geval van vergunningsaanvragen voor bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten, met toepassing van de voorwaarden, vermeld in dit artikel.
Art. 21. § 1er. La commune publie le texte visé à l'article 18 sur son site Internet à un endroit approprié aux avis et bien en vue. La commune peut publier davantage de données sur le site Internet.
Le texte est publié au plus tard la veille de la date de début de l'enquête publique et reste sur le site Internet jusqu'au dernier jour de l'enquête publique.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, l'administration compétente publie le texte visé à l'article 18 sur son site Internet dans le cas de demandes de permis pour des projets mobiles ou transportables supracommunaux en application des conditions visées dans le présent article.
Le texte est publié au plus tard la veille de la date de début de l'enquête publique et reste sur le site Internet jusqu'au dernier jour de l'enquête publique.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, l'administration compétente publie le texte visé à l'article 18 sur son site Internet dans le cas de demandes de permis pour des projets mobiles ou transportables supracommunaux en application des conditions visées dans le présent article.
Afdeling 4. - Publicatie in een dag- of weekblad
Section 4. - Publication dans un quotidien ou un hebdomadaire
Art. 22. § 1. De gemeente publiceert de tekst, vermeld in artikel 18, in ten minste één dag- of weekblad met minstens regionaal karakter in de volgende gevallen :
1° de vergunningsaanvraag omvat een project-MER of een OVR;
2° de vergunningsaanvraag heeft betrekking op de exploitatie van een inrichting of activiteit met een GPBV-installatie.
De publicatie, vermeld in het eerste lid, gebeurt uiterlijk op de dag voor de begindatum van het openbaar onderzoek en op kosten van de vergunningsaanvrager.
Als het voorwerp van de vergunningsaanvraag in twee of meer gemeenten uitgevoerd zal worden, kan voor een van de volgende werkwijzen gekozen worden :
1° elke gemeente zorgt voor een publicatie;
2° de gemeenten zorgen voor een gecoördineerde publicatie.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 zorgt het bevoegde bestuur voor de publicatie op kosten van de vergunningsaanvrager in geval van vergunningsaanvragen voor bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten.
1° de vergunningsaanvraag omvat een project-MER of een OVR;
2° de vergunningsaanvraag heeft betrekking op de exploitatie van een inrichting of activiteit met een GPBV-installatie.
De publicatie, vermeld in het eerste lid, gebeurt uiterlijk op de dag voor de begindatum van het openbaar onderzoek en op kosten van de vergunningsaanvrager.
Als het voorwerp van de vergunningsaanvraag in twee of meer gemeenten uitgevoerd zal worden, kan voor een van de volgende werkwijzen gekozen worden :
1° elke gemeente zorgt voor een publicatie;
2° de gemeenten zorgen voor een gecoördineerde publicatie.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 zorgt het bevoegde bestuur voor de publicatie op kosten van de vergunningsaanvrager in geval van vergunningsaanvragen voor bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten.
Art. 22. § 1er. La commune publie le texte visé à l'article 18 dans au moins un quotidien ou un hebdomadaire à caractère régional dans les cas suivants :
1° la demande de permis comprend un RIE du projet ou un RSE ;
2° la demande de permis porte sur l'exploitation d'un établissement ou d'une d'activité avec une installation IPPC.
La publication visée à l'alinéa 1er a lieu au plus tard la veille de la date de début de l'enquête publique aux frais du demandeur du permis.
Lorsque l'objet de la demande de permis sera exécuté dans deux ou plusieurs communes, l'une des méthodes suivantes peut être choisie :
1° chaque commune se charge d'une publication ;
2° les communes se chargent d'une publication coordonnée.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, l'administration compétente se charge de la publication aux frais du demandeur du permis dans le cas de demandes de permis pour des projets mobiles ou transportables supracommunaux.
1° la demande de permis comprend un RIE du projet ou un RSE ;
2° la demande de permis porte sur l'exploitation d'un établissement ou d'une d'activité avec une installation IPPC.
La publication visée à l'alinéa 1er a lieu au plus tard la veille de la date de début de l'enquête publique aux frais du demandeur du permis.
Lorsque l'objet de la demande de permis sera exécuté dans deux ou plusieurs communes, l'une des méthodes suivantes peut être choisie :
1° chaque commune se charge d'une publication ;
2° les communes se chargent d'une publication coordonnée.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, l'administration compétente se charge de la publication aux frais du demandeur du permis dans le cas de demandes de permis pour des projets mobiles ou transportables supracommunaux.
Afdeling 5. - Individuele kennisgeving
Section 5. - Notification individuelle
Art. 23. § 1. Als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van de eerste klasse, brengt de gemeente [3 ...]3 de eigenaars van de percelen op de hoogte als hun gebouwen of percelen in een straal van 100 meter liggen rond :
1° de perceelsgrenzen van de ingedeelde inrichting of activiteit, als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op een perceel met een kadastraal nummer;
2° de uiterste grenzen van de ingedeelde inrichting of activiteit, als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op een perceel zonder kadastraal nummer.
[3 Als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van de tweede klasse, stelt de gemeente de eigenaars van de aanpalende percelen in kennis van het openbaar onderzoek.]3
Als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op stedenbouwkundige handelingen op een perceel met een kadastraal nummer of het verkavelen van gronden met een kadastraal nummer [2 of kleinhandelsactiviteiten]2, stelt de gemeente de eigenaars van de aanpalende percelen in kennis tenzij de vergunningsaanvraag betrekking heeft op :
1° lijninfrastructuren [1 en aanhorigheden]1;
2° de bijstelling van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden. [2 In dat geval gebeurt de individuele kennisgeving overeenkomstig artikel 85 of artikel 86 van het decreet van 25 april 2014.]2.
[1 ...]1
De inkennisstelling, vermeld in [3 het eerste, tweede en derde lid]3, gebeurt door de tekst, vermeld in artikel 18, voor de aanvang van het openbaar onderzoek te bezorgen op volgende wijze :
1° bij beveiligde zending voor wat betreft de eigenaars van aanpalende percelen;
2° bij gewone of beveiligde zending in de andere gevallen.
In [3 het tweede, derde en vierde lid]3 wordt verstaan onder aanpalend perceel : een perceel met kadastraal nummer dat op minstens één punt grenst aan de plaats waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag zal worden uitgevoerd of aan percelen in eigendom van de vergunningsaanvrager, die palen aan die plaats.
[3 Bij een combinatie van kennisgevingen als vermeld in het eerste, tweede of derde lid, geldt de ruimste kennisgeving.]3
§ 2. Als de vergunningsaanvraag voor het verkavelen van gronden vermeldt dat de inhoud ervan strijdig is met het bestaan van door de mens gevestigde erfdienstbaarheden of van bij overeenkomst vastgestelde verplichtingen met betrekking tot het grondgebruik, bezorgt de gemeente de tekst, vermeld in artikel 18, voor de aanvang van het openbaar onderzoek met een beveiligde zending aan de begunstigden van de erfdienstbaarheden of verplichtingen die met hun adres vermeld zijn in de vergunningsaanvraag.
[1 ...]1
§ 3. De gemeente zoekt de namen en adressen van de eigenaars en de haar gekende gebruikers op.
1° de perceelsgrenzen van de ingedeelde inrichting of activiteit, als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op een perceel met een kadastraal nummer;
2° de uiterste grenzen van de ingedeelde inrichting of activiteit, als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op een perceel zonder kadastraal nummer.
[3 Als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van de tweede klasse, stelt de gemeente de eigenaars van de aanpalende percelen in kennis van het openbaar onderzoek.]3
Als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op stedenbouwkundige handelingen op een perceel met een kadastraal nummer of het verkavelen van gronden met een kadastraal nummer [2 of kleinhandelsactiviteiten]2, stelt de gemeente de eigenaars van de aanpalende percelen in kennis tenzij de vergunningsaanvraag betrekking heeft op :
1° lijninfrastructuren [1 en aanhorigheden]1;
2° de bijstelling van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden. [2 In dat geval gebeurt de individuele kennisgeving overeenkomstig artikel 85 of artikel 86 van het decreet van 25 april 2014.]2.
[1 ...]1
De inkennisstelling, vermeld in [3 het eerste, tweede en derde lid]3, gebeurt door de tekst, vermeld in artikel 18, voor de aanvang van het openbaar onderzoek te bezorgen op volgende wijze :
1° bij beveiligde zending voor wat betreft de eigenaars van aanpalende percelen;
2° bij gewone of beveiligde zending in de andere gevallen.
In [3 het tweede, derde en vierde lid]3 wordt verstaan onder aanpalend perceel : een perceel met kadastraal nummer dat op minstens één punt grenst aan de plaats waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag zal worden uitgevoerd of aan percelen in eigendom van de vergunningsaanvrager, die palen aan die plaats.
[3 Bij een combinatie van kennisgevingen als vermeld in het eerste, tweede of derde lid, geldt de ruimste kennisgeving.]3
§ 2. Als de vergunningsaanvraag voor het verkavelen van gronden vermeldt dat de inhoud ervan strijdig is met het bestaan van door de mens gevestigde erfdienstbaarheden of van bij overeenkomst vastgestelde verplichtingen met betrekking tot het grondgebruik, bezorgt de gemeente de tekst, vermeld in artikel 18, voor de aanvang van het openbaar onderzoek met een beveiligde zending aan de begunstigden van de erfdienstbaarheden of verplichtingen die met hun adres vermeld zijn in de vergunningsaanvraag.
[1 ...]1
§ 3. De gemeente zoekt de namen en adressen van de eigenaars en de haar gekende gebruikers op.
Art. 23. § 1er. Lorsque la demande de permis porte sur l'exploitation d'un établissement classé ou d'une d'activité classée de première classe, la commune informe [3 ...]3 les propriétaires des parcelles si leurs bâtiments ou parcelles se situent dans un rayon de 100 mètres autour :
1° des limites parcellaires de l'établissement classé ou de l'activité classée lorsque la demande de permis porte sur une parcelle dotée d'un numéro cadastral ;
2° des limites extrêmes de l'établissement classé ou de l'activité classée lorsque la demande de permis porte sur une parcelle dépourvue de numéro cadastral.
[3 Lorsque la demande de permis porte sur l'exploitation d'un établissement classé ou d'une activité classée de deuxième classe, la commune informe les propriétaires des parcelles adjacentes de l'enquête publique.]3
Lorsque la demande de permis porte sur des actes urbanistiques sur une parcelle dotée d'un numéro cadastral ou sur le lotissement de terrains dotés d'un numéro cadastral [2 ou des activités de commerce de détail]2, la commune informe les propriétaires des parcelles adjacentes à moins que la demande de permis ne porte sur :
1° des infrastructures linéaires [1 et de leurs dépendances]1;
2° l'actualisation du permis d'environnement pour le lotissement de terrains. [2 Dans ce cas, la notification individuelle se fait conformément à l'article 85 ou 86 du décret du 25 avril 2014.]2
[1 ...]1
La notification visée aux [3 alinéas 1er, 2 et 3]3 se fait par la communication du texte visé à l'article 18 avant le début de l'enquête publique de la façon suivante :
1° par envoi sécurisé en ce qui concerne les propriétaires de parcelles adjacentes ;
2° par envoi ordinaire dans les autres cas.
Aux [3 alinéas 2, 3 et 4]3, on entend par " parcelle adjacente " : une parcelle dotée d'un numéro cadastral qui jouxte en au moins un point l'emplacement où sera exécuté l'objet de la demande de permis ou des parcelles, appartenant au demandeur du permis, limitrophes de cet emplacement.
[3 Dans le cas d'un combinaison de notifications telles que visées à l'alinéa 1er, 2 ou 3, la notification la plus ample doit être appliquée.]3
§ 2. Si la demande de permis pour le lotissement de terrains mentionne que son contenu est contraire à des servitudes du fait de l'homme ou à des obligations conventionnelles concernant l'utilisation du sol, la commune communique le texte visé à l'article 18, avant le début de l'enquête publique, par envoi sécurisé, aux bénéficiaires des servitudes ou obligations mentionnés avec leur adresse dans la demande de permis.
[1 ...]1
§ 3. La commune recherche les noms et adresses des propriétaires et des usagers qui lui sont connus.
1° des limites parcellaires de l'établissement classé ou de l'activité classée lorsque la demande de permis porte sur une parcelle dotée d'un numéro cadastral ;
2° des limites extrêmes de l'établissement classé ou de l'activité classée lorsque la demande de permis porte sur une parcelle dépourvue de numéro cadastral.
[3 Lorsque la demande de permis porte sur l'exploitation d'un établissement classé ou d'une activité classée de deuxième classe, la commune informe les propriétaires des parcelles adjacentes de l'enquête publique.]3
Lorsque la demande de permis porte sur des actes urbanistiques sur une parcelle dotée d'un numéro cadastral ou sur le lotissement de terrains dotés d'un numéro cadastral [2 ou des activités de commerce de détail]2, la commune informe les propriétaires des parcelles adjacentes à moins que la demande de permis ne porte sur :
1° des infrastructures linéaires [1 et de leurs dépendances]1;
2° l'actualisation du permis d'environnement pour le lotissement de terrains. [2 Dans ce cas, la notification individuelle se fait conformément à l'article 85 ou 86 du décret du 25 avril 2014.]2
[1 ...]1
La notification visée aux [3 alinéas 1er, 2 et 3]3 se fait par la communication du texte visé à l'article 18 avant le début de l'enquête publique de la façon suivante :
1° par envoi sécurisé en ce qui concerne les propriétaires de parcelles adjacentes ;
2° par envoi ordinaire dans les autres cas.
Aux [3 alinéas 2, 3 et 4]3, on entend par " parcelle adjacente " : une parcelle dotée d'un numéro cadastral qui jouxte en au moins un point l'emplacement où sera exécuté l'objet de la demande de permis ou des parcelles, appartenant au demandeur du permis, limitrophes de cet emplacement.
[3 Dans le cas d'un combinaison de notifications telles que visées à l'alinéa 1er, 2 ou 3, la notification la plus ample doit être appliquée.]3
§ 2. Si la demande de permis pour le lotissement de terrains mentionne que son contenu est contraire à des servitudes du fait de l'homme ou à des obligations conventionnelles concernant l'utilisation du sol, la commune communique le texte visé à l'article 18, avant le début de l'enquête publique, par envoi sécurisé, aux bénéficiaires des servitudes ou obligations mentionnés avec leur adresse dans la demande de permis.
[1 ...]1
§ 3. La commune recherche les noms et adresses des propriétaires et des usagers qui lui sont connus.
Afdeling 6. - De terinzagelegging
Section 6. - L'ouverture à la consultation
Art. 24. § 1. De vergunningsaanvraag en, in voorkomend geval, het resultaat van het onderzoek, vermeld in artikel 19 en 20 van het decreet van 25 april 2014, wordt gedurende dertig dagen analoog of digitaal ter inzage gelegd in het gemeentehuis van de gemeente waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag uitgevoerd zal worden.
Tijdens het openbaar onderzoek worden eveneens de volgende documenten ter inzage gelegd, voor zover de overheid waarbij het dossier ter inzage ligt, de dag voor de begindatum van het openbaar onderzoek over deze documenten beschikt :
[4 ...]4
2° de adviezen die de adviesinstanties, vermeld in [2 artikel 35, 37, 38/1 of 38/3]2, het adviserend schepencollege en, in voorkomend geval, de POVC of de GOVC hebben uitgebracht in de aanleg in kwestie;
3° de beslissing over de goedkeuring van het project-MER respectievelijk het OVR;
4° de gemeenteraadsbeslissing [3 over de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van de gemeenteweg]3, vermeld in artikel 31 van het decreet van 25 april 2014;
5° de beslissing in eerste aanleg.
De eerste dag waarop de vergunningsaanvraag en de documenten, vermeld in het tweede lid, ter inzage wordt gelegd, is de begindatum van het openbaar onderzoek.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, worden vergunningsaanvragen voor bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten en, in voorkomend geval, het resultaat van het onderzoek hierover, vermeld in artikel 19 en 20 van het decreet van 25 april 2014, gedurende dertig dagen analoog of digitaal ter inzage gelegd in het provinciehuis van de betrokken provincie of provincies, met toepassing van de voorwaarden, vermeld in dit artikel.
§ 3. Als de terinzagelegging digitaal verloopt, kan de persoon die het dossier raadpleegt, hierbij beroep doen op technische ondersteuning van de overheid, waarbij het dossier ter inzage ligt.
[1 § 4. Als de vergunningsaanvraag een nog niet goedgekeurd project-MER of OVR omvat, kan ze, met uitzondering van de door een architect opgemaakte auteursrechtelijk beschermde plannen en de documenten die aan de openbaarheid worden onttrokken, digitaal geraadpleegd worden via het omgevingsloket.]1
Tijdens het openbaar onderzoek worden eveneens de volgende documenten ter inzage gelegd, voor zover de overheid waarbij het dossier ter inzage ligt, de dag voor de begindatum van het openbaar onderzoek over deze documenten beschikt :
[4 ...]4
2° de adviezen die de adviesinstanties, vermeld in [2 artikel 35, 37, 38/1 of 38/3]2, het adviserend schepencollege en, in voorkomend geval, de POVC of de GOVC hebben uitgebracht in de aanleg in kwestie;
3° de beslissing over de goedkeuring van het project-MER respectievelijk het OVR;
4° de gemeenteraadsbeslissing [3 over de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van de gemeenteweg]3, vermeld in artikel 31 van het decreet van 25 april 2014;
5° de beslissing in eerste aanleg.
De eerste dag waarop de vergunningsaanvraag en de documenten, vermeld in het tweede lid, ter inzage wordt gelegd, is de begindatum van het openbaar onderzoek.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, worden vergunningsaanvragen voor bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten en, in voorkomend geval, het resultaat van het onderzoek hierover, vermeld in artikel 19 en 20 van het decreet van 25 april 2014, gedurende dertig dagen analoog of digitaal ter inzage gelegd in het provinciehuis van de betrokken provincie of provincies, met toepassing van de voorwaarden, vermeld in dit artikel.
§ 3. Als de terinzagelegging digitaal verloopt, kan de persoon die het dossier raadpleegt, hierbij beroep doen op technische ondersteuning van de overheid, waarbij het dossier ter inzage ligt.
[1 § 4. Als de vergunningsaanvraag een nog niet goedgekeurd project-MER of OVR omvat, kan ze, met uitzondering van de door een architect opgemaakte auteursrechtelijk beschermde plannen en de documenten die aan de openbaarheid worden onttrokken, digitaal geraadpleegd worden via het omgevingsloket.]1
Art. 24. § 1er. La demande de permis et, le cas échéant, le résultat de l'examen visé aux articles 19 et 20 du décret du 25 avril 2014, sont ouverts à la consultation analogique ou numérique durant trente jours à la maison communale de la commune où sera exécuté l'objet de la demande de permis.
Durant l'enquête publique, les documents suivants sont également ouverts à la consultation dans la mesure où l'autorité auprès de laquelle le dossier peut être consulté dispose de ces documents la veille de la date de début de l'enquête publique :
1° [4 ...]4
2° les avis rendus par les instances d'avis mentionnées aux [2 articles 35, 37, 38/1 ou 38/3]2, le collège consultatif des échevins et, le cas échéant, la POVC ou la GOVC dans l'instance en question ;
3° la décision concernant l'approbation du RIE du projet ou du RSE ;
4° la décision du conseil communal [3 concernant l'aménagement, la modification, le déplacement ou la suppression de la voirie communale]3, visée à l'article 31 du décret du 25 avril 2014 ;
5° la décision en première instance.
Le premier jour auquel la demande de permis et les documents visés à l'alinéa 2 sont ouverts à la consultation est la date de début de l'enquête publique.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, alinéa 1er, les demandes de permis pour des projets mobiles ou transportables supracommunaux et, le cas échéant, le résultat de l'examen visé aux articles 19 et 20 du décret du 25 avril 2014, sont ouverts à la consultation analogique ou numérique durant trente jours à la maison de la province de la ou des provinces concernées en application des conditions visées dans le présent article.
§ 3. Si la consultation se fait par voie numérique, la personne qui consulte le dossier peut faire appel au support technique de l'autorité auprès de laquelle le dossier peut être consulté.
[1 § 4. Si la demande de permis comporte un RIE du projet ou un RSE non encore approuvé, elle peut être consultée par voie numérique, à l'exception des plans et documents réalisés par un architecte et protégés par le droit d'auteur, qui sont soustraits à la publicité, via le guichet environnement.]1
Durant l'enquête publique, les documents suivants sont également ouverts à la consultation dans la mesure où l'autorité auprès de laquelle le dossier peut être consulté dispose de ces documents la veille de la date de début de l'enquête publique :
1° [4 ...]4
2° les avis rendus par les instances d'avis mentionnées aux [2 articles 35, 37, 38/1 ou 38/3]2, le collège consultatif des échevins et, le cas échéant, la POVC ou la GOVC dans l'instance en question ;
3° la décision concernant l'approbation du RIE du projet ou du RSE ;
4° la décision du conseil communal [3 concernant l'aménagement, la modification, le déplacement ou la suppression de la voirie communale]3, visée à l'article 31 du décret du 25 avril 2014 ;
5° la décision en première instance.
Le premier jour auquel la demande de permis et les documents visés à l'alinéa 2 sont ouverts à la consultation est la date de début de l'enquête publique.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, alinéa 1er, les demandes de permis pour des projets mobiles ou transportables supracommunaux et, le cas échéant, le résultat de l'examen visé aux articles 19 et 20 du décret du 25 avril 2014, sont ouverts à la consultation analogique ou numérique durant trente jours à la maison de la province de la ou des provinces concernées en application des conditions visées dans le présent article.
§ 3. Si la consultation se fait par voie numérique, la personne qui consulte le dossier peut faire appel au support technique de l'autorité auprès de laquelle le dossier peut être consulté.
[1 § 4. Si la demande de permis comporte un RIE du projet ou un RSE non encore approuvé, elle peut être consultée par voie numérique, à l'exception des plans et documents réalisés par un architecte et protégés par le droit d'auteur, qui sont soustraits à la publicité, via le guichet environnement.]1
Afdeling 7. - De informatievergadering
Section 7. - La séance d'information
Art. 25. § 1. Tijdens de eerste twintig dagen van het openbaar onderzoek organiseert de gemeente, samen met de vergunningsaanvrager en het bevoegde bestuur, ten minste één informatievergadering over vergunningsaanvragen die betrekking hebben op de exploitatie van in de eerste klasse ingedeelde inrichtingen of activiteiten die een project-MER of een OVR omvatten.
Als het voorwerp van de vergunningsaanvraag in twee of meer gemeenten uitgevoerd zal worden, volstaat het om een gemeenschappelijke informatievergadering te organiseren.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 organiseert de provincie, samen met de vergunningsaanvrager en het bevoegde bestuur, ten minste één informatievergadering over de vergunningsaanvraag voor bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten als die een project-MER of een OVR omvat, met toepassing van de voorwaarden, vermeld in dit artikel.
Als het voorwerp van die vergunningsaanvraag in twee of meer provincies uitgevoerd zal worden, volstaat het om een gemeenschappelijke informatievergadering te organiseren.
§ 3. De gemeente respectievelijk de provincie nodigt de volgende personen of instanties analoog of digitaal uit voor de informatievergadering :
1° de vergunningsaanvrager;
2° het bevoegde bestuur;
3° de adviesinstanties, vermeld in [1 artikel 35, 37, 38/1 of 38/3]1;
4° de voorzitter van de POVC of van de GOVC als de deputatie, respectievelijk de Vlaamse Regering de bevoegde overheid is.
Op de informatievergadering, vermeld in paragraaf 2, worden ook de colleges van burgemeester en schepenen van het grondgebied waarop de exploitatie plaatsvindt, door de provincie uitgenodigd.
§ 4. Een lid van het bevoegde bestuur zit de informatievergadering voor. De vergunningsaanvrager of zijn afgevaardigde geeft op die vergadering een toelichting over de vergunningsaanvraag en beantwoordt vragen. Een lid van de gemeente respectievelijk de provincie of een afgevaardigde ervan stelt een verslag van de vergadering op.
[2 § 5. De gemeente kan, in samenspraak met de aanvrager en in voorkomend geval het bevoegd bestuur, beslissen om de informatievergadering via elektronische middelen te houden. In afwijking van paragraaf 1, wordt dergelijke informatievergadering georganiseerd tijdens de eerste tien dagen van het openbaar onderzoek.
De toelichting over de vergunningsaanvraag blijft digitaal publiek beschikbaar minstens tot en met de laatste dag van het openbaar onderzoek. Wordt een informatievergadering via elektronische middelen gehouden, kunnen vragen gesteld worden tot vijf dagen na de informatievergadering en worden door de aanvrager antwoorden gegeven uiterlijk tien dagen voor het verstrijken van het openbaar onderzoek. Vanaf het ogenblik van beantwoording zijn vraag en antwoord digitaal publiek beschikbaar minstens tot en met de laatste dag van het openbaar onderzoek. De vragen en antwoorden die op deze manier behandeld worden, worden mee opgenomen in het verslag van de vergadering, bedoeld in paragraaf 4.
Burgers kunnen de toelichting van de digitale informatievergadering en de digitale antwoorden tijdens het openbaar onderzoek raadplegen bij de betrokken gemeente.]2
Als het voorwerp van de vergunningsaanvraag in twee of meer gemeenten uitgevoerd zal worden, volstaat het om een gemeenschappelijke informatievergadering te organiseren.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 organiseert de provincie, samen met de vergunningsaanvrager en het bevoegde bestuur, ten minste één informatievergadering over de vergunningsaanvraag voor bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten als die een project-MER of een OVR omvat, met toepassing van de voorwaarden, vermeld in dit artikel.
Als het voorwerp van die vergunningsaanvraag in twee of meer provincies uitgevoerd zal worden, volstaat het om een gemeenschappelijke informatievergadering te organiseren.
§ 3. De gemeente respectievelijk de provincie nodigt de volgende personen of instanties analoog of digitaal uit voor de informatievergadering :
1° de vergunningsaanvrager;
2° het bevoegde bestuur;
3° de adviesinstanties, vermeld in [1 artikel 35, 37, 38/1 of 38/3]1;
4° de voorzitter van de POVC of van de GOVC als de deputatie, respectievelijk de Vlaamse Regering de bevoegde overheid is.
Op de informatievergadering, vermeld in paragraaf 2, worden ook de colleges van burgemeester en schepenen van het grondgebied waarop de exploitatie plaatsvindt, door de provincie uitgenodigd.
§ 4. Een lid van het bevoegde bestuur zit de informatievergadering voor. De vergunningsaanvrager of zijn afgevaardigde geeft op die vergadering een toelichting over de vergunningsaanvraag en beantwoordt vragen. Een lid van de gemeente respectievelijk de provincie of een afgevaardigde ervan stelt een verslag van de vergadering op.
[2 § 5. De gemeente kan, in samenspraak met de aanvrager en in voorkomend geval het bevoegd bestuur, beslissen om de informatievergadering via elektronische middelen te houden. In afwijking van paragraaf 1, wordt dergelijke informatievergadering georganiseerd tijdens de eerste tien dagen van het openbaar onderzoek.
De toelichting over de vergunningsaanvraag blijft digitaal publiek beschikbaar minstens tot en met de laatste dag van het openbaar onderzoek. Wordt een informatievergadering via elektronische middelen gehouden, kunnen vragen gesteld worden tot vijf dagen na de informatievergadering en worden door de aanvrager antwoorden gegeven uiterlijk tien dagen voor het verstrijken van het openbaar onderzoek. Vanaf het ogenblik van beantwoording zijn vraag en antwoord digitaal publiek beschikbaar minstens tot en met de laatste dag van het openbaar onderzoek. De vragen en antwoorden die op deze manier behandeld worden, worden mee opgenomen in het verslag van de vergadering, bedoeld in paragraaf 4.
Burgers kunnen de toelichting van de digitale informatievergadering en de digitale antwoorden tijdens het openbaar onderzoek raadplegen bij de betrokken gemeente.]2
Art. 25. § 1er. Durant les vingt premiers jours de l'enquête publique, la commune organise conjointement avec le demandeur du permis et l'administration compétente au moins une séance d'information sur les demandes de permis qui ont trait à l'exploitation d'établissements ou d'activités classés dans la première classe qui comprennent un RIE du projet ou un RSE.
Lorsque l'objet de la demande de permis sera exécuté dans deux ou plusieurs communes, l'organisation d'une séance commune d'information suffit.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, la province organise, conjointement avec le demandeur du permis et l'administration compétente, au moins une séance d'information sur la demande de permis pour des projets mobiles ou transportables supracommunaux, lorsqu'elle comprend un RIE du projet ou un RSE, en application des conditions visées dans le présent article.
Lorsque l'objet de cette demande de permis sera exécuté dans deux ou plusieurs provinces, l'organisation d'une séance commune d'information suffit.
§ 3. La commune ou la province convie les personnes ou instances suivantes, par voie analogique ou numérique, à la séance d'information :
1° le demandeur du permis ;
2° l'administration compétente ;
3° les instances d'avis, mentionnées aux [1 articles 35, 37, 38/1 ou 38/3]1 ;
4° le président de la POVC ou de la GOVC selon que l'autorité compétente est la députation ou le Gouvernement flamand.
La province convie également les collèges des bourgmestre et échevins du territoire sur lequel a lieu l'exploitation à la séance d'information visée au paragraphe 2.
§ 4. Un membre de l'administration compétente préside la séance d'information. Lors de cette séance, le demandeur du permis ou son délégué donne des explications sur la demande de permis et répond aux questions. Un membre de la commune ou de la province ou un délégué dresse un compte rendu de la séance.
[2 § 5. La commune peut, en concertation avec le demandeur et, le cas échéant, l'administration compétente, décider de tenir la séance d'information par voie électronique. Par dérogation au paragraphe 1er, une telle séance d'information est organisée durant les dix premiers jours de l'enquête publique.
Les explications sur la demande de permis restent accessibles au public par voie numérique au moins jusqu'au dernier jour de l'enquête publique. Si une séance d'information est tenue par voie électronique, les questions peuvent être posées jusqu'à cinq jours suivant ladite séance et le demandeur y répond au plus tard dix jours avant l'expiration de l'enquête publique. A partir du moment où la réponse a été apportée, la question et la réponse sont accessibles au public par voie numérique au moins jusqu'au dernier jour de l'enquête publique. Les questions et réponses traitées de la sorte sont consignées dans le compte rendu de la séance visé au paragraphe 4.
Durant l'enquête publique, les citoyens peuvent consulter les explications fournies à la séance d'information numérique et les réponses numériques auprès de la commune concernée.]2
Lorsque l'objet de la demande de permis sera exécuté dans deux ou plusieurs communes, l'organisation d'une séance commune d'information suffit.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, la province organise, conjointement avec le demandeur du permis et l'administration compétente, au moins une séance d'information sur la demande de permis pour des projets mobiles ou transportables supracommunaux, lorsqu'elle comprend un RIE du projet ou un RSE, en application des conditions visées dans le présent article.
Lorsque l'objet de cette demande de permis sera exécuté dans deux ou plusieurs provinces, l'organisation d'une séance commune d'information suffit.
§ 3. La commune ou la province convie les personnes ou instances suivantes, par voie analogique ou numérique, à la séance d'information :
1° le demandeur du permis ;
2° l'administration compétente ;
3° les instances d'avis, mentionnées aux [1 articles 35, 37, 38/1 ou 38/3]1 ;
4° le président de la POVC ou de la GOVC selon que l'autorité compétente est la députation ou le Gouvernement flamand.
La province convie également les collèges des bourgmestre et échevins du territoire sur lequel a lieu l'exploitation à la séance d'information visée au paragraphe 2.
§ 4. Un membre de l'administration compétente préside la séance d'information. Lors de cette séance, le demandeur du permis ou son délégué donne des explications sur la demande de permis et répond aux questions. Un membre de la commune ou de la province ou un délégué dresse un compte rendu de la séance.
[2 § 5. La commune peut, en concertation avec le demandeur et, le cas échéant, l'administration compétente, décider de tenir la séance d'information par voie électronique. Par dérogation au paragraphe 1er, une telle séance d'information est organisée durant les dix premiers jours de l'enquête publique.
Les explications sur la demande de permis restent accessibles au public par voie numérique au moins jusqu'au dernier jour de l'enquête publique. Si une séance d'information est tenue par voie électronique, les questions peuvent être posées jusqu'à cinq jours suivant ladite séance et le demandeur y répond au plus tard dix jours avant l'expiration de l'enquête publique. A partir du moment où la réponse a été apportée, la question et la réponse sont accessibles au public par voie numérique au moins jusqu'au dernier jour de l'enquête publique. Les questions et réponses traitées de la sorte sont consignées dans le compte rendu de la séance visé au paragraphe 4.
Durant l'enquête publique, les citoyens peuvent consulter les explications fournies à la séance d'information numérique et les réponses numériques auprès de la commune concernée.]2
Afdeling 8. - Het formuleren van standpunten, opmerkingen en bezwaren
Section 8. - La formulation de points de vue, observations et objections
Art. 26. Gedurende de periode waarin het openbaar onderzoek loopt, kan iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon standpunten, opmerkingen en bezwaren analoog of via het omgevingsloket meedelen aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag uitgevoerd zal worden.
In afwijking van het eerste lid worden standpunten, opmerkingen en bezwaren over vergunningsaanvragen voor bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten analoog of via het omgevingsloket meegedeeld aan de deputatie, met toepassing van de voorwaarden, vermeld in dit artikel.
In afwijking van het eerste lid worden standpunten, opmerkingen en bezwaren over vergunningsaanvragen voor bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten analoog of via het omgevingsloket meegedeeld aan de deputatie, met toepassing van de voorwaarden, vermeld in dit artikel.
Art. 26. Durant la période de l'enquête publique, toute personne physique ou morale peut communiquer ses points de vue, observations et objections, par voie analogique ou via le guichet environnement, au collège des bourgmestre et échevins de la commune où sera exécuté l'objet de la demande de permis.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les points de vue, observations et objections sur des demandes de permis pour des projets mobiles ou transportables supracommunaux sont communiqués, par voie analogique ou via le guichet environnement, à la députation, en application des conditions visées dans le présent article.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les points de vue, observations et objections sur des demandes de permis pour des projets mobiles ou transportables supracommunaux sont communiqués, par voie analogique ou via le guichet environnement, à la députation, en application des conditions visées dans le présent article.
Afdeling 9. - Landsgrens- en gewestgrensoverschrijdende effecten
Section 9. - Incidences transfrontières nationales et régionales
Art. 27. § 1. Als het bevoegde bestuur vaststelt dat het voorwerp van de vergunningsaanvraag aanzienlijke effecten kan hebben voor mens en milieu in een ander gewest, een andere EU-lidstaat of een verdragspartij bij het Verdrag van Espoo, of als de bevoegde autoriteit van dat andere gewest, de EU-lidstaat of de verdragspartij bij het Verdrag van Espoo, daarom verzoekt, stelt het bevoegde bestuur de vergunningsaanvraag voor advies ter beschikking aan de bevoegde autoriteit.
Bovendien wordt vermeld of de vergunningsaanvraag al dan niet onderworpen is aan een [2 milieubeoordeling als vermeld in artikel 4.1.1., 6°, van het DABM]2 of aan het overleg tussen de gewesten, de EU-lidstaten of andere verdragspartijen in kwestie. [2 Als de vergunningsaanvraag onderworpen is aan een milieubeoordeling als vermeld in artikel 4.1.1., 6°, van het DABM, dan is artikel 53 van het m.e.r.-besluit van toepassing]2
De gegevens, vermeld in het tweede lid, dienen als basis voor het nodige overleg in het kader van de bilaterale betrekkingen tussen de gewesten, de EU-lidstaten of een verdragspartij bij het Verdrag van Espoo volgens het beginsel van wederkerigheid en gelijke behandeling.
§ 2. Zo spoedig mogelijk en uiterlijk de dag voor de begindatum van het openbaar onderzoek brengt de overheid waarbij het dossier ter inzage ligt de bevoegde autoriteit op de hoogte van de gegevens, vermeld in artikel 18, tweede lid.
§ 3. De belanghebbende inwoners van het betrokken gewest, de betrokken EU-lidstaat of de verdragspartij bij het Verdrag van Espoo kunnen deelnemen aan :
1° het openbaar onderzoek, vermeld in artikel 16;
2° het openbaar onderzoek dat de bevoegde autoriteit op basis van het ontvangen vergunningsaanvraagdossier eventueel op haar eigen grondgebied organiseert.
De bevoegde autoriteit deelt haar eventuele opmerkingen, samen met de resultaten van het eventueel door haar georganiseerde openbaar onderzoek, tegelijkertijd mee aan de bevoegde overheid en [2 het VECM]2 binnen een termijn van [1 vijftig dagen]1 na de datum van de terbeschikkingstelling, vermeld in het eerste lid.
§ 4. Als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op een MER-plichtige inrichting, wordt met het betrokken gewest of de EU-lidstaat overleg gepleegd over onder andere de potentiële grensoverschrijdende effecten van de inrichting en de maatregelen die worden overwogen om die effecten te beperken of teniet te doen, en wordt een redelijke termijn overeengekomen waarin het overleg moet plaatsvinden.
Bovendien wordt vermeld of de vergunningsaanvraag al dan niet onderworpen is aan een [2 milieubeoordeling als vermeld in artikel 4.1.1., 6°, van het DABM]2 of aan het overleg tussen de gewesten, de EU-lidstaten of andere verdragspartijen in kwestie. [2 Als de vergunningsaanvraag onderworpen is aan een milieubeoordeling als vermeld in artikel 4.1.1., 6°, van het DABM, dan is artikel 53 van het m.e.r.-besluit van toepassing]2
De gegevens, vermeld in het tweede lid, dienen als basis voor het nodige overleg in het kader van de bilaterale betrekkingen tussen de gewesten, de EU-lidstaten of een verdragspartij bij het Verdrag van Espoo volgens het beginsel van wederkerigheid en gelijke behandeling.
§ 2. Zo spoedig mogelijk en uiterlijk de dag voor de begindatum van het openbaar onderzoek brengt de overheid waarbij het dossier ter inzage ligt de bevoegde autoriteit op de hoogte van de gegevens, vermeld in artikel 18, tweede lid.
§ 3. De belanghebbende inwoners van het betrokken gewest, de betrokken EU-lidstaat of de verdragspartij bij het Verdrag van Espoo kunnen deelnemen aan :
1° het openbaar onderzoek, vermeld in artikel 16;
2° het openbaar onderzoek dat de bevoegde autoriteit op basis van het ontvangen vergunningsaanvraagdossier eventueel op haar eigen grondgebied organiseert.
De bevoegde autoriteit deelt haar eventuele opmerkingen, samen met de resultaten van het eventueel door haar georganiseerde openbaar onderzoek, tegelijkertijd mee aan de bevoegde overheid en [2 het VECM]2 binnen een termijn van [1 vijftig dagen]1 na de datum van de terbeschikkingstelling, vermeld in het eerste lid.
§ 4. Als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op een MER-plichtige inrichting, wordt met het betrokken gewest of de EU-lidstaat overleg gepleegd over onder andere de potentiële grensoverschrijdende effecten van de inrichting en de maatregelen die worden overwogen om die effecten te beperken of teniet te doen, en wordt een redelijke termijn overeengekomen waarin het overleg moet plaatsvinden.
Art. 27. § 1er. Si l'administration compétente constate que l'objet de la demande de permis peut avoir des incidences considérables sur l'homme et l'environnement dans une autre région, un autre Etat membre de l'UE ou une partie contractante à la convention d'Espoo ou si l'autorité compétente de cette autre région, de l'Etat membre de l'UE ou de la partie contractante à la convention d'Espoo le demande, l'administration compétente met la demande de permis à la disposition de l'autorité compétente pour avis.
Il est en outre indiqué si la demande de permis a ou n'a pas été soumise à [2 une évaluation environnementale telle que visée à l'article 4.1.1., 6°, du DABM]2 ou à la concertation entre les régions, les Etats membres de l'UE ou autres parties contractantes en question. [2 Si la demande d'autorisation est soumise à une évaluation environnementale telle que visée à l'article 4.1.1., 6°, du DABM, l'article 53 de l'arrêté R.I.E. s'applique.]2
Les données visées à l'alinéa 2 servent de base à la concertation nécessaire dans le cadre des relations bilatérales entre les régions, les Etats membres de l'UE ou une partie contractante à la convention d'Espoo conformément au principe de la réciprocité et de l'égalité de traitement.
§ 2. L'autorité auprès de laquelle le dossier peut être consulté informe l'autorité compétente, dans les plus brefs délais et au plus tard la veille de la date de début de l'enquête publique, des données visées à l'article 18, alinéa 2.
§ 3. Les habitants intéressés de la région concernée, de l'Etat membre de l'UE concerné ou de la partie contractante à la convention d'Espoo concernée peuvent prendre part à :
1° l'enquête publique visée à l'article 16 ;
2° à l'enquête publique que l'autorité compétente organise éventuellement sur son propre territoire sur la base du dossier de demande de permis reçu.
L'autorité compétente communique ses observations éventuelles de même que les résultats de l'enquête publique qu'elle a éventuellement organisée simultanément à l'autorité compétente et [2 au VECM, ]2 [1 dans le délai de cinquante jours]1 qui suivent la date de la mise à disposition visée à l'alinéa 1er.
§ 4. Si la demande de permis porte sur un établissement soumis à une obligation RIE, une consultation a lieu avec la région concernée ou l'Etat membre de l'UE portant, entre autres, sur les incidences transfrontières potentielles de l'établissement et sur les mesures envisagées pour réduire ou éliminer ces incidences, et il est convenu d'un délai raisonnable dans lequel la consultation doit avoir lieu.
Il est en outre indiqué si la demande de permis a ou n'a pas été soumise à [2 une évaluation environnementale telle que visée à l'article 4.1.1., 6°, du DABM]2 ou à la concertation entre les régions, les Etats membres de l'UE ou autres parties contractantes en question. [2 Si la demande d'autorisation est soumise à une évaluation environnementale telle que visée à l'article 4.1.1., 6°, du DABM, l'article 53 de l'arrêté R.I.E. s'applique.]2
Les données visées à l'alinéa 2 servent de base à la concertation nécessaire dans le cadre des relations bilatérales entre les régions, les Etats membres de l'UE ou une partie contractante à la convention d'Espoo conformément au principe de la réciprocité et de l'égalité de traitement.
§ 2. L'autorité auprès de laquelle le dossier peut être consulté informe l'autorité compétente, dans les plus brefs délais et au plus tard la veille de la date de début de l'enquête publique, des données visées à l'article 18, alinéa 2.
§ 3. Les habitants intéressés de la région concernée, de l'Etat membre de l'UE concerné ou de la partie contractante à la convention d'Espoo concernée peuvent prendre part à :
1° l'enquête publique visée à l'article 16 ;
2° à l'enquête publique que l'autorité compétente organise éventuellement sur son propre territoire sur la base du dossier de demande de permis reçu.
L'autorité compétente communique ses observations éventuelles de même que les résultats de l'enquête publique qu'elle a éventuellement organisée simultanément à l'autorité compétente et [2 au VECM, ]2 [1 dans le délai de cinquante jours]1 qui suivent la date de la mise à disposition visée à l'alinéa 1er.
§ 4. Si la demande de permis porte sur un établissement soumis à une obligation RIE, une consultation a lieu avec la région concernée ou l'Etat membre de l'UE portant, entre autres, sur les incidences transfrontières potentielles de l'établissement et sur les mesures envisagées pour réduire ou éliminer ces incidences, et il est convenu d'un délai raisonnable dans lequel la consultation doit avoir lieu.
Art. 28. § 1. Als het bevoegde bestuur vaststelt dat het voorwerp van de vergunningsaanvraag voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting die een inrichting omvat, vermeld in rubriek 17.2.2 van de indelingslijst, waarschijnlijk betekenisvolle effecten ten gevolge van een zwaar ongeval kan hebben voor mens of milieu van een ander gewest, een andere EU-lidstaat of een verdragspartij bij het Verdrag van Helsinki, of als de bevoegde autoriteit van dat andere gewest, de EU-lidstaat of de verdragspartij bij het Verdrag van Helsinki, daarom verzoekt, stelt het bevoegde bestuur de vergunningsaanvraag voor advies ter beschikking van de bevoegde autoriteit.
Bovendien wordt vermeld of de vergunningsaanvraag al dan niet onderworpen is aan een omgevingsveiligheidsrapportage of aan het overleg tussen de gewesten, EU-lidstaten of andere verdragspartijen in kwestie.
Die gegevens dienen als basis voor het nodige overleg in het kader van de bilaterale betrekkingen tussen de gewesten, de EU-lidstaten of een verdragspartij bij het Verdrag van Helsinki volgens het beginsel van wederkerigheid en gelijke behandeling.
§ 2. Zo spoedig mogelijk en uiterlijk de dag voor de begindatum van het openbaar onderzoek brengt de overheid waarbij het dossier ter inzage ligt de bevoegde autoriteit op de hoogte van de gegevens, vermeld in artikel 18, tweede lid.
§ 3. De belanghebbende inwoners van het betrokken gewest, de EU-lidstaat of de verdragspartij bij het Verdrag van Helsinki kunnen deelnemen aan :
1° het openbaar onderzoek, vermeld in artikel 16;
2° het openbaar onderzoek dat de bevoegde autoriteit op basis van het ontvangen vergunningsaanvraagdossier eventueel op haar eigen grondgebied organiseert.
De bevoegde autoriteit deelt haar eventuele opmerkingen, samen met de resultaten van het eventueel door haar georganiseerde openbaar onderzoek, tegelijkertijd mee aan de bevoegde overheid en [1 de afdeling, bevoegd voor veiligheidsrapportage]1 binnen een termijn van twee maanden na de datum van de terbeschikkingstelling, vermeld in het eerste lid.
Bovendien wordt vermeld of de vergunningsaanvraag al dan niet onderworpen is aan een omgevingsveiligheidsrapportage of aan het overleg tussen de gewesten, EU-lidstaten of andere verdragspartijen in kwestie.
Die gegevens dienen als basis voor het nodige overleg in het kader van de bilaterale betrekkingen tussen de gewesten, de EU-lidstaten of een verdragspartij bij het Verdrag van Helsinki volgens het beginsel van wederkerigheid en gelijke behandeling.
§ 2. Zo spoedig mogelijk en uiterlijk de dag voor de begindatum van het openbaar onderzoek brengt de overheid waarbij het dossier ter inzage ligt de bevoegde autoriteit op de hoogte van de gegevens, vermeld in artikel 18, tweede lid.
§ 3. De belanghebbende inwoners van het betrokken gewest, de EU-lidstaat of de verdragspartij bij het Verdrag van Helsinki kunnen deelnemen aan :
1° het openbaar onderzoek, vermeld in artikel 16;
2° het openbaar onderzoek dat de bevoegde autoriteit op basis van het ontvangen vergunningsaanvraagdossier eventueel op haar eigen grondgebied organiseert.
De bevoegde autoriteit deelt haar eventuele opmerkingen, samen met de resultaten van het eventueel door haar georganiseerde openbaar onderzoek, tegelijkertijd mee aan de bevoegde overheid en [1 de afdeling, bevoegd voor veiligheidsrapportage]1 binnen een termijn van twee maanden na de datum van de terbeschikkingstelling, vermeld in het eerste lid.
Art. 28. § 1er. Si l'administration compétente constate que l'objet de la demande de permis pour l'exploitation d'un établissement classé qui comprend un établissement visé à la rubrique 17.2.2 de la liste de classification est susceptible d'avoir, à la suite d'un accident majeur, des incidences significatives sur l'homme ou l'environnement dans une autre région, un autre Etat membre de l'UE ou une partie contractante à la convention de Helsinki ou si l'autorité compétente de cette autre région, de l'Etat membre de l'UE ou de la partie contractante à la convention de Helsinki le demande, l'administration compétente met la demande de permis à la disposition de l'autorité compétente pour avis.
Il est en outre indiqué si la demande de permis a ou n'a pas été soumise à un rapport de sécurité environnementale ou à la concertation entre les régions, les Etats membres de l'UE ou autres parties contractantes en question.
Ces données servent de base à la concertation nécessaire dans le cadre des relations bilatérales entre les régions, les Etats membres de l'UE ou une partie contractante à la convention de Helsinki conformément au principe de la réciprocité et de l'égalité de traitement.
§ 2. L'autorité auprès de laquelle le dossier peut être consulté informe l'autorité compétente, dans les plus brefs délais et au plus tard la veille de la date de début de l'enquête publique, des données visées à l'article 18, alinéa 2.
§ 3. Les habitants intéressés de la région concernée, de l'Etat membre de l'UE ou de la partie contractante à la convention de Helsinki concernée peuvent prendre part à :
1° l'enquête publique visée à l'article 16 ;
2° à l'enquête publique que l'autorité compétente organise éventuellement sur son propre territoire sur la base du dossier de demande de permis reçu.
L'autorité compétente communique ses observations éventuelles de même que les résultats de l'enquête publique qu'elle a éventuellement organisée simultanément à l'autorité compétente et [1 à la division compétente pour les rapports de sécurité,]1 dans les deux mois qui suivent la date de la mise à disposition visée à l'alinéa 1er.
Il est en outre indiqué si la demande de permis a ou n'a pas été soumise à un rapport de sécurité environnementale ou à la concertation entre les régions, les Etats membres de l'UE ou autres parties contractantes en question.
Ces données servent de base à la concertation nécessaire dans le cadre des relations bilatérales entre les régions, les Etats membres de l'UE ou une partie contractante à la convention de Helsinki conformément au principe de la réciprocité et de l'égalité de traitement.
§ 2. L'autorité auprès de laquelle le dossier peut être consulté informe l'autorité compétente, dans les plus brefs délais et au plus tard la veille de la date de début de l'enquête publique, des données visées à l'article 18, alinéa 2.
§ 3. Les habitants intéressés de la région concernée, de l'Etat membre de l'UE ou de la partie contractante à la convention de Helsinki concernée peuvent prendre part à :
1° l'enquête publique visée à l'article 16 ;
2° à l'enquête publique que l'autorité compétente organise éventuellement sur son propre territoire sur la base du dossier de demande de permis reçu.
L'autorité compétente communique ses observations éventuelles de même que les résultats de l'enquête publique qu'elle a éventuellement organisée simultanément à l'autorité compétente et [1 à la division compétente pour les rapports de sécurité,]1 dans les deux mois qui suivent la date de la mise à disposition visée à l'alinéa 1er.
Art. 28/1. [2 Als het project vergunningsplichtige kleinhandelsactiviteiten omvat met een netto handelsoppervlakte van meer dan 20.000 vierkante meter, gelegen op een afstand van minder dan twintig kilometer van een ander gewest of van verschillende andere gewesten, wordt de beveiligde zending, vermeld in artikel 27/1 van het decreet van 25 april 2014 gericht aan het Agentschap Innoveren en Ondernemen.]2
[1 Als het project vergunningsplichtige kleinhandelsactiviteiten omvat met een netto handelsoppervlakte van meer dan 20.000 vierkante meter, gelegen op een afstand van minder dan twintig kilometer van een ander gewest of van verschillende andere gewesten, dan vervult de Vlaamse Regering of de gewestelijke omgevingsambtenaar de verplichtingen, opgenomen in artikel 6, § 5bis, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.]1
[1 Als het project vergunningsplichtige kleinhandelsactiviteiten omvat met een netto handelsoppervlakte van meer dan 20.000 vierkante meter, gelegen op een afstand van minder dan twintig kilometer van een ander gewest of van verschillende andere gewesten, dan vervult de Vlaamse Regering of de gewestelijke omgevingsambtenaar de verplichtingen, opgenomen in artikel 6, § 5bis, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.]1
Art. 28/1. [2 Si le projet comprend des activités de commerce de détail soumises à autorisation ayant une superficie commerciale nette supérieure à 20.000 mètres carrés, situées à une distance de moins de vingt kilomètres d'une autre région ou de plusieurs autres régions, l'envoi sécurisé visé à l'article 27/1 du décret du 25 avril 2014 est adressé à l'Agence de l'Innovation et de l'Entrepreneuriat.]2
[1 Si le projet comprend des activités de commerce de détail soumises à autorisation ayant une superficie commerciale nette supérieure à 20.000 mètres carrés, situées à une distance de moins de vingt kilomètres d'une autre région ou de plusieurs autres régions, le Gouvernement flamand ou le fonctionnaire environnement régional remplit les obligations, reprises à l'article 6, § 5bis, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles.]1
[1 Si le projet comprend des activités de commerce de détail soumises à autorisation ayant une superficie commerciale nette supérieure à 20.000 mètres carrés, situées à une distance de moins de vingt kilomètres d'une autre région ou de plusieurs autres régions, le Gouvernement flamand ou le fonctionnaire environnement régional remplit les obligations, reprises à l'article 6, § 5bis, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles.]1
Afdeling 10. - Het afsluiten van het openbaar onderzoek
Section 10. - La clôture de l'enquête publique
Art. 29. § 1. Uiterlijk tien dagen na het verstrijken van de duur van het openbaar onderzoek stelt de gemeente waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag uitgevoerd zal worden, in voorkomend geval de volgende gegevens ter beschikking :
1° het verslag van de informatievergadering, vermeld in artikel 25;
2° de standpunten, opmerkingen en bezwaren die zijn ingediend tijdens het openbaar onderzoek [1 of een mededeling dat er geen analoge standpunten, opmerkingen en bezwaren zijn ingediend]1.
De gegevens, vermeld in het eerste lid, worden ter beschikking gesteld van :
1° hetzij de bevoegde omgevingsvergunningscommissie als die advies moet verlenen, hetzij het bevoegde bestuur als geen advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is;
2° [2 de afdeling, bevoegd voor veiligheidsrapportage of het VECM overeenkomstig artikel 51 van het m.e.r.-besluit]2 als de vergunningsaanvraag een nog niet goedgekeurd project-MER of een nog niet goedgekeurd OVR omvat;
3° de gemeenteraad, als artikel 47 van toepassing is.
§ 2. Het openbaar onderzoek over vergunningsaanvragen voor bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten wordt afgesloten conform paragraaf 1, waarbij de gemeente gelezen moet worden als de provincie of provincies.
1° het verslag van de informatievergadering, vermeld in artikel 25;
2° de standpunten, opmerkingen en bezwaren die zijn ingediend tijdens het openbaar onderzoek [1 of een mededeling dat er geen analoge standpunten, opmerkingen en bezwaren zijn ingediend]1.
De gegevens, vermeld in het eerste lid, worden ter beschikking gesteld van :
1° hetzij de bevoegde omgevingsvergunningscommissie als die advies moet verlenen, hetzij het bevoegde bestuur als geen advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is;
2° [2 de afdeling, bevoegd voor veiligheidsrapportage of het VECM overeenkomstig artikel 51 van het m.e.r.-besluit]2 als de vergunningsaanvraag een nog niet goedgekeurd project-MER of een nog niet goedgekeurd OVR omvat;
3° de gemeenteraad, als artikel 47 van toepassing is.
§ 2. Het openbaar onderzoek over vergunningsaanvragen voor bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten wordt afgesloten conform paragraaf 1, waarbij de gemeente gelezen moet worden als de provincie of provincies.
Art. 29. § 1er. Au plus tard dix jours après l'expiration de la durée de l'enquête publique, la commune où sera exécuté l'objet de la demande de permis met, le cas échéant, les données suivantes à disposition :
1° le compte rendu de la séance d'information visée à l'article 25 ;
2° les points de vue, observations et objections introduits durant l'enquête publique [1 ou une communication selon laquelle il n'a pas été introduit de points de vue, observations et objections par voie analogique]1.
Les données visées à l'alinéa 1er sont mises à la disposition :
1° soit de la commission du permis d'environnement compétente si elle doit rendre un avis, soit de l'administration compétente si l'avis d'une commission du permis d'environnement n'est pas requis ;
2° [2 de la division compétente pour les rapports de sécurité ou le VECM, conformément à l'article 51 de l'arrêté R.I.E.,]2 si la demande de permis comprend une RIE du projet ou un RSE non encore approuvé ;
3° du conseil communal, si l'article 47 s'applique.
§ 2. L'enquête publique sur des demandes de permis pour des projets mobiles ou transportables supracommunaux est clôturée conformément au paragraphe 1er, étant entendu qu'il convient de lire la province ou les provinces au lieu de commune.
1° le compte rendu de la séance d'information visée à l'article 25 ;
2° les points de vue, observations et objections introduits durant l'enquête publique [1 ou une communication selon laquelle il n'a pas été introduit de points de vue, observations et objections par voie analogique]1.
Les données visées à l'alinéa 1er sont mises à la disposition :
1° soit de la commission du permis d'environnement compétente si elle doit rendre un avis, soit de l'administration compétente si l'avis d'une commission du permis d'environnement n'est pas requis ;
2° [2 de la division compétente pour les rapports de sécurité ou le VECM, conformément à l'article 51 de l'arrêté R.I.E.,]2 si la demande de permis comprend une RIE du projet ou un RSE non encore approuvé ;
3° du conseil communal, si l'article 47 s'applique.
§ 2. L'enquête publique sur des demandes de permis pour des projets mobiles ou transportables supracommunaux est clôturée conformément au paragraphe 1er, étant entendu qu'il convient de lire la province ou les provinces au lieu de commune.
Hoofdstuk 6. - Adviesinstanties
Chapitre 6. - Instances d'avis
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Section 1re. - Dispositions générales
Art. 30. Als een vergunningsaanvraag of een beroep uitgaat van een instantie die conform [1 artikel 35, 37, 38/1 of 38/3]1 advies moet uitbrengen, verleent die instantie geen advies.
Art. 30. Lorsqu'une demande de permis ou un recours émane d'une instance chargée de rendre un avis conformément aux [1 articles 35, 37, 38/1 ou 38/3]1, cette instance ne rend pas d'avis.
Art. 31. [1 Als een vergunningsaanvraag of een beroep betrekking heeft op twee of meer van de vergunningsplichten, vermeld in artikel 5, 1°, van het decreet van 25 april 2014, zijn de artikels die de adviesinstanties voor de vergunningsplichten in kwestie bepalen van toepassing. Daarbij hoeft dezelfde adviesinstantie als vermeld in artikel 35, 37, 38/1 of 38/3, maar één keer om advies gevraagd te worden en hoeft ze maar één advies uit te brengen.]1
[2 Als de vergunningsaanvraag of beroep onderworpen is aan een milieubeoordeling conform artikel 4.3.3. van het DABM, worden de adviesinstanties vermeld in het eerste lid maar één keer om advies gevraagd en moeten ze maar één advies uitbrengen over de vergunningsaanvraag en het bijhorende project-MER.]2
[2 Als de vergunningsaanvraag of beroep onderworpen is aan een milieubeoordeling conform artikel 4.3.3. van het DABM, worden de adviesinstanties vermeld in het eerste lid maar één keer om advies gevraagd en moeten ze maar één advies uitbrengen over de vergunningsaanvraag en het bijhorende project-MER.]2
Art. 31. [1 Si une demande d'autorisation ou un recours concerne deux ou plusieurs obligations d'autorisation, visées à l'article 5, 1°, du décret du 25 avril 2014, les articles fixés par les instances d'avis pour les obligations d'autorisation en question s'appliquent. La même instance d'avis que celle visée à l'article 35, 37, 38/1 ou 38/3 ne doit être consultée pour avis qu'une seule fois, et elle ne doit émettre qu'un seul avis.]1
[2 Si la demande d'autorisation ou le recours est soumis à une évaluation environnementale conformément à l'article 4.3.3. du DABM, les instances d'avis mentionnées à l'alinéa 1er ne sont consultées qu'une seule fois pour avis et ne doivent émettre qu'un seul avis sur la demande d'autorisation et le RIE du projet correspondant. "]2
[2 Si la demande d'autorisation ou le recours est soumis à une évaluation environnementale conformément à l'article 4.3.3. du DABM, les instances d'avis mentionnées à l'alinéa 1er ne sont consultées qu'une seule fois pour avis et ne doivent émettre qu'un seul avis sur la demande d'autorisation et le RIE du projet correspondant. "]2
Art. 32. In de gevallen, vermeld in artikel 68, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014, kan het advies van de adviesinstanties, vermeld in [1 artikel 35, 37 of 38/1]1, of het adviserend schepencollege, voor hun bevoegdheid een gemotiveerd voorstel bevatten voor de duur van de omgevingsvergunning.
Art. 32. Dans les cas visés à l'article 68, alinéa 2, du décret du 25 avril 2014, l'avis des instances d'avis mentionnées à l'[1 article 35, 37 ou 38/1]1, ou du collège consultatif des échevins peut contenir, pour leur compétence, une proposition motivée relative à la durée du permis d'environnement.
Art. 33. Als een adviesinstantie als vermeld in [1 artikel 35, 37, 38/1 of 38/3]1, of het adviserend schepencollege van oordeel is dat het aangevraagde vergunbaar is als voorwaarden worden opgelegd, bevat het advies een gemotiveerd voorstel voor die voorwaarden voor de eigen bevoegdheid.
Art. 33. Lorsqu'une instance d'avis mentionnée à l'[1 article 35, 37, 38/1 ou 38/3]1 ou le collège consultatif des échevins estime que la demande peut être autorisée si des conditions sont imposées, l'avis contient une proposition motivée relative à ces conditions pour leur propre compétence.
Art. 34. [1 § 1.]1 Het advies van het adviserend schepencollege bevat minstens de volgende gegevens :
1° de stedenbouwkundige voorschriften die van toepassing zijn op de percelen waarop de vergunningsaanvraag betrekking heeft;
2° de beschrijving van de bestemming die aan de omgeving in een straal van 500 meter rond het project is gegeven conform de plannen van aanleg en de ruimtelijke uitvoeringsplannen;
3° een gemotiveerde beoordeling van de verenigbaarheid van het aangevraagde met de omgeving en de goede ruimtelijke ordening;
4° in voorkomend geval, een gemotiveerde beoordeling van de aanvaardbaarheid van de ingedeelde inrichting of activiteit op het vlak van hinder en risico's voor de mens en het milieu;
5° in voorkomend geval, de voorwaarden die het college nuttig acht;
6° in voorkomend geval, een gemotiveerde beoordeling van de standpunten, opmerkingen en bezwaren die zijn ingediend tijdens het openbaar onderzoek.
[1 § 2. Het adviserende schepencollege of de deputatie kan subadvies inwinnen van de bevoegde hulpverleningszone.
Tenzij het anders is bepaald in de adviesvraag, wordt het subadvies verleend binnen een vervaltermijn van twintig dagen.
De vervaltermijn, vermeld in het tweede lid, gaat in op de dag na de ontvangst van de subadviesvraag.]1
1° de stedenbouwkundige voorschriften die van toepassing zijn op de percelen waarop de vergunningsaanvraag betrekking heeft;
2° de beschrijving van de bestemming die aan de omgeving in een straal van 500 meter rond het project is gegeven conform de plannen van aanleg en de ruimtelijke uitvoeringsplannen;
3° een gemotiveerde beoordeling van de verenigbaarheid van het aangevraagde met de omgeving en de goede ruimtelijke ordening;
4° in voorkomend geval, een gemotiveerde beoordeling van de aanvaardbaarheid van de ingedeelde inrichting of activiteit op het vlak van hinder en risico's voor de mens en het milieu;
5° in voorkomend geval, de voorwaarden die het college nuttig acht;
6° in voorkomend geval, een gemotiveerde beoordeling van de standpunten, opmerkingen en bezwaren die zijn ingediend tijdens het openbaar onderzoek.
[1 § 2. Het adviserende schepencollege of de deputatie kan subadvies inwinnen van de bevoegde hulpverleningszone.
Tenzij het anders is bepaald in de adviesvraag, wordt het subadvies verleend binnen een vervaltermijn van twintig dagen.
De vervaltermijn, vermeld in het tweede lid, gaat in op de dag na de ontvangst van de subadviesvraag.]1
Art. 34. [1 § 1er.]1 L'avis du collège consultatif des échevins contient au moins les données suivantes :
1° les prescriptions urbanistiques applicables aux parcelles visées par la demande de permis ;
2° la description de la destination donnée aux abords dans un rayon de 500 mètres autour du projet, conformément aux plans d'aménagement et aux plans d'exécution spatiaux ;
3° une appréciation motivée de la compatibilité de la demande avec les abords et l'aménagement adéquat du territoire ;
4° le cas échéant, une appréciation motivée de l'acceptabilité de l'établissement classé ou de l'activité classée en termes de nuisances et de risques pour l'homme et l'environnement ;
5° le cas échéant, les conditions que le collège juge utiles ;
6° le cas échéant, une appréciation motivée des points de vue, observations et objections introduits durant l'enquête publique.
[1 § 2. Le collège consultatif des échevins ou la députation peut recueillir un sous-avis auprès de la zone de secours compétente.
Sauf stipulation contraire dans la demande d'avis, le sous-avis est rendu dans le délai de vingt jours.
Le délai visé à l'alinéa 2 prend cours le lendemain de la réception de la demande de sous-avis.]1
1° les prescriptions urbanistiques applicables aux parcelles visées par la demande de permis ;
2° la description de la destination donnée aux abords dans un rayon de 500 mètres autour du projet, conformément aux plans d'aménagement et aux plans d'exécution spatiaux ;
3° une appréciation motivée de la compatibilité de la demande avec les abords et l'aménagement adéquat du territoire ;
4° le cas échéant, une appréciation motivée de l'acceptabilité de l'établissement classé ou de l'activité classée en termes de nuisances et de risques pour l'homme et l'environnement ;
5° le cas échéant, les conditions que le collège juge utiles ;
6° le cas échéant, une appréciation motivée des points de vue, observations et objections introduits durant l'enquête publique.
[1 § 2. Le collège consultatif des échevins ou la députation peut recueillir un sous-avis auprès de la zone de secours compétente.
Sauf stipulation contraire dans la demande d'avis, le sous-avis est rendu dans le délai de vingt jours.
Le délai visé à l'alinéa 2 prend cours le lendemain de la réception de la demande de sous-avis.]1
Afdeling 2. - De instanties die advies verlenen over stedenbouwkundige handelingen of het verkavelen van gronden, en de inhoud van de adviezen
Section 2. - Les instances qui rendent un avis sur des actes urbanistiques ou le lotissement de terrains, et le contenu des avis
Art. 35. § 1. Over vergunningsaanvragen of beroepen die betrekking hebben op het uitvoeren van vergunningsplichtige stedenbouwkundige handelingen of op het verkavelen van gronden wordt advies verleend door de instanties en in de gevallen vermeld in dit artikel.
§ 2. [2 De afdeling RO, bevoegd voor de omgevingsvergunning, verleent advies als het advies van de POVC of van de GOVC moet worden gevraagd.]2
De afdeling RO, bevoegd voor de omgevingsvergunning, kan subadviezen inwinnen van iedere dienst, instelling of organisatie die activiteiten ontwikkelt op het vlak van energie, leefmilieu, waterbeleid, landinrichting, natuurbehoud, ruimtelijke ordening, veiligheid of mobiliteit.
Tenzij het anders is bepaald in de adviesvraag, verlenen de instanties, vermeld in het tweede lid, het subadvies binnen een vervaltermijn van twintig dagen.
De vervaltermijn, vermeld in het derde lid, gaat in op de dag na de dag van ontvangst van de subadviesvraag.
Het tweede tot het vierde lid zijn niet van toepassing als de instanties, vermeld in het tweede lid, in het kader van de vergunningsaanvraag of het beroep over een eigen adviesbevoegdheid op het vlak van ruimtelijke ordening beschikken.
§ 3. Het agentschap van [3 het beleidsdomein Omgeving]3 dat belast is met de uitvoering van het beleid inzake onroerend erfgoed verleent advies als het voorwerp van de vergunningsaanvraag betrekking heeft op :
1° gronden die liggen in [1 ...]1 een voorlopig of definitief beschermde archeologische site, een voorlopig of definitief beschermd monument, een voorlopig of definitief beschermd cultuurhistorisch landschap of een voorlopig of definitief beschermd stads- of dorpsgezicht, in voorkomend geval met inbegrip van de overgangszones, vermeld in het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013;
2° percelen in erfgoedlandschappen in de volgende gevallen :
a) bij percelen in gemengd openruimtegebied met cultuurhistorische waarde;
b) bij het optrekken of plaatsen van een constructie in agrarisch gebied in de ruime zin of in ruimtelijk kwetsbaar gebied;
c) bij aanmerkelijke reliëfwijzigingen, het aanleggen of wijzigen van recreatieve terreinen of het gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten van een grond als vermeld in artikel 4.2.1, 5°, van de VCRO;
3° goederen die erkend zijn als werelderfgoed of die in de bufferzone van het werelderfgoed liggen conform artikel 11 van de overeenkomst inzake de bescherming van het cultureel en natuurlijk erfgoed van de wereld, opgemaakt in Parijs op 16 november 1972, in de volgende gevallen :
a) als de goederen voorkomen op de lijst van het werelderfgoed;
b) als de percelen in de bufferzone, zoals goedgekeurd door het UNESCO-werelderfgoedcomité, op minder dan honderd meter van het werelderfgoed liggen;
c) als de percelen in de bufferzone, zoals goedgekeurd door het UNESCO-werelderfgoedcomité, op meer dan honderd meter van het werelderfgoed liggen, waarbij de constructie een hoogte van meer dan vijftien meter heeft of bereikt;
4° [1 ...]1
§ 4. Het Agentschap voor Natuur en Bos verleent advies als het voorwerp van de vergunningsaanvraag :
1° in een ruimtelijk kwetsbaar gebied ligt;
2° in een Vogelrichtlijngebied ligt dat is aangewezen met toepassing van artikel 36bis van het Natuurdecreet, met uitzondering van de woongebieden in de ruime zin;
3° in een Habitatgebied ligt dat is aangewezen met toepassing van artikel 36bis van het Natuurdecreet;
4° in een waterrijk gebied ligt dat is aangewezen krachtens de overeenkomst inzake watergebieden die van internationale betekenis zijn, in het bijzonder als woongebied voor watervogels, opgemaakt in Ramsar op 2 februari 1971;
5° in een park of bos ligt, zoals gedefinieerd in het Bosdecreet van 13 juni 1990;
6° de opmaak van een passende beoordeling vereist.
§ 5. Het Departement Mobiliteit en Openbare Werken verleent advies als een mobiliteitsstudie of een project-MER, die een mobiliteitsstudie omvat, bij de vergunningsaanvraag gevoegd moet worden.
§ 6. De wegbeheerder verleent advies als het voorwerp van de vergunningsaanvraag op minder dan dertig meter van het domein van autosnelwegen, hoofdwegen of primaire wegen categorie I volgens het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen of langs gewestwegen ligt.
§ 7. Infrabel wordt om advies verzocht en kan advies verlenen als het voorwerp van de vergunningsaanvraag op minder dan twintig meter van de vrije rand van bestaande of geplande spoorlijnen ligt.
§ 8. De adviesinstanties, vermeld in artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2006 tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets, tot aanwijzing van de adviesinstanties en tot vaststelling van nadere regels voor de adviesprocedure bij de watertoets, vermeld in artikel [5 1.3.1.1 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018]5, verlenen advies in de gevallen, vermeld in artikel 3 van het voormelde besluit.
§ 9. [6 De waterbeheerder]6 verleent advies als een machtiging vereist is voor werken van verbetering en werken van wijziging aan onbevaarbare waterlopen van tweede en derde categorie conform artikel 12 en artikel 14 van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen, tenzij de vergunningsaanvrager al over een machtiging voor die werken beschikt.
§ 10. Het havenbedrijf verleent advies als het voorwerp van de vergunningsaanvraag binnen een havengebied ligt waarvan de grenzen zijn vastgesteld conform artikel 3, § 1, van het decreet van 2 maart 1999 houdende het beleid en het beheer van de zeehavens.
§ 11. De afdeling Kust van het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust verleent advies over aanvragen met betrekking tot gebieden die zeewaarts van de veiligheidslijn of in de landwaartse zone die paalt aan die veiligheidslijn, liggen. Deze veiligheidslijn en de landwaartse zone worden als volgt gedefinieerd :
1° voor bebouwde gebieden langs de kustlijn is de veiligheidslijn de meest zeewaartse grens van de bebouwing en heeft de landwaartse zone een breedte van 25 meter ten opzichte van die veiligheidslijn;
2° voor onbebouwde gebieden langs de kustlijn is de veiligheidslijn de hoogtelijn van de 7 meter TAW aan de landzijde van de duin en heeft de landwaartse zone een breedte van 25 meter ten opzichte van die veiligheidslijn. Die zone wordt echter altijd begrensd door de noordelijke grens van de gewestweg N34;
3° voor de havens van Nieuwpoort, Oostende, Blankenberge en Zeebrugge is de veiligheidslijn de kruinlijn van de kaaimuur of glooiing die de afbakening vormt van het getijdengebied, uitgebreid met het Visserij- en Vuurtorendok in Oostende, en heeft de landwaartse zone een breedte van vijftig meter ten opzichte van die veiligheidslijn.
§ 12. [10 Het Agentschap Landbouw en Zeevisserij]10 verleent advies als het voorwerp van de vergunningsaanvraag :
1° verband houdt met landbouw, ongeacht de bestemming van het gebied;
2° toepassing vraagt van de bepalingen van artikel 4.4.3 tot en met 4.4.9, artikel 4.4.23 en artikel 4.4.26, § 2, van de VCRO, in gebieden die een agrarische bestemming hebben.
§ 13. Het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle wordt om advies verzocht en kan advies verlenen als het voorwerp van de vergunningsaanvraag betrekking heeft op bestaande of nieuwe vestigingen van Seveso-inrichtingen en als het ligt op minder dan twee kilometer van een nucleaire inrichting die federaal vergund is en die conform artikel 3.1, a), van het ARBIS is ingedeeld in klasse I.
§ 14. De afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen, verleent advies als het voorwerp van de vergunningsaanvraag in een gebied ligt dat bestemd is als ontginningsgebied of een daarmee vergelijkbaar gebied.
§ 15. [11 De afdeling, bevoegd voor veiligheidsrapportage,]11 verleent advies als het voorwerp van de vergunningsaanvraag handelt over :
1° de bouw van, de uitbreiding van of een functiewijziging naar een school, een ziekenhuis of een [9 woonzorgcentrum]9, gelegen op minder dan twee kilometer van een Seveso-inrichting;
2° de bouw van, de uitbreiding van of een functiewijziging naar een voor publiek toegankelijk gebouw, met een toegankelijke oppervlakte van minstens 400 vierkante meter, gelegen op minder dan twee kilometer van een Seveso-inrichting;
3° de aanleg van of de uitbreiding naar een voor publiek toegankelijk gebied, inclusief recreatiegebied, waarbij de gemiddelde aanwezigheid minstens 200 personen per dag is of waarbij op piekmomenten minstens 1000 personen aanwezig zijn, gelegen op minder dan twee kilometer van een Seveso-inrichting;
4° de bouw van een windturbine, gelegen op minder dan vierhonderdvijftig meter van een Seveso-inrichting;
5° de bouw van een pijpleiding van andere vloeibare stoffen en gassen dan water, gelegen op minder dan achthonderdtachtig meter van een Seveso-inrichting;
6° de bouw van een hoogspanningsleiding, gelegen op minder dan honderdtachtig meter van een Seveso-inrichting.
§ 16. Het Directoraat-Generaal Luchtvaart van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer wordt om advies verzocht en kan advies verlenen als het voorwerp van de vergunningsaanvraag betrekking heeft op een constructie die een van de hierna vermelde hoogtes overschrijdt :
1° zestig meter boven het maaiveld;
2° een hoogte die per gemeente of per duidelijk omschreven gebied ten opzichte van het maaiveld is bepaald.
[6 Het departement stelt een eenvoudig consulteerbare digitale kaart ter beschikking, op basis van het gezamenlijk ontwerp van het Directoraat-Generaal Luchtvaart en de Defensiestaf. De kaart bepaalt de hoogte, vermeld in het eerste lid, 2°. Die hoogte wordt bepaald zodat de burgerlijke en militaire luchtvaartterreinen, de visuele luchtvaartroutes, de militaire luchtvaartzones en de burgerlijke en militaire luchtvaartinstallaties voor communicatie, navigatie en toezicht zijn beschermd.]6
§ 17. De ASTRID-veiligheidscommissie, bedoeld in het koninklijk besluit van 25 juli 2008 tot vaststelling van de nadere regels voor de samenstelling en de werking van de ASTRID-veiligheidscommissie en tot precisering van de opdrachten daarvan, wordt om advies verzocht en kan advies verlenen als het voorwerp van de vergunningsaanvraag betrekking heeft op :
1° voor publiek toegankelijke bouw- en infrastructuurwerken waar, omwille van de dagelijkse activiteiten of bijzondere evenementen die er plaats vinden, een toeloop van meer dan 150 mensen te verwachten valt;
2° bouw- en infrastructuurwerken die beschikken over een ondergrondse ruimte, groter dan 25 m2, die voor het publiek toegankelijk is of waarin gevaarlijke stoffen of preparaten in de zin van artikel 1, § 2, van het koninklijk besluit van 11 januari 1993 tot regeling van de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke mengsels met het oog op het op de markt brengen of het gebruik ervan opgeslagen zijn;
3° bouw- en infrastructuurwerken die al dan niet toegankelijk zijn voor het publiek waarvan de grondoppervlakte meer dan 2.500 m2 bedraagt.
[7 § 18. [8 De entiteit van de Vlaamse Milieumaatschappij die bevoegd is voor lucht,]8 verleent advies als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:
1° bij de vergunningsaanvraag moet een project-MER gevoegd worden;
2° het voorwerp van de vergunningsaanvraag betreft een van de volgende handelingen:
a) de aanleg of uitbreiding van vliegvelden;
b) de aanleg, verbreding of verlegging van wegen;
c) zeehandelshavens;
d) de bouw of uitbreiding van stadsontwikkelingsprojecten;
e) industrieterreinontwikkeling;
f) de aanleg van themaparken en permanente race- en testbanen;
g) de aanleg van faciliteiten voor de overlading tussen vervoerswijzen en van overladingsstations;
h) spoorlijnen, tramlijnen, waterwegen en andere havens;
3° [8 het voorwerp van de vergunningsaanvraag ligt in de adviescontour, zoals bepaald op een eenvoudig consulteerbare digitale kaart, ter beschikking gesteld door de Vlaamse Milieumaatschappij op https://www.vmm.be, zoals geldig op de dag waarop de vergunningsaanvraag wordt ingediend.]8]7
§ 2. [2 De afdeling RO, bevoegd voor de omgevingsvergunning, verleent advies als het advies van de POVC of van de GOVC moet worden gevraagd.]2
De afdeling RO, bevoegd voor de omgevingsvergunning, kan subadviezen inwinnen van iedere dienst, instelling of organisatie die activiteiten ontwikkelt op het vlak van energie, leefmilieu, waterbeleid, landinrichting, natuurbehoud, ruimtelijke ordening, veiligheid of mobiliteit.
Tenzij het anders is bepaald in de adviesvraag, verlenen de instanties, vermeld in het tweede lid, het subadvies binnen een vervaltermijn van twintig dagen.
De vervaltermijn, vermeld in het derde lid, gaat in op de dag na de dag van ontvangst van de subadviesvraag.
Het tweede tot het vierde lid zijn niet van toepassing als de instanties, vermeld in het tweede lid, in het kader van de vergunningsaanvraag of het beroep over een eigen adviesbevoegdheid op het vlak van ruimtelijke ordening beschikken.
§ 3. Het agentschap van [3 het beleidsdomein Omgeving]3 dat belast is met de uitvoering van het beleid inzake onroerend erfgoed verleent advies als het voorwerp van de vergunningsaanvraag betrekking heeft op :
1° gronden die liggen in [1 ...]1 een voorlopig of definitief beschermde archeologische site, een voorlopig of definitief beschermd monument, een voorlopig of definitief beschermd cultuurhistorisch landschap of een voorlopig of definitief beschermd stads- of dorpsgezicht, in voorkomend geval met inbegrip van de overgangszones, vermeld in het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013;
2° percelen in erfgoedlandschappen in de volgende gevallen :
a) bij percelen in gemengd openruimtegebied met cultuurhistorische waarde;
b) bij het optrekken of plaatsen van een constructie in agrarisch gebied in de ruime zin of in ruimtelijk kwetsbaar gebied;
c) bij aanmerkelijke reliëfwijzigingen, het aanleggen of wijzigen van recreatieve terreinen of het gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten van een grond als vermeld in artikel 4.2.1, 5°, van de VCRO;
3° goederen die erkend zijn als werelderfgoed of die in de bufferzone van het werelderfgoed liggen conform artikel 11 van de overeenkomst inzake de bescherming van het cultureel en natuurlijk erfgoed van de wereld, opgemaakt in Parijs op 16 november 1972, in de volgende gevallen :
a) als de goederen voorkomen op de lijst van het werelderfgoed;
b) als de percelen in de bufferzone, zoals goedgekeurd door het UNESCO-werelderfgoedcomité, op minder dan honderd meter van het werelderfgoed liggen;
c) als de percelen in de bufferzone, zoals goedgekeurd door het UNESCO-werelderfgoedcomité, op meer dan honderd meter van het werelderfgoed liggen, waarbij de constructie een hoogte van meer dan vijftien meter heeft of bereikt;
4° [1 ...]1
§ 4. Het Agentschap voor Natuur en Bos verleent advies als het voorwerp van de vergunningsaanvraag :
1° in een ruimtelijk kwetsbaar gebied ligt;
2° in een Vogelrichtlijngebied ligt dat is aangewezen met toepassing van artikel 36bis van het Natuurdecreet, met uitzondering van de woongebieden in de ruime zin;
3° in een Habitatgebied ligt dat is aangewezen met toepassing van artikel 36bis van het Natuurdecreet;
4° in een waterrijk gebied ligt dat is aangewezen krachtens de overeenkomst inzake watergebieden die van internationale betekenis zijn, in het bijzonder als woongebied voor watervogels, opgemaakt in Ramsar op 2 februari 1971;
5° in een park of bos ligt, zoals gedefinieerd in het Bosdecreet van 13 juni 1990;
6° de opmaak van een passende beoordeling vereist.
§ 5. Het Departement Mobiliteit en Openbare Werken verleent advies als een mobiliteitsstudie of een project-MER, die een mobiliteitsstudie omvat, bij de vergunningsaanvraag gevoegd moet worden.
§ 6. De wegbeheerder verleent advies als het voorwerp van de vergunningsaanvraag op minder dan dertig meter van het domein van autosnelwegen, hoofdwegen of primaire wegen categorie I volgens het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen of langs gewestwegen ligt.
§ 7. Infrabel wordt om advies verzocht en kan advies verlenen als het voorwerp van de vergunningsaanvraag op minder dan twintig meter van de vrije rand van bestaande of geplande spoorlijnen ligt.
§ 8. De adviesinstanties, vermeld in artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2006 tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets, tot aanwijzing van de adviesinstanties en tot vaststelling van nadere regels voor de adviesprocedure bij de watertoets, vermeld in artikel [5 1.3.1.1 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018]5, verlenen advies in de gevallen, vermeld in artikel 3 van het voormelde besluit.
§ 9. [6 De waterbeheerder]6 verleent advies als een machtiging vereist is voor werken van verbetering en werken van wijziging aan onbevaarbare waterlopen van tweede en derde categorie conform artikel 12 en artikel 14 van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen, tenzij de vergunningsaanvrager al over een machtiging voor die werken beschikt.
§ 10. Het havenbedrijf verleent advies als het voorwerp van de vergunningsaanvraag binnen een havengebied ligt waarvan de grenzen zijn vastgesteld conform artikel 3, § 1, van het decreet van 2 maart 1999 houdende het beleid en het beheer van de zeehavens.
§ 11. De afdeling Kust van het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust verleent advies over aanvragen met betrekking tot gebieden die zeewaarts van de veiligheidslijn of in de landwaartse zone die paalt aan die veiligheidslijn, liggen. Deze veiligheidslijn en de landwaartse zone worden als volgt gedefinieerd :
1° voor bebouwde gebieden langs de kustlijn is de veiligheidslijn de meest zeewaartse grens van de bebouwing en heeft de landwaartse zone een breedte van 25 meter ten opzichte van die veiligheidslijn;
2° voor onbebouwde gebieden langs de kustlijn is de veiligheidslijn de hoogtelijn van de 7 meter TAW aan de landzijde van de duin en heeft de landwaartse zone een breedte van 25 meter ten opzichte van die veiligheidslijn. Die zone wordt echter altijd begrensd door de noordelijke grens van de gewestweg N34;
3° voor de havens van Nieuwpoort, Oostende, Blankenberge en Zeebrugge is de veiligheidslijn de kruinlijn van de kaaimuur of glooiing die de afbakening vormt van het getijdengebied, uitgebreid met het Visserij- en Vuurtorendok in Oostende, en heeft de landwaartse zone een breedte van vijftig meter ten opzichte van die veiligheidslijn.
§ 12. [10 Het Agentschap Landbouw en Zeevisserij]10 verleent advies als het voorwerp van de vergunningsaanvraag :
1° verband houdt met landbouw, ongeacht de bestemming van het gebied;
2° toepassing vraagt van de bepalingen van artikel 4.4.3 tot en met 4.4.9, artikel 4.4.23 en artikel 4.4.26, § 2, van de VCRO, in gebieden die een agrarische bestemming hebben.
§ 13. Het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle wordt om advies verzocht en kan advies verlenen als het voorwerp van de vergunningsaanvraag betrekking heeft op bestaande of nieuwe vestigingen van Seveso-inrichtingen en als het ligt op minder dan twee kilometer van een nucleaire inrichting die federaal vergund is en die conform artikel 3.1, a), van het ARBIS is ingedeeld in klasse I.
§ 14. De afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen, verleent advies als het voorwerp van de vergunningsaanvraag in een gebied ligt dat bestemd is als ontginningsgebied of een daarmee vergelijkbaar gebied.
§ 15. [11 De afdeling, bevoegd voor veiligheidsrapportage,]11 verleent advies als het voorwerp van de vergunningsaanvraag handelt over :
1° de bouw van, de uitbreiding van of een functiewijziging naar een school, een ziekenhuis of een [9 woonzorgcentrum]9, gelegen op minder dan twee kilometer van een Seveso-inrichting;
2° de bouw van, de uitbreiding van of een functiewijziging naar een voor publiek toegankelijk gebouw, met een toegankelijke oppervlakte van minstens 400 vierkante meter, gelegen op minder dan twee kilometer van een Seveso-inrichting;
3° de aanleg van of de uitbreiding naar een voor publiek toegankelijk gebied, inclusief recreatiegebied, waarbij de gemiddelde aanwezigheid minstens 200 personen per dag is of waarbij op piekmomenten minstens 1000 personen aanwezig zijn, gelegen op minder dan twee kilometer van een Seveso-inrichting;
4° de bouw van een windturbine, gelegen op minder dan vierhonderdvijftig meter van een Seveso-inrichting;
5° de bouw van een pijpleiding van andere vloeibare stoffen en gassen dan water, gelegen op minder dan achthonderdtachtig meter van een Seveso-inrichting;
6° de bouw van een hoogspanningsleiding, gelegen op minder dan honderdtachtig meter van een Seveso-inrichting.
§ 16. Het Directoraat-Generaal Luchtvaart van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer wordt om advies verzocht en kan advies verlenen als het voorwerp van de vergunningsaanvraag betrekking heeft op een constructie die een van de hierna vermelde hoogtes overschrijdt :
1° zestig meter boven het maaiveld;
2° een hoogte die per gemeente of per duidelijk omschreven gebied ten opzichte van het maaiveld is bepaald.
[6 Het departement stelt een eenvoudig consulteerbare digitale kaart ter beschikking, op basis van het gezamenlijk ontwerp van het Directoraat-Generaal Luchtvaart en de Defensiestaf. De kaart bepaalt de hoogte, vermeld in het eerste lid, 2°. Die hoogte wordt bepaald zodat de burgerlijke en militaire luchtvaartterreinen, de visuele luchtvaartroutes, de militaire luchtvaartzones en de burgerlijke en militaire luchtvaartinstallaties voor communicatie, navigatie en toezicht zijn beschermd.]6
§ 17. De ASTRID-veiligheidscommissie, bedoeld in het koninklijk besluit van 25 juli 2008 tot vaststelling van de nadere regels voor de samenstelling en de werking van de ASTRID-veiligheidscommissie en tot precisering van de opdrachten daarvan, wordt om advies verzocht en kan advies verlenen als het voorwerp van de vergunningsaanvraag betrekking heeft op :
1° voor publiek toegankelijke bouw- en infrastructuurwerken waar, omwille van de dagelijkse activiteiten of bijzondere evenementen die er plaats vinden, een toeloop van meer dan 150 mensen te verwachten valt;
2° bouw- en infrastructuurwerken die beschikken over een ondergrondse ruimte, groter dan 25 m2, die voor het publiek toegankelijk is of waarin gevaarlijke stoffen of preparaten in de zin van artikel 1, § 2, van het koninklijk besluit van 11 januari 1993 tot regeling van de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke mengsels met het oog op het op de markt brengen of het gebruik ervan opgeslagen zijn;
3° bouw- en infrastructuurwerken die al dan niet toegankelijk zijn voor het publiek waarvan de grondoppervlakte meer dan 2.500 m2 bedraagt.
[7 § 18. [8 De entiteit van de Vlaamse Milieumaatschappij die bevoegd is voor lucht,]8 verleent advies als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:
1° bij de vergunningsaanvraag moet een project-MER gevoegd worden;
2° het voorwerp van de vergunningsaanvraag betreft een van de volgende handelingen:
a) de aanleg of uitbreiding van vliegvelden;
b) de aanleg, verbreding of verlegging van wegen;
c) zeehandelshavens;
d) de bouw of uitbreiding van stadsontwikkelingsprojecten;
e) industrieterreinontwikkeling;
f) de aanleg van themaparken en permanente race- en testbanen;
g) de aanleg van faciliteiten voor de overlading tussen vervoerswijzen en van overladingsstations;
h) spoorlijnen, tramlijnen, waterwegen en andere havens;
3° [8 het voorwerp van de vergunningsaanvraag ligt in de adviescontour, zoals bepaald op een eenvoudig consulteerbare digitale kaart, ter beschikking gesteld door de Vlaamse Milieumaatschappij op https://www.vmm.be, zoals geldig op de dag waarop de vergunningsaanvraag wordt ingediend.]8]7
Änderungen
Art. 35. § 1er. Les instances rendent un avis sur les demandes de permis ou recours portant sur l'exécution d'actes urbanistiques soumis à autorisation ou au lotissement de terrains et dans les cas mentionnés dans le présent article.
§ 2. [2 La division RO, compétente pour le permis d'environnement, rend un avis lorsque l'avis de la POVC ou de la GOVC doit être demandé.]2
La division RO, compétente pour le permis d'environnement, peut recueillir des sous-avis auprès de tout service, de toute institution ou de toute organisation qui met en oeuvre des activités dans le domaine de l'énergie, de l'environnement, de la politique de l'eau, de l'aménagement rural, de la conservation de la nature, de l'aménagement du territoire, de la sécurité ou de la mobilité.
Sauf stipulation contraire dans la demande d'avis, les instances visées à l'alinéa 2 rendent le sous-avis dans un délai de vingt jours.
Le délai visé à l'alinéa 3 prend cours le lendemain de la réception de la demande de sous-avis.
Les alinéas 2 à 4 ne s'appliquent pas lorsque les instances visées à l'alinéa 2 disposent, dans le cadre de la demande de permis ou du recours, d'une propre compétence d'avis en matière d'aménagement du territoire.
§ 3. L'agence du [3 domaine politique de l'Environnement]3 chargée de l'exécution de la politique en matière de patrimoine immobilier rend un avis lorsque la demande de permis porte sur :
1° des terrains situés sur [1 ...]1 un site archéologique protégé provisoirement ou définitivement, un monument protégé provisoirement ou définitivement, un paysage historico-culturel protégé provisoirement ou définitivement ou un site urbain ou rural protégé provisoirement ou définitivement, le cas échéant, à l'inclusion des zones de transition, visées au décret relatif au Patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 ;
2° des parcelles situées dans des patrimoines ruraux dans les cas suivants :
a) parcelles situées dans une zone d'espace ouvert mixte à valeur historico-culturelle ;
b) constructions dans une zone agricole au sens large ou dans une zone vulnérable du point de vue spatial ;
c) modifications significatives du relief, aménagement ou modification de terrains récréatifs ou utilisation, aménagement ou équipement de façon générale d'un terrain au sens de l'article 4.2.1, 5° du VCRO ;
3° des biens reconnus comme patrimoine mondial ou se situant dans la zone tampon du patrimoine mondial, conformément à l'article 11 de la convention concernant la protection du patrimoine mondial, culturel et naturel, établie à Paris le 16 novembre 1972, dans les cas suivants :
a) si les biens figurent à la liste du patrimoine mondial ;
b) si les parcelles se situent dans la zone tampon telle qu'approuvée par le Comité du patrimoine mondial de l'UNESCO à une distance de moins de cent mètres du patrimoine mondial ;
c) si les parcelles se situent dans la zone tampon telle qu'approuvée par le Comité du patrimoine mondial de l'UNESCO à une distance de plus de cent mètres du patrimoine mondial, la construction ayant ou atteignant une hauteur de plus de quinze mètres ;
4° [1 ...]1
§ 4. L'Agence de la Nature et des Forêts rend un avis lorsque l'objet de la demande de permis :
1° se situe dans une zone vulnérable d'un point de vue spatial ;
2° se situe dans une zone régie par la directive " Oiseaux ", désignée en application de l'article 36bis du décret sur la Nature, à l'exception des zones résidentielles au sens large ;
3° se situe dans une zone d'habitat désignée en application de l'article 36bis du décret sur la Nature ;
4° se situe dans une zone humide désignée en vertu de la convention relative aux zones humides d'importance internationale, particulièrement comme habitats des oiseaux d'eau, faite à Ramsar le 2 février 1971 ;
5° se situe dans un parc ou un bois, tel que défini dans le décret forestier du 13 juin 1990 ;
6° doit faire l'objet d'une évaluation appropriée.
§ 5. Le département Mobilité et Travaux publics rend un avis lorsqu'une étude de la mobilité ou un RIE du projet, comportant une étude de la mobilité, doit être joint à la demande de permis.
§ 6. Le gestionnaire des routes rend un avis lorsque l'objet de la demande de permis se situe à moins de trente mètres du domaine des autoroutes, des routes principales ou des routes primaires de catégorie I conformément au Schéma de Structure d'Aménagement de la Flandre ou longe des routes régionales.
§ 7. L'avis d'Infrabel est demandé et Infrabel peut rendre un avis lorsque l'objet de la demande de permis se situe à moins de vingt mètres du bord libre de voies ferroviaires existantes ou planifiées.
§ 8. Les instances d'avis, visées à l'article 5 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 juillet 2006 fixant les modalités d'application de l'évaluation aquatique, portant désignation des instances consultatives et définissant les modalités de la procédure d'avis pour l'évaluation aquatique, visée à l'article [5 1.3.1.1 du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau, coordonné le 15 juin 2018 ]5, rendent un avis dans les cas visés à l'article 3 de l'arrêté précité.
§ 9. [6 Le gestionnaire des eaux]6 rend un avis lorsqu'une autorisation est requise pour des travaux d'amélioration et des travaux de modification aux cours d'eau non navigables de deuxième et troisième catégories conformément aux articles 12 et 14 de la loi du 28 décembre 1967 relative aux cours d'eau non navigables, sauf si le demandeur du permis dispose déjà d'une autorisation pour ces travaux.
§ 10. L'entreprise portuaire rend un avis lorsque l'objet de la demande de permis se situe dans une zone portuaire dont les limites sont fixées conformément à l'article 3, § 1er, du décret du 2 mars 1999 portant sur la politique et la gestion des ports maritimes.
§ 11. La division " Côte " de l'Agence des Services maritimes et de la Côte rend un avis sur les demandes relatives à des territoires situés côté mer de la ligne de sécurité ou à l'intérieur de la zone côté terre confinant à cette ligne de sécurité. Cette ligne de sécurité et la zone côté terre se définissent comme suit :
1° pour les zones bâties le long de la ligne côtière, la ligne de sécurité est la limite le plus côté mer de la construction et la zone côté terre a une largeur de 25 mètres par rapport à cette ligne de sécurité ;
2° pour les zones non bâties le long de la ligne côtière, la ligne de sécurité est la hauteur de 7 mètres DNG côté terre de la dune et la zone côté terre a une largeur de 25 mètres par rapport à cette ligne de sécurité. Cette zone est cependant toujours délimitée par la limite nord de la route régionale N34 ;
3° pour les ports de Nieuport, d'Ostende, de Blankenberge et de Zeebruges, la ligne de sécurité est la crête du batardeau ou pente qui délimite la zone des marées, étendue au Visserij- en Vuurtorendok à Ostende, et la zone côté terre a une largeur de cinquante mètres par rapport à cette ligne de sécurité.
§ 12. [10 L'Agence de l'Agriculture et de la Pêche]10 rend un avis lorsque l'objet de la demande de permis :
1° porte sur l'agriculture, quelle que soit l'affectation de la zone ;
2° demande l'application des dispositions visées aux articles 4.4.3 à 4.4.9 inclus, aux articles 4.4.23 et 4.4.26, § 2, du VCRO, dans des zones ayant une destination agricole.
§ 13. L'avis de l'Agence fédérale de Contrôle nucléaire est demandé et elle peut rendre un avis lorsque l'objet de la demande de permis porte sur des sites existants ou nouveaux d'établissements Seveso et s'il se situe à moins de deux kilomètres d'un établissement nucléaire, qui est autorisé au niveau fédéral et qui est classé, conformément à l'article 3.1, a) du RGPRI dans la classe I.
§ 14. La division compétente pour les ressources naturelles rend un avis lorsque l'objet de la demande de permis se situe dans une zone affectée à l'exploitation ou une zone comparable.
§ 15. [11 La division compétente pour les rapports de sécurité ]11 rend un avis lorsque l'objet de la demande de permis porte sur :
1° la construction ou l'extension d'une école, d'un hôpital ou [9 d'un centre de soins résidentiels]9 ou une modification de fonction en école, hôpital ou maison de repos et de soins sis à moins de deux kilomètres d'un établissement Seveso ;
2° la construction ou l'extension d'un bâtiment accessible au public d'une superficie accessible de 400 mètres carrés au moins ou une modification de fonction en un tel bâtiment, sis à moins de deux kilomètres d'un établissement Seveso ;
3° l'aménagement ou l'extension d'une zone accessible au public, y compris une zone de loisirs, dont la fréquentation moyenne journalière est de 200 personnes au moins et où 1000 personnes au moins sont présentes en périodes de pointe, sise à moins de deux kilomètres d'un établissement Seveso ;
4° la construction d'une éolienne, sise à moins de quatre cent cinquante mètres d'un établissement Seveso ;
5° la construction d'un pipeline de liquides et de gaz autres que l'eau, sis à moins de huit cent quatre-vingts mètres d'un établissement Seveso ;
6° la construction d'une ligne à haute tension, sise à moins de cent quatre-vingts mètres d'un établissement Seveso ;
§ 16. L'avis de la Direction générale Transport aérien du Service public fédéral Mobilité et Transports est demandé et elle peut rendre un avis lorsque l'objet de la demande de permis porte sur une construction excédant l'une des hauteurs mentionnées ci-après :
1° soixante mètres au-dessus du niveau du sol ;
2° une hauteur par rapport au niveau du sol déterminée par commune ou par zone clairement définie.
[6 Le département met à disposition une carte numérique simple à consulter, basée sur le projet conjoint de la Direction générale Transport aérien et de l'état-major de la Défense. La carte détermine la hauteur visée à l'alinéa 1er, 2°. Cette hauteur est déterminée de manière à protéger les aérodromes civils et militaires, les routes aériennes visuelles, les zones aériennes militaires et les installations de communication, de navigation et de surveillance pour le trafic aérien civil et militaire.]6
§ 17. L'avis de la commission de sécurité ASTRID, visée à l'arrêté royal du 25 juillet 2008 déterminant les modalités de constitution et de fonctionnement de la commission de sécurité ASTRID et en précisant ses missions, est demandé et elle peut rendre un avis lorsque l'objet de la demande de permis porte sur :
1° des constructions et infrastructures accessibles au public où, du fait des activités journalières ou d'événements spéciaux qui y sont organisés, une concentration de plus de 150 personnes est attendue ;
2° des constructions et infrastructures possédant un sous-sol, d'une superficie supérieure à 25 m2, accessible au public ou dans lequel sont stockés des substances ou mélanges dangereux au sens de l'article 1er, § 2, de l'arrêté royal du 11 janvier 1993 réglementant la classification, l'emballage et l'étiquetage des mélanges dangereux en vue de leur mise sur le marché ou de leur emploi ;
3° des constructions et infrastructures accessibles ou non au public dont la surface au sol dépasse 2.500 m2.
[7 § 18. [8 L'entité de la Vlaamse Milieumaatschappij, compétente pour l'air,]8, rend un avis si toutes les conditions suivantes sont remplies :
1° la demande de permis doit être accompagnée d'un R.I.E. du projet ;
2° l'objet de la demande de permis concerne un des actes suivants :
a) l'aménagement ou l'extension d'aérodromes ;
b) l'aménagement, l'élargissement ou le déplacement de routes ;
c) ports maritimes de commerce ;
d) la construction ou l'extension de projets de développement urbain ;
e) le développement de zones industrielles ;
f) l'aménagement de parcs d'attraction à thème et de pistes permanentes de course et d'essai ;
g) l'aménagement de facilités pour le transbordement entre modes de transport et de stations de transbordement ;
h) lignes ferroviaires, lignes de tramway, voies hydrauliques et autres ports ;
3° [8 l'objet de la demande de permis se situe dans le contour des conseils, comme indiqué sur une carte numérique facilement consultable, mise à disposition par la Vlaamse Milieumaatschappij sur https://www.vmm.be, telle que valable le jour où la demande de permis est introduite.]8]7
§ 2. [2 La division RO, compétente pour le permis d'environnement, rend un avis lorsque l'avis de la POVC ou de la GOVC doit être demandé.]2
La division RO, compétente pour le permis d'environnement, peut recueillir des sous-avis auprès de tout service, de toute institution ou de toute organisation qui met en oeuvre des activités dans le domaine de l'énergie, de l'environnement, de la politique de l'eau, de l'aménagement rural, de la conservation de la nature, de l'aménagement du territoire, de la sécurité ou de la mobilité.
Sauf stipulation contraire dans la demande d'avis, les instances visées à l'alinéa 2 rendent le sous-avis dans un délai de vingt jours.
Le délai visé à l'alinéa 3 prend cours le lendemain de la réception de la demande de sous-avis.
Les alinéas 2 à 4 ne s'appliquent pas lorsque les instances visées à l'alinéa 2 disposent, dans le cadre de la demande de permis ou du recours, d'une propre compétence d'avis en matière d'aménagement du territoire.
§ 3. L'agence du [3 domaine politique de l'Environnement]3 chargée de l'exécution de la politique en matière de patrimoine immobilier rend un avis lorsque la demande de permis porte sur :
1° des terrains situés sur [1 ...]1 un site archéologique protégé provisoirement ou définitivement, un monument protégé provisoirement ou définitivement, un paysage historico-culturel protégé provisoirement ou définitivement ou un site urbain ou rural protégé provisoirement ou définitivement, le cas échéant, à l'inclusion des zones de transition, visées au décret relatif au Patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 ;
2° des parcelles situées dans des patrimoines ruraux dans les cas suivants :
a) parcelles situées dans une zone d'espace ouvert mixte à valeur historico-culturelle ;
b) constructions dans une zone agricole au sens large ou dans une zone vulnérable du point de vue spatial ;
c) modifications significatives du relief, aménagement ou modification de terrains récréatifs ou utilisation, aménagement ou équipement de façon générale d'un terrain au sens de l'article 4.2.1, 5° du VCRO ;
3° des biens reconnus comme patrimoine mondial ou se situant dans la zone tampon du patrimoine mondial, conformément à l'article 11 de la convention concernant la protection du patrimoine mondial, culturel et naturel, établie à Paris le 16 novembre 1972, dans les cas suivants :
a) si les biens figurent à la liste du patrimoine mondial ;
b) si les parcelles se situent dans la zone tampon telle qu'approuvée par le Comité du patrimoine mondial de l'UNESCO à une distance de moins de cent mètres du patrimoine mondial ;
c) si les parcelles se situent dans la zone tampon telle qu'approuvée par le Comité du patrimoine mondial de l'UNESCO à une distance de plus de cent mètres du patrimoine mondial, la construction ayant ou atteignant une hauteur de plus de quinze mètres ;
4° [1 ...]1
§ 4. L'Agence de la Nature et des Forêts rend un avis lorsque l'objet de la demande de permis :
1° se situe dans une zone vulnérable d'un point de vue spatial ;
2° se situe dans une zone régie par la directive " Oiseaux ", désignée en application de l'article 36bis du décret sur la Nature, à l'exception des zones résidentielles au sens large ;
3° se situe dans une zone d'habitat désignée en application de l'article 36bis du décret sur la Nature ;
4° se situe dans une zone humide désignée en vertu de la convention relative aux zones humides d'importance internationale, particulièrement comme habitats des oiseaux d'eau, faite à Ramsar le 2 février 1971 ;
5° se situe dans un parc ou un bois, tel que défini dans le décret forestier du 13 juin 1990 ;
6° doit faire l'objet d'une évaluation appropriée.
§ 5. Le département Mobilité et Travaux publics rend un avis lorsqu'une étude de la mobilité ou un RIE du projet, comportant une étude de la mobilité, doit être joint à la demande de permis.
§ 6. Le gestionnaire des routes rend un avis lorsque l'objet de la demande de permis se situe à moins de trente mètres du domaine des autoroutes, des routes principales ou des routes primaires de catégorie I conformément au Schéma de Structure d'Aménagement de la Flandre ou longe des routes régionales.
§ 7. L'avis d'Infrabel est demandé et Infrabel peut rendre un avis lorsque l'objet de la demande de permis se situe à moins de vingt mètres du bord libre de voies ferroviaires existantes ou planifiées.
§ 8. Les instances d'avis, visées à l'article 5 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 juillet 2006 fixant les modalités d'application de l'évaluation aquatique, portant désignation des instances consultatives et définissant les modalités de la procédure d'avis pour l'évaluation aquatique, visée à l'article [5 1.3.1.1 du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau, coordonné le 15 juin 2018 ]5, rendent un avis dans les cas visés à l'article 3 de l'arrêté précité.
§ 9. [6 Le gestionnaire des eaux]6 rend un avis lorsqu'une autorisation est requise pour des travaux d'amélioration et des travaux de modification aux cours d'eau non navigables de deuxième et troisième catégories conformément aux articles 12 et 14 de la loi du 28 décembre 1967 relative aux cours d'eau non navigables, sauf si le demandeur du permis dispose déjà d'une autorisation pour ces travaux.
§ 10. L'entreprise portuaire rend un avis lorsque l'objet de la demande de permis se situe dans une zone portuaire dont les limites sont fixées conformément à l'article 3, § 1er, du décret du 2 mars 1999 portant sur la politique et la gestion des ports maritimes.
§ 11. La division " Côte " de l'Agence des Services maritimes et de la Côte rend un avis sur les demandes relatives à des territoires situés côté mer de la ligne de sécurité ou à l'intérieur de la zone côté terre confinant à cette ligne de sécurité. Cette ligne de sécurité et la zone côté terre se définissent comme suit :
1° pour les zones bâties le long de la ligne côtière, la ligne de sécurité est la limite le plus côté mer de la construction et la zone côté terre a une largeur de 25 mètres par rapport à cette ligne de sécurité ;
2° pour les zones non bâties le long de la ligne côtière, la ligne de sécurité est la hauteur de 7 mètres DNG côté terre de la dune et la zone côté terre a une largeur de 25 mètres par rapport à cette ligne de sécurité. Cette zone est cependant toujours délimitée par la limite nord de la route régionale N34 ;
3° pour les ports de Nieuport, d'Ostende, de Blankenberge et de Zeebruges, la ligne de sécurité est la crête du batardeau ou pente qui délimite la zone des marées, étendue au Visserij- en Vuurtorendok à Ostende, et la zone côté terre a une largeur de cinquante mètres par rapport à cette ligne de sécurité.
§ 12. [10 L'Agence de l'Agriculture et de la Pêche]10 rend un avis lorsque l'objet de la demande de permis :
1° porte sur l'agriculture, quelle que soit l'affectation de la zone ;
2° demande l'application des dispositions visées aux articles 4.4.3 à 4.4.9 inclus, aux articles 4.4.23 et 4.4.26, § 2, du VCRO, dans des zones ayant une destination agricole.
§ 13. L'avis de l'Agence fédérale de Contrôle nucléaire est demandé et elle peut rendre un avis lorsque l'objet de la demande de permis porte sur des sites existants ou nouveaux d'établissements Seveso et s'il se situe à moins de deux kilomètres d'un établissement nucléaire, qui est autorisé au niveau fédéral et qui est classé, conformément à l'article 3.1, a) du RGPRI dans la classe I.
§ 14. La division compétente pour les ressources naturelles rend un avis lorsque l'objet de la demande de permis se situe dans une zone affectée à l'exploitation ou une zone comparable.
§ 15. [11 La division compétente pour les rapports de sécurité ]11 rend un avis lorsque l'objet de la demande de permis porte sur :
1° la construction ou l'extension d'une école, d'un hôpital ou [9 d'un centre de soins résidentiels]9 ou une modification de fonction en école, hôpital ou maison de repos et de soins sis à moins de deux kilomètres d'un établissement Seveso ;
2° la construction ou l'extension d'un bâtiment accessible au public d'une superficie accessible de 400 mètres carrés au moins ou une modification de fonction en un tel bâtiment, sis à moins de deux kilomètres d'un établissement Seveso ;
3° l'aménagement ou l'extension d'une zone accessible au public, y compris une zone de loisirs, dont la fréquentation moyenne journalière est de 200 personnes au moins et où 1000 personnes au moins sont présentes en périodes de pointe, sise à moins de deux kilomètres d'un établissement Seveso ;
4° la construction d'une éolienne, sise à moins de quatre cent cinquante mètres d'un établissement Seveso ;
5° la construction d'un pipeline de liquides et de gaz autres que l'eau, sis à moins de huit cent quatre-vingts mètres d'un établissement Seveso ;
6° la construction d'une ligne à haute tension, sise à moins de cent quatre-vingts mètres d'un établissement Seveso ;
§ 16. L'avis de la Direction générale Transport aérien du Service public fédéral Mobilité et Transports est demandé et elle peut rendre un avis lorsque l'objet de la demande de permis porte sur une construction excédant l'une des hauteurs mentionnées ci-après :
1° soixante mètres au-dessus du niveau du sol ;
2° une hauteur par rapport au niveau du sol déterminée par commune ou par zone clairement définie.
[6 Le département met à disposition une carte numérique simple à consulter, basée sur le projet conjoint de la Direction générale Transport aérien et de l'état-major de la Défense. La carte détermine la hauteur visée à l'alinéa 1er, 2°. Cette hauteur est déterminée de manière à protéger les aérodromes civils et militaires, les routes aériennes visuelles, les zones aériennes militaires et les installations de communication, de navigation et de surveillance pour le trafic aérien civil et militaire.]6
§ 17. L'avis de la commission de sécurité ASTRID, visée à l'arrêté royal du 25 juillet 2008 déterminant les modalités de constitution et de fonctionnement de la commission de sécurité ASTRID et en précisant ses missions, est demandé et elle peut rendre un avis lorsque l'objet de la demande de permis porte sur :
1° des constructions et infrastructures accessibles au public où, du fait des activités journalières ou d'événements spéciaux qui y sont organisés, une concentration de plus de 150 personnes est attendue ;
2° des constructions et infrastructures possédant un sous-sol, d'une superficie supérieure à 25 m2, accessible au public ou dans lequel sont stockés des substances ou mélanges dangereux au sens de l'article 1er, § 2, de l'arrêté royal du 11 janvier 1993 réglementant la classification, l'emballage et l'étiquetage des mélanges dangereux en vue de leur mise sur le marché ou de leur emploi ;
3° des constructions et infrastructures accessibles ou non au public dont la surface au sol dépasse 2.500 m2.
[7 § 18. [8 L'entité de la Vlaamse Milieumaatschappij, compétente pour l'air,]8, rend un avis si toutes les conditions suivantes sont remplies :
1° la demande de permis doit être accompagnée d'un R.I.E. du projet ;
2° l'objet de la demande de permis concerne un des actes suivants :
a) l'aménagement ou l'extension d'aérodromes ;
b) l'aménagement, l'élargissement ou le déplacement de routes ;
c) ports maritimes de commerce ;
d) la construction ou l'extension de projets de développement urbain ;
e) le développement de zones industrielles ;
f) l'aménagement de parcs d'attraction à thème et de pistes permanentes de course et d'essai ;
g) l'aménagement de facilités pour le transbordement entre modes de transport et de stations de transbordement ;
h) lignes ferroviaires, lignes de tramway, voies hydrauliques et autres ports ;
3° [8 l'objet de la demande de permis se situe dans le contour des conseils, comme indiqué sur une carte numérique facilement consultable, mise à disposition par la Vlaamse Milieumaatschappij sur https://www.vmm.be, telle que valable le jour où la demande de permis est introduite.]8]7
Änderungen
Art. 36. De adviesinstantie, vermeld in artikel 35, § 2, geeft haar advies over de aangevraagde stedenbouwkundige handelingen of het aangevraagde verkavelen van gronden conform titel IV, hoofdstuk III van de VCRO.
De adviesinstanties, vermeld in artikel 35, § 3 tot en met § 16, geven hun advies over de aangevraagde stedenbouwkundige handelingen of het aangevraagde verkavelen van gronden conform artikel 4.3.3. en 4.3.4. van de VCRO.
De adviesinstanties, vermeld in artikel 35, § 3 tot en met § 16, geven hun advies over de aangevraagde stedenbouwkundige handelingen of het aangevraagde verkavelen van gronden conform artikel 4.3.3. en 4.3.4. van de VCRO.
Art. 36. L'instance d'avis visée à l'article 35, § 2, rend un avis sur les actes urbanistiques demandés ou le lotissement demandé de terrains conformément au titre IV, chapitre III, du VCRO.
Les instances d'avis visées à l'article 35, § § 3 à 16 inclus, rendent un avis sur les actes urbanistiques demandés ou le lotissement demandé de terrains conformément aux articles 4.3.3. et 4.3.4. du VCRO.
Les instances d'avis visées à l'article 35, § § 3 à 16 inclus, rendent un avis sur les actes urbanistiques demandés ou le lotissement demandé de terrains conformément aux articles 4.3.3. et 4.3.4. du VCRO.
Afdeling 3. - De instanties die advies verlenen over de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit, en de inhoud van de adviezen
Section 3. - Les instances qui rendent un avis sur l'exploitation d'un établissement classé ou d'une activité classée, et le contenu des avis
Art. 37. § 1. Over vergunningsaanvragen of beroepen die betrekking hebben op de exploitatie van een vergunningsplichtige ingedeelde inrichting of activiteit wordt advies verleend door de instanties en in de gevallen vermeld in dit artikel.
§ 2. [1 De afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, verleent advies in de volgende gevallen :
1° [6 als de Vlaamse Regering de bevoegde overheid is en het gaat om een aanvraag van een vergunning of een beroep tegen de beslissing over een aanvraag van een vergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van de eerste klasse;]6
2° als de deputatie de bevoegde overheid is en het gaat om :
a) een aanvraag, vermeld in [6 punt 1°]6 ;
b) een beroep tegen de beslissing over een aanvraag van een vergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van de tweede klasse;
3° [6 ...]6
De afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, kan subadviezen inwinnen van :
1° de nv Aquafin;
2° het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle;
3° iedere dienst, instelling of organisatie die activiteiten ontwikkelt op het vlak van energie, leefmilieu, waterbeleid, landinrichting, natuurbehoud, ruimtelijke ordening, veiligheid of mobiliteit.
Tenzij het anders is bepaald in de adviesvraag, verlenen de instanties, vermeld in het tweede lid, het subadvies binnen een vervaltermijn van twintig dagen.
De vervaltermijn, vermeld in het derde lid, gaat in op de dag na de dag van ontvangst van de subadviesvraag.
Het tweede tot het vierde lid zijn niet van toepassing als de instanties, vermeld in het tweede lid, in het kader van de vergunningsaanvraag of het beroep over een eigen adviesbevoegdheid op het vlak van milieu beschikken.
§ 3. De afdeling RO, bevoegd voor de omgevingsvergunning, verleent advies in de volgende gevallen :
1° [1 als het gaat om een beroep waarop de gewone vergunningsprocedure van toepassing is;]1
2° [1 als de Vlaamse Regering de bevoegde overheid is in eerste administratieve aanleg voor een aanvraag waarop de gewone vergunningsprocedure van toepassing is.]1
§ 4. De OVAM verleent advies als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op een indelingsrubriek die in de vierde kolom van de indelingslijst met de letter O is aangeduid.
§ 5. [8 De entiteit van de Vlaamse Milieumaatschappij die bevoegd is voor grondwateradvisering,]8 verleent advies als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op een indelingsrubriek die in de vierde kolom van de indelingslijst met de letter W is aangeduid.
§ 6. [8 De entiteit van de Vlaamse Milieumaatschappij die bevoegd is voor advisering over het afvalwater of bevoegd voor lucht,]8 verleent advies als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op een indelingsrubriek die in de vierde kolom van de indelingslijst met de letter M is aangeduid.
§ 7. [7 ...]7
§ 8. De afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen, verleent advies als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op een indelingsrubriek die in de vierde kolom van de indelingslijst met de letter N is aangeduid.
§ 9. De afdeling, bevoegd voor het toezicht Volksgezondheid, verleent advies als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op een indelingsrubriek die in de vierde kolom van de indelingslijst met de letter G is aangeduid.
§ 10. Het Vlaams Energieagentschap verleent advies in de volgende gevallen :
1° als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op een indelingsrubriek die in de vierde kolom van de indelingslijst met de letter E is aangeduid;
2° als een energiestudie of een energieplan bij de vergunningsaanvraag gevoegd moet worden.
[7 3° als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op een van de volgende zaken:
a) de aanvraag van een nog niet vergunde indelingsrubriek die in de vierde kolom van de indelingslijst met de letter Y is aangeduid;
b) [9 ...]9
c) schrapping van een indelingsrubriek die in de vierde kolom van de indelingslijst met de letter Y is aangeduid.]7
§ 11. Het Departement Mobiliteit en Openbare Werken verleent advies als een mobiliteitsstudie of een project-MER, die een mobiliteitsstudie omvat, bij de vergunningsaanvraag gevoegd moet worden.
§ 12. Het Agentschap voor Natuur en Bos verleent advies als het voorwerp van de vergunningsaanvraag :
1° in een ruimtelijk kwetsbaar gebied ligt;
2° in een speciale beschermingszone ligt die is aangewezen met toepassing van artikel 36bis van het Natuurdecreet of op minder dan 750 meter daarvandaan ligt;
3° in een waterrijk gebied ligt dat is aangewezen krachtens de overeenkomst inzake watergebieden die van internationale betekenis zijn, in het bijzonder als woongebied voor watervogels, opgemaakt in Ramsar op 2 februari 1971, of op minder dan 750 meter daarvandaan ligt;
4° in een park of bos ligt zoals gedefinieerd in het Bosdecreet van 13 juni 1990;
5° de opmaak van een passende beoordeling vereist.
§ 13. De adviesinstanties, vermeld in artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2006 tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets, tot aanwijzing van de adviesinstanties en tot vaststelling van nadere regels voor de adviesprocedure bij de watertoets, vermeld in artikel [4 1.3.1.1 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018]4, verlenen advies in de gevallen, vermeld in artikel 3 van het voormelde besluit.
§ 14. Het agentschap van [2 het beleidsdomein Omgeving]2 dat belast is met de uitvoering van het beleid inzake onroerend erfgoed verleent advies over vergunningsaanvragen die betrekking hebben op ingedeelde inrichtingen of activiteiten in of aan een voorlopig of definitief beschermde archeologische site, een voorlopig of definitief beschermd monument, een voorlopig of definitief beschermd cultuurhistorisch landschap of een voorlopig of definitief beschermd stads- of dorpsgezicht, in voorkomend geval met inbegrip van de overgangszones, vermeld in het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.
In afwijking van het eerste lid wordt het advies verleend door de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed als een beroep middelen opwerpt over het advies van het agentschap, vermeld in het eerste lid, of over de behandeling van dat advies door de overheid, bevoegd in eerste administratieve aanleg.
§ 15. Het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle wordt om advies verzocht en kan advies verlenen over de volgende inrichtingen :
1° de inrichtingen van klasse I, vermeld in artikel 3.1, a), van het ARBIS;
2° de inrichtingen, vermeld in artikel 3.1, b), 1, van het ARBIS;
3° de inrichtingen van klasse II, vermeld in artikel 3.1, b), van het ARBIS, waar zich een of meer deeltjesversnellers bevinden die gebruikt worden voor onderzoek of voor de productie van radionucliden, met uitzondering van elektronische microscopen, alsook de inrichtingen waar die deeltjesversnellers worden vervaardigd of getest;
4° de inrichtingen van klasse II, vermeld in artikel 3.1, b), van het ARBIS, waar zich bestralingsinstallaties bevinden met een bron waarvan de activiteit gelijk is aan of hoger ligt dan 100 TBq, met uitzondering van bestralingseenheden voor de behandeling van patiënten, met uitzondering van bronnen die in alle omstandigheden in hun afscherming blijven;
5° de inrichtingen van klasse II, vermeld in artikel 3.1, b), van het ARBIS, waar radioactieve stoffen worden verpakt voor verkoop in industriële hoeveelheden.
§ 16. [10 Het Agentschap Landbouw en Zeevisserij]10 verleent advies over de inrichtingen of activiteiten inzake aquacultuur, vermeld in rubriek 62 van de indelingslijst.
§ 2. [1 De afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, verleent advies in de volgende gevallen :
1° [6 als de Vlaamse Regering de bevoegde overheid is en het gaat om een aanvraag van een vergunning of een beroep tegen de beslissing over een aanvraag van een vergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van de eerste klasse;]6
2° als de deputatie de bevoegde overheid is en het gaat om :
a) een aanvraag, vermeld in [6 punt 1°]6 ;
b) een beroep tegen de beslissing over een aanvraag van een vergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van de tweede klasse;
3° [6 ...]6
De afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, kan subadviezen inwinnen van :
1° de nv Aquafin;
2° het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle;
3° iedere dienst, instelling of organisatie die activiteiten ontwikkelt op het vlak van energie, leefmilieu, waterbeleid, landinrichting, natuurbehoud, ruimtelijke ordening, veiligheid of mobiliteit.
Tenzij het anders is bepaald in de adviesvraag, verlenen de instanties, vermeld in het tweede lid, het subadvies binnen een vervaltermijn van twintig dagen.
De vervaltermijn, vermeld in het derde lid, gaat in op de dag na de dag van ontvangst van de subadviesvraag.
Het tweede tot het vierde lid zijn niet van toepassing als de instanties, vermeld in het tweede lid, in het kader van de vergunningsaanvraag of het beroep over een eigen adviesbevoegdheid op het vlak van milieu beschikken.
§ 3. De afdeling RO, bevoegd voor de omgevingsvergunning, verleent advies in de volgende gevallen :
1° [1 als het gaat om een beroep waarop de gewone vergunningsprocedure van toepassing is;]1
2° [1 als de Vlaamse Regering de bevoegde overheid is in eerste administratieve aanleg voor een aanvraag waarop de gewone vergunningsprocedure van toepassing is.]1
§ 4. De OVAM verleent advies als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op een indelingsrubriek die in de vierde kolom van de indelingslijst met de letter O is aangeduid.
§ 5. [8 De entiteit van de Vlaamse Milieumaatschappij die bevoegd is voor grondwateradvisering,]8 verleent advies als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op een indelingsrubriek die in de vierde kolom van de indelingslijst met de letter W is aangeduid.
§ 6. [8 De entiteit van de Vlaamse Milieumaatschappij die bevoegd is voor advisering over het afvalwater of bevoegd voor lucht,]8 verleent advies als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op een indelingsrubriek die in de vierde kolom van de indelingslijst met de letter M is aangeduid.
§ 7. [7 ...]7
§ 8. De afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen, verleent advies als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op een indelingsrubriek die in de vierde kolom van de indelingslijst met de letter N is aangeduid.
§ 9. De afdeling, bevoegd voor het toezicht Volksgezondheid, verleent advies als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op een indelingsrubriek die in de vierde kolom van de indelingslijst met de letter G is aangeduid.
§ 10. Het Vlaams Energieagentschap verleent advies in de volgende gevallen :
1° als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op een indelingsrubriek die in de vierde kolom van de indelingslijst met de letter E is aangeduid;
2° als een energiestudie of een energieplan bij de vergunningsaanvraag gevoegd moet worden.
[7 3° als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op een van de volgende zaken:
a) de aanvraag van een nog niet vergunde indelingsrubriek die in de vierde kolom van de indelingslijst met de letter Y is aangeduid;
b) [9 ...]9
c) schrapping van een indelingsrubriek die in de vierde kolom van de indelingslijst met de letter Y is aangeduid.]7
§ 11. Het Departement Mobiliteit en Openbare Werken verleent advies als een mobiliteitsstudie of een project-MER, die een mobiliteitsstudie omvat, bij de vergunningsaanvraag gevoegd moet worden.
§ 12. Het Agentschap voor Natuur en Bos verleent advies als het voorwerp van de vergunningsaanvraag :
1° in een ruimtelijk kwetsbaar gebied ligt;
2° in een speciale beschermingszone ligt die is aangewezen met toepassing van artikel 36bis van het Natuurdecreet of op minder dan 750 meter daarvandaan ligt;
3° in een waterrijk gebied ligt dat is aangewezen krachtens de overeenkomst inzake watergebieden die van internationale betekenis zijn, in het bijzonder als woongebied voor watervogels, opgemaakt in Ramsar op 2 februari 1971, of op minder dan 750 meter daarvandaan ligt;
4° in een park of bos ligt zoals gedefinieerd in het Bosdecreet van 13 juni 1990;
5° de opmaak van een passende beoordeling vereist.
§ 13. De adviesinstanties, vermeld in artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2006 tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets, tot aanwijzing van de adviesinstanties en tot vaststelling van nadere regels voor de adviesprocedure bij de watertoets, vermeld in artikel [4 1.3.1.1 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018]4, verlenen advies in de gevallen, vermeld in artikel 3 van het voormelde besluit.
§ 14. Het agentschap van [2 het beleidsdomein Omgeving]2 dat belast is met de uitvoering van het beleid inzake onroerend erfgoed verleent advies over vergunningsaanvragen die betrekking hebben op ingedeelde inrichtingen of activiteiten in of aan een voorlopig of definitief beschermde archeologische site, een voorlopig of definitief beschermd monument, een voorlopig of definitief beschermd cultuurhistorisch landschap of een voorlopig of definitief beschermd stads- of dorpsgezicht, in voorkomend geval met inbegrip van de overgangszones, vermeld in het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.
In afwijking van het eerste lid wordt het advies verleend door de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed als een beroep middelen opwerpt over het advies van het agentschap, vermeld in het eerste lid, of over de behandeling van dat advies door de overheid, bevoegd in eerste administratieve aanleg.
§ 15. Het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle wordt om advies verzocht en kan advies verlenen over de volgende inrichtingen :
1° de inrichtingen van klasse I, vermeld in artikel 3.1, a), van het ARBIS;
2° de inrichtingen, vermeld in artikel 3.1, b), 1, van het ARBIS;
3° de inrichtingen van klasse II, vermeld in artikel 3.1, b), van het ARBIS, waar zich een of meer deeltjesversnellers bevinden die gebruikt worden voor onderzoek of voor de productie van radionucliden, met uitzondering van elektronische microscopen, alsook de inrichtingen waar die deeltjesversnellers worden vervaardigd of getest;
4° de inrichtingen van klasse II, vermeld in artikel 3.1, b), van het ARBIS, waar zich bestralingsinstallaties bevinden met een bron waarvan de activiteit gelijk is aan of hoger ligt dan 100 TBq, met uitzondering van bestralingseenheden voor de behandeling van patiënten, met uitzondering van bronnen die in alle omstandigheden in hun afscherming blijven;
5° de inrichtingen van klasse II, vermeld in artikel 3.1, b), van het ARBIS, waar radioactieve stoffen worden verpakt voor verkoop in industriële hoeveelheden.
§ 16. [10 Het Agentschap Landbouw en Zeevisserij]10 verleent advies over de inrichtingen of activiteiten inzake aquacultuur, vermeld in rubriek 62 van de indelingslijst.
Änderungen
Art. 37. § 1er. Les instances rendent un avis sur les demandes de permis ou recours portant sur l'exploitation d'un établissement classé ou d'une activité classée soumis(e) à autorisation et dans les cas mentionnés dans le présent article.
§ 2. [1 La division Environnement compétente pour le permis d'environnement rend un avis dans les cas suivants :
1° [6 lorsque le Gouvernement flamand est l'autorité compétente et qu'il s'agit d'une demande de permis ou d'un recours contre la décision sur une demande de permis pour l'exploitation d'un établissement classé ou d'une activité classée de première classe ;]6
2° lorsque la députation est l'autorité compétente et qu'il s'agit :
a) d'une demande visée au point 1° ;
b) d'un recours contre la décision sur une demande de permis pour l'exploitation d'un établissement classé ou d'une activité classée de deuxième classe ;
3° [6 ...]6]1
La division Environnement compétente pour le permis d'environnement peut recueillir des sous-avis auprès de :
1° la S.A. Aquafin ;
2° l'Agence fédérale de Contrôle nucléaire ;
3° tout service, institution ou organisation qui développe des activités dans le domaine de l'énergie, de l'environnement, de la politique de l'eau, de l'aménagement rural, de la conservation de la nature, de l'aménagement du territoire, de la sécurité ou de la mobilité.
Sauf stipulation contraire dans la demande d'avis, les instances visées au deuxièmealinéa rendent le sous-avis dans un délai de vingt jours.
Le délai visé au troisième alinéa prend cours le lendemain de la réception de la demande de sous-avis.
Les alinéas 2 à 4 ne s'appliquent pas lorsque les instances visées au deuxième alinéa disposent, dans le cadre de la demande de permis ou du recours, d'une propre compétence d'avis en matière d'environnement.
§ 3. La division RO, compétente pour le permis d'environnement, rend un avis dans les cas suivants :
1° [1 1° lorsqu'il s'agit d'un recours auquel s'applique la procédure d'autorisation ordinaire ;
2° lorsque le Gouvernement flamand est l'autorité compétente en première instance administrative pour une demande à laquelle s'applique la procédure d'autorisation ordinaire.]1
§ 4. L'OVAM rend un avis lorsque la demande de permis porte sur une rubrique de classification désignée par la lettre O dans la quatrième colonne de la liste de classification.
§ 5. [8 L'entité de la Vlaamse Milieumaatschappij compétente pour les conseils sur les eaux souterraines]8 rend un avis lorsque la demande de permis porte sur une rubrique de classification désignée par la lettre W dans la quatrième colonne de la liste de classification.
§ 6. [8 L'entité de la Vlaamse Milieumaatschappij compétente pour les conseils sur les eaux usées ou compétente pour l'air]8 rend un avis lorsque la demande de permis porte sur une rubrique de classification désignée par la lettre M dans la quatrième colonne de la liste de classification.
§ 7. [7 ...]7
§ 8. La division compétente pour les ressources naturelles rend un avis lorsque la demande de permis porte sur une rubrique de classification désignée par la lettre N dans la quatrième colonne de la liste de classification.
§ 9. La division compétente pour la surveillance de la santé publique rend un avis lorsque la demande de permis porte sur une rubrique de classification désignée par la lettre G dans la quatrième colonne de la liste de classification.
§ 10.[7 L'Agence flamande pour l'Energie et le Climat]7 rend un avis dans les cas suivants :
1° lorsque la demande de permis porte sur une rubrique de classification désignée par la lettre E dans la quatrième colonne de la liste de classification ;
2° lorsqu'une étude énergétique ou un plan énergétique doit être joint(e) à la demande de permis.
[7 3° lorsque la demande de permis porte sur l'une des matières suivantes :
a) la demande d'une rubrique de classification non encore autorisée, désignée par la lettre Y dans la quatrième colonne de la liste de classification ;
b) [9 ...]9 ;
c) la suppression d'une rubrique de classification désignée par la lettre Y dans la quatrième colonne de la liste de classification.]7
§ 11. Le Département Mobilité et Travaux publics rend un avis lorsqu'une étude de la mobilité ou un RIE du projet, comportant une étude de la mobilité, doit être joint à la demande de permis.
§ 12. L'Agence de la Nature et des Forêts rend un avis lorsque l'objet de la demande de permis :
1° se situe dans une zone vulnérable d'un point de vue spatial ;
2° se situe dans une zone de protection spéciale désignée en application de l'article 36bis du décret sur la Nature ou à moins de 750 mètres de là ;
3° se situe dans une zone humide désignée en vertu de la convention relative aux zones humides d'importance internationale, particulièrement comme habitats des oiseaux d'eau, faite à Ramsar le 2 février 1971 ou à moins de 750 mètres de là ;
4° se situe dans un parc ou un bois tel que défini dans le décret forestier du 13 juin 1990 ;
5° doit faire l'objet d'une évaluation appropriée.
§ 13. Les instances d'avis, visées à l'article 5 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 juillet 2006 fixant les modalités d'application de l'évaluation aquatique, portant désignation des instances consultatives et définissant les modalités de la procédure d'avis pour l'évaluation aquatique, visée à l'article [4 1.3.1.1 du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau, coordonné le 15 juin 2018 ]4, rendent un avis dans les cas visés à l'article 3 de l'arrêté précité.
§ 14. L'agence du [2 domaine politique de l'Environnement]2 chargée de l'exécution de la politique en matière de patrimoine immobilier rend un avis sur les demandes de permis qui portent sur des établissements ou activités classés sur ou adjacents à un site archéologique protégé provisoirement ou définitivement, un monument protégé provisoirement ou définitivement, un paysage historico-culturel protégé provisoirement ou définitivement ou un site urbain ou rural protégé provisoirement ou définitivement, le cas échéant, à l'inclusion des zones de transition, visés au décret relatif au Patrimoine immobilier du 12 juillet 2013.
Par dérogation à l'alinéa 1er, l'avis est rendu par la Commission flamande du Patrimoine immobilier si un recours soulève des moyens concernant l'avis de l'agence, visée à l'alinéa 1er, ou le traitement de cet avis par l'autorité compétente en première instance administrative.
§ 15. L'avis de l'Agence fédérale de Contrôle nucléaire est demandé et elle peut rendre un avis sur les établissements suivants :
1° les établissements de classe I, visés à l'article 3.1, a) du RGPRI ;
2° les établissements visés à l'article 3.1, b), 1, du RGPRI ;
3° les établissements de classe II, visés à l'article 3.1, b) du RGPRI, où se trouvent un ou plusieurs accélérateurs de particules utilisés à des fins de recherche ou pour la production de radionucléides, à l'exception des microscopes électroniques, ainsi que les établissements où ces accélérateurs de particules sont fabriqués ou testés ;
4° les établissements de classe II, visés à l'article 3.1, b) du RGPRI, où se trouvent des installations d'irradiation avec une source dont l'activité est égale ou supérieure à 100 TBq, à l'exception des unités d'irradiation pour le traitement des patients et à l'exception des sources qui restent dans leur blindage en toutes circonstances ;
5° les établissements de classe II, visés à l'article 3.1 b) du RGPRI, où des substances radioactives sont conditionnées pour la vente en quantités industrielles.
§ 16. [10 L'Agence de l'Agriculture et de la Pêche]10 rend un avis sur les établissements ou activités liés à l'aquaculture visés sous la rubrique 62 de la liste de classification.
§ 2. [1 La division Environnement compétente pour le permis d'environnement rend un avis dans les cas suivants :
1° [6 lorsque le Gouvernement flamand est l'autorité compétente et qu'il s'agit d'une demande de permis ou d'un recours contre la décision sur une demande de permis pour l'exploitation d'un établissement classé ou d'une activité classée de première classe ;]6
2° lorsque la députation est l'autorité compétente et qu'il s'agit :
a) d'une demande visée au point 1° ;
b) d'un recours contre la décision sur une demande de permis pour l'exploitation d'un établissement classé ou d'une activité classée de deuxième classe ;
3° [6 ...]6]1
La division Environnement compétente pour le permis d'environnement peut recueillir des sous-avis auprès de :
1° la S.A. Aquafin ;
2° l'Agence fédérale de Contrôle nucléaire ;
3° tout service, institution ou organisation qui développe des activités dans le domaine de l'énergie, de l'environnement, de la politique de l'eau, de l'aménagement rural, de la conservation de la nature, de l'aménagement du territoire, de la sécurité ou de la mobilité.
Sauf stipulation contraire dans la demande d'avis, les instances visées au deuxièmealinéa rendent le sous-avis dans un délai de vingt jours.
Le délai visé au troisième alinéa prend cours le lendemain de la réception de la demande de sous-avis.
Les alinéas 2 à 4 ne s'appliquent pas lorsque les instances visées au deuxième alinéa disposent, dans le cadre de la demande de permis ou du recours, d'une propre compétence d'avis en matière d'environnement.
§ 3. La division RO, compétente pour le permis d'environnement, rend un avis dans les cas suivants :
1° [1 1° lorsqu'il s'agit d'un recours auquel s'applique la procédure d'autorisation ordinaire ;
2° lorsque le Gouvernement flamand est l'autorité compétente en première instance administrative pour une demande à laquelle s'applique la procédure d'autorisation ordinaire.]1
§ 4. L'OVAM rend un avis lorsque la demande de permis porte sur une rubrique de classification désignée par la lettre O dans la quatrième colonne de la liste de classification.
§ 5. [8 L'entité de la Vlaamse Milieumaatschappij compétente pour les conseils sur les eaux souterraines]8 rend un avis lorsque la demande de permis porte sur une rubrique de classification désignée par la lettre W dans la quatrième colonne de la liste de classification.
§ 6. [8 L'entité de la Vlaamse Milieumaatschappij compétente pour les conseils sur les eaux usées ou compétente pour l'air]8 rend un avis lorsque la demande de permis porte sur une rubrique de classification désignée par la lettre M dans la quatrième colonne de la liste de classification.
§ 7. [7 ...]7
§ 8. La division compétente pour les ressources naturelles rend un avis lorsque la demande de permis porte sur une rubrique de classification désignée par la lettre N dans la quatrième colonne de la liste de classification.
§ 9. La division compétente pour la surveillance de la santé publique rend un avis lorsque la demande de permis porte sur une rubrique de classification désignée par la lettre G dans la quatrième colonne de la liste de classification.
§ 10.[7 L'Agence flamande pour l'Energie et le Climat]7 rend un avis dans les cas suivants :
1° lorsque la demande de permis porte sur une rubrique de classification désignée par la lettre E dans la quatrième colonne de la liste de classification ;
2° lorsqu'une étude énergétique ou un plan énergétique doit être joint(e) à la demande de permis.
[7 3° lorsque la demande de permis porte sur l'une des matières suivantes :
a) la demande d'une rubrique de classification non encore autorisée, désignée par la lettre Y dans la quatrième colonne de la liste de classification ;
b) [9 ...]9 ;
c) la suppression d'une rubrique de classification désignée par la lettre Y dans la quatrième colonne de la liste de classification.]7
§ 11. Le Département Mobilité et Travaux publics rend un avis lorsqu'une étude de la mobilité ou un RIE du projet, comportant une étude de la mobilité, doit être joint à la demande de permis.
§ 12. L'Agence de la Nature et des Forêts rend un avis lorsque l'objet de la demande de permis :
1° se situe dans une zone vulnérable d'un point de vue spatial ;
2° se situe dans une zone de protection spéciale désignée en application de l'article 36bis du décret sur la Nature ou à moins de 750 mètres de là ;
3° se situe dans une zone humide désignée en vertu de la convention relative aux zones humides d'importance internationale, particulièrement comme habitats des oiseaux d'eau, faite à Ramsar le 2 février 1971 ou à moins de 750 mètres de là ;
4° se situe dans un parc ou un bois tel que défini dans le décret forestier du 13 juin 1990 ;
5° doit faire l'objet d'une évaluation appropriée.
§ 13. Les instances d'avis, visées à l'article 5 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 juillet 2006 fixant les modalités d'application de l'évaluation aquatique, portant désignation des instances consultatives et définissant les modalités de la procédure d'avis pour l'évaluation aquatique, visée à l'article [4 1.3.1.1 du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau, coordonné le 15 juin 2018 ]4, rendent un avis dans les cas visés à l'article 3 de l'arrêté précité.
§ 14. L'agence du [2 domaine politique de l'Environnement]2 chargée de l'exécution de la politique en matière de patrimoine immobilier rend un avis sur les demandes de permis qui portent sur des établissements ou activités classés sur ou adjacents à un site archéologique protégé provisoirement ou définitivement, un monument protégé provisoirement ou définitivement, un paysage historico-culturel protégé provisoirement ou définitivement ou un site urbain ou rural protégé provisoirement ou définitivement, le cas échéant, à l'inclusion des zones de transition, visés au décret relatif au Patrimoine immobilier du 12 juillet 2013.
Par dérogation à l'alinéa 1er, l'avis est rendu par la Commission flamande du Patrimoine immobilier si un recours soulève des moyens concernant l'avis de l'agence, visée à l'alinéa 1er, ou le traitement de cet avis par l'autorité compétente en première instance administrative.
§ 15. L'avis de l'Agence fédérale de Contrôle nucléaire est demandé et elle peut rendre un avis sur les établissements suivants :
1° les établissements de classe I, visés à l'article 3.1, a) du RGPRI ;
2° les établissements visés à l'article 3.1, b), 1, du RGPRI ;
3° les établissements de classe II, visés à l'article 3.1, b) du RGPRI, où se trouvent un ou plusieurs accélérateurs de particules utilisés à des fins de recherche ou pour la production de radionucléides, à l'exception des microscopes électroniques, ainsi que les établissements où ces accélérateurs de particules sont fabriqués ou testés ;
4° les établissements de classe II, visés à l'article 3.1, b) du RGPRI, où se trouvent des installations d'irradiation avec une source dont l'activité est égale ou supérieure à 100 TBq, à l'exception des unités d'irradiation pour le traitement des patients et à l'exception des sources qui restent dans leur blindage en toutes circonstances ;
5° les établissements de classe II, visés à l'article 3.1 b) du RGPRI, où des substances radioactives sont conditionnées pour la vente en quantités industrielles.
§ 16. [10 L'Agence de l'Agriculture et de la Pêche]10 rend un avis sur les établissements ou activités liés à l'aquaculture visés sous la rubrique 62 de la liste de classification.
Änderungen
Art. 38. § 1. Het advies van de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, bevat :
1° een gemotiveerde beoordeling van de aanvaardbaarheid van de hinder en de risico's voor mens en milieu, afkomstig van de exploitatie van de aangevraagde ingedeelde inrichting of activiteit;
2° als de exploitatie van de aangevraagde ingedeelde inrichting of activiteit aanvaardbaar wordt geacht :
a) een verwijzing naar de algemene en sectorale milieuvoorwaarden;
b) in voorkomend geval, bijzondere milieuvoorwaarden.
§ 2. Het advies van de afdeling RO, bevoegd voor de omgevingsvergunning, bevat :
1° de stedenbouwkundige voorschriften die van toepassing zijn op de percelen waarop de vergunningsaanvraag betrekking heeft;
2° een gemotiveerde beoordeling van de verenigbaarheid van de aangevraagde inrichting of activiteit met de omgeving en de goede ruimtelijke ordening.
§ 3. Het advies van de OVAM bevat een gemotiveerde beoordeling van de verenigbaarheid van de aangevraagde ingedeelde inrichting of activiteit met de bepalingen van de sectorale uitvoeringsplannen en met een duurzaam beheer van afvalstoffen, materiaalkringlopen en materialen.
§ 4. Het advies van [5 de entiteit van de Vlaamse Milieumaatschappij die bevoegd is voor grondwateradvisering,]5 bevat een gemotiveerde beoordeling van de aangevraagde ingedeelde inrichting of activiteit wat betreft de verenigbaarheid met het grondwaterbeheersbeleid, het aantal aan te leggen peilputten en filters conform artikel 5.53.4.2 van titel II van het VLAREM, de kwantitatieve en kwalitatieve effecten op het beheer van de watervoerende of de ontvangende grondwaterlaag en de eventuele effecten op de andere watervoerende lagen enerzijds, en op de openbare en private bovengrondse eigendommen anderzijds.
§ 5. Het advies van [5 de entiteit van de VMM die bevoegd is voor advisering over het afvalwater of bevoegd voor lucht,]5 bevat de volgende gegevens :
1° met betrekking tot het lozen van afvalwater :
a) een gemotiveerde beoordeling van de herkomst van het afvalwater en de verenigbaarheid van de aangevraagde lozing met het algemene waterzuiveringsprogramma en, in geval van rechtstreekse of onrechtstreekse lozing in oppervlaktewater, met de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater en met de geplande investeringen voor de zuivering van dat oppervlaktewater;
b) in voorkomend geval, een gemotiveerd voorstel van de maximaal toelaatbare vuilvracht;
2° met betrekking tot de emissie van afvalgassen in de atmosfeer :
a) een gemotiveerde beoordeling van de verenigbaarheid van de aangevraagde emissie met de kwaliteit van de omgevingslucht;
b) in voorkomend geval, een gemotiveerd voorstel van de maximaal toelaatbare emissie.
§ 6. [3 ...]3
§ 7. Het advies van de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen, bevat een gemotiveerde beoordeling van het beheer van de natuurlijke rijkdommen, het ontginningsbeleid en het gevaar voor grondverschuivingen of instortingen in de aangevraagde inrichting of activiteit.
§ 8. Het advies van de afdeling, bevoegd voor het toezicht Volksgezondheid, bevat een gemotiveerde beoordeling van de gezondheidsaspecten van de exploitatie van de aangevraagde ingedeelde inrichting of activiteit.
§ 9. Het advies van het [3 Vlaams Energie- en Klimaatagentschap]3 bevat :
1° een gemotiveerde beoordeling van het doelmatige gebruik van energie in de aangevraagde ingedeelde inrichting of activiteit als het gaat om een aanvraag die betrekking heeft op een indelingsrubriek die in de vierde kolom van de indelingslijst met de letter E is aangeduid;
2° een gemotiveerde beoordeling van het energieplan of de energiestudie, vermeld in artikel 6.5.1 tot en met 6.5.8 van het Energiebesluit van 19 november 2010, in de gevallen, vermeld in artikel 37, § 10, 2°, van dit besluit.
[3 3° een gemotiveerde beoordeling van het monitoringplan [4 en, in voorkomend geval, het monitoringmethodiekplan,]4 als het gaat om een aanvraag van een Y-rubriek;
4° een gemotiveerde beoordeling van de documenten in de aanvraag die aantonen dat een inrichting niet langer een inrichting met een BKG-installatie is als het om een aanvraag tot schrapping van een Y-rubriek gaat.]3
§ 10. Het advies van het Departement Mobiliteit en Openbare Werken bevat een gemotiveerde beoordeling van de lokale en bovenlokale mobiliteitseffecten of -hinder ten gevolge van de exploitatie van de aangevraagde ingedeelde inrichting of activiteit.
§ 11. Het advies van het Agentschap voor Natuur en Bos bevat :
1° een gemotiveerde beoordeling of de exploitatie van de aangevraagde inrichting of activiteit al dan niet een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone, aangewezen door de Vlaamse Regering met toepassing van artikel 36bis van het Natuurdecreet, kan veroorzaken als vermeld in artikel 36ter, § 3, van voormeld decreet;
2° een gemotiveerde beoordeling of de exploitatie van de aangevraagde inrichting of activiteit al dan niet een onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur in het Vlaams Ecologisch Netwerk kan veroorzaken;
3° in voorkomend geval, een gemotiveerde beoordeling van de afwijkingsmogelijkheden, vermeld in artikel 26bis, § 3, en 36ter, § 5, van het Natuurdecreet.
§ 12. Het advies van de adviesinstanties, vermeld in artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2006 tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets, tot aanwijzing van de adviesinstanties en tot vaststelling van nadere regels voor de adviesprocedure bij de watertoets, vermeld in artikel [2 1.3.1.1 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018]2, bevat de gegevens, vermeld in artikel 7, § 1, van het voormelde besluit.
§ 13. Het advies van het agentschap van [1 het beleidsdomein Omgeving]1 dat belast is met de uitvoering van het beleid inzake onroerend erfgoed, respectievelijk de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed bevat een gemotiveerde beoordeling van de verenigbaarheid van de aangevraagde ingedeelde inrichting of activiteit met het actief- en passiefbehoudsbeginsel en de bepalingen van het beschermingsbesluit van het betrokken onroerend erfgoed, en preciseert welke rechtsgevolgen, vermeld in artikel 6.4.4, § 3, vierde lid, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, van toepassing zijn.
§ 14. Het advies van het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle bevat een gemotiveerde beoordeling van de verenigbaarheid van de exploitatie van de aangevraagde ingedeelde inrichting of activiteit met de risico's van ioniserende straling voor mens en leefmilieu.
§ 15. Het advies van [6 het Agentschap Landbouw en Zeevisserij]6 over de inrichtingen inzake aquacultuur, vermeld in rubriek 62 van de indelingslijst, bespreekt de risico's en mogelijke risicobeperkende maatregelen met betrekking tot de introductie van exoten in open aquacultuurvoorzieningen of de verplaatsing van plaatselijk niet-voorkomende soorten binnen hun natuurlijke verspreidingsgebied als vermeld in artikel 2, 6, 7, 9 en 18 van verordening (EG) nr. 708/2007 van de Raad van 11 juni 2007 inzake het gebruik van uitheemse en plaatselijk niet-voorkomende soorten in de aquacultuur.
1° een gemotiveerde beoordeling van de aanvaardbaarheid van de hinder en de risico's voor mens en milieu, afkomstig van de exploitatie van de aangevraagde ingedeelde inrichting of activiteit;
2° als de exploitatie van de aangevraagde ingedeelde inrichting of activiteit aanvaardbaar wordt geacht :
a) een verwijzing naar de algemene en sectorale milieuvoorwaarden;
b) in voorkomend geval, bijzondere milieuvoorwaarden.
§ 2. Het advies van de afdeling RO, bevoegd voor de omgevingsvergunning, bevat :
1° de stedenbouwkundige voorschriften die van toepassing zijn op de percelen waarop de vergunningsaanvraag betrekking heeft;
2° een gemotiveerde beoordeling van de verenigbaarheid van de aangevraagde inrichting of activiteit met de omgeving en de goede ruimtelijke ordening.
§ 3. Het advies van de OVAM bevat een gemotiveerde beoordeling van de verenigbaarheid van de aangevraagde ingedeelde inrichting of activiteit met de bepalingen van de sectorale uitvoeringsplannen en met een duurzaam beheer van afvalstoffen, materiaalkringlopen en materialen.
§ 4. Het advies van [5 de entiteit van de Vlaamse Milieumaatschappij die bevoegd is voor grondwateradvisering,]5 bevat een gemotiveerde beoordeling van de aangevraagde ingedeelde inrichting of activiteit wat betreft de verenigbaarheid met het grondwaterbeheersbeleid, het aantal aan te leggen peilputten en filters conform artikel 5.53.4.2 van titel II van het VLAREM, de kwantitatieve en kwalitatieve effecten op het beheer van de watervoerende of de ontvangende grondwaterlaag en de eventuele effecten op de andere watervoerende lagen enerzijds, en op de openbare en private bovengrondse eigendommen anderzijds.
§ 5. Het advies van [5 de entiteit van de VMM die bevoegd is voor advisering over het afvalwater of bevoegd voor lucht,]5 bevat de volgende gegevens :
1° met betrekking tot het lozen van afvalwater :
a) een gemotiveerde beoordeling van de herkomst van het afvalwater en de verenigbaarheid van de aangevraagde lozing met het algemene waterzuiveringsprogramma en, in geval van rechtstreekse of onrechtstreekse lozing in oppervlaktewater, met de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater en met de geplande investeringen voor de zuivering van dat oppervlaktewater;
b) in voorkomend geval, een gemotiveerd voorstel van de maximaal toelaatbare vuilvracht;
2° met betrekking tot de emissie van afvalgassen in de atmosfeer :
a) een gemotiveerde beoordeling van de verenigbaarheid van de aangevraagde emissie met de kwaliteit van de omgevingslucht;
b) in voorkomend geval, een gemotiveerd voorstel van de maximaal toelaatbare emissie.
§ 6. [3 ...]3
§ 7. Het advies van de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen, bevat een gemotiveerde beoordeling van het beheer van de natuurlijke rijkdommen, het ontginningsbeleid en het gevaar voor grondverschuivingen of instortingen in de aangevraagde inrichting of activiteit.
§ 8. Het advies van de afdeling, bevoegd voor het toezicht Volksgezondheid, bevat een gemotiveerde beoordeling van de gezondheidsaspecten van de exploitatie van de aangevraagde ingedeelde inrichting of activiteit.
§ 9. Het advies van het [3 Vlaams Energie- en Klimaatagentschap]3 bevat :
1° een gemotiveerde beoordeling van het doelmatige gebruik van energie in de aangevraagde ingedeelde inrichting of activiteit als het gaat om een aanvraag die betrekking heeft op een indelingsrubriek die in de vierde kolom van de indelingslijst met de letter E is aangeduid;
2° een gemotiveerde beoordeling van het energieplan of de energiestudie, vermeld in artikel 6.5.1 tot en met 6.5.8 van het Energiebesluit van 19 november 2010, in de gevallen, vermeld in artikel 37, § 10, 2°, van dit besluit.
[3 3° een gemotiveerde beoordeling van het monitoringplan [4 en, in voorkomend geval, het monitoringmethodiekplan,]4 als het gaat om een aanvraag van een Y-rubriek;
4° een gemotiveerde beoordeling van de documenten in de aanvraag die aantonen dat een inrichting niet langer een inrichting met een BKG-installatie is als het om een aanvraag tot schrapping van een Y-rubriek gaat.]3
§ 10. Het advies van het Departement Mobiliteit en Openbare Werken bevat een gemotiveerde beoordeling van de lokale en bovenlokale mobiliteitseffecten of -hinder ten gevolge van de exploitatie van de aangevraagde ingedeelde inrichting of activiteit.
§ 11. Het advies van het Agentschap voor Natuur en Bos bevat :
1° een gemotiveerde beoordeling of de exploitatie van de aangevraagde inrichting of activiteit al dan niet een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone, aangewezen door de Vlaamse Regering met toepassing van artikel 36bis van het Natuurdecreet, kan veroorzaken als vermeld in artikel 36ter, § 3, van voormeld decreet;
2° een gemotiveerde beoordeling of de exploitatie van de aangevraagde inrichting of activiteit al dan niet een onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur in het Vlaams Ecologisch Netwerk kan veroorzaken;
3° in voorkomend geval, een gemotiveerde beoordeling van de afwijkingsmogelijkheden, vermeld in artikel 26bis, § 3, en 36ter, § 5, van het Natuurdecreet.
§ 12. Het advies van de adviesinstanties, vermeld in artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2006 tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets, tot aanwijzing van de adviesinstanties en tot vaststelling van nadere regels voor de adviesprocedure bij de watertoets, vermeld in artikel [2 1.3.1.1 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018]2, bevat de gegevens, vermeld in artikel 7, § 1, van het voormelde besluit.
§ 13. Het advies van het agentschap van [1 het beleidsdomein Omgeving]1 dat belast is met de uitvoering van het beleid inzake onroerend erfgoed, respectievelijk de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed bevat een gemotiveerde beoordeling van de verenigbaarheid van de aangevraagde ingedeelde inrichting of activiteit met het actief- en passiefbehoudsbeginsel en de bepalingen van het beschermingsbesluit van het betrokken onroerend erfgoed, en preciseert welke rechtsgevolgen, vermeld in artikel 6.4.4, § 3, vierde lid, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, van toepassing zijn.
§ 14. Het advies van het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle bevat een gemotiveerde beoordeling van de verenigbaarheid van de exploitatie van de aangevraagde ingedeelde inrichting of activiteit met de risico's van ioniserende straling voor mens en leefmilieu.
§ 15. Het advies van [6 het Agentschap Landbouw en Zeevisserij]6 over de inrichtingen inzake aquacultuur, vermeld in rubriek 62 van de indelingslijst, bespreekt de risico's en mogelijke risicobeperkende maatregelen met betrekking tot de introductie van exoten in open aquacultuurvoorzieningen of de verplaatsing van plaatselijk niet-voorkomende soorten binnen hun natuurlijke verspreidingsgebied als vermeld in artikel 2, 6, 7, 9 en 18 van verordening (EG) nr. 708/2007 van de Raad van 11 juni 2007 inzake het gebruik van uitheemse en plaatselijk niet-voorkomende soorten in de aquacultuur.
Änderungen
Art. 38. § 1er. L'avis de la division Environnement compétente pour le permis d'environnement contient :
1° une appréciation motivée de l'acceptabilité des nuisances et des risques pour l'homme et l'environnement découlant de l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée demandé(e) ;
2° lorsque l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée demandé(e) est jugée acceptable :
a) une référence aux conditions environnementales générales et sectorielles ;
b) le cas échéant, les conditions environnementales particulières.
§ 2. L'avis de la division RO compétente pour le permis d'environnement contient :
1° les prescriptions urbanistiques applicables aux parcelles visées par la demande de permis ;
2° une appréciation motivée de la compatibilité de l'établissement ou de l'activité demandé(e) avec les abords et l'aménagement adéquat du territoire ;
§ 3. L'avis de l'OVAM contient une appréciation motivée de la compatibilité de l'établissement classé ou de l'activité classée demandé(e) avec les dispositions des plans d'exécution sectoriels et avec une gestion durable des déchets, cycles de matériaux et matériaux.
§ 4. L'avis de [5 l'entité de la Vlaamse Milieumaatschappij compétente pour les conseils sur les eaux souterraines]5 contient une appréciation motivée de l'établissement classé ou de l'activité classée demandé(e) en ce qui concerne la compatibilité avec la politique de gestion des eaux souterraines, le nombre de trous de sondage et de filtres à installer conformément à l'article 5.53.4.2. du Titre II du VLAREM, les effets quantitatifs et qualitatifs sur la gestion de la nappe aquifère ou hydroréceptrice et les éventuels effets sur les autres nappes aquifères, d'une part, et sur les propriétés publiques ou privées en surface, d'autre part.
§ 5. L'avis de [5 l'entité de la VMM compétente pour les conseils sur les eaux usées ou compétente pour l'air]5 contient au moins les données suivantes :
1° concernant le déversement d'eaux usées :
a) une appréciation motivée de l'origine des eaux usées et de la compatibilité du déversement demandé avec le programme général d'épuration et, en cas de déversement direct ou indirect dans des eaux de surface, avec la qualité des eaux de surface réceptrices et avec les investissements envisagés pour l'épuration de ces eaux de surface ;
b) le cas échéant, une proposition motivée de la charge polluante maximale admissible ;
2° concernant l'émission de gaz résiduaires dans l'atmosphère :
a) une appréciation motivée de la compatibilité de l'émission demandée avec la qualité de l'air ambiant ;
b) le cas échéant, une proposition motivée de l'émission maximale admissible ;
§ 6. [3 ...]3
§ 7. L'avis de la division compétente pour les ressources naturelles contient une appréciation motivée de la gestion des ressources naturelles, de la politique d'exploitation et du danger de glissements de terrain ou d'affaissements dans l'établissement ou l'activité demandé(e).
§ 8. L'avis de la division compétente pour la surveillance de la santé publique contient une appréciation motivée des aspects sanitaires de l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée demandé(e).
§ 9. L'avis de [3 l'Agence flamande pour l'Energie et le Climat]3 contient :
1° une appréciation motivée de l'utilisation rationnelle de l'énergie dans l'établissement classé ou l'activité classée demandé(e) lorsque la demande porte sur une rubrique de classification désignée par la lettre E dans la quatrième colonne de la liste de classification ;
2° une appréciation motivée du plan énergétique ou de l'étude énergétique visés aux articles 6.5.1 à 6.5.8 de l'arrêté relatif à l'énergie du 19 novembre 2010, dans les cas visés à l'article 37, § 10, 2°, du présent arrêté.
[3 3° une appréciation motivée du plan de surveillance [4 et, le cas échéant, du plan méthodologique de surveillance,]4 lorsqu'il s'agit d'une demande d'une rubrique Y ;
4° une appréciation motivée des documents de la demande qui démontrent qu'un établissement n'est plus un établissement doté d'une installation GES lorsqu'il s'agit d'une demande de suppression d'une rubrique Y.]3
§ 10. L'avis du département Mobilité et Travaux publics contient une appréciation motivée des incidences et nuisances sur la mobilité locale et supralocale consécutives à l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée demandé(e).
§ 11. L'avis de l'Agence de la Nature et des Forêts contient :
1° une appréciation motivée du fait que l'exploitation de l'établissement ou l'activité demandé(e) peut ou ne peut pas causer une dépréciation significative des caractéristiques naturelles d'une zone spéciale de conservation, désignée par le Gouvernement flamand en application de l'article 36bis du décret sur la Nature, telle que visée à l'article 36ter, § 3, du décret précité ;
2° une appréciation motivée du fait que l'exploitation de l'établissement ou l'activité demandé(e) peut ou ne peut pas causer un préjudice inévitable et irréparable à la nature dans le Réseau écologique flamand ;
3° le cas échéant, une appréciation motivée des possibilités de dérogation visées à l'article 26bis, § 3, et 36ter, § 5, du décret sur la Nature.
§ 12. L'avis des instances d'avis, visées à l'article 5 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 juillet 2006 fixant les modalités d'application de l'évaluation aquatique, portant désignation des instances consultatives et définissant les modalités de la procédure d'avis pour l'évaluation aquatique, visée à l'article [2 1.3.1.1 du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau, coordonné le 15 juin 2018 ]2, contient les éléments visés à l'article 7, § 1er, de l'arrêté précité.
§ 13. L'avis de l'agence du [1 domaine politique de l'Environnement]1 chargée de l'exécution de la politique en matière de patrimoine immobilier ou de la Commission flamande du Patrimoine immobilier contient une appréciation motivée de la compatibilité de l'établissement classé ou de l'activité classée demandé(e) avec le principe de conservation active et passive et avec les dispositions de la décision de protection du patrimoine immobilier concerné, et précise quelles conséquences juridiques visées à l'article 6.4.4, § 3, alinéa 4, du décret relatif au Patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 s'appliquent.
§ 14. L'avis de l'Agence fédérale de Contrôle nucléaire contient une appréciation motivée de la compatibilité de l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée demandé(e) avec les risques des rayonnements ionisants pour l'homme et l'environnement.
§ 15. L'avis [6 de l'Agence de l'Agriculture et de la Pêche]6 sur les établissements liés à l'aquaculture visés à la rubrique 62 de la liste de classification évoque les risques et les éventuelles mesures d'atténuation concernant l'introduction d'espèces exotiques dans des installations aquacoles ouvertes ou le transfert d'espèces localement absentes à l'intérieur de leur aire de répartition naturelle tels que visés aux articles 2, 6, 7, 9 et 18 du règlement (CE) n° 708/2007 du Conseil du 11 juin 2007 relatif à l'utilisation en aquaculture des espèces exotiques et des espèces localement absentes.
1° une appréciation motivée de l'acceptabilité des nuisances et des risques pour l'homme et l'environnement découlant de l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée demandé(e) ;
2° lorsque l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée demandé(e) est jugée acceptable :
a) une référence aux conditions environnementales générales et sectorielles ;
b) le cas échéant, les conditions environnementales particulières.
§ 2. L'avis de la division RO compétente pour le permis d'environnement contient :
1° les prescriptions urbanistiques applicables aux parcelles visées par la demande de permis ;
2° une appréciation motivée de la compatibilité de l'établissement ou de l'activité demandé(e) avec les abords et l'aménagement adéquat du territoire ;
§ 3. L'avis de l'OVAM contient une appréciation motivée de la compatibilité de l'établissement classé ou de l'activité classée demandé(e) avec les dispositions des plans d'exécution sectoriels et avec une gestion durable des déchets, cycles de matériaux et matériaux.
§ 4. L'avis de [5 l'entité de la Vlaamse Milieumaatschappij compétente pour les conseils sur les eaux souterraines]5 contient une appréciation motivée de l'établissement classé ou de l'activité classée demandé(e) en ce qui concerne la compatibilité avec la politique de gestion des eaux souterraines, le nombre de trous de sondage et de filtres à installer conformément à l'article 5.53.4.2. du Titre II du VLAREM, les effets quantitatifs et qualitatifs sur la gestion de la nappe aquifère ou hydroréceptrice et les éventuels effets sur les autres nappes aquifères, d'une part, et sur les propriétés publiques ou privées en surface, d'autre part.
§ 5. L'avis de [5 l'entité de la VMM compétente pour les conseils sur les eaux usées ou compétente pour l'air]5 contient au moins les données suivantes :
1° concernant le déversement d'eaux usées :
a) une appréciation motivée de l'origine des eaux usées et de la compatibilité du déversement demandé avec le programme général d'épuration et, en cas de déversement direct ou indirect dans des eaux de surface, avec la qualité des eaux de surface réceptrices et avec les investissements envisagés pour l'épuration de ces eaux de surface ;
b) le cas échéant, une proposition motivée de la charge polluante maximale admissible ;
2° concernant l'émission de gaz résiduaires dans l'atmosphère :
a) une appréciation motivée de la compatibilité de l'émission demandée avec la qualité de l'air ambiant ;
b) le cas échéant, une proposition motivée de l'émission maximale admissible ;
§ 6. [3 ...]3
§ 7. L'avis de la division compétente pour les ressources naturelles contient une appréciation motivée de la gestion des ressources naturelles, de la politique d'exploitation et du danger de glissements de terrain ou d'affaissements dans l'établissement ou l'activité demandé(e).
§ 8. L'avis de la division compétente pour la surveillance de la santé publique contient une appréciation motivée des aspects sanitaires de l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée demandé(e).
§ 9. L'avis de [3 l'Agence flamande pour l'Energie et le Climat]3 contient :
1° une appréciation motivée de l'utilisation rationnelle de l'énergie dans l'établissement classé ou l'activité classée demandé(e) lorsque la demande porte sur une rubrique de classification désignée par la lettre E dans la quatrième colonne de la liste de classification ;
2° une appréciation motivée du plan énergétique ou de l'étude énergétique visés aux articles 6.5.1 à 6.5.8 de l'arrêté relatif à l'énergie du 19 novembre 2010, dans les cas visés à l'article 37, § 10, 2°, du présent arrêté.
[3 3° une appréciation motivée du plan de surveillance [4 et, le cas échéant, du plan méthodologique de surveillance,]4 lorsqu'il s'agit d'une demande d'une rubrique Y ;
4° une appréciation motivée des documents de la demande qui démontrent qu'un établissement n'est plus un établissement doté d'une installation GES lorsqu'il s'agit d'une demande de suppression d'une rubrique Y.]3
§ 10. L'avis du département Mobilité et Travaux publics contient une appréciation motivée des incidences et nuisances sur la mobilité locale et supralocale consécutives à l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée demandé(e).
§ 11. L'avis de l'Agence de la Nature et des Forêts contient :
1° une appréciation motivée du fait que l'exploitation de l'établissement ou l'activité demandé(e) peut ou ne peut pas causer une dépréciation significative des caractéristiques naturelles d'une zone spéciale de conservation, désignée par le Gouvernement flamand en application de l'article 36bis du décret sur la Nature, telle que visée à l'article 36ter, § 3, du décret précité ;
2° une appréciation motivée du fait que l'exploitation de l'établissement ou l'activité demandé(e) peut ou ne peut pas causer un préjudice inévitable et irréparable à la nature dans le Réseau écologique flamand ;
3° le cas échéant, une appréciation motivée des possibilités de dérogation visées à l'article 26bis, § 3, et 36ter, § 5, du décret sur la Nature.
§ 12. L'avis des instances d'avis, visées à l'article 5 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 juillet 2006 fixant les modalités d'application de l'évaluation aquatique, portant désignation des instances consultatives et définissant les modalités de la procédure d'avis pour l'évaluation aquatique, visée à l'article [2 1.3.1.1 du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau, coordonné le 15 juin 2018 ]2, contient les éléments visés à l'article 7, § 1er, de l'arrêté précité.
§ 13. L'avis de l'agence du [1 domaine politique de l'Environnement]1 chargée de l'exécution de la politique en matière de patrimoine immobilier ou de la Commission flamande du Patrimoine immobilier contient une appréciation motivée de la compatibilité de l'établissement classé ou de l'activité classée demandé(e) avec le principe de conservation active et passive et avec les dispositions de la décision de protection du patrimoine immobilier concerné, et précise quelles conséquences juridiques visées à l'article 6.4.4, § 3, alinéa 4, du décret relatif au Patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 s'appliquent.
§ 14. L'avis de l'Agence fédérale de Contrôle nucléaire contient une appréciation motivée de la compatibilité de l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée demandé(e) avec les risques des rayonnements ionisants pour l'homme et l'environnement.
§ 15. L'avis [6 de l'Agence de l'Agriculture et de la Pêche]6 sur les établissements liés à l'aquaculture visés à la rubrique 62 de la liste de classification évoque les risques et les éventuelles mesures d'atténuation concernant l'introduction d'espèces exotiques dans des installations aquacoles ouvertes ou le transfert d'espèces localement absentes à l'intérieur de leur aire de répartition naturelle tels que visés aux articles 2, 6, 7, 9 et 18 du règlement (CE) n° 708/2007 du Conseil du 11 juin 2007 relatif à l'utilisation en aquaculture des espèces exotiques et des espèces localement absentes.
Änderungen
Afdeling 4. [1 - De instanties die advies verlenen over kleinhandelsactiviteiten, en de inhoud van de adviezen]1
Section 4. [1 - Les instances qui rendent un avis sur les activités de commerce de détail, et le contenu des avis]1
Art. 38/1. [1 § 1. Over vergunningsaanvragen of beroepen die betrekking hebben op het uitvoeren van vergunningsplichtige kleinhandelsactiviteiten, wordt advies verleend door de instanties en in de gevallen vermeld in dit artikel.
§ 2. Het Agentschap Innoveren en Ondernemen verleent advies als het voorwerp van de vergunningsaanvraag betrekking heeft op projecten voor kleinhandelsactiviteiten met een netto handelsoppervlakte van 1000 vierkante meter of meer.
Het Agentschap Innoveren en Ondernemen kan het subadvies inwinnen van het Comité voor Kleinhandel, vermeld in artikel 8 van het decreet van 15 juli 2016 betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid.
Tenzij het anders is bepaald in de adviesvraag, verleent de instantie, vermeld in het tweede lid, het subadvies binnen een vervaltermijn van twintig dagen.
De vervaltermijn, vermeld in het derde lid, gaat in op de dag na de dag van ontvangst van de subadviesvraag.]1
§ 2. Het Agentschap Innoveren en Ondernemen verleent advies als het voorwerp van de vergunningsaanvraag betrekking heeft op projecten voor kleinhandelsactiviteiten met een netto handelsoppervlakte van 1000 vierkante meter of meer.
Het Agentschap Innoveren en Ondernemen kan het subadvies inwinnen van het Comité voor Kleinhandel, vermeld in artikel 8 van het decreet van 15 juli 2016 betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid.
Tenzij het anders is bepaald in de adviesvraag, verleent de instantie, vermeld in het tweede lid, het subadvies binnen een vervaltermijn van twintig dagen.
De vervaltermijn, vermeld in het derde lid, gaat in op de dag na de dag van ontvangst van de subadviesvraag.]1
Art. 38/1. [1 § 1er. L'avis sur les demandes d'autorisation ou recours portant sur l'exécution d'activités de commerce de détail soumises à autorisation, est rendu par les instances et dans les cas visés au présent article.
§ 2. L'Agence de l'Innovation et de l'Entrepreneuriat rend un avis si l'objet de la demande d'autorisation concerne des projets pour des activités de commerce de détail ayant une superficie commerciale nette de 1000 mètres carrés ou plus.
L'Agence de l'Innovation et de l'Entrepreneuriat peut recueillir le sous-avis du Comité pour le Commerce de détail, visé à l'article 8 du décret du 15 juillet 2016 relatif à la politique d'implantation commerciale intégrale.
Sauf disposition contraire dans la demande d'avis, l'instance visée à l'alinéa 2, rend le sous-avis dans un délai d'échéance de vingt jours.
Le délai d'échéance, visé à l'alinéa 3, prend cours le jours après le jour de réception de la demande de sous-avis.]1
§ 2. L'Agence de l'Innovation et de l'Entrepreneuriat rend un avis si l'objet de la demande d'autorisation concerne des projets pour des activités de commerce de détail ayant une superficie commerciale nette de 1000 mètres carrés ou plus.
L'Agence de l'Innovation et de l'Entrepreneuriat peut recueillir le sous-avis du Comité pour le Commerce de détail, visé à l'article 8 du décret du 15 juillet 2016 relatif à la politique d'implantation commerciale intégrale.
Sauf disposition contraire dans la demande d'avis, l'instance visée à l'alinéa 2, rend le sous-avis dans un délai d'échéance de vingt jours.
Le délai d'échéance, visé à l'alinéa 3, prend cours le jours après le jour de réception de la demande de sous-avis.]1
Art. 38/2. [1 Het advies van het Agentschap Innoveren en Ondernemen bevat een toetsing aan de beoordelingsgronden, vermeld in artikel 13 van het decreet van 15 juli 2016 betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid, en, in voorkomend geval, het Vlaams beleidskader integraal handelsvestigingsbeleid, vermeld in artikel 5 van het voormelde decreet.]1
Art. 38/2. [1 L'avis de l'Agence de l'Innovation et de l'Entrepreneuriat comprend une évaluation sur la base des critères d'évaluation visés à l'article 13 du décret du 15 juillet 2016 relatif à la politique d'implantation commerciale intégrale et, le cas échéant, le cadre politique flamand d'implantation commerciale intégrale, visé à l'article 5 du décret précité.]1
Afdeling 5. [1 - De instanties die advies verlenen over vegetatiewijzigingen, en de inhoud van de adviezen]1
Section 5. [1 - Les instances qui rendent un avis sur les modifications de la végétation, et le contenu des avis]1
Art. 38/3. [1 § 1. Het Agentschap voor Natuur en Bos verleent advies over vergunningsaanvragen of beroepen die betrekking hebben op het uitvoeren van vergunningsplichtige vegetatiewijzigingen.
§ 2. Het agentschap van het beleidsdomein Omgeving dat belast is met de uitvoering van het beleid inzake onroerend erfgoed verleent advies als het voorwerp van de vergunningsaanvraag betrekking heeft op gronden die liggen in een voorlopig of definitief beschermde archeologische site, een voorlopig of definitief beschermd monument, een voorlopig of definitief beschermd cultuurhistorisch landschap of een voorlopig of definitief beschermd stads- of dorpsgezicht, in voorkomend geval met inbegrip van de overgangszones, vermeld in het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 voor zover een toelating vereist conform artikel 6.4.4, § 3, tweede lid, van voormeld decreet.
In afwijking van het eerste lid wordt het advies verleend door de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed als een beroep middelen opwerpt over het advies van het agentschap, vermeld in het eerste lid, of over de behandeling van dat advies door de overheid, bevoegd in eerste administratieve aanleg.]1
§ 2. Het agentschap van het beleidsdomein Omgeving dat belast is met de uitvoering van het beleid inzake onroerend erfgoed verleent advies als het voorwerp van de vergunningsaanvraag betrekking heeft op gronden die liggen in een voorlopig of definitief beschermde archeologische site, een voorlopig of definitief beschermd monument, een voorlopig of definitief beschermd cultuurhistorisch landschap of een voorlopig of definitief beschermd stads- of dorpsgezicht, in voorkomend geval met inbegrip van de overgangszones, vermeld in het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 voor zover een toelating vereist conform artikel 6.4.4, § 3, tweede lid, van voormeld decreet.
In afwijking van het eerste lid wordt het advies verleend door de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed als een beroep middelen opwerpt over het advies van het agentschap, vermeld in het eerste lid, of over de behandeling van dat advies door de overheid, bevoegd in eerste administratieve aanleg.]1
Art. 38/3. [1 § 1er. L'Agence de la Nature et des Forêts rend un avis sur les demandes d'autorisation ou recours portant sur l'exécution de modifications de la végétation soumises à autorisation.
§ 2. L'agence du domaine politique de l'Environnement et de l'Aménagement du Territoire qui est chargée de l'exécution de la politique en matière de patrimoine immobilier, rend un avis si l'objet de la demande d'autorisation concerne des terrains situés sur un site archéologique protégé provisoirement ou définitivement, un monument protégé provisoirement ou définitivement, un paysage historico-culturel protégé provisoirement ou définitivement, ou un site urbain ou rural protégé provisoirement ou définitivement, le cas échéant y compris les zones de transition, visés au Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 dans la mesure où une autorisation est requise conformément à l'article 6.4.4, § 3, alinéa 2, du décret précité.
Par dérogation à l'alinéa 1er, l'avis est rendu par la Commission flamande du Patrimoine immobilier si un recours avance des moyens sur l'avis de l'agence, visé à l'alinéa 1er, ou sur le traitement de cet avis par l'autorité compétente en première instance administrative.]1
§ 2. L'agence du domaine politique de l'Environnement et de l'Aménagement du Territoire qui est chargée de l'exécution de la politique en matière de patrimoine immobilier, rend un avis si l'objet de la demande d'autorisation concerne des terrains situés sur un site archéologique protégé provisoirement ou définitivement, un monument protégé provisoirement ou définitivement, un paysage historico-culturel protégé provisoirement ou définitivement, ou un site urbain ou rural protégé provisoirement ou définitivement, le cas échéant y compris les zones de transition, visés au Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 dans la mesure où une autorisation est requise conformément à l'article 6.4.4, § 3, alinéa 2, du décret précité.
Par dérogation à l'alinéa 1er, l'avis est rendu par la Commission flamande du Patrimoine immobilier si un recours avance des moyens sur l'avis de l'agence, visé à l'alinéa 1er, ou sur le traitement de cet avis par l'autorité compétente en première instance administrative.]1
Art. 38/4. [1 § 1. Het advies van het Agentschap voor Natuur en Bos, bevat een toetsing aan de beoordelingsgronden, vermeld in artikel 15 van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juli 1998 tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu alsook een gemotiveerde beoordeling van de verenigbaarheid van de aangevraagde vegetatiewijzigingen met de natuurzorgplicht, zoals voorzien in artikel 14, § 1, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.
§ 2. Het advies van het agentschap van het beleidsdomein Omgeving dat belast is met de uitvoering van het beleid inzake onroerend erfgoed, respectievelijk de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed bevat een gemotiveerde beoordeling van de verenigbaarheid van de aangevraagde vegetatiewijzigingen met het actief- en passiefbehoudsbeginsel en de bepalingen van het beschermingsbesluit van het betrokken onroerend erfgoed, en preciseert welke rechtsgevolgen, vermeld in artikel 6.4.4, § 3, vierde lid, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, van toepassing zijn.]1
§ 2. Het advies van het agentschap van het beleidsdomein Omgeving dat belast is met de uitvoering van het beleid inzake onroerend erfgoed, respectievelijk de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed bevat een gemotiveerde beoordeling van de verenigbaarheid van de aangevraagde vegetatiewijzigingen met het actief- en passiefbehoudsbeginsel en de bepalingen van het beschermingsbesluit van het betrokken onroerend erfgoed, en preciseert welke rechtsgevolgen, vermeld in artikel 6.4.4, § 3, vierde lid, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, van toepassing zijn.]1
Art. 38/4. [1 § 1er. L'avis de l'Agence de la Nature et des Forêts comprend une évaluation sur la base des critères d'évaluation, visés à l'article 15 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 juillet 1998 fixant les modalités d'exécution du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, ainsi qu'une évaluation motivée de la compatibilité des modifications de la végétation demandées avec l'obligation de préservation de la nature, telle que prévue à l'article 14, § 1er, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel.
§ 2. L'avis de l'agence du domaine politique de l'Environnement et de l'Aménagement du Territoire qui est chargée de l'exécution de la politique en matière de patrimoine immobilier, respectivement la Commission flamande du Patrimoine immobilier comporte une évaluation motivée de la compatibilité des modifications de la végétation demandées et les dispositions de l'arrêté de protection du patrimoine immobilier concerné, et précise les conséquences juridiques, visées à l'article 6.4.4, § 3, alinéa 4, du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, qui sont applicables.]1
§ 2. L'avis de l'agence du domaine politique de l'Environnement et de l'Aménagement du Territoire qui est chargée de l'exécution de la politique en matière de patrimoine immobilier, respectivement la Commission flamande du Patrimoine immobilier comporte une évaluation motivée de la compatibilité des modifications de la végétation demandées et les dispositions de l'arrêté de protection du patrimoine immobilier concerné, et précise les conséquences juridiques, visées à l'article 6.4.4, § 3, alinéa 4, du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, qui sont applicables.]1
Hoofdstuk 7. - De omgevingsvergunningscommissies
Chapitre 7. - Les commissions du permis d'environnement
Afdeling 1. - Samenstelling van de omgevingsvergunningscommissies
Section 1re. - Composition des commissions du permis d'environnement
Art. 39. De volgende personen en instanties maken, conform artikel 16, § 2, van het decreet van 25 april 2014, deel uit van de POVC :
1° de voorzitter, aangewezen conform artikel 16, § 2, van het decreet van 25 april 2014, met stemrecht;
2° de secretaris, aangewezen conform artikel 16, § 2, van het decreet van 25 april 2014, zonder stemrecht;
3° deskundigen, aangewezen conform het tweede en derde lid, met stemrecht;
4° in voorkomend geval, het adviserend schepencollege met raadgevende stem;
5° de vertegenwoordigers van de adviesinstanties, vermeld in [2 artikel 35, 37, 38/1 of 38/3]2 van dit besluit, met stemrecht, voor de vergunningsdossiers waarvoor ze advies moeten verlenen.
De deputatie wijst een deskundige en zijn plaatsvervanger aan op grond van hun bijzondere wetenschappelijke of technische bekwaamheid inzake ruimtelijke ordening, voor een periode van vier jaar. De deputatie wijst eveneens een deskundige en zijn plaatsvervanger aan op grond van hun bijzondere wetenschappelijke of technische bekwaamheid inzake milieu, voor een periode van vier jaar. De mandaten zijn telkens hernieuwbaar voor een periode van vier jaar.
De deskundige of zijn plaatsvervanger die is aangewezen op grond van zijn bekwaamheid inzake ruimtelijke ordening, zetelt in de POVC als de vergunningsaanvraag, het beroep of het verzoek of initiatief tot ambtshalve bijstelling betrekking heeft op stedenbouwkundige handelingen of het verkavelen van gronden. De deskundige of zijn plaatsvervanger die is aangewezen op grond van zijn bekwaamheid inzake milieu, zetelt in de POVC als de vergunningsaanvraag, het beroep of het verzoek of initiatief tot ambtshalve bijstelling betrekking heeft op de exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten of als het een vraag tot omzetting van een milieuvergunning als vermeld in artikel 390, § 4, van het decreet van 25 april 2014, betreft.
[1 [3 De deskundigen en hun respectieve plaatsvervangers ontvangen een vergoeding voor hun aanwezigheid op de POVC. De provincieraad bepaalt de hoogte van de vergoeding.]3 Deze vergoeding wordt aangerekend op de begroting van de betrokken provincie.]1
1° de voorzitter, aangewezen conform artikel 16, § 2, van het decreet van 25 april 2014, met stemrecht;
2° de secretaris, aangewezen conform artikel 16, § 2, van het decreet van 25 april 2014, zonder stemrecht;
3° deskundigen, aangewezen conform het tweede en derde lid, met stemrecht;
4° in voorkomend geval, het adviserend schepencollege met raadgevende stem;
5° de vertegenwoordigers van de adviesinstanties, vermeld in [2 artikel 35, 37, 38/1 of 38/3]2 van dit besluit, met stemrecht, voor de vergunningsdossiers waarvoor ze advies moeten verlenen.
De deputatie wijst een deskundige en zijn plaatsvervanger aan op grond van hun bijzondere wetenschappelijke of technische bekwaamheid inzake ruimtelijke ordening, voor een periode van vier jaar. De deputatie wijst eveneens een deskundige en zijn plaatsvervanger aan op grond van hun bijzondere wetenschappelijke of technische bekwaamheid inzake milieu, voor een periode van vier jaar. De mandaten zijn telkens hernieuwbaar voor een periode van vier jaar.
De deskundige of zijn plaatsvervanger die is aangewezen op grond van zijn bekwaamheid inzake ruimtelijke ordening, zetelt in de POVC als de vergunningsaanvraag, het beroep of het verzoek of initiatief tot ambtshalve bijstelling betrekking heeft op stedenbouwkundige handelingen of het verkavelen van gronden. De deskundige of zijn plaatsvervanger die is aangewezen op grond van zijn bekwaamheid inzake milieu, zetelt in de POVC als de vergunningsaanvraag, het beroep of het verzoek of initiatief tot ambtshalve bijstelling betrekking heeft op de exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten of als het een vraag tot omzetting van een milieuvergunning als vermeld in artikel 390, § 4, van het decreet van 25 april 2014, betreft.
[1 [3 De deskundigen en hun respectieve plaatsvervangers ontvangen een vergoeding voor hun aanwezigheid op de POVC. De provincieraad bepaalt de hoogte van de vergoeding.]3 Deze vergoeding wordt aangerekend op de begroting van de betrokken provincie.]1
Art. 39. Conformément à l'article 16, § 2, du décret du 25 avril 2014, les personnes et instances suivantes font partie de la POVC :
1° le président, désigné conformément à l'article 16, § 2, du décret du 25 avril 2014, ayant droit de vote ;
2° le secrétaire, désigné conformément à l'article 16, § 2, du décret du 25 avril 2014, sans droit de vote ;
3° des experts, désignés conformément aux alinéas 2 et 3, ayant droit de vote;
4° le cas échéant, le collège consultatif des échevins avec voix délibérative ;
5° les représentants des instances d'avis, visées aux [2 articles 35, 37, 38/1 ou 38/3]2 du présent arrêté, ayant droit de vote, pour les dossiers de permis pour lesquels elles doivent rendre un avis.
La députation désigne un expert et son suppléant sur la base de leurs qualifications scientifiques ou techniques particulières en matière d'aménagement du territoire, pour une période de quatre ans. La députation désigne également un expert et son suppléant sur la base de leurs qualifications scientifiques ou techniques particulières en matière d'environnement, pour une période de quatre ans. Les mandats sont renouvelables chaque fois pour une période de quatre ans.
L'expert ou son suppléant désigné sur la base de ses qualifications en matière d'aménagement du territoire siège à la POVC lorsque la demande de permis, le recours ou la demande ou l'initiative d'actualisation d'office porte sur des actes urbanistiques ou sur le lotissement de terrains. L'expert ou son suppléant désigné sur la base de ses qualifications en matière d'environnement siège à la POVC lorsque la demande de permis, le recours ou la demande ou l'initiative d'actualisation d'office porte sur l'exploitation d'établissements ou d'activités classés ou lorsqu'il s'agit d'une demande de conversion d'une autorisation écologique telle que visée à l'article 390, § 4, du décret du 25 avril 2014.
[1 [3 Les experts et leurs suppléants respectifs reçoivent une indemnité de 100 euros pour leur présence à la POVC. Le conseil provincial fixe le montant de l'indemnité.]3 Cette indemnité est imputée sur le budget de la province concernée.]1
1° le président, désigné conformément à l'article 16, § 2, du décret du 25 avril 2014, ayant droit de vote ;
2° le secrétaire, désigné conformément à l'article 16, § 2, du décret du 25 avril 2014, sans droit de vote ;
3° des experts, désignés conformément aux alinéas 2 et 3, ayant droit de vote;
4° le cas échéant, le collège consultatif des échevins avec voix délibérative ;
5° les représentants des instances d'avis, visées aux [2 articles 35, 37, 38/1 ou 38/3]2 du présent arrêté, ayant droit de vote, pour les dossiers de permis pour lesquels elles doivent rendre un avis.
La députation désigne un expert et son suppléant sur la base de leurs qualifications scientifiques ou techniques particulières en matière d'aménagement du territoire, pour une période de quatre ans. La députation désigne également un expert et son suppléant sur la base de leurs qualifications scientifiques ou techniques particulières en matière d'environnement, pour une période de quatre ans. Les mandats sont renouvelables chaque fois pour une période de quatre ans.
L'expert ou son suppléant désigné sur la base de ses qualifications en matière d'aménagement du territoire siège à la POVC lorsque la demande de permis, le recours ou la demande ou l'initiative d'actualisation d'office porte sur des actes urbanistiques ou sur le lotissement de terrains. L'expert ou son suppléant désigné sur la base de ses qualifications en matière d'environnement siège à la POVC lorsque la demande de permis, le recours ou la demande ou l'initiative d'actualisation d'office porte sur l'exploitation d'établissements ou d'activités classés ou lorsqu'il s'agit d'une demande de conversion d'une autorisation écologique telle que visée à l'article 390, § 4, du décret du 25 avril 2014.
[1 [3 Les experts et leurs suppléants respectifs reçoivent une indemnité de 100 euros pour leur présence à la POVC. Le conseil provincial fixe le montant de l'indemnité.]3 Cette indemnité est imputée sur le budget de la province concernée.]1
Art. 40. § 1. De volgende personen en instanties maken, conform artikel 16, § 2, van het decreet van 25 april 2014, deel uit van de GOVC :
1° de voorzitter, aangewezen conform paragraaf 2, met stemrecht;
2° de secretaris, aangewezen conform paragraaf 3, zonder stemrecht;
3° deskundigen, aangewezen conform paragraaf 4, met stemrecht;
4° het adviserend schepencollege met raadgevende stem;
5° de vertegenwoordigers van de adviesinstanties, vermeld in [2 artikel 35, 37, 38/1 en 38/3]2 van dit besluit, met stemrecht, voor de vergunningsdossiers waarvoor ze advies moeten verlenen.
§ 2. [2 Een personeelslid van het departement van niveau A dat de secretaris-generaal van het departement heeft aangewezen, zit de GOVC voor.]2
[2 ...]2
De afdelingshoofden van de afdeling RO, bevoegd voor de omgevingsvergunning, en de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, of hun gemachtigden bepalen in onderling overleg wie van hen het voorzitterschap waarneemt als de vergunningsaanvraag of het beroep betrekking heeft op zowel stedenbouwkundige handelingen als de exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten.
§ 3. [2 De secretaris van de GOVC is een personeelslid van het departement dat de secretaris-generaal van het departement heeft aangewezen.]2
De afdelingshoofden van de afdeling RO, bevoegd voor de omgevingsvergunning, en de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, of hun gemachtigden bepalen in onderling overleg wie van de aangewezen ambtenaren, vermeld in het eerste lid, de functie van secretaris waarneemt als de vergunningsaanvraag of het beroep betrekking heeft op zowel stedenbouwkundige handelingen als de exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten.
§ 4. De Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, wijzen elk twee deskundigen en twee plaatsvervangers aan op grond van hun bijzondere wetenschappelijke en technische bekwaamheid inzake ruimtelijke ordening, respectievelijk milieu, voor een periode van vier jaar. Dat mandaat is hernieuwbaar telkens voor een periode van vier jaar.
De deskundigen of hun plaatsvervangers die zijn aangewezen op grond van hun bekwaamheid inzake ruimtelijke ordening, zetelen in de GOVC als de vergunningsaanvraag, het beroep of het verzoek of initiatief tot ambtshalve bijstelling betrekking heeft op stedenbouwkundige handelingen of het verkavelen van gronden. De deskundigen of hun plaatsvervangers die zijn aangewezen op grond van hun bekwaamheid inzake milieu, zetelen in de GOVC als de vergunningsaanvraag, het beroep of het verzoek of initiatief tot ambtshalve bijstelling betrekking heeft op de exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten of als het een vraag tot omzetting van een milieuvergunning als vermeld in artikel 390, § 4, van het decreet van 25 april 2014, betreft.
[1 De deskundigen en hun respectieve plaatsvervangers ontvangen [3 per zitting van de GOVC waarop ze aanwezig zijn een vergoeding van 200 euro en reiskosten, conform de regeling die geldt voor de vergoeding van reiskosten van personeelsleden van de Vlaamse overheid]3.]1
1° de voorzitter, aangewezen conform paragraaf 2, met stemrecht;
2° de secretaris, aangewezen conform paragraaf 3, zonder stemrecht;
3° deskundigen, aangewezen conform paragraaf 4, met stemrecht;
4° het adviserend schepencollege met raadgevende stem;
5° de vertegenwoordigers van de adviesinstanties, vermeld in [2 artikel 35, 37, 38/1 en 38/3]2 van dit besluit, met stemrecht, voor de vergunningsdossiers waarvoor ze advies moeten verlenen.
§ 2. [2 Een personeelslid van het departement van niveau A dat de secretaris-generaal van het departement heeft aangewezen, zit de GOVC voor.]2
[2 ...]2
De afdelingshoofden van de afdeling RO, bevoegd voor de omgevingsvergunning, en de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, of hun gemachtigden bepalen in onderling overleg wie van hen het voorzitterschap waarneemt als de vergunningsaanvraag of het beroep betrekking heeft op zowel stedenbouwkundige handelingen als de exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten.
§ 3. [2 De secretaris van de GOVC is een personeelslid van het departement dat de secretaris-generaal van het departement heeft aangewezen.]2
De afdelingshoofden van de afdeling RO, bevoegd voor de omgevingsvergunning, en de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, of hun gemachtigden bepalen in onderling overleg wie van de aangewezen ambtenaren, vermeld in het eerste lid, de functie van secretaris waarneemt als de vergunningsaanvraag of het beroep betrekking heeft op zowel stedenbouwkundige handelingen als de exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten.
§ 4. De Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, wijzen elk twee deskundigen en twee plaatsvervangers aan op grond van hun bijzondere wetenschappelijke en technische bekwaamheid inzake ruimtelijke ordening, respectievelijk milieu, voor een periode van vier jaar. Dat mandaat is hernieuwbaar telkens voor een periode van vier jaar.
De deskundigen of hun plaatsvervangers die zijn aangewezen op grond van hun bekwaamheid inzake ruimtelijke ordening, zetelen in de GOVC als de vergunningsaanvraag, het beroep of het verzoek of initiatief tot ambtshalve bijstelling betrekking heeft op stedenbouwkundige handelingen of het verkavelen van gronden. De deskundigen of hun plaatsvervangers die zijn aangewezen op grond van hun bekwaamheid inzake milieu, zetelen in de GOVC als de vergunningsaanvraag, het beroep of het verzoek of initiatief tot ambtshalve bijstelling betrekking heeft op de exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten of als het een vraag tot omzetting van een milieuvergunning als vermeld in artikel 390, § 4, van het decreet van 25 april 2014, betreft.
[1 De deskundigen en hun respectieve plaatsvervangers ontvangen [3 per zitting van de GOVC waarop ze aanwezig zijn een vergoeding van 200 euro en reiskosten, conform de regeling die geldt voor de vergoeding van reiskosten van personeelsleden van de Vlaamse overheid]3.]1
Art. 40. § 1er. Conformément à l'article 16, § 2, du décret du 25 avril 2014, les personnes et instances suivantes font partie de la GOVC :
1° le président, désigné conformément au paragraphe 2, ayant droit de vote ;
2° le secrétaire, désigné conformément au paragraphe 3, sans droit de vote ;
3° des experts, désignés conformément au paragraphe 4, ayant droit de vote ;
4° le collège consultatif des échevins avec voix délibérative ;
5° les représentants des instances d'avis, visées aux [2 articles 35, 37, 38/1 et 38/3]2 du présent arrêté, ayant droit de vote, pour les dossiers de permis pour lesquels elles doivent rendre un avis.
§ 2. [2 Un membre du personnel du département du niveau A, désigné par le secrétaire général du département, préside la GOVC.]2
[2 ...]2
Les chefs de division de la division RO compétente pour le permis d'environnement et de la division Environnement compétente pour le permis d'environnement ou leurs mandataires déterminent de commun accord lequel d'entre eux assume la présidence lorsque la demande de permis ou le recours porte tant sur des actes urbanistiques que sur l'exploitation d'établissements ou d'activités classés.
§ 3. [2 Le secrétaire de la GOVC est un membre du personnel du département, désigné par le secrétaire général du département.]2
Les chefs de division de la division RO compétente pour le permis d'environnement et de la division Environnement compétente pour le permis d'environnement ou leurs mandataires déterminent de commun accord lequel des fonctionnaires désignés, visés à l'alinéa 1er, assume la fonction de secrétaire lorsque la demande de permis ou le recours porte tant sur des actes urbanistiques que sur l'exploitation d'établissements ou d'activités classés.
§ 4. Le ministre flamand qui a l'aménagement du territoire dans ses attributions et le ministre flamand qui a l'environnement dans ses attributions désignent chacun deux experts et deux suppléants sur la base de leurs qualifications scientifiques ou techniques particulières en matière d'aménagement du territoire ou d'environnement, pour une période de quatre ans. Ce mandat est renouvelable chaque fois pour une période de quatre ans.
Les experts ou leurs suppléants désignés sur la base de leurs qualifications en matière d'aménagement du territoire siègent à la GOVC lorsque la demande de permis, le recours ou la demande ou l'initiative d'actualisation d'office porte sur des actes urbanistiques ou sur le lotissement de terrains. Les experts ou leurs suppléants désignés sur la base de leurs qualifications en matière d'environnement siègent à la GOVC lorsque la demande de permis, le recours ou la demande ou l'initiative d'actualisation d'office porte sur l'exploitation d'établissements ou d'activités classés ou lorsqu'il s'agit d'une demande de conversion d'une autorisation écologique telle que visée à l'article 390, § 4, du décret du 25 avril 2014.
[1 Les experts et leurs suppléants respectifs reçoivent [3 , par séance de la GOVC à laquelle ils sont présents, une indemnité de 200 euros et les frais de déplacement conformément aux règles applicables au remboursement des frais de déplacement des membres du personnel de l'autorité flamande]3.]1
1° le président, désigné conformément au paragraphe 2, ayant droit de vote ;
2° le secrétaire, désigné conformément au paragraphe 3, sans droit de vote ;
3° des experts, désignés conformément au paragraphe 4, ayant droit de vote ;
4° le collège consultatif des échevins avec voix délibérative ;
5° les représentants des instances d'avis, visées aux [2 articles 35, 37, 38/1 et 38/3]2 du présent arrêté, ayant droit de vote, pour les dossiers de permis pour lesquels elles doivent rendre un avis.
§ 2. [2 Un membre du personnel du département du niveau A, désigné par le secrétaire général du département, préside la GOVC.]2
[2 ...]2
Les chefs de division de la division RO compétente pour le permis d'environnement et de la division Environnement compétente pour le permis d'environnement ou leurs mandataires déterminent de commun accord lequel d'entre eux assume la présidence lorsque la demande de permis ou le recours porte tant sur des actes urbanistiques que sur l'exploitation d'établissements ou d'activités classés.
§ 3. [2 Le secrétaire de la GOVC est un membre du personnel du département, désigné par le secrétaire général du département.]2
Les chefs de division de la division RO compétente pour le permis d'environnement et de la division Environnement compétente pour le permis d'environnement ou leurs mandataires déterminent de commun accord lequel des fonctionnaires désignés, visés à l'alinéa 1er, assume la fonction de secrétaire lorsque la demande de permis ou le recours porte tant sur des actes urbanistiques que sur l'exploitation d'établissements ou d'activités classés.
§ 4. Le ministre flamand qui a l'aménagement du territoire dans ses attributions et le ministre flamand qui a l'environnement dans ses attributions désignent chacun deux experts et deux suppléants sur la base de leurs qualifications scientifiques ou techniques particulières en matière d'aménagement du territoire ou d'environnement, pour une période de quatre ans. Ce mandat est renouvelable chaque fois pour une période de quatre ans.
Les experts ou leurs suppléants désignés sur la base de leurs qualifications en matière d'aménagement du territoire siègent à la GOVC lorsque la demande de permis, le recours ou la demande ou l'initiative d'actualisation d'office porte sur des actes urbanistiques ou sur le lotissement de terrains. Les experts ou leurs suppléants désignés sur la base de leurs qualifications en matière d'environnement siègent à la GOVC lorsque la demande de permis, le recours ou la demande ou l'initiative d'actualisation d'office porte sur l'exploitation d'établissements ou d'activités classés ou lorsqu'il s'agit d'une demande de conversion d'une autorisation écologique telle que visée à l'article 390, § 4, du décret du 25 avril 2014.
[1 Les experts et leurs suppléants respectifs reçoivent [3 , par séance de la GOVC à laquelle ils sont présents, une indemnité de 200 euros et les frais de déplacement conformément aux règles applicables au remboursement des frais de déplacement des membres du personnel de l'autorité flamande]3.]1
Afdeling 2. - Advisering door en werking van de omgevingsvergunningscommissies
Section 2. - Avis et fonctionnement des commissions du permis d'environnement
Art. 41. [1 Het college van burgemeester en schepenen, de gemeentelijke omgevingsambtenaar of een persoon die gemachtigd is door het college van burgemeester en schepenen of door de gemeentelijke omgevingsambtenaar, vraagt het advies van de POVC over vergunningsaanvragen voor projecten of voor veranderingen aan projecten die de gewone vergunningsprocedure doorlopen en die beantwoorden aan een van de volgende voorwaarden :
1° [3 ...]3
2° een project-MER is opgesteld [4 ...]4;
3° de opmaak van een [3 mobiliteitsstudie]3 is vereist;
4° [3 ...]3
[2 5° het gaat om een aanvraag met betrekking tot kleinhandelsactiviteiten met een netto handelsoppervlakte van meer dan 20.000 vierkante meter.]2
De deputatie [2 , de provinciale omgevingsambtenaar of een persoon die de deputatie of de provinciale omgevingsambtenaar gemachtigd heeft]2 vraagt het advies van de POVC over vergunningsaanvragen voor projecten of voor veranderingen aan projecten die de gewone vergunningsprocedure doorlopen en die beantwoorden aan een van de volgende voorwaarden :
1° de deputatie is de in eerste administratieve aanleg bevoegde overheid en de aanvraag beantwoordt aan een van de volgende voorwaarden :
a) het gaat om een aanvraag van een vergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van de eerste klasse;
b) een project-MER is opgesteld [4 ...]4;
c) de opmaak van een [3 mobiliteitsstudie]3 is vereist;
d) minstens vijf adviezen als vermeld in [2 artikel 35, 37, 38/1 en 38/3]2 moeten worden ingewonnen, de adviezen van de afdeling RO [3 , van de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, en van de ASTRID-veiligheidscommissie, vermeld in artikel 35, § 17,]3 niet inbegrepen;
[2 e) het gaat om een aanvraag met betrekking tot kleinhandelsactiviteiten met een netto handelsoppervlakte van meer dan 20.000 vierkante meter;]2
2° het gaat om een beroep tegen een beslissing van het college van burgemeester en schepenen, waarbij de POVC de vergunningsaanvraag in eerste administratieve aanleg conform het eerste lid moest adviseren;
3° het gaat om een beroep tegen een beslissing van het college van burgemeester en schepenen over een vergunningsaanvraag voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van de tweede klasse.]1
1° [3 ...]3
2° een project-MER is opgesteld [4 ...]4;
3° de opmaak van een [3 mobiliteitsstudie]3 is vereist;
4° [3 ...]3
[2 5° het gaat om een aanvraag met betrekking tot kleinhandelsactiviteiten met een netto handelsoppervlakte van meer dan 20.000 vierkante meter.]2
De deputatie [2 , de provinciale omgevingsambtenaar of een persoon die de deputatie of de provinciale omgevingsambtenaar gemachtigd heeft]2 vraagt het advies van de POVC over vergunningsaanvragen voor projecten of voor veranderingen aan projecten die de gewone vergunningsprocedure doorlopen en die beantwoorden aan een van de volgende voorwaarden :
1° de deputatie is de in eerste administratieve aanleg bevoegde overheid en de aanvraag beantwoordt aan een van de volgende voorwaarden :
a) het gaat om een aanvraag van een vergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van de eerste klasse;
b) een project-MER is opgesteld [4 ...]4;
c) de opmaak van een [3 mobiliteitsstudie]3 is vereist;
d) minstens vijf adviezen als vermeld in [2 artikel 35, 37, 38/1 en 38/3]2 moeten worden ingewonnen, de adviezen van de afdeling RO [3 , van de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, en van de ASTRID-veiligheidscommissie, vermeld in artikel 35, § 17,]3 niet inbegrepen;
[2 e) het gaat om een aanvraag met betrekking tot kleinhandelsactiviteiten met een netto handelsoppervlakte van meer dan 20.000 vierkante meter;]2
2° het gaat om een beroep tegen een beslissing van het college van burgemeester en schepenen, waarbij de POVC de vergunningsaanvraag in eerste administratieve aanleg conform het eerste lid moest adviseren;
3° het gaat om een beroep tegen een beslissing van het college van burgemeester en schepenen over een vergunningsaanvraag voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van de tweede klasse.]1
Art. 41. [1 Le collège des bourgmestre et échevins, le fonctionnaire environnement communal ou une personne mandatée par le collège des bourgmestre et échevins ou le fonctionnaire environnement communal demande l'avis de la POVC sur les demandes de permis pour des projets ou pour des modifications de projets qui suivent la procédure d'autorisation ordinaire et qui répondent à l'une des conditions suivantes :
1° [3 ...]3
2° une EIE du projet a été établie [4 ...]4;
3° l'établissement [3 d'une étude de la mobilité]3 est requis ;
4° [3 ...]3
[2 5° il s'agit d'une demande relative à des activités de commerce de détail ayant une superficie commerciale nette supérieure à 20.000 mètres carrés.]2
La députation [2 , le fonctionnaire environnement provincial ou une personne mandatée par la députation ou par le fonctionnaire environnement provincial]2 demande l'avis de la POVC sur les demandes de permis pour des projets ou pour des modifications de projets qui suivent la procédure d'autorisation ordinaire et qui répondent à l'une des conditions suivantes :
1° la députation est l'autorité compétente en première instance administrative et la demande répond à l'une des conditions suivantes :
a) il s'agit d'une demande de permis pour l'exploitation d'un établissement classé ou d'une activité classée de première classe ;
b) une EIE du projet a été établie[4 ...]4 ;
c) l'établissement [3 d'une étude de la mobilité]3 est requis ;
d) au moins cinq avis tels que visés aux [2 articles 35, 37, 38/1 et 38/3]2 doivent être recueillis, en ce non compris les avis de la division RO [3 , de la division de l'Environnement compétente pour le permis d'environnement et de la commission de sécurité ASTRID visée à l'article 35, § 17]3 ;
[2 e) il s'agit d'une demande relative à des activités de commerce de détail ayant une superficie commerciale nette supérieure à 20.000 mètres carrés ;]2
2° il s'agit d'un recours contre une décision du collège des bourgmestre et échevins où la POVC devait rendre un avis sur la demande de permis en première instance administrative conformément à l'alinéa 1er ;
3° il s'agit d'un recours contre une décision du collège des bourgmestre et échevins sur une demande de permis pour l'exploitation d'un établissement classé ou d'une activité classée de deuxième classe. ]1
1° [3 ...]3
2° une EIE du projet a été établie [4 ...]4;
3° l'établissement [3 d'une étude de la mobilité]3 est requis ;
4° [3 ...]3
[2 5° il s'agit d'une demande relative à des activités de commerce de détail ayant une superficie commerciale nette supérieure à 20.000 mètres carrés.]2
La députation [2 , le fonctionnaire environnement provincial ou une personne mandatée par la députation ou par le fonctionnaire environnement provincial]2 demande l'avis de la POVC sur les demandes de permis pour des projets ou pour des modifications de projets qui suivent la procédure d'autorisation ordinaire et qui répondent à l'une des conditions suivantes :
1° la députation est l'autorité compétente en première instance administrative et la demande répond à l'une des conditions suivantes :
a) il s'agit d'une demande de permis pour l'exploitation d'un établissement classé ou d'une activité classée de première classe ;
b) une EIE du projet a été établie[4 ...]4 ;
c) l'établissement [3 d'une étude de la mobilité]3 est requis ;
d) au moins cinq avis tels que visés aux [2 articles 35, 37, 38/1 et 38/3]2 doivent être recueillis, en ce non compris les avis de la division RO [3 , de la division de l'Environnement compétente pour le permis d'environnement et de la commission de sécurité ASTRID visée à l'article 35, § 17]3 ;
[2 e) il s'agit d'une demande relative à des activités de commerce de détail ayant une superficie commerciale nette supérieure à 20.000 mètres carrés ;]2
2° il s'agit d'un recours contre une décision du collège des bourgmestre et échevins où la POVC devait rendre un avis sur la demande de permis en première instance administrative conformément à l'alinéa 1er ;
3° il s'agit d'un recours contre une décision du collège des bourgmestre et échevins sur une demande de permis pour l'exploitation d'un établissement classé ou d'une activité classée de deuxième classe. ]1
Art. 42. [1 De Vlaamse Regering, de gewestelijke omgevingsambtenaar of een persoon die gemachtigd is door de Vlaamse Regering of de gewestelijke omgevingsambtenaar, vraagt het advies van de GOVC over vergunningsaanvragen voor projecten of voor veranderingen aan projecten die de gewone vergunningsprocedure doorlopen en die beantwoorden aan een van de volgende voorwaarden :
1° de Vlaamse Regering is de in eerste administratieve aanleg bevoegde overheid en de aanvraag beantwoordt aan een van de volgende voorwaarden :
a) het gaat om een aanvraag van een vergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van de eerste klasse;
b) een project-MER is opgesteld [4 ...]4;
c) de opmaak van een [3 mobiliteitsstudie]3 is vereist;
d) minstens vijf adviezen als vermeld in [2 artikel 35, 37, 38/1 en 38/3]2, moeten worden ingewonnen, de adviezen van de afdeling RO [3 van de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, en van de ASTRID-veiligheidscommissie, vermeld in artikel 35, § 17,]3 niet inbegrepen;
2° het gaat om een beroep tegen de beslissing van de deputatie, waarbij de POVC de vergunningsaanvraag in eerste administratieve aanleg conform artikel 41, tweede lid, moest adviseren.]1
1° de Vlaamse Regering is de in eerste administratieve aanleg bevoegde overheid en de aanvraag beantwoordt aan een van de volgende voorwaarden :
a) het gaat om een aanvraag van een vergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van de eerste klasse;
b) een project-MER is opgesteld [4 ...]4;
c) de opmaak van een [3 mobiliteitsstudie]3 is vereist;
d) minstens vijf adviezen als vermeld in [2 artikel 35, 37, 38/1 en 38/3]2, moeten worden ingewonnen, de adviezen van de afdeling RO [3 van de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, en van de ASTRID-veiligheidscommissie, vermeld in artikel 35, § 17,]3 niet inbegrepen;
2° het gaat om een beroep tegen de beslissing van de deputatie, waarbij de POVC de vergunningsaanvraag in eerste administratieve aanleg conform artikel 41, tweede lid, moest adviseren.]1
Art. 42. [1 Le Gouvernement flamand, le fonctionnaire environnement régional ou une personne mandatée par le Gouvernement flamand ou le fonctionnaire environnement régional demande l'avis de la GOVC sur les demandes de permis pour des projets ou pour des modifications de projets qui suivent la procédure d'autorisation ordinaire et qui répondent à l'une des conditions suivantes :
1° le Gouvernement flamand est l'autorité compétente en première instance administrative et la demande répond à l'une des conditions suivantes :
a) il s'agit d'une demande de permis pour l'exploitation d'un établissement classé ou d'une activité classée de première classe ;
b) une EIE du projet a été établie[4 ...]4 ;
c) l'établissement [3 d'une étude de la mobilité]3 est requis ;
d) au moins cinq avis tels que visés aux [2 articles 35, 37, 38/1 et 38/3]2 doivent être recueillis, en ce non compris les avis de la division RO [3 , de la division de l'Environnement compétente pour le permis d'environnement et de la commission de sécurité ASTRID visée à l'article 35, § 17]3 ;
2° il s'agit d'un recours contre une décision de la députation où la POVC devait rendre un avis sur la demande de permis en première instance administrative conformément à l'article 41, alinéa 2.]1
1° le Gouvernement flamand est l'autorité compétente en première instance administrative et la demande répond à l'une des conditions suivantes :
a) il s'agit d'une demande de permis pour l'exploitation d'un établissement classé ou d'une activité classée de première classe ;
b) une EIE du projet a été établie[4 ...]4 ;
c) l'établissement [3 d'une étude de la mobilité]3 est requis ;
d) au moins cinq avis tels que visés aux [2 articles 35, 37, 38/1 et 38/3]2 doivent être recueillis, en ce non compris les avis de la division RO [3 , de la division de l'Environnement compétente pour le permis d'environnement et de la commission de sécurité ASTRID visée à l'article 35, § 17]3 ;
2° il s'agit d'un recours contre une décision de la députation où la POVC devait rendre un avis sur la demande de permis en première instance administrative conformément à l'article 41, alinéa 2.]1
Art. 43. § 1. De POVC en de GOVC vergaderen minstens eenmaal per maand. Ze vergaderen verschillende keren per maand als de uitoefening van hun bevoegdheden dat noodzakelijk maakt.
[1 De voorzitter van de omgevingsvergunningscommissie kan beslissen om via teleconferentie of via videoconferentie te vergaderen.]1
§ 2. De voorzitters van de omgevingsvergunningscommissies stellen de agenda van de vergadering vast. Ze houden daarbij rekening met de na te leven adviestermijnen.
De secretaris van de omgevingsvergunningscommissie roept de leden van de commissie ten minste één week op voorhand op voor de vergadering. Tegelijk met de oproeping stelt hij de agenda van de vergadering ter beschikking.
[1 De voorzitter van de omgevingsvergunningscommissie kan beslissen om via teleconferentie of via videoconferentie te vergaderen.]1
§ 2. De voorzitters van de omgevingsvergunningscommissies stellen de agenda van de vergadering vast. Ze houden daarbij rekening met de na te leven adviestermijnen.
De secretaris van de omgevingsvergunningscommissie roept de leden van de commissie ten minste één week op voorhand op voor de vergadering. Tegelijk met de oproeping stelt hij de agenda van de vergadering ter beschikking.
Art. 43. § 1er. La POVC et la GOVC se réunissent au moins une fois par mois. Elles se réunissent plusieurs fois par mois lorsque l'exercice de leurs compétences le nécessite.
[1 Le président de la commission du permis d'environnement peut décider de tenir les réunions par téléconférence ou par vidéoconférence.]1
§ 2. Les présidents des commissions du permis d'environnement établissent l'ordre du jour de la réunion. A cet égard, ils tiennent compte des délais d'avis à respecter.
Le secrétaire de la commission du permis d'environnement convoque les membres de la commission à la réunion au moins une semaine à l'avance. En même temps que la convocation, il met à disposition l'ordre du jour de la réunion.
[1 Le président de la commission du permis d'environnement peut décider de tenir les réunions par téléconférence ou par vidéoconférence.]1
§ 2. Les présidents des commissions du permis d'environnement établissent l'ordre du jour de la réunion. A cet égard, ils tiennent compte des délais d'avis à respecter.
Le secrétaire de la commission du permis d'environnement convoque les membres de la commission à la réunion au moins une semaine à l'avance. En même temps que la convocation, il met à disposition l'ordre du jour de la réunion.
Art. 44. Als een vergunningsaanvrager gevraagd heeft om door de POVC of de GOVC te worden gehoord, wordt deze persoon uitgenodigd.
Als de beroepsindiener gevraagd heeft om door de POVC of de GOVC gehoord te worden, wordt zowel de beroepsindiener als de vergunningsaanvrager uitgenodigd, ook als de vergunningsaanvrager niet uitdrukkelijk gevraagd heeft om gehoord te worden.
[1 De voorzitter van de omgevingsvergunningscommissie kan beslissen om de hoorzittingen alleen schriftelijk, via teleconferentie of via videoconferentie te houden op voorwaarde dat alle personen die gehoord wensen te worden, hiermee akkoord gaan.]1
De voorzitter of de secretaris kan afhankelijk van de agenda de spreektijd en het maximale aantal vertegenwoordigers van de vergunningsaanvrager of beroepsindiener bepalen.
Als de beroepsindiener gevraagd heeft om door de POVC of de GOVC gehoord te worden, wordt zowel de beroepsindiener als de vergunningsaanvrager uitgenodigd, ook als de vergunningsaanvrager niet uitdrukkelijk gevraagd heeft om gehoord te worden.
[1 De voorzitter van de omgevingsvergunningscommissie kan beslissen om de hoorzittingen alleen schriftelijk, via teleconferentie of via videoconferentie te houden op voorwaarde dat alle personen die gehoord wensen te worden, hiermee akkoord gaan.]1
De voorzitter of de secretaris kan afhankelijk van de agenda de spreektijd en het maximale aantal vertegenwoordigers van de vergunningsaanvrager of beroepsindiener bepalen.
Art. 44. Lorsqu'un demandeur de permis a demandé à être entendu par la POVC ou la GOVC, cette personne est invitée.
Lorsque l'auteur du recours a demandé à être entendu par la POVC ou la GOVC, tant l'auteur du recours que le demandeur du permis sont invités, même si le demandeur du permis n'a pas expressément demandé à être entendu.
[1 Le président de la commission du permis d'environnement peut décider de tenir les séances d'audition uniquement par écrit, par téléconférence ou par vidéoconférence moyennant l'accord de toutes les personnes qui désirent être entendues.]1
Le président ou le secrétaire peut, en fonction de l'ordre du jour, déterminer le temps de parole et le nombre maximum de représentants du demandeur de permis ou de l'auteur du recours.
Lorsque l'auteur du recours a demandé à être entendu par la POVC ou la GOVC, tant l'auteur du recours que le demandeur du permis sont invités, même si le demandeur du permis n'a pas expressément demandé à être entendu.
[1 Le président de la commission du permis d'environnement peut décider de tenir les séances d'audition uniquement par écrit, par téléconférence ou par vidéoconférence moyennant l'accord de toutes les personnes qui désirent être entendues.]1
Le président ou le secrétaire peut, en fonction de l'ordre du jour, déterminer le temps de parole et le nombre maximum de représentants du demandeur de permis ou de l'auteur du recours.
Art. 45. Na beraadslaging over het vergunningsdossier en rekening houdend met alle beschikbare dossierstukken, gegevens en informatie, formuleert de omgevingsvergunningscommissie een geïntegreerd advies. Als het advies niet met eenparigheid van stemmen wordt uitgebracht, worden ook de minderheidsstandpunten in het advies vermeld.
Art. 45. Après délibération sur le dossier de permis et compte tenu de l'ensemble des pièces du dossier, éléments et informations disponibles, la commission du permis d'environnement formule un avis intégré. Si l'avis n'est pas rendu à l'unanimité des voix, les positions minoritaires sont également mentionnées dans l'avis.
Art. 46. Het advies van de omgevingsvergunningscommissie bevat minstens :
1° een gemotiveerde beoordeling van het aangevraagde, onder meer rekening houdend met :
a) [1 in voorkomend geval, de beoordelingsgronden, vastgesteld bij of krachtens de decreten, vermeld in artikel 3, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014;]1
b) de verschillende uitgebrachte adviezen;
2° een gemotiveerde beoordeling van eventuele standpunten, opmerkingen en bezwaren die zijn ingediend tijdens het openbaar onderzoek;
3° in voorkomend geval, een gemotiveerd voorstel van :
a) de duur van de omgevingsvergunning;
b) de voorwaarden en lasten.
1° een gemotiveerde beoordeling van het aangevraagde, onder meer rekening houdend met :
a) [1 in voorkomend geval, de beoordelingsgronden, vastgesteld bij of krachtens de decreten, vermeld in artikel 3, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014;]1
b) de verschillende uitgebrachte adviezen;
2° een gemotiveerde beoordeling van eventuele standpunten, opmerkingen en bezwaren die zijn ingediend tijdens het openbaar onderzoek;
3° in voorkomend geval, een gemotiveerd voorstel van :
a) de duur van de omgevingsvergunning;
b) de voorwaarden en lasten.
Art. 46. L'avis de la commission du permis d'environnement contient au moins :
1° une appréciation motivée de la demande, compte tenu notamment :
a) [1 le cas échéant, les critères d'évaluation, établis par ou en vertu des décrets, visés à l'article 3, alinéa 2, du décret du 25 avril 2014 ;]1
b) des différents avis émis ;
2° une appréciation motivée des éventuels points de vue, observations et objections introduits durant l'enquête publique ;
3° le cas échéant, une proposition motivée :
a) de la durée du permis d'environnement ;
b) des conditions et charges.
1° une appréciation motivée de la demande, compte tenu notamment :
a) [1 le cas échéant, les critères d'évaluation, établis par ou en vertu des décrets, visés à l'article 3, alinéa 2, du décret du 25 avril 2014 ;]1
b) des différents avis émis ;
2° une appréciation motivée des éventuels points de vue, observations et objections introduits durant l'enquête publique ;
3° le cas échéant, une proposition motivée :
a) de la durée du permis d'environnement ;
b) des conditions et charges.
Hoofdstuk 8. [1 - Beslissing over de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van een gemeenteweg]1
Chapitre 8. [1 - Décision concernant l'aménagement, la modification, le déplacement ou la suppression d'une voirie communale]1
Art. 47. [1 Als een beslissing van de gemeenteraad vereist is over de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van een gemeenteweg,]1 neemt de gemeenteraad daarover een besluit. De gemeenteraad neemt daarbij kennis van de standpunten, opmerkingen en bezwaren die zijn ingediend tijdens het openbaar onderzoek.
Uiterlijk tien dagen na de gemeenteraadszitting stelt de gemeente de gemeenteraadsbeslissing ter beschikking hetzij van de bevoegde omgevingsvergunningscommissie als die advies moet verlenen, hetzij van het bevoegde bestuur als geen advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is.
Uiterlijk tien dagen na de gemeenteraadszitting stelt de gemeente de gemeenteraadsbeslissing ter beschikking hetzij van de bevoegde omgevingsvergunningscommissie als die advies moet verlenen, hetzij van het bevoegde bestuur als geen advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is.
Art. 47. [1 Lorsqu'une décision du conseil communal est requise concernant l'aménagement, la modification, le déplacement ou la suppression d'une voirie communale,]1 le conseil communal prend une décision à ce sujet. Le conseil communal prend connaissance à cet égard des points de vue, observations et objections introduits durant l'enquête publique.
Au plus tard dix jours après la séance du conseil communal, la commune met la décision du conseil communal à la disposition soit de la commission du permis d'environnement compétente si elle doit rendre un avis, soit de l'administration compétente si l'avis d'une commission du permis d'environnement n'est pas requis.
Au plus tard dix jours après la séance du conseil communal, la commune met la décision du conseil communal à la disposition soit de la commission du permis d'environnement compétente si elle doit rendre un avis, soit de l'administration compétente si l'avis d'une commission du permis d'environnement n'est pas requis.
Hoofdstuk 9. - De beslissing
Chapitre 9. - La décision
Afdeling 1. - Inhoud van de beslissing
Section 1re. - Contenu de la décision
Art. 48. § 1. De beslissing over de vergunningsaanvraag bevat ten minste de volgende gegevens :
1° de datum van de vergunningsaanvraag en, in voorkomend geval, de datum van de indiening van het beroep;
2° de ligging van het voorwerp van de vergunningsaanvraag;
3° de naam en het adres van de aanvrager of exploitant;
[3 3° /1 met betrekking tot de ingedeelde inrichting of activiteit, het inrichtingsnummer en in voorkomend geval het ondernemingsnummer van de exploitant;]3
4° in voorkomend geval, een verwijzing naar de adviezen die de adviesinstanties, vermeld in [2 artikel 35, 37, 38/1 of 38/3]2, het adviserend schepencollege en, in voorkomend geval, de POVC of de GOVC hebben uitgebracht in de aanleg in kwestie, en de wijze waarop daarmee is omgegaan;
5° [1 als een OVR is opgemaakt: een verwijzing naar de beslissing over de goedkeuring van het OVR en de wijze waarop met het OVR is omgegaan;]1
[1 5°/1 als een project-MER is opgemaakt:
a) de gemotiveerde conclusie van de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 van het decreet van 25 april 2014, over de aanzienlijke effecten van het project op het milieu. Bij het nemen van de gemotiveerde conclusie wordt rekening gehouden met de resultaten van het onderzoek van [4 het VECM, vermeld in artikel 4.4.7, § 3, van het DABM.]4 en met de adviezen, standpunten, opmerkingen en bezwaren die zijn uitgebracht in het kader van de gevolgde vergunningsprocedure;
b) een beschrijving van alle kenmerken van het project of de geplande maatregelen om aanzienlijke nadelige effecten op het milieu te vermijden, te voorkomen of te beperken en, indien mogelijk, te compenseren en, in voorkomend geval, monitoringsmaatregelen;
c) in voorkomend geval de vaststelling van de procedures voor de monitoring van de aanzienlijke nadelige milieueffecten die door de aanvrager uitgevoerd moeten worden, als er op basis van andere wetgeving geen andere monitoringsregeling is vastgesteld.]1
6° in voorkomend geval, een verwijzing naar de aard van de standpunten, opmerkingen en bezwaren die zijn ingediend tijdens het openbaar onderzoek in de aanleg in kwestie, en de wijze waarop daarmee werd omgegaan;
7° een motivering van de beslissing, onder meer rekening houdend met :
a) [2 in voorkomend geval, de beoordelingsgronden, vastgesteld bij of krachtens de decreten, vermeld in artikel 3, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014;]2
b) [3 in voorkomend geval, het ondeelbare karakter van de beslissing omdat meerdere vergunningsplichtige aspecten onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn;]3
8° in voorkomend geval, de duur van de vergunning en de reden daarvoor;
9° in geval van vergunning, een verwijzing naar de termijnen, vermeld in artikel 99 en 101, respectievelijk 102 en 103 van het decreet van 25 april 2014;
10° in voorkomend geval, de voorwaarden en lasten die verbonden worden aan de omgevingsvergunning. In geval van algemene en sectorale milieuvoorwaarden kan [3 conform artikel 33, 47 of 66, § 4]3 van het decreet van 25 april 2014 volstaan worden met een verwijzing daarnaar. Als een afwijking van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden is toegestaan met toepassing van artikel 5.4.8 van het DABM, kan volstaan worden met een verwijzing naar die afwijking en de voorwaarden waaronder ze is verleend;
11° in voorkomend geval, de verschillende fasen of onderdelen van een project met eventueel daarbij behorende referentiemomenten;
12° de geactualiseerde vergunningssituatie op het vlak van de exploitatie van de ingedeelde inrichtingen of activiteiten als de omgevingsvergunning betrekking heeft op de verandering van de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit;
13° de mogelijkheid en de modaliteiten van beroep tegen de genomen beslissing.
§ 2. De geactualiseerde vergunningssituatie van het project, vermeld in paragraaf 1, 12°, omvat de volgende onderdelen :
1° alle vergunde of gemelde indelingsrubrieken van ingedeelde inrichtingen of activiteiten die deel uitmaken van het project;
2° in voorkomend geval, de capaciteit die of het vermogen dat maximaal toegestaan is voor de indelingsrubriek waaronder de ingedeelde inrichting of activiteit valt;
3° een opsomming van de bijzondere milieuvoorwaarden die al van toepassing zijn of dan worden opgelegd, met uitzondering van de bijzondere milieuvoorwaarden die als gevolg van hun tijdelijke karakter, van een veranderde exploitatie of van een wettelijke of reglementaire bepaling geen uitwerking meer hebben.
§ 3. De Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, kunnen een of meer modelbesluiten vaststellen.
1° de datum van de vergunningsaanvraag en, in voorkomend geval, de datum van de indiening van het beroep;
2° de ligging van het voorwerp van de vergunningsaanvraag;
3° de naam en het adres van de aanvrager of exploitant;
[3 3° /1 met betrekking tot de ingedeelde inrichting of activiteit, het inrichtingsnummer en in voorkomend geval het ondernemingsnummer van de exploitant;]3
4° in voorkomend geval, een verwijzing naar de adviezen die de adviesinstanties, vermeld in [2 artikel 35, 37, 38/1 of 38/3]2, het adviserend schepencollege en, in voorkomend geval, de POVC of de GOVC hebben uitgebracht in de aanleg in kwestie, en de wijze waarop daarmee is omgegaan;
5° [1 als een OVR is opgemaakt: een verwijzing naar de beslissing over de goedkeuring van het OVR en de wijze waarop met het OVR is omgegaan;]1
[1 5°/1 als een project-MER is opgemaakt:
a) de gemotiveerde conclusie van de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 van het decreet van 25 april 2014, over de aanzienlijke effecten van het project op het milieu. Bij het nemen van de gemotiveerde conclusie wordt rekening gehouden met de resultaten van het onderzoek van [4 het VECM, vermeld in artikel 4.4.7, § 3, van het DABM.]4 en met de adviezen, standpunten, opmerkingen en bezwaren die zijn uitgebracht in het kader van de gevolgde vergunningsprocedure;
b) een beschrijving van alle kenmerken van het project of de geplande maatregelen om aanzienlijke nadelige effecten op het milieu te vermijden, te voorkomen of te beperken en, indien mogelijk, te compenseren en, in voorkomend geval, monitoringsmaatregelen;
c) in voorkomend geval de vaststelling van de procedures voor de monitoring van de aanzienlijke nadelige milieueffecten die door de aanvrager uitgevoerd moeten worden, als er op basis van andere wetgeving geen andere monitoringsregeling is vastgesteld.]1
6° in voorkomend geval, een verwijzing naar de aard van de standpunten, opmerkingen en bezwaren die zijn ingediend tijdens het openbaar onderzoek in de aanleg in kwestie, en de wijze waarop daarmee werd omgegaan;
7° een motivering van de beslissing, onder meer rekening houdend met :
a) [2 in voorkomend geval, de beoordelingsgronden, vastgesteld bij of krachtens de decreten, vermeld in artikel 3, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014;]2
b) [3 in voorkomend geval, het ondeelbare karakter van de beslissing omdat meerdere vergunningsplichtige aspecten onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn;]3
8° in voorkomend geval, de duur van de vergunning en de reden daarvoor;
9° in geval van vergunning, een verwijzing naar de termijnen, vermeld in artikel 99 en 101, respectievelijk 102 en 103 van het decreet van 25 april 2014;
10° in voorkomend geval, de voorwaarden en lasten die verbonden worden aan de omgevingsvergunning. In geval van algemene en sectorale milieuvoorwaarden kan [3 conform artikel 33, 47 of 66, § 4]3 van het decreet van 25 april 2014 volstaan worden met een verwijzing daarnaar. Als een afwijking van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden is toegestaan met toepassing van artikel 5.4.8 van het DABM, kan volstaan worden met een verwijzing naar die afwijking en de voorwaarden waaronder ze is verleend;
11° in voorkomend geval, de verschillende fasen of onderdelen van een project met eventueel daarbij behorende referentiemomenten;
12° de geactualiseerde vergunningssituatie op het vlak van de exploitatie van de ingedeelde inrichtingen of activiteiten als de omgevingsvergunning betrekking heeft op de verandering van de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit;
13° de mogelijkheid en de modaliteiten van beroep tegen de genomen beslissing.
§ 2. De geactualiseerde vergunningssituatie van het project, vermeld in paragraaf 1, 12°, omvat de volgende onderdelen :
1° alle vergunde of gemelde indelingsrubrieken van ingedeelde inrichtingen of activiteiten die deel uitmaken van het project;
2° in voorkomend geval, de capaciteit die of het vermogen dat maximaal toegestaan is voor de indelingsrubriek waaronder de ingedeelde inrichting of activiteit valt;
3° een opsomming van de bijzondere milieuvoorwaarden die al van toepassing zijn of dan worden opgelegd, met uitzondering van de bijzondere milieuvoorwaarden die als gevolg van hun tijdelijke karakter, van een veranderde exploitatie of van een wettelijke of reglementaire bepaling geen uitwerking meer hebben.
§ 3. De Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, kunnen een of meer modelbesluiten vaststellen.
Art. 48. § 1er. La décision au sujet de la demande de permis contient au moins les éléments suivants :
1° la date de la demande de permis et, le cas échéant, la date de l'introduction du recours ;
2° l'emplacement de l'objet de la demande de permis ;
3° le nom et l'adresse du demandeur ou de l'exploitant ;
[3 3° /1 en ce qui concerne l'établissement classé ou l'activité classée, le numéro d'établissement et, le cas échéant, le numéro d'entreprise de l'exploitant ;]3
4° le cas échéant, un renvoi aux avis rendus par les instances d'avis mentionnées aux [2 articles 35, 37, 38/1 ou 38/3]2, le collège consultatif des échevins et, le cas échéant, la POVC ou la GOVC dans l'instance en question et à la façon dont ils ont été traités ;
5° [1 si un RSE a été établi : un renvoi à la décision concernant l'approbation du RSE et la façon dont le RSE a été traité;]1
[1 5°/1 si un RIE du projet a été établi :
a) la conclusion motivée de l'autorité compétente visée à l'article 15 du décret du 25 avril 2014 sur les incidences notables du projet sur l'environnement. La conclusion motivée est prise en tenant compte des résultats de l'examen [4 du VECM, visé à l'article 4.4.7, § 3, du DABM,]4 et des avis, points de vue, observations et objections émis dans le cadre de la procédure d'autorisation suivie ;
b) une description de toutes les caractéristiques du projet ou mesures envisagées pour éviter, prévenir ou réduire et, si possible, compenser des incidences négatives notables sur l'environnement, ainsi que, le cas échéant, des mesures de suivi ;
c) le cas échéant, la fixation des procédures de suivi des incidences négatives notables sur l'environnement qui doivent être mises en oeuvre par le demandeur si aucune autre modalité de suivi n'a été fixée en vertu d'une autre législation.]1
6° le cas échéant, un renvoi à la nature des points de vue, observations et objections introduits durant l'enquête publique dans l'instance en question et à la façon dont ils ont été traités ;
7° une motivation de la décision, compte tenu notamment :
a) [2 le cas échéant, les critères d'évaluation, établis par ou en vertu des décrets, visés à l'article 3, alinéa 2, du décret du 25 avril 2014 ;]2
b) [3 le cas échéant, du caractère indivisible de la décision parce que plusieurs aspects soumis à autorisation sont indissociablement liés ;]3
8° le cas échéant, la durée du permis et sa motivation ;
9° en cas d'autorisation, un renvoi aux délais visés aux articles 99 et 101 ou 102 et 103 du décret du 25 avril 2014 ;
10° le cas échéant, les conditions et charges liées au permis d'environnement. Dans le cas de conditions environnementales générales et sectorielles, un renvoi à celles-ci peut suffire [3 conformément à l'article 33, à l'article 47 ou à l'article 66, § 4]3 du décret du 25 avril 2014. Lorsqu'une dérogation aux conditions environnementales générales et sectorielles est accordée en application de l'article 5.4.8 du DABM, un renvoi à cette dérogation et aux conditions auxquelles elle a été accordée peut suffire ;
11° le cas échéant, les différentes phases ou parties d'un projet et, éventuellement, les moments de référence y afférents ;
12° la situation d'autorisation actualisée sur le plan de l'exploitation des établissements ou activités classés lorsque le permis d'environnement porte sur la modification de l'exploitation d'un établissement classé ou d'une activité classée ;
13° la possibilité et les modalités de recours contre la décision prise.
§ 2. La situation d'autorisation actualisée du projet, visée au paragraphe 1er, point 12°, comporte les éléments suivants :
1° toutes les rubriques de classification autorisées ou déclarées d'établissements ou d'activités classés qui font partie du projet ;
2° le cas échéant, la capacité ou la puissance maximale autorisée pour la rubrique de classification dont relève l'établissement classé ou l'activité classée ;
3° une énumération des conditions environnementales particulières qui sont déjà applicables ou sont alors imposées, à l'exception des conditions environnementales particulières qui, consécutivement à leur caractère temporaire, à un changement d'exploitation ou à une disposition légale ou réglementaire, ont cessé de produire leur effet.
§ 3. Le ministre flamand qui a l'aménagement du territoire dans ses attributions et le ministre flamand qui a l'environnement dans ses attributions peuvent arrêter un ou plusieurs modèles de décision.
1° la date de la demande de permis et, le cas échéant, la date de l'introduction du recours ;
2° l'emplacement de l'objet de la demande de permis ;
3° le nom et l'adresse du demandeur ou de l'exploitant ;
[3 3° /1 en ce qui concerne l'établissement classé ou l'activité classée, le numéro d'établissement et, le cas échéant, le numéro d'entreprise de l'exploitant ;]3
4° le cas échéant, un renvoi aux avis rendus par les instances d'avis mentionnées aux [2 articles 35, 37, 38/1 ou 38/3]2, le collège consultatif des échevins et, le cas échéant, la POVC ou la GOVC dans l'instance en question et à la façon dont ils ont été traités ;
5° [1 si un RSE a été établi : un renvoi à la décision concernant l'approbation du RSE et la façon dont le RSE a été traité;]1
[1 5°/1 si un RIE du projet a été établi :
a) la conclusion motivée de l'autorité compétente visée à l'article 15 du décret du 25 avril 2014 sur les incidences notables du projet sur l'environnement. La conclusion motivée est prise en tenant compte des résultats de l'examen [4 du VECM, visé à l'article 4.4.7, § 3, du DABM,]4 et des avis, points de vue, observations et objections émis dans le cadre de la procédure d'autorisation suivie ;
b) une description de toutes les caractéristiques du projet ou mesures envisagées pour éviter, prévenir ou réduire et, si possible, compenser des incidences négatives notables sur l'environnement, ainsi que, le cas échéant, des mesures de suivi ;
c) le cas échéant, la fixation des procédures de suivi des incidences négatives notables sur l'environnement qui doivent être mises en oeuvre par le demandeur si aucune autre modalité de suivi n'a été fixée en vertu d'une autre législation.]1
6° le cas échéant, un renvoi à la nature des points de vue, observations et objections introduits durant l'enquête publique dans l'instance en question et à la façon dont ils ont été traités ;
7° une motivation de la décision, compte tenu notamment :
a) [2 le cas échéant, les critères d'évaluation, établis par ou en vertu des décrets, visés à l'article 3, alinéa 2, du décret du 25 avril 2014 ;]2
b) [3 le cas échéant, du caractère indivisible de la décision parce que plusieurs aspects soumis à autorisation sont indissociablement liés ;]3
8° le cas échéant, la durée du permis et sa motivation ;
9° en cas d'autorisation, un renvoi aux délais visés aux articles 99 et 101 ou 102 et 103 du décret du 25 avril 2014 ;
10° le cas échéant, les conditions et charges liées au permis d'environnement. Dans le cas de conditions environnementales générales et sectorielles, un renvoi à celles-ci peut suffire [3 conformément à l'article 33, à l'article 47 ou à l'article 66, § 4]3 du décret du 25 avril 2014. Lorsqu'une dérogation aux conditions environnementales générales et sectorielles est accordée en application de l'article 5.4.8 du DABM, un renvoi à cette dérogation et aux conditions auxquelles elle a été accordée peut suffire ;
11° le cas échéant, les différentes phases ou parties d'un projet et, éventuellement, les moments de référence y afférents ;
12° la situation d'autorisation actualisée sur le plan de l'exploitation des établissements ou activités classés lorsque le permis d'environnement porte sur la modification de l'exploitation d'un établissement classé ou d'une activité classée ;
13° la possibilité et les modalités de recours contre la décision prise.
§ 2. La situation d'autorisation actualisée du projet, visée au paragraphe 1er, point 12°, comporte les éléments suivants :
1° toutes les rubriques de classification autorisées ou déclarées d'établissements ou d'activités classés qui font partie du projet ;
2° le cas échéant, la capacité ou la puissance maximale autorisée pour la rubrique de classification dont relève l'établissement classé ou l'activité classée ;
3° une énumération des conditions environnementales particulières qui sont déjà applicables ou sont alors imposées, à l'exception des conditions environnementales particulières qui, consécutivement à leur caractère temporaire, à un changement d'exploitation ou à une disposition légale ou réglementaire, ont cessé de produire leur effet.
§ 3. Le ministre flamand qui a l'aménagement du territoire dans ses attributions et le ministre flamand qui a l'environnement dans ses attributions peuvent arrêter un ou plusieurs modèles de décision.
Art. 49. De beslissing waarmee een omgevingsvergunning verleend wordt voor BKG-installaties, bevat naast de gegevens, vermeld in artikel 48, minstens de volgende gegevens :
1° de toelating tot de emissie van broeikasgassen die voor de inrichting relevant zijn;
2° de verplichting om binnen vier maanden na het einde van elk jaar een hoeveelheid emissierechten in te leveren. Die hoeveelheid ingeleverde emissierechten moet overeenkomen met de hoeveelheid BKG-emissies die de BKG-installatie in het voorgaande kalenderjaar heeft veroorzaakt, vermeerderd met de hoeveelheid BKG-emissies die de BKG-installatie heeft veroorzaakt in voorgaande jaren en waarvoor de exploitant nog geen emissierechten heeft ingeleverd.
In het eerste lid wordt verstaan onder BKG-installatie : een vaste technische eenheid waarin een of meer van de activiteiten en processen die in de vierde kolom van de indelingslijst met de letter Y zijn aangeduid, alsook andere activiteiten die op dezelfde locatie uitgevoerd worden en die daarmee rechtstreeks samenhangen, plaatsvinden die technisch in verband staan met de voormelde activiteiten en die gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging.
1° de toelating tot de emissie van broeikasgassen die voor de inrichting relevant zijn;
2° de verplichting om binnen vier maanden na het einde van elk jaar een hoeveelheid emissierechten in te leveren. Die hoeveelheid ingeleverde emissierechten moet overeenkomen met de hoeveelheid BKG-emissies die de BKG-installatie in het voorgaande kalenderjaar heeft veroorzaakt, vermeerderd met de hoeveelheid BKG-emissies die de BKG-installatie heeft veroorzaakt in voorgaande jaren en waarvoor de exploitant nog geen emissierechten heeft ingeleverd.
In het eerste lid wordt verstaan onder BKG-installatie : een vaste technische eenheid waarin een of meer van de activiteiten en processen die in de vierde kolom van de indelingslijst met de letter Y zijn aangeduid, alsook andere activiteiten die op dezelfde locatie uitgevoerd worden en die daarmee rechtstreeks samenhangen, plaatsvinden die technisch in verband staan met de voormelde activiteiten en die gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging.
Art. 49. La décision par laquelle un permis d'environnement est accordé pour des installations GES contient, outre les éléments visés à l'article 48, au moins les éléments suivants :
1° l'autorisation d'émission de gaz à effet de serre pertinents pour l'établissement ;
2° l'obligation de restituer une quantité de quotas dans les quatre mois après la fin de chaque année. Cette quantité de quotas restitués doit correspondre à la quantité d'émissions GES que cette installation GES a générée pendant l'année civile précédente, majorée de la quantité d'émissions GES que l'installation GES a générées les années précédentes et pour lesquelles l'exploitant n'a pas encore restitué de quotas.
A l'alinéa 1er, on entend par installation GES : une unité technique fixe au sein de laquelle interviennent une ou plusieurs des activités désignées par la lettre Y dans la quatrième colonne de la liste de classification, ainsi que toute autre activité s'y rapportant directement, exercée sur le même site, qui est liée techniquement aux activités précitées et qui est susceptible d'avoir des incidences sur les émissions et la pollution.
1° l'autorisation d'émission de gaz à effet de serre pertinents pour l'établissement ;
2° l'obligation de restituer une quantité de quotas dans les quatre mois après la fin de chaque année. Cette quantité de quotas restitués doit correspondre à la quantité d'émissions GES que cette installation GES a générée pendant l'année civile précédente, majorée de la quantité d'émissions GES que l'installation GES a générées les années précédentes et pour lesquelles l'exploitant n'a pas encore restitué de quotas.
A l'alinéa 1er, on entend par installation GES : une unité technique fixe au sein de laquelle interviennent une ou plusieurs des activités désignées par la lettre Y dans la quatrième colonne de la liste de classification, ainsi que toute autre activité s'y rapportant directement, exercée sur le même site, qui est liée techniquement aux activités précitées et qui est susceptible d'avoir des incidences sur les émissions et la pollution.
Art. 50. De beslissing waarmee een omgevingsvergunning verleend wordt voor de exploitatie van een inrichting of activiteit die is ingedeeld op basis van indelingsrubriek 2.3.11, bevat naast de gegevens, vermeld in artikel 48, minstens de volgende gegevens :
1° het afvalbeheersplan of, in voorkomend geval, het herziene afvalbeheersplan, vermeld in subafdeling 5.2.6.2 van titel II van het VLAREM;
2° de financiële zekerheid, vermeld in subafdeling 5.2.6.8 van titel II van het VLAREM;
3° de voorgestelde locatie van de afvalvoorziening, met inbegrip van eventuele alternatieve locaties;
4° de categorie van de voorziening.
De bijkomende gegevens, vermeld in het eerste lid, zijn niet vereist in geval van beslissingen over inert afval, afval uit de winning, de behandeling en de opslag van turf, en niet-gevaarlijk niet-inert afval, tenzij ze worden gestort in een afvalvoorziening van categorie A, met uitzondering van de afvalvoorzieningen, vermeld in artikel 5.2.6.10.1, § 3, van titel II van het VLAREM.
1° het afvalbeheersplan of, in voorkomend geval, het herziene afvalbeheersplan, vermeld in subafdeling 5.2.6.2 van titel II van het VLAREM;
2° de financiële zekerheid, vermeld in subafdeling 5.2.6.8 van titel II van het VLAREM;
3° de voorgestelde locatie van de afvalvoorziening, met inbegrip van eventuele alternatieve locaties;
4° de categorie van de voorziening.
De bijkomende gegevens, vermeld in het eerste lid, zijn niet vereist in geval van beslissingen over inert afval, afval uit de winning, de behandeling en de opslag van turf, en niet-gevaarlijk niet-inert afval, tenzij ze worden gestort in een afvalvoorziening van categorie A, met uitzondering van de afvalvoorzieningen, vermeld in artikel 5.2.6.10.1, § 3, van titel II van het VLAREM.
Art. 50. La décision par laquelle un permis d'environnement est accordé pour l'exploitation d'un établissement ou d'une activité qui a été classé(e) sur la base de la rubrique de classification 2.3.11 contient, outre les éléments visés à l'article 48, au moins les éléments suivants :
1° le plan de gestion des déchets ou, le cas échéant, le plan de gestion de déchets révisé, visé à la sous-section 5.2.6.2 du titre II du VLAREM ;
2° la garantie financière, visée à la sous-section 5.2.6.8 du titre II du VLAREM ;
3° le lieu d'implantation envisagé pour l'installation de gestion des déchets et les autres lieux possibles ;
4° la catégorie de l'installation.
Les données supplémentaires visées à l'alinéa 1er ne sont pas requises dans le cas de décisions concernant les déchets inertes, les déchets résultant de l'extraction, le traitement et le stockage de tourbe et les déchets non inertes non dangereux, à moins qu'ils ne soient déversés dans une installation de gestion des déchets de catégorie A, à l'exception des installations de gestion des déchets visées à l'article 5.2.6.10.1, § 3, du titre II du VLAREM.
1° le plan de gestion des déchets ou, le cas échéant, le plan de gestion de déchets révisé, visé à la sous-section 5.2.6.2 du titre II du VLAREM ;
2° la garantie financière, visée à la sous-section 5.2.6.8 du titre II du VLAREM ;
3° le lieu d'implantation envisagé pour l'installation de gestion des déchets et les autres lieux possibles ;
4° la catégorie de l'installation.
Les données supplémentaires visées à l'alinéa 1er ne sont pas requises dans le cas de décisions concernant les déchets inertes, les déchets résultant de l'extraction, le traitement et le stockage de tourbe et les déchets non inertes non dangereux, à moins qu'ils ne soient déversés dans une installation de gestion des déchets de catégorie A, à l'exception des installations de gestion des déchets visées à l'article 5.2.6.10.1, § 3, du titre II du VLAREM.
Art. 51. De beslissing waarmee een omgevingsvergunning verleend wordt voor stortplaatsen van afval, bevat naast de gegevens, vermeld in artikel 48, minstens de volgende gegevens :
1° de stortplaatscategorie;
2° de lijst van de afvalsoorten en de totale hoeveelheid afvalstoffen die op de stortplaats mogen worden gestort;
3° als dat niet begrepen wordt in de toepasselijke algemene en sectorale milieuvoorwaarden van titel II van het VLAREM :
a) de voorschriften voor de stortvoorbereidingen, stortwerkzaamheden en toezichts- en controleprocedures, met inbegrip van urgentieplannen, alsook voorlopige voorschriften voor de sluitings- en nazorgwerkzaamheden;
b) de bepaling dat de exploitant ten minste eenmaal per jaar het rapport, vermeld in artikel 5.2.4.6.5 van titel II van het VLAREM, moet bezorgen aan de toezichthouder die conform titel XVI van het DABM, bevoegd is, en aan de OVAM.
1° de stortplaatscategorie;
2° de lijst van de afvalsoorten en de totale hoeveelheid afvalstoffen die op de stortplaats mogen worden gestort;
3° als dat niet begrepen wordt in de toepasselijke algemene en sectorale milieuvoorwaarden van titel II van het VLAREM :
a) de voorschriften voor de stortvoorbereidingen, stortwerkzaamheden en toezichts- en controleprocedures, met inbegrip van urgentieplannen, alsook voorlopige voorschriften voor de sluitings- en nazorgwerkzaamheden;
b) de bepaling dat de exploitant ten minste eenmaal per jaar het rapport, vermeld in artikel 5.2.4.6.5 van titel II van het VLAREM, moet bezorgen aan de toezichthouder die conform titel XVI van het DABM, bevoegd is, en aan de OVAM.
Art. 51. La décision par laquelle un permis d'environnement est accordé pour des décharges de déchets contient, outre les éléments visés à l'article 48, au moins les données suivantes :
1° la catégorie de la décharge ;
2° la liste des types de déchets et la quantité totale de déchets dont le dépôt dans la décharge est autorisé ;
3° lorsque les conditions environnementales générales et sectorielles applicables du titre II du VLAREM n'en font pas mention :
a) les exigences auxquelles doivent répondre la préparation de la décharge, les opérations de mise en décharge et les procédures de surveillance et de contrôle, y compris les plans d'intervention ainsi que les exigences provisoires concernant les opérations de désaffectation et d'entretien du site désaffecté ;
b) l'obligation pour l'exploitant de transmettre, au moins une fois par an, au contrôleur compétent conformément au titre XVI du DABM et à l'OVAM, le rapport prévu à l'article 5.2.4.6.5 du titre II du VLAREM.
1° la catégorie de la décharge ;
2° la liste des types de déchets et la quantité totale de déchets dont le dépôt dans la décharge est autorisé ;
3° lorsque les conditions environnementales générales et sectorielles applicables du titre II du VLAREM n'en font pas mention :
a) les exigences auxquelles doivent répondre la préparation de la décharge, les opérations de mise en décharge et les procédures de surveillance et de contrôle, y compris les plans d'intervention ainsi que les exigences provisoires concernant les opérations de désaffectation et d'entretien du site désaffecté ;
b) l'obligation pour l'exploitant de transmettre, au moins une fois par an, au contrôleur compétent conformément au titre XVI du DABM et à l'OVAM, le rapport prévu à l'article 5.2.4.6.5 du titre II du VLAREM.
Art. 52. De beslissing waarmee een omgevingsvergunning verleend wordt voor een GPBV-installatie, bevat naast de gegevens, vermeld in artikel 48, minstens de volgende gegevens :
1° de titel van de BREF's die voor de installatie of activiteit in kwestie relevant zijn;
2° de manier waarop de milieuvoorwaarden, vermeld in titel II en titel III van het VLAREM, waaronder emissiegrenswaarden, zijn vastgesteld in relatie tot de BBT en de BBT-GEN.
In het eerste lid wordt verstaan onder :
1° BBT : de beste beschikbare technieken;
2° BBT-GEN : met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus;
3° BREF : de BBT-referentiedocumenten die ter uitvoering van richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) worden opgesteld.
1° de titel van de BREF's die voor de installatie of activiteit in kwestie relevant zijn;
2° de manier waarop de milieuvoorwaarden, vermeld in titel II en titel III van het VLAREM, waaronder emissiegrenswaarden, zijn vastgesteld in relatie tot de BBT en de BBT-GEN.
In het eerste lid wordt verstaan onder :
1° BBT : de beste beschikbare technieken;
2° BBT-GEN : met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus;
3° BREF : de BBT-referentiedocumenten die ter uitvoering van richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) worden opgesteld.
Art. 52. La décision par laquelle un permis d'environnement est accordé pour une installation IPPC contient, outre les données visées à l'article 48, au moins les données suivantes :
1° le titre des BREF pertinents pour l'installation ou l'activité en question ;
2° la méthode utilisée pour déterminer les conditions environnementales visées au titre II et au titre III du VLAREM, y compris les valeurs limites d'émission, au regard des MTD et des NEA-MTD.
A l'alinéa 1er, on entend par :
1° MTD : les meilleures techniques disponibles ;
2° NEA-MTD : les niveaux d'émission associés aux meilleures techniques disponibles ;
3° BREF : les documents de référence MTD élaborés en exécution de la directive 2010/75/UE du Parlement européen et du Conseil du 24 novembre 2010 relative aux émissions industrielles (prévention et réduction intégrées de la pollution).
1° le titre des BREF pertinents pour l'installation ou l'activité en question ;
2° la méthode utilisée pour déterminer les conditions environnementales visées au titre II et au titre III du VLAREM, y compris les valeurs limites d'émission, au regard des MTD et des NEA-MTD.
A l'alinéa 1er, on entend par :
1° MTD : les meilleures techniques disponibles ;
2° NEA-MTD : les niveaux d'émission associés aux meilleures techniques disponibles ;
3° BREF : les documents de référence MTD élaborés en exécution de la directive 2010/75/UE du Parlement européen et du Conseil du 24 novembre 2010 relative aux émissions industrielles (prévention et réduction intégrées de la pollution).
Art. 53. Als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op het oprichten, uitbreiden of afbreken van scheidingsmuren of muren die in aanmerking komen voor gemene eigendom, bevat de beslissing, in voorkomend geval, een verwijzing naar het standpunt van de eigenaars van de aanpalende percelen en de wijze waarop daarmee is omgegaan.
Art. 53. Lorsque la demande de permis porte sur l'érection, l'agrandissement ou la démolition de murs de séparation ou de murs pouvant faire l'objet d'une propriété commune, la décision contient, le cas échéant, un renvoi à la position des propriétaires des parcelles adjacentes et à la façon dont elle a été traitée.
Afdeling 1/1. [1 Duur van de vergunningen]1
Section 1/1. [1 Durée des autorisations]1
Art. 53/1. [1 De geldigheidsduur van de omgevingsvergunning voor de inrichtingen of de activiteiten, vermeld in indelingsrubriek 53.4, 53.5, 53.8 en 53.12, is maximaal twintig jaar.
De geldigheidsduur van de omgevingsvergunning voor de inrichtingen of de activiteiten, vermeld in indelingsrubriek 53.2, is maximaal vijf jaar.]1
De geldigheidsduur van de omgevingsvergunning voor de inrichtingen of de activiteiten, vermeld in indelingsrubriek 53.2, is maximaal vijf jaar.]1
Art. 53.1. [1 La durée de validité du permis d'environnement pour les établissements ou les activités visés dans la rubrique de classification 53.4, 53.5, 53.8 et 53.12 est de vingt ans maximum.
La durée de validité du permis d'environnement pour les établissements ou les activités visés dans la rubrique de classification 53.2 est de cinq ans maximum.]1
La durée de validité du permis d'environnement pour les établissements ou les activités visés dans la rubrique de classification 53.2 est de cinq ans maximum.]1
Afdeling 2. - Aanvang van de vergunningsduur
Section 2. - Prise de cours de la durée du permis
Art. 54. De vergunningsduur neemt een aanvang op de dag dat conform artikel 35 en 49 van het decreet van 25 april 2014 mag worden gebruikgemaakt van de omgevingsvergunning. Als een schorsend administratief beroep wordt ingesteld tegen de beslissing of een onderdeel daarvan, neemt de vergunningsduur een aanvang op de dag na :
1° de dag van betekening van de definitieve beslissing;
2° het verstrijken van de termijn als er geen beslissing is genomen binnen de vastgestelde of in voorkomend geval verlengde termijn, conform artikel 66 van het decreet;
3° de dag van betekening van de onontvankelijk- of onvolledigverklaring, vermeld in artikel 58, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014.
In het geval meerdere schorsende administratieve beroepen zijn ingesteld tegen eenzelfde beslissing in eerste administratieve aanleg, neemt de vergunningsduur een aanvang op de laatste dag waarop uitspraak gedaan wordt over de ingestelde beroepen.
1° de dag van betekening van de definitieve beslissing;
2° het verstrijken van de termijn als er geen beslissing is genomen binnen de vastgestelde of in voorkomend geval verlengde termijn, conform artikel 66 van het decreet;
3° de dag van betekening van de onontvankelijk- of onvolledigverklaring, vermeld in artikel 58, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014.
In het geval meerdere schorsende administratieve beroepen zijn ingesteld tegen eenzelfde beslissing in eerste administratieve aanleg, neemt de vergunningsduur een aanvang op de laatste dag waarop uitspraak gedaan wordt over de ingestelde beroepen.
Art. 54. La durée du permis prend cours le jour où le permis d'environnement peut être utilisé conformément aux articles 35 et 49 du décret du 25 avril 2014. Si un recours administratif suspensif est introduit contre la décision ou une partie de celle-ci, la durée du permis prend cours le jour suivant :
1° celui de la signification de la décision définitive ;
2° l'expiration du délai lorsqu'aucune décision n'a été prise dans le délai fixé ou, le cas échéant, prolongé, conformément à l'article 66 du décret ;
3° celui de la signification de l'irrecevabilité ou de l'incomplétude visée à l'article 58, deuxième alinéa, du décret du 25 avril 2014.
Dans le cas où plusieurs recours administratifs suspensifs ont été introduits contre une même décision en première instance administrative, la durée du permis prend cours le dernier jour où il est statué sur les recours intentés.
1° celui de la signification de la décision définitive ;
2° l'expiration du délai lorsqu'aucune décision n'a été prise dans le délai fixé ou, le cas échéant, prolongé, conformément à l'article 66 du décret ;
3° celui de la signification de l'irrecevabilité ou de l'incomplétude visée à l'article 58, deuxième alinéa, du décret du 25 avril 2014.
Dans le cas où plusieurs recours administratifs suspensifs ont été introduits contre une même décision en première instance administrative, la durée du permis prend cours le dernier jour où il est statué sur les recours intentés.
Afdeling 3. - Bekendmaking van de beslissing
Section 3. - Publication de la décision
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen
Sous-section 1re. - Dispositions générales
Art. 55. Tenzij het uitdrukkelijk anders is bepaald, wordt in deze afdeling verstaan onder beslissing : een uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissing over een vergunningsaanvraag.
Art. 55. Sauf stipulation expresse contraire, il convient d'entendre dans cette section par " décision " : une décision expresse ou tacite au sujet d'une demande de permis.
Art. 56. De beslissing over een omgevingsvergunning wordt bekendgemaakt door :
1° in voorkomend geval, de aanplakking van een affiche op de plaats waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag uitgevoerd zal worden, conform artikel 59;
2° de publicatie op de website van de gemeente waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag uitgevoerd zal worden, conform artikel 60;
3° in voorkomend geval, de publicatie in een dag- of weekblad, conform artikel 61;
4° in voorkomend geval, de individuele kennisgeving, conform artikel 62;
5° de analoge of digitale terinzagelegging van de beslissing in het gemeentehuis van de gemeente waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag uitgevoerd zal worden, conform artikel 63.
In afwijking van het eerste lid wordt een beslissing over vergunningsaanvragen voor projecten of voor veranderingen aan projecten die uitsluitend mobiele of verplaatsbare inrichtingen of activiteiten omvatten, bekendgemaakt door :
1° in voorkomend geval, de aanplakking van een affiche aan :
a) het gemeentehuis van de gemeente waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag uitgevoerd zal worden in geval van mobiele of verplaatsbare inrichtingen of activiteiten in één gemeente, conform artikel 59 van dit besluit;
b) het provinciehuis van de provincie of provincies waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag voor bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten uitgevoerd zal worden, conform artikel 59 van dit besluit;
2° de publicatie op de website van de bevoegde overheid, conform artikel 60 van dit besluit. Die publicatie geldt als aanplakking, als vermeld in artikel 35, eerste lid, artikel 49, eerste lid, en artikel 54, 3°, van het decreet van 25 april 2014;
3° in voorkomend geval, de publicatie in een dag- of weekblad, conform artikel 61 van dit besluit;
4° in voorkomend geval, de individuele kennisgeving, conform artikel 62 van dit besluit;
5° de analoge of digitale terinzagelegging van de beslissing in :
a) het gemeentehuis van de gemeente waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag uitgevoerd zal worden in geval van mobiele of verplaatsbare inrichtingen of activiteiten in één gemeente, conform artikel 63 van dit besluit;
b) het provinciehuis van de provincie of provincies waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag voor bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten uitgevoerd zal worden, conform artikel 63 van dit besluit.
1° in voorkomend geval, de aanplakking van een affiche op de plaats waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag uitgevoerd zal worden, conform artikel 59;
2° de publicatie op de website van de gemeente waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag uitgevoerd zal worden, conform artikel 60;
3° in voorkomend geval, de publicatie in een dag- of weekblad, conform artikel 61;
4° in voorkomend geval, de individuele kennisgeving, conform artikel 62;
5° de analoge of digitale terinzagelegging van de beslissing in het gemeentehuis van de gemeente waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag uitgevoerd zal worden, conform artikel 63.
In afwijking van het eerste lid wordt een beslissing over vergunningsaanvragen voor projecten of voor veranderingen aan projecten die uitsluitend mobiele of verplaatsbare inrichtingen of activiteiten omvatten, bekendgemaakt door :
1° in voorkomend geval, de aanplakking van een affiche aan :
a) het gemeentehuis van de gemeente waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag uitgevoerd zal worden in geval van mobiele of verplaatsbare inrichtingen of activiteiten in één gemeente, conform artikel 59 van dit besluit;
b) het provinciehuis van de provincie of provincies waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag voor bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten uitgevoerd zal worden, conform artikel 59 van dit besluit;
2° de publicatie op de website van de bevoegde overheid, conform artikel 60 van dit besluit. Die publicatie geldt als aanplakking, als vermeld in artikel 35, eerste lid, artikel 49, eerste lid, en artikel 54, 3°, van het decreet van 25 april 2014;
3° in voorkomend geval, de publicatie in een dag- of weekblad, conform artikel 61 van dit besluit;
4° in voorkomend geval, de individuele kennisgeving, conform artikel 62 van dit besluit;
5° de analoge of digitale terinzagelegging van de beslissing in :
a) het gemeentehuis van de gemeente waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag uitgevoerd zal worden in geval van mobiele of verplaatsbare inrichtingen of activiteiten in één gemeente, conform artikel 63 van dit besluit;
b) het provinciehuis van de provincie of provincies waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag voor bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten uitgevoerd zal worden, conform artikel 63 van dit besluit.
Art. 56. La décision au sujet d'un permis d'environnement est annoncée par :
1° le cas échéant, voie d'affichage sur le lieu où sera exécuté l'objet de la demande de permis, conformément à l'article 59 ;
2° la publication sur le site Internet de la commune où sera exécuté l'objet de la demande de permis, conformément à l'article 60 ;
3° le cas échéant, la publication dans un quotidien ou un hebdomadaire, conformément à l'article 61 ;
4° le cas échéant, la notification individuelle, conformément à l'article 62 ;
5° l'ouverture à la consultation analogique ou numérique de la décision à la maison communale de la commune où sera exécuté l'objet de la demande de permis, conformément à l'article 63 ;
Par dérogation à l'alinéa 1er, une décision au sujet de demandes de permis pour des projets ou pour des modifications de projets comportant exclusivement des établissements ou activités mobiles ou transportables est annoncée par :
1° le cas échéant, voie d'affichage à :
a) la maison communale de la commune où sera exécuté l'objet de la demande de permis dans le cas d'établissements ou activités mobiles ou transportables dans une seule commune, conformément à l'article 59 du présent arrêté ;
b) la maison de la province de la ou des provinces où sera exécuté l'objet de la demande de permis pour des projets mobiles ou transportables supracommunaux, conformément à l'article 59 du présent arrêté ;
2° la publication sur le site Internet de l'autorité compétente, conformément à l'article 60 du présent arrêté. Cette publication vaut affichage, tel que visé à l'article 35, alinéa 1er, à l'article 49, alinéa 1er et à l'article 54, 3°, du décret du 25 avril 2014 ;
3° le cas échéant, la publication dans un quotidien ou un hebdomadaire, conformément à l'article 61 du présent arrêté ;
4° le cas échéant, la notification individuelle, conformément à l'article 62 du présent arrêté ;
5° l'ouverture à la consultation analogique ou numérique de la décision à :
a) la maison communale de la commune où sera exécuté l'objet de la demande de permis dans le cas d'établissements ou activités mobiles ou transportables dans une seule commune, conformément à l'article 63 du présent arrêté ;
b) la maison de la province de la ou des provinces où sera exécuté l'objet de la demande de permis pour des projets mobiles ou transportables supracommunaux, conformément à l'article 63 du présent arrêté.
1° le cas échéant, voie d'affichage sur le lieu où sera exécuté l'objet de la demande de permis, conformément à l'article 59 ;
2° la publication sur le site Internet de la commune où sera exécuté l'objet de la demande de permis, conformément à l'article 60 ;
3° le cas échéant, la publication dans un quotidien ou un hebdomadaire, conformément à l'article 61 ;
4° le cas échéant, la notification individuelle, conformément à l'article 62 ;
5° l'ouverture à la consultation analogique ou numérique de la décision à la maison communale de la commune où sera exécuté l'objet de la demande de permis, conformément à l'article 63 ;
Par dérogation à l'alinéa 1er, une décision au sujet de demandes de permis pour des projets ou pour des modifications de projets comportant exclusivement des établissements ou activités mobiles ou transportables est annoncée par :
1° le cas échéant, voie d'affichage à :
a) la maison communale de la commune où sera exécuté l'objet de la demande de permis dans le cas d'établissements ou activités mobiles ou transportables dans une seule commune, conformément à l'article 59 du présent arrêté ;
b) la maison de la province de la ou des provinces où sera exécuté l'objet de la demande de permis pour des projets mobiles ou transportables supracommunaux, conformément à l'article 59 du présent arrêté ;
2° la publication sur le site Internet de l'autorité compétente, conformément à l'article 60 du présent arrêté. Cette publication vaut affichage, tel que visé à l'article 35, alinéa 1er, à l'article 49, alinéa 1er et à l'article 54, 3°, du décret du 25 avril 2014 ;
3° le cas échéant, la publication dans un quotidien ou un hebdomadaire, conformément à l'article 61 du présent arrêté ;
4° le cas échéant, la notification individuelle, conformément à l'article 62 du présent arrêté ;
5° l'ouverture à la consultation analogique ou numérique de la décision à :
a) la maison communale de la commune où sera exécuté l'objet de la demande de permis dans le cas d'établissements ou activités mobiles ou transportables dans une seule commune, conformément à l'article 63 du présent arrêté ;
b) la maison de la province de la ou des provinces où sera exécuté l'objet de la demande de permis pour des projets mobiles ou transportables supracommunaux, conformément à l'article 63 du présent arrêté.
Art. 57. [1 De gemeente stelt de tekst ter beschikking die gebruikt wordt voor de bekendmaking, vermeld in artikel 56, eerste lid, 1° tot en met 3°, en tweede lid, 1° tot en met 3°.]1
De tekst, vermeld in het eerste lid, bevat minstens de volgende gegevens :
1° [1 op welke vergunningsplicht of vergunningsplichten, vermeld in artikel 5 van het decreet van 25 april 2014, de aanvraag betrekking heeft;]1
[1 1/1° een beknopte omschrijving van het voorwerp van de vergunningsaanvraag;]1
2° de ligging van het voorwerp van de vergunningsaanvraag;
3° de naam van de aanvrager of exploitant. Als de aanvraag wordt ondertekend door een natuurlijk persoon namens een rechtspersoon, wordt alleen de naam van de rechtspersoon vermeld;
4° de overheid die de beslissing heeft genomen;
5° de plaats waar de beslissing ter inzage ligt;
6° de mogelijkheid en de modaliteiten om beroep tegen de genomen beslissing in te stellen.
De tekst, vermeld in het eerste lid, bevat minstens de volgende gegevens :
1° [1 op welke vergunningsplicht of vergunningsplichten, vermeld in artikel 5 van het decreet van 25 april 2014, de aanvraag betrekking heeft;]1
[1 1/1° een beknopte omschrijving van het voorwerp van de vergunningsaanvraag;]1
2° de ligging van het voorwerp van de vergunningsaanvraag;
3° de naam van de aanvrager of exploitant. Als de aanvraag wordt ondertekend door een natuurlijk persoon namens een rechtspersoon, wordt alleen de naam van de rechtspersoon vermeld;
4° de overheid die de beslissing heeft genomen;
5° de plaats waar de beslissing ter inzage ligt;
6° de mogelijkheid en de modaliteiten om beroep tegen de genomen beslissing in te stellen.
Art. 57. [1 La commune met à disposition le texte utilisé pour la publication visée à l'article 56, alinéa 1er, 1° à 3°, et alinéa 2, 1° à 3°. ]1
Le texte visé à l'alinéa 1er contient au moins les données suivantes :
1° [1 l'obligation d'autorisation ou les obligations d'autorisation visées à l'article 5 du décret du 25 avril 2014 auxquelles la demande se rapporte]1 ;
[1 1/1° une description succincte de l'objet de la demande de permis;]1
2° l'emplacement de l'objet de la demande de permis ;
3° le nom du demandeur ou de l'exploitant. Lorsque la demande est signée par une personne physique au nom d'une personne morale, seul le nom de la personne morale est mentionné ;
4° l'autorité qui a pris la décision ;
5° le lieu où la décision peut être consultée ;
6° la possibilité et les modalités de recours contre la décision prise.
Le texte visé à l'alinéa 1er contient au moins les données suivantes :
1° [1 l'obligation d'autorisation ou les obligations d'autorisation visées à l'article 5 du décret du 25 avril 2014 auxquelles la demande se rapporte]1 ;
[1 1/1° une description succincte de l'objet de la demande de permis;]1
2° l'emplacement de l'objet de la demande de permis ;
3° le nom du demandeur ou de l'exploitant. Lorsque la demande est signée par une personne physique au nom d'une personne morale, seul le nom de la personne morale est mentionné ;
4° l'autorité qui a pris la décision ;
5° le lieu où la décision peut être consultée ;
6° la possibilité et les modalités de recours contre la décision prise.
Art. 58. In geval van betwistingen over de bekendmaking stelt de gemeente of de vergunningsaanvrager de nodige verklaringen of bewijsstukken ter beschikking van het bevoegde bestuur, nadat daarom verzocht is.
Art. 58. En cas de contestations au sujet de la publication, la commune ou le demandeur du permis met les déclarations ou justificatifs nécessaires à la disposition de l'administration compétente, à la demande de cette dernière.
Onderafdeling 2. - Aanplakking van een affiche
Sous-section 2. - Affichage
Art. 59. § 1. In de volgende gevallen wordt een affiche aangeplakt :
1° als een omgevingsvergunning wordt verleend;
2° als een omgevingsvergunning wordt geweigerd nadat de gewone vergunningsprocedure [2 ...]2 doorlopen is.
De tekst van de aanplakking, vermeld in artikel 57 van dit besluit, wordt met zwarte letters op een gele affiche van minimaal A2-formaat afgedrukt en wordt voorafgegaan door het opschrift "BEKENDMAKING BESLISSING OMGEVINGSVERGUNNING".
§ 2. De affiche wordt aangeplakt uiterlijk tien dagen na de ontvangst van de beslissing en blijft hangen gedurende de periode van dertig dagen, die ingaat op de dag na de eerste dag van de aanplakking. De vergunningsaanvrager brengt de gemeente op de startdatum [1 ...]1 van de aanplakking op de hoogte van [1 die datum en verklaart hierbij dat de affiche conform artikel 20 van het Omgevingsvergunningenbesluit werd aangeplakt en aangeplakt zal blijven tot de laatste dag van de periode van dertig dagen.]1. [1 Die datum wordt]1 in het omgevingsloket ingevoerd.
De affiche wordt aangeplakt op een plaats waar het voorwerp van de beslissing paalt aan een openbare weg, of als het aan verschillende openbare wegen paalt, aan elk van die openbare wegen. Als het voorwerp van de beslissing niet paalt aan een openbare weg, wordt de affiche aangeplakt op een plaats aan de dichtstbijzijnde openbare weg.
Als de beslissing betrekking heeft op het openbaar domein, wordt de affiche aangeplakt aan elke zijde waar men van op de openbare weg de grens van het voorwerp van de beslissing bereikt.
De vergunningsaanvrager plakt de affiche aan op een schutting, op een muur of op een [1 bord]1 dat aan een paal bevestigd is, op de grens tussen het terrein of de toegang tot het terrein en de openbare weg en evenwijdig met de openbare weg, met de tekst gericht naar de openbare weg en op een maximumhoogte van twee meter.
De affiche is altijd goed leesbaar vanaf de openbare weg.
§ 3. In afwijking van paragraaf 2 plakt het gemeentebestuur, respectievelijk het provinciebestuur de tekst, vermeld in artikel 57, aan het gemeentehuis of provinciehuis aan in geval van beslissingen over vergunningsaanvragen voor bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten, met toepassing van de voorwaarden, vermeld in dit artikel.
1° als een omgevingsvergunning wordt verleend;
2° als een omgevingsvergunning wordt geweigerd nadat de gewone vergunningsprocedure [2 ...]2 doorlopen is.
De tekst van de aanplakking, vermeld in artikel 57 van dit besluit, wordt met zwarte letters op een gele affiche van minimaal A2-formaat afgedrukt en wordt voorafgegaan door het opschrift "BEKENDMAKING BESLISSING OMGEVINGSVERGUNNING".
§ 2. De affiche wordt aangeplakt uiterlijk tien dagen na de ontvangst van de beslissing en blijft hangen gedurende de periode van dertig dagen, die ingaat op de dag na de eerste dag van de aanplakking. De vergunningsaanvrager brengt de gemeente op de startdatum [1 ...]1 van de aanplakking op de hoogte van [1 die datum en verklaart hierbij dat de affiche conform artikel 20 van het Omgevingsvergunningenbesluit werd aangeplakt en aangeplakt zal blijven tot de laatste dag van de periode van dertig dagen.]1. [1 Die datum wordt]1 in het omgevingsloket ingevoerd.
De affiche wordt aangeplakt op een plaats waar het voorwerp van de beslissing paalt aan een openbare weg, of als het aan verschillende openbare wegen paalt, aan elk van die openbare wegen. Als het voorwerp van de beslissing niet paalt aan een openbare weg, wordt de affiche aangeplakt op een plaats aan de dichtstbijzijnde openbare weg.
Als de beslissing betrekking heeft op het openbaar domein, wordt de affiche aangeplakt aan elke zijde waar men van op de openbare weg de grens van het voorwerp van de beslissing bereikt.
De vergunningsaanvrager plakt de affiche aan op een schutting, op een muur of op een [1 bord]1 dat aan een paal bevestigd is, op de grens tussen het terrein of de toegang tot het terrein en de openbare weg en evenwijdig met de openbare weg, met de tekst gericht naar de openbare weg en op een maximumhoogte van twee meter.
De affiche is altijd goed leesbaar vanaf de openbare weg.
§ 3. In afwijking van paragraaf 2 plakt het gemeentebestuur, respectievelijk het provinciebestuur de tekst, vermeld in artikel 57, aan het gemeentehuis of provinciehuis aan in geval van beslissingen over vergunningsaanvragen voor bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten, met toepassing van de voorwaarden, vermeld in dit artikel.
Art. 59. § 1er. Il est procédé à l'affichage dans les cas suivants :
1° lorsqu'un permis d'environnement est accordé ;
2° lorsqu'un permis d'environnement est refusé après qu'a été suivie la procédure d'autorisation ordinaire [2 ...]2.
Le texte de l'affichage visé à l'article 57 du présent arrêté est imprimé en caractères noirs sur une affiche jaune de format A2 minimum et est précédé de l'intitulé " AVIS DECISION PERMIS D'ENVIRONNEMENT ".
§ 2. L'affiche est apposée au plus tard dix jours après la réception de la décision et reste en place pendant une période de trente jours qui prend cours le lendemain du premier jour de l'affichage. A la date de début [1 ...]1 de l'affichage, le demandeur du permis informe la commune de [1 cette date et déclare par là que l'affiche a été apposée et le restera jusqu'au dernier jour de la période de trente jours conformément à l'article 20 de l'arrêté relatif au permis d'environnement]1. [1 Cette date est introduite]1 dans le guichet environnement.
L'affichage se fait à un endroit où l'objet de la décision confine à une voie publique ou, s'il confine à plusieurs voies publiques, à chacune de ces voies publiques. Lorsque l'objet de la décision ne confine pas à une voie publique, l'affichage se fait à un endroit de la voie publique la plus proche.
Lorsque la décision porte sur le domaine public, l'affichage se fait de chaque côté où l'on atteint la limite de l'objet de la décision à partir de la voie publique.
Le demandeur du permis procède à l'affichage sur une palissade, un mur ou un panneau fixé à un poteau, à la limite entre le terrain ou l'accès au terrain et la voie publique et en parallèle à celle-ci, texte orienté vers la voie publique et à une hauteur maximale de deux mètres.
L'affiche doit toujours être bien lisible à partir de la voie publique.
§ 3. Par dérogation au paragraphe 2, l'administration communale ou l'administration provinciale affiche le texte visé à l'article 57 à la maison communale ou à la maison de la province dans le cas de décisions au sujet de demandes de permis pour des projets mobiles ou transportables supracommunaux en application des conditions visées dans le présent article.
1° lorsqu'un permis d'environnement est accordé ;
2° lorsqu'un permis d'environnement est refusé après qu'a été suivie la procédure d'autorisation ordinaire [2 ...]2.
Le texte de l'affichage visé à l'article 57 du présent arrêté est imprimé en caractères noirs sur une affiche jaune de format A2 minimum et est précédé de l'intitulé " AVIS DECISION PERMIS D'ENVIRONNEMENT ".
§ 2. L'affiche est apposée au plus tard dix jours après la réception de la décision et reste en place pendant une période de trente jours qui prend cours le lendemain du premier jour de l'affichage. A la date de début [1 ...]1 de l'affichage, le demandeur du permis informe la commune de [1 cette date et déclare par là que l'affiche a été apposée et le restera jusqu'au dernier jour de la période de trente jours conformément à l'article 20 de l'arrêté relatif au permis d'environnement]1. [1 Cette date est introduite]1 dans le guichet environnement.
L'affichage se fait à un endroit où l'objet de la décision confine à une voie publique ou, s'il confine à plusieurs voies publiques, à chacune de ces voies publiques. Lorsque l'objet de la décision ne confine pas à une voie publique, l'affichage se fait à un endroit de la voie publique la plus proche.
Lorsque la décision porte sur le domaine public, l'affichage se fait de chaque côté où l'on atteint la limite de l'objet de la décision à partir de la voie publique.
Le demandeur du permis procède à l'affichage sur une palissade, un mur ou un panneau fixé à un poteau, à la limite entre le terrain ou l'accès au terrain et la voie publique et en parallèle à celle-ci, texte orienté vers la voie publique et à une hauteur maximale de deux mètres.
L'affiche doit toujours être bien lisible à partir de la voie publique.
§ 3. Par dérogation au paragraphe 2, l'administration communale ou l'administration provinciale affiche le texte visé à l'article 57 à la maison communale ou à la maison de la province dans le cas de décisions au sujet de demandes de permis pour des projets mobiles ou transportables supracommunaux en application des conditions visées dans le présent article.
Onderafdeling 3. - Publicatie op de website
Sous-section 3. - Publication sur le site Internet
Art. 60. § 1. De gemeente publiceert de tekst, vermeld in artikel 57, op haar website op een voor bekendmakingen geëigende en opvallende plaats. De gemeente kan meer gegevens op de website publiceren.
De tekst wordt gepubliceerd uiterlijk tien dagen na de datum waarop de gemeente de beslissing heeft genomen, of na de datum waarop de beslissing ter beschikking is gesteld van de gemeente. De tekst blijft minstens gedurende een periode van dertig dagen, die ingaat op de dag na de eerste dag van de publicatie, op de website staan.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 publiceert het bevoegde bestuur de tekst, vermeld in artikel 57, op zijn website in geval van beslissingen over vergunningsaanvragen voor bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten, met toepassing van de voorwaarden, vermeld in dit artikel.
De tekst wordt gepubliceerd uiterlijk tien dagen na de datum waarop de gemeente de beslissing heeft genomen, of na de datum waarop de beslissing ter beschikking is gesteld van de gemeente. De tekst blijft minstens gedurende een periode van dertig dagen, die ingaat op de dag na de eerste dag van de publicatie, op de website staan.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 publiceert het bevoegde bestuur de tekst, vermeld in artikel 57, op zijn website in geval van beslissingen over vergunningsaanvragen voor bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten, met toepassing van de voorwaarden, vermeld in dit artikel.
Art. 60. § 1er. La commune publie le texte visé à l'article 57 sur son site Internet à un endroit approprié aux avis et bien en vue. La commune peut publier davantage de données sur le site Internet.
Le texte est publié au plus tard dix jours après la date à laquelle la commune a pris la décision ou après la date à laquelle la décision a été mise à la disposition de la commune. Le texte reste sur le site Internet au minimum pendant une période de trente jours qui prend cours le lendemain du premier jour de la publication.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, l'administration compétente publie le texte visé à l'article 57 sur son site Internet dans le cas de décisions au sujet de demandes de permis pour des projets mobiles ou transportables supracommunaux en application des conditions visées dans le présent article.
Le texte est publié au plus tard dix jours après la date à laquelle la commune a pris la décision ou après la date à laquelle la décision a été mise à la disposition de la commune. Le texte reste sur le site Internet au minimum pendant une période de trente jours qui prend cours le lendemain du premier jour de la publication.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, l'administration compétente publie le texte visé à l'article 57 sur son site Internet dans le cas de décisions au sujet de demandes de permis pour des projets mobiles ou transportables supracommunaux en application des conditions visées dans le présent article.
Onderafdeling 4. - Publicatie in een dag- of weekblad
Sous-section 4. - Publication dans un quotidien ou un hebdomadaire
Art. 61. § 1. De gemeente publiceert de tekst, vermeld in artikel 57, in ten minste één dag- of weekblad met minstens regionaal karakter in de volgende gevallen :
1° de vergunningsaanvraag omvat een project-MER of een OVR;
2° de vergunningsaanvraag heeft betrekking op de exploitatie van een inrichting of activiteit met een GPBV-installatie.
De publicatie, vermeld in het eerste lid, gebeurt uiterlijk tien dagen [1 na de datum waarop de gemeente de beslissing heeft genomen, of na de datum waarop de beslissing ter beschikking is gesteld van de gemeente]1, op kosten van de vergunningsaanvrager.
Als het voorwerp van de vergunningsaanvraag in twee of meer gemeenten uitgevoerd zal worden, kan voor een van de volgende werkwijzen gekozen worden :
1° elke gemeente zorgt voor een publicatie;
2° de gemeenten zorgen voor een gecoördineerde publicatie.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 zorgt het bevoegde bestuur voor de publicatie op kosten van de vergunningsaanvrager in geval van beslissingen over vergunningsaanvragen voor bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten.
1° de vergunningsaanvraag omvat een project-MER of een OVR;
2° de vergunningsaanvraag heeft betrekking op de exploitatie van een inrichting of activiteit met een GPBV-installatie.
De publicatie, vermeld in het eerste lid, gebeurt uiterlijk tien dagen [1 na de datum waarop de gemeente de beslissing heeft genomen, of na de datum waarop de beslissing ter beschikking is gesteld van de gemeente]1, op kosten van de vergunningsaanvrager.
Als het voorwerp van de vergunningsaanvraag in twee of meer gemeenten uitgevoerd zal worden, kan voor een van de volgende werkwijzen gekozen worden :
1° elke gemeente zorgt voor een publicatie;
2° de gemeenten zorgen voor een gecoördineerde publicatie.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 zorgt het bevoegde bestuur voor de publicatie op kosten van de vergunningsaanvrager in geval van beslissingen over vergunningsaanvragen voor bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten.
Art. 61. § 1er. La commune publie le texte visé à l'article 57 dans au moins un quotidien ou un hebdomadaire à caractère régional dans les cas suivants :
1° la demande de permis comprend un RIE du projet ou un RSE ;
2° la demande de permis porte sur l'exploitation d'un établissement ou d'une activité avec une installation IPPC.
La publication visée à l'alinéa 1er a lieu au plus tard dix jours [1 après la date à laquelle la commune a pris la décision ou après la date à laquelle la décision a été mise à la disposition de la commune]1 aux frais du demandeur du permis.
Lorsque l'objet de la demande de permis sera exécuté dans deux ou plusieurs communes, l'une des méthodes suivantes peut être choisie :
1° chaque commune se charge d'une publication ;
2° les communes se chargent d'une publication coordonnée.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, l'administration compétente se charge de la publication aux frais du demandeur du permis dans le cas de décisions au sujet de demandes de permis pour des projets mobiles ou transportables supracommunaux.
1° la demande de permis comprend un RIE du projet ou un RSE ;
2° la demande de permis porte sur l'exploitation d'un établissement ou d'une activité avec une installation IPPC.
La publication visée à l'alinéa 1er a lieu au plus tard dix jours [1 après la date à laquelle la commune a pris la décision ou après la date à laquelle la décision a été mise à la disposition de la commune]1 aux frais du demandeur du permis.
Lorsque l'objet de la demande de permis sera exécuté dans deux ou plusieurs communes, l'une des méthodes suivantes peut être choisie :
1° chaque commune se charge d'une publication ;
2° les communes se chargent d'une publication coordonnée.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, l'administration compétente se charge de la publication aux frais du demandeur du permis dans le cas de décisions au sujet de demandes de permis pour des projets mobiles ou transportables supracommunaux.
Onderafdeling 5. - Individuele kennisgeving
Sous-section 5. - Notification individuelle
Art. 62. Het bevoegde bestuur stelt de beslissing met een beveiligde zending uiterlijk tien dagen na de datum waarop de beslissing is genomen of de beslissingstermijn is verstreken, ter beschikking van de volgende personen of instanties :
1° de vergunningsaanvrager;
2° in voorkomend geval, de beroepsindiener;
3° [4 ...]4
4° in voorkomend geval, de toezichthoudende architect als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op stedenbouwkundige handelingen en als hij daarom verzoekt.
Het bevoegde bestuur stelt de beslissing met een digitale zending uiterlijk tien dagen na de datum waarop de beslissing is genomen of de beslissingstermijn is verstreken, ter beschikking van de volgende instanties :
1° het college van burgemeester en schepenen;
2° de afdeling RO, bevoegd voor de omgevingsvergunning, als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op stedenbouwkundige handelingen of het verkavelen van gronden;
3° de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit;
[2 3° /1 het Agentschap Innoveren en Ondernemen, als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op kleinhandelsactiviteiten;
3° /2 het Agentschap voor Natuur en Bos, als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op wijzigingen van de vegetatie;]2
4° de adviesinstanties, vermeld in [2 artikel 35, 37, 38/1 of 38/3]2, die advies verlenen in eerste, respectievelijk tweede aanleg;
5° in voorkomend geval, de POVC of de GOVC;
6° [6 het VECM als de vergunningsaanvraag een project-MER omvat;]6;
[6 6° /1 de afdeling, bevoegd voor veiligheidsrapportage in de volgende gevallen:
a) als het gaat om een inrichting waarop indelingsrubriek 17.2 van toepassing is;
b) als de vergunningsaanvraag een OVR omva.]6
7° de nv Aquafin als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op de indelingsrubrieken 3, 53.1 tot en met 53.5, 53.9 en 53.11;
8° de VLM als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op de exploitatie van een inrichting of activiteit die ingedeeld is in een of meer van de indelingsrubrieken 9.3 tot en met 9.8 of 28.2.
[1 Het bevoegde bestuur bezorgt de beslissing uiterlijk tien dagen na de datum waarop de beslissing is genomen of de beslissingstermijn is verstreken, aan de volgende instanties :
1° de toezichthouder die conform titel XVI van het DABM bevoegd is als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit;
2° OVAM als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op de indelingsrubriek 2 en niet gevat is onder het tweede lid, 4° ;
3° de afdeling van de VMM bevoegd voor grondwater als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op de indelingsrubrieken 52 tot en met 56 en niet gevat is onder het tweede lid, 4°;
[3 4° de exploitant van het openbaar waterdistributienetwerk en de rioolbeheerder als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op het afbreken van gebouwen zoals bedoeld in artikel 4.2.1., 1°, c) van de VCRO. Onder rioolbeheerder moet worden verstaan de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk wanneer hij de sanering, zoals bedoeld in artikel 2.1.2, 23° van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, zelf organiseert of de derde entiteit waarop de exploitant van het openbaar waterdistributienetwerk beroep doet om de sanering uit te voeren ;]3]1
[5 5° de afdeling van de VMM, bevoegd voor het lozen van afvalwater en de emissie van afvalgassen in de atmosfeer, als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op de indelingsrubriek 3 en niet onder de toepassing van het tweede lid, 4°, valt.]5
1° de vergunningsaanvrager;
2° in voorkomend geval, de beroepsindiener;
3° [4 ...]4
4° in voorkomend geval, de toezichthoudende architect als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op stedenbouwkundige handelingen en als hij daarom verzoekt.
Het bevoegde bestuur stelt de beslissing met een digitale zending uiterlijk tien dagen na de datum waarop de beslissing is genomen of de beslissingstermijn is verstreken, ter beschikking van de volgende instanties :
1° het college van burgemeester en schepenen;
2° de afdeling RO, bevoegd voor de omgevingsvergunning, als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op stedenbouwkundige handelingen of het verkavelen van gronden;
3° de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit;
[2 3° /1 het Agentschap Innoveren en Ondernemen, als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op kleinhandelsactiviteiten;
3° /2 het Agentschap voor Natuur en Bos, als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op wijzigingen van de vegetatie;]2
4° de adviesinstanties, vermeld in [2 artikel 35, 37, 38/1 of 38/3]2, die advies verlenen in eerste, respectievelijk tweede aanleg;
5° in voorkomend geval, de POVC of de GOVC;
6° [6 het VECM als de vergunningsaanvraag een project-MER omvat;]6;
[6 6° /1 de afdeling, bevoegd voor veiligheidsrapportage in de volgende gevallen:
a) als het gaat om een inrichting waarop indelingsrubriek 17.2 van toepassing is;
b) als de vergunningsaanvraag een OVR omva.]6
7° de nv Aquafin als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op de indelingsrubrieken 3, 53.1 tot en met 53.5, 53.9 en 53.11;
8° de VLM als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op de exploitatie van een inrichting of activiteit die ingedeeld is in een of meer van de indelingsrubrieken 9.3 tot en met 9.8 of 28.2.
[1 Het bevoegde bestuur bezorgt de beslissing uiterlijk tien dagen na de datum waarop de beslissing is genomen of de beslissingstermijn is verstreken, aan de volgende instanties :
1° de toezichthouder die conform titel XVI van het DABM bevoegd is als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit;
2° OVAM als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op de indelingsrubriek 2 en niet gevat is onder het tweede lid, 4° ;
3° de afdeling van de VMM bevoegd voor grondwater als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op de indelingsrubrieken 52 tot en met 56 en niet gevat is onder het tweede lid, 4°;
[3 4° de exploitant van het openbaar waterdistributienetwerk en de rioolbeheerder als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op het afbreken van gebouwen zoals bedoeld in artikel 4.2.1., 1°, c) van de VCRO. Onder rioolbeheerder moet worden verstaan de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk wanneer hij de sanering, zoals bedoeld in artikel 2.1.2, 23° van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, zelf organiseert of de derde entiteit waarop de exploitant van het openbaar waterdistributienetwerk beroep doet om de sanering uit te voeren ;]3]1
[5 5° de afdeling van de VMM, bevoegd voor het lozen van afvalwater en de emissie van afvalgassen in de atmosfeer, als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op de indelingsrubriek 3 en niet onder de toepassing van het tweede lid, 4°, valt.]5
Änderungen
Art. 62. Au plus tard dix jours après la date à laquelle la décision a été prise ou le délai de décision a expiré, l'administration compétente met la décision à la disposition des personnes ou instances ci-après par un envoi sécurisé :
1° le demandeur du permis ;
2° le cas échéant, l'auteur du recours ;
3° [4 ...]4
4° le cas échéant, l'architecte surveillant lorsque la demande de permis porte sur des actes urbanistiques et s'il en fait la demande.
Au plus tard dix jours après la date à laquelle la décision a été prise ou le délai de décision a expiré, l'administration compétente met la décision à la disposition des instances ci-après par un envoi numérique :
1° le collège des bourgmestre et échevins ;
2° la division RO compétente pour le permis d'environnement lorsque la demande de permis porte sur des actes urbanistiques ou sur le lotissement de terrains ;
3° la division Environnement compétente pour le permis d'environnement lorsque la demande de permis porte sur l'exploitation d'un établissement classé ou d'une activité classée ;
[2 3° /1 l'Agence de l'Innovation et de l'Entrepreneuriat, si la demandeur d'autorisation concerne des activités de commerce de détail ;
3° /2 l'Agence de la Nature et des Forêts, si la demande d'autorisation concerne des modifications de la végétation ;]2
4° les instances d'avis, visées aux [2 articles 35, 37, 38/1 ou 38/3]2, qui rendent un avis en première ou deuxième instance ;
5° le cas échéant, la POVC ou la GOVC ;
6° [6 Le VECM lorsque la demande d'autorisation comprend un RIE du projet ]6;
[6 6° /1 la division compétente pour les rapports de sécurité, dans les cas suivants :
a) lorsqu'il s'agit d'un établissement auquel s'applique la rubrique de classification 17.2 ;
b) lorsque la demande d'autorisation comprend un RSE ; ]6
7° la S.A. Aquafin lorsque la demande de permis porte sur les rubriques de classification 3, 53.1 à 53.5, 53.9 et 53.11 ;
8° la VLM (Société terrienne flamande) lorsque la demande de permis porte sur l'exploitation d'un établissement ou d'une activité qui a été classé(e) dans une ou plusieurs des rubriques de classification 9.3 à 9.8 incluse ou 28.2.
[1 Au plus tard dix jours après la date à laquelle la décision a été prise ou le délai de décision a expiré, l'administration compétente transmet la décision aux instances ci-après :
1° le contrôleur qui, conformément au titre XVI du DABM, est compétent lorsque la demande de permis porte sur l'exploitation d'un établissement classé ou d'une activité classée ;
2° l'OVAM lorsque la demande de permis porte sur la rubrique de classification 2 et n'est pas comprise à l'alinéa 2, 4° ;
3° la division de la VMM compétente pour les eaux souterraines lorsque la demande de permis porte sur les rubriques de classification 52 à 56 et n'est pas comprise à l'alinéa 2, 4° ;
[3 4° l'exploitant du réseau public de distribution d'eau et le gestionnaire des égouts si la demande d'autorisation concerne la démolition de bâtiments telle que visée à l'article 4.2.1, 1°, c) du VCRO. Par gestionnaire des égouts, on entend l'exploitant d'un réseau public de distribution d'eau lorsqu'il organise lui-même l'assainissement tel que visé à l'article 2.1.2, 23° du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau, coordonnée le 15 juin 2018, ou l'entité tierce à laquelle l'exploitant du réseau public de distribution d'eau a recours pour réaliser l'assainissement ;]3]1
[5 5° la division de la VMM compétente pour le déversement d'eaux usées et l'émission de gaz résiduaires dans l'atmosphère, lorsque la demande de permis porte sur la rubrique de classification 3 et ne tombe pas sous le coup de l'alinéa 2, 4°.]5
1° le demandeur du permis ;
2° le cas échéant, l'auteur du recours ;
3° [4 ...]4
4° le cas échéant, l'architecte surveillant lorsque la demande de permis porte sur des actes urbanistiques et s'il en fait la demande.
Au plus tard dix jours après la date à laquelle la décision a été prise ou le délai de décision a expiré, l'administration compétente met la décision à la disposition des instances ci-après par un envoi numérique :
1° le collège des bourgmestre et échevins ;
2° la division RO compétente pour le permis d'environnement lorsque la demande de permis porte sur des actes urbanistiques ou sur le lotissement de terrains ;
3° la division Environnement compétente pour le permis d'environnement lorsque la demande de permis porte sur l'exploitation d'un établissement classé ou d'une activité classée ;
[2 3° /1 l'Agence de l'Innovation et de l'Entrepreneuriat, si la demandeur d'autorisation concerne des activités de commerce de détail ;
3° /2 l'Agence de la Nature et des Forêts, si la demande d'autorisation concerne des modifications de la végétation ;]2
4° les instances d'avis, visées aux [2 articles 35, 37, 38/1 ou 38/3]2, qui rendent un avis en première ou deuxième instance ;
5° le cas échéant, la POVC ou la GOVC ;
6° [6 Le VECM lorsque la demande d'autorisation comprend un RIE du projet ]6;
[6 6° /1 la division compétente pour les rapports de sécurité, dans les cas suivants :
a) lorsqu'il s'agit d'un établissement auquel s'applique la rubrique de classification 17.2 ;
b) lorsque la demande d'autorisation comprend un RSE ; ]6
7° la S.A. Aquafin lorsque la demande de permis porte sur les rubriques de classification 3, 53.1 à 53.5, 53.9 et 53.11 ;
8° la VLM (Société terrienne flamande) lorsque la demande de permis porte sur l'exploitation d'un établissement ou d'une activité qui a été classé(e) dans une ou plusieurs des rubriques de classification 9.3 à 9.8 incluse ou 28.2.
[1 Au plus tard dix jours après la date à laquelle la décision a été prise ou le délai de décision a expiré, l'administration compétente transmet la décision aux instances ci-après :
1° le contrôleur qui, conformément au titre XVI du DABM, est compétent lorsque la demande de permis porte sur l'exploitation d'un établissement classé ou d'une activité classée ;
2° l'OVAM lorsque la demande de permis porte sur la rubrique de classification 2 et n'est pas comprise à l'alinéa 2, 4° ;
3° la division de la VMM compétente pour les eaux souterraines lorsque la demande de permis porte sur les rubriques de classification 52 à 56 et n'est pas comprise à l'alinéa 2, 4° ;
[3 4° l'exploitant du réseau public de distribution d'eau et le gestionnaire des égouts si la demande d'autorisation concerne la démolition de bâtiments telle que visée à l'article 4.2.1, 1°, c) du VCRO. Par gestionnaire des égouts, on entend l'exploitant d'un réseau public de distribution d'eau lorsqu'il organise lui-même l'assainissement tel que visé à l'article 2.1.2, 23° du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau, coordonnée le 15 juin 2018, ou l'entité tierce à laquelle l'exploitant du réseau public de distribution d'eau a recours pour réaliser l'assainissement ;]3]1
[5 5° la division de la VMM compétente pour le déversement d'eaux usées et l'émission de gaz résiduaires dans l'atmosphère, lorsque la demande de permis porte sur la rubrique de classification 3 et ne tombe pas sous le coup de l'alinéa 2, 4°.]5
Änderungen
Onderafdeling 6. - De terinzagelegging
Sous-section 6. - L'ouverture à la consultation
Art. 63. § 1. De beslissing wordt gedurende dertig dagen analoog of digitaal ter inzage gelegd in het gemeentehuis van de gemeente waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag uitgevoerd zal worden.
Gedurende de termijn, vermeld in het eerste lid, worden eveneens de volgende documenten ter inzage gelegd, voor zover de overheid waarbij het dossier ter inzage ligt, over deze documenten beschikt :
1° de ingediende en eventueel gewijzigde vergunningsaanvraag;
2° de adviezen die de adviesinstanties, vermeld in [1 artikel 35, 37, 38/1 of 38/3]1, het adviserend schepencollege en, in voorkomend geval, de POVC of de GOVC hebben uitgebracht in de aanleg in kwestie;
3° de beslissing over de goedkeuring van het project-MER respectievelijk het OVR;
4° de gemeenteraadsbeslissing over [2 de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van een gemeenteweg, vermeld in artikel 31 van het decreet van 25 april 2014]2.
De terinzagelegging, vermeld in het eerste en tweede lid, gebeurt uiterlijk tien dagen na de datum waarop het college van burgemeester en schepenen de beslissing heeft genomen, of na de datum waarop de beslissing ter beschikking van de gemeente is gesteld.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, worden beslissingen over vergunningsaanvragen voor bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten analoog of digitaal ter inzage gelegd in het provinciehuis van de betrokken provincie of provincies, met toepassing van de voorwaarden, vermeld in dit artikel.
§ 3. Als de terinzagelegging digitaal verloopt, kan de persoon die het dossier raadpleegt, hierbij beroep doen op technische ondersteuning van de overheid, waarbij het dossier ter inzage ligt.
Gedurende de termijn, vermeld in het eerste lid, worden eveneens de volgende documenten ter inzage gelegd, voor zover de overheid waarbij het dossier ter inzage ligt, over deze documenten beschikt :
1° de ingediende en eventueel gewijzigde vergunningsaanvraag;
2° de adviezen die de adviesinstanties, vermeld in [1 artikel 35, 37, 38/1 of 38/3]1, het adviserend schepencollege en, in voorkomend geval, de POVC of de GOVC hebben uitgebracht in de aanleg in kwestie;
3° de beslissing over de goedkeuring van het project-MER respectievelijk het OVR;
4° de gemeenteraadsbeslissing over [2 de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van een gemeenteweg, vermeld in artikel 31 van het decreet van 25 april 2014]2.
De terinzagelegging, vermeld in het eerste en tweede lid, gebeurt uiterlijk tien dagen na de datum waarop het college van burgemeester en schepenen de beslissing heeft genomen, of na de datum waarop de beslissing ter beschikking van de gemeente is gesteld.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, worden beslissingen over vergunningsaanvragen voor bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten analoog of digitaal ter inzage gelegd in het provinciehuis van de betrokken provincie of provincies, met toepassing van de voorwaarden, vermeld in dit artikel.
§ 3. Als de terinzagelegging digitaal verloopt, kan de persoon die het dossier raadpleegt, hierbij beroep doen op technische ondersteuning van de overheid, waarbij het dossier ter inzage ligt.
Art. 63. § 1er. La décision est ouverte à la consultation analogique ou numérique durant trente jours à la maison communale de la commune où sera exécuté l'objet de la demande de permis.
Pendant le délai visé à l'alinéa 1er, les documents suivants sont également ouverts à la consultation dans la mesure où l'autorité auprès de laquelle le dossier peut être consulté dispose de ces documents :
1° la demande de permis introduite et éventuellement modifiée ;
2° les avis rendus par les instances d'avis mentionnées aux [1 articles 35, 37, 38/1 ou 38/3]1, le collège consultatif des échevins et, le cas échéant, la POVC ou la GOVC dans l'instance en question ;
3° la décision concernant l'approbation du RIE du projet ou du RSE ;
4° la décision du conseil communal [2 concernant l'aménagement, la modification, le déplacement ou la suppression d'une voirie communale, visée à l'article 31 du décret du 25 avril 2014]2.
L'ouverture à la consultation visée aux premiers et deuxième alinéas a lieu au plus tard dix jours après la date à laquelle le collège des bourgmestre et échevins a pris la décision ou après la date à laquelle la décision a été mise à la disposition de la commune.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, alinéa 1er, les décisions au sujet de demandes de permis pour des projets mobiles ou transportables supracommunaux sont ouvertes à la consultation analogique ou numérique à la maison de la province de la ou des provinces concernées en application des conditions visées dans le présent article.
§ 3. Si la consultation se fait par voie numérique, la personne qui consulte le dossier peut faire appel au support technique de l'autorité auprès de laquelle le dossier peut être consulté.
Pendant le délai visé à l'alinéa 1er, les documents suivants sont également ouverts à la consultation dans la mesure où l'autorité auprès de laquelle le dossier peut être consulté dispose de ces documents :
1° la demande de permis introduite et éventuellement modifiée ;
2° les avis rendus par les instances d'avis mentionnées aux [1 articles 35, 37, 38/1 ou 38/3]1, le collège consultatif des échevins et, le cas échéant, la POVC ou la GOVC dans l'instance en question ;
3° la décision concernant l'approbation du RIE du projet ou du RSE ;
4° la décision du conseil communal [2 concernant l'aménagement, la modification, le déplacement ou la suppression d'une voirie communale, visée à l'article 31 du décret du 25 avril 2014]2.
L'ouverture à la consultation visée aux premiers et deuxième alinéas a lieu au plus tard dix jours après la date à laquelle le collège des bourgmestre et échevins a pris la décision ou après la date à laquelle la décision a été mise à la disposition de la commune.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, alinéa 1er, les décisions au sujet de demandes de permis pour des projets mobiles ou transportables supracommunaux sont ouvertes à la consultation analogique ou numérique à la maison de la province de la ou des provinces concernées en application des conditions visées dans le présent article.
§ 3. Si la consultation se fait par voie numérique, la personne qui consulte le dossier peut faire appel au support technique de l'autorité auprès de laquelle le dossier peut être consulté.
Onderafdeling 7. - Landsgrens- en gewestgrensoverschrijdende effecten
Sous-section 7. - Incidences transfrontières nationales et régionales
Art. 64. Elke beslissing over een vergunningsaanvraag waarop artikel 27 of artikel 28 van toepassing is, wordt door het bevoegde bestuur meegedeeld aan de bevoegde autoriteit. Het bevoegde bestuur stuurt daarvoor een kopie van de uitdrukkelijke beslissing of een notificatie van de stilzwijgende beslissing naar de voormelde bevoegde autoriteit op het tijdstip waarop het de beslissing aan de vergunningsaanvrager meedeelt.
[1 Voor elke beslissing over een vergunningsaanvraag waarvoor een project-MER is opgesteld is artikel 57, § 3, van het m.e.r.-besluit van toepassing.]1
[1 Voor elke beslissing over een vergunningsaanvraag waarvoor een project-MER is opgesteld is artikel 57, § 3, van het m.e.r.-besluit van toepassing.]1
Art. 64. Toute décision au sujet d'une demande de permis à laquelle s'applique l'article 27 ou l'article 28 est communiquée par l'administration compétente à l'autorité compétente. L'administration compétente envoie à cet effet une copie de la décision expresse ou une notification de la décision tacite à l'autorité compétente au moment où elle communique la décision au demandeur du permis.
[1 Pour toute décision au sujet d'une demande d'autorisation pour laquelle un RIE du projet a été établi, l'article 57, § 3, de l'arrêté R.I.E. s'applique. ]1
[1 Pour toute décision au sujet d'une demande d'autorisation pour laquelle un RIE du projet a été établi, l'article 57, § 3, de l'arrêté R.I.E. s'applique. ]1
Hoofdstuk 10. - De gewone vergunningsprocedure
Chapitre 10. - La procédure d'autorisation ordinaire
Afdeling 1. - De gewone vergunningsprocedure in eerste administratieve aanleg
Section 1re. - La procédure d'autorisation ordinaire en première instance administrative
Onderafdeling 1. - Ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek
Sous-section 1re. - Examen de la recevabilité et de l'exhaustivité
Art. 65. Een vergunningsaanvraag wordt ingediend conform [1 artikel 7, § 2, en artikel 18]1 van het decreet van 25 april 2014.
Het aanvraagdossier wordt ingediend :
1° in twee exemplaren bij indiening met een analoge zending;
2° met een digitale zending.
De vergunningsaanvrager geeft uitdrukkelijk in zijn aanvraagdossier aan :
1° of hij gehoord wil worden door een omgevingsvergunningscommissie, als een advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is;
2° welke delen uit het project-MER of OVR hij aan het openbaar onderzoek wil onttrekken en waarvoor hij over de voorafgaande beslissing van [2 het VECM of de afdeling, bevoegd voor veiligheidsrapportage]2 beschikt.
Het aanvraagdossier wordt ingediend :
1° in twee exemplaren bij indiening met een analoge zending;
2° met een digitale zending.
De vergunningsaanvrager geeft uitdrukkelijk in zijn aanvraagdossier aan :
1° of hij gehoord wil worden door een omgevingsvergunningscommissie, als een advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is;
2° welke delen uit het project-MER of OVR hij aan het openbaar onderzoek wil onttrekken en waarvoor hij over de voorafgaande beslissing van [2 het VECM of de afdeling, bevoegd voor veiligheidsrapportage]2 beschikt.
Art. 65. Une demande de permis est introduite conformément [1 à l'article 7, § 2, et à l'article 18]1 du décret du 25 avril 2014.
Le dossier de demande est introduit :
1° en deux exemplaires en cas d'introduction par envoi analogique ;
2° par envoi numérique.
Le demandeur du permis indique explicitement dans son dossier de demande :
1° s'il souhaite être entendu par une commission du permis d'environnement lorsque l'avis d'une commission du permis d'environnement est requis ;
2° quelles parties du RIE du projet ou du RSE il souhaite soustraire à l'enquête publique et pour lesquelles il dispose de la décision préalable [2 du VECM ou de la division compétente pour les rapports de sécurité ]2.
Le dossier de demande est introduit :
1° en deux exemplaires en cas d'introduction par envoi analogique ;
2° par envoi numérique.
Le demandeur du permis indique explicitement dans son dossier de demande :
1° s'il souhaite être entendu par une commission du permis d'environnement lorsque l'avis d'une commission du permis d'environnement est requis ;
2° quelles parties du RIE du projet ou du RSE il souhaite soustraire à l'enquête publique et pour lesquelles il dispose de la décision préalable [2 du VECM ou de la division compétente pour les rapports de sécurité ]2.
Art. 66. Het bevoegde bestuur onderzoekt de ontvankelijkheid en volledigheid van de vergunningsaanvraag.
[2 De vergunningsaanvraag wordt onontvankelijk bevonden als het bevoegde bestuur bij het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek vaststelt dat de aanvraag strijdig is met [3 de verplichtingen, vermeld in artikel 7, § 2,]3 van het decreet van 25 april 2014.]2
[1[4 Indien er een project-m.e.r.-screening is gevoegd bij de vergunningsaanvraag zijn de bepalingen van titel 3, hoofdstuk 2, van het m.e.r.-besluit van toepassing.]4.
[4 ...]4
Het resultaat van het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek wordt conform artikel 21 van het decreet van 25 april 2014 meegedeeld.
[2 De vergunningsaanvraag wordt onontvankelijk bevonden als het bevoegde bestuur bij het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek vaststelt dat de aanvraag strijdig is met [3 de verplichtingen, vermeld in artikel 7, § 2,]3 van het decreet van 25 april 2014.]2
[1[4 Indien er een project-m.e.r.-screening is gevoegd bij de vergunningsaanvraag zijn de bepalingen van titel 3, hoofdstuk 2, van het m.e.r.-besluit van toepassing.]4.
[4 ...]4
Het resultaat van het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek wordt conform artikel 21 van het decreet van 25 april 2014 meegedeeld.
Art. 66. L'administration compétente examine la recevabilité et l'exhaustivité de la demande de permis.
[2 La demande d'autorisation est jugée irrecevable si l'administration compétente constate, à l'examen de la recevabilité et de l'exhaustivité, que la demande est contraire [3 aux obligations visées à l'article 7, § 2,]3 du décret du 25 avril 2014.]2
[4 Si un screening RIE du projet est joint à la demande d'autorisation, les dispositions du titre 3, chapitre 2, de l'arrêté R.I.E. s'appliquent.]4.
[4 ...]4
Le résultat de l'examen de la recevabilité et de l'exhaustivité est communiqué conformément à l'article 21 du décret du 25 avril 2014.
[2 La demande d'autorisation est jugée irrecevable si l'administration compétente constate, à l'examen de la recevabilité et de l'exhaustivité, que la demande est contraire [3 aux obligations visées à l'article 7, § 2,]3 du décret du 25 avril 2014.]2
[4 Si un screening RIE du projet est joint à la demande d'autorisation, les dispositions du titre 3, chapitre 2, de l'arrêté R.I.E. s'appliquent.]4.
[4 ...]4
Le résultat de l'examen de la recevabilité et de l'exhaustivité est communiqué conformément à l'article 21 du décret du 25 avril 2014.
Onderafdeling 2. - Onderzoek van het project
Sous-section 2. - Examen du projet
Art. 67. § 1. Op de dag van de verzending van de ontvankelijk- en volledigverklaring van de vergunningsaanvraag of uiterlijk bij het verstrijken van de vervaltermijn, vermeld in artikel 21, eerste lid, van het decreet van 25 april 2014, stelt het bevoegde bestuur de vergunningsaanvraag ter beschikking van :
1° de betrokken gemeente met de opdracht een openbaar onderzoek in te stellen, conform de bepalingen van titel 3, hoofdstuk 5, van dit besluit, en, in voorkomend geval, met het verzoek aan het adviserend schepencollege om advies te verlenen als geen advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is;
2° de bevoegde omgevingsvergunningscommissie als die, conform artikel 25 van het decreet van 25 april 2014, advies moet verlenen;
3° de adviesinstanties, vermeld in [2 artikel 35, 37, 38/1 of 38/3]2 van dit besluit, als geen advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is;
4° [3 het VECM, als de vergunningsaanvraag een nog niet goedgekeurd project-MER omvat]3;
[3 4° /1 de afdeling, bevoegd voor veiligheidsrapportage, als de vergunningsaanvraag een nog niet goedgekeurd OVR omvat;]3
5° de instantie die door de federale overheid is belast met het opstellen van het externe noodplan, als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op inrichtingen of activiteiten die zijn ingedeeld op basis van indelingsrubriek 2.3.11.
In geval van een vergunningsaanvraag voor bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten wordt in afwijking van het eerste lid :
1° de vergunningsaanvraag niet ter beschikking gesteld van de betrokken gemeente, maar van de betrokken provincie met de opdracht om een openbaar onderzoek te organiseren, conform de bepalingen van titel 3, hoofdstuk 5;
2° het adviserend schepencollege niet verzocht advies te verlenen.
§ 2. In voorkomend geval stellen de voorzitter of de secretaris van de omgevingsvergunningscommissie binnen tien dagen na de ontvangst van de adviesvraag, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 2°, de vergunningsaanvraag ter beschikking van :
1° de adviesinstanties, vermeld in [2 artikel 35, 37, 38/1 of 38/3]2, met het verzoek om advies uit te brengen;
2° het adviserend schepencollege, behalve in geval van vergunningsaanvragen voor bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten, met het verzoek om advies uit te brengen;
3° de overige leden van de betrokken omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 39 respectievelijk 40.
§ 3. [1 Bij [2 een adviesvraag in een eerste adviesronde]2 worden voor de advisering de volgende vervaltermijnen gehanteerd :
1° door de afdeling RO en de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning :
a) zestig dagen als het een advies aan de POVC of de GOVC betreft;
b) vijftig dagen in alle andere gevallen dan het geval, vermeld in punt a);
2° door het adviserende schepencollege en de overige adviesinstanties : vijftig dagen.
Alle andere adviezen dan de adviezen, vermeld in het eerste lid, worden uitgebracht binnen een vervaltermijn van dertig dagen.
De vervaltermijnen, vermeld in het eerste en het tweede lid, gaan in op de dag na de ontvangst van de adviesvraag, conform paragraaf 1, van het bevoegde bestuur of de omgevingsvergunningscommissie.]1
§ 4. De voorzitter of de secretaris van de omgevingsvergunningscommissie stellen het geïntegreerde advies, in voorkomend geval met vermelding van de minderheidsstandpunten, ter beschikking van de bevoegde overheid binnen een termijn van :
1° negentig dagen bij [2 een adviesvraag in een eerste adviesronde]2;
2° vijfenveertig dagen in alle andere gevallen dan het geval, vermeld in punt 1°.
De vervaltermijnen, vermeld in het eerste lid, gaan in op de dag na de dag van ontvangst van de adviesvraag van het bevoegde bestuur.
1° de betrokken gemeente met de opdracht een openbaar onderzoek in te stellen, conform de bepalingen van titel 3, hoofdstuk 5, van dit besluit, en, in voorkomend geval, met het verzoek aan het adviserend schepencollege om advies te verlenen als geen advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is;
2° de bevoegde omgevingsvergunningscommissie als die, conform artikel 25 van het decreet van 25 april 2014, advies moet verlenen;
3° de adviesinstanties, vermeld in [2 artikel 35, 37, 38/1 of 38/3]2 van dit besluit, als geen advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is;
4° [3 het VECM, als de vergunningsaanvraag een nog niet goedgekeurd project-MER omvat]3;
[3 4° /1 de afdeling, bevoegd voor veiligheidsrapportage, als de vergunningsaanvraag een nog niet goedgekeurd OVR omvat;]3
5° de instantie die door de federale overheid is belast met het opstellen van het externe noodplan, als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op inrichtingen of activiteiten die zijn ingedeeld op basis van indelingsrubriek 2.3.11.
In geval van een vergunningsaanvraag voor bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten wordt in afwijking van het eerste lid :
1° de vergunningsaanvraag niet ter beschikking gesteld van de betrokken gemeente, maar van de betrokken provincie met de opdracht om een openbaar onderzoek te organiseren, conform de bepalingen van titel 3, hoofdstuk 5;
2° het adviserend schepencollege niet verzocht advies te verlenen.
§ 2. In voorkomend geval stellen de voorzitter of de secretaris van de omgevingsvergunningscommissie binnen tien dagen na de ontvangst van de adviesvraag, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 2°, de vergunningsaanvraag ter beschikking van :
1° de adviesinstanties, vermeld in [2 artikel 35, 37, 38/1 of 38/3]2, met het verzoek om advies uit te brengen;
2° het adviserend schepencollege, behalve in geval van vergunningsaanvragen voor bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten, met het verzoek om advies uit te brengen;
3° de overige leden van de betrokken omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 39 respectievelijk 40.
§ 3. [1 Bij [2 een adviesvraag in een eerste adviesronde]2 worden voor de advisering de volgende vervaltermijnen gehanteerd :
1° door de afdeling RO en de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning :
a) zestig dagen als het een advies aan de POVC of de GOVC betreft;
b) vijftig dagen in alle andere gevallen dan het geval, vermeld in punt a);
2° door het adviserende schepencollege en de overige adviesinstanties : vijftig dagen.
Alle andere adviezen dan de adviezen, vermeld in het eerste lid, worden uitgebracht binnen een vervaltermijn van dertig dagen.
De vervaltermijnen, vermeld in het eerste en het tweede lid, gaan in op de dag na de ontvangst van de adviesvraag, conform paragraaf 1, van het bevoegde bestuur of de omgevingsvergunningscommissie.]1
§ 4. De voorzitter of de secretaris van de omgevingsvergunningscommissie stellen het geïntegreerde advies, in voorkomend geval met vermelding van de minderheidsstandpunten, ter beschikking van de bevoegde overheid binnen een termijn van :
1° negentig dagen bij [2 een adviesvraag in een eerste adviesronde]2;
2° vijfenveertig dagen in alle andere gevallen dan het geval, vermeld in punt 1°.
De vervaltermijnen, vermeld in het eerste lid, gaan in op de dag na de dag van ontvangst van de adviesvraag van het bevoegde bestuur.
Art. 67. § 1er. Le jour de l'envoi de la déclaration de recevabilité et d'exhaustivité de la demande de permis ou, au plus tard, à l'expiration du délai visé à l'article 21, alinéa 1er, du décret du 25 avril 2014, l'administration compétente met la demande de permis à la disposition :
1° de la commune concernée en la chargeant d'ouvrir une enquête publique conformément aux dispositions du titre 3, chapitre 5, du présent arrêté et, le cas échéant, en demandant au collège consultatif des échevins de rendre un avis lorsque l'avis d'une commission du permis d'environnement n'est pas requis ;
2° de la commission du permis d'environnement compétente lorsque celle-ci doit rendre un avis conformément à l'article 25 du décret du 25 avril 2014 ;
3° des instances d'avis, visées aux [2 articles 35, 37, 38/1 ou 38/3]2 du présent arrêté, lorsque l'avis d'une commission du permis d'environnement n'est pas requis ;
4° [3 du VECM si la demande d'autorisation comprend un RIE du projet non encore approuvé]3;
[3 4° /1 de la division compétente pour les rapports de sécurité, si la demande d'autorisation comprend un RSE non encore approuvé ;]3
5° de l'instance chargée par l'autorité fédérale d'élaborer le plan d'urgence externe lorsque la demande de permis porte sur des établissements ou activités classés sur la base de la rubrique de classification 2.3.11.
Par dérogation à l'alinéa 1er, dans le cas d'une demande de permis pour des projets mobiles ou transportables supracommunaux :
1° la demande de permis n'est pas mise à la disposition de la commune concernée, mais de la province concernée chargée d'organiser une enquête publique conformément aux dispositions du titre 3, chapitre 5 ;
2° il n'est pas demandé au collège consultatif des échevins de rendre un avis.
§ 2. Le cas échéant, le président ou le secrétaire de la commission du permis d'environnement met, dans les dix jours de la réception de la demande d'avis visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, point 2°, la demande de permis à la disposition :
1° des instances d'avis, visées aux [2 articles 35, 37, 38/1 ou 38/3]2, en leur demandant de rendre un avis ;
2° du collège consultatif des échevins, sauf dans le cas de demandes de permis pour des projets mobiles ou transportables supracommunaux, en lui demandant de rendre un avis ;
3° des autres membres de la commission du permis d'environnement concernée, visés à l'article 39 ou 40.
§ 3. [1 Lors [2 d'une demande d'avis pendant une première phase d'avis]2, les délais suivants sont appliqués pour les avis rendus :
1° par la division RO et la division Environnement compétente pour le permis d'environnement :
a) soixante jours s'il s'agit d'un avis à la POVC ou à la GOVC ;
b) cinquante jours dans tous les cas autres que celui visé au point a);
2° par le collège consultatif des échevins et les autres instances d'avis : cinquante jours.
Tous les avis autres que les avis visés à l'alinéa 1er sont rendus dans le délai de trente jours.
Les délais visés à l'alinéa 1er et à l`alinéa 2 prennent cours le lendemain de la réception de la demande d'avis, conformément au paragraphe 1er, de l'administration compétente ou de la commission du permis d'environnement.]1
§ 4. Le président ou le secrétaire de la commission du permis d'environnement met l'avis intégré, mentionnant le cas échéant les positions minoritaires, à la disposition de l'autorité compétente dans un délai de :
1° nonante jours lors [2 d'une demande d'avis pendant une première phase d'avis]2 ;
2° quarante-cinq jours dans tous les cas autres que celui visé au point 1°.
Les délais visés à l'alinéa 1er prennent cours le lendemain de la réception de la demande d'avis de l'administration compétente.
1° de la commune concernée en la chargeant d'ouvrir une enquête publique conformément aux dispositions du titre 3, chapitre 5, du présent arrêté et, le cas échéant, en demandant au collège consultatif des échevins de rendre un avis lorsque l'avis d'une commission du permis d'environnement n'est pas requis ;
2° de la commission du permis d'environnement compétente lorsque celle-ci doit rendre un avis conformément à l'article 25 du décret du 25 avril 2014 ;
3° des instances d'avis, visées aux [2 articles 35, 37, 38/1 ou 38/3]2 du présent arrêté, lorsque l'avis d'une commission du permis d'environnement n'est pas requis ;
4° [3 du VECM si la demande d'autorisation comprend un RIE du projet non encore approuvé]3;
[3 4° /1 de la division compétente pour les rapports de sécurité, si la demande d'autorisation comprend un RSE non encore approuvé ;]3
5° de l'instance chargée par l'autorité fédérale d'élaborer le plan d'urgence externe lorsque la demande de permis porte sur des établissements ou activités classés sur la base de la rubrique de classification 2.3.11.
Par dérogation à l'alinéa 1er, dans le cas d'une demande de permis pour des projets mobiles ou transportables supracommunaux :
1° la demande de permis n'est pas mise à la disposition de la commune concernée, mais de la province concernée chargée d'organiser une enquête publique conformément aux dispositions du titre 3, chapitre 5 ;
2° il n'est pas demandé au collège consultatif des échevins de rendre un avis.
§ 2. Le cas échéant, le président ou le secrétaire de la commission du permis d'environnement met, dans les dix jours de la réception de la demande d'avis visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, point 2°, la demande de permis à la disposition :
1° des instances d'avis, visées aux [2 articles 35, 37, 38/1 ou 38/3]2, en leur demandant de rendre un avis ;
2° du collège consultatif des échevins, sauf dans le cas de demandes de permis pour des projets mobiles ou transportables supracommunaux, en lui demandant de rendre un avis ;
3° des autres membres de la commission du permis d'environnement concernée, visés à l'article 39 ou 40.
§ 3. [1 Lors [2 d'une demande d'avis pendant une première phase d'avis]2, les délais suivants sont appliqués pour les avis rendus :
1° par la division RO et la division Environnement compétente pour le permis d'environnement :
a) soixante jours s'il s'agit d'un avis à la POVC ou à la GOVC ;
b) cinquante jours dans tous les cas autres que celui visé au point a);
2° par le collège consultatif des échevins et les autres instances d'avis : cinquante jours.
Tous les avis autres que les avis visés à l'alinéa 1er sont rendus dans le délai de trente jours.
Les délais visés à l'alinéa 1er et à l`alinéa 2 prennent cours le lendemain de la réception de la demande d'avis, conformément au paragraphe 1er, de l'administration compétente ou de la commission du permis d'environnement.]1
§ 4. Le président ou le secrétaire de la commission du permis d'environnement met l'avis intégré, mentionnant le cas échéant les positions minoritaires, à la disposition de l'autorité compétente dans un délai de :
1° nonante jours lors [2 d'une demande d'avis pendant une première phase d'avis]2 ;
2° quarante-cinq jours dans tous les cas autres que celui visé au point 1°.
Les délais visés à l'alinéa 1er prennent cours le lendemain de la réception de la demande d'avis de l'administration compétente.
Art. 68. [1 § 1. Uiterlijk zestig dagen na de ontvangst van het ontwerp van project-MER beslist het VECM, over de goedkeuring of afkeuring van het project-MER met toepassing van artikel 54 en 55 van het m.e.r.-besluit.
Het VECM stelt zijn beslissing over het project-MER met een beveiligde zending ter beschikking van de vergunningsaanvrager en met een digitale zending ter beschikking van het bevoegde bestuur en, in voorkomend geval, de POVC of GOVC binnen tien dagen nadat het zijn beslissing genomen heeft.
§ 2. Uiterlijk zestig dagen nadat de afdeling, bevoegd voor veiligheidsrapportage, het ontwerp-OVR heeft ontvangen, beslist ze over de goedkeuring of afkeuring van het OVR met toepassing van artikel 4/1.3.5, § 2, van het DABM.
De afdeling, vermeld in het eerste lid, stelt haar beslissing over het OVR met een beveiligde zending ter beschikking van de vergunningsaanvrager en met een digitale zending ter beschikking van het bevoegde bestuur en, in voorkomend geval, de POVC of GOVC binnen tien dagen nadat ze haar beslissing genomen heeft ]1.
Het VECM stelt zijn beslissing over het project-MER met een beveiligde zending ter beschikking van de vergunningsaanvrager en met een digitale zending ter beschikking van het bevoegde bestuur en, in voorkomend geval, de POVC of GOVC binnen tien dagen nadat het zijn beslissing genomen heeft.
§ 2. Uiterlijk zestig dagen nadat de afdeling, bevoegd voor veiligheidsrapportage, het ontwerp-OVR heeft ontvangen, beslist ze over de goedkeuring of afkeuring van het OVR met toepassing van artikel 4/1.3.5, § 2, van het DABM.
De afdeling, vermeld in het eerste lid, stelt haar beslissing over het OVR met een beveiligde zending ter beschikking van de vergunningsaanvrager en met een digitale zending ter beschikking van het bevoegde bestuur en, in voorkomend geval, de POVC of GOVC binnen tien dagen nadat ze haar beslissing genomen heeft ]1.
Art. 68. [1 § 1er. Au plus tard soixante jours après la réception du projet de RIE du projet, le VECM statue sur l'approbation ou le refus du RIE du projet en application des articles 54 et 55 de l'arrêté R.I.E.
Le VECM met sa décision au sujet du RIE du projet à la disposition du demandeur d'autorisation par envoi sécurisé et de l'administration compétente et, le cas échéant, de la POVC ou de la GOVC par envoi numérique dans un délai de dix jours suivant la prise de sa décision.
§ 2. Au plus tard soixante jours après la réception du projet de RSE, la division compétente pour les rapports de sécurité statue sur l'approbation ou le refus du RSE en application de l'article 4/1.3.5, § 2, du DABM.
La division, visée à l'alinéa 1er, met sa décision au sujet du RSE à la disposition du demandeur d'autorisation par envoi sécurisé et de l'administration compétente et, le cas échéant, de la POVC ou de la GOVC par envoi numérique dans un délai de dix jours suivant la prise de sa décision. ]1
Le VECM met sa décision au sujet du RIE du projet à la disposition du demandeur d'autorisation par envoi sécurisé et de l'administration compétente et, le cas échéant, de la POVC ou de la GOVC par envoi numérique dans un délai de dix jours suivant la prise de sa décision.
§ 2. Au plus tard soixante jours après la réception du projet de RSE, la division compétente pour les rapports de sécurité statue sur l'approbation ou le refus du RSE en application de l'article 4/1.3.5, § 2, du DABM.
La division, visée à l'alinéa 1er, met sa décision au sujet du RSE à la disposition du demandeur d'autorisation par envoi sécurisé et de l'administration compétente et, le cas échéant, de la POVC ou de la GOVC par envoi numérique dans un délai de dix jours suivant la prise de sa décision. ]1
Onderafdeling 3. - Situaties die resulteren in een termijnverlenging
Sous-section 3. - Situations entraînant une prolongation du délai
Art. 70. In voorkomend geval brengt het bevoegde bestuur de vergunningsaanvrager met een beveiligde zending op de hoogte van de termijnverlenging, vermeld in artikel 32, § 2, van het decreet van 25 april 2014.
Als de bevoegde overheid met toepassing van artikel 13 of 30 van het decreet van 25 april 2014 beslist om een tweede openbaar onderzoek te organiseren, deelt ze dat mee aan :
1° de betrokken gemeente, met de opdracht om het tweede openbaar onderzoek in te stellen, conform de bepalingen van titel 3, hoofdstuk 5, van dit besluit, en, in voorkomend geval, met het verzoek aan het adviserend schepencollege om advies te verlenen;
2° de bevoegde omgevingsvergunningscommissie als die conform artikel 25 van het decreet van 25 april 2014 advies moet verlenen;
3° de adviesinstanties, vermeld in [2 artikel 35, 37, 38/1 of 38/3]2 van dit besluit [1 ...]1;
4° [3 het VECM, als de vergunningsaanvraag een nog niet goedgekeurd project-MER omvat;]3.
[3 5° de afdeling, bevoegd voor veiligheidsrapportage, als de vergunningsaanvraag een nog niet goedgekeurd OVR omvat]3
In geval van een tweede openbaar onderzoek over bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten wordt in afwijking van het eerste lid :
1° dat niet meegedeeld aan de betrokken gemeente, maar aan de betrokken provincie, met de opdracht om een openbaar onderzoek in te stellen, conform de bepalingen van titel 3, hoofdstuk 5;
2° het adviserend schepencollege niet verzocht advies te verlenen.
In voorkomend geval stelt het bevoegde bestuur de gewijzigde vergunningsaanvraag ter beschikking van de instanties, vermeld in het tweede of derde lid.
In voorkomend geval :
1° brengen de bevoegde omgevingsvergunningscommissie of de bevoegde adviesinstanties een nieuw advies uit;
2° brengt het adviserend schepencollege een nieuw advies uit;
3° [3 beslist het VECM, opnieuw over de goedkeuring of afkeuring van het project-MER binnen een termijn van dertig dagen]3];-1
[3 4° beslist de afdeling, bevoegd voor veiligheidsrapportage, opnieuw over de goedkeuring of afkeuring van het OVR binnen een termijn van dertig dagen.]3
Als de bevoegde overheid met toepassing van artikel 13 of 30 van het decreet van 25 april 2014 beslist om een tweede openbaar onderzoek te organiseren, deelt ze dat mee aan :
1° de betrokken gemeente, met de opdracht om het tweede openbaar onderzoek in te stellen, conform de bepalingen van titel 3, hoofdstuk 5, van dit besluit, en, in voorkomend geval, met het verzoek aan het adviserend schepencollege om advies te verlenen;
2° de bevoegde omgevingsvergunningscommissie als die conform artikel 25 van het decreet van 25 april 2014 advies moet verlenen;
3° de adviesinstanties, vermeld in [2 artikel 35, 37, 38/1 of 38/3]2 van dit besluit [1 ...]1;
4° [3 het VECM, als de vergunningsaanvraag een nog niet goedgekeurd project-MER omvat;]3.
[3 5° de afdeling, bevoegd voor veiligheidsrapportage, als de vergunningsaanvraag een nog niet goedgekeurd OVR omvat]3
In geval van een tweede openbaar onderzoek over bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten wordt in afwijking van het eerste lid :
1° dat niet meegedeeld aan de betrokken gemeente, maar aan de betrokken provincie, met de opdracht om een openbaar onderzoek in te stellen, conform de bepalingen van titel 3, hoofdstuk 5;
2° het adviserend schepencollege niet verzocht advies te verlenen.
In voorkomend geval stelt het bevoegde bestuur de gewijzigde vergunningsaanvraag ter beschikking van de instanties, vermeld in het tweede of derde lid.
In voorkomend geval :
1° brengen de bevoegde omgevingsvergunningscommissie of de bevoegde adviesinstanties een nieuw advies uit;
2° brengt het adviserend schepencollege een nieuw advies uit;
3° [3 beslist het VECM, opnieuw over de goedkeuring of afkeuring van het project-MER binnen een termijn van dertig dagen]3];-1
[3 4° beslist de afdeling, bevoegd voor veiligheidsrapportage, opnieuw over de goedkeuring of afkeuring van het OVR binnen een termijn van dertig dagen.]3
Art. 70. Le cas échéant, l'administration compétente informe le demandeur du permis par envoi sécurisé de la prolongation du délai visée à l'article 32, § 2, du décret du 25 avril 2014.
Lorsque l'autorité compétente décide, en application de l'article 13 ou 30 du décret du 25 avril 2014, d'organiser une deuxième enquête publique, elle en informe :
1° la commune concernée en la chargeant de mener la deuxième enquête publique conformément aux dispositions du titre 3, chapitre 5, du présent arrêté et, le cas échéant, en demandant au collège consultatif des échevins de rendre un avis ;
2° la commission du permis d'environnement compétente lorsque celle-ci doit rendre un avis conformément à l'article 25 du décret du 25 avril 2014 ;
3° les instances d'avis, visées aux [2 articles 35, 37, 38/1 ou 38/3]2 du présent arrêté [1 ...]1 ;
4° [3 le VECM si la demande d'autorisation comprend un RIE du projet non encore approuvé ; ]3.
[3 5° la division compétente pour les rapports de sécurité, si la demande d'autorisation comprend un RSE non encore approuvé. ]3
Par dérogation à l'alinéa 1er, dans le cas d'une deuxième enquête publique sur des projets mobiles ou transportables supracommunaux :
1° elle n'est pas communiquée à la commune concernée, mais à la province concernée chargée d'ouvrir une enquête publique conformément aux dispositions du titre 3, chapitre 5 ;
2° il n'est pas demandé au collège consultatif des échevins de rendre un avis.
Le cas échéant, l'administration compétente met la demande de permis modifiée à la disposition des instances visées à l'alinéa 2 ou 3.
Le cas échéant :
1° la commission du permis d'environnement compétente ou les instances d'avis compétentes rendent un nouvel avis ;
2° le collège consultatif des échevins rend un nouvel avis ;
3° [3 le VECM statue à nouveau sur l'approbation ou le refus du RIE du projet dans un délai de trente jours ]3-1.
[3 4° la division compétente pour les rapports de sécurité statue à nouveau sur l'approbation ou le refus du RSE dans un délai de trente jours.]3
Lorsque l'autorité compétente décide, en application de l'article 13 ou 30 du décret du 25 avril 2014, d'organiser une deuxième enquête publique, elle en informe :
1° la commune concernée en la chargeant de mener la deuxième enquête publique conformément aux dispositions du titre 3, chapitre 5, du présent arrêté et, le cas échéant, en demandant au collège consultatif des échevins de rendre un avis ;
2° la commission du permis d'environnement compétente lorsque celle-ci doit rendre un avis conformément à l'article 25 du décret du 25 avril 2014 ;
3° les instances d'avis, visées aux [2 articles 35, 37, 38/1 ou 38/3]2 du présent arrêté [1 ...]1 ;
4° [3 le VECM si la demande d'autorisation comprend un RIE du projet non encore approuvé ; ]3.
[3 5° la division compétente pour les rapports de sécurité, si la demande d'autorisation comprend un RSE non encore approuvé. ]3
Par dérogation à l'alinéa 1er, dans le cas d'une deuxième enquête publique sur des projets mobiles ou transportables supracommunaux :
1° elle n'est pas communiquée à la commune concernée, mais à la province concernée chargée d'ouvrir une enquête publique conformément aux dispositions du titre 3, chapitre 5 ;
2° il n'est pas demandé au collège consultatif des échevins de rendre un avis.
Le cas échéant, l'administration compétente met la demande de permis modifiée à la disposition des instances visées à l'alinéa 2 ou 3.
Le cas échéant :
1° la commission du permis d'environnement compétente ou les instances d'avis compétentes rendent un nouvel avis ;
2° le collège consultatif des échevins rend un nouvel avis ;
3° [3 le VECM statue à nouveau sur l'approbation ou le refus du RIE du projet dans un délai de trente jours ]3-1.
[3 4° la division compétente pour les rapports de sécurité statue à nouveau sur l'approbation ou le refus du RSE dans un délai de trente jours.]3
Onderafdeling 4. - Beslissing over de vergunningsaanvraag
Sous-section 4. - Décision au sujet de la demande de permis
Art. 71. De beslissing over de vergunningsaanvraag, genomen conform artikel 32 van het decreet van 25 april 2014, bevat ten minste de gegevens, vermeld in titel 3, hoofdstuk 9, afdeling 1, van dit besluit.
Art. 71. La décision au sujet de la demande de permis, prise conformément à l'article 32 du décret du 25 avril 2014, contient au moins les éléments visés au titre 3, chapitre 9, section 1re, du présent arrêté.
Art. 72. De beslissing over de vergunningsaanvraag wordt bekendgemaakt conform titel 3, hoofdstuk 9, afdeling 3 [1 en, in voorkomend geval, artikel 57 van het m.e.r -besluit.-1.
Art. 72. La décision au sujet de la demande de permis est annoncée conformément au titre 3, chapitre 9, section 3 [1 et, le cas échéant, à l'article 57 de l'arrêté R.I.E.]1.
Afdeling 2. - De gewone vergunningsprocedure in laatste administratieve aanleg
Section 2. - La procédure d'autorisation ordinaire en dernière instance administrative
Onderafdeling 1. - Ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek
Sous-section 1re. - Examen de la recevabilité et de l'exhaustivité
Art. 73. Een beroep tegen een uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissing wordt ingediend conform artikel 56 van het decreet van 25 april 2014.
[1 Analoge beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van de deputatie in eerste administratieve aanleg worden ingediend op het adres van het Departement Omgeving.]1
[1 Analoge beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van de deputatie in eerste administratieve aanleg worden ingediend op het adres van het Departement Omgeving.]1
Art. 73. Un recours contre une décision expresse ou tacite est introduit conformément à l'article 56 du décret du 25 avril 2014.
[1 Des recours analogiques contre des décisions expresses ou tacites de la députation en première instance administrative sont introduits à l'adresse du Département de l'Environnement et de l'Aménagement du Territoire.]1
[1 Des recours analogiques contre des décisions expresses ou tacites de la députation en première instance administrative sont introduits à l'adresse du Département de l'Environnement et de l'Aménagement du Territoire.]1
Art. 74. § 1. Het beroepschrift bevat op straffe van onontvankelijkheid :
1° de naam, de hoedanigheid en het adres van de beroepsindiener;
2° de identificatie van de bestreden beslissing en van het onroerend goed, de inrichting of exploitatie die het voorwerp uitmaakt van die beslissing;
3° [1 minstens een van de volgende elementen als het beroep wordt ingesteld door een lid van het betrokken publiek :]1
a) een omschrijving van de gevolgen die hij ingevolge de bestreden beslissing ondervindt of waarschijnlijk ondervindt;
b) het belang dat hij heeft bij de besluitvorming over de afgifte of bijstelling van een omgevingsvergunning of van vergunningsvoorwaarden;
4° de redenen waarom het beroep wordt ingesteld.
Het beroepsdossier bevat de volgende bewijsstukken :
1° in voorkomend geval, een bewijs van betaling van de dossiertaks;
2° de overtuigingsstukken die de beroepsindiener nodig acht;
3° in voorkomend geval, een inventaris van de overtuigingsstukken, vermeld in punt 2°.
Als de bewijsstukken, vermeld in het tweede lid, ontbreken, kan hieraan verholpen worden overeenkomstig artikel 57, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014.
[2 Als het beroep via het omgevingsloket wordt ingediend, is aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, voldaan.]2
Het bevoegde bestuur kan bij de beroepsindiener, de vergunningsaanvrager of de overheid die in eerste administratieve aanleg bevoegd is, alle beschikbare informatie en documenten opvragen die nuttig zijn voor het dossier.
§ 2. De beroepsindiener geeft, op straffe van verval, uitdrukkelijk in zijn beroepschrift aan of hij gehoord wil worden.
Als de vergunningsaanvrager gehoord wil worden, brengt hij het bevoegde bestuur daarvan uitdrukkelijk op de hoogte met een beveiligde zending uiterlijk [1 veertien]1 dagen nadat hij een afschrift van het beroepschrift als vermeld in artikel 56 van het decreet van 25 april 2014, heeft ontvangen, op voorwaarde dat hij niet de beroepsindiener is.
§ 3. De overheid die de bestreden beslissing in eerste administratieve aanleg heeft genomen, stelt het vergunningsdossier ter beschikking van de overheid die in laatste administratieve aanleg bevoegd is voor het beroep tegen de bestreden beslissing, onmiddellijk na de ontvangst van het afschrift van het beroepschrift, conform artikel 56, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014.
1° de naam, de hoedanigheid en het adres van de beroepsindiener;
2° de identificatie van de bestreden beslissing en van het onroerend goed, de inrichting of exploitatie die het voorwerp uitmaakt van die beslissing;
3° [1 minstens een van de volgende elementen als het beroep wordt ingesteld door een lid van het betrokken publiek :]1
a) een omschrijving van de gevolgen die hij ingevolge de bestreden beslissing ondervindt of waarschijnlijk ondervindt;
b) het belang dat hij heeft bij de besluitvorming over de afgifte of bijstelling van een omgevingsvergunning of van vergunningsvoorwaarden;
4° de redenen waarom het beroep wordt ingesteld.
Het beroepsdossier bevat de volgende bewijsstukken :
1° in voorkomend geval, een bewijs van betaling van de dossiertaks;
2° de overtuigingsstukken die de beroepsindiener nodig acht;
3° in voorkomend geval, een inventaris van de overtuigingsstukken, vermeld in punt 2°.
Als de bewijsstukken, vermeld in het tweede lid, ontbreken, kan hieraan verholpen worden overeenkomstig artikel 57, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014.
[2 Als het beroep via het omgevingsloket wordt ingediend, is aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, voldaan.]2
Het bevoegde bestuur kan bij de beroepsindiener, de vergunningsaanvrager of de overheid die in eerste administratieve aanleg bevoegd is, alle beschikbare informatie en documenten opvragen die nuttig zijn voor het dossier.
§ 2. De beroepsindiener geeft, op straffe van verval, uitdrukkelijk in zijn beroepschrift aan of hij gehoord wil worden.
Als de vergunningsaanvrager gehoord wil worden, brengt hij het bevoegde bestuur daarvan uitdrukkelijk op de hoogte met een beveiligde zending uiterlijk [1 veertien]1 dagen nadat hij een afschrift van het beroepschrift als vermeld in artikel 56 van het decreet van 25 april 2014, heeft ontvangen, op voorwaarde dat hij niet de beroepsindiener is.
§ 3. De overheid die de bestreden beslissing in eerste administratieve aanleg heeft genomen, stelt het vergunningsdossier ter beschikking van de overheid die in laatste administratieve aanleg bevoegd is voor het beroep tegen de bestreden beslissing, onmiddellijk na de ontvangst van het afschrift van het beroepschrift, conform artikel 56, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014.
Art. 74. § 1er. A peine d'irrecevabilité, le recours contient :
1° les nom, qualité et adresse de l'auteur du recours ;
2° l'identification de la décision contestée et du bien immobilier, de l'établissement ou de l'exploitation qui fait l'objet de la décision ;
3° [1 au moins un des éléments suivants lorsque le recours est introduit par un membre du public concerné :]1
a) une description des effets par lesquels il est touché ou risque d'être touché à la suite de la décision contestée ;
b) l'intérêt qu'il à faire valoir à l'égard de la décision concernant la délivrance ou l'actualisation d'un permis d'environnement ou des conditions dont il est assorti ;
4° les motifs pour lesquels le recours est intenté.
Le dossier de recours contient les pièces justificatives suivantes :
1° le cas échéant, une preuve de paiement de la taxe de dossier ;
2° les pièces à conviction que l'auteur du recours juge nécessaires ;
3° le cas échéant, un inventaire des pièces à conviction visées au point 2°.
Lorsque les pièces justificatives visées à l'alinéa 2 manquent, il peut y être remédié conformément à l'article 57, alinéa 2, du décret du 25 avril 2014.
[2 Lorsque le recours est introduit via le guichet environnement, les conditions visées à l'alinéa 1er, 1° et 2°, sont remplies.]2
L'administration compétente peut demander auprès de l'auteur du recours, du demandeur du permis ou de l'autorité compétente en première instance administrative l'ensemble des informations et documents disponibles utiles au dossier.
§ 2. A peine de déchéance, l'auteur du recours indique explicitement dans son recours s'il souhaite être entendu.
Si le demandeur du permis souhaite être entendu, il en informe explicitement l'administration compétente par envoi sécurisé au plus tard [1 quatorze]1 jours après la réception d'une copie du recours telle que visée à l'article 56 du décret du 25 avril 2014, à condition qu'il ne soit pas l'auteur du recours.
§ 3. L'autorité qui a pris la décision contestée en première instance administrative met le dossier de permis à la disposition de l'autorité compétente en dernière instance administrative pour le recours contre la décision contestée, immédiatement après la réception de la copie du recours, conformément à l'article 56, alinéa 2, du décret du 25 avril 2014.
1° les nom, qualité et adresse de l'auteur du recours ;
2° l'identification de la décision contestée et du bien immobilier, de l'établissement ou de l'exploitation qui fait l'objet de la décision ;
3° [1 au moins un des éléments suivants lorsque le recours est introduit par un membre du public concerné :]1
a) une description des effets par lesquels il est touché ou risque d'être touché à la suite de la décision contestée ;
b) l'intérêt qu'il à faire valoir à l'égard de la décision concernant la délivrance ou l'actualisation d'un permis d'environnement ou des conditions dont il est assorti ;
4° les motifs pour lesquels le recours est intenté.
Le dossier de recours contient les pièces justificatives suivantes :
1° le cas échéant, une preuve de paiement de la taxe de dossier ;
2° les pièces à conviction que l'auteur du recours juge nécessaires ;
3° le cas échéant, un inventaire des pièces à conviction visées au point 2°.
Lorsque les pièces justificatives visées à l'alinéa 2 manquent, il peut y être remédié conformément à l'article 57, alinéa 2, du décret du 25 avril 2014.
[2 Lorsque le recours est introduit via le guichet environnement, les conditions visées à l'alinéa 1er, 1° et 2°, sont remplies.]2
L'administration compétente peut demander auprès de l'auteur du recours, du demandeur du permis ou de l'autorité compétente en première instance administrative l'ensemble des informations et documents disponibles utiles au dossier.
§ 2. A peine de déchéance, l'auteur du recours indique explicitement dans son recours s'il souhaite être entendu.
Si le demandeur du permis souhaite être entendu, il en informe explicitement l'administration compétente par envoi sécurisé au plus tard [1 quatorze]1 jours après la réception d'une copie du recours telle que visée à l'article 56 du décret du 25 avril 2014, à condition qu'il ne soit pas l'auteur du recours.
§ 3. L'autorité qui a pris la décision contestée en première instance administrative met le dossier de permis à la disposition de l'autorité compétente en dernière instance administrative pour le recours contre la décision contestée, immédiatement après la réception de la copie du recours, conformément à l'article 56, alinéa 2, du décret du 25 avril 2014.
Onderafdeling 2. - Onderzoek van het beroep
Sous-section 2. - Examen du recours
Art. 75. § 1. Op de dag van de verzending van de ontvankelijk- en volledigverklaring van het beroep of uiterlijk bij het verstrijken van de vervaltermijn, vermeld in artikel 58, eerste lid, van het decreet van 25 april 2014, stelt het bevoegde bestuur het beroepschrift, de bestreden beslissing en de vergunningsaanvraag ter beschikking van :
1° het adviserend schepencollege met het verzoek om advies te verlenen als geen advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is;
2° de bevoegde omgevingsvergunningscommissie als die conform artikel 60 van het decreet van 25 april 2014 advies moet verlenen;
3° de adviesinstanties, vermeld in [2 artikel 35, 37, 38/1 of 38/3]2 van dit besluit, als geen advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is.
Als de vergunningsaanvrager of de beroepsindiener gevraagd heeft om gehoord te worden en het advies van een omgevingscommissie vereist is, bezorgt het bevoegde bestuur dat verzoek samen met de adviesaanvraag aan de commissie in kwestie.
In geval van beroepen over bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten wordt in afwijking van het eerste lid het beroepschrift niet ter beschikking gesteld van het adviserend schepencollege.
§ 2. In voorkomend geval stellen de voorzitter of de secretaris van de omgevingsvergunningscommissie binnen tien dagen na de ontvangst van de adviesvraag, vermeld in paragraaf 1, het beroepschrift, de bestreden beslissing en de vergunningsaanvraag ter beschikking van :
1° de adviesinstanties, vermeld in [2 artikel 35, 37, 38/1 of 38/3]2, met het verzoek om advies uit te brengen;
2° in voorkomend geval het adviserend schepencollege, met het verzoek om advies uit te brengen;
3° de overige leden van de betrokken omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 39 respectievelijk artikel 40;
4° [3 het VECM of de afdeling, bevoegd voor veiligheidsrapportage, als het beroepschrift gebreken in de milieueffect- of veiligheidsrapportage aanvoert]3.
§ 3. [1 Bij een eerste adviesvraag worden voor de advisering de volgende vervaltermijnen gehanteerd :
1° [2 door de afdeling RO en de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, het Agentschap Innoveren en Ondernemen en het Agentschap voor Natuur en Bos]2 :
a) zestig dagen als het een advies aan de POVC of de GOVC betreft;
b) vijftig dagen in alle andere gevallen dan het geval, vermeld in punt a);
2° door het adviserende schepencollege en de overige adviesinstanties : vijftig dagen.
Alle andere adviezen dan de adviezen, vermeld in het eerste lid, worden uitgebracht binnen een vervaltermijn van dertig dagen.
De vervaltermijnen, vermeld in het eerste en het tweede lid, gaan in op de dag na de ontvangst van de adviesvraag, conform paragraaf 1, van het bevoegde bestuur of de omgevingsvergunningscommissie.]1
§ 4. De voorzitter of de secretaris van de omgevingsvergunningscommissie stellen het geïntegreerde advies, in voorkomend geval met vermelding van de minderheidsstandpunten, ter beschikking van de bevoegde overheid binnen een termijn van :
1° negentig dagen bij een eerste adviesvraag;
2° vijfenveertig dagen in alle andere gevallen dan het geval, vermeld in punt 1°.
De vervaltermijnen, vermeld in het eerste lid, gaan in op de dag na de dag van ontvangst van de adviesvraag van het bevoegde bestuur.
1° het adviserend schepencollege met het verzoek om advies te verlenen als geen advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is;
2° de bevoegde omgevingsvergunningscommissie als die conform artikel 60 van het decreet van 25 april 2014 advies moet verlenen;
3° de adviesinstanties, vermeld in [2 artikel 35, 37, 38/1 of 38/3]2 van dit besluit, als geen advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is.
Als de vergunningsaanvrager of de beroepsindiener gevraagd heeft om gehoord te worden en het advies van een omgevingscommissie vereist is, bezorgt het bevoegde bestuur dat verzoek samen met de adviesaanvraag aan de commissie in kwestie.
In geval van beroepen over bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten wordt in afwijking van het eerste lid het beroepschrift niet ter beschikking gesteld van het adviserend schepencollege.
§ 2. In voorkomend geval stellen de voorzitter of de secretaris van de omgevingsvergunningscommissie binnen tien dagen na de ontvangst van de adviesvraag, vermeld in paragraaf 1, het beroepschrift, de bestreden beslissing en de vergunningsaanvraag ter beschikking van :
1° de adviesinstanties, vermeld in [2 artikel 35, 37, 38/1 of 38/3]2, met het verzoek om advies uit te brengen;
2° in voorkomend geval het adviserend schepencollege, met het verzoek om advies uit te brengen;
3° de overige leden van de betrokken omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 39 respectievelijk artikel 40;
4° [3 het VECM of de afdeling, bevoegd voor veiligheidsrapportage, als het beroepschrift gebreken in de milieueffect- of veiligheidsrapportage aanvoert]3.
§ 3. [1 Bij een eerste adviesvraag worden voor de advisering de volgende vervaltermijnen gehanteerd :
1° [2 door de afdeling RO en de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, het Agentschap Innoveren en Ondernemen en het Agentschap voor Natuur en Bos]2 :
a) zestig dagen als het een advies aan de POVC of de GOVC betreft;
b) vijftig dagen in alle andere gevallen dan het geval, vermeld in punt a);
2° door het adviserende schepencollege en de overige adviesinstanties : vijftig dagen.
Alle andere adviezen dan de adviezen, vermeld in het eerste lid, worden uitgebracht binnen een vervaltermijn van dertig dagen.
De vervaltermijnen, vermeld in het eerste en het tweede lid, gaan in op de dag na de ontvangst van de adviesvraag, conform paragraaf 1, van het bevoegde bestuur of de omgevingsvergunningscommissie.]1
§ 4. De voorzitter of de secretaris van de omgevingsvergunningscommissie stellen het geïntegreerde advies, in voorkomend geval met vermelding van de minderheidsstandpunten, ter beschikking van de bevoegde overheid binnen een termijn van :
1° negentig dagen bij een eerste adviesvraag;
2° vijfenveertig dagen in alle andere gevallen dan het geval, vermeld in punt 1°.
De vervaltermijnen, vermeld in het eerste lid, gaan in op de dag na de dag van ontvangst van de adviesvraag van het bevoegde bestuur.
Art. 75. § 1er. Le jour de l'envoi de la déclaration de recevabilité et d'exhaustivité du recours ou, au plus tard, à l'expiration du délai visé à l'article 58, alinéa 1er, du décret du 25 avril 2014, l'administration compétente met le recours, la décision contestée et la demande de permis à la disposition :
1° du collège consultatif des échevins en lui demandant de rendre un avis lorsque l'avis d'une commission du permis d'environnement n'est pas requis ;
2° de la commission du permis d'environnement compétente lorsque celle-ci doit rendre un avis conformément à l'article 60 du décret du 25 avril 2014 ;
3° des instances d'avis, visées aux [2 articles 35, 37, 38/1 ou 38/3]2 du présent arrêté, lorsque l'avis d'une commission du permis d'environnement n'est pas requis.
Lorsque le demandeur du permis ou l'auteur du recours a demandé à être entendu et que l'avis d'une commission pour l'environnement est requis, l'administration compétente transmet cette demande accompagnée de la demande d'avis à la commission en question.
Par dérogation à l'alinéa 1er, dans le cas de recours sur des projets mobiles ou transportables supracommunaux, la requête n'est pas mise à la disposition du collège consultatif des échevins.
§ 2. Le cas échéant, le président ou le secrétaire de la commission du permis d'environnement met, dans les dix jours de la réception de la demande d'avis visée au paragraphe 1er, le recours, la décision contestée et la demande de permis à la disposition :
1° des instances d'avis, visées aux [2 articles 35, 37, 38/1 ou 38/3]2, en leur demandant de rendre un avis ;
2° le cas échéant, du collège consultatif des échevins en lui demandant de rendre un avis ;
3° des autres membres de la commission du permis d'environnement concernée, visés à l'article 39 ou 40 ;
4° [3 le VECM ou la division compétente pour les rapports de sécurité, si le recours invoque des lacunes dans les rapports d'incidence sur l'environnement ou de sécurité]3.
§ 3. [1 Lors d'une première demande d'avis, les délais suivants sont appliqués pour les avis rendus :
1° [2 par la division RO et la division Environnement, compétente pour le permis d'environnement, l'Agence de l'Innovation et de l'Entrepreneuriat et l'Agence de la Nature et des Forêts]2 :
a) soixante jours s'il s'agit d'un avis à la POVC ou à la GOVC ;
b) cinquante jours dans tous les cas autres que celui visé au point a);
2° par le collège consultatif des échevins et les autres instances d'avis : cinquante jours.
Tous les avis autres que les avis visés à l'alinéa 1er sont rendus dans le délai de trente jours.
Les délais visés à l'alinéa 1er et à l`alinéa 2 prennent cours le lendemain de la réception de la demande d'avis, conformément au paragraphe 1er, de l'administration compétente ou de la commission du permis d'environnement.]1
§ 4. Le président ou le secrétaire de la commission du permis d'environnement met l'avis intégré, mentionnant le cas échéant les positions minoritaires, à la disposition de l'autorité compétente dans un délai de :
1° nonante jours lors d'une première demande d'avis ;
2° quarante-cinq jours dans tous les cas autres que celui visé au point 1°.
Les délais visés à l'alinéa 1er prennent cours le lendemain de la réception de la demande d'avis de l'administration compétente.
1° du collège consultatif des échevins en lui demandant de rendre un avis lorsque l'avis d'une commission du permis d'environnement n'est pas requis ;
2° de la commission du permis d'environnement compétente lorsque celle-ci doit rendre un avis conformément à l'article 60 du décret du 25 avril 2014 ;
3° des instances d'avis, visées aux [2 articles 35, 37, 38/1 ou 38/3]2 du présent arrêté, lorsque l'avis d'une commission du permis d'environnement n'est pas requis.
Lorsque le demandeur du permis ou l'auteur du recours a demandé à être entendu et que l'avis d'une commission pour l'environnement est requis, l'administration compétente transmet cette demande accompagnée de la demande d'avis à la commission en question.
Par dérogation à l'alinéa 1er, dans le cas de recours sur des projets mobiles ou transportables supracommunaux, la requête n'est pas mise à la disposition du collège consultatif des échevins.
§ 2. Le cas échéant, le président ou le secrétaire de la commission du permis d'environnement met, dans les dix jours de la réception de la demande d'avis visée au paragraphe 1er, le recours, la décision contestée et la demande de permis à la disposition :
1° des instances d'avis, visées aux [2 articles 35, 37, 38/1 ou 38/3]2, en leur demandant de rendre un avis ;
2° le cas échéant, du collège consultatif des échevins en lui demandant de rendre un avis ;
3° des autres membres de la commission du permis d'environnement concernée, visés à l'article 39 ou 40 ;
4° [3 le VECM ou la division compétente pour les rapports de sécurité, si le recours invoque des lacunes dans les rapports d'incidence sur l'environnement ou de sécurité]3.
§ 3. [1 Lors d'une première demande d'avis, les délais suivants sont appliqués pour les avis rendus :
1° [2 par la division RO et la division Environnement, compétente pour le permis d'environnement, l'Agence de l'Innovation et de l'Entrepreneuriat et l'Agence de la Nature et des Forêts]2 :
a) soixante jours s'il s'agit d'un avis à la POVC ou à la GOVC ;
b) cinquante jours dans tous les cas autres que celui visé au point a);
2° par le collège consultatif des échevins et les autres instances d'avis : cinquante jours.
Tous les avis autres que les avis visés à l'alinéa 1er sont rendus dans le délai de trente jours.
Les délais visés à l'alinéa 1er et à l`alinéa 2 prennent cours le lendemain de la réception de la demande d'avis, conformément au paragraphe 1er, de l'administration compétente ou de la commission du permis d'environnement.]1
§ 4. Le président ou le secrétaire de la commission du permis d'environnement met l'avis intégré, mentionnant le cas échéant les positions minoritaires, à la disposition de l'autorité compétente dans un délai de :
1° nonante jours lors d'une première demande d'avis ;
2° quarante-cinq jours dans tous les cas autres que celui visé au point 1°.
Les délais visés à l'alinéa 1er prennent cours le lendemain de la réception de la demande d'avis de l'administration compétente.
Art. 76. Als de vergunningsaanvrager of de beroepsindiener gevraagd heeft om gehoord te worden en het advies van een omgevingsvergunningscommissie niet vereist is, organiseert het bevoegde bestuur, conform artikel 62, eerste lid, 2°, van het decreet van 25 april 2014, een hoorzitting van de vergunningsaanvrager of de beroepsindiener met :
1° [1 de deputatie, een bestendig afgevaardigde die de deputatie gemachtigd heeft, de provinciale omgevingsambtenaar of een ambtenaar die de provinciale omgevingsambtenaar gemachtigd heeft, als de deputatie de bevoegde overheid is;]1
2° de Vlaamse Regering, de Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, of de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, de gewestelijke omgevingsambtenaar of een door die laatste ambtenaar gemachtigde ambtenaar van niveau A als de Vlaamse Regering de bevoegde overheid is.
Als de beroepsindiener gevraagd heeft om gehoord te worden, wordt de vergunningsaanvrager altijd op die hoorzitting uitgenodigd, ook als hij niet uitdrukkelijk gevraagd heeft om gehoord te worden.
[2 De bevoegde overheid of de provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar kan beslissen om de hoorzitting alleen schriftelijk, via teleconferentie of via videoconferentie te houden op voorwaarde dat alle personen die gehoord wensen te worden, hiermee akkoord gaan.]2
De vertegenwoordiger van het bevoegde bestuur kan afhankelijk van de agenda de spreektijd en het maximale aantal vertegenwoordigers van de vergunningsaanvrager of beroepsindiener bepalen.
1° [1 de deputatie, een bestendig afgevaardigde die de deputatie gemachtigd heeft, de provinciale omgevingsambtenaar of een ambtenaar die de provinciale omgevingsambtenaar gemachtigd heeft, als de deputatie de bevoegde overheid is;]1
2° de Vlaamse Regering, de Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, of de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, de gewestelijke omgevingsambtenaar of een door die laatste ambtenaar gemachtigde ambtenaar van niveau A als de Vlaamse Regering de bevoegde overheid is.
Als de beroepsindiener gevraagd heeft om gehoord te worden, wordt de vergunningsaanvrager altijd op die hoorzitting uitgenodigd, ook als hij niet uitdrukkelijk gevraagd heeft om gehoord te worden.
[2 De bevoegde overheid of de provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar kan beslissen om de hoorzitting alleen schriftelijk, via teleconferentie of via videoconferentie te houden op voorwaarde dat alle personen die gehoord wensen te worden, hiermee akkoord gaan.]2
De vertegenwoordiger van het bevoegde bestuur kan afhankelijk van de agenda de spreektijd en het maximale aantal vertegenwoordigers van de vergunningsaanvrager of beroepsindiener bepalen.
Art. 76. Lorsque le demandeur du permis ou l'auteur du recours a demandé à être entendu et que l'avis d'une commission du permis d'environnement n'est pas requis, l'administration compétente organise, conformément à l'article 62, alinéa 1er, point 2°, du décret du 25 avril 2014, une audience du demandeur du permis ou de l'auteur du recours avec :
1° [1 la députation, un délégué permanent mandaté par la députation, le fonctionnaire environnement provincial ou un fonctionnaire mandaté par le fonctionnaire environnement provincial, lorsque la députation est l'autorité compétente ;]1
2° le Gouvernement flamand, le ministre flamand qui a l'aménagement du territoire dans ses attributions ou le ministre flamand qui a l'environnement dans ses attributions, le fonctionnaire environnement régional ou un fonctionnaire de niveau A mandaté par ce dernier lorsque le Gouvernement flamand est l'autorité compétente.
Lorsque l'auteur du recours a demandé à être entendu, le demandeur du permis est toujours invité à cette audience même s'il n'a pas expressément demandé à être entendu.
[2 L'autorité compétente ou le fonctionnaire environnement provincial ou régional peut décider de tenir la séance d'audition uniquement par écrit, par téléconférence ou par vidéoconférence moyennant l'accord de toutes les personnes qui désirent être entendues.]2
Le représentant de l'administration compétente peut, en fonction de l'ordre du jour, déterminer le temps de parole et le nombre maximum de représentants du demandeur de permis ou de l'auteur du recours.
1° [1 la députation, un délégué permanent mandaté par la députation, le fonctionnaire environnement provincial ou un fonctionnaire mandaté par le fonctionnaire environnement provincial, lorsque la députation est l'autorité compétente ;]1
2° le Gouvernement flamand, le ministre flamand qui a l'aménagement du territoire dans ses attributions ou le ministre flamand qui a l'environnement dans ses attributions, le fonctionnaire environnement régional ou un fonctionnaire de niveau A mandaté par ce dernier lorsque le Gouvernement flamand est l'autorité compétente.
Lorsque l'auteur du recours a demandé à être entendu, le demandeur du permis est toujours invité à cette audience même s'il n'a pas expressément demandé à être entendu.
[2 L'autorité compétente ou le fonctionnaire environnement provincial ou régional peut décider de tenir la séance d'audition uniquement par écrit, par téléconférence ou par vidéoconférence moyennant l'accord de toutes les personnes qui désirent être entendues.]2
Le représentant de l'administration compétente peut, en fonction de l'ordre du jour, déterminer le temps de parole et le nombre maximum de représentants du demandeur de permis ou de l'auteur du recours.
Onderafdeling 3. - Situaties die resulteren in een termijnverlenging
Sous-section 3. - Situations entraînant une prolongation du délai
Art. 77. In voorkomend geval brengt het bevoegde bestuur de vergunningsaanvrager en de beroepsindiener met een beveiligde zending op de hoogte van de termijnverlenging, vermeld in artikel 66 van het decreet van 25 april 2014.
Als de bevoegde overheid met toepassing van artikel 13 of 64 van het decreet van 25 april 2014 beslist om een nieuw openbaar onderzoek te organiseren, deelt ze dat mee aan :
1° de betrokken gemeente met de opdracht om het nieuwe openbaar onderzoek in te stellen conform de bepalingen van titel 3, hoofdstuk 5, van dit besluit, en, in voorkomend geval, met het verzoek aan het adviserend schepencollege om advies te verlenen als geen advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is;
2° de bevoegde omgevingsvergunningscommissie als die conform artikel 60 van het decreet van 25 april 2014 advies moet verlenen;
3° de adviesinstanties, vermeld in [1 artikel 35, 37, 38/1 of 38/3]1 van dit besluit, als geen advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is;
4° [2 het VECM of de afdeling, bevoegd voor veiligheidsrapportage, als het beroepschrift gebreken in de milieueffect- of veiligheidsrapportage aanvoert.]2.
In geval van een nieuw openbaar onderzoek over bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten wordt in afwijking van het eerste lid :
1° dat niet meegedeeld aan de betrokken gemeente, maar aan de betrokken provincie met de opdracht om een openbaar onderzoek in te stellen conform de bepalingen van titel 3, hoofdstuk 5, van dit besluit;
2° het adviserend schepencollege niet verzocht om advies te verlenen.
In voorkomend geval stelt het bevoegde bestuur de vergunningsaanvraag ter beschikking van de instanties, vermeld in het tweede of derde lid.
In voorkomend geval :
1° brengen de bevoegde omgevingsvergunningscommissie of de bevoegde adviesinstanties een nieuw advies uit;
2° brengt het adviserend schepencollege een nieuw advies uit;
3°[2 beslist het VECM, opnieuw over het project-MER binnen een termijn van dertig dagen]2.
[2 4° beslist de afdeling, bevoegd voor veiligheidsrapportage, opnieuw over het OVR binnen een termijn van dertig dagen.]2
Als de bevoegde overheid met toepassing van artikel 13 of 64 van het decreet van 25 april 2014 beslist om een nieuw openbaar onderzoek te organiseren, deelt ze dat mee aan :
1° de betrokken gemeente met de opdracht om het nieuwe openbaar onderzoek in te stellen conform de bepalingen van titel 3, hoofdstuk 5, van dit besluit, en, in voorkomend geval, met het verzoek aan het adviserend schepencollege om advies te verlenen als geen advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is;
2° de bevoegde omgevingsvergunningscommissie als die conform artikel 60 van het decreet van 25 april 2014 advies moet verlenen;
3° de adviesinstanties, vermeld in [1 artikel 35, 37, 38/1 of 38/3]1 van dit besluit, als geen advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is;
4° [2 het VECM of de afdeling, bevoegd voor veiligheidsrapportage, als het beroepschrift gebreken in de milieueffect- of veiligheidsrapportage aanvoert.]2.
In geval van een nieuw openbaar onderzoek over bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten wordt in afwijking van het eerste lid :
1° dat niet meegedeeld aan de betrokken gemeente, maar aan de betrokken provincie met de opdracht om een openbaar onderzoek in te stellen conform de bepalingen van titel 3, hoofdstuk 5, van dit besluit;
2° het adviserend schepencollege niet verzocht om advies te verlenen.
In voorkomend geval stelt het bevoegde bestuur de vergunningsaanvraag ter beschikking van de instanties, vermeld in het tweede of derde lid.
In voorkomend geval :
1° brengen de bevoegde omgevingsvergunningscommissie of de bevoegde adviesinstanties een nieuw advies uit;
2° brengt het adviserend schepencollege een nieuw advies uit;
3°[2 beslist het VECM, opnieuw over het project-MER binnen een termijn van dertig dagen]2.
[2 4° beslist de afdeling, bevoegd voor veiligheidsrapportage, opnieuw over het OVR binnen een termijn van dertig dagen.]2
Art. 77. Le cas échéant, l'administration compétente informe le demandeur du permis et l'auteur du recours par envoi sécurisé de la prolongation du délai visée à l'article 66 du décret du 25 avril 2014.
Lorsque l'autorité compétente décide, en application de l'article 13 ou 64 du décret du 25 avril 2014, d'organiser une nouvelle enquête publique, elle en informe :
1° la commune concernée en la chargeant de mener la nouvelle enquête publique conformément aux dispositions du titre 3, chapitre 5, du présent arrêté et, le cas échéant, en demandant au collège consultatif des échevins de rendre un avis lorsque l'avis d'une commission du permis d'environnement n'est pas requis ;
2° la commission du permis d'environnement compétente lorsque celle-ci doit rendre un avis conformément à l'article 60 du décret du 25 avril 2014 ;
3° les instances d'avis, visées aux [1 articles 35, 37, 38/1 ou 38/3]1 du présent arrêté, lorsque l'avis d'une commission du permis d'environnement n'est pas requis ;
4° [2 le VECM ou la division compétente pour les rapports de sécurité, si le recours invoque des lacunes dans les rapports d'incidence sur l'environnement ou de sécurité ]2.
Par dérogation à l'alinéa 1er, dans le cas d'une nouvelle enquête publique sur des projets mobiles ou transportables supracommunaux :
1° elle n'est pas communiquée à la commune concernée, mais à la province concernée chargée d'ouvrir une enquête publique conformément aux dispositions du titre 3, chapitre 5, du présent arrêté ;
2° il n'est pas demandé au collège consultatif des échevins de rendre un avis.
Le cas échéant, l'administration compétente met la demande de permis à la disposition des instances visées à l'alinéa 2 ou 3.
Le cas échéant :
1° la commission du permis d'environnement compétente ou les instances d'avis compétentes rendent un nouvel avis ;
2° le collège consultatif des échevins rend un nouvel avis ;
3° [2 le VECM statue à nouveau sur le RIE du projet dans un délai de trente jours]2;
[2 4° la division compétente pour les rapports de sécurité statue à nouveau sur le RSE dans un délai de trente jours.]2
Lorsque l'autorité compétente décide, en application de l'article 13 ou 64 du décret du 25 avril 2014, d'organiser une nouvelle enquête publique, elle en informe :
1° la commune concernée en la chargeant de mener la nouvelle enquête publique conformément aux dispositions du titre 3, chapitre 5, du présent arrêté et, le cas échéant, en demandant au collège consultatif des échevins de rendre un avis lorsque l'avis d'une commission du permis d'environnement n'est pas requis ;
2° la commission du permis d'environnement compétente lorsque celle-ci doit rendre un avis conformément à l'article 60 du décret du 25 avril 2014 ;
3° les instances d'avis, visées aux [1 articles 35, 37, 38/1 ou 38/3]1 du présent arrêté, lorsque l'avis d'une commission du permis d'environnement n'est pas requis ;
4° [2 le VECM ou la division compétente pour les rapports de sécurité, si le recours invoque des lacunes dans les rapports d'incidence sur l'environnement ou de sécurité ]2.
Par dérogation à l'alinéa 1er, dans le cas d'une nouvelle enquête publique sur des projets mobiles ou transportables supracommunaux :
1° elle n'est pas communiquée à la commune concernée, mais à la province concernée chargée d'ouvrir une enquête publique conformément aux dispositions du titre 3, chapitre 5, du présent arrêté ;
2° il n'est pas demandé au collège consultatif des échevins de rendre un avis.
Le cas échéant, l'administration compétente met la demande de permis à la disposition des instances visées à l'alinéa 2 ou 3.
Le cas échéant :
1° la commission du permis d'environnement compétente ou les instances d'avis compétentes rendent un nouvel avis ;
2° le collège consultatif des échevins rend un nouvel avis ;
3° [2 le VECM statue à nouveau sur le RIE du projet dans un délai de trente jours]2;
[2 4° la division compétente pour les rapports de sécurité statue à nouveau sur le RSE dans un délai de trente jours.]2
Onderafdeling 4. - Beslissing over het ingestelde beroep
Sous-section 4. - Décision au sujet du recours intenté
Art. 78. De beslissing over een ingesteld beroep, genomen conform artikel 66 van het decreet van 25 april 2014, bevat ten minste de gegevens, vermeld in titel 3, hoofdstuk 9, afdeling 1, van dit besluit.
Art. 78. La décision au sujet d'un recours intenté, prise conformément à l'article 66 du décret du 25 avril 2014, contient au moins les éléments visés au titre 3, chapitre 9, section 1ère, du présent arrêté.
Art. 79. De beslissing over een ingesteld beroep wordt bekendgemaakt conform titel 3, hoofdstuk 9, afdeling 3.
Art. 79. La décision au sujet d'un recours intenté est annoncée conformément au titre 3, chapitre 9, section 3.
Hoofdstuk 11. - De vereenvoudigde vergunningsprocedure
Chapitre 11. - La procédure d'autorisation simplifiée
Afdeling 1. - De vereenvoudigde vergunningsprocedure in eerste administratieve aanleg
Section 1re. - La procédure d'autorisation simplifiée en première instance administrative
Onderafdeling 1. - Ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek
Sous-section 1re. - Examen de la recevabilité et de l'exhaustivité
Art. 80. Een vergunningsaanvraag wordt ingediend conform [1 artikel 7, § 2, en artikel 37]1 van het decreet van 25 april 2014.
Het aanvraagdossier wordt ingediend :
1° in twee exemplaren bij indiening met een analoge zending;
2° met een digitale zending.
Het aanvraagdossier wordt ingediend :
1° in twee exemplaren bij indiening met een analoge zending;
2° met een digitale zending.
Art. 80. Une demande de permis est introduite conformément [1 à l'article 7, § 2, et à l'article 37]1 du décret du 25 avril 2014.
Le dossier de demande est introduit :
1° en deux exemplaires en cas d'introduction par envoi analogique ;
2° par envoi numérique.
Le dossier de demande est introduit :
1° en deux exemplaires en cas d'introduction par envoi analogique ;
2° par envoi numérique.
Art. 81. Het bevoegde bestuur onderzoekt de ontvankelijkheid en volledigheid van de vergunningsaanvraag.
[2 De vergunningsaanvraag wordt onontvankelijk bevonden als het bevoegde bestuur bij het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek vaststelt dat de aanvraag strijdig is met [3 de verplichtingen, vermeld in artikel 7, § 2,]3 van het decreet van 25 april 2014.]2
[1 [4 Indien er een project-m.e.r.-screening is gevoegd bij de vergunningsaanvraag zijn de bepalingen van titel 3, hoofdstuk 2, van het m.e.r.-besluit van toepassing]4.
[4 ...]4
Het resultaat van het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek wordt conform artikel 40 van het decreet van 25 april 2014 meegedeeld.
[2 De vergunningsaanvraag wordt onontvankelijk bevonden als het bevoegde bestuur bij het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek vaststelt dat de aanvraag strijdig is met [3 de verplichtingen, vermeld in artikel 7, § 2,]3 van het decreet van 25 april 2014.]2
[1 [4 Indien er een project-m.e.r.-screening is gevoegd bij de vergunningsaanvraag zijn de bepalingen van titel 3, hoofdstuk 2, van het m.e.r.-besluit van toepassing]4.
[4 ...]4
Het resultaat van het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek wordt conform artikel 40 van het decreet van 25 april 2014 meegedeeld.
Art. 81. L'administration compétente examine la recevabilité et l'exhaustivité de la demande de permis.
[2 La demande d'autorisation est jugée irrecevable si l'administration compétente constate, à l'examen de la recevabilité et de l'exhaustivité, que la demande est contraire [3 aux obligations visées à l'article 7, § 2,]3 du décret du 25 avril 2014.]2
[1 [4 Si un screening RIE du projet est joint à la demande d'autorisation, les dispositions du titre 3, chapitre 2, de l'arrêté R.I.E. s'appliquent]4.
[4 ...]4
Le résultat de l'examen de la recevabilité et de l'exhaustivité est communiqué conformément à l'article 40 du décret du 25 avril 2014.
[2 La demande d'autorisation est jugée irrecevable si l'administration compétente constate, à l'examen de la recevabilité et de l'exhaustivité, que la demande est contraire [3 aux obligations visées à l'article 7, § 2,]3 du décret du 25 avril 2014.]2
[1 [4 Si un screening RIE du projet est joint à la demande d'autorisation, les dispositions du titre 3, chapitre 2, de l'arrêté R.I.E. s'appliquent]4.
[4 ...]4
Le résultat de l'examen de la recevabilité et de l'exhaustivité est communiqué conformément à l'article 40 du décret du 25 avril 2014.
Onderafdeling 2. - Onderzoek van het project
Sous-section 2. - Examen du projet
Art. 82. § 1. Op de dag van de verzending van de ontvankelijk- en volledigverklaring van de vergunningsaanvraag of uiterlijk bij het verstrijken van de vervaltermijn, vermeld in artikel 40, eerste lid, van het decreet van 25 april 2014, stelt het bevoegde bestuur de vergunningsaanvraag ter beschikking van :
1° in voorkomend geval, het adviserend schepencollege;
2° de adviesinstanties, vermeld in [1 artikel 35, 37, 38/1 of 38/3]1 van dit besluit;
3° de instantie die door de federale overheid is belast met het opstellen van het externe noodplan als de vergunningsaanvraag een project betreft dat betrekking heeft op inrichtingen of activiteiten die zijn ingedeeld op basis van indelingsrubriek 2.3.11.
§ 2. De adviesinstanties, vermeld in het eerste lid, 2°, en, in voorkomend geval, het adviserend schepencollege brengen advies uit binnen een vervaltermijn van dertig dagen.
De vervaltermijn, vermeld in het eerste lid, gaat in op de dag na de dag van ontvangst van de adviesvraag van het bevoegde bestuur.
1° in voorkomend geval, het adviserend schepencollege;
2° de adviesinstanties, vermeld in [1 artikel 35, 37, 38/1 of 38/3]1 van dit besluit;
3° de instantie die door de federale overheid is belast met het opstellen van het externe noodplan als de vergunningsaanvraag een project betreft dat betrekking heeft op inrichtingen of activiteiten die zijn ingedeeld op basis van indelingsrubriek 2.3.11.
§ 2. De adviesinstanties, vermeld in het eerste lid, 2°, en, in voorkomend geval, het adviserend schepencollege brengen advies uit binnen een vervaltermijn van dertig dagen.
De vervaltermijn, vermeld in het eerste lid, gaat in op de dag na de dag van ontvangst van de adviesvraag van het bevoegde bestuur.
Art. 82. § 1er. Le jour de l'envoi de la déclaration de recevabilité et d'exhaustivité de la demande de permis ou, au plus tard, à l'expiration du délai visé à l'article 40, alinéa 1er, du décret du 25 avril 2014, l'administration compétente met la demande de permis à la disposition :
1° le cas échéant, du collège consultatif des échevins ;
2° des instances d'avis, mentionnées aux [1 articles 35, 37, 38/1 ou 38/3]1 du présent arrêté ;
3° de l'instance chargée par l'autorité fédérale d'élaborer le plan d'urgence externe lorsque la demande de permis porte sur un projet concernant des établissements ou activités classés sur la base de la rubrique de classification 2.3.11.
§ 2. Les instances d'avis, visées à l'alinéa 1er, point 2° et, le cas échéant, le collège consultatif des échevins rendent un avis dans un délai de trente jours.
Le délai visé à l'alinéa 1er prend cours le lendemain de la réception de la demande d'avis de l'administration compétente.
1° le cas échéant, du collège consultatif des échevins ;
2° des instances d'avis, mentionnées aux [1 articles 35, 37, 38/1 ou 38/3]1 du présent arrêté ;
3° de l'instance chargée par l'autorité fédérale d'élaborer le plan d'urgence externe lorsque la demande de permis porte sur un projet concernant des établissements ou activités classés sur la base de la rubrique de classification 2.3.11.
§ 2. Les instances d'avis, visées à l'alinéa 1er, point 2° et, le cas échéant, le collège consultatif des échevins rendent un avis dans un délai de trente jours.
Le délai visé à l'alinéa 1er prend cours le lendemain de la réception de la demande d'avis de l'administration compétente.
Art. 83. Als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op de oprichting, uitbreiding of afbraak van scheidingsmuren of muren die in aanmerking komen voor gemene eigendom, vraagt het bevoegde bestuur met een beveiligde zending het standpunt van de eigenaars van de aanpalende percelen [1 ...]1. Die eigenaars bezorgen hun standpunt binnen een vervaltermijn van dertig dagen die ingaat op de dag na de dag van ontvangst van het verzoek om een standpunt van het bevoegde bestuur, aan het bevoegde bestuur dat erom gevraagd heeft.
Art. 83. Lorsque la demande de permis porte sur l'érection, l'agrandissement ou la démolition de murs de séparation ou de murs pouvant faire l'objet d'une propriété commune, l'administration compétente demande, par envoi sécurisé, la position des propriétaires des parcelles adjacentes [1 ...]1. Les propriétaires transmettent leur position à l'administration compétente qui en a fait la demande dans un délai de trente jours prenant cours le lendemain de la réception de la demande de l'administration compétente.
Onderafdeling 3. - Beslissing over de vergunningsaanvraag
Sous-section 3. - Décision au sujet de la demande de permis
Art. 84. De beslissing over de vergunningsaanvraag, genomen conform artikel 46 van het decreet van 25 april 2014, bevat ten minste de gegevens, vermeld in titel 3, hoofdstuk 9, afdeling 1, van dit besluit.
[1 Als de bevoegde overheid tijdens de vereenvoudigde vergunningsprocedure vaststelt dat de gewone vergunningsprocedure van toepassing is, wordt de procedure stopgezet. Tegen de stopzetting van de procedure is geen administratief beroep mogelijk. De vergunningsaanvrager wordt van de stopzetting op de hoogte gebracht en is er toe gehouden een vergunningsaanvraag in te dienen conform de gewone vergunningsprocedure.]1
[1 Als de bevoegde overheid tijdens de vereenvoudigde vergunningsprocedure vaststelt dat de gewone vergunningsprocedure van toepassing is, wordt de procedure stopgezet. Tegen de stopzetting van de procedure is geen administratief beroep mogelijk. De vergunningsaanvrager wordt van de stopzetting op de hoogte gebracht en is er toe gehouden een vergunningsaanvraag in te dienen conform de gewone vergunningsprocedure.]1
Art. 84. La décision au sujet de la demande de permis, prise conformément à l'article 46 du décret du 25 avril 2014, contient au moins les éléments visés au titre 3, chapitre 9, section 1ère, du présent arrêté.
[1 Si l'autorité compétente constate durant la procédure d'autorisation simplifiée que la procédure d'autorisation ordinaire s'applique, il est mis fin à la procédure. La cessation de la procédure n'est susceptible d'aucun recours administratif. Le demandeur du permis est informé de la cessation et est tenu d'introduire une demande de permis conformément à la procédure d'autorisation ordinaire.]1
[1 Si l'autorité compétente constate durant la procédure d'autorisation simplifiée que la procédure d'autorisation ordinaire s'applique, il est mis fin à la procédure. La cessation de la procédure n'est susceptible d'aucun recours administratif. Le demandeur du permis est informé de la cessation et est tenu d'introduire une demande de permis conformément à la procédure d'autorisation ordinaire.]1
Art. 85. De beslissing over de vergunningsaanvraag wordt bekendgemaakt conform titel 3, hoofdstuk 9, afdeling 3.
Art. 85. La décision au sujet de la demande de permis est annoncée conformément au titre 3, chapitre 9, section 3.
Afdeling 2. - De vereenvoudigde vergunningsprocedure in laatste administratieve aanleg
Section 2. - La procédure d'autorisation simplifiée en dernière instance administrative
Onderafdeling 1. - Ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek
Sous-section 1re. - Examen de la recevabilité et de l'exhaustivité
Art. 86. Een beroep tegen een uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissing wordt conform artikel 56 van het decreet van 25 april 2014 ingediend.
Art. 86. Un recours contre une décision expresse ou tacite est introduit conformément à l'article 56 du décret du 25 avril 2014.
Art. 87. § 1. Het beroepschrift bevat op straffe van onontvankelijkheid :
1° de naam, de hoedanigheid en het adres van de beroepsindiener;
2° de identificatie van de bestreden beslissing en van het onroerend goed, de inrichting of exploitatie die het voorwerp uitmaakt van die beslissing;
3° [1 minstens een van de volgende elementen als het beroep wordt ingesteld door een lid van het betrokken publiek :]1
a) een omschrijving van de gevolgen die hij ingevolge de bestreden beslissing ondervindt of waarschijnlijk ondervindt;
b) het belang dat hij heeft bij de besluitvorming over de afgifte of bijstelling van een omgevingsvergunning of van de vergunningsvoorwaarden;
4° de redenen waarom het beroep wordt ingesteld.
Het beroepsdossier bevat de volgende bewijsstukken :
1° in voorkomend geval, een bewijs van betaling van de dossiertaks;
2° de overtuigingsstukken die de beroepsindiener nodig acht;
3° in voorkomend geval, een inventaris van de overtuigingsstukken, vermeld in punt 2°.
Als de bewijsstukken, vermeld in het tweede lid, ontbreken, kan hieraan verholpen worden overeenkomstig artikel 57, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014.
[2 Als het beroep via het omgevingsloket wordt ingediend, is aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, voldaan.]2
Het bevoegde bestuur kan bij de beroepsindiener, de vergunningsaanvrager of de overheid die in eerste administratieve aanleg bevoegd is, alle beschikbare informatie en documenten opvragen die nuttig zijn voor het dossier.
§ 2. De beroepsindiener geeft, op straffe van verval, uitdrukkelijk in zijn beroepschrift aan of hij gehoord wil worden.
Als de vergunningsaanvrager gehoord wil worden, brengt hij het bevoegde bestuur daarvan uitdrukkelijk op de hoogte met een beveiligde zending uiterlijk [1 veertien]1 dagen nadat hij een afschrift van het beroepschrift, vermeld in artikel 56 van het decreet van 25 april 2014, heeft ontvangen, op voorwaarde dat hij niet de beroepsindiener is.
1° de naam, de hoedanigheid en het adres van de beroepsindiener;
2° de identificatie van de bestreden beslissing en van het onroerend goed, de inrichting of exploitatie die het voorwerp uitmaakt van die beslissing;
3° [1 minstens een van de volgende elementen als het beroep wordt ingesteld door een lid van het betrokken publiek :]1
a) een omschrijving van de gevolgen die hij ingevolge de bestreden beslissing ondervindt of waarschijnlijk ondervindt;
b) het belang dat hij heeft bij de besluitvorming over de afgifte of bijstelling van een omgevingsvergunning of van de vergunningsvoorwaarden;
4° de redenen waarom het beroep wordt ingesteld.
Het beroepsdossier bevat de volgende bewijsstukken :
1° in voorkomend geval, een bewijs van betaling van de dossiertaks;
2° de overtuigingsstukken die de beroepsindiener nodig acht;
3° in voorkomend geval, een inventaris van de overtuigingsstukken, vermeld in punt 2°.
Als de bewijsstukken, vermeld in het tweede lid, ontbreken, kan hieraan verholpen worden overeenkomstig artikel 57, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014.
[2 Als het beroep via het omgevingsloket wordt ingediend, is aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, voldaan.]2
Het bevoegde bestuur kan bij de beroepsindiener, de vergunningsaanvrager of de overheid die in eerste administratieve aanleg bevoegd is, alle beschikbare informatie en documenten opvragen die nuttig zijn voor het dossier.
§ 2. De beroepsindiener geeft, op straffe van verval, uitdrukkelijk in zijn beroepschrift aan of hij gehoord wil worden.
Als de vergunningsaanvrager gehoord wil worden, brengt hij het bevoegde bestuur daarvan uitdrukkelijk op de hoogte met een beveiligde zending uiterlijk [1 veertien]1 dagen nadat hij een afschrift van het beroepschrift, vermeld in artikel 56 van het decreet van 25 april 2014, heeft ontvangen, op voorwaarde dat hij niet de beroepsindiener is.
Art. 87. § 1er. A peine d'irrecevabilité, le recours contient :
1° les nom, qualité et adresse de l'auteur du recours ;
2° l'identification de la décision contestée et du bien immobilier, de l'établissement ou de l'exploitation qui fait l'objet de la décision ;
3° [1 au moins un des éléments suivants lorsque le recours est introduit par un membre du public concerné :]1
a) une description des effets par lesquels il est touché ou risque d'être touché à la suite de la décision contestée ;
b) l'intérêt qu'il à faire valoir à l'égard de la décision concernant la délivrance ou l'actualisation d'un permis d'environnement ou des conditions dont il est assorti ;
4° les motifs pour lesquels le recours est introduit.
Le dossier de recours contient les pièces justificatives suivantes :
1° le cas échéant, une preuve de paiement de la taxe de dossier ;
2° les pièces à conviction que l'auteur du recours juge nécessaires ;
3° le cas échéant, un inventaire des pièces à conviction visées au point 2°.
Lorsque les pièces justificatives visées à l'alinéa 2 manquent, il peut y être remédié conformément à l'article 57, alinéa 2, du décret du 25 avril 2014.
Le dossier de recours est introduit par envoi analogique ou numérique. [2 Lorsque le recours est introduit via le guichet environnement, les conditions visées à l'alinéa 1er, 1° et 2°, sont remplies.]2
L'administration compétente peut demander à l'auteur du recours, au demandeur du permis ou à l'autorité compétente en première instance administrative de lui fournir l'ensemble des informations et documents disponibles utiles au dossier.
§ 2. A peine de déchéance, l'auteur du recours indique explicitement dans son recours s'il souhaite être entendu.
Si le demandeur du permis souhaite être entendu, il en informe explicitement l'administration compétente par envoi sécurisé au plus tard [1 quatorze]1 jours après la réception d'une copie du recours telle que visée à l'article 56 du décret du 25 avril 2014, à condition qu'il ne soit pas l'auteur du recours.
1° les nom, qualité et adresse de l'auteur du recours ;
2° l'identification de la décision contestée et du bien immobilier, de l'établissement ou de l'exploitation qui fait l'objet de la décision ;
3° [1 au moins un des éléments suivants lorsque le recours est introduit par un membre du public concerné :]1
a) une description des effets par lesquels il est touché ou risque d'être touché à la suite de la décision contestée ;
b) l'intérêt qu'il à faire valoir à l'égard de la décision concernant la délivrance ou l'actualisation d'un permis d'environnement ou des conditions dont il est assorti ;
4° les motifs pour lesquels le recours est introduit.
Le dossier de recours contient les pièces justificatives suivantes :
1° le cas échéant, une preuve de paiement de la taxe de dossier ;
2° les pièces à conviction que l'auteur du recours juge nécessaires ;
3° le cas échéant, un inventaire des pièces à conviction visées au point 2°.
Lorsque les pièces justificatives visées à l'alinéa 2 manquent, il peut y être remédié conformément à l'article 57, alinéa 2, du décret du 25 avril 2014.
Le dossier de recours est introduit par envoi analogique ou numérique. [2 Lorsque le recours est introduit via le guichet environnement, les conditions visées à l'alinéa 1er, 1° et 2°, sont remplies.]2
L'administration compétente peut demander à l'auteur du recours, au demandeur du permis ou à l'autorité compétente en première instance administrative de lui fournir l'ensemble des informations et documents disponibles utiles au dossier.
§ 2. A peine de déchéance, l'auteur du recours indique explicitement dans son recours s'il souhaite être entendu.
Si le demandeur du permis souhaite être entendu, il en informe explicitement l'administration compétente par envoi sécurisé au plus tard [1 quatorze]1 jours après la réception d'une copie du recours telle que visée à l'article 56 du décret du 25 avril 2014, à condition qu'il ne soit pas l'auteur du recours.
Art. 88. De overheid die de bestreden beslissing in eerste administratieve aanleg heeft genomen, stelt het vergunningsdossier ter beschikking van de overheid die in laatste administratieve aanleg bevoegd is voor het beroep tegen de bestreden beslissing, onmiddellijk na de ontvangst van het afschrift van het beroepschrift, conform artikel 56, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014.
Art. 88. L'autorité qui a pris la décision contestée en première instance administrative met le dossier de permis à la disposition de l'autorité compétente en dernière instance administrative pour le recours contre la décision contestée, immédiatement après la réception de la copie du recours conformément à l'article 56, alinéa 2, du décret du 25 avril 2014.
Onderafdeling 2. - Onderzoek van het beroep
Sous-section 2. - Examen du recours
Art. 89. § 1. Op de dag van de verzending van de ontvankelijk- en volledigverklaring van het beroep of uiterlijk bij het verstrijken van de vervaltermijn, vermeld in artikel 58, eerste lid, van het decreet van 25 april 2014, stelt het bevoegde bestuur het beroepschrift, de bestreden beslissing en de vergunningsaanvraag ter beschikking van :
1° de bevoegde adviesinstanties, vermeld in [1 artikel 35, 37, 38/1 of 38/3]1 van dit besluit;
2° het adviserend schepencollege.
§ 2. De adviesinstanties, vermeld in het eerste lid, en het adviserend schepencollege brengen advies uit binnen een vervaltermijn van dertig dagen.
De vervaltermijn van dertig dagen, vermeld in het eerste lid, gaat in op de dag na de dag van ontvangst van de adviesvraag van het bevoegde bestuur.
1° de bevoegde adviesinstanties, vermeld in [1 artikel 35, 37, 38/1 of 38/3]1 van dit besluit;
2° het adviserend schepencollege.
§ 2. De adviesinstanties, vermeld in het eerste lid, en het adviserend schepencollege brengen advies uit binnen een vervaltermijn van dertig dagen.
De vervaltermijn van dertig dagen, vermeld in het eerste lid, gaat in op de dag na de dag van ontvangst van de adviesvraag van het bevoegde bestuur.
Art. 89. § 1er. Le jour de l'envoi de la déclaration de recevabilité et d'exhaustivité du recours ou, au plus tard, à l'expiration du délai visé à l'article 58, alinéa 1er, du décret du 25 avril 2014, l'administration compétente met le recours, la décision contestée et la demande de permis à la disposition :
1° des instances d'avis compétentes, mentionnées aux [1 articles 35, 37, 38/1 ou 38/3]1 du présent arrêté ;
2° du collège consultatif des échevins.
§ 2. Les instances d'avis, visées à l'alinéa 1er, et le collège consultatif des échevins rendent un avis dans un délai de trente jours.
Le délai de trente jours visé à l'alinéa 1er prend cours le lendemain de la réception de la demande d'avis de l'administration compétente.
1° des instances d'avis compétentes, mentionnées aux [1 articles 35, 37, 38/1 ou 38/3]1 du présent arrêté ;
2° du collège consultatif des échevins.
§ 2. Les instances d'avis, visées à l'alinéa 1er, et le collège consultatif des échevins rendent un avis dans un délai de trente jours.
Le délai de trente jours visé à l'alinéa 1er prend cours le lendemain de la réception de la demande d'avis de l'administration compétente.
Art. 90. Als de vergunningsaanvrager of de beroepsindiener gevraagd heeft om gehoord te worden, organiseert het bevoegde bestuur, conform artikel 62, eerste lid, 2°, van het decreet van 25 april 2014, een hoorzitting van de vergunningsaanvrager of de beroepsindiener met :
1° [1 de deputatie, een bestendig afgevaardigde die de deputatie gemachtigd heeft, de provinciale omgevingsambtenaar of een ambtenaar die de provinciale omgevingsambtenaar gemachtigd heeft, als de deputatie de bevoegde overheid is;]1
2° de Vlaamse Regering, de Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening of de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, de gewestelijke omgevingsambtenaar of een door die laatste ambtenaar gemachtigde ambtenaar van niveau A als de Vlaamse Regering de bevoegde overheid is.
Als de beroepsindiener gevraagd heeft om gehoord te worden, wordt de vergunningsaanvrager altijd op die hoorzitting uitgenodigd, ook als hij niet uitdrukkelijk gevraagd heeft om gehoord te worden.
[2 De bevoegde overheid of de provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar kan beslissen om de hoorzitting alleen schriftelijk, via teleconferentie of via videoconferentie te houden op voorwaarde dat alle personen die gehoord wensen te worden, hiermee akkoord gaan.]2
De vertegenwoordiger van het bevoegde bestuur kan afhankelijk van de agenda de spreektijd en het maximale aantal vertegenwoordigers van de vergunningsaanvrager of beroepsindiener bepalen.
1° [1 de deputatie, een bestendig afgevaardigde die de deputatie gemachtigd heeft, de provinciale omgevingsambtenaar of een ambtenaar die de provinciale omgevingsambtenaar gemachtigd heeft, als de deputatie de bevoegde overheid is;]1
2° de Vlaamse Regering, de Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening of de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, de gewestelijke omgevingsambtenaar of een door die laatste ambtenaar gemachtigde ambtenaar van niveau A als de Vlaamse Regering de bevoegde overheid is.
Als de beroepsindiener gevraagd heeft om gehoord te worden, wordt de vergunningsaanvrager altijd op die hoorzitting uitgenodigd, ook als hij niet uitdrukkelijk gevraagd heeft om gehoord te worden.
[2 De bevoegde overheid of de provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar kan beslissen om de hoorzitting alleen schriftelijk, via teleconferentie of via videoconferentie te houden op voorwaarde dat alle personen die gehoord wensen te worden, hiermee akkoord gaan.]2
De vertegenwoordiger van het bevoegde bestuur kan afhankelijk van de agenda de spreektijd en het maximale aantal vertegenwoordigers van de vergunningsaanvrager of beroepsindiener bepalen.
Art. 90. Lorsque le demandeur du permis ou l'auteur du recours a demandé à être entendu, l'administration compétente organise, conformément à l'article 62, alinéa 1er, point 2°, du décret du 25 avril 2014, une audience du demandeur du permis ou de l'auteur du recours avec :
1° [1 la députation, un délégué permanent mandaté par la députation, le fonctionnaire environnement provincial ou un fonctionnaire mandaté par le fonctionnaire environnement provincial, lorsque la députation est l'autorité compétente ;]1
2° le Gouvernement flamand, le ministre flamand qui a l'aménagement du territoire dans ses attributions ou le ministre flamand qui a l'environnement dans ses attributions, le fonctionnaire environnement régional ou un fonctionnaire de niveau A mandaté par ce dernier lorsque le Gouvernement flamand est l'autorité compétente.
Lorsque l'auteur du recours a demandé à être entendu, le demandeur du permis est toujours invité à cette audience même s'il n'a pas expressément demandé à être entendu.
[2 L'autorité compétente ou le fonctionnaire environnement provincial ou régional peut décider de tenir la séance d'audition uniquement par écrit, par téléconférence ou par vidéoconférence moyennant l'accord de toutes les personnes qui désirent être entendues.]2
Le représentant de l'administration compétente peut, en fonction de l'ordre du jour, déterminer le temps de parole et le nombre maximum de représentants du demandeur de permis ou de l'auteur du recours.
1° [1 la députation, un délégué permanent mandaté par la députation, le fonctionnaire environnement provincial ou un fonctionnaire mandaté par le fonctionnaire environnement provincial, lorsque la députation est l'autorité compétente ;]1
2° le Gouvernement flamand, le ministre flamand qui a l'aménagement du territoire dans ses attributions ou le ministre flamand qui a l'environnement dans ses attributions, le fonctionnaire environnement régional ou un fonctionnaire de niveau A mandaté par ce dernier lorsque le Gouvernement flamand est l'autorité compétente.
Lorsque l'auteur du recours a demandé à être entendu, le demandeur du permis est toujours invité à cette audience même s'il n'a pas expressément demandé à être entendu.
[2 L'autorité compétente ou le fonctionnaire environnement provincial ou régional peut décider de tenir la séance d'audition uniquement par écrit, par téléconférence ou par vidéoconférence moyennant l'accord de toutes les personnes qui désirent être entendues.]2
Le représentant de l'administration compétente peut, en fonction de l'ordre du jour, déterminer le temps de parole et le nombre maximum de représentants du demandeur de permis ou de l'auteur du recours.
Onderafdeling 3. - Situaties die resulteren in een termijnverlenging
Sous-section 3. - Situations entraînant une prolongation du délai
Art. 91. Als de bevoegde overheid beslist om met toepassing van artikel 13 van het decreet van 25 april 2014 het advies van de adviesinstanties, vermeld in [1 artikel 35, 37, 38/1 of 38/3]1 van dit besluit, of het adviserend schepencollege alsnog dan wel een tweede keer in te winnen, brengt het bevoegde bestuur de vergunningsaanvrager en de beroepsindiener met een beveiligde zending op de hoogte van de termijnverlenging, vermeld in artikel 66 van het decreet van 25 april 2014.
Art. 91. Lorsque l'autorité compétente décide, en application de l'article 13 du décret du 25 avril 2014, de recueillir encore ou une deuxième fois l'avis des instances d'avis visées aux [1 articles 35, 37, 38/1 ou 38/3]1 du présent arrêté, ou du collège consultatif des échevins, l'administration compétente informe le demandeur du permis et l'auteur du recours par envoi sécurisé de la prolongation du délai visée à l'article 66 du décret du 25 avril 2014.
Onderafdeling 4. - Beslissing over het ingestelde beroep
Sous-section 4. - Décision au sujet du recours intenté
Art. 92. De beslissing over een ingesteld beroep, genomen conform artikel 66 van het decreet van 25 april 2014, bevat ten minste de gegevens, vermeld in titel 3, hoofdstuk 9, afdeling 1, van dit besluit.
Art. 92. La décision au sujet d'un recours intenté, prise conformément à l'article 66 du décret du 25 avril 2014, contient au moins les données visées au titre 3, chapitre 9, section 1ère, du présent arrêté.
Art. 93. De beslissing over een ingesteld beroep wordt bekendgemaakt conform titel 3, hoofdstuk 9, afdeling 3.
Art. 93. La décision au sujet d'un recours intenté est annoncée conformément au titre 3, chapitre 9, section 3.
Hoofdstuk 12. - De omgevingsvergunning op proef
Chapitre 12. - Le permis d'environnement à titre d'essai
Art. 94. Als een omgevingsvergunning op proef verleend is, neemt de vergunningverlenende overheid zonder verdere formaliteiten een definitieve beslissing over de verdere exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit voor de proefperiode verstreken is.
In het eerste lid wordt verstaan onder vergunningverlenende overheid : de overheid, vermeld in artikel 15 van het decreet van 25 april 2014.
In afwijking van het tweede lid wordt de overheid, vermeld in artikel 52 van het decreet van 25 april 2014, als de vergunningverlenende overheid beschouwd als ze in laatste administratieve aanleg over de vergunningsaanvraag een beslissing heeft genomen waarbij ze de omgevingsvergunning op proef vooreerst zelf heeft verleend of de beslissing uit eerste administratieve aanleg niet ongewijzigd heeft bevestigd.
In het eerste lid wordt verstaan onder vergunningverlenende overheid : de overheid, vermeld in artikel 15 van het decreet van 25 april 2014.
In afwijking van het tweede lid wordt de overheid, vermeld in artikel 52 van het decreet van 25 april 2014, als de vergunningverlenende overheid beschouwd als ze in laatste administratieve aanleg over de vergunningsaanvraag een beslissing heeft genomen waarbij ze de omgevingsvergunning op proef vooreerst zelf heeft verleend of de beslissing uit eerste administratieve aanleg niet ongewijzigd heeft bevestigd.
Art. 94. Lorsqu'un permis d'environnement a été octroyé à titre d'essai, l'autorité délivrant le permis prend sans autres formalités une décision définitive sur la poursuite de l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée avant l'expiration de la période d'essai.
A l'alinéa 1er, on entend par " autorité délivrant le permis " : l'autorité visée à l'article 15 du décret du 25 avril 2014.
Par dérogation à l'alinéa 2, l'autorité visée à l'article 52 du décret du 25 avril 2014 est considérée comme l'autorité délivrant le permis lorsqu'elle a pris, en dernière instance administrative, une décision sur la demande de permis par laquelle elle a octroyé elle-même, en premier, le permis d'environnement à l'essai ou a confirmé, non sans modifications, la décision de la première instance administrative.
A l'alinéa 1er, on entend par " autorité délivrant le permis " : l'autorité visée à l'article 15 du décret du 25 avril 2014.
Par dérogation à l'alinéa 2, l'autorité visée à l'article 52 du décret du 25 avril 2014 est considérée comme l'autorité délivrant le permis lorsqu'elle a pris, en dernière instance administrative, une décision sur la demande de permis par laquelle elle a octroyé elle-même, en premier, le permis d'environnement à l'essai ou a confirmé, non sans modifications, la décision de la première instance administrative.
Art. 95. § 1. Een beslissing over de verdere exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit na de omgevingsvergunning op proef wordt genomen conform de procedure, vermeld in paragraaf 2 tot en met 4.
§ 2. Ten minste vier maanden voor het verstrijken van de omgevingsvergunning op proef vraagt het bevoegde bestuur advies aan :
1° de POVC of de GOVC als ze bij of krachtens artikel 25 of artikel 60 van het decreet van 25 april 2014 zijn aangewezen om advies te verlenen in de procedure die tot de beslissing heeft geleid waaraan de overheid haar bevoegdheid ontleent om definitief uitspraak te doen over de vergunning na de omgevingsvergunning op proef;
2° als de POVC of de GOVC geen adviesbevoegdheid heeft :
a) het adviserend schepencollege, als het is aangewezen om advies te verlenen in de procedure die tot de beslissing heeft geleid waaraan de overheid haar bevoegdheid ontleent om definitief uitspraak te doen over de vergunningsaanvraag na de omgevingsvergunning op proef;
b) de adviesinstanties, vermeld in artikel 37 van dit besluit, die zijn aangewezen om advies te verlenen in de procedure die tot de beslissing heeft geleid waaraan de overheid haar bevoegdheid ontleent om definitief uitspraak te doen over de vergunningsaanvraag na de omgevingsvergunning op proef;
3° de toezichthouder die conform titel XVI van het DABM bevoegd is.
Als de POVC respectievelijk de GOVC adviesbevoegdheid heeft, worden de adviezen van het adviserend schepencollege en van de adviesinstanties, vermeld in artikel 37, door de betrokken commissie gevraagd als voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 2°, a), respectievelijk b).
Het advies over de verdere exploitatie na de omgevingsvergunning op proef wordt gegeven binnen een vervaltermijn van :
1° dertig dagen voor de adviesinstanties, vermeld in artikel 37, en het adviserend schepencollege;
2° zestig dagen voor de POVC of de GOVC.
Als er geen advies is binnen de gestelde vervaltermijnen, wordt aangenomen dat akkoord wordt gegaan met de verdere exploitatie na de omgevingsvergunning op proef van de ingedeelde inrichting of activiteit.
[1 Het advies van de toezichthouder, vermeld in het eerste lid, 3°, bestaat uit een evaluatie van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit tijdens de proefperiode en wordt gegeven binnen een termijn van dertig dagen.]1
§ 3. Voor het verstrijken van de vergunning op proef doet de bevoegde overheid overeenkomstig titel 3, hoofdstuk 9, afdeling 1, uitspraak over de verdere exploitatie na de proefvergunning van de ingedeelde inrichting of activiteit.
§ 4. De beslissing wordt bekendgemaakt overeenkomstig titel 3, hoofdstuk 9, afdeling 3.
§ 2. Ten minste vier maanden voor het verstrijken van de omgevingsvergunning op proef vraagt het bevoegde bestuur advies aan :
1° de POVC of de GOVC als ze bij of krachtens artikel 25 of artikel 60 van het decreet van 25 april 2014 zijn aangewezen om advies te verlenen in de procedure die tot de beslissing heeft geleid waaraan de overheid haar bevoegdheid ontleent om definitief uitspraak te doen over de vergunning na de omgevingsvergunning op proef;
2° als de POVC of de GOVC geen adviesbevoegdheid heeft :
a) het adviserend schepencollege, als het is aangewezen om advies te verlenen in de procedure die tot de beslissing heeft geleid waaraan de overheid haar bevoegdheid ontleent om definitief uitspraak te doen over de vergunningsaanvraag na de omgevingsvergunning op proef;
b) de adviesinstanties, vermeld in artikel 37 van dit besluit, die zijn aangewezen om advies te verlenen in de procedure die tot de beslissing heeft geleid waaraan de overheid haar bevoegdheid ontleent om definitief uitspraak te doen over de vergunningsaanvraag na de omgevingsvergunning op proef;
3° de toezichthouder die conform titel XVI van het DABM bevoegd is.
Als de POVC respectievelijk de GOVC adviesbevoegdheid heeft, worden de adviezen van het adviserend schepencollege en van de adviesinstanties, vermeld in artikel 37, door de betrokken commissie gevraagd als voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 2°, a), respectievelijk b).
Het advies over de verdere exploitatie na de omgevingsvergunning op proef wordt gegeven binnen een vervaltermijn van :
1° dertig dagen voor de adviesinstanties, vermeld in artikel 37, en het adviserend schepencollege;
2° zestig dagen voor de POVC of de GOVC.
Als er geen advies is binnen de gestelde vervaltermijnen, wordt aangenomen dat akkoord wordt gegaan met de verdere exploitatie na de omgevingsvergunning op proef van de ingedeelde inrichting of activiteit.
[1 Het advies van de toezichthouder, vermeld in het eerste lid, 3°, bestaat uit een evaluatie van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit tijdens de proefperiode en wordt gegeven binnen een termijn van dertig dagen.]1
§ 3. Voor het verstrijken van de vergunning op proef doet de bevoegde overheid overeenkomstig titel 3, hoofdstuk 9, afdeling 1, uitspraak over de verdere exploitatie na de proefvergunning van de ingedeelde inrichting of activiteit.
§ 4. De beslissing wordt bekendgemaakt overeenkomstig titel 3, hoofdstuk 9, afdeling 3.
Art. 95. § 1er. Une décision sur la poursuite de l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée après le permis d'environnement à l'essai est prise conformément à la procédure visée aux paragraphes 2 à 4 inclus.
§ 2. Au moins quatre mois avant l'expiration du permis d'environnement à l'essai, l'administration compétente sollicite l'avis :
1° de la POVC ou de la GOVC lorsqu'elles ont été désignées par ou en vertu de l'article 25 ou de l'article 60 du décret du 25 avril 2014 pour rendre un avis dans la procédure qui a conduit à la décision qui confère à l'autorité le pouvoir de statuer définitivement sur le permis après le permis d'environnement à l'essai ;
2° si la POVC ou la GOVC n'a pas de compétence d'avis :
a) du collège consultatif des échevins lorsqu'il a été désigné pour rendre un avis dans la procédure qui a conduit à la décision qui confère à l'autorité le pouvoir de statuer définitivement sur la demande de permis après le permis d'environnement à l'essai ;
b) des instances d'avis, visées à l'article 37 du présent arrêté, qui ont été désignées pour rendre un avis dans la procédure qui a conduit à la décision qui confère à l'autorité le pouvoir de statuer définitivement sur la demande de permis après le permis d'environnement à l'essai ;
3° du contrôleur compétent conformément au titre XVI du DABM.
Si la POVC ou la GOVC dispose d'une compétence d'avis, les avis du collège consultatif des échevins et des instances d'avis visées à l'article 37 sont demandés par la commission concernée lorsqu'il est satisfait aux conditions visées à l'alinéa 1er, point 2°, a) ou b).
L'avis sur la poursuite de l'exploitation après le permis d'environnement à l'essai est rendu dans un délai de :
1° trente jours pour les instances d'avis, visées à l'article 37 et le collège consultatif des échevins ;
2° soixante jours pour la POVC ou la GOVC.
A défaut d'avis dans le délai fixé, la poursuite de l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée après le permis d'environnement à l'essai est considérée comme acceptée.
[1 L'avis du contrôleur visé à l'alinéa 1er, 3°, consiste en une évaluation de l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée durant la période d'essai et est rendu dans le délai de trente jours.]1
§ 3. Avant l'expiration du permis à l'essai, l'autorité compétente statue, conformément au titre 3, chapitre 9, section1re, sur la poursuite de l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée après le permis à l'essai.
§ 4. La décision est annoncée conformément au titre 3, chapitre 9, section 3.
§ 2. Au moins quatre mois avant l'expiration du permis d'environnement à l'essai, l'administration compétente sollicite l'avis :
1° de la POVC ou de la GOVC lorsqu'elles ont été désignées par ou en vertu de l'article 25 ou de l'article 60 du décret du 25 avril 2014 pour rendre un avis dans la procédure qui a conduit à la décision qui confère à l'autorité le pouvoir de statuer définitivement sur le permis après le permis d'environnement à l'essai ;
2° si la POVC ou la GOVC n'a pas de compétence d'avis :
a) du collège consultatif des échevins lorsqu'il a été désigné pour rendre un avis dans la procédure qui a conduit à la décision qui confère à l'autorité le pouvoir de statuer définitivement sur la demande de permis après le permis d'environnement à l'essai ;
b) des instances d'avis, visées à l'article 37 du présent arrêté, qui ont été désignées pour rendre un avis dans la procédure qui a conduit à la décision qui confère à l'autorité le pouvoir de statuer définitivement sur la demande de permis après le permis d'environnement à l'essai ;
3° du contrôleur compétent conformément au titre XVI du DABM.
Si la POVC ou la GOVC dispose d'une compétence d'avis, les avis du collège consultatif des échevins et des instances d'avis visées à l'article 37 sont demandés par la commission concernée lorsqu'il est satisfait aux conditions visées à l'alinéa 1er, point 2°, a) ou b).
L'avis sur la poursuite de l'exploitation après le permis d'environnement à l'essai est rendu dans un délai de :
1° trente jours pour les instances d'avis, visées à l'article 37 et le collège consultatif des échevins ;
2° soixante jours pour la POVC ou la GOVC.
A défaut d'avis dans le délai fixé, la poursuite de l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée après le permis d'environnement à l'essai est considérée comme acceptée.
[1 L'avis du contrôleur visé à l'alinéa 1er, 3°, consiste en une évaluation de l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée durant la période d'essai et est rendu dans le délai de trente jours.]1
§ 3. Avant l'expiration du permis à l'essai, l'autorité compétente statue, conformément au titre 3, chapitre 9, section1re, sur la poursuite de l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée après le permis à l'essai.
§ 4. La décision est annoncée conformément au titre 3, chapitre 9, section 3.
Art. 96. Tenzij de beslissing is genomen door de overheid die conform artikel 52 van het decreet van 25 april 2014 bevoegd is, staat tegen de verdere exploitatie na de omgevingsvergunning op proef het administratieve beroep, vermeld in artikel 52 van het decreet van 25 april 2014, open.
Art. 96. A moins que la décision n'ait été prise par l'autorité compétente conformément à l'article 52 du décret du 25 avril 2014, la poursuite de l'exploitation après le permis d'environnement à l'essai est passible du recours administratif visé à l'article 52 du décret du 25 avril 2014.
Hoofdstuk 13. - Actualisatie van de gecoördineerde omgevingsvergunning
Chapitre 13. - Actualisation du permis d'environnement coordonné
Afdeling 1. - Actualisatie als gevolg van overdracht
Section 1re. - Actualisation consécutive à une cession
Art. 97. § 1. De [1 ...]1 overdracht van een omgevingsvergunning wat betreft de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit, vermeld in artikel 79 van het decreet van 25 april 2014, wordt door de exploitant aan wie de omgevingsvergunning wordt overgedragen, voorafgaand aan de overdracht met een beveiligde zending gemeld aan de overheid die bevoegd is voor het project vóór de overdracht conform artikel 15 van het decreet van 25 april 2014.
De exploitant gebruikt hiertoe :
1° het formulier, opgenomen in bijlage 4, die bij dit besluit is gevoegd;
2° de in het formulier aangewezen addenda uit de addenda-bibliotheek die is opgenomen in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd.
De melding omvat de gegevens die als verplicht in te vullen of bij te voegen voorgeschreven zijn in het formulier en de desbetreffende addenda.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, zijn gemachtigd gezamenlijk het formulier en de addenda-bibliotheek, vermeld in het tweede lid, en de dossiersamenstelling te wijzigen, waarbij minstens de volgende gegevens worden gevraagd :
1° het voorwerp van de overdracht, met inbegrip van de gecoördineerde toestand van de vergunde inrichting of activiteit, zoals deze na overdracht geldt;
2° de identificatiegegevens van de betrokken exploitanten.
§ 2. [2 ...]2
De exploitant gebruikt hiertoe :
1° het formulier, opgenomen in bijlage 4, die bij dit besluit is gevoegd;
2° de in het formulier aangewezen addenda uit de addenda-bibliotheek die is opgenomen in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd.
De melding omvat de gegevens die als verplicht in te vullen of bij te voegen voorgeschreven zijn in het formulier en de desbetreffende addenda.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, zijn gemachtigd gezamenlijk het formulier en de addenda-bibliotheek, vermeld in het tweede lid, en de dossiersamenstelling te wijzigen, waarbij minstens de volgende gegevens worden gevraagd :
1° het voorwerp van de overdracht, met inbegrip van de gecoördineerde toestand van de vergunde inrichting of activiteit, zoals deze na overdracht geldt;
2° de identificatiegegevens van de betrokken exploitanten.
§ 2. [2 ...]2
Art. 97. § 1er. La cession [1 ...]1 d'un permis d'environnement en ce qui concerne l'exploitation d'un établissement classé ou d'une activité classée, visée à l'article 79 du décret du 25 avril 2014, est déclarée par envoi sécurisé par l'exploitant auquel le permis d'environnement est cédé, préalablement à la cession, à l'autorité compétente pour le projet avant la cession conformément à l'article 15 du décret du 25 avril 2014.
A cet effet, l'exploitant utilise :
1° le formulaire repris à l'annexe 4 jointe au présent arrêté ;
2° les avenants, indiqués sur le formulaire, issus de la bibliothèque d'avenants reprise à l'annexe 2 jointe au présent arrêté.
La déclaration comprend les données prescrites comme devant être obligatoirement remplies ou jointes sur le formulaire et dans les avenants concernés.
Le ministre flamand qui a l'aménagement du territoire dans ses attributions et le ministre flamand qui a l'environnement dans ses attributions sont autorisés à modifier conjointement le formulaire et la bibliothèque d'avenants visés à l'alinéa 2, ainsi que la composition du dossier, les données minimales demandées étant les suivantes :
1° l'objet de la cession, y compris la situation coordonnée de l'établissement autorisé ou de l'activité autorisée, telle qu'elle s'applique après la cession ;
2° les données d'identification des exploitants concernés.
§ 2. [2 ...]2
A cet effet, l'exploitant utilise :
1° le formulaire repris à l'annexe 4 jointe au présent arrêté ;
2° les avenants, indiqués sur le formulaire, issus de la bibliothèque d'avenants reprise à l'annexe 2 jointe au présent arrêté.
La déclaration comprend les données prescrites comme devant être obligatoirement remplies ou jointes sur le formulaire et dans les avenants concernés.
Le ministre flamand qui a l'aménagement du territoire dans ses attributions et le ministre flamand qui a l'environnement dans ses attributions sont autorisés à modifier conjointement le formulaire et la bibliothèque d'avenants visés à l'alinéa 2, ainsi que la composition du dossier, les données minimales demandées étant les suivantes :
1° l'objet de la cession, y compris la situation coordonnée de l'établissement autorisé ou de l'activité autorisée, telle qu'elle s'applique après la cession ;
2° les données d'identification des exploitants concernés.
§ 2. [2 ...]2
Afdeling 2. - Actualisatie als gevolg van de stopzetting of het verval van de exploitatie
Section 2. - Actualisation consécutive à la cessation ou à l'expiration de l'exploitation
Art. 98. De exploitant van een ingedeelde inrichting of activiteit meldt met een beveiligde zending binnen twee maanden nadat een van de volgende gebeurtenissen zich heeft voorgedaan, aan de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 van het decreet van 25 april 2014 :
1° het verval van de vergunning [1 die de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit tot voorwerp heeft]1, vermeld in artikel 99 van het decreet van 25 april 2014;
2° de vrijwillige gedeeltelijke of gehele definitieve stopzetting van de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit.
De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 van het decreet van 25 april 2014, zal als gevolg van de melding, vermeld in het eerste lid, het vergunningsbesluit actualiseren.
[1 De persoon die de melding verricht, gebruikt daarvoor :
1° het formulier, opgenomen in bijlage 20, die bij dit besluit is gevoegd;
2° de in het formulier, vermeld in punt 1°, aangewezen addenda uit de addenda-bibliotheek die is opgenomen in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, zijn gemachtigd gezamenlijk het formulier en de addenda-bibliotheek, vermeld in het vorige lid, te wijzigen.]1
1° het verval van de vergunning [1 die de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit tot voorwerp heeft]1, vermeld in artikel 99 van het decreet van 25 april 2014;
2° de vrijwillige gedeeltelijke of gehele definitieve stopzetting van de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit.
De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 van het decreet van 25 april 2014, zal als gevolg van de melding, vermeld in het eerste lid, het vergunningsbesluit actualiseren.
[1 De persoon die de melding verricht, gebruikt daarvoor :
1° het formulier, opgenomen in bijlage 20, die bij dit besluit is gevoegd;
2° de in het formulier, vermeld in punt 1°, aangewezen addenda uit de addenda-bibliotheek die is opgenomen in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, zijn gemachtigd gezamenlijk het formulier en de addenda-bibliotheek, vermeld in het vorige lid, te wijzigen.]1
Art. 98. Dans les deux mois de la survenance de l'un des événements ci-après, l'exploitant d'un établissement classé ou d'une activité classée signale à l'autorité compétente visée à l'article 15 du décret du 25 avril 2014 par envoi sécurisé :
1° l'expiration du permis [1 ayant pour objet l'exploitation d'un établissement classé ou d'une activité classée]1 visé à l'article 99 du décret du 25 avril 2014 ;
2° la cessation définitive partielle ou totale volontaire de l'exploitation d'un établissement classé ou d'une activité classée.
L'autorité compétente visée à l'article 15 du décret du 25 avril 2014 actualisera la décision d'autorisation en conséquence de la déclaration visée à l'alinéa 1er.
[1 La personne qui effectue la déclaration utilise à cet effet :
1° le formulaire repris à l'annexe 20 jointe au présent arrêté ;
2° les avenants, indiqués sur le formulaire visé au point 1°, issus de la bibliothèque d'avenants reprise à l'annexe 2 jointe au présent arrêté.
Le ministre flamand qui a l'aménagement du territoire dans ses attributions et le ministre flamand qui a l'environnement dans ses attributions sont autorisés à modifier conjointement le formulaire et la bibliothèque d'avenants, visés à l'alinéa précédent.]1
1° l'expiration du permis [1 ayant pour objet l'exploitation d'un établissement classé ou d'une activité classée]1 visé à l'article 99 du décret du 25 avril 2014 ;
2° la cessation définitive partielle ou totale volontaire de l'exploitation d'un établissement classé ou d'une activité classée.
L'autorité compétente visée à l'article 15 du décret du 25 avril 2014 actualisera la décision d'autorisation en conséquence de la déclaration visée à l'alinéa 1er.
[1 La personne qui effectue la déclaration utilise à cet effet :
1° le formulaire repris à l'annexe 20 jointe au présent arrêté ;
2° les avenants, indiqués sur le formulaire visé au point 1°, issus de la bibliothèque d'avenants reprise à l'annexe 2 jointe au présent arrêté.
Le ministre flamand qui a l'aménagement du territoire dans ses attributions et le ministre flamand qui a l'environnement dans ses attributions sont autorisés à modifier conjointement le formulaire et la bibliothèque d'avenants, visés à l'alinéa précédent.]1
Afdeling 3. - Actualisatie als gevolg van een vergunning, verleend voor de verandering van de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit
Section 3. - Actualisation consécutive à un permis octroyé pour la modification de l'exploitation d'un établissement classé ou d'une activité classée
TITEL 4. - Het bijstellen van de omgevingsvergunning
TITRE 4. - L'actualisation du permis d'environnement
Hoofdstuk 1. - De bijstelling van de [1 voorwaarden]1, vermeld in hoofdstuk 6, afdeling 1, van het decreet van 25 april 2014, in eerste administratieve aanleg
Chapitre 1er. - L'actualisation des [1 conditions]1 visées au chapitre 6, section 1re, du décret du 25 avril 2014 en première instance administrative
Afdeling 1. - De indiening van het verzoek en ambtshalve initiatief
Section 1re. - L'introduction de la demande et l'initiative d'office
Art. 100. [1 De volgende gemotiveerde verzoeken worden met een beveiligde zending ingediend bij de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 van het decreet van 25 april 2014:
1° het verzoek tot bijstelling van de in de omgevingsvergunning opgelegde bijzondere milieuvoorwaarden, vermeld in artikel 82 van het decreet van 25 april 2014;
2° het verzoek van de vergunninghouder of exploitant tot bijstelling van de in de omgevingsvergunning opgelegde voorwaarden, vermeld in artikel 82/1 van het decreet van 25 april 2014.]1
De verzoeker gebruikt hiertoe :
1° het formulier, opgenomen in bijlage 5, die bij dit besluit is gevoegd;
2° de in het formulier aangewezen addenda uit de addenda-bibliotheek die is opgenomen in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd.
Het gemotiveerde verzoek omvat de gegevens die als verplicht in te vullen of bij te voegen voorgeschreven zijn in het formulier en de desbetreffende addenda.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, zijn gemachtigd gezamenlijk het formulier en de addenda-bibliotheek, vermeld in het tweede lid, en de dossiersamenstelling te wijzigen, waarbij minstens de volgende gegevens worden gevraagd :
1° het voorwerp van het verzoek;
2° de identificatiegegevens van [1 de plaats waarop het verzoek betrekking heeft]1;
3° de identificatiegegevens van de verzoeker.
1° het verzoek tot bijstelling van de in de omgevingsvergunning opgelegde bijzondere milieuvoorwaarden, vermeld in artikel 82 van het decreet van 25 april 2014;
2° het verzoek van de vergunninghouder of exploitant tot bijstelling van de in de omgevingsvergunning opgelegde voorwaarden, vermeld in artikel 82/1 van het decreet van 25 april 2014.]1
De verzoeker gebruikt hiertoe :
1° het formulier, opgenomen in bijlage 5, die bij dit besluit is gevoegd;
2° de in het formulier aangewezen addenda uit de addenda-bibliotheek die is opgenomen in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd.
Het gemotiveerde verzoek omvat de gegevens die als verplicht in te vullen of bij te voegen voorgeschreven zijn in het formulier en de desbetreffende addenda.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, zijn gemachtigd gezamenlijk het formulier en de addenda-bibliotheek, vermeld in het tweede lid, en de dossiersamenstelling te wijzigen, waarbij minstens de volgende gegevens worden gevraagd :
1° het voorwerp van het verzoek;
2° de identificatiegegevens van [1 de plaats waarop het verzoek betrekking heeft]1;
3° de identificatiegegevens van de verzoeker.
Art. 100. [1 Les demandes motivées suivantes sont introduites par envoi sécurisé auprès de l'autorité compétente visée à l'article 15 du décret du 25 avril 2014 :
1° la demande d'actualisation des conditions environnementales particulières imposées dans le permis d'environnement, visées à l'article 82 du décret du 25 avril 2014 ;
2° la demande du titulaire du permis ou de l'exploitant tendant à l'actualisation des conditions environnementales particulières imposées dans le permis d'environnement, visées à l'article 82/1 du décret du 25 avril 2014.]1
A cet effet, le demandeur utilise :
1° le formulaire repris à l'annexe 5 jointe au présent arrêté ;
2° les avenants, indiqués sur le formulaire, issus de la bibliothèque d'avenants reprise à l'annexe 2 jointe au présent arrêté.
La demande motivée comprend les données prescrites comme devant être obligatoirement remplies ou jointes sur le formulaire et dans les avenants concernés.
Le ministre flamand qui a l'aménagement du territoire dans ses attributions et le ministre flamand qui a l'environnement dans ses attributions sont autorisés à modifier conjointement le formulaire et la bibliothèque d'avenants, visés à l'alinéa 2, ainsi que la composition du dossier, les données minimales demandées étant les suivantes :
1° l'objet de la demande ;
2° les données d'identification du [1 lieu visé par la demande]1 ;
3° les données d'identification du demandeur.
1° la demande d'actualisation des conditions environnementales particulières imposées dans le permis d'environnement, visées à l'article 82 du décret du 25 avril 2014 ;
2° la demande du titulaire du permis ou de l'exploitant tendant à l'actualisation des conditions environnementales particulières imposées dans le permis d'environnement, visées à l'article 82/1 du décret du 25 avril 2014.]1
A cet effet, le demandeur utilise :
1° le formulaire repris à l'annexe 5 jointe au présent arrêté ;
2° les avenants, indiqués sur le formulaire, issus de la bibliothèque d'avenants reprise à l'annexe 2 jointe au présent arrêté.
La demande motivée comprend les données prescrites comme devant être obligatoirement remplies ou jointes sur le formulaire et dans les avenants concernés.
Le ministre flamand qui a l'aménagement du territoire dans ses attributions et le ministre flamand qui a l'environnement dans ses attributions sont autorisés à modifier conjointement le formulaire et la bibliothèque d'avenants, visés à l'alinéa 2, ainsi que la composition du dossier, les données minimales demandées étant les suivantes :
1° l'objet de la demande ;
2° les données d'identification du [1 lieu visé par la demande]1 ;
3° les données d'identification du demandeur.
Art. 101. Als de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 van het decreet van 25 april 2014, een initiatief tot ambtshalve bijstelling van de in de omgevingsvergunning opgelegde bijzondere milieuvoorwaarden neemt, zal haar besluit daarvoor de gegevens, vermeld in artikel 100 van dit besluit, omvatten.
Art. 101. Si l'autorité compétente visée à l'article 15 du décret du 25 avril 2014 prend une initiative d'actualisation d'office des conditions environnementales particulières imposées dans le permis d'environnement, sa décision à cet effet contiendra les données visées à l'article 100 du présent arrêté.
Afdeling 2. - Het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek
Section 2. - L'examen de la recevabilité et de l'exhaustivité
Art. 102. Het bevoegde bestuur onderzoekt de ontvankelijkheid en volledigheid van het verzoek tot bijstelling van de in de omgevingsvergunning [1 opgelegde voorwaarden]1.
Bij het onderzoek naar de ontvankelijkheid en volledigheid wordt nagegaan of voldaan is aan de bepalingen van artikel 100 van dit besluit, [1 artikel 82, eerste en tweede lid, en artikel 82/1]1 van het decreet van 25 april 2014.
Het resultaat van het onderzoek naar de ontvankelijkheid en volledigheid van het verzoek tot bijstelling van de in de omgevingsvergunning [1 opgelegde voorwaarden]1 wordt met een beveiligde zending meegedeeld aan de verzoeker binnen een termijn van vijftig dagen vanaf de dag na de datum waarop het verzoek is ingediend.
Op dezelfde dag van de mededeling, vermeld in het derde lid, brengt het bevoegde bestuur de exploitant van de ingedeelde inrichting of activiteit met een beveiligde zending op de hoogte van een ontvankelijk en volledig bevonden verzoek dat niet door hem is ingediend.
Het besluit, vermeld in artikel 101, wordt door het bevoegde bestuur met een beveiligde zending meegedeeld aan de exploitant van de ingedeelde inrichting of activiteit binnen een termijn van vijftig dagen vanaf de dag na de datum waarop het is vastgesteld.
Als het verzoek tot bijstelling van in de omgevingsvergunning [1 opgelegde voorwaarden]1 onontvankelijk of onvolledig wordt bevonden, wordt de procedure definitief stopgezet.
Bij het onderzoek naar de ontvankelijkheid en volledigheid wordt nagegaan of voldaan is aan de bepalingen van artikel 100 van dit besluit, [1 artikel 82, eerste en tweede lid, en artikel 82/1]1 van het decreet van 25 april 2014.
Het resultaat van het onderzoek naar de ontvankelijkheid en volledigheid van het verzoek tot bijstelling van de in de omgevingsvergunning [1 opgelegde voorwaarden]1 wordt met een beveiligde zending meegedeeld aan de verzoeker binnen een termijn van vijftig dagen vanaf de dag na de datum waarop het verzoek is ingediend.
Op dezelfde dag van de mededeling, vermeld in het derde lid, brengt het bevoegde bestuur de exploitant van de ingedeelde inrichting of activiteit met een beveiligde zending op de hoogte van een ontvankelijk en volledig bevonden verzoek dat niet door hem is ingediend.
Het besluit, vermeld in artikel 101, wordt door het bevoegde bestuur met een beveiligde zending meegedeeld aan de exploitant van de ingedeelde inrichting of activiteit binnen een termijn van vijftig dagen vanaf de dag na de datum waarop het is vastgesteld.
Als het verzoek tot bijstelling van in de omgevingsvergunning [1 opgelegde voorwaarden]1 onontvankelijk of onvolledig wordt bevonden, wordt de procedure definitief stopgezet.
Art. 102. L'administration compétente examine la recevabilité et l'exhaustivité de la demande d'actualisation [1 des conditions imposées]1 dans le permis d'environnement.
Lors de l'examen de la recevabilité et de l'exhaustivité, il est vérifié s'il est satisfait aux dispositions de l'article 100 du présent arrêté [1 de l'article 82, alinéas 1er et 2, et de l'article 82/1]1 du décret du 25 avril 2014.
Le résultat de l'examen de la recevabilité et de l'exhaustivité de la demande d'actualisation [1 des conditions imposées]1 dans le permis d'environnement est communiqué par envoi sécurisé au demandeur dans un délai de cinquante jours à compter du jour suivant la date à laquelle la demande a été introduite.
Le même jour que la communication visée à l'alinéa 3, l'administration compétente informe l'exploitant de l'établissement classé ou de l'activité classée par envoi sécurisé d'une demande jugée recevable et complète qui n'a pas été introduite par lui.
L'administration compétente communique par envoi sécurisé la décision visée à l'article 101 à l'exploitant de l'établissement classé ou de l'activité classée, et ce dans un délai de cinquante jours à compter du jour suivant la date à laquelle elle a été arrêtée.
Si la demande d'actualisation [1 des conditions imposées]1 dans le permis d'environnement est jugée irrecevable ou incomplète, il est définitivement mis fin à la procédure.
Lors de l'examen de la recevabilité et de l'exhaustivité, il est vérifié s'il est satisfait aux dispositions de l'article 100 du présent arrêté [1 de l'article 82, alinéas 1er et 2, et de l'article 82/1]1 du décret du 25 avril 2014.
Le résultat de l'examen de la recevabilité et de l'exhaustivité de la demande d'actualisation [1 des conditions imposées]1 dans le permis d'environnement est communiqué par envoi sécurisé au demandeur dans un délai de cinquante jours à compter du jour suivant la date à laquelle la demande a été introduite.
Le même jour que la communication visée à l'alinéa 3, l'administration compétente informe l'exploitant de l'établissement classé ou de l'activité classée par envoi sécurisé d'une demande jugée recevable et complète qui n'a pas été introduite par lui.
L'administration compétente communique par envoi sécurisé la décision visée à l'article 101 à l'exploitant de l'établissement classé ou de l'activité classée, et ce dans un délai de cinquante jours à compter du jour suivant la date à laquelle elle a été arrêtée.
Si la demande d'actualisation [1 des conditions imposées]1 dans le permis d'environnement est jugée irrecevable ou incomplète, il est définitivement mis fin à la procédure.
Afdeling 3. - Het openbaar onderzoek
Section 3. - L'enquête publique
Art. 103. Tenzij het verzoek of ambtshalve initiatief tot bijstelling van de in de omgevingsvergunning [1 opgelegde voorwaarden]1 betrekking heeft op een project dat uitsluitend een tijdelijke inrichting of activiteit omvat, stelt het bevoegde bestuur uiterlijk de dag dat de beslissingstermijn, vermeld in artikel 89, § 3, van het decreet van 25 april 2014, ingaat, het ontvankelijk en volledig bevonden verzoek of het ambtshalve initiatief tot bijstelling ter beschikking van de betrokken gemeente, met de opdracht om een openbaar onderzoek te organiseren.
Als het verzoek of ambtshalve initiatief tot bijstelling van de in de omgevingsvergunning [1 opgelegde voorwaarden]1 uitsluitend betrekking heeft op bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten, wordt in afwijking van het eerste lid het verzoek of ambtshalve initiatief niet ter beschikking gesteld van de betrokken gemeente, maar van de betrokken provincie, met de opdracht om een openbaar onderzoek te organiseren.
[1 Voor de organisatie van het openbaar onderzoek zijn de bepalingen van titel 3, hoofdstuk 5, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
1° de vergunningsaanvraag gelezen moet worden als het verzoek of ambtshalve initiatief tot bijstelling;
2° de vergunningsaanvrager, aanvrager of exploitant gelezen moet worden als de verzoeker of de overheid die het ambtshalve initiatief heeft genomen;
3° in afwijking van artikel 16, tweede lid, de vervaltermijn, vermeld in artikel 16, tweede lid, begint te lopen de zestigste dag na de datum van de indiening van het verzoek;
4° in afwijking van artikel 17, eerste lid, 1°, er in de mededeling op de website gemeld wordt dat een verzoek tot bijstelling is ingediend dan wel een ambtshalve initiatief tot bijstelling is genomen;
5° in afwijking van artikel 20, § 1, het opschrift van de affiche "BEKENDMAKING OPENBAAR ONDERZOEK OVER EEN VERZOEK TOT BIJSTELLING VAN DE VOORWAARDEN" of "BEKENDMAKING OPENBAAR ONDERZOEK OVER EEN AMBTSHALVE INITIATIEF TOT BIJSTELLING VAN DE VOORWAARDEN" luidt.]1
Als het verzoek of ambtshalve initiatief tot bijstelling van de in de omgevingsvergunning [1 opgelegde voorwaarden]1 uitsluitend betrekking heeft op bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten, wordt in afwijking van het eerste lid het verzoek of ambtshalve initiatief niet ter beschikking gesteld van de betrokken gemeente, maar van de betrokken provincie, met de opdracht om een openbaar onderzoek te organiseren.
[1 Voor de organisatie van het openbaar onderzoek zijn de bepalingen van titel 3, hoofdstuk 5, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
1° de vergunningsaanvraag gelezen moet worden als het verzoek of ambtshalve initiatief tot bijstelling;
2° de vergunningsaanvrager, aanvrager of exploitant gelezen moet worden als de verzoeker of de overheid die het ambtshalve initiatief heeft genomen;
3° in afwijking van artikel 16, tweede lid, de vervaltermijn, vermeld in artikel 16, tweede lid, begint te lopen de zestigste dag na de datum van de indiening van het verzoek;
4° in afwijking van artikel 17, eerste lid, 1°, er in de mededeling op de website gemeld wordt dat een verzoek tot bijstelling is ingediend dan wel een ambtshalve initiatief tot bijstelling is genomen;
5° in afwijking van artikel 20, § 1, het opschrift van de affiche "BEKENDMAKING OPENBAAR ONDERZOEK OVER EEN VERZOEK TOT BIJSTELLING VAN DE VOORWAARDEN" of "BEKENDMAKING OPENBAAR ONDERZOEK OVER EEN AMBTSHALVE INITIATIEF TOT BIJSTELLING VAN DE VOORWAARDEN" luidt.]1
Art. 103. A moins que la demande ou l'initiative d'office d'actualisation des [1 conditions imposées]1 dans le permis d'environnement ne porte sur un projet comportant exclusivement un établissement ou une activité temporaire, l'administration compétente met, au plus tard le jour où le délai de décision visé à l'article 89, § 3, du décret du 25 avril 2014 commence à courir, la demande jugée recevable et complète ou l'initiative d'office d'actualisation à la disposition de la commune concernée en la chargeant d'organiser une enquête publique.
Si la demande ou l'initiative d'office d'actualisation des [1 conditions imposées]1 dans le permis d'environnement porte exclusivement sur des projets mobiles ou transportables supracommunaux, la demande ou l'initiative d'office n'est, par dérogation à l'alinéa 1er, pas mise à la disposition de la commune concernée mais de la province concernée chargée d'organiser une enquête publique.
[1 Pour l'organisation de l'enquête publique, les dispositions du titre 3, chapitre 5, s'appliquent par analogie étant entendu que :
1° il convient de lire la demande de permis comme la demande ou l'initiative d'office tendant à l'actualisation ;
2° il convient de lire le demandeur du permis, le demandeur ou l'exploitant comme le demandeur ou l'autorité qui a pris l'initiative d'office ;
3° par dérogation à l'article 16, alinéa 2, le délai de forclusion visé à l'article 16, alinéa 2, commence à courir le soixantième jour suivant la date de l'introduction de la demande ;
4° par dérogation à l'article 17, alinéa 1er, 1°, il est précisé dans la communication sur le site Internet qu'une demande d'actualisation a été introduite ou qu'une initiative d'office tendant à l'actualisation a été prise ;
5° par dérogation à l'article 20, § 1er, l'affiche est intitulée " AVIS ENQUETE PUBLIQUE SUR UNE DEMANDE D'ACTUALISATION DES CONDITIONS " ou " AVIS ENQUETE PUBLIQUE SUR UNE INITIATIVE D'OFFICE TENDANT A L'ACTUALISATION DES CONDITIONS ".]1
Si la demande ou l'initiative d'office d'actualisation des [1 conditions imposées]1 dans le permis d'environnement porte exclusivement sur des projets mobiles ou transportables supracommunaux, la demande ou l'initiative d'office n'est, par dérogation à l'alinéa 1er, pas mise à la disposition de la commune concernée mais de la province concernée chargée d'organiser une enquête publique.
[1 Pour l'organisation de l'enquête publique, les dispositions du titre 3, chapitre 5, s'appliquent par analogie étant entendu que :
1° il convient de lire la demande de permis comme la demande ou l'initiative d'office tendant à l'actualisation ;
2° il convient de lire le demandeur du permis, le demandeur ou l'exploitant comme le demandeur ou l'autorité qui a pris l'initiative d'office ;
3° par dérogation à l'article 16, alinéa 2, le délai de forclusion visé à l'article 16, alinéa 2, commence à courir le soixantième jour suivant la date de l'introduction de la demande ;
4° par dérogation à l'article 17, alinéa 1er, 1°, il est précisé dans la communication sur le site Internet qu'une demande d'actualisation a été introduite ou qu'une initiative d'office tendant à l'actualisation a été prise ;
5° par dérogation à l'article 20, § 1er, l'affiche est intitulée " AVIS ENQUETE PUBLIQUE SUR UNE DEMANDE D'ACTUALISATION DES CONDITIONS " ou " AVIS ENQUETE PUBLIQUE SUR UNE INITIATIVE D'OFFICE TENDANT A L'ACTUALISATION DES CONDITIONS ".]1
Afdeling 4. - Adviesverlening
Section 4. - Services de conseil
Art. 104. § 1. Het bevoegde bestuur zal uiterlijk de dag dat de beslissingstermijn, vermeld in artikel 89, § 3, van het decreet van 25 april 2014, ingaat, het ontvankelijk en volledig bevonden verzoek of ambtshalve initiatief tot bijstelling van de in de omgevingsvergunning [2 opgelegde voorwaarden]2 voor advies ter beschikking stellen van :
1° het adviserend schepencollege als :
a) het betrokken college van burgemeester en schepenen niet de bevoegde overheid is conform artikel 15 van het decreet van 25 april 2014;
b) het betrokken college van burgemeester en schepenen of de gemeentelijke omgevingsambtenaar niet het verzoek tot bijstelling heeft ingediend;
c) het advies van een omgevingsvergunningscommissie niet vereist is;
d) het verzoek tot bijstelling geen betrekking heeft op bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten;
2° [1 de bevoegde omgevingsvergunningscommissie als deze over de vergunningsaanvraag in eerste aanleg een advies geeft;]1
3° als de POVC of de GOVC geen adviesbevoegdheid heeft, de adviesinstanties, [2 vermeld in artikel 35, 37, 38/1 en 38/3]2, als die adviesinstanties :
a) over de vergunningsaanvraag in eerste administratieve aanleg een advies geven;
b) niet zelf een verzoek tot bijstelling van de milieuvoorwaarden hebben ingediend of de exploitant zijn.
Als de omgevingsvergunningscommissie om advies wordt gevraagd, stelt ze binnen tien dagen nadat haar het verzoek of ambtshalve initiatief ter beschikking is gesteld, dat op haar beurt ter beschikking van :
1° [2 door de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning en de afdeling RO, bevoegd voor de omgevingsvergunning:]2
a) zestig dagen als het een advies aan de POVC of de GOVC betreft;
b) vijftig dagen in alle andere gevallen dan het geval, vermeld in punt a);
2° de adviesinstanties die zijn aangewezen in het eerste lid, 3°, met het verzoek om advies uit te brengen;
3° de overige leden van de betrokken omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 39, respectievelijk artikel 40.
§ 2. [1 De volgende vervaltermijnen worden gehanteerd voor de advisering :
1° [2 door de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning en de afdeling RO, bevoegd voor de omgevingsvergunning]2
a) zestig dagen als het een advies aan de POVC of de GOVC betreft;
b) vijftig dagen in alle andere gevallen dan het geval, vermeld in punt a);
2° door het adviserende schepencollege en de overige adviesinstanties : vijftig dagen.]1
De bevoegde omgevingsvergunningscommissie brengt een advies uit binnen een termijn van negentig dagen.
De termijnen, vermeld in het eerste en het tweede lid, vangen aan de dag nadat het verzoek of ambtshalve initiatief ter beschikking is gesteld.
Als geen advies wordt uitgebracht binnen de termijn, vermeld in het eerste of tweede lid, wordt het advies geacht gunstig te zijn voor de gevraagde bijstelling [2 ...]2.
§ 3. De personen en instanties die een verzoek tot bijstelling van de in de omgevingsvergunning [2 opgelegde voorwaarden]2 hebben ingediend, of de exploitant als die niet zelf de indiener van verzoek is, worden op hun verzoek gehoord door :
1° de bevoegde omgevingsvergunningscommissie, als een advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is;
2° de bevoegde overheid of de door haar gemachtigde ambtenaar, als een advies van een omgevingsvergunningscommissie niet vereist is.
Het verzoek om gehoord te worden, wordt, op straffe van onontvankelijkheid ervan, gesteld in het verzoek tot bijstelling van de in de omgevingsvergunning opgelegde milieuvoorwaarden, of, voor de exploitant, als hij niet zelf het verzoek indient, binnen veertien dagen na de dag dat hem het ontvankelijk en volledig bevonden verzoek of ambtshalve initiatief, conform artikel 102, vierde respectievelijk vijfde lid, wordt meegedeeld.
§ 4. [2 ...]2
§ 5. Artikel 29 van het decreet van 25 april 2014 is van overeenkomstige toepassing op de bijstelling van de in de omgevingsvergunning [2 opgelegde voorwaarden]2.
1° het adviserend schepencollege als :
a) het betrokken college van burgemeester en schepenen niet de bevoegde overheid is conform artikel 15 van het decreet van 25 april 2014;
b) het betrokken college van burgemeester en schepenen of de gemeentelijke omgevingsambtenaar niet het verzoek tot bijstelling heeft ingediend;
c) het advies van een omgevingsvergunningscommissie niet vereist is;
d) het verzoek tot bijstelling geen betrekking heeft op bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten;
2° [1 de bevoegde omgevingsvergunningscommissie als deze over de vergunningsaanvraag in eerste aanleg een advies geeft;]1
3° als de POVC of de GOVC geen adviesbevoegdheid heeft, de adviesinstanties, [2 vermeld in artikel 35, 37, 38/1 en 38/3]2, als die adviesinstanties :
a) over de vergunningsaanvraag in eerste administratieve aanleg een advies geven;
b) niet zelf een verzoek tot bijstelling van de milieuvoorwaarden hebben ingediend of de exploitant zijn.
Als de omgevingsvergunningscommissie om advies wordt gevraagd, stelt ze binnen tien dagen nadat haar het verzoek of ambtshalve initiatief ter beschikking is gesteld, dat op haar beurt ter beschikking van :
1° [2 door de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning en de afdeling RO, bevoegd voor de omgevingsvergunning:]2
a) zestig dagen als het een advies aan de POVC of de GOVC betreft;
b) vijftig dagen in alle andere gevallen dan het geval, vermeld in punt a);
2° de adviesinstanties die zijn aangewezen in het eerste lid, 3°, met het verzoek om advies uit te brengen;
3° de overige leden van de betrokken omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 39, respectievelijk artikel 40.
§ 2. [1 De volgende vervaltermijnen worden gehanteerd voor de advisering :
1° [2 door de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning en de afdeling RO, bevoegd voor de omgevingsvergunning]2
a) zestig dagen als het een advies aan de POVC of de GOVC betreft;
b) vijftig dagen in alle andere gevallen dan het geval, vermeld in punt a);
2° door het adviserende schepencollege en de overige adviesinstanties : vijftig dagen.]1
De bevoegde omgevingsvergunningscommissie brengt een advies uit binnen een termijn van negentig dagen.
De termijnen, vermeld in het eerste en het tweede lid, vangen aan de dag nadat het verzoek of ambtshalve initiatief ter beschikking is gesteld.
Als geen advies wordt uitgebracht binnen de termijn, vermeld in het eerste of tweede lid, wordt het advies geacht gunstig te zijn voor de gevraagde bijstelling [2 ...]2.
§ 3. De personen en instanties die een verzoek tot bijstelling van de in de omgevingsvergunning [2 opgelegde voorwaarden]2 hebben ingediend, of de exploitant als die niet zelf de indiener van verzoek is, worden op hun verzoek gehoord door :
1° de bevoegde omgevingsvergunningscommissie, als een advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is;
2° de bevoegde overheid of de door haar gemachtigde ambtenaar, als een advies van een omgevingsvergunningscommissie niet vereist is.
Het verzoek om gehoord te worden, wordt, op straffe van onontvankelijkheid ervan, gesteld in het verzoek tot bijstelling van de in de omgevingsvergunning opgelegde milieuvoorwaarden, of, voor de exploitant, als hij niet zelf het verzoek indient, binnen veertien dagen na de dag dat hem het ontvankelijk en volledig bevonden verzoek of ambtshalve initiatief, conform artikel 102, vierde respectievelijk vijfde lid, wordt meegedeeld.
§ 4. [2 ...]2
§ 5. Artikel 29 van het decreet van 25 april 2014 is van overeenkomstige toepassing op de bijstelling van de in de omgevingsvergunning [2 opgelegde voorwaarden]2.
Art. 104. § 1er. Au plus tard le jour où le délai de décision visé à l'article 89, § 3, du décret du 25 avril 2014 commence à courir, l'administration compétente mettra la demande jugée recevable et complète ou l'initiative d'office d'actualisation des [2 conditions imposées]2 dans le permis d'environnement pour avis à la disposition :
1° du collège consultatif des échevins si :
a) le collège des bourgmestre et échevins concerné n'est pas l'autorité compétente conformément à l'article 15 du décret du 25 avril 2014 ;
b) le collège des bourgmestre et échevins concerné ou le fonctionnaire environnement communal n'a pas introduit la demande d'actualisation ;
c) l'avis d'une commission du permis d'environnement n'est pas requis ;
d) la demande d'actualisation ne porte pas sur des projets mobiles ou transportables supracommunaux ;
2° [1 de la commission du permis d'environnement compétente si celle-ci rend un avis au sujet de la demande de permis en première instance administrative;]1
3° si la POVC ou la GOVC n'a pas de compétence d'avis, des instances d'avis [2 visées aux articles 35, 37, 38/1 et 38/3]2, si ces instances d'avis :
a) rendent un avis au sujet de la demande de permis en première instance administrative ;
b) n'ont pas introduit elles-mêmes de demande d'actualisation des conditions environnementales ou sont l'exploitant.
Lorsque l'avis de la commission du permis d'environnement est demandé, elle met à son tour, dans les dix jours suivant la mise à sa disposition de la demande ou de l'initiative d'office, la demande ou l'initiative d'office à la disposition :
1° du collège consultatif des échevins en lui demandant de rendre un avis, sauf lorsque :
a) le collège des bourgmestre et échevins concerné ou le fonctionnaire environnement communal a introduit la demande d'actualisation ;
b) la demande d'actualisation porte sur des projets mobiles ou transportables supracommunaux ;
2° des instances d'avis désignées à l'alinéa 1er, point 3°, en leur demandant de rendre un avis ;
3° des autres membres de la commission du permis d'environnement concernée, visés à l'article 39 ou 40.
§ 2. [1 Les délais suivants sont appliqués pour les avis rendus :
1° [2 par la division de l'Environnement compétente pour le permis d'environnement et la division de l'Aménagement du Territoire compétente pour le permis d'environnement :]2
a) soixante jours s'il s'agit d'un avis à la POVC ou à la GOVC ;
b) cinquante jours dans tous les cas autres que celui visé au point a);
2° par le collège consultatif des échevins et les autres instances d'avis : cinquante jours.]1
La commission du permis d'environnement compétente rend un avis dans un délai de nonante jours.
Les délais visés aux premier et deuxième alinéas prennent cours le jour suivant la mise à disposition de la demande ou l'initiative d'office.
Si aucun avis n'est rendu dans le délai visé à l'alinéa 1er ou 2, l'avis est réputé favorable à l'actualisation demandée [2 ...]2.
§ 3. Les personnes et instances qui ont introduit une demande d'actualisation des [2 conditions imposées]2 dans le permis d'environnement, ou l'exploitant lorsque celui-ci n'est pas lui-même le demandeur, sont entendus par :
1° la commission du permis d'environnement compétente lorsque l'avis d'une commission du permis d'environnement est requis ;
2° l'autorité compétente ou le fonctionnaire mandaté par elle lorsque l'avis d'une commission du permis d'environnement n'est pas requis.
A peine d'irrecevabilité, la demande d'audition est formulée dans la demande d'actualisation des conditions environnementales imposées dans le permis d'environnement ou, pour l'exploitant, s'il n'introduit pas lui-même la demande, dans les quatorze jours suivant le jour où la demande jugée recevable et complète ou l'initiative d'office lui est communiquée conformément à l'article 102, alinéa 4 ou 5.
§ 4. [2 ...]2
§ 5. L'article 29 du décret du 25 avril 2014 s'applique par analogie à l'actualisation des [2 conditions imposées]2 dans le permis d'environnement.
1° du collège consultatif des échevins si :
a) le collège des bourgmestre et échevins concerné n'est pas l'autorité compétente conformément à l'article 15 du décret du 25 avril 2014 ;
b) le collège des bourgmestre et échevins concerné ou le fonctionnaire environnement communal n'a pas introduit la demande d'actualisation ;
c) l'avis d'une commission du permis d'environnement n'est pas requis ;
d) la demande d'actualisation ne porte pas sur des projets mobiles ou transportables supracommunaux ;
2° [1 de la commission du permis d'environnement compétente si celle-ci rend un avis au sujet de la demande de permis en première instance administrative;]1
3° si la POVC ou la GOVC n'a pas de compétence d'avis, des instances d'avis [2 visées aux articles 35, 37, 38/1 et 38/3]2, si ces instances d'avis :
a) rendent un avis au sujet de la demande de permis en première instance administrative ;
b) n'ont pas introduit elles-mêmes de demande d'actualisation des conditions environnementales ou sont l'exploitant.
Lorsque l'avis de la commission du permis d'environnement est demandé, elle met à son tour, dans les dix jours suivant la mise à sa disposition de la demande ou de l'initiative d'office, la demande ou l'initiative d'office à la disposition :
1° du collège consultatif des échevins en lui demandant de rendre un avis, sauf lorsque :
a) le collège des bourgmestre et échevins concerné ou le fonctionnaire environnement communal a introduit la demande d'actualisation ;
b) la demande d'actualisation porte sur des projets mobiles ou transportables supracommunaux ;
2° des instances d'avis désignées à l'alinéa 1er, point 3°, en leur demandant de rendre un avis ;
3° des autres membres de la commission du permis d'environnement concernée, visés à l'article 39 ou 40.
§ 2. [1 Les délais suivants sont appliqués pour les avis rendus :
1° [2 par la division de l'Environnement compétente pour le permis d'environnement et la division de l'Aménagement du Territoire compétente pour le permis d'environnement :]2
a) soixante jours s'il s'agit d'un avis à la POVC ou à la GOVC ;
b) cinquante jours dans tous les cas autres que celui visé au point a);
2° par le collège consultatif des échevins et les autres instances d'avis : cinquante jours.]1
La commission du permis d'environnement compétente rend un avis dans un délai de nonante jours.
Les délais visés aux premier et deuxième alinéas prennent cours le jour suivant la mise à disposition de la demande ou l'initiative d'office.
Si aucun avis n'est rendu dans le délai visé à l'alinéa 1er ou 2, l'avis est réputé favorable à l'actualisation demandée [2 ...]2.
§ 3. Les personnes et instances qui ont introduit une demande d'actualisation des [2 conditions imposées]2 dans le permis d'environnement, ou l'exploitant lorsque celui-ci n'est pas lui-même le demandeur, sont entendus par :
1° la commission du permis d'environnement compétente lorsque l'avis d'une commission du permis d'environnement est requis ;
2° l'autorité compétente ou le fonctionnaire mandaté par elle lorsque l'avis d'une commission du permis d'environnement n'est pas requis.
A peine d'irrecevabilité, la demande d'audition est formulée dans la demande d'actualisation des conditions environnementales imposées dans le permis d'environnement ou, pour l'exploitant, s'il n'introduit pas lui-même la demande, dans les quatorze jours suivant le jour où la demande jugée recevable et complète ou l'initiative d'office lui est communiquée conformément à l'article 102, alinéa 4 ou 5.
§ 4. [2 ...]2
§ 5. L'article 29 du décret du 25 avril 2014 s'applique par analogie à l'actualisation des [2 conditions imposées]2 dans le permis d'environnement.
Afdeling 5. - Situaties die resulteren in een termijnverlenging
Section 5. - Situations entraînant une prolongation du délai
Art. 105. De termijnen om een beslissing te nemen, vermeld in artikel 89, § 1, van het decreet van 25 april 2014, worden uitsluitend verlengd met zestig dagen als toepassing wordt gemaakt van de administratieve lus, vermeld in artikel 13 van het decreet van 25 april 2014.
In voorkomend geval brengt het bevoegde bestuur met een beveiligde zending de exploitant en de verzoeker, als die niet dezelfde persoon als exploitant is, voor het verstrijken van de normale beslissingstermijn op de hoogte van de termijnverlenging.
Als de bevoegde overheid met toepassing van artikel 13 van het decreet van 25 april 2014 beslist om een tweede openbaar onderzoek te organiseren, geeft ze daarvoor de opdracht aan de betrokken gemeente of, in geval van een bovengemeentelijk mobiel of verplaatsbaar project, aan de betrokken provincie.
In geval van een tweede openbaar onderzoek en in alle gevallen waarin de bevoegde overheid dat noodzakelijk acht, worden overeenkomstig artikel 104 van dit besluit, de adviezen opnieuw ingewonnen en uitgebracht, waarbij [1 de adviestermijn van zestig en vijftig dagen]1 wordt herleid tot dertig dagen en die van negentig dagen tot vijfenveertig dagen.
In voorkomend geval brengt het bevoegde bestuur met een beveiligde zending de exploitant en de verzoeker, als die niet dezelfde persoon als exploitant is, voor het verstrijken van de normale beslissingstermijn op de hoogte van de termijnverlenging.
Als de bevoegde overheid met toepassing van artikel 13 van het decreet van 25 april 2014 beslist om een tweede openbaar onderzoek te organiseren, geeft ze daarvoor de opdracht aan de betrokken gemeente of, in geval van een bovengemeentelijk mobiel of verplaatsbaar project, aan de betrokken provincie.
In geval van een tweede openbaar onderzoek en in alle gevallen waarin de bevoegde overheid dat noodzakelijk acht, worden overeenkomstig artikel 104 van dit besluit, de adviezen opnieuw ingewonnen en uitgebracht, waarbij [1 de adviestermijn van zestig en vijftig dagen]1 wordt herleid tot dertig dagen en die van negentig dagen tot vijfenveertig dagen.
Art. 105. Les délais pour prendre une décision, visés à l'article 89, § 1er, du décret du 25 avril 2014 ne sont prolongés de soixante jours que s'il est fait application de la boucle administrative visée à l'article 13 du décret du 25 avril 2014.
Le cas échéant, l'administration compétente informe l'exploitant et le demandeur, si celui-ci n'est pas la même personne que l'exploitant, par envoi sécurisé de la prolongation du délai avant l'expiration du délai normal de décision.
Lorsque l'autorité compétente décide, en application de l'article 13 du décret du 25 avril 2014, d'organiser une deuxième enquête publique, elle en confie la charge à la commune concernée ou, dans le cas d'un projet mobile ou transportable supracommunal, à la province concernée.
Dans le cas d'une deuxième enquête publique et dans tous les cas dans lesquels l'autorité compétente le juge nécessaire, les avis sont à nouveau recueillis et émis conformément à l'article 104 du présent arrêté, [1 le délai d'avis de soixante et de cinquante jours étant ramené à trente jours]1 et celui de nonante jours à quarante-cinq jours.
Le cas échéant, l'administration compétente informe l'exploitant et le demandeur, si celui-ci n'est pas la même personne que l'exploitant, par envoi sécurisé de la prolongation du délai avant l'expiration du délai normal de décision.
Lorsque l'autorité compétente décide, en application de l'article 13 du décret du 25 avril 2014, d'organiser une deuxième enquête publique, elle en confie la charge à la commune concernée ou, dans le cas d'un projet mobile ou transportable supracommunal, à la province concernée.
Dans le cas d'une deuxième enquête publique et dans tous les cas dans lesquels l'autorité compétente le juge nécessaire, les avis sont à nouveau recueillis et émis conformément à l'article 104 du présent arrêté, [1 le délai d'avis de soixante et de cinquante jours étant ramené à trente jours]1 et celui de nonante jours à quarante-cinq jours.
Afdeling 6. - De beslissing
Section 6. - La décision
Art. 106. Voor de beslissing over het verzoek of ambtshalve initiatief tot bijstelling van de in de omgevingsvergunning [1 opgelegde voorwaarden]1 zijn de bepalingen van artikel 89 van het decreet van 25 april 2014 van toepassing.
De beslissing over het verzoek of ambtshalve initiatief omvat :
1° de datum van het verzoek of ambtshalve initiatief tot bijstelling van [1 de voorwaarden]1;
2° de naam of de hoedanigheid van de verzoeker of van de overheid die het ambtshalve initiatief heeft genomen;
3° [1 in voorkomend geval, de naam en het ondernemingsnummer van de exploitant;]1
4° de identificatie van de ingedeelde inrichting of activiteit [1 of de omgevingsvergunning]1 die het voorwerp uitmaakt van het verzoek tot bijstelling;
5° in voorkomend geval, een verwijzing naar de aard van de standpunten, opmerkingen en bezwaren die zijn ingediend tijdens het openbaar onderzoek in de aanleg in kwestie en de wijze waarop daarmee is omgegaan;
6° een motivering van de beslissing, onder meer rekening houdend met de bepalingen van artikel 73 en 74 van het decreet van 25 april 2014, en artikel 3.3.0.1 tot en met 3.3.0.3, van titel II van het VLAREM;
7° als de bijzondere milieuvoorwaarden worden gewijzigd of aangevuld, een opsomming van de bijzondere milieuvoorwaarden die worden opgelegd en, in voorkomend geval, van de bijzondere milieuvoorwaarden die van toepassing blijven;
8° de mogelijkheid en de modaliteiten van het beroep tegen de genomen beslissing.
Als de wijziging of aanvulling van de in de omgevingsvergunning opgelegde bijzondere milieuvoorwaarden betrekking heeft op een GBPV-installatie, zijn de bepalingen van artikel 52, eerste lid, 2°, van dit besluit en van artikel 1.8 en 1.9 van titel III van het VLAREM ook van toepassing.
De beslissing over het verzoek of ambtshalve initiatief omvat :
1° de datum van het verzoek of ambtshalve initiatief tot bijstelling van [1 de voorwaarden]1;
2° de naam of de hoedanigheid van de verzoeker of van de overheid die het ambtshalve initiatief heeft genomen;
3° [1 in voorkomend geval, de naam en het ondernemingsnummer van de exploitant;]1
4° de identificatie van de ingedeelde inrichting of activiteit [1 of de omgevingsvergunning]1 die het voorwerp uitmaakt van het verzoek tot bijstelling;
5° in voorkomend geval, een verwijzing naar de aard van de standpunten, opmerkingen en bezwaren die zijn ingediend tijdens het openbaar onderzoek in de aanleg in kwestie en de wijze waarop daarmee is omgegaan;
6° een motivering van de beslissing, onder meer rekening houdend met de bepalingen van artikel 73 en 74 van het decreet van 25 april 2014, en artikel 3.3.0.1 tot en met 3.3.0.3, van titel II van het VLAREM;
7° als de bijzondere milieuvoorwaarden worden gewijzigd of aangevuld, een opsomming van de bijzondere milieuvoorwaarden die worden opgelegd en, in voorkomend geval, van de bijzondere milieuvoorwaarden die van toepassing blijven;
8° de mogelijkheid en de modaliteiten van het beroep tegen de genomen beslissing.
Als de wijziging of aanvulling van de in de omgevingsvergunning opgelegde bijzondere milieuvoorwaarden betrekking heeft op een GBPV-installatie, zijn de bepalingen van artikel 52, eerste lid, 2°, van dit besluit en van artikel 1.8 en 1.9 van titel III van het VLAREM ook van toepassing.
Art. 106. Pour la décision au sujet de la demande ou de l'initiative d'office d'actualisation des [1 conditions imposées]1 dans le permis d'environnement, les dispositions de l'article 89 du décret du 25 avril 2014 sont applicables.
La décision au sujet de la demande ou de l'initiative d'office comporte :
1° la date de la demande ou de l'initiative d'office d'actualisation des [1 conditions]1 ;
2° le nom ou la qualité du demandeur ou de l'autorité qui a pris l'initiative d'office ;
3° [1 le cas échéant, le nom et le numéro d'entreprise de l'exploitant ;]1
4° l'identification de l'établissement classé ou de l'activité classée [1 ou du permis d'environnement]1 qui fait l'objet de la demande d'actualisation ;
5° le cas échéant, un renvoi à la nature des points de vue, observations et objections introduits durant l'enquête publique dans l'instance en question et à la façon dont ils ont été traités ;
6° une motivation de la décision, compte tenu notamment des dispositions des articles 73 et 74 du décret du 25 avril 2014 et des articles 3.3.0.1 à 3.3.0.3 inclus du titre II du VLAREM ;
7° si les conditions environnementales particulières sont modifiées ou complétées, une énumération des conditions environnementales particulières qui sont imposées et, le cas échéant, des conditions environnementales particulières qui demeurent applicables ;
8° la possibilité et les modalités de recours contre la décision prise.
Si les modifications ou ajouts apportés aux conditions environnementales particulières imposées dans le permis d'environnement portent sur une installation IPPC, les dispositions de l'article 52, alinéa 1er, 2°, du présent arrêté et des articles 1.8 et 1.9 du titre III du VLAREM s'appliquent également.
La décision au sujet de la demande ou de l'initiative d'office comporte :
1° la date de la demande ou de l'initiative d'office d'actualisation des [1 conditions]1 ;
2° le nom ou la qualité du demandeur ou de l'autorité qui a pris l'initiative d'office ;
3° [1 le cas échéant, le nom et le numéro d'entreprise de l'exploitant ;]1
4° l'identification de l'établissement classé ou de l'activité classée [1 ou du permis d'environnement]1 qui fait l'objet de la demande d'actualisation ;
5° le cas échéant, un renvoi à la nature des points de vue, observations et objections introduits durant l'enquête publique dans l'instance en question et à la façon dont ils ont été traités ;
6° une motivation de la décision, compte tenu notamment des dispositions des articles 73 et 74 du décret du 25 avril 2014 et des articles 3.3.0.1 à 3.3.0.3 inclus du titre II du VLAREM ;
7° si les conditions environnementales particulières sont modifiées ou complétées, une énumération des conditions environnementales particulières qui sont imposées et, le cas échéant, des conditions environnementales particulières qui demeurent applicables ;
8° la possibilité et les modalités de recours contre la décision prise.
Si les modifications ou ajouts apportés aux conditions environnementales particulières imposées dans le permis d'environnement portent sur une installation IPPC, les dispositions de l'article 52, alinéa 1er, 2°, du présent arrêté et des articles 1.8 et 1.9 du titre III du VLAREM s'appliquent également.
Afdeling 7. - Bekendmaking van de beslissing
Section 7. - Publication de la décision
Art. 107. Voor de bekendmaking van de beslissing zijn de bepalingen van titel 3, hoofdstuk 9, afdeling 3, van overeenkomstige toepassing.
Als de verzoeker niet dezelfde persoon is als de exploitant, wordt die laatste met een beveiligde zending op de hoogte gebracht van de beslissing.
Als de verzoeker niet dezelfde persoon is als de exploitant, wordt die laatste met een beveiligde zending op de hoogte gebracht van de beslissing.
Art. 107. Pour la publication de la décision, les dispositions du titre 3, chapitre 9, section 3, s'appliquent par analogie.
Si le demandeur n'est pas la même personne que l'exploitant, ce dernier est informé de la décision par envoi sécurisé.
Si le demandeur n'est pas la même personne que l'exploitant, ce dernier est informé de la décision par envoi sécurisé.
Hoofdstuk 2. - De bijstelling van de [1 voorwaarden]1, vermeld in hoofdstuk 6, afdeling 1, van het decreet van 25 april 2014, in laatste administratieve aanleg
Chapitre 2. - L'actualisation des [1 conditions]1 visées au chapitre 6, section 1re, du décret du 25 avril 2014 en dernière instance administrative
Afdeling 1. - Het instellen van het beroep
Section 1re. - L'introduction du recours
Art. 108. Conform artikel 90 van het decreet van 25 april 2014 kan door het betrokken publiek, de personen en instanties, vermeld in artikel 53 van het decreet van 25 april 2014, en door de toezichthouder, vermeld in artikel 82, eerste lid, 2°, d), van het voormelde decreet, tegen de uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissing over de bijstelling van de in de omgevingsvergunning [1 opgelegde voorwaarden]1 beroep worden ingesteld bij :
1° de deputatie, bevoegd voor het ambtsgebied, als het college van burgemeester en schepenen in eerste administratieve aanleg de bevoegde overheid was;
2° de Vlaamse Regering als de deputatie in eerste administratieve aanleg de bevoegde overheid was.
Voor het instellen van het beroep zijn artikel 54 en 56 van het decreet van 25 april 2014, en de bepalingen ter uitvoering daarvan, van overeenkomstige toepassing.
1° de deputatie, bevoegd voor het ambtsgebied, als het college van burgemeester en schepenen in eerste administratieve aanleg de bevoegde overheid was;
2° de Vlaamse Regering als de deputatie in eerste administratieve aanleg de bevoegde overheid was.
Voor het instellen van het beroep zijn artikel 54 en 56 van het decreet van 25 april 2014, en de bepalingen ter uitvoering daarvan, van overeenkomstige toepassing.
Art. 108. Conformément à l'article 90 du décret du 25 avril 2014, le public concerné, les personnes et instances visées à l'article 53 du décret du 25 avril 2014 et le contrôleur visé à l'article 82, alinéa 1er, point 2°, d), du décret précité, peuvent intenter un recours contre la décision expresse ou tacite au sujet de l'actualisation des [1 conditions imposées]1 dans le permis d'environnement auprès :
1° de la députation compétente pour le ressort si le collège des bourgmestre et échevins était l'autorité compétente en première instance administrative ;
2° du Gouvernement flamand si la députation était l'autorité compétente en première instance administrative.
Pour l'introduction du recours, les articles 54 et 56 du décret du 25 avril 2014 et leurs dispositions d'exécution s'appliquent par analogie.
1° de la députation compétente pour le ressort si le collège des bourgmestre et échevins était l'autorité compétente en première instance administrative ;
2° du Gouvernement flamand si la députation était l'autorité compétente en première instance administrative.
Pour l'introduction du recours, les articles 54 et 56 du décret du 25 avril 2014 et leurs dispositions d'exécution s'appliquent par analogie.
Art. 109. Het beroepschrift omvat :
1° de naam, de hoedanigheid en het adres van de beroepsindiener;
2° de identificatie van de bestreden beslissing en van het onroerend goed, de inrichting of exploitatie die het voorwerp uitmaakt van die beslissing;
3° [1 minstens een van de volgende elementen als het beroep wordt ingesteld door een lid van het betrokken publiek :]1
a) een omschrijving van de gevolgen die hij ingevolge de bestreden beslissing ondervindt of waarschijnlijk ondervindt;
b) het belang dat hij heeft bij de besluitvorming over de bijstelling van de vergunningsvoorwaarden;
4° de redenen waarom het beroep wordt ingesteld;
5° [1 in voorkomend geval]1, het verzoek om door de bevoegde omgevingsvergunningscommissie gehoord te worden.
Het beroepsdossier bevat de volgende bewijsstukken :
1° in voorkomend geval, een bewijs van betaling van de dossiertaks;
2° de overtuigingsstukken die de beroepsindiener nodig acht;
3° in voorkomend geval, een inventaris van de overtuigingsstukken, vermeld in punt 2°.
Het beroepsdossier wordt ingediend met een analoge of een digitale zending. [2 Als het beroep via het omgevingsloket wordt ingediend, is aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, voldaan.]2
Het bevoegde bestuur kan bij de beroepsindiener, [2 de exploitant, de vergunninghouder of de overheid]2 die in eerste administratieve aanleg bevoegd is, alle beschikbare en relevante informatie en documenten opvragen die nuttig zijn voor het dossier.
1° de naam, de hoedanigheid en het adres van de beroepsindiener;
2° de identificatie van de bestreden beslissing en van het onroerend goed, de inrichting of exploitatie die het voorwerp uitmaakt van die beslissing;
3° [1 minstens een van de volgende elementen als het beroep wordt ingesteld door een lid van het betrokken publiek :]1
a) een omschrijving van de gevolgen die hij ingevolge de bestreden beslissing ondervindt of waarschijnlijk ondervindt;
b) het belang dat hij heeft bij de besluitvorming over de bijstelling van de vergunningsvoorwaarden;
4° de redenen waarom het beroep wordt ingesteld;
5° [1 in voorkomend geval]1, het verzoek om door de bevoegde omgevingsvergunningscommissie gehoord te worden.
Het beroepsdossier bevat de volgende bewijsstukken :
1° in voorkomend geval, een bewijs van betaling van de dossiertaks;
2° de overtuigingsstukken die de beroepsindiener nodig acht;
3° in voorkomend geval, een inventaris van de overtuigingsstukken, vermeld in punt 2°.
Het beroepsdossier wordt ingediend met een analoge of een digitale zending. [2 Als het beroep via het omgevingsloket wordt ingediend, is aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, voldaan.]2
Het bevoegde bestuur kan bij de beroepsindiener, [2 de exploitant, de vergunninghouder of de overheid]2 die in eerste administratieve aanleg bevoegd is, alle beschikbare en relevante informatie en documenten opvragen die nuttig zijn voor het dossier.
Art. 109. Le recours contient :
1° les nom, qualité et adresse de l'auteur du recours ;
2° l'identification de la décision contestée et du bien immobilier, de l'établissement ou de l'exploitation qui fait l'objet de la décision ;
3° [1 au moins un des éléments suivants lorsque le recours est introduit par un membre du public concerné :]1
a) une description des effets par lesquels il est touché ou risque d'être touché à la suite de la décision contestée ;
b) l'intérêt qu'il à faire valoir à l'égard de la décision concernant l'actualisation des conditions du permis ;
4° les motifs pour lesquels le recours est introduit ;
5° le cas échéant, la demande d'audition par la commission du permis d'environnement compétente.
Le dossier de recours contient les pièces justificatives suivantes :
1° le cas échéant, une preuve de paiement de la taxe de dossier ;
2° les pièces à conviction que l'auteur du recours juge nécessaires ;
3° le cas échéant, un inventaire des pièces à conviction visées au point 2°.
Le dossier de recours est introduit par envoi analogique ou numérique. [2 Lorsque le recours est introduit via le guichet environnement, les conditions visées à l'alinéa 1er, 1° et 2°, sont remplies.]2
L'administration compétente peut demander à l'auteur du recours, [2 à l'exploitant, au titulaire du permis ou à l'autorité]2 compétente en première instance administrative de lui fournir l'ensemble des informations et documents pertinents utiles au dossier.
1° les nom, qualité et adresse de l'auteur du recours ;
2° l'identification de la décision contestée et du bien immobilier, de l'établissement ou de l'exploitation qui fait l'objet de la décision ;
3° [1 au moins un des éléments suivants lorsque le recours est introduit par un membre du public concerné :]1
a) une description des effets par lesquels il est touché ou risque d'être touché à la suite de la décision contestée ;
b) l'intérêt qu'il à faire valoir à l'égard de la décision concernant l'actualisation des conditions du permis ;
4° les motifs pour lesquels le recours est introduit ;
5° le cas échéant, la demande d'audition par la commission du permis d'environnement compétente.
Le dossier de recours contient les pièces justificatives suivantes :
1° le cas échéant, une preuve de paiement de la taxe de dossier ;
2° les pièces à conviction que l'auteur du recours juge nécessaires ;
3° le cas échéant, un inventaire des pièces à conviction visées au point 2°.
Le dossier de recours est introduit par envoi analogique ou numérique. [2 Lorsque le recours est introduit via le guichet environnement, les conditions visées à l'alinéa 1er, 1° et 2°, sont remplies.]2
L'administration compétente peut demander à l'auteur du recours, [2 à l'exploitant, au titulaire du permis ou à l'autorité]2 compétente en première instance administrative de lui fournir l'ensemble des informations et documents pertinents utiles au dossier.
Afdeling 2. - Het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek
Section 2. - L'examen de la recevabilité et de l'exhaustivité
Art. 110. De ontvankelijkheid en volledigheid van het beroep worden onderzocht en het resultaat daarvan wordt meegedeeld conform artikel 57 respectievelijk artikel 58 van het decreet van 25 april 2014 en de bepalingen ter uitvoering daarvan.
Bij het onderzoek naar de ontvankelijkheid en volledigheid wordt nagegaan of voldaan is aan de decretale en reglementaire verplichtingen, vermeld in artikel 108 en 109 van dit besluit.
Bij het onderzoek naar de ontvankelijkheid en volledigheid wordt nagegaan of voldaan is aan de decretale en reglementaire verplichtingen, vermeld in artikel 108 en 109 van dit besluit.
Art. 110. La recevabilité et l'exhaustivité du recours sont examinés et le résultat en est communiqué conformément à l'article 57 ou 58 du décret du 25 avril 2014 et leurs dispositions d'exécution.
Lors de l'examen de la recevabilité et de l'exhaustivité, il est vérifié s'il est satisfait aux obligations décrétales et réglementaires visées aux articles 108 et 109 du présent arrêté.
Lors de l'examen de la recevabilité et de l'exhaustivité, il est vérifié s'il est satisfait aux obligations décrétales et réglementaires visées aux articles 108 et 109 du présent arrêté.
Afdeling 3. - Adviesverlening
Section 3. - Services de conseil
Art. 111. § 1. [2 Op de dag van de verzending van de ontvankelijk- en volledigverklaring van het beroep of uiterlijk als de vervaltermijn, vermeld in artikel 58, eerste lid, van het decreet van 25 april 2014, verstreken is, stelt het bevoegde bestuur het beroepsdossier voor advies ter beschikking van:
1° het adviserend schepencollege met het verzoek om advies te verlenen als geen advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is;
2° de bevoegde omgevingsvergunningscommissie als het een bijstelling van de opgelegde milieuvoorwaarden betreft;
3° de adviesinstanties, vermeld in artikel 35, 37, 38/1 of 38/3 van dit besluit, als geen advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is.
In voorkomend geval stelt de voorzitter of de secretaris van de omgevingsvergunningscommissie binnen tien dagen nadat het beroepsdossier ter beschikking van de commissie is gesteld, dat dossier ter beschikking van:
1° het adviserend schepencollege, met het verzoek advies uit te brengen, tenzij het betrokken college van burgemeester en schepenen:
a) het verzoek tot bijstelling heeft ingediend;
b) het beroep heeft ingesteld;
c) de exploitant is;
2° de adviesinstanties, vermeld in artikel 35, 37, 38/1 en 38/3, met het verzoek om advies uit te brengen, als die adviesinstanties:
a) over de vergunningsaanvraag in laatste administratieve aanleg een advies geven;
b) niet zelf een verzoek tot bijstelling van de voorwaarden hebben ingediend of het beroep hebben ingesteld;
c) niet zelf de vergunninghouder of exploitant zijn;
3° de overige leden van de betrokken omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 39 of artikel 40.]2
§ 2. [1 De volgende vervaltermijnen worden gehanteerd voor de advisering :
1° [2 door de afdeling RO, bevoegd voor de omgevingsvergunning, en de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning: zestig dagen;]2
2° door het adviserende schepencollege en de overige adviesinstanties : vijftig dagen.]1
[2 In voorkomend geval brengt de bevoegde omgevingsvergunningscommissie]2 een advies uit binnen een termijn van negentig dagen.
De termijnen, vermeld in het eerste en het tweede lid, vangen aan de dag nadat het beroepsdossier ter beschikking is gesteld.
Als geen advies wordt uitgebracht binnen de termijn, vermeld in het eerste of tweede lid, wordt het advies geacht gunstig te zijn voor de gevraagde bijstelling van [2 de voorwaarden]2.
§ 3. [2 De beroepsindiener, de vergunninghouder of de exploitant]2, als hij niet zelf het beroep instelt, worden op hun verzoek gehoord door de bevoegde omgevingsvergunningscommissie.
De vraag om gehoord te worden, wordt, op straffe van onontvankelijkheid ervan, gesteld in het beroepschrift of, voor [2 de vergunninghouder of de exploitant]2, als hij niet zelf het beroep instelt, met een beveiligde zending binnen veertien dagen na de dag dat hem, conform artikel 56, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014, het beroep wordt meegedeeld.
§ 4. [2 ...]2
1° het adviserend schepencollege met het verzoek om advies te verlenen als geen advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is;
2° de bevoegde omgevingsvergunningscommissie als het een bijstelling van de opgelegde milieuvoorwaarden betreft;
3° de adviesinstanties, vermeld in artikel 35, 37, 38/1 of 38/3 van dit besluit, als geen advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is.
In voorkomend geval stelt de voorzitter of de secretaris van de omgevingsvergunningscommissie binnen tien dagen nadat het beroepsdossier ter beschikking van de commissie is gesteld, dat dossier ter beschikking van:
1° het adviserend schepencollege, met het verzoek advies uit te brengen, tenzij het betrokken college van burgemeester en schepenen:
a) het verzoek tot bijstelling heeft ingediend;
b) het beroep heeft ingesteld;
c) de exploitant is;
2° de adviesinstanties, vermeld in artikel 35, 37, 38/1 en 38/3, met het verzoek om advies uit te brengen, als die adviesinstanties:
a) over de vergunningsaanvraag in laatste administratieve aanleg een advies geven;
b) niet zelf een verzoek tot bijstelling van de voorwaarden hebben ingediend of het beroep hebben ingesteld;
c) niet zelf de vergunninghouder of exploitant zijn;
3° de overige leden van de betrokken omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 39 of artikel 40.]2
§ 2. [1 De volgende vervaltermijnen worden gehanteerd voor de advisering :
1° [2 door de afdeling RO, bevoegd voor de omgevingsvergunning, en de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning: zestig dagen;]2
2° door het adviserende schepencollege en de overige adviesinstanties : vijftig dagen.]1
[2 In voorkomend geval brengt de bevoegde omgevingsvergunningscommissie]2 een advies uit binnen een termijn van negentig dagen.
De termijnen, vermeld in het eerste en het tweede lid, vangen aan de dag nadat het beroepsdossier ter beschikking is gesteld.
Als geen advies wordt uitgebracht binnen de termijn, vermeld in het eerste of tweede lid, wordt het advies geacht gunstig te zijn voor de gevraagde bijstelling van [2 de voorwaarden]2.
§ 3. [2 De beroepsindiener, de vergunninghouder of de exploitant]2, als hij niet zelf het beroep instelt, worden op hun verzoek gehoord door de bevoegde omgevingsvergunningscommissie.
De vraag om gehoord te worden, wordt, op straffe van onontvankelijkheid ervan, gesteld in het beroepschrift of, voor [2 de vergunninghouder of de exploitant]2, als hij niet zelf het beroep instelt, met een beveiligde zending binnen veertien dagen na de dag dat hem, conform artikel 56, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014, het beroep wordt meegedeeld.
§ 4. [2 ...]2
Art. 111. § 1er. [2 Le jour de l'envoi de la déclaration de recevabilité et d'exhaustivité du recours ou, au plus tard, à l'expiration du délai de forclusion visé à l'article 58, alinéa 1er, du décret du 25 avril 2014, l'administration compétente met le dossier de recours à la disposition :
1° du collège consultatif des échevins en lui demandant de rendre un avis lorsque l'avis d'une commission du permis d'environnement n'est pas requis ;
2° de la commission du permis d'environnement compétente s'il s'agit d'une actualisation des conditions environnementales imposées ;
3° des instances d'avis visées aux articles 35, 37, 38/1 ou 38/3 du présent arrêté, lorsque l'avis d'une commission du permis d'environnement n'est pas requis.
Le cas échéant, dans les dix jours suivant la mise du dossier de recours à la disposition de la commission, le président ou le secrétaire de la commission du permis d'environnement met ce dossier à la disposition :
1° du collège consultatif des échevins en lui demandant de rendre un avis, sauf si le collège des bourgmestre et échevins concerné :
a) a introduit la demande d'actualisation ;
b) a formé le recours ;
c) est l'exploitant ;
2° des instances d'avis visées aux articles 35, 37, 38/1 et 38/3, en leur demandant de rendre un avis, lorsque ces instances d'avis :
a) rendent un avis au sujet de la demande de permis en dernière instance administrative ;
b) n'ont pas elles-mêmes introduit de demande d'actualisation des conditions ou formé le recours ;
c) ne sont pas elles-mêmes le titulaire du permis ou l'exploitant ;
3° des autres membres de la commission du permis d'environnement concernée, visée à l'article 39 ou à l'article 40.]2
§ 2. [1 Les délais suivants sont appliqués pour les avis rendus :
1° [2 par la division de l'Aménagement du Territoire compétente pour le permis d'environnement et la division de l'Environnement compétente pour le permis d'environnement : soixante jours ;]2
2° par le collège consultatif des échevins et les autres instances d'avis : cinquante jours.]1
[2 Le cas échéant, la commission du permis d'environnement compétente]2 rend un avis dans un délai de nonante jours.
Les délais visés aux premier et deuxième alinéas prennent cours le jour suivant la mise à disposition du dossier de recours.
Si aucun avis n'est rendu dans le délai visé au premier ou deuxième alinéa, l'avis est réputé favorable à l'actualisation demandée des [2 conditions]2.
§ 3. [2 L'auteur du recours, le titulaire du permis ou l'exploitant]2, s'il n'introduit pas lui-même le recours, est entendu à sa demande par la commission du permis d'environnement compétente.
A peine d'irrecevabilité, la demande d'audition est formulée dans le recours ou, pour [2 le titulaire du permis ou l'exploitant]2, s'il n'introduit pas lui-même le recours, par envoi sécurisé dans les quatorze jours suivant le jour où le recours lui est communiqué conformément à l'article 56, alinéa 2, du décret du 25 avril 2014.
§ 4. [2 ...]2
1° du collège consultatif des échevins en lui demandant de rendre un avis lorsque l'avis d'une commission du permis d'environnement n'est pas requis ;
2° de la commission du permis d'environnement compétente s'il s'agit d'une actualisation des conditions environnementales imposées ;
3° des instances d'avis visées aux articles 35, 37, 38/1 ou 38/3 du présent arrêté, lorsque l'avis d'une commission du permis d'environnement n'est pas requis.
Le cas échéant, dans les dix jours suivant la mise du dossier de recours à la disposition de la commission, le président ou le secrétaire de la commission du permis d'environnement met ce dossier à la disposition :
1° du collège consultatif des échevins en lui demandant de rendre un avis, sauf si le collège des bourgmestre et échevins concerné :
a) a introduit la demande d'actualisation ;
b) a formé le recours ;
c) est l'exploitant ;
2° des instances d'avis visées aux articles 35, 37, 38/1 et 38/3, en leur demandant de rendre un avis, lorsque ces instances d'avis :
a) rendent un avis au sujet de la demande de permis en dernière instance administrative ;
b) n'ont pas elles-mêmes introduit de demande d'actualisation des conditions ou formé le recours ;
c) ne sont pas elles-mêmes le titulaire du permis ou l'exploitant ;
3° des autres membres de la commission du permis d'environnement concernée, visée à l'article 39 ou à l'article 40.]2
§ 2. [1 Les délais suivants sont appliqués pour les avis rendus :
1° [2 par la division de l'Aménagement du Territoire compétente pour le permis d'environnement et la division de l'Environnement compétente pour le permis d'environnement : soixante jours ;]2
2° par le collège consultatif des échevins et les autres instances d'avis : cinquante jours.]1
[2 Le cas échéant, la commission du permis d'environnement compétente]2 rend un avis dans un délai de nonante jours.
Les délais visés aux premier et deuxième alinéas prennent cours le jour suivant la mise à disposition du dossier de recours.
Si aucun avis n'est rendu dans le délai visé au premier ou deuxième alinéa, l'avis est réputé favorable à l'actualisation demandée des [2 conditions]2.
§ 3. [2 L'auteur du recours, le titulaire du permis ou l'exploitant]2, s'il n'introduit pas lui-même le recours, est entendu à sa demande par la commission du permis d'environnement compétente.
A peine d'irrecevabilité, la demande d'audition est formulée dans le recours ou, pour [2 le titulaire du permis ou l'exploitant]2, s'il n'introduit pas lui-même le recours, par envoi sécurisé dans les quatorze jours suivant le jour où le recours lui est communiqué conformément à l'article 56, alinéa 2, du décret du 25 avril 2014.
§ 4. [2 ...]2
Afdeling 4. - Situaties die resulteren in een termijnverlenging
Section 4. - Situations entraînant une prolongation du délai
Art. 112. In geval van een termijnverlenging brengt het bevoegde bestuur met een beveiligde zending [2 de vergunninghouder, de exploitant]2 en de beroepsindiener voor het verstrijken van de normale beslissingstermijn op de hoogte van de termijnverlenging.
Als de bevoegde overheid met toepassing van artikel 13 van het decreet van 25 april 2014 beslist om een tweede openbaar onderzoek te organiseren, geeft ze daarvoor de opdracht aan de betrokken gemeente of, in geval van een bovengemeentelijk mobiel of verplaatsbaar project, aan de betrokken provincie.
In geval van een tweede openbaar onderzoek en in alle gevallen waarin de bevoegde overheid dat noodzakelijk acht, worden overeenkomstig artikel 111 van dit besluit de adviezen opnieuw ingewonnen en uitgebracht, waarbij [1 de adviestermijn van zestig en vijftig dagen]1 wordt herleid tot dertig dagen en die van negentig dagen tot vijfenveertig dagen.
Als de bevoegde overheid met toepassing van artikel 13 van het decreet van 25 april 2014 beslist om een tweede openbaar onderzoek te organiseren, geeft ze daarvoor de opdracht aan de betrokken gemeente of, in geval van een bovengemeentelijk mobiel of verplaatsbaar project, aan de betrokken provincie.
In geval van een tweede openbaar onderzoek en in alle gevallen waarin de bevoegde overheid dat noodzakelijk acht, worden overeenkomstig artikel 111 van dit besluit de adviezen opnieuw ingewonnen en uitgebracht, waarbij [1 de adviestermijn van zestig en vijftig dagen]1 wordt herleid tot dertig dagen en die van negentig dagen tot vijfenveertig dagen.
Art. 112. En cas de prolongation du délai, l'administration compétente informe [2 le titulaire du permis, l'exploitant]2 et l'auteur du recours par envoi sécurisé de la prolongation du délai avant l'expiration du délai normal de décision.
Lorsque l'autorité compétente décide, en application de l'article 13 du décret du 25 avril 2014, d'organiser une deuxième enquête publique, elle en confie la charge à la commune concernée ou, dans le cas d'un projet mobile ou transportable supracommunal, à la province concernée.
Dans le cas d'une deuxième enquête publique et dans tous les cas dans lesquels l'autorité compétente le juge nécessaire, les avis sont à nouveau recueillis et émis conformément à l'article 111 du présent arrêté, [1 le délai d'avis de soixante et de cinquante jours étant ramené à trente jours]1 et celui de nonante jours à quarante-cinq jours.
Lorsque l'autorité compétente décide, en application de l'article 13 du décret du 25 avril 2014, d'organiser une deuxième enquête publique, elle en confie la charge à la commune concernée ou, dans le cas d'un projet mobile ou transportable supracommunal, à la province concernée.
Dans le cas d'une deuxième enquête publique et dans tous les cas dans lesquels l'autorité compétente le juge nécessaire, les avis sont à nouveau recueillis et émis conformément à l'article 111 du présent arrêté, [1 le délai d'avis de soixante et de cinquante jours étant ramené à trente jours]1 et celui de nonante jours à quarante-cinq jours.
Afdeling 5. - De beslissing
Section 5. - La décision
Art. 113. De beslissing in laatste administratieve aanleg over de bijstelling van [1 de voorwaarden]1 wordt genomen binnen de vastgestelde of, in voorkomend geval, verlengde termijn, vermeld in artikel 66, van het decreet van 25 april 2014.
De beslissing omvat :
1° de datum van het beroep en de naam of de hoedanigheid van de beroepsindiener;
2° de datum en de aard van de beslissing waartegen beroep wordt ingesteld;
3° de datum van het verzoek of ambtshalve initiatief tot bijstelling van [1 de voorwaarden]1, en de naam of de hoedanigheid van de verzoeker of van de overheid die het ambtshalve initiatief heeft genomen;
4° [1 in voorkomend geval, de naam en het ondernemingsnummer van de exploitant;]1
5° de identificatie van de ingedeelde inrichting of activiteit [1 of de omgevingsvergunning]1 die het voorwerp uitmaakt van het verzoek tot bijstelling;
6° in voorkomend geval, een verwijzing naar de aard van de standpunten, opmerkingen en bezwaren die zijn ingediend tijdens het openbaar onderzoek in de aanleg in kwestie, en de wijze waarop daarmee is omgegaan;
7° een motivering van de beslissing, onder meer rekening houdend met de bepalingen van artikel 73 en 74 van het decreet van 25 april 2014, en artikel 3.3.0.1 tot en met 3.3.0.3 van titel II van het VLAREM;
8° als de bijzondere milieuvoorwaarden worden gewijzigd of aangevuld, een opsomming van de bijzondere milieuvoorwaarden die worden opgelegd en, in voorkomend geval, van de bijzondere milieuvoorwaarden die van toepassing blijven;
9° de mogelijkheid en de modaliteiten van het beroep bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen tegen de genomen beslissing.
Als de wijziging of aanvulling van de bijzondere milieuvoorwaarden betrekking heeft op een GBPV-installatie, zijn de bepalingen van artikel 52, eerste lid, 2°, van dit besluit en van artikel 1.8 en 1.9 van titel III van het VLAREM ook van toepassing.
De beslissing omvat :
1° de datum van het beroep en de naam of de hoedanigheid van de beroepsindiener;
2° de datum en de aard van de beslissing waartegen beroep wordt ingesteld;
3° de datum van het verzoek of ambtshalve initiatief tot bijstelling van [1 de voorwaarden]1, en de naam of de hoedanigheid van de verzoeker of van de overheid die het ambtshalve initiatief heeft genomen;
4° [1 in voorkomend geval, de naam en het ondernemingsnummer van de exploitant;]1
5° de identificatie van de ingedeelde inrichting of activiteit [1 of de omgevingsvergunning]1 die het voorwerp uitmaakt van het verzoek tot bijstelling;
6° in voorkomend geval, een verwijzing naar de aard van de standpunten, opmerkingen en bezwaren die zijn ingediend tijdens het openbaar onderzoek in de aanleg in kwestie, en de wijze waarop daarmee is omgegaan;
7° een motivering van de beslissing, onder meer rekening houdend met de bepalingen van artikel 73 en 74 van het decreet van 25 april 2014, en artikel 3.3.0.1 tot en met 3.3.0.3 van titel II van het VLAREM;
8° als de bijzondere milieuvoorwaarden worden gewijzigd of aangevuld, een opsomming van de bijzondere milieuvoorwaarden die worden opgelegd en, in voorkomend geval, van de bijzondere milieuvoorwaarden die van toepassing blijven;
9° de mogelijkheid en de modaliteiten van het beroep bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen tegen de genomen beslissing.
Als de wijziging of aanvulling van de bijzondere milieuvoorwaarden betrekking heeft op een GBPV-installatie, zijn de bepalingen van artikel 52, eerste lid, 2°, van dit besluit en van artikel 1.8 en 1.9 van titel III van het VLAREM ook van toepassing.
Art. 113. La décision en dernière instance administrative au sujet de l'actualisation des [1 conditions]1 est prise dans le délai fixé ou, le cas échéant, prolongé visé à l'article 66 du décret du 25 avril 2014.
La décision contient :
1° la date du recours et le nom ou la qualité de l'auteur du recours ;
2° la date et la nature de la décision contre laquelle le recours est introduit ;
3° la date de la demande ou de l'initiative d'office d'actualisation des [1 conditions]1 et le nom ou la qualité du demandeur ou de l'autorité qui a pris l'initiative d'office ;
4° [1 le cas échéant, le nom et le numéro d'entreprise de l'exploitant ;]1
5° l'identification de l'établissement classé ou de l'activité classée [1 ou du permis d'environnement]1 qui fait l'objet de la demande d'actualisation ;
6° le cas échéant, un renvoi à la nature des points de vue, observations et objections introduits durant l'enquête publique dans l'instance en question et à la façon dont ils ont été traités ;
7° une motivation de la décision, compte tenu notamment des dispositions des articles 73 et 74 du décret du 25 avril 2014 et des articles 3.3.0.1 à 3.3.0.3 inclus du titre II du VLAREM ;
8° si les conditions environnementales particulières sont modifiées ou complétées, une énumération des conditions environnementales particulières qui sont imposées et, le cas échéant, des conditions environnementales particulières qui demeurent applicables ;
9° la possibilité et les modalités de recours contre la décision prise auprès du Conseil du contentieux des permis.
Si les modifications ou ajouts apportés aux conditions environnementales particulières portent sur une installation IPPC, les dispositions de l'article 52, alinéa 1er, 2°, du présent arrêté et des articles 1.8 et 1.9 du titre III du VLAREM s'appliquent également.
La décision contient :
1° la date du recours et le nom ou la qualité de l'auteur du recours ;
2° la date et la nature de la décision contre laquelle le recours est introduit ;
3° la date de la demande ou de l'initiative d'office d'actualisation des [1 conditions]1 et le nom ou la qualité du demandeur ou de l'autorité qui a pris l'initiative d'office ;
4° [1 le cas échéant, le nom et le numéro d'entreprise de l'exploitant ;]1
5° l'identification de l'établissement classé ou de l'activité classée [1 ou du permis d'environnement]1 qui fait l'objet de la demande d'actualisation ;
6° le cas échéant, un renvoi à la nature des points de vue, observations et objections introduits durant l'enquête publique dans l'instance en question et à la façon dont ils ont été traités ;
7° une motivation de la décision, compte tenu notamment des dispositions des articles 73 et 74 du décret du 25 avril 2014 et des articles 3.3.0.1 à 3.3.0.3 inclus du titre II du VLAREM ;
8° si les conditions environnementales particulières sont modifiées ou complétées, une énumération des conditions environnementales particulières qui sont imposées et, le cas échéant, des conditions environnementales particulières qui demeurent applicables ;
9° la possibilité et les modalités de recours contre la décision prise auprès du Conseil du contentieux des permis.
Si les modifications ou ajouts apportés aux conditions environnementales particulières portent sur une installation IPPC, les dispositions de l'article 52, alinéa 1er, 2°, du présent arrêté et des articles 1.8 et 1.9 du titre III du VLAREM s'appliquent également.
Afdeling 6. - Bekendmaking van de beslissing
Section 6. - Publication de la décision
Art. 114. Voor de bekendmaking van de beslissing zijn de bepalingen van titel 3, hoofdstuk 9, afdeling 3, van overeenkomstige toepassing.
Als de beroepsindiener niet dezelfde persoon is als [1 de vergunninghouder of de exploitant, worden die]1 met een beveiligde zending op de hoogte gebracht van de beslissing.
Als de beroepsindiener niet dezelfde persoon is als [1 de vergunninghouder of de exploitant, worden die]1 met een beveiligde zending op de hoogte gebracht van de beslissing.
Art. 114. Pour la publication de la décision, les dispositions du titre 3, chapitre 9, section 3, s'appliquent par analogie.
Si l'auteur du recours n'est pas la même personne que [1 le titulaire du permis ou l'exploitant, ces derniers sont informés]1 de la décision par envoi sécurisé.
Si l'auteur du recours n'est pas la même personne que [1 le titulaire du permis ou l'exploitant, ces derniers sont informés]1 de la décision par envoi sécurisé.
Hoofdstuk 3. - De bijstelling van het voorwerp en de duur van de omgevingsvergunning wat betreft de exploitatie van een ingedeelde inrichting, vermeld in hoofdstuk 6, afdeling 2, van het decreet van 25 april 2014, in eerste administratieve aanleg
Chapitre 3. - L'actualisation de l'objet et de la durée du permis d'environnement en ce qui concerne l'exploitation d'un établissement classé, visée au chapitre 6, section 2, du décret du 25 avril 2014, en première instance administrative
Afdeling 1. - Bekendmaking van de inspraakprocedure
Section 1re. - Publication de la procédure de consultation publique
Art. 115. De bekendmaking van het verstrijken van elke geldigheidsperiode van twintig jaar van een omgevingsvergunning van onbepaalde duur bestaat uit :
1° een openbaar onderzoek;
2° de individuele kennisgeving aan de leidend ambtenaar van de adviesinstanties, vermeld in artikel 37, die in eerste administratieve aanleg over een vergunningsaanvraag voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit advies geven.
Conform artikel 83, § 1, derde lid, van het decreet van 25 april 2014, gebeurt de bekendmaking op initiatief van de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 van het decreet van 25 april 2014, binnen een termijn van zes maanden voor het verstrijken van elke geldigheidsperiode van twintig jaar.
1° een openbaar onderzoek;
2° de individuele kennisgeving aan de leidend ambtenaar van de adviesinstanties, vermeld in artikel 37, die in eerste administratieve aanleg over een vergunningsaanvraag voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit advies geven.
Conform artikel 83, § 1, derde lid, van het decreet van 25 april 2014, gebeurt de bekendmaking op initiatief van de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 van het decreet van 25 april 2014, binnen een termijn van zes maanden voor het verstrijken van elke geldigheidsperiode van twintig jaar.
Art. 115. La publication de l'expiration de toute période de validité de vingt ans d'un permis d'environnement à durée indéterminée consiste en :
1° une enquête publique ;
2° la notification individuelle au fonctionnaire dirigeant des instances d'avis visées à l'article 37, qui rendent un avis en première instance administrative sur une demande de permis pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée.
Conformément à l'article 83, § 1er, alinéa 3, du décret du 25 avril 2014, la publication a lieu à l'initiative de l'autorité compétente, visée à l'article 15 du décret du 25 avril 2014, dans un délai de six mois avant l'expiration de toute période de validité de vingt ans.
1° une enquête publique ;
2° la notification individuelle au fonctionnaire dirigeant des instances d'avis visées à l'article 37, qui rendent un avis en première instance administrative sur une demande de permis pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée.
Conformément à l'article 83, § 1er, alinéa 3, du décret du 25 avril 2014, la publication a lieu à l'initiative de l'autorité compétente, visée à l'article 15 du décret du 25 avril 2014, dans un délai de six mois avant l'expiration de toute période de validité de vingt ans.
Art. 116. Het bevoegde bestuur verzoekt de betrokken gemeente om een openbaar onderzoek te organiseren.
Als de bekendmaking uitsluitend betrekking heeft op bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten, wordt in afwijking van het eerste lid de betrokken provincie verzocht om een openbaar onderzoek te organiseren.
Voor de organisatie van het openbaar onderzoek zijn de bepalingen van titel 3, hoofdstuk 5, van overeenkomstige toepassing.
[1 De gemeente stelt de tekst ter beschikking die gebruikt wordt voor de bekendmaking.]1
De tekst, vermeld in het vierde lid, bevat minstens de volgende gegevens :
1° de naam van de vergunninghouder of exploitant;
2° [1 de vermelding dat het gaat over een verzoek tot bijstelling van het voorwerp en de duur van de omgevingsvergunning;]1
3° [1 de ingedeelde inrichting of activiteit waarop het verzoek betrekking heeft en de ligging daarvan;]1
4° nadere gegevens over de bevoegde overheid voor de bijstelling;
5° nadere gegevens over de overheid waarbij relevante informatie kan worden verkregen;
6° de begin- en einddatum van de mogelijkheid om een verzoek in te dienen tot bijstelling van het voorwerp of de duur van de omgevingsvergunning;
7° de plaats waar de vergunning tijdens de bekendmaking ter inzage ligt;
8° de begin- en einddatum en de voorwaarden waaronder een gemotiveerd verzoek tot bijstelling van het voorwerp of de duur van de omgevingsvergunning wat betreft de exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten kan worden ingediend.
Het bevoegde bestuur zal op de dag van het verzoek om een openbaar onderzoek te organiseren, vermeld in het eerste of tweede lid, met een digitale zending de individuele kennisgeving, vermeld in artikel 115, eerste lid, 2°, versturen.
Als de bekendmaking uitsluitend betrekking heeft op bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten, wordt in afwijking van het eerste lid de betrokken provincie verzocht om een openbaar onderzoek te organiseren.
Voor de organisatie van het openbaar onderzoek zijn de bepalingen van titel 3, hoofdstuk 5, van overeenkomstige toepassing.
[1 De gemeente stelt de tekst ter beschikking die gebruikt wordt voor de bekendmaking.]1
De tekst, vermeld in het vierde lid, bevat minstens de volgende gegevens :
1° de naam van de vergunninghouder of exploitant;
2° [1 de vermelding dat het gaat over een verzoek tot bijstelling van het voorwerp en de duur van de omgevingsvergunning;]1
3° [1 de ingedeelde inrichting of activiteit waarop het verzoek betrekking heeft en de ligging daarvan;]1
4° nadere gegevens over de bevoegde overheid voor de bijstelling;
5° nadere gegevens over de overheid waarbij relevante informatie kan worden verkregen;
6° de begin- en einddatum van de mogelijkheid om een verzoek in te dienen tot bijstelling van het voorwerp of de duur van de omgevingsvergunning;
7° de plaats waar de vergunning tijdens de bekendmaking ter inzage ligt;
8° de begin- en einddatum en de voorwaarden waaronder een gemotiveerd verzoek tot bijstelling van het voorwerp of de duur van de omgevingsvergunning wat betreft de exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten kan worden ingediend.
Het bevoegde bestuur zal op de dag van het verzoek om een openbaar onderzoek te organiseren, vermeld in het eerste of tweede lid, met een digitale zending de individuele kennisgeving, vermeld in artikel 115, eerste lid, 2°, versturen.
Art. 116. L'administration compétente demande à la commune concernée d'organiser une enquête publique.
Par dérogation à l'alinéa 1er, si la publication porte exclusivement sur des projets mobiles ou transportables supracommunaux, la province concernée est priée d'organiser une enquête publique.
Pour l'organisation de l'enquête publique, les dispositions du titre 3, chapitre 5, s'appliquent par analogie.
[1 La commune met à disposition le texte utilisé pour la publication.]1
Le texte visé à l'alinéa 4 contient au moins les données suivantes :
1° le nom du titulaire du permis ou de l'exploitant ;
2° [1 la mention selon laquelle il s'agit d'une demande d'actualisation de l'objet et de la durée du permis d'environnement;]1
3° [1 l'établissement classé ou l'activité classée visés par la demande et leur remplacement;]1
4° des détails sur l'autorité compétente pour l'actualisation ;
5° des détails sur l'autorité auprès de laquelle des informations pertinentes peuvent être obtenues ;
6° la date de début et de fin de la possibilité d'introduire une demande d'actualisation de l'objet ou de la durée du permis d'environnement ;
7° le lieu où le permis peut être consulté durant la publication ;
8° la date de début et de fin et les conditions auxquelles une demande motivée d'actualisation de l'objet ou de la durée du permis d'environnement en ce qui concerne l'exploitation d'établissements ou d'activités classés peut être introduite.
Le jour de la demande d'organiser une enquête publique visée à l'alinéa 1er ou 2, l'administration compétente expédiera la notification individuelle visée à l'article 115, alinéa 1er, 2°, par envoi numérique.
Par dérogation à l'alinéa 1er, si la publication porte exclusivement sur des projets mobiles ou transportables supracommunaux, la province concernée est priée d'organiser une enquête publique.
Pour l'organisation de l'enquête publique, les dispositions du titre 3, chapitre 5, s'appliquent par analogie.
[1 La commune met à disposition le texte utilisé pour la publication.]1
Le texte visé à l'alinéa 4 contient au moins les données suivantes :
1° le nom du titulaire du permis ou de l'exploitant ;
2° [1 la mention selon laquelle il s'agit d'une demande d'actualisation de l'objet et de la durée du permis d'environnement;]1
3° [1 l'établissement classé ou l'activité classée visés par la demande et leur remplacement;]1
4° des détails sur l'autorité compétente pour l'actualisation ;
5° des détails sur l'autorité auprès de laquelle des informations pertinentes peuvent être obtenues ;
6° la date de début et de fin de la possibilité d'introduire une demande d'actualisation de l'objet ou de la durée du permis d'environnement ;
7° le lieu où le permis peut être consulté durant la publication ;
8° la date de début et de fin et les conditions auxquelles une demande motivée d'actualisation de l'objet ou de la durée du permis d'environnement en ce qui concerne l'exploitation d'établissements ou d'activités classés peut être introduite.
Le jour de la demande d'organiser une enquête publique visée à l'alinéa 1er ou 2, l'administration compétente expédiera la notification individuelle visée à l'article 115, alinéa 1er, 2°, par envoi numérique.
Afdeling 2. - De indiening van het verzoek en ambtshalve initiatief
Section 2. - L'introduction de la demande et l'initiative d'office
Art. 117. Het gemotiveerde verzoek tot bijstelling van het voorwerp en de duur van de omgevingsvergunning wat betreft de exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten wordt ingediend bij de overheid die conform artikel 15 van het decreet van 25 april 2014 bevoegd is voor het project, binnen een termijn van dertig dagen die aanvangt :
1° voor het betrokken publiek : de dag na de eerste dag van de aanplakking van de affiche, vermeld in artikel 59 van dit besluit;
2° voor de adviesinstanties : de eerste dag na de dag van de individuele inkennisstelling, vermeld in artikel 116, zesde lid, van dit besluit.
1° voor het betrokken publiek : de dag na de eerste dag van de aanplakking van de affiche, vermeld in artikel 59 van dit besluit;
2° voor de adviesinstanties : de eerste dag na de dag van de individuele inkennisstelling, vermeld in artikel 116, zesde lid, van dit besluit.
Art. 117. La demande motivée d'actualisation de l'objet et de la durée du permis d'environnement en ce qui concerne l'exploitation d'établissements ou d'activités classés est introduite auprès de l'autorité compétente pour le projet conformément à l'article 15 du décret du 25 avril 2014 dans un délai de trente jours prenant cours :
1° pour le public concerné : le lendemain du premier jour de l'affichage visé à l'article 59 du présent arrêté ;
2° pour les instances d'avis : le premier jour suivant celui de la notification individuelle visée à l'article 116, alinéa 6, du présent arrêté.
1° pour le public concerné : le lendemain du premier jour de l'affichage visé à l'article 59 du présent arrêté ;
2° pour les instances d'avis : le premier jour suivant celui de la notification individuelle visée à l'article 116, alinéa 6, du présent arrêté.
Art. 118. Het gemotiveerde verzoek bevat op straffe van onontvankelijkheid de volgende gegevens :
1° de naam, de hoedanigheid en het adres van de verzoeker;
2° de identificatie van de ingedeelde inrichting of activiteit die het voorwerp uitmaakt van het verzoek tot bijstelling;
3° een omschrijving van de gevraagde bijstelling van het voorwerp of de duur van de omgevingsvergunning;
4° de redenen waarom het verzoek wordt ingesteld.
1° de naam, de hoedanigheid en het adres van de verzoeker;
2° de identificatie van de ingedeelde inrichting of activiteit die het voorwerp uitmaakt van het verzoek tot bijstelling;
3° een omschrijving van de gevraagde bijstelling van het voorwerp of de duur van de omgevingsvergunning;
4° de redenen waarom het verzoek wordt ingesteld.
Art. 118. A peine d'irrecevabilité, la demande motivée contient les éléments suivants :
1° les nom, qualité et adresse du demandeur ;
2° l'identification de l'établissement classé ou de l'activité classée qui fait l'objet de la demande d'actualisation ;
3° une description de l'actualisation demandée de l'objet ou de la durée du permis d'environnement ;
4° les motifs pour lesquels la demande est introduite.
1° les nom, qualité et adresse du demandeur ;
2° l'identification de l'établissement classé ou de l'activité classée qui fait l'objet de la demande d'actualisation ;
3° une description de l'actualisation demandée de l'objet ou de la durée du permis d'environnement ;
4° les motifs pour lesquels la demande est introduite.
Art. 119. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 van het decreet van 25 april 2014, kan een initiatief tot ambtshalve bijstelling van het voorwerp of de duur van de omgevingsvergunning wat betreft de exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten nemen binnen een termijn van dertig dagen vanaf de eerste dag na de dag waarop het bevoegde bestuur de betrokken gemeente of provincie verzocht heeft om een openbaar onderzoek te organiseren als vermeld in artikel 116, eerste of tweede lid, van dit besluit.
Het besluit van de bevoegde overheid omvat op straffe van onontvankelijkheid de gegevens, vermeld in artikel 118 van dit besluit.
Het besluit van de bevoegde overheid omvat op straffe van onontvankelijkheid de gegevens, vermeld in artikel 118 van dit besluit.
Art. 119. L'autorité compétente visée à l'article 15 du décret du 25 avril 2014 peut prendre une initiative d'actualisation d'office de l'objet ou de la durée du permis d'environnement en ce qui concerne l'exploitation d'établissements ou d'activités classés dans un délai de trente jours à compter du premier jour suivant celui auquel l'administration compétente a demandé à la commune ou à la province concernée d'organiser une enquête publique telle que visée à l'article 116, alinéa 1er ou 2 du présent arrêté. .
A peine d'irrecevabilité, la décision de l'autorité compétente contient les éléments visés à l'article 118 du présent arrêté.
A peine d'irrecevabilité, la décision de l'autorité compétente contient les éléments visés à l'article 118 du présent arrêté.
Afdeling 3. - Het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek en het onderzoek van de kennelijke ongegrondheid van de aangevoerde motieven
Section 3. - L'examen de la recevabilité et de l'exhaustivité et l'examen du non-fondé manifeste des motifs invoqués
Art. 120. § 1. Het bevoegde bestuur onderzoekt de ontvankelijkheid en volledigheid van het verzoek of ambtshalve initiatief tot bijstelling van het voorwerp of de duur van de omgevingsvergunning.
Bij het onderzoek naar de ontvankelijkheid en volledigheid wordt nagegaan of voldaan is aan de bepalingen van artikel 117, 118 of 119 van dit besluit, en artikel 83, § 1, eerste en tweede lid, van het decreet van 25 april 2014.
In de gevallen, vermeld in artikel 87, § 1, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014, stelt de bevoegde overheid het verzoek of initiatief tot ambtshalve bijstelling ter beschikking van de bevoegde omgevingsvergunningscommissie, en vraagt het de kennelijke ongegrondheid van de aangevoerde motieven te onderzoeken.
Binnen een termijn van vijf dagen nadat de bevoegde omgevingsvergunningscommissie de vraag tot onderzoek, vermeld in het eerste lid, heeft ontvangen, vraagt de omgevingsvergunningscommissie het standpunt van :
1° het adviserend schepencollege, als :
a) het betrokken college van burgemeester en schepenen niet het ambtshalve initiatief heeft genomen;
b) het verzoek tot bijstelling geen betrekking heeft op bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten;
2° de adviesinstanties, vermeld in artikel 37, die over de vergunningsaanvraag in eerste administratieve aanleg een advies geven als ze niet zelf een verzoek tot bijstelling van het voorwerp en de duur hebben ingediend of de exploitant zijn.
§ 2. De adviesinstanties en het adviserend schepencollege, vermeld in paragraaf 1, vierde lid, stellen hun standpunt ter beschikking van de omgevingsvergunningscommissie binnen een vervaltermijn van vijftien dagen die ingaat op de dag na de dag van ontvangst van de adviesvraag.
Als een adviesinstantie of het adviserend schepencollege geen standpunt ter beschikking heeft gesteld binnen de gestelde vervaltermijn, wordt aangenomen dat die van oordeel zijn dat de aangevoerde motieven van een initiatief tot ambtshalve bijstelling of een verzoek ertoe als vermeld in artikel 83, § 1, eerste lid, 1°, respectievelijk artikel 83, § 1, eerste lid, 2°, van het decreet van 25 april 2014, kennelijk ongegrond zijn.
§ 3. De omgevingsvergunningscommissie deelt het resultaat van haar onderzoek mee binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de dag van ontvangst door de commissie van het verzoek of initiatief tot ambtshalve bijstelling.
§ 4. Het bevoegde bestuur deelt het resultaat van het onderzoek naar de ontvankelijkheid, volledigheid of de kennelijke ongegrondheid van het verzoek of ambtshalve initiatief tot bijstelling met een beveiligde zending mee aan de verzoeker of, in geval van een ambtshalve initiatief, aan de bevoegde overheid binnen een termijn van vijftig dagen vanaf de dag na de datum waarop het verzoek is ingediend.
Op dezelfde dag van de mededeling, vermeld in het eerste lid, brengt het bevoegde bestuur de exploitant van de ingedeelde inrichting of activiteit met een beveiligde zending op de hoogte van een ontvankelijk, volledig en niet kennelijk ongegrond bevonden ambtshalve initiatief of verzoek.
Als het verzoek tot bijstelling van het voorwerp en de duur van de omgevingsvergunning onontvankelijk, onvolledig of kennelijk ongegrond wordt bevonden, wordt de procedure definitief stopgezet.
Bij het onderzoek naar de ontvankelijkheid en volledigheid wordt nagegaan of voldaan is aan de bepalingen van artikel 117, 118 of 119 van dit besluit, en artikel 83, § 1, eerste en tweede lid, van het decreet van 25 april 2014.
In de gevallen, vermeld in artikel 87, § 1, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014, stelt de bevoegde overheid het verzoek of initiatief tot ambtshalve bijstelling ter beschikking van de bevoegde omgevingsvergunningscommissie, en vraagt het de kennelijke ongegrondheid van de aangevoerde motieven te onderzoeken.
Binnen een termijn van vijf dagen nadat de bevoegde omgevingsvergunningscommissie de vraag tot onderzoek, vermeld in het eerste lid, heeft ontvangen, vraagt de omgevingsvergunningscommissie het standpunt van :
1° het adviserend schepencollege, als :
a) het betrokken college van burgemeester en schepenen niet het ambtshalve initiatief heeft genomen;
b) het verzoek tot bijstelling geen betrekking heeft op bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten;
2° de adviesinstanties, vermeld in artikel 37, die over de vergunningsaanvraag in eerste administratieve aanleg een advies geven als ze niet zelf een verzoek tot bijstelling van het voorwerp en de duur hebben ingediend of de exploitant zijn.
§ 2. De adviesinstanties en het adviserend schepencollege, vermeld in paragraaf 1, vierde lid, stellen hun standpunt ter beschikking van de omgevingsvergunningscommissie binnen een vervaltermijn van vijftien dagen die ingaat op de dag na de dag van ontvangst van de adviesvraag.
Als een adviesinstantie of het adviserend schepencollege geen standpunt ter beschikking heeft gesteld binnen de gestelde vervaltermijn, wordt aangenomen dat die van oordeel zijn dat de aangevoerde motieven van een initiatief tot ambtshalve bijstelling of een verzoek ertoe als vermeld in artikel 83, § 1, eerste lid, 1°, respectievelijk artikel 83, § 1, eerste lid, 2°, van het decreet van 25 april 2014, kennelijk ongegrond zijn.
§ 3. De omgevingsvergunningscommissie deelt het resultaat van haar onderzoek mee binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de dag van ontvangst door de commissie van het verzoek of initiatief tot ambtshalve bijstelling.
§ 4. Het bevoegde bestuur deelt het resultaat van het onderzoek naar de ontvankelijkheid, volledigheid of de kennelijke ongegrondheid van het verzoek of ambtshalve initiatief tot bijstelling met een beveiligde zending mee aan de verzoeker of, in geval van een ambtshalve initiatief, aan de bevoegde overheid binnen een termijn van vijftig dagen vanaf de dag na de datum waarop het verzoek is ingediend.
Op dezelfde dag van de mededeling, vermeld in het eerste lid, brengt het bevoegde bestuur de exploitant van de ingedeelde inrichting of activiteit met een beveiligde zending op de hoogte van een ontvankelijk, volledig en niet kennelijk ongegrond bevonden ambtshalve initiatief of verzoek.
Als het verzoek tot bijstelling van het voorwerp en de duur van de omgevingsvergunning onontvankelijk, onvolledig of kennelijk ongegrond wordt bevonden, wordt de procedure definitief stopgezet.
Art. 120. § 1er. L'administration compétente examine la recevabilité et l'exhaustivité de la demande ou de l'initiative d'office d'actualisation de l'objet ou de la durée du permis d'environnement.
Lors de l'examen de la recevabilité et de l'exhaustivité, il est vérifié s'il est satisfait aux dispositions de l'article 117, 118 ou 119 du présent arrêté et de l'article 83, § 1er, alinéas 1er et 2, du décret du 25 avril 2014.
Dans les cas visés à l'article 87, § 1er, alinéa 2, du décret du 25 avril 2014, l'autorité compétente met la demande ou l'initiative d'actualisation d'office à la disposition de la commission du permis d'environnement compétente et demande d'examiner le non-fondé manifeste des motifs invoqués.
Dans un délai de cinq jours de la réception de la demande d'examen visée à l'alinéa 1er, la commission du permis d'environnement compétente demande la position :
1° du collège consultatif des échevins si :
a) le collège des bourgmestre et échevins concerné n'a pas pris l'initiative d'office ;
b) la demande d'actualisation ne porte pas sur des projets mobiles ou transportables supracommunaux ;
2° des instances d'avis visées à l'article 37, qui rendent un avis en première instance administrative sur la demande de permis si elles n'ont pas introduit elles-mêmes de demande d'actualisation de l'objet et de la durée ou si elles sont l'exploitant.
§ 2. Les instances d'avis et le collège consultatif des échevins, visés au paragraphe 1er, alinéa 4, mettent leur position à la disposition de la commission du permis d'environnement dans un délai de quinze jours prenant cours le lendemain de la réception de la demande d'avis.
Si une instance d'avis ou le collège consultatif des échevins n'a pas communiqué sa position dans le délai fixé, il est admis qu'ils sont d'avis que les motifs invoqués d'une initiative d'actualisation d'office ou d'une demande à cet effet, telle que visée à l'article 83, § 1er, alinéa 1er, point 1°, ou à l'article 83, § 1er, alinéa 1er, point 2°, du décret du 25 avril 2014, sont manifestement non fondés.
§ 3. La commission du permis d'environnement communique le résultat de son examen dans un délai de trente jours prenant cours le lendemain de la réception par la commission de la demande ou de l'initiative d'actualisation d'office.
§ 4. L'administration compétente communique le résultat de l'examen de la recevabilité, de l'exhaustivité ou du non-fondé manifeste de la demande ou de l'initiative d'office d'actualisation par envoi sécurisé au demandeur ou, dans le cas d'une initiative d'office, à l'autorité compétente dans un délai de cinquante jours à compter du jour suivant la date à laquelle la demande a été introduite.
Le même jour que la communication visée à l'alinéa 1er, l'administration compétente informe l'exploitant de l'établissement classé ou de l'activité classée par envoi sécurisé d'une demande jugée recevable, complète et non manifestement infondée.
Si la demande d'actualisation de l'objet et de la durée du permis d'environnement est jugée irrecevable, incomplète ou manifestement non fondée, il est définitivement mis fin à la procédure.
Lors de l'examen de la recevabilité et de l'exhaustivité, il est vérifié s'il est satisfait aux dispositions de l'article 117, 118 ou 119 du présent arrêté et de l'article 83, § 1er, alinéas 1er et 2, du décret du 25 avril 2014.
Dans les cas visés à l'article 87, § 1er, alinéa 2, du décret du 25 avril 2014, l'autorité compétente met la demande ou l'initiative d'actualisation d'office à la disposition de la commission du permis d'environnement compétente et demande d'examiner le non-fondé manifeste des motifs invoqués.
Dans un délai de cinq jours de la réception de la demande d'examen visée à l'alinéa 1er, la commission du permis d'environnement compétente demande la position :
1° du collège consultatif des échevins si :
a) le collège des bourgmestre et échevins concerné n'a pas pris l'initiative d'office ;
b) la demande d'actualisation ne porte pas sur des projets mobiles ou transportables supracommunaux ;
2° des instances d'avis visées à l'article 37, qui rendent un avis en première instance administrative sur la demande de permis si elles n'ont pas introduit elles-mêmes de demande d'actualisation de l'objet et de la durée ou si elles sont l'exploitant.
§ 2. Les instances d'avis et le collège consultatif des échevins, visés au paragraphe 1er, alinéa 4, mettent leur position à la disposition de la commission du permis d'environnement dans un délai de quinze jours prenant cours le lendemain de la réception de la demande d'avis.
Si une instance d'avis ou le collège consultatif des échevins n'a pas communiqué sa position dans le délai fixé, il est admis qu'ils sont d'avis que les motifs invoqués d'une initiative d'actualisation d'office ou d'une demande à cet effet, telle que visée à l'article 83, § 1er, alinéa 1er, point 1°, ou à l'article 83, § 1er, alinéa 1er, point 2°, du décret du 25 avril 2014, sont manifestement non fondés.
§ 3. La commission du permis d'environnement communique le résultat de son examen dans un délai de trente jours prenant cours le lendemain de la réception par la commission de la demande ou de l'initiative d'actualisation d'office.
§ 4. L'administration compétente communique le résultat de l'examen de la recevabilité, de l'exhaustivité ou du non-fondé manifeste de la demande ou de l'initiative d'office d'actualisation par envoi sécurisé au demandeur ou, dans le cas d'une initiative d'office, à l'autorité compétente dans un délai de cinquante jours à compter du jour suivant la date à laquelle la demande a été introduite.
Le même jour que la communication visée à l'alinéa 1er, l'administration compétente informe l'exploitant de l'établissement classé ou de l'activité classée par envoi sécurisé d'une demande jugée recevable, complète et non manifestement infondée.
Si la demande d'actualisation de l'objet et de la durée du permis d'environnement est jugée irrecevable, incomplète ou manifestement non fondée, il est définitivement mis fin à la procédure.
Afdeling 4. - Het openbaar onderzoek
Section 4. - L'enquête publique
Art. 121. Het bevoegde bestuur stelt uiterlijk de dag waarop de beslissingstermijn, vermeld in artikel 89, § 3, van het decreet van 25 april 2014, ingaat, het ontvankelijk en volledig bevonden verzoek of ambtshalve initiatief tot bijstelling van het voorwerp of de duur van de omgevingsvergunning ter beschikking van de betrokken gemeente, met de opdracht om een openbaar onderzoek te organiseren.
Als het verzoek of ambtshalve initiatief tot bijstelling van het voorwerp of de duur van de omgevingsvergunning uitsluitend betrekking heeft op bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten, wordt in afwijking van het eerste lid het verzoek of ambtshalve initiatief niet ter beschikking gesteld van de betrokken gemeente, maar van de betrokken provincie, met de opdracht om een openbaar onderzoek te organiseren.
Voor de organisatie van het openbaar onderzoek zijn de bepalingen van titel 3, hoofdstuk 5, met uitzondering van artikel 16, tweede lid, van toepassing.
Als het verzoek of ambtshalve initiatief tot bijstelling van het voorwerp of de duur van de omgevingsvergunning uitsluitend betrekking heeft op bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten, wordt in afwijking van het eerste lid het verzoek of ambtshalve initiatief niet ter beschikking gesteld van de betrokken gemeente, maar van de betrokken provincie, met de opdracht om een openbaar onderzoek te organiseren.
Voor de organisatie van het openbaar onderzoek zijn de bepalingen van titel 3, hoofdstuk 5, met uitzondering van artikel 16, tweede lid, van toepassing.
Art. 121. Au plus tard le jour où le délai de décision visé à l'article 89, § 3, du décret du 25 avril 2014 commence à courir, l'administration compétente met la demande jugée recevable et complète ou l'initiative d'office d'actualisation de l'objet ou de la durée du permis d'environnement à la disposition de la commune concernée en la chargeant d'organiser une enquête publique.
Si la demande ou l'initiative d'office d'actualisation de l'objet ou de la durée du permis d'environnement porte exclusivement sur des projets mobiles ou transportables supracommunaux, la demande ou l'initiative d'office n'est, par dérogation à l'alinéa 1er, pas mise à la disposition de la commune concernée mais de la province concernée chargée d'organiser une enquête publique.
Pour l'organisation de l'enquête publique, les dispositions du titre 3, chapitre 5, à l'exception de l'article 16, alinéa 2, s'appliquent.
Si la demande ou l'initiative d'office d'actualisation de l'objet ou de la durée du permis d'environnement porte exclusivement sur des projets mobiles ou transportables supracommunaux, la demande ou l'initiative d'office n'est, par dérogation à l'alinéa 1er, pas mise à la disposition de la commune concernée mais de la province concernée chargée d'organiser une enquête publique.
Pour l'organisation de l'enquête publique, les dispositions du titre 3, chapitre 5, à l'exception de l'article 16, alinéa 2, s'appliquent.
Afdeling 5. - Adviesverlening
Section 5. - Consultation
Art. 122. § 1. Het bevoegde bestuur zal uiterlijk de dag waarop de beslissingstermijn, vermeld in artikel 89, § 3, van het decreet van 25 april 2014, ingaat, het ontvankelijk en volledig bevonden verzoek of ambtshalve initiatief tot bijstelling van het voorwerp of de duur van de omgevingsvergunning voor advies ter beschikking stellen van de bevoegde omgevingsvergunningscommissie.
De omgevingsvergunningscommissie stelt binnen tien dagen nadat haar het verzoek of ambtshalve initiatief ter beschikking is gesteld, op haar beurt het verzoek of ambtshalve initiatief ter beschikking van :
1° het adviserend schepencollege, als het betrokken college van burgemeester en schepenen niet het ambtshalve initiatief heeft genomen, met het verzoek om advies uit te brengen;
2° de adviesinstanties, vermeld in artikel 37, als die adviesinstanties :
a) over de vergunningsaanvraag in eerste administratieve aanleg een advies geven;
b) niet zelf een verzoek tot bijstelling van het voorwerp en de duur hebben ingediend of exploitant zijn,
met het verzoek om advies uit te brengen;
3° de overige leden van de betrokken omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 39 respectievelijk artikel 40.
§ 2. [1 De volgende vervaltermijnen worden gehanteerd voor de advisering :
1° door de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning :
a) zestig dagen als het een advies aan de POVC of de GOVC betreft;
b) vijftig dagen in alle andere gevallen dan het geval, vermeld in punt a);
2° door het adviserende schepencollege en de overige adviesinstanties : vijftig dagen.]1
De bevoegde omgevingsvergunningscommissie brengt een advies uit binnen een termijn van negentig dagen.
De termijnen, vermeld in het eerste en het tweede lid, vangen aan de dag nadat het verzoek of ambtshalve initiatief ter beschikking is gesteld.
Als geen advies wordt uitgebracht binnen de termijn, vermeld in het eerste of tweede lid, wordt het advies geacht gunstig te zijn voor de gevraagde bijstelling van het voorwerp en de duur van de omgevingsvergunning.
§ 3. De personen en instanties die een verzoek tot bijstelling van het voorwerp of de duur van de omgevingsvergunning hebben ingediend, of de exploitant, worden op hun verzoek gehoord door de provinciale of de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie.
Het verzoek om gehoord te worden, wordt op straffe van onontvankelijkheid, gesteld in het verzoek tot bijstelling van het voorwerp en de duur van de omgevingsvergunning of, voor de exploitant, binnen veertien dagen na de dag waarop hem het ontvankelijk en volledig bevonden verzoek of ambtshalve initiatief conform artikel 120, § 4, tweede lid, wordt meegedeeld.
§ 4. De adviezen, vermeld in paragraaf 2, bevatten een gemotiveerde beoordeling van de noodzaak tot bijstelling van het voorwerp of de duur van de omgevingsvergunning voor de aspecten waarvoor het adviserend schepencollege en de adviesinstanties krachtens artikel 34 of 38 adviesbevoegdheid hebben.
§ 5. Artikel 29 van het decreet van 25 april 2014 is van overeenkomstige toepassing op de bijstelling van het voorwerp en de duur van de omgevingsvergunning.
De omgevingsvergunningscommissie stelt binnen tien dagen nadat haar het verzoek of ambtshalve initiatief ter beschikking is gesteld, op haar beurt het verzoek of ambtshalve initiatief ter beschikking van :
1° het adviserend schepencollege, als het betrokken college van burgemeester en schepenen niet het ambtshalve initiatief heeft genomen, met het verzoek om advies uit te brengen;
2° de adviesinstanties, vermeld in artikel 37, als die adviesinstanties :
a) over de vergunningsaanvraag in eerste administratieve aanleg een advies geven;
b) niet zelf een verzoek tot bijstelling van het voorwerp en de duur hebben ingediend of exploitant zijn,
met het verzoek om advies uit te brengen;
3° de overige leden van de betrokken omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 39 respectievelijk artikel 40.
§ 2. [1 De volgende vervaltermijnen worden gehanteerd voor de advisering :
1° door de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning :
a) zestig dagen als het een advies aan de POVC of de GOVC betreft;
b) vijftig dagen in alle andere gevallen dan het geval, vermeld in punt a);
2° door het adviserende schepencollege en de overige adviesinstanties : vijftig dagen.]1
De bevoegde omgevingsvergunningscommissie brengt een advies uit binnen een termijn van negentig dagen.
De termijnen, vermeld in het eerste en het tweede lid, vangen aan de dag nadat het verzoek of ambtshalve initiatief ter beschikking is gesteld.
Als geen advies wordt uitgebracht binnen de termijn, vermeld in het eerste of tweede lid, wordt het advies geacht gunstig te zijn voor de gevraagde bijstelling van het voorwerp en de duur van de omgevingsvergunning.
§ 3. De personen en instanties die een verzoek tot bijstelling van het voorwerp of de duur van de omgevingsvergunning hebben ingediend, of de exploitant, worden op hun verzoek gehoord door de provinciale of de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie.
Het verzoek om gehoord te worden, wordt op straffe van onontvankelijkheid, gesteld in het verzoek tot bijstelling van het voorwerp en de duur van de omgevingsvergunning of, voor de exploitant, binnen veertien dagen na de dag waarop hem het ontvankelijk en volledig bevonden verzoek of ambtshalve initiatief conform artikel 120, § 4, tweede lid, wordt meegedeeld.
§ 4. De adviezen, vermeld in paragraaf 2, bevatten een gemotiveerde beoordeling van de noodzaak tot bijstelling van het voorwerp of de duur van de omgevingsvergunning voor de aspecten waarvoor het adviserend schepencollege en de adviesinstanties krachtens artikel 34 of 38 adviesbevoegdheid hebben.
§ 5. Artikel 29 van het decreet van 25 april 2014 is van overeenkomstige toepassing op de bijstelling van het voorwerp en de duur van de omgevingsvergunning.
Art. 122. § 1er. Au plus tard le jour où le délai de décision visé à l'article 89, § 3, du décret du 25 avril 2014 commence à courir, l'administration compétente mettra la demande jugée recevable et complète ou l'initiative d'office d'actualisation de l'objet ou de la durée du permis d'environnement à la disposition de la commission du permis d'environnement compétente pour avis.
Dans les dix jours suivant la mise à sa disposition de la demande ou de l'initiative d'office, la commission du permis d'environnement met à son tour la demande ou l'initiative d'office à la disposition :
1° du collège consultatif des échevins si le collège des bourgmestre et échevins concerné n'a pas pris l'initiative d'office, en lui demandant de rendre un avis ;
2° des instances d'avis visées à l'article 37, si ces instances d'avis :
a) rendent un avis au sujet de la demande de permis en première instance administrative ;
b) n'ont pas introduit elles-mêmes de demande d'actualisation de l'objet et de la durée ou sont l'exploitant,
en leur demandant de rendre un avis ;
3° des autres membres de la commission du permis d'environnement concernée, visés à l'article 39 ou 40.
§ 2. [1 Les délais suivants sont appliqués pour les avis rendus :
1° par la division Environnement compétente pour le permis d'environnement :
a) soixante jours s'il s'agit d'un avis à la POVC ou à la GOVC ;
b) cinquante jours dans tous les cas autres que celui visé au point a);
2° par le collège consultatif des échevins et les autres instances d'avis : cinquante jours.]1
La commission du permis d'environnement compétente rend un avis dans un délai de nonante jours.
Les délais visés aux premier et deuxième alinéas prennent cours le jour suivant la mise à disposition de la demande ou l'initiative d'office.
Si aucun avis n'est rendu dans le délai visé à l'alinéa 1er ou 2, l'avis est réputé favorable à l'actualisation demandée de l'objet et de la durée du permis d'environnement.
§ 3. Les personnes et instances qui ont introduit une demande d'actualisation de l'objet ou de la durée du permis d'environnement, ou l'exploitant, sont entendues à leur demande par la commission provinciale ou régionale du permis d'environnement.
A peine d'irrecevabilité, la demande d'audition est formulée dans la demande d'actualisation de l'objet et de la durée du permis d'environnement ou, pour l'exploitant, dans les quatorze jours suivant le jour où la demande jugée recevable et complète ou l'initiative d'office lui est communiquée conformément à l'article 120, § 4, alinéa 2.
§ 4. Les avis visés au paragraphe 2 contiennent une appréciation motivée de la nécessité d'actualisation de l'objet ou de la durée du permis d'environnement pour les aspects au sujet desquels le collège consultatif des échevins et les instances d'avis disposent d'une compétence d'avis en vertu de l'article 34 ou 38.
§ 5. L'article 29 du décret du 25 avril 2014 s'applique par analogie à l'actualisation de l'objet et de la durée du permis d'environnement.
Dans les dix jours suivant la mise à sa disposition de la demande ou de l'initiative d'office, la commission du permis d'environnement met à son tour la demande ou l'initiative d'office à la disposition :
1° du collège consultatif des échevins si le collège des bourgmestre et échevins concerné n'a pas pris l'initiative d'office, en lui demandant de rendre un avis ;
2° des instances d'avis visées à l'article 37, si ces instances d'avis :
a) rendent un avis au sujet de la demande de permis en première instance administrative ;
b) n'ont pas introduit elles-mêmes de demande d'actualisation de l'objet et de la durée ou sont l'exploitant,
en leur demandant de rendre un avis ;
3° des autres membres de la commission du permis d'environnement concernée, visés à l'article 39 ou 40.
§ 2. [1 Les délais suivants sont appliqués pour les avis rendus :
1° par la division Environnement compétente pour le permis d'environnement :
a) soixante jours s'il s'agit d'un avis à la POVC ou à la GOVC ;
b) cinquante jours dans tous les cas autres que celui visé au point a);
2° par le collège consultatif des échevins et les autres instances d'avis : cinquante jours.]1
La commission du permis d'environnement compétente rend un avis dans un délai de nonante jours.
Les délais visés aux premier et deuxième alinéas prennent cours le jour suivant la mise à disposition de la demande ou l'initiative d'office.
Si aucun avis n'est rendu dans le délai visé à l'alinéa 1er ou 2, l'avis est réputé favorable à l'actualisation demandée de l'objet et de la durée du permis d'environnement.
§ 3. Les personnes et instances qui ont introduit une demande d'actualisation de l'objet ou de la durée du permis d'environnement, ou l'exploitant, sont entendues à leur demande par la commission provinciale ou régionale du permis d'environnement.
A peine d'irrecevabilité, la demande d'audition est formulée dans la demande d'actualisation de l'objet et de la durée du permis d'environnement ou, pour l'exploitant, dans les quatorze jours suivant le jour où la demande jugée recevable et complète ou l'initiative d'office lui est communiquée conformément à l'article 120, § 4, alinéa 2.
§ 4. Les avis visés au paragraphe 2 contiennent une appréciation motivée de la nécessité d'actualisation de l'objet ou de la durée du permis d'environnement pour les aspects au sujet desquels le collège consultatif des échevins et les instances d'avis disposent d'une compétence d'avis en vertu de l'article 34 ou 38.
§ 5. L'article 29 du décret du 25 avril 2014 s'applique par analogie à l'actualisation de l'objet et de la durée du permis d'environnement.
Afdeling 6. - Situaties die resulteren in een termijnverlenging
Section 6. - Situations entraînant une prolongation du délai
Art. 123. De termijn om een beslissing te nemen, vermeld in artikel 89, § 1, 2°, van het decreet van 25 april 2014, wordt uitsluitend verlengd met zestig dagen als toepassing wordt gemaakt van de administratieve lus, vermeld in artikel 13 van het decreet van 25 april 2014.
In voorkomend geval brengt het bevoegde bestuur met een beveiligde zending de exploitant en de aanvrager voor het verstrijken van de normale beslissingstermijn op de hoogte van de termijnverlenging.
Als de bevoegde overheid met toepassing van artikel 13 van het decreet van 25 april 2014 beslist om een tweede openbaar onderzoek te organiseren, geeft ze daarvoor de opdracht aan de betrokken gemeente of, in geval van bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten, aan de betrokken provincie.
In geval van een tweede openbaar onderzoek en in alle gevallen waarin de bevoegde overheid dat noodzakelijk acht, worden conform artikel 122 van dit besluit de adviezen opnieuw ingewonnen en uitgebracht, waarbij de adviestermijn van zestig dagen wordt herleid tot dertig dagen en die van negentig dagen tot vijfenveertig dagen.
In voorkomend geval brengt het bevoegde bestuur met een beveiligde zending de exploitant en de aanvrager voor het verstrijken van de normale beslissingstermijn op de hoogte van de termijnverlenging.
Als de bevoegde overheid met toepassing van artikel 13 van het decreet van 25 april 2014 beslist om een tweede openbaar onderzoek te organiseren, geeft ze daarvoor de opdracht aan de betrokken gemeente of, in geval van bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten, aan de betrokken provincie.
In geval van een tweede openbaar onderzoek en in alle gevallen waarin de bevoegde overheid dat noodzakelijk acht, worden conform artikel 122 van dit besluit de adviezen opnieuw ingewonnen en uitgebracht, waarbij de adviestermijn van zestig dagen wordt herleid tot dertig dagen en die van negentig dagen tot vijfenveertig dagen.
Art. 123. Le délai pour prendre une décision, visé à l'article 89, § 1er, point 2°, du décret du 25 avril 2014 n'est prolongé de soixante jours que s'il est fait application de la boucle administrative visée à l'article 13 du décret du 25 avril 2014.
Le cas échéant, l'administration compétente informe l'exploitant et le demandeur par envoi sécurisé de la prolongation du délai avant l'expiration du délai normal de décision.
Lorsque l'autorité compétente décide, en application de l'article 13 du décret du 25 avril 2014, d'organiser une deuxième enquête publique, elle en confie la charge à la commune concernée ou, dans le cas de projets mobiles ou transportables supracommunaux, à la province concernée.
Dans le cas d'une deuxième enquête publique et dans tous les cas dans lesquels l'autorité compétente le juge nécessaire, les avis sont à nouveau recueillis et émis conformément à l'article 122 du présent arrêté, le délai d'avis étant ramené de soixante à trente jours et celui de nonante jours à quarante-cinq jours.
Le cas échéant, l'administration compétente informe l'exploitant et le demandeur par envoi sécurisé de la prolongation du délai avant l'expiration du délai normal de décision.
Lorsque l'autorité compétente décide, en application de l'article 13 du décret du 25 avril 2014, d'organiser une deuxième enquête publique, elle en confie la charge à la commune concernée ou, dans le cas de projets mobiles ou transportables supracommunaux, à la province concernée.
Dans le cas d'une deuxième enquête publique et dans tous les cas dans lesquels l'autorité compétente le juge nécessaire, les avis sont à nouveau recueillis et émis conformément à l'article 122 du présent arrêté, le délai d'avis étant ramené de soixante à trente jours et celui de nonante jours à quarante-cinq jours.
Afdeling 7. - De beslissing
Section 7. - La décision
Art. 124. De beslissing over het verzoek of ambtshalve initiatief tot bijstelling van het voorwerp of de duur van de omgevingsvergunning wordt genomen conform artikel 89 van het decreet van 25 april 2014.
De beslissing over het verzoek of ambtshalve initiatief omvat :
1° de datum van het verzoek of ambtshalve initiatief tot bijstelling van het voorwerp of de duur;
2° de naam of de hoedanigheid van de verzoeker of van de overheid die het ambtshalve initiatief heeft genomen;
3° de naam en, in voorkomend geval, het ondernemersnummer van de exploitant of van de beroepsindiener;
4° de identificatie van de ingedeelde inrichting of activiteit die het voorwerp uitmaakt van het verzoek tot bijstelling;
5° in voorkomend geval, een verwijzing naar de aard van de standpunten, opmerkingen en bezwaren die zijn ingediend tijdens het openbaar onderzoek in de aanleg in kwestie, en de wijze waarop daarmee is omgegaan;
6° een motivering van de beslissing, in voorkomend geval onder meer rekening houdend met de bepalingen van artikel 73 en 74 van het decreet van 25 april 2014 en artikel 3.3.0.1 tot en met 3.3.0.3 van titel II van het VLAREM;
7° in voorkomend geval, de gewijzigde duur van de vergunning of de bijzondere milieuvoorwaarden die worden opgelegd;
8° in voorkomend geval, de geactualiseerde vergunningssituatie, vermeld in artikel 48, § 2;
9° de mogelijkheid en de modaliteiten van het beroep tegen de genomen beslissing.
Als de wijziging of aanvulling van de bijzondere milieuvoorwaarden betrekking heeft op een GBPV-installatie, zijn de bepalingen van artikel 52, eerste lid, 2°, van dit besluit en artikel 1.8 en 1.9 van titel III van het VLAREM ook van toepassing.
De beslissing over het verzoek of ambtshalve initiatief omvat :
1° de datum van het verzoek of ambtshalve initiatief tot bijstelling van het voorwerp of de duur;
2° de naam of de hoedanigheid van de verzoeker of van de overheid die het ambtshalve initiatief heeft genomen;
3° de naam en, in voorkomend geval, het ondernemersnummer van de exploitant of van de beroepsindiener;
4° de identificatie van de ingedeelde inrichting of activiteit die het voorwerp uitmaakt van het verzoek tot bijstelling;
5° in voorkomend geval, een verwijzing naar de aard van de standpunten, opmerkingen en bezwaren die zijn ingediend tijdens het openbaar onderzoek in de aanleg in kwestie, en de wijze waarop daarmee is omgegaan;
6° een motivering van de beslissing, in voorkomend geval onder meer rekening houdend met de bepalingen van artikel 73 en 74 van het decreet van 25 april 2014 en artikel 3.3.0.1 tot en met 3.3.0.3 van titel II van het VLAREM;
7° in voorkomend geval, de gewijzigde duur van de vergunning of de bijzondere milieuvoorwaarden die worden opgelegd;
8° in voorkomend geval, de geactualiseerde vergunningssituatie, vermeld in artikel 48, § 2;
9° de mogelijkheid en de modaliteiten van het beroep tegen de genomen beslissing.
Als de wijziging of aanvulling van de bijzondere milieuvoorwaarden betrekking heeft op een GBPV-installatie, zijn de bepalingen van artikel 52, eerste lid, 2°, van dit besluit en artikel 1.8 en 1.9 van titel III van het VLAREM ook van toepassing.
Art. 124. La décision au sujet de la demande ou de l'initiative d'office d'actualisation de l'objet ou de la durée du permis d'environnement est prise conformément à l'article 89 du décret du 25 avril 2014.
La décision au sujet de la demande ou de l'initiative d'office comporte :
1° la date de la demande ou de l'initiative d'office d'actualisation de l'objet ou de la durée ;
2° le nom ou la qualité du demandeur ou de l'autorité qui a pris l'initiative d'office ;
3° le nom et, le cas échéant, le numéro d'entreprise de l'exploitant ou de l'auteur du recours ;
4° l'identification de l'établissement classé ou de l'activité classée qui fait l'objet de la demande d'actualisation ;
5° le cas échéant, un renvoi à la nature des points de vue, observations et objections introduits durant l'enquête publique dans l'instance en question et à la façon dont ils ont été traités ;
6° une motivation de la décision, le cas échéant compte tenu notamment des dispositions des articles 73 et 74 du décret du 25 avril 2014 et des articles 3.3.0.1 à 3.3.0.3 inclus du titre II du VLAREM ;
7° le cas échéant, la durée modifiée du permis ou des conditions environnementales particulières qui sont imposées ;
8° le cas échéant, la situation d'autorisation actualisée visée à l'article 48, § 2 ;
9° la possibilité et les modalités de recours contre la décision prise.
Si les modifications ou ajouts apportés aux conditions environnementales particulières portent sur une installation IPPC, les dispositions de l'article 52, alinéa 1er, 2°, du présent arrêté et des articles 1.8 et 1.9 du titre III du VLAREM s'appliquent également.
La décision au sujet de la demande ou de l'initiative d'office comporte :
1° la date de la demande ou de l'initiative d'office d'actualisation de l'objet ou de la durée ;
2° le nom ou la qualité du demandeur ou de l'autorité qui a pris l'initiative d'office ;
3° le nom et, le cas échéant, le numéro d'entreprise de l'exploitant ou de l'auteur du recours ;
4° l'identification de l'établissement classé ou de l'activité classée qui fait l'objet de la demande d'actualisation ;
5° le cas échéant, un renvoi à la nature des points de vue, observations et objections introduits durant l'enquête publique dans l'instance en question et à la façon dont ils ont été traités ;
6° une motivation de la décision, le cas échéant compte tenu notamment des dispositions des articles 73 et 74 du décret du 25 avril 2014 et des articles 3.3.0.1 à 3.3.0.3 inclus du titre II du VLAREM ;
7° le cas échéant, la durée modifiée du permis ou des conditions environnementales particulières qui sont imposées ;
8° le cas échéant, la situation d'autorisation actualisée visée à l'article 48, § 2 ;
9° la possibilité et les modalités de recours contre la décision prise.
Si les modifications ou ajouts apportés aux conditions environnementales particulières portent sur une installation IPPC, les dispositions de l'article 52, alinéa 1er, 2°, du présent arrêté et des articles 1.8 et 1.9 du titre III du VLAREM s'appliquent également.
Afdeling 8. - Bekendmaking van de beslissing
Section 8. - Publication de la décision
Art. 125. Voor de bekendmaking van de beslissing zijn de bepalingen van titel 3, hoofdstuk 9, afdeling 3, van overeenkomstige toepassing.
De exploitant wordt met een beveiligde zending op de hoogte gebracht van de beslissing.
De exploitant wordt met een beveiligde zending op de hoogte gebracht van de beslissing.
Art. 125. Pour la publication de la décision, les dispositions du titre 3, chapitre 9, section 3, s'appliquent par analogie.
L'exploitant est informé de la décision par envoi sécurisé.
L'exploitant est informé de la décision par envoi sécurisé.
Hoofdstuk 4. - De bijstelling van het voorwerp en de duur van de omgevingsvergunning wat betreft de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit, vermeld in hoofdstuk 6, afdeling 2, van het decreet van 25 april 2014, in laatste administratieve aanleg
Chapitre 4. - L'actualisation de l'objet et de la durée du permis d'environnement en ce qui concerne l'exploitation d'un établissement classé ou d'une activité classée, visée au chapitre 6, section 2, du décret du 25 avril 2014, en dernière instance administrative
Afdeling 1. - De indiening van het beroep
Section 1re. - L'introduction du recours
Art. 126. Conform de bepalingen van artikel 90 van het decreet van 25 april 2014 kan door het betrokken publiek, de personen en instanties, vermeld in artikel 53 van het voormelde decreet, tegen elke uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissing in eerste administratieve aanleg over de bijstelling van het voorwerp of de duur van de omgevingsvergunning beroep worden ingesteld bij :
1° de deputatie, bevoegd voor het ambtsgebied, als het college van burgemeester en schepenen in eerste administratieve aanleg de bevoegde overheid was;
2° de Vlaamse Regering, als de deputatie in eerste administratieve aanleg de bevoegde overheid was.
Voor het indienen van het beroep zijn de bepalingen van artikel 54 en 56 van het decreet van 25 april 2014 en de bepalingen ter uitvoering daarvan van overeenkomstige toepassing.
1° de deputatie, bevoegd voor het ambtsgebied, als het college van burgemeester en schepenen in eerste administratieve aanleg de bevoegde overheid was;
2° de Vlaamse Regering, als de deputatie in eerste administratieve aanleg de bevoegde overheid was.
Voor het indienen van het beroep zijn de bepalingen van artikel 54 en 56 van het decreet van 25 april 2014 en de bepalingen ter uitvoering daarvan van overeenkomstige toepassing.
Art. 126. Conformément à l'article 90 du décret du 25 avril 2014, le public concerné, les personnes et instances visées à l'article 53 du décret précité peuvent intenter un recours contre toute décision expresse ou tacite en première instance administrative au sujet de l'actualisation de l'objet ou de la durée du permis d'environnement auprès :
1° de la députation compétente pour le ressort si le collège des bourgmestre et échevins était l'autorité compétente en première instance administrative ;
2° du Gouvernement flamand si la députation était l'autorité compétente en première instance administrative.
Pour l'introduction du recours, les dispositions des articles 54 et 56 du décret du 25 avril 2014 et leurs dispositions d'exécution s'appliquent par analogie.
1° de la députation compétente pour le ressort si le collège des bourgmestre et échevins était l'autorité compétente en première instance administrative ;
2° du Gouvernement flamand si la députation était l'autorité compétente en première instance administrative.
Pour l'introduction du recours, les dispositions des articles 54 et 56 du décret du 25 avril 2014 et leurs dispositions d'exécution s'appliquent par analogie.
Art. 127. Het beroepschrift omvat :
1° de naam, de hoedanigheid en het adres van de beroepsindiener;
2° de identificatie van de bestreden beslissing en van het onroerend goed, en de inrichting of exploitatie die het voorwerp uitmaakt van die beslissing;
3° als het beroep wordt ingesteld door een lid van het betrokken publiek :
a) een omschrijving van de gevolgen die hij ingevolge de bestreden beslissing ondervindt of waarschijnlijk ondervindt;
b) het belang dat hij heeft bij de besluitvorming over de bijstelling van het voorwerp en de duur van een omgevingsvergunning;
4° de redenen waarom het beroep wordt ingesteld;
5° in voorkomend geval, het verzoek om door de bevoegde omgevingsvergunningscommissie gehoord te worden.
Het beroepsdossier bevat de volgende bewijsstukken :
1° in voorkomend geval, een bewijs van betaling van de dossiertaks;
2° de overtuigingsstukken die de beroepsindiener nodig acht;
3° in voorkomend geval, een inventaris van de overtuigingsstukken, vermeld in punt 2°.
Het beroepsdossier wordt ingediend met een analoge of een digitale zending. [1 Als het beroep via het omgevingsloket wordt ingediend, is aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, voldaan.]1
Het bevoegde bestuur kan bij de beroepsindiener, de exploitant of de overheid die in eerste administratieve aanleg bevoegd is, alle beschikbare informatie en documenten opvragen die nuttig zijn voor het dossier.
1° de naam, de hoedanigheid en het adres van de beroepsindiener;
2° de identificatie van de bestreden beslissing en van het onroerend goed, en de inrichting of exploitatie die het voorwerp uitmaakt van die beslissing;
3° als het beroep wordt ingesteld door een lid van het betrokken publiek :
a) een omschrijving van de gevolgen die hij ingevolge de bestreden beslissing ondervindt of waarschijnlijk ondervindt;
b) het belang dat hij heeft bij de besluitvorming over de bijstelling van het voorwerp en de duur van een omgevingsvergunning;
4° de redenen waarom het beroep wordt ingesteld;
5° in voorkomend geval, het verzoek om door de bevoegde omgevingsvergunningscommissie gehoord te worden.
Het beroepsdossier bevat de volgende bewijsstukken :
1° in voorkomend geval, een bewijs van betaling van de dossiertaks;
2° de overtuigingsstukken die de beroepsindiener nodig acht;
3° in voorkomend geval, een inventaris van de overtuigingsstukken, vermeld in punt 2°.
Het beroepsdossier wordt ingediend met een analoge of een digitale zending. [1 Als het beroep via het omgevingsloket wordt ingediend, is aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, voldaan.]1
Het bevoegde bestuur kan bij de beroepsindiener, de exploitant of de overheid die in eerste administratieve aanleg bevoegd is, alle beschikbare informatie en documenten opvragen die nuttig zijn voor het dossier.
Art. 127. Le recours contient :
1° les nom, qualité et adresse de l'auteur du recours ;
2° l'identification de la décision contestée et du bien immobilier, et de l'établissement ou de l'exploitation qui fait l'objet de la décision ;
3° lorsque le recours est introduit par un membre du public concerné :
a) une description des effets par lesquels il est touché ou risque d'être touché à la suite de la décision contestée ;
b) l'intérêt qu'il à faire valoir à l'égard de la décision concernant l'actualisation de l'objet et de la durée d'un permis d'environnement;
4° les motifs pour lesquels le recours est intenté ;
5° le cas échéant, la demande d'audition par la commission du permis d'environnement compétente.
Le dossier de recours contient les pièces justificatives suivantes :
1° le cas échéant, une preuve de paiement de la taxe de dossier ;
2° les pièces à conviction que l'auteur du recours juge nécessaires ;
3° le cas échéant, un inventaire des pièces à conviction visées au point 2°.
Le dossier de recours est introduit par envoi analogique ou numérique. [1 Lorsque le recours est introduit via le guichet environnement, les conditions visées à l'alinéa 1er, 1° et 2°, sont remplies.]1
L'administration compétente peut demander à l'auteur du recours, à l'exploitant ou à l'autorité compétente en première instance administrative de lui fournir l'ensemble des informations et documents disponibles utiles au dossier.
1° les nom, qualité et adresse de l'auteur du recours ;
2° l'identification de la décision contestée et du bien immobilier, et de l'établissement ou de l'exploitation qui fait l'objet de la décision ;
3° lorsque le recours est introduit par un membre du public concerné :
a) une description des effets par lesquels il est touché ou risque d'être touché à la suite de la décision contestée ;
b) l'intérêt qu'il à faire valoir à l'égard de la décision concernant l'actualisation de l'objet et de la durée d'un permis d'environnement;
4° les motifs pour lesquels le recours est intenté ;
5° le cas échéant, la demande d'audition par la commission du permis d'environnement compétente.
Le dossier de recours contient les pièces justificatives suivantes :
1° le cas échéant, une preuve de paiement de la taxe de dossier ;
2° les pièces à conviction que l'auteur du recours juge nécessaires ;
3° le cas échéant, un inventaire des pièces à conviction visées au point 2°.
Le dossier de recours est introduit par envoi analogique ou numérique. [1 Lorsque le recours est introduit via le guichet environnement, les conditions visées à l'alinéa 1er, 1° et 2°, sont remplies.]1
L'administration compétente peut demander à l'auteur du recours, à l'exploitant ou à l'autorité compétente en première instance administrative de lui fournir l'ensemble des informations et documents disponibles utiles au dossier.
Afdeling 2. - Het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek
Section 2. - L'examen de la recevabilité et de l'exhaustivité
Art. 128. De ontvankelijkheid en volledigheid van het beroep worden onderzocht en het resultaat daarvan wordt meegedeeld conform artikel 57 respectievelijk artikel 58 van het decreet van 25 april 2014 en de bepalingen ter uitvoering daarvan.
Bij het onderzoek naar de ontvankelijkheid en volledigheid wordt nagegaan of voldaan is aan de decretale en reglementaire verplichtingen, vermeld in artikel 126 en 127.
Bij het onderzoek naar de ontvankelijkheid en volledigheid wordt nagegaan of voldaan is aan de decretale en reglementaire verplichtingen, vermeld in artikel 126 en 127.
Art. 128. La recevabilité et l'exhaustivité du recours sont examinés et le résultat en est communiqué conformément à l'article 57 ou 58 du décret du 25 avril 2014 et leurs dispositions d'exécution.
Lors de l'examen de la recevabilité et de l'exhaustivité, il est vérifié s'il est satisfait aux obligations décrétales et réglementaires visées aux articles 126 et 127.
Lors de l'examen de la recevabilité et de l'exhaustivité, il est vérifié s'il est satisfait aux obligations décrétales et réglementaires visées aux articles 126 et 127.
Afdeling 3. - Adviesverlening
Section 3. - Services de conseil
Art. 129. § 1. Op de dag van verzending van de ontvankelijk- en volledigverklaring van het beroep of uiterlijk bij het verstrijken van de vervaltermijn, vermeld in artikel 58, eerste lid, van het decreet van 25 april 2014, stelt het bevoegde bestuur het beroepsdossier voor advies ter beschikking van de bevoegde omgevingsvergunningscommissie.
De omgevingsvergunningscommissie stelt binnen tien dagen nadat haar het beroepsdossier ter beschikking is gesteld, dat dossier op haar beurt ter beschikking van :
1° het adviserend schepencollege, als het betrokken college van burgemeester en schepenen niet zelf het beroep heeft ingesteld, met het verzoek om advies uit te brengen;
2° de adviesinstanties, vermeld in artikel 37, als die adviesinstanties :
a) over de vergunningsaanvraag in laatste administratieve aanleg over een vergunningsaanvraag een advies geven;
b) niet zelf het voorwerp tot bijstelling van het voorwerp of de duur van de omgevingsvergunning of het beroep hebben ingediend, of exploitant zijn,
met het verzoek om advies uit te brengen;
3° de overige leden van de betrokken omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 39 respectievelijk artikel 40.
§ 2. [1 De volgende vervaltermijnen worden gehanteerd voor de advisering :
1° door de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning :
a) zestig dagen als het een advies aan de POVC of de GOVC betreft;
b) vijftig dagen in alle andere gevallen dan het geval, vermeld in punt a);
2° door het adviserende schepencollege en de overige adviesinstanties : vijftig dagen.]1
De bevoegde omgevingsvergunningscommissie brengt een advies uit binnen een termijn van negentig dagen.
De termijnen, vermeld in het eerste en het tweede lid, vangen aan de dag nadat het beroepsdossier ter beschikking is gesteld.
Als geen advies wordt uitgebracht binnen de termijn, vermeld in het eerste of tweede lid, wordt het advies geacht gunstig te zijn voor de gevraagde bijstelling van het voorwerp of de duur van de omgevingsvergunning.
§ 3. De beroepsindiener of de exploitant, als hij niet zelf het beroep instelt, worden op hun verzoek gehoord door de bevoegde omgevingsvergunningscommissie.
Het verzoek om gehoord te worden, wordt, op straffe van onontvankelijkheid, gesteld in het beroepschrift of, voor de exploitant, als hij niet zelf het beroep instelt, met een beveiligde zending binnen veertien dagen na de dag waarop hem, conform artikel 56, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014, het beroep wordt meegedeeld.
§ 4. De adviezen, vermeld in paragraaf 2, bevatten een gemotiveerde beoordeling van de noodzaak tot bijstelling van het voorwerp of de duur van de omgevingsvergunning, in voorkomend geval, voor die aspecten waarover het adviserend schepencollege en de adviesinstanties krachtens artikel 34 of 38 adviesbevoegdheid hebben.
De omgevingsvergunningscommissie stelt binnen tien dagen nadat haar het beroepsdossier ter beschikking is gesteld, dat dossier op haar beurt ter beschikking van :
1° het adviserend schepencollege, als het betrokken college van burgemeester en schepenen niet zelf het beroep heeft ingesteld, met het verzoek om advies uit te brengen;
2° de adviesinstanties, vermeld in artikel 37, als die adviesinstanties :
a) over de vergunningsaanvraag in laatste administratieve aanleg over een vergunningsaanvraag een advies geven;
b) niet zelf het voorwerp tot bijstelling van het voorwerp of de duur van de omgevingsvergunning of het beroep hebben ingediend, of exploitant zijn,
met het verzoek om advies uit te brengen;
3° de overige leden van de betrokken omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 39 respectievelijk artikel 40.
§ 2. [1 De volgende vervaltermijnen worden gehanteerd voor de advisering :
1° door de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning :
a) zestig dagen als het een advies aan de POVC of de GOVC betreft;
b) vijftig dagen in alle andere gevallen dan het geval, vermeld in punt a);
2° door het adviserende schepencollege en de overige adviesinstanties : vijftig dagen.]1
De bevoegde omgevingsvergunningscommissie brengt een advies uit binnen een termijn van negentig dagen.
De termijnen, vermeld in het eerste en het tweede lid, vangen aan de dag nadat het beroepsdossier ter beschikking is gesteld.
Als geen advies wordt uitgebracht binnen de termijn, vermeld in het eerste of tweede lid, wordt het advies geacht gunstig te zijn voor de gevraagde bijstelling van het voorwerp of de duur van de omgevingsvergunning.
§ 3. De beroepsindiener of de exploitant, als hij niet zelf het beroep instelt, worden op hun verzoek gehoord door de bevoegde omgevingsvergunningscommissie.
Het verzoek om gehoord te worden, wordt, op straffe van onontvankelijkheid, gesteld in het beroepschrift of, voor de exploitant, als hij niet zelf het beroep instelt, met een beveiligde zending binnen veertien dagen na de dag waarop hem, conform artikel 56, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014, het beroep wordt meegedeeld.
§ 4. De adviezen, vermeld in paragraaf 2, bevatten een gemotiveerde beoordeling van de noodzaak tot bijstelling van het voorwerp of de duur van de omgevingsvergunning, in voorkomend geval, voor die aspecten waarover het adviserend schepencollege en de adviesinstanties krachtens artikel 34 of 38 adviesbevoegdheid hebben.
Art. 129. § 1er. Le jour de l'envoi de la déclaration de recevabilité et d'exhaustivité du recours ou, au plus tard, à l'expiration du délai visé à l'article 58, alinéa 1er, du décret du 25 avril 2014, l'administration compétente met le dossier de recours à la disposition de la commission du permis d'environnement compétente pour avis.
Dans les dix jours suivant la mise à sa disposition du dossier de recours, la commission du permis d'environnement met à son tour ce dossier à la disposition :
1° du collège consultatif des échevins si le collège des bourgmestre et échevins concerné n'a pas intenté lui-même le recours, en lui demandant de rendre un avis ;
2° des instances d'avis visées à l'article 37, si ces instances d'avis :
a) rendent un avis au sujet de la demande de permis en dernière instance administrative ;
b) n'ont pas introduit elles-mêmes de demande d'actualisation de l'objet ou de la durée du permis d'environnement ou le recours ou sont l'exploitant,
en leur demandant de rendre un avis ;
3° des autres membres de la commission du permis d'environnement concernée, visés à l'article 39 ou 40.
§ 2. [1 Les délais suivants sont appliqués pour les avis rendus :
1° par la division Environnement compétente pour le permis d'environnement :
a) soixante jours s'il s'agit d'un avis à la POVC ou à la GOVC ;
b) cinquante jours dans tous les cas autres que celui visé au point a);
2° par le collège consultatif des échevins et les autres instances d'avis : cinquante jours. ]1
La commission du permis d'environnement compétente rend un avis dans un délai de nonante jours.
Les délais visés aux premier et deuxième alinéas prennent cours le jour suivant la mise à disposition du dossier de recours.
Si aucun avis n'est rendu dans le délai visé à l'alinéa 1er ou 2, l'avis est réputé favorable à l'actualisation demandée de l'objet ou de la durée du permis d'environnement.
§ 3. L'auteur du recours ou l'exploitant, s'il n'introduit pas lui-même le recours, est entendu à sa demande par la commission du permis d'environnement compétente.
A peine d'irrecevabilité, la demande d'audition est formulée dans le recours ou, pour l'exploitant, s'il n'introduit pas lui-même le recours, par envoi sécurisé dans les quatorze jours suivant le jour où le recours lui est communiqué conformément à l'article 56, alinéa 2, du décret du 25 avril 2014.
§ 4. Les avis visés au paragraphe 2 contiennent une appréciation motivée de la nécessité d'actualisation de l'objet ou de la durée du permis d'environnement, le cas échéant, pour les aspects au sujet desquels le collège consultatif des échevins et les instances d'avis disposent d'une compétence d'avis en vertu de l'article 34 ou 38.
Dans les dix jours suivant la mise à sa disposition du dossier de recours, la commission du permis d'environnement met à son tour ce dossier à la disposition :
1° du collège consultatif des échevins si le collège des bourgmestre et échevins concerné n'a pas intenté lui-même le recours, en lui demandant de rendre un avis ;
2° des instances d'avis visées à l'article 37, si ces instances d'avis :
a) rendent un avis au sujet de la demande de permis en dernière instance administrative ;
b) n'ont pas introduit elles-mêmes de demande d'actualisation de l'objet ou de la durée du permis d'environnement ou le recours ou sont l'exploitant,
en leur demandant de rendre un avis ;
3° des autres membres de la commission du permis d'environnement concernée, visés à l'article 39 ou 40.
§ 2. [1 Les délais suivants sont appliqués pour les avis rendus :
1° par la division Environnement compétente pour le permis d'environnement :
a) soixante jours s'il s'agit d'un avis à la POVC ou à la GOVC ;
b) cinquante jours dans tous les cas autres que celui visé au point a);
2° par le collège consultatif des échevins et les autres instances d'avis : cinquante jours. ]1
La commission du permis d'environnement compétente rend un avis dans un délai de nonante jours.
Les délais visés aux premier et deuxième alinéas prennent cours le jour suivant la mise à disposition du dossier de recours.
Si aucun avis n'est rendu dans le délai visé à l'alinéa 1er ou 2, l'avis est réputé favorable à l'actualisation demandée de l'objet ou de la durée du permis d'environnement.
§ 3. L'auteur du recours ou l'exploitant, s'il n'introduit pas lui-même le recours, est entendu à sa demande par la commission du permis d'environnement compétente.
A peine d'irrecevabilité, la demande d'audition est formulée dans le recours ou, pour l'exploitant, s'il n'introduit pas lui-même le recours, par envoi sécurisé dans les quatorze jours suivant le jour où le recours lui est communiqué conformément à l'article 56, alinéa 2, du décret du 25 avril 2014.
§ 4. Les avis visés au paragraphe 2 contiennent une appréciation motivée de la nécessité d'actualisation de l'objet ou de la durée du permis d'environnement, le cas échéant, pour les aspects au sujet desquels le collège consultatif des échevins et les instances d'avis disposent d'une compétence d'avis en vertu de l'article 34 ou 38.
Afdeling 4. - Situaties die resulteren in een termijnverlenging
Section 4. - Situations entraînant une prolongation du délai
Art. 130. In het geval van een termijnverlenging brengt het bevoegde bestuur met een beveiligde zending de exploitant en de beroepsindiener voor het verstrijken van de normale beslissingstermijn op de hoogte van de termijnverlenging.
In geval van een tweede openbaar onderzoek en in alle gevallen waarin de bevoegde overheid dat noodzakelijk acht, worden overeenkomstig artikel 129 van dit besluit de adviezen opnieuw ingewonnen en uitgebracht waarbij de adviestermijn van zestig dagen wordt herleid tot dertig dagen en die van negentig dagen tot vijfenveertig dagen.
In geval van een tweede openbaar onderzoek en in alle gevallen waarin de bevoegde overheid dat noodzakelijk acht, worden overeenkomstig artikel 129 van dit besluit de adviezen opnieuw ingewonnen en uitgebracht waarbij de adviestermijn van zestig dagen wordt herleid tot dertig dagen en die van negentig dagen tot vijfenveertig dagen.
Art. 130. En cas de prolongation du délai, l'administration compétente informe l'exploitant et l'auteur du recours par envoi sécurisé de la prolongation du délai avant l'expiration du délai normal de décision.
Dans le cas d'une deuxième enquête publique et dans tous les cas dans lesquels l'autorité compétente le juge nécessaire, les avis sont à nouveau recueillis et émis conformément à l'article 129 du présent arrêté, le délai d'avis étant ramené de soixante à trente jours et celui de nonante jours à quarante-cinq jours.
Dans le cas d'une deuxième enquête publique et dans tous les cas dans lesquels l'autorité compétente le juge nécessaire, les avis sont à nouveau recueillis et émis conformément à l'article 129 du présent arrêté, le délai d'avis étant ramené de soixante à trente jours et celui de nonante jours à quarante-cinq jours.
Afdeling 5. - De beslissing
Section 5. - La décision
Art. 131. De beslissing in laatste administratieve aanleg over de bijstelling van het voorwerp of de duur van de omgevingsvergunning wordt genomen binnen de vastgestelde of, in voorkomend geval, verlengde termijn, vermeld in artikel 66, van het decreet van 25 april 2014.
De beslissing omvat :
1° de datum van het beroep en de naam of de hoedanigheid van de beroepsindiener;
2° de datum en de aard van de beslissing waartegen beroep wordt ingesteld;
3° de datum van het verzoek of ambtshalve initiatief tot bijstelling van het voorwerp of de duur;
4° de naam of de hoedanigheid van de verzoeker of van de overheid die het ambtshalve initiatief heeft genomen;
5° de naam en, in voorkomend geval, het ondernemersnummer van de exploitant of van de beroepsindiener;
6° de identificatie van de ingedeelde inrichting of activiteit die het voorwerp uitmaakt van het verzoek tot bijstelling;
7° in voorkomend geval, een verwijzing naar de aard van de standpunten, opmerkingen en bezwaren die zijn ingediend tijdens het openbaar onderzoek in de aanleg in kwestie, en de wijze waarop daarmee is omgegaan;
8° een motivering van de beslissing, in voorkomend geval onder meer rekening houdend met de bepalingen van artikel 73 en 74 van het decreet van 25 april 2014 en artikel 3.3.0.1 tot en met 3.3.0.3 van titel II van het VLAREM;
9° in voorkomend geval, de gewijzigde duur van de vergunning of de bijzondere milieuvoorwaarden die worden opgelegd;
10° in voorkomend geval, de geactualiseerde vergunningssituatie, vermeld in artikel 48, § 2;
11° de mogelijkheid en de modaliteiten van het beroep bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen tegen de genomen beslissing.
Als de wijziging of aanvulling van de bijzondere milieuvoorwaarden betrekking heeft op een GBPV-installatie, zijn de bepalingen van artikel 52, eerste lid, 2°, van dit besluit en artikel 1.8 en 1.9 van titel III van het VLAREM ook van toepassing.
De beslissing omvat :
1° de datum van het beroep en de naam of de hoedanigheid van de beroepsindiener;
2° de datum en de aard van de beslissing waartegen beroep wordt ingesteld;
3° de datum van het verzoek of ambtshalve initiatief tot bijstelling van het voorwerp of de duur;
4° de naam of de hoedanigheid van de verzoeker of van de overheid die het ambtshalve initiatief heeft genomen;
5° de naam en, in voorkomend geval, het ondernemersnummer van de exploitant of van de beroepsindiener;
6° de identificatie van de ingedeelde inrichting of activiteit die het voorwerp uitmaakt van het verzoek tot bijstelling;
7° in voorkomend geval, een verwijzing naar de aard van de standpunten, opmerkingen en bezwaren die zijn ingediend tijdens het openbaar onderzoek in de aanleg in kwestie, en de wijze waarop daarmee is omgegaan;
8° een motivering van de beslissing, in voorkomend geval onder meer rekening houdend met de bepalingen van artikel 73 en 74 van het decreet van 25 april 2014 en artikel 3.3.0.1 tot en met 3.3.0.3 van titel II van het VLAREM;
9° in voorkomend geval, de gewijzigde duur van de vergunning of de bijzondere milieuvoorwaarden die worden opgelegd;
10° in voorkomend geval, de geactualiseerde vergunningssituatie, vermeld in artikel 48, § 2;
11° de mogelijkheid en de modaliteiten van het beroep bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen tegen de genomen beslissing.
Als de wijziging of aanvulling van de bijzondere milieuvoorwaarden betrekking heeft op een GBPV-installatie, zijn de bepalingen van artikel 52, eerste lid, 2°, van dit besluit en artikel 1.8 en 1.9 van titel III van het VLAREM ook van toepassing.
Art. 131. La décision en dernière instance administrative au sujet de l'actualisation de l'objet ou de la durée du permis d'environnement est prise dans le délai fixé ou, le cas échéant, dans le délai prolongé visé à l'article 66 du décret du 25 avril 2014.
La décision contient :
1° la date du recours et le nom ou la qualité de l'auteur du recours ;
2° la date et la nature de la décision contre laquelle le recours est intenté ;
3° la date de la demande ou de l'initiative d'office d'actualisation de l'objet ou de la durée ;
4° le nom ou la qualité du demandeur ou de l'autorité qui a pris l'initiative d'office ;
5° le nom et, le cas échéant, le numéro d'entreprise de l'exploitant ou de l'auteur du recours ;
6° l'identification de l'établissement classé ou de l'activité classée qui fait l'objet de la demande d'actualisation ;
7° le cas échéant, un renvoi à la nature des points de vue, observations et objections introduits durant l'enquête publique dans l'instance en question et à la façon dont ils ont été traités ;
8° une motivation de la décision, le cas échéant compte tenu notamment des dispositions des articles 73 et 74 du décret du 25 avril 2014 et des articles 3.3.0.1 à 3.3.0.3 inclus du titre II du VLAREM ;
9° le cas échéant, la durée modifiée du permis ou des conditions environnementales particulières qui sont imposées ;
10° le cas échéant, la situation d'autorisation actualisée visée à l'article 48, § 2 ;
11° la possibilité et les modalités de recours contre la décision prise auprès du Conseil du contentieux des permis.
Si les modifications ou ajouts apportés aux conditions environnementales particulières portent sur une installation IPPC, les dispositions de l'article 52, alinéa 1er, 2°, du présent arrêté et des articles 1.8 et 1.9 du titre III du VLAREM s'appliquent également.
La décision contient :
1° la date du recours et le nom ou la qualité de l'auteur du recours ;
2° la date et la nature de la décision contre laquelle le recours est intenté ;
3° la date de la demande ou de l'initiative d'office d'actualisation de l'objet ou de la durée ;
4° le nom ou la qualité du demandeur ou de l'autorité qui a pris l'initiative d'office ;
5° le nom et, le cas échéant, le numéro d'entreprise de l'exploitant ou de l'auteur du recours ;
6° l'identification de l'établissement classé ou de l'activité classée qui fait l'objet de la demande d'actualisation ;
7° le cas échéant, un renvoi à la nature des points de vue, observations et objections introduits durant l'enquête publique dans l'instance en question et à la façon dont ils ont été traités ;
8° une motivation de la décision, le cas échéant compte tenu notamment des dispositions des articles 73 et 74 du décret du 25 avril 2014 et des articles 3.3.0.1 à 3.3.0.3 inclus du titre II du VLAREM ;
9° le cas échéant, la durée modifiée du permis ou des conditions environnementales particulières qui sont imposées ;
10° le cas échéant, la situation d'autorisation actualisée visée à l'article 48, § 2 ;
11° la possibilité et les modalités de recours contre la décision prise auprès du Conseil du contentieux des permis.
Si les modifications ou ajouts apportés aux conditions environnementales particulières portent sur une installation IPPC, les dispositions de l'article 52, alinéa 1er, 2°, du présent arrêté et des articles 1.8 et 1.9 du titre III du VLAREM s'appliquent également.
Afdeling 6. - Bekendmaking van de beslissing
Section 6. - Publication de la décision
Art. 132. Voor de bekendmaking van de beslissing zijn de bepalingen van titel 3, hoofdstuk 9, afdeling 3, van overeenkomstige toepassing.
De exploitant wordt met een beveiligde zending op de hoogte gebracht van de beslissing.
De exploitant wordt met een beveiligde zending op de hoogte gebracht van de beslissing.
Art. 132. Pour la publication de la décision, les dispositions du titre 3, chapitre 9, section 3, s'appliquent par analogie.
L'exploitant est informé de la décision par envoi sécurisé.
L'exploitant est informé de la décision par envoi sécurisé.
Hoofdstuk 5. - De bijstelling van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden
Chapitre 5. - L'actualisation du permis d'environnement pour le lotissement de terrains
Art. 133. De aanvraag tot het bijstellen van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, vermeld in artikel 86 van het decreet van 25 april 2014, wordt met een beveiligde zending ingediend bij de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 van het voormelde decreet.
De aanvrager gebruikt hiertoe :
1° het formulier, opgenomen in bijlage 6 die bij dit besluit is gevoegd;
2° de in het formulier aangewezen addenda uit de addenda-bibliotheek die is opgenomen in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd.
De aanvraag omvat de gegevens die als verplicht in te vullen of bij te voegen voorgeschreven zijn in het formulier en de desbetreffende addenda.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, zijn gemachtigd gezamenlijk het formulier en de addenda-bibliotheek, vermeld in het tweede lid, en de dossiersamenstelling te wijzigen, waarbij minstens de volgende gegevens worden gevraagd :
1° het voorwerp van de bijstelling;
2° de identificatiegegevens van de plaats waar de bijstelling uitgevoerd zal worden;
3° in voorkomend geval, plannen;
4° in voorkomend geval, gegevens omtrent de milieueffectrapportage of de omgevingsveiligheidsrapportage;
5° in voorkomend geval, gegevens omtrent de passende beoordeling;
6° de identificatiegegevens van de aanvrager.
De aanvrager gebruikt hiertoe :
1° het formulier, opgenomen in bijlage 6 die bij dit besluit is gevoegd;
2° de in het formulier aangewezen addenda uit de addenda-bibliotheek die is opgenomen in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd.
De aanvraag omvat de gegevens die als verplicht in te vullen of bij te voegen voorgeschreven zijn in het formulier en de desbetreffende addenda.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, zijn gemachtigd gezamenlijk het formulier en de addenda-bibliotheek, vermeld in het tweede lid, en de dossiersamenstelling te wijzigen, waarbij minstens de volgende gegevens worden gevraagd :
1° het voorwerp van de bijstelling;
2° de identificatiegegevens van de plaats waar de bijstelling uitgevoerd zal worden;
3° in voorkomend geval, plannen;
4° in voorkomend geval, gegevens omtrent de milieueffectrapportage of de omgevingsveiligheidsrapportage;
5° in voorkomend geval, gegevens omtrent de passende beoordeling;
6° de identificatiegegevens van de aanvrager.
Art. 133. La demande d'actualisation du permis d'environnement pour le lotissement de terrains, visée à l'article 86 du décret du 25 avril 2014, est introduite par envoi sécurisé auprès de l'autorité compétente mentionnée à l'article 15 du décret précité.
A cet effet, le demandeur utilise :
1° le formulaire repris à l'annexe 6 jointe au présent arrêté ;
2° les avenants, indiqués sur le formulaire, issus de la bibliothèque d'avenants reprise à l'annexe 2 jointe au présent arrêté.
La demande comprend les données prescrites comme devant être obligatoirement remplies ou jointes sur le formulaire et dans les avenants concernés.
Le ministre flamand qui a l'aménagement du territoire dans ses attributions et le ministre flamand qui a l'environnement dans ses attributions sont autorisés à modifier conjointement le formulaire et la bibliothèque d'avenants, visés à l'alinéa 2, ainsi que la composition du dossier, les données suivantes au moins étant demandées :
1° l'objet de l'actualisation ;
2° les données d'identification du lieu où sera exécutée l'actualisation ;
3° le cas échéant, des plans ;
4° le cas échéant, des données concernant le rapport des incidences sur l'environnement ou le rapport de sécurité environnementale ;
5° le cas échéant, des données concernant l'évaluation appropriée ;
6° les données d'identification du demandeur.
A cet effet, le demandeur utilise :
1° le formulaire repris à l'annexe 6 jointe au présent arrêté ;
2° les avenants, indiqués sur le formulaire, issus de la bibliothèque d'avenants reprise à l'annexe 2 jointe au présent arrêté.
La demande comprend les données prescrites comme devant être obligatoirement remplies ou jointes sur le formulaire et dans les avenants concernés.
Le ministre flamand qui a l'aménagement du territoire dans ses attributions et le ministre flamand qui a l'environnement dans ses attributions sont autorisés à modifier conjointement le formulaire et la bibliothèque d'avenants, visés à l'alinéa 2, ainsi que la composition du dossier, les données suivantes au moins étant demandées :
1° l'objet de l'actualisation ;
2° les données d'identification du lieu où sera exécutée l'actualisation ;
3° le cas échéant, des plans ;
4° le cas échéant, des données concernant le rapport des incidences sur l'environnement ou le rapport de sécurité environnementale ;
5° le cas échéant, des données concernant l'évaluation appropriée ;
6° les données d'identification du demandeur.
TITEL 5. - Schorsing of opheffing van de omgevingsvergunning wat betreft de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit
TITRE 5. - Suspension ou abrogation du permis d'environnement en ce qui concerne l'exploitation d'un établissement classé ou d'une activité classée
Art. 134. § 1. Als de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 van het decreet van 25 april 2014, conform artikel 92 van het voormelde decreet het initiatief neemt om de omgevingsvergunning te schorsen of op te heffen wat betreft de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit, brengt het bevoegde bestuur de vergunninghouder of exploitant daarvan met een beveiligde zending op de hoogte.
De vergunninghouder of exploitant wordt gehoord op zijn verzoek.
§ 2. Op dezelfde dag als de verzending van de kennisgeving, vermeld in paragraaf 1, vraagt het bevoegde bestuur het advies van het adviserend schepencollege en de toezichthouder die conform titel XVI van het DABM bevoegd is, over het voornemen om de omgevingsvergunning volledig of gedeeltelijk te schorsen of op te heffen wat betreft de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit.
In afwijking van het eerste lid wordt het adviserend schepencollege niet om advies gevraagd als het betrokken college van burgemeester en schepenen conform artikel 15 van het decreet van 25 april 2014 de bevoegde overheid is.
Het adviserend schepencollege en de toezichthouder, vermeld in het eerste lid, verlenen hun advies over het voornemen om de omgevingsvergunning volledig of gedeeltelijk te schorsen of op te heffen binnen een vervaltermijn van zestig dagen, samen met een eensluidend verklaard afschrift van de processen-verbaal van vaststelling van de overtredingen die door hen of in hun opdracht zijn opgesteld.
Artikel 29 van het decreet van 25 april 2014 is van overeenkomstige toepassing.
§ 3. De bevoegde overheid neemt binnen honderdtwintig dagen na de verzending van de kennisgeving, vermeld in paragraaf 1, een beslissing over de al dan niet volledige of gedeeltelijke opheffing of schorsing van de omgevingsvergunning.
§ 4. Het bevoegde bestuur brengt met een beveiligde zending uiterlijk tien dagen na de datum waarop de beslissing is genomen, de volgende personen en instanties op de hoogte van de beslissing :
1° de vergunninghouder of exploitant;
2° de toezichthouder, vermeld in paragraaf 2, eerste lid;
3° het betrokken college van burgemeester en schepenen, tenzij het zelf de beslissing heeft genomen.
De vergunninghouder of exploitant wordt gehoord op zijn verzoek.
§ 2. Op dezelfde dag als de verzending van de kennisgeving, vermeld in paragraaf 1, vraagt het bevoegde bestuur het advies van het adviserend schepencollege en de toezichthouder die conform titel XVI van het DABM bevoegd is, over het voornemen om de omgevingsvergunning volledig of gedeeltelijk te schorsen of op te heffen wat betreft de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit.
In afwijking van het eerste lid wordt het adviserend schepencollege niet om advies gevraagd als het betrokken college van burgemeester en schepenen conform artikel 15 van het decreet van 25 april 2014 de bevoegde overheid is.
Het adviserend schepencollege en de toezichthouder, vermeld in het eerste lid, verlenen hun advies over het voornemen om de omgevingsvergunning volledig of gedeeltelijk te schorsen of op te heffen binnen een vervaltermijn van zestig dagen, samen met een eensluidend verklaard afschrift van de processen-verbaal van vaststelling van de overtredingen die door hen of in hun opdracht zijn opgesteld.
Artikel 29 van het decreet van 25 april 2014 is van overeenkomstige toepassing.
§ 3. De bevoegde overheid neemt binnen honderdtwintig dagen na de verzending van de kennisgeving, vermeld in paragraaf 1, een beslissing over de al dan niet volledige of gedeeltelijke opheffing of schorsing van de omgevingsvergunning.
§ 4. Het bevoegde bestuur brengt met een beveiligde zending uiterlijk tien dagen na de datum waarop de beslissing is genomen, de volgende personen en instanties op de hoogte van de beslissing :
1° de vergunninghouder of exploitant;
2° de toezichthouder, vermeld in paragraaf 2, eerste lid;
3° het betrokken college van burgemeester en schepenen, tenzij het zelf de beslissing heeft genomen.
Art. 134. § 1er. Si l'autorité compétente visée à l'article 15 du décret du 25 avril 2014 prend l'initiative, conformément à l'article 92 du décret précité, de suspendre ou d'abroger le permis d'environnement en ce qui concerne l'exploitation d'un établissement classé ou d'une activité classée, l'administration compétente en informe le titulaire du permis ou l'exploitant par envoi sécurisé.
Le titulaire du permis ou l'exploitant est entendu à sa demande.
§ 2. Le même jour que l'envoi de la notification visée au paragraphe 1er, l'administration compétente demande l'avis du collège consultatif des échevins et du contrôleur compétent conformément au titre XVI du DABM au sujet de l'intention de suspendre ou d'abroger en tout ou en partie le permis d'environnement en ce qui concerne l'exploitation d'un établissement classé ou d'une activité classée.
Par dérogation à l'alinéa 1er, l'avis du collège consultatif des échevins n'est pas demandé si le collège des bourgmestre et échevins concerné est l'autorité compétente conformément à l'article 15 du décret du 25 avril 2014.
Le collège consultatif des échevins et le contrôleur, visés à l'alinéa 1er, rendent leur avis au sujet de l'intention de suspendre ou d'abroger en tout ou en partie le permis d'environnement dans un délai de soixante jours, conjointement avec une copie certifiée conforme des procès-verbaux de constatation d'infractions établis par eux ou pour leur compte.
L'article 29 du décret du 25 avril 2014 s'applique par analogie.
§ 3. Dans les cent vingt jours de l'envoi de la notification visée au paragraphe 1er, l'autorité compétente prend une décision au sujet de l'éventuelle suspension ou abrogation, en tout ou en partie, du permis d'environnement.
§ 4. Au plus tard dix jours après la date à laquelle la décision a été prise, l'administration compétente informe les personnes et instances ci-après de la décision par envoi sécurisé :
1° le titulaire du permis ou l'exploitant ;
2° le contrôleur visé au paragraphe 2, alinéa 1er ;
3° le collège des bourgmestre et échevins concerné sauf s'il a pris lui-même la décision.
Le titulaire du permis ou l'exploitant est entendu à sa demande.
§ 2. Le même jour que l'envoi de la notification visée au paragraphe 1er, l'administration compétente demande l'avis du collège consultatif des échevins et du contrôleur compétent conformément au titre XVI du DABM au sujet de l'intention de suspendre ou d'abroger en tout ou en partie le permis d'environnement en ce qui concerne l'exploitation d'un établissement classé ou d'une activité classée.
Par dérogation à l'alinéa 1er, l'avis du collège consultatif des échevins n'est pas demandé si le collège des bourgmestre et échevins concerné est l'autorité compétente conformément à l'article 15 du décret du 25 avril 2014.
Le collège consultatif des échevins et le contrôleur, visés à l'alinéa 1er, rendent leur avis au sujet de l'intention de suspendre ou d'abroger en tout ou en partie le permis d'environnement dans un délai de soixante jours, conjointement avec une copie certifiée conforme des procès-verbaux de constatation d'infractions établis par eux ou pour leur compte.
L'article 29 du décret du 25 avril 2014 s'applique par analogie.
§ 3. Dans les cent vingt jours de l'envoi de la notification visée au paragraphe 1er, l'autorité compétente prend une décision au sujet de l'éventuelle suspension ou abrogation, en tout ou en partie, du permis d'environnement.
§ 4. Au plus tard dix jours après la date à laquelle la décision a été prise, l'administration compétente informe les personnes et instances ci-après de la décision par envoi sécurisé :
1° le titulaire du permis ou l'exploitant ;
2° le contrôleur visé au paragraphe 2, alinéa 1er ;
3° le collège des bourgmestre et échevins concerné sauf s'il a pris lui-même la décision.
Art. 135. § 1. Tenzij de beslissing tot schorsing of opheffing van de omgevingsvergunning door de Vlaamse Regering is genomen, kan de vergunninghouder of exploitant tegen de beslissing beroep instellen bij de Vlaamse Regering.
Het beroep schorst de beslissing.
§ 2. Het beroep, vermeld in paragraaf 1, wordt met een beveiligde zending bij de Vlaamse Regering, vertegenwoordigd door de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, ingediend binnen een vervaltermijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de dag van kennisgeving, vermeld in artikel 134, § 4.
§ 3. Voor de behandeling, de beslissing en de bekendmaking van de beslissing over het beroep zijn de bepalingen van artikel 110 tot en met artikel 114 van overeenkomstige toepassing.
Het beroep schorst de beslissing.
§ 2. Het beroep, vermeld in paragraaf 1, wordt met een beveiligde zending bij de Vlaamse Regering, vertegenwoordigd door de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, ingediend binnen een vervaltermijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de dag van kennisgeving, vermeld in artikel 134, § 4.
§ 3. Voor de behandeling, de beslissing en de bekendmaking van de beslissing over het beroep zijn de bepalingen van artikel 110 tot en met artikel 114 van overeenkomstige toepassing.
Art. 135. § 1er. A moins que la décision de suspension ou d'abrogation du permis d'environnement n'ait été prise par le Gouvernement flamand, le titulaire du permis ou l'exploitant peut intenter un recours contre la décision auprès du Gouvernement flamand.
Le recours suspend la décision.
§ 2. Le recours visé au paragraphe 1er est introduit par envoi sécurisé auprès du Gouvernement flamand, représenté par le ministre flamand qui a l'environnement dans ses attributions, dans un délai de trente jours prenant cours le lendemain de la notification visée à l'article 134, § 4.
§ 3. En ce qui concerne le traitement, la décision et la publication de la décision sur le recours, les dispositions des articles 110 à 114 s'appliquent par analogie.
Le recours suspend la décision.
§ 2. Le recours visé au paragraphe 1er est introduit par envoi sécurisé auprès du Gouvernement flamand, représenté par le ministre flamand qui a l'environnement dans ses attributions, dans un délai de trente jours prenant cours le lendemain de la notification visée à l'article 134, § 4.
§ 3. En ce qui concerne le traitement, la décision et la publication de la décision sur le recours, les dispositions des articles 110 à 114 s'appliquent par analogie.
TITEL 6. - De melding
TITRE 6. - La déclaration
Hoofdstuk 1. - De samenstelling van een meldingsdossier en de meldingsprocedure
Chapitre 1er. - La composition d'un dossier de déclaration et la procédure de déclaration
Art. 136. § 1. Conform artikel 109 van het decreet van 25 april 2014 wordt de melding met een beveiligde zending ingediend bij de bevoegde overheid vermeld in artikel 107 van het voormelde decreet.
De persoon die de melding verricht, gebruikt hiertoe :
1° het formulier, opgenomen in bijlage 7, die bij dit besluit is gevoegd;
2° de in het formulier aangewezen addenda uit de addenda-bibliotheek die is opgenomen in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd.
De melding omvat de gegevens die als verplicht in te vullen of bij te voegen voorgeschreven zijn in het formulier en de desbetreffende addenda.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, zijn gemachtigd gezamenlijk het formulier en de addenda-bibliotheek, vermeld in het tweede lid, en de dossiersamenstelling te wijzigen, waarbij minstens de volgende gegevens worden gevraagd :
1° het voorwerp van de melding;
2° de identificatiegegevens van de plaats waar het voorwerp van de melding uitgevoerd zal worden;
3° plannen;
4° de identificatiegegevens van de persoon die de melding verricht of de exploitant;
5° de identificatiegegevens van de architect als diens medewerking vereist is.
§ 2. Als de Vlaamse Regering de bevoegde overheid voor de melding is, is de gewestelijke omgevingsambtenaar bevoegd voor de aktename, vermeld in artikel 107, tweede lid, van het voormelde decreet, behalve als de gewestelijke omgevingsambtenaar geen delegatie heeft om zich over het vergunningsplichtige onderdeel van het project uit te spreken.
De persoon die de melding verricht, gebruikt hiertoe :
1° het formulier, opgenomen in bijlage 7, die bij dit besluit is gevoegd;
2° de in het formulier aangewezen addenda uit de addenda-bibliotheek die is opgenomen in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd.
De melding omvat de gegevens die als verplicht in te vullen of bij te voegen voorgeschreven zijn in het formulier en de desbetreffende addenda.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, zijn gemachtigd gezamenlijk het formulier en de addenda-bibliotheek, vermeld in het tweede lid, en de dossiersamenstelling te wijzigen, waarbij minstens de volgende gegevens worden gevraagd :
1° het voorwerp van de melding;
2° de identificatiegegevens van de plaats waar het voorwerp van de melding uitgevoerd zal worden;
3° plannen;
4° de identificatiegegevens van de persoon die de melding verricht of de exploitant;
5° de identificatiegegevens van de architect als diens medewerking vereist is.
§ 2. Als de Vlaamse Regering de bevoegde overheid voor de melding is, is de gewestelijke omgevingsambtenaar bevoegd voor de aktename, vermeld in artikel 107, tweede lid, van het voormelde decreet, behalve als de gewestelijke omgevingsambtenaar geen delegatie heeft om zich over het vergunningsplichtige onderdeel van het project uit te spreken.
Art. 136. § 1er. Conformément à l'article 109 du décret du 25 avril 2014, la déclaration est introduite par envoi sécurisé auprès de l'autorité compétente visée à l'article 107 du décret précité.
La personne qui effectue la déclaration utilise à cet effet :
1° le formulaire repris à l'annexe 7 jointe au présent arrêté ;
2° les avenants, indiqués sur le formulaire, issus de la bibliothèque d'avenants reprise à l'annexe 2 jointe au présent arrêté.
La déclaration comprend les données prescrites comme devant être obligatoirement remplies ou jointes sur le formulaire et dans les avenants concernés.
Le ministre flamand qui a l'aménagement du territoire dans ses attributions et le ministre flamand qui a l'environnement dans ses attributions sont autorisés à modifier conjointement le formulaire et la bibliothèque d'avenants, visés à l'alinéa 2, ainsi que la composition du dossier, les données minimales demandées étant les suivantes :
1° l'objet de la déclaration ;
2° les données d'identification du lieu où sera exécuté l'objet de la déclaration ;
3° des plans ;
4° les données d'identification de la personne qui effectue la déclaration ou de l'exploitant ;
5° les données d'identification de l'architecte si son concours est requis.
§ 2. Lorsque le Gouvernement flamand est l'autorité compétente pour la déclaration, le fonctionnaire environnement régional est compétent pour la prise d'acte visée à l'article 107, alinéa 2, du décret précité, sauf si le fonctionnaire environnement régional n'a pas délégation pour se prononcer sur la partie du projet soumise à autorisation.
La personne qui effectue la déclaration utilise à cet effet :
1° le formulaire repris à l'annexe 7 jointe au présent arrêté ;
2° les avenants, indiqués sur le formulaire, issus de la bibliothèque d'avenants reprise à l'annexe 2 jointe au présent arrêté.
La déclaration comprend les données prescrites comme devant être obligatoirement remplies ou jointes sur le formulaire et dans les avenants concernés.
Le ministre flamand qui a l'aménagement du territoire dans ses attributions et le ministre flamand qui a l'environnement dans ses attributions sont autorisés à modifier conjointement le formulaire et la bibliothèque d'avenants, visés à l'alinéa 2, ainsi que la composition du dossier, les données minimales demandées étant les suivantes :
1° l'objet de la déclaration ;
2° les données d'identification du lieu où sera exécuté l'objet de la déclaration ;
3° des plans ;
4° les données d'identification de la personne qui effectue la déclaration ou de l'exploitant ;
5° les données d'identification de l'architecte si son concours est requis.
§ 2. Lorsque le Gouvernement flamand est l'autorité compétente pour la déclaration, le fonctionnaire environnement régional est compétent pour la prise d'acte visée à l'article 107, alinéa 2, du décret précité, sauf si le fonctionnaire environnement régional n'a pas délégation pour se prononcer sur la partie du projet soumise à autorisation.
Art. 137. De melding van een meldingsplichtige exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit die onlosmakelijk verbonden is met de woonfunctie van een onroerend goed dat hoofdzakelijk voor bewoning wordt gebruikt, wordt verricht door de eigenaar van het onroerend goed. In geval van mede-eigendom verricht de persoon die door de mede-eigenaars als beheerder is belast met het beheer van het goed, de melding.
Art. 137. La déclaration d'une exploitation soumise à l'obligation de déclaration d'un établissement classé ou d'une activité classée, qui est indissociablement lié(e) à la fonction de logement d'un bien immeuble à usage principal d'habitation, est effectuée par le propriétaire du bien immeuble. En cas de copropriété, la déclaration est effectuée par la personne qui a été chargée par les copropriétaires de la gestion du bien en tant que gestionnaire.
Hoofdstuk 2. - Bekendmaking
Chapitre 2. - Publication
Art. 138. [1 § 1. De meldingsakte wordt bekendgemaakt door :
1° de aanplakking van een affiche op de plaats waar het voorwerp van de melding uitgevoerd zal worden, conform artikel 139;
2° de publicatie op de website, waarbij artikel 60, van overeenkomstige toepassing is;
3° de individuele kennisgeving conform artikel 140;
4° de analoge of digitale terinzagelegging van de meldingsakte in het gemeentehuis van de gemeente waar het voorwerp van de melding uitgevoerd zal worden, waarbij artikel 63, van overeenkomstige toepassing is.
§ 2. Het omgevingsloket stelt de tekst ter beschikking die gebruikt wordt voor de bekendmaking, vermeld in paragraaf 1, 1°.
De tekst, vermeld in het eerste lid, bevat minstens de volgende gegevens:
1° op welke meldingsplichten, vermeld in artikel 5, 2° van het decreet van 25 april 2014, de melding betrekking heeft;
2° de ligging van het voorwerp van de melding;
3° de naam van de persoon die de melding heeft verricht. Als de melding wordt ondertekend door een natuurlijk persoon namens een rechtspersoon, wordt alleen de naam van de rechtspersoon vermeld;
4° de overheid die akte heeft genomen;
5° het feit dat de aktename ter inzage ligt bij de gemeente;
6° de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen de aktename bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen.]1
1° de aanplakking van een affiche op de plaats waar het voorwerp van de melding uitgevoerd zal worden, conform artikel 139;
2° de publicatie op de website, waarbij artikel 60, van overeenkomstige toepassing is;
3° de individuele kennisgeving conform artikel 140;
4° de analoge of digitale terinzagelegging van de meldingsakte in het gemeentehuis van de gemeente waar het voorwerp van de melding uitgevoerd zal worden, waarbij artikel 63, van overeenkomstige toepassing is.
§ 2. Het omgevingsloket stelt de tekst ter beschikking die gebruikt wordt voor de bekendmaking, vermeld in paragraaf 1, 1°.
De tekst, vermeld in het eerste lid, bevat minstens de volgende gegevens:
1° op welke meldingsplichten, vermeld in artikel 5, 2° van het decreet van 25 april 2014, de melding betrekking heeft;
2° de ligging van het voorwerp van de melding;
3° de naam van de persoon die de melding heeft verricht. Als de melding wordt ondertekend door een natuurlijk persoon namens een rechtspersoon, wordt alleen de naam van de rechtspersoon vermeld;
4° de overheid die akte heeft genomen;
5° het feit dat de aktename ter inzage ligt bij de gemeente;
6° de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen de aktename bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen.]1
Art. 138. [1 § 1er. L'acte de déclaration est annoncé par :
1° voie d'affichage sur le lieu où sera exécuté l'objet de la déclaration, conformément à l'article 139 ;
2° publication sur le site Internet, l'article 60 s'appliquant par analogie ;
3° notification individuelle, conformément à l'article 140 ;
4° ouverture à la consultation analogique ou numérique de l'acte de déclaration à la maison communale de la commune où sera exécuté l'objet de la déclaration, l'article 63 s'appliquant par analogie ;
§ 2. Le guichet environnement met à disposition le texte utilisé pour la publicité visée au paragraphe 1er, 1°.
Le texte visé à l'alinéa 1er contient au moins les renseignements suivants :
1° les obligations de déclaration visées à l'article 5, 2°, du décret du 25 avril 2014 auxquelles la déclaration se rapporte ;
2° l'emplacement de l'objet du permis ;
3° le nom de la personne qui a effectué la déclaration. Lorsque la déclaration est signée par une personne physique au nom d'une personne morale, seul le nom de la personne morale est mentionné ;
4° l'autorité qui a pris acte ;
5° le fait que la prise d'acte peut être consultée à la commune ;
6° la possibilité de former recours contre la prise d'acte auprès du Conseil du Contentieux des Permis.]1
1° voie d'affichage sur le lieu où sera exécuté l'objet de la déclaration, conformément à l'article 139 ;
2° publication sur le site Internet, l'article 60 s'appliquant par analogie ;
3° notification individuelle, conformément à l'article 140 ;
4° ouverture à la consultation analogique ou numérique de l'acte de déclaration à la maison communale de la commune où sera exécuté l'objet de la déclaration, l'article 63 s'appliquant par analogie ;
§ 2. Le guichet environnement met à disposition le texte utilisé pour la publicité visée au paragraphe 1er, 1°.
Le texte visé à l'alinéa 1er contient au moins les renseignements suivants :
1° les obligations de déclaration visées à l'article 5, 2°, du décret du 25 avril 2014 auxquelles la déclaration se rapporte ;
2° l'emplacement de l'objet du permis ;
3° le nom de la personne qui a effectué la déclaration. Lorsque la déclaration est signée par une personne physique au nom d'une personne morale, seul le nom de la personne morale est mentionné ;
4° l'autorité qui a pris acte ;
5° le fait que la prise d'acte peut être consultée à la commune ;
6° la possibilité de former recours contre la prise d'acte auprès du Conseil du Contentieux des Permis.]1
Art. 139. [1 § 1. In de volgende gevallen wordt een affiche aangeplakt:
1° als er akte wordt genomen van de melding;
2° als de melding geacht wordt te zijn geakteerd.
De tekst van de aanplakking, vermeld in artikel 138, § 2, wordt met zwarte letters op een gele affiche van minimaal A2-formaat afgedrukt en wordt voorafgegaan door het opschrift "BEKENDMAKING MELDINGSAKTE".
§ 2. De affiche wordt aangeplakt voor de aanvang van de al dan niet stilzwijgend geakteerde handelingen of exploitatie. De affiche blijft hangen gedurende de periode van dertig dagen, die ingaat op de dag na de eerste dag van de aanplakking. De persoon die de melding verricht, brengt de gemeente op de startdatum van de aanplakking op de hoogte van die datum en verklaart daarbij dat de affiche conform de bepalingen van dit artikel is aangeplakt en aangeplakt zal blijven tot de laatste dag van de voormelde periode van dertig dagen. De startdatum wordt in het omgevingsloket ingevoerd.
De affiche wordt aangeplakt op een plaats waar het voorwerp van de melding paalt aan een openbare weg, of als het aan verschillende openbare wegen paalt, aan elk van die openbare wegen. Als het voorwerp van de melding niet paalt aan een openbare weg, wordt de affiche aangeplakt op een plaats aan de dichtstbijzijnde openbare weg.
Als de melding betrekking heeft op het openbaar domein, wordt de affiche aangeplakt aan elke zijde waar men van op de openbare weg de grens van het voorwerp van de melding bereikt.
De persoon die de melding heeft verricht, plakt de affiche aan op een schutting, op een muur of op een bord dat aan een paal bevestigd is, op de grens tussen het terrein of de toegang tot het terrein en de openbare weg en evenwijdig met de openbare weg, met de tekst gericht naar de openbare weg en op een maximumhoogte van twee meter.
De affiche is altijd goed leesbaar vanaf de openbare weg.]1
1° als er akte wordt genomen van de melding;
2° als de melding geacht wordt te zijn geakteerd.
De tekst van de aanplakking, vermeld in artikel 138, § 2, wordt met zwarte letters op een gele affiche van minimaal A2-formaat afgedrukt en wordt voorafgegaan door het opschrift "BEKENDMAKING MELDINGSAKTE".
§ 2. De affiche wordt aangeplakt voor de aanvang van de al dan niet stilzwijgend geakteerde handelingen of exploitatie. De affiche blijft hangen gedurende de periode van dertig dagen, die ingaat op de dag na de eerste dag van de aanplakking. De persoon die de melding verricht, brengt de gemeente op de startdatum van de aanplakking op de hoogte van die datum en verklaart daarbij dat de affiche conform de bepalingen van dit artikel is aangeplakt en aangeplakt zal blijven tot de laatste dag van de voormelde periode van dertig dagen. De startdatum wordt in het omgevingsloket ingevoerd.
De affiche wordt aangeplakt op een plaats waar het voorwerp van de melding paalt aan een openbare weg, of als het aan verschillende openbare wegen paalt, aan elk van die openbare wegen. Als het voorwerp van de melding niet paalt aan een openbare weg, wordt de affiche aangeplakt op een plaats aan de dichtstbijzijnde openbare weg.
Als de melding betrekking heeft op het openbaar domein, wordt de affiche aangeplakt aan elke zijde waar men van op de openbare weg de grens van het voorwerp van de melding bereikt.
De persoon die de melding heeft verricht, plakt de affiche aan op een schutting, op een muur of op een bord dat aan een paal bevestigd is, op de grens tussen het terrein of de toegang tot het terrein en de openbare weg en evenwijdig met de openbare weg, met de tekst gericht naar de openbare weg en op een maximumhoogte van twee meter.
De affiche is altijd goed leesbaar vanaf de openbare weg.]1
Art. 139. [1 § 1er. Il est procédé à l'affichage dans les cas suivants :
1° lorsqu'il est pris acte de la déclaration ;
2° lorsque la déclaration est réputée avoir été actée.
Le texte de l'affichage visé à l'article 138, § 2, est imprimé en caractères noirs sur une affiche jaune de format A2 minimum et est précédé de l'intitulé " AVIS ACTE DE DECLARATION ".
§ 2. L'affiche est placardée avant le début des actes ou de l'exploitation actés tacitement ou non. L'affiche reste en place durant une période de trente jours qui prend cours le jour suivant le premier jour de l'affichage. A la date de début de l'affichage, la personne qui effectue la déclaration informe la commune de cette date et déclare à cet égard que l'affiche a été placardée et le restera jusqu'au dernier jour de la période précitée de trente jours conformément aux dispositions du présent article. La date de début est introduite dans le guichet environnement.
L'affichage a lieu à un endroit où l'objet de la déclaration jouxte une voie publique ou, s'il jouxte plusieurs voies publiques, sur chacune d'elles. Lorsque l'objet de la déclaration ne jouxte aucune voie publique, l'affichage a lieu sur la voie publique la plus proche.
Lorsque la déclaration porte sur le domaine public, l'affichage a lieu de chaque côté où, depuis la voie publique, la limite de l'objet de la déclaration est accessible.
La personne qui effectue la déclaration, procède à l'affichage sur une palissade, un mur ou un panneau fixé à un poteau, à la limite entre le terrain ou l'accès au terrain et la voie publique et parallèlement à celle-ci, texte orienté vers la voie publique et à une hauteur maximale de deux mètres.
L'affiche doit toujours être bien lisible à partir de la voie publique.]1
1° lorsqu'il est pris acte de la déclaration ;
2° lorsque la déclaration est réputée avoir été actée.
Le texte de l'affichage visé à l'article 138, § 2, est imprimé en caractères noirs sur une affiche jaune de format A2 minimum et est précédé de l'intitulé " AVIS ACTE DE DECLARATION ".
§ 2. L'affiche est placardée avant le début des actes ou de l'exploitation actés tacitement ou non. L'affiche reste en place durant une période de trente jours qui prend cours le jour suivant le premier jour de l'affichage. A la date de début de l'affichage, la personne qui effectue la déclaration informe la commune de cette date et déclare à cet égard que l'affiche a été placardée et le restera jusqu'au dernier jour de la période précitée de trente jours conformément aux dispositions du présent article. La date de début est introduite dans le guichet environnement.
L'affichage a lieu à un endroit où l'objet de la déclaration jouxte une voie publique ou, s'il jouxte plusieurs voies publiques, sur chacune d'elles. Lorsque l'objet de la déclaration ne jouxte aucune voie publique, l'affichage a lieu sur la voie publique la plus proche.
Lorsque la déclaration porte sur le domaine public, l'affichage a lieu de chaque côté où, depuis la voie publique, la limite de l'objet de la déclaration est accessible.
La personne qui effectue la déclaration, procède à l'affichage sur une palissade, un mur ou un panneau fixé à un poteau, à la limite entre le terrain ou l'accès au terrain et la voie publique et parallèlement à celle-ci, texte orienté vers la voie publique et à une hauteur maximale de deux mètres.
L'affiche doit toujours être bien lisible à partir de la voie publique.]1
Art. 140. [3 Het bevoegde bestuur stelt zijn beslissing over de melding met een beveiligde zending ter beschikking van de persoon die de melding heeft verricht, binnen de termijn, vermeld in artikel 111, tweede en derde lid, van het decreet van 25 april 2014. Als de melding wordt geacht te zijn geakteerd, genereert het omgevingsloket na het verstrijken van de termijn, vermeld in artikel 111, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014, een tekst die bevestigt dat er niet tijdig een beslissing genomen is of ter kennis gebracht is aan de persoon die de melding heeft verricht, met de gegevens, vermeld in artikel 138, § 2, tweede lid.]3
[3 Uiterlijk tien dagen na de datum van de aktename of na het verstrijken van de termijn, vermeld in artikel 111, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014, stelt het bevoegde bestuur]3 de meldingsakte met een digitale zending ter beschikking van :
1° [3 de afdeling van de VMM bevoegd voor grondwater als de melding betrekking heeft op indelingsrubriek 52 tot en met 56;]3
2° de nv Aquafin als de melding betrekking heeft op de indelingsrubrieken 3, 53.1 tot en met 53.5, 53.9 en 53.11;
3° de VLM als de melding betrekking heeft op de exploitatie van een inrichting of activiteit die ingedeeld is in een of meer van de indelingsrubrieken 9.3 tot en met 9.8 of 28.2 ;
[3 ...]3
[4 4° de afdeling van de VMM, bevoegd voor het lozen van afvalwater en de emissie van afvalgassen in de atmosfeer, als de melding betrekking heeft op indelingsrubriek 3.]4
[3 Uiterlijk tien dagen na de datum van de aktename of na het verstrijken van de termijn, vermeld in artikel 111, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014, stelt het bevoegde bestuur]3 de meldingsakte met een digitale zending ter beschikking van :
1° [3 de afdeling van de VMM bevoegd voor grondwater als de melding betrekking heeft op indelingsrubriek 52 tot en met 56;]3
2° de nv Aquafin als de melding betrekking heeft op de indelingsrubrieken 3, 53.1 tot en met 53.5, 53.9 en 53.11;
3° de VLM als de melding betrekking heeft op de exploitatie van een inrichting of activiteit die ingedeeld is in een of meer van de indelingsrubrieken 9.3 tot en met 9.8 of 28.2 ;
[3 ...]3
[4 4° de afdeling van de VMM, bevoegd voor het lozen van afvalwater en de emissie van afvalgassen in de atmosfeer, als de melding betrekking heeft op indelingsrubriek 3.]4
Art. 140. [3 L'administration compétente met sa décision au sujet de la déclaration à la disposition de la personne qui a effectué la déclaration par envoi sécurisé dans le délai visé à l'article 111, alinéas 2 et 3, du décret du 25 avril 2014. Lorsque la déclaration est réputée avoir été actée, le guichet environnement génère, après l'expiration du délai visé à l'article 111, alinéa 2, du décret du 25 avril 2014, un texte confirmant qu'une décision n'a pas été prise ou n'a pas été notifiée en temps voulu à la personne qui a effectué la déclaration et reprenant les renseignements visés à l'article 138, § 2, alinéa 2.]3
[3 Au plus tard dix jours après la date de la prise d'acte ou après l'expiration du délai visé à l'article 111, alinéa 2, du décret du 25 avril 2014, l'administration compétente met]3 l'acte de déclaration par envoi numérique à la disposition de :
1° [3 la division de la Société flamande de l'Environnement (VMM) compétente pour les eaux souterraines lorsque la déclaration porte sur les rubriques de classification 52 à 56 ;]3
2° la S.A. Aquafin lorsque la déclaration porte sur les rubriques de classification 3, 53.1 à 53.5 incluse, 53.9 et 53.11 ;
3° la VLM (Société terrienne flamande) lorsque la déclaration porte sur l'exploitation d'un établissement ou d'une activité qui a été classé(e) dans une ou plusieurs des rubriques de classification 9.3 à 9.8 incluse ou 28.2 ;
[3 ...]3
[4 4° la division de la VMM compétente pour le déversement d'eaux usées et l'émission de gaz résiduaires dans l'atmosphère, lorsque la déclaration porte sur la rubrique de classification 3.]4
[3 Au plus tard dix jours après la date de la prise d'acte ou après l'expiration du délai visé à l'article 111, alinéa 2, du décret du 25 avril 2014, l'administration compétente met]3 l'acte de déclaration par envoi numérique à la disposition de :
1° [3 la division de la Société flamande de l'Environnement (VMM) compétente pour les eaux souterraines lorsque la déclaration porte sur les rubriques de classification 52 à 56 ;]3
2° la S.A. Aquafin lorsque la déclaration porte sur les rubriques de classification 3, 53.1 à 53.5 incluse, 53.9 et 53.11 ;
3° la VLM (Société terrienne flamande) lorsque la déclaration porte sur l'exploitation d'un établissement ou d'une activité qui a été classé(e) dans une ou plusieurs des rubriques de classification 9.3 à 9.8 incluse ou 28.2 ;
[3 ...]3
[4 4° la division de la VMM compétente pour le déversement d'eaux usées et l'émission de gaz résiduaires dans l'atmosphère, lorsque la déclaration porte sur la rubrique de classification 3.]4
Hoofdstuk 3. [1 - Bijstelling van de meldingsakte voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit]1
Chapitre 3. [1 - Ajustement de l'acte de déclaration pour l'exploitation d'un établissement classé ou d'une activité classée]1
Art. 140/1. [1 De bijzondere milieuvoorwaarden die in de meldingsakte van een ingedeelde inrichting of activiteit van de derde klasse zijn opgelegd, kunnen worden bijgesteld. De bijzondere milieuvoorwaarden kunnen van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden afwijken als die mogelijkheid in de algemene en sectorale milieuvoorwaarden uitdrukkelijk is vermeld voor vergunningsplichtige ingedeelde inrichtingen of activiteiten rekening houdend met artikel 113, § 2, van het decreet van 25 april 2014.]1
Art. 140/1. [1 Les conditions environnementales spéciales imposées dans l'acte de déclaration d'un établissement classé ou d'une activité classée de la troisième classe, peuvent être ajustées. Les conditions environnementales spéciales peuvent déroger aux conditions environnementales générales et sectorielles si cette possibilité est explicitement mentionnée dans les conditions environnementales générales et sectorielles pour les établissements ou activités classés soumis à autorisation, en tenant compte de l'article 113, § 2, du décret du 25 avril 2014.]1
TITEL 7. - De omgevingsambtenaren
TITRE 7. - Les fonctionnaires environnement
Hoofdstuk 1. - De gewestelijke omgevingsambtenaren
Chapitre 1er. - Les fonctionnaires environnement régionaux
Art. 141. [1 § 1. De volgende personen vervullen altijd de functie van gewestelijke omgevingsambtenaar :
1° de leidend ambtenaren van :
a) het departement ;
b) het Agentschap Innoveren en Ondernemen;
c) het Agentschap voor Natuur en Bos;
2° de afdelingshoofden van :
a) de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning;
b) de afdeling RO, bevoegd voor de omgevingsvergunning.
§ 2. De Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, en de Vlaamse minister, bevoegd voor economie, kunnen elk bijkomende gewestelijke omgevingsambtenaren aanwijzen. Alleen ambtenaren van niveau A uit de afdelingen RO of Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, het Agentschap Innoveren en Ondernemen of het Agentschap voor Natuur en Bos kunnen worden voorgedragen en aangewezen. De ambtenaren die van rechtswege aangewezen zijn en de ambtenaren die bijkomend aangewezen worden, beschikken conform artikel 10 van het decreet van 25 april 2014 samen over voldoende kennis van zowel de ruimtelijke ordening als het milieu als vermeld in hoofdstuk 3 van deze titel.
Het aanwijzingsbesluit vermeldt een termijn van maximaal zes jaar. De aanwijzing is hernieuwbaar. Ze kan op elk ogenblik worden beëindigd, hetzij bij ministerieel besluit, na advies van de leidend ambtenaren, hetzij op verzoek van de betrokkene.]1
1° de leidend ambtenaren van :
a) het departement ;
b) het Agentschap Innoveren en Ondernemen;
c) het Agentschap voor Natuur en Bos;
2° de afdelingshoofden van :
a) de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning;
b) de afdeling RO, bevoegd voor de omgevingsvergunning.
§ 2. De Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, en de Vlaamse minister, bevoegd voor economie, kunnen elk bijkomende gewestelijke omgevingsambtenaren aanwijzen. Alleen ambtenaren van niveau A uit de afdelingen RO of Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, het Agentschap Innoveren en Ondernemen of het Agentschap voor Natuur en Bos kunnen worden voorgedragen en aangewezen. De ambtenaren die van rechtswege aangewezen zijn en de ambtenaren die bijkomend aangewezen worden, beschikken conform artikel 10 van het decreet van 25 april 2014 samen over voldoende kennis van zowel de ruimtelijke ordening als het milieu als vermeld in hoofdstuk 3 van deze titel.
Het aanwijzingsbesluit vermeldt een termijn van maximaal zes jaar. De aanwijzing is hernieuwbaar. Ze kan op elk ogenblik worden beëindigd, hetzij bij ministerieel besluit, na advies van de leidend ambtenaren, hetzij op verzoek van de betrokkene.]1
Art. 141. [1 § 1er. Les personnes suivantes remplissent toujours la fonction de fonctionnaire environnement régional :
1° les fonctionnaires dirigeants :
a) du département ;
b) de l'Agence de l'Innovation et de l'Entrepreneuriat ;
c) de l'Agence de la Nature et des Forêts ;
2° les chefs de division :
a) de la division Environnement, compétente pour le permis d'environnement ;
b) de la division RO, compétente pour le permis d'environnement.
§ 2. Le Ministre flamand compétent pour l'aménagement du territoire, le Ministre flamand compétent pour l'environnement et la politique de l'eau, et le Ministre flamand compétent pour l'économie peuvent chacun désigner des fonctionnaires environnement régionaux supplémentaires. Seuls des fonctionnaires du niveau A des divisions RO ou Environnement, compétentes pour le permis d'environnement, de l'Agence de l'Innovation et de l'Entrepreneuriat ou de l'Agence de la Nature et des Forêts, peuvent être présentés et désignés. Les fonctionnaires désignés de plein droit et les fonctionnaires désignés supplémentairement disposent conjointement, conformément à l'article 10 du décret du 25 avril 2014 de suffisamment de connaissances aussi bien en matière d'aménagement du territoire qu'en matière d'environnement, telles que visées au chapitre 3 du présent titre.
L'arrêté de désignation stipule un délai de six ans au maximum. La désignation est renouvelable. Il peut être mis fin à la désignation à tout moment, soit par arrêté ministériel, après avis des fonctionnaires dirigeants, soit sur demande de l'intéressé.]1
1° les fonctionnaires dirigeants :
a) du département ;
b) de l'Agence de l'Innovation et de l'Entrepreneuriat ;
c) de l'Agence de la Nature et des Forêts ;
2° les chefs de division :
a) de la division Environnement, compétente pour le permis d'environnement ;
b) de la division RO, compétente pour le permis d'environnement.
§ 2. Le Ministre flamand compétent pour l'aménagement du territoire, le Ministre flamand compétent pour l'environnement et la politique de l'eau, et le Ministre flamand compétent pour l'économie peuvent chacun désigner des fonctionnaires environnement régionaux supplémentaires. Seuls des fonctionnaires du niveau A des divisions RO ou Environnement, compétentes pour le permis d'environnement, de l'Agence de l'Innovation et de l'Entrepreneuriat ou de l'Agence de la Nature et des Forêts, peuvent être présentés et désignés. Les fonctionnaires désignés de plein droit et les fonctionnaires désignés supplémentairement disposent conjointement, conformément à l'article 10 du décret du 25 avril 2014 de suffisamment de connaissances aussi bien en matière d'aménagement du territoire qu'en matière d'environnement, telles que visées au chapitre 3 du présent titre.
L'arrêté de désignation stipule un délai de six ans au maximum. La désignation est renouvelable. Il peut être mis fin à la désignation à tout moment, soit par arrêté ministériel, après avis des fonctionnaires dirigeants, soit sur demande de l'intéressé.]1
Art. 142. Behoudens de taken die zijn toegewezen aan de GOVC en onverminderd artikel 10 is de gewestelijke omgevingsambtenaar gemachtigd om te beslissen over de ontvankelijkheid en volledigheid van vergunningsaanvragen, verzoeken en ambtshalve initiatieven tot bijstelling van de omgevingsvergunning, mededelingen met de vraag tot omzetting van een milieuvergunning van bepaalde duur naar een vergunning van onbepaalde duur en beroepen waarvoor de Vlaamse Regering of de gewestelijke omgevingsambtenaar bevoegd zijn.
[1 De volgende personeelsleden worden ertoe gemachtigd om taken te vervullen ter voorbereiding of bekendmaking van beslissingen, waarvoor de Vlaamse Regering of de gewestelijke omgevingsambtenaar bevoegd is. Personeelsleden van :
1° de afdeling RO, bevoegd voor de omgevingsvergunning;
2° de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning;
3° het Agentschap Innoveren en Ondernemen;
4° het Agentschap voor Natuur en Bos.]1
[1 De volgende personeelsleden worden ertoe gemachtigd om taken te vervullen ter voorbereiding of bekendmaking van beslissingen, waarvoor de Vlaamse Regering of de gewestelijke omgevingsambtenaar bevoegd is. Personeelsleden van :
1° de afdeling RO, bevoegd voor de omgevingsvergunning;
2° de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning;
3° het Agentschap Innoveren en Ondernemen;
4° het Agentschap voor Natuur en Bos.]1
Art. 142. Sous réserve des tâches dévolues à la GOVC et sans préjudice de l'article 10, le fonctionnaire environnement régional est habilité à statuer sur la recevabilité et l'exhaustivité des demandes de permis, des demandes et initiatives d'office d'actualisation du permis d'environnement, des notifications avec demande de conversion d'une autorisation écologique à durée déterminée en un permis à durée indéterminée et des recours pour lesquels le Gouvernement flamand ou le fonctionnaire environnement régional est compétent.
[1 Les membres du personnel suivants sont habilités à remplir des tâches en vue de la préparation ou de la publication de décisions pour lesquelles le Gouvernement flamand ou le fonctionnaire environnement régional est compétent. Des membres du personnel :
1° de la division RO, compétente pour le permis d'environnement ;
2° de la division Environnement, compétente pour le permis d'environnement ;
3° de l'Agence de l'Innovation et de l'Entrepreneuriat ;
4° de l'Agence de la Nature et des Forêts.]1
[1 Les membres du personnel suivants sont habilités à remplir des tâches en vue de la préparation ou de la publication de décisions pour lesquelles le Gouvernement flamand ou le fonctionnaire environnement régional est compétent. Des membres du personnel :
1° de la division RO, compétente pour le permis d'environnement ;
2° de la division Environnement, compétente pour le permis d'environnement ;
3° de l'Agence de l'Innovation et de l'Entrepreneuriat ;
4° de l'Agence de la Nature et des Forêts.]1
Hoofdstuk 1/1. [1 - De provinciale omgevingsambtenaren]1
Chapitre 1/1. [1 - Les fonctionnaires environnement provinciaux]1
Art. 142/1. [1 Om te kunnen worden aangewezen als provinciale omgevingsambtenaar, moet een persoon voldoen aan elk van de volgende voorwaarden :
1° houder zijn van een diploma dat toegang geeft tot niveau A;
2° beschikken over een relevante aantoonbare beroepservaring van minstens twee jaar.
De aangewezen personeelsleden beschikken conform artikel 9/1 van het decreet van 25 april 2014 samen over voldoende kennis van zowel de ruimtelijke ordening als het milieu als vermeld in hoofdstuk 3 van deze titel.
Het aanwijzingsbesluit vermeldt een termijn van maximaal zes jaar. De aanwijzing is hernieuwbaar. Ze kan op elk ogenblik worden beëindigd, hetzij bij besluit van de deputatie, na advies van de gouverneur, hetzij op verzoek van de betrokkene.]1
1° houder zijn van een diploma dat toegang geeft tot niveau A;
2° beschikken over een relevante aantoonbare beroepservaring van minstens twee jaar.
De aangewezen personeelsleden beschikken conform artikel 9/1 van het decreet van 25 april 2014 samen over voldoende kennis van zowel de ruimtelijke ordening als het milieu als vermeld in hoofdstuk 3 van deze titel.
Het aanwijzingsbesluit vermeldt een termijn van maximaal zes jaar. De aanwijzing is hernieuwbaar. Ze kan op elk ogenblik worden beëindigd, hetzij bij besluit van de deputatie, na advies van de gouverneur, hetzij op verzoek van de betrokkene.]1
Art. 142/1. [1 Pour pouvoir être désigné comme fonctionnaire environnement provincial, une personne doit répondre à toutes les conditions suivantes :
1° être titulaire d'un diplôme donnant accès au niveau A ;
2° disposer d'une expérience professionnelle pertinente démontrable d'au moins deux ans.
Les membres du personnel désignés disposent conjointement, conformément à l'article 9/1 du décret du 25 avril 2014, de suffisamment de connaissances aussi bien en matière d'aménagement du territoire qu'en matière d'environnement, telles que visées au chapitre 3 du présent titre.
L'arrêté de désignation stipule un délai de six ans au maximum. La désignation est renouvelable. Il peut être mis fin à la désignation à tout moment, soit par arrêté de la députation, après avis du gouverneur, soit sur demande de l'intéressé.]1
1° être titulaire d'un diplôme donnant accès au niveau A ;
2° disposer d'une expérience professionnelle pertinente démontrable d'au moins deux ans.
Les membres du personnel désignés disposent conjointement, conformément à l'article 9/1 du décret du 25 avril 2014, de suffisamment de connaissances aussi bien en matière d'aménagement du territoire qu'en matière d'environnement, telles que visées au chapitre 3 du présent titre.
L'arrêté de désignation stipule un délai de six ans au maximum. La désignation est renouvelable. Il peut être mis fin à la désignation à tout moment, soit par arrêté de la députation, après avis du gouverneur, soit sur demande de l'intéressé.]1
Art. 142/2. [1 Met uitzondering van de taken die zijn toegewezen aan de POVC is de provinciale omgevingsambtenaar gemachtigd om te beslissen over de ontvankelijkheid en volledigheid van vergunningsaanvragen, verzoeken en ambtshalve initiatieven tot bijstelling van de omgevingsvergunning, mededelingen met de vraag tot omzetting van een milieuvergunning van bepaalde duur in een vergunning van onbepaalde duur en beroepen waarvoor de deputatie bevoegd is.
Personeelsleden van de provinciale administratie, bevoegd voor de omgevingsvergunning, worden ertoe gemachtigd om taken te vervullen ter voorbereiding of bekendmaking van beslissingen, waarvoor de deputatie bevoegd is.]1
Personeelsleden van de provinciale administratie, bevoegd voor de omgevingsvergunning, worden ertoe gemachtigd om taken te vervullen ter voorbereiding of bekendmaking van beslissingen, waarvoor de deputatie bevoegd is.]1
Art. 142/2. [1 A l'exception des tâches conférées à la POVC, le fonctionnaire environnement provincial est habilité à décider sur la recevabilité et la complétude de demandes d'autorisation, de demandes et d'initiatives d'office d'ajustement du permis d'environnement, de notifications avec demande de conversion d'un permis d'environnement à durée déterminée en un permis à durée indéterminée, et de recours pour lesquels la députation est compétente.
Les membres du personnel de l'administration provinciale, compétents pour le permis d'environnement, sont habilités à remplir des tâches en vue de la préparation ou de la publication de décisions, pour lesquelles la députation est compétente.]1
Les membres du personnel de l'administration provinciale, compétents pour le permis d'environnement, sont habilités à remplir des tâches en vue de la préparation ou de la publication de décisions, pour lesquelles la députation est compétente.]1
Hoofdstuk 2. - De gemeentelijke omgevingsambtenaren
Chapitre 2. - Les fonctionnaires environnement communaux
Afdeling 1. - Aanwijzing van de gemeentelijke omgevingsambtenaren
Section 1re. - Désignation des fonctionnaires environnement communaux
Art. 143. § 1. Om te kunnen worden aangewezen als gemeentelijke omgevingsambtenaar, moet een persoon voldoen aan elk van de volgende voorwaarden :
1° houder zijn van een diploma dat toegang geeft tot niveau A of B;
2° beschikken over een relevante aantoonbare beroepservaring van minstens twee jaar.
§ 2. Onverminderd hoofdstuk 12 van het decreet van 25 april 2014 en in afwijking van paragraaf 1 kunnen personen die houder zijn van een diploma dat toegang geeft tot niveau B, als gemeentelijke omgevingsambtenaar worden aangewezen op voorwaarde dat op de datum van goedkeuring van dit besluit de administratieve behandeling van aanvragen tot milieuvergunning, stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning een van hun hoofdtaken was.
§ 3. Onverminderd hoofdstuk 12 van het decreet van 25 april 2014 en in afwijking van paragraaf 1 kunnen personen die houder zijn van een diploma dat toegang geeft tot niveau C als gemeentelijke omgevingsambtenaar worden aangewezen op voorwaarde dat op de datum van goedkeuring van dit besluit de administratieve behandeling van aanvragen tot milieuvergunning, stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning gedurende minstens vijf jaar een van hun hoofdtaken was.
1° houder zijn van een diploma dat toegang geeft tot niveau A of B;
2° beschikken over een relevante aantoonbare beroepservaring van minstens twee jaar.
§ 2. Onverminderd hoofdstuk 12 van het decreet van 25 april 2014 en in afwijking van paragraaf 1 kunnen personen die houder zijn van een diploma dat toegang geeft tot niveau B, als gemeentelijke omgevingsambtenaar worden aangewezen op voorwaarde dat op de datum van goedkeuring van dit besluit de administratieve behandeling van aanvragen tot milieuvergunning, stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning een van hun hoofdtaken was.
§ 3. Onverminderd hoofdstuk 12 van het decreet van 25 april 2014 en in afwijking van paragraaf 1 kunnen personen die houder zijn van een diploma dat toegang geeft tot niveau C als gemeentelijke omgevingsambtenaar worden aangewezen op voorwaarde dat op de datum van goedkeuring van dit besluit de administratieve behandeling van aanvragen tot milieuvergunning, stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning gedurende minstens vijf jaar een van hun hoofdtaken was.
Art. 143. § 1er. Pour pouvoir être désignée comme fonctionnaire environnement communal, une personne doit remplir chacune des conditions suivantes :
1° être porteur d'un diplôme donnant accès au niveau A ou B ;
2° faire la preuve d'une expérience professionnelle pertinente d'au moins deux ans.
§ 2. Sans préjudice du chapitre 12 du décret du 25 avril 2014 et par dérogation au paragraphe 1er, les personnes qui détiennent un diplôme donnant accès au niveau B peuvent être désignées comme fonctionnaire environnement communal à condition que, à la date de l'approbation du présent arrêté, le traitement administratif des demandes d'autorisation écologique, d'autorisation urbanistique ou de permis de lotir ait été l'une de leurs principales tâches.
§ 3. Sans préjudice du chapitre 12 du décret du 25 avril 2014 et par dérogation au paragraphe 1er, les personnes qui détiennent un diplôme donnant accès au niveau C peuvent être désignées comme fonctionnaire environnement communal pour autant que, à la date de l'approbation du présent arrêté, le traitement administratif des demandes d'autorisation écologique, d'autorisation urbanistique ou de permis de lotir ait été l'une de leurs principales tâches pendant cinq ans au moins.
1° être porteur d'un diplôme donnant accès au niveau A ou B ;
2° faire la preuve d'une expérience professionnelle pertinente d'au moins deux ans.
§ 2. Sans préjudice du chapitre 12 du décret du 25 avril 2014 et par dérogation au paragraphe 1er, les personnes qui détiennent un diplôme donnant accès au niveau B peuvent être désignées comme fonctionnaire environnement communal à condition que, à la date de l'approbation du présent arrêté, le traitement administratif des demandes d'autorisation écologique, d'autorisation urbanistique ou de permis de lotir ait été l'une de leurs principales tâches.
§ 3. Sans préjudice du chapitre 12 du décret du 25 avril 2014 et par dérogation au paragraphe 1er, les personnes qui détiennent un diplôme donnant accès au niveau C peuvent être désignées comme fonctionnaire environnement communal pour autant que, à la date de l'approbation du présent arrêté, le traitement administratif des demandes d'autorisation écologique, d'autorisation urbanistique ou de permis de lotir ait été l'une de leurs principales tâches pendant cinq ans au moins.
Afdeling 2. - Onverenigbaarheden
Section 2. - Incompatibilités
Art. 144. Onverminderd artikel 9, § 3, van het decreet van 25 april 2014 is het ambt van gemeentelijke omgevingsambtenaar onverenigbaar met het ambt van secretaris of van financieel beheerder, vermeld in de wetgeving op de gemeentelijke instellingen.
Art. 144. Sans préjudice de l'article 9, § 3, du décret du 25 avril 2014, la fonction de fonctionnaire environnement communal est incompatible avec la fonction de secrétaire ou de gestionnaire financier visée dans la législation sur les institutions communales.
Afdeling 3. - Aanwijzingsvoorwaarden van waarnemend gemeentelijk omgevingsambtenaar
Section 3. - Conditions de désignation de fonctionnaire environnement communal ad interim
Art. 145. De [1 algemeen directeur]1 kan alleen personen als waarnemende gemeentelijke omgevingsambtenaar aanwijzen die houder zijn van een diploma dat toegang geeft tot niveau A of B.
Daarnaast kan de [1 algemeen directeur]1 ook personen die houder zijn van een diploma dat toegang geeft tot niveau C, als waarnemende gemeentelijke omgevingsambtenaar aanwijzen. Deze personen moeten op het ogenblik van hun aanwijzing wel betrokken zijn bij de uitvoering van de gemeentelijke taken inzake ruimtelijke ordening of leefmilieu.
Een aanwijzing als waarnemend gemeentelijk omgevingsambtenaar kan maximaal achttien maanden duren.
Daarnaast kan de [1 algemeen directeur]1 ook personen die houder zijn van een diploma dat toegang geeft tot niveau C, als waarnemende gemeentelijke omgevingsambtenaar aanwijzen. Deze personen moeten op het ogenblik van hun aanwijzing wel betrokken zijn bij de uitvoering van de gemeentelijke taken inzake ruimtelijke ordening of leefmilieu.
Een aanwijzing als waarnemend gemeentelijk omgevingsambtenaar kan maximaal achttien maanden duren.
Art. 145. Le [1 directeur général]1 ne peut désigner comme fonctionnaire environnement communal ad interim que des personnes qui détiennent un diplôme donnant accès au niveau A ou B.
Par ailleurs, le [1 directeur général]1 peut également désigner comme fonctionnaire environnement communal ad interim des personnes qui détiennent un diplôme donnant accès au niveau C. Au moment de leur désignation, ces personnes doivent cependant être associées à la mise en oeuvre des tâches communales en matière d'aménagement du territoire ou d'environnement.
Une désignation comme fonctionnaire environnement communal ad interim peut durer dix-huit mois maximum.
Par ailleurs, le [1 directeur général]1 peut également désigner comme fonctionnaire environnement communal ad interim des personnes qui détiennent un diplôme donnant accès au niveau C. Au moment de leur désignation, ces personnes doivent cependant être associées à la mise en oeuvre des tâches communales en matière d'aménagement du territoire ou d'environnement.
Une désignation comme fonctionnaire environnement communal ad interim peut durer dix-huit mois maximum.
Hoofdstuk 3. - Kwaliteitseisen
Chapitre 3. - Exigences de qualité
Art. 146. De kwaliteitseisen waaruit voldoende kennis van de ruimtelijke ordening blijkt en waarover de aangestelde omgevingsambtenaar of omgevingsambtenaren gezamenlijk moeten beschikken, zijn :
1° cursussen stedenbouw, ruimtelijke ordening of ruimtelijke planning gevolgd hebben, wat aangetoond wordt met het betrokken master- of bachelordiploma, of;
2° een relevante beroepservaring inzake ruimtelijke ordening hebben van minstens twee jaar.
De kwaliteitseisen waaruit voldoende kennis van het milieu blijkt en waarover de aangestelde omgevingsambtenaar of omgevingsambtenaren gezamenlijk moeten beschikken, zijn :
1° cursussen milieu gevolgd hebben, wat aangetoond wordt met het betrokken master- of bachelordiploma, of;
2° een relevante beroepservaring inzake milieu hebben van minstens twee jaar.
1° cursussen stedenbouw, ruimtelijke ordening of ruimtelijke planning gevolgd hebben, wat aangetoond wordt met het betrokken master- of bachelordiploma, of;
2° een relevante beroepservaring inzake ruimtelijke ordening hebben van minstens twee jaar.
De kwaliteitseisen waaruit voldoende kennis van het milieu blijkt en waarover de aangestelde omgevingsambtenaar of omgevingsambtenaren gezamenlijk moeten beschikken, zijn :
1° cursussen milieu gevolgd hebben, wat aangetoond wordt met het betrokken master- of bachelordiploma, of;
2° een relevante beroepservaring inzake milieu hebben van minstens twee jaar.
Art. 146. Les exigences de qualité attestant d'une connaissance suffisante de l'aménagement du territoire et dont le fonctionnaire environnement désigné ou les fonctionnaires environnement désignés doivent disposer conjointement sont les suivantes :
1° avoir suivi des cours d'urbanisme, d'aménagement du territoire ou de planification spatiale, ce qui est démontré par le diplôme de master ou de bachelier concerné, ou ;
2° disposer d'une expérience professionnelle pertinente de minimum deux ans dans le domaine de l'aménagement du territoire.
Les exigences de qualité attestant d'une connaissance suffisante de l'environnement et dont le fonctionnaire environnement désigné ou les fonctionnaires environnement désignés doivent disposer conjointement sont les suivantes :
1° avoir suivi des cours d'environnement, ce qui est démontré par le diplôme de master ou de bachelier concerné, ou ;
2° disposer d'une expérience professionnelle pertinente de minimum deux ans dans le domaine de l'environnement.
1° avoir suivi des cours d'urbanisme, d'aménagement du territoire ou de planification spatiale, ce qui est démontré par le diplôme de master ou de bachelier concerné, ou ;
2° disposer d'une expérience professionnelle pertinente de minimum deux ans dans le domaine de l'aménagement du territoire.
Les exigences de qualité attestant d'une connaissance suffisante de l'environnement et dont le fonctionnaire environnement désigné ou les fonctionnaires environnement désignés doivent disposer conjointement sont les suivantes :
1° avoir suivi des cours d'environnement, ce qui est démontré par le diplôme de master ou de bachelier concerné, ou ;
2° disposer d'une expérience professionnelle pertinente de minimum deux ans dans le domaine de l'environnement.
TITEL 8. - Digitalisering
TITRE 8. - Numérisation
Hoofdstuk 1. - Algemene bepalingen
Chapitre 1er. - Dispositions générales
Art. 147. De Vlaamse overheid stelt het uitwisselingsplatform ter beschikking waarop de stukken en gegevens over de procedures, vermeld in het tweede lid, die conform dit besluit worden gestart, elektronisch uitgewisseld worden.
De procedures, vermeld in het eerste lid, betreffen :
1° [1 ...]1
2° de vergunningsprocedure, in eerste en laatste administratieve aanleg, vermeld in hoofdstuk 2 en 3 van het voormelde decreet;
3° de meldingsprocedure, vermeld in hoofdstuk 10 van het voormelde decreet;
4° de procedure tot bijstelling van de omgevingsvergunning in eerste en laatste aanleg, vermeld in [1 artikel 82, 83, 85 en 86]1 van het voormelde decreet;
5° de procedure tot afwijking van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden, vermeld in titel V, hoofdstuk IV, afdeling 3, van het DABM;
6° de procedure tot omzetting van de milieuvergunning van bepaalde duur in een omgevingsvergunning van onbepaalde duur, vermeld in artikel 390 van het decreet van 25 april 2014;
7° de meldingsprocedure, vermeld in artikel [1 97 en 98]1 ;
[1 8° de procedure tot schorsing en opheffing van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit, vermeld in artikel 134 en 135.]1
De Vlaamse overheid stelt het omgevingsloket ter beschikking dat toegang geeft tot het uitwisselingsplatform.
De procedures, vermeld in het eerste lid, betreffen :
1° [1 ...]1
2° de vergunningsprocedure, in eerste en laatste administratieve aanleg, vermeld in hoofdstuk 2 en 3 van het voormelde decreet;
3° de meldingsprocedure, vermeld in hoofdstuk 10 van het voormelde decreet;
4° de procedure tot bijstelling van de omgevingsvergunning in eerste en laatste aanleg, vermeld in [1 artikel 82, 83, 85 en 86]1 van het voormelde decreet;
5° de procedure tot afwijking van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden, vermeld in titel V, hoofdstuk IV, afdeling 3, van het DABM;
6° de procedure tot omzetting van de milieuvergunning van bepaalde duur in een omgevingsvergunning van onbepaalde duur, vermeld in artikel 390 van het decreet van 25 april 2014;
7° de meldingsprocedure, vermeld in artikel [1 97 en 98]1 ;
[1 8° de procedure tot schorsing en opheffing van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit, vermeld in artikel 134 en 135.]1
De Vlaamse overheid stelt het omgevingsloket ter beschikking dat toegang geeft tot het uitwisselingsplatform.
Art. 147. L'autorité flamande met à disposition la plate-forme d'échange sur laquelle les pièces et données relatives aux procédures visées à l'alinéa 2, entamées conformément au présent arrêté, sont échangées par voie électronique.
Les procédures visées à l'alinéa 1er concernent :
1° [1 ...]1
2° la procédure d'autorisation en première et en dernière instance administrative, visée aux chapitres 2 et 3 du décret précité ;
3° la procédure de déclaration, visée au chapitre 10 du décret précité ;
4° la procédure d'actualisation du permis d'environnement en première et en dernière instance, visée [1 aux articles 82, 83, 85 et 86]1 du décret précité ;
5° la procédure de dérogation aux conditions environnementales générales et sectorielles, visée au titre V, chapitre IV, section 3, du DABM ;
6° la procédure de conversion de l'autorisation écologique à durée déterminée en un permis d'environnement à durée indéterminée, visée à l'article 390 du décret du 25 avril 2014 ;
7° la procédure de déclaration, visée aux articles [1 97 et 98]1.
[1 8° la procédure de suspension et d'abrogation du permis d'environnement pour l'exploitation d'un établissement classé ou d'une activité classée, visée aux articles 134 et 135.]1
L'autorité flamande met à disposition le guichet environnement qui donne accès à la plate-forme d'échange.
Les procédures visées à l'alinéa 1er concernent :
1° [1 ...]1
2° la procédure d'autorisation en première et en dernière instance administrative, visée aux chapitres 2 et 3 du décret précité ;
3° la procédure de déclaration, visée au chapitre 10 du décret précité ;
4° la procédure d'actualisation du permis d'environnement en première et en dernière instance, visée [1 aux articles 82, 83, 85 et 86]1 du décret précité ;
5° la procédure de dérogation aux conditions environnementales générales et sectorielles, visée au titre V, chapitre IV, section 3, du DABM ;
6° la procédure de conversion de l'autorisation écologique à durée déterminée en un permis d'environnement à durée indéterminée, visée à l'article 390 du décret du 25 avril 2014 ;
7° la procédure de déclaration, visée aux articles [1 97 et 98]1.
[1 8° la procédure de suspension et d'abrogation du permis d'environnement pour l'exploitation d'un établissement classé ou d'une activité classée, visée aux articles 134 et 135.]1
L'autorité flamande met à disposition le guichet environnement qui donne accès à la plate-forme d'échange.
Art. 148. De Vlaamse overheid stelt een omgevingsvergunningenregister ter beschikking waarin het digitale dossier wordt opgeslagen.
Het omgevingsvergunningenregister, vermeld in het eerste lid, omvat de databank van de omgevingsvergunningen die toelating verlenen voor de exploitatie van ingedeelde inrichtingen en activiteiten, vermeld in artikel 5.2.2 van het DABM.
Het omgevingsvergunningenregister, vermeld in het eerste lid, omvat de databank van de omgevingsvergunningen die toelating verlenen voor de exploitatie van ingedeelde inrichtingen en activiteiten, vermeld in artikel 5.2.2 van het DABM.
Art. 148. L'autorité flamande met à disposition un registre des permis d'environnement dans lequel est enregistré le dossier numérique.
Le registre des permis d'environnement visé à l'alinéa 1er, englobe la banque de données des permis d'environnement qui octroient une autorisation pour l'exploitation d'établissements et d'activités classés, visée à l'article 5.2.2 du DABM.
Le registre des permis d'environnement visé à l'alinéa 1er, englobe la banque de données des permis d'environnement qui octroient une autorisation pour l'exploitation d'établissements et d'activités classés, visée à l'article 5.2.2 du DABM.
Art. 149. De verplichting tot opslaan, vermeld in dit hoofdstuk, gebeurt conform de technische richtlijnen die [1 het departement ter beschikking stelt]1.
Art. 149. L'obligation d'enregistrement visée dans le présent chapitre est mise en oeuvre conformément aux directives techniques mises à disposition [1 par le département]1.
Hoofdstuk 2. - Uitwisselingsplatform en omgevingsloket
Chapitre 2. - Plate-forme d'échange et guichet environnement
Afdeling 1. - Toegang
Section 1re. - Accès
Art. 150. Het omgevingsloket en het uitwisselingsplatform zijn toegankelijk via een webtoepassing van de Vlaamse overheid, de provincie of de gemeente.
De toegang tot het omgevingsloket en het uitwisselingsplatform is alleen mogelijk met :
1° [1 elke aanmeldingswijze die door het Gebruikersbeheer van de Vlaamse Overheid ondersteund wordt;]1
2° [1 ...]1
3° [1 ...]1
4° een certificaat dat getekend is door het certificatenbeheerplatform van de Vlaamse overheid;
5° een andere authenticatie die aanvaard is door de Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu.
De toegang tot het omgevingsloket en het uitwisselingsplatform is alleen mogelijk met :
1° [1 elke aanmeldingswijze die door het Gebruikersbeheer van de Vlaamse Overheid ondersteund wordt;]1
2° [1 ...]1
3° [1 ...]1
4° een certificaat dat getekend is door het certificatenbeheerplatform van de Vlaamse overheid;
5° een andere authenticatie die aanvaard is door de Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu.
Art. 150. Le guichet environnement et la plate-forme d'échange sont accessibles via une application en ligne de l'autorité flamande, de la province ou de la commune.
L'accès au guichet environnement et à la plate-forme d'échange n'est possible qu'à l'aide :
1° [1 toute clé d'identification supportée par la Gestion des utilisateurs de l'autorité flamande; ]1
2° [1 ...]1
3° [1 ...]1
4° d'un certificat signé par la plate-forme de gestion des certificats de l'autorité flamande ;
5° d'une autre authentification qui est acceptée par le ministre flamand qui a l'aménagement du territoire dans ses attributions et le ministre flamand qui a l'environnement dans ses attributions.
L'accès au guichet environnement et à la plate-forme d'échange n'est possible qu'à l'aide :
1° [1 toute clé d'identification supportée par la Gestion des utilisateurs de l'autorité flamande; ]1
2° [1 ...]1
3° [1 ...]1
4° d'un certificat signé par la plate-forme de gestion des certificats de l'autorité flamande ;
5° d'une autre authentification qui est acceptée par le ministre flamand qui a l'aménagement du territoire dans ses attributions et le ministre flamand qui a l'environnement dans ses attributions.
Art. 151. De Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, bepalen samen :
1° de stukken en gegevens die het uitwisselingsplatform minstens bevat;
2° de personen en instanties die toegang hebben tot de stukken en de gegevens, vermeld in punt 1° ;
3° de voorwaarden van toegang tot de stukken en de gegevens, vermeld in punt 1°. Ze kunnen daarbij in differentiatie voorzien voor de stukken, vermeld in punt 1°, waartoe de personen en instanties, vermeld in punt 2°, toegang hebben, het tijdstip waarop en de duur waarbinnen ze toegang hebben.
1° de stukken en gegevens die het uitwisselingsplatform minstens bevat;
2° de personen en instanties die toegang hebben tot de stukken en de gegevens, vermeld in punt 1° ;
3° de voorwaarden van toegang tot de stukken en de gegevens, vermeld in punt 1°. Ze kunnen daarbij in differentiatie voorzien voor de stukken, vermeld in punt 1°, waartoe de personen en instanties, vermeld in punt 2°, toegang hebben, het tijdstip waarop en de duur waarbinnen ze toegang hebben.
Art. 151. Le ministre flamand qui a l'aménagement du territoire dans ses attributions et le ministre flamand qui a l'environnement dans ses attributions déterminent conjointement :
1° les pièces et données minimales que la plate-forme d'échange doit contenir ;
2° les personnes et instances qui ont accès aux pièces et données visées au point 1° ;
3° les conditions d'accès aux pièces et données visées au point 1°. A cet égard, ils peuvent prévoir une différenciation pour les pièces et données visées au point 1° auxquelles les personnes et instances visées au point 2° ont accès, le moment auquel et la durée pendant laquelle elles ont accès.
1° les pièces et données minimales que la plate-forme d'échange doit contenir ;
2° les personnes et instances qui ont accès aux pièces et données visées au point 1° ;
3° les conditions d'accès aux pièces et données visées au point 1°. A cet égard, ils peuvent prévoir une différenciation pour les pièces et données visées au point 1° auxquelles les personnes et instances visées au point 2° ont accès, le moment auquel et la durée pendant laquelle elles ont accès.
Art. 152. De elektronische gegevensuitwisseling via het omgevingsloket of het uitwisselingsplatform wordt beschouwd als een beveiligde zending als vermeld in artikel 2, eerste lid, 2°, c), van het decreet van 25 april 2014, op voorwaarde dat de gegevensuitwisseling verloopt conform deze titel.
[1 Het departement kan]1 de toegelaten formaten en de vereisten van de tekstdocumenten, bestanden, foto's en plannen bepalen.
[1 Het departement kan]1 de toegelaten formaten en de vereisten van de tekstdocumenten, bestanden, foto's en plannen bepalen.
Art. 152. L'échange électronique de données par le biais du guichet environnement ou de la plate-forme d'échange est considéré comme un envoi sécurisé tel que mentionné à l'article 2, alinéa 1er, point 2°, c), du décret du 25 avril 2014, à condition que l'échange de données ait lieu conformément au présent titre.
[1 Le département peut déterminer]1 les formats autorisés et les documents textes, fichiers, photos et plans requis.
[1 Le département peut déterminer]1 les formats autorisés et les documents textes, fichiers, photos et plans requis.
Art. 153. Het bevoegde bestuur, de betrokken gemeente of provincie, de adviesinstanties, vermeld in [1 artikel 35, 37, 38/1 of 38/3]1, de POVC of de GOVC kunnen geen analoge afdrukken eisen van de tekstdocumenten, bestanden, foto's of plannen die op het uitwisselingsplatform voor hen beschikbaar zijn.
Art. 153. L'administration compétente, la commune ou la province concernée, les instances d'avis visées à l'[1 article 35, 37, 38/1 ou 38/3]1, la POVC ou la GOVC ne peuvent pas demander des impressions analogiques des documents textes, fichiers, photos ou plans qui sont disponibles pour elles sur la plate-forme d'échange.
Art. 153/1. [1 Met toepassing van artikel 14/1, vijfde lid, en in afwijking van artikel 14/1, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014, worden meldingen digitaal ingediend.]1
Art. 153/1. [1 En application de l'article 14/1, alinéa 5, et par dérogation à l'article 14/1, alinéa 2, du décret du 25 avril 2014, les déclarations sont introduites par voie numérique.]1
Afdeling 2. - Digitale indiening, behandeling en beslissing
Section 2. - Introduction, traitement et décision numériques
Onderafdeling 1. - Digitale indiening
Sous-section 1re. - Introduction numérique
Art. 154. Een aanvraag, verzoek, melding of beroep in het kader van de procedures, vermeld in artikel 147, kan digitaal ingediend worden via het omgevingsloket.
Op straffe van onvolledigheid van de aanvraag, het verzoek, de melding of het beroepschrift voldoen alle bestanden die verzonden worden, aan de vormelijke en technische vereisten, bepaald door [1 het departement]1.
De statusvermelding op het omgevingsloket, met vermelding van datum en uur, geldt in voorkomend geval als :
1° de datum van indiening en ontvangst van de aanvragen, verzoeken of meldingen;
2° de datum van mededeling en ontvangst van de beslissing over aanvragen of verzoeken, vermeld in punt 1° ;
3° de datum van mededeling en ontvangst van de meldingsakte;
4° de datum van indiening van het administratieve beroep tegen beslissingen, vermeld in punt 2° ;
5° de datum van mededeling en ontvangst van de beslissing over beroepen, vermeld in punt 4°.
Op straffe van onvolledigheid van de aanvraag, het verzoek, de melding of het beroepschrift voldoen alle bestanden die verzonden worden, aan de vormelijke en technische vereisten, bepaald door [1 het departement]1.
De statusvermelding op het omgevingsloket, met vermelding van datum en uur, geldt in voorkomend geval als :
1° de datum van indiening en ontvangst van de aanvragen, verzoeken of meldingen;
2° de datum van mededeling en ontvangst van de beslissing over aanvragen of verzoeken, vermeld in punt 1° ;
3° de datum van mededeling en ontvangst van de meldingsakte;
4° de datum van indiening van het administratieve beroep tegen beslissingen, vermeld in punt 2° ;
5° de datum van mededeling en ontvangst van de beslissing over beroepen, vermeld in punt 4°.
Art. 154. Les demandes, déclarations ou recours dans le cadre des procédures visées à l'article 147 peuvent être introduits par voie numérique, par le biais du guichet environnement.
A peine d'inexhaustivité de la demande, de la déclaration ou du recours, tous les fichiers qui sont envoyés satisfont aux exigences formelles et techniques définies par [1 le département]1.
La mention du statut sur le guichet environnement, avec mention de la date et de l'heure, fait office, le cas échéant :
1° de date d'introduction et de réception des demandes ou déclarations ;
2° de date de communication et de réception de la décision relative aux demandes visées au point 1° ;
3° de date de communication et de réception de l'acte de déclaration ;
4° de date d'introduction du recours administratif à l'encontre des décisions visées au point 2° ;
5° de date de communication et de réception de la décision relative aux recours visés au point 4° ;
A peine d'inexhaustivité de la demande, de la déclaration ou du recours, tous les fichiers qui sont envoyés satisfont aux exigences formelles et techniques définies par [1 le département]1.
La mention du statut sur le guichet environnement, avec mention de la date et de l'heure, fait office, le cas échéant :
1° de date d'introduction et de réception des demandes ou déclarations ;
2° de date de communication et de réception de la décision relative aux demandes visées au point 1° ;
3° de date de communication et de réception de l'acte de déclaration ;
4° de date d'introduction du recours administratif à l'encontre des décisions visées au point 2° ;
5° de date de communication et de réception de la décision relative aux recours visés au point 4° ;
Art. 155. Als de vergunningsaanvraag of de melding digitaal wordt ingediend en de medewerking van een architect verplicht is, meldt de architect die verantwoordelijk is voor de plannen bij de aanvraag of melding, zich aan in het omgevingsloket in de hoedanigheid van architect en ondertekent hij mee de aanvraag of melding in het omgevingsloket. De architect in kwestie is ingeschreven bij de Orde van Architecten en is als zodanig opgenomen in hun databank van ingeschreven architecten.
De aanvragen of meldingen die conform het eerste lid digitaal worden medeondertekend, zijn vrijgesteld van het visum van de Orde van Architecten.
[1 Als de architect de aanvraag digitaal ondertekent, is de medeondertekening door de aanvrager niet vereist.]1
De aanvragen of meldingen die conform het eerste lid digitaal worden medeondertekend, zijn vrijgesteld van het visum van de Orde van Architecten.
[1 Als de architect de aanvraag digitaal ondertekent, is de medeondertekening door de aanvrager niet vereist.]1
Art. 155. Si la demande de permis ou la déclaration est introduite par voie numérique et que le concours d'un architecte est obligatoire, l'architecte qui est responsable des plans dans le cadre de la demande ou de la déclaration se présente au guichet environnement en qualité d'architecte et cosigne la demande ou la déclaration dans le guichet environnement. L'architecte en question est inscrit à l'Ordre des Architectes et est, en tant que tel, repris dans sa banque de données d'architectes inscrits.
Les demandes ou déclarations qui sont cosignées numériquement conformément à l'alinéa 1er sont dispensées du visa de l'Ordre des Architectes.
[1 Si l'architecte signe la demande par voie numérique, la cosignature du demandeur n'est pas requise.]1
Les demandes ou déclarations qui sont cosignées numériquement conformément à l'alinéa 1er sont dispensées du visa de l'Ordre des Architectes.
[1 Si l'architecte signe la demande par voie numérique, la cosignature du demandeur n'est pas requise.]1
Onderafdeling 2. - Digitale behandeling
Sous-section 2. - Traitement numérique
Art. 156. § 1. [3 Met behoud van de toepassing van artikel 153/1, laadt het bevoegde bestuur analoog ingediende, ontvankelijke en volledige vergunningsaanvragen en analoog ingediende beroepschriften in het uitwisselingsplatform op uiterlijk op de dag van de beslissing over de ontvankelijkheid en de volledigheid.
Het bevoegde bestuur dat akte heeft genomen van een melding, laadt de melding en de meldingsakte in het uitwisselingsplatform op uiterlijk de tiende dag na de meldingsakte.]3
§ 2. Het bevoegde bestuur voert telkens de gestructureerde data in die door het omgevingsloket gevraagd worden.
§ 3. Aan de verplichtingen, vermeld in paragraaf 1 en 2, wordt voldaan conform de technische richtlijnen die [2 het departement ter beschikking stelt]2.
Het bevoegde bestuur dat akte heeft genomen van een melding, laadt de melding en de meldingsakte in het uitwisselingsplatform op uiterlijk de tiende dag na de meldingsakte.]3
§ 2. Het bevoegde bestuur voert telkens de gestructureerde data in die door het omgevingsloket gevraagd worden.
§ 3. Aan de verplichtingen, vermeld in paragraaf 1 en 2, wordt voldaan conform de technische richtlijnen die [2 het departement ter beschikking stelt]2.
Art. 156. § 1er. [3 Sans préjudice de l'application de l'article 153/1, l'administration compétente télécharge les demandes d'autorisation recevables et complètes, introduites par la voie numérique, dans la plate-forme d'échange au plus tard le jour de la décision sur la recevabilité et la complétude.
L'administration compétente qui a pris acte d'une déclaration, télécharge la déclaration et l'acte de déclaration dans la plate-forme d'échange au plus tard le dixième jour après l'acte de déclaration.]3
§ 2. L'administration compétente introduit chaque fois les données structurées demandées par le guichet environnement.
§ 3. Les obligations visées aux paragraphes 1er et 2 sont remplies conformément aux directives techniques mises à disposition par [2 le département]2.
L'administration compétente qui a pris acte d'une déclaration, télécharge la déclaration et l'acte de déclaration dans la plate-forme d'échange au plus tard le dixième jour après l'acte de déclaration.]3
§ 2. L'administration compétente introduit chaque fois les données structurées demandées par le guichet environnement.
§ 3. Les obligations visées aux paragraphes 1er et 2 sont remplies conformément aux directives techniques mises à disposition par [2 le département]2.
Art. 157. De adviezen, vermeld in dit besluit, worden via het uitwisselingsplatform aangevraagd en uitgebracht.
Art. 157. Les avis visés dans le présent arrêté sont demandés et rendus par le biais de la plate-forme d'échange.
Art. 158. De instanties, vermeld in artikel 153, communiceren op analoge wijze met de persoon die een procedure, vermeld in artikel 147, tweede lid, op analoge wijze instelt en die niet verzoekt om communicatie op digitale wijze.
Art. 158. Les instances visées à l'article 153 communiquent par voie analogique avec la personne qui introduit une procédure, visée à l'article 147, alinéa 2, par voie analogique et ne demande pas de communication par voie numérique.
Art. 159. § 1. Gedurende het openbaar onderzoek kan iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon zijn standpunten, opmerkingen en bezwaren indienen via het omgevingsloket aan de overheid, vermeld in artikel 26.
De statusvermelding op het omgevingsloket, met vermelding van datum en uur, geldt in voorkomend geval als de datum van indiening en ontvangst van het standpunt, de opmerking of het bezwaar.
§ 2. [1 Het bevoegde bestuur laadt documenten die analoog zijn ingediend na de dag van de ontvankelijk- en volledigverklaring, in het uitwisselingsplatform op binnen tien dagen na de ontvangst ervan.
In afwijking van het eerste lid, laadt de gemeente de standpunten, opmerkingen en bezwaren die analoog zijn ingediend tijdens het openbaar onderzoek, in het uitwisselingsplatform op binnen tien dagen na de afsluiting van het openbaar onderzoek.]1
De statusvermelding op het omgevingsloket, met vermelding van datum en uur, geldt in voorkomend geval als de datum van indiening en ontvangst van het standpunt, de opmerking of het bezwaar.
§ 2. [1 Het bevoegde bestuur laadt documenten die analoog zijn ingediend na de dag van de ontvankelijk- en volledigverklaring, in het uitwisselingsplatform op binnen tien dagen na de ontvangst ervan.
In afwijking van het eerste lid, laadt de gemeente de standpunten, opmerkingen en bezwaren die analoog zijn ingediend tijdens het openbaar onderzoek, in het uitwisselingsplatform op binnen tien dagen na de afsluiting van het openbaar onderzoek.]1
Art. 159. § 1er. Durant l'enquête publique, toute personne physique ou morale peut introduire ses points de vue, observations et objections par le biais du guichet environnement auprès de l'autorité visée à l'article 26.
La mention du statut sur le guichet environnement, avec mention de la date et de l'heure, fait office, le cas échéant, de date d'introduction et de réception du point de vue, de l'observation ou de l'objection.
§ 2. [1 L'administration compétente télécharge les documents introduits par la voie analogique après le jour de déclaration de recevabilité et de complétude, dans la plate-forme d'échange dans les dix jours suivant leur réception.
Par dérogation à l'alinéa 1er, la commune télécharge les positions, remarques et objections qui ont été introduites par la voie analogique pendant l'enquête publique, dans la plate-forme d'échange dans les dix jours après la clôture de l'enquête publique.]1
La mention du statut sur le guichet environnement, avec mention de la date et de l'heure, fait office, le cas échéant, de date d'introduction et de réception du point de vue, de l'observation ou de l'objection.
§ 2. [1 L'administration compétente télécharge les documents introduits par la voie analogique après le jour de déclaration de recevabilité et de complétude, dans la plate-forme d'échange dans les dix jours suivant leur réception.
Par dérogation à l'alinéa 1er, la commune télécharge les positions, remarques et objections qui ont été introduites par la voie analogique pendant l'enquête publique, dans la plate-forme d'échange dans les dix jours après la clôture de l'enquête publique.]1
Onderafdeling 3. - Digitale beslissing
Sous-section 3. - Décision numérique
Art. 160. De bevoegde overheid neemt rechtsgeldig een digitale beslissing.
De bevoegde overheid ondertekent een digitale beslissing rechtsgeldig [1 ...]1 conform de technische richtlijnen die [2 het departement ter beschikking stelt]2.
De bevoegde overheid ondertekent een digitale beslissing rechtsgeldig [1 ...]1 conform de technische richtlijnen die [2 het departement ter beschikking stelt]2.
Art. 160. L'autorité compétente prend valablement une décision numérique.
L'autorité compétente signe valablement une décision numérique [1 ...]1 conformément aux directives techniques mises à disposition par [2 le département]2.
L'autorité compétente signe valablement une décision numérique [1 ...]1 conformément aux directives techniques mises à disposition par [2 le département]2.
Hoofdstuk 3. - Omgevingsvergunningenregister
Chapitre 3. - Registre des permis d'environnement
Art. 161. Het omgevingsvergunningenregister is toegankelijk via een webtoepassing van de Vlaamse overheid, de provincie of de gemeente.
Art. 161. Le registre des permis d'environnement est accessible via une application en ligne de l'autorité flamande, de la province ou de la commune.
Art. 162. De Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, bepalen samen :
1° de stukken en de gegevens die het omgevingsvergunningenregister minstens bevat;
2° de personen en instanties die toegang hebben tot de stukken en de gegevens, vermeld in punt 1° ;
3° de voorwaarden van toegang tot de stukken en de gegevens, vermeld in punt 1°. Ze kunnen daarbij in differentiatie voorzien.
1° de stukken en de gegevens die het omgevingsvergunningenregister minstens bevat;
2° de personen en instanties die toegang hebben tot de stukken en de gegevens, vermeld in punt 1° ;
3° de voorwaarden van toegang tot de stukken en de gegevens, vermeld in punt 1°. Ze kunnen daarbij in differentiatie voorzien.
Art. 162. Le ministre flamand qui a l'aménagement du territoire dans ses attributions et le ministre flamand qui a l'environnement dans ses attributions déterminent conjointement :
1° les pièces et données minimales que le registre des permis d'environnement doit contenir ;
2° les personnes et instances qui ont accès aux pièces et données visées au point 1° ;
3° les conditions d'accès aux pièces et données visées au point 1°. A cet égard, ils peuvent prévoir une différenciation.
1° les pièces et données minimales que le registre des permis d'environnement doit contenir ;
2° les personnes et instances qui ont accès aux pièces et données visées au point 1° ;
3° les conditions d'accès aux pièces et données visées au point 1°. A cet égard, ils peuvent prévoir une différenciation.
Hoofdstuk 4. [1 - Regeling bij technische storingen]1
Chapitre 4. [1 - Règlement en cas de perturbations techniques]1
Afdeling 1. [1 - Algemene bepalingen]1
Section 1ère. [1 - Dispositions générales]1
Art. 162/1. [1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder algemene technische storing: een door het departement vastgestelde storing van het omgevingsloket, vermeld in artikel 147, derde lid, of het uitwisselingsplatform, vermeld in artikel 147, eerste lid, waardoor dat loket of dat uitwisselingsplatform niet of onvoldoende beschikbaar is gedurende meer dan vier uur van de dag.
De dag of de dagen van de algemene technische storing wordt of worden geacht aan te vangen om middernacht voorafgaand aan het begin van de algemene technische storing en wordt of worden geacht te eindigen om middernacht na het einde van de algemene technische storing.]1
De dag of de dagen van de algemene technische storing wordt of worden geacht aan te vangen om middernacht voorafgaand aan het begin van de algemene technische storing en wordt of worden geacht te eindigen om middernacht na het einde van de algemene technische storing.]1
Art. 162/1. [1 Dans ce chapitre, l'on entend par perturbation technique générale toute perturbation constatée par le département au niveau du guichet environnement, tel que mentionné à l'article 147, troisième alinéa, ou de la plate-forme d'échange, tel que mentionné à l'article 147, premier alinéa, qui induit une indisponibilité ou une disponibilité insuffisante dudit guichet ou de ladite cette plate-forme d'échange pendant plus de quatre heures par jour.
La journée ou les journées de perturbation technique générale sont réputées commencer à minuit précédant le début de la perturbation technique générale ou sont réputées se terminer à minuit après la fin de la perturbation technique générale.]1
La journée ou les journées de perturbation technique générale sont réputées commencer à minuit précédant le début de la perturbation technique générale ou sont réputées se terminer à minuit après la fin de la perturbation technique générale.]1
Art. 162/2. [1 Het departement houdt een lijst bij van de dagen waarop zich een algemene technische storing voordoet.
Het departement publiceert onmiddellijk en uiterlijk de eerste werkdag nadat de storing zich voordoet de geactualiseerde lijst op zijn website en stelt de lijst ter beschikking op eenvoudig verzoek.]1
Het departement publiceert onmiddellijk en uiterlijk de eerste werkdag nadat de storing zich voordoet de geactualiseerde lijst op zijn website en stelt de lijst ter beschikking op eenvoudig verzoek.]1
Art. 162/2. [1 Le département tient à jour une liste des jours où se produit une perturbation technique générale.
Le département publie immédiatement et au plus tard le premier jour ouvrable après la survenue de la perturbation la liste actualisée sur son site web et met cette liste à disposition sur simple demande.]1
Le département publie immédiatement et au plus tard le premier jour ouvrable après la survenue de la perturbation la liste actualisée sur son site web et met cette liste à disposition sur simple demande.]1
Afdeling 2. [1 - Technische storingen van korte duur]1
Section 2. [1 - Perturbations techniques de courte durée]1
Art. 162/3. [1 n geval van een algemene technische storing tijdens een termijn van veertien dagen voor het begin van de volgende termijnen, worden die termijnen van twaalf respectievelijk zesendertig maanden verminderd met het aantal dagen van de algemene technische storing:
1° de termijn van twaalf maanden, vermeld in artikel 70, § 1, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014;
2° de termijn van zesendertig maanden, vermeld in artikel 390, § 1, eerste lid, 1°, van het decreet van 25 april 2014.
Als in de veertien dagen voor het indienen van een verplicht digitaal in te dienen aanvraag, verzoek of melding zich gedurende een of meer al dan niet opeenvolgende dagen een algemene technische storing heeft voorgedaan en de indieningsdatum relevant is voor de bepaling van de toepasselijke regelgeving, wordt de aanvraag, het verzoek of de melding voor die regelgeving geacht te zijn ingediend op de dag die berekend is door van de dag van indiening het aantal dagen van de algemene technische storing af te trekken.]1
1° de termijn van twaalf maanden, vermeld in artikel 70, § 1, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014;
2° de termijn van zesendertig maanden, vermeld in artikel 390, § 1, eerste lid, 1°, van het decreet van 25 april 2014.
Als in de veertien dagen voor het indienen van een verplicht digitaal in te dienen aanvraag, verzoek of melding zich gedurende een of meer al dan niet opeenvolgende dagen een algemene technische storing heeft voorgedaan en de indieningsdatum relevant is voor de bepaling van de toepasselijke regelgeving, wordt de aanvraag, het verzoek of de melding voor die regelgeving geacht te zijn ingediend op de dag die berekend is door van de dag van indiening het aantal dagen van de algemene technische storing af te trekken.]1
Art. 162/3. [1 En cas de perturbation technique générale pendant une durée de quatorze jours avant le début des prochains délais, ces délais de, respectivement, douze et trente-six mois, sont réduits du nombre de jours de la perturbation technique générale :
1° le délai de douze mois mentionné à l'article 70, § 1er, deuxième alinéa du décret du 25 avril 2014.
2° le délai de trente-six mois mentionné à l'article 390, § 1er, premier alinéa, 1°, du décret du 25 avril 2014.
Si, pendant les quatorze jours précédant le dépôt d'une demande, d'une requête ou d'une notification qui doit obligatoirement être soumise par voie numérique, une perturbation technique générale se produit pendant un ou plusieurs jours, consécutifs ou non, et que la date de dépôt est pertinente pour déterminer la réglementation applicable, la demande, la requête ou la notification pour cette réglementation est réputée avoir été introduite le jour qui est calculé en déduisant du jour du dépôt le nombre de jours de la perturbation technique générale.]1
1° le délai de douze mois mentionné à l'article 70, § 1er, deuxième alinéa du décret du 25 avril 2014.
2° le délai de trente-six mois mentionné à l'article 390, § 1er, premier alinéa, 1°, du décret du 25 avril 2014.
Si, pendant les quatorze jours précédant le dépôt d'une demande, d'une requête ou d'une notification qui doit obligatoirement être soumise par voie numérique, une perturbation technique générale se produit pendant un ou plusieurs jours, consécutifs ou non, et que la date de dépôt est pertinente pour déterminer la réglementation applicable, la demande, la requête ou la notification pour cette réglementation est réputée avoir été introduite le jour qui est calculé en déduisant du jour du dépôt le nombre de jours de la perturbation technique générale.]1
Art. 162/4. [1 Als zich tijdens het behandelen van een aanvraag, een verzoek, een melding of een beroep gedurende een of meer dagen een algemene technische storing heeft voorgedaan, worden alle advies- en beslissingstermijnen, vermeld in het decreet van 25 april 2014 en dit besluit, opgeschort op de dag of de dagen van de algemene technische storing.
De termijn van het openbaar onderzoek wordt ook opgeschort op de dag of de dagen van de algemene technische storing.
De termijn voor het indienen van beroepen wordt niet opgeschort.]1
De termijn van het openbaar onderzoek wordt ook opgeschort op de dag of de dagen van de algemene technische storing.
De termijn voor het indienen van beroepen wordt niet opgeschort.]1
Art. 162/4. [1 Si une perturbation technique générale d'un ou de plusieurs jours se produit pendant le traitement d'une demande, d'une requête, d'une notification ou d'un recours, tous les délais d'avis et de décision mentionnés dans le décret du 25 avril 2014 et cet arrêté sont suspendus le ou les jours de la perturbation technique générale.
Le délai de l'enquête publique est également suspendu le ou les jours de la perturbation technique générale.
Le délai du dépôt des recours n'est pas suspendu.]1
Le délai de l'enquête publique est également suspendu le ou les jours de la perturbation technique générale.
Le délai du dépôt des recours n'est pas suspendu.]1
Afdeling 3. [1 - Langdurige technische storingen]1
Section 3. [1 - Perturbations techniques de longue durée]1
Art. 162/5. [1 Als het departement vaststelt of op basis van technische indicaties verwacht dat een algemene technische storing minimaal veertien dagen de digitale indiening of behandeling van aanvragen, verzoeken, meldingen of beroepen in het gedrang brengt of zal brengen, brengt het de Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, daarvan op de hoogte.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, worden gemachtigd om, na daarvan op de hoogte te zijn gebracht, tijdelijk de analoge indiening of indiening per digitale drager en analoge behandeling toe te laten of te verplichten. De voormelde ministers kunnen daarbij een onderscheid maken tussen de soorten aanvragen, verzoeken of ambtshalve initiatieven of meldingen, vermeld in artikel 14/1, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014, de verschillende vergunningsplichten, vermeld in artikel 5 van het voormelde decreet, en het feit of het een aanvraag, een verzoek of een melding betreft. De voormelde ministers bepalen in één of meerdere beslissingen het begin en het einde van de langdurige technische storing.
Het bevoegd bestuur bepaalt in het geval van een tijdelijk toegelaten of verplichte analoge indiening of behandeling het aantal benodigde exemplaren van de aanvraag, het verzoek of de melding.
De beslissingstermijnen van de met toepassing van dit artikel met een analoge zending ingediende aanvragen, verzoeken of meldingen worden met veertien dagen verlengd.]1
De Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, worden gemachtigd om, na daarvan op de hoogte te zijn gebracht, tijdelijk de analoge indiening of indiening per digitale drager en analoge behandeling toe te laten of te verplichten. De voormelde ministers kunnen daarbij een onderscheid maken tussen de soorten aanvragen, verzoeken of ambtshalve initiatieven of meldingen, vermeld in artikel 14/1, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014, de verschillende vergunningsplichten, vermeld in artikel 5 van het voormelde decreet, en het feit of het een aanvraag, een verzoek of een melding betreft. De voormelde ministers bepalen in één of meerdere beslissingen het begin en het einde van de langdurige technische storing.
Het bevoegd bestuur bepaalt in het geval van een tijdelijk toegelaten of verplichte analoge indiening of behandeling het aantal benodigde exemplaren van de aanvraag, het verzoek of de melding.
De beslissingstermijnen van de met toepassing van dit artikel met een analoge zending ingediende aanvragen, verzoeken of meldingen worden met veertien dagen verlengd.]1
Art. 162/5. [1 Si le département constate ou, sur la base d'indications techniques, s'attend à ce qu'une perturbation technique générale menace le dépôt numérique des demandes, requêtes, notifications ou recours pendant minimum quatorze jours, il en informe le Ministre flamand ayant l'Aménagement du territoire dans ses attributions et le Ministre flamand ayant l'Environnement et la Politique de l'eau dans ses attributions.
Le Ministre flamand ayant l'Aménagement du territoire dans ses attributions et le Ministre flamand ayant l'Environnement et la Politique de l'eau dans ses attributions sont habilités, après en avoir été informés, à autoriser ou à obliger à titre temporaire le dépôt analogique ou le dépôt par support numérique et le traitement analogique. Dans ce cadre, les ministres précités peuvent faire une distinction entre les types de demandes, requêtes ou initiatives ou notifications d'office, tel que mentionné à l'article 14/1, deuxième alinéa, du décret du 25 avril 2014, les différentes obligations de permis, tel que mentionné à l'article 5 du décret précité, et le fait que cela concerne une demande, une requête ou une notification. Les ministres précités déterminent dans une ou plusieurs décisions le début et la fin de la perturbation technique de longue durée.
L'administration compétente détermine en cas de dépôt ou de traitement analogique autorisé ou obligé à titre temporaire le nombre d'exemplaires nécessaires de la demande, de la requête ou de la notification.
Les délais de décision des demandes, requêtes ou notifications introduites par un envoi analogique en application du présent article sont prolongés de quatorze jours.]1
Le Ministre flamand ayant l'Aménagement du territoire dans ses attributions et le Ministre flamand ayant l'Environnement et la Politique de l'eau dans ses attributions sont habilités, après en avoir été informés, à autoriser ou à obliger à titre temporaire le dépôt analogique ou le dépôt par support numérique et le traitement analogique. Dans ce cadre, les ministres précités peuvent faire une distinction entre les types de demandes, requêtes ou initiatives ou notifications d'office, tel que mentionné à l'article 14/1, deuxième alinéa, du décret du 25 avril 2014, les différentes obligations de permis, tel que mentionné à l'article 5 du décret précité, et le fait que cela concerne une demande, une requête ou une notification. Les ministres précités déterminent dans une ou plusieurs décisions le début et la fin de la perturbation technique de longue durée.
L'administration compétente détermine en cas de dépôt ou de traitement analogique autorisé ou obligé à titre temporaire le nombre d'exemplaires nécessaires de la demande, de la requête ou de la notification.
Les délais de décision des demandes, requêtes ou notifications introduites par un envoi analogique en application du présent article sont prolongés de quatorze jours.]1
TITEL 9. - Wijzigingsbepalingen
TITRE 9. - Dispositions modificatives
Hoofdstuk 1.
Chapitre 1er.
Hoofdstuk 2. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne
Chapitre 2. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er juin 1995 fixant les dispositions générales et sectorielles en matière d'hygiène de l'environnement
Art. 164. In artikel 1.1.1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne wordt na de zinsnede "art. 20 van het decreet betreffende de milieuvergunning" de zinsnede "of artikel 5.4.1 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid" toegevoegd.
Art. 164. A l'article 1.1.1 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er juin 1995 fixant les dispositions générales et sectorielles en matière d'hygiène de l'environnement, il est ajouté après le membre de phrase " l'art. 20 du décret relatif à l'autorisation écologique ", le membre de phrase " ou de l'article 5.4.1 du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement ".
Art. 165. In artikel 1.1.2 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de zin "De begrippen en definities vermeld in artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende het algemeen reglement voor de milieuvergunning, hierna Titel I van het VLAREM genoemd, zijn ook van toepassing op dit besluit." wordt vervangen door de zin "Tenzij het in dit besluit andersluidend is bepaald, zijn de definities, vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering [1 van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning]1, ook van toepassing in dit besluit.";
2° in "DEFINITIES ALGEMEEN" worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) de definitie "decreet betreffende de milieuvergunning" wordt vervangen door de definitie "decreet van 25 april 2014 : het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;";
b) de definities "bijlage 2B" en "bijlage 2C" worden opgeheven;
c) de definitie "ingedeelde inrichting" wordt opgeheven;
d) de subtitel "bestaande inrichting" wordt vervangen door de subtitel "bestaande ingedeelde inrichting";
e) de subtitel "nieuwe inrichting" wordt vervangen door de subtitel "nieuwe ingedeelde inrichting";
f) de volgende definities worden toegevoegd :
"- de Vlaamse minister : de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu;
- de afdeling, bevoegd voor erkenningen : de afdeling milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning : de afdeling binnen het Departement LNE van de Vlaamse overheid die bevoegd is voor de omgevingsvergunning;
- gebied : tenzij het anders is gepreciseerd in de indelingslijst of de desbetreffende hoofdstukken, afdelingen of subafdelingen, een van de volgende gebieden of categorieën van gebiedsaanduidingen :
a) een gebied, bepaald in de gewestplannen, met bestemmingsvoorschriften als vermeld in het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen, en de ermee vergelijkbare gebieden;
b) een gebied, bepaald in de algemene of bijzondere plannen van aanleg;
c) als er een categorie van gebiedsaanduiding voor een gebied is aangegeven in de gewestelijke, provinciale of gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen, definitief vastgesteld in uitvoering van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening een van de volgende categorieën van gebiedsaanduiding :
1) wonen;
2) bedrijvigheid;
3) recreatie;
4) landbouw;
5) bos;
6) reservaat en natuur;
7) overig groen;
8) lijninfrastructuur;
9) gemeenschapsvoorzieningen en nutsvoorzieningen;
10) ontginning en waterwinning;
d) een gebied in behoorlijk vergunde, niet-vervallen verkavelingsvergunningen;
e) als er geen categorie van gebiedsaanduiding is aangegeven door de stedenbouwkundige voorschriften van een ruimtelijk uitvoeringsplan, definitief vastgesteld in uitvoering van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, een gebied, bepaald in het gewestelijk, provinciaal of gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, met een met de bestemmingsvoorschriften, vermeld in het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen, vergelijkbare hoofdbestemming.
Voor de toepassing van dit besluit worden de categorieën van gebiedsaanduiding, vermeld in punt sub b), c) en d), gelijkgesteld met de overeenkomstige gebieden, vermeld in punt a);
- bijzonder beschermd gebied : een gebied dat behoort tot een of meer van de volgende gebieden :
a) de speciale beschermingszones, de definitief vastgestelde gebieden die in aanmerking komen als speciale beschermingszone, en de waterrijke gebieden van internationale betekenis overeenkomstig het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
b) een beschermd duingebied of voor het duingebied belangrijk landbouwgebied ter uitvoering van het decreet van 14 juli 1993 houdende maatregelen tot bescherming van de kustduinen;
c) groengebieden, natuurgebieden, natuurgebieden met wetenschappelijke waarde en de ermee vergelijkbare gebieden, aangewezen op de plannen van aanleg en de ruimtelijke uitvoeringsplannen die van kracht zijn in de ruimtelijke ordening;
d) bosgebieden, valleigebieden, brongebieden, overstromingsgebieden, agrarische gebieden met ecologisch belang of ecologische waarde en de ermee vergelijkbare gebieden, aangewezen op de plannen van aanleg en de ruimtelijke uitvoeringsplannen die van kracht zijn in de ruimtelijke ordening;
e) een definitief beschermd cultuurhistorisch landschap, stads- of dorpsgezicht, monument of archeologische zone;
f) de waterwingebieden en de bijbehorende beschermingszones type I en II, vastgesteld ter uitvoering van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer;
g) het Vlaams Ecologisch Netwerk overeenkomstig het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
h) een volgens een plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan vastgesteld erfgoedlandschap;
- emissiegrenswaarde : de massa, gerelateerd aan bepaalde specifieke parameters, de concentratie en/of het niveau van een emissie die gedurende een of meer vastgestelde perioden niet mogen worden overschreden. De emissiegrenswaarden kunnen ook voor bepaalde groepen, families of categorieën van stoffen worden vastgesteld, namelijk voor de stoffen, vermeld in bijlage 1.1.2. bij dit besluit. De emissiegrenswaarden voor de emissies van stoffen gelden op het punt waar de emissies de installatie verlaten en worden bepaald zonder rekening te houden met een eventuele verdunning. Voor indirecte lozingen van verontreinigende stoffen in water mag bij de bepaling van de emissiegrenswaarden van de betrokken installatie rekening worden gehouden met het effect van een waterzuiveringsinstallatie, op voorwaarde dat een equivalent niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel wordt gewaarborgd en dat dit niet leidt tot een hogere belasting van het milieu;
- milieukwaliteitsnorm : alle eisen waaraan op een gegeven ogenblik in een bepaald milieucompartiment of een bepaald gedeelte daarvan moet worden voldaan conform deel 2 van dit besluit;
- stof : een chemisch element en de verbindingen daarvan, met uitzondering van radioactieve stoffen en genetisch gemodificeerde organismen en micro-organismen;
- toezichthouder : de persoon die krachtens titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid als toezichthouder is aangesteld;
- voertuig : een gemotoriseerd transportmiddel, met uitzondering van vaartuigen.";
3° tussen "DEFINITIES ALGEMEEN" en "DEFINITIES BEDRIJFSINTERNE MILIEUZORG" worden de volgende definities ingevoegd :
"DEFINITIES AQUACULTUUR (Hoofdstuk 5.62)
1° aquacultuur : de kweek of teelt van aquatische organismen, waarbij technieken worden gebruikt om de aangroei van de betrokken organismen te verhogen tot boven de natuurlijke capaciteiten van het milieu. De organismen blijven in de hele fase van de kweek of de teelt, tot en met de oogst, eigendom van een natuurlijke persoon of rechtspersoon;
2° gesloten aquacultuurvoorziening : een op het land gelegen voorziening waar :
a) aquacultuur wordt bedreven in een aquatisch systeem met waterrecirculatie;
b) de lozingen pas na zeving en filtering of percolatie en behandeling in contact komen met open water om te voorkomen dat vaste afvalstoffen in de aquatische omgeving terechtkomen en dat gekweekte soorten en niet-doelsoorten die kans maken op overleving en reproductie, uit de voorziening ontsnappen;
c) verliezen van gekweekte exemplaren of niet-doelsoorten en ander biologisch materiaal, met inbegrip van pathogenen, als gevolg van factoren zoals roofdieren en overstroming worden voorkomen; zo moet de voorziening zich overeenkomstig een adequate beoordeling door de bevoegde autoriteiten op een veilige afstand van open water bevinden;
d) verliezen van gekweekte exemplaren of niet-doelsoorten en ander biologisch materiaal, met inbegrip van pathogenen, als gevolg van diefstal en vandalisme binnen de grenzen van de redelijkheid worden voorkomen;
e) de adequate verwijdering van dode organismen wordt gegarandeerd;
3° open aquacultuurvoorziening : een voorziening waar aquacultuur wordt bedreven in een aquatisch systeem dat niet van het natuurlijke watermilieu is gescheiden door barrières die de ontsnapping voorkomen van gekweekte exemplaren die kans maken op overleving en reproductie of van biologisch materiaal dat kans maakt op overleving en reproductie;
4° verordening aquacultuur : verordening nr. 708/2007 van de Raad van 11 juni 2007 inzake het gebruik van uitheemse en plaatselijk niet-voorkomende soorten in de aquacultuur.";
4° tussen "DEFINITIES BEDRIJFSINTERNE MILIEUZORG" en "DEFINITIES RISICOBEHEERSING" worden de volgende definities ingevoegd :
"DEFINITIES BESTE BESCHIKBARE TECHNIEKEN
1° BBT-conclusies : een document dat bestaat uit de delen van een BREF met de conclusies over BBT, de beschrijving ervan, gegevens ter beoordeling van de toepasselijkheid ervan, de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus, de daarmee verbonden monitoring, de daarmee verbonden consumptieniveaus en, in voorkomend geval, de toepasselijke terreinsaneringsmaatregelen;
2° BBT-referentiedocument, afgekort BREF : een document dat het resultaat is van de overeenkomstig artikel 13 van de richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) georganiseerde uitwisseling van informatie, dat opgesteld is voor welomschreven activiteiten en dat met name een beschrijving geeft van toegepaste technieken, huidige emissies en consumptieniveaus, technieken die in overweging worden genomen voor de bepaling van BBT, alsook BBT-conclusies en eventuele technieken in opkomst, met bijzondere aandacht voor de criteria, vermeld in bijlage 3.3 bij dit besluit;
3° beste beschikbare technieken, afgekort BBT : het meest doeltreffende en geavanceerde ontwikkelingsstadium van de activiteiten en exploitatiemethoden, waarbij de praktische bruikbaarheid van speciale technieken om in beginsel het uitgangspunt voor de emissiegrenswaarden en andere vergunningsvoorwaarden te vormen, is aangetoond, met het doel emissies en effecten op het milieu in zijn geheel te voorkomen, of als dat niet mogelijk blijkt, algemeen te beperken;
a) technieken : zowel de toegepaste technieken als de wijze waarop de installatie wordt ontworpen, gebouwd, onderhouden, geëxploiteerd en ontmanteld;
b) beschikbare : op zodanige schaal ontwikkeld dat de betrokken technieken, kosten en baten die in aanmerking worden genomen, economisch en technisch haalbaar in de industriële context kunnen worden toegepast, onafhankelijk van de vraag of die technieken al dan niet op het grondgebied van het Vlaamse Gewest worden toegepast of geproduceerd, mits ze voor de exploitant onder redelijke voorwaarden toegankelijk zijn;
c) beste : het meest doeltreffend om een hoog algemeen niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel te bereiken;
4° met BBT geassocieerde emissieniveaus, afgekort BBT-GEN : de bandbreedte van emissieniveaus, verkregen in normale bedrijfsomstandigheden met gebruikmaking van een beste beschikbare techniek of een combinatie van BBT als omschreven in de BBT-conclusies, uitgedrukt als een gemiddelde over een bepaalde periode, in specifieke referentieomstandigheden;
5° techniek in opkomst : een nieuwe techniek voor een industriële activiteit die, als ze commercieel wordt ontwikkeld, hetzij een hoger algemeen beschermingsniveau voor het milieu, hetzij ten minste hetzelfde beschermingsniveau voor het milieu en grotere kostenbesparingen kan opleveren dan de bestaande BBT.";
5° in "DEFINITIES AFVALSTOFFENVERWERKING (Hoofdstuk 5.2.)" wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
6° aan "DEFINITIES AFVALSTOFFENVERWERKING (Hoofdstuk 5.2.) ALGEMEEN" worden de volgende definities toegevoegd :
"- afvalstoffen : de afvalstoffen, vermeld in artikel 3, 1°, van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, en de uitvoeringsbesluiten ervan. De definities, vermeld in het voormelde decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan, gelden ook voor de toepassing van dit besluit;
- collectief begraven van krengen van gezelschapsdieren : alle andere begravingen van krengen van gezelschapsdieren dan de individuele begraving in de eigen tuin door de eigenaar van het kreng;
- dierenbegraafplaats : een plaats waar collectief krengen van gezelschapsdieren worden begraven;
- ondergrondse opslag van afvalstoffen : een permanente afvalopslagvoorziening in een diepe onderaardse ruimte zoals een zout- of kaliummijn;
- voertuigwrak : een voertuig dat een afvalstof is.";
7° in "DEFINITIES AFVALSTOFFENVERWERKING (hoofdstuk 5.2)" wordt aan subtitel "Decontaminatie van infectieus afval (subafdeling 5.2.2.13)" een punt 10° toegevoegd, dat luidt als volgt :
"10° infectieus : de stoffen en preparaten die levensvatbare micro-organismen of hun toxinen bevatten, waarvan bekend is of waarvan sterk wordt vermoed dat ze ziekten bij de mens of bij andere levende organismen veroorzaken.";
8° tussen "DEFINITIES BEDEKKINGSMIDDELEN" en "DEFINITIES PESTICIDEN" worden de volgende definities ingevoegd :
"DEFINITIES BODEM
1° bodem : de bovenste laag van de aardkorst die begrensd is door het vaste gesteente en het aardoppervlak. De bodem bestaat uit minerale deeltjes, organisch materiaal, water, lucht en levende organismen;
2° ondergrond : het gedeelte van de aardkorst dat onder de bodem ligt.";
9° in "DEFINITIES DIEREN/OPSLAG MEST (hoofdstukken 5.9. en 5.28)" worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) tussen de definitie "zeug" en de definitie "inheemse grote zoogdieren" wordt de volgende definitie ingevoegd :
"- gedekte jonge zeug : een gedekt vrouwelijk varken, ongeacht de leeftijd, tot het moment van de eerste worp;";
b) de volgende definitie wordt toegevoegd :
"- gezelschapsdieren : alle dieren van soorten die gewoonlijk door de mens worden gevoed en gehouden, maar die niet gegeten worden, en die niet voor veeteelt gehouden worden.";
10° tussen "DEFINITIES DIEREN/OPSLAG MEST (hoofdstukken 5.9 en 5.28)" en "DEFINITIES EMISSIEJAARVERSLAG (hoofdstuk 4.1 en bijlage 4.1.8)" worden de volgende definities ingevoegd :
"DEFINITIES DIERLIJKE BIJPRODUCTEN (Hoofdstuk 5.2, Afdeling 5.2.1)
1° dierlijke bijproducten : de niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten, vermeld in de verordening Dierlijke Bijproducten (EG) nr. 1069/2009 en haar uitvoerende verordening (EU) nr. 142/2011;
2° verordening Dierlijke Bijproducten (EG) nr. 1069/2009 : verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002;
3° verordening (EG) nr. 142/2011 : verordening (EG) nr. 142/2011 van de Commissie van 25 februari 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot uitvoering van Richtlijn 97/78/EG van de Raad wat betreft bepaalde monsters en producten die vrijgesteld zijn van veterinaire controles aan de grens krachtens die richtlijn.";
11° aan "DEFINITIES BEHANDELEN VAN GASSEN (Hoofdstuk 5.16)" worden de volgende definities toegevoegd :
"AARDGASAFLEVERINSTALLATIES (Hoofdstuk 5.16)
1° aardgasopslag : de vaste drukhouders die dienst doen als buffer voor de opslag van aardgas of tot aardgaskwaliteit opgewaardeerd biogas, alsook de vaste drukhouders die dienst doen als aflaatreservoirs voor het aardgas of tot aardgaskwaliteit opgewaardeerd biogas bij aardgasafleverinstallaties;
2° aardgasaflevereenheden (homecompressors) : de traagvullende inrichtingen voor de bevoorrading van motorvoertuigen met samengeperst aardgas of tot aardgaskwaliteit opgewaardeerd biogas, zonder aardgasopslag, bestaande uit één compressor en een of meer afleverslangen;
3° aardgasafleverinstallaties : de inrichtingen voor de bevoorrading van andere motorvoertuigen met samengeperst aardgas of tot aardgaskwaliteit opgewaardeerd biogas dan aardgasaflevereenheden, bestaande uit een of meer compressoren, een eventuele aardgasopslag, en eenn of meer aflevertoestellen.";
12° tussen "DEFINITIES BEHANDELEN VAN GASSEN (Hoofdstuk 5.16)" en "DEFINITIES GELUID (Hoofdstukken 2.2., 4.5., 5.32 en 6.7)" worden de volgende definities ingevoegd :
"DEFINITIES GEÏNTEGREERDE PREVENTIE EN BESTRIJDING VAN VERONTREINIGING
1° belangrijke wijziging van een GPBV-installatie : een wijziging van de aard of de werking, of een uitbreiding van de installatie die gevolgen voor het milieu kan hebben en die volgens de vergunningverlenende overheid significante negatieve effecten kan hebben op mens of milieu. In de zin van deze definitie wordt elke wijziging of uitbreiding van een exploitatie geacht belangrijk te zijn, als de wijziging of uitbreiding op zich voldoet aan de drempelwaarden, voor zover deze bestaan, van een rubriek of subrubriek uit de indelingslijst die in de indelingslijst is aangeduid met het symbool X, voor zover deze indelingscriteria bestaan;
2° gevaarlijke stoffen : gevaarlijke stoffen : stoffen of mengsels als vermeld in artikel 3 van verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 inzake de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006, met toepassing van artikel 3.3.0.2, 12°, van dit besluit, en ter uitvoering van de voormelde verordening (EG) nr. 1272/2008;
3° GPBV-installatie : een vaste technische eenheid waarin een of meer van de activiteiten en processen, vermeld in de indelingslijst, en aangeduid met de letter X in de vierde kolom van de indelingslijst, alsook andere op dezelfde locatie ten uitvoer gebrachte en daarmee rechtstreeks samenhangende activiteiten plaatsvinden die technisch in verband staan met de voormelde activiteiten en die gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging.";
13° in Beleidstaken betreffende de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai (afdeling 2.2.4), "omgevingslawaai", wordt de zinsnede "zoals omschreven in artikel 1,16° van titel I van het VLAREM" opgeheven;
14° aan "DEFINITIES GENETISCH GEMODIFICEERDE EN/OF PATHOGENE ORGANISMEN" worden de volgende definities toegevoegd :
"- gebruiker : elke natuurlijke of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor het ingeperkte gebruik van GGO's of pathogene organismen;
- genetisch gemodificeerd micro-organisme (GGM) of organisme (GGO) : een micro-organisme of een organisme waarvan het genetische materiaal gewijzigd is op een wijze die van nature of door voortplanting of natuurlijke recombinatie niet mogelijk is. Volgens deze definitie vindt genetische modificatie plaats als een van de technieken, vermeld in bijlage 1.5.1.1. A, deel 1, wordt toegepast, met uitzondering van de technieken, opgesomd in bijlage 1.5.1.1. A, deel 2;
- technisch deskundige : de sectie Bioveiligheid en Biotechnologie van het Wetenschappelijk Instituut voor Volksgezondheid (SBB), vermeld in artikel 4 van het samenwerkingsakkoord van 25 april 1997 tussen de Federale Staat en de Gewesten betreffende de administratieve en wetenschappelijke coördinatie inzake bioveiligheid, die conform artikel 12, § 2, van het voormelde samenwerkingsakkoord, op basis van een bevoegdheidsdelegatie de evaluatie van de bioveiligheid uitvoert;
- bevoegde instantie : de afdeling milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning.";
15° in "DEFINITIES GEVAARLIJKE PRODUCTEN EN BRANDBARE VLOEISTOFFEN (Hoofdstukken 4.1, 5.17 en 6.5 en afdelingen 5.6.2 en 5.6.3)" worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) het woord "milieuvergunning" wordt telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
b) [2 ...]2
16° in "DEFINITIES LUCHTVERONTREINIGING (delen 3, 4, 5 en 6) worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) in subtitel "STOOKINSTALLATIES" wordt in de definitie "bedrijfsuren" het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
b) aan de subtitel "STOOKINSTALLATIES" worden de volgende definities toegevoegd :
"- ingrijpende renovatie : een renovatie waarvan de kosten hoger liggen dan 50% van de investeringskosten voor een nieuwe vergelijkbare eenheid;
- kwalitatieve warmte-krachtkoppeling : de warmte-krachtkoppeling die voldoet aan de voorwaarden voor kwalitatieve warmte-krachtkoppeling, opgenomen in bijlage I bij het Energiebesluit van 19 november 2010;
- kosten-batenanalyse : een financieel-economische vergelijking tussen een installatie zonder benutting van restwarmte of aanwending van kwalitatieve warmte-krachtkoppeling en een gelijkwaardige installatie waarin restwarmte nuttig wordt gebruikt of die uitgebaat wordt als kwalitatieve warmte-krachtkoppeling;
- stadsverwarming of -koeling : de distributie van thermische energie in de vorm van stoom, warm water of gekoelde vloeistoffen vanuit een centrale productie-installatie via een netwerk dat verbonden is met verschillende gebouwen of locaties, voor het verwarmen of koelen van ruimten of processen.";
17° in "DEFINITIES ONTSPANNINGSINRICHTINGEN (Hoofdstuk 5.32.)" worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) in "ZWEMBADEN (afdeling 5.32.9)" wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
b) er wordt een subtitel "Hippotherapie" toegevoegd, die luidt als volgt :
"HIPPOTHERAPIE
1° hippotherapie : het doelgericht therapeutisch (be)handelen met het paard als medium.";
18° in "DEFINITIES OPPERVLAKTEWATER- EN GRONDWATERBESCHERMING (INTEGRAAL WATERBELEID) (Hoofdstukken 2.3., 4.2., 5.3. en 6.2. (oppervlaktewater) en 2.4., 4.3., 5.52., 5.53., 5.54., 5.55 en 6.9 (grondwater))", worden aan subtitel "ALGEMEEN" de volgende definities toegevoegd :
- afvalwater : het verontreinigde water waarvan men zich ontdoet, zich moet ontdoen of de intentie heeft zich van te ontdoen, met uitzondering van hemelwater dat niet in aanraking is geweest met verontreinigende stoffen;
- bedrijfsafvalwater : alle afvalwater dat niet voldoet aan de bepalingen van huishoudelijk afvalwater of koelwater;
- huishoudelijk afvalwater : afvalwater dat alleen bestaat uit het water dat afkomstig is van :
1° normale huishoudelijke activiteiten;
2° sanitaire installaties;
3° keukens;
4° het reinigen van gebouwen, zoals woningen, kantoren, plaatsen waar groot- of kleinhandel wordt gedreven, zalen voor vertoningen, kazernen, kampeerterreinen, gevangenissen, onderwijsinrichtingen met of zonder internaat, zwembaden, hotels, restaurants, drankgelegenheden, kapsalons;
5° wassalons, waar de toestellen uitsluitend door het cliënteel zelf worden bediend.
Afvalwaterstromen van verzorgingsinstellingen die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 5.49.0.4, worden voor de toepassing van dit besluit gelijkgesteld met huishoudelijk afvalwater;
- koelwater : het water dat in de nijverheid voor afkoeling gebruikt wordt en dat niet in aanraking is gekomen met af te koelen stoffen of met andere verontreinigende stoffen;
- grondwater : al het water dat zich onder het bodemoppervlak in de verzadigde zone bevindt en dat in direct contact met bodem of ondergrond staat;
- gevaarlijke stoffen : met toepassing van artikel 1.4.1.2, § 5, en bijlage 2 van dit besluit, afdeling 2.4.3, 4.2.2, 4.2.3, 4.2.5 en 4.3.1, artikel 2.3.6.1, 5.3.2.4, § 7, 5BIS.15.5.4.3.4, 5BIS.15.5.4.3.5, 5BIS.19.8.4.5.4 en 5BIS.19.8.4.5.5, artikel 3 van bijlage 2.3.1 en bijlage 5.3.2, 21 van dit besluit, de toxische, persistente en bioaccumuleerbare stoffen of groepen van stoffen en andere stoffen of groepen van stoffen die aanleiding geven tot evenveel bezorgdheid;
- ontvangend waterlichaam : oppervlaktewater, grondwater en overgangswater als vermeld in artikel 3, § 2, 3°, 4° en 10°, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid;
- prioritaire stoffen : de stoffen als vermeld in lijst III van bijlage 2C, die bij dit besluit is gevoegd. Daartoe behoren prioritaire gevaarlijke stoffen op het gebied van waterbeleid waarvoor maatregelen moeten worden getroffen;
- verontreinigende stoffen : iedere stof die tot verontreiniging kan leiden, als vermeld in bijlage 2A, die bij dit besluit is gevoegd;
- directe lozing in grondwater : de inleiding van stoffen, vermeld in bijlage 2 B, die bij dit besluit is gevoegd, in het grondwater zonder doorsijpeling door bodem of ondergrond;
- indirecte lozing in grondwater : de inleiding van stoffen, vermeld in bijlage 2 B, die bij dit besluit is gevoegd, in het grondwater na doorsijpeling door bodem of ondergrond;
- watervoerende laag : een of meer ondergrondse rotslagen of andere geologische lagen die voldoende poreus en doorlatend zijn voor een belangrijke grondwaterstroming of de onttrekking van aanzienlijke hoeveelheden grondwater;";
19° tussen "DEFINITIES OPPERVLAKTEWATER- EN GRONDWATERBESCHERMING (INTEGRAAL WATERBELEID) (Hoofdstukken 2.3., 4.2., 5.3. en 6.2. (oppervlaktewater) en 2.4., 4.3., 5.52., 5.53., 5.54., 5.55 en 6.9 (grondwater))" en "DEFINITIES VLIEGVELDEN (Hoofdstuk 5.57)" worden de volgende definities ingevoegd :
"DEFINITIES SEVESO
1° gevaarlijke stoffen : met toepassing van bijlage 5, artikel 5.2.6.3.1 en 5.17.1.3, de stoffen en mengsels, aanwezig als grondstof, product, bijproduct, residu of tussenproduct, met inbegrip van de stoffen waarvan redelijkerwijs mag worden verwacht dat ze bij een ongeval ontstaan;
2° veiligheidsnota : een openbaar document waarin aangetoond wordt dat de verandering van een vergunde inrichting geen bijkomend risico van zware ongevallen voor mens en milieu meebrengt ten opzichte van de bestaande toestand, zoals die beschreven is in een voor die inrichting goedgekeurd omgevingsveiligheidsrapport, en waarbij met betrekking tot die verandering wordt aangetoond welke maatregelen getroffen zijn of kunnen worden getroffen om zware ongevallen te voorkomen en om de gevolgen ervan voor mens en milieu te beperken;
DEFINITIES STUIVENDE STOFFEN
1° opslagcapaciteit voor stuivende stoffen : de oppervlakte van het terrein die wordt voorbehouden voor de tijdelijke opslag van stuivende stoffen, met uitzondering van de oppervlakte van gesloten opslagplaatsen die voldoen aan de bepalingen, vermeld in artikel 4.4.7.2.2, tweede lid. Voor bouw-, sloop of wegeniswerken wordt alleen rekening gehouden met de maximale oppervlakte die op één bepaald moment wordt voorbehouden voor de opslag van stuivende stoffen;
2° overslaghoeveelheid van stuivende stoffen : de aan- of afgevoerde hoeveelheden stuivende stoffen naar of van het terrein van de inrichting, afhankelijk van welke van de twee het grootst is. Bij het bepalen van de overslaghoeveelheid worden stoffen van stuifcategorie SC3 als vermeld in artikel 4.4.7.2.1 slechts voor 10% in rekening gebracht;
3° stuivende stoffen : de niet-verpakte stoffen die bij het transport, de verwerking, de vervaardiging of de opslag tot niet-geleide stofemissies kunnen leiden;";
20° de "DEFINITIES EMISSIES VAN BROEIKASGASSEN (hoofdstuk 4.10)" worden vervangen door wat volgt :
"DEFINITIES EMISSIES VAN BROEIKASGASSEN (hoofdstuk 4.10)
1° BKG-emissies :
a) in het kader van de eerste verbintenisperiode, CO2-emissies die conform het ministerieel besluit van 14 december 2007 houdende vaststelling van richtsnoeren voor het opstellen en wijzigen van het "monitoringplan" voor de handelsperiode 2008-2012 bewaakt worden;
b) in het kader van de tweede verbintenisperiode, emissies van broeikasgassen, afkomstig van activiteiten, met de vermelding van de letter Y in de vierde kolom van de indelingslijst, alleen wat betreft de emissies waarop de subindexen bij de letter Y betrekking hebben, uitgedrukt in ton kooldioxide-equivalenten;
2° BKG-inrichting : een vaste technische eenheid waarin een of meer van de activiteiten en processen, vermeld in de indelingslijst en aangeduid met de letter Y in de vierde kolom van de indelingslijst, alsook andere op dezelfde locatie ten uitvoer gebrachte en daarmee rechtstreeks samenhangende activiteiten plaatsvinden die technisch in verband staan met de voormelde activiteiten en die gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging;
3° Broeikasgassen :
a) koolstofdioxide (CO2);
b) methaan (CH4);
c) distikstofoxide (N2O);
d) fluorkoolwaterstoffen (HFK's) : de gefluoreerde broeikasgassen die zijn opgenomen in groep I van bijlage 5.16.5, met inbegrip van de isomeren ervan;
e) perfluorkoolstoffen (PFK's) : de gefluoreerde broeikasgassen die zijn opgenomen in groep II van bijlage 5.16.5, met inbegrip van de isomeren ervan;
f) zwavelhexafluoride (SF6) : het gefluoreerde broeikasgas in groep III van bijlage 5.16.5;
4° eerste verbintenisperiode : de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2012;
5° emissiejaarrapport :
a) in het kader van de eerste verbintenisperiode, een rapport over de BKG-emissies die zijn uitgestoten tijdens het voorgaande kalenderjaar, dat is opgesteld overeenkomstig de sjabloon die op 23 januari 2009 is vastgesteld door de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid;
b) in het kader van de tweede verbintenisperiode, een emissieverslag over de BKG-emissies die zijn uitgestoten tijdens het voorgaande kalenderjaar, dat is opgesteld en waarover is gerapporteerd conform verordening (EU) nr. 601/2012 van de Commissie van 21 juni 2012 inzake de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad;
6° emissierecht : een overdraagbaar recht om gedurende een bepaalde periode één ton koolstofdioxide-equivalent aan broeikasgassen uit te stoten;
7° handelsperiode : een periode als vermeld in artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2007 inzake verhandelbare emissierechten voor broeikasgassen;
8° monitoringplan : een document dat bedoeld is voor het bewaken van BKG-emissies en dat opgesteld is overeenkomstig verordening (EU) nr. 601/2012 van de Commissie van 21 juni 2012 inzake de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad;
9° ton kooldioxide-equivalent : een metrische ton koolstofdioxide (CO2) of een hoeveelheid van de andere broeikasgassen met een gelijkwaardig aardopwarmingspotentieel;
10° tweede verbintenisperiode : de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2020;
11° verificatiebureau : de organisatie die aangesteld is om de correcte uitvoering van het Vlaams Benchmarking convenant over energie-efficiëntie in de industrie van 29 november 2002 te bewaken, vermeld in artikel 10 van het voormelde convenant;";
21° in "DEFINITIES WINDTURBINES" wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit".
1° de zin "De begrippen en definities vermeld in artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende het algemeen reglement voor de milieuvergunning, hierna Titel I van het VLAREM genoemd, zijn ook van toepassing op dit besluit." wordt vervangen door de zin "Tenzij het in dit besluit andersluidend is bepaald, zijn de definities, vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering [1 van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning]1, ook van toepassing in dit besluit.";
2° in "DEFINITIES ALGEMEEN" worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) de definitie "decreet betreffende de milieuvergunning" wordt vervangen door de definitie "decreet van 25 april 2014 : het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;";
b) de definities "bijlage 2B" en "bijlage 2C" worden opgeheven;
c) de definitie "ingedeelde inrichting" wordt opgeheven;
d) de subtitel "bestaande inrichting" wordt vervangen door de subtitel "bestaande ingedeelde inrichting";
e) de subtitel "nieuwe inrichting" wordt vervangen door de subtitel "nieuwe ingedeelde inrichting";
f) de volgende definities worden toegevoegd :
"- de Vlaamse minister : de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu;
- de afdeling, bevoegd voor erkenningen : de afdeling milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning : de afdeling binnen het Departement LNE van de Vlaamse overheid die bevoegd is voor de omgevingsvergunning;
- gebied : tenzij het anders is gepreciseerd in de indelingslijst of de desbetreffende hoofdstukken, afdelingen of subafdelingen, een van de volgende gebieden of categorieën van gebiedsaanduidingen :
a) een gebied, bepaald in de gewestplannen, met bestemmingsvoorschriften als vermeld in het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen, en de ermee vergelijkbare gebieden;
b) een gebied, bepaald in de algemene of bijzondere plannen van aanleg;
c) als er een categorie van gebiedsaanduiding voor een gebied is aangegeven in de gewestelijke, provinciale of gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen, definitief vastgesteld in uitvoering van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening een van de volgende categorieën van gebiedsaanduiding :
1) wonen;
2) bedrijvigheid;
3) recreatie;
4) landbouw;
5) bos;
6) reservaat en natuur;
7) overig groen;
8) lijninfrastructuur;
9) gemeenschapsvoorzieningen en nutsvoorzieningen;
10) ontginning en waterwinning;
d) een gebied in behoorlijk vergunde, niet-vervallen verkavelingsvergunningen;
e) als er geen categorie van gebiedsaanduiding is aangegeven door de stedenbouwkundige voorschriften van een ruimtelijk uitvoeringsplan, definitief vastgesteld in uitvoering van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, een gebied, bepaald in het gewestelijk, provinciaal of gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, met een met de bestemmingsvoorschriften, vermeld in het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen, vergelijkbare hoofdbestemming.
Voor de toepassing van dit besluit worden de categorieën van gebiedsaanduiding, vermeld in punt sub b), c) en d), gelijkgesteld met de overeenkomstige gebieden, vermeld in punt a);
- bijzonder beschermd gebied : een gebied dat behoort tot een of meer van de volgende gebieden :
a) de speciale beschermingszones, de definitief vastgestelde gebieden die in aanmerking komen als speciale beschermingszone, en de waterrijke gebieden van internationale betekenis overeenkomstig het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
b) een beschermd duingebied of voor het duingebied belangrijk landbouwgebied ter uitvoering van het decreet van 14 juli 1993 houdende maatregelen tot bescherming van de kustduinen;
c) groengebieden, natuurgebieden, natuurgebieden met wetenschappelijke waarde en de ermee vergelijkbare gebieden, aangewezen op de plannen van aanleg en de ruimtelijke uitvoeringsplannen die van kracht zijn in de ruimtelijke ordening;
d) bosgebieden, valleigebieden, brongebieden, overstromingsgebieden, agrarische gebieden met ecologisch belang of ecologische waarde en de ermee vergelijkbare gebieden, aangewezen op de plannen van aanleg en de ruimtelijke uitvoeringsplannen die van kracht zijn in de ruimtelijke ordening;
e) een definitief beschermd cultuurhistorisch landschap, stads- of dorpsgezicht, monument of archeologische zone;
f) de waterwingebieden en de bijbehorende beschermingszones type I en II, vastgesteld ter uitvoering van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer;
g) het Vlaams Ecologisch Netwerk overeenkomstig het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
h) een volgens een plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan vastgesteld erfgoedlandschap;
- emissiegrenswaarde : de massa, gerelateerd aan bepaalde specifieke parameters, de concentratie en/of het niveau van een emissie die gedurende een of meer vastgestelde perioden niet mogen worden overschreden. De emissiegrenswaarden kunnen ook voor bepaalde groepen, families of categorieën van stoffen worden vastgesteld, namelijk voor de stoffen, vermeld in bijlage 1.1.2. bij dit besluit. De emissiegrenswaarden voor de emissies van stoffen gelden op het punt waar de emissies de installatie verlaten en worden bepaald zonder rekening te houden met een eventuele verdunning. Voor indirecte lozingen van verontreinigende stoffen in water mag bij de bepaling van de emissiegrenswaarden van de betrokken installatie rekening worden gehouden met het effect van een waterzuiveringsinstallatie, op voorwaarde dat een equivalent niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel wordt gewaarborgd en dat dit niet leidt tot een hogere belasting van het milieu;
- milieukwaliteitsnorm : alle eisen waaraan op een gegeven ogenblik in een bepaald milieucompartiment of een bepaald gedeelte daarvan moet worden voldaan conform deel 2 van dit besluit;
- stof : een chemisch element en de verbindingen daarvan, met uitzondering van radioactieve stoffen en genetisch gemodificeerde organismen en micro-organismen;
- toezichthouder : de persoon die krachtens titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid als toezichthouder is aangesteld;
- voertuig : een gemotoriseerd transportmiddel, met uitzondering van vaartuigen.";
3° tussen "DEFINITIES ALGEMEEN" en "DEFINITIES BEDRIJFSINTERNE MILIEUZORG" worden de volgende definities ingevoegd :
"DEFINITIES AQUACULTUUR (Hoofdstuk 5.62)
1° aquacultuur : de kweek of teelt van aquatische organismen, waarbij technieken worden gebruikt om de aangroei van de betrokken organismen te verhogen tot boven de natuurlijke capaciteiten van het milieu. De organismen blijven in de hele fase van de kweek of de teelt, tot en met de oogst, eigendom van een natuurlijke persoon of rechtspersoon;
2° gesloten aquacultuurvoorziening : een op het land gelegen voorziening waar :
a) aquacultuur wordt bedreven in een aquatisch systeem met waterrecirculatie;
b) de lozingen pas na zeving en filtering of percolatie en behandeling in contact komen met open water om te voorkomen dat vaste afvalstoffen in de aquatische omgeving terechtkomen en dat gekweekte soorten en niet-doelsoorten die kans maken op overleving en reproductie, uit de voorziening ontsnappen;
c) verliezen van gekweekte exemplaren of niet-doelsoorten en ander biologisch materiaal, met inbegrip van pathogenen, als gevolg van factoren zoals roofdieren en overstroming worden voorkomen; zo moet de voorziening zich overeenkomstig een adequate beoordeling door de bevoegde autoriteiten op een veilige afstand van open water bevinden;
d) verliezen van gekweekte exemplaren of niet-doelsoorten en ander biologisch materiaal, met inbegrip van pathogenen, als gevolg van diefstal en vandalisme binnen de grenzen van de redelijkheid worden voorkomen;
e) de adequate verwijdering van dode organismen wordt gegarandeerd;
3° open aquacultuurvoorziening : een voorziening waar aquacultuur wordt bedreven in een aquatisch systeem dat niet van het natuurlijke watermilieu is gescheiden door barrières die de ontsnapping voorkomen van gekweekte exemplaren die kans maken op overleving en reproductie of van biologisch materiaal dat kans maakt op overleving en reproductie;
4° verordening aquacultuur : verordening nr. 708/2007 van de Raad van 11 juni 2007 inzake het gebruik van uitheemse en plaatselijk niet-voorkomende soorten in de aquacultuur.";
4° tussen "DEFINITIES BEDRIJFSINTERNE MILIEUZORG" en "DEFINITIES RISICOBEHEERSING" worden de volgende definities ingevoegd :
"DEFINITIES BESTE BESCHIKBARE TECHNIEKEN
1° BBT-conclusies : een document dat bestaat uit de delen van een BREF met de conclusies over BBT, de beschrijving ervan, gegevens ter beoordeling van de toepasselijkheid ervan, de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus, de daarmee verbonden monitoring, de daarmee verbonden consumptieniveaus en, in voorkomend geval, de toepasselijke terreinsaneringsmaatregelen;
2° BBT-referentiedocument, afgekort BREF : een document dat het resultaat is van de overeenkomstig artikel 13 van de richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) georganiseerde uitwisseling van informatie, dat opgesteld is voor welomschreven activiteiten en dat met name een beschrijving geeft van toegepaste technieken, huidige emissies en consumptieniveaus, technieken die in overweging worden genomen voor de bepaling van BBT, alsook BBT-conclusies en eventuele technieken in opkomst, met bijzondere aandacht voor de criteria, vermeld in bijlage 3.3 bij dit besluit;
3° beste beschikbare technieken, afgekort BBT : het meest doeltreffende en geavanceerde ontwikkelingsstadium van de activiteiten en exploitatiemethoden, waarbij de praktische bruikbaarheid van speciale technieken om in beginsel het uitgangspunt voor de emissiegrenswaarden en andere vergunningsvoorwaarden te vormen, is aangetoond, met het doel emissies en effecten op het milieu in zijn geheel te voorkomen, of als dat niet mogelijk blijkt, algemeen te beperken;
a) technieken : zowel de toegepaste technieken als de wijze waarop de installatie wordt ontworpen, gebouwd, onderhouden, geëxploiteerd en ontmanteld;
b) beschikbare : op zodanige schaal ontwikkeld dat de betrokken technieken, kosten en baten die in aanmerking worden genomen, economisch en technisch haalbaar in de industriële context kunnen worden toegepast, onafhankelijk van de vraag of die technieken al dan niet op het grondgebied van het Vlaamse Gewest worden toegepast of geproduceerd, mits ze voor de exploitant onder redelijke voorwaarden toegankelijk zijn;
c) beste : het meest doeltreffend om een hoog algemeen niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel te bereiken;
4° met BBT geassocieerde emissieniveaus, afgekort BBT-GEN : de bandbreedte van emissieniveaus, verkregen in normale bedrijfsomstandigheden met gebruikmaking van een beste beschikbare techniek of een combinatie van BBT als omschreven in de BBT-conclusies, uitgedrukt als een gemiddelde over een bepaalde periode, in specifieke referentieomstandigheden;
5° techniek in opkomst : een nieuwe techniek voor een industriële activiteit die, als ze commercieel wordt ontwikkeld, hetzij een hoger algemeen beschermingsniveau voor het milieu, hetzij ten minste hetzelfde beschermingsniveau voor het milieu en grotere kostenbesparingen kan opleveren dan de bestaande BBT.";
5° in "DEFINITIES AFVALSTOFFENVERWERKING (Hoofdstuk 5.2.)" wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
6° aan "DEFINITIES AFVALSTOFFENVERWERKING (Hoofdstuk 5.2.) ALGEMEEN" worden de volgende definities toegevoegd :
"- afvalstoffen : de afvalstoffen, vermeld in artikel 3, 1°, van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, en de uitvoeringsbesluiten ervan. De definities, vermeld in het voormelde decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan, gelden ook voor de toepassing van dit besluit;
- collectief begraven van krengen van gezelschapsdieren : alle andere begravingen van krengen van gezelschapsdieren dan de individuele begraving in de eigen tuin door de eigenaar van het kreng;
- dierenbegraafplaats : een plaats waar collectief krengen van gezelschapsdieren worden begraven;
- ondergrondse opslag van afvalstoffen : een permanente afvalopslagvoorziening in een diepe onderaardse ruimte zoals een zout- of kaliummijn;
- voertuigwrak : een voertuig dat een afvalstof is.";
7° in "DEFINITIES AFVALSTOFFENVERWERKING (hoofdstuk 5.2)" wordt aan subtitel "Decontaminatie van infectieus afval (subafdeling 5.2.2.13)" een punt 10° toegevoegd, dat luidt als volgt :
"10° infectieus : de stoffen en preparaten die levensvatbare micro-organismen of hun toxinen bevatten, waarvan bekend is of waarvan sterk wordt vermoed dat ze ziekten bij de mens of bij andere levende organismen veroorzaken.";
8° tussen "DEFINITIES BEDEKKINGSMIDDELEN" en "DEFINITIES PESTICIDEN" worden de volgende definities ingevoegd :
"DEFINITIES BODEM
1° bodem : de bovenste laag van de aardkorst die begrensd is door het vaste gesteente en het aardoppervlak. De bodem bestaat uit minerale deeltjes, organisch materiaal, water, lucht en levende organismen;
2° ondergrond : het gedeelte van de aardkorst dat onder de bodem ligt.";
9° in "DEFINITIES DIEREN/OPSLAG MEST (hoofdstukken 5.9. en 5.28)" worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) tussen de definitie "zeug" en de definitie "inheemse grote zoogdieren" wordt de volgende definitie ingevoegd :
"- gedekte jonge zeug : een gedekt vrouwelijk varken, ongeacht de leeftijd, tot het moment van de eerste worp;";
b) de volgende definitie wordt toegevoegd :
"- gezelschapsdieren : alle dieren van soorten die gewoonlijk door de mens worden gevoed en gehouden, maar die niet gegeten worden, en die niet voor veeteelt gehouden worden.";
10° tussen "DEFINITIES DIEREN/OPSLAG MEST (hoofdstukken 5.9 en 5.28)" en "DEFINITIES EMISSIEJAARVERSLAG (hoofdstuk 4.1 en bijlage 4.1.8)" worden de volgende definities ingevoegd :
"DEFINITIES DIERLIJKE BIJPRODUCTEN (Hoofdstuk 5.2, Afdeling 5.2.1)
1° dierlijke bijproducten : de niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten, vermeld in de verordening Dierlijke Bijproducten (EG) nr. 1069/2009 en haar uitvoerende verordening (EU) nr. 142/2011;
2° verordening Dierlijke Bijproducten (EG) nr. 1069/2009 : verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002;
3° verordening (EG) nr. 142/2011 : verordening (EG) nr. 142/2011 van de Commissie van 25 februari 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot uitvoering van Richtlijn 97/78/EG van de Raad wat betreft bepaalde monsters en producten die vrijgesteld zijn van veterinaire controles aan de grens krachtens die richtlijn.";
11° aan "DEFINITIES BEHANDELEN VAN GASSEN (Hoofdstuk 5.16)" worden de volgende definities toegevoegd :
"AARDGASAFLEVERINSTALLATIES (Hoofdstuk 5.16)
1° aardgasopslag : de vaste drukhouders die dienst doen als buffer voor de opslag van aardgas of tot aardgaskwaliteit opgewaardeerd biogas, alsook de vaste drukhouders die dienst doen als aflaatreservoirs voor het aardgas of tot aardgaskwaliteit opgewaardeerd biogas bij aardgasafleverinstallaties;
2° aardgasaflevereenheden (homecompressors) : de traagvullende inrichtingen voor de bevoorrading van motorvoertuigen met samengeperst aardgas of tot aardgaskwaliteit opgewaardeerd biogas, zonder aardgasopslag, bestaande uit één compressor en een of meer afleverslangen;
3° aardgasafleverinstallaties : de inrichtingen voor de bevoorrading van andere motorvoertuigen met samengeperst aardgas of tot aardgaskwaliteit opgewaardeerd biogas dan aardgasaflevereenheden, bestaande uit een of meer compressoren, een eventuele aardgasopslag, en eenn of meer aflevertoestellen.";
12° tussen "DEFINITIES BEHANDELEN VAN GASSEN (Hoofdstuk 5.16)" en "DEFINITIES GELUID (Hoofdstukken 2.2., 4.5., 5.32 en 6.7)" worden de volgende definities ingevoegd :
"DEFINITIES GEÏNTEGREERDE PREVENTIE EN BESTRIJDING VAN VERONTREINIGING
1° belangrijke wijziging van een GPBV-installatie : een wijziging van de aard of de werking, of een uitbreiding van de installatie die gevolgen voor het milieu kan hebben en die volgens de vergunningverlenende overheid significante negatieve effecten kan hebben op mens of milieu. In de zin van deze definitie wordt elke wijziging of uitbreiding van een exploitatie geacht belangrijk te zijn, als de wijziging of uitbreiding op zich voldoet aan de drempelwaarden, voor zover deze bestaan, van een rubriek of subrubriek uit de indelingslijst die in de indelingslijst is aangeduid met het symbool X, voor zover deze indelingscriteria bestaan;
2° gevaarlijke stoffen : gevaarlijke stoffen : stoffen of mengsels als vermeld in artikel 3 van verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 inzake de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006, met toepassing van artikel 3.3.0.2, 12°, van dit besluit, en ter uitvoering van de voormelde verordening (EG) nr. 1272/2008;
3° GPBV-installatie : een vaste technische eenheid waarin een of meer van de activiteiten en processen, vermeld in de indelingslijst, en aangeduid met de letter X in de vierde kolom van de indelingslijst, alsook andere op dezelfde locatie ten uitvoer gebrachte en daarmee rechtstreeks samenhangende activiteiten plaatsvinden die technisch in verband staan met de voormelde activiteiten en die gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging.";
13° in Beleidstaken betreffende de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai (afdeling 2.2.4), "omgevingslawaai", wordt de zinsnede "zoals omschreven in artikel 1,16° van titel I van het VLAREM" opgeheven;
14° aan "DEFINITIES GENETISCH GEMODIFICEERDE EN/OF PATHOGENE ORGANISMEN" worden de volgende definities toegevoegd :
"- gebruiker : elke natuurlijke of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor het ingeperkte gebruik van GGO's of pathogene organismen;
- genetisch gemodificeerd micro-organisme (GGM) of organisme (GGO) : een micro-organisme of een organisme waarvan het genetische materiaal gewijzigd is op een wijze die van nature of door voortplanting of natuurlijke recombinatie niet mogelijk is. Volgens deze definitie vindt genetische modificatie plaats als een van de technieken, vermeld in bijlage 1.5.1.1. A, deel 1, wordt toegepast, met uitzondering van de technieken, opgesomd in bijlage 1.5.1.1. A, deel 2;
- technisch deskundige : de sectie Bioveiligheid en Biotechnologie van het Wetenschappelijk Instituut voor Volksgezondheid (SBB), vermeld in artikel 4 van het samenwerkingsakkoord van 25 april 1997 tussen de Federale Staat en de Gewesten betreffende de administratieve en wetenschappelijke coördinatie inzake bioveiligheid, die conform artikel 12, § 2, van het voormelde samenwerkingsakkoord, op basis van een bevoegdheidsdelegatie de evaluatie van de bioveiligheid uitvoert;
- bevoegde instantie : de afdeling milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning.";
15° in "DEFINITIES GEVAARLIJKE PRODUCTEN EN BRANDBARE VLOEISTOFFEN (Hoofdstukken 4.1, 5.17 en 6.5 en afdelingen 5.6.2 en 5.6.3)" worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) het woord "milieuvergunning" wordt telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
b) [2 ...]2
16° in "DEFINITIES LUCHTVERONTREINIGING (delen 3, 4, 5 en 6) worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) in subtitel "STOOKINSTALLATIES" wordt in de definitie "bedrijfsuren" het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
b) aan de subtitel "STOOKINSTALLATIES" worden de volgende definities toegevoegd :
"- ingrijpende renovatie : een renovatie waarvan de kosten hoger liggen dan 50% van de investeringskosten voor een nieuwe vergelijkbare eenheid;
- kwalitatieve warmte-krachtkoppeling : de warmte-krachtkoppeling die voldoet aan de voorwaarden voor kwalitatieve warmte-krachtkoppeling, opgenomen in bijlage I bij het Energiebesluit van 19 november 2010;
- kosten-batenanalyse : een financieel-economische vergelijking tussen een installatie zonder benutting van restwarmte of aanwending van kwalitatieve warmte-krachtkoppeling en een gelijkwaardige installatie waarin restwarmte nuttig wordt gebruikt of die uitgebaat wordt als kwalitatieve warmte-krachtkoppeling;
- stadsverwarming of -koeling : de distributie van thermische energie in de vorm van stoom, warm water of gekoelde vloeistoffen vanuit een centrale productie-installatie via een netwerk dat verbonden is met verschillende gebouwen of locaties, voor het verwarmen of koelen van ruimten of processen.";
17° in "DEFINITIES ONTSPANNINGSINRICHTINGEN (Hoofdstuk 5.32.)" worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) in "ZWEMBADEN (afdeling 5.32.9)" wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
b) er wordt een subtitel "Hippotherapie" toegevoegd, die luidt als volgt :
"HIPPOTHERAPIE
1° hippotherapie : het doelgericht therapeutisch (be)handelen met het paard als medium.";
18° in "DEFINITIES OPPERVLAKTEWATER- EN GRONDWATERBESCHERMING (INTEGRAAL WATERBELEID) (Hoofdstukken 2.3., 4.2., 5.3. en 6.2. (oppervlaktewater) en 2.4., 4.3., 5.52., 5.53., 5.54., 5.55 en 6.9 (grondwater))", worden aan subtitel "ALGEMEEN" de volgende definities toegevoegd :
- afvalwater : het verontreinigde water waarvan men zich ontdoet, zich moet ontdoen of de intentie heeft zich van te ontdoen, met uitzondering van hemelwater dat niet in aanraking is geweest met verontreinigende stoffen;
- bedrijfsafvalwater : alle afvalwater dat niet voldoet aan de bepalingen van huishoudelijk afvalwater of koelwater;
- huishoudelijk afvalwater : afvalwater dat alleen bestaat uit het water dat afkomstig is van :
1° normale huishoudelijke activiteiten;
2° sanitaire installaties;
3° keukens;
4° het reinigen van gebouwen, zoals woningen, kantoren, plaatsen waar groot- of kleinhandel wordt gedreven, zalen voor vertoningen, kazernen, kampeerterreinen, gevangenissen, onderwijsinrichtingen met of zonder internaat, zwembaden, hotels, restaurants, drankgelegenheden, kapsalons;
5° wassalons, waar de toestellen uitsluitend door het cliënteel zelf worden bediend.
Afvalwaterstromen van verzorgingsinstellingen die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 5.49.0.4, worden voor de toepassing van dit besluit gelijkgesteld met huishoudelijk afvalwater;
- koelwater : het water dat in de nijverheid voor afkoeling gebruikt wordt en dat niet in aanraking is gekomen met af te koelen stoffen of met andere verontreinigende stoffen;
- grondwater : al het water dat zich onder het bodemoppervlak in de verzadigde zone bevindt en dat in direct contact met bodem of ondergrond staat;
- gevaarlijke stoffen : met toepassing van artikel 1.4.1.2, § 5, en bijlage 2 van dit besluit, afdeling 2.4.3, 4.2.2, 4.2.3, 4.2.5 en 4.3.1, artikel 2.3.6.1, 5.3.2.4, § 7, 5BIS.15.5.4.3.4, 5BIS.15.5.4.3.5, 5BIS.19.8.4.5.4 en 5BIS.19.8.4.5.5, artikel 3 van bijlage 2.3.1 en bijlage 5.3.2, 21 van dit besluit, de toxische, persistente en bioaccumuleerbare stoffen of groepen van stoffen en andere stoffen of groepen van stoffen die aanleiding geven tot evenveel bezorgdheid;
- ontvangend waterlichaam : oppervlaktewater, grondwater en overgangswater als vermeld in artikel 3, § 2, 3°, 4° en 10°, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid;
- prioritaire stoffen : de stoffen als vermeld in lijst III van bijlage 2C, die bij dit besluit is gevoegd. Daartoe behoren prioritaire gevaarlijke stoffen op het gebied van waterbeleid waarvoor maatregelen moeten worden getroffen;
- verontreinigende stoffen : iedere stof die tot verontreiniging kan leiden, als vermeld in bijlage 2A, die bij dit besluit is gevoegd;
- directe lozing in grondwater : de inleiding van stoffen, vermeld in bijlage 2 B, die bij dit besluit is gevoegd, in het grondwater zonder doorsijpeling door bodem of ondergrond;
- indirecte lozing in grondwater : de inleiding van stoffen, vermeld in bijlage 2 B, die bij dit besluit is gevoegd, in het grondwater na doorsijpeling door bodem of ondergrond;
- watervoerende laag : een of meer ondergrondse rotslagen of andere geologische lagen die voldoende poreus en doorlatend zijn voor een belangrijke grondwaterstroming of de onttrekking van aanzienlijke hoeveelheden grondwater;";
19° tussen "DEFINITIES OPPERVLAKTEWATER- EN GRONDWATERBESCHERMING (INTEGRAAL WATERBELEID) (Hoofdstukken 2.3., 4.2., 5.3. en 6.2. (oppervlaktewater) en 2.4., 4.3., 5.52., 5.53., 5.54., 5.55 en 6.9 (grondwater))" en "DEFINITIES VLIEGVELDEN (Hoofdstuk 5.57)" worden de volgende definities ingevoegd :
"DEFINITIES SEVESO
1° gevaarlijke stoffen : met toepassing van bijlage 5, artikel 5.2.6.3.1 en 5.17.1.3, de stoffen en mengsels, aanwezig als grondstof, product, bijproduct, residu of tussenproduct, met inbegrip van de stoffen waarvan redelijkerwijs mag worden verwacht dat ze bij een ongeval ontstaan;
2° veiligheidsnota : een openbaar document waarin aangetoond wordt dat de verandering van een vergunde inrichting geen bijkomend risico van zware ongevallen voor mens en milieu meebrengt ten opzichte van de bestaande toestand, zoals die beschreven is in een voor die inrichting goedgekeurd omgevingsveiligheidsrapport, en waarbij met betrekking tot die verandering wordt aangetoond welke maatregelen getroffen zijn of kunnen worden getroffen om zware ongevallen te voorkomen en om de gevolgen ervan voor mens en milieu te beperken;
DEFINITIES STUIVENDE STOFFEN
1° opslagcapaciteit voor stuivende stoffen : de oppervlakte van het terrein die wordt voorbehouden voor de tijdelijke opslag van stuivende stoffen, met uitzondering van de oppervlakte van gesloten opslagplaatsen die voldoen aan de bepalingen, vermeld in artikel 4.4.7.2.2, tweede lid. Voor bouw-, sloop of wegeniswerken wordt alleen rekening gehouden met de maximale oppervlakte die op één bepaald moment wordt voorbehouden voor de opslag van stuivende stoffen;
2° overslaghoeveelheid van stuivende stoffen : de aan- of afgevoerde hoeveelheden stuivende stoffen naar of van het terrein van de inrichting, afhankelijk van welke van de twee het grootst is. Bij het bepalen van de overslaghoeveelheid worden stoffen van stuifcategorie SC3 als vermeld in artikel 4.4.7.2.1 slechts voor 10% in rekening gebracht;
3° stuivende stoffen : de niet-verpakte stoffen die bij het transport, de verwerking, de vervaardiging of de opslag tot niet-geleide stofemissies kunnen leiden;";
20° de "DEFINITIES EMISSIES VAN BROEIKASGASSEN (hoofdstuk 4.10)" worden vervangen door wat volgt :
"DEFINITIES EMISSIES VAN BROEIKASGASSEN (hoofdstuk 4.10)
1° BKG-emissies :
a) in het kader van de eerste verbintenisperiode, CO2-emissies die conform het ministerieel besluit van 14 december 2007 houdende vaststelling van richtsnoeren voor het opstellen en wijzigen van het "monitoringplan" voor de handelsperiode 2008-2012 bewaakt worden;
b) in het kader van de tweede verbintenisperiode, emissies van broeikasgassen, afkomstig van activiteiten, met de vermelding van de letter Y in de vierde kolom van de indelingslijst, alleen wat betreft de emissies waarop de subindexen bij de letter Y betrekking hebben, uitgedrukt in ton kooldioxide-equivalenten;
2° BKG-inrichting : een vaste technische eenheid waarin een of meer van de activiteiten en processen, vermeld in de indelingslijst en aangeduid met de letter Y in de vierde kolom van de indelingslijst, alsook andere op dezelfde locatie ten uitvoer gebrachte en daarmee rechtstreeks samenhangende activiteiten plaatsvinden die technisch in verband staan met de voormelde activiteiten en die gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging;
3° Broeikasgassen :
a) koolstofdioxide (CO2);
b) methaan (CH4);
c) distikstofoxide (N2O);
d) fluorkoolwaterstoffen (HFK's) : de gefluoreerde broeikasgassen die zijn opgenomen in groep I van bijlage 5.16.5, met inbegrip van de isomeren ervan;
e) perfluorkoolstoffen (PFK's) : de gefluoreerde broeikasgassen die zijn opgenomen in groep II van bijlage 5.16.5, met inbegrip van de isomeren ervan;
f) zwavelhexafluoride (SF6) : het gefluoreerde broeikasgas in groep III van bijlage 5.16.5;
4° eerste verbintenisperiode : de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2012;
5° emissiejaarrapport :
a) in het kader van de eerste verbintenisperiode, een rapport over de BKG-emissies die zijn uitgestoten tijdens het voorgaande kalenderjaar, dat is opgesteld overeenkomstig de sjabloon die op 23 januari 2009 is vastgesteld door de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid;
b) in het kader van de tweede verbintenisperiode, een emissieverslag over de BKG-emissies die zijn uitgestoten tijdens het voorgaande kalenderjaar, dat is opgesteld en waarover is gerapporteerd conform verordening (EU) nr. 601/2012 van de Commissie van 21 juni 2012 inzake de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad;
6° emissierecht : een overdraagbaar recht om gedurende een bepaalde periode één ton koolstofdioxide-equivalent aan broeikasgassen uit te stoten;
7° handelsperiode : een periode als vermeld in artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2007 inzake verhandelbare emissierechten voor broeikasgassen;
8° monitoringplan : een document dat bedoeld is voor het bewaken van BKG-emissies en dat opgesteld is overeenkomstig verordening (EU) nr. 601/2012 van de Commissie van 21 juni 2012 inzake de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad;
9° ton kooldioxide-equivalent : een metrische ton koolstofdioxide (CO2) of een hoeveelheid van de andere broeikasgassen met een gelijkwaardig aardopwarmingspotentieel;
10° tweede verbintenisperiode : de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2020;
11° verificatiebureau : de organisatie die aangesteld is om de correcte uitvoering van het Vlaams Benchmarking convenant over energie-efficiëntie in de industrie van 29 november 2002 te bewaken, vermeld in artikel 10 van het voormelde convenant;";
21° in "DEFINITIES WINDTURBINES" wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 165. A l'article 1.1.2 du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les modifications suivantes sont apportées :
1° la phrase " Les notions et définitions contenues à l'article 1er de l'arrêté de l'Exécutif flamand du 6 février 1991 fixant le règlement flamand relatif à l'autorisation écologique, ci-après dénommé Titre I du VLAREM, s'appliquent également au présent arrêté. " est remplacée par la phrase " Sauf stipulation contraire dans le présent arrêté, les définitions visées à l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand [1 du 27 novembre 2015 portant exécution du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement]1 sont également applicables dans le présent arrêté. " ;
2° sous " DEFINITIONS GENERALES ", les modifications suivantes sont apportées :
a) la définition " décret relatif à l'autorisation écologique " est remplacé par la définition " décret du 25 avril 2014 : le décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement ; " ;
b) les définitions " annexe 2B " et " annexe 2C " sont abrogées ;
c) la définition " établissement classé " est abrogée ;
d) le sous-titre " établissement existant " est remplacé par le sous-titre " établissement classé existant " ;
e) le sous-titre " nouvel établissement " est remplacé par le sous-titre " nouvel établissement classé " ;
f) les définitions suivantes sont ajoutées :
" - le ministre flamand : le ministre flamand qui a l'environnement dans ses attributions ;
- la division compétente pour les agréments : la division Environnement compétente pour le permis d'environnement : la division au sein du département LNE de l'autorité flamande compétente pour le permis d'environnement ;
- zone : sauf autre précision dans la liste de classification ou les chapitres, sections ou sous-sections concernés, une des zones ou catégories d'affectation de zones suivantes :
a) une zone, définie dans les plans de secteur, comportant des prescriptions relatives à la destination telles que visées dans l'arrêté royal du 28 décembre 1972 relatif à la présentation et à la mise en oeuvre des projets de plans et des plans de secteur, ainsi que les zones comparables ;
b) une zone définie dans les plans généraux ou particuliers d'aménagement ;
c) si une catégorie d'affectation de zone a été utilisée dans les plans d'exécution spatiaux régionaux, provinciaux ou communaux, définitivement fixés en exécution du Code flamand de l'Aménagement du Territoire, une des catégories d'affectation de zone suivantes :
1) habitat ;
2) activités économiques ;
3) récréation ;
4) agriculture ;
5) forêt ;
6) réserves et nature ;
7) autres zones vertes ;
8) infrastructure linéaire ;
9) équipements communs et utilitaires ;
10) défrichement et captage d'eau ;
d) une zone déterminée dans des permis de lotir non échus, dûment autorisés ;
e) lorsqu'aucune catégorie d'affectation de zone n'a été indiquée par les prescriptions urbanistiques d'un plan d'exécution spatial, définitivement fixé en exécution du Code flamand de l'Aménagement du Territoire, une zone, définie dans un plan d'exécution spatial régional, provincial ou communal, avec une destination principale comparable aux prescriptions de destination visées dans l'arrêté royal du 28 décembre 1972 relatif à la présentation et à la mise en oeuvre des projets de plans de secteur et des plans de secteur.
Pour l'application du présent arrêté, les catégories d'affectation de zones visées aux points b), c) et d) sont assimilées aux zones correspondantes visées au point a) ;
- zone spécialement protégée : une zone appartenant à l'une ou plusieurs des zones suivantes :
a) les zones de protection spéciale, les zones définitivement fixées qui sont considérées comme des zones spécialement protégées et les zones humides d'importance internationale, conformément au décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel ;
b) une zone dunaire protégée ou une zone agricole importante pour la zone dunaire, telle qu'indiquée en exécution du décret du 14 juillet 1993 portant des mesures de protection des dunes côtières ;
c) les zones vertes, zones naturelles, zones naturelles de valeur scientifique et les zones y assimilées, indiquées sur les plans d'aménagement et les plans d'exécution spatiaux en vigueur dans le cadre de l'aménagement du territoire ;
d) les zones forestières, zones de vallées, zones de sources, zones inondables, zones agricoles d'intérêt écologique ou de valeur écologique et les zones y assimilées, indiquées sur les plans d'aménagement et les plans d'exécution spatiaux en vigueur dans le cadre de l'aménagement du territoire ;
e) un paysage historico-culturel, un site urbain ou rural, un monument ou un site archéologique protégé définitivement ;
f) les zones de captage d'eau et les zones de protection connexes de types I et II, fixées en exécution du décret du 24 janvier 1984 portant des mesures en matière de gestion des eaux souterraines ;
g) le Réseau écologique flamand, conformément au décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel ;
h) un site patrimonial fixé suivant un plan d'aménagement ou un plan d'exécution spatial ;
- valeur limite d'émission : la masse, exprimée en fonction de certains paramètres spécifiques, la concentration et/ou le niveau d'une émission, à ne pas dépasser au cours d'une ou de plusieurs périodes fixées. Les valeurs limites d'émission peuvent également être fixées pour certains groupes, familles ou catégories de substances, notamment celles énumérées à l'annexe 1.1.2. du présent arrêté. Les valeurs limites d'émission des substances sont applicables au point de rejet des émissions à la sortie de l'installation, une dilution éventuelle étant exclue dans leur détermination. En ce qui concerne les rejets indirects de substances polluantes à l'eau, l'effet d'une station d'épuration d'eau peut être pris en considération lors de la détermination des valeurs limites d'émission de l'installation concernée, à condition qu'un niveau équivalent de protection de l'environnement dans son ensemble soit garanti et qu'il n'en résulte pas une augmentation des charges polluantes dans l'environnement ;
- norme de qualité environnementale : une série d'exigences auxquelles il convient de satisfaire à un moment donné dans un environnement donné ou une partie spécifique de celui-ci, conformément à la partie 2 du présent arrêté ;
- substance : tout élément chimique et ses composés, à l'exclusion des substances radioactives et des organismes et micro-organismes génétiquement modifiés ;
- surveillant : la personne désignée en tant que surveillant en vertu du titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement ;
- véhicule : moyen de transport motorisé, à l'exception des navires. " ;
3° entre " DEFINITIONS GENERALES " et " DEFINITIONS PROTECTION DE L'ENVIRONNEMENT INTERNE A L'EXPLOITATION ", les définitions suivantes sont insérées :
" DEFINITIONS AQUACULTURE (Chapitre 5.62)
1° aquaculture : l'élevage ou la culture d'organismes aquatiques mettant en oeuvre des techniques visant à augmenter, au-delà des capacités naturelles du milieu, la production des organismes en question. Les organismes demeurent, tout au long de leur phase d'élevage ou de culture, et jusqu'à leur récolte incluse, la propriété d'une personne physique ou morale ;
2° installation aquacole fermée : une installation située à terre dans laquelle :
a) l'aquaculture est pratiquée dans un milieu aquatique impliquant une recirculation de l'eau ;
b) les rejets n'ont aucun contact que ce soit avec des eaux libres avant tamisage et filtrage ou percolation et traitement, ceci afin d'empêcher la libération de déchets solides dans le milieu aquatique et toute fuite hors de l'installation d'espèces d'élevage et d'espèces non visées susceptibles de survivre et, ultérieurement, de se reproduire ;
c) les pertes d'individus d'élevage ou d'espèces non visées et d'autre matériel biologique, y compris d'éléments pathogènes, dues à des facteurs tels que les prédateurs et les inondations sont empêchées ; l'installation doit ainsi être située à une distance de sécurité des eaux libres après avoir fait l'objet d'une évaluation appropriée réalisée par les autorités compétentes ;
d) les pertes d'individus d'élevage ou d'espèces non visées et d'autre matériel biologique, y compris d'éléments pathogènes, dues au vol et au vandalisme sont empêchées par des moyens raisonnables ;
e) l'élimination appropriée des organismes morts est assurée ;
3° installation aquacole ouverte : une installation dans laquelle l'aquaculture est pratiquée dans un milieu aquatique non séparé du milieu aquatique sauvage par des barrières de nature à empêcher toute fuite d'individus d'élevage ou de matériel biologique susceptibles de survivre et, ultérieurement, de se reproduire ;
4° règlement Aquaculture : le règlement (CE) n° 708/2007 du Conseil du 11 juin 2007 relatif à l'utilisation en aquaculture des espèces exotiques et des espèces localement absentes. " ;
4° entre " DEFINITIONS PROTECTION DE L'ENVIRONNEMENT INTERNE A L'EXPLOITATION " et " DEFINITIONS MAITRISE DES RISQUES ", les définitions suivantes sont insérées :
" DEFINITIONS MEILLEURES TECHNIQUES DISPONIBLES
1° conclusions sur les MTD : le document contenant les parties d'un BREF exposant les conclusions concernant les MTD, leur description, les informations nécessaires pour évaluer leur applicabilité, les niveaux d'émission associés aux meilleures techniques disponibles, les mesures de surveillance associées, les niveaux de consommation associés et, le cas échéant, les mesures pertinentes de remise en état du site ;
2° document de référence MTD, en abrégé BREF : un document issu de l'échange d'informations organisé en application de l'article 13 de la directive 2010/75/UE du Parlement européen et du Conseil du 24 novembre 2010 relative aux émissions industrielles (prévention et réduction intégrées de la pollution), établi pour des activités définies et décrivant, notamment, les techniques mises en oeuvre, les émissions et les niveaux de consommation du moment, les techniques envisagées pour la définition des MTD, ainsi que les conclusions sur les MTD et toute technique émergente, en accordant une attention particulière aux critères énumérés à l'annexe 3.3 du présent arrêté ;
3° meilleures techniques disponibles, en abrégé MTD : le stade de développement le plus efficace et le plus avancé des activités et de leurs modes d'exploitation, démontrant l'aptitude pratique de techniques particulières à constituer en principe la base des valeurs limites d'émission et d'autres conditions d'autorisation visant à éviter et, lorsque cela s'avère impossible, à réduire les émissions et l'impact sur l'environnement dans son ensemble ;
a) par " techniques ", l'on entend aussi bien les techniques employées que la manière dont l'installation est conçue, construite, entretenue, exploitée et mise à l'arrêt ;
b) par " disponibles ", l'on entend les techniques mises au point sur une échelle permettant de les appliquer dans le contexte du secteur industriel concerné, dans des conditions économiquement et techniquement viables, en prenant en considération les coûts et les avantages, que ces techniques soient ou ne soient pas utilisées ou produites sur le territoire de la Région flamande, pour autant que l'exploitant concerné puisse y avoir accès dans des conditions raisonnables ;
c) par " meilleures ", l'on entend les techniques les plus efficaces pour atteindre un niveau général élevé de protection de l'environnement dans son ensemble ;
4° niveaux d'émission associés aux MTD, en abrégé NEA-MTD : la fourchette de niveaux d'émission obtenue dans des conditions d'exploitation normales en utilisant une des meilleures techniques disponibles ou une combinaison de MTD conformément aux indications figurant dans les conclusions sur les MTD, exprimée en moyenne sur une période donnée, dans des conditions de référence spécifiques ;
5° technique émergente : une technique nouvelle pour une activité industrielle, qui, si elle était développée à l'échelle commerciale, pourrait permettre soit d'atteindre un niveau général de protection de l'environnement plus élevé, soit d'atteindre au moins le même niveau de protection de l'environnement et de réaliser des économies plus importantes que les MTD existantes. " ;
5° sous " DEFINITIONS TRAITEMENT DES DECHETS (Chapitre 5.2.) ", les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
6° sous " DEFINITIONS TRAITEMENT DES DECHETS (Chapitre 5.2) GENERALITES ", les définitions suivantes sont ajoutées :
" - déchets : les déchets visés à l'article 3, 1°, du décret du 23 décembre 2011 relatif à la gestion durable de cycles de matériaux et de déchets et ses arrêtés d'exécution. Les définitions visées dans le décret précité et ses arrêtés d'exécution valent également pour l'application du présent arrêté ;
- inhumation collective de cadavres d'animaux de compagnie : toutes les inhumations de cadavres d'animaux de compagnie autres que l'inhumation individuelle par le propriétaire du cadavre dans son propre jardin ;
- cimetière pour animaux : un endroit où les cadavres d'animaux de compagnie sont inhumés collectivement ;
- stockage souterrain des déchets : un site permanent de stockage des déchets dans une cavité géologique profonde telle qu'une mine de sel ou de potassium ;
- épave de véhicule : un véhicule qui est un déchet. " ;
7° sous " DEFINITIONS TRAITEMENT DES DECHETS (Chapitre 5.2.) ", il est ajouté au sous-titre " Décontamination de déchets infectieux (sous-section 5.2.2.13) " un point 10° libellé comme suit :
" 10° infectieux : substances et préparations contenant des micro-organismes viables ou leurs toxines, dont on sait ou dont on a de bonnes raisons de croire qu'ils causent la maladie chez l'homme ou chez d'autres organismes vivants. " ;
8° entre " DEFINITIONS REVETEMENTS " et " DEFINITIONS PESTICIDES ", les définitions suivantes sont insérées :
" DEFINITIONS SOL
1° sol : la couche superficielle de l'écorce terrestre située entre le substratum rocheux et la surface. Le sol est constitué de particules minérales, de matières organiques, d'eau, d'air et d'organismes vivants ;
2° sous-sol : la partie de l'écorce terrestre qui se trouve sous le sol. " ;
9° sous " DEFINITIONS ANIMAUX/STOCKAGE D'ENGRAIS (chapitres 5.9. et 5.28) ", les modifications suivantes sont apportées :
a) entre les définitions " truie " et les définitions " grands mammifères indigènes ", la définition suivante est insérée :
" - jeune truie saillie : un porc femelle sailli, indépendamment de son âge, jusqu'au moment de la première mise bas ; " ;
b) la définition suivante est ajoutée :
" - animal familier : tout animal appartenant à une espèce généralement nourrie et détenue, mais non consommée, par l'homme dans un but autre que l'élevage. " ;
10° entre " DEFINITIONS ANIMAUX/STOCKAGE D'ENGRAIS (chapitres 5.9. et 5.28) ", et " DEFINITIONS RAPPORT ANNUEL D'EMISSION (chapitre 4.1 et annexe 4.1.8) ", les définitions suivantes sont insérées :
" DEFINITIONS SOUS-PRODUITS ANIMAUX (Chapitre 5.2, Section 5.2.1)
1° sous-produits animaux : les sous-produits animaux et produits dérivés non destinés à la consommation humaine, visés dans le Règlement relatif aux sous-produits animaux (CE) n° 1069/2009 et son règlement d'application (UE) n° 142/2011 ;
2° règlement relatif aux sous-produits animaux (CE) n° 1069/2009 : le Règlement (CE) n° 1069/2009 du Parlement européen et du Conseil du 21 octobre 2009 établissant des règles sanitaires applicables aux sous-produits animaux et produits dérivés non destinés à la consommation humaine et abrogeant le Règlement (CE) n° 1774/2002 ;
3° Règlement (UE) n° 142/2011 : le Règlement (UE) n° 142/2011 de la Commission du 25 février 2011 portant application du Règlement (CE) n° 1069/2009 du Parlement européen et du Conseil établissant des règles sanitaires applicables aux sous-produits animaux et produits dérivés non destinés à la consommation humaine et portant application de la Directive 97/78/CE du Conseil en ce qui concerne certains échantillons et articles exemptés des contrôles vétérinaires effectués aux frontières en vertu de cette directive. " ;
11° sous " DEFINITIONS TRAITEMENT DE GAZ (Chapitre 5.16) ", les définitions suivantes sont ajoutées :
" INSTALLATIONS DE DISTRIBUTION DE GAZ NATUREL (Chapitre 5.16)
1° stockage de gaz naturel : les récipients fixes sous pression faisant fonction de stockage de réserve de gaz naturel ou de biogaz épuré à la qualité du gaz naturel, ainsi que les récipients fixes sous pression faisant fonction de réservoirs de décharge de gaz naturel ou de biogaz épuré à la qualité du gaz naturel dans les installations de distribution de gaz naturel ;
2° unités de distribution de gaz naturel (home compressors) : les équipements à remplissage lent pour l'approvisionnement de véhicules motorisés en gaz naturel comprimé ou en biogaz épuré à la qualité du gaz naturel, sans stockage de gaz naturel, composés d'un compresseur unique et d'un ou de plusieurs tuyaux de distribution ;
3° installations de distribution de gaz naturel : les installations pour l'approvisionnement de véhicules motorisés en gaz naturel comprimé ou en biogaz épuré à la qualité du gaz naturel autres que les unités de distribution de gaz naturel, composées d'un ou de plusieurs compresseurs, d'un éventuel stockage de gaz naturel et d'un ou de plusieurs appareils de distribution. " ;
12° entre " DEFINITIONS TRAITEMENT DE GAZ (Chapitre 5.16) ", et " DEFINITIONS BRUIT (Chapitres 2.2., 4.5., 5.32 et 6.7) ", les définitions suivantes sont insérées :
" DEFINITIONS PREVENTION ET REDUCTION INTEGREES DE LA POLLUTION
1° modification substantielle d'une installation IPPC : une modification de la nature ou du fonctionnement ou une extension de l'installation qui est susceptible d'avoir un impact sur l'environnement et qui, selon l'autorité délivrant le permis, peut avoir des incidences négatives significatives sur l'homme ou l'environnement. Au sens de cette définition, toute modification ou extension d'une exploitation est réputée substantielle si la modification ou l'extension en soi répond aux valeurs limites, dans la mesure où celles-ci existent, d'une rubrique ou sous-rubrique de la liste de classification qui est désignée par le symbole X, dans la mesure où ces critères de classification existent ;
2° substances dangereuses : substances ou mélanges tels que visés à l'article 3 du Règlement (CE) n° 1272/2008 du Parlement européen et du Conseil du 16 décembre 2008 relatif à la classification, à l'étiquetage et à l'emballage des substances et des mélanges, modifiant et abrogeant les Directives 67/548/CEE et 1999/45/CE et modifiant le Règlement (CE) n° 1907/2006, en application de l'article 3.3.0.2, 12°, du présent arrêté et en exécution du Règlement (CE) n° 1272/2008 précité ;
3° installation IPPC : une unité technique fixe au sein de laquelle interviennent une ou plusieurs des activités désignées par la lettre X dans la quatrième colonne de la liste de classification, ainsi que toute autre activité s'y rapportant directement, exercée sur le même site, qui est liée techniquement aux activités précitées et qui est susceptible d'avoir des incidences sur les émissions et la pollution. " ;
13° dans Missions gestionnelles relatives à l'évaluation et à la gestion du bruit dans l'environnement (section 2.2.4), " bruit dans l'environnement ", le membre de phrase " telles que définies à l'article 1, 16° du VLAREM " est abrogé ;
14° sous " DEFINITIONS ORGANISMES GENETIQUEMENT MODIFIES ET/OU PATHOGENES ", les définitions suivantes sont ajoutées :
" - utilisateur : toute personne physique ou morale responsable de l'utilisation confinée d'OGM ou d'organismes pathogènes ;
- micro-organisme génétiquement modifié (MGM) ou organisme génétiquement modifié (OGM) : un micro-organisme ou un organisme dont le matériel génétique a été modifié d'une manière qui ne se produit pas naturellement par multiplication et/ou par recombinaison naturelle. Selon cette définition, la modification génétique intervient par application de l'une des techniques énumérées à l'annexe 1.5.1.1. A, partie 1re, à l'exception des techniques énumérées à l'annexe 1.5.1.1. A, partie 2 ;
- expert technique : la Section de Biosécurité et Biotechnologie (SBB) de l'Institut Scientifique de Santé Publique, visée à l'article 4 de l'accord de coopération du 25 avril 1997 entre l'Etat fédéral et les Régions relatif à la coordination administrative et scientifique en matière de biosécurité, qui effectue, sur la base d'une délégation de compétence conformément à l'article 12, § 2 de l'accord de coopération précité, l'évaluation de la biosécurité ;
- instance compétente : la division Environnement compétente pour le permis d'environnement. " ;
15° sous " DEFINITIONS PRODUITS DANGEREUX ET LIQUIDES COMBUSTIBLES " (Chapitres 4.1, 5.17 et 6.5 et sections 5.6.2 et 5.6.3) ", les modifications suivantes sont apportées :
a) les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
b) [2 ...]2
16° sous " DEFINITIONS POLLUTION ATMOSPHERIQUE (parties 3, 4, 5 et 6), les modifications suivantes sont apportées :
a) dans le sous-titre " INSTALLATIONS DE COMBUSTION ", dans la définition " heures d'exploitation ", les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
b) au sous-titre " INSTALLATIONS DE COMBUSTION ", les définitions suivantes sont ajoutées :
" - rénovation substantielle : une rénovation dont le coût dépasse 50 % du coût d'investissement pour une unité neuve comparable ;
- cogénération de qualité : la cogénération qui répond aux conditions pour la cogénération de qualité, reprises à l'annexe I de l'arrêté relatif à l'énergie du 19 novembre 2010 ;
- analyse des coûts et rendements : une comparaison économico-financière entre une installation sans utilisation de la chaleur résiduelle ou utilisation de la cogénération de qualité et une installation similaire dans laquelle la chaleur résiduelle est utilisée utilement ou qui est exploitée comme cogénération de qualité ;
- système de chauffage ou de refroidissement urbain : la distribution d'énergie thermique sous forme de vapeur, d'eau chaude ou de fluides réfrigérants, à partir d'une installation centrale de production par le biais d'un réseau relié à plusieurs bâtiments ou sites, pour le chauffage ou le refroidissement de locaux ou de processus. " ;
17° sous " DEFINITIONS ETABLISSEMENTS DE RELAXATION (Chapitre 5.32) ", les modifications suivantes sont apportées :
a) sous " PISCINES (section 5.32.9) ", les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
b) il est ajouté un sous-titre " Hippothérapie " libellé comme suit :
" HIPPOTHERAPIE
1° hippothérapie : le traitement/l'action thérapeutique ciblé(e) par le cheval. " ;
18° sous " DEFINITIONS PROTECTION DES EAUX DE SURFACE ET DES EAUX SOUTERRAINES (POLITIQUE INTEGREE DE L'EAU) (Chapitres 2.3., 4.2., 5.3. et 6.2. (eaux de surface) et 2.4., 4.3., 5.52., 5.53., 5.54., 5.55 et 6.9 (eaux souterraines)) ", les définitions suivantes sont ajoutées au sous-titre " GENERALITES " :
- eaux usées : les eaux polluées dont on se défait, doit se défaire ou veut se défaire, à l'exception de l'eau de pluie qui n'est pas entrée en contact avec des substances polluantes ;
- eaux usées industrielles : toutes les eaux qui ne répondent pas aux définitions d'eaux usées domestiques ou d'eau de refroidissement ;
- eaux usées domestiques : eaux usées ne comprenant que des eaux provenant :
1° d'activités domestiques normales ;
2° d'installations sanitaires ;
3° de cuisines ;
4° du nettoyage de bâtiments tels que maisons, bureaux, lieux d'activités de commerce en gros ou en détail, salles de représentations, casernes, terrains de camping, prisons, établissements d'enseignement avec ou sans internat, piscines, hôtels, restaurants, débits de boissons, salons de coiffure ;
5° de laveries, dans lesquelles les machines sont commandées par les clients-mêmes.
Les eaux usées provenant de structures de soins qui répondent aux conditions de l'article 5.49.0.4 sont assimilées aux eaux usées domestiques aux fins de l'application du présent arrêté ;
- eau de refroidissement : l'eau utilisée par l'industrie pour le refroidissement et qui n'est pas entrée en contact avec des substances à refroidir ou d'autres substances polluantes ;
- eaux souterraines : toute l'eau qui se trouve sous la surface du sol dans la zone saturée et qui entre en contact direct avec le sol ou le sous-sol ;
- substances dangereuses : en application de l'article 1.4.1.2, § 5, et de l'annexe 2 du présent arrêté, des sections 2.4.3, 4.2.2, 4.2.3, 4.2.5 et 4.3.1, des articles 2.3.6.1, 5.3.2.4, § 7, 5BIS.15.5.4.3.4, 5BIS.15.5.4.3.5, 5BIS.19.8.4.5.4 et 5BIS.19.8.4.5.5, de l'article 3 de l'annexe 2.3.1 et de l'annexe 5.3.2, 21 du présent arrêté, les substances ou groupes de substances qui sont toxiques, persistantes et bioaccumulables, et autres substances ou groupes de substances qui sont considérés, à un degré équivalent, comme sujets à caution ;
- eaux réceptrices : les eaux de surface, les eaux souterraines et les eaux de transition telles que visées à l'article 3, § 2, 3°, 4° et 10°, du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau ;
- substances prioritaires : les substances visées dans la liste III de l'annexe 2C jointe au présent arrêté. En font partie les substances dangereuses prioritaires sur le plan de la politique de l'eau à l'égard desquelles des mesures doivent être arrêtées ;
- polluant : toute substance pouvant entraîner une pollution, telle que visée à l'annexe 2A jointe au présent arrêté ;
- déversement direct dans les eaux souterraines : l'introduction de substances visées à l'annexe 2B, jointe au présent arrêté, dans les eaux souterraines sans infiltration dans le sol ou le sous-sol ;
- déversement indirect dans les eaux souterraines : l'introduction de substances visées à l'annexe 2B, jointe au présent arrêté, dans les eaux souterraines après infiltration dans le sol ou le sous-sol ;
- aquifère : une ou plusieurs couches souterraines de roche ou d'autres couches géologiques d'une porosité et perméabilité suffisantes pour permettre soit un courant significatif d'eau souterraine, soit le captage de quantités importantes d'eau souterraine ; " ;
19° entre " DEFINITIONS PROTECTION DES EAUX DE SURFACE ET DES EAUX SOUTERRAINES (POLITIQUE INTEGREE DE L'EAU) (Chapitres 2.3., 4.2., 5.3. et 6.2. (eaux de surface) et 2.4., 4.3., 5.52., 5.53., 5.54., 5.55 et 6.9 (eaux souterraines)) " et " DEFINITIONS AERODROMES (Chapitre 5.57 ", les définitions suivantes sont insérées :
" DEFINITIONS SEVESO
1° substances dangereuses : en application de l'annexe 5, articles 5.2.6.3.1 et 5.17.1.3, les substances et mélanges présents sous forme de matière première, de produits, de sous-produits, de résidus ou de produits intermédiaires, y compris les substances dont il est raisonnable de penser qu'elles sont générées en cas d'accident ;
2° note de sécurité : document public dans lequel il est démontré que la modification d'un établissement autorisé n'implique pas de risque supplémentaire d'accidents graves pour l'homme et l'environnement par rapport à l'état existant tel que décrit dans un rapport de sécurité environnementale approuvé pour cet établissement, et dans lequel il est démontré, au regard de cette modification, quelles mesures ont été ou peuvent être prises pour prévenir les accidents majeurs et en limiter les conséquences pour l'homme et l'environnement ;
DEFINITIONS SUBSTANCES PULVERULENTES
1° capacité de stockage pour substances pulvérulentes : la superficie du terrain qui est réservée au stockage temporaire de substances pulvérulentes, à l'exception de la superficie d'entrepôts fermés qui répondent aux dispositions de l'article 4.4.7.2.2., alinéa 2. En ce qui concerne les travaux de construction, de démolition ou de voirie, il est uniquement tenu compte de la superficie maximale qui doit être réservée à un certain moment pour le stockage de substances pulvérulentes ;
2° quantité de transbordement de substances pulvérulentes : les quantités de substances pulvérulentes amenées sur le site de l'établissement ou évacuées de celui-ci, la plus importante des deux étant retenue. Pour la détermination de la quantité de transbordement, les substances de la catégorie des substances pulvérulentes SC3, telles que visées à l'article 4.4.7.2. ne sont portées en compte qu'à concurrence de 10 % ;
3° substances pulvérulentes : substances non emballées qui peuvent entraîner des émissions de poussières non contrôlées lors du transport, du traitement, de la fabrication ou du stockage ; " ;
20° les " DEFINITIONS EMISSIONS DE GAZ A EFFET DE SERRE (chapitre 4.10) " sont remplacées par ce qui suit :
" DEFINITIONS EMISSIONS DE GAZ A EFFET DE SERRE (chapitre 4.10)
1° émissions GES :
a) dans le cadre de la première période d'engagement, les émissions de CO2-qui sont surveillées conformément à l'arrêté ministériel du 14 décembre 2007 fixant les lignes directrices pour l'établissement et la modification du " plan de surveillance " pour la période d'échange 2008-2012 ;
b) dans le cadre de la deuxième période d'engagement, les émissions de gaz à effet de serre provenant d'activités désignées par la lettre Y dans la quatrième colonne de la liste de classification, uniquement en ce qui concerne les émissions auxquelles les sous-indices pour la lettre Y ont trait, exprimées en tonnes équivalent dioxyde de carbone ;
2° établissement GES : une unité technique fixe au sein de laquelle interviennent une ou plusieurs des activités désignées par la lettre Y dans la quatrième colonne de la liste de classification, ainsi que toute autre activité s'y rapportant directement, exercée sur le même site, qui est liée techniquement aux activités précitées et qui est susceptible d'avoir des incidences sur les émissions et la pollution ;
3° Gaz à effet de serre :
a) dioxyde de carbone (CO2) ;
b) méthane (CH4) ;
c) protoxyde d'azote (N2O) ;
d) hydrofluorocarbones (HFC) : les gaz à effet de serre fluorés repris dans le groupe I de l'annexe 5.16.5, y compris leurs isomères ;
e) perfluorocarbones (PFC) : les gaz à effet de serre fluorés repris dans le groupe II de l'annexe 5.16.5, y compris leurs isomères ;
f) hexafluorure de soufre (SF6) : le gaz à effet de serre fluoré repris dans le groupe III de l'annexe 5.16.5 ;
4° première période d'engagement : la période du 1er janvier 2008 au 31 décembre 2012 inclus ;
5° rapport annuel sur les émissions :
a) dans le cadre de la première période d'engagement, un rapport sur les émissions GES rejetées au cours de l'année civile précédente, élaboré conformément au modèle arrêté le 23 janvier 2009 par le ministre flamand qui a l'environnement et la politique de l'eau dans ses attributions ;
b) dans le cadre de la deuxième période d'engagement, une déclaration des émissions GES rejetées au cours de l'année civile précédente, qui est établie et au sujet desquelles les déclarations ont été faites conformément au Règlement (UE) n° 601/2012 de la Commission du 21 juin 2012 relatif à la surveillance et à la déclaration des émissions de gaz à effet de serre au titre de la Directive 2003/87/CE du Parlement européen et du Conseil ;
6° quota : un droit transférable autorisant l'émission d'une tonne d'équivalent-dioxyde de carbone de gaz à effet de serre au cours d'une période spécifiée ;
7° période d'échange : une période telle que visée à l'article 1er de l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 décembre 2007 relatif à l'échange de quotas de gaz à effet de serre ;
8° plan de surveillance : un document destiné à la surveillance des émissions GES et établi conformément au Règlement (UE) n° 601/2012 de la Commission du 21 juin 2012 relatif à la surveillance et à la déclaration des émissions de gaz à effet de serre au titre de la Directive 2003/87/CE du Parlement européen et du Conseil ;
9° tonne d'équivalent-dioxyde de carbone : une tonne métrique de dioxyde de carbone (CO2) ou une quantité de tout autre gaz à effet de serre ayant un potentiel de réchauffement planétaire équivalent ;
10° deuxième période d'engagement : la période du 1er janvier 2013 au 31 décembre 2020 inclus ;
11° bureau de vérification : l'organisation désignée pour assurer l'exécution correcte de la convention flamande de Benchmarking relative à l'efficacité énergétique dans l'industrie du 29 novembre 2002, telle que prévue à l'article 10 de la convention précitée ; " ;
21° sous " DEFINITIONS EOLIENNES ", les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation d'un établissement classé ou d'une activité classée ".
1° la phrase " Les notions et définitions contenues à l'article 1er de l'arrêté de l'Exécutif flamand du 6 février 1991 fixant le règlement flamand relatif à l'autorisation écologique, ci-après dénommé Titre I du VLAREM, s'appliquent également au présent arrêté. " est remplacée par la phrase " Sauf stipulation contraire dans le présent arrêté, les définitions visées à l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand [1 du 27 novembre 2015 portant exécution du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement]1 sont également applicables dans le présent arrêté. " ;
2° sous " DEFINITIONS GENERALES ", les modifications suivantes sont apportées :
a) la définition " décret relatif à l'autorisation écologique " est remplacé par la définition " décret du 25 avril 2014 : le décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement ; " ;
b) les définitions " annexe 2B " et " annexe 2C " sont abrogées ;
c) la définition " établissement classé " est abrogée ;
d) le sous-titre " établissement existant " est remplacé par le sous-titre " établissement classé existant " ;
e) le sous-titre " nouvel établissement " est remplacé par le sous-titre " nouvel établissement classé " ;
f) les définitions suivantes sont ajoutées :
" - le ministre flamand : le ministre flamand qui a l'environnement dans ses attributions ;
- la division compétente pour les agréments : la division Environnement compétente pour le permis d'environnement : la division au sein du département LNE de l'autorité flamande compétente pour le permis d'environnement ;
- zone : sauf autre précision dans la liste de classification ou les chapitres, sections ou sous-sections concernés, une des zones ou catégories d'affectation de zones suivantes :
a) une zone, définie dans les plans de secteur, comportant des prescriptions relatives à la destination telles que visées dans l'arrêté royal du 28 décembre 1972 relatif à la présentation et à la mise en oeuvre des projets de plans et des plans de secteur, ainsi que les zones comparables ;
b) une zone définie dans les plans généraux ou particuliers d'aménagement ;
c) si une catégorie d'affectation de zone a été utilisée dans les plans d'exécution spatiaux régionaux, provinciaux ou communaux, définitivement fixés en exécution du Code flamand de l'Aménagement du Territoire, une des catégories d'affectation de zone suivantes :
1) habitat ;
2) activités économiques ;
3) récréation ;
4) agriculture ;
5) forêt ;
6) réserves et nature ;
7) autres zones vertes ;
8) infrastructure linéaire ;
9) équipements communs et utilitaires ;
10) défrichement et captage d'eau ;
d) une zone déterminée dans des permis de lotir non échus, dûment autorisés ;
e) lorsqu'aucune catégorie d'affectation de zone n'a été indiquée par les prescriptions urbanistiques d'un plan d'exécution spatial, définitivement fixé en exécution du Code flamand de l'Aménagement du Territoire, une zone, définie dans un plan d'exécution spatial régional, provincial ou communal, avec une destination principale comparable aux prescriptions de destination visées dans l'arrêté royal du 28 décembre 1972 relatif à la présentation et à la mise en oeuvre des projets de plans de secteur et des plans de secteur.
Pour l'application du présent arrêté, les catégories d'affectation de zones visées aux points b), c) et d) sont assimilées aux zones correspondantes visées au point a) ;
- zone spécialement protégée : une zone appartenant à l'une ou plusieurs des zones suivantes :
a) les zones de protection spéciale, les zones définitivement fixées qui sont considérées comme des zones spécialement protégées et les zones humides d'importance internationale, conformément au décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel ;
b) une zone dunaire protégée ou une zone agricole importante pour la zone dunaire, telle qu'indiquée en exécution du décret du 14 juillet 1993 portant des mesures de protection des dunes côtières ;
c) les zones vertes, zones naturelles, zones naturelles de valeur scientifique et les zones y assimilées, indiquées sur les plans d'aménagement et les plans d'exécution spatiaux en vigueur dans le cadre de l'aménagement du territoire ;
d) les zones forestières, zones de vallées, zones de sources, zones inondables, zones agricoles d'intérêt écologique ou de valeur écologique et les zones y assimilées, indiquées sur les plans d'aménagement et les plans d'exécution spatiaux en vigueur dans le cadre de l'aménagement du territoire ;
e) un paysage historico-culturel, un site urbain ou rural, un monument ou un site archéologique protégé définitivement ;
f) les zones de captage d'eau et les zones de protection connexes de types I et II, fixées en exécution du décret du 24 janvier 1984 portant des mesures en matière de gestion des eaux souterraines ;
g) le Réseau écologique flamand, conformément au décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel ;
h) un site patrimonial fixé suivant un plan d'aménagement ou un plan d'exécution spatial ;
- valeur limite d'émission : la masse, exprimée en fonction de certains paramètres spécifiques, la concentration et/ou le niveau d'une émission, à ne pas dépasser au cours d'une ou de plusieurs périodes fixées. Les valeurs limites d'émission peuvent également être fixées pour certains groupes, familles ou catégories de substances, notamment celles énumérées à l'annexe 1.1.2. du présent arrêté. Les valeurs limites d'émission des substances sont applicables au point de rejet des émissions à la sortie de l'installation, une dilution éventuelle étant exclue dans leur détermination. En ce qui concerne les rejets indirects de substances polluantes à l'eau, l'effet d'une station d'épuration d'eau peut être pris en considération lors de la détermination des valeurs limites d'émission de l'installation concernée, à condition qu'un niveau équivalent de protection de l'environnement dans son ensemble soit garanti et qu'il n'en résulte pas une augmentation des charges polluantes dans l'environnement ;
- norme de qualité environnementale : une série d'exigences auxquelles il convient de satisfaire à un moment donné dans un environnement donné ou une partie spécifique de celui-ci, conformément à la partie 2 du présent arrêté ;
- substance : tout élément chimique et ses composés, à l'exclusion des substances radioactives et des organismes et micro-organismes génétiquement modifiés ;
- surveillant : la personne désignée en tant que surveillant en vertu du titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement ;
- véhicule : moyen de transport motorisé, à l'exception des navires. " ;
3° entre " DEFINITIONS GENERALES " et " DEFINITIONS PROTECTION DE L'ENVIRONNEMENT INTERNE A L'EXPLOITATION ", les définitions suivantes sont insérées :
" DEFINITIONS AQUACULTURE (Chapitre 5.62)
1° aquaculture : l'élevage ou la culture d'organismes aquatiques mettant en oeuvre des techniques visant à augmenter, au-delà des capacités naturelles du milieu, la production des organismes en question. Les organismes demeurent, tout au long de leur phase d'élevage ou de culture, et jusqu'à leur récolte incluse, la propriété d'une personne physique ou morale ;
2° installation aquacole fermée : une installation située à terre dans laquelle :
a) l'aquaculture est pratiquée dans un milieu aquatique impliquant une recirculation de l'eau ;
b) les rejets n'ont aucun contact que ce soit avec des eaux libres avant tamisage et filtrage ou percolation et traitement, ceci afin d'empêcher la libération de déchets solides dans le milieu aquatique et toute fuite hors de l'installation d'espèces d'élevage et d'espèces non visées susceptibles de survivre et, ultérieurement, de se reproduire ;
c) les pertes d'individus d'élevage ou d'espèces non visées et d'autre matériel biologique, y compris d'éléments pathogènes, dues à des facteurs tels que les prédateurs et les inondations sont empêchées ; l'installation doit ainsi être située à une distance de sécurité des eaux libres après avoir fait l'objet d'une évaluation appropriée réalisée par les autorités compétentes ;
d) les pertes d'individus d'élevage ou d'espèces non visées et d'autre matériel biologique, y compris d'éléments pathogènes, dues au vol et au vandalisme sont empêchées par des moyens raisonnables ;
e) l'élimination appropriée des organismes morts est assurée ;
3° installation aquacole ouverte : une installation dans laquelle l'aquaculture est pratiquée dans un milieu aquatique non séparé du milieu aquatique sauvage par des barrières de nature à empêcher toute fuite d'individus d'élevage ou de matériel biologique susceptibles de survivre et, ultérieurement, de se reproduire ;
4° règlement Aquaculture : le règlement (CE) n° 708/2007 du Conseil du 11 juin 2007 relatif à l'utilisation en aquaculture des espèces exotiques et des espèces localement absentes. " ;
4° entre " DEFINITIONS PROTECTION DE L'ENVIRONNEMENT INTERNE A L'EXPLOITATION " et " DEFINITIONS MAITRISE DES RISQUES ", les définitions suivantes sont insérées :
" DEFINITIONS MEILLEURES TECHNIQUES DISPONIBLES
1° conclusions sur les MTD : le document contenant les parties d'un BREF exposant les conclusions concernant les MTD, leur description, les informations nécessaires pour évaluer leur applicabilité, les niveaux d'émission associés aux meilleures techniques disponibles, les mesures de surveillance associées, les niveaux de consommation associés et, le cas échéant, les mesures pertinentes de remise en état du site ;
2° document de référence MTD, en abrégé BREF : un document issu de l'échange d'informations organisé en application de l'article 13 de la directive 2010/75/UE du Parlement européen et du Conseil du 24 novembre 2010 relative aux émissions industrielles (prévention et réduction intégrées de la pollution), établi pour des activités définies et décrivant, notamment, les techniques mises en oeuvre, les émissions et les niveaux de consommation du moment, les techniques envisagées pour la définition des MTD, ainsi que les conclusions sur les MTD et toute technique émergente, en accordant une attention particulière aux critères énumérés à l'annexe 3.3 du présent arrêté ;
3° meilleures techniques disponibles, en abrégé MTD : le stade de développement le plus efficace et le plus avancé des activités et de leurs modes d'exploitation, démontrant l'aptitude pratique de techniques particulières à constituer en principe la base des valeurs limites d'émission et d'autres conditions d'autorisation visant à éviter et, lorsque cela s'avère impossible, à réduire les émissions et l'impact sur l'environnement dans son ensemble ;
a) par " techniques ", l'on entend aussi bien les techniques employées que la manière dont l'installation est conçue, construite, entretenue, exploitée et mise à l'arrêt ;
b) par " disponibles ", l'on entend les techniques mises au point sur une échelle permettant de les appliquer dans le contexte du secteur industriel concerné, dans des conditions économiquement et techniquement viables, en prenant en considération les coûts et les avantages, que ces techniques soient ou ne soient pas utilisées ou produites sur le territoire de la Région flamande, pour autant que l'exploitant concerné puisse y avoir accès dans des conditions raisonnables ;
c) par " meilleures ", l'on entend les techniques les plus efficaces pour atteindre un niveau général élevé de protection de l'environnement dans son ensemble ;
4° niveaux d'émission associés aux MTD, en abrégé NEA-MTD : la fourchette de niveaux d'émission obtenue dans des conditions d'exploitation normales en utilisant une des meilleures techniques disponibles ou une combinaison de MTD conformément aux indications figurant dans les conclusions sur les MTD, exprimée en moyenne sur une période donnée, dans des conditions de référence spécifiques ;
5° technique émergente : une technique nouvelle pour une activité industrielle, qui, si elle était développée à l'échelle commerciale, pourrait permettre soit d'atteindre un niveau général de protection de l'environnement plus élevé, soit d'atteindre au moins le même niveau de protection de l'environnement et de réaliser des économies plus importantes que les MTD existantes. " ;
5° sous " DEFINITIONS TRAITEMENT DES DECHETS (Chapitre 5.2.) ", les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
6° sous " DEFINITIONS TRAITEMENT DES DECHETS (Chapitre 5.2) GENERALITES ", les définitions suivantes sont ajoutées :
" - déchets : les déchets visés à l'article 3, 1°, du décret du 23 décembre 2011 relatif à la gestion durable de cycles de matériaux et de déchets et ses arrêtés d'exécution. Les définitions visées dans le décret précité et ses arrêtés d'exécution valent également pour l'application du présent arrêté ;
- inhumation collective de cadavres d'animaux de compagnie : toutes les inhumations de cadavres d'animaux de compagnie autres que l'inhumation individuelle par le propriétaire du cadavre dans son propre jardin ;
- cimetière pour animaux : un endroit où les cadavres d'animaux de compagnie sont inhumés collectivement ;
- stockage souterrain des déchets : un site permanent de stockage des déchets dans une cavité géologique profonde telle qu'une mine de sel ou de potassium ;
- épave de véhicule : un véhicule qui est un déchet. " ;
7° sous " DEFINITIONS TRAITEMENT DES DECHETS (Chapitre 5.2.) ", il est ajouté au sous-titre " Décontamination de déchets infectieux (sous-section 5.2.2.13) " un point 10° libellé comme suit :
" 10° infectieux : substances et préparations contenant des micro-organismes viables ou leurs toxines, dont on sait ou dont on a de bonnes raisons de croire qu'ils causent la maladie chez l'homme ou chez d'autres organismes vivants. " ;
8° entre " DEFINITIONS REVETEMENTS " et " DEFINITIONS PESTICIDES ", les définitions suivantes sont insérées :
" DEFINITIONS SOL
1° sol : la couche superficielle de l'écorce terrestre située entre le substratum rocheux et la surface. Le sol est constitué de particules minérales, de matières organiques, d'eau, d'air et d'organismes vivants ;
2° sous-sol : la partie de l'écorce terrestre qui se trouve sous le sol. " ;
9° sous " DEFINITIONS ANIMAUX/STOCKAGE D'ENGRAIS (chapitres 5.9. et 5.28) ", les modifications suivantes sont apportées :
a) entre les définitions " truie " et les définitions " grands mammifères indigènes ", la définition suivante est insérée :
" - jeune truie saillie : un porc femelle sailli, indépendamment de son âge, jusqu'au moment de la première mise bas ; " ;
b) la définition suivante est ajoutée :
" - animal familier : tout animal appartenant à une espèce généralement nourrie et détenue, mais non consommée, par l'homme dans un but autre que l'élevage. " ;
10° entre " DEFINITIONS ANIMAUX/STOCKAGE D'ENGRAIS (chapitres 5.9. et 5.28) ", et " DEFINITIONS RAPPORT ANNUEL D'EMISSION (chapitre 4.1 et annexe 4.1.8) ", les définitions suivantes sont insérées :
" DEFINITIONS SOUS-PRODUITS ANIMAUX (Chapitre 5.2, Section 5.2.1)
1° sous-produits animaux : les sous-produits animaux et produits dérivés non destinés à la consommation humaine, visés dans le Règlement relatif aux sous-produits animaux (CE) n° 1069/2009 et son règlement d'application (UE) n° 142/2011 ;
2° règlement relatif aux sous-produits animaux (CE) n° 1069/2009 : le Règlement (CE) n° 1069/2009 du Parlement européen et du Conseil du 21 octobre 2009 établissant des règles sanitaires applicables aux sous-produits animaux et produits dérivés non destinés à la consommation humaine et abrogeant le Règlement (CE) n° 1774/2002 ;
3° Règlement (UE) n° 142/2011 : le Règlement (UE) n° 142/2011 de la Commission du 25 février 2011 portant application du Règlement (CE) n° 1069/2009 du Parlement européen et du Conseil établissant des règles sanitaires applicables aux sous-produits animaux et produits dérivés non destinés à la consommation humaine et portant application de la Directive 97/78/CE du Conseil en ce qui concerne certains échantillons et articles exemptés des contrôles vétérinaires effectués aux frontières en vertu de cette directive. " ;
11° sous " DEFINITIONS TRAITEMENT DE GAZ (Chapitre 5.16) ", les définitions suivantes sont ajoutées :
" INSTALLATIONS DE DISTRIBUTION DE GAZ NATUREL (Chapitre 5.16)
1° stockage de gaz naturel : les récipients fixes sous pression faisant fonction de stockage de réserve de gaz naturel ou de biogaz épuré à la qualité du gaz naturel, ainsi que les récipients fixes sous pression faisant fonction de réservoirs de décharge de gaz naturel ou de biogaz épuré à la qualité du gaz naturel dans les installations de distribution de gaz naturel ;
2° unités de distribution de gaz naturel (home compressors) : les équipements à remplissage lent pour l'approvisionnement de véhicules motorisés en gaz naturel comprimé ou en biogaz épuré à la qualité du gaz naturel, sans stockage de gaz naturel, composés d'un compresseur unique et d'un ou de plusieurs tuyaux de distribution ;
3° installations de distribution de gaz naturel : les installations pour l'approvisionnement de véhicules motorisés en gaz naturel comprimé ou en biogaz épuré à la qualité du gaz naturel autres que les unités de distribution de gaz naturel, composées d'un ou de plusieurs compresseurs, d'un éventuel stockage de gaz naturel et d'un ou de plusieurs appareils de distribution. " ;
12° entre " DEFINITIONS TRAITEMENT DE GAZ (Chapitre 5.16) ", et " DEFINITIONS BRUIT (Chapitres 2.2., 4.5., 5.32 et 6.7) ", les définitions suivantes sont insérées :
" DEFINITIONS PREVENTION ET REDUCTION INTEGREES DE LA POLLUTION
1° modification substantielle d'une installation IPPC : une modification de la nature ou du fonctionnement ou une extension de l'installation qui est susceptible d'avoir un impact sur l'environnement et qui, selon l'autorité délivrant le permis, peut avoir des incidences négatives significatives sur l'homme ou l'environnement. Au sens de cette définition, toute modification ou extension d'une exploitation est réputée substantielle si la modification ou l'extension en soi répond aux valeurs limites, dans la mesure où celles-ci existent, d'une rubrique ou sous-rubrique de la liste de classification qui est désignée par le symbole X, dans la mesure où ces critères de classification existent ;
2° substances dangereuses : substances ou mélanges tels que visés à l'article 3 du Règlement (CE) n° 1272/2008 du Parlement européen et du Conseil du 16 décembre 2008 relatif à la classification, à l'étiquetage et à l'emballage des substances et des mélanges, modifiant et abrogeant les Directives 67/548/CEE et 1999/45/CE et modifiant le Règlement (CE) n° 1907/2006, en application de l'article 3.3.0.2, 12°, du présent arrêté et en exécution du Règlement (CE) n° 1272/2008 précité ;
3° installation IPPC : une unité technique fixe au sein de laquelle interviennent une ou plusieurs des activités désignées par la lettre X dans la quatrième colonne de la liste de classification, ainsi que toute autre activité s'y rapportant directement, exercée sur le même site, qui est liée techniquement aux activités précitées et qui est susceptible d'avoir des incidences sur les émissions et la pollution. " ;
13° dans Missions gestionnelles relatives à l'évaluation et à la gestion du bruit dans l'environnement (section 2.2.4), " bruit dans l'environnement ", le membre de phrase " telles que définies à l'article 1, 16° du VLAREM " est abrogé ;
14° sous " DEFINITIONS ORGANISMES GENETIQUEMENT MODIFIES ET/OU PATHOGENES ", les définitions suivantes sont ajoutées :
" - utilisateur : toute personne physique ou morale responsable de l'utilisation confinée d'OGM ou d'organismes pathogènes ;
- micro-organisme génétiquement modifié (MGM) ou organisme génétiquement modifié (OGM) : un micro-organisme ou un organisme dont le matériel génétique a été modifié d'une manière qui ne se produit pas naturellement par multiplication et/ou par recombinaison naturelle. Selon cette définition, la modification génétique intervient par application de l'une des techniques énumérées à l'annexe 1.5.1.1. A, partie 1re, à l'exception des techniques énumérées à l'annexe 1.5.1.1. A, partie 2 ;
- expert technique : la Section de Biosécurité et Biotechnologie (SBB) de l'Institut Scientifique de Santé Publique, visée à l'article 4 de l'accord de coopération du 25 avril 1997 entre l'Etat fédéral et les Régions relatif à la coordination administrative et scientifique en matière de biosécurité, qui effectue, sur la base d'une délégation de compétence conformément à l'article 12, § 2 de l'accord de coopération précité, l'évaluation de la biosécurité ;
- instance compétente : la division Environnement compétente pour le permis d'environnement. " ;
15° sous " DEFINITIONS PRODUITS DANGEREUX ET LIQUIDES COMBUSTIBLES " (Chapitres 4.1, 5.17 et 6.5 et sections 5.6.2 et 5.6.3) ", les modifications suivantes sont apportées :
a) les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
b) [2 ...]2
16° sous " DEFINITIONS POLLUTION ATMOSPHERIQUE (parties 3, 4, 5 et 6), les modifications suivantes sont apportées :
a) dans le sous-titre " INSTALLATIONS DE COMBUSTION ", dans la définition " heures d'exploitation ", les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
b) au sous-titre " INSTALLATIONS DE COMBUSTION ", les définitions suivantes sont ajoutées :
" - rénovation substantielle : une rénovation dont le coût dépasse 50 % du coût d'investissement pour une unité neuve comparable ;
- cogénération de qualité : la cogénération qui répond aux conditions pour la cogénération de qualité, reprises à l'annexe I de l'arrêté relatif à l'énergie du 19 novembre 2010 ;
- analyse des coûts et rendements : une comparaison économico-financière entre une installation sans utilisation de la chaleur résiduelle ou utilisation de la cogénération de qualité et une installation similaire dans laquelle la chaleur résiduelle est utilisée utilement ou qui est exploitée comme cogénération de qualité ;
- système de chauffage ou de refroidissement urbain : la distribution d'énergie thermique sous forme de vapeur, d'eau chaude ou de fluides réfrigérants, à partir d'une installation centrale de production par le biais d'un réseau relié à plusieurs bâtiments ou sites, pour le chauffage ou le refroidissement de locaux ou de processus. " ;
17° sous " DEFINITIONS ETABLISSEMENTS DE RELAXATION (Chapitre 5.32) ", les modifications suivantes sont apportées :
a) sous " PISCINES (section 5.32.9) ", les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
b) il est ajouté un sous-titre " Hippothérapie " libellé comme suit :
" HIPPOTHERAPIE
1° hippothérapie : le traitement/l'action thérapeutique ciblé(e) par le cheval. " ;
18° sous " DEFINITIONS PROTECTION DES EAUX DE SURFACE ET DES EAUX SOUTERRAINES (POLITIQUE INTEGREE DE L'EAU) (Chapitres 2.3., 4.2., 5.3. et 6.2. (eaux de surface) et 2.4., 4.3., 5.52., 5.53., 5.54., 5.55 et 6.9 (eaux souterraines)) ", les définitions suivantes sont ajoutées au sous-titre " GENERALITES " :
- eaux usées : les eaux polluées dont on se défait, doit se défaire ou veut se défaire, à l'exception de l'eau de pluie qui n'est pas entrée en contact avec des substances polluantes ;
- eaux usées industrielles : toutes les eaux qui ne répondent pas aux définitions d'eaux usées domestiques ou d'eau de refroidissement ;
- eaux usées domestiques : eaux usées ne comprenant que des eaux provenant :
1° d'activités domestiques normales ;
2° d'installations sanitaires ;
3° de cuisines ;
4° du nettoyage de bâtiments tels que maisons, bureaux, lieux d'activités de commerce en gros ou en détail, salles de représentations, casernes, terrains de camping, prisons, établissements d'enseignement avec ou sans internat, piscines, hôtels, restaurants, débits de boissons, salons de coiffure ;
5° de laveries, dans lesquelles les machines sont commandées par les clients-mêmes.
Les eaux usées provenant de structures de soins qui répondent aux conditions de l'article 5.49.0.4 sont assimilées aux eaux usées domestiques aux fins de l'application du présent arrêté ;
- eau de refroidissement : l'eau utilisée par l'industrie pour le refroidissement et qui n'est pas entrée en contact avec des substances à refroidir ou d'autres substances polluantes ;
- eaux souterraines : toute l'eau qui se trouve sous la surface du sol dans la zone saturée et qui entre en contact direct avec le sol ou le sous-sol ;
- substances dangereuses : en application de l'article 1.4.1.2, § 5, et de l'annexe 2 du présent arrêté, des sections 2.4.3, 4.2.2, 4.2.3, 4.2.5 et 4.3.1, des articles 2.3.6.1, 5.3.2.4, § 7, 5BIS.15.5.4.3.4, 5BIS.15.5.4.3.5, 5BIS.19.8.4.5.4 et 5BIS.19.8.4.5.5, de l'article 3 de l'annexe 2.3.1 et de l'annexe 5.3.2, 21 du présent arrêté, les substances ou groupes de substances qui sont toxiques, persistantes et bioaccumulables, et autres substances ou groupes de substances qui sont considérés, à un degré équivalent, comme sujets à caution ;
- eaux réceptrices : les eaux de surface, les eaux souterraines et les eaux de transition telles que visées à l'article 3, § 2, 3°, 4° et 10°, du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau ;
- substances prioritaires : les substances visées dans la liste III de l'annexe 2C jointe au présent arrêté. En font partie les substances dangereuses prioritaires sur le plan de la politique de l'eau à l'égard desquelles des mesures doivent être arrêtées ;
- polluant : toute substance pouvant entraîner une pollution, telle que visée à l'annexe 2A jointe au présent arrêté ;
- déversement direct dans les eaux souterraines : l'introduction de substances visées à l'annexe 2B, jointe au présent arrêté, dans les eaux souterraines sans infiltration dans le sol ou le sous-sol ;
- déversement indirect dans les eaux souterraines : l'introduction de substances visées à l'annexe 2B, jointe au présent arrêté, dans les eaux souterraines après infiltration dans le sol ou le sous-sol ;
- aquifère : une ou plusieurs couches souterraines de roche ou d'autres couches géologiques d'une porosité et perméabilité suffisantes pour permettre soit un courant significatif d'eau souterraine, soit le captage de quantités importantes d'eau souterraine ; " ;
19° entre " DEFINITIONS PROTECTION DES EAUX DE SURFACE ET DES EAUX SOUTERRAINES (POLITIQUE INTEGREE DE L'EAU) (Chapitres 2.3., 4.2., 5.3. et 6.2. (eaux de surface) et 2.4., 4.3., 5.52., 5.53., 5.54., 5.55 et 6.9 (eaux souterraines)) " et " DEFINITIONS AERODROMES (Chapitre 5.57 ", les définitions suivantes sont insérées :
" DEFINITIONS SEVESO
1° substances dangereuses : en application de l'annexe 5, articles 5.2.6.3.1 et 5.17.1.3, les substances et mélanges présents sous forme de matière première, de produits, de sous-produits, de résidus ou de produits intermédiaires, y compris les substances dont il est raisonnable de penser qu'elles sont générées en cas d'accident ;
2° note de sécurité : document public dans lequel il est démontré que la modification d'un établissement autorisé n'implique pas de risque supplémentaire d'accidents graves pour l'homme et l'environnement par rapport à l'état existant tel que décrit dans un rapport de sécurité environnementale approuvé pour cet établissement, et dans lequel il est démontré, au regard de cette modification, quelles mesures ont été ou peuvent être prises pour prévenir les accidents majeurs et en limiter les conséquences pour l'homme et l'environnement ;
DEFINITIONS SUBSTANCES PULVERULENTES
1° capacité de stockage pour substances pulvérulentes : la superficie du terrain qui est réservée au stockage temporaire de substances pulvérulentes, à l'exception de la superficie d'entrepôts fermés qui répondent aux dispositions de l'article 4.4.7.2.2., alinéa 2. En ce qui concerne les travaux de construction, de démolition ou de voirie, il est uniquement tenu compte de la superficie maximale qui doit être réservée à un certain moment pour le stockage de substances pulvérulentes ;
2° quantité de transbordement de substances pulvérulentes : les quantités de substances pulvérulentes amenées sur le site de l'établissement ou évacuées de celui-ci, la plus importante des deux étant retenue. Pour la détermination de la quantité de transbordement, les substances de la catégorie des substances pulvérulentes SC3, telles que visées à l'article 4.4.7.2. ne sont portées en compte qu'à concurrence de 10 % ;
3° substances pulvérulentes : substances non emballées qui peuvent entraîner des émissions de poussières non contrôlées lors du transport, du traitement, de la fabrication ou du stockage ; " ;
20° les " DEFINITIONS EMISSIONS DE GAZ A EFFET DE SERRE (chapitre 4.10) " sont remplacées par ce qui suit :
" DEFINITIONS EMISSIONS DE GAZ A EFFET DE SERRE (chapitre 4.10)
1° émissions GES :
a) dans le cadre de la première période d'engagement, les émissions de CO2-qui sont surveillées conformément à l'arrêté ministériel du 14 décembre 2007 fixant les lignes directrices pour l'établissement et la modification du " plan de surveillance " pour la période d'échange 2008-2012 ;
b) dans le cadre de la deuxième période d'engagement, les émissions de gaz à effet de serre provenant d'activités désignées par la lettre Y dans la quatrième colonne de la liste de classification, uniquement en ce qui concerne les émissions auxquelles les sous-indices pour la lettre Y ont trait, exprimées en tonnes équivalent dioxyde de carbone ;
2° établissement GES : une unité technique fixe au sein de laquelle interviennent une ou plusieurs des activités désignées par la lettre Y dans la quatrième colonne de la liste de classification, ainsi que toute autre activité s'y rapportant directement, exercée sur le même site, qui est liée techniquement aux activités précitées et qui est susceptible d'avoir des incidences sur les émissions et la pollution ;
3° Gaz à effet de serre :
a) dioxyde de carbone (CO2) ;
b) méthane (CH4) ;
c) protoxyde d'azote (N2O) ;
d) hydrofluorocarbones (HFC) : les gaz à effet de serre fluorés repris dans le groupe I de l'annexe 5.16.5, y compris leurs isomères ;
e) perfluorocarbones (PFC) : les gaz à effet de serre fluorés repris dans le groupe II de l'annexe 5.16.5, y compris leurs isomères ;
f) hexafluorure de soufre (SF6) : le gaz à effet de serre fluoré repris dans le groupe III de l'annexe 5.16.5 ;
4° première période d'engagement : la période du 1er janvier 2008 au 31 décembre 2012 inclus ;
5° rapport annuel sur les émissions :
a) dans le cadre de la première période d'engagement, un rapport sur les émissions GES rejetées au cours de l'année civile précédente, élaboré conformément au modèle arrêté le 23 janvier 2009 par le ministre flamand qui a l'environnement et la politique de l'eau dans ses attributions ;
b) dans le cadre de la deuxième période d'engagement, une déclaration des émissions GES rejetées au cours de l'année civile précédente, qui est établie et au sujet desquelles les déclarations ont été faites conformément au Règlement (UE) n° 601/2012 de la Commission du 21 juin 2012 relatif à la surveillance et à la déclaration des émissions de gaz à effet de serre au titre de la Directive 2003/87/CE du Parlement européen et du Conseil ;
6° quota : un droit transférable autorisant l'émission d'une tonne d'équivalent-dioxyde de carbone de gaz à effet de serre au cours d'une période spécifiée ;
7° période d'échange : une période telle que visée à l'article 1er de l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 décembre 2007 relatif à l'échange de quotas de gaz à effet de serre ;
8° plan de surveillance : un document destiné à la surveillance des émissions GES et établi conformément au Règlement (UE) n° 601/2012 de la Commission du 21 juin 2012 relatif à la surveillance et à la déclaration des émissions de gaz à effet de serre au titre de la Directive 2003/87/CE du Parlement européen et du Conseil ;
9° tonne d'équivalent-dioxyde de carbone : une tonne métrique de dioxyde de carbone (CO2) ou une quantité de tout autre gaz à effet de serre ayant un potentiel de réchauffement planétaire équivalent ;
10° deuxième période d'engagement : la période du 1er janvier 2013 au 31 décembre 2020 inclus ;
11° bureau de vérification : l'organisation désignée pour assurer l'exécution correcte de la convention flamande de Benchmarking relative à l'efficacité énergétique dans l'industrie du 29 novembre 2002, telle que prévue à l'article 10 de la convention précitée ; " ;
21° sous " DEFINITIONS EOLIENNES ", les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation d'un établissement classé ou d'une activité classée ".
Art. 166. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 februari 2015, wordt een hoofdstuk 1.1.BIS ingevoegd, dat bestaat uit artikel 1.1bis/1, dat luidt als volgt :
"Hoofdstuk 1.1.BIS. - De indelingslijst
Art. 1.1bis/1. De indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, is opgenomen in bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd.".
"Hoofdstuk 1.1.BIS. - De indelingslijst
Art. 1.1bis/1. De indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, is opgenomen in bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd.".
Art. 166. Dans le même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 février 2015, il est inséré un chapitre 1.1.BIS, consistant en l'article 1.1bis/1, libellé comme suit :
" Chapitre 1.1.BIS. - La liste de classification
Art. 1.1bis/1. La liste de classification, visée à l'article 5.2.1, § 1er, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, est reprise à l'annexe 1 jointe au présent arrêté. ".
" Chapitre 1.1.BIS. - La liste de classification
Art. 1.1bis/1. La liste de classification, visée à l'article 5.2.1, § 1er, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, est reprise à l'annexe 1 jointe au présent arrêté. ".
Art. 167. In artikel 1.2.2.1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en 19 september 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1, tweede lid, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
2° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt :
" § 2. De afwijking, vermeld in het eerste lid, is geldig tot een van de volgende gevallen zich voordoet :
1° de geldigheidsduur van de omgevingsvergunning waarop ze betrekking heeft verstrijkt;
2° als de afwijking voor een beperkte termijn is verleend : bij het verstrijken van die termijn;
3° als de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 van het decreet van 25 april 2014, als gevolg van :
a) een evaluatie als vermeld in artikel 1.4.1.1 of 1.4.2.1, de bijzondere milieuvoorwaarden bijstelt en die strenger zijn dan de voorwaarden die gelden als gevolg van de verleende afwijking;
b) een verzoek of ambtshalve initiatief tot bijstelling van het voorwerp of de duur van de omgevingsvergunning, vermeld in artikel 83 van het decreet van 25 april 2014, de bijzondere milieuvoorwaarden bijstelt en die strenger zijn dan de voorwaarden die gelden als gevolg van de verleende afwijking;
4° de voorwaarden waarvan afwijking is verleend, worden opgeheven of vervangen door andere voorwaarden.";
3° in paragraaf 4 wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
1° in paragraaf 1, tweede lid, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
2° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt :
" § 2. De afwijking, vermeld in het eerste lid, is geldig tot een van de volgende gevallen zich voordoet :
1° de geldigheidsduur van de omgevingsvergunning waarop ze betrekking heeft verstrijkt;
2° als de afwijking voor een beperkte termijn is verleend : bij het verstrijken van die termijn;
3° als de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 van het decreet van 25 april 2014, als gevolg van :
a) een evaluatie als vermeld in artikel 1.4.1.1 of 1.4.2.1, de bijzondere milieuvoorwaarden bijstelt en die strenger zijn dan de voorwaarden die gelden als gevolg van de verleende afwijking;
b) een verzoek of ambtshalve initiatief tot bijstelling van het voorwerp of de duur van de omgevingsvergunning, vermeld in artikel 83 van het decreet van 25 april 2014, de bijzondere milieuvoorwaarden bijstelt en die strenger zijn dan de voorwaarden die gelden als gevolg van de verleende afwijking;
4° de voorwaarden waarvan afwijking is verleend, worden opgeheven of vervangen door andere voorwaarden.";
3° in paragraaf 4 wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 167. A l'article 1.2.2.1 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 19 janvier 1999 et 19 septembre 2008, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 1er, alinéa 2, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. La dérogation visée à l'alinéa 1er est valable jusqu'à ce que se produise l'un des cas suivants :
1° la durée de validité du permis d'environnement auquel elle se rapporte expire ;
2° lorsque la dérogation a été accordée pour une durée limitée : à l'expiration de cette durée ;
3° lorsque l'autorité compétente visée à l'article 15 du décret du 25 avril 2014, par suite :
a) d'une évaluation telle que visée à l'article 1.4.1.1 ou 1.4.2.1, actualise les conditions environnementales particulières et que celles-ci sont plus strictes que celles qui s'appliquent suite à la dérogation accordée ;
b) d'une demande ou d'une initiative d'office d'actualisation de l'objet ou de la durée du permis d'environnement, visée à l'article 83 du décret du 25 avril 2014, actualise les conditions environnementales particulières et que celles-ci sont plus strictes que celles qui s'appliquent à la suite de la dérogation accordée ;
4° les conditions visées par la dérogation accordée sont abrogées ou remplacées par d'autres conditions. " ;
3° au paragraphe 4, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
1° au paragraphe 1er, alinéa 2, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. La dérogation visée à l'alinéa 1er est valable jusqu'à ce que se produise l'un des cas suivants :
1° la durée de validité du permis d'environnement auquel elle se rapporte expire ;
2° lorsque la dérogation a été accordée pour une durée limitée : à l'expiration de cette durée ;
3° lorsque l'autorité compétente visée à l'article 15 du décret du 25 avril 2014, par suite :
a) d'une évaluation telle que visée à l'article 1.4.1.1 ou 1.4.2.1, actualise les conditions environnementales particulières et que celles-ci sont plus strictes que celles qui s'appliquent suite à la dérogation accordée ;
b) d'une demande ou d'une initiative d'office d'actualisation de l'objet ou de la durée du permis d'environnement, visée à l'article 83 du décret du 25 avril 2014, actualise les conditions environnementales particulières et que celles-ci sont plus strictes que celles qui s'appliquent à la suite de la dérogation accordée ;
4° les conditions visées par la dérogation accordée sont abrogées ou remplacées par d'autres conditions. " ;
3° au paragraphe 4, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 168. In artikel 1.2.2.1bis, 2°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord "leefmilieu" vervangen door het woord "milieu".
Art. 168. A l'article 1.2.2.1bis, 2°, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, le terme " leefmilieu " est remplacé par le terme " milieu " dans la version néerlandaise.
Art. 169. Artikel 1.2.2.2 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013 en 16 mei 2014, wordt opgeheven.
Art. 169. L'article 1.2.2.2 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 7 juin 2013 et 16 mai 2014, est abrogé.
Art. 170. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 februari 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° afdeling 1.2.2ter van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt vervangen door wat volgt :
"Art. 1.2.2ter.1. § 1. De afwijkingsaanvraag, vermeld in artikel 1.2.2.1, § 1, wordt met een beveiligde zending ingediend bij de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning.
§ 2 De verzoeker gebruikt hiertoe :
1° het formulier, opgenomen in bijlage 5, die als bijlage bij het besluit [1 van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning]1 is gevoegd;
2° de in het formulier aangewezen addenda uit de addenda-bibliotheek die is opgenomen in bijlage 2, die bij het besluit [1 van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning]1 is gevoegd.
Het gemotiveerde verzoek omvat de gegevens die als verplicht in te vullen of bij te voegen voorgeschreven zijn in het formulier en de desbetreffende addenda.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, zijn gemachtigd gezamenlijk het formulier en de addenda-bibliotheek, vermeld in het tweede lid, en de dossiersamenstelling te wijzigen, waarbij minstens de volgende gegevens worden gevraagd :
1° de naam, de hoedanigheid en het adres van de aanvrager;
2° de naam en, in voorkomend geval, het ondernemersnummer van de exploitant;
3° de identificatie van de ingedeelde inrichting of activiteit die het voorwerp uitmaakt van de afwijkingsaanvraag;
4° een omschrijving van de artikelen en de milieuvoorwaarden waarvan afwijking wordt gevraagd;
5° de technische redenen die de afwijking motiveren;
6° een voorstel van maatregelen die gelijkwaardige waarborgen bieden voor de bescherming van de mens en het milieu als de voorwaarden waarvan afwijking wordt gevraagd;
7° een nota waarin wordt aangetoond dat de voorgestelde maatregelen beantwoorden aan BBT.
Art. 1.2.2ter.2. De afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, onderzoekt de ontvankelijkheid en volledigheid van de afwijkingsaanvraag.
Bij het onderzoek naar de ontvankelijkheid en volledigheid wordt nagegaan of de afwijkingsaanvraag de gegevens, vermeld in artikel. 1.2.2ter.1, § 2, bevat.
Als de afwijkingsaanvraag onvolledig is, vraagt de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, de aanvrager met een beveiligde zending de ontbrekende gegevens of documenten binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de datum van de verzending van het volledigheidsverzoek, bij de aanvraag te voegen.
Het resultaat van het onderzoek naar de ontvankelijkheid en volledigheid van de afwijkingsaanvraag wordt met een beveiligde zending meegedeeld aan de aanvrager binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat vanaf de dag na de datum waarop de aanvraag is ingediend of vanaf de dag na de datum waarop de ontbrekende gegevens en documenten zijn ontvangen.
Als de aanvrager nalaat de ontbrekende gegevens of documenten, vermeld in het derde lid, binnen de termijn van dertig dagen bij de afwijkingsaanvraag te voegen, wordt de afwijkingsaanvraag van rechtswege als onvolledig beschouwd.
Als de afwijkingsaanvraag onontvankelijk of onvolledig is, wordt de procedure definitief stopgezet.
Art. 1.2.2ter.3. Voor afwijkingsaanvragen als vermeld in artikel 1.2.2.1, § 1, die betrekking hebben op de inplantingsregels en voor afwijkingsaanvragen als vermeld in artikel 1.4 van titel III van het VLAREM, zal de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, op dezelfde dag dat met toepassing van artikel 1.2.2ter.2, vierde lid, aan de aanvrager wordt meegedeeld dat de aanvraag ontvankelijk en volledig is, de aanvraag ter beschikking stellen van de betrokken gemeente, met de opdracht om een openbaar onderzoek in te stellen.
Voor de organisatie van het openbaar onderzoek zijn de bepalingen van titel 3, hoofdstuk 5, van het besluit van de Vlaamse Regering [1 van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning]1 van overeenkomstige toepassing, waarbij :
1° de vergunningsaanvraag of de aanvraag tot omgevingsvergunning moet worden gelezen als de afwijkingsaanvraag;
2° de vergunningsaanvrager moet worden gelezen als de aanvrager van de afwijkingsaanvraag.
Art. 1.2.2ter.4. Op dezelfde dag dat met toepassing van artikel 1.2.2ter.2, vierde lid, aan de aanvrager wordt meegedeeld dat de afwijkingsaanvraag ontvankelijk en volledig is, stelt de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, de afwijkingsaanvraag ter beschikking van de GOVC, vermeld in artikel 40 van het besluit van de Vlaamse Regering [1 van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning]1.
De afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, brengt aan de GOVC advies uit binnen een termijn van zestig dagen vanaf de dag dat met toepassing van artikel 1.2.2ter.2, vierde lid, aan de aanvrager wordt meegedeeld dat de afwijkingsaanvraag ontvankelijk en volledig is. De afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, kan als ze dat noodzakelijk acht, het advies inwinnen van de adviesinstanties, vermeld in artikel 37 van het besluit van de Vlaamse Regering [1 van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning]1.
Als de aanvrager bij het indienen van de afwijkingsaanvraag vraagt om gehoord te worden, wordt hij gehoord door de GOVC.
De GOVC brengt op basis van het aanvraagdossier, het advies van de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, en, in voorkomend geval, de adviezen die deze afdeling heeft ingewonnen, een advies uit binnen een termijn van negentig dagen vanaf de dag na de datum waarop de afwijkingsaanvraag aan haar ter beschikking is gesteld.
Voor de toepassing van dit artikel zetelen in de GOVC naast de personen, vermeld in artikel 40, § 1, 1° tot en met 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering [1 van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning]1, de adviesinstanties die over de afwijkingsaanvraag een advies hebben uitgebracht.
Art. 1.2.2ter.5. De beslissing over de afwijkingsaanvraag wordt genomen door de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, binnen een termijn van honderdvijftig dagen die ingaat vanaf de dag dat met toepassing van artikel 1.2.2ter.2, vierde lid, aan de aanvrager wordt meegedeeld dat de afwijkingsaanvraag ontvankelijk en volledig is.
De beslissing, vermeld in het eerste lid, bevat :
1° de datum van de afwijkingsaanvraag;
2° de naam of de hoedanigheid van de aanvrager;
3° de naam en, in voorkomend geval, het ondernemersnummer van de exploitant;
4° de identificatie van de ingedeelde inrichting of activiteit die het voorwerp uitmaakt van de afwijkingsaanvraag;
5° een omschrijving van de artikelen en de milieuvoorwaarden waarvan afwijking wordt gevraagd;
6° in voorkomend geval, een verwijzing naar de aard van de standpunten, opmerkingen en bezwaren die tijdens het openbaar onderzoek zijn ingediend, en de wijze waarop daarmee is omgegaan;
7° een motivering van de beslissing;
8° als de afwijking wordt toegestaan, de voorwaarden die gelijkwaardige waarborgen bieden voor de bescherming van de mens en het milieu als de voorwaarden waarvan de afwijking is toegestaan.
Art. 1.2.2ter.6. Voor de bekendmaking van de beslissing zijn de bepalingen van titel 3, hoofdstuk 9, afdeling 3, van het besluit van de Vlaamse Regering [1 van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning]1, van overeenkomstige toepassing.";
2° artikel 1.2.2ter.7 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt opgeheven.
1° afdeling 1.2.2ter van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt vervangen door wat volgt :
"Art. 1.2.2ter.1. § 1. De afwijkingsaanvraag, vermeld in artikel 1.2.2.1, § 1, wordt met een beveiligde zending ingediend bij de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning.
§ 2 De verzoeker gebruikt hiertoe :
1° het formulier, opgenomen in bijlage 5, die als bijlage bij het besluit [1 van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning]1 is gevoegd;
2° de in het formulier aangewezen addenda uit de addenda-bibliotheek die is opgenomen in bijlage 2, die bij het besluit [1 van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning]1 is gevoegd.
Het gemotiveerde verzoek omvat de gegevens die als verplicht in te vullen of bij te voegen voorgeschreven zijn in het formulier en de desbetreffende addenda.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, zijn gemachtigd gezamenlijk het formulier en de addenda-bibliotheek, vermeld in het tweede lid, en de dossiersamenstelling te wijzigen, waarbij minstens de volgende gegevens worden gevraagd :
1° de naam, de hoedanigheid en het adres van de aanvrager;
2° de naam en, in voorkomend geval, het ondernemersnummer van de exploitant;
3° de identificatie van de ingedeelde inrichting of activiteit die het voorwerp uitmaakt van de afwijkingsaanvraag;
4° een omschrijving van de artikelen en de milieuvoorwaarden waarvan afwijking wordt gevraagd;
5° de technische redenen die de afwijking motiveren;
6° een voorstel van maatregelen die gelijkwaardige waarborgen bieden voor de bescherming van de mens en het milieu als de voorwaarden waarvan afwijking wordt gevraagd;
7° een nota waarin wordt aangetoond dat de voorgestelde maatregelen beantwoorden aan BBT.
Art. 1.2.2ter.2. De afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, onderzoekt de ontvankelijkheid en volledigheid van de afwijkingsaanvraag.
Bij het onderzoek naar de ontvankelijkheid en volledigheid wordt nagegaan of de afwijkingsaanvraag de gegevens, vermeld in artikel. 1.2.2ter.1, § 2, bevat.
Als de afwijkingsaanvraag onvolledig is, vraagt de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, de aanvrager met een beveiligde zending de ontbrekende gegevens of documenten binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de datum van de verzending van het volledigheidsverzoek, bij de aanvraag te voegen.
Het resultaat van het onderzoek naar de ontvankelijkheid en volledigheid van de afwijkingsaanvraag wordt met een beveiligde zending meegedeeld aan de aanvrager binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat vanaf de dag na de datum waarop de aanvraag is ingediend of vanaf de dag na de datum waarop de ontbrekende gegevens en documenten zijn ontvangen.
Als de aanvrager nalaat de ontbrekende gegevens of documenten, vermeld in het derde lid, binnen de termijn van dertig dagen bij de afwijkingsaanvraag te voegen, wordt de afwijkingsaanvraag van rechtswege als onvolledig beschouwd.
Als de afwijkingsaanvraag onontvankelijk of onvolledig is, wordt de procedure definitief stopgezet.
Art. 1.2.2ter.3. Voor afwijkingsaanvragen als vermeld in artikel 1.2.2.1, § 1, die betrekking hebben op de inplantingsregels en voor afwijkingsaanvragen als vermeld in artikel 1.4 van titel III van het VLAREM, zal de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, op dezelfde dag dat met toepassing van artikel 1.2.2ter.2, vierde lid, aan de aanvrager wordt meegedeeld dat de aanvraag ontvankelijk en volledig is, de aanvraag ter beschikking stellen van de betrokken gemeente, met de opdracht om een openbaar onderzoek in te stellen.
Voor de organisatie van het openbaar onderzoek zijn de bepalingen van titel 3, hoofdstuk 5, van het besluit van de Vlaamse Regering [1 van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning]1 van overeenkomstige toepassing, waarbij :
1° de vergunningsaanvraag of de aanvraag tot omgevingsvergunning moet worden gelezen als de afwijkingsaanvraag;
2° de vergunningsaanvrager moet worden gelezen als de aanvrager van de afwijkingsaanvraag.
Art. 1.2.2ter.4. Op dezelfde dag dat met toepassing van artikel 1.2.2ter.2, vierde lid, aan de aanvrager wordt meegedeeld dat de afwijkingsaanvraag ontvankelijk en volledig is, stelt de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, de afwijkingsaanvraag ter beschikking van de GOVC, vermeld in artikel 40 van het besluit van de Vlaamse Regering [1 van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning]1.
De afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, brengt aan de GOVC advies uit binnen een termijn van zestig dagen vanaf de dag dat met toepassing van artikel 1.2.2ter.2, vierde lid, aan de aanvrager wordt meegedeeld dat de afwijkingsaanvraag ontvankelijk en volledig is. De afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, kan als ze dat noodzakelijk acht, het advies inwinnen van de adviesinstanties, vermeld in artikel 37 van het besluit van de Vlaamse Regering [1 van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning]1.
Als de aanvrager bij het indienen van de afwijkingsaanvraag vraagt om gehoord te worden, wordt hij gehoord door de GOVC.
De GOVC brengt op basis van het aanvraagdossier, het advies van de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, en, in voorkomend geval, de adviezen die deze afdeling heeft ingewonnen, een advies uit binnen een termijn van negentig dagen vanaf de dag na de datum waarop de afwijkingsaanvraag aan haar ter beschikking is gesteld.
Voor de toepassing van dit artikel zetelen in de GOVC naast de personen, vermeld in artikel 40, § 1, 1° tot en met 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering [1 van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning]1, de adviesinstanties die over de afwijkingsaanvraag een advies hebben uitgebracht.
Art. 1.2.2ter.5. De beslissing over de afwijkingsaanvraag wordt genomen door de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, binnen een termijn van honderdvijftig dagen die ingaat vanaf de dag dat met toepassing van artikel 1.2.2ter.2, vierde lid, aan de aanvrager wordt meegedeeld dat de afwijkingsaanvraag ontvankelijk en volledig is.
De beslissing, vermeld in het eerste lid, bevat :
1° de datum van de afwijkingsaanvraag;
2° de naam of de hoedanigheid van de aanvrager;
3° de naam en, in voorkomend geval, het ondernemersnummer van de exploitant;
4° de identificatie van de ingedeelde inrichting of activiteit die het voorwerp uitmaakt van de afwijkingsaanvraag;
5° een omschrijving van de artikelen en de milieuvoorwaarden waarvan afwijking wordt gevraagd;
6° in voorkomend geval, een verwijzing naar de aard van de standpunten, opmerkingen en bezwaren die tijdens het openbaar onderzoek zijn ingediend, en de wijze waarop daarmee is omgegaan;
7° een motivering van de beslissing;
8° als de afwijking wordt toegestaan, de voorwaarden die gelijkwaardige waarborgen bieden voor de bescherming van de mens en het milieu als de voorwaarden waarvan de afwijking is toegestaan.
Art. 1.2.2ter.6. Voor de bekendmaking van de beslissing zijn de bepalingen van titel 3, hoofdstuk 9, afdeling 3, van het besluit van de Vlaamse Regering [1 van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning]1, van overeenkomstige toepassing.";
2° artikel 1.2.2ter.7 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt opgeheven.
Art. 170. Dans le même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 février 2015, les modifications suivantes sont apportées :
1° la section 1.2.2ter du même arrêté, insérée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013 et modifiée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, est remplacée par ce qui suit :
" Art. 1.2.2ter.1. § 1er. La demande de dérogation, visée à l'article 1.2.2.1, § 1er, est introduite par envoi sécurisé auprès de la division Environnement compétente pour le permis d'environnement.
§ 2. A cet effet, le demandeur utilise :
1° le formulaire repris à l'annexe 5 jointe en annexe à l'arrêté [1 du 27 novembre 2015 portant exécution du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement]1 ;
2° les avenants, indiqués sur le formulaire, issus de la bibliothèque d'avenants reprise à l'annexe 2 jointe à l'arrêté [1 du 27 novembre 2015 portant exécution du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement]1.
La demande motivée comprend les données prescrites comme devant être obligatoirement remplies ou jointes sur le formulaire et dans les avenants concernés.
Le ministre flamand qui a l'aménagement du territoire dans ses attributions et le ministre flamand qui a l'environnement dans ses attributions sont autorisés à modifier conjointement le formulaire et la bibliothèque d'avenants, visés à l'alinéa 2, ainsi que la composition du dossier, les données minimales demandées étant les suivantes :
1° les nom, qualité et adresse du demandeur ;
2° le nom et, le cas échéant, le numéro d'entreprise de l'exploitant ;
3° l'identification de l'établissement classé ou de l'activité classée qui fait l'objet de la demande de dérogation ;
4° une description des articles et des conditions environnementales visés par la demande de dérogation ;
5° les motifs techniques justifiant la dérogation ;
6° une proposition de mesures offrant des garanties pour la protection de l'homme et de l'environnement équivalentes aux conditions visées par la demande de dérogation ;
7° une note dans laquelle il est démontré que les mesures proposées répondent aux MTD.
Art. 1.2.2ter.2. La division Environnement compétente pour le permis d'environnement examine la recevabilité et l'exhaustivité de la demande de dérogation.
Lors de l'examen de la recevabilité et de l'exhaustivité, il est vérifié si la demande de dérogation contient les éléments visés à l'article 1.2.2ter.1, § 2.
Si la demande de dérogation est incomplète, la division Environnement compétente pour le permis d'environnement prie le demandeur par envoi sécurisé de joindre les éléments ou documents manquants à la demande dans un délai de trente jours prenant cours le lendemain de l'envoi de la demande de compléter.
Le résultat de l'examen de la recevabilité et de l'exhaustivité de la demande de dérogation est communiqué par envoi sécurisé au demandeur dans un délai de trente jours prenant cours le jour suivant la date à laquelle la demande a été introduite ou à compter du jour suivant la date de réception des éléments ou documents manquants.
Si le demandeur omet de joindre les éléments ou documents visés à l'alinéa 3 à la demande de dérogation dans le délai de trente jours, la demande de dérogation est considérée de plein droit comme incomplète.
Si la demande de dérogation est irrecevable ou incomplète, il est définitivement mis fin à la procédure.
Art. 1.2.2ter.3. Pour les demandes de dérogation visées à l'article 1.2.2.1, § 1er qui portent sur les règles d'implantation, et pour les demandes de dérogation visées à l'article 1.4 du titre III du VLAREM, la division Environnement compétente pour le permis d'environnement mettra, le même jour que celui où il est communiqué au demandeur, en application de l'article 1.2.2ter.2, alinéa 4, que la demande est recevable et complète, la demande à la disposition de la commune concernée en la chargeant d'ouvrir une enquête publique.
Pour l'organisation de l'enquête publique, les dispositions du titre 3, chapitre 5, de l'arrêté du Gouvernement flamand [1 du 27 novembre 2015 portant exécution du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement]1 s'appliquent par analogie, étant entendu que :
1° la demande de permis ou demande de permis d'environnement doit se lire comme la demande de dérogation ;
2° le demandeur du permis doit se lire comme le demandeur de la dérogation.
Art. 1.2.2ter.4. Le même jour que celui où il est communiqué au demandeur, en application de l'article 1.2.2ter.2, alinéa 4, que la demande de dérogation est recevable et complète, la division Environnement compétente pour le permis d'environnement met la demande de dérogation à la disposition de la GOVC, visée à l'article 40 de l'arrêté du Gouvernement flamand [1 du 27 novembre 2015 portant exécution du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement]1.
La division Environnement compétente pour le permis d'environnement rend un avis à la GOVC dans un délai de soixante jours à compter du jour où il est communiqué au demandeur, en application de l'article 1.2.2ter.2, alinéa 4, que la demande de dérogation est recevable et complète. Si elle le juge nécessaire, la division Environnement compétente pour le permis d'environnement peut recueillir l'avis des instances d'avis visées à l'article 37 de l'arrêté du Gouvernement flamand [1 du 27 novembre 2015 portant exécution du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement]1.
Si, lors de l'introduction de la demande de dérogation, le demandeur demande à être entendu, il est entendu par la GOVC.
Sur la base du dossier de demande, de l'avis de la division Environnement compétente pour le permis d'environnement et, le cas échéant, des avis que cette division a recueillis, la GOVC rend un avis dans un délai de nonante jours à compter du jour suivant la date à laquelle la demande de dérogation a été mise à sa disposition.
Pour l'application du présent article, outre les personnes visées à l'article 40, § 1er, points 1° à 4° inclus, de l'arrêté du Gouvernement flamand [1 du 27 novembre 2015 portant exécution du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement]1, les instances d'avis qui ont rendu un avis sur la demande de dérogation siègent à la GOVC.
Art. 1.2.2ter.5. La décision au sujet de la demande de dérogation est prise par le ministre flamand qui a l'environnement dans ses attributions dans un délai de cent cinquante jours prenant cours le jour où il est communiqué au demandeur, en application de l'article 1.2.2ter.2, alinéa 4, que la demande de dérogation est recevable et complète.
La décision visée à l'alinéa 1er contient :
1° la date de la demande de dérogation ;
2° le nom ou la qualité du demandeur ;
3° le nom et, le cas échéant, le numéro d'entreprise de l'exploitant ;
4° l'identification de l'établissement classé ou de l'activité classée qui fait l'objet de la demande de dérogation ;
5° une description des articles et des conditions environnementales visés par la demande de dérogation ;
6° le cas échéant, un renvoi à la nature des points de vue, observations et objections introduits durant l'enquête publique et à la façon dont ils ont été traités ;
7° une motivation de la décision ;
8° si la dérogation est accordée, les conditions offrant des garanties pour la protection de l'homme et de l'environnement équivalentes aux conditions visées par la dérogation accordée.
Art. 1.2.2ter.6. Pour la publication de la décision, les dispositions du titre 3, chapitre 9, section 3, de l'arrêté du Gouvernement flamand [1 du 27 novembre 2015 portant exécution du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement]1 s'appliquent par analogie. " ;
2° l'article 1.2.2ter.7 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, est abrogé.
1° la section 1.2.2ter du même arrêté, insérée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013 et modifiée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, est remplacée par ce qui suit :
" Art. 1.2.2ter.1. § 1er. La demande de dérogation, visée à l'article 1.2.2.1, § 1er, est introduite par envoi sécurisé auprès de la division Environnement compétente pour le permis d'environnement.
§ 2. A cet effet, le demandeur utilise :
1° le formulaire repris à l'annexe 5 jointe en annexe à l'arrêté [1 du 27 novembre 2015 portant exécution du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement]1 ;
2° les avenants, indiqués sur le formulaire, issus de la bibliothèque d'avenants reprise à l'annexe 2 jointe à l'arrêté [1 du 27 novembre 2015 portant exécution du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement]1.
La demande motivée comprend les données prescrites comme devant être obligatoirement remplies ou jointes sur le formulaire et dans les avenants concernés.
Le ministre flamand qui a l'aménagement du territoire dans ses attributions et le ministre flamand qui a l'environnement dans ses attributions sont autorisés à modifier conjointement le formulaire et la bibliothèque d'avenants, visés à l'alinéa 2, ainsi que la composition du dossier, les données minimales demandées étant les suivantes :
1° les nom, qualité et adresse du demandeur ;
2° le nom et, le cas échéant, le numéro d'entreprise de l'exploitant ;
3° l'identification de l'établissement classé ou de l'activité classée qui fait l'objet de la demande de dérogation ;
4° une description des articles et des conditions environnementales visés par la demande de dérogation ;
5° les motifs techniques justifiant la dérogation ;
6° une proposition de mesures offrant des garanties pour la protection de l'homme et de l'environnement équivalentes aux conditions visées par la demande de dérogation ;
7° une note dans laquelle il est démontré que les mesures proposées répondent aux MTD.
Art. 1.2.2ter.2. La division Environnement compétente pour le permis d'environnement examine la recevabilité et l'exhaustivité de la demande de dérogation.
Lors de l'examen de la recevabilité et de l'exhaustivité, il est vérifié si la demande de dérogation contient les éléments visés à l'article 1.2.2ter.1, § 2.
Si la demande de dérogation est incomplète, la division Environnement compétente pour le permis d'environnement prie le demandeur par envoi sécurisé de joindre les éléments ou documents manquants à la demande dans un délai de trente jours prenant cours le lendemain de l'envoi de la demande de compléter.
Le résultat de l'examen de la recevabilité et de l'exhaustivité de la demande de dérogation est communiqué par envoi sécurisé au demandeur dans un délai de trente jours prenant cours le jour suivant la date à laquelle la demande a été introduite ou à compter du jour suivant la date de réception des éléments ou documents manquants.
Si le demandeur omet de joindre les éléments ou documents visés à l'alinéa 3 à la demande de dérogation dans le délai de trente jours, la demande de dérogation est considérée de plein droit comme incomplète.
Si la demande de dérogation est irrecevable ou incomplète, il est définitivement mis fin à la procédure.
Art. 1.2.2ter.3. Pour les demandes de dérogation visées à l'article 1.2.2.1, § 1er qui portent sur les règles d'implantation, et pour les demandes de dérogation visées à l'article 1.4 du titre III du VLAREM, la division Environnement compétente pour le permis d'environnement mettra, le même jour que celui où il est communiqué au demandeur, en application de l'article 1.2.2ter.2, alinéa 4, que la demande est recevable et complète, la demande à la disposition de la commune concernée en la chargeant d'ouvrir une enquête publique.
Pour l'organisation de l'enquête publique, les dispositions du titre 3, chapitre 5, de l'arrêté du Gouvernement flamand [1 du 27 novembre 2015 portant exécution du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement]1 s'appliquent par analogie, étant entendu que :
1° la demande de permis ou demande de permis d'environnement doit se lire comme la demande de dérogation ;
2° le demandeur du permis doit se lire comme le demandeur de la dérogation.
Art. 1.2.2ter.4. Le même jour que celui où il est communiqué au demandeur, en application de l'article 1.2.2ter.2, alinéa 4, que la demande de dérogation est recevable et complète, la division Environnement compétente pour le permis d'environnement met la demande de dérogation à la disposition de la GOVC, visée à l'article 40 de l'arrêté du Gouvernement flamand [1 du 27 novembre 2015 portant exécution du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement]1.
La division Environnement compétente pour le permis d'environnement rend un avis à la GOVC dans un délai de soixante jours à compter du jour où il est communiqué au demandeur, en application de l'article 1.2.2ter.2, alinéa 4, que la demande de dérogation est recevable et complète. Si elle le juge nécessaire, la division Environnement compétente pour le permis d'environnement peut recueillir l'avis des instances d'avis visées à l'article 37 de l'arrêté du Gouvernement flamand [1 du 27 novembre 2015 portant exécution du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement]1.
Si, lors de l'introduction de la demande de dérogation, le demandeur demande à être entendu, il est entendu par la GOVC.
Sur la base du dossier de demande, de l'avis de la division Environnement compétente pour le permis d'environnement et, le cas échéant, des avis que cette division a recueillis, la GOVC rend un avis dans un délai de nonante jours à compter du jour suivant la date à laquelle la demande de dérogation a été mise à sa disposition.
Pour l'application du présent article, outre les personnes visées à l'article 40, § 1er, points 1° à 4° inclus, de l'arrêté du Gouvernement flamand [1 du 27 novembre 2015 portant exécution du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement]1, les instances d'avis qui ont rendu un avis sur la demande de dérogation siègent à la GOVC.
Art. 1.2.2ter.5. La décision au sujet de la demande de dérogation est prise par le ministre flamand qui a l'environnement dans ses attributions dans un délai de cent cinquante jours prenant cours le jour où il est communiqué au demandeur, en application de l'article 1.2.2ter.2, alinéa 4, que la demande de dérogation est recevable et complète.
La décision visée à l'alinéa 1er contient :
1° la date de la demande de dérogation ;
2° le nom ou la qualité du demandeur ;
3° le nom et, le cas échéant, le numéro d'entreprise de l'exploitant ;
4° l'identification de l'établissement classé ou de l'activité classée qui fait l'objet de la demande de dérogation ;
5° une description des articles et des conditions environnementales visés par la demande de dérogation ;
6° le cas échéant, un renvoi à la nature des points de vue, observations et objections introduits durant l'enquête publique et à la façon dont ils ont été traités ;
7° une motivation de la décision ;
8° si la dérogation est accordée, les conditions offrant des garanties pour la protection de l'homme et de l'environnement équivalentes aux conditions visées par la dérogation accordée.
Art. 1.2.2ter.6. Pour la publication de la décision, les dispositions du titre 3, chapitre 9, section 3, de l'arrêté du Gouvernement flamand [1 du 27 novembre 2015 portant exécution du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement]1 s'appliquent par analogie. " ;
2° l'article 1.2.2ter.7 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, est abrogé.
Art. 171. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 februari 2015, wordt afdeling 1.2.3, die bestaat uit artikel 1.2.3.1, opgeheven.
Art. 171. Dans le même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 février 2015, la section 1.2.3, consistant en l'article 1.2.3.1, est abrogée.
Art. 172. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 februari 2015, wordt afdeling 1.2.4, die bestaat uit artikel 1.2.4.1, opgeheven.
Art. 172. Dans le même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 février 2015, la section 1.2.4, consistant en l'article 1.2.4.1, est abrogée.
Art. 173. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 februari 2015, wordt een hoofdstuk 1.4, dat bestaat uit artikel 1.4.1.1 tot en met 1.4.6.1, ingevoegd, dat luidt als volgt :
"Hoofdstuk 1.4. - Evaluaties
Afdeling 1.4.1. - Algemene evaluaties van GPBV-installaties
Art. 1.4.1.1. Een algemene evaluatie van de milieuvoorwaarden die van toepassing zijn op een GPBV-installatie, vermeld in artikel 5.4.11, § 1, 1°, van titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, wordt uitgevoerd :
1° binnen twee jaar na de bekendmaking in het publicatieblad van de Europese Unie van de door de Europese Commissie aangenomen nieuwe of bijgewerkte BBT-conclusies betreffende de hoofdactiviteit van de GPBV-installatie;
2° voor zover er geen BBT-conclusies van toepassing zijn, als ontwikkelingen op het gebied van de BBT een significante vermindering van de emissies mogelijk maken;
3° als de veroorzaakte verontreiniging van die aard is dat de bestaande emissiegrenswaarden in de vergunning moeten worden gewijzigd of nieuwe emissiegrenswaarden moeten worden opgenomen;
4° als de bedrijfsveiligheid van het proces of de activiteit de toepassing van andere technieken vereist;
5° als overeenkomstig artikel 3.3.0.3, 3°, aan een nieuwe of bijgewerkte milieukwaliteitsnorm moet worden voldaan.
Bij een algemene evaluatie, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, worden alle milieuvoorwaarden die op de GPBV-installatie van toepassing zijn, geëvalueerd.
Bij een algemene evaluatie, vermeld in het eerste lid, 1°, worden alle nieuwe of bijgewerkte BBT-conclusies in aanmerking genomen die voor de installatie gelden en die sinds de afgifte of de laatste evaluatie van de vergunning door de Europese Commissie zijn aangenomen.
De door de Europese Commissie aangenomen nieuwe of bijgewerkte BBT-conclusies betreffende de hoofdactiviteit van de GBPV-installatie worden binnen een maand na de bekendmaking in het publicatieblad van de Europese Unie door de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, meegedeeld aan de exploitanten van de betrokken GPBV-installaties, als voorbereiding van de evaluaties.
Als conform artikel 1.4 van titel III van het VLAREM voor een GPBV-installatie een individuele afwijking van de BBT-GEN is toegestaan, wordt bij iedere algemene evaluatie opnieuw de toepassing van artikel 1.4, derde lid, van titel III van het VLAREM geëvalueerd.
Als voor een GPBV-installatie in een voorafgaande periode van vijftien jaar geen evaluatie werd uitgevoerd, kan, rekening houdende met het tijdstip waarop de milieuvoorwaarden zijn aangepast ingevolge een vergunningsaanvraag of ingevolge de toepassing van artikel 82, een algemene evaluatie worden gepland.
Afdeling 1.4.2. - Gerichte evaluaties
Art. 1.4.2.1. De relevante milieuvoorwaarden die van toepassing zijn op een ingedeelde inrichting of activiteit, kunnen met het oog op de eventuele toepassing van artikel 82, eerste lid, 2°, van het decreet van 25 april 2014, worden onderworpen aan een gerichte evaluatie, vermeld in artikel 5.4.11, § 1, 2°, van titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid :
1° voor de gevallen en aspecten bepaald in de richtlijnen over bijzondere milieuvoorwaarden, vermeld in artikel 5.4.6/1, tweede lid, van titel V van het voormelde decreet;
2° voor zover in een voorafgaande periode van vijftien jaar de te evalueren milieuvoorwaarden bij de beslissing over een vergunningsaanvraag of met toepassing van artikel 82 van het decreet van 25 april 2014 niet op relevante wijze zijn aangepast, in de hierna vermelde gevallen :
a) inrichtingen of activiteiten, vermeld in indelingsrubriek 2.3.11, met uitzondering van de aspecten die betrekking hebben op het inert afval, het afval uit de winning, de behandeling en de opslag van turf en het niet-gevaarlijk niet-inert afval, tenzij de afvalstoffen worden gestort in een afvalvoorziening van categorie A, en met uitzondering van de afvalvoorzieningen, vermeld in artikel 5.2.6.10.1, § 3, van dit besluit;
b) afval (mee)verbrandingsinstallaties als vermeld in de indelingsrubrieken 2.3.4.1, b, c, e, f, g, h, j, k, l, m; 2.3.4.2, b, c, d, e, f, g en 2.3.5;
c) het lozen in gewone oppervlaktewateren, openbare riolen of kunstmatige afvoerwegen voor regenwater, van gevaarlijke stoffen als vermeld in bijlage 2C, in concentraties die hoger zijn dan de indelingscriteria, vermeld in de kolom "indelingscriterium GS (gevaarlijke stoffen)" van artikel 3 van bijlage 2.3.1;
d) het direct of indirect lozen in grondwater van gevaarlijke stoffen als vermeld in bijlage 2B.
Afdeling 1.4.3. - Meerjarenprogramma voor evaluaties van GPBV-installaties
Onderafdeling 1.4.3.1. - Vaststellen van het meerjarenprogramma
Art. 1.4.3.1.1. Het voortschrijdende meerjarenprogramma van de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, bevat minstens de volgende gegevens :
1° een plan van aanpak voor het uitvoeren van de algemene evaluaties, vermeld in artikel 5.4.11, § 1, 1°, van titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, voor de eerstkomende vijf jaar;
2° een nominatieve lijst van ingedeelde inrichtingen of activiteiten waarvoor in de loop van de komende twee jaar voormelde evaluatie gepland is met de concrete planning voor het eerstkomende jaar.
De afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, bepaalt in haar plan van aanpak, vermeld in het eerste lid, voor elke categorie van GPBV-installaties die ze in aanmerking neemt voor het uitvoeren van een evaluatie in de volgende vijf kalenderjaren, of de redenen voor de evaluatie ten dele ook aanleiding geven tot een bijstelling van de algemene of sectorale milieuvoorwaarden.
Het voortschrijdende meerjarenprogramma wordt afgestemd op de programmatorische aanpak van de milieuhandhaving.
De afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, stelt het voortschrijdende meerjarenprogramma vast na raadpleging van de adviesinstanties, vermeld in artikel 37, § 4 tot en met § 16, van het besluit van de Vlaamse Regering [1 van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning]1.
Onderafdeling 1.4.3.2. - Bekendmaking van het meerjarenprogramma
Art. 1.4.3.2.1. Het voortschrijdende meerjarenprogramma van de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, wordt jaarlijks voor 1 oktober online bekendgemaakt op een daartoe geëigende plaats op de website van de afdeling en wordt meegedeeld aan de Vlaamse Regering. Het ligt ook ter inzage bij de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning.
De afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, stelt jaarlijks voor 1 oktober haar voortschrijdende meerjarenprogramma ter beschikking van de provinciale en de gewestelijke omgevingsvergunningscommissies en van de afdeling, bevoegd voor de milieuhandhaving.
Onderafdeling 1.4.3.3. - Rapportage over de uitvoering van het meerjarenprogramma
Art. 1.4.3.3.1. De afdeling Milieu bevoegd voor de omgevingsvergunning stelt uiterlijk op 30 juni van elk jaar een rapport op over de mate waarin uitvoering is gegeven aan haar voortschrijdende meerjarenprogramma van het vorige jaar. Daarvoor kan de afdeling alle nuttige informatie inwinnen bij de bevoegde provinciale en gewestelijke omgevingsvergunningscommissies.
Het rapport, vermeld in het eerste lid, omvat minstens :
1° het bij het begin van het beschouwde jaar voorziene aantal algemene evaluaties;
2° het aantal uitgevoerde evaluaties voor het beschouwde jaar;
3° als er een verschil is tussen het aantal voorziene algemene evaluaties en het aantal uitgevoerde algemene evaluaties, een toelichting waarom het vooropgestelde aantal niet gehaald is.
Het rapport, vermeld in het eerste lid, wordt binnen een termijn van dertig dagen na de dag dat het is vastgesteld, bekendgemaakt overeenkomstig de bepalingen van artikel 1.4.3.2.1.
Afdeling 1.4.4. - Instanties die belast zijn met het uitvoeren van evaluaties
Art. 1.4.4.1. Overeenkomstig artikel 5.4.12 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid worden de volgende instanties belast met het uitvoeren van evaluaties :
1° de bevoegde dienst van de gemeente voor ingedeelde inrichtingen of activiteiten die behoren tot projecten waarvoor het college van burgemeester en schepenen conform artikel 15 van het decreet van 25 april 2014 bevoegd is om in eerste administratieve aanleg over de vergunningsaanvraag een beslissing te nemen;
2° de provinciale omgevingsvergunningscommissie voor ingedeelde inrichtingen of activiteiten die behoren tot projecten waarvoor de deputatie conform artikel 15 van het decreet van 25 april 2014 bevoegd is om in eerste administratieve aanleg over de vergunningsaanvraag een beslissing te nemen;
3° de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie voor ingedeelde inrichtingen of activiteiten die behoren tot projecten waarvoor de Vlaamse Regering conform artikel 15 van het decreet van 25 april 2014 bevoegd is om in eerste administratieve aanleg over de vergunningsaanvraag een beslissing te nemen.
Afdeling 1.4.5. - Het uitvoeren van evaluaties
Onderafdeling 1.4.5.1. - Algemeen
Art. 1.4.5.1.1. § 1 Voor het uitvoeren van de evaluatie wordt gebruikgemaakt van de bij monitoring of bij inspectie verkregen gegevens waarover de overheid beschikt.
De instanties die belast zijn met het uitvoeren van een evaluatie, vermeld in artikel 1.4.4.1, kunnen de exploitant om bijkomende gegevens vragen die voor de evaluatie van de milieuvoorwaarden noodzakelijk zijn en als die nog niet in hun bezit zijn, waaronder :
1° de maatregelen die de exploitant uitvoert of voorstelt naar aanleiding van de redenen die aanleiding hebben gegeven tot het opstarten van de evaluatie en die hem overeenkomstig artikel 1.4.5.2.1, § 1, tweede lid, of 1.4.5.3.1, § 1, tweede lid, zijn meegedeeld;
2° als de aanstelling van een milieucoördinator voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit verplicht is, de visie van de milieucoördinator op de maatregelen, vermeld in punt 1° ;
3° als het een GPBV-installatie betreft : de resultaten van de monitoring van emissies en andere gegevens die een vergelijking mogelijk maken van de werking van de installatie met de BBT, zoals beschreven in de toepasselijke BBT-conclusies en met de BBT-GEN.
§ 2. De exploitant bezorgt de bijkomende gegevens, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, binnen een termijn van vijftig dagen vanaf de dag na de datum van verzending van de vraag.
Bij het overmaken van de gegevens, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, kan de exploitant de gegevens aangeven die vertrouwelijk moeten worden behandeld. Deze bepaling doet geen afbreuk aan de regeling inzake passieve openbaarheid, vermeld in hoofdstuk II van het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur.
Als de exploitant nalaat om de gevraagde gegevens binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, te bezorgen, kan de instantie die belast is met het uitvoeren van een evaluatie, vermeld in artikel 1.4.4.1, de evaluatie toch laten doorgaan.
§ 3. De instanties die belast zijn met het uitvoeren van een evaluatie, vermeld in artikel 1.4.4.1, stellen de gegevens, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, en paragraaf 2, bij de adviesaanvraag ter beschikking van de instanties die ze om advies vragen.
§ 4. Voor de toepassing van afdeling 1.4.5 is titel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering [1 van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning]1 van overeenkomstige toepassing.
§ 5. De kennisgeving, vermeld in artikel 1.4.5.2.1, § 1, tweede lid, en in artikel 1.4.5.3.1, § 1, tweede lid, en het verslag met de conclusies van de uitgevoerde evaluatie, vermeld in artikel 1.4.5.2.2, § 1, en in artikel 1.4.5.3.2, § 1, worden door de exploitant ter beschikking gesteld van de werknemersvertegenwoordiging in de ondernemingsraad en van het comité voor preventie en bescherming op het werk. Bij ontstentenis van beide organen worden de documenten en gegevens ter beschikking gesteld van de vakbondsdelegatie van de onderneming.
Onderafdeling 1.4.5.2. - De bevoegde dienst van de gemeente
Art. 1.4.5.2.1. § 1. De bevoegde dienst van de gemeente die een evaluatie opstart, brengt de exploitant van de ingedeelde inrichting of activiteit daarvan met een beveiligde zending op de hoogte.
De kennisgeving bevat de aanleiding voor de evaluatie. De kennisgeving kan ook een verzoek om bijkomende gegevens als vermeld in artikel 1.4.5.1.1, § 1, tweede lid, omvatten.
De bevoegde dienst van de gemeente kan ook informatie opvragen bij de bevoegde toezichthouder, vermeld in titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.
§ 2. Als conform artikel 41 van het besluit van de Vlaamse Regering [1 van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning]1 de provinciale omgevingsvergunningscommissie in eerste administratieve aanleg voor de ingedeelde inrichting of activiteit een advies verleent, vraagt de bevoegde dienst van de gemeente een advies aan de provinciale omgevingsvergunningscommissie.
De provinciale omgevingsvergunningscommissie verzoekt de adviesinstanties die conform artikel 37, § 2 en § 4 tot en met § 16, van het besluit van de Vlaamse Regering [1 van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning]1 in eerste administratieve aanleg voor de ingedeelde inrichting of activiteit een advies verlenen, om advies.
De adviesinstanties verlenen hun advies aan de provinciale omgevingsvergunningscommissie binnen een termijn van vijfenveertig kalenderdagen na de ontvangst van het verzoek om advies. Als geen advies wordt uitgebracht binnen de termijn van vijfenveertig kalenderdagen, wordt de adviesinstantie geacht van oordeel te zijn dat er geen bijstelling van de milieuvoorwaarden hoeft plaats te vinden.
De provinciale omgevingsvergunningscommissie verleent haar advies binnen een termijn van vijfenzeventig kalenderdagen na de ontvangst van het verzoek om advies. Als geen advies wordt uitgebracht binnen de termijn van vijfenzeventig dagen, wordt de provinciale omgevingsvergunningscommissie geacht van oordeel te zijn dat er geen bijstelling van de milieuvoorwaarden hoeft plaats te vinden.
§ 3. Als de provinciale omgevingsvergunningscommissie geen adviesbevoegdheid als vermeld in paragraaf 2, heeft, kan de bevoegde dienst van de gemeente een advies vragen aan de adviesinstanties die conform artikel 37, § 4 tot en met § 16, van het besluit van de Vlaamse Regering [1 van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning]1 in eerste administratieve aanleg voor de ingedeelde inrichting of activiteit een advies verlenen.
De adviesinstanties verlenen hun advies aan de bevoegde dienst van de gemeente binnen een termijn van vijfenveertig kalenderdagen na de ontvangst van het verzoek om advies. Als geen advies wordt uitgebracht binnen de termijn van vijfenveertig kalenderdagen, wordt de adviesinstantie geacht van oordeel te zijn dat er geen bijstelling van de milieuvoorwaarden hoeft plaats te vinden.
Art. 1.4.5.2.2. § 1. De bevoegde dienst van de gemeente stelt een gemotiveerd verslag met de conclusies van de uitgevoerde evaluatie op binnen een termijn van honderdvijftig kalenderdagen na de verzending van de kennisgeving, vermeld in artikel 1.4.5.2.1, § 1, eerste lid.
§ 2. Binnen een termijn van tien dagen na datum van het verslag deelt de bevoegde dienst van de gemeente het verslag met de conclusies van de evaluaties met een beveiligde zending mee aan :
1° de exploitant;
2° het college van burgemeester en schepenen;
3° de adviesinstanties of de provinciale omgevingsvergunningscommissie als die tijdig een advies hebben uitgebracht.
Als de bevoegde dienst van de gemeente in zijn conclusies van oordeel is dat er een noodzaak is tot bijstelling van de milieuvoorwaarden, zal de mededeling, vermeld in het eerste lid, 2°, het verzoek tot bijstelling van de milieuvoorwaarden, vermeld in artikel 82, eerste lid, 2°, a), van het decreet van 25 april 2014, omvatten.
Onderafdeling 1.4.5.3. - De omgevingsvergunningscommissies
Art. 1.4.5.3.1. § 1. De bevoegde omgevingsvergunningscommissie die een evaluatie opstart, brengt de exploitant van de ingedeelde inrichting of activiteit daarvan met een beveiligde zending op de hoogte.
De kennisgeving bevat de aanleiding voor de evaluatie. De kennisgeving kan ook een verzoek om bijkomende gegevens als vermeld in artikel 1.4.5.1.1, § 1, tweede lid, omvatten.
De bevoegde omgevingsvergunningscommissie kan ook informatie opvragen bij de bevoegde toezichthouder, vermeld in titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.
§ 2. De bevoegde omgevingsvergunningscommissie verzoekt de adviesinstanties die conform artikel 37, § 2, en § 4 tot en met § 16, van het besluit van de Vlaamse Regering [1 van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning]1 in eerste administratieve aanleg voor de ingedeelde inrichting of activiteit een advies verlenen, om advies.
De adviesinstanties verlenen hun advies aan de bevoegde omgevingsvergunningscommissie binnen een termijn van zestig kalenderdagen na de ontvangst van het verzoek om advies. Als geen advies wordt uitgebracht binnen de termijn van zestig dagen, wordt de adviesinstantie geacht van oordeel te zijn dat er geen bijstelling van de milieuvoorwaarden hoeft plaats te vinden.
Art. 1.4.5.3.2. § 1. De bevoegde omgevingsvergunningscommissie stelt een gemotiveerd verslag met de conclusies van de uitgevoerde evaluatie op binnen een termijn van honderdvijftig kalenderdagen na de verzending van de kennisgeving, vermeld in artikel 1.4.5.3.1, § 1, eerste lid.
§ 2. Binnen een termijn van tien dagen na de datum van het verslag deelt de bevoegde omgevingsvergunningscommissie met een beveiligde zending het verslag met de conclusies van de uitgevoerde evaluaties mee aan :
1° de exploitant;
2° de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 van het decreet van 25 april 2014;
3° de adviesinstanties als die tijdig een advies hebben uitgebracht.
Als de bevoegde omgevingsvergunningscommissie in haar conclusies van oordeel is dat er een noodzaak is tot bijstelling van de milieuvoorwaarden, zal de mededeling, vermeld in het eerste lid, 2°, het verzoek tot bijstelling van de milieuvoorwaarden, vermeld in artikel 82, eerste lid, 2°, a), van het decreet van 25 april 2014, omvatten.
Afdeling 1.4.6. - Beoordelingscriteria voor de bijstelling van de milieuvoorwaarden als gevolg van een evaluatie
Art. 1.4.6.1. Om tegemoet te komen aan de redenen van de evaluatie worden de milieuvoorwaarden waar nodig bijgesteld.
In geval van een GPBV-installatie worden de milieuvoorwaarden zo nodig bijgesteld in de volgende gevallen :
1° om binnen vier jaar na de bekendmaking ervan in het publicatieblad van de Europese Unie te voldoen aan nieuwe of bijgewerkte BBT-conclusies ook rekening houdend met artikel 1.4 en 1.9, eerste lid, 5°, van titel III van het VLAREM;
2° als ontwikkelingen op het gebied van BBT een significante vermindering van de emissies mogelijk maken;
3° als de veroorzaakte verontreiniging van die aard is dat de bestaande emissiegrenswaarden moeten worden gewijzigd of nieuwe emissiegrenswaarden moeten worden opgelegd;
4° als de bedrijfsveiligheid van het proces of de activiteit de toepassing van andere technieken vereist;
5° om aan een nieuwe of bijgewerkte milieukwaliteitsnorm conform artikel 3.3.0.3, eerste lid, 3°, te voldoen.
In geval van ingedeelde inrichtingen of activiteiten als vermeld in artikel 1.4.2.1, 2°, a) en b), worden de milieuvoorwaarden zo nodig bijgesteld in de volgende gevallen :
1° als zich ingrijpende wijzigingen voordoen in de exploitatie van de voorziening of in het gestorte afval;
2° op basis van de resultaten van de monitoring waarover de exploitant met toepassing van artikel 5.2.6.5.1, § 3, verslag heeft uitgebracht of van de met toepassing van artikel 5.2.6.9.1 uitgevoerde inspecties;
3° in het licht van informatie-uitwisseling over aanzienlijke veranderingen in de beste beschikbare technieken.
In het geval van ingedeelde inrichtingen of activiteiten als vermeld in artikel 1.4.1.2, 2°, c) en d), worden de milieuvoorwaarden bijgesteld in functie van het maatregelenprogramma, vermeld in artikel 64 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid.".
"Hoofdstuk 1.4. - Evaluaties
Afdeling 1.4.1. - Algemene evaluaties van GPBV-installaties
Art. 1.4.1.1. Een algemene evaluatie van de milieuvoorwaarden die van toepassing zijn op een GPBV-installatie, vermeld in artikel 5.4.11, § 1, 1°, van titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, wordt uitgevoerd :
1° binnen twee jaar na de bekendmaking in het publicatieblad van de Europese Unie van de door de Europese Commissie aangenomen nieuwe of bijgewerkte BBT-conclusies betreffende de hoofdactiviteit van de GPBV-installatie;
2° voor zover er geen BBT-conclusies van toepassing zijn, als ontwikkelingen op het gebied van de BBT een significante vermindering van de emissies mogelijk maken;
3° als de veroorzaakte verontreiniging van die aard is dat de bestaande emissiegrenswaarden in de vergunning moeten worden gewijzigd of nieuwe emissiegrenswaarden moeten worden opgenomen;
4° als de bedrijfsveiligheid van het proces of de activiteit de toepassing van andere technieken vereist;
5° als overeenkomstig artikel 3.3.0.3, 3°, aan een nieuwe of bijgewerkte milieukwaliteitsnorm moet worden voldaan.
Bij een algemene evaluatie, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, worden alle milieuvoorwaarden die op de GPBV-installatie van toepassing zijn, geëvalueerd.
Bij een algemene evaluatie, vermeld in het eerste lid, 1°, worden alle nieuwe of bijgewerkte BBT-conclusies in aanmerking genomen die voor de installatie gelden en die sinds de afgifte of de laatste evaluatie van de vergunning door de Europese Commissie zijn aangenomen.
De door de Europese Commissie aangenomen nieuwe of bijgewerkte BBT-conclusies betreffende de hoofdactiviteit van de GBPV-installatie worden binnen een maand na de bekendmaking in het publicatieblad van de Europese Unie door de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, meegedeeld aan de exploitanten van de betrokken GPBV-installaties, als voorbereiding van de evaluaties.
Als conform artikel 1.4 van titel III van het VLAREM voor een GPBV-installatie een individuele afwijking van de BBT-GEN is toegestaan, wordt bij iedere algemene evaluatie opnieuw de toepassing van artikel 1.4, derde lid, van titel III van het VLAREM geëvalueerd.
Als voor een GPBV-installatie in een voorafgaande periode van vijftien jaar geen evaluatie werd uitgevoerd, kan, rekening houdende met het tijdstip waarop de milieuvoorwaarden zijn aangepast ingevolge een vergunningsaanvraag of ingevolge de toepassing van artikel 82, een algemene evaluatie worden gepland.
Afdeling 1.4.2. - Gerichte evaluaties
Art. 1.4.2.1. De relevante milieuvoorwaarden die van toepassing zijn op een ingedeelde inrichting of activiteit, kunnen met het oog op de eventuele toepassing van artikel 82, eerste lid, 2°, van het decreet van 25 april 2014, worden onderworpen aan een gerichte evaluatie, vermeld in artikel 5.4.11, § 1, 2°, van titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid :
1° voor de gevallen en aspecten bepaald in de richtlijnen over bijzondere milieuvoorwaarden, vermeld in artikel 5.4.6/1, tweede lid, van titel V van het voormelde decreet;
2° voor zover in een voorafgaande periode van vijftien jaar de te evalueren milieuvoorwaarden bij de beslissing over een vergunningsaanvraag of met toepassing van artikel 82 van het decreet van 25 april 2014 niet op relevante wijze zijn aangepast, in de hierna vermelde gevallen :
a) inrichtingen of activiteiten, vermeld in indelingsrubriek 2.3.11, met uitzondering van de aspecten die betrekking hebben op het inert afval, het afval uit de winning, de behandeling en de opslag van turf en het niet-gevaarlijk niet-inert afval, tenzij de afvalstoffen worden gestort in een afvalvoorziening van categorie A, en met uitzondering van de afvalvoorzieningen, vermeld in artikel 5.2.6.10.1, § 3, van dit besluit;
b) afval (mee)verbrandingsinstallaties als vermeld in de indelingsrubrieken 2.3.4.1, b, c, e, f, g, h, j, k, l, m; 2.3.4.2, b, c, d, e, f, g en 2.3.5;
c) het lozen in gewone oppervlaktewateren, openbare riolen of kunstmatige afvoerwegen voor regenwater, van gevaarlijke stoffen als vermeld in bijlage 2C, in concentraties die hoger zijn dan de indelingscriteria, vermeld in de kolom "indelingscriterium GS (gevaarlijke stoffen)" van artikel 3 van bijlage 2.3.1;
d) het direct of indirect lozen in grondwater van gevaarlijke stoffen als vermeld in bijlage 2B.
Afdeling 1.4.3. - Meerjarenprogramma voor evaluaties van GPBV-installaties
Onderafdeling 1.4.3.1. - Vaststellen van het meerjarenprogramma
Art. 1.4.3.1.1. Het voortschrijdende meerjarenprogramma van de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, bevat minstens de volgende gegevens :
1° een plan van aanpak voor het uitvoeren van de algemene evaluaties, vermeld in artikel 5.4.11, § 1, 1°, van titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, voor de eerstkomende vijf jaar;
2° een nominatieve lijst van ingedeelde inrichtingen of activiteiten waarvoor in de loop van de komende twee jaar voormelde evaluatie gepland is met de concrete planning voor het eerstkomende jaar.
De afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, bepaalt in haar plan van aanpak, vermeld in het eerste lid, voor elke categorie van GPBV-installaties die ze in aanmerking neemt voor het uitvoeren van een evaluatie in de volgende vijf kalenderjaren, of de redenen voor de evaluatie ten dele ook aanleiding geven tot een bijstelling van de algemene of sectorale milieuvoorwaarden.
Het voortschrijdende meerjarenprogramma wordt afgestemd op de programmatorische aanpak van de milieuhandhaving.
De afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, stelt het voortschrijdende meerjarenprogramma vast na raadpleging van de adviesinstanties, vermeld in artikel 37, § 4 tot en met § 16, van het besluit van de Vlaamse Regering [1 van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning]1.
Onderafdeling 1.4.3.2. - Bekendmaking van het meerjarenprogramma
Art. 1.4.3.2.1. Het voortschrijdende meerjarenprogramma van de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, wordt jaarlijks voor 1 oktober online bekendgemaakt op een daartoe geëigende plaats op de website van de afdeling en wordt meegedeeld aan de Vlaamse Regering. Het ligt ook ter inzage bij de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning.
De afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, stelt jaarlijks voor 1 oktober haar voortschrijdende meerjarenprogramma ter beschikking van de provinciale en de gewestelijke omgevingsvergunningscommissies en van de afdeling, bevoegd voor de milieuhandhaving.
Onderafdeling 1.4.3.3. - Rapportage over de uitvoering van het meerjarenprogramma
Art. 1.4.3.3.1. De afdeling Milieu bevoegd voor de omgevingsvergunning stelt uiterlijk op 30 juni van elk jaar een rapport op over de mate waarin uitvoering is gegeven aan haar voortschrijdende meerjarenprogramma van het vorige jaar. Daarvoor kan de afdeling alle nuttige informatie inwinnen bij de bevoegde provinciale en gewestelijke omgevingsvergunningscommissies.
Het rapport, vermeld in het eerste lid, omvat minstens :
1° het bij het begin van het beschouwde jaar voorziene aantal algemene evaluaties;
2° het aantal uitgevoerde evaluaties voor het beschouwde jaar;
3° als er een verschil is tussen het aantal voorziene algemene evaluaties en het aantal uitgevoerde algemene evaluaties, een toelichting waarom het vooropgestelde aantal niet gehaald is.
Het rapport, vermeld in het eerste lid, wordt binnen een termijn van dertig dagen na de dag dat het is vastgesteld, bekendgemaakt overeenkomstig de bepalingen van artikel 1.4.3.2.1.
Afdeling 1.4.4. - Instanties die belast zijn met het uitvoeren van evaluaties
Art. 1.4.4.1. Overeenkomstig artikel 5.4.12 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid worden de volgende instanties belast met het uitvoeren van evaluaties :
1° de bevoegde dienst van de gemeente voor ingedeelde inrichtingen of activiteiten die behoren tot projecten waarvoor het college van burgemeester en schepenen conform artikel 15 van het decreet van 25 april 2014 bevoegd is om in eerste administratieve aanleg over de vergunningsaanvraag een beslissing te nemen;
2° de provinciale omgevingsvergunningscommissie voor ingedeelde inrichtingen of activiteiten die behoren tot projecten waarvoor de deputatie conform artikel 15 van het decreet van 25 april 2014 bevoegd is om in eerste administratieve aanleg over de vergunningsaanvraag een beslissing te nemen;
3° de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie voor ingedeelde inrichtingen of activiteiten die behoren tot projecten waarvoor de Vlaamse Regering conform artikel 15 van het decreet van 25 april 2014 bevoegd is om in eerste administratieve aanleg over de vergunningsaanvraag een beslissing te nemen.
Afdeling 1.4.5. - Het uitvoeren van evaluaties
Onderafdeling 1.4.5.1. - Algemeen
Art. 1.4.5.1.1. § 1 Voor het uitvoeren van de evaluatie wordt gebruikgemaakt van de bij monitoring of bij inspectie verkregen gegevens waarover de overheid beschikt.
De instanties die belast zijn met het uitvoeren van een evaluatie, vermeld in artikel 1.4.4.1, kunnen de exploitant om bijkomende gegevens vragen die voor de evaluatie van de milieuvoorwaarden noodzakelijk zijn en als die nog niet in hun bezit zijn, waaronder :
1° de maatregelen die de exploitant uitvoert of voorstelt naar aanleiding van de redenen die aanleiding hebben gegeven tot het opstarten van de evaluatie en die hem overeenkomstig artikel 1.4.5.2.1, § 1, tweede lid, of 1.4.5.3.1, § 1, tweede lid, zijn meegedeeld;
2° als de aanstelling van een milieucoördinator voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit verplicht is, de visie van de milieucoördinator op de maatregelen, vermeld in punt 1° ;
3° als het een GPBV-installatie betreft : de resultaten van de monitoring van emissies en andere gegevens die een vergelijking mogelijk maken van de werking van de installatie met de BBT, zoals beschreven in de toepasselijke BBT-conclusies en met de BBT-GEN.
§ 2. De exploitant bezorgt de bijkomende gegevens, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, binnen een termijn van vijftig dagen vanaf de dag na de datum van verzending van de vraag.
Bij het overmaken van de gegevens, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, kan de exploitant de gegevens aangeven die vertrouwelijk moeten worden behandeld. Deze bepaling doet geen afbreuk aan de regeling inzake passieve openbaarheid, vermeld in hoofdstuk II van het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur.
Als de exploitant nalaat om de gevraagde gegevens binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, te bezorgen, kan de instantie die belast is met het uitvoeren van een evaluatie, vermeld in artikel 1.4.4.1, de evaluatie toch laten doorgaan.
§ 3. De instanties die belast zijn met het uitvoeren van een evaluatie, vermeld in artikel 1.4.4.1, stellen de gegevens, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, en paragraaf 2, bij de adviesaanvraag ter beschikking van de instanties die ze om advies vragen.
§ 4. Voor de toepassing van afdeling 1.4.5 is titel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering [1 van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning]1 van overeenkomstige toepassing.
§ 5. De kennisgeving, vermeld in artikel 1.4.5.2.1, § 1, tweede lid, en in artikel 1.4.5.3.1, § 1, tweede lid, en het verslag met de conclusies van de uitgevoerde evaluatie, vermeld in artikel 1.4.5.2.2, § 1, en in artikel 1.4.5.3.2, § 1, worden door de exploitant ter beschikking gesteld van de werknemersvertegenwoordiging in de ondernemingsraad en van het comité voor preventie en bescherming op het werk. Bij ontstentenis van beide organen worden de documenten en gegevens ter beschikking gesteld van de vakbondsdelegatie van de onderneming.
Onderafdeling 1.4.5.2. - De bevoegde dienst van de gemeente
Art. 1.4.5.2.1. § 1. De bevoegde dienst van de gemeente die een evaluatie opstart, brengt de exploitant van de ingedeelde inrichting of activiteit daarvan met een beveiligde zending op de hoogte.
De kennisgeving bevat de aanleiding voor de evaluatie. De kennisgeving kan ook een verzoek om bijkomende gegevens als vermeld in artikel 1.4.5.1.1, § 1, tweede lid, omvatten.
De bevoegde dienst van de gemeente kan ook informatie opvragen bij de bevoegde toezichthouder, vermeld in titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.
§ 2. Als conform artikel 41 van het besluit van de Vlaamse Regering [1 van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning]1 de provinciale omgevingsvergunningscommissie in eerste administratieve aanleg voor de ingedeelde inrichting of activiteit een advies verleent, vraagt de bevoegde dienst van de gemeente een advies aan de provinciale omgevingsvergunningscommissie.
De provinciale omgevingsvergunningscommissie verzoekt de adviesinstanties die conform artikel 37, § 2 en § 4 tot en met § 16, van het besluit van de Vlaamse Regering [1 van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning]1 in eerste administratieve aanleg voor de ingedeelde inrichting of activiteit een advies verlenen, om advies.
De adviesinstanties verlenen hun advies aan de provinciale omgevingsvergunningscommissie binnen een termijn van vijfenveertig kalenderdagen na de ontvangst van het verzoek om advies. Als geen advies wordt uitgebracht binnen de termijn van vijfenveertig kalenderdagen, wordt de adviesinstantie geacht van oordeel te zijn dat er geen bijstelling van de milieuvoorwaarden hoeft plaats te vinden.
De provinciale omgevingsvergunningscommissie verleent haar advies binnen een termijn van vijfenzeventig kalenderdagen na de ontvangst van het verzoek om advies. Als geen advies wordt uitgebracht binnen de termijn van vijfenzeventig dagen, wordt de provinciale omgevingsvergunningscommissie geacht van oordeel te zijn dat er geen bijstelling van de milieuvoorwaarden hoeft plaats te vinden.
§ 3. Als de provinciale omgevingsvergunningscommissie geen adviesbevoegdheid als vermeld in paragraaf 2, heeft, kan de bevoegde dienst van de gemeente een advies vragen aan de adviesinstanties die conform artikel 37, § 4 tot en met § 16, van het besluit van de Vlaamse Regering [1 van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning]1 in eerste administratieve aanleg voor de ingedeelde inrichting of activiteit een advies verlenen.
De adviesinstanties verlenen hun advies aan de bevoegde dienst van de gemeente binnen een termijn van vijfenveertig kalenderdagen na de ontvangst van het verzoek om advies. Als geen advies wordt uitgebracht binnen de termijn van vijfenveertig kalenderdagen, wordt de adviesinstantie geacht van oordeel te zijn dat er geen bijstelling van de milieuvoorwaarden hoeft plaats te vinden.
Art. 1.4.5.2.2. § 1. De bevoegde dienst van de gemeente stelt een gemotiveerd verslag met de conclusies van de uitgevoerde evaluatie op binnen een termijn van honderdvijftig kalenderdagen na de verzending van de kennisgeving, vermeld in artikel 1.4.5.2.1, § 1, eerste lid.
§ 2. Binnen een termijn van tien dagen na datum van het verslag deelt de bevoegde dienst van de gemeente het verslag met de conclusies van de evaluaties met een beveiligde zending mee aan :
1° de exploitant;
2° het college van burgemeester en schepenen;
3° de adviesinstanties of de provinciale omgevingsvergunningscommissie als die tijdig een advies hebben uitgebracht.
Als de bevoegde dienst van de gemeente in zijn conclusies van oordeel is dat er een noodzaak is tot bijstelling van de milieuvoorwaarden, zal de mededeling, vermeld in het eerste lid, 2°, het verzoek tot bijstelling van de milieuvoorwaarden, vermeld in artikel 82, eerste lid, 2°, a), van het decreet van 25 april 2014, omvatten.
Onderafdeling 1.4.5.3. - De omgevingsvergunningscommissies
Art. 1.4.5.3.1. § 1. De bevoegde omgevingsvergunningscommissie die een evaluatie opstart, brengt de exploitant van de ingedeelde inrichting of activiteit daarvan met een beveiligde zending op de hoogte.
De kennisgeving bevat de aanleiding voor de evaluatie. De kennisgeving kan ook een verzoek om bijkomende gegevens als vermeld in artikel 1.4.5.1.1, § 1, tweede lid, omvatten.
De bevoegde omgevingsvergunningscommissie kan ook informatie opvragen bij de bevoegde toezichthouder, vermeld in titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.
§ 2. De bevoegde omgevingsvergunningscommissie verzoekt de adviesinstanties die conform artikel 37, § 2, en § 4 tot en met § 16, van het besluit van de Vlaamse Regering [1 van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning]1 in eerste administratieve aanleg voor de ingedeelde inrichting of activiteit een advies verlenen, om advies.
De adviesinstanties verlenen hun advies aan de bevoegde omgevingsvergunningscommissie binnen een termijn van zestig kalenderdagen na de ontvangst van het verzoek om advies. Als geen advies wordt uitgebracht binnen de termijn van zestig dagen, wordt de adviesinstantie geacht van oordeel te zijn dat er geen bijstelling van de milieuvoorwaarden hoeft plaats te vinden.
Art. 1.4.5.3.2. § 1. De bevoegde omgevingsvergunningscommissie stelt een gemotiveerd verslag met de conclusies van de uitgevoerde evaluatie op binnen een termijn van honderdvijftig kalenderdagen na de verzending van de kennisgeving, vermeld in artikel 1.4.5.3.1, § 1, eerste lid.
§ 2. Binnen een termijn van tien dagen na de datum van het verslag deelt de bevoegde omgevingsvergunningscommissie met een beveiligde zending het verslag met de conclusies van de uitgevoerde evaluaties mee aan :
1° de exploitant;
2° de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 van het decreet van 25 april 2014;
3° de adviesinstanties als die tijdig een advies hebben uitgebracht.
Als de bevoegde omgevingsvergunningscommissie in haar conclusies van oordeel is dat er een noodzaak is tot bijstelling van de milieuvoorwaarden, zal de mededeling, vermeld in het eerste lid, 2°, het verzoek tot bijstelling van de milieuvoorwaarden, vermeld in artikel 82, eerste lid, 2°, a), van het decreet van 25 april 2014, omvatten.
Afdeling 1.4.6. - Beoordelingscriteria voor de bijstelling van de milieuvoorwaarden als gevolg van een evaluatie
Art. 1.4.6.1. Om tegemoet te komen aan de redenen van de evaluatie worden de milieuvoorwaarden waar nodig bijgesteld.
In geval van een GPBV-installatie worden de milieuvoorwaarden zo nodig bijgesteld in de volgende gevallen :
1° om binnen vier jaar na de bekendmaking ervan in het publicatieblad van de Europese Unie te voldoen aan nieuwe of bijgewerkte BBT-conclusies ook rekening houdend met artikel 1.4 en 1.9, eerste lid, 5°, van titel III van het VLAREM;
2° als ontwikkelingen op het gebied van BBT een significante vermindering van de emissies mogelijk maken;
3° als de veroorzaakte verontreiniging van die aard is dat de bestaande emissiegrenswaarden moeten worden gewijzigd of nieuwe emissiegrenswaarden moeten worden opgelegd;
4° als de bedrijfsveiligheid van het proces of de activiteit de toepassing van andere technieken vereist;
5° om aan een nieuwe of bijgewerkte milieukwaliteitsnorm conform artikel 3.3.0.3, eerste lid, 3°, te voldoen.
In geval van ingedeelde inrichtingen of activiteiten als vermeld in artikel 1.4.2.1, 2°, a) en b), worden de milieuvoorwaarden zo nodig bijgesteld in de volgende gevallen :
1° als zich ingrijpende wijzigingen voordoen in de exploitatie van de voorziening of in het gestorte afval;
2° op basis van de resultaten van de monitoring waarover de exploitant met toepassing van artikel 5.2.6.5.1, § 3, verslag heeft uitgebracht of van de met toepassing van artikel 5.2.6.9.1 uitgevoerde inspecties;
3° in het licht van informatie-uitwisseling over aanzienlijke veranderingen in de beste beschikbare technieken.
In het geval van ingedeelde inrichtingen of activiteiten als vermeld in artikel 1.4.1.2, 2°, c) en d), worden de milieuvoorwaarden bijgesteld in functie van het maatregelenprogramma, vermeld in artikel 64 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid.".
Art. 173. Dans le même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 février 2015, il est inséré un chapitre 1.4., comprenant les articles 1.4.1.1 à 1.4.6.1 inclus, libellé comme suit :
" Chapitre 1.4. - Evaluations
Section 1.4.1. - Evaluation générales d'installations IPPC
Art. 1.4.1.1. Une évaluation générale des conditions environnementales applicables à une installation IPPC, visée à l'article 5.4.11, § 1er, 1°, du titre V du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, est exécutée :
1° dans les deux ans de la publication au journal officiel de l'Union européenne des conclusions nouvelles ou actualisées sur les MTD adoptées par la Commission européenne concernant l'activité principale de l'installation IPPC ;
2° dans la mesure où des conclusions sur les MTD ne sont pas applicables, lorsque des développements dans le domaine des MTD permettent une réduction significative des émissions ;
3° lorsque la pollution causée est telle qu'il convient de réviser les valeurs limites d'émission existantes de l'autorisation ou d'inclure de nouvelles valeurs limites d'émission ;
4° lorsque la sécurité d'exploitation du procédé ou de l'activité requiert le recours à d'autres techniques ;
5° lorsque, conformément à l'article 3.3.0.3, point 3°, une norme de qualité environnementale nouvelle ou actualisée doit être respectée.
Lors d'une évaluation générale, visée à l'alinéa 1er, points 1° et 2°, toutes les conditions environnementales applicables à une installation IPPC sont évaluées.
Lors d'une évaluation générale, visée à l'alinéa 1er, point 1°, toutes les conclusions nouvelles ou actualisées sur les MTD qui s'appliquent à l'installation et qui ont été adoptées par la Commission européenne depuis la délivrance ou la dernière évaluation du permis sont prises en considération.
Les conclusions nouvelles ou actualisées sur les MTD adoptées par la Commission européenne concernant l'activité principale de l'installation IPPC sont communiquées, dans le mois de la publication au journal officiel de l'Union européenne, par la division Environnement compétente pour le permis d'environnement, aux exploitants des installations IPPC concernées en préparation aux évaluations.
Lorsque, conformément à l'article 1.4 du titre III du VLAREM, une dérogation individuelle aux NEA-MTD est accordée pour une installation IPPC, l'application de l'article 1.4, alinéa 3, du titre III du VLAREM est à nouveau évaluée lors de toute évaluation générale.
Si aucune évaluation n'a été exécutée pour une installation IPPC au cours d'une période précédente de quinze ans, une évaluation générale peut être planifiée compte tenu du moment auquel les conditions environnementales ont été adaptées en conséquence d'une demande de permis ou de l'application de l'article 82.
Section 1.4.2. - Evaluations ciblées
Art. 1.4.2.1. En vue de l'application de l'article 82, alinéa 1er, point 2°, du décret du 25 avril 2014, les conditions environnementales pertinentes applicables à un établissement classé ou à une activité classée peuvent être soumises à une évaluation ciblée, visée à l'article 5.4.11, § 1er, point 2°, du titre V du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement :
1° pour les cas et les aspects définis dans les directives sur les conditions environnementales particulières, visées à l'article 5.4.6/1, alinéa 2, du titre V du décret précité ;
2° dans la mesure où, au cours d'une période précédente de quinze ans, les conditions environnementales à évaluer lors de la décision au sujet d'une demande de permis ou en application de l'article 82 du décret du 25 avril 2014 n'ont pas été adaptées de façon pertinente, dans les cas énumérés ci-après :
a) établissements ou activités visés à la rubrique de classification 2.3.11, à l'exception des aspects qui concernent les déchets inertes, les déchets résultant de l'extraction, le traitement et le stockage de tourbe et les déchets non inertes non dangereux, à moins que ces déchets ne soient déversés dans une installation de gestion de déchets de catégorie A, et à l'exception des installations de gestion de déchets visées à l'article 5.2.6.10.1, § 3, du présent arrêté ;
b) installations de (co)incinération de déchets telles que visées aux rubriques de classification 2.3.4.1, b, c, e, f, g, h, j, k, l, m ; 2.3.4.2, b, c, d, e, f, g et 2.3.5 ;
c) le déversement, dans les eaux de surface ordinaires, les égouts publics ou les voies artificielles d'écoulement des eaux pluviales, de déchets dangereux tels que visés à l'annexe 2C, en concentrations supérieures aux critères de classification visés à la colonne " critère de classification SD (substances dangereuses) " de l'article 3 de l'annexe 2.3.1 ;
d) le déversement direct et indirect dans les eaux souterraines de substances dangereuses visées à l'annexe 2B.
Section 1.4.3. - Programme pluriannuel pour les évaluations d'installations IPPC
Sous-section 1.4.3.1. - Etablissement du programme pluriannuel
Art. 1.4.3.1.1. Le programme pluriannuel progressif de la division Environnement compétente pour le permis d'environnement contient au moins les éléments suivants :
1° un plan d'approche pour l'exécution des évaluations générales visées à l'article 5.4.11, § 1er, point 1°, du titre V du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, pour les cinq prochaines années ;
2° une liste nominative des établissements ou activités classés pour lesquels l'évaluation précitée a été planifiée dans le courant des deux prochaines années, avec le planning concret pour l'année à venir.
Dans son plan d'approche visé à l'alinéa 1er, la division Environnement compétente pour le permis d'environnement détermine, pour chaque catégorie d'installations IPPC qu'elle prend en considération pour l'exécution d'une évaluation au cours des cinq prochaines années civiles, si les motifs de l'évaluation donnent également lieu en partie à une actualisation des conditions environnementales générales ou sectorielles.
Le programme pluriannuel progressif est adapté à l'approche en termes de programme du maintien environnemental.
La division Environnement compétente pour le permis d'environnement établit le programme pluriannuel progressif après consultation des instances d'avis visées à l'article 37, § § 4 à 16 inclus, de l'arrêté du Gouvernement flamand [1 du 27 novembre 2015 portant exécution du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement]1.
Sous-section 1.4.3.2. - Publication du programme pluriannuel
Art. 1.4.3.2.1. Le programme pluriannuel progressif de la division Environnement compétente pour le permis d'environnement est publié en ligne chaque année, avant le 1er octobre, à un endroit approprié du site Internet de la division et est communiqué au Gouvernement flamand. Il peut également être consulté auprès de la division Environnement compétente pour le permis d'environnement.
Chaque année, avant le 1er octobre, la division Environnement compétente pour le permis d'environnement met son programme pluriannuel progressif à la disposition des commissions provinciales et régionales du permis d'environnement et de la division compétente pour le maintien environnemental.
Sous-section 1.4.3.3. - Rapport sur la mise en oeuvre du programme pluriannuel
Art. 1.4.3.3.1. Au plus tard le 30 juin de chaque année, la division Environnement compétente pour le permis d'environnement établit un rapport sur le degré de mise en oeuvre de son programme pluriannuel progressif de l'année précédente. A cet effet, la division peut recueillir toutes informations utiles auprès des commissions provinciales et régionales du permis d'environnement compétentes.
Le rapport visé à l'alinéa premier comporte au moins :
1° le nombre d'évaluations générales prévues au début de l'année considérée ;
2° le nombre d'évaluations exécutées pour l'année considérée ;
3° en cas de différence entre le nombre d'évaluations générales prévues et le nombre d'évaluations générales exécutées, un exposé des motifs pour lesquels le nombre postulé n'a pas été atteint.
Le rapport visé à l'alinéa premier est publié dans un délai de trente jours suivant son établissement, conformément aux dispositions de l'article 1.4.3.2.1.
Section 1.4.4. - Instances chargées de l'exécution des évaluations
Art. 1.4.4.1. Conformément à l'article 5.4.12 du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, les instances suivantes sont chargées de l'exécution des évaluations :
1° le service compétent de la commune pour des établissements ou activités classés appartenant à des projets pour lesquels le collège des bourgmestre et échevins est compétent, conformément à l'article 15 du décret du 25 avril 2014, pour prendre une décision au sujet d'une demande de permis en première instance administrative ;
2° la commission provinciale du permis d'environnement pour des établissements ou activités classés appartenant à des projets pour lesquels la députation est compétente, conformément à l'article 15 du décret du 25 avril 2014, pour prendre une décision au sujet d'une demande de permis en première instance administrative ;
3° la commission régionale du permis d'environnement pour des établissements ou activités classés appartenant à des projets pour lesquels le Gouvernement flamand est compétent, conformément à l'article 15 du décret du 25 avril 2014, pour prendre une décision au sujet d'une demande de permis en première instance administrative ;
Section 1.4.5. - L'exécution des évaluations
Sous-section 1.4.5.1. - Généralités
Art. 1.4.5.1.1. § 1 Pour l'exécution de l'évaluation, les informations résultant de la surveillance ou de l'inspection, dont dispose l'autorité, sont utilisées.
Les instances chargées de l'exécution d'une évaluation, visées à l'article 1.4.4.1, peuvent demander à l'exploitant des données supplémentaires nécessaires à l'évaluation des conditions environnementales et si celles-ci ne sont pas encore en leur possession, notamment :
1° les mesures mises en oeuvre ou proposées par l'exploitant à la suite des motifs qui ont donné lieu au lancement de l'évaluation et qui lui ont été communiqués conformément à l'article 1.4.5.2.1, § 1er, alinéa 2, ou 1.4.5.3.1, § 1er, alinéa 2 ;
2° lorsque la désignation d'un coordinateur environnement est obligatoire pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée, la vision du coordinateur environnement sur les mesures visées au point 1° ;
3° s'il s'agit d'une installation IPPC : les résultats de la surveillance des émissions et d'autres données permettant une comparaison du fonctionnement de l'installation avec les MTD décrites dans les conclusions sur les MTD applicables et les NEA-MTD.
§ 2. L'exploitant transmet les données supplémentaires visées au paragraphe 1er, alinéa 2, dans un délai de cinquante jours à compter du jour suivant la date d'envoi de la demande.
Lors de la transmission des données visées au paragraphe 1er, alinéa 2, l'exploitant peut indiquer les données qui doivent être traitées de manière confidentielle. Cette disposition ne porte pas atteinte à la réglementation en matière de publicité passive visée au chapitre II du décret du 26 mars 2004 relatif à la publicité de l'administration.
Si l'exploitant omet de transmettre les données demandées dans le délai visé à l'alinéa 1er, l'instance chargée de l'exécution d'une évaluation, visée à l'article 1.4.4.1, peut malgré tout procéder à l'évaluation.
§ 3. Les instances chargées de l'exécution d'une évaluation, visées à l'article 1.4.4.1, mettent les données visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, et au paragraphe 2, accompagnant la demande d'avis à la disposition des instances dont elles demandent l'avis.
§ 4. Pour l'application de la section 1.4.5, le titre 8 de l'arrêté du Gouvernement flamand [1 du 27 novembre 2015 portant exécution du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement]1 s'applique par analogie.
§ 5. La notification visée à l'article 1.4.5.2.1, § 1er, alinéa 2, et à l'article 1.4.5.3.1, § 1er, alinéa 2, et le rapport contenant les conclusions de l'évaluation exécutée, visé à l'article 1.4.5.2.2, § 1er, et à l'article 1.4.5.3.2, § 1er, sont mis par l'exploitant à la disposition de la représentation des travailleurs au conseil d'entreprise et du comité pour la prévention et la protection au travail. En l'absence des deux organes, les documents et données sont mis à la disposition de la délégation syndicale de l'entreprise.
Sous-section 1.4.5.2. - Le service compétent de la commune
Art. 1.4.5.2.1. § 1er. Le service compétent de la commune qui lance une évaluation en informe l'exploitant de l'établissement classé ou de l'activité classée par envoi sécurisé.
La notification contient la raison de l'évaluation. La notification peut également contenir une demande de données supplémentaires telles que visées à l'article 1.4.5.1.1, § 1er, alinéa 2.
Le service compétent de la commune peut également demander des informations auprès du surveillant compétent visé au titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement.
§ 2. Lorsque la commission provinciale du permis d'environnement rend un avis en première instance administrative pour l'établissement classé ou l'activité classée, conformément à l'article 41 de l'arrêté du Gouvernement flamand [1 du 27 novembre 2015 portant exécution du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement]1, le service compétent de la commune demande un avis à la commission provinciale du permis d'environnement.
La commission provinciale du permis d'environnement demande l'avis des instances d'avis qui, conformément à l'article 37, § 2 et § § 4 à 16 inclus, de l'arrêté du Gouvernement flamand [1 du 27 novembre 2015 portant exécution du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement]1, rendent un avis en première instance administrative pour l'établissement classé ou l'activité classée.
Les instances d'avis rendent leur avis à la commission provinciale du permis d'environnement dans un délai de quarante-cinq jours calendaires suivant la réception de la demande d'avis. Si aucun avis n'est rendu dans le délai de quarante-cinq jours calendaires, l'instance d'avis est réputée être d'avis qu'il n'y a pas lieu d'actualiser les conditions environnementales.
La commission provinciale du permis d'environnement rend son avis dans un délai de septante-cinq jours calendaires suivant la réception de la demande d'avis. Si aucun avis n'est rendu dans le délai de septante-cinq jours, la commission provinciale du permis d'environnement est réputée être d'avis qu'il n'y a pas lieu d'actualiser les conditions environnementales.
§ 3. Si la commission provinciale du permis d'environnement n'a pas de compétence d'avis telle que visée au paragraphe 2, le service compétent de la commune peut demander l'avis des instances d'avis qui, conformément à l'article 37, § § 4 à 16 inclus, de l'arrêté du Gouvernement flamand [1 du 27 novembre 2015 portant exécution du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement]1, rendent un avis en première instance administrative pour l'établissement classé ou l'activité classée.
Les instances d'avis rendent leur avis au service compétent de la commune dans un délai de quarante-cinq jours calendaires suivant la réception de la demande d'avis. Si aucun avis n'est rendu dans le délai de quarante-cinq jours calendaires, l'instance d'avis est réputée être d'avis qu'il n'y a pas lieu d'actualiser les conditions environnementales.
Art. 1.4.5.2.2. § 1er. Le service compétent de la commune établit un rapport motivé contenant les conclusions de l'évaluation exécutée dans un délai de cent cinquante jours calendaires de l'envoi de la notification visée à l'article 1.4.5.2.1, § 1er, alinéa 1er.
§ 2. Dans un délai de dix jours suivant la date du rapport, le service compétent de la commune communique le rapport contenant les conclusions des évaluations par envoi sécurisé :
1° à l'exploitant ;
2° au collège des bourgmestre et échevins ;
3° aux instances d'avis ou à la commission provinciale du permis d'environnement si elles ont rendu un avis dans les délais.
Si le service compétent de la commune estime, dans ses conclusions, qu'il y a lieu d'actualiser les conditions environnementales, la communication visée à l'alinéa 1er, point 2° contiendra la demande d'actualisation des conditions environnementales visée à l'article 82, alinéa 1er, point 2°, a), du décret du 25 avril 2014.
Sous-section 1.4.5.3. - Les commissions du permis d'environnement
Art. 1.4.5.3.1. § 1er. La commission du permis d'environnement compétente qui lance une évaluation en informe l'exploitant de l'établissement classé ou de l'activité classée par envoi sécurisé.
La notification contient le motif de l'évaluation. La notification peut également contenir une demande de données supplémentaires telles que visées à l'article 1.4.5.1.1, § 1er, alinéa 2.
La commission du permis d'environnement compétente peut également demander des informations auprès du surveillant compétent visé au titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement.
§ 2. La commission du permis d'environnement compétente demande l'avis des instances d'avis qui, conformément à l'article 37, § 2 et § § 4 à 16 inclus, de l'arrêté du Gouvernement flamand [1 du 27 novembre 2015 portant exécution du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement]1, rendent un avis en première instance administrative pour l'établissement classé ou l'activité classée.
Les instances d'avis rendent leur avis à la commission du permis d'environnement compétente dans un délai de soixante jours calendaires suivant la réception de la demande d'avis. Si aucun avis n'est rendu dans le délai de soixante jours, l'instance d'avis est réputée être d'avis qu'il n'y a pas lieu d'actualiser les conditions environnementales.
Art. 1.4.5.3.2. § 1er. La commission du permis d'environnement compétente établit un rapport motivé contenant les conclusions de l'évaluation exécutée dans un délai de cent cinquante jours calendaires de l'envoi de la notification visée à l'article 1.4.5.3.1, § 1er, alinéa 1er.
§ 2. Dans un délai de dix jours suivant la date du rapport, la commission du permis d'environnement compétente communique le rapport contenant les conclusions des évaluations exécutées par envoi sécurisé :
1° à l'exploitant ;
2° à l'autorité compétente visée à l'article 15 du décret du 25 avril 2014 ;
3° aux instances d'avis si elles ont rendu un avis dans les délais.
Si la commission du permis d'environnement compétente estime, dans ses conclusions, qu'il y a lieu d'actualiser les conditions environnementales, la communication visée à l'alinéa 1er, point 2°, contiendra la demande d'actualisation des conditions environnementales visée à l'article 82, alinéa 1er, point 2°, a), du décret du 25 avril 2014.
Section 1.4.6. - Critères d'évaluation pour l'actualisation des conditions environnementales consécutive à une évaluation
Art. 1.4.6.1. Afin de répondre aux motifs de l'évaluation, les conditions environnementales sont, le cas échéant, actualisées.
Dans le cas d'une installation IPPC, les conditions environnementales sont actualisées dans les situations suivantes :
1° afin de satisfaire, dans les quatre ans de leur publication au journal officiel de l'Union européenne, à des conclusions nouvelles ou actualisées sur les MTD, compte tenu également des articles 1.4 et 1.9, alinéa 1er, point 5°, du titre III du VLAREM ;
2° lorsque des développements dans le domaine des MTD permettent une réduction significative des émissions ;
3° lorsque la pollution causée est telle qu'il convient de réviser les valeurs limites d'émission existantes ou d'imposer de nouvelles valeurs limites d'émission ;
4° lorsque la sécurité d'exploitation du procédé ou de l'activité requiert le recours à d'autres techniques ;
5° afin de satisfaire à une norme de qualité environnementale nouvelle ou actualisée conformément à l'article 3.3.0.3, alinéa 1er, point 3°.
Dans le cas d'établissements ou d'activités classés tels que visés à l'article 1.4.2.1, point 2°, a) et b), les conditions environnementales sont, si nécessaire, actualisées dans les situations suivantes :
1° en cas de modifications substantielles de l'exploitation de l'installation ou des déchets déposés ;
2° sur la base des résultats de la surveillance communiqués par l'exploitant en vertu de l'article 5.2.6.5.1, § 3, ou des inspections réalisées en vertu de l'article 5.2.6.9.1 ;
3° à la lumière de l'échange d'informations sur une évolution majeure des meilleures techniques disponibles.
Dans le cas d'établissements ou d'activités classés tels que visés à l'article 1.4.1.2, point 2°, c) et d), les conditions environnementales sont actualisées sur la base du programme de mesures visé à l'article 64 du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau. ".
" Chapitre 1.4. - Evaluations
Section 1.4.1. - Evaluation générales d'installations IPPC
Art. 1.4.1.1. Une évaluation générale des conditions environnementales applicables à une installation IPPC, visée à l'article 5.4.11, § 1er, 1°, du titre V du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, est exécutée :
1° dans les deux ans de la publication au journal officiel de l'Union européenne des conclusions nouvelles ou actualisées sur les MTD adoptées par la Commission européenne concernant l'activité principale de l'installation IPPC ;
2° dans la mesure où des conclusions sur les MTD ne sont pas applicables, lorsque des développements dans le domaine des MTD permettent une réduction significative des émissions ;
3° lorsque la pollution causée est telle qu'il convient de réviser les valeurs limites d'émission existantes de l'autorisation ou d'inclure de nouvelles valeurs limites d'émission ;
4° lorsque la sécurité d'exploitation du procédé ou de l'activité requiert le recours à d'autres techniques ;
5° lorsque, conformément à l'article 3.3.0.3, point 3°, une norme de qualité environnementale nouvelle ou actualisée doit être respectée.
Lors d'une évaluation générale, visée à l'alinéa 1er, points 1° et 2°, toutes les conditions environnementales applicables à une installation IPPC sont évaluées.
Lors d'une évaluation générale, visée à l'alinéa 1er, point 1°, toutes les conclusions nouvelles ou actualisées sur les MTD qui s'appliquent à l'installation et qui ont été adoptées par la Commission européenne depuis la délivrance ou la dernière évaluation du permis sont prises en considération.
Les conclusions nouvelles ou actualisées sur les MTD adoptées par la Commission européenne concernant l'activité principale de l'installation IPPC sont communiquées, dans le mois de la publication au journal officiel de l'Union européenne, par la division Environnement compétente pour le permis d'environnement, aux exploitants des installations IPPC concernées en préparation aux évaluations.
Lorsque, conformément à l'article 1.4 du titre III du VLAREM, une dérogation individuelle aux NEA-MTD est accordée pour une installation IPPC, l'application de l'article 1.4, alinéa 3, du titre III du VLAREM est à nouveau évaluée lors de toute évaluation générale.
Si aucune évaluation n'a été exécutée pour une installation IPPC au cours d'une période précédente de quinze ans, une évaluation générale peut être planifiée compte tenu du moment auquel les conditions environnementales ont été adaptées en conséquence d'une demande de permis ou de l'application de l'article 82.
Section 1.4.2. - Evaluations ciblées
Art. 1.4.2.1. En vue de l'application de l'article 82, alinéa 1er, point 2°, du décret du 25 avril 2014, les conditions environnementales pertinentes applicables à un établissement classé ou à une activité classée peuvent être soumises à une évaluation ciblée, visée à l'article 5.4.11, § 1er, point 2°, du titre V du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement :
1° pour les cas et les aspects définis dans les directives sur les conditions environnementales particulières, visées à l'article 5.4.6/1, alinéa 2, du titre V du décret précité ;
2° dans la mesure où, au cours d'une période précédente de quinze ans, les conditions environnementales à évaluer lors de la décision au sujet d'une demande de permis ou en application de l'article 82 du décret du 25 avril 2014 n'ont pas été adaptées de façon pertinente, dans les cas énumérés ci-après :
a) établissements ou activités visés à la rubrique de classification 2.3.11, à l'exception des aspects qui concernent les déchets inertes, les déchets résultant de l'extraction, le traitement et le stockage de tourbe et les déchets non inertes non dangereux, à moins que ces déchets ne soient déversés dans une installation de gestion de déchets de catégorie A, et à l'exception des installations de gestion de déchets visées à l'article 5.2.6.10.1, § 3, du présent arrêté ;
b) installations de (co)incinération de déchets telles que visées aux rubriques de classification 2.3.4.1, b, c, e, f, g, h, j, k, l, m ; 2.3.4.2, b, c, d, e, f, g et 2.3.5 ;
c) le déversement, dans les eaux de surface ordinaires, les égouts publics ou les voies artificielles d'écoulement des eaux pluviales, de déchets dangereux tels que visés à l'annexe 2C, en concentrations supérieures aux critères de classification visés à la colonne " critère de classification SD (substances dangereuses) " de l'article 3 de l'annexe 2.3.1 ;
d) le déversement direct et indirect dans les eaux souterraines de substances dangereuses visées à l'annexe 2B.
Section 1.4.3. - Programme pluriannuel pour les évaluations d'installations IPPC
Sous-section 1.4.3.1. - Etablissement du programme pluriannuel
Art. 1.4.3.1.1. Le programme pluriannuel progressif de la division Environnement compétente pour le permis d'environnement contient au moins les éléments suivants :
1° un plan d'approche pour l'exécution des évaluations générales visées à l'article 5.4.11, § 1er, point 1°, du titre V du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, pour les cinq prochaines années ;
2° une liste nominative des établissements ou activités classés pour lesquels l'évaluation précitée a été planifiée dans le courant des deux prochaines années, avec le planning concret pour l'année à venir.
Dans son plan d'approche visé à l'alinéa 1er, la division Environnement compétente pour le permis d'environnement détermine, pour chaque catégorie d'installations IPPC qu'elle prend en considération pour l'exécution d'une évaluation au cours des cinq prochaines années civiles, si les motifs de l'évaluation donnent également lieu en partie à une actualisation des conditions environnementales générales ou sectorielles.
Le programme pluriannuel progressif est adapté à l'approche en termes de programme du maintien environnemental.
La division Environnement compétente pour le permis d'environnement établit le programme pluriannuel progressif après consultation des instances d'avis visées à l'article 37, § § 4 à 16 inclus, de l'arrêté du Gouvernement flamand [1 du 27 novembre 2015 portant exécution du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement]1.
Sous-section 1.4.3.2. - Publication du programme pluriannuel
Art. 1.4.3.2.1. Le programme pluriannuel progressif de la division Environnement compétente pour le permis d'environnement est publié en ligne chaque année, avant le 1er octobre, à un endroit approprié du site Internet de la division et est communiqué au Gouvernement flamand. Il peut également être consulté auprès de la division Environnement compétente pour le permis d'environnement.
Chaque année, avant le 1er octobre, la division Environnement compétente pour le permis d'environnement met son programme pluriannuel progressif à la disposition des commissions provinciales et régionales du permis d'environnement et de la division compétente pour le maintien environnemental.
Sous-section 1.4.3.3. - Rapport sur la mise en oeuvre du programme pluriannuel
Art. 1.4.3.3.1. Au plus tard le 30 juin de chaque année, la division Environnement compétente pour le permis d'environnement établit un rapport sur le degré de mise en oeuvre de son programme pluriannuel progressif de l'année précédente. A cet effet, la division peut recueillir toutes informations utiles auprès des commissions provinciales et régionales du permis d'environnement compétentes.
Le rapport visé à l'alinéa premier comporte au moins :
1° le nombre d'évaluations générales prévues au début de l'année considérée ;
2° le nombre d'évaluations exécutées pour l'année considérée ;
3° en cas de différence entre le nombre d'évaluations générales prévues et le nombre d'évaluations générales exécutées, un exposé des motifs pour lesquels le nombre postulé n'a pas été atteint.
Le rapport visé à l'alinéa premier est publié dans un délai de trente jours suivant son établissement, conformément aux dispositions de l'article 1.4.3.2.1.
Section 1.4.4. - Instances chargées de l'exécution des évaluations
Art. 1.4.4.1. Conformément à l'article 5.4.12 du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, les instances suivantes sont chargées de l'exécution des évaluations :
1° le service compétent de la commune pour des établissements ou activités classés appartenant à des projets pour lesquels le collège des bourgmestre et échevins est compétent, conformément à l'article 15 du décret du 25 avril 2014, pour prendre une décision au sujet d'une demande de permis en première instance administrative ;
2° la commission provinciale du permis d'environnement pour des établissements ou activités classés appartenant à des projets pour lesquels la députation est compétente, conformément à l'article 15 du décret du 25 avril 2014, pour prendre une décision au sujet d'une demande de permis en première instance administrative ;
3° la commission régionale du permis d'environnement pour des établissements ou activités classés appartenant à des projets pour lesquels le Gouvernement flamand est compétent, conformément à l'article 15 du décret du 25 avril 2014, pour prendre une décision au sujet d'une demande de permis en première instance administrative ;
Section 1.4.5. - L'exécution des évaluations
Sous-section 1.4.5.1. - Généralités
Art. 1.4.5.1.1. § 1 Pour l'exécution de l'évaluation, les informations résultant de la surveillance ou de l'inspection, dont dispose l'autorité, sont utilisées.
Les instances chargées de l'exécution d'une évaluation, visées à l'article 1.4.4.1, peuvent demander à l'exploitant des données supplémentaires nécessaires à l'évaluation des conditions environnementales et si celles-ci ne sont pas encore en leur possession, notamment :
1° les mesures mises en oeuvre ou proposées par l'exploitant à la suite des motifs qui ont donné lieu au lancement de l'évaluation et qui lui ont été communiqués conformément à l'article 1.4.5.2.1, § 1er, alinéa 2, ou 1.4.5.3.1, § 1er, alinéa 2 ;
2° lorsque la désignation d'un coordinateur environnement est obligatoire pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée, la vision du coordinateur environnement sur les mesures visées au point 1° ;
3° s'il s'agit d'une installation IPPC : les résultats de la surveillance des émissions et d'autres données permettant une comparaison du fonctionnement de l'installation avec les MTD décrites dans les conclusions sur les MTD applicables et les NEA-MTD.
§ 2. L'exploitant transmet les données supplémentaires visées au paragraphe 1er, alinéa 2, dans un délai de cinquante jours à compter du jour suivant la date d'envoi de la demande.
Lors de la transmission des données visées au paragraphe 1er, alinéa 2, l'exploitant peut indiquer les données qui doivent être traitées de manière confidentielle. Cette disposition ne porte pas atteinte à la réglementation en matière de publicité passive visée au chapitre II du décret du 26 mars 2004 relatif à la publicité de l'administration.
Si l'exploitant omet de transmettre les données demandées dans le délai visé à l'alinéa 1er, l'instance chargée de l'exécution d'une évaluation, visée à l'article 1.4.4.1, peut malgré tout procéder à l'évaluation.
§ 3. Les instances chargées de l'exécution d'une évaluation, visées à l'article 1.4.4.1, mettent les données visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, et au paragraphe 2, accompagnant la demande d'avis à la disposition des instances dont elles demandent l'avis.
§ 4. Pour l'application de la section 1.4.5, le titre 8 de l'arrêté du Gouvernement flamand [1 du 27 novembre 2015 portant exécution du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement]1 s'applique par analogie.
§ 5. La notification visée à l'article 1.4.5.2.1, § 1er, alinéa 2, et à l'article 1.4.5.3.1, § 1er, alinéa 2, et le rapport contenant les conclusions de l'évaluation exécutée, visé à l'article 1.4.5.2.2, § 1er, et à l'article 1.4.5.3.2, § 1er, sont mis par l'exploitant à la disposition de la représentation des travailleurs au conseil d'entreprise et du comité pour la prévention et la protection au travail. En l'absence des deux organes, les documents et données sont mis à la disposition de la délégation syndicale de l'entreprise.
Sous-section 1.4.5.2. - Le service compétent de la commune
Art. 1.4.5.2.1. § 1er. Le service compétent de la commune qui lance une évaluation en informe l'exploitant de l'établissement classé ou de l'activité classée par envoi sécurisé.
La notification contient la raison de l'évaluation. La notification peut également contenir une demande de données supplémentaires telles que visées à l'article 1.4.5.1.1, § 1er, alinéa 2.
Le service compétent de la commune peut également demander des informations auprès du surveillant compétent visé au titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement.
§ 2. Lorsque la commission provinciale du permis d'environnement rend un avis en première instance administrative pour l'établissement classé ou l'activité classée, conformément à l'article 41 de l'arrêté du Gouvernement flamand [1 du 27 novembre 2015 portant exécution du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement]1, le service compétent de la commune demande un avis à la commission provinciale du permis d'environnement.
La commission provinciale du permis d'environnement demande l'avis des instances d'avis qui, conformément à l'article 37, § 2 et § § 4 à 16 inclus, de l'arrêté du Gouvernement flamand [1 du 27 novembre 2015 portant exécution du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement]1, rendent un avis en première instance administrative pour l'établissement classé ou l'activité classée.
Les instances d'avis rendent leur avis à la commission provinciale du permis d'environnement dans un délai de quarante-cinq jours calendaires suivant la réception de la demande d'avis. Si aucun avis n'est rendu dans le délai de quarante-cinq jours calendaires, l'instance d'avis est réputée être d'avis qu'il n'y a pas lieu d'actualiser les conditions environnementales.
La commission provinciale du permis d'environnement rend son avis dans un délai de septante-cinq jours calendaires suivant la réception de la demande d'avis. Si aucun avis n'est rendu dans le délai de septante-cinq jours, la commission provinciale du permis d'environnement est réputée être d'avis qu'il n'y a pas lieu d'actualiser les conditions environnementales.
§ 3. Si la commission provinciale du permis d'environnement n'a pas de compétence d'avis telle que visée au paragraphe 2, le service compétent de la commune peut demander l'avis des instances d'avis qui, conformément à l'article 37, § § 4 à 16 inclus, de l'arrêté du Gouvernement flamand [1 du 27 novembre 2015 portant exécution du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement]1, rendent un avis en première instance administrative pour l'établissement classé ou l'activité classée.
Les instances d'avis rendent leur avis au service compétent de la commune dans un délai de quarante-cinq jours calendaires suivant la réception de la demande d'avis. Si aucun avis n'est rendu dans le délai de quarante-cinq jours calendaires, l'instance d'avis est réputée être d'avis qu'il n'y a pas lieu d'actualiser les conditions environnementales.
Art. 1.4.5.2.2. § 1er. Le service compétent de la commune établit un rapport motivé contenant les conclusions de l'évaluation exécutée dans un délai de cent cinquante jours calendaires de l'envoi de la notification visée à l'article 1.4.5.2.1, § 1er, alinéa 1er.
§ 2. Dans un délai de dix jours suivant la date du rapport, le service compétent de la commune communique le rapport contenant les conclusions des évaluations par envoi sécurisé :
1° à l'exploitant ;
2° au collège des bourgmestre et échevins ;
3° aux instances d'avis ou à la commission provinciale du permis d'environnement si elles ont rendu un avis dans les délais.
Si le service compétent de la commune estime, dans ses conclusions, qu'il y a lieu d'actualiser les conditions environnementales, la communication visée à l'alinéa 1er, point 2° contiendra la demande d'actualisation des conditions environnementales visée à l'article 82, alinéa 1er, point 2°, a), du décret du 25 avril 2014.
Sous-section 1.4.5.3. - Les commissions du permis d'environnement
Art. 1.4.5.3.1. § 1er. La commission du permis d'environnement compétente qui lance une évaluation en informe l'exploitant de l'établissement classé ou de l'activité classée par envoi sécurisé.
La notification contient le motif de l'évaluation. La notification peut également contenir une demande de données supplémentaires telles que visées à l'article 1.4.5.1.1, § 1er, alinéa 2.
La commission du permis d'environnement compétente peut également demander des informations auprès du surveillant compétent visé au titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement.
§ 2. La commission du permis d'environnement compétente demande l'avis des instances d'avis qui, conformément à l'article 37, § 2 et § § 4 à 16 inclus, de l'arrêté du Gouvernement flamand [1 du 27 novembre 2015 portant exécution du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement]1, rendent un avis en première instance administrative pour l'établissement classé ou l'activité classée.
Les instances d'avis rendent leur avis à la commission du permis d'environnement compétente dans un délai de soixante jours calendaires suivant la réception de la demande d'avis. Si aucun avis n'est rendu dans le délai de soixante jours, l'instance d'avis est réputée être d'avis qu'il n'y a pas lieu d'actualiser les conditions environnementales.
Art. 1.4.5.3.2. § 1er. La commission du permis d'environnement compétente établit un rapport motivé contenant les conclusions de l'évaluation exécutée dans un délai de cent cinquante jours calendaires de l'envoi de la notification visée à l'article 1.4.5.3.1, § 1er, alinéa 1er.
§ 2. Dans un délai de dix jours suivant la date du rapport, la commission du permis d'environnement compétente communique le rapport contenant les conclusions des évaluations exécutées par envoi sécurisé :
1° à l'exploitant ;
2° à l'autorité compétente visée à l'article 15 du décret du 25 avril 2014 ;
3° aux instances d'avis si elles ont rendu un avis dans les délais.
Si la commission du permis d'environnement compétente estime, dans ses conclusions, qu'il y a lieu d'actualiser les conditions environnementales, la communication visée à l'alinéa 1er, point 2°, contiendra la demande d'actualisation des conditions environnementales visée à l'article 82, alinéa 1er, point 2°, a), du décret du 25 avril 2014.
Section 1.4.6. - Critères d'évaluation pour l'actualisation des conditions environnementales consécutive à une évaluation
Art. 1.4.6.1. Afin de répondre aux motifs de l'évaluation, les conditions environnementales sont, le cas échéant, actualisées.
Dans le cas d'une installation IPPC, les conditions environnementales sont actualisées dans les situations suivantes :
1° afin de satisfaire, dans les quatre ans de leur publication au journal officiel de l'Union européenne, à des conclusions nouvelles ou actualisées sur les MTD, compte tenu également des articles 1.4 et 1.9, alinéa 1er, point 5°, du titre III du VLAREM ;
2° lorsque des développements dans le domaine des MTD permettent une réduction significative des émissions ;
3° lorsque la pollution causée est telle qu'il convient de réviser les valeurs limites d'émission existantes ou d'imposer de nouvelles valeurs limites d'émission ;
4° lorsque la sécurité d'exploitation du procédé ou de l'activité requiert le recours à d'autres techniques ;
5° afin de satisfaire à une norme de qualité environnementale nouvelle ou actualisée conformément à l'article 3.3.0.3, alinéa 1er, point 3°.
Dans le cas d'établissements ou d'activités classés tels que visés à l'article 1.4.2.1, point 2°, a) et b), les conditions environnementales sont, si nécessaire, actualisées dans les situations suivantes :
1° en cas de modifications substantielles de l'exploitation de l'installation ou des déchets déposés ;
2° sur la base des résultats de la surveillance communiqués par l'exploitant en vertu de l'article 5.2.6.5.1, § 3, ou des inspections réalisées en vertu de l'article 5.2.6.9.1 ;
3° à la lumière de l'échange d'informations sur une évolution majeure des meilleures techniques disponibles.
Dans le cas d'établissements ou d'activités classés tels que visés à l'article 1.4.1.2, point 2°, c) et d), les conditions environnementales sont actualisées sur la base du programme de mesures visé à l'article 64 du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau. ".
Art. 174. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 februari 2015, wordt een hoofdstuk 1.5, dat bestaat uit artikel 1.5.1.1 tot en met 1.5.4.1 ingevoegd, dat luidt als volgt :
"Hoofdstuk 1.5. - Kennisgevings- en toelatingsprocedure voor het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde of pathogene organismen
Afdeling 1.5.1. - Algemene bepalingen
Art. 1.5.1.1. § 1. De kennisgeving en, in voorkomend geval, de toelatingsaanvraag, vermeld in artikel 5.5.2, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, worden ingediend en afgehandeld conform de bepalingen van deze afdeling.
§ 2. Bij elke kennisgeving of toelatingsaanvraag bezorgt de gebruiker een openbaar dossier per aangetekende brief, digitaal of door afgifte tegen ontvangstbewijs aan de bevoegde instantie.
De gebruiker stuurt tegelijkertijd een exemplaar van het openbaar dossier en van het technisch dossier per aangetekende brief, digitaal of bij afgifte tegen ontvangstbewijs naar de technisch deskundige. De technisch deskundige brengt de bevoegde instantie op de hoogte van de ontvangst van het dossier.
§ 3. De kennisgeving en, in voorkomend geval de toelatingsaanvraag bevatten de gegevens, vermeld in afdeling 1.5.2.
§ 4. Het technisch dossier kan vertrouwelijke informatie bevatten die, in voorkomend geval, in een afzonderlijke gesloten enveloppe bij het technisch dossier gevoegd wordt.
De technisch deskundige besluit na overleg met de gebruiker welke informatie vertrouwelijk zal worden behandeld en brengt de gebruiker op de hoogte van zijn besluit. Elk meningsverschil tussen de gebruiker en de technisch deskundige daarover wordt beslecht door de bevoegde instantie.
Het vertrouwelijke karakter kan niet worden ingeroepen voor de volgende informatie :
1° karakteristieken van de GGO's en pathogene organismen;
2° de naam van de gebruiker;
3° de plaats van de activiteit;
4° het risiconiveau van de activiteiten, zoals bepaald conform rubriek 51 van de indelingslijst;
5° de inperkingsmaatregelen;
6° de conclusies over de te verwachten effecten, namelijk de mogelijke schadelijke gevolgen voor de menselijke gezondheid en het milieu.
De bevoegde instantie en de technisch deskundige geven aan derden geen informatie door die als vertrouwelijke informatie wordt beschouwd.
Bij definitieve weigering van de toelating of als de gebruiker de kennisgeving of de toelatingsaanvraag intrekt, wordt de vertrouwelijke informatie aangetekend en in een verzegelde enveloppe door de technisch deskundige naar de gebruiker teruggestuurd.
§ 5. De technisch deskundige bezorgt aan de bevoegde instantie per aangetekende brief, digitaal of door afgifte tegen ontvangstbewijs, binnen acht dagen na de ontvangst van de dossiers, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, een ontvangstbewijs waaruit de conformiteit van het openbaar dossier met het technisch dossier blijkt, of een opsomming van de gebreken van het openbaar dossier.
Art. 1.5.1.2. § 1. Als een kennisgeving of een toelatingsaanvraag is ingediend, geeft de technisch deskundige een advies aan de bevoegde instantie binnen de termijnen, vermeld in afdeling 1.5.2.
Hij onderzoekt of het dossier voldoet aan de eisen, vermeld in dit besluit, of de verstrekte gegevens juist en volledig zijn, of de risicoanalyse en het risiconiveau correct zijn en, zo nodig, of de inperkings- en andere beschermingsmaatregelen en het afvalbeheer adequaat zijn.
§ 2. Als dat nodig is, kan de technisch deskundige overgaan tot raadplegingen of de gebruiker verzoeken nadere informatie te verstrekken. In dat geval worden de termijnen waarin het advies moet worden verstrekt, verlengd met de termijn waarin wordt gewacht op de nadere informatie. De termijn waarin de bevoegde instantie eventueel een beslissing moet nemen, schuift overeenkomstig op.
§ 3. Het advies bevat, afhankelijk van het risiconiveau, al de volgende gegevens of sommige ervan :
1° een beoordeling van de juistheid van het voorgestelde risiconiveau;
2° een beoordeling van de voorgestelde inperkings- en controlemaatregelen, inclusief het afvalbeheer;
3° eventueel een gemotiveerd voorstel tot aanpassing van de voorgestelde inperkings- en controlemaatregelen;
4° een beoordeling van de toelaatbaarheid van de activiteit vanuit het oogpunt van de risico's voor de menselijke gezondheid en voor het leefmilieu;
5° in voorkomend geval, een gemotiveerd voorstel voor de toelatingstermijn.
§ 4. Bij gebrek aan advies binnen de gestelde termijn kan de procedure worden voortgezet.
Art. 1.5.1.3. § 1. De bevoegde instantie neemt een gemotiveerde beslissing over de toelatingsaanvraag of eventueel over de kennisgeving binnen de termijn, vermeld in afdeling 1.5.2.
§ 2. Als dat nodig is, kan de bevoegde instantie :
1° de gebruiker verzoeken nadere informatie te verstrekken. In dat geval wordt de termijn waarin de beslissing eventueel moet worden genomen, verlengd met de termijn waarin wordt gewacht op de nadere informatie;
2° de omstandigheden van het voorgestelde ingeperkte gebruik of het risiconiveau waarin dat is ingedeeld, wijzigen;
3° aan het ingeperkte gebruik een tijdslimiet of bepaalde specifieke voorwaarden verbinden;
4° overgaan tot raadplegingen.
De bevoegde instantie kan eisen dat niet met het voorgestelde ingeperkte gebruik wordt begonnen of ze kan, op verzoek van de bevoegde toezichthouder, het lopende ingeperkte gebruik schorsen of beëindigen, totdat ze haar goedkeuring heeft gegeven.
De bevoegde instantie kan dat doen op basis van :
1° nadere informatie die ze heeft verkregen;
2° gewijzigde omstandigheden van het ingeperkte gebruik;
3° een wijziging van het risiconiveau;
4° de nakoming van de specifieke voorwaarden.
§ 3. De bevoegde instantie zendt binnen een termijn van tien dagen na de datum van de beslissing een afschrift van de beslissing aan :
1° de gebruiker;
2° de technisch deskundige;
3° het college van burgemeester en schepenen van de gemeenten waarin de activiteit gepland is of plaatsvindt;
4° de deputatie van de provincie waarin de activiteit gepland is of plaatsvindt, met uitzondering van beslissingen over activiteiten van risiconiveau 1;
5° de toezichthouder, bevoegd overeenkomstig titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;
6° de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid;
7° de dienst van de Civiele Bescherming, belast met de opstelling van het rampenplan, met uitzondering van beslissingen over activiteiten van risiconiveau 1 en 2.
§ 4. Tegen elke beslissing kan de gebruiker een heroverwegingsvordering indienen bij de bevoegde instantie.
Die vordering wordt per aangetekende brief, digitaal of door afgifte tegen ontvangstbewijs ingediend bij de bevoegde instantie, uiterlijk dertig dagen na de ontvangst van de beslissing, vermeld in paragraaf 3.
De heroverweging heeft geen opschortende werking op de beslissing.
De definitieve beslissing wordt binnen dertig dagen na de ontvangst van de vordering verzonden aan alle betrokkenen conform de bepalingen van paragraaf 3.
Tegen de definitieve beslissing, vermeld in het vierde lid, is geen beroep mogelijk.
Afdeling 1.5.2. - Aanvullende bepalingen per risiconiveau
Art. 1.5.2.1. Bij de kennisgeving voor een eerste ingeperkt gebruik van risiconiveau 1 stuurt de gebruiker in afwijking van artikel 1.5.1.1, § 2, eerste lid, het openbaar dossier samen met de melding naar de overheid, bevoegd voor de melding van de derde klasse. Die kennisgeving moet ten minste de gegevens bevatten, vermeld in bijlage 1.5.1.3, deel A.
De technisch deskundige deelt uiterlijk binnen dertig dagen na de datum van het indienen van de kennisgeving het advies, vermeld in artikel 1.5.1.2, mee aan de bevoegde instantie. Dat advies bevat minstens de gegevens, vermeld in artikel 1.5.1.2, § 3, 1°, 2° en 3°.
Een eerste ingeperkt gebruik van risiconiveau 1 mag worden aangevat de dag na de kennisgeving, op voorwaarde dat de inperkings- en controlemaatregelen, voorgesteld in de kennisgeving, worden toegepast.
Bij elk volgend ingeperkt gebruik van risiconiveau 1 stuurt de gebruiker de risicoanalyse aan de technisch deskundige. De technisch deskundige brengt de bevoegde instantie op de hoogte van de ontvangst van de risicoanalyse van het volgende gebruik van risiconiveau 1. De gebruiker kan de activiteit van risiconiveau 1 aanvangen de dag na de verzending van de risicoanalyse. Zodra de technisch deskundige een probleem vaststelt met betrekking tot de risicoanalyse, informeert hij de bevoegde instantie daarover.
Art. 1.5.2.2. § 1. De kennisgeving of, in voorkomend geval, de toelatingsaanvraag voor een eerste of volgend ingeperkt gebruik van risiconiveau 2 bevat ten minste de gegevens, vermeld in bijlage 1.5.1.3, deel B.
§ 2. De technisch deskundige deelt uiterlijk binnen dertig dagen na de datum van het indienen van de kennisgeving of toelatingsaanvraag het advies, vermeld in artikel 1.5.1.2, mee aan de bevoegde instantie.
Dat advies bevat alle gegevens, vermeld in artikel 1.5.1.2, § 3.
§ 3. Bij een eerste ingeperkt gebruik van risiconiveau 2 kan met dat ingeperkte gebruik worden begonnen als de bevoegde instantie een voorafgaande schriftelijke toelating geeft. De bevoegde instantie deelt haar beslissing mee uiterlijk binnen vijfenveertig dagen na de indiening van de toelatingsaanvraag.
§ 4. Bij het volgende ingeperkte gebruik van risiconiveau 2 en als aan de vereisten die daarmee verband houden, is voldaan, mag de activiteit worden aangevat de dag na de datum van de nieuwe kennisgeving.
§ 5. De gebruiker kan in zijn kennisgeving om een formele toelating verzoeken. De bevoegde instantie deelt haar beslissing mee uiterlijk binnen vijfenveertig dagen na de indiening van de kennisgeving.
Art. 1.5.2.3. § 1. De toelatingsaanvraag voor een eerste of volgend ingeperkt gebruik van risiconiveau 3 of hoger, bevat ten minste de gegevens, vermeld in bijlage 1.5.1.3, deel C.
§ 2. De technisch deskundige deelt in de gevallen, vermeld in paragraaf 4, uiterlijk binnen dertig dagen na de datum van de indiening van de toelatingsaanvraag het advies, vermeld in artikel 1.5.1.2, mee aan de bevoegde instantie.
De technisch deskundige deelt in de gevallen, vermeld in paragraaf 5, uiterlijk binnen zestig dagen na de datum van de indiening van de toelatingsaanvraag, het advies, vermeld in artikel 1.5.1.2, mee aan de bevoegde instantie.
Het advies bevat alle gegevens, vermeld in artikel 1.5.1.2, § 3.
§ 3. Met eerste of volgend ingeperkt gebruik van risiconiveau 3 of hoger mag niet worden begonnen zonder voorafgaande schriftelijke toelating van de bevoegde instantie die haar beslissing schriftelijk meedeelt.
§ 4. De bevoegde instantie deelt haar beslissing mee uiterlijk binnen vijfenveertig dagen na de indiening van de toelatingsaanvraag als al eerder een toelating voor een ingeperkt gebruik van risiconiveau 3 of hoger is gegeven voor de inrichting waarin de activiteit wordt beoogd, en als is voldaan aan de eisen die daarmee verband houden voor toelating voor hetzelfde risiconiveau of voor een hoger risiconiveau.
§ 5. In de overige gevallen deelt de bevoegde instantie haar beslissing mee uiterlijk binnen negentig dagen na de indiening van de toelatingsaanvraag.
Afdeling 1.5.3. - Algemene beginselen en inperkings- en andere beschermingsmaatregelen
Art. 1.5.3.1. De bevoegde instantie bepaalt, in overeenstemming met het risiconiveau, welke algemene beginselen en relevante inperkings- en andere beschermingsmaatregelen van bijlage 5.51.4 van toepassing zijn om de blootstelling van de werkplek en het milieu aan GGO's en pathogene organismen tot het laagste redelijkerwijs haalbare niveau te beperken en een hoog veiligheidsgehalte te garanderen.
Afdeling 1.5.4. - Bijlagen
Art. 1.5.4.1. De Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, kan bijlage 1.5.1.1, 1.5.1.2 en 1.5.1.3 aanpassen, afhankelijk van de opgedane ervaring, de wetenschappelijke of technische vooruitgang en de ontwikkeling van de Europese reglementering.
De technisch deskundige kan de inhoud van bijlage 1.5.1.1, 1.5.1.2 en 1.5.1.3 preciseren en interpreteren.".
"Hoofdstuk 1.5. - Kennisgevings- en toelatingsprocedure voor het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde of pathogene organismen
Afdeling 1.5.1. - Algemene bepalingen
Art. 1.5.1.1. § 1. De kennisgeving en, in voorkomend geval, de toelatingsaanvraag, vermeld in artikel 5.5.2, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, worden ingediend en afgehandeld conform de bepalingen van deze afdeling.
§ 2. Bij elke kennisgeving of toelatingsaanvraag bezorgt de gebruiker een openbaar dossier per aangetekende brief, digitaal of door afgifte tegen ontvangstbewijs aan de bevoegde instantie.
De gebruiker stuurt tegelijkertijd een exemplaar van het openbaar dossier en van het technisch dossier per aangetekende brief, digitaal of bij afgifte tegen ontvangstbewijs naar de technisch deskundige. De technisch deskundige brengt de bevoegde instantie op de hoogte van de ontvangst van het dossier.
§ 3. De kennisgeving en, in voorkomend geval de toelatingsaanvraag bevatten de gegevens, vermeld in afdeling 1.5.2.
§ 4. Het technisch dossier kan vertrouwelijke informatie bevatten die, in voorkomend geval, in een afzonderlijke gesloten enveloppe bij het technisch dossier gevoegd wordt.
De technisch deskundige besluit na overleg met de gebruiker welke informatie vertrouwelijk zal worden behandeld en brengt de gebruiker op de hoogte van zijn besluit. Elk meningsverschil tussen de gebruiker en de technisch deskundige daarover wordt beslecht door de bevoegde instantie.
Het vertrouwelijke karakter kan niet worden ingeroepen voor de volgende informatie :
1° karakteristieken van de GGO's en pathogene organismen;
2° de naam van de gebruiker;
3° de plaats van de activiteit;
4° het risiconiveau van de activiteiten, zoals bepaald conform rubriek 51 van de indelingslijst;
5° de inperkingsmaatregelen;
6° de conclusies over de te verwachten effecten, namelijk de mogelijke schadelijke gevolgen voor de menselijke gezondheid en het milieu.
De bevoegde instantie en de technisch deskundige geven aan derden geen informatie door die als vertrouwelijke informatie wordt beschouwd.
Bij definitieve weigering van de toelating of als de gebruiker de kennisgeving of de toelatingsaanvraag intrekt, wordt de vertrouwelijke informatie aangetekend en in een verzegelde enveloppe door de technisch deskundige naar de gebruiker teruggestuurd.
§ 5. De technisch deskundige bezorgt aan de bevoegde instantie per aangetekende brief, digitaal of door afgifte tegen ontvangstbewijs, binnen acht dagen na de ontvangst van de dossiers, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, een ontvangstbewijs waaruit de conformiteit van het openbaar dossier met het technisch dossier blijkt, of een opsomming van de gebreken van het openbaar dossier.
Art. 1.5.1.2. § 1. Als een kennisgeving of een toelatingsaanvraag is ingediend, geeft de technisch deskundige een advies aan de bevoegde instantie binnen de termijnen, vermeld in afdeling 1.5.2.
Hij onderzoekt of het dossier voldoet aan de eisen, vermeld in dit besluit, of de verstrekte gegevens juist en volledig zijn, of de risicoanalyse en het risiconiveau correct zijn en, zo nodig, of de inperkings- en andere beschermingsmaatregelen en het afvalbeheer adequaat zijn.
§ 2. Als dat nodig is, kan de technisch deskundige overgaan tot raadplegingen of de gebruiker verzoeken nadere informatie te verstrekken. In dat geval worden de termijnen waarin het advies moet worden verstrekt, verlengd met de termijn waarin wordt gewacht op de nadere informatie. De termijn waarin de bevoegde instantie eventueel een beslissing moet nemen, schuift overeenkomstig op.
§ 3. Het advies bevat, afhankelijk van het risiconiveau, al de volgende gegevens of sommige ervan :
1° een beoordeling van de juistheid van het voorgestelde risiconiveau;
2° een beoordeling van de voorgestelde inperkings- en controlemaatregelen, inclusief het afvalbeheer;
3° eventueel een gemotiveerd voorstel tot aanpassing van de voorgestelde inperkings- en controlemaatregelen;
4° een beoordeling van de toelaatbaarheid van de activiteit vanuit het oogpunt van de risico's voor de menselijke gezondheid en voor het leefmilieu;
5° in voorkomend geval, een gemotiveerd voorstel voor de toelatingstermijn.
§ 4. Bij gebrek aan advies binnen de gestelde termijn kan de procedure worden voortgezet.
Art. 1.5.1.3. § 1. De bevoegde instantie neemt een gemotiveerde beslissing over de toelatingsaanvraag of eventueel over de kennisgeving binnen de termijn, vermeld in afdeling 1.5.2.
§ 2. Als dat nodig is, kan de bevoegde instantie :
1° de gebruiker verzoeken nadere informatie te verstrekken. In dat geval wordt de termijn waarin de beslissing eventueel moet worden genomen, verlengd met de termijn waarin wordt gewacht op de nadere informatie;
2° de omstandigheden van het voorgestelde ingeperkte gebruik of het risiconiveau waarin dat is ingedeeld, wijzigen;
3° aan het ingeperkte gebruik een tijdslimiet of bepaalde specifieke voorwaarden verbinden;
4° overgaan tot raadplegingen.
De bevoegde instantie kan eisen dat niet met het voorgestelde ingeperkte gebruik wordt begonnen of ze kan, op verzoek van de bevoegde toezichthouder, het lopende ingeperkte gebruik schorsen of beëindigen, totdat ze haar goedkeuring heeft gegeven.
De bevoegde instantie kan dat doen op basis van :
1° nadere informatie die ze heeft verkregen;
2° gewijzigde omstandigheden van het ingeperkte gebruik;
3° een wijziging van het risiconiveau;
4° de nakoming van de specifieke voorwaarden.
§ 3. De bevoegde instantie zendt binnen een termijn van tien dagen na de datum van de beslissing een afschrift van de beslissing aan :
1° de gebruiker;
2° de technisch deskundige;
3° het college van burgemeester en schepenen van de gemeenten waarin de activiteit gepland is of plaatsvindt;
4° de deputatie van de provincie waarin de activiteit gepland is of plaatsvindt, met uitzondering van beslissingen over activiteiten van risiconiveau 1;
5° de toezichthouder, bevoegd overeenkomstig titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;
6° de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid;
7° de dienst van de Civiele Bescherming, belast met de opstelling van het rampenplan, met uitzondering van beslissingen over activiteiten van risiconiveau 1 en 2.
§ 4. Tegen elke beslissing kan de gebruiker een heroverwegingsvordering indienen bij de bevoegde instantie.
Die vordering wordt per aangetekende brief, digitaal of door afgifte tegen ontvangstbewijs ingediend bij de bevoegde instantie, uiterlijk dertig dagen na de ontvangst van de beslissing, vermeld in paragraaf 3.
De heroverweging heeft geen opschortende werking op de beslissing.
De definitieve beslissing wordt binnen dertig dagen na de ontvangst van de vordering verzonden aan alle betrokkenen conform de bepalingen van paragraaf 3.
Tegen de definitieve beslissing, vermeld in het vierde lid, is geen beroep mogelijk.
Afdeling 1.5.2. - Aanvullende bepalingen per risiconiveau
Art. 1.5.2.1. Bij de kennisgeving voor een eerste ingeperkt gebruik van risiconiveau 1 stuurt de gebruiker in afwijking van artikel 1.5.1.1, § 2, eerste lid, het openbaar dossier samen met de melding naar de overheid, bevoegd voor de melding van de derde klasse. Die kennisgeving moet ten minste de gegevens bevatten, vermeld in bijlage 1.5.1.3, deel A.
De technisch deskundige deelt uiterlijk binnen dertig dagen na de datum van het indienen van de kennisgeving het advies, vermeld in artikel 1.5.1.2, mee aan de bevoegde instantie. Dat advies bevat minstens de gegevens, vermeld in artikel 1.5.1.2, § 3, 1°, 2° en 3°.
Een eerste ingeperkt gebruik van risiconiveau 1 mag worden aangevat de dag na de kennisgeving, op voorwaarde dat de inperkings- en controlemaatregelen, voorgesteld in de kennisgeving, worden toegepast.
Bij elk volgend ingeperkt gebruik van risiconiveau 1 stuurt de gebruiker de risicoanalyse aan de technisch deskundige. De technisch deskundige brengt de bevoegde instantie op de hoogte van de ontvangst van de risicoanalyse van het volgende gebruik van risiconiveau 1. De gebruiker kan de activiteit van risiconiveau 1 aanvangen de dag na de verzending van de risicoanalyse. Zodra de technisch deskundige een probleem vaststelt met betrekking tot de risicoanalyse, informeert hij de bevoegde instantie daarover.
Art. 1.5.2.2. § 1. De kennisgeving of, in voorkomend geval, de toelatingsaanvraag voor een eerste of volgend ingeperkt gebruik van risiconiveau 2 bevat ten minste de gegevens, vermeld in bijlage 1.5.1.3, deel B.
§ 2. De technisch deskundige deelt uiterlijk binnen dertig dagen na de datum van het indienen van de kennisgeving of toelatingsaanvraag het advies, vermeld in artikel 1.5.1.2, mee aan de bevoegde instantie.
Dat advies bevat alle gegevens, vermeld in artikel 1.5.1.2, § 3.
§ 3. Bij een eerste ingeperkt gebruik van risiconiveau 2 kan met dat ingeperkte gebruik worden begonnen als de bevoegde instantie een voorafgaande schriftelijke toelating geeft. De bevoegde instantie deelt haar beslissing mee uiterlijk binnen vijfenveertig dagen na de indiening van de toelatingsaanvraag.
§ 4. Bij het volgende ingeperkte gebruik van risiconiveau 2 en als aan de vereisten die daarmee verband houden, is voldaan, mag de activiteit worden aangevat de dag na de datum van de nieuwe kennisgeving.
§ 5. De gebruiker kan in zijn kennisgeving om een formele toelating verzoeken. De bevoegde instantie deelt haar beslissing mee uiterlijk binnen vijfenveertig dagen na de indiening van de kennisgeving.
Art. 1.5.2.3. § 1. De toelatingsaanvraag voor een eerste of volgend ingeperkt gebruik van risiconiveau 3 of hoger, bevat ten minste de gegevens, vermeld in bijlage 1.5.1.3, deel C.
§ 2. De technisch deskundige deelt in de gevallen, vermeld in paragraaf 4, uiterlijk binnen dertig dagen na de datum van de indiening van de toelatingsaanvraag het advies, vermeld in artikel 1.5.1.2, mee aan de bevoegde instantie.
De technisch deskundige deelt in de gevallen, vermeld in paragraaf 5, uiterlijk binnen zestig dagen na de datum van de indiening van de toelatingsaanvraag, het advies, vermeld in artikel 1.5.1.2, mee aan de bevoegde instantie.
Het advies bevat alle gegevens, vermeld in artikel 1.5.1.2, § 3.
§ 3. Met eerste of volgend ingeperkt gebruik van risiconiveau 3 of hoger mag niet worden begonnen zonder voorafgaande schriftelijke toelating van de bevoegde instantie die haar beslissing schriftelijk meedeelt.
§ 4. De bevoegde instantie deelt haar beslissing mee uiterlijk binnen vijfenveertig dagen na de indiening van de toelatingsaanvraag als al eerder een toelating voor een ingeperkt gebruik van risiconiveau 3 of hoger is gegeven voor de inrichting waarin de activiteit wordt beoogd, en als is voldaan aan de eisen die daarmee verband houden voor toelating voor hetzelfde risiconiveau of voor een hoger risiconiveau.
§ 5. In de overige gevallen deelt de bevoegde instantie haar beslissing mee uiterlijk binnen negentig dagen na de indiening van de toelatingsaanvraag.
Afdeling 1.5.3. - Algemene beginselen en inperkings- en andere beschermingsmaatregelen
Art. 1.5.3.1. De bevoegde instantie bepaalt, in overeenstemming met het risiconiveau, welke algemene beginselen en relevante inperkings- en andere beschermingsmaatregelen van bijlage 5.51.4 van toepassing zijn om de blootstelling van de werkplek en het milieu aan GGO's en pathogene organismen tot het laagste redelijkerwijs haalbare niveau te beperken en een hoog veiligheidsgehalte te garanderen.
Afdeling 1.5.4. - Bijlagen
Art. 1.5.4.1. De Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, kan bijlage 1.5.1.1, 1.5.1.2 en 1.5.1.3 aanpassen, afhankelijk van de opgedane ervaring, de wetenschappelijke of technische vooruitgang en de ontwikkeling van de Europese reglementering.
De technisch deskundige kan de inhoud van bijlage 1.5.1.1, 1.5.1.2 en 1.5.1.3 preciseren en interpreteren.".
Art. 174. Dans le même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 février 2015, il est inséré un chapitre 1.5., comprenant les articles 1.5.1.1 à 1.5.4.1 inclus, libellé comme suit :
" Chapitre 1.5. - Procédure de notification et d'autorisation de l'utilisation confinée d'organismes génétiquement modifiés ou pathogènes
Section 1.5.1. - Dispositions générales
Art. 1.5.1.1. § 1er. La notification et, le cas échéant, la demande d'autorisation visées à l'article 5.5.2, § 1er, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement sont introduites et traitées conformément aux dispositions de la présente section.
§ 2. Lors de chaque notification ou demande d'autorisation, l'utilisateur transmet un dossier public à l'instance compétente, par lettre recommandée, par voie numérique ou par remise contre récépissé.
L'utilisateur envoie simultanément un exemplaire du dossier public et du dossier technique à l'expert technique, par lettre recommandée, par voie numérique ou par remise contre récépissé. L'expert technique informe l'instance compétente de la réception du dossier.
§ 3. La notification et, le cas échéant, la demande d'autorisation comportent les données visées à la section 1.5.2.
§ 4. Le dossier technique peut contenir des informations confidentielles qui, le cas échéant, sont jointes au dossier technique dans une enveloppe fermée distincte.
Après concertation avec l'utilisateur, l'expert technique décide quelles informations seront traitées de manière confidentielle, et informe l'utilisateur de sa décision. Toute divergence d'opinion à ce sujet entre l'utilisateur et l'expert technique est tranchée par l'instance compétente.
Le caractère confidentiel ne peut être invoqué pour les informations suivantes :
1° les caractéristiques des OGM et organismes pathogènes ;
2° le nom de l'utilisateur ;
3° le lieu de l'activité ;
4° le niveau de risque des activités, tel que fixé conformément à la rubrique 51 de la liste de classification ;
5° les mesures de confinement ;
6° les conclusions relatives aux effets escomptés, à savoir les effets nuisibles possibles pour la santé humaine et l'environnement.
L'instance compétente et l'expert technique ne divulguent aucune information jugée confidentielle à des tiers.
En cas de refus définitif de l'autorisation ou lorsque l'utilisateur retire la notification ou la demande d'autorisation, les informations confidentielles sont renvoyées à l'utilisateur, sous pli recommandé et dans une enveloppe scellée, par l'expert technique.
§ 5. L'expert technique transmet à l'instance compétente, par lettre recommandée, par voie numérique ou par remise contre récépissé, dans les huit jours de la réception des dossiers visés au paragraphe 2, alinéa 2, un accusé de réception attestant de la conformité du dossier public au dossier technique, ou une énumération des déficiences du dossier public.
Art. 1.5.1.2. § 1er. Lorsqu'une notification ou une demande d'autorisation a été introduite, l'expert technique rend un avis à l'instance compétente dans les délais visés à la section 1.5.2.
Il examine si le dossier répond aux exigences visées dans le présent arrêté, si les informations fournies sont correctes et complètes, si l'analyse des risques et le niveau de risque sont corrects et, au besoin, si les mesures de confinement et les autres mesures de protection et la gestion des déchets sont adéquats.
§ 2. Si nécessaire, l'expert technique peut procéder à des consultations ou inviter l'utilisateur à fournir des informations supplémentaires. Dans ce cas, les délais dans lesquels l'avis doit être remis, sont prolongés du délai d'attente des informations supplémentaires. Le délai dans lequel l'instance compétente doit éventuellement prendre une décision est prolongé en conséquence.
§ 3. L'avis contient, en fonction du niveau de risque, l'ensemble ou une partie des données suivantes :
1° une évaluation de l'exactitude du niveau de risque proposé ;
2° une évaluation des mesures de confinement et de contrôle proposées, y compris la gestion des déchets ;
3° éventuellement une proposition motivée visant à adapter les mesures de confinement et de contrôle proposées ;
4° une évaluation de l'admissibilité de l'activité du point de vue des risques pour la santé humaine et l'environnement ;
5° le cas échéant, une proposition motivée pour le délai d'autorisation.
§ 4. A défaut d'avis dans le délai fixé, la procédure peut être poursuivie.
Art. 1.5.1.3. § 1er. L'instance compétente prend une décision motivée sur la demande d'autorisation ou éventuellement sur la notification dans le délai visé à la section 1.5.2.
§ 2. Si nécessaire, l'instance compétente peut :
1° demander à l'utilisateur de fournir des informations supplémentaires. Dans ce cas, le délai dans lequel la décision doit éventuellement être prise est prolongé du délai d'attente des informations supplémentaires ;
2° modifier les circonstances de l'utilisation confinée proposée ou le niveau de risque dans lequel celle-ci est classée ;
3° assortir l'utilisation confinée d'une limite de temps ou de certaines conditions spécifiques ;
4° procéder à des consultations.
L'instance compétente peut exiger que l'utilisation confinée proposée ne soit pas entamée ou, à la demande du surveillant compétent, elle peut suspendre ou mettre fin à l'utilisation confinée en cours jusqu'à ce qu'elle ait donné son approbation.
L'instance compétente peut agir ainsi sur la base :
1° d'informations supplémentaires qu'elle a reçues ;
2° des circonstances modifiées de l'utilisation confinée ;
3° d'une modification du niveau de risque ;
4° de l'observation des conditions spécifiques.
§ 3. L'instance compétente envoie, dans un délai de dix jours suivant la date de la décision, une copie de la décision :
1° à l'utilisateur ;
2° à l'expert technique ;
3° au collège des bourgmestre et échevins des communes où l'activité est prévue ou a lieu ;
4° à la députation de la province où l'activité est prévue ou a lieu, à l'exception des décisions relatives aux activités du niveau de risque 1 ;
5° au surveillant compétent conformément au titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement ;
6° à la division compétente pour la surveillance de la santé publique ;
7° au service de la Protection civile, chargé de l'établissement du plan d'urgence, à l'exception des décisions relatives aux activités des niveaux de risque 1 et 2.
§ 4. L'utilisateur peut introduire une demande de reconsidération de toute décision auprès de l'instance compétente.
Cette demande est introduite auprès de l'instance compétente par lettre recommandée, par voie numérique ou par remise contre récépissé, au plus tard trente jours après la réception de la décision visée au paragraphe 3.
La reconsidération n'est pas suspensive de la décision.
La décision définitive est envoyée à tous les intéressés dans les trente jours de la réception de la demande, conformément aux dispositions du paragraphe 3.
La décision définitive visée à l'alinéa 4 n'est susceptible d'aucun recours.
Section 1.5.2. - Dispositions complémentaires par niveau de risque
Art. 1.5.2.1. Par dérogation à l'article 1.5.1.1, § 2, alinéa 1er, l'utilisateur envoie, avec la notification d'une première utilisation confinée du niveau de risque 1, le dossier public ainsi que la déclaration à l'autorité compétente pour la déclaration de la troisième classe. Cette notification doit contenir au moins les données visées à l'annexe 1.5.1.3, partie A.
Au plus tard dans les trente jours de la date de l'introduction de la notification, l'expert technique communique l'avis visé à l'article 1.5.1.2 à l'instance compétente. Cet avis contient au moins les données visées à l'article 1.5.1.2, § 3, points 1°, 2° et 3°.
Une première utilisation confinée du niveau de risque 1 peut être entamée le jour suivant la notification, à condition que les mesures de confinement et de contrôle proposées dans la notification soient appliquées.
Lors de chaque utilisation confinée suivante du niveau de risque 1, l'utilisateur envoie l'analyse des risques à l'expert technique. L'expert technique informe l'instance compétente de la réception de l'analyse des risques de l'utilisation suivante du niveau de risque 1. L'utilisateur peut entamer l'activité du niveau de risque 1 le jour suivant l'envoi de l'analyse des risques. Dès que l'expert technique constate un problème relatif à l'analyse des risques, il en informe l'instance compétente.
Art. 1.5.2.2. § 1er. La notification ou, le cas échéant, la demande d'autorisation d'une première utilisation confinée ou d'une utilisation confinée suivante du niveau de risque 2 contient au moins les données visées à l'annexe 1.5.1.3, partie B.
§ 2. Au plus tard dans les trente jours de la date de l'introduction de la notification ou de la demande d'autorisation, l'expert technique communique l'avis visé à l'article 1.5.1.2 à l'instance compétente.
Cet avis contient toutes les données visées à l'article 1.5.1.2, § 3.
§ 3. Dans le cas d'une première utilisation confinée du niveau de risque 2, cette utilisation confinée peut être entreprise moyennant autorisation écrite préalable de l'instance compétente. L'instance compétente communique sa décision au plus tard dans les quarante-cinq jours qui suivent l'introduction de la demande d'autorisation.
§ 4. Lors de l'utilisation confinée suivante du niveau de risque 2 et si les exigences y afférentes ont été remplies, l'activité peut être entamée le jour suivant la date de la nouvelle notification.
§ 5. Dans sa notification, l'utilisateur peut demander une autorisation formelle. L'instance compétente communique sa décision au plus tard dans les quarante-cinq jours qui suivent l'introduction de la notification.
Art. 1.5.2.3. § 1er. La demande d'autorisation d'une première utilisation confinée ou d'une utilisation confinée suivante du niveau de risque 3 ou supérieur contient au moins les données visées à l'annexe 1.5.1.3, partie C.
§ 2. Au plus tard dans les trente jours de la date de l'introduction de la demande d'autorisation, l'expert technique communique, dans les cas visés au paragraphe 4, l'avis visé à l'article 1.5.1.2 à l'instance compétente.
Au plus tard dans les soixante jours de la date de l'introduction de la demande d'autorisation, l'expert technique communique, dans les cas visés au paragraphe 5, l'avis visé à l'article 1.5.1.2 à l'instance compétente.
L'avis contient toutes les données visées à l'article 1.5.1.2, § 3.
§ 3. La première utilisation confinée ou une utilisation confinée suivante du niveau de risque 3 ou supérieur ne peut être entreprise sans l'autorisation écrite préalable de l'instance compétente qui communique sa décision par écrit.
§ 4. L'instance compétente communique sa décision au plus tard dans les quarante-cinq jours de l'introduction de la demande d'autorisation si l'établissement au sein duquel l'activité est envisagée a déjà fait l'objet d'une autorisation d'utilisation confinée du niveau de risque 3 ou supérieur et si les exigences y afférentes en matière d'autorisation pour un niveau de risque identique ou supérieur ont été remplies.
§ 5. Dans les autres cas, l'instance compétente communique sa décision au plus tard dans les nonante jours qui suivent l'introduction de la demande d'autorisation.
Section 1.5.3. - Principes généraux et mesures de confinement et autres mesures de protection.
Art. 1.5.3.1. L'instance compétente détermine, conformément au niveau de risque, les principes généraux et les mesures de confinement et autres mesures de protection appropriées figurant à l'annexe 5.51.4. qui s'appliquent afin de maintenir au niveau raisonnablement le plus faible possible l'exposition du lieu de travail et de l'environnement aux OGM et aux organismes pathogènes et de garantir un haut niveau de sécurité.
Section 1.5.4. - Annexes
Art. 1.5.4.1. Le ministre flamand qui a l'environnement dans ses attributions peut adapter les annexes 1.5.1.1, 1.5.1.2 et 1.5.1.3 en fonction de l'expérience acquise, du progrès scientifique ou technique et du développement de la réglementation européenne.
L'expert technique peut préciser et interpréter le contenu des annexes 1.5.1.1, 1.5.1.2 et 1.5.1.3. ".
" Chapitre 1.5. - Procédure de notification et d'autorisation de l'utilisation confinée d'organismes génétiquement modifiés ou pathogènes
Section 1.5.1. - Dispositions générales
Art. 1.5.1.1. § 1er. La notification et, le cas échéant, la demande d'autorisation visées à l'article 5.5.2, § 1er, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement sont introduites et traitées conformément aux dispositions de la présente section.
§ 2. Lors de chaque notification ou demande d'autorisation, l'utilisateur transmet un dossier public à l'instance compétente, par lettre recommandée, par voie numérique ou par remise contre récépissé.
L'utilisateur envoie simultanément un exemplaire du dossier public et du dossier technique à l'expert technique, par lettre recommandée, par voie numérique ou par remise contre récépissé. L'expert technique informe l'instance compétente de la réception du dossier.
§ 3. La notification et, le cas échéant, la demande d'autorisation comportent les données visées à la section 1.5.2.
§ 4. Le dossier technique peut contenir des informations confidentielles qui, le cas échéant, sont jointes au dossier technique dans une enveloppe fermée distincte.
Après concertation avec l'utilisateur, l'expert technique décide quelles informations seront traitées de manière confidentielle, et informe l'utilisateur de sa décision. Toute divergence d'opinion à ce sujet entre l'utilisateur et l'expert technique est tranchée par l'instance compétente.
Le caractère confidentiel ne peut être invoqué pour les informations suivantes :
1° les caractéristiques des OGM et organismes pathogènes ;
2° le nom de l'utilisateur ;
3° le lieu de l'activité ;
4° le niveau de risque des activités, tel que fixé conformément à la rubrique 51 de la liste de classification ;
5° les mesures de confinement ;
6° les conclusions relatives aux effets escomptés, à savoir les effets nuisibles possibles pour la santé humaine et l'environnement.
L'instance compétente et l'expert technique ne divulguent aucune information jugée confidentielle à des tiers.
En cas de refus définitif de l'autorisation ou lorsque l'utilisateur retire la notification ou la demande d'autorisation, les informations confidentielles sont renvoyées à l'utilisateur, sous pli recommandé et dans une enveloppe scellée, par l'expert technique.
§ 5. L'expert technique transmet à l'instance compétente, par lettre recommandée, par voie numérique ou par remise contre récépissé, dans les huit jours de la réception des dossiers visés au paragraphe 2, alinéa 2, un accusé de réception attestant de la conformité du dossier public au dossier technique, ou une énumération des déficiences du dossier public.
Art. 1.5.1.2. § 1er. Lorsqu'une notification ou une demande d'autorisation a été introduite, l'expert technique rend un avis à l'instance compétente dans les délais visés à la section 1.5.2.
Il examine si le dossier répond aux exigences visées dans le présent arrêté, si les informations fournies sont correctes et complètes, si l'analyse des risques et le niveau de risque sont corrects et, au besoin, si les mesures de confinement et les autres mesures de protection et la gestion des déchets sont adéquats.
§ 2. Si nécessaire, l'expert technique peut procéder à des consultations ou inviter l'utilisateur à fournir des informations supplémentaires. Dans ce cas, les délais dans lesquels l'avis doit être remis, sont prolongés du délai d'attente des informations supplémentaires. Le délai dans lequel l'instance compétente doit éventuellement prendre une décision est prolongé en conséquence.
§ 3. L'avis contient, en fonction du niveau de risque, l'ensemble ou une partie des données suivantes :
1° une évaluation de l'exactitude du niveau de risque proposé ;
2° une évaluation des mesures de confinement et de contrôle proposées, y compris la gestion des déchets ;
3° éventuellement une proposition motivée visant à adapter les mesures de confinement et de contrôle proposées ;
4° une évaluation de l'admissibilité de l'activité du point de vue des risques pour la santé humaine et l'environnement ;
5° le cas échéant, une proposition motivée pour le délai d'autorisation.
§ 4. A défaut d'avis dans le délai fixé, la procédure peut être poursuivie.
Art. 1.5.1.3. § 1er. L'instance compétente prend une décision motivée sur la demande d'autorisation ou éventuellement sur la notification dans le délai visé à la section 1.5.2.
§ 2. Si nécessaire, l'instance compétente peut :
1° demander à l'utilisateur de fournir des informations supplémentaires. Dans ce cas, le délai dans lequel la décision doit éventuellement être prise est prolongé du délai d'attente des informations supplémentaires ;
2° modifier les circonstances de l'utilisation confinée proposée ou le niveau de risque dans lequel celle-ci est classée ;
3° assortir l'utilisation confinée d'une limite de temps ou de certaines conditions spécifiques ;
4° procéder à des consultations.
L'instance compétente peut exiger que l'utilisation confinée proposée ne soit pas entamée ou, à la demande du surveillant compétent, elle peut suspendre ou mettre fin à l'utilisation confinée en cours jusqu'à ce qu'elle ait donné son approbation.
L'instance compétente peut agir ainsi sur la base :
1° d'informations supplémentaires qu'elle a reçues ;
2° des circonstances modifiées de l'utilisation confinée ;
3° d'une modification du niveau de risque ;
4° de l'observation des conditions spécifiques.
§ 3. L'instance compétente envoie, dans un délai de dix jours suivant la date de la décision, une copie de la décision :
1° à l'utilisateur ;
2° à l'expert technique ;
3° au collège des bourgmestre et échevins des communes où l'activité est prévue ou a lieu ;
4° à la députation de la province où l'activité est prévue ou a lieu, à l'exception des décisions relatives aux activités du niveau de risque 1 ;
5° au surveillant compétent conformément au titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement ;
6° à la division compétente pour la surveillance de la santé publique ;
7° au service de la Protection civile, chargé de l'établissement du plan d'urgence, à l'exception des décisions relatives aux activités des niveaux de risque 1 et 2.
§ 4. L'utilisateur peut introduire une demande de reconsidération de toute décision auprès de l'instance compétente.
Cette demande est introduite auprès de l'instance compétente par lettre recommandée, par voie numérique ou par remise contre récépissé, au plus tard trente jours après la réception de la décision visée au paragraphe 3.
La reconsidération n'est pas suspensive de la décision.
La décision définitive est envoyée à tous les intéressés dans les trente jours de la réception de la demande, conformément aux dispositions du paragraphe 3.
La décision définitive visée à l'alinéa 4 n'est susceptible d'aucun recours.
Section 1.5.2. - Dispositions complémentaires par niveau de risque
Art. 1.5.2.1. Par dérogation à l'article 1.5.1.1, § 2, alinéa 1er, l'utilisateur envoie, avec la notification d'une première utilisation confinée du niveau de risque 1, le dossier public ainsi que la déclaration à l'autorité compétente pour la déclaration de la troisième classe. Cette notification doit contenir au moins les données visées à l'annexe 1.5.1.3, partie A.
Au plus tard dans les trente jours de la date de l'introduction de la notification, l'expert technique communique l'avis visé à l'article 1.5.1.2 à l'instance compétente. Cet avis contient au moins les données visées à l'article 1.5.1.2, § 3, points 1°, 2° et 3°.
Une première utilisation confinée du niveau de risque 1 peut être entamée le jour suivant la notification, à condition que les mesures de confinement et de contrôle proposées dans la notification soient appliquées.
Lors de chaque utilisation confinée suivante du niveau de risque 1, l'utilisateur envoie l'analyse des risques à l'expert technique. L'expert technique informe l'instance compétente de la réception de l'analyse des risques de l'utilisation suivante du niveau de risque 1. L'utilisateur peut entamer l'activité du niveau de risque 1 le jour suivant l'envoi de l'analyse des risques. Dès que l'expert technique constate un problème relatif à l'analyse des risques, il en informe l'instance compétente.
Art. 1.5.2.2. § 1er. La notification ou, le cas échéant, la demande d'autorisation d'une première utilisation confinée ou d'une utilisation confinée suivante du niveau de risque 2 contient au moins les données visées à l'annexe 1.5.1.3, partie B.
§ 2. Au plus tard dans les trente jours de la date de l'introduction de la notification ou de la demande d'autorisation, l'expert technique communique l'avis visé à l'article 1.5.1.2 à l'instance compétente.
Cet avis contient toutes les données visées à l'article 1.5.1.2, § 3.
§ 3. Dans le cas d'une première utilisation confinée du niveau de risque 2, cette utilisation confinée peut être entreprise moyennant autorisation écrite préalable de l'instance compétente. L'instance compétente communique sa décision au plus tard dans les quarante-cinq jours qui suivent l'introduction de la demande d'autorisation.
§ 4. Lors de l'utilisation confinée suivante du niveau de risque 2 et si les exigences y afférentes ont été remplies, l'activité peut être entamée le jour suivant la date de la nouvelle notification.
§ 5. Dans sa notification, l'utilisateur peut demander une autorisation formelle. L'instance compétente communique sa décision au plus tard dans les quarante-cinq jours qui suivent l'introduction de la notification.
Art. 1.5.2.3. § 1er. La demande d'autorisation d'une première utilisation confinée ou d'une utilisation confinée suivante du niveau de risque 3 ou supérieur contient au moins les données visées à l'annexe 1.5.1.3, partie C.
§ 2. Au plus tard dans les trente jours de la date de l'introduction de la demande d'autorisation, l'expert technique communique, dans les cas visés au paragraphe 4, l'avis visé à l'article 1.5.1.2 à l'instance compétente.
Au plus tard dans les soixante jours de la date de l'introduction de la demande d'autorisation, l'expert technique communique, dans les cas visés au paragraphe 5, l'avis visé à l'article 1.5.1.2 à l'instance compétente.
L'avis contient toutes les données visées à l'article 1.5.1.2, § 3.
§ 3. La première utilisation confinée ou une utilisation confinée suivante du niveau de risque 3 ou supérieur ne peut être entreprise sans l'autorisation écrite préalable de l'instance compétente qui communique sa décision par écrit.
§ 4. L'instance compétente communique sa décision au plus tard dans les quarante-cinq jours de l'introduction de la demande d'autorisation si l'établissement au sein duquel l'activité est envisagée a déjà fait l'objet d'une autorisation d'utilisation confinée du niveau de risque 3 ou supérieur et si les exigences y afférentes en matière d'autorisation pour un niveau de risque identique ou supérieur ont été remplies.
§ 5. Dans les autres cas, l'instance compétente communique sa décision au plus tard dans les nonante jours qui suivent l'introduction de la demande d'autorisation.
Section 1.5.3. - Principes généraux et mesures de confinement et autres mesures de protection.
Art. 1.5.3.1. L'instance compétente détermine, conformément au niveau de risque, les principes généraux et les mesures de confinement et autres mesures de protection appropriées figurant à l'annexe 5.51.4. qui s'appliquent afin de maintenir au niveau raisonnablement le plus faible possible l'exposition du lieu de travail et de l'environnement aux OGM et aux organismes pathogènes et de garantir un haut niveau de sécurité.
Section 1.5.4. - Annexes
Art. 1.5.4.1. Le ministre flamand qui a l'environnement dans ses attributions peut adapter les annexes 1.5.1.1, 1.5.1.2 et 1.5.1.3 en fonction de l'expérience acquise, du progrès scientifique ou technique et du développement de la réglementation européenne.
L'expert technique peut préciser et interpréter le contenu des annexes 1.5.1.1, 1.5.1.2 et 1.5.1.3. ".
Art. 175. In het opschrift van afdeling 2.4.3 van hetzelfde besluit wordt het woord "milieuvergunningsaanvragen" vervangen door de woorden "aanvragen van een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 175. Dans l'intitulé de la section 2.4.3 du même arrêté, les mots " demandes d'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " demandes d'un permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 176. In artikel 2.4.3.4, inleidende zin, van hetzelfde besluit wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 176. A l'article 2.4.3.4, phrase introductive, du même arrêté, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 177. In artikel 2.4.3.5 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en 7 maart 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in punt 1° wordt het woord "milieuvergunningen" vervangen door de woorden "omgevingsvergunningen voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
2° in punt 2° wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
3° in punt 3°, b), wordt het woord "milieuvergunningen" vervangen door de woorden "omgevingsvergunningen voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
1° in punt 1° wordt het woord "milieuvergunningen" vervangen door de woorden "omgevingsvergunningen voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
2° in punt 2° wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
3° in punt 3°, b), wordt het woord "milieuvergunningen" vervangen door de woorden "omgevingsvergunningen voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 177. A l'article 2.4.3.5 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 19 janvier 1999 et 7 mars 2008, les modifications suivantes sont apportées :
1° au point 1°, les mots " autorisations écologiques " sont remplacés par les mots " permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
2° au point 2°, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
3° au point 3°, b), les mots " autorisations écologiques " sont remplacés par les mots " permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
1° au point 1°, les mots " autorisations écologiques " sont remplacés par les mots " permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
2° au point 2°, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
3° au point 3°, b), les mots " autorisations écologiques " sont remplacés par les mots " permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 178. In artikel 2.5.7.1, derde lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 22 december 2006 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt de zinsnede "zoals gedefinieerd in artikel 1, 29°, van titel I van het VLAREM" opgeheven.
Art. 178. A l'article 2.5.7.1, alinéa 3, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 décembre 2006 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, le membre de phrase " telles que définies à l'article 1er, point 29°, du titre I du VLAREM " est abrogé.
Art. 179. In artikel 2.7.2.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt de zinsnede "zoals vermeld in artikel 33bis van titel I van het VLAREM" vervangen door de zinsnede "die zijn vergund onder rubriek 2.3.4.1 of rubriek 2.3.4.2 van de indelingslijst, met uitzondering van inrichtingen die onder rubriek 2.3.4.1, a, en 2.3.4.2, a, zijn ingedeeld".
Art. 179. A l'article 2.7.2.1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, le membre de phrase " telles que visées à l'article 33bis du titre I du VLAREM " est remplacé par le membre de phrase " qui ont été autorisées sous la rubrique 2.3.4.1 ou la rubrique 2.3.4.2 de la liste de classification, à l'exception des établissements classés sous les rubriques 2.3.4.1, a, et 2.3.4.2, a ".
Art. 183. In artikel 2.8.1.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt de zinsnede "artikel 20 van titel I van het VLAREM" vervangen door de zinsnede "artikel 37 van het besluit van de Vlaamse Regering [1 van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning]1".
Art. 183. A l'article 2.8.1.1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, le membre de phrase " l'article 20 du titre I du VLAREM " est remplacé par le membre de phrase " l'article 37 de l'arrêté du Gouvernement flamand [1 du 27 novembre 2015 portant exécution du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement]1 ".
Art. 184. In artikel 2.8bis.0.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006, wordt de zinsnede "het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid".
Art. 184. A l'article 2.8bis.0.1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 décembre 2006, le membre de phrase " décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique " est remplacé par le membre de phrase " titre V du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement ".
Art. 185. Aan artikel 2.9.0.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2001, wordt de zinsnede "of artikel 5.4.1 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid" toegevoegd.
Art. 185. A l'article 2.9.0.1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 avril 2001, le membre de phrase " ou l'article 5.4.1 du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement " est ajouté.
Art. 186. In artikel 2.9.0.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2001, wordt de zinsnede "artikel 20 van titel I van het VLAREM" vervangen door de zinsnede "artikel 37 van het besluit van de Vlaamse Regering [1 van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning]1".
Art. 186. A l'article 2.9.0.2 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 avril 2001, le membre de phrase " l'article 20 du titre I du VLAREM " est remplacé par le membre de phrase " l'article 37 de l'arrêté du Gouvernement flamand [1 du 27 novembre 2015 portant exécution du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement]1 ".
Art. 187. In artikel 2.12.0.1, § 3, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 2008, wordt de zinsnede "in een op basis van titel I, subrubriek 2.3.11, van het VLAREM verleende vergunning" vervangen door de zinsnede "in een omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit die de indelingsruriek 2.3.11 omvat" en worden de woorden "van titel II van het VLAREM" opgeheven.
Art. 187. A l'article 2.12.0.1, § 3, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 juin 2008, le membre de phrase " dans une autorisation délivrée en vertu du titre Ier, sous-rubrique 2.3.11 du VLAREM " est remplacé par le membre de phrase " dans un permis d'environnement pour l'exploitation d'un établissement classé ou d'une activité classée qui comporte la rubrique de classification 2.3.11 " et les mots " du titre II du VLAREM " sont abrogés.
Art. 188. In artikel 3.1.1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1 wordt de zinsnede "in uitvoering van het decreet betreffende de milieuvergunning en van Titel 3 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid" vervangen door de zinsnede "ter uitvoering van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, titel III of titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid";
2° in paragraaf 1 wordt de zinsnede "op alle ingedeelde inrichtingen zoals bedoeld in art. 2.1° van het decreet betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "op alle ingedeelde inrichtingen of activiteiten, vermeld in artikel 5.1.1, 8°, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid";
3° in paragraaf 5, tweede lid, wordt de zinsnede "de lijst van bijlage 1 van titel I van het VLAREM" vervangen door de woorden "de indelingslijst".
1° in paragraaf 1 wordt de zinsnede "in uitvoering van het decreet betreffende de milieuvergunning en van Titel 3 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid" vervangen door de zinsnede "ter uitvoering van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, titel III of titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid";
2° in paragraaf 1 wordt de zinsnede "op alle ingedeelde inrichtingen zoals bedoeld in art. 2.1° van het decreet betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "op alle ingedeelde inrichtingen of activiteiten, vermeld in artikel 5.1.1, 8°, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid";
3° in paragraaf 5, tweede lid, wordt de zinsnede "de lijst van bijlage 1 van titel I van het VLAREM" vervangen door de woorden "de indelingslijst".
Art. 188. A l'article 3.1.1 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 décembre 2011, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 1er, le membre de phrase " en exécution du décret relatif à l'autorisation écologique et du Titre 3 du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement " est remplacé par le membre de phrase " en exécution du décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique, titre III ou titre V du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement " ;
2° au paragraphe 1er, le membre de phrase " à l'ensemble des établissements classés au sens de l'art. 2.1° du décret relatif à l'autorisation écologique " est remplacé par le membre de phrase " à l'ensemble des établissements ou activités classés visés à l'article 5.1.1, 8°, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement " ;
3° au paragraphe 5, alinéa 2, le membre de phrase " la liste de l'annexe 1re du titre Ier du VLAREM " est remplacé par " la liste de classification ".
1° au paragraphe 1er, le membre de phrase " en exécution du décret relatif à l'autorisation écologique et du Titre 3 du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement " est remplacé par le membre de phrase " en exécution du décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique, titre III ou titre V du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement " ;
2° au paragraphe 1er, le membre de phrase " à l'ensemble des établissements classés au sens de l'art. 2.1° du décret relatif à l'autorisation écologique " est remplacé par le membre de phrase " à l'ensemble des établissements ou activités classés visés à l'article 5.1.1, 8°, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement " ;
3° au paragraphe 5, alinéa 2, le membre de phrase " la liste de l'annexe 1re du titre Ier du VLAREM " est remplacé par " la liste de classification ".
Art. 189. In artikel 3.2.1.2, § 1, van hetzelfde besluit wordt het woord "milieuvergunning(en)" vervangen door de woorden "omgevingsvergunningen voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 189. A l'article 3.2.1.2, § 1er, du même arrêté, les mots " l'(les) autorisation(s) écologique(s) " sont remplacés par les mots " le(s) permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 190. In artikel 3.2.2.2, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, wordt de zinsnede "de lijst van bijlage 1 van titel I van het VLAREM" vervangen door de woorden "de indelingslijst".
Art. 190. A l'article 3.2.2.2, alinéa 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 décembre 2011, le membre de phrase " la liste de l'annexe 1re du titre Ier du VLAREM " est remplacé par les mots " la liste de classification ".
Art. 192. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 februari 2015, wordt hoofdstuk 3.3, dat bestaat uit artikel 3.3.0.1 en 3.3.0.2, vervangen door wat volgt :
"Hoofdstuk 3.3. - Bijzondere milieuvoorwaarden
Art. 3.3.0.1. De bijzondere milieuvoorwaarden bestaan uit een coherent geheel van voorschriften, maatregelen en verplichtingen om de hinder en de risico's afkomstig van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, voor de mens en het milieu tot een aanvaardbaar niveau te beperken.
Als dat noodzakelijk is, of, in voorkomend geval, ter uitvoering van Europese verplichtingen worden in de meldingsakte en in de omgevingsvergunning, vermeld in artikel 2, eerste lid, 6° respectievelijk 7°, van het decreet van 25 april 2014, bijzondere milieuvoorwaarden bepaald ter voorkoming en bestrijding van :
1° hinder en risico's als gevolg van de directe of indirecte inbreng van stoffen, trillingen, warmte, licht of geluid in lucht, water of bodem die de gezondheid van de mens of de milieukwaliteit kunnen aantasten;
2° risico's op ongevallen als gevolg van de exploitatie en de gevolgen daarvan voor de gezondheid van de mens en het milieu;
3° hinder en risico's door uitputting van hernieuwbare en niet-hernieuwbare hulpbronnen, de verspilling van materialen en energie in het algemeen alsook de schadelijke gevolgen voor mens en milieu, verbonden aan materiaalgebruik en -verbruik;
4° mobiliteitshinder.
Art. 3.3.0.2. De bijzondere milieuvoorwaarden, vermeld in artikel 3.3.0.1, kunnen onder meer voorzien in :
1° bepalingen waardoor er geen vermijdbare schade aan het milieu kan ontstaan en, als die schade toch zou ontstaan, de eisen waardoor de schade op kosten van de exploitant ongedaan kan worden gemaakt;
2° de emissiegrenswaarden voor verontreinigende stoffen als vermeld in bijlage 1.1.2 en voor andere verontreinigende stoffen die in significante hoeveelheden uit de installatie in kwestie kunnen vrijkomen, gelet op de aard en het potentieel ervan voor de overdracht van verontreiniging tussen milieucompartimenten;
3° de uitdrukkelijk berekende emissiegrenswaarden voor lucht en water die specifiek gelden voor de meeverbranding van afvalstoffen;
4° de bepalingen voor de monitoring en het beheer van de door de installatie voortgebrachte afvalstoffen;
5° de bepalingen om te voldoen aan de milieukwaliteitsnormen, vermeld in artikel 3.3.0.3, eerste lid, 3°, en aan BBT, vastgesteld conform de criteria, vermeld in bijlage 3.3;
6° bepalingen over het regelmatige onderhoud en bewaken van maatregelen die worden genomen ter voorkoming van emissies in de bodem en het grondwater;
7° bepalingen die noodzakelijk zijn bij andere bedrijfsomstandigheden dan normale bedrijfsomstandigheden, zoals het opstarten en stilleggen, lekken, storingen, korte stilleggingen en definitieve bedrijfsbeëindiging;
8° bepalingen over de minimalisering van de verontreiniging over lange afstand of van grensoverschrijdende verontreiniging;
9° bepalingen over de controle en beoordeling van de naleving van de milieuvoorwaarden, inclusief de emissiegrenswaarden.
Als die bepalingen moeten voorzien in monitoring van de emissies, worden de meetmethode, de meetfrequentie en de procedure voor de evaluatie van de metingen vermeld;
10° een lijst van de afvalcategorieën die mogen worden verwerkt. Die lijst omvat de totale hoeveelheid en, als dat mogelijk en nuttig is, de hoeveelheid per afvalcategorie. Als dat mogelijk is, worden die afvalcategorieën bijkomend opgelijst conform het onderscheid vermeld in bijlage 2.1 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement voor het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, zonder dat er aan die oplijsting rechtsgevolgen verbonden zijn;
11° bij een afvalverbrandingsinstallatie of een afvalmeeverbrandingsinstallatie :
a) bepalingen over de bemonsterings- en meetprocedures en over de bemonsterings- en meetfrequenties die worden gehanteerd om te voldoen aan de gestelde voorwaarden voor de monitoring van emissies;
b) een vermelding van de totale afvalverbrandings- of meeverbrandingscapaciteit van de installatie;
c) bepalingen over de pH, de temperatuur en het debiet van het geloosde afvalwater;
d) de maximaal toelaatbare duur van technisch onvermijdelijke stilleggingen, storingen of defecten aan de reinigingsapparatuur of de meetapparatuur waarin de emissies in de lucht en de lozingen van afvalwater de vastgestelde emissiegrenswaarden mogen overschrijden;
12° bij een afvalverbrandingsinstallatie of een afvalmeeverbrandingsinstallatie waarin gevaarlijke afvalstoffen worden verbrand :
a) een specificatie van de minimale en de maximale toevoer van die gevaarlijke afvalstoffen;
b) de laagste en de hoogste calorische waarde van die gevaarlijke afvalstoffen;
c) de maximumgehalten aan pcb's, pcp, chloor, fluor, zwavel, zware metalen en andere verontreinigende stoffen in de afvalstoffen;
13° een bijdrage tot de verwezenlijking van de doelstellingen, vermeld in artikel 5, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid.
Art. 3.3.0.3. Voor de toepassing van artikel 3.3.0.1 en 3.3.0.2 gelden bijkomend de volgende bepalingen :
1° als de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een BKG-installatie, kan de bevoegde overheid geen emissiegrenswaarden opleggen voor de emissie van BKG-emissies, tenzij dat noodzakelijk is om te verzekeren dat er geen significante plaatselijke verontreiniging wordt veroorzaakt;
2° de emissiegrenswaarden, vermeld in artikel 3.3.0.2, 2°, kunnen, zo nodig, worden aangevuld of vervangen door gelijkwaardige parameters of gelijkwaardige technische maatregelen.
Met behoud van de toepassing van punt 3° van dit artikel zijn de emissiegrenswaarden, de gelijkwaardige parameters of de gelijkwaardige technische maatregelen, vermeld in het eerste lid, gebaseerd op BBT, zonder dat daarmee het gebruik van een bepaalde techniek of technologie wordt voorgeschreven;
3° als met het oog op een milieukwaliteitsnorm strengere voorwaarden moeten gelden dan de voorwaarden die door de toepassing van BBT haalbaar zijn, met behoud van de toepassing van alle andere maatregelen die getroffen kunnen worden om te voldoen aan de milieukwaliteitsnormen, worden in de vergunning extra bijzondere milieuvoorwaarden opgelegd;
4° met het oog op de bescherming van de mens en het milieu kunnen strengere bijzondere milieuvoorwaarden in de vergunning worden opgelegd dan de voorwaarden die haalbaar zijn door gebruik te maken van de BBT.
De strengere bijzondere milieuvoorwaarden, vermeld in het eerste lid, kunnen, in bijzondere omstandigheden, worden vastgesteld op grond van de noodzaak :
1° van de bescherming van de mens en het milieu als er voor bepaalde emissies geen milieukwaliteitsnorm bepaald is. In voorkomend geval moet daarbij onder meer rekening worden gehouden met de toxiciteit, de persistentie en de bio-accumulatie van de betrokken stoffen in het milieu waarin ze worden geëmitteerd;
2° van het voorkomen van schade, hinder, en incidenten en ongevallen die de mens en het milieu aanzienlijk beïnvloeden;
3° om in functie van de specifieke lokale omstandigheden een hoog niveau van bescherming van de mens en het milieu te waarborgen;
4° om in functie van de specifieke lokale omstandigheden de hinder voor de mens en het milieu te beperken tot een aanvaardbaar niveau;
5° om de Europese verordeningen op het vlak van milieukwaliteitsbeheer te behalen;
6° om de doelstellingen die opgenomen zijn in goedgekeurde Vlaamse beleidsplannen, actieplannen en reductieprogramma's te behalen;
7° om de doelstellingen die opgenomen zijn in geratificeerde internationale verdragen te behalen.
Bij de vaststelling van de strengere bijzondere milieuvoorwaarden wordt rekening gehouden met de volgende aspecten :
1° de ligging en de gebiedsbestemming van het bedrijf en de omgeving;
2° de technische haalbaarheid van de voorgestelde maatregelen;
3° de economische haalbaarheid van de voorgestelde maatregelen;
4° de praktische haalbaarheid van de voorgestelde maatregelen;
5° de efficiëntie en de effectiviteit van de voorgestelde maatregelen;
6° de handhaafbaarheid van de voorgestelde maatregelen.".
"Hoofdstuk 3.3. - Bijzondere milieuvoorwaarden
Art. 3.3.0.1. De bijzondere milieuvoorwaarden bestaan uit een coherent geheel van voorschriften, maatregelen en verplichtingen om de hinder en de risico's afkomstig van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, voor de mens en het milieu tot een aanvaardbaar niveau te beperken.
Als dat noodzakelijk is, of, in voorkomend geval, ter uitvoering van Europese verplichtingen worden in de meldingsakte en in de omgevingsvergunning, vermeld in artikel 2, eerste lid, 6° respectievelijk 7°, van het decreet van 25 april 2014, bijzondere milieuvoorwaarden bepaald ter voorkoming en bestrijding van :
1° hinder en risico's als gevolg van de directe of indirecte inbreng van stoffen, trillingen, warmte, licht of geluid in lucht, water of bodem die de gezondheid van de mens of de milieukwaliteit kunnen aantasten;
2° risico's op ongevallen als gevolg van de exploitatie en de gevolgen daarvan voor de gezondheid van de mens en het milieu;
3° hinder en risico's door uitputting van hernieuwbare en niet-hernieuwbare hulpbronnen, de verspilling van materialen en energie in het algemeen alsook de schadelijke gevolgen voor mens en milieu, verbonden aan materiaalgebruik en -verbruik;
4° mobiliteitshinder.
Art. 3.3.0.2. De bijzondere milieuvoorwaarden, vermeld in artikel 3.3.0.1, kunnen onder meer voorzien in :
1° bepalingen waardoor er geen vermijdbare schade aan het milieu kan ontstaan en, als die schade toch zou ontstaan, de eisen waardoor de schade op kosten van de exploitant ongedaan kan worden gemaakt;
2° de emissiegrenswaarden voor verontreinigende stoffen als vermeld in bijlage 1.1.2 en voor andere verontreinigende stoffen die in significante hoeveelheden uit de installatie in kwestie kunnen vrijkomen, gelet op de aard en het potentieel ervan voor de overdracht van verontreiniging tussen milieucompartimenten;
3° de uitdrukkelijk berekende emissiegrenswaarden voor lucht en water die specifiek gelden voor de meeverbranding van afvalstoffen;
4° de bepalingen voor de monitoring en het beheer van de door de installatie voortgebrachte afvalstoffen;
5° de bepalingen om te voldoen aan de milieukwaliteitsnormen, vermeld in artikel 3.3.0.3, eerste lid, 3°, en aan BBT, vastgesteld conform de criteria, vermeld in bijlage 3.3;
6° bepalingen over het regelmatige onderhoud en bewaken van maatregelen die worden genomen ter voorkoming van emissies in de bodem en het grondwater;
7° bepalingen die noodzakelijk zijn bij andere bedrijfsomstandigheden dan normale bedrijfsomstandigheden, zoals het opstarten en stilleggen, lekken, storingen, korte stilleggingen en definitieve bedrijfsbeëindiging;
8° bepalingen over de minimalisering van de verontreiniging over lange afstand of van grensoverschrijdende verontreiniging;
9° bepalingen over de controle en beoordeling van de naleving van de milieuvoorwaarden, inclusief de emissiegrenswaarden.
Als die bepalingen moeten voorzien in monitoring van de emissies, worden de meetmethode, de meetfrequentie en de procedure voor de evaluatie van de metingen vermeld;
10° een lijst van de afvalcategorieën die mogen worden verwerkt. Die lijst omvat de totale hoeveelheid en, als dat mogelijk en nuttig is, de hoeveelheid per afvalcategorie. Als dat mogelijk is, worden die afvalcategorieën bijkomend opgelijst conform het onderscheid vermeld in bijlage 2.1 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement voor het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, zonder dat er aan die oplijsting rechtsgevolgen verbonden zijn;
11° bij een afvalverbrandingsinstallatie of een afvalmeeverbrandingsinstallatie :
a) bepalingen over de bemonsterings- en meetprocedures en over de bemonsterings- en meetfrequenties die worden gehanteerd om te voldoen aan de gestelde voorwaarden voor de monitoring van emissies;
b) een vermelding van de totale afvalverbrandings- of meeverbrandingscapaciteit van de installatie;
c) bepalingen over de pH, de temperatuur en het debiet van het geloosde afvalwater;
d) de maximaal toelaatbare duur van technisch onvermijdelijke stilleggingen, storingen of defecten aan de reinigingsapparatuur of de meetapparatuur waarin de emissies in de lucht en de lozingen van afvalwater de vastgestelde emissiegrenswaarden mogen overschrijden;
12° bij een afvalverbrandingsinstallatie of een afvalmeeverbrandingsinstallatie waarin gevaarlijke afvalstoffen worden verbrand :
a) een specificatie van de minimale en de maximale toevoer van die gevaarlijke afvalstoffen;
b) de laagste en de hoogste calorische waarde van die gevaarlijke afvalstoffen;
c) de maximumgehalten aan pcb's, pcp, chloor, fluor, zwavel, zware metalen en andere verontreinigende stoffen in de afvalstoffen;
13° een bijdrage tot de verwezenlijking van de doelstellingen, vermeld in artikel 5, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid.
Art. 3.3.0.3. Voor de toepassing van artikel 3.3.0.1 en 3.3.0.2 gelden bijkomend de volgende bepalingen :
1° als de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een BKG-installatie, kan de bevoegde overheid geen emissiegrenswaarden opleggen voor de emissie van BKG-emissies, tenzij dat noodzakelijk is om te verzekeren dat er geen significante plaatselijke verontreiniging wordt veroorzaakt;
2° de emissiegrenswaarden, vermeld in artikel 3.3.0.2, 2°, kunnen, zo nodig, worden aangevuld of vervangen door gelijkwaardige parameters of gelijkwaardige technische maatregelen.
Met behoud van de toepassing van punt 3° van dit artikel zijn de emissiegrenswaarden, de gelijkwaardige parameters of de gelijkwaardige technische maatregelen, vermeld in het eerste lid, gebaseerd op BBT, zonder dat daarmee het gebruik van een bepaalde techniek of technologie wordt voorgeschreven;
3° als met het oog op een milieukwaliteitsnorm strengere voorwaarden moeten gelden dan de voorwaarden die door de toepassing van BBT haalbaar zijn, met behoud van de toepassing van alle andere maatregelen die getroffen kunnen worden om te voldoen aan de milieukwaliteitsnormen, worden in de vergunning extra bijzondere milieuvoorwaarden opgelegd;
4° met het oog op de bescherming van de mens en het milieu kunnen strengere bijzondere milieuvoorwaarden in de vergunning worden opgelegd dan de voorwaarden die haalbaar zijn door gebruik te maken van de BBT.
De strengere bijzondere milieuvoorwaarden, vermeld in het eerste lid, kunnen, in bijzondere omstandigheden, worden vastgesteld op grond van de noodzaak :
1° van de bescherming van de mens en het milieu als er voor bepaalde emissies geen milieukwaliteitsnorm bepaald is. In voorkomend geval moet daarbij onder meer rekening worden gehouden met de toxiciteit, de persistentie en de bio-accumulatie van de betrokken stoffen in het milieu waarin ze worden geëmitteerd;
2° van het voorkomen van schade, hinder, en incidenten en ongevallen die de mens en het milieu aanzienlijk beïnvloeden;
3° om in functie van de specifieke lokale omstandigheden een hoog niveau van bescherming van de mens en het milieu te waarborgen;
4° om in functie van de specifieke lokale omstandigheden de hinder voor de mens en het milieu te beperken tot een aanvaardbaar niveau;
5° om de Europese verordeningen op het vlak van milieukwaliteitsbeheer te behalen;
6° om de doelstellingen die opgenomen zijn in goedgekeurde Vlaamse beleidsplannen, actieplannen en reductieprogramma's te behalen;
7° om de doelstellingen die opgenomen zijn in geratificeerde internationale verdragen te behalen.
Bij de vaststelling van de strengere bijzondere milieuvoorwaarden wordt rekening gehouden met de volgende aspecten :
1° de ligging en de gebiedsbestemming van het bedrijf en de omgeving;
2° de technische haalbaarheid van de voorgestelde maatregelen;
3° de economische haalbaarheid van de voorgestelde maatregelen;
4° de praktische haalbaarheid van de voorgestelde maatregelen;
5° de efficiëntie en de effectiviteit van de voorgestelde maatregelen;
6° de handhaafbaarheid van de voorgestelde maatregelen.".
Art. 192. Dans le même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 février 2015, le chapitre 3.3., comprenant les articles 3.3.0.1 et 3.3.0.2, est remplacé par ce qui suit :
" Chapitre 3.3. - Conditions environnementales particulières
Art. 3.3.0.1. Les conditions environnementales particulières consistent en un ensemble cohérent de prescriptions, de mesures et d'obligations visant à limiter à un niveau acceptable les nuisances et les risques pour l'homme et l'environnement découlant de l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée.
Si nécessaire ou, le cas échéant, en exécution d'obligations européennes, l'acte de déclaration et le permis d'environnement visés respectivement aux points 6° et 7° de l'article 2, alinéa 1er, du décret du 25 avril 2014, définissent des conditions environnementales particulières en vue de prévenir et de lutter contre :
1° les nuisances et les risques découlant de l'introduction directe ou indirecte de poussières, vibrations, chaleur, lumière ou bruits dans l'air, l'eau ou le sol, de nature à porter atteinte à la santé humaine ou à la qualité de l'environnement ;
2° les risques d'accident découlant de l'exploitation et leurs conséquences pour la santé humaine et l'environnement ;
3° les nuisances et les risques découlant de l'épuisement de ressources renouvelables et non renouvelables, le gaspillage de matériaux et d'énergie en général et les effets nocifs pour l'homme et l'environnement, liés à l'utilisation et la consommation de matériaux ;
4° les entraves à la mobilité.
Art. 3.3.0.2. Les conditions environnementales particulières visées à l'article 3.3.0.1 peuvent notamment prévoir :
1° des dispositions de nature à empêcher tout dommage évitable à l'environnement et, dans l'éventualité où pareil dommage surviendrait malgré tout, les exigences selon lesquelles le dommage peut être réparé aux frais de l'exploitant ;
2° les valeurs limites d'émission pour les substances polluantes figurant à l'annexe 1.1.2 et pour les autres substances polluantes susceptibles d'être émises par l'installation concernée en quantité significative eu égard à leur nature et à leur potentiel de transferts de pollution d'un milieu à l'autre ;
3° les valeurs limites d'émission explicitement calculées pour l'air et l'eau ;
4° les dispositions pour la surveillance et la gestion des déchets générés par l'installation ;
5° les dispositions pour satisfaire aux normes de qualité environnementale visées à l'article 3.3.0.3, alinéa 1er, point 3°, et aux MTD fixées conformément aux critères visés à l'annexe 3.3 ;
6° des dispositions concernant l'entretien et la surveillance à intervalles réguliers des mesures prises afin de prévenir les émissions dans le sol et les eaux souterraines ;
7° des dispositions nécessaires en cas de conditions d'exploitation autres que les conditions d'exploitation normales, telles que les opérations de démarrage et d'arrêt, les fuites, les dysfonctionnements, les arrêts momentanés et l'arrêt définitif de l'exploitation ;
8° des dispositions visant à réduire au minimum la pollution à longue distance ou transfrontière ;
9° des dispositions relatives au contrôle et à l'évaluation du respect des conditions environnementales, y compris des valeurs limites d'émission.
Si ces dispositions doivent prévoir la surveillance des émissions, la méthode de mesure, la fréquence des mesures et la procédure d'évaluation des mesures sont précisées ;
10° une liste des catégories de déchets qui peuvent être traitées. Cette liste comporte la quantité totale et, si possible et utile, la quantité par catégorie de déchets. Dans la mesure du possible, les catégories de déchets sont également énumérées conformément à la distinction visée à l'annexe 2.1 à l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 février 2012 fixant le règlement flamand relatif à la gestion durable de cycles de matériaux et de déchets, sans que des effets juridiques soient liés à cette énumération ;
11° dans le cas d'une installation d'incinération ou de coincinération de déchets :
a) des dispositions relatives aux procédures d'échantillonnage et de mesure et aux fréquences d'échantillonnage et de mesure appliquées pour satisfaire aux conditions posées pour la surveillance des émissions ;
b) une mention de la capacité totale d'incinération ou de coincinération de déchets de l'installation ;
c) des dispositions relatives au pH, à la température et au débit des eaux usées rejetées ;
d) la durée maximale admissible d'arrêts, dérèglements ou défaillances techniquement inévitables des systèmes d'épuration ou des systèmes de mesure pendant laquelle les émissions dans l'air et les rejets d'eaux usées peuvent dépasser les valeurs limites d'émission ;
12° dans le cas d'une installation d'incinération ou de coincinération de déchets dans laquelle des déchets dangereux sont incinérés :
a) une spécification des débits minimal et maximal, en termes de masse, de ces déchets dangereux ;
b) les valeurs calorifiques minimale et maximale de ces déchets dangereux ;
c) la teneur maximale en PCB, PCP, chlore, fluor, soufre, métaux lourds et autres substances polluantes de ces déchets ;
13° une contribution à la réalisation des objectifs visés à l'article 5 du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau.
Art. 3.3.0.3. Pour l'application des articles 3.3.0.1 et 3.3.0.2, les dispositions suivantes s'appliquent également :
1° lorsque la demande d'un permis d'environnement porte sur une installation GES, l'autorité compétente ne peut pas imposer de valeur limite d'émission pour les émissions GES à moins que cela ne soit nécessaire afin d'assurer qu'aucune pollution locale significative n'est causée ;
2° les valeurs limites d'émission visées à l'article 3.3.0.2, point 2°, peuvent, le cas échéant, être complétées ou remplacées par des paramètres ou mesures techniques équivalents.
Sans préjudice de l'application du point 3° du présent article, les valeurs limites d'émission et les paramètres ou mesures techniques équivalents visés à l'alinéa 1er sont basés sur les MTD, sans pour autant que le recours à une technique ou à une technologie déterminée soit prescrit ;
3° si une norme de qualité environnementale requiert des conditions plus strictes que celles pouvant être obtenues par l'application des MTD, des conditions environnementales particulières supplémentaires sont imposées dans le permis, sans préjudice de l'application de toutes autres mesures prises pour satisfaire aux normes de qualité environnementale ;
4° en vue de la protection de l'homme et de l'environnement, des conditions environnementales particulières plus strictes que celles pouvant être obtenues par le recours aux MTD peuvent être imposées dans le permis.
Les conditions environnementales particulières plus strictes visées à l'alinéa 1er peuvent être fixées compte tenu de la nécessité :
1° de protéger l'homme et l'environnement si aucune norme de qualité environnementale n'a été fixée pour certaines émissions. Le cas échéant, il convient de tenir compte notamment de la toxicité, de la persistance et de la bioaccumulation des substances considérées dans l'environnement dans lequel elles sont émises ;
2° d'éviter les dommages, nuisances, incidents et accidents qui ont des effets considérables sur l'homme et l'environnement ;
3° de garantir un niveau de protection élevé de l'homme et de l'environnement en fonction des circonstances locales spécifiques ;
4° de limiter à un niveau acceptable les nuisances pour l'homme et l'environnement en fonction des circonstances locales spécifiques ;
5° de respecter les règlements européens relatifs à la gestion de la qualité de l'environnement ;
6° de réaliser les objectifs figurant dans les plans stratégiques, plans d'action et programmes de réduction flamands approuvés ;
7° de réaliser les objectifs figurant dans les traités internationaux ratifiés.
Pour la fixation des conditions environnementales particulières plus strictes, il est tenu compte des aspects suivants :
1° la situation et la destination de la zone de l'entreprise et de l'environnement ;
2° la faisabilité technique des mesures proposées ;
3° la faisabilité économique des mesures proposées ;
4° la faisabilité pratique des mesures proposées ;
5° l'efficience et l'efficacité des mesures proposées ;
6° l'applicabilité des mesures proposées. ".
" Chapitre 3.3. - Conditions environnementales particulières
Art. 3.3.0.1. Les conditions environnementales particulières consistent en un ensemble cohérent de prescriptions, de mesures et d'obligations visant à limiter à un niveau acceptable les nuisances et les risques pour l'homme et l'environnement découlant de l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée.
Si nécessaire ou, le cas échéant, en exécution d'obligations européennes, l'acte de déclaration et le permis d'environnement visés respectivement aux points 6° et 7° de l'article 2, alinéa 1er, du décret du 25 avril 2014, définissent des conditions environnementales particulières en vue de prévenir et de lutter contre :
1° les nuisances et les risques découlant de l'introduction directe ou indirecte de poussières, vibrations, chaleur, lumière ou bruits dans l'air, l'eau ou le sol, de nature à porter atteinte à la santé humaine ou à la qualité de l'environnement ;
2° les risques d'accident découlant de l'exploitation et leurs conséquences pour la santé humaine et l'environnement ;
3° les nuisances et les risques découlant de l'épuisement de ressources renouvelables et non renouvelables, le gaspillage de matériaux et d'énergie en général et les effets nocifs pour l'homme et l'environnement, liés à l'utilisation et la consommation de matériaux ;
4° les entraves à la mobilité.
Art. 3.3.0.2. Les conditions environnementales particulières visées à l'article 3.3.0.1 peuvent notamment prévoir :
1° des dispositions de nature à empêcher tout dommage évitable à l'environnement et, dans l'éventualité où pareil dommage surviendrait malgré tout, les exigences selon lesquelles le dommage peut être réparé aux frais de l'exploitant ;
2° les valeurs limites d'émission pour les substances polluantes figurant à l'annexe 1.1.2 et pour les autres substances polluantes susceptibles d'être émises par l'installation concernée en quantité significative eu égard à leur nature et à leur potentiel de transferts de pollution d'un milieu à l'autre ;
3° les valeurs limites d'émission explicitement calculées pour l'air et l'eau ;
4° les dispositions pour la surveillance et la gestion des déchets générés par l'installation ;
5° les dispositions pour satisfaire aux normes de qualité environnementale visées à l'article 3.3.0.3, alinéa 1er, point 3°, et aux MTD fixées conformément aux critères visés à l'annexe 3.3 ;
6° des dispositions concernant l'entretien et la surveillance à intervalles réguliers des mesures prises afin de prévenir les émissions dans le sol et les eaux souterraines ;
7° des dispositions nécessaires en cas de conditions d'exploitation autres que les conditions d'exploitation normales, telles que les opérations de démarrage et d'arrêt, les fuites, les dysfonctionnements, les arrêts momentanés et l'arrêt définitif de l'exploitation ;
8° des dispositions visant à réduire au minimum la pollution à longue distance ou transfrontière ;
9° des dispositions relatives au contrôle et à l'évaluation du respect des conditions environnementales, y compris des valeurs limites d'émission.
Si ces dispositions doivent prévoir la surveillance des émissions, la méthode de mesure, la fréquence des mesures et la procédure d'évaluation des mesures sont précisées ;
10° une liste des catégories de déchets qui peuvent être traitées. Cette liste comporte la quantité totale et, si possible et utile, la quantité par catégorie de déchets. Dans la mesure du possible, les catégories de déchets sont également énumérées conformément à la distinction visée à l'annexe 2.1 à l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 février 2012 fixant le règlement flamand relatif à la gestion durable de cycles de matériaux et de déchets, sans que des effets juridiques soient liés à cette énumération ;
11° dans le cas d'une installation d'incinération ou de coincinération de déchets :
a) des dispositions relatives aux procédures d'échantillonnage et de mesure et aux fréquences d'échantillonnage et de mesure appliquées pour satisfaire aux conditions posées pour la surveillance des émissions ;
b) une mention de la capacité totale d'incinération ou de coincinération de déchets de l'installation ;
c) des dispositions relatives au pH, à la température et au débit des eaux usées rejetées ;
d) la durée maximale admissible d'arrêts, dérèglements ou défaillances techniquement inévitables des systèmes d'épuration ou des systèmes de mesure pendant laquelle les émissions dans l'air et les rejets d'eaux usées peuvent dépasser les valeurs limites d'émission ;
12° dans le cas d'une installation d'incinération ou de coincinération de déchets dans laquelle des déchets dangereux sont incinérés :
a) une spécification des débits minimal et maximal, en termes de masse, de ces déchets dangereux ;
b) les valeurs calorifiques minimale et maximale de ces déchets dangereux ;
c) la teneur maximale en PCB, PCP, chlore, fluor, soufre, métaux lourds et autres substances polluantes de ces déchets ;
13° une contribution à la réalisation des objectifs visés à l'article 5 du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau.
Art. 3.3.0.3. Pour l'application des articles 3.3.0.1 et 3.3.0.2, les dispositions suivantes s'appliquent également :
1° lorsque la demande d'un permis d'environnement porte sur une installation GES, l'autorité compétente ne peut pas imposer de valeur limite d'émission pour les émissions GES à moins que cela ne soit nécessaire afin d'assurer qu'aucune pollution locale significative n'est causée ;
2° les valeurs limites d'émission visées à l'article 3.3.0.2, point 2°, peuvent, le cas échéant, être complétées ou remplacées par des paramètres ou mesures techniques équivalents.
Sans préjudice de l'application du point 3° du présent article, les valeurs limites d'émission et les paramètres ou mesures techniques équivalents visés à l'alinéa 1er sont basés sur les MTD, sans pour autant que le recours à une technique ou à une technologie déterminée soit prescrit ;
3° si une norme de qualité environnementale requiert des conditions plus strictes que celles pouvant être obtenues par l'application des MTD, des conditions environnementales particulières supplémentaires sont imposées dans le permis, sans préjudice de l'application de toutes autres mesures prises pour satisfaire aux normes de qualité environnementale ;
4° en vue de la protection de l'homme et de l'environnement, des conditions environnementales particulières plus strictes que celles pouvant être obtenues par le recours aux MTD peuvent être imposées dans le permis.
Les conditions environnementales particulières plus strictes visées à l'alinéa 1er peuvent être fixées compte tenu de la nécessité :
1° de protéger l'homme et l'environnement si aucune norme de qualité environnementale n'a été fixée pour certaines émissions. Le cas échéant, il convient de tenir compte notamment de la toxicité, de la persistance et de la bioaccumulation des substances considérées dans l'environnement dans lequel elles sont émises ;
2° d'éviter les dommages, nuisances, incidents et accidents qui ont des effets considérables sur l'homme et l'environnement ;
3° de garantir un niveau de protection élevé de l'homme et de l'environnement en fonction des circonstances locales spécifiques ;
4° de limiter à un niveau acceptable les nuisances pour l'homme et l'environnement en fonction des circonstances locales spécifiques ;
5° de respecter les règlements européens relatifs à la gestion de la qualité de l'environnement ;
6° de réaliser les objectifs figurant dans les plans stratégiques, plans d'action et programmes de réduction flamands approuvés ;
7° de réaliser les objectifs figurant dans les traités internationaux ratifiés.
Pour la fixation des conditions environnementales particulières plus strictes, il est tenu compte des aspects suivants :
1° la situation et la destination de la zone de l'entreprise et de l'environnement ;
2° la faisabilité technique des mesures proposées ;
3° la faisabilité économique des mesures proposées ;
4° la faisabilité pratique des mesures proposées ;
5° l'efficience et l'efficacité des mesures proposées ;
6° l'applicabilité des mesures proposées. ".
Art. 193. In artikel 4.1.2.1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1 wordt de zinsnede "van bijlage 18 van titel I van het VLAREM" vervangen door de zinsnede "van bijlage 3.3";
2° in paragraaf 2 wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
1° in paragraaf 1 wordt de zinsnede "van bijlage 18 van titel I van het VLAREM" vervangen door de zinsnede "van bijlage 3.3";
2° in paragraaf 2 wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 193. A l'article 4.1.2.1 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 1er, le membre de phrase " de l'annexe 18 du titre Ier du VLAREM " est remplacé par le membre de phrase " de l'annexe 3.3 " ;
2° au paragraphe 2, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
1° au paragraphe 1er, le membre de phrase " de l'annexe 18 du titre Ier du VLAREM " est remplacé par le membre de phrase " de l'annexe 3.3 " ;
2° au paragraphe 2, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 194. In artikel 4.1.4.1, § 1, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juni 1996 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 194. A l'article 4.1.4.1, § 1er, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 juin 1996 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 195. In artikel 4.1.4.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juni 1996 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 195. A l'article 4.1.4.2 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 juin 1996 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 196. Aan artikel 4.1.5.1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013 en 16 mei 2014, wordt een paragraaf 3 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 3. In geval van schending van een milieuvoorwaarde inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging, inzake voorkoming of beperking van emissies in lucht, water en bodem of inzake voorkoming van het ontstaan van afvalstoffen, brengt de exploitant van een GPBV-installatie of een inrichting als vermeld in rubriek 59 van de indelingslijst, de toezichthouder daarvan onmiddellijk op de hoogte en treft de exploitant onmiddellijk de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat op een zo kort mogelijke termijn weer aan de geschonden milieuvoorwaarde wordt voldaan.".
" § 3. In geval van schending van een milieuvoorwaarde inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging, inzake voorkoming of beperking van emissies in lucht, water en bodem of inzake voorkoming van het ontstaan van afvalstoffen, brengt de exploitant van een GPBV-installatie of een inrichting als vermeld in rubriek 59 van de indelingslijst, de toezichthouder daarvan onmiddellijk op de hoogte en treft de exploitant onmiddellijk de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat op een zo kort mogelijke termijn weer aan de geschonden milieuvoorwaarde wordt voldaan.".
Art. 196. A l'article 4.1.5.1 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 7 juin 2013 et 16 mai 2014, il est ajouté un paragraphe 3, libellé comme suit :
" § 3. En cas de violation d'une condition environnementale relative à la prévention et à la réduction intégrées de la pollution, à la prévention ou à la limitation d'émissions dans l'air, l'eau et le sol ou à la prévention de l'apparition de déchets, l'exploitant d'une installation IPPC ou d'un établissement tel que visé à la rubrique 59 de la liste de classification en informe immédiatement le surveillant et prend immédiatement les mesures nécessaires afin de répondre à nouveau, dans les plus brefs délais, à la condition environnementale violée. ".
" § 3. En cas de violation d'une condition environnementale relative à la prévention et à la réduction intégrées de la pollution, à la prévention ou à la limitation d'émissions dans l'air, l'eau et le sol ou à la prévention de l'apparition de déchets, l'exploitant d'une installation IPPC ou d'un établissement tel que visé à la rubrique 59 de la liste de classification en informe immédiatement le surveillant et prend immédiatement les mesures nécessaires afin de répondre à nouveau, dans les plus brefs délais, à la condition environnementale violée. ".
Art. 197. In artikel 4.1.5.2 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt tussen de woorden "dit besluit" en de woorden "moeten bezorgd" de volgende zinsnede ingevoegd "en van het besluit van de Vlaamse Regering [1 van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning]1 wat betreft de exploitatie van ingedeelde inrichtingen en activiteiten".
Art. 197. A l'article 4.1.5.2 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, le membre de phrase suivant " et de l'arrêté du Gouvernement flamand [1 du 27 novembre 2015 portant exécution du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement]1 en ce qui concerne l'exploitation d'établissements ou d'activités classés " est inséré entre les mots " du présent arrêté " et le mot " doivent ".
Art. 198. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 februari 2015, worden een artikel 4.1.5.4 en een artikel 4.1.5.5 ingevoegd, die luiden als volgt :
"Art. 4.1.5.4. Als een inrichting die bestemd is voor het winnen of het kunstmatig aanvullen van grondwater, of een gedeelte ervan, definitief buiten gebruik wordt gesteld, is de exploitant verplicht dat binnen een termijn van drie maanden te melden aan de afdeling van de Vlaamse Milieumaatschappij, bevoegd voor grondwater, ongeacht de klasse waarin de inrichting is ingedeeld. De voormelde afdeling bezorgt onverwijld een kopie van die melding aan de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 van het decreet van 25 april 2014.
Art. 4.1.5.5. De exploitant bezorgt op verzoek van de instanties die belast zijn met het uitvoeren van een evaluatie, vermeld in artikel 1.4.4.1, alle gegevens die met toepassing van artikel 1.4.5.1.1, § 1, tweede lid, worden gevraagd.".
"Art. 4.1.5.4. Als een inrichting die bestemd is voor het winnen of het kunstmatig aanvullen van grondwater, of een gedeelte ervan, definitief buiten gebruik wordt gesteld, is de exploitant verplicht dat binnen een termijn van drie maanden te melden aan de afdeling van de Vlaamse Milieumaatschappij, bevoegd voor grondwater, ongeacht de klasse waarin de inrichting is ingedeeld. De voormelde afdeling bezorgt onverwijld een kopie van die melding aan de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 van het decreet van 25 april 2014.
Art. 4.1.5.5. De exploitant bezorgt op verzoek van de instanties die belast zijn met het uitvoeren van een evaluatie, vermeld in artikel 1.4.4.1, alle gegevens die met toepassing van artikel 1.4.5.1.1, § 1, tweede lid, worden gevraagd.".
Art. 198. Dans le même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 février 2015, il est inséré un article 4.1.5.4 et un article 4.1.5.5, libellés comme suit :
" Art. 4.1.5.4. Lorsqu'un établissement ou une partie d'un établissement destiné au captage ou à la recharge artificielle des eaux souterraines est définitivement mis hors service, l'exploitant est tenu de le déclarer dans le délai de trois mois à la division de la Vlaamse Milieumaatschappij (Société flamande de l'Environnement) chargée des eaux souterraines, quelle que soit la classe dans laquelle l'établissement est classé. La division précitée fournit sans délai une copie de cette déclaration à l'autorité compétente visée à l'article 15 du décret du 25 avril 2014.
Art. 4.1.5.5. L'exploitant fournit, à la demande des instances chargées de l'exécution d'une évaluation, visées à l'article 1.4.4.1, toutes les données demandées en application de l'article 1.4.5.1.1, § 1er, alinéa 2. ".
" Art. 4.1.5.4. Lorsqu'un établissement ou une partie d'un établissement destiné au captage ou à la recharge artificielle des eaux souterraines est définitivement mis hors service, l'exploitant est tenu de le déclarer dans le délai de trois mois à la division de la Vlaamse Milieumaatschappij (Société flamande de l'Environnement) chargée des eaux souterraines, quelle que soit la classe dans laquelle l'établissement est classé. La division précitée fournit sans délai une copie de cette déclaration à l'autorité compétente visée à l'article 15 du décret du 25 avril 2014.
Art. 4.1.5.5. L'exploitant fournit, à la demande des instances chargées de l'exécution d'une évaluation, visées à l'article 1.4.4.1, toutes les données demandées en application de l'article 1.4.5.1.1, § 1er, alinéa 2. ".
Art. 199. In artikel 4.1.6.1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 november 2003, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 199. A l'article 4.1.6.1 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 novembre 2003, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 200. In artikel 4.1.6.2, § 1, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunningsvoorwaarden" vervangen door de woorden "voorwaarden met betrekking tot de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 200. A l'article 4.1.6.1, § 1er, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " conditions d'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " conditions relatives au permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 201. In artikel 4.1.6.3 van hetzelfde besluit wordt het woord "milieuvergunningsvoorwaarden" vervangen door de woorden "bijzondere milieuvoorwaarden".
Art. 201. A l'article 4.1.6.3 du même arrêté, les mots " conditions d'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " conditions environnementales particulières ".
Art. 202. In artikel 4.1.7.1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 202. A l'article 4.1.7.1 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 203. In artikel 4.1.8.1 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juni 1996 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid zoals aangevuld door het decreet van 19 april 1995" vervangen door de zinsnede "decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid";
2° in paragraaf 1, tweede lid, wordt punt 1° opgeheven;
3° in paragraaf 1, tweede lid, 2°, wordt de zinsnede "onder 1° of 2° " opgeheven;
4° in paragraaf 5, tweede lid, 1°, wordt de zinsnede " § 1, 1°, 2°, 4° en 5° " vervangen door de zinsnede " § 1, 2°, 4° en 5° ".
1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid zoals aangevuld door het decreet van 19 april 1995" vervangen door de zinsnede "decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid";
2° in paragraaf 1, tweede lid, wordt punt 1° opgeheven;
3° in paragraaf 1, tweede lid, 2°, wordt de zinsnede "onder 1° of 2° " opgeheven;
4° in paragraaf 5, tweede lid, 1°, wordt de zinsnede " § 1, 1°, 2°, 4° en 5° " vervangen door de zinsnede " § 1, 2°, 4° en 5° ".
Art. 203. A l'article 4.1.8.1 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 juin 1996 et modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots " décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement tel que complété par le décret du 19 avril 1995 " sont remplacés par le membre de phrase " décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement " ;
2° au paragraphe 1er, alinéa 2, le point 1° est abrogé ;
3° au paragraphe 1er, alinéa 2, point 2°, le membre de phrase " sous 1° et 2° " est abrogé ;
4° au paragraphe 5, alinéa 2, point 1°, le membre de phrase " § 1er, 1°, 2°, 4° et 5° " est remplacé par le membre de phrase " § 1er, 2°, 4° et 5° ".
1° au paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots " décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement tel que complété par le décret du 19 avril 1995 " sont remplacés par le membre de phrase " décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement " ;
2° au paragraphe 1er, alinéa 2, le point 1° est abrogé ;
3° au paragraphe 1er, alinéa 2, point 2°, le membre de phrase " sous 1° et 2° " est abrogé ;
4° au paragraphe 5, alinéa 2, point 1°, le membre de phrase " § 1er, 1°, 2°, 4° et 5° " est remplacé par le membre de phrase " § 1er, 2°, 4° et 5° ".
Art. 204. In artikel 4.1.8.3, § 2, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 januari 2006 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008, wordt de zinsnede "de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen" vervangen door de zinsnede "de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning".
Art. 204. A l'article 4.1.8.3, § 2, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 janvier 2006 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 mars 2008, le membre de phrase " la division compétente pour les autorisations écologiques " est remplacé par le membre de phrase " la division Environnement compétente pour le permis d'environnement ".
Art. 205. In artikel 4.1.9.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juni 1996, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid wordt de zinsnede "decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid zoals aangevuld door het decreet van 19 april 1995" vervangen door de zinsnede "decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid";
2° in het tweede lid wordt de zinsnede "de inrichtingen die in de lijst van bijlage 1 bij titel I van het VLAREM zijn ingedeeld in de eerste of tweede klasse" vervangen door de woorden "de inrichtingen die in de indelingslijst zijn ingedeeld in de eerste of tweede klasse".
1° in het eerste lid wordt de zinsnede "decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid zoals aangevuld door het decreet van 19 april 1995" vervangen door de zinsnede "decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid";
2° in het tweede lid wordt de zinsnede "de inrichtingen die in de lijst van bijlage 1 bij titel I van het VLAREM zijn ingedeeld in de eerste of tweede klasse" vervangen door de woorden "de inrichtingen die in de indelingslijst zijn ingedeeld in de eerste of tweede klasse".
Art. 205. A l'article 4.1.9.1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 juin 1996, les modifications suivantes sont apportées :
1° à l'alinéa 1er, le membre de phrase " décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement tel que complété par le décret du 19 avril 1995 " est remplacé par le membre de phrase " décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement " ;
2° à l'alinéa 2, le membre de phrase " les établissements qui ont été classés, dans la liste de l'annexe 1 du titre I du VLAREM, dans la première ou deuxième classe " est remplacé par les mots " les établissements qui ont été classés, dans la liste de classification, dans la première ou deuxième classe ".
1° à l'alinéa 1er, le membre de phrase " décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement tel que complété par le décret du 19 avril 1995 " est remplacé par le membre de phrase " décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement " ;
2° à l'alinéa 2, le membre de phrase " les établissements qui ont été classés, dans la liste de l'annexe 1 du titre I du VLAREM, dans la première ou deuxième classe " est remplacé par les mots " les établissements qui ont été classés, dans la liste de classification, dans la première ou deuxième classe ".
Art. 206. In artikel 4.1.9.1.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juni 1996 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1 wordt de zinsnede "die in de indelingslijst als bijlage I bij titel I van het VLAREM is ingedeeld in de eerste klasse" vervangen door de zinsnede "die in de indelingslijst is ingedeeld in de eerste of tweede klasse en in de vijfde kolom van de indelingslijst is aangeduid met de letter A of B";
2° in paragraaf 2 wordt de zinsnede "die in de indelingslijst als bijlage I bij titel I van het VLAREM onder de 5de kolom met de letter "N" zijn aangeduid" vervangen door de zinsnede "die in de indelingslijst in de vijfde kolom met de letter "N" zijn aangeduid";
3° in paragraaf 4, 5, 6, 8, 9, 10 en 11 wordt de zinsnede "de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen" telkens vervangen door de zinsnede "de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning".
1° in paragraaf 1 wordt de zinsnede "die in de indelingslijst als bijlage I bij titel I van het VLAREM is ingedeeld in de eerste klasse" vervangen door de zinsnede "die in de indelingslijst is ingedeeld in de eerste of tweede klasse en in de vijfde kolom van de indelingslijst is aangeduid met de letter A of B";
2° in paragraaf 2 wordt de zinsnede "die in de indelingslijst als bijlage I bij titel I van het VLAREM onder de 5de kolom met de letter "N" zijn aangeduid" vervangen door de zinsnede "die in de indelingslijst in de vijfde kolom met de letter "N" zijn aangeduid";
3° in paragraaf 4, 5, 6, 8, 9, 10 en 11 wordt de zinsnede "de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen" telkens vervangen door de zinsnede "de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning".
Art. 206. A l'article 4.1.9.1.1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 juin 1996 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 1er, le membre de phrase " classé dans la première classe de la liste de classification en annexe I du titre I du VLAREM " est remplacé par le membre de phrase " classé, dans la première ou deuxième classe de la liste de classification et désigné par la lettre A ou B dans la cinquième colonne de la liste de classification " ;
2° au paragraphe 2, le membre de phrase " désignés par la lettre " N " dans la cinquième colonne de la liste de classification en annexe I du titre I du VLAREM " est remplacé par le membre de phrase " désignés par la lettre " N " dans la cinquième colonne de la liste de classification " ;
3° aux paragraphes 4, 5, 6, 8, 9, 10 et 11, le membre de phrase " la division compétente pour les autorisations écologiques " est chaque fois remplacé par le membre de phrase " la division Environnement compétente pour le permis d'environnement ".
1° au paragraphe 1er, le membre de phrase " classé dans la première classe de la liste de classification en annexe I du titre I du VLAREM " est remplacé par le membre de phrase " classé, dans la première ou deuxième classe de la liste de classification et désigné par la lettre A ou B dans la cinquième colonne de la liste de classification " ;
2° au paragraphe 2, le membre de phrase " désignés par la lettre " N " dans la cinquième colonne de la liste de classification en annexe I du titre I du VLAREM " est remplacé par le membre de phrase " désignés par la lettre " N " dans la cinquième colonne de la liste de classification " ;
3° aux paragraphes 4, 5, 6, 8, 9, 10 et 11, le membre de phrase " la division compétente pour les autorisations écologiques " est chaque fois remplacé par le membre de phrase " la division Environnement compétente pour le permis d'environnement ".
Art. 207. In artikel 4.1.9.1.2. van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juni 1996 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, 19 september 2008 en 19 november 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 2, eerste lid, 1°, b), inleidende zin wordt de zinsnede "de inrichtingen die in de lijst van bijlage 1 bij titel I van het VLAREM onder de 5de kolom met de letter "A" zijn aangeduid" vervangen door de zinsnede "de inrichtingen die in de vijfde kolom van de indelingslijst met de letter "A" zijn aangeduid";
2° in paragraaf 2, eerste lid, 1°, c), inleidende zin, wordt de zinsnede "de inrichtingen die in de lijst van bijlage 1 bij titel I van het VLAREM onder de 5de kolom met de letter "B" zijn aangeduid" vervangen door de zinsnede "de inrichtingen die in vijfde kolom van de indelingslijst met de letter "B" zijn aangeduid";
3° [1 ...]1
4° in paragraaf 3, eerste lid, 1°, wordt de zinsnede "inrichtingen die in de lijst van bijlage 1 bij titel I van het VLAREM onder de vijfde kolom met de letter "A" zijn aangeduid" vervangen door de zinsnede "de inrichtingen die in de vijfde kolom van de indelingslijst met de letter "A" zijn aangeduid;
5° in paragraaf 3, eerste lid, 2°, wordt de zinsnede "inrichtingen die in de lijst van bijlage 1 bij titel I van het VLAREM onder de vijfde kolom met de letter "B" zijn aangeduid" vervangen door de zinsnede "de inrichtingen die in de vijfde kolom van de indelingslijst met de letter "B" zijn aangeduid";
6° [1 ...]1
1° in paragraaf 2, eerste lid, 1°, b), inleidende zin wordt de zinsnede "de inrichtingen die in de lijst van bijlage 1 bij titel I van het VLAREM onder de 5de kolom met de letter "A" zijn aangeduid" vervangen door de zinsnede "de inrichtingen die in de vijfde kolom van de indelingslijst met de letter "A" zijn aangeduid";
2° in paragraaf 2, eerste lid, 1°, c), inleidende zin, wordt de zinsnede "de inrichtingen die in de lijst van bijlage 1 bij titel I van het VLAREM onder de 5de kolom met de letter "B" zijn aangeduid" vervangen door de zinsnede "de inrichtingen die in vijfde kolom van de indelingslijst met de letter "B" zijn aangeduid";
3° [1 ...]1
4° in paragraaf 3, eerste lid, 1°, wordt de zinsnede "inrichtingen die in de lijst van bijlage 1 bij titel I van het VLAREM onder de vijfde kolom met de letter "A" zijn aangeduid" vervangen door de zinsnede "de inrichtingen die in de vijfde kolom van de indelingslijst met de letter "A" zijn aangeduid;
5° in paragraaf 3, eerste lid, 2°, wordt de zinsnede "inrichtingen die in de lijst van bijlage 1 bij titel I van het VLAREM onder de vijfde kolom met de letter "B" zijn aangeduid" vervangen door de zinsnede "de inrichtingen die in de vijfde kolom van de indelingslijst met de letter "B" zijn aangeduid";
6° [1 ...]1
Art. 207. A l'article 4.1.9.1.2. du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 juin 1996 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 19 janvier 1999, 19 septembre 2008 et 19 novembre 2010, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 2, alinéa 1er, point 1°, b), phrase introductive, le membre de phrase " établissements marqués de la lettre " A " dans la cinquième colonne de la liste de l'annexe 1 au titre I du VLAREM " est remplacé par le membre de phrase " établissements désignés par la lettre " A " dans la cinquième colonne de la liste de classification " ;
2° au paragraphe 2, alinéa 1er, point 1°, c), phrase introductive, le membre de phrase " établissements marqués de la lettre " B " dans la cinquième colonne de la liste de l'annexe 1re au titre I du VLAREM " est remplacé par le membre de phrase " établissements désignés par la lettre " B " dans la cinquième colonne de la liste de classification " ;
3° [1 ...]1
4° au paragraphe 3, alinéa 1er, point 1°, le membre de phrase " établissements marqués de la lettre " A " dans la cinquième colonne de la liste de l'annexe 1re au titre I du VLAREM " est remplacé par le membre de phrase " établissements désignés par la lettre " A " dans la cinquième colonne de la liste de classification " ;
5° au paragraphe 3, alinéa 1er, point 2°, le membre de phrase " établissements marqués de la lettre " B " dans la cinquième colonne de la liste de l'annexe 1re au titre I du VLAREM " est remplacé par le membre de phrase " établissements désignés par la lettre " B " dans la cinquième colonne de la liste de classification " ;
6° [1 ...]1.
1° au paragraphe 2, alinéa 1er, point 1°, b), phrase introductive, le membre de phrase " établissements marqués de la lettre " A " dans la cinquième colonne de la liste de l'annexe 1 au titre I du VLAREM " est remplacé par le membre de phrase " établissements désignés par la lettre " A " dans la cinquième colonne de la liste de classification " ;
2° au paragraphe 2, alinéa 1er, point 1°, c), phrase introductive, le membre de phrase " établissements marqués de la lettre " B " dans la cinquième colonne de la liste de l'annexe 1re au titre I du VLAREM " est remplacé par le membre de phrase " établissements désignés par la lettre " B " dans la cinquième colonne de la liste de classification " ;
3° [1 ...]1
4° au paragraphe 3, alinéa 1er, point 1°, le membre de phrase " établissements marqués de la lettre " A " dans la cinquième colonne de la liste de l'annexe 1re au titre I du VLAREM " est remplacé par le membre de phrase " établissements désignés par la lettre " A " dans la cinquième colonne de la liste de classification " ;
5° au paragraphe 3, alinéa 1er, point 2°, le membre de phrase " établissements marqués de la lettre " B " dans la cinquième colonne de la liste de l'annexe 1re au titre I du VLAREM " est remplacé par le membre de phrase " établissements désignés par la lettre " B " dans la cinquième colonne de la liste de classification " ;
6° [1 ...]1.
Art. 208. In artikel 4.1.9.1.3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juni 1996 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, 7 maart 2008, 19 september 2008, 23 december 2011 en 16 juni 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1, 2°, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
2° in paragraaf 3, derde lid, wordt de zinsnede "afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen" vervangen door de zinsnede "de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning".
1° in paragraaf 1, 2°, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
2° in paragraaf 3, derde lid, wordt de zinsnede "afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen" vervangen door de zinsnede "de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning".
Art. 208. A l'article 4.1.9.1.3 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 juin 1996 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 19 janvier 1999, 7 mars 2008, 19 septembre 2008, 23 décembre 2011 et 16 juin 2014, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 1er, point 2°, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
2° au paragraphe 3, alinéa 3, le membre de phrase " la division compétente pour les autorisations écologiques " est remplacé par le membre de phrase " la division Environnement compétente pour le permis d'environnement ".
1° au paragraphe 1er, point 2°, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
2° au paragraphe 3, alinéa 3, le membre de phrase " la division compétente pour les autorisations écologiques " est remplacé par le membre de phrase " la division Environnement compétente pour le permis d'environnement ".
Art. 209. In artikel 4.1.9.1.4 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juni 1996 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, 7 maart 2008 en 19 september 2008, wordt de zinsnede "afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen" telkens vervangen door de zinsnede "de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning" en worden de woorden "afdeling bevoegd voor milieuvergunningen" vervangen door de zinsnede "de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning".
Art. 209. A l'article 4.1.9.1.4 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 juin 1996 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 19 janvier 1999, 7 mars 2008 et 19 septembre 2008, le membre de phrase " la division compétente pour les autorisations écologiques " est chaque fois remplacé par le membre de phrase " la division Environnement compétente pour le permis d'environnement " et les mots " division compétente pour les autorisations écologiques " sont remplacés par le membre de phrase " la division Environnement compétente pour le permis d'environnement ".
Art. 210. In artikel 4.1.9.2.4 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juni 1996 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1, eerste lid, inleidende zin, wordt de zinsnede "decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid zoals aangevuld door het decreet van 19 april 1995" vervangen door het woord "decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid";
2° in paragraaf 1, eerste lid, 2°, wordt de zinsnede "de VR-plichtige inrichtingen, vermeld in rubriek 17.2.2 van de indelingslijst in bijlage 1 bij titel I van het VLAREM" vervangen door de zinsnede "vermeld in rubriek 17.2.2 van de indelingslijst";
3° in paragraaf 1, eerste lid, 3°, wordt de zinsnede "de inrichtingen die in de indelingslijst in bijlage 1 bij titel I van het VLAREM onder de 6de kolom met de letter "P" zijn aangeduid" vervangen door de zinsnede "de inrichtingen die in zesde kolom van de indelingslijst met de letter "P" zijn aangeduid";
4° in paragraaf 2, eerste lid, wordt de zinsnede "decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid zoals aangevuld door het decreet van 19 april 1995" vervangen door de zinsnede "decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid" en wordt de zinsnede "de inrichtingen die in de indelingslijst in bijlage 1 bij titel I van het VLAREM onder de 6de kolom met de letter "E" zijn aangeduid" vervangen door de zinsnede "de inrichtingen die in de zesde kolom van de indelingslijst met de letter "E" zijn aangeduid".
1° in paragraaf 1, eerste lid, inleidende zin, wordt de zinsnede "decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid zoals aangevuld door het decreet van 19 april 1995" vervangen door het woord "decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid";
2° in paragraaf 1, eerste lid, 2°, wordt de zinsnede "de VR-plichtige inrichtingen, vermeld in rubriek 17.2.2 van de indelingslijst in bijlage 1 bij titel I van het VLAREM" vervangen door de zinsnede "vermeld in rubriek 17.2.2 van de indelingslijst";
3° in paragraaf 1, eerste lid, 3°, wordt de zinsnede "de inrichtingen die in de indelingslijst in bijlage 1 bij titel I van het VLAREM onder de 6de kolom met de letter "P" zijn aangeduid" vervangen door de zinsnede "de inrichtingen die in zesde kolom van de indelingslijst met de letter "P" zijn aangeduid";
4° in paragraaf 2, eerste lid, wordt de zinsnede "decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid zoals aangevuld door het decreet van 19 april 1995" vervangen door de zinsnede "decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid" en wordt de zinsnede "de inrichtingen die in de indelingslijst in bijlage 1 bij titel I van het VLAREM onder de 6de kolom met de letter "E" zijn aangeduid" vervangen door de zinsnede "de inrichtingen die in de zesde kolom van de indelingslijst met de letter "E" zijn aangeduid".
Art. 210. A l'article 4.1.9.2.4 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 juin 1996 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 1er, alinéa 1er, phrase introductive, le membre de phrase " décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement tel que complété par le décret du 19 avril 1995 " est remplacé par le membre de phrase " décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement " ;
2° au paragraphe 1er, alinéa 1er, point 2°, le membre de phrase " les établissements soumis à une obligation de rapport de sécurité, mentionnés à la rubrique 17.2.2 de la liste de classification en annexe 1re au titre I du VLAREM " est remplacé par le membre de phrase " visés à la rubrique 17.2.2 de la liste de classification " ;
3° au paragraphe 1er, alinéa 1er, point 3°, le membre de phrase " les établissements marqués de la lettre " P " dans la sixième colonne de la liste de classification en annexe 1re au titre I du VLAREM " est remplacé par le membre de phrase " les établissements désignés par la lettre " P " dans la sixième colonne de la liste de classification " ;
4° au paragraphe 2, alinéa 1er, le membre de phrase " décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement tel que complété par le décret du 19 avril 1995 " est remplacé par le membre de phrase " décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement " et le membre de phrase " les établissements marqués de la lettre " E " dans la sixième colonne de la liste de classification en annexe 1re au titre I du VLAREM " est remplacé par le membre de phrase " les établissements désignés par la lettre " E " dans la sixième colonne de la liste de classification ".
1° au paragraphe 1er, alinéa 1er, phrase introductive, le membre de phrase " décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement tel que complété par le décret du 19 avril 1995 " est remplacé par le membre de phrase " décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement " ;
2° au paragraphe 1er, alinéa 1er, point 2°, le membre de phrase " les établissements soumis à une obligation de rapport de sécurité, mentionnés à la rubrique 17.2.2 de la liste de classification en annexe 1re au titre I du VLAREM " est remplacé par le membre de phrase " visés à la rubrique 17.2.2 de la liste de classification " ;
3° au paragraphe 1er, alinéa 1er, point 3°, le membre de phrase " les établissements marqués de la lettre " P " dans la sixième colonne de la liste de classification en annexe 1re au titre I du VLAREM " est remplacé par le membre de phrase " les établissements désignés par la lettre " P " dans la sixième colonne de la liste de classification " ;
4° au paragraphe 2, alinéa 1er, le membre de phrase " décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement tel que complété par le décret du 19 avril 1995 " est remplacé par le membre de phrase " décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement " et le membre de phrase " les établissements marqués de la lettre " E " dans la sixième colonne de la liste de classification en annexe 1re au titre I du VLAREM " est remplacé par le membre de phrase " les établissements désignés par la lettre " E " dans la sixième colonne de la liste de classification ".
Art. 211. In artikel 4.1.9.2.6, § 1, 1°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juni 1996 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008 en 7 juni 2013, wordt de zinsnede "afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen" vervangen door de zinsnede "de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning".
Art. 211. A l'article 4.1.9.2.6, § 1er, point 1°, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 juin 1996 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 7 mars 2008 et 7 juin 2013, le membre de phrase " division compétente pour les autorisations écologiques " est remplacé par le membre de phrase " la division Environnement compétente pour le permis d'environnement ".
Art. 212. In artikel 4.1.9.3.1, § 1, 3°, b), van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juni 1996, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 212. A l'article 4.1.9.3.1, § 1er, point 3°, b), du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 juin 1996, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 213. In artikel 4.2.1.2 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 213. A l'article 4.2.1.2 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 décembre 2011, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 214. In artikel 4.2.1.3 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, 9 mei 2008 en 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 3, en paragraaf 4, eerste lid, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
2° in paragraaf 5, eerste lid, wordt het woord "milieuvergunningsvoorwaarden" vervangen door de woorden "bijzondere milieuvoorwaarden in de omgevingsvergunning".
1° in paragraaf 3, en paragraaf 4, eerste lid, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
2° in paragraaf 5, eerste lid, wordt het woord "milieuvergunningsvoorwaarden" vervangen door de woorden "bijzondere milieuvoorwaarden in de omgevingsvergunning".
Art. 214. A l'article 4.2.1.3 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 19 janvier 1999, 9 mai 2008 et 16 mai 2014, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 3 et au paragraphe 4, alinéa 1er, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
2° au paragraphe 5, alinéa 1er, les mots " conditions d'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " conditions environnementales particulières dans le permis d'environnement ".
1° au paragraphe 3 et au paragraphe 4, alinéa 1er, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
2° au paragraphe 5, alinéa 1er, les mots " conditions d'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " conditions environnementales particulières dans le permis d'environnement ".
Art. 215. In artikel 4.2.2.1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, 12 mei 2006, 21 mei 2010 en 16 juni 2014, wordt de zinsnede "van titel II van het Vlarem" opgeheven".
Art. 215. A l'article 4.2.2.1 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 19 janvier 1999, 12 mai 2006, 21 mai 2010 et 16 juin 2014, le membre de phrase " du titre II du Vlarem " est abrogé.
Art. 216. In artikel 4.2.3.1, eerste lid, 3°, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 mei 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de zinsnede "van titel II van het Vlarem" wordt opgeheven;
2° het woord "milieuvergunning" wordt telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
1° de zinsnede "van titel II van het Vlarem" wordt opgeheven;
2° het woord "milieuvergunning" wordt telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 216. A l'article 4.2.3.1, alinéa 1er, point 3°, du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 mai 2010, les modifications suivantes sont apportées :
1° le membre de phrase " du titre II du Vlarem " est abrogé ;
2° les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
1° le membre de phrase " du titre II du Vlarem " est abrogé ;
2° les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 217. In artikel 4.2.4.1, § 3, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 september 2008 en 16 mei 2014, worden de woorden "afdeling bevoegd voor milieuvergunningen" vervangen door de zinsnede "afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning".
Art. 217. A l'article 4.2.4.1, § 3, du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 19 septembre 2008 et 16 mai 2014, les mots " division compétente pour les autorisations écologiques " sont remplacés par le membre de phrase " division Environnement compétente pour le permis d'environnement ".
Art. 218. In artikel 4.2.5.1.1, § 1, tweede lid, § 2 en § 3, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 218. A l'article 4.2.5.1.1, § 1er, alinéa 2, § 2 et § 3, du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 219. In artikel 4.2.5.1.2, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 219. A l'article 4.2.5.1.2, alinéa 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 décembre 2011, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 220. In artikel 4.2.5.2.1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 2 wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
2° in paragraaf 4 wordt de zinsnede "afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen" vervangen door de zinsnede "afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning".
1° in paragraaf 2 wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
2° in paragraaf 4 wordt de zinsnede "afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen" vervangen door de zinsnede "afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning".
Art. 220. A l'article 4.2.5.2.1 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 2, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
2° au paragraphe 4, le membre de phrase " division compétente pour les autorisations écologiques " est remplacé par le membre de phrase " division Environnement compétente pour le permis d'environnement ".
1° au paragraphe 2, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
2° au paragraphe 4, le membre de phrase " division compétente pour les autorisations écologiques " est remplacé par le membre de phrase " division Environnement compétente pour le permis d'environnement ".
Art. 221. In artikel 4.2.5.3.1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 2 wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
2° in paragraaf 4 wordt de zinsnede "afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen" vervangen door de zinsnede "afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning".
1° in paragraaf 2 wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
2° in paragraaf 4 wordt de zinsnede "afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen" vervangen door de zinsnede "afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning".
Art. 221. A l'article 4.2.5.3.1 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 2, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
2° au paragraphe 4, le membre de phrase " division compétente pour les autorisations écologiques " est remplacé par le membre de phrase " division Environnement compétente pour le permis d'environnement ".
1° au paragraphe 2, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
2° au paragraphe 4, le membre de phrase " division compétente pour les autorisations écologiques " est remplacé par le membre de phrase " division Environnement compétente pour le permis d'environnement ".
Art. 222. In artikel 4.2.5.4.1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, 20 november 2009 en 23 december 2011, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 222. A l'article 4.2.5.4.1 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 19 janvier 1999, 20 novembre 2009 et 23 décembre 2011, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 223. In artikel 4.2.8.1.1, § 3, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 november 2009, worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art. 223. A l'article 4.2.8.1.1, § 3, alinéa 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 novembre 2009, les mots " une autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement pour des actes urbanistiques ".
Art. 224. In artikel 4.3.2.1 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 november 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in de inleidende zin en punt 4° wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
2° in punt 5° wordt de zinsnede "van titel I van het VLAREM" opgeheven.
1° in de inleidende zin en punt 4° wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
2° in punt 5° wordt de zinsnede "van titel I van het VLAREM" opgeheven.
Art. 224. A l'article 4.3.2.1 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 novembre 2009, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans la phrase introductive et au point 4°, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
2° au point 5°, le membre de phrase " du titre I du VLAREM " est abrogé.
1° dans la phrase introductive et au point 4°, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
2° au point 5°, le membre de phrase " du titre I du VLAREM " est abrogé.
Art. 225. In artikel 4.3.2.2, § 2, tweede lid, en § 3, eerste lid, van hetzelfde besluit, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 225. A l'article 4.3.2.2, § 2, alinéa 2, et § 3, alinéa 1er, du même arrêté, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 226. In artikel 4.3.2.3, § 1, 1°, d) en 2°, van hetzelfde besluit wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 226. A l'article 4.3.2.3, § 1er, point 1°, d) et point 2°, du même arrêté, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 227. In artikel 4.3.3.1, inleidende zin, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 november 2009 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 227. A l'article 4.3.3.1, phrase introductive, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 novembre 2009 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 décembre 2011, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 228. In artikel 4.4.2.2, § 1, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het tweede lid wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
2° in het vijfde lid wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
1° in het tweede lid wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
2° in het vijfde lid wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 228. A l'article 4.4.2.2, § 1er, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les modifications suivantes sont apportées :
1° à l'alinéa 2, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
2° à l'alinéa 5, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
1° à l'alinéa 2, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
2° à l'alinéa 5, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 229. In artikel 4.4.2.3, § 1, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 229. A l'article 4.4.2.3, § 1er, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 230. In artikel 4.4.3.1, § 2, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 230. A l'article 4.4.3.1, § 2, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 231. In artikel 4.4.3.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 231. A l'article 4.4.3.2 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 232. In artikel 4.4.3.3, § 2, vierde lid, en § 3, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 232. A l'article 4.4.3.3, § 2, alinéa 4, et § 3, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 233. In artikel 4.4.4.1, § 2, tweede lid en § 3, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 233. A l'article 4.4.4.1, § 2, alinéa 2, et § 3, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 234. In artikel 4.4.4.2 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 2, eerste lid, 5°, wordt de zinsnede "afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen" vervangen door de zinsnede "afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning";
2° in paragraaf 2, derde lid, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
3° in paragraaf 4, eerste en derde lid, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
4° in paragraaf 6 wordt de zinsnede "afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen" vervangen door de zinsnede "afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning".
1° in paragraaf 2, eerste lid, 5°, wordt de zinsnede "afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen" vervangen door de zinsnede "afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning";
2° in paragraaf 2, derde lid, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
3° in paragraaf 4, eerste en derde lid, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
4° in paragraaf 6 wordt de zinsnede "afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen" vervangen door de zinsnede "afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning".
Art. 234. A l'article 4.4.4.2 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 2, alinéa 1er, point 5°, le membre de phrase " division compétente pour les autorisations écologiques " est remplacé par le membre de phrase " division Environnement compétente pour le permis d'environnement " ;
2° au paragraphe 2, alinéa 3, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
3° au paragraphe 4, alinéas 1er et 3, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
4° au paragraphe 6, le membre de phrase " division compétente pour les autorisations écologiques " est remplacé par le membre de phrase " division Environnement compétente pour le permis d'environnement ".
1° au paragraphe 2, alinéa 1er, point 5°, le membre de phrase " division compétente pour les autorisations écologiques " est remplacé par le membre de phrase " division Environnement compétente pour le permis d'environnement " ;
2° au paragraphe 2, alinéa 3, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
3° au paragraphe 4, alinéas 1er et 3, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
4° au paragraphe 6, le membre de phrase " division compétente pour les autorisations écologiques " est remplacé par le membre de phrase " division Environnement compétente pour le permis d'environnement ".
Art. 235. In artikel 4.4.4.4, § 1, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 235. A l'article 4.4.4.4, § 1er, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 236. In artikel 4.4.4.5 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in de inleidende zin wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
2° in punt 1° wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
3° in punt 2° wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
1° in de inleidende zin wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
2° in punt 1° wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
3° in punt 2° wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 236. A l'article 4.4.4.5 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans la phrase introductive, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
2° au point 1°, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
3° au point 2°, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
1° dans la phrase introductive, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
2° au point 1°, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
3° au point 2°, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 237. In artikel 4.4.7.2.3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 januari 2013 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 237. A l'article 4.4.7.2.3 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 janvier 2013 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 238. In artikel 4.4.7.2.10 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 januari 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° [2 ...]2
2° in paragraaf 1, tweede lid wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit" en wordt de zinsnede "de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen" vervangen door de zinsnede "de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning";
3° in paragraaf 2 wordt de zinsnede "vermeld in punt "F15" van bijlage 4.B van titel I van het Vlarem" vervangen door de zinsnede "als vermeld in addendum E4, 10, van de addenda-bibliotheek die is opgenomen in bijlage 2 van het besluit van de Vlaamse Regering [1 van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning]1".
1° [2 ...]2
2° in paragraaf 1, tweede lid wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit" en wordt de zinsnede "de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen" vervangen door de zinsnede "de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning";
3° in paragraaf 2 wordt de zinsnede "vermeld in punt "F15" van bijlage 4.B van titel I van het Vlarem" vervangen door de zinsnede "als vermeld in addendum E4, 10, van de addenda-bibliotheek die is opgenomen in bijlage 2 van het besluit van de Vlaamse Regering [1 van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning]1".
Art. 238. A l'article 4.4.7.2.10 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 janvier 2013, les modifications suivantes sont apportées :
1° [2 ...]2
2° au paragraphe 1er, alinéa 2, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " et le membre de phrase " division compétente pour les autorisations écologiques " est remplacé par le membre de phrase " division Environnement compétente pour le permis d'environnement " ;
3° au paragraphe 2, le membre de phrase " tel que visé au point " F15 " de l'annexe 4B du Titre Ier du Vlarem " est remplacé par le membre de phrase " tel que visé à l'avenant E4, 10, de la bibliothèque d'avenants reprise à l'annexe 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand [1 du 27 novembre 2015 portant exécution du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement]1 ".
1° [2 ...]2
2° au paragraphe 1er, alinéa 2, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " et le membre de phrase " division compétente pour les autorisations écologiques " est remplacé par le membre de phrase " division Environnement compétente pour le permis d'environnement " ;
3° au paragraphe 2, le membre de phrase " tel que visé au point " F15 " de l'annexe 4B du Titre Ier du Vlarem " est remplacé par le membre de phrase " tel que visé à l'avenant E4, 10, de la bibliothèque d'avenants reprise à l'annexe 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand [1 du 27 novembre 2015 portant exécution du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement]1 ".
Art. 239. In artikel 4.5.4.1 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008 en 7 juni 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 3 wordt de zinsnede "de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen" telkens vervangen door de zinsnede "de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning";
2° in paragraaf 4, derde lid, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
1° in paragraaf 3 wordt de zinsnede "de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen" telkens vervangen door de zinsnede "de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning";
2° in paragraaf 4, derde lid, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 239. A l'article 4.5.4.1 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 7 mars 2008 et 7 juin 2013, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 3, le membre de phrase " la division compétente pour les autorisations écologiques " est chaque fois remplacé par le membre de phrase " la division Environnement compétente pour le permis d'environnement " ;
2° au paragraphe 4, alinéa 3, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
1° au paragraphe 3, le membre de phrase " la division compétente pour les autorisations écologiques " est chaque fois remplacé par le membre de phrase " la division Environnement compétente pour le permis d'environnement " ;
2° au paragraphe 4, alinéa 3, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 240. In artikel 4.5.6.1, § 4, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het woord "milieuvergunning" wordt vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
2° de zinsnede "de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen" wordt telkens vervangen door de zinsnede "de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning".
1° het woord "milieuvergunning" wordt vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
2° de zinsnede "de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen" wordt telkens vervangen door de zinsnede "de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning".
Art. 240. A l'article 4.5.6.1, § 4, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 mars 2008, les modifications suivantes sont apportées :
1° les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
2° le membre de phrase " la division compétente pour les autorisations écologiques " est chaque fois remplacé par le membre de phrase " la division Environnement compétente pour le permis d'environnement ".
1° les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
2° le membre de phrase " la division compétente pour les autorisations écologiques " est chaque fois remplacé par le membre de phrase " la division Environnement compétente pour le permis d'environnement ".
Art. 241. In artikel 4.9.1.3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004, wordt de zinsnede ",vermeld in artikel 5, § 8, van titel I van het VLAREM" vervangen door de zinsnede "die bij de vergunningsaanvraag wordt gevoegd met toepassing van addendum C6, 10 en 11, van het aanvraagformulier vastgesteld in bijlage 1 bij het besluit van de Vlaamse Regering [1 van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning]1".
Art. 241. A l'article 4.9.1.3 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 mai 2004, le membre de phrase " ,visé à l'article 5, § 8, du titre I du VLAREM " est remplacé par le membre de phrase " joint à la demande de permis en application de l'avenant C6, 10 et 11 du formulaire de demande établi en annexe 1 à l'arrêté du Gouvernement flamand [1 du 27 novembre 2015 portant exécution du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement]1 ".
Art. 242. Aan artikel 4.10.1.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2005 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in punt 3° wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
2° er wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
"Als de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een BKG-installatie, kan de vergunning alleen worden verleend als de vergunningverlenende overheid ervan overtuigd is dat de exploitant in staat is de emissies van de broeikasgasemissies die relevant zijn voor de inrichting, te bewaken en erover te rapporteren. Dat betekent dat de exploitant in het bezit moet zijn van een monitoringplan, geverifieerd door het verificatiebureau en goedgekeurd door de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging.".
1° in punt 3° wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
2° er wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
"Als de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een BKG-installatie, kan de vergunning alleen worden verleend als de vergunningverlenende overheid ervan overtuigd is dat de exploitant in staat is de emissies van de broeikasgasemissies die relevant zijn voor de inrichting, te bewaken en erover te rapporteren. Dat betekent dat de exploitant in het bezit moet zijn van een monitoringplan, geverifieerd door het verificatiebureau en goedgekeurd door de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging.".
Art. 242. A l'article 4.10.1.1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 2005 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, les modifications suivantes sont apportées :
1° au point 3°, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
2° il est ajouté un alinéa 2 libellé comme suit :
" Lorsque la demande d'un permis d'environnement porte sur une installation GES, le permis ne peut être accordé que si l'autorité délivrant le permis est convaincue que l'exploitant est en mesure de surveiller et de déclarer les émissions de gaz à effet de serre pertinents pour l'établissement. Cela signifie que l'exploitant doit être en possession d'un plan de surveillance, vérifié par le bureau de vérification et approuvé par la division compétente pour la pollution de l'air. ".
1° au point 3°, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
2° il est ajouté un alinéa 2 libellé comme suit :
" Lorsque la demande d'un permis d'environnement porte sur une installation GES, le permis ne peut être accordé que si l'autorité délivrant le permis est convaincue que l'exploitant est en mesure de surveiller et de déclarer les émissions de gaz à effet de serre pertinents pour l'établissement. Cela signifie que l'exploitant doit être en possession d'un plan de surveillance, vérifié par le bureau de vérification et approuvé par la division compétente pour la pollution de l'air. ".
Art. 243. In artikel 4.10.1.2, § 3, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2005 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 243. A l'article 4.10.1.2, § 3, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 2005 et remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 244. In artikel 4.10.1.4 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2005 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° [1 ...]1
2° in paragraaf 2, tweede lid, wordt de zinsnede "aan de milieuvergunning, voegt de afdeling bevoegd voor luchtverontreiniging overeenkomstig artikel 45 van titel I van het VLAREM het actuele monitoringplan bij de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "bezorgt de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging, het monitoringplan aan de bevoegde overheid die het bij de omgevingsvergunning voegt";
3° in paragraaf 3 wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit".
1° [1 ...]1
2° in paragraaf 2, tweede lid, wordt de zinsnede "aan de milieuvergunning, voegt de afdeling bevoegd voor luchtverontreiniging overeenkomstig artikel 45 van titel I van het VLAREM het actuele monitoringplan bij de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "bezorgt de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging, het monitoringplan aan de bevoegde overheid die het bij de omgevingsvergunning voegt";
3° in paragraaf 3 wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 244. A l'article 4.10.1.4 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 2005 et remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, les modifications suivantes sont apportées :
1° [1 ...]1
2° au paragraphe 2, alinéa 2, le membre de phrase " la division compétente pour la pollution atmosphérique joint, conformément à l'article 45 du titre I du VLAREM, le plan de monitoring actuel à l'autorisation écologique " est remplacé par le membre de phrase " la division compétente pour la pollution de l'air transmet le plan de surveillance à l'autorité compétente qui le joint au permis d'environnement " ;
3° au paragraphe 3, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation d'un établissement classé ou d'une activité classée ".
1° [1 ...]1
2° au paragraphe 2, alinéa 2, le membre de phrase " la division compétente pour la pollution atmosphérique joint, conformément à l'article 45 du titre I du VLAREM, le plan de monitoring actuel à l'autorisation écologique " est remplacé par le membre de phrase " la division compétente pour la pollution de l'air transmet le plan de surveillance à l'autorité compétente qui le joint au permis d'environnement " ;
3° au paragraphe 3, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation d'un établissement classé ou d'une activité classée ".
Art. 245. In artikel 4.10.1.5, § 4, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2005 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 245. A l'article 4.10.1.5, § 4, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 2005 et remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 246. In artikel 5.2.1.2 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001, 5 december 2003 en 7 juni 2013, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 246. A l'article 5.2.1.2 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 13 juillet 2001, 5 décembre 2003 et 7 juin 2013, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 247. In artikel 5.2.1.5 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 247. A l'article 5.2.1.5 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2003, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 248. In artikel 5.2.1.6, § 4, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 248. A l'article 5.2.1.6, § 4, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 juillet 2001, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 250. In artikel 5.2.1.7, § 1 en § 4, van hetzelfde besluit wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 250. A l'article 5.2.1.7, § 1er et § 4, du même arrêté, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 251. In artikel 5.2.1.8 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008, 13 juli 2001 en 7 juni 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1 wordt het woord "milieuvergunningsvoorwaarden" vervangen door het woord "milieuvoorwaarden";
2° in paragraaf 3 wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
1° in paragraaf 1 wordt het woord "milieuvergunningsvoorwaarden" vervangen door het woord "milieuvoorwaarden";
2° in paragraaf 3 wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 251. A l'article 5.2.1.8 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 7 mars 2008, 13 juillet 2001 et 7 juin 2013, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 1er, les mots " conditions d'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " conditions environnementales " ;
2° au paragraphe 3, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
1° au paragraphe 1er, les mots " conditions d'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " conditions environnementales " ;
2° au paragraphe 3, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 252. In artikel 5.2.1.9, § 4, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 252. A l'article 5.2.1.9, § 4, du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 253. In artikel 5.2.2.1.1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, 28 november 2003 en 12 mei 2006, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 253. A l'article 5.2.2.1.1 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 19 janvier 1999, 28 novembre 2003 et 12 mai 2006, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 254. In artikel 5.2.2.1.3, § 2, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 november 2003, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 254. A l'article 5.2.2.1.3, § 2, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 novembre 2003, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 255. In artikel 5.2.2.2.1, § 1bis, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 november 2003, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 255. A l'article 5.2.2.2.1, § 1erbis, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 novembre 2003, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 256. In artikel 5.2.2.3.7, 2° en 3°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 256. A l'article 5.2.2.3.7, points 2° et 3°, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 257. In artikel 5.2.2.3.8 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 257. A l'article 5.2.2.3.8 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 258. In artikel 5.2.2.3.9 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 april 2009, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 258. A l'article 5.2.2.3.9 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 avril 2009, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 259. In artikel 5.2.2.4.1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2006, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 259. A l'article 5.2.2.4.1 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 mai 2006, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 260. In artikel 5.2.2.4.2, § 4, van hetzelfde besluit wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 260. A l'article 5.2.2.4.2, § 4, du même arrêté, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 261. In artikel 5.2.2.5.1 van hetzelfde besluit wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 261. A l'article 5.2.2.5.1 du même arrêté, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 262. In artikel 5.2.2.5.2, § 3 en § 4, van hetzelfde besluit wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 262. A l'article 5.2.2.5.2, § 3 et § 4, du même arrêté, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 263. In artikel 5.2.2.6.2 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 5 december 2003 en 9 februari 2007, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 263. A l'article 5.2.2.6.2 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 5 décembre 2003 et 9 février 2007, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 264. In artikel 5.2.2.6.3 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2003 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 september 2008 en 19 juni 2009, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 264. A l'article 5.2.2.6.3 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 décembre 2003 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 19 septembre 2008 et 19 juin 2009, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 265. In artikel 5.2.2.7.1 van hetzelfde besluit wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 265. A l'article 5.2.2.7.1 du même arrêté, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 266. In artikel 5.2.2.7.2 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 28 november 2003 en 19 juni 2009, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 266. A l'article 5.2.2.7.2 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 28 novembre 2003 et 19 juin 2009, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 267. In artikel 5.2.2.8.1, § 1 en § 2, van hetzelfde besluit wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 267. A l'article 5.2.2.8.1, § 1er et § 2, du même arrêté, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 268. In artikel 5.2.2.9.2, § 1, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1 wordt de zin "Onder recipiënten worden zowel vaten, tanks, tankwagens, spoorwegwagons, bulkwagens als schepen bedoeld." vervangen door de zin "Recipiënten zijn verpakkingen, containers, laadkisten voor vervoer, vaten, tanks, tankwagens, bulkwagens, spoorwagons en scheepsruimen, exclusief kratten en rolcontainers voor niet-gevaarlijke afvalstoffen, huisvuilwagens en veegmachines.";
2° in paragraaf 1, 2 en 3 wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
1° in paragraaf 1 wordt de zin "Onder recipiënten worden zowel vaten, tanks, tankwagens, spoorwegwagons, bulkwagens als schepen bedoeld." vervangen door de zin "Recipiënten zijn verpakkingen, containers, laadkisten voor vervoer, vaten, tanks, tankwagens, bulkwagens, spoorwagons en scheepsruimen, exclusief kratten en rolcontainers voor niet-gevaarlijke afvalstoffen, huisvuilwagens en veegmachines.";
2° in paragraaf 1, 2 en 3 wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 268. A l'article 5.2.2.9.2, § 1er, du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 1er, la phrase " Par récipients, on entend tant les fûts, cuves, camions-citernes, wagons de chemin de fer, bennes pour produits en vrac que les bateaux " est remplacée par la phrase " Les récipients sont les emballages, conteneurs, caisses pour le transport, fûts, cuves, camions-citernes, bennes pour produits en vrac, wagons de chemin de fer et cales, à l'exclusion des caisses et conteneurs roulants pour déchets non dangereux, des camions à ordures ménagères et des balayeuses. " ;
2° aux paragraphes 1er, 2 et 3, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
1° au paragraphe 1er, la phrase " Par récipients, on entend tant les fûts, cuves, camions-citernes, wagons de chemin de fer, bennes pour produits en vrac que les bateaux " est remplacée par la phrase " Les récipients sont les emballages, conteneurs, caisses pour le transport, fûts, cuves, camions-citernes, bennes pour produits en vrac, wagons de chemin de fer et cales, à l'exclusion des caisses et conteneurs roulants pour déchets non dangereux, des camions à ordures ménagères et des balayeuses. " ;
2° aux paragraphes 1er, 2 et 3, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 269. In artikel 5.2.2.10.2, § 1, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 269. A l'article 5.2.2.10.2, § 1er, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 270. In deel 5, hoofdstuk 5.2, afdeling 5.2.2 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 oktober 2014, wordt het opschrift van subafdeling 5.2.2.13 vervangen door wat volgt :
"Subafdeling 5.2.2.13. Inrichtingen voor het opslaan en behandelen met vochtige hitte en mechanische verkleining van infectieuze afvalstoffen met uitzondering van dierlijke bijproducten".
"Subafdeling 5.2.2.13. Inrichtingen voor het opslaan en behandelen met vochtige hitte en mechanische verkleining van infectieuze afvalstoffen met uitzondering van dierlijke bijproducten".
Art. 270. Dans la partie 5, chapitre 5.2, section 5.2.2, du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 octobre 2014, l'intitulé de la sous-section 5.2.2.13 est remplacé par ce qui suit :
" Sous-section 5.2.2.13. Etablissements pour le stockage et le traitement au moyen de chaleur humide et réduction mécanique de déchets infectieux, à l'exception des sous-produits animaux ".
" Sous-section 5.2.2.13. Etablissements pour le stockage et le traitement au moyen de chaleur humide et réduction mécanique de déchets infectieux, à l'exception des sous-produits animaux ".
Art. 271. In artikel 5.2.2.13.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 november 2013, wordt het tweede lid vervangen door wat volgt :
"In de inrichtingen, vermeld in het eerste lid, mogen uitsluitend de volgende afvalstoffen worden verwerkt :
1° infectieuze afvalstoffen die in aanmerking komen voor decontaminatie als vermeld in artikel 1.2.1, § 2, 74° /1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen;
2° infectieuze afvalstoffen afkomstig van GGO's en pathogene organismen van inrichtingen die ingedeeld zijn onder de rubriek 51 van de indelingslijst, behalve wanneer ze behoren tot inperkingsniveau 3 of 4. Decontaminatie sluit de mogelijkheden waarin voorzien is voor ingeperkt gebruik niet uit.".
"In de inrichtingen, vermeld in het eerste lid, mogen uitsluitend de volgende afvalstoffen worden verwerkt :
1° infectieuze afvalstoffen die in aanmerking komen voor decontaminatie als vermeld in artikel 1.2.1, § 2, 74° /1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen;
2° infectieuze afvalstoffen afkomstig van GGO's en pathogene organismen van inrichtingen die ingedeeld zijn onder de rubriek 51 van de indelingslijst, behalve wanneer ze behoren tot inperkingsniveau 3 of 4. Decontaminatie sluit de mogelijkheden waarin voorzien is voor ingeperkt gebruik niet uit.".
Art. 271. A l'article 5.2.2.13.1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 novembre 2013, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
" Dans les établissements visés à l'alinéa 1er, seuls les déchets suivants peuvent être transformés :
1° les déchets infectieux qui sont éligibles à la décontamination telle que visée à l'article 1.2.1, § 2, point 74° /1, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 février 2012 fixant le règlement flamand relatif à la gestion durable de cycles de matériaux et de déchets ;
2° les déchets infectieux provenant d'OGM et d'organismes pathogènes d'établissements classés sous la rubrique 51 de la liste de classification, sauf lorsqu'ils appartiennent au niveau de confinement 3 ou 4. La décontamination n'exclut pas les possibilités prévues d'une utilisation confinée. ".
" Dans les établissements visés à l'alinéa 1er, seuls les déchets suivants peuvent être transformés :
1° les déchets infectieux qui sont éligibles à la décontamination telle que visée à l'article 1.2.1, § 2, point 74° /1, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 février 2012 fixant le règlement flamand relatif à la gestion durable de cycles de matériaux et de déchets ;
2° les déchets infectieux provenant d'OGM et d'organismes pathogènes d'établissements classés sous la rubrique 51 de la liste de classification, sauf lorsqu'ils appartiennent au niveau de confinement 3 ou 4. La décontamination n'exclut pas les possibilités prévues d'une utilisation confinée. ".
Art. 272. In artikel 5.2.3bis.1.3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 272. A l'article 5.2.3bis.1.3 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2003 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 273. In artikel 5.2.3bis.1.6 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 273. A l'article 5.2.3bis.1.6 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2003 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 274. In artikel 5.2.3bis.1.8, § 1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 274. A l'article 5.2.3bis.1.8, § 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2003 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 275. In artikel 5.2.3bis.1.9, § 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 275. A l'article 5.2.3bis.1.9, § 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2003 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 276. In artikel 5.2.3bis.1.11, § 6, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013 en 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 276. A l'article 5.2.3bis.1.11, § 6, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2003 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 7 juin 2013 et 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 277. In artikel 5.2.3bis.1.12, § 2, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 277. A l'article 5.2.3bis.1.12, § 2, alinéa 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 278. In artikel 5.2.3bis.1.13, § 3, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 278. A l'article 5.2.3bis.1.13, § 3, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2003 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 279. In artikel 5.2.3bis.1.14, § 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 279. A l'article 5.2.3bis.1.14, § 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2003 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 280. In artikel 5.2.3bis.1.15 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 280. A l'article 5.2.3bis.1.15 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2003 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 281. In artikel 5.2.3bis.1.16, § 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013 en 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 281. A l'article 5.2.3bis.1.16, § 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2003 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 7 juin 2013 et 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 282. In artikel 5.2.3bis.1.19, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013 en 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 282. A l'article 5.2.3bis.1.19, alinéa 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2003 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 7 juin 2013 et 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 283. In artikel 5.2.3bis.1.20, § 1, derde lid, en § 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2013 en gewijzigd bij besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 283. A l'article 5.2.3bis.1.20, § 1er, alinéa 3, et § 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2013 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 284. In artikel 5.2.3bis.1.23, § 5, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 284. A l'article 5.2.3bis.1.23, § 5, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2003, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 285. In artikel 5.2.3bis.1.26 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 12 december 2003, 12 mei 2006 en 7 juni 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 7, 8 en 9 wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
2° in paragraaf 7, 8 en 9 wordt het woord "milieuvergunningsaanvraag" vervangen door de woorden "aanvraag van een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
1° in paragraaf 7, 8 en 9 wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
2° in paragraaf 7, 8 en 9 wordt het woord "milieuvergunningsaanvraag" vervangen door de woorden "aanvraag van een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 285. A l'article 5.2.3bis.1.26 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 12 décembre 2003, 12 mai 2006 et 7 juin 2013, les modifications suivantes sont apportées :
1° aux paragraphes 7, 8 et 9, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
2° aux paragraphes 7, 8 et 9, les mots " demande d'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " demande d'un permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
1° aux paragraphes 7, 8 et 9, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
2° aux paragraphes 7, 8 et 9, les mots " demande d'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " demande d'un permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 286. In artikel 5.2.3bis.1.36, § 3, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 286. A l'article 5.2.3bis.1.36, § 3, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2003, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 287. In artikel 5.2.3bis.2.3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 287. A l'article 5.2.3bis.2.3, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2003, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 288. In artikel 5.2.3bis.3.6, § 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 288. A l'article 5.2.3bis.3.6, § 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2003 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 289. In artikel 5.2.3bis.4.3 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 289. A l'article 5.2.3bis.4.3 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 290. In artikel 5.2.3bis.4.7, § 4, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 290. A l'article 5.2.3bis.4.7, § 4, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2003 et remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 291. In artikel 5.2.3bis.4.10, § 3, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 291. A l'article 5.2.3bis.4.10, § 3, alinéa 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 292. In artikel 5.2.4.1.2 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2006 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 17 februari 2012, 7 juni 2013 en 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 292. A l'article 5.2.4.1.2 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 mai 2006 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 17 février 2012, 7 juin 2013 et 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 293. In artikel 5.2.4.1.7, § 2 en § 4, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2006, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 293. A l'article 5.2.4.1.7, § 2 et § 4, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 mai 2006, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 294. In artikel 5.2.4.1.8 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2006 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, 17 februari 2012, 16 mei 2014 en 23 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 294. A l'article 5.2.4.1.8 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 mai 2006 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 23 décembre 2011, 17 février 2012, 16 mai 2014 et 23 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 295. In artikel 5.2.4.1.9 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2006 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 en 23 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 295. A l'article 5.2.4.1.9 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 mai 2006 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 16 mai 2014 et 23 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 296. In artikel 5.2.4.1.10 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2006 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, 17 februari 2012, 16 mei 2014 en 23 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 296. A l'article 5.2.4.1.10 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 mai 2006 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 23 décembre 2011, 17 février 2012, 16 mai 2014 et 23 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 297. In artikel 5.2.4.3.3, § 1, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001 en gewijzigd bij de besluiten van 12 mei 2006 en 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 297. A l'article 5.2.4.3.3, § 1er, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 juillet 2001 et modifié par les arrêtés des 12 mai 2006 et 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 298. In artikel 5.2.4.4.1, § 1 tot en met § 3, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 298. A l'article 5.2.4.4.1, § § 1er à 3 inclus, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 juillet 2001, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 299. In artikel 5.2.4.4.2 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 299. A l'article 5.2.4.4.2 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 juillet 2001, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 300. In artikel 5.2.4.4.5 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 300. A l'article 5.2.4.4.5 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 juillet 2001 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 301. In artikel 5.2.4.4.6, § 3, tweede lid, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 28 november 2003, 7 maart 2008 en 16 mei 2014, wordt de zinsnede "afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen" vervangen door de zinsnede "afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning".
Art. 301. A l'article 5.2.4.4.6, § 3, alinéa 2, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 juillet 2001 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 28 novembre 2003, 7 mars 2008 et 16 mai 2014, le membre de phrase " division compétente pour les autorisations écologiques " est remplacé par le membre de phrase " division Environnement compétente pour le permis d'environnement ".
Art. 302. In artikel 5.2.4.5.1, § 2, 4, en § 4 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 302. A l'article 5.2.4.5.1, § 2, 4, et § 4, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 juillet 2001, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 303. In artikel 5.2.4.5.2, § 5 en § 6, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 303. A l'article 5.2.4.5.2, § 5 et § 6, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 juillet 2001, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 304. In artikel 5.2.4.5.3, § 3, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 304. A l'article 5.2.4.5.3, § 3, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 juillet 2001, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 305. In artikel 5.2.4.6.5 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 305. A l'article 5.2.4.6.5 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 juillet 2001 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 mars 2008, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 306. In artikel 5.2.4.7.1, § 9, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 306. A l'article 5.2.4.7.1, § 9 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 juillet 2001 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 mars 2008, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 307. In artikel 5.2.5.1.1 van hetzelfde besluit, hersteld bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 307. A l'article 5.2.5.1.1 du même arrêté, rétabli par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 308. In artikel 5.2.5.3.2 van hetzelfde besluit, hersteld bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 308. A l'article 5.2.5.3.2 du même arrêté, rétabli par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 309. In artikel 5.2.5.3.3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 309. A l'article 5.2.5.3.3 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 310. In artikel 5.2.5.5.1 van hetzelfde besluit, hersteld bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 310. A l'article 5.2.5.5.1 du même arrêté, rétabli par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 311. In artikel 5.2.5.5.2 van hetzelfde besluit, hersteld bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 311. A l'article 5.2.5.5.2 du même arrêté, rétabli par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 312. In artikel 5.2.5.5.3 van hetzelfde besluit, hersteld bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 312. A l'article 5.2.5.5.3 du même arrêté, rétabli par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 313. In artikel 5.2.5.5.4 van hetzelfde besluit, hersteld bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 313. A l'article 5.2.5.5.4 du même arrêté, rétabli par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 314. In artikel 5.2.5.5.5, derde lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 314. A l'article 5.2.5.5.5, alinéa 3, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 315. In artikel 5.2.5.7.1, § 9, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 315. A l'article 5.2.5.7.1, § 9, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 décembre 2011, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 316. In artikel 5.2.6.2.1, § 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 2008, wordt de zinsnede "afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen" vervangen door de zinsnede "afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning".
Art. 316. A l'article 5.2.6.2.1, § 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 juin 2008, le membre de phrase " division compétente pour les autorisations écologiques " est remplacé par le membre de phrase " division Environnement compétente pour le permis d'environnement ".
Art. 317. In artikel 5.2.6.6.1, § 4, derde lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 2008, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 317. A l'article 5.2.6.6.1, § 4, alinéa 3, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 juin 2008, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 318. In artikel 5.2.6.7.1, § 1, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 2008, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 318. A l'article 5.2.6.7.1, § 1er, alinéa 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 juin 2008, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 319. In artikel 5.3.1.3, § 4, van hetzelfde besluit wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 319. A l'article 5.3.1.3, § 4, du même arrêté, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 320. In artikel 5.3.2.4 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2008 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 23 december 2011 en 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 320. A l'article 5.3.2.4 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 mai 2008 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 23 décembre 2011 et 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 321. In artikel 5.4.1.3, § 2, 2°, van hetzelfde besluit wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 321. A l'article 5.4.1.3, § 2, point 2°, du même arrêté, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 322. In artikel 5.4.1.5 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 322. A l'article 5.4.1.5 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 324. In artikel 5.4.2.3bis, § 2, van hetzelfde besluit wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 324. A l'article 5.4.2.3bis, § 2, du même arrêté, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 325. In artikel 5.4.3.1.1, § 3, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 april 2004, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 325. A l'article 5.4.3.1.1, § 3, du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 avril 2004, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 326. In artikel 5.4.3.1.2 van hetzelfde besluit wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 326. A l'article 5.4.3.1.2 du même arrêté, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 327. In artikel 5.4.3.1.3, § 3, 4°, van hetzelfde besluit wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 327. A l'article 5.4.3.1.3, § 3, point 4°, du même arrêté, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 328. In artikel 5.4.3.1.4 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 12 mei 2006, 7 maart 2008, 19 september 2008, 24 april 2009, 23 december 2011 en 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 328. A l'article 5.4.3.1.4 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 12 mai 2006, 7 mars 2008, 19 septembre 2008, 24 avril 2009, 23 décembre 2011 et 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 329. In artikel 5.4.3.2.3, § 7, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 april 2004 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 329. A l'article 5.4.3.2.3, § 7 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 avril 2004 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 décembre 2011, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 330. In artikel 5.4.4.2 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 330. A l'article 5.4.4.2 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 19 janvier 1999 et 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 331. In artikel 5.5.1.2, § 1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 331. A l'article 5.5.1.2, § 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 332. In artikel 5.5.1.3, § 1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013 wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 332. A l'article 5.5.1.3, § 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 333. In artikel 5.5.1.4, § 2 en § 3, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 333. A l'article 5.5.1.4, § 2 et § 3, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 334. In artikel 5.5.1.5, § 1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 334. A l'article 5.5.1.5, § 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 335. In artikel 5.5.1.6, § 1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 335. A l'article 5.5.1.6, § 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013 et remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 336. In artikel 5.6.1.1.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 336. A l'article 5.6.1.1.2 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 337. In artikel 5.6.1.1.3, § 2, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt de zinsnede "afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen" vervangen door de zinsnede "afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning".
Art. 337. A l'article 5.6.1.1.3, § 2, alinéa 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, le membre de phrase " division compétente pour les autorisations écologiques " est remplacé par le membre de phrase " division Environnement compétente pour le permis d'environnement ".
Art. 338. In artikel 5.6.1.1.4, § 5 en § 6, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 338. A l'article 5.6.1.1.4, § 5 et § 6, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 339. In artikel 5.6.1.2.4, § 1, 4°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt de zinsnede "afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen" vervangen door de zinsnede "afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning".
Art. 339. A l'article 5.6.1.2.4, § 1er, point 4°, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, le membre de phrase " division compétente pour les autorisations écologiques " est remplacé par le membre de phrase " division Environnement compétente pour le permis d'environnement ".
Art. 340. In artikel 5.6.1.2.5, § 1, 4°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt de zinsnede "afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen" vervangen door de zinsnede "afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning".
Art. 340. A l'article 5.6.1.2.5, § 1er, point 4°, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, le membre de phrase " division compétente pour les autorisations écologiques " est remplacé par le membre de phrase " division Environnement compétente pour le permis d'environnement ".
Art. 341. In artikel 5.6.1.2.8 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 2, 5°, wordt de zinsnede "afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen" vervangen door de zinsnede "afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning";
2° in paragraaf 3 wordt de zinsnede "afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen" vervangen door de zinsnede "afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning,".
1° in paragraaf 2, 5°, wordt de zinsnede "afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen" vervangen door de zinsnede "afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning";
2° in paragraaf 3 wordt de zinsnede "afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen" vervangen door de zinsnede "afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning,".
Art. 341. A l'article 5.6.1.2.8 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 2, point 5°, le membre de phrase " division compétente pour les autorisations écologiques " est remplacé par le membre de phrase " division Environnement compétente pour le permis d'environnement " ;
2° au paragraphe 3, le membre de phrase " division compétente pour les autorisations écologiques " est remplacé par le membre de phrase " division Environnement compétente pour le permis d'environnement, ".
1° au paragraphe 2, point 5°, le membre de phrase " division compétente pour les autorisations écologiques " est remplacé par le membre de phrase " division Environnement compétente pour le permis d'environnement " ;
2° au paragraphe 3, le membre de phrase " division compétente pour les autorisations écologiques " est remplacé par le membre de phrase " division Environnement compétente pour le permis d'environnement, ".
Art. 342. In artikel 5.6.1.2.11 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 342. A l'article 5.6.1.2.11 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 343. In artikel 5.6.1.3.1, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 343. A l'article 5.6.1.3.1, alinéa 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 344. In artikel 5.6.1.3.11, § 1, vierde lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 344. A l'article 5.6.1.3.11, § 1er, alinéa 4, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 345. In artikel 5.6.1.13.14, § 4, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt de zinsnede "afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen" vervangen door de zinsnede "afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning,".
Art. 345. A l'article 5.6.1.13.14, § 4, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, le membre de phrase " division compétente pour les autorisations écologiques " est remplacé par le membre de phrase " division Environnement compétente pour le permis d'environnement ".
Art. 346. In artikel 5.6.1.13.17 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 346. A l'article 5.6.1.13.17 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 347. In artikel 5.6.1.3.18, § 3, § 4 en § 7, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 347. A l'article 5.6.1.3.18, § 3, § 4 et § 7, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 348. Aan artikel 5.6.2.1.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt een paragraaf 5 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 5. Gedurende de periode, vermeld in artikel 14, § 2, 1°, 5, en artikel 15, § 2, van het samenwerkingsakkoord van 13 december 2002 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreffende de uitvoering en financiering van bodemsanering van tankstations, zoals gewijzigd bij het Samenwerkingsakkoord van 9 februari 2007 tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 13 december 2002 tussen de Federale Staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de uitvoering en financiering van bodemsanering van tankstations, mag geen enkele omgevingsvergunning voor de exploitatie van een tankstation verleend worden op een terrein waarvoor een ontvankelijke aanvraag tot tussenkomst in het kader van sluiting, al dan niet bij wijze van overgangsmaatregel, bij het Fonds, vermeld in artikel 2, 13°, van het voormelde samenwerkingsakkoord, is ingediend. Dat verbod geldt evenwel niet als het mandaat van het voormelde Fonds eindigt alvorens de bodemsanering beëindigd is of als de erkenning van het Fonds opgeheven wordt.
De periode, vermeld in het eerste lid, waarin geen omgevingsvergunning voor de exploitatie afgeleverd mag worden, zal blijken uit het Bofas-attest, vermeld in addendum R6.5 van de addenda-bibliotheek die is opgenomen in bijlage 2 bij het besluit van de Vlaamse Regering [1 van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning]1.
Als uit het Bofas-attest, vermeld in addendum R6.5 van de addenda-bibliotheek die is opgenomen in bijlage 2 bij het besluit van de Vlaamse Regering [1 van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning]1, blijkt dat voor het terrein bij het voormelde Fonds een ontvankelijke aanvraag tot tussenkomst in het kader van sluiting, al dan niet bij wijze van overgangsmaatregel, is ingediend waarbij de uitbating van het tankstation is stopgezet vóór 1 januari 1993, mag geen omgevingsvergunning voor de exploitatie afgeleverd worden, tenzij als bijlage bij het attest een document is bezorgd dat opgesteld is door de OVAM, waaruit blijkt dat de uitvoering van de bodemsanering niet wordt gehinderd door de nieuwe uitbating van het tankstation.".
" § 5. Gedurende de periode, vermeld in artikel 14, § 2, 1°, 5, en artikel 15, § 2, van het samenwerkingsakkoord van 13 december 2002 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreffende de uitvoering en financiering van bodemsanering van tankstations, zoals gewijzigd bij het Samenwerkingsakkoord van 9 februari 2007 tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 13 december 2002 tussen de Federale Staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de uitvoering en financiering van bodemsanering van tankstations, mag geen enkele omgevingsvergunning voor de exploitatie van een tankstation verleend worden op een terrein waarvoor een ontvankelijke aanvraag tot tussenkomst in het kader van sluiting, al dan niet bij wijze van overgangsmaatregel, bij het Fonds, vermeld in artikel 2, 13°, van het voormelde samenwerkingsakkoord, is ingediend. Dat verbod geldt evenwel niet als het mandaat van het voormelde Fonds eindigt alvorens de bodemsanering beëindigd is of als de erkenning van het Fonds opgeheven wordt.
De periode, vermeld in het eerste lid, waarin geen omgevingsvergunning voor de exploitatie afgeleverd mag worden, zal blijken uit het Bofas-attest, vermeld in addendum R6.5 van de addenda-bibliotheek die is opgenomen in bijlage 2 bij het besluit van de Vlaamse Regering [1 van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning]1.
Als uit het Bofas-attest, vermeld in addendum R6.5 van de addenda-bibliotheek die is opgenomen in bijlage 2 bij het besluit van de Vlaamse Regering [1 van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning]1, blijkt dat voor het terrein bij het voormelde Fonds een ontvankelijke aanvraag tot tussenkomst in het kader van sluiting, al dan niet bij wijze van overgangsmaatregel, is ingediend waarbij de uitbating van het tankstation is stopgezet vóór 1 januari 1993, mag geen omgevingsvergunning voor de exploitatie afgeleverd worden, tenzij als bijlage bij het attest een document is bezorgd dat opgesteld is door de OVAM, waaruit blijkt dat de uitvoering van de bodemsanering niet wordt gehinderd door de nieuwe uitbating van het tankstation.".
Art. 348. A l'article 5.6.2.1.1 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, il est ajouté un paragraphe 5, libellé comme suit :
" § 5. Durant la période, visée à l'article 14, § 2, point 1°, 5, et à l'article 15, § 2, de l'accord de coopération du 13 décembre 2002 entre l'Etat fédéral, la Région flamande, la Région wallonne et la Région de Bruxelles-Capitale, relatif à l'exécution et au financement de l'assainissement du sol des stations-service, tel que modifié par l'Accord de coopération du 9 février 2007 portant modification de l'accord de coopération du 13 décembre 2002 entre l'Etat fédéral, la Région flamande, la Région wallonne et la Région de Bruxelles-Capitale relatif à l'exécution et au financement de l'assainissement du sol des stations-service, aucun permis d'environnement ne peut être accordé pour l'exploitation d'une station-service sur un terrain pour lequel une demande d'intervention recevable dans le cadre de la fermeture, par voie de mesure transitoire ou non, a été introduite auprès du Fonds visé à l'article 2, point 13°, de l'accord de coopération précité. Cette interdiction ne s'applique toutefois pas lorsque le mandat du Fonds précité prend fin avant l'achèvement de l'assainissement du sol ou lorsque l'agrément du Fonds est retiré.
La période, visée à l'alinéa 1er, au cours de laquelle aucun permis d'environnement ne peut être délivré pour l'exploitation, ressortira de l'attestation Bofas visée à l'avenant R6.5 de la bibliothèque d'avenants reprise à l'annexe 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand [1 du 27 novembre 2015 portant exécution du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement]1.
S'il ressort de l'attestation Bofas, visée à l'avenant R6.5 de la bibliothèque d'avenants reprise à l'annexe 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand [1 du 27 novembre 2015 portant exécution du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement]1, qu'une demande d'intervention recevable dans le cadre d'une fermeture a été introduite pour le terrain, par mesure transitoire ou non, auprès du Fonds précité, où il a été mis fin à l'exploitation de la station-service avant le 1er janvier 1993, aucun permis d'environnement ne peut être délivré pour l'exploitation, à moins qu'un document rédigé par l'OVAM et annexé à l'attestation, duquel il ressort que l'exécution de l'assainissement du sol n'a pas été empêchée par la nouvelle exploitation de la station-service, ne soit transmis. ".
" § 5. Durant la période, visée à l'article 14, § 2, point 1°, 5, et à l'article 15, § 2, de l'accord de coopération du 13 décembre 2002 entre l'Etat fédéral, la Région flamande, la Région wallonne et la Région de Bruxelles-Capitale, relatif à l'exécution et au financement de l'assainissement du sol des stations-service, tel que modifié par l'Accord de coopération du 9 février 2007 portant modification de l'accord de coopération du 13 décembre 2002 entre l'Etat fédéral, la Région flamande, la Région wallonne et la Région de Bruxelles-Capitale relatif à l'exécution et au financement de l'assainissement du sol des stations-service, aucun permis d'environnement ne peut être accordé pour l'exploitation d'une station-service sur un terrain pour lequel une demande d'intervention recevable dans le cadre de la fermeture, par voie de mesure transitoire ou non, a été introduite auprès du Fonds visé à l'article 2, point 13°, de l'accord de coopération précité. Cette interdiction ne s'applique toutefois pas lorsque le mandat du Fonds précité prend fin avant l'achèvement de l'assainissement du sol ou lorsque l'agrément du Fonds est retiré.
La période, visée à l'alinéa 1er, au cours de laquelle aucun permis d'environnement ne peut être délivré pour l'exploitation, ressortira de l'attestation Bofas visée à l'avenant R6.5 de la bibliothèque d'avenants reprise à l'annexe 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand [1 du 27 novembre 2015 portant exécution du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement]1.
S'il ressort de l'attestation Bofas, visée à l'avenant R6.5 de la bibliothèque d'avenants reprise à l'annexe 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand [1 du 27 novembre 2015 portant exécution du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement]1, qu'une demande d'intervention recevable dans le cadre d'une fermeture a été introduite pour le terrain, par mesure transitoire ou non, auprès du Fonds précité, où il a été mis fin à l'exploitation de la station-service avant le 1er janvier 1993, aucun permis d'environnement ne peut être délivré pour l'exploitation, à moins qu'un document rédigé par l'OVAM et annexé à l'attestation, duquel il ressort que l'exécution de l'assainissement du sol n'a pas été empêchée par la nouvelle exploitation de la station-service, ne soit transmis. ".
Art. 349. In artikel 5.6.2.3.8, § 1, en § 2, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt de zinsnede "afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen" telkens vervangen door de zinsnede "afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning".
Art. 349. A l'article 5.6.2.3.8, § 1er et § 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, le membre de phrase " division compétente pour les autorisations écologiques " est remplacé par le membre de phrase " division Environnement compétente pour le permis d'environnement ".
Art. 350. In artikel 5.7.1.2 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, 19 september 2008 en 23 december 2011, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 350. A l'article 5.7.1.2 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 19 janvier 1999, 19 septembre 2008 et 23 décembre 2011, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 351. In artikel 5.7.1.3 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, 7 juni 2013 en 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 351. A l'article 5.7.1.3 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 19 janvier 1999, 7 juin 2013 et 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 352. In artikel 5.7.1.4, § 1, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 352. A l'article 5.7.1.4, § 1er, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 353. In artikel 5.7.10.1, § 2, eerste lid, van hetzelfde besluit wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 353. A l'article 5.7.10.1, § 2, alinéa 1er, du même arrêté, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 354. In artikel 5.7.15.2, § 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 354. A l'article 5.7.15.2, § 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999 et remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 355. In artikel 5.9.2.1bis, § 1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2003 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013 en 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 355. A l'article 5.9.2.1bis, § 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2003 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 7 juin 2013 et 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 356. In artikel 5.9.2.2, § 5, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2003 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 356. A l'article 5.9.2.2, § 5, alinéa 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2003 et remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 357. In artikel 5.9.2.3, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2003 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 357. A l'article 5.9.2.3 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2003 et remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 358. In artikel 5.9.4.1, tweede lid, van hetzelfde besluit worden de woorden "het milieuvergunningsdossier" vervangen door de woorden "de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 358. A l'article 5.9.4.1, alinéa 2, du même arrêté, les mots " le dossier d'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " la demande d'un permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 359. In artikel 5.9.5.1, tweede lid, van hetzelfde besluit wordt het woord "milieuvergunningsdossier" vervangen door de woorden "dossier voor een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 359. A l'article 5.9.4.1, alinéa 2, du même arrêté, les mots " le dossier d'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le dossier de permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 360. In artikel 5.9.6.1, § 2, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 september 2008 en 16 mei 2014, worden de woorden "voorwaarden die in de milieuvergunning" vervangen door de woorden "milieuvoorwaarden die in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 360. A l'article 5.9.6.1, § 2, du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 19 septembre 2008 et 16 mai 2014, les mots " conditions particulières qui peuvent être imposées dans l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " conditions environnementales particulières qui peuvent être imposées dans le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 361. In artikel 5.9.8.4, § 5, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 361. A l'article 5.9.8.4, § 5, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 362. In artikel 5.9.10.1 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2003, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 362. A l'article 5.9.10.1 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2003, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 363. In artikel 5.9.12.2, vijfde lid, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 april 2009, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 363. A l'article 5.9.12.2, alinéa 5, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 avril 2009, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 364. In artikel 5.10.0.5 van hetzelfde besluit wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 364. A l'article 5.10.0.5 du même arrêté, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 365. In artikel 5.11.0.2, § 2, tweede lid, van hetzelfde besluit wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 365. A l'article 5.11.0.2, § 2, alinéa 2, du même arrêté, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 366. In artikel 5.11.0.5 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 28 november 2003, 19 juni 2009 en 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 2 en 5 wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
2° in paragraaf 2ter worden de woorden "afdeling Milieuvergunningen" vervangen door de zinsnede "afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning".
1° in paragraaf 2 en 5 wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
2° in paragraaf 2ter worden de woorden "afdeling Milieuvergunningen" vervangen door de zinsnede "afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning".
Art. 366. A l'article 5.11.0.5 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 28 novembre 2003, 19 juin 2009 et 16 mai 2014, les modifications suivantes sont apportées :
1° aux paragraphes 2 et 5, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
2° au paragraphe 2ter, les mots " division compétente pour les autorisations écologiques " sont remplacés par le membre de phrase " division Environnement compétente pour le permis d'environnement, ".
1° aux paragraphes 2 et 5, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
2° au paragraphe 2ter, les mots " division compétente pour les autorisations écologiques " sont remplacés par le membre de phrase " division Environnement compétente pour le permis d'environnement, ".
Art. 367. In artikel 5.13.0.2, tweede lid, van hetzelfde besluit wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 367. A l'article 5.13.0.2, alinéa 2, du même arrêté, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 368. In artikel 5.13.0.5, § 4, van hetzelfde besluit wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 368. A l'article 5.13.0.5, § 4, du même arrêté, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 369. In artikel 5.14.0.1, § 5, tweede lid, en § 7, van hetzelfde besluit wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 369. A l'article 5.14.0.1, § 5, alinéa 2, et § 7, du même arrêté, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 370. In artikel 5.15.0.6, § 1, van hetzelfde besluit wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 370. A l'article 5.15.0.6, § 1er, du même arrêté, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 371. In artikel 5.15.0.7, eerste lid, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juni 2009, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 371. A l'article 5.15.0.7, alinéa 1er, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 juin 2009, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 372. In artikel 5.16.1.8, § 1, 4°, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 372. A l'article 5.16.1.8, § 1er, point 4°, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 373. In artikel 5.16.2.1.1, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 373. A l'article 5.16.2.1.1, alinéa 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 374. In artikel 5.16.2.2.2, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 374. A l'article 5.16.2.2.2, alinéa 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 375. In artikel 5.16.2.2.5, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 375. A l'article 5.16.2.2.5, alinéa 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 376. In artikel 5.16.2.2.6, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 376. A l'article 5.16.2.2.6, alinéa 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 377. In artikel 5.16.3.3, § 3, 3°, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 maart 2003, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 377. A l'article 5.16.3.3, § 3, point 3°, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 mars 2003, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 378. In artikel 5.16.4.1.3, § 1, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 23 december 2011 en 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 378. A l'article 5.16.4.1.3, § 1er, du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 23 décembre 2011 et 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 379. In artikel 5.16.4.4.0, 6°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 379. A l'article 5.16.4.4.0, point 6°, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 380. In artikel 5.16.4.4.10, § 2, van hetzelfde besluit wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 380. A l'article 5.16.4.4.10, § 2, du même arrêté, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 381. In artikel 5.16.4.4.11, § 1, vierde lid, 2°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 november 2009 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunningsaanvraag" vervangen door "aanvraag van een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 381. A l'article 5.16.4.4.11, § 1er, alinéa 4, point 2°, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 novembre 2009 et remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " demande d'autorisation écologique " sont remplacés par " demande d'un permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 382. In artikel 5.16.8.1, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 382. A l'article 5.16.8.1, alinéa 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 décembre 2011 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 383. In artikel 5.16.8.2, § 5, 6°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 383. A l'article 5.16.8.2, § 5, point 6°, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 décembre 2011 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 384. In artikel 5.16.8.4, § 6, 5°, c), van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011 en gewijzigd bij besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 384. A l'article 5.16.8.4, § 6, point 5°, c), du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 décembre 2011 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 385. In artikel 5.16.8.5 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 3 en 6 wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
2° in paragraaf 7 wordt het woord "milieuvergunningsaanvraag" vervangen door de woorden "aanvraag van een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
1° in paragraaf 3 en 6 wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
2° in paragraaf 7 wordt het woord "milieuvergunningsaanvraag" vervangen door de woorden "aanvraag van een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 385. A l'article 5.16.8.5 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 décembre 2011 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les modifications suivantes sont apportées :
1° aux paragraphes 3 et 6, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
2° au paragraphe 7, les mots " demande d'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " demande d'un permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
1° aux paragraphes 3 et 6, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
2° au paragraphe 7, les mots " demande d'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " demande d'un permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 386. In artikel 5.17.1.1 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1 wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
2° in paragraaf 4 wordt de zinsnede "afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen" vervangen door de zinsnede "afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning".
1° in paragraaf 1 wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
2° in paragraaf 4 wordt de zinsnede "afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen" vervangen door de zinsnede "afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning".
Art. 386. A l'article 5.17.1.1 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 1er, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
2° au paragraphe 4, le membre de phrase " division compétente pour les autorisations écologiques " est remplacé par le membre de phrase " division Environnement compétente pour le permis d'environnement ".
1° au paragraphe 1er, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
2° au paragraphe 4, le membre de phrase " division compétente pour les autorisations écologiques " est remplacé par le membre de phrase " division Environnement compétente pour le permis d'environnement ".
Art. 387. Artikel 5.17.1.3 van hetzelfde besluit, opgeheven door het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing :
"Art. 5.17.1.3. De exploitant van een inrichting waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn in hoeveelheden die gelijk zijn aan of groter zijn dan de hoeveelheid, vermeld in bijlage 5, kolom 2 van deel 1 en 2, bij dit besluit, stelt een preventiebeleid voor zware ongevallen vast. Dat beleid staat borg voor een hoog beschermingsniveau van de menselijke gezondheid en het milieu en is evenredig met de gevaren van zware ongevallen.
De exploitant stelt een document op waarin hij dat beleid beschrijft. Het bevat de algemene doelen van en de beginselen voor het handelen van de exploitant, alsook de rol en de verantwoordelijkheid van het management, en de verbintenis de beheersing van gevaren van zware ongevallen continu te verbeteren en een hoog beschermingsniveau te waarborgen. De exploitant houdt het document ter beschikking van de bevoegde inspectiediensten.
Het tweede lid is niet van toepassing als de exploitant een document heeft opgesteld dat het preventiebeleid voor zware ongevallen beschrijft vóór de inwerkingtreding van het samenwerkingsakkoord van 1 juni 2006 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest tot wijziging van het samewerkingsakkoord van 21 juni 1999 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, en de informatie die opgenomen is in het document, beantwoordt aan de voorwaarden, vermeld in het tweede lid, en ongewijzigd is gebleven.
De exploitant voert het preventiebeleid voor zware ongevallen uit, met passende middelen, structuren en een veiligheidsbeheersysteem, in overeenstemming met bijlage 5bis. Het veiligheidsbeheersysteem is gebaseerd op de evaluatie van de risico's en is evenredig met de gevaren van zware ongevallen, de activiteiten en de complexiteit van de organisatie van de inrichting.
De exploitant herziet het preventiebeleid voor zware ongevallen periodiek en ten minste om de vijf jaar. Voor zover dat nodig is, stuurt de exploitant het preventiebeleid bij en past hij het document, vermeld in het tweede lid, aan overeenkomstig die bijsturing.".
"Art. 5.17.1.3. De exploitant van een inrichting waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn in hoeveelheden die gelijk zijn aan of groter zijn dan de hoeveelheid, vermeld in bijlage 5, kolom 2 van deel 1 en 2, bij dit besluit, stelt een preventiebeleid voor zware ongevallen vast. Dat beleid staat borg voor een hoog beschermingsniveau van de menselijke gezondheid en het milieu en is evenredig met de gevaren van zware ongevallen.
De exploitant stelt een document op waarin hij dat beleid beschrijft. Het bevat de algemene doelen van en de beginselen voor het handelen van de exploitant, alsook de rol en de verantwoordelijkheid van het management, en de verbintenis de beheersing van gevaren van zware ongevallen continu te verbeteren en een hoog beschermingsniveau te waarborgen. De exploitant houdt het document ter beschikking van de bevoegde inspectiediensten.
Het tweede lid is niet van toepassing als de exploitant een document heeft opgesteld dat het preventiebeleid voor zware ongevallen beschrijft vóór de inwerkingtreding van het samenwerkingsakkoord van 1 juni 2006 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest tot wijziging van het samewerkingsakkoord van 21 juni 1999 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, en de informatie die opgenomen is in het document, beantwoordt aan de voorwaarden, vermeld in het tweede lid, en ongewijzigd is gebleven.
De exploitant voert het preventiebeleid voor zware ongevallen uit, met passende middelen, structuren en een veiligheidsbeheersysteem, in overeenstemming met bijlage 5bis. Het veiligheidsbeheersysteem is gebaseerd op de evaluatie van de risico's en is evenredig met de gevaren van zware ongevallen, de activiteiten en de complexiteit van de organisatie van de inrichting.
De exploitant herziet het preventiebeleid voor zware ongevallen periodiek en ten minste om de vijf jaar. Voor zover dat nodig is, stuurt de exploitant het preventiebeleid bij en past hij het document, vermeld in het tweede lid, aan overeenkomstig die bijsturing.".
Art. 387. L'article 5.17.1.3 du même arrêté, abrogé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, est rétabli dans la rédaction suivante :
" Art. 5.17.1.3. L'exploitant d'un établissement où des substances dangereuses sont présentes dans des quantités égales ou supérieures aux quantités indiquées à l'annexe 5, colonne 2 des parties 1 et 2, du présent arrêté établit une politique de prévention des accidents majeurs. Cette politique assure un niveau élevé de protection de la santé humaine et de l'environnement et proportionnée aux dangers liés aux accidents majeurs.
L'exploitant rédige un document dans lequel il décrit cette politique. Elle inclut les objectifs globaux et les principes d'action de l'exploitant, le rôle et la responsabilité de la direction, ainsi que l'engagement d'améliorer en permanence la maîtrise des dangers liés aux accidents majeurs et d'assurer un niveau de protection élevé. L'exploitant tient le document à la disposition des services d'inspection compétents.
L'alinéa 2 ne s'applique pas lorsque l'exploitant a rédigé un document décrivant la politique de prévention des accidents majeurs, avant l'entrée en vigueur de l'accord de coopération du 1er juin 2006 entre l'Etat fédéral, la Région flamande, la Région wallonne et la Région de Bruxelles-Capitale modifiant l'accord de coopération du 21 juin 1999 entre l'Etat fédéral, la Région flamande, la Région wallonne et la Région de Bruxelles-Capitale concernant la maîtrise des dangers liés aux accidents majeurs impliquant des substances dangereuses, et que les informations reprises dans le document répondent aux conditions visées à l'alinéa 2 et sont restées inchangées.
L'exploitant met la politique de prévention des accidents majeurs en oeuvre par des moyens et des structures appropriés et par un système de gestion de la sécurité, conformément à l'annexe 5bis. Le système de gestion de la sécurité est basé sur l'évaluation des risques et est proportionné aux dangers liés aux accidents majeurs, aux activités et à la complexité de l'organisation de l'établissement.
L'exploitant réexamine périodiquement la politique de prévention des accidents majeurs et au moins tous les cinq ans. Le cas échéant, l'exploitant actualise la politique de prévention et adapte le document visé à l'alinéa 2 conformément à cette actualisation. ".
" Art. 5.17.1.3. L'exploitant d'un établissement où des substances dangereuses sont présentes dans des quantités égales ou supérieures aux quantités indiquées à l'annexe 5, colonne 2 des parties 1 et 2, du présent arrêté établit une politique de prévention des accidents majeurs. Cette politique assure un niveau élevé de protection de la santé humaine et de l'environnement et proportionnée aux dangers liés aux accidents majeurs.
L'exploitant rédige un document dans lequel il décrit cette politique. Elle inclut les objectifs globaux et les principes d'action de l'exploitant, le rôle et la responsabilité de la direction, ainsi que l'engagement d'améliorer en permanence la maîtrise des dangers liés aux accidents majeurs et d'assurer un niveau de protection élevé. L'exploitant tient le document à la disposition des services d'inspection compétents.
L'alinéa 2 ne s'applique pas lorsque l'exploitant a rédigé un document décrivant la politique de prévention des accidents majeurs, avant l'entrée en vigueur de l'accord de coopération du 1er juin 2006 entre l'Etat fédéral, la Région flamande, la Région wallonne et la Région de Bruxelles-Capitale modifiant l'accord de coopération du 21 juin 1999 entre l'Etat fédéral, la Région flamande, la Région wallonne et la Région de Bruxelles-Capitale concernant la maîtrise des dangers liés aux accidents majeurs impliquant des substances dangereuses, et que les informations reprises dans le document répondent aux conditions visées à l'alinéa 2 et sont restées inchangées.
L'exploitant met la politique de prévention des accidents majeurs en oeuvre par des moyens et des structures appropriés et par un système de gestion de la sécurité, conformément à l'annexe 5bis. Le système de gestion de la sécurité est basé sur l'évaluation des risques et est proportionné aux dangers liés aux accidents majeurs, aux activités et à la complexité de l'organisation de l'établissement.
L'exploitant réexamine périodiquement la politique de prévention des accidents majeurs et au moins tous les cinq ans. Le cas échéant, l'exploitant actualise la politique de prévention et adapte le document visé à l'alinéa 2 conformément à cette actualisation. ".
Art. 388. In artikel 5.17.2.4, § 5, van hetzelfde besluit, vervangen bij besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008 en 7 juni 2013, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 388. A l'article 5.17.2.4, § 5, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 7 mars 2008 et 7 juin 2013, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 389. In artikel 5.17.3.1.8, § 1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 389. A l'article 5.17.3.1.8, § 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 390. In artikel 5.17.3.3.3, § 3, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 390. A l'article 5.17.3.3.3, § 3, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 391. In artikel 5.17.3.3.9, § 4, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 391. A l'article 5.17.3.3.9, § 4, alinéa 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 392. In artikel 5.17.3.3.12, § 3, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt de zinsnede "afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen" vervangen door de zinsnede "afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning".
Art. 392. A l'article 5.17.3.3.12, § 3, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, le membre de phrase " division compétente pour les autorisations écologiques " est remplacé par le membre de phrase " division Environnement compétente pour le permis d'environnement ".
Art. 393. In artikel 5.17.3.3.16, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 393. A l'article 5.17.3.3.16, alinéa 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 394. In artikel 5.17.3.3.17, 2°, a), van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 394. A l'article 5.17.3.3.17, point 2°, a), du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 395. In artikel 5.17.4.1.3, § 1, § 3 en § 4, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 395. A l'article 5.17.4.1.3, § 1er, § 3 et § 4, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 396. In artikel 5.17.4.1.4, § 2, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt de zinsnede "afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen" vervangen door de zinsnede "afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning".
Art. 396. A l'article 5.17.4.1.4, § 2, alinéa 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, le membre de phrase " division compétente pour les autorisations écologiques " est remplacé par le membre de phrase " division Environnement compétente pour le permis d'environnement ".
Art. 397. In artikel 5.17.4.1.6, § 3 en § 4, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 397. A l'article 5.17.4.1.6, § 3 et § 4, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 398. In artikel 5.17.4.1.9, § 3 en § 4, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 398. A l'article 5.17.4.1.9, § 3 et § 4, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 399. In artikel 5.17.4.1.12, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 399. A l'article 5.17.4.1.12, alinéa 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 400. In artikel 5.17.4.1.15, § 6, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 400. A l'article 5.17.4.1.15, § 6, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 401. In artikel 5.17.4.1.18, § 2, 3°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 401. A l'article 5.17.4.1.18, § 2, point 3°, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 403. In artikel 5.17.4.2.8, § 2, 5° en § 3, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt de zinsnede "afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen" vervangen door de zinsnede "afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning".
Art. 403. A l'article 5.17.4.2.8, § 2, point 5°, et § 3, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, le membre de phrase " division compétente pour les autorisations écologiques " est remplacé par le membre de phrase " division Environnement compétente pour le permis d'environnement ".
Art. 404. In artikel 5.17.4.2.11, § 1, tweede lid, § 2, eerste en tweede lid, en § 5, inleidende zin, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 404. A l'article 5.17.4.2.11, § 1er, alinéa 2, § 2, alinéas 1er et 2 et § 5, phrase introductive, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 405. In artikel 5.17.4.2.12, § 5 en § 6, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 405. A l'article 5.17.4.2.12, § 5 et § 6, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 406. In artikel 5.17.4.3.1, § 1, eerste lid, en § 2, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 406. A l'article 5.17.4.3.1, § 1er, alinéa 1er, et § 2, alinéa 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 407. In artikel 5.17.4.3.8, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 407. A l'article 5.17.4.3.8, alinéa 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 408. In artikel 5.17.4.3.12, § 1, vierde lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 408. A l'article 5.17.4.3.12, § 1er, alinéa 4, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 409. In artikel 5.17.4.3.16, § 4, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt de zinsnede "afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen" vervangen door de zinsnede "afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning".
Art. 409. A l'article 5.17.4.3.16, § 4, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, le membre de phrase " division compétente pour les autorisations écologiques " est remplacé par le membre de phrase " division Environnement compétente pour le permis d'environnement ".
Art. 410. In artikel 5.17.4.3.19 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1, tweede lid, en paragraaf 2, wordt de zin "Die houders blijven bestaande houders, ook bij hernieuwing van de milieuvergunning." vervangen door de zin "Die houders blijven bestaande houders, ook bij hernieuwing van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.";
2° in paragraaf 5 worden de woorden "bijzondere voorwaarden die zijn opgelegd in de milieuvergunning" vervangen door de woorden "bijzondere milieuvoorwaarden die zijn opgelegd in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
1° in paragraaf 1, tweede lid, en paragraaf 2, wordt de zin "Die houders blijven bestaande houders, ook bij hernieuwing van de milieuvergunning." vervangen door de zin "Die houders blijven bestaande houders, ook bij hernieuwing van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.";
2° in paragraaf 5 worden de woorden "bijzondere voorwaarden die zijn opgelegd in de milieuvergunning" vervangen door de woorden "bijzondere milieuvoorwaarden die zijn opgelegd in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 410. A l'article 5.17.4.3.19 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 1er, alinéa 2, et au paragraphe 2, la phrase " Ces réservoirs sont toujours considérés comme des réservoirs existants, y compris lors du renouvellement de l'autorisation écologique. " est remplacée par la phrase " Ces réservoirs sont toujours considérés comme des réservoirs existants, y compris lors du renouvellement du permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée. " ;
2° au paragraphe 5, les mots " conditions particulières imposées dans l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " conditions environnementales particulières imposées dans le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
1° au paragraphe 1er, alinéa 2, et au paragraphe 2, la phrase " Ces réservoirs sont toujours considérés comme des réservoirs existants, y compris lors du renouvellement de l'autorisation écologique. " est remplacée par la phrase " Ces réservoirs sont toujours considérés comme des réservoirs existants, y compris lors du renouvellement du permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée. " ;
2° au paragraphe 5, les mots " conditions particulières imposées dans l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " conditions environnementales particulières imposées dans le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 411. In artikel 5.17.4.3.20, § 3, § 4 en § 7, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 411. A l'article 5.17.4.3.20, § 3, § 4 et § 7, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 412. In artikel 5.17.4.4.1.3, § 3, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt de zinsnede "afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen" vervangen door de zinsnede "afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning".
Art. 412. A l'article 5.17.4.4.1.3, § 3, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, le membre de phrase " division compétente pour les autorisations écologiques " est remplacé par le membre de phrase " division Environnement compétente pour le permis d'environnement ".
Art. 413. In artikel 5.18.1.1, § 2, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen" en wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 413. A l'article 5.18.1.1, § 2, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, les mots " l'autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour des actes urbanistiques " et les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 414. In artikel 5.18.1.2, § 1, 3°, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 414. A l'article 5.18.1.2, § 1er, point 3°, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 415. In artikel 5.18.2.1.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 415. A l'article 5.18.2.1.1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 416. In artikel 5.18.2.6.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 416. A l'article 5.18.2.6.1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 417. In artikel 5.18.2.6.2, § 1, eerste en tweede lid, en § 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 417. A l'article 5.18.2.6.2, § 1er, alinéas 1er et 2, et § 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 418. In artikel 5.18.2.7.2, § 1 en § 2, eerste en derde lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 418. A l'article 5.18.2.7.2, § 1er et § 2, alinéas 1er et 3, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 419. In artikel 5.18.2.8.1, eerste en tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 419. A l'article 5.18.2.8.1, alinéas 1er et 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 420. In artikel 5.18.2.8.2, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 420. A l'article 5.18.2.8.2, alinéa 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 421. In artikel 5.18.2.9.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 421. A l'article 5.18.2.9.2 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 422. In artikel 5.18.2.13.1, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 422. A l'article 5.18.2.13.1, alinéa 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 423. In artikel 5.18.2.14.1, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 423. A l'article 5.18.2.14.1, alinéa 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 424. In artikel 5.19.1.2, § 1, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 424. A l'article 5.19.1.2, § 1er, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 425. In artikel 5.19.1.3 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 425. A l'article 5.19.1.3 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 426. In artikel 5.19.1.4, § 2, § 3 en § 4, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 426. A l'article 5.19.1.4, § 2, § 3 et § 4, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 427. In artikel 5.19.2.1.1, § 11, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 427. A l'article 5.19.2.1.1, § 11, alinéa 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 428. In artikel 5.19.2.3.3, 7°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juni 2009, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 428. A l'article 5.19.2.3.3, point 7°, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 juin 2009, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 429. In artikel 5.20.2.8, § 4, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 429. A l'article 5.20.2.8, § 4, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 430. In artikel 5.20.5.1, § 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 430. A l'article 5.20.5.1, § 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 431. In artikel 5.20.6.1.1, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, worden de woorden "van titel II van het VLAREM" opgeheven.
Art. 431. A l'article 5.20.6.1.1, alinéa 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 décembre 2011, les mots " du titre II du VLAREM " sont abrogés.
Art. 433. In artikel 5.20.6.4.2, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 433. A l'article 5.20.6.4.2, alinéa 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 décembre 2011, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 434. In artikel 5.23.1.1, eerste en tweede lid, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 434. A l'article 5.23.1.1, alinéas 1er et 2, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 435. In artikel 5.28.2.3 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 september 2003, 7 maart 2008, 7 juni 2013 en 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 2, b), wordt de zinsnede "Afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen" vervangen door de zinsnede "afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning" en wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
2° in paragraaf 9 wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
1° in paragraaf 2, b), wordt de zinsnede "Afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen" vervangen door de zinsnede "afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning" en wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
2° in paragraaf 9 wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 435. A l'article 5.28.2.3 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 19 septembre 2003, 7 mars 2008, 7 juin 2013 et 16 mai 2014, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 2, b), le membre de phrase " division compétente pour les autorisations écologiques " est remplacé par le membre de phrase " division Environnement compétente pour le permis d'environnement " et les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
2° au paragraphe 9, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
1° au paragraphe 2, b), le membre de phrase " division compétente pour les autorisations écologiques " est remplacé par le membre de phrase " division Environnement compétente pour le permis d'environnement " et les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
2° au paragraphe 9, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 436. In artikel 5.28.3.2.1, § 2 en § 3, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 436. A l'article 5.28.3.2.1, § 2 et § 3, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 437. In artikel 5.28.3.2.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 september 2003, 23 december 2011 en 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 437. A l'article 5.28.3.2.2 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 19 septembre 2003, 23 décembre 2011 et 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 438. In artikel 5.28.3.3.1, § 1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 september 2003 en 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 438. A l'article 5.28.3.3.1, § 1er du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999 et modifié par les arrêté du Gouvernement flamand des 19 septembre 2003 et 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 439. In artikel 5.28.3.4.1, § 1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 september 2003, 23 december 2011 en 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 439. A l'article 5.28.3.4.1, § 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 19 septembre 2003, 23 décembre 2011 et 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 440. In artikel 5.28.3.4.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 september 2003, 12 december 2003, 23 december 2011 en 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 440. A l'article 5.28.3.4.2 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 19 septembre 2003, 12 décembre 2003, 23 décembre 2011 et 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 441. In artikel 5.29.0.6, § 1, van hetzelfde besluit, laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 441. A l'article 5.29.0.6, § 1er, du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013 et remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 442. In artikel 5.29.0.9, 1°, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 442. A l'article 5.29.0.9, point 1°, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 décembre 2011, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 443. In artikel 5.29.0.9bis, 3°, b), van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunningsaanvraag" vervangen door de woorden "aanvraag van een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 443. A l'article 5.29.0.9bis, point 3°, b), du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 décembre 2011 et remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " demande d'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " demande d'un permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 444. In artikel 5.29.0.11 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 444. A l'article 5.29.0.11 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 décembre 2011 et remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 445. In artikel 5.30.0.1, § 2, 1° en 2°, van hetzelfde besluit, wordt de zinsnede "die niet onder toepassing van Titel I van het VLAREM vallen" vervangen door de zinsnede "die niet in de indelingslijst zijn ingedeeld".
Art. 445. A l'article 5.30.0.1, § 2, points 1° et 2°, du même arrêté, le membre de phrase " qui ne tombent pas sous le coup du Titre I du VLAREM " est remplacé par le membre de phrase " qui n'ont pas été classés dans la liste de classification ".
Art. 446. In artikel 5.30.2.6 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 446. A l'article 5.30.2.6 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 447. In artikel 5.30.4.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 447. A l'article 5.30.4.2 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 décembre 2011, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 448. In artikel 5.32.7.1.1, § 3, 5°, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 448. A l'article 5.32.7.1.1, § 3, point 5°, du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 449. In artikel 5.32.7.3.3, § 2, 5°, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008, wordt de zinsnede "Afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen" vervangen door de zinsnede "afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning".
Art. 449. A l'article 5.32.7.3.3, § 2, point 5°, du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 mars 2008, le membre de phrase " Division compétente pour les autorisations écologiques " est remplacé par le membre de phrase " division Environnement compétente pour le permis d'environnement ".
Art. 450. In artikel 5.32.7.4.3, § 2, 5°, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008, wordt de zinsnede "Afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen" vervangen door de zinsnede "afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning".
Art. 450. A l'article 5.32.7.4.3, § 2, point 5°, du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 mars 2008, le membre de phrase " division compétente pour les autorisations écologiques " est remplacé par le membre de phrase " division Environnement compétente pour le permis d'environnement ".
Art. 451. In artikel 5.32.7.5.4, § 3, van hetzelfde besluit wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 451. A l'article 5.32.7.5.4, § 3, du même arrêté, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 452. In artikel 5.32.8.2.7, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 452. A l'article 5.32.8.2.7, alinéa 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 453. In artikel 5.32.8.2.8, derde lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 453. A l'article 5.32.8.2.8, alinéa 3, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 454. In artikel 5.32.9.1.2, § 2, van hetzelfde besluit, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 454. A l'article 5.32.9.1.2, § 2, du même arrêté, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 455. In artikel 5.32.9.1.4, § 2, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008 en 7 juni 2013, worden de woorden "in titel I van het VLAREM" vervangen door de woorden "in het besluit van de Vlaamse Regering [1 van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning]1".
Art. 455. A l'article 5.32.9.1.4, § 2, du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 7 mars 2008 et 7 juin 2013, les mots " au titre I du VLAREM " sont remplacés par les mots " dans l'arrêté du Gouvernement flamand [1 du 27 novembre 2015 portant exécution du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement]1 ".
Art. 456. In artikel 5.32.9.2.1 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 456. A l'article 5.32.9.2.1 du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 457. In artikel 5.32.9.2.2 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 457. A l'article 5.32.9.2.2 du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 458. In artikel 5.32.9.3.1 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 458. A l'article 5.32.9.3.1 du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 459. In artikel 5.32.9.3.2 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 459. A l'article 5.32.9.3.2 du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 460. In artikel 5.32.9.4.2, § 8, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 460. A l'article 5.32.9.4.2, § 8, du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 décembre 2011, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 461. In artikel 5.32.9.7.1, § 3, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 november 2009, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 461. A l'article 5.32.9.7.1, § 3, du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 novembre 2009, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 462. In artikel 5.32.9.7.2, § 5, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 462. A l'article 5.32.9.7.2, § 5, du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 décembre 2011, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 463. In artikel 5.32.9.7.3, § 3, van hetzelfde besluit wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 463. A l'article 5.32.9.7.3, § 3, du même arrêté, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 464. In artikel 5.32.9.8.5, § 6bis, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 464. A l'article 5.32.9.8.5, § 6bis, alinéa 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 décembre 2011, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 465. In artikel 5.32.10.1, § 3, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 465. A l'article 5.32.10.1, § 3, alinéa 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 466. In artikel 5.32.10.2 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, 15 juni 1999 en 19 september 2008, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 466. A l'article 5.32.10.2 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 19 janvier 1999, 15 juin 1999 et 19 septembre 2008, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 467. In artikel 5.32.10.3 van hetzelfde besluit wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 467. A l'article 5.32.10.3 du même arrêté, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 468. In artikel 5.32.10.4 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 september 2008 en 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 468. A l'article 5.32.10.4 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 19 septembre 2008 et 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 469. In artikel 5.32.10.7, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 469. A l'article 5.32.10.7, alinéa 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008 et remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 470. In artikel 5.33.0.4 van hetzelfde besluit wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 470. A l'article 5.33.0.4 du même arrêté, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 471. In artikel 5.41.1.4 van hetzelfde besluit, vernummerd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 april 2004, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 471. A l'article 5.41.1.4 du même arrêté, renuméroté par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 avril 2004, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 472. In artikel 5.41.2.2, § 3, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 april 2004, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 472. A l'article 5.41.2.2, § 3, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 avril 2004, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 473. In artikel 5.43.2.5 van hetzelfde besluit, hersteld bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord "milieuvergunningsaanvraag" vervangen door de woorden "aanvraag van een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 473. A l'article 5.43.2.5 du même arrêté, rétabli par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, les mots " demande d'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " demande d'un permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 474. In artikel 5.43.2.19, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 474. A l'article 5.43.2.19, alinéa 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 475. In artikel 5.43.2.21 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 475. A l'article 5.43.2.21 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 476. In artikel 5.43.2.22 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 476. A l'article 5.43.2.22 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 477. In artikel 5.43.2.24, § 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 477. A l'article 5.43.2.24, § 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 478. In artikel 5.43.2.25, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 478. A l'article 5.43.2.25, alinéa 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 479. In artikel 5.43.2.34, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 479. A l'article 5.43.2.34, alinéa 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 480. In artikel 5.43.3.16, § 1, 2°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 480. A l'article 5.43.3.16, § 1er, point 2°, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 481. In artikel 5.43.3.18, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 481. A l'article 5.43.3.18, alinéa 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 482. In artikel 5.43.3.19, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit" en wordt het woord "wijziging" vervangen door het woord "bijstelling".
Art. 482. A l'article 5.43.3.19, alinéa 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013 et remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " et les mots " de modification " sont remplacés par les mots " d'actualisation ".
Art. 483. Artikel 5.43.3.20 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt vervangen door wat volgt :
"Art. 5.43.3.20. Voor een nieuw te exploiteren stookinstallatie met een nominaal elektrisch vermogen van 300 MW of meer, of de verandering van stookinstallaties waarvoor de oorspronkelijke stedenbouwkundige vergunning of, bij gebrek aan een dergelijke procedure, een milieuvergunning of een omgevingsvergunning is verleend op of na 25 juni 2009, en die na verandering een nominaal elektrisch vermogen van 300 MW of meer hebben, maakt de exploitant geschikte ruimte op de locatie van de installatie vrij om koolstofdioxide af te vangen en te comprimeren als voldaan is aan de volgende drie voorwaarden :
1° er zijn geschikte opslaglocaties voor de geologische opslag van koolstofdioxide voorhanden;
2° de bestaande faciliteiten voor het transport van koolstofdioxide zijn in technisch en economisch opzicht haalbaar;
3° de installatie is in technisch en economisch opzicht geschikt om voor koolstofdioxide afvang te worden aangepast.".
"Art. 5.43.3.20. Voor een nieuw te exploiteren stookinstallatie met een nominaal elektrisch vermogen van 300 MW of meer, of de verandering van stookinstallaties waarvoor de oorspronkelijke stedenbouwkundige vergunning of, bij gebrek aan een dergelijke procedure, een milieuvergunning of een omgevingsvergunning is verleend op of na 25 juni 2009, en die na verandering een nominaal elektrisch vermogen van 300 MW of meer hebben, maakt de exploitant geschikte ruimte op de locatie van de installatie vrij om koolstofdioxide af te vangen en te comprimeren als voldaan is aan de volgende drie voorwaarden :
1° er zijn geschikte opslaglocaties voor de geologische opslag van koolstofdioxide voorhanden;
2° de bestaande faciliteiten voor het transport van koolstofdioxide zijn in technisch en economisch opzicht haalbaar;
3° de installatie is in technisch en economisch opzicht geschikt om voor koolstofdioxide afvang te worden aangepast.".
Art. 483. L'article 5.43.3.20 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 5.43.3.20. Pour une nouvelle installation de combustion à exploiter d'une puissance électrique nominale égale ou supérieure à 300 MW ou la modification d'installations de combustion pour lesquelles le permis d'urbanisme original ou, en l'absence d'une telle procédure, une autorisation écologique ou un permis d'environnement a été accordé(e) en date du 25 juin 2009 ou après cette date et qui, après modification, ont une puissance électrique nominale égale ou supérieure à 300 MW, l'exploitant aménage un espace approprié sur le site de l'installation en vue du captage et de la compression de dioxyde de carbone si les trois conditions suivantes sont remplies :
1° des sites de stockage appropriés pour le stockage géologique de dioxyde de carbone sont disponibles ;
2° les facilités existantes pour le transport de dioxyde de carbone sont viables du point de vue technique et économique ;
3° l'installation se prête, sur le plan technique et économique, à une adaptation en vue du captage de dioxyde de carbone. ".
" Art. 5.43.3.20. Pour une nouvelle installation de combustion à exploiter d'une puissance électrique nominale égale ou supérieure à 300 MW ou la modification d'installations de combustion pour lesquelles le permis d'urbanisme original ou, en l'absence d'une telle procédure, une autorisation écologique ou un permis d'environnement a été accordé(e) en date du 25 juin 2009 ou après cette date et qui, après modification, ont une puissance électrique nominale égale ou supérieure à 300 MW, l'exploitant aménage un espace approprié sur le site de l'installation en vue du captage et de la compression de dioxyde de carbone si les trois conditions suivantes sont remplies :
1° des sites de stockage appropriés pour le stockage géologique de dioxyde de carbone sont disponibles ;
2° les facilités existantes pour le transport de dioxyde de carbone sont viables du point de vue technique et économique ;
3° l'installation se prête, sur le plan technique et économique, à une adaptation en vue du captage de dioxyde de carbone. ".
Art. 484. In artikel 5.43.3.24, § 1, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 484. A l'article 5.43.3.24, § 1er, alinéa 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 485. In artikel 5.43.3.25, § 4, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 485. A l'article 5.43.3.25, § 4, alinéa 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 486. In artikel 5.43.3.26, § 4, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 486. A l'article 5.43.3.26, § 4, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 487. In artikel 5.43.3.37, § 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 487. A l'article 5.43.3.37, § 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 488. In artikel 5.43.4.3, eerste lid, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 april 2004 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 488. A l'article 5.43.4.3, alinéa 1er, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 avril 2004 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 489. In artikel 5.45.2.1, § 2, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 489. A l'article 5.45.2.1, § 2, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 490. In artikel 5.45.2.3 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 490. A l'article 5.45.2.3 du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 491. In artikel 5.46.0.3 van hetzelfde besluit wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 491. A l'article 5.46.0.3 du même arrêté, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 492. In artikel 5.49.0.4, § 1, eerste lid, en § 2, 2°, d), van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 492. A l'article 5.49.0.4, § 1er, alinéa 1er, et § 2, point 2°, d), du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 décembre 2011, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 493. In artikel 5.51.4.2 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1, 1°, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
2° in paragraaf 3 wordt de zinsnede "Hoofdstuk XIVbis van titel I van het Vlarem" vervangen door de zinsnede "hoofdstuk 1.5".
1° in paragraaf 1, 1°, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
2° in paragraaf 3 wordt de zinsnede "Hoofdstuk XIVbis van titel I van het Vlarem" vervangen door de zinsnede "hoofdstuk 1.5".
Art. 493. A l'article 5.51.4.2 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 février 2004, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 1er, point 1°, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
2° au paragraphe 3, le membre de phrase " Chapitre XIVbis du titre Ier du Vlarem " est remplacé par le membre de phrase " chapitre 1.5 ".
1° au paragraphe 1er, point 1°, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
2° au paragraphe 3, le membre de phrase " Chapitre XIVbis du titre Ier du Vlarem " est remplacé par le membre de phrase " chapitre 1.5 ".
Art. 494. In artikel 5.53.2.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 494. A l'article 5.53.2.2 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999 et remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 495. In artikel 5.53.4.1, § 2, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 495. A l'article 5.53.4.1, § 2, alinéa 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010 et remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 496. In artikel 5.53.4.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 496. A l'article 5.53.4.2 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 497. In artikel 5.53.4.5, § 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 497. A l'article 5.53.4.5, § 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999 et remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 498. In artikel 5.53.4.6, § 1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 498. A l'article 5.53.4.6, § 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 499. In artikel 5.53.6.2.7, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 499. A l'article 5.53.6.2.7, alinéa 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 décembre 2011, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 500. In artikel 5.53.6.3.1, § 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 500. A l'article 5.53.6.3.1, § 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999 et remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 501. In artikel 5.53.6.4.5, § 1, § 2 en § 3, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 501. A l'article 5.53.6.4.5, § 1er, § 2 et § 3, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 502. In artikel 5.55.2.4, § 1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 502. A l'article 5.55.2.4, § 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 décembre 2011, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 503. In artikel 5.55.2.7, § 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 503. A l'article 5.55.2.7, § 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 décembre 2011, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 504. In artikel 5.57.1.1, § 2, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 22 juli 2005, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 504. A l'article 5.57.1.1, § 2, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 juillet 2005, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 505. In artikel 5.57.1.2, § 2 en § 5, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 22 juli 2005, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 505. A l'article 5.57.1.2, § 2 et § 5, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 juillet 2005, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 506. In artikel 5.57.2.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 22 juli 2005, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 506. A l'article 5.57.2.1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999 et remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 juillet 2005, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 507. In artikel 5.57.2.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 22 juli 2005 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1 en 3 wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
2° in paragraaf 2, tweede lid, 1°, wordt de zinsnede "afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen" vervangen door de zinsnede "afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning".
1° in paragraaf 1 en 3 wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
2° in paragraaf 2, tweede lid, 1°, wordt de zinsnede "afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen" vervangen door de zinsnede "afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning".
Art. 507. A l'article 5.57.2.2 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 juillet 2005 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 mars 2008, les modifications suivantes sont apportées :
1° aux paragraphes 1er et 3, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
2° au paragraphe 2, alinéa 2, point 1°, le membre de phrase " division compétente pour les autorisations écologiques " est remplacé par le membre de phrase " division Environnement compétente pour le permis d'environnement ".
1° aux paragraphes 1er et 3, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
2° au paragraphe 2, alinéa 2, point 1°, le membre de phrase " division compétente pour les autorisations écologiques " est remplacé par le membre de phrase " division Environnement compétente pour le permis d'environnement ".
Art. 508. In artikel 5.59.1.2, § 3, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2001, wordt de zinsnede "hoofdstuk IIIbis van titel I van het VLAREM" vervangen door de zinsnede "het decreet van 25 april 2014".
Art. 508. A l'article 5.59.1.2, § 3, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 avril 2001, le membre de phrase " chapitre IIIbis du titre 1er du VLAREM " est remplacé par le membre de phrase " le décret du 25 avril ".
Art. 509. In artikel 5.59.2.1, § 1, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt de zinsnede "afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen" vervangen door de zinsnede "afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning".
Art. 509. A l'article 5.59.2.1, § 1er, alinéa 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, le membre de phrase " division compétente pour les autorisations écologiques " est remplacé par le membre de phrase " division Environnement compétente pour le permis d'environnement ".
Art. 510. In artikel 5.60.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 31 mei 2002 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 510. A l'article 5.60.2. du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 mai 2002 et modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 511. In artikel 5.60.3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 31 mei 2002 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 511. A l'article 5.60.3. du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 mai 2002 et modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 512. In artikel 5.60.5 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 512. A l'article 5.60.5 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 513. In artikel 5.61.2, § 2 tot en met § 5, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 november 2003, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 513. A l'article 5.61.2, § § 2 à 5 inclus, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 novembre 2003, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 514. In artikel 5.62.2.2, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 514. A l'article 5.62.2.2, alinéa 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 515. In artikel 5.62.3.2, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt de zinsnede "afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen" vervangen door de zinsnede "afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning".
Art. 515. A l'article 5.62.3.2, alinéa 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, le membre de phrase " division compétente pour les autorisations écologiques " est remplacé par le membre de phrase " division Environnement compétente pour le permis d'environnement ".
Art. 516. In artikel 5bis.0.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006, wordt de zinsnede "artikel 20 van het Milieuvergunningsdecreet" vervangen door de zinsnede "artikel 5.4.1 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid".
Art. 516. A l'article 5bis.0.1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006, le membre de phrase " article 20 du décret relatif à l'autorisation écologique " est remplacé par le membre de phrase " article 5.4.1 du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement ".
Art. 517. In artikel 5bis.0.2, § 4, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006, wordt het woord "verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden".
Art. 517. A l'article 5bis.0.2, § 4, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006, les mots " permis de lotissement " sont remplacés par les mots " permis d'environnement pour le lotissement de terrains ".
Art. 518. In artikel 5bis.15.5.4.3.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 3, eerste lid, wordt het woord "milieuvergunningsvoorwaarden" vervangen door de woorden "voorwaarden met betrekking tot de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
2° in paragraaf 4 wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
1° in paragraaf 3, eerste lid, wordt het woord "milieuvergunningsvoorwaarden" vervangen door de woorden "voorwaarden met betrekking tot de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
2° in paragraaf 4 wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 518. A l'article 5bis.15.5.4.3.2 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006 et modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 3, alinéa 1er, les mots " conditions d'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " conditions relatives au permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
2° au paragraphe 4, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
1° au paragraphe 3, alinéa 1er, les mots " conditions d'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " conditions relatives au permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
2° au paragraphe 4, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 519. In artikel 5bis.15.5.4.3.6, § 4, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 november 2009, worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art. 519. A l'article 5bis.15.5.4.3.6, § 4, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006 et remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 novembre 2009, les mots " une autorisation urbanistique " sont chaque fois remplacés par les mots " un permis d'environnement pour des actes urbanistiques "
Art. 520. In artikel 5bis.15.5.4.8.5, § 1, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 520. A l'article 5bis.15.5.4.8.5, § 1er, alinéa 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 521. In artikel 5bis.19.8.4.2.4, § 9, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juni 2009, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 521. A l'article 5bis.19.8.4.2.4, § 9, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 juin 2009, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 522. In artikel 5bis.19.8.4.5.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 3, eerste lid, wordt het woord "milieuvergunningsvoorwaarden" vervangen door de woorden "voorwaarden met betrekking tot de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
2° in paragraaf 4 wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
1° in paragraaf 3, eerste lid, wordt het woord "milieuvergunningsvoorwaarden" vervangen door de woorden "voorwaarden met betrekking tot de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
2° in paragraaf 4 wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 522. A l'article 5bis.19.8.4.5.2 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006 et modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 3, alinéa 1er, les mots " conditions d'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " conditions relatives au permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
2° au paragraphe 4, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
1° au paragraphe 3, alinéa 1er, les mots " conditions d'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " conditions relatives au permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
2° au paragraphe 4, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 523. In artikel 5bis.19.8.4.5.6, § 4, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 november 2011, worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art. 523. A l'article 5bis.19.8.4.5.6, § 4, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 novembre 2011, les mots " une autorisation urbanistique " sont chaque fois remplacés par les mots " un permis d'environnement pour des actes urbanistiques ".
Art. 524. In artikel 5bis.19.8.4.11.5, § 1, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 524. A l'article 5bis.19.8.4.11.5, § 1er, alinéa 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 525. In artikel 6.1.0.1. van hetzelfde besluit wordt de zin "Ze zijn evenwel niet van toepassing op de ingedeelde inrichtingen zoals bedoeld in art.2 van het decreet houdende de milieuvergunning." opgeheven.
Art. 525. A l'article 6.1.0.1. du même arrêté, la phrase " Elles ne s'appliquent toutefois pas aux établissements classés visés à l'art. 2 du décret relatif à l'autorisation écologique. " est abrogée.
Art. 526. In artikel 6.2.2.1.2, § 4, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2008, wordt het woord "milieuvergunningsvoorwaarden" vervangen door de woorden "bijzondere milieuvoorwaarden".
Art. 526. A l'article 6.2.2.1.2, § 4, alinéa 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 mai 2008, les mots " conditions d'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " conditions environnementales particulières ".
Art. 527. In artikel 6.2.2.4.1, § 3, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 november 2009, worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art. 527. A l'article 6.2.2.4.1, § 3, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008 et remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 novembre 2009, les mots " une autorisation urbanistique " sont chaque fois remplacés par les mots " un permis d'environnement pour des actes urbanistiques ".
Art. 528. In artikel 6.5.5.2, § 2, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, wordt de zinsnede "afdeling bevoegd voor milieuvergunningen van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie" vervangen door de zinsnede "afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning,".
Art. 528. A l'article 6.5.5.2, § 2, alinéa 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008, le membre de phrase " division chargée des autorisations écologiques du département Environnement, Nature et Energie " est remplacé par le membre de phrase " division Environnement compétente pour le permis d'environnement ".
Art. 529. In artikel 6.5.5.3, § 1, eerste lid, 7°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 april 2009, wordt de zinsnede "afdeling bevoegd voor milieuvergunningen van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie" vervangen door de zinsnede "afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning".
Art. 529. A l'article 6.5.5.3, § 1er, alinéa 1er, point 7°, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 avril 2009, le membre de phrase " division chargée des autorisations écologiques du département Environnement, Nature et Energie " est remplacé par le membre de phrase " division Environnement compétente pour le permis d'environnement ".
Art. 530. In artikel 2, § 1, van bijlage 4.2.5.2 bij hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 530. A l'article 2, § 1er, de l'annexe 4.2.5.2 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 531. In artikel 4, § 2, eerste lid, 5°, van bijlage 4.2.5.2 bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt de zinsnede "afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen" vervangen door de zinsnede "afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning".
Art. 531. A l'article 4, § 2, alinéa 1er, point 5° de l'annexe 4.2.5.2 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, le membre de phrase " division compétente pour les autorisations écologiques " est remplacé par le membre de phrase " division Environnement compétente pour le permis d'environnement ".
Art. 532. In artikel 3, § 1, eerste lid, van bijlage 4.2.5.4 bij hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 532. A l'article 3, § 1er, alinéa 1er, de l'annexe 4.2.5.4 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 533. In artikel 2 van bijlage 4.5.2 bij hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008 wordt de zinsnede "afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen" telkens vervangen door de zinsnede "afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning,".
Art. 533. A l'article 2 de l'annexe 4.5.2 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 mars 2008, le membre de phrase " division compétente pour les autorisations écologiques " est chaque fois remplacé par le membre de phrase " division Environnement compétente pour le permis d'environnement ".
Art. 534. In artikel 2, tweede lid, van bijlage 4.5.3 bij hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008, wordt de zinsnede "afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen" vervangen door de zinsnede "afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning,".
Art. 534. A l'article 2, alinéa 2, de l'annexe 4.5.3 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 mars 2008, le membre de phrase " division compétente pour les autorisations écologiques " est remplacé par le membre de phrase " division Environnement compétente pour le permis d'environnement ".
Art. 535. In bijlage 5.2.2.13 B bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 november 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de tekst :
T = A + B / ( lnP +C ) met T = temperatuur (K)
P = druk (MPa)
A = 42,6776 K
B = -3.892,7 K
C = -9,48654
wordt vervangen door wat volgt :
T = A + B / ( ln (P/10) + C ) met T = temperatuur (K)
P = druk (bar)
A = 42,6776 K
B = -3.892,7 K
C = -9,48654
2° in de grafiek worden de woorden "druk (bar)" vervangen door de woorden "absolute druk (bar)".
1° de tekst :
T = A + B / ( lnP +C ) met T = temperatuur (K)
P = druk (MPa)
A = 42,6776 K
B = -3.892,7 K
C = -9,48654
wordt vervangen door wat volgt :
T = A + B / ( ln (P/10) + C ) met T = temperatuur (K)
P = druk (bar)
A = 42,6776 K
B = -3.892,7 K
C = -9,48654
2° in de grafiek worden de woorden "druk (bar)" vervangen door de woorden "absolute druk (bar)".
Art. 535. A l'annexe 5.2.2.13 B du même arrêté, insérée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 novembre 2013, les modifications suivantes sont apportées :
1° le texte :
T = A + B / ( lnP +C ) avec T = température (K)
P = pression (MPa)
A = 42,6776 K
B = -3.892,7 K
C = -9,48654
est remplacé par ce qui suit :
T = A + B/(ln (P/10) + C) avec T = température (K)
P = pression (bar)
A = 42,6776 K
B = -3.892,7 K
C = -9,48654
2° dans le graphique, les mots " pression (bar) " sont remplacés par les mots " pression absolue (bar) ".
1° le texte :
T = A + B / ( lnP +C ) avec T = température (K)
P = pression (MPa)
A = 42,6776 K
B = -3.892,7 K
C = -9,48654
est remplacé par ce qui suit :
T = A + B/(ln (P/10) + C) avec T = température (K)
P = pression (bar)
A = 42,6776 K
B = -3.892,7 K
C = -9,48654
2° dans le graphique, les mots " pression (bar) " sont remplacés par les mots " pression absolue (bar) ".
Art. 536. In bijlage 5.2.2.13 C, punt 1.1 bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 november 2013, wordt de zinsnede "verkleinen tot minstens 90% of een deeltjesgrootte van max 5mm" vervangen door de zinsnede "verkleinen zodat ten minste 90 gew. % van de deeltjes een maximale grootte hebben van 5 mm".
Art. 536. A l'annexe 5.2.2.13 C, point 1.1, du même arrêté, insérée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 novembre 2013, le membre de phase " réduire les particules des déchets jusqu'à au moins 90 % ou à un diamètre d'au maximum 5mm " est remplacé par le membre de phase " réduire les particules des déchets de sorte qu'au moins 90 % en poids des particules aient une taille maximale de 5 mm ".
Art. 537. In bijlage 5.3.1.a bij hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 november 2003, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 537. A l'annexe 5.3.1.a du même arrêté, remplacée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 novembre 2003, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 538. In bijlage 5.3.1.b bij hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 november 2003, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 538. A l'annexe 5.3.1.b du même arrêté, remplacée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 novembre 2003, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 539. In punt 21 van bijlage 5.3.2 bij hetzelfde besluit, laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013 vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 539. Au point 21 de l'annexe 5.3.2 du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013 et remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 540. In punt 24bis, c), van bijlage 5.3.2 bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 540. Au point 24bis, c), de l'annexe 5.3.2 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008 et remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 décembre 2011, les mots " l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 542. In hoofdstuk VII van bijlage 5.9 bij hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt de zinsnede "zoals bedoeld in rubriek 28.2. van de lijst en indeling van de als hinderlijk beschouwde inrichtingen (bijlage 1 van VLAREM I)" vervangen door de zinsnede "zoals vermeld in rubriek 28.2 van de indelingslijst".
Art. 542. Au chapitre VII de l'annexe 5.9 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008 et modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, le membre de phase " comme visé à la rubrique 28.2 de la liste et répartition des établissements considérés comme nuisibles (annexe 1 au VLAREM I) " est remplacé par le membre de phase " tel que visé à la rubrique 28.2 de la liste de classification ".
Art. 543. In artikel 1 van bijlage 5.32.2.2bis bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 543. A l'article 1er de l'annexe 5.32.2.2bis du même arrêté, insérée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 février 2012, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 544. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 mei 2014, worden de bijlagen 1, 1.5.1.1, 1.5.1.2, 1.5.1.3, 2, 2bis, 2ter, 2quinquies, 3.3, 5 en 5bis ingevoegd, die bij dit besluit zijn gevoegd als respectievelijk bijlage 8 tot en met 18.
Art. 544. Dans le même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 mai 2014, sont insérées les annexes 1, 1.5.1.1, 1.5.1.2, 1.5.1.3, 2, 2bis, 2ter, 2quinquies, 3.3, 5 et 5bis, jointes au présent arrêté en tant qu'annexes 8 à 18 incluse.
Hoofdstuk 3. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juli 1997 tot uitvoering van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten
Chapitre 3. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er juillet 1997 portant exécution du décret du 19 avril 1995 portant des mesures visant à lutter contre et à prévenir la désaffectation et l'abandon de sites d'activité économique
Art. 545. In artikel 1, 4°, b) van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juli 1997 tot uitvoering van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 22 februari 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in punt 1) worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen";
2° in punt 2) wordt de zinsnede "de werkzaamheden gemeld zijn, overeenkomstig artikel 4.2.2. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening" vervangen door de zinsnede "de handelingen, vermeld in artikel 4.2.2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, gemeld zijn, conform hoofdstuk 10 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning";
3° in punt 3) worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
1° in punt 1) worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen";
2° in punt 2) wordt de zinsnede "de werkzaamheden gemeld zijn, overeenkomstig artikel 4.2.2. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening" vervangen door de zinsnede "de handelingen, vermeld in artikel 4.2.2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, gemeld zijn, conform hoofdstuk 10 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning";
3° in punt 3) worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art. 545. A l'article 1er, point 4°, b) de l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er juillet 1997 portant exécution du décret du 19 avril 1995 portant des mesures visant à lutter contre et à prévenir la désaffectation et l'abandon de sites d'activité économique, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 février 2013, les modifications suivantes sont apportées :
1° au point 1), les mots " une autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement pour des actes urbanistiques " ;
2° au point 2), le membre de phrase " les travaux ont été communiqués, conformément à l'article 4.2.2. du Code flamand de l'Aménagement du Territoire " est remplacé par le membre de phrase " les actes visés à l'article 4.2.2 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire ont été déclarés conformément au chapitre 10 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement " ;
3° au point 3), les mots " une autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement pour des actes urbanistiques ".
1° au point 1), les mots " une autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement pour des actes urbanistiques " ;
2° au point 2), le membre de phrase " les travaux ont été communiqués, conformément à l'article 4.2.2. du Code flamand de l'Aménagement du Territoire " est remplacé par le membre de phrase " les actes visés à l'article 4.2.2 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire ont été déclarés conformément au chapitre 10 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement " ;
3° au point 3), les mots " une autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement pour des actes urbanistiques ".
Art. 546. In artikel 2, § 2, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 23 juni 2006 en 17 januari 2014, worden tussen de woorden "stedenbouwkundige vergunning" en de woorden "werd gegeven" de woorden "of omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen" ingevoegd.
Art. 546. A l'article 2, § 2, du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 23 juin 2006 et 17 janvier 2014, les mots " ou le permis d'environnement pour des actes urbanistiques " sont insérés entre le mot " urbanistique " et les mots " sera déterminante ".
Art. 547. In artikel 23, eerste lid, 1° /1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 22 februari 2013, worden de woorden "de stedenbouwkundige vergunning voor de saneringswerkzaamheden" vervangen door de woorden "de omgevingsvergunning voor de saneringswerkzaamheden" en wordt de zinsnede "overeenkomstig artikel 4.2.2. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening" vervangen door de zinsnede "conform hoofdstuk 10 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning".
Art. 547. A l'article 23, alinéa 1er, point 1° /1, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 février 2013, les mots " de l'autorisation urbanistique pour les travaux d'assainissement " sont remplacés par les mots " du permis d'environnement pour les travaux d'assainissement " et le membre de phrase " conformément à l'article 4.2.2. du Code flamand de l'Aménagement du Territoire " est remplacé par le membre de phrase " conformément au chapitre 10 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement ".
Art. 548. In artikel 26, § 1, 1° /1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 22 februari 2013, worden de woorden "de stedenbouwkundige vergunning voor de saneringswerkzaamheden" vervangen door de woorden "de omgevingsvergunning voor de saneringswerkzaamheden" en wordt de zinsnede "overeenkomstig artikel 4.2.2. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening" vervangen door de zinsnede "conform hoofdstuk 10 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning".
Art. 548. A l'article 26, § 1er, point 1° /1, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 février 2013, les mots " de l'autorisation urbanistique pour les travaux d'assainissement " sont remplacés par les mots " du permis d'environnement pour les travaux d'assainissement " et le membre de phrase " conformément à l'article 4.2.2. du Code flamand de l'Aménagement du Territoire " est remplacé par le membre de phrase " conformément au chapitre 10 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement ".
Hoofdstuk 4. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 oktober 1997 betreffende de wijziging van waterkeringen, overstromingsbekkens, wachtbekkens en toegangswegen
Chapitre 4. - Modification de l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 octobre 1997 relatif aux retenues d'eau, aux bassins d'inondation, aux bassins d'attente et aux voies d'accès
Art. 549. In artikel 2, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 oktober 1997 betreffende de wijziging van waterkeringen, overstromingsbekkens, wachtbekkens en toegangswegen, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, worden de woorden "een aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning of een verkavelingsaanvraag" vervangen door de woorden "een aanvraag tot omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden".
Art. 549. A l'article 2, alinéa 2, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 octobre 1997 relatif aux retenues d'eau, aux bassins d'inondation, aux bassins d'attente et aux voies d'accès, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 décembre 2011, les mots " une demande d'autorisation urbanistique ou une demande de permis de lotir " sont remplacés par les mots " une demande de permis d'environnement pour des actes urbanistiques ou pour le lotissement de terrains ".
Hoofdstuk 5. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juli 1998 tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu
Chapitre 5. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 juillet 1998 fixant les modalités d'exécution du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel
Art. 550. In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juli 1998 tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 2014, wordt punt 15° vervangen door wat volgt :
"15° afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning : de afdeling bij het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie van de Vlaamse overheid die bevoegd is voor de omgevingsvergunning;".
"15° afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning : de afdeling bij het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie van de Vlaamse overheid die bevoegd is voor de omgevingsvergunning;".
Art. 550. A l'article 1er de l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 juillet 1998 fixant les modalités d'exécution du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 juin 2014, le point 15° est remplacé par ce qui suit :
" 15° division Environnement compétente pour le permis d'environnement : la division du département de l'Environnement, de la Nature et de l'Energie de l'autorité flamande compétente pour le permis d'environnement ; ".
" 15° division Environnement compétente pour le permis d'environnement : la division du département de l'Environnement, de la Nature et de l'Energie de l'autorité flamande compétente pour le permis d'environnement ; ".
Art. 551. In artikel 2, vierde lid, van hetzelfde besluit wordt de zinsnede "toepassing van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996 of van andere uitvoeringsplannen in het kader van de wetgeving inzake ruimtelijke ordening" vervangen door de zinsnede "toepassing van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening of van andere uitvoeringsplannen in het kader van de wetgeving inzake ruimtelijke ordening".
Art. 551. A l'article 2, alinéa 4, du même arrêté, le membre de phrase " conformément aux dispositions du décret sur l'aménagement du territoire coordonné le 22 octobre 1996 ou d'autres plans d'exécution dans le cadre de la législation en matière d'aménagement du territoire " est remplacé par le membre de phrase " conformément au Code flamand de l'Aménagement du Territoire ou d'autres plans d'exécution dans le cadre de la législation en matière d'aménagement du territoire ".
Art. 552. In artikel 9, 2°, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juli 2009, worden de woorden "regelmatige stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art. 552. A l'article 9, point 2°, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 juillet 2009, les mots " permis de bâtir en bonne et due forme " sont remplacés par les mots " permis d'environnement pour des actes urbanistiques ".
Art. 553. In artikel 39, § 3, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008, wordt punt 2° vervangen door wat volgt :
"2° de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning;".
"2° de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning;".
Art. 553. A l'article 39, § 3, du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 mars 2008, le point 2° est remplacé par ce qui suit :
" 2° la division Environnement compétente pour le permis d'environnement ; ".
" 2° la division Environnement compétente pour le permis d'environnement ; ".
Art. 554. In artikel 40 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 2, tweede lid, 2°, wordt de zinsnede "de bouw- en de milieuvergunning" vervangen door de woorden "de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen en de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
2° in paragraaf 3 wordt punt 3° vervangen door wat volgt :
"3° een eensluidend verklaard afschrift van de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen, van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit en van eventuele andere vereiste vergunningen;".
1° in paragraaf 2, tweede lid, 2°, wordt de zinsnede "de bouw- en de milieuvergunning" vervangen door de woorden "de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen en de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
2° in paragraaf 3 wordt punt 3° vervangen door wat volgt :
"3° een eensluidend verklaard afschrift van de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen, van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit en van eventuele andere vereiste vergunningen;".
Art. 554. A l'article 40 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 2, alinéa 2, point 2°, le membre de phrase " le permis de bâtir et l'autorisation écologique " est remplacé par les mots " le permis d'environnement pour des actes urbanistiques et le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
2° au paragraphe 3, le point 3° est remplacé par ce qui suit :
" 3° une copie certifiée conforme du permis d'environnement pour des actes urbanistiques, du permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée et des éventuelles autres autorisations exigées ; ".
1° au paragraphe 2, alinéa 2, point 2°, le membre de phrase " le permis de bâtir et l'autorisation écologique " est remplacé par les mots " le permis d'environnement pour des actes urbanistiques et le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
2° au paragraphe 3, le point 3° est remplacé par ce qui suit :
" 3° une copie certifiée conforme du permis d'environnement pour des actes urbanistiques, du permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée et des éventuelles autres autorisations exigées ; ".
Hoofdstuk 6. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juni 1999 houdende de procedureregels inzake de infrastructuur voor persoonsgebonden aangelegenheden
Chapitre 6. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juin 1999 établissant les règles de procédure relatives à l'infrastructure affectée aux matières personnalisables
Art. 555. In artikel 22, 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juni 1999 houdende de procedureregels inzake de infrastructuur voor persoonsgebonden aangelegenheden, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 mei 2008, worden de woorden "de stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen" en worden de woorden "de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "de aanvraag van die vergunning".
Art. 555. A l'article 22, point 4°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juin 1999 établissant les règles de procédure relatives à l'infrastructure affectée aux matières personnalisables, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 30 mai 2008, les mots " l'autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour des actes urbanistiques " et les mots " la demande d'autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " la demande de ce permis ".
Hoofdstuk 7. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 april 2000 tot bepaling van de vergunningsplichtige functiewijzigingen
Chapitre 7. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 avril 2000 portant détermination des modifications de fonction subordonnées à un permis
Art. 556. In artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 april 2000 tot bepaling van de vergunningsplichtige functiewijzigingen, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden "stedenbouwkundige vergunning" worden telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen";
2° aan paragraaf 3, 4°, worden de woorden "of omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden" toegevoegd.
1° de woorden "stedenbouwkundige vergunning" worden telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen";
2° aan paragraaf 3, 4°, worden de woorden "of omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden" toegevoegd.
Art. 556. A l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 avril 2000 portant détermination des modifications de fonction subordonnées à un permis, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 avril 2002, les modifications suivantes sont apportées :
1° les mots " une autorisation urbanistique " sont chaque fois remplacés par les mots " un permis d'environnement pour des actes urbanistiques " et les mots " cette autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " ce permis d'environnement pour des actes urbanistiques " ;
2° au paragraphe 3, point 4°, les mots " ou des permis d'environnement pour le lotissement de terrains " sont ajoutés.
1° les mots " une autorisation urbanistique " sont chaque fois remplacés par les mots " un permis d'environnement pour des actes urbanistiques " et les mots " cette autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " ce permis d'environnement pour des actes urbanistiques " ;
2° au paragraphe 3, point 4°, les mots " ou des permis d'environnement pour le lotissement de terrains " sont ajoutés.
Hoofdstuk 8. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 2000 tot bepaling van de categorieën van bedrijven waarvoor en de gebieden waarbinnen artikel 5.6.7, § 2, eerste lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening niet kan worden toegepast
Chapitre 8. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 avril 2000 déterminant les catégories d'entreprises et les zones auxquelles l'article 5.6.7, § 2, premier alinéa, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire ne peut pas être appliqué
Art. 557. In het opschrift van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 2000 tot bepaling van de categorieën van bedrijven waarvoor en de gebieden waarbinnen artikel 5.6.7, § 2, eerste lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening niet kan worden toegepast, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009, wordt de zinsnede "artikel 5.6.7, § 2, eerste lid" vervangen door de zinsnede "artikel 5.6.7, § 1, eerste lid".
Art. 557. Dans l'intitulé de l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 avril 2000 déterminant les catégories d'entreprises et les zones auxquelles l'article 5.6.7, § 2, premier alinéa, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire ne peut pas être appliqué, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 juin 2009, le membre de phrase " l'article 5.6.7, § 2, premier alinéa " est remplacé par le membre de phrase " l'article 5.6.7, § 1er, alinéa 1er ".
Art. 558. Artikel 1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009, wordt vervangen door wat volgt :
"Artikel 1. Afwijkingen van de stedenbouwkundige voorschriften, vermeld in artikel 5.6.7, § 1, eerste lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, kunnen niet worden toegestaan, als door de hernieuwing van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit, die inrichting of activiteit geheel of gedeeltelijk ligt of zal liggen in een gebied dat als volgt is ingedeeld :
1° een groengebied, waaronder kan worden onderscheiden :
a) een natuurgebied;
b) een natuurgebied met wetenschappelijke waarde of een natuurreservaat;
2° een natuurontwikkelingsgebied;
3° een overstromingsgebied;
4° een bosgebied.
De verbodsbepalingen, vermeld in het eerste lid, gelden niet voor het houden van dieren conform indelingsrubriek 9.3. tot en met 9.6. van de indelingslijst, opgenomen in bijlage 1 bij titel II van het VLAREM, met de bijbehorende installaties en opslagplaatsen.".
"Artikel 1. Afwijkingen van de stedenbouwkundige voorschriften, vermeld in artikel 5.6.7, § 1, eerste lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, kunnen niet worden toegestaan, als door de hernieuwing van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit, die inrichting of activiteit geheel of gedeeltelijk ligt of zal liggen in een gebied dat als volgt is ingedeeld :
1° een groengebied, waaronder kan worden onderscheiden :
a) een natuurgebied;
b) een natuurgebied met wetenschappelijke waarde of een natuurreservaat;
2° een natuurontwikkelingsgebied;
3° een overstromingsgebied;
4° een bosgebied.
De verbodsbepalingen, vermeld in het eerste lid, gelden niet voor het houden van dieren conform indelingsrubriek 9.3. tot en met 9.6. van de indelingslijst, opgenomen in bijlage 1 bij titel II van het VLAREM, met de bijbehorende installaties en opslagplaatsen.".
Art. 558. L'article 1er du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 juin 2009, est remplacé par ce qui suit :
" Article 1er. Des dérogations aux prescriptions urbanistiques visées à l'article 5.6.7, § 1er, alinéa 1er, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire ne peuvent pas être accordées lorsqu'en raison du renouvellement du permis d'environnement pour l'exploitation d'un établissement classé ou d'une l'activité classée, cet établissement ou cette activité se situe ou se situera dans sa totalité ou en partie dans une zone divisée comme suit :
1° une zone d'espaces verts parmi laquelle il peut être distingué :
a) une zone naturelle ;
b) une zone naturelle d'intérêt scientifique ou une réserve naturelle ;
2° une zone de développement de la nature ;
3° une zone inondable ;
4° une zone forestière.
Les interdictions visées à l'alinéa 1er ne s'appliquent pas à la détention d'animaux, conformément aux rubriques de classification 9.3. à 9.6. de la liste de classification reprise en annexe 1 au titre II du VLAREM, y compris les installations et entrepôts connexes. ".
" Article 1er. Des dérogations aux prescriptions urbanistiques visées à l'article 5.6.7, § 1er, alinéa 1er, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire ne peuvent pas être accordées lorsqu'en raison du renouvellement du permis d'environnement pour l'exploitation d'un établissement classé ou d'une l'activité classée, cet établissement ou cette activité se situe ou se situera dans sa totalité ou en partie dans une zone divisée comme suit :
1° une zone d'espaces verts parmi laquelle il peut être distingué :
a) une zone naturelle ;
b) une zone naturelle d'intérêt scientifique ou une réserve naturelle ;
2° une zone de développement de la nature ;
3° une zone inondable ;
4° une zone forestière.
Les interdictions visées à l'alinéa 1er ne s'appliquent pas à la détention d'animaux, conformément aux rubriques de classification 9.3. à 9.6. de la liste de classification reprise en annexe 1 au titre II du VLAREM, y compris les installations et entrepôts connexes. ".
Art. 559. Artikel 2 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009, wordt vervangen door wat volgt :
"Art. 2. Afwijkingen van de stedenbouwkundige voorschriften, vermeld in artikel 5.6.7, § 1, eerste lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, kunnen niet worden toegestaan voor de hernieuwing van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit die betrekking heeft op inrichtingen of activiteiten waarvoor een milieueffectrapport of een omgevingsveiligheidsrapport vereist is voor de volledigheid van de aanvraag van een omgevingsvergunning.".
"Art. 2. Afwijkingen van de stedenbouwkundige voorschriften, vermeld in artikel 5.6.7, § 1, eerste lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, kunnen niet worden toegestaan voor de hernieuwing van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit die betrekking heeft op inrichtingen of activiteiten waarvoor een milieueffectrapport of een omgevingsveiligheidsrapport vereist is voor de volledigheid van de aanvraag van een omgevingsvergunning.".
Art. 559. L'article 2 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 juin 2009, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 2. Des dérogations aux prescriptions urbanistiques visées à l'article 5.6.7, § 1er, alinéa 1er, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire ne peuvent pas être accordées pour le renouvellement du permis d'environnement pour l'exploitation d'un établissement classé ou d'une activité classée qui porte sur des établissements ou activités pour lesquels une évaluation des incidences sur l'environnement ou un rapport de sécurité environnementale est requis(e) pour la complétude de la demande d'un permis d'environnement. ".
" Art. 2. Des dérogations aux prescriptions urbanistiques visées à l'article 5.6.7, § 1er, alinéa 1er, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire ne peuvent pas être accordées pour le renouvellement du permis d'environnement pour l'exploitation d'un établissement classé ou d'une activité classée qui porte sur des établissements ou activités pour lesquels une évaluation des incidences sur l'environnement ou un rapport de sécurité environnementale est requis(e) pour la complétude de la demande d'un permis d'environnement. ".
Hoofdstuk 9. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 mei 2000 tot aanwijzing van de handelingen in de zin van artikel 4.1.1, 5°, artikel 4.4.7, § 2, en artikel 4.7.1, § 2, tweede lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en tot regeling van het vooroverleg met de Vlaamse Bouwmeester
Chapitre 9. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 mai 2000 portant désignation des opérations au sens de l'article 4.1.1, point 5°, l'article 4.4.7, § 2, et l'article 4.7.1, § 2, deuxième alinéa, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire et réglant la concertation préalable avec l'Architecte du Gouvernement flamand
Art. 560. In het opschrift van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 mei 2000 tot aanwijzing van de handelingen in de zin van artikel 4.1.1, 5°, artikel 4.4.7, § 2, en artikel 4.7.1, § 2, tweede lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en tot regeling van het vooroverleg met de Vlaamse Bouwmeester worden de woorden "en tot regeling van het vooroverleg met de Vlaamse Bouwmeester" opgeheven.
Art. 560. Dans l'intitulé de l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 mai 2000 portant désignation des opérations au sens de l'article 4.1.1, point 5°, l'article 4.4.7, § 2, et l'article 4.7.1, § 2, deuxième alinéa, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire et réglant la concertation préalable avec l'Architecte du Gouvernement flamand, les mots " et réglant la concertation préalable avec l'Architecte du Gouvernement flamand " sont abrogés.
Art. 562. In artikel 1/1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° punt 1° wordt vervangen door wat volgt :
"1° aanvrager : de aanvrager van een omgevingsvergunning;";
2° in punt 3° wordt punt a) vervangen door wat volgt :
"a) hetzij vergund en nog niet uitgevoerd, als de aanvraag wordt ingediend binnen de geldigheidstermijn van de initiële omgevingsvergunning;".
1° punt 1° wordt vervangen door wat volgt :
"1° aanvrager : de aanvrager van een omgevingsvergunning;";
2° in punt 3° wordt punt a) vervangen door wat volgt :
"a) hetzij vergund en nog niet uitgevoerd, als de aanvraag wordt ingediend binnen de geldigheidstermijn van de initiële omgevingsvergunning;".
Art. 562. A l'article 1/1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 juillet 2012, les modifications suivantes sont apportées :
1° le point 1° est remplacé par ce qui suit :
" 1° demandeur : le demandeur d'un permis d'environnement ; " ;
2° au point 3°, le point a) est remplacé par ce qui suit :
" a) soit autorisé et non encore exécuté, lorsque la demande est introduite dans le délai de validité du permis d'environnement initial ; ".
1° le point 1° est remplacé par ce qui suit :
" 1° demandeur : le demandeur d'un permis d'environnement ; " ;
2° au point 3°, le point a) est remplacé par ce qui suit :
" a) soit autorisé et non encore exécuté, lorsque la demande est introduite dans le délai de validité du permis d'environnement initial ; ".
Art. 563. In artikel 3 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2012 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 2, vierde lid, worden de woorden "Het vergunningverlenende bestuursorgaan" vervangen door de zinsnede "De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 en 52 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning,";
2° in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden "het vergunningverlenende bestuursorgaan" vervangen door de zinsnede "de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 en 52 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning,";
3° in paragraaf 3, derde lid, worden de woorden "Dat bestuursorgaan" vervangen door de zinsnede "Die bevoegde overheid, vermeld in het eerste lid,";
4° in paragraaf 3, vierde lid, worden de woorden "Het vergunningverlenende bestuursorgaan" vervangen door de zinsnede "De bevoegde overheid, vermeld in het eerste lid,".
1° in paragraaf 2, vierde lid, worden de woorden "Het vergunningverlenende bestuursorgaan" vervangen door de zinsnede "De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 en 52 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning,";
2° in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden "het vergunningverlenende bestuursorgaan" vervangen door de zinsnede "de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 en 52 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning,";
3° in paragraaf 3, derde lid, worden de woorden "Dat bestuursorgaan" vervangen door de zinsnede "Die bevoegde overheid, vermeld in het eerste lid,";
4° in paragraaf 3, vierde lid, worden de woorden "Het vergunningverlenende bestuursorgaan" vervangen door de zinsnede "De bevoegde overheid, vermeld in het eerste lid,".
Art. 563. A l'article 3 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 juillet 2012 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 juin 2014, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 2, alinéa 4, les mots " l'organe administratif délivrant l'autorisation " sont remplacés par le membre de phrase " l'autorité compétente visée aux articles 15 et 52 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement " ;
2° au paragraphe 3, alinéa 1er, les mots " l'organe administratif accordant l'autorisation " sont remplacés par le membre de phrase " l'autorité compétente visée aux articles 15 et 52 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement " ;
3° au paragraphe 3, alinéa 3, les mots " cet organe administratif " sont remplacés par le membre de phrase " cette autorité compétente visée à l'alinéa 1er " ;
4° au paragraphe 3, alinéa 4, les mots " L'organe administratif accordant l'autorisation " sont remplacés par le membre de phrase " L'autorité compétente visée à l'alinéa 1er ".
1° au paragraphe 2, alinéa 4, les mots " l'organe administratif délivrant l'autorisation " sont remplacés par le membre de phrase " l'autorité compétente visée aux articles 15 et 52 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement " ;
2° au paragraphe 3, alinéa 1er, les mots " l'organe administratif accordant l'autorisation " sont remplacés par le membre de phrase " l'autorité compétente visée aux articles 15 et 52 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement " ;
3° au paragraphe 3, alinéa 3, les mots " cet organe administratif " sont remplacés par le membre de phrase " cette autorité compétente visée à l'alinéa 1er " ;
4° au paragraphe 3, alinéa 4, les mots " L'organe administratif accordant l'autorisation " sont remplacés par le membre de phrase " L'autorité compétente visée à l'alinéa 1er ".
Art. 564. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 2014, wordt hoofdstuk III/1, dat bestaat uit artikel 3/1, opgeheven.
Art. 564. Dans le même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 juin 2014, le chapitre III/1, consistant en l'article 3/1, est abrogé.
Art. 565. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 2014, wordt hoofdstuk IV, dat bestaat uit artikel 4, opgeheven.
Art. 565. Dans le même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 juin 2014, le chapitre IV, consistant en l'article 4, est abrogé.
Art. 566. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 2014, wordt hoofdstuk IV/bis, dat bestaat uit artikel 4bis, opgeheven.
Art. 566. Dans le même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 juin 2014, le chapitre IV/bis, consistant en l'article 4bis, est abrogé.
Hoofdstuk 10. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 mei 2000 tot vaststelling van nadere regels voor de samenstelling, de organisatie en de werkwijze van de provinciale en gemeentelijke commissies voor ruimtelijke ordening
Chapitre 10. - Modification de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 mai 2000 fixant les règles en vue de la composition, de l'organisation et du fonctionnement des commissions provinciales et communales pour l'aménagement du territoire
Art. 567. In artikel 5, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 mei 2000 tot vaststelling van nadere regels voor de samenstelling, de organisatie en de werkwijze van de provinciale en gemeentelijke commissies voor ruimtelijke ordening, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009, wordt de zin "De voorzitter van de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening dient deze commissie ook bijeen te roepen binnen vijftien dagen die volgen op een verzoek om advies over een vergunningsaanvraag, dat wordt voorgelegd door de gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar overeenkomstig artikel 4.7.16, § 3, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening." opgeheven.
Art. 567. A l'article 5, alinéa 2, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 mai 2000 fixant les règles en vue de la composition, de l'organisation et du fonctionnement des commissions provinciales et communales pour l'aménagement du territoire, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 juin 2009, la phrase " Le président de la commission communale pour l'aménagement du territoire doit également convoquer cette commission dans les quinze jours suivant une demande de permis qui est introduite par le fonctionnaire urbaniste communal conformément à l'article 4.7.16, § 3, du Code flamand sur l'Aménagement du Territoire. " est abrogée.
Hoofdstuk 11. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 mei 2000 ter uitvoering van sommige artikelen van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen
Chapitre 11. - Modification de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 mai 2000 portant exécution de certains articles du décret du 23 janvier 1991 relatif à la protection de l'environnement contre la pollution due aux engrais
Art. 568. In artikel 6 van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 mei 2000 ter uitvoering van sommige artikelen van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 568. A l'article 6 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 mai 2000 portant exécution de certains articles du décret du 23 janvier 1991 relatif à la protection de l'environnement contre la pollution due aux engrais, les mots " de l'autorisation écologique " sont chaque fois remplacés par les mots " du permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Hoofdstuk 12. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 februari 2001 tot vaststelling van nadere regels inzake compensatie van ontbossing en ontheffing van het verbod op ontbossing
Chapitre 12. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 février 2001 relatif aux modalités de la compensation du déboisement et de la dispense de l'interdiction de déboisement
Art. 569. In artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 februari 2001 tot vaststelling van nadere regels inzake compensatie van ontbossing en ontheffing van het verbod op ontbossing, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning tot ontbossing";
2° in het tweede lid wordt het woord "verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden".
1° in het eerste lid worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning tot ontbossing";
2° in het tweede lid wordt het woord "verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden".
Art. 569. A l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 février 2001 relatif aux modalités de la compensation du déboisement et de la dispense de l'interdiction de déboisement, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 mars 2008, les modifications suivantes sont apportées :
1° à l'alinéa 1er, les mots " de l'autorisation urbanistique de déboisement " sont remplacés par les mots " du permis d'environnement pour le déboisement " ;
2° à l'alinéa 2, les mots " du permis de lotir " sont remplacés par les mots " du permis d'environnement pour le lotissement de terrains ".
1° à l'alinéa 1er, les mots " de l'autorisation urbanistique de déboisement " sont remplacés par les mots " du permis d'environnement pour le déboisement " ;
2° à l'alinéa 2, les mots " du permis de lotir " sont remplacés par les mots " du permis d'environnement pour le lotissement de terrains ".
Art. 570. In artikel 3, eerste lid, van hetzelfde besluit worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning tot ontbossing".
Art. 570. A l'article 3, alinéa 1er, du même arrêté, les mots " de l'autorisation urbanistique de déboisement " sont remplacés par les mots " du permis d'environnement pour le déboisement ".
Art. 571. In artikel 4, vierde lid, 2° en 3°, van hetzelfde besluit, ingevoegd door het besluit van de Vlaamse Regering van 17 juli 2015, worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art. 571. A l'article 4, alinéa 4, points 2° et 3°, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 juillet 2015, les mots " du permis d'urbanisme " sont chaque fois remplacés par les mots " du permis d'environnement pour des actes urbanistiques ".
Art. 572. In artikel 6, eerste lid, van hetzelfde besluit worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning tot ontbossing".
Art. 572. A l'article 6, alinéa 1er, du même arrêté, les mots " de l'autorisation urbanistique de déboisement " sont remplacés par les mots " du permis d'environnement pour le déboisement ".
Art. 573. In artikel 8, vijfde lid, van hetzelfde besluit, vervangen door het besluit van de Vlaamse Regering van 17 juli 2015, worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning tot ontbossen" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning tot ontbossen" en de woorden "stedenbouwkundige vergunning" telkens door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art. 573. A l'article 8, alinéa 5, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 juillet 2015, les mots " du permis d'urbanisme de déboisement " sont remplacés par les mots " du permis d'environnement pour le déboisement " et les mots " du permis d'urbanisme " sont chaque fois remplacés par les mots " du permis d'environnement pour des actes urbanistiques ".
Art. 574. In artikel 9 van hetzelfde besluit worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art. 574. A l'article 9 du même arrêté, les mots " l'autorisation urbanistique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour des actes urbanistiques ".
Art. 575. In artikel 10 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008, worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning tot ontbossing".
Art. 575. A l'article 10 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 mars 2008, les mots " l'autorisation urbanistique de déboisement " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour le déboisement ".
Art. 576. In artikel 11 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008, worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art. 576. A l'article 11 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 mars 2008, les mots " de l'autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " du permis d'environnement pour des actes urbanistiques ".
Art. 577. In artikel 13, eerste lid, van hetzelfde besluit wordt het woord "verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden".
Art. 577. A l'article 13, alinéa 1er, du même arrêté, les mots " permis de lotir " sont remplacés par les mots " permis d'environnement pour le lotissement de terrains ".
Art. 578. In artikel 16 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 april 2004, worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning tot ontbossing".
Art. 578. A l'article 16 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 avril 2004, les mots " une autorisation urbanistique de déboisement " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement pour le déboisement ".
Art. 579. In artikel 17, tweede lid, van hetzelfde besluit worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning tot ontbossing".
Art. 579. A l'article 17, alinéa 2, du même arrêté, les mots " une autorisation urbanistique de déboisement " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement pour le déboisement ".
Hoofdstuk 13. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2001 tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van varkens
Chapitre 13. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 avril 2001 réglant l'arrêt volontaire, complet et définitif de la production de tous les effluents d'élevage provenant de porcs
Art. 580. In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2001 tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van varkens, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 2006, wordt punt 3° vervangen door wat volgt :
"3° varkenshouder : de houder van een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit die onder de toepassing valt van de indelingsrubrieken 9.4 en 9.5 van de indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;".
"3° varkenshouder : de houder van een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit die onder de toepassing valt van de indelingsrubrieken 9.4 en 9.5 van de indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;".
Art. 580. A l'article 1er de l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 avril 2001 réglant l'arrêt volontaire, complet et définitif de la production de tous les effluents d'élevage provenant de porcs, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 avril 2006, le point 3° est remplacé par ce qui suit :
" 3° l'éleveur de porcs : le détenteur d'un permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée tombant sous le coup des rubriques de classification 9.4 et 9.5 de la liste de classification visée à l'article 5.2.1, § 1er, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement ; ".
" 3° l'éleveur de porcs : le détenteur d'un permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée tombant sous le coup des rubriques de classification 9.4 et 9.5 de la liste de classification visée à l'article 5.2.1, § 1er, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement ; ".
Art. 581. In artikel 7, § 2, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 april 2004, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 581. A l'article 7, § 2, du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 avril 2004, les mots " de l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " du permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 582. In artikel 9, § 9, eerste lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 2006, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 582. A l'article 9, § 9, du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 avril 2006, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Hoofdstuk 14. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juni 2002 tot uitvoering van het Hoofdstuk IIIbis van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging en Hoofdstuk IVbis van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer
Chapitre 14. - Modification de l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 juin 2002 portant exécution du Chapitre IIIbis de la loi du 26 mars 1971 sur la protection des eaux de surface contre la pollution et du Chapitre IVbis du décret du 24 janvier 1984 portant des mesures en matière de gestion des eaux souterraines
Art. 583. In artikel 2, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juni 2002 tot uitvoering van het Hoofdstuk IIIbis van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging en Hoofdstuk IVbis van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in punt 1°, a), wordt de zinsnede "lozings- of milieuvergunning" vervangen door de woorden "lozingsvergunning of omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
2° in punt 3°, a), wordt de zinsnede "lozings- of milieuvergunning" vervangen door de woorden "lozingsvergunning of omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
3° in punt 4°, a), wordt de zinsnede "lozings- of milieuvergunning" vervangen door de woorden "lozingsvergunning of omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
1° in punt 1°, a), wordt de zinsnede "lozings- of milieuvergunning" vervangen door de woorden "lozingsvergunning of omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
2° in punt 3°, a), wordt de zinsnede "lozings- of milieuvergunning" vervangen door de woorden "lozingsvergunning of omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
3° in punt 4°, a), wordt de zinsnede "lozings- of milieuvergunning" vervangen door de woorden "lozingsvergunning of omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 583. A l'article 2, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 juin 2002 portant exécution du Chapitre IIIbis de la loi du 26 mars 1971 sur la protection des eaux de surface contre la pollution et du Chapitre IVbis du décret du 24 janvier 1984 portant des mesures en matière de gestion des eaux souterraines, les modifications suivantes sont apportées :
1° au point 1°, a), le membre de phrase " à l'autorisation écologique ou à l'autorisation de déversement " est remplacé par les mots " à l'autorisation de déversement ou au permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
2° au point 3°, a), le membre de phrase " à l'autorisation écologique ou à l'autorisation de déversement " est remplacé par les mots " à l'autorisation de déversement ou au permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
3° au point 4°, a), le membre de phrase " à l'autorisation écologique ou à l'autorisation de déversement " est remplacé par les mots " à l'autorisation de déversement ou au permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
1° au point 1°, a), le membre de phrase " à l'autorisation écologique ou à l'autorisation de déversement " est remplacé par les mots " à l'autorisation de déversement ou au permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
2° au point 3°, a), le membre de phrase " à l'autorisation écologique ou à l'autorisation de déversement " est remplacé par les mots " à l'autorisation de déversement ou au permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
3° au point 4°, a), le membre de phrase " à l'autorisation écologique ou à l'autorisation de déversement " est remplacé par les mots " à l'autorisation de déversement ou au permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 584. In artikel 7 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1 wordt de zinsnede "lozings- of milieuvergunning" vervangen door de woorden "lozingsvergunning of omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
2° in paragraaf 2, tweede lid, wordt de zinsnede "lozings- respectievelijk milieuvergunning" vervangen door de woorden "lozingsvergunning respectievelijk omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
1° in paragraaf 1 wordt de zinsnede "lozings- of milieuvergunning" vervangen door de woorden "lozingsvergunning of omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
2° in paragraaf 2, tweede lid, wordt de zinsnede "lozings- respectievelijk milieuvergunning" vervangen door de woorden "lozingsvergunning respectievelijk omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 584. A l'article 7 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 1er, le membre de phrase " l'autorisation écologique ou l'autorisation de déversement " est remplacé par les mots " l'autorisation de déversement ou le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
2° au paragraphe 2, alinéa 2, le membre de phrase " à l'autorisation écologique ou à l'autorisation de déversement " est remplacé par les mots " à l'autorisation de déversement ou au permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
1° au paragraphe 1er, le membre de phrase " l'autorisation écologique ou l'autorisation de déversement " est remplacé par les mots " l'autorisation de déversement ou le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
2° au paragraphe 2, alinéa 2, le membre de phrase " à l'autorisation écologique ou à l'autorisation de déversement " est remplacé par les mots " à l'autorisation de déversement ou au permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Hoofdstuk 15. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juni 2002 houdende de nadere bepaling van de regels en bevoegdheden voor de uitvoering van het decreet van 16 april 1996 betreffende de waterkeringen op de onbevaarbare waterlopen
Chapitre 15. - Modification de l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 juin 2002 précisant les règles et compétences en vue de l'exécution du décret du 16 avril 1996 relatif aux retenues d'eau sur les cours d'eau non navigables
Art. 585. In artikel 6, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juni 2002 houdende de nadere bepaling van de regels en bevoegdheden voor de uitvoering van het decreet van 16 april 1996 betreffende de waterkeringen op de onbevaarbare waterlopen, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, worden de woorden "aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning of een verkavelingsaanvraag" vervangen door de woorden "aanvraag tot omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden".
Art. 585. A l'article 6, alinéa 2, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 juin 2002 précisant les règles et compétences en vue de l'exécution du décret du 16 avril 1996 relatif aux retenues d'eau sur les cours d'eau non navigables, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 décembre 2011, les mots " demande d'autorisation urbanistique ou une demande de permis de lotir " sont remplacés par les mots " demande de permis d'environnement pour des actes urbanistiques ou pour le lotissement de terrains ".
Hoofdstuk 16. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 25 april 2003 tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van rundvee
Chapitre 16. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 25 avril 2003 réglant l'arrêt volontaire, complet et définitif de la production de tous les effluents d'élevage provenant de bovins
Art. 586. In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 25 april 2003 tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van rundvee, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 2006, wordt punt 3° vervangen door wat volgt :
"3° rundveehouder : de houder van een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit die onder de toepassing valt van de indelingsrubriek 9.4.2, 9.4.3 en/of 9.5, vermeld in de indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid".
"3° rundveehouder : de houder van een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit die onder de toepassing valt van de indelingsrubriek 9.4.2, 9.4.3 en/of 9.5, vermeld in de indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid".
Art. 586. A l'article 1er de l'arrêté du Gouvernement flamand du 25 avril 2003 réglant l'arrêt volontaire, complet et définitif de la production de tous les effluents d'élevage provenant de bovins, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 avril 2006, le point 3° est remplacé par ce qui suit :
" 3° l'éleveur de bovins : le détenteur d'un permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée tombant sous le coup des rubriques de classification 9.4.2, 9.4.3 et/ou 9.5 de la liste de classification visée à l'article 5.2.1, § 1er, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement ".
" 3° l'éleveur de bovins : le détenteur d'un permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée tombant sous le coup des rubriques de classification 9.4.2, 9.4.3 et/ou 9.5 de la liste de classification visée à l'article 5.2.1, § 1er, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement ".
Art. 587. In artikel 7, § 2, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 april 2004, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 587. A l'article 7, § 2, du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 avril 2004, les mots " de l'autorisation écologique ou une copie de celle-ci " sont remplacés par les mots " du permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ou une copie de celui-ci ".
Art. 588. In artikel 9, § 9, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 2006, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 588. A l'article 9, § 9, du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 avril 2006, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Hoofdstuk 17. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 november 2003 houdende maatregelen ter uitvoering van het gebiedsgericht natuurbeleid
Chapitre 17. - Modification de l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 novembre 2003 contenant des mesures d'exécution de la politique naturelle zonale
Art. 589. In artikel 21, § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 november 2003 houdende maatregelen ter uitvoering van het gebiedsgericht natuurbeleid, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 11 januari 2013, wordt de zinsnede "het decreet van 18 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning".
Art. 589. A l'article 21, § 2, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 novembre 2003 contenant des mesures d'exécution de la politique naturelle zonale, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 janvier 2013, le membre de phrase " décret du 18 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique " est remplacé par le membre de phrase " décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement ".
Hoofdstuk 18. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004 ter uitvoering van de bepalingen over de oprichting en de organisatie van het Garantiefonds voor Huisvesting in het kader van PPS-projecten sociale huisvesting
Chapitre 18. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 mai 2004 portant exécution des dispositions concernant la création et l'organisation du Fonds de Garantie du Logement dans le cadre de projets PPP de logement social
Art. 590. In artikel I.4 van de bijlage bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004 ter uitvoering van de bepalingen over de oprichting en de organisatie van het Garantiefonds voor Huisvesting in het kader van PPS-projecten sociale huisvesting worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art. 590. A l'article I.4 de l'annexe à l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 mai 2004 portant exécution des dispositions concernant la création et l'organisation du Fonds de Garantie du Logement dans le cadre de projets PPP de logement social, les mots " l'autorisation urbanistique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour des actes urbanistiques ".
Art. 591. In artikel II.8.1, tweede lid, van de bijlage bij hetzelfde besluit worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art. 591. A l'article II.8.1, alinéa 2, de l'annexe au même arrêté, les mots " une autorisation urbanistique définitive " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement définitif pour des actes urbanistiques ".
Art. 592. Artikel II.8.2 van de bijlage bij hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt :
"II.8.2 Stedenbouw
De opstalgever verklaart dat voor het goed dat hierbij in opstal wordt gegeven, geen omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden of geen stedenbouwkundig attest is uitgereikt waaruit blijkt dat een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen verkregen zou kunnen worden, en dat het bijgevolg niet zeker is dat op het goed kan worden gebouwd of dat er op het goed een vaste of verplaatsbare inrichting kan worden aangebracht die voor bewoning kan worden gebruikt.
De opstalhouder zal geen enkel gebouw, noch vaste of verplaatsbare inrichting die voor bewoning gebruikt zou kunnen worden, op het hierbij in opstal gegeven goed mogen oprichten zonder omgevingsvergunning. Hij kan die vergunning aanvragen zonder tussenkomst van of verhaal tegen de opstalgever.
In het algemeen zal de opstalhouder, in het geval hij op het goed bouwt, herbouwt, verbouwt, sloopt of de functie ervan wijzigt, of als hij het goed eventueel onteigent of onderwerpt aan een rooilijnplan, zich moeten onderwerpen aan alle bestaande en toekomstige reglementen en voorschriften die de bevoegde overheden hebben vastgesteld of nog zullen vaststellen, zonder tussenkomst van of verhaal tegen de opstalgever.
De aandacht van de partijen wordt erop gevestigd dat de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning van toepassing zijn op de huidige opstal.
Om te voldoen aan de vereisten, vermeld in artikel 5.2.5 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, verklaren de partijen dat (aan te vullen) ...
Daarnaast is artikel 4.2.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, dat de omgevingsvergunningsplicht voor stedenbouwkundige handelingen regelt, van toepassing.".
"II.8.2 Stedenbouw
De opstalgever verklaart dat voor het goed dat hierbij in opstal wordt gegeven, geen omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden of geen stedenbouwkundig attest is uitgereikt waaruit blijkt dat een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen verkregen zou kunnen worden, en dat het bijgevolg niet zeker is dat op het goed kan worden gebouwd of dat er op het goed een vaste of verplaatsbare inrichting kan worden aangebracht die voor bewoning kan worden gebruikt.
De opstalhouder zal geen enkel gebouw, noch vaste of verplaatsbare inrichting die voor bewoning gebruikt zou kunnen worden, op het hierbij in opstal gegeven goed mogen oprichten zonder omgevingsvergunning. Hij kan die vergunning aanvragen zonder tussenkomst van of verhaal tegen de opstalgever.
In het algemeen zal de opstalhouder, in het geval hij op het goed bouwt, herbouwt, verbouwt, sloopt of de functie ervan wijzigt, of als hij het goed eventueel onteigent of onderwerpt aan een rooilijnplan, zich moeten onderwerpen aan alle bestaande en toekomstige reglementen en voorschriften die de bevoegde overheden hebben vastgesteld of nog zullen vaststellen, zonder tussenkomst van of verhaal tegen de opstalgever.
De aandacht van de partijen wordt erop gevestigd dat de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning van toepassing zijn op de huidige opstal.
Om te voldoen aan de vereisten, vermeld in artikel 5.2.5 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, verklaren de partijen dat (aan te vullen) ...
Daarnaast is artikel 4.2.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, dat de omgevingsvergunningsplicht voor stedenbouwkundige handelingen regelt, van toepassing.".
Art. 592. L'article II.8.2 de l'annexe au même arrêté est remplacé par ce qui suit :
" II.8.2 Urbanisme
Le tréfoncier déclare qu'en ce qui concerne le bien cédé en superficie par les présentes, il n'a pas été délivré de permis d'environnement pour des actes urbanistiques ou pour le lotissement de terrains ni de certificat d'urbanisme dont il ressort qu'un permis d'environnement pour des actes urbanistiques pourrait être obtenu et qu'il n'est par conséquent pas certain que le bien soit constructible ou qu'une installation fixe ou mobile à usage d'habitation puisse être placée sur le bien.
Le superficiaire ne pourra pas ériger d'immeuble ni d'installation fixe ou mobile à usage d'habitation sur le bien cédé en superficie par les présentes sans permis d'environnement. Il peut demander ce permis sans intervention du tréfoncier ou recours contre celui-ci.
De manière générale, dans le cas où il construit, reconstruit, transforme ou démolit sur le bien ou en modifie la fonction ou s'il exproprie éventuellement le bien ou le soumet à un plan d'alignement, le superficiaire devra se soumettre à l'ensemble des règlements et prescriptions existants et futurs arrêtés ou à arrêter par les autorités compétentes, sans intervention du tréfoncier ou recours contre celui-ci.
L'attention des parties est attirée sur le fait que le Code flamand de l'Aménagement du Territoire et le décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement s'appliquent au présent droit de superficie.
Afin de répondre aux exigences visées à l'article 5.2.5 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire, les parties déclarent que (à compléter) ...
Par ailleurs, l'article 4.2.1 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire, qui règle l'obligation de permis d'environnement pour des actes urbanistiques, s'applique. ".
" II.8.2 Urbanisme
Le tréfoncier déclare qu'en ce qui concerne le bien cédé en superficie par les présentes, il n'a pas été délivré de permis d'environnement pour des actes urbanistiques ou pour le lotissement de terrains ni de certificat d'urbanisme dont il ressort qu'un permis d'environnement pour des actes urbanistiques pourrait être obtenu et qu'il n'est par conséquent pas certain que le bien soit constructible ou qu'une installation fixe ou mobile à usage d'habitation puisse être placée sur le bien.
Le superficiaire ne pourra pas ériger d'immeuble ni d'installation fixe ou mobile à usage d'habitation sur le bien cédé en superficie par les présentes sans permis d'environnement. Il peut demander ce permis sans intervention du tréfoncier ou recours contre celui-ci.
De manière générale, dans le cas où il construit, reconstruit, transforme ou démolit sur le bien ou en modifie la fonction ou s'il exproprie éventuellement le bien ou le soumet à un plan d'alignement, le superficiaire devra se soumettre à l'ensemble des règlements et prescriptions existants et futurs arrêtés ou à arrêter par les autorités compétentes, sans intervention du tréfoncier ou recours contre celui-ci.
L'attention des parties est attirée sur le fait que le Code flamand de l'Aménagement du Territoire et le décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement s'appliquent au présent droit de superficie.
Afin de répondre aux exigences visées à l'article 5.2.5 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire, les parties déclarent que (à compléter) ...
Par ailleurs, l'article 4.2.1 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire, qui règle l'obligation de permis d'environnement pour des actes urbanistiques, s'applique. ".
Art. 593. In artikel II.13 van de bijlage bij hetzelfde besluit worden de woorden "stedenbouwkundige vergunningen" vervangen door de woorden "omgevingsvergunningen voor stedenbouwkundige handelingen".
Art. 593. A l'article II.1.3 de l'annexe au même arrêté, les mots " les autorisations urbanistiques " sont remplacés par les mots " les permis d'environnement pour des actes urbanistiques " et le mot " obtenues " est remplacé par le mot " obtenus ".
Hoofdstuk 19. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 mei 2004 betreffende de erkenning en de financiële ondersteuning van verblijven in het kader van "Toerisme voor Allen"
Chapitre 19. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 mai 2004 relatif à l'agrément et au soutien financier de résidences dans le cadre de " Toerisme voor Allen " (Tourisme pour Tous)
Art. 594. In artikel 10, tweede lid, 7°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 mei 2004 betreffende de erkenning en de financiële ondersteuning van verblijven in het kader van "Toerisme voor Allen", vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 april 2008, wordt de zinsnede "stedenbouwkundige vergunning, afgeleverd door het college van burgemeester en schepenen" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art. 594. A l'article 10, alinéa 2, point 7°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 mai 2004 relatif à l'agrément et au soutien financier de résidences dans le cadre de " Toerisme voor Allen " (Tourisme pour Tous), remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 avril 2008, le membre de phrase " une autorisation urbanistique, délivrée par le collège des bourgmestre et échevins " est remplacé par les mots " un permis d'environnement pour des actes urbanistiques ".
Art. 595. In artikel 22 van hetzelfde besluit wordt het woord "bouwvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art. 595. A l'article 22 du même arrêté, les mots " permis de bâtir " sont remplacés par les mots " permis d'environnement pour des actes urbanistiques ".
Art. 596. In artikel 25 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 april 2008, wordt het woord "bouwvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art. 596. A l'article 25 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 avril 2008, les mots " permis de bâtir " sont remplacés par les mots " permis d'environnement pour des actes urbanistiques ".
Hoofdstuk 20. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 11 juni 2004 houdende het toekennen van een gewestbijdrage aan grijswaterleveranciers voor de uitbouw van grijswatercircuits ter bescherming van de kwetsbare watervoerende lagen
Chapitre 20. - Modification de l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 juin 2004 octroyant une intervention régionale aux fournisseurs d'eau grise pour l'aménagement de circuits d'eau grise en vue de la protection des nappes aquifères vulnérables
Art. 597. In artikel 1, 6°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 11 juni 2004 houdende het toekennen van een gewestbijdrage aan grijswaterleveranciers voor de uitbouw van grijswatercircuits ter bescherming van de kwetsbare watervoerende lagen, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 maart 2010, wordt de zinsnede "als vermeld in bijlage 1, rubriek 53, van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "als vermeld in rubriek 53 van de indelingslijst, als vermeld in artikel 5.2.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid".
Art. 597. A l'article 1er, point 6°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 juin 2004 octroyant une intervention régionale aux fournisseurs d'eau grise pour l'aménagement de circuits d'eau grise en vue de la protection des nappes aquifères vulnérables, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 mars 2010, le membre de phrase " tel que visé à l'annexe Ire, rubrique 53, de l'arrêté de l'Exécutif flamand du 6 février 1991 fixant le règlement flamand relatif à l'autorisation écologique " est remplacé par le membre de phrase " tel que visé à la rubrique 53 de la liste de classification visée à l'article 5.2.1, § 1er, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement ".
Hoofdstuk 21. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage
Chapitre 21. - Modification de l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 décembre 2004 établissant les catégories de projets soumises à l'évaluation des incidences sur l'environnement
Art. 598. In artikel 3, § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 598. A l'article 3, § 2, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 décembre 2004 établissant les catégories de projets soumises à l'évaluation des incidences sur l'environnement, les mots " une autorisation écologique " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 599. In bijlage II, 11, b), bij hetzelfde besluit wordt de zinsnede "rubriek 17.3, bijlage I, titel I van Vlarem" vervangen door de zinsnede "rubriek 17.3 van de indelingslijst zoals vermeld in artikel 5.2.1, § 1 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid".
Art. 599. A l'annexe II, 11, b), du même arrêté, le membre de phrase " rubrique 17.3, annexe 1re, titre Ier du Vlarem " est remplacé par le membre de phrase " rubrique 17.3 de la liste de classification visée à l'article 5.2.1, § 1er, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement ".
Hoofdstuk 22. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 september 2006 betreffende de voorwaarden voor de overdracht van onroerende goederen door de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen en de sociale huisvestingsmaatschappijen ter uitvoering van de Vlaamse Wooncode
Chapitre 22. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 septembre 2006 relatif aux conditions de transfert de biens immobiliers de la Société flamande du Logement et des sociétés sociales de logement en exécution du Code flamand du Logement
Art. 600. In artikel 5, eerste lid, 3°, van bijlage VI bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 september 2006 betreffende de voorwaarden voor de overdracht van onroerende goederen door de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen en de sociale huisvestingsmaatschappijen ter uitvoering van de Vlaamse Wooncode, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 11 oktober 2013, worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art. 600. A l'article 5, alinéa 1er, point 3°, de l'annexe VI à l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 septembre 2006 relatif aux conditions de transfert de biens immobiliers de la Société flamande du Logement et des sociétés sociales de logement en exécution du Code flamand du Logement, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 octobre 2013, les mots " de l'autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " du permis d'environnement pour des actes urbanistiques ".
Art. 601. In artikel 6, eerste lid, 3°, van bijlage VI bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 11 oktober 2013, worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art. 601. A l'article 6, alinéa 1er, point 3°, de l'annexe VI du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 octobre 2013, les mots " de l'autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " du permis d'environnement pour des actes urbanistiques ".
Hoofdstuk 23. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 november 2006 inzake de minimale weguitrusting
Chapitre 23. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 novembre 2006 en matière d'équipement routier minimal
Art. 602. In artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 november 2006 inzake de minimale weguitrusting, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009, worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art. 602. A l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 novembre 2006 en matière d'équipement routier minimal, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 juin 2009, les mots " d'autorisations urbanistiques " et " l'autorisation urbanistique " sont remplacés respectivement par les mots " de permis d'environnement pour des actes urbanistiques " et " le permis d'environnement pour des actes urbanistiques ".
Hoofdstuk 24. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 februari 2007 tot regeling van de investeringswaarborg voor woonzorgcentra, verstrekt door het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden, en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 september 2006 tot regeling van de alternatieve investeringswaarborg verstrekt door het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden
Chapitre 24. - Modification de l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 février 2007 réglant la garantie d'investissement pour les centres de services de soins et de logement, octroyée par le " Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden " (Fonds flamand de l'Infrastructure affectée aux Matières personnalisables), et modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er septembre 2006 réglant la garantie d'investissement alternative octroyée par le " Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden "
Art. 603. In artikel 15, derde lid, 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 februari 2007 tot regeling van de investeringswaarborg voor woonzorgcentra, verstrekt door het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden, en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 september 2006 tot regeling van de alternatieve investeringswaarborg verstrekt door het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art. 603. A l'article 15, alinéa 3, point 4°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 février 2007 réglant la garantie d'investissement pour les centres de services de soins et de logement, octroyée par le " Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden " (Fonds flamand de l'Infrastructure affectée aux Matières personnalisables), et modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er septembre 2006 réglant la garantie d'investissement alternative octroyée par le " Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden ", les mots " l'autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour des actes urbanistiques ".
Hoofdstuk 25. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juli 2007 tot uitvoering van hoofdstuk IIIbis van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging
Chapitre 25. - Modification de l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 juillet 2007 portant exécution du chapitre IIIbis de la loi du 26 mars 1971 sur la protection des eaux de surface contre la pollution
Art. 604. In artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juli 2007 tot uitvoering van hoofdstuk IIIbis van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging worden de volgende wijzigingen aangebracht
1° in paragraaf 1, a), wordt de zinsnede "lozings- en milieuvergunning" vervangen door de woorden "lozingsvergunning en omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
2° in paragraaf 3, a), en paragraaf 4, a), wordt de zinsnede "lozings- of milieuvergunning" vervangen door de woorden "lozingsvergunning en omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
1° in paragraaf 1, a), wordt de zinsnede "lozings- en milieuvergunning" vervangen door de woorden "lozingsvergunning en omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
2° in paragraaf 3, a), en paragraaf 4, a), wordt de zinsnede "lozings- of milieuvergunning" vervangen door de woorden "lozingsvergunning en omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 604. A l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 juillet 2007 portant exécution du chapitre IIIbis de la loi du 26 mars 1971 sur la protection des eaux de surface contre la pollution, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 1er, a), le membre de phrase " l'autorisation de déversement et écologique " est remplacé par les mots " l'autorisation de déversement et au permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
2° au paragraphe 3, a), et au paragraphe 4, a), le membre de phrase " l'autorisation de déversement ou écologique " est remplacé par les mots " l'autorisation de déversement et au permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
1° au paragraphe 1er, a), le membre de phrase " l'autorisation de déversement et écologique " est remplacé par les mots " l'autorisation de déversement et au permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
2° au paragraphe 3, a), et au paragraphe 4, a), le membre de phrase " l'autorisation de déversement ou écologique " est remplacé par les mots " l'autorisation de déversement et au permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 605. In artikel 3, § 1 en § 2, tweede lid, van hetzelfde besluit wordt de zinsnede "lozings-respectievelijk milieuvergunning" telkens vervangen door de zinsnede "lozingsvergunning, respectievelijk omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 605. A l'article 3, § 1er, du même arrêté, le membre de phrase " l'autorisation de déversement ou l'autorisation écologique " est chaque fois remplacé par les mots " l'autorisation de déversement ou le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Hoofdstuk 26. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2007 tot uitvoering van hoofdstuk IIIbis van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging
Chapitre 26. - Modification de l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 juillet 2007 portant exécution du chapitre IIIbis de la loi du 26 mars 1971 sur la protection des eaux de surface contre la pollution
Art. 606. In artikel 2, § 1, 1°, a), § 1, 3°, a), en § 1, 4°, a), van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2007 tot uitvoering van hoofdstuk IIIbis van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van oppervlaktewateren tegen verontreiniging, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007, wordt de zinsnede "lozings- of milieuvergunning" vervangen door de woorden "lozingsvergunning of omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 606. A l'article 2, § 1er, point 1°, a), § 1er, point 3°, a), et § 1er, point 4°, a), de l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 juillet 2007 portant exécution du chapitre IIIbis de la loi du 26 mars 1971 sur la protection des eaux de surface contre la pollution, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2007, le membre de phrase " l'autorisation écologique ou à l'autorisation de déversement " est remplacé par les mots " l'autorisation de déversement ou au permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 607. In artikel 7 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1 wordt de zinsnede "lozings- of milieuvergunning" vervangen door de woorden "lozingsvergunning of omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit" en wordt de zinsnede "lozings- respectievelijk milieuvergunning" vervangen door de woorden "lozingsvergunning respectievelijk omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
2° in paragraaf 2, tweede lid, wordt de zinsnede "lozings- respectievelijk milieuvergunning" vervangen door de woorden "lozingsvergunning respectievelijk omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
1° in paragraaf 1 wordt de zinsnede "lozings- of milieuvergunning" vervangen door de woorden "lozingsvergunning of omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit" en wordt de zinsnede "lozings- respectievelijk milieuvergunning" vervangen door de woorden "lozingsvergunning respectievelijk omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
2° in paragraaf 2, tweede lid, wordt de zinsnede "lozings- respectievelijk milieuvergunning" vervangen door de woorden "lozingsvergunning respectievelijk omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 607. A l'article 7 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 1er, le membre de phrase " l'autorisation de déversement ou l'autorisation écologique " est chaque fois remplacé par les mots " l'autorisation de déversement ou le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée "
2° au paragraphe 2, alinéa 2, le membre de phrase " à l'autorisation de déversement ou écologique " est remplacé par les mots " à l'autorisation de déversement ou au permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
1° au paragraphe 1er, le membre de phrase " l'autorisation de déversement ou l'autorisation écologique " est chaque fois remplacé par les mots " l'autorisation de déversement ou le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée "
2° au paragraphe 2, alinéa 2, le membre de phrase " à l'autorisation de déversement ou écologique " est remplacé par les mots " à l'autorisation de déversement ou au permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Hoofdstuk 27. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 september 2007 betreffende de toewijzing, het gebruik en de overname van de nutriëntenemissierechten en betreffende de bedrijfsontwikkeling na bewezen mestverwerking
Chapitre 27. - Modification de l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 septembre 2007 concernant l'attribution, l'utilisation et la reprise de droits d'émission d'éléments nutritionnels et concernant le développement de l'entreprise après traitement d'engrais avéré
Art. 608. In artikel 2, § 7, tweede lid, 2°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 september 2007 betreffende de toewijzing, het gebruik en de overname van de nutriëntenemissierechten en betreffende de bedrijfsontwikkeling na bewezen mestverwerking, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 608. A l'article 2, § 7, alinéa 2, point 2°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 septembre 2007 concernant l'attribution, l'utilisation et la reprise de droits d'émission d'éléments nutritionnels et concernant le développement de l'entreprise après traitement d'engrais avéré, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 septembre 2009, les mots " de l'autorisation écologique " et " à l'autorisation écologique " sont remplacés respectivement par les mots " du permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " et " au permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 609. In artikel 6 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 3, 2°, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
2° in paragraaf 4, 2°, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
1° in paragraaf 3, 2°, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
2° in paragraaf 4, 2°, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 609. A l'article 6 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 septembre 2009, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 3, point 2°, les mots " permis d'environnement " sont chaque fois remplacés par les mots " permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
2° au paragraphe 4, point 2°, les mots " permis d'environnement " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
1° au paragraphe 3, point 2°, les mots " permis d'environnement " sont chaque fois remplacés par les mots " permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
2° au paragraphe 4, point 2°, les mots " permis d'environnement " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 610. In artikel 12, tweede lid, 5°, van hetzelfde besluit wordt de zinsnede "een als hinderlijk ingedeelde veeteeltinrichting als bedoeld onder rubriek DIEREN 9.3 tot en met 9.8 van bijlage 1 bij Vlarem I" vervangen door de zinsnede "een als hinderlijk ingedeelde veeteeltinrichting als vermeld in rubriek DIEREN 9.3 tot en met 9.8 in de indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, § 1 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid".
Art. 610. A l'article 12, alinéa 2, point 5°, du même arrêté, le membre de phrase " une exploitation de bétail considérée comme une installation incommodante telle que visée sous la rubrique ANIMAUX 9.3 à 9.8 inclus de l'annexe 1 du Vlarem I " est remplacé par le membre de phrase " un établissement d'élevage classé comme incommode, tel que visé à la rubrique ANIMAUX 9.3 à 9.8 inclus de la liste de classification visée à l'article 5.2.1, § 1er, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement ".
Art. 611. In artikel 21, eerste lid, 3°, van hetzelfde besluit wordt de zinsnede "een als hinderlijk ingedeelde veeteeltinrichting als bedoeld onder rubriek DIEREN 9.3 tot en met 9.8 van bijlage 1 bij het Vlarem I vervangen door de zinsnede "een als hinderlijk ingedeelde veeteeltinrichting als vermeld in rubriek DIEREN 9.3 tot en met 9.8 in de indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, § 1 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid".
Art. 611. A l'article 21, alinéa 1er, point 3°, du même arrêté, le membre de phrase " une installation d'élevage considérée incommodante comme visé sous la rubrique ANIMAUX 9.3 à 9.8 de l'annexe 1re du Vlarem I " est remplacé par le membre de phrase " un établissement d'élevage classé comme incommode, tel que visé à la rubrique ANIMAUX 9.3 à 9.8 inclus de la liste de classification visée à l'article 5.2.1, § 1er, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement ".
Art. 612. In het opschrift van hoofdstuk VI van hetzelfde besluit wordt het woord "milieuvergunningen" vervangen door de woorden "omgevingsvergunningen voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 612. Dans l'intitulé du chapitre VI du même arrêté, les mots " permis d'environnement " sont remplacés par les mots " permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 613. In artikel 24, § 1, van hetzelfde besluit worden de woorden "de milieuvergunningsverlenende overheden" telkens vervangen door de woorden "de overheden die de omgevingsvergunningen voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit verlenen" en wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 613. A l'article 24, § 1er, du même arrêté, les mots " autorités qui délivrent le permis d'environnement " et " autorités délivrantes du permis d'environnement " sont remplacés par les mots " autorités qui délivrent les permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " et les mots " permis d'environnement " sont chaque fois remplacés par les mots " permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 614. In artikel 25, § 1, 2°, en § 2, 2°, van hetzelfde besluit wordt het woord "milieuvergunningen" vervangen door de woorden "omgevingsvergunningen voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 614. A l'article 25, § 1er, point 2°, et § 2, point 2°, du même arrêté, les mots " permis d'environnement " sont remplacés par les mots " permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 615. In artikel 28, § 6, van hetzelfde besluit worden de woorden "de milieuvergunningsverlenende overheden" telkens vervangen door de woorden "de overheden die de omgevingsvergunningen voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit verlenen" en wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 615. A l'article 28, § 6, du même arrêté, les mots " autorités délivrantes du permis d'environnement " sont chaque fois remplacés par les mots " autorités qui délivrent les permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " et les mots " permis d'environnement " sont chaque fois remplacés par les mots " permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Hoofdstuk 28. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en bodembescherming
Chapitre 28. - Modification de l'arrêté Gouvernement flamand du 14 décembre 2007 fixant le règlement flamand relatif à l'assainissement du sol et à la protection du sol
Art. 616. In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013 en 15 maart 2013, wordt punt 4° vervangen door wat volgt :
"4° decreet betreffende de omgevingsvergunning : het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;".
"4° decreet betreffende de omgevingsvergunning : het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;".
Art. 616. A l'article 1er de l'arrêté Gouvernement flamand du 14 décembre 2007 fixant le règlement flamand relatif à l'assainissement du sol et à la protection du sol, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 1er mars 2013 et 15 mars 2013, le point 4° est remplacé par ce qui suit :
" 4° décret relatif au permis d'environnement : le décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement ; ".
" 4° décret relatif au permis d'environnement : le décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement ; ".
Art. 622. In artikel 81, tweede lid, 1°, van hetzelfde besluit wordt het woord "Milieuvergunningsdecreet" vervangen door de woorden "decreet betreffende de omgevingsvergunning".
Art. 622. A l'article 81, alinéa 2, point 1°, du même arrêté, les mots " Décret sur l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " décret relatif au permis d'environnement ".
Art. 624. In artikel 102 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° [1 ...]1
2° punt 3° wordt vervangen door wat volgt :
"3° door de voorgestelde aanpassing is voor de meldingsplichtige inrichting of de inrichting met verplichte omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, opgenomen in het conform verklaarde bodemsaneringsproject of het conform verklaarde beperkt bodemsaneringsproject, krachtens de geldende regelgeving een milieueffectrapport of een veiligheidsrapport vereist;".
1° [1 ...]1
2° punt 3° wordt vervangen door wat volgt :
"3° door de voorgestelde aanpassing is voor de meldingsplichtige inrichting of de inrichting met verplichte omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, opgenomen in het conform verklaarde bodemsaneringsproject of het conform verklaarde beperkt bodemsaneringsproject, krachtens de geldende regelgeving een milieueffectrapport of een veiligheidsrapport vereist;".
Art. 624. A l'article 102 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
1° [1 ...]1
2° le point 3° est remplacé par ce qui suit :
" 3° il résulte de l'adaptation proposée que l'établissement soumis à l'obligation de déclaration ou l'établissement soumis au permis d'environnement obligatoire pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée, repris dans le projet d'assainissement du sol déclaré conforme ou le projet limité d'assainissement du sol déclaré conforme, nécessite une évaluation des incidences sur l'environnement ou un rapport de sécurité en vertu de la réglementation en vigueur ".
1° [1 ...]1
2° le point 3° est remplacé par ce qui suit :
" 3° il résulte de l'adaptation proposée que l'établissement soumis à l'obligation de déclaration ou l'établissement soumis au permis d'environnement obligatoire pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée, repris dans le projet d'assainissement du sol déclaré conforme ou le projet limité d'assainissement du sol déclaré conforme, nécessite une évaluation des incidences sur l'environnement ou un rapport de sécurité en vertu de la réglementation en vigueur ".
Art. 626. In artikel 122, tweede lid, 1°, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 september 2012, wordt punt a) vervangen door wat volgt :
"a) de toestand betreffende de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit;".
"a) de toestand betreffende de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit;".
Art. 626. A l'article 122, alinéa 2, point 1°, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 septembre 2012, le point a) est remplacé par ce qui suit :
" a) la situation concernant le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ; ".
" a) la situation concernant le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ; ".
Art. 627. In artikel 161, § 2, 4°, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 september 2011, wordt de zinsnede "volgens rubriek 60 van bijlage 1 bij Vlarem I" telkens vervangen door de zinsnede "volgens rubriek 60 van de indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid".
Art. 627. A l'article 161, § 2, point 4°, du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 septembre 2011, le membre de phrase " sur la base de la rubrique 60 de l'annexe 1re du Vlarem I " est chaque fois remplacé par le membre de phrase " sur la base de la rubrique 60 de la liste de classification visée à l'article 5.2.1, § 1er, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement ".
Art. 628. In artikel 175, § 2, 1°, van hetzelfde besluit wordt de zinsnede "een vergunde inrichting als vermeld in subrubriek 20.3.5 of rubriek 30 van bijlage 1 van het besluit van Vlarem I" vervangen door de zinsnede "een vergunde inrichting als vermeld in subrubriek 20.3.5 of rubriek 30 van de indelingslijst vermeld in artikel 5.2.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid".
Art. 628. A l'article 175, § 2, point 1°, du même arrêté, le membre de phrase " un établissement agréé, tel que visé à la sous-rubrique 20.3.5 ou à la rubrique 30 de l'annexe 1re du Vlarem I " est remplacé par le membre de phrase " un établissement autorisé tel que visé à la sous-rubrique 20.3.5 ou à la rubrique 30 de la liste de classification visée à l'article 5.2.1, § 1er, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement ".
Hoofdstuk 29. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2008 houdende bepaling van de nadere regels voor de opmaak, de actualisering en de financiering van het register van de onbebouwde percelen
Chapitre 29. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juillet 2008 fixant les modalités de l'établissement, de l'actualisation et du financement du registre des parcelles non bâties
Art. 629. In artikel 1, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2008 houdende bepaling van de nadere regels voor de opmaak, de actualisering en de financiering van het register van de onbebouwde percelen worden tussen het woord "verkavelingsvergunning" en het woord "bestaat" de woorden "of omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden" ingevoegd.
Art. 629. A l'article 1er, alinéa 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juillet 2008 fixant les modalités de l'établissement, de l'actualisation et du financement du registre des parcelles non bâties, les mots " une autorisation de lotissement non-échu " sont remplacés par les mots " un permis de lotir de non échu " et suivis des mots " ou un permis d'environnement pour le lotissement de terrains ".
Art. 630. In artikel 17 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden "gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar" vervangen door de woorden "gemeentelijke omgevingsambtenaar";
2° in het tweede lid worden de woorden "provinciale stedenbouwkundige ambtenaar of provinciale ambtenaar bevoegd voor het grond- en pandenbeleid" vervangen door de woorden "provinciale ambtenaar, bevoegd voor de ruimtelijke ordening of het grond- en pandenbeleid".
1° in het eerste lid worden de woorden "gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar" vervangen door de woorden "gemeentelijke omgevingsambtenaar";
2° in het tweede lid worden de woorden "provinciale stedenbouwkundige ambtenaar of provinciale ambtenaar bevoegd voor het grond- en pandenbeleid" vervangen door de woorden "provinciale ambtenaar, bevoegd voor de ruimtelijke ordening of het grond- en pandenbeleid".
Art. 630. A l'article 17 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 juin 2009, les modifications suivantes sont apportées :
1° à l'alinéa 1er, les mots " fonctionnaire urbanistique communal " sont remplacés par les mots " fonctionnaire environnement communal " ;
2° à l'alinéa 2, les mots " fonctionnaire urbanistique provincial ou fonctionnaire provincial en charge de la politique foncière et immobilière " sont remplacés par les mots " fonctionnaire provincial en charge de l'aménagement du territoire ou de la politique foncière et immobilière ".
1° à l'alinéa 1er, les mots " fonctionnaire urbanistique communal " sont remplacés par les mots " fonctionnaire environnement communal " ;
2° à l'alinéa 2, les mots " fonctionnaire urbanistique provincial ou fonctionnaire provincial en charge de la politique foncière et immobilière " sont remplacés par les mots " fonctionnaire provincial en charge de l'aménagement du territoire ou de la politique foncière et immobilière ".
Hoofdstuk 30. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 september 2008 betreffende de samenstelling, organisatie en werking van de Vlaamse Commissie voor Ruimtelijke Ordening (VLACORO)
Chapitre 30. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 septembre 2008 relatif à la composition, à l'organisation et au fonctionnement de la " Vlaamse Commissie voor Ruimtelijke Ordening " (VLACORO) (Commission flamande pour l'Aménagement du Territoire)
Art. 631. In artikel 2, eerste lid, 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 september 2008 betreffende de samenstelling, organisatie en werking van de Vlaamse Commissie voor Ruimtelijke Ordening (VLACORO) worden de woorden "gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaren" vervangen door de woorden "gemeentelijke omgevingsambtenaren met voldoende kennis van de ruimtelijke ordening".
Art. 631. A l'article 2, alinéa 1er, point 4°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 septembre 2008 relatif à la composition, à l'organisation et au fonctionnement de la " Vlaamse Commissie voor Ruimtelijke Ordening " (VLACORO) (Commission flamande pour l'Aménagement du Territoire), les mots " fonctionnaires experts provinciaux " sont remplacés par les mots " fonctionnaires environnement communaux attestant d'une connaissance suffisante de l'aménagement du territoire ".
Hoofdstuk 31. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 oktober 2008 betreffende nadere regels rond tuinbouw ter uitvoering van het decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen
Chapitre 31. - Modification de l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 octobre 2008 relatif aux modalités en matière d'horticulture en exécution du décret du 22 décembre 2006 concernant la protection des eaux contre la pollution par les nitrates à partir de sources agricoles
Art. 632. In artikel 13, § 3, eerste lid, 1°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 oktober 2008 betreffende nadere regels rond tuinbouw ter uitvoering van het decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 632. A l'article 13, § 3, alinéa 1er, point 1°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 octobre 2008 relatif aux modalités en matière d'horticulture en exécution du décret du 22 décembre 2006 concernant la protection des eaux contre la pollution par les nitrates à partir de sources agricoles, les mots " à l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " dans le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Hoofdstuk 32. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
Chapitre 32. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2008 portant exécution du titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement
Art. 633. In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° punt 11° wordt vervangen door wat volgt :
"11° decreet betreffende de omgevingsvergunning : het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;"
2° punt 22° wordt vervangen door wat volgt :
"22° de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning : de afdeling bij het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie van het Vlaams Ministerie van Leefmilieu, Natuur en Energie, die bevoegd is voor de omgevingsvergunning;";
3° punt 26° wordt vervangen door wat volgt :
"26° de afdeling, bevoegd voor erkenningen : de afdeling bij het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie van het Vlaams Ministerie van Leefmilieu, Natuur en Energie, die bevoegd is voor de omgevingsvergunning;";
1° punt 11° wordt vervangen door wat volgt :
"11° decreet betreffende de omgevingsvergunning : het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;"
2° punt 22° wordt vervangen door wat volgt :
"22° de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning : de afdeling bij het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie van het Vlaams Ministerie van Leefmilieu, Natuur en Energie, die bevoegd is voor de omgevingsvergunning;";
3° punt 26° wordt vervangen door wat volgt :
"26° de afdeling, bevoegd voor erkenningen : de afdeling bij het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie van het Vlaams Ministerie van Leefmilieu, Natuur en Energie, die bevoegd is voor de omgevingsvergunning;";
Art. 633. A l'article 1er de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2008 portant exécution du titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 25 avril 2014, les modifications suivantes sont apportées :
1° le point 11° est remplacé par ce qui suit :
" 11° décret relatif au permis d'environnement : le décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement ; "
2° le point 22° est remplacé par ce qui suit :
" 22° la division Environnement compétente pour le permis d'environnement : la division du département de l'Environnement, de la Nature et de l'Energie du ministère flamand de l'Environnement, de la Nature et de l'Energie, compétente pour le permis d'environnement ; " ;
3° le point 26° est remplacé par ce qui suit :
" 26° la division compétente pour les agréments : la division du département de l'Environnement, de la Nature et de l'Energie du ministère flamand de l'Environnement, de la Nature et de l'Energie, compétente pour le permis d'environnement ; ". ;
1° le point 11° est remplacé par ce qui suit :
" 11° décret relatif au permis d'environnement : le décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement ; "
2° le point 22° est remplacé par ce qui suit :
" 22° la division Environnement compétente pour le permis d'environnement : la division du département de l'Environnement, de la Nature et de l'Energie du ministère flamand de l'Environnement, de la Nature et de l'Energie, compétente pour le permis d'environnement ; " ;
3° le point 26° est remplacé par ce qui suit :
" 26° la division compétente pour les agréments : la division du département de l'Environnement, de la Nature et de l'Energie du ministère flamand de l'Environnement, de la Nature et de l'Energie, compétente pour le permis d'environnement ; ". ;
Art. 634. In artikel 12, 2°, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 25 april 2014, wordt de zinsnede "afdeling, bevoegd voor de milieuvergunningen" vervangen door de zinsnede "afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning".
Art. 634. A l'article 12, point 2°, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 25 avril 2014, le membre de phrase " division compétente pour les autorisations écologiques " est remplacé par le membre de phrase " division Environnement compétente pour le permis d'environnement ".
Art. 637. In artikel 23 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, wordt punt 5° vervangen door wat volgt :
"5° het decreet betreffende de omgevingsvergunning;".
"5° het decreet betreffende de omgevingsvergunning;".
Art. 637. A l'article 23, du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er mars 2013, le point 5° est remplacé par ce qui suit :
" 5° le décret relatif au permis d'environnement ; ".
" 5° le décret relatif au permis d'environnement ; ".
Art. 641. In artikel 28/1, 2°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010, wordt het woord "Milieuvergunningendecreet" vervangen door de woorden "decreet betreffende de omgevingsvergunning".
Art. 641. A l'article 28/1, point 2°, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010, les mots " décret relatif à l'Autorisation écologique " sont remplacés par les mots " décret relatif au permis d'environnement ".
Art. 643. In artikel 30, 2°, van hetzelfde besluit wordt het woord "Milieuvergunningendecreet" vervangen door de woorden "decreet betreffende de omgevingsvergunning".
Art. 643. A l'article 30, point 2°, du même arrêté, les mots " décret sur les Autorisations écologiques " sont remplacés par les mots " décret relatif au permis d'environnement ".
Art. 646. In artikel 35/6 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 646. A l'article 35/6, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, les mots " une autorisation environnementale " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 651. In bijlage VIII van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 mei 2014, wordt de zinsnede "vermeld in de lijst van hinderlijke inrichtingen, opgenomen als bijlage I bij titel I van het VLAREM" vervangen door de zinsnede "vermeld in de indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid".
Art. 651. A l'annexe VIII du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 mai 2014, le membre de phrase " repris dans la liste des établissements incommodants à l'annexe 1re du titre Ier du VLAREM " est remplacé par le membre de phrase " visés dans la liste de classification visée à l'article 5.2.1, § 1er, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement ".
Hoofdstuk 33. - Wijzigingen van het Soortenbesluit van 15 mei 2009
Chapitre 33. - Modifications de l'arrêté des Espèces du 15 mai 2009
Art. 652. In artikel 23, tweede lid, van het Soortenbesluit van 15 mei 2009, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 11 januari 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° punt 8° wordt vervangen door wat volgt :
"8° een omgevingsvergunning, verleend met toepassing van artikel 6, eerste lid, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, voor een project of voor een verandering van een project waarvoor ook een afwijking krachtens de bepalingen van dit besluit nodig is, in voorkomend geval onder de voorwaarden en lasten, vermeld in de vergunning of afwijking.";
2° punt 9° wordt opgeheven.
1° punt 8° wordt vervangen door wat volgt :
"8° een omgevingsvergunning, verleend met toepassing van artikel 6, eerste lid, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, voor een project of voor een verandering van een project waarvoor ook een afwijking krachtens de bepalingen van dit besluit nodig is, in voorkomend geval onder de voorwaarden en lasten, vermeld in de vergunning of afwijking.";
2° punt 9° wordt opgeheven.
Art. 652. A l'article 23, alinéa 2, de l'arrêté des Espèces du 15 mai 2009, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 janvier 2013, les modifications suivantes sont apportées :
1° le point 8° est remplacé par ce qui suit :
" 8° un permis d'environnement, accordé en application de l'article 6, alinéa 1er, du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, pour un projet ou pour une modification de projet nécessitant également une dérogation en vertu des dispositions du présent arrêté, le cas échéant, aux conditions et charges mentionnées dans le permis ou la dérogation. " ;
2° le point 9° est abrogé.
1° le point 8° est remplacé par ce qui suit :
" 8° un permis d'environnement, accordé en application de l'article 6, alinéa 1er, du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, pour un projet ou pour une modification de projet nécessitant également une dérogation en vertu des dispositions du présent arrêté, le cas échéant, aux conditions et charges mentionnées dans le permis ou la dérogation. " ;
2° le point 9° est abrogé.
Hoofdstuk 34. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 mei 2009 tot uitvoering van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het toeristische logies
Chapitre 34. - Modification de l'arrêté du Gouvernement flamand 15 mai 2009 portant exécution du décret du 10 juillet 2008 relatif à l'hébergement touristique
Art. 653. In artikel 1, 19°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 mei 2009 tot uitvoering van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het toeristische logies, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2012, worden de woorden "of een stedenbouwkundig uittreksel" vervangen door de zinsnede ", een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of een uittreksel uit het plannen- en vergunningenregister".
Art. 653. A l'article 1er, point 19°, de l'arrêté du Gouvernement flamand 15 mai 2009 portant exécution du décret du 10 juillet 2008 relatif à l'hébergement touristique, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 octobre 2012, les mots " ou d'un extrait des services d'urbanisme " sont remplacés par le membre de phrase " , d'un permis d'environnement pour des actes urbanistiques ou d'un extrait du registre des plans et permis ".
Hoofdstuk 35. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009 betreffende sommige aspecten van de planbatenheffing
Chapitre 35. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 mai 2009 relatif à certains aspects de la taxe sur les bénéfices résultant de la planification spatiale
Art. 654. In artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009 betreffende sommige aspecten van de planbatenheffing worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het derde lid wordt het woord "verkavelingsvergunning" telkens vervangen door de woorden "verkavelingsvergunning of omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden";
2° in het vierde lid worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "stedenbouwkundige vergunning of omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
1° in het derde lid wordt het woord "verkavelingsvergunning" telkens vervangen door de woorden "verkavelingsvergunning of omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden";
2° in het vierde lid worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "stedenbouwkundige vergunning of omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art. 654. A l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 mai 2009 relatif à certains aspects de la taxe sur les bénéfices résultant de la planification spatiale, les modifications suivantes sont apportées :
1° à l'alinéa 3, les mots " permis de lotissement " sont chaque fois remplacés par les mots " permis de lotir ou permis d'environnement pour le lotissement de terrains ".
2° à l'alinéa 4, les mots " permis d'urbanisme " sont remplacés par les mots " permis d'urbanisme ou permis d'environnement pour des actes urbanistiques ".
1° à l'alinéa 3, les mots " permis de lotissement " sont chaque fois remplacés par les mots " permis de lotir ou permis d'environnement pour le lotissement de terrains ".
2° à l'alinéa 4, les mots " permis d'urbanisme " sont remplacés par les mots " permis d'urbanisme ou permis d'environnement pour des actes urbanistiques ".
Hoofdstuk 36. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 tot vaststelling van de regels voor het verlenen van de voorafgaande vergunning voor sommige woonzorgvoorzieningen
Chapitre 36. - Modification de l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 juin 2009 réglementant l'octroi de l'autorisation préalable pour certaines structures de services de soins et de logement
Art. 655. In artikel 7, § 1, 2°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 tot vaststelling van de regels voor het verlenen van de voorafgaande vergunning voor sommige woonzorgvoorzieningen worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art. 655. A l'article 7, § 1er, point 2°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 juin 2009 réglementant l'octroi de l'autorisation préalable pour certaines structures de services de soins et de logement, les mots " une autorisation urbanistique a été obtenue ou demandée " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement pour des actes urbanistiques a été obtenu ou demandé ".
Hoofdstuk 37. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 betreffende de programmatie, de erkenningsvoorwaarden en de subsidieregeling voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen van gebruikers en mantelzorgers
Chapitre 37. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juillet 2009 relatif à la programmation, aux conditions d'agrément et au régime de subventionnement de structures de services de soins et de logement et d'associations d'usagers et d'intervenants de proximité
Art. 656. In artikel 47 van bijlage XII bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 betreffende de programmatie, de erkenningsvoorwaarden en de subsidieregeling voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen van gebruikers en mantelzorgers worden tussen de woorden "stedenbouwkundige vergunning" en de woorden "voor de geplande bouwwerkzaamheden" de woorden "of omgevingsvergunning" ingevoegd.
Art. 656. A l'article 47 de l'annexe XII à l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juillet 2009 relatif à la programmation, aux conditions d'agrément et au régime de subventionnement de structures de services de soins et de logement et d'associations d'usagers et d'intervenants de proximité, les mots " ou un permis d'environnement " sont insérés entre les mots " une autorisation urbanistique " et les mots " pour les travaux de construction prévus " et les mots " a été délivrée " sont remplacés par les mots " a été délivré(e) ".
Hoofdstuk 38. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 maart 2010 betreffende stedenbouwkundige attesten, projectvergaderingen en stedenbouwkundige inlichtingen
Chapitre 38. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 mars 2010 relatif aux autorisations urbanistiques, aux réunions de projet et aux informations urbanistiques
Art. 657. In het opschrift van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 maart 2010 betreffende stedenbouwkundige attesten, projectvergaderingen en stedenbouwkundige inlichtingen wordt de zinsnede ", projectvergaderingen" opgeheven.
Art. 657. Dans l'intitulé de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 mars 2010 relatif aux autorisations urbanistiques, aux réunions de projet et aux informations urbanistiques, le membre de phrase " , aux réunions de projet " est abrogé.
Art. 658. In artikel 3 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 2014, wordt paragraaf 1 vervangen door wat volgt :
" § 1. In de gevallen waarin met toepassing van artikel 24 en 42 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning advies moet worden gevraagd over de aanvragen tot een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden, wordt ook advies gevraagd bij de behandeling van de aanvraag van een stedenbouwkundig attest.
Aan de adviesvereiste, vermeld in het eerste lid, kan worden voorbijgegaan als het advies niet wordt verleend binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de dag van de ontvangst van de adviesvraag.".
" § 1. In de gevallen waarin met toepassing van artikel 24 en 42 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning advies moet worden gevraagd over de aanvragen tot een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden, wordt ook advies gevraagd bij de behandeling van de aanvraag van een stedenbouwkundig attest.
Aan de adviesvereiste, vermeld in het eerste lid, kan worden voorbijgegaan als het advies niet wordt verleend binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de dag van de ontvangst van de adviesvraag.".
Art. 658. A l'article 3 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 juin 2014, le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Dans les cas où, en application des articles 24 et 42 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, un avis doit être demandé au sujet des demandes de permis d'environnement pour des actes urbanistiques ou pour le lotissement de terrains, il sera également demandé un avis lors du traitement de la demande d'un certificat d'urbanisme.
Lorsque l'avis n'est pas rendu dans un délai de trente jours prenant cours le lendemain de la réception de la demande d'avis, il peut être passé outre à cette condition. ".
" § 1er. Dans les cas où, en application des articles 24 et 42 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, un avis doit être demandé au sujet des demandes de permis d'environnement pour des actes urbanistiques ou pour le lotissement de terrains, il sera également demandé un avis lors du traitement de la demande d'un certificat d'urbanisme.
Lorsque l'avis n'est pas rendu dans un délai de trente jours prenant cours le lendemain de la réception de la demande d'avis, il peut être passé outre à cette condition. ".
Art. 659. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 2014, wordt hoofdstuk 2, dat bestaat uit artikel 5 tot en met 9, opgeheven.
Art. 659. Dans le même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 juin 2014, le chapitre 2, composé des articles 5 à 9 inclus, est abrogé.
Hoofdstuk 39. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 betreffende de meldingsplichtige handelingen ter uitvoering van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening
Chapitre 39. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 juillet 2010 relatif aux actes soumis à l'obligation de déclaration en exécution du Code flamand de l'Aménagement du Territoire
Art. 661. In artikel 6 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 12 juli 2013 en 16 mei 2014, wordt het eerste lid vervangen door wat volgt :
"De bepalingen van dit hoofdstuk gelden niet voor handelingen die strijdig zijn met de voorschriften van stedenbouwkundige verordeningen, ruimtelijke uitvoeringsplannen, plannen van aanleg of vergunningen voor het verkavelen van gronden, of met de uitdrukkelijke voorwaarden van omgevingsvergunningen, met behoud van de toepassing van de andere regelgeving die van toepassing is.".
"De bepalingen van dit hoofdstuk gelden niet voor handelingen die strijdig zijn met de voorschriften van stedenbouwkundige verordeningen, ruimtelijke uitvoeringsplannen, plannen van aanleg of vergunningen voor het verkavelen van gronden, of met de uitdrukkelijke voorwaarden van omgevingsvergunningen, met behoud van de toepassing van de andere regelgeving die van toepassing is.".
Art. 661. A l'article 6 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 12 juillet 2013 et 16 mai 2014, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
" Les dispositions du présent chapitre ne s'appliquent pas aux actes contraires aux prescriptions des règlements urbanistiques, des plans d'exécution spatiaux, des plans d'aménagement ou des permis pour le lotissement de terrains, ou aux conditions explicites des permis d'environnement, sous réserve de l'application de l'autre réglementation applicable. ".
" Les dispositions du présent chapitre ne s'appliquent pas aux actes contraires aux prescriptions des règlements urbanistiques, des plans d'exécution spatiaux, des plans d'aménagement ou des permis pour le lotissement de terrains, ou aux conditions explicites des permis d'environnement, sous réserve de l'application de l'autre réglementation applicable. ".
Art. 662. Artikel 7 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 april 2014, wordt opgeheven.
Art. 662. L'article 7 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 avril 2014, est abrogé.
Hoofdstuk 40. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 tot bepaling van handelingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is
Chapitre 40. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 juillet 2010 portant détermination des actes qui ne requièrent pas d'autorisation urbanistique
Art. 663. In het opschrift van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 tot bepaling van handelingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° tussen de woorden "tot bepaling van" en het woord "handelingen" wordt het woord "stedenbouwkundige" ingevoegd;
2° de woorden "stedenbouwkundige vergunning" worden vervangen door het woord "omgevingsvergunning".
1° tussen de woorden "tot bepaling van" en het woord "handelingen" wordt het woord "stedenbouwkundige" ingevoegd;
2° de woorden "stedenbouwkundige vergunning" worden vervangen door het woord "omgevingsvergunning".
Art. 663. Dans l'intitulé de l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 juillet 2010 portant détermination des actes qui ne requièrent pas d'autorisation urbanistique, les modifications suivantes sont apportées :
1° le mot " urbanistiques " est inséré entre le mot " actes " et le mot " qui "
2° les mots " d'autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " de permis d'environnement ".
1° le mot " urbanistiques " est inséré entre le mot " actes " et le mot " qui "
2° les mots " d'autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " de permis d'environnement ".
Art. 664. In artikel 1.3 van hetzelfde besluit worden de woorden "stedenbouwkundige vergunningen" vervangen door de woorden "omgevingsvergunningen voor stedenbouwkundige handelingen".
Art. 664. A l'article 1.3 du même arrêté, les mots " de règlements urbanistiques " sont remplacés par les mots " de permis d'environnement pour des actes urbanistiques ".
Art. 665. In artikel 1.4 van hetzelfde besluit worden de woorden "of verkavelingsvergunningen" vervangen door de zinsnede ", verkavelingsvergunningen of omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden".
Art. 665. A l'article 1.4 du même arrêté, les mots " ou de permis de lotir " sont remplacés par les mots ", de permis de lotir ou de permis d'environnement pour le lotissement de terrains ".
Art. 666. In artikel 2.1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 januari 2014, worden de woorden "Een stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "Een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art. 666. A l'article 2.1 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 janvier 2014, les mots " Une autorisation urbanistique n'est pas requise " sont remplacés par les mots " Un permis d'environnement pour des actes urbanistiques n'est pas requis ".
Art. 667. In artikel 3.1 van hetzelfde besluit worden de woorden "Een stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "Een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art. 667. A l'article 3.1 du même arrêté, les mots " Une autorisation urbanistique n'est pas requise " sont remplacés par les mots " Un permis d'environnement pour des actes urbanistiques n'est pas requis ".
Art. 668. In artikel 4.1 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in de inleidende zin worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen";
2° in punt 6° wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "milieuvergunning of de omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit".
1° in de inleidende zin worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen";
2° in punt 6° wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "milieuvergunning of de omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 668. A l'article 4.1 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans la phrase introductive, les mots " Une autorisation urbanistique n'est pas requise " sont remplacés par les mots " Un permis d'environnement pour des actes urbanistiques n'est pas requis " ;
2° au point 6, les mots " une autorisation écologique " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement pour l'exploitation d'un établissement classé ou d'une activité classée " et les mots " a été accordée " sont remplacés par les mots " a été accordé ".
1° dans la phrase introductive, les mots " Une autorisation urbanistique n'est pas requise " sont remplacés par les mots " Un permis d'environnement pour des actes urbanistiques n'est pas requis " ;
2° au point 6, les mots " une autorisation écologique " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement pour l'exploitation d'un établissement classé ou d'une activité classée " et les mots " a été accordée " sont remplacés par les mots " a été accordé ".
Art. 669. In artikel 5.1 van hetzelfde besluit, vervangen en vernummerd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 januari 2014, worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art. 669. A l'article 5.1 du même arrêté, remplacé et renuméroté par l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 janvier 2014, les mots " L'autorisation urbanistique n'est pas requise " sont remplacés par les mots " Un permis d'environnement pour des actes urbanistiques n'est pas requis ".
Art. 670. In artikel 5.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 januari 2014, worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art. 670. A l'article 5.2 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 janvier 2014, les mots " L'autorisation urbanistique n'est pas requise " sont remplacés par les mots " Un permis d'environnement pour des actes urbanistiques n'est pas requis ".
Art. 671. In artikel 6.1 van hetzelfde besluit worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art. 671. A l'article 6.1 du même arrêté, les mots " Une autorisation urbanistique n'est pas requise " sont remplacés par les mots " Un permis d'environnement pour des actes urbanistiques n'est pas requis ".
Art. 672. In artikel 6.2 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 2014, worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art. 672. A l'article 6.2 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 juin 2014, les mots " Une autorisation urbanistique n'est pas requise " sont remplacés par les mots " Un permis d'environnement pour des actes urbanistiques n'est pas requis ".
Art. 673. In artikel 7.1 van hetzelfde besluit worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art. 673. A l'article 7.1 du même arrêté, les mots " Une autorisation urbanistique n'est pas requise " sont remplacés par les mots " Un permis d'environnement pour des actes urbanistiques n'est pas requis " et les mots " dans l'autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " dans le permis d'environnement pour des actes urbanistiques ".
Art. 674. In artikel 7.2 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 januari 2014, worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art. 674. A l'article 7.2 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 janvier 2014, les mots " L'autorisation urbanistique n'est pas requise " sont remplacés par les mots " Un permis d'environnement pour des actes urbanistiques n'est pas requis ".
Art. 675. In artikel 7.3 van hetzelfde besluit worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art. 675. A l'article 7.3 du même arrêté, les mots " Une autorisation urbanistique n'est pas requise " sont remplacés par les mots " Un permis d'environnement pour des actes urbanistiques n'est pas requis ".
Art. 676. In artikel 7.4 van hetzelfde besluit worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art. 676. A l'article 7.4 du même arrêté, les mots " Une autorisation urbanistique n'est pas requise " sont remplacés par les mots " Un permis d'environnement pour des actes urbanistiques n'est pas requis ".
Art. 677. In artikel 8.1 van hetzelfde besluit worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art. 677. A l'article 8.1 du même arrêté, les mots " Une autorisation urbanistique n'est pas requise " sont remplacés par les mots " Un permis d'environnement pour des actes urbanistiques n'est pas requis ".
Art. 678. In artikel 8.2, 8°, van hetzelfde besluit wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 678. A l'article 8.2, point 8°, du même arrêté, les mots " une autorisation écologique " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement pour l'exploitation d'un établissement classé ou d'une activité classée " et les mots " n'est pas requise " sont remplacés par les mots " n'est pas requis ".
Art. 679. In artikel 8.3 van hetzelfde besluit worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art. 679. A l'article 8.3 du même arrêté, les mots " Une autorisation urbanistique n'est pas requise " sont remplacés par les mots " Un permis d'environnement pour des actes urbanistiques n'est pas requis ".
Art. 680. In artikel 8.4, eerste lid, en artikel 8.5 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 januari 2014, worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art. 680. A l'article 8.4, alinéa 1er, et à l'article 8.5 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 janvier 2014, les mots " L'autorisation urbanistique n'est pas requise " sont chaque fois remplacés par les mots " Un permis d'environnement pour des actes urbanistiques n'est pas requis ".
Art. 681. In artikel 9 van hetzelfde besluit worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art. 681. A l'article 9 du même arrêté, les mots " Une autorisation urbanistique n'est pas requise " sont remplacés par les mots " Un permis d'environnement pour des actes urbanistiques n'est pas requis ".
Art. 682. In artikel 10 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 november 2010, worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art. 682. A l'article 10 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 novembre 2010, les mots " Une autorisation urbanistique n'est pas requise " sont remplacés par les mots " Un permis d'environnement pour des actes urbanistiques n'est pas requis ".
Art. 683. In artikel 11.1, 11.2, 11.3, 11.4, 11.5, 11.6, 11.7, 11.8, 12.1, 12.2, 12.3 en 13.1 van hetzelfde besluit worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art. 683. Aux articles 11.1, 11.2, 11.3, 11.4, 11.5, 11.6, 11.7, 11.8, 12.1, 12.2, 12.3 et 13.1 du même arrêté, les mots " Une autorisation urbanistique n'est pas requise " sont chaque fois remplacés par les mots " Un permis d'environnement pour des actes urbanistiques n'est pas requis ".
Art. 684. In artikel 13.2 van hetzelfde besluit worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art. 684. A l'article 13.2 du même arrêté, les mots " Une autorisation urbanistique n'est pas requise " sont remplacés par les mots " Un permis d'environnement pour des actes urbanistiques n'est pas requis ".
Hoofdstuk 41. - Wijziging van het VLAREL van 19 november 2010
Chapitre 41. - Modification du VLAREL du 19 novembre 2010
Art. 685. In artikel 4, § 1, van het VLAREL van 19 november 2010, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013 en 16 mei 2014, worden punt 6° en 7° vervangen door wat volgt :
"6° de afdeling bevoegd voor erkenningen : de afdeling bij het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie van het Vlaams Ministerie van Leefmilieu, Natuur en Energie, die bevoegd is voor de omgevingsvergunning;
7° de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning : de afdeling bij het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie van het Vlaams Ministerie van Leefmilieu, Natuur en Energie, die bevoegd is voor de omgevingsvergunning.".
"6° de afdeling bevoegd voor erkenningen : de afdeling bij het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie van het Vlaams Ministerie van Leefmilieu, Natuur en Energie, die bevoegd is voor de omgevingsvergunning;
7° de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning : de afdeling bij het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie van het Vlaams Ministerie van Leefmilieu, Natuur en Energie, die bevoegd is voor de omgevingsvergunning.".
Art. 685. A l'article 4, § 1er, du VLAREL du 19 novembre 2010, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 1er mars 2013 et 16 mai 2014, les points 6° et 7° sont remplacés par ce qui suit :
" 6° la division compétente pour les agréments : la division du département de l'Environnement, de la Nature et de l'Energie du ministère flamand de l'Environnement, de la Nature et de l'Energie, compétente pour le permis d'environnement ;
7° la division Environnement compétente pour le permis d'environnement : la division du département de l'Environnement, de la Nature et de l'Energie du ministère flamand de l'Environnement, de la Nature et de l'Energie, compétente pour le permis d'environnement ; ".
" 6° la division compétente pour les agréments : la division du département de l'Environnement, de la Nature et de l'Energie du ministère flamand de l'Environnement, de la Nature et de l'Energie, compétente pour le permis d'environnement ;
7° la division Environnement compétente pour le permis d'environnement : la division du département de l'Environnement, de la Nature et de l'Energie du ministère flamand de l'Environnement, de la Nature et de l'Energie, compétente pour le permis d'environnement ; ".
Art. 687. In artikel 18 wordt de zinsnede "vastgesteld in bijlage 1 van titel I van het VLAREM" telkens vervangen door de zinsnede "vastgesteld in de indelingslijst vermeld in artikel 5.2.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid".
Art. 687. A l'article 18, le membre de phrase " établie en l'annexe 1re du titre Ier du VLAREM " est chaque fois remplacé par le membre de phrase " établie dans la liste de classification visée à l'article 5.2.1, § 1er, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement ".
Art. 688. In artikel 19, 2°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, wordt de zinsnede "afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen" vervangen door de zinsnede "afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning".
Art. 688. A l'article 19, point 2°, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er mars 2013, le membre de phrase " division, compétente pour les autorisations écologiques " est remplacé par le membre de phrase " division Environnement compétente pour le permis d'environnement ".
Art. 690. In artikel 32, § 2, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, wordt de zinsnede "de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen" telkens vervangen door de zinsnede "de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning".
Art. 690. A l'article 32, § 2, alinéa 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er mars 2013, le membre de phrase " la division, compétente pour les autorisations écologiques " est remplacé par le membre de phrase " la division Environnement compétente pour le permis d'environnement ".
Art. 691. In artikel 42 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in punt 4° wordt de zinsnede "de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen" telkens vervangen door de zinsnede "de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning";
2° in punt 5° wordt de zinsnede "de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen" vervangen door de zinsnede "de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning";
3° in punt 6° wordt de zinsnede "de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen" telkens vervangen door de zinsnede "de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning";
4° in punt 7° wordt de zinsnede "de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen" vervangen door de zinsnede "de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning".
1° in punt 4° wordt de zinsnede "de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen" telkens vervangen door de zinsnede "de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning";
2° in punt 5° wordt de zinsnede "de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen" vervangen door de zinsnede "de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning";
3° in punt 6° wordt de zinsnede "de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen" telkens vervangen door de zinsnede "de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning";
4° in punt 7° wordt de zinsnede "de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen" vervangen door de zinsnede "de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning".
Art. 691. A l'article 42 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er mars 2013, les modifications suivantes sont apportées :
1° au point 4°, le membre de phrase " la division, compétente pour les autorisations écologiques " est chaque fois remplacé par le membre de phrase " la division Environnement compétente pour le permis d'environnement " ;
2° au point 5°, le membre de phrase " la division, compétente pour les autorisations écologiques " est remplacé par le membre de phrase " la division Environnement compétente pour le permis d'environnement " ;
3° au point 6°, le membre de phrase " la division, compétente pour les autorisations écologiques " est chaque fois remplacé par le membre de phrase " la division Environnement compétente pour le permis d'environnement " ;
4° au point 7°, le membre de phrase " la division, compétente pour les autorisations écologiques " est remplacé par le membre de phrase " la division Environnement compétente pour le permis d'environnement ".
1° au point 4°, le membre de phrase " la division, compétente pour les autorisations écologiques " est chaque fois remplacé par le membre de phrase " la division Environnement compétente pour le permis d'environnement " ;
2° au point 5°, le membre de phrase " la division, compétente pour les autorisations écologiques " est remplacé par le membre de phrase " la division Environnement compétente pour le permis d'environnement " ;
3° au point 6°, le membre de phrase " la division, compétente pour les autorisations écologiques " est chaque fois remplacé par le membre de phrase " la division Environnement compétente pour le permis d'environnement " ;
4° au point 7°, le membre de phrase " la division, compétente pour les autorisations écologiques " est remplacé par le membre de phrase " la division Environnement compétente pour le permis d'environnement ".
Art. 692. In bijlage 2 bij hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het woord "Milieuvergunningsprocedures" wordt vervangen door de woorden "Procedures inzake de omgevingsvergunningen voor de exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten";
2° de woorden "stedenbouwkundige vergunning" worden vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de uitvoering van stedenbouwkundige handelingen";
3° het woord "milieuvergunningsaanvraag" wordt vervangen door de woorden "aanvraag tot het bekomen van een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
1° het woord "Milieuvergunningsprocedures" wordt vervangen door de woorden "Procedures inzake de omgevingsvergunningen voor de exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten";
2° de woorden "stedenbouwkundige vergunning" worden vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de uitvoering van stedenbouwkundige handelingen";
3° het woord "milieuvergunningsaanvraag" wordt vervangen door de woorden "aanvraag tot het bekomen van een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 692. A l'annexe 2 du même arrêté, modifiée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er mars 2013, les modifications suivantes sont apportées :
1° les mots " Procédures de l'autorisation environnementale " sont remplacés par les mots " Procédures relatives aux permis d'environnement pour l'exploitation d'établissements ou d'activités classés " ;
2° les mots " à l'autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " au permis d'environnement pour l'exécution d'actes urbanistiques " ;
3° les mots " demande d'autorisation environnementale " sont remplacés par les mots " demande en vue d'obtenir un permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
1° les mots " Procédures de l'autorisation environnementale " sont remplacés par les mots " Procédures relatives aux permis d'environnement pour l'exploitation d'établissements ou d'activités classés " ;
2° les mots " à l'autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " au permis d'environnement pour l'exécution d'actes urbanistiques " ;
3° les mots " demande d'autorisation environnementale " sont remplacés par les mots " demande en vue d'obtenir un permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 693. In bijlage 17 bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, wordt de zinsnede "bijlage 1 van titel 1 van het VLAREM" vervangen door de zinsnede "de indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid".
Art. 693. A l'annexe 17 du même arrêté, insérée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er mars 2013, le membre de phrase " annexe 1re du titre Ier du VLAREM " est remplacé par le membre de phrase " la liste de classification visée à l'article 5.2.1, § 1er, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement ".
Hoofdstuk 42. - Wijzigingen van het Energiebesluit van 19 november 2010
Chapitre 42. - Modifications de l'arrêté relatif à l'énergie du 19 novembre 2010
Art. 694. In artikel 1.1.1, § 2, van het Energiebesluit van 19 november 2010, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in punt 2° wordt de zinsnede "de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009" vervangen door de zinsnede "de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zoals dat artikel gold voor de wijziging ervan bij het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning";
2° punt 19° wordt vervangen door wat volgt :
"19° de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning : de afdeling bij het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie van het Vlaams Ministerie van Leefmilieu, Natuur en Energie, die bevoegd is voor de omgevingsvergunning;";
3° er wordt een punt 73/1° ingevoegd, dat luidt als volgt :
"73/1° omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen : de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen als vermeld in artikel 4.2.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en artikel 2, eerste lid, 7°, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;";
4° in punt 98° wordt de zinsnede "de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009" vervangen door de zinsnede "de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zoals dat artikel gold voor de wijziging ervan bij het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning".
1° in punt 2° wordt de zinsnede "de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009" vervangen door de zinsnede "de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zoals dat artikel gold voor de wijziging ervan bij het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning";
2° punt 19° wordt vervangen door wat volgt :
"19° de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning : de afdeling bij het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie van het Vlaams Ministerie van Leefmilieu, Natuur en Energie, die bevoegd is voor de omgevingsvergunning;";
3° er wordt een punt 73/1° ingevoegd, dat luidt als volgt :
"73/1° omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen : de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen als vermeld in artikel 4.2.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en artikel 2, eerste lid, 7°, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;";
4° in punt 98° wordt de zinsnede "de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009" vervangen door de zinsnede "de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zoals dat artikel gold voor de wijziging ervan bij het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning".
Art. 694. A l'article 1.1.1, § 2, de l'arrêté relatif à l'énergie du 19 novembre 2010, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les modifications suivantes sont apportées :
1° au point 2°, le membre de phrase " Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009 " est remplacé par le membre de phrase " Code flamand de l'Aménagement du Territoire, tel que cet article était en vigueur avant sa modification par le décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement " ;
2° le point 19° est remplacé par ce qui suit :
" 19° la division Environnement compétente pour le permis d'environnement : la division du département de l'Environnement, de la Nature et de l'Energie du ministère flamand de l'Environnement, de la Nature et de l'Energie, compétente pour le permis d'environnement ; " ;
3° un point 73/1° est inséré, qui est libellé comme suit :
" 73/1° permis d'environnement pour des actes urbanistiques : le permis d'environnement pour des actes urbanistiques tel que visé à l'article 4.2.1 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire et à l'article 2, alinéa 1er, point 7°, du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement ; " ;
4° au point 98°, le membre de phrase " Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009 " est remplacé par le membre de phrase " Code flamand de l'Aménagement du Territoire, tel que cet article était en vigueur avant sa modification par le décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement ".
1° au point 2°, le membre de phrase " Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009 " est remplacé par le membre de phrase " Code flamand de l'Aménagement du Territoire, tel que cet article était en vigueur avant sa modification par le décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement " ;
2° le point 19° est remplacé par ce qui suit :
" 19° la division Environnement compétente pour le permis d'environnement : la division du département de l'Environnement, de la Nature et de l'Energie du ministère flamand de l'Environnement, de la Nature et de l'Energie, compétente pour le permis d'environnement ; " ;
3° un point 73/1° est inséré, qui est libellé comme suit :
" 73/1° permis d'environnement pour des actes urbanistiques : le permis d'environnement pour des actes urbanistiques tel que visé à l'article 4.2.1 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire et à l'article 2, alinéa 1er, point 7°, du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement ; " ;
4° au point 98°, le membre de phrase " Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009 " est remplacé par le membre de phrase " Code flamand de l'Aménagement du Territoire, tel que cet article était en vigueur avant sa modification par le décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement ".
Art. 695. In artikel 6.1.16, § 1, eerste lid, 7°, a), van hetzelfde besluit worden de woorden "de stedenbouwkundige aanvraag en de milieuvergunningsaanvraag" vervangen door de zinsnede "de stedenbouwkundige aanvraag, de milieuvergunningsaanvraag of de omgevingsvergunningsaanvraag".
Art. 695. A l'article 6.1.16, § 1er, alinéa 1er, point 7°, a), du même arrêté, les mots " l'autorisation urbanistique et la demande d'autorisation écologique " sont remplacés par le membre de phrase " la demande de permis d'urbanisme, la demande d'autorisation écologique ou la demande de permis d'environnement ".
Art. 696. In artikel 6.2/1.7, § 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 2012 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid, 1°, worden de woorden "milieuvergunning of een stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de zinsnede "milieuvergunning, een stedenbouwkundige vergunning of een omgevingsvergunning";
2° in het eerste lid, 2°, worden de woorden "milieuvergunningen en stedenbouwkundige vergunningen" vervangen door de zinsnede "milieuvergunningen, stedenbouwkundige vergunningen of omgevingsvergunningen";
3° in het vierde lid worden de woorden "geen milieu- of stedenbouwkundige vergunningen" vervangen door de zinsnede "geen milieuvergunningen, stedenbouwkundige vergunningen of omgevingsvergunningen".
1° in het eerste lid, 1°, worden de woorden "milieuvergunning of een stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de zinsnede "milieuvergunning, een stedenbouwkundige vergunning of een omgevingsvergunning";
2° in het eerste lid, 2°, worden de woorden "milieuvergunningen en stedenbouwkundige vergunningen" vervangen door de zinsnede "milieuvergunningen, stedenbouwkundige vergunningen of omgevingsvergunningen";
3° in het vierde lid worden de woorden "geen milieu- of stedenbouwkundige vergunningen" vervangen door de zinsnede "geen milieuvergunningen, stedenbouwkundige vergunningen of omgevingsvergunningen".
Art. 696. A l'article 6.2/1.7, § 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 décembre 2012 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 mai 2014, les modifications suivantes sont apportées :
1° à l'alinéa 1er, point 1°, les mots " d'un permis environnemental ou d'un permis d'urbanisme " sont remplacés par le membre de phrase " d'une autorisation écologique, d'un permis d'urbanisme ou d'un permis d'environnement " ;
2° à l'alinéa 1er, point 2°, les mots " permis environnementaux et d'urbanisme " sont remplacés par le membre de phrase " autorisations écologiques, permis d'urbanisme ou permis d'environnement " ;
3° à l'alinéa 4, les mots " pas de permis environnemental ou d'urbanisme " sont remplacés par le membre de phrase " pas d'autorisation écologique, de permis d'urbanisme ou de permis d'environnement " ;
1° à l'alinéa 1er, point 1°, les mots " d'un permis environnemental ou d'un permis d'urbanisme " sont remplacés par le membre de phrase " d'une autorisation écologique, d'un permis d'urbanisme ou d'un permis d'environnement " ;
2° à l'alinéa 1er, point 2°, les mots " permis environnementaux et d'urbanisme " sont remplacés par le membre de phrase " autorisations écologiques, permis d'urbanisme ou permis d'environnement " ;
3° à l'alinéa 4, les mots " pas de permis environnemental ou d'urbanisme " sont remplacés par le membre de phrase " pas d'autorisation écologique, de permis d'urbanisme ou de permis d'environnement " ;
Art. 697. In artikel 6.4.1/1/1, zesde lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 november 2013, worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art. 697. A l'article 6.4.1/1/1, alinéa 6, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 novembre 2013, les mots " autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " permis d'environnement pour des actes urbanistiques ".
Art. 698. In artikel 6.4.1/3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 september 2011 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid, inleidende zin, worden de woorden "de aanvraag van de stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "de aanvraag van de stedenbouwkundige vergunning of van de omgevingsvergunning";
2° in het eerste lid, 1° en 2°, worden de woorden "verkrijgen van de stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "verkrijgen van de stedenbouwkundige vergunning of omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
1° in het eerste lid, inleidende zin, worden de woorden "de aanvraag van de stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "de aanvraag van de stedenbouwkundige vergunning of van de omgevingsvergunning";
2° in het eerste lid, 1° en 2°, worden de woorden "verkrijgen van de stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "verkrijgen van de stedenbouwkundige vergunning of omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art. 698. A l'article 6.4.1/3 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 septembre 2011 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2013, les modifications suivantes sont apportées :
1° à l'alinéa 1er, phrase introductive, les mots " demande de l'autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " demande du permis d'urbanisme ou du permis d'environnement " ;
2° à l'alinéa 1er, points 1° et 2°, les mots " de la demande d'une autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " d'obtention du permis d'urbanisme ou du permis d'environnement pour des actes urbanistiques ".
1° à l'alinéa 1er, phrase introductive, les mots " demande de l'autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " demande du permis d'urbanisme ou du permis d'environnement " ;
2° à l'alinéa 1er, points 1° et 2°, les mots " de la demande d'une autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " d'obtention du permis d'urbanisme ou du permis d'environnement pour des actes urbanistiques ".
Art. 699. In artikel 6.5.5, § 7, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden "gewestelijke milieuvergunningscommissie" worden telkens vervangen door de woorden "gewestelijke omgevingsvergunningscommissie";
2° in het tweede lid wordt punt 1° vervangen door wat volgt :
"1° de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning;".
1° de woorden "gewestelijke milieuvergunningscommissie" worden telkens vervangen door de woorden "gewestelijke omgevingsvergunningscommissie";
2° in het tweede lid wordt punt 1° vervangen door wat volgt :
"1° de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning;".
Art. 699. A l'article 6.5.5, § 7, du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
1° les mots " Commission régionale d'autorisations écologiques " sont chaque fois remplacés par les mots " commission régionale du permis d'environnement " ;
2° à l'alinéa 2, le point 1° est remplacé par ce qui suit :
" 1° la division Environnement compétente pour le permis d'environnement ; ".
1° les mots " Commission régionale d'autorisations écologiques " sont chaque fois remplacés par les mots " commission régionale du permis d'environnement " ;
2° à l'alinéa 2, le point 1° est remplacé par ce qui suit :
" 1° la division Environnement compétente pour le permis d'environnement ; ".
Art. 700. In artikel 7.4.2, § 1, zevende lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 september 2013, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "milieuvergunning of omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 700. A l'article 7.4.2, § 1er, alinéa 7, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 septembre 2013, les mots " la demande d'autorisation environnementale a été demandée " sont remplacés par les mots " l'autorisation écologique ou le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée a été demandé(e) ".
Art. 701. In artikel 7.4.3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 september 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 4, eerste lid, 1°, worden de woorden "aanvraag tot het bekomen van een milieuvergunning of een aanvraag tot het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de zinsnede "aanvraag tot het bekomen van een milieuvergunning, een stedenbouwkundige vergunning of een omgevingsvergunning";
2° in paragraaf 4, eerste lid, 2°, worden de woorden "milieuvergunningen en stedenbouwkundige vergunningen" vervangen door de zinsnede "milieuvergunningen, stedenbouwkundige vergunningen of omgevingsvergunningen";
3° in paragraaf 5, eerste lid, wordt punt 6° vervangen door wat volgt :
"6° een verwijzing naar de verleende milieuvergunningen, stedenbouwkundige vergunningen en omgevingsvergunningen.".
1° in paragraaf 4, eerste lid, 1°, worden de woorden "aanvraag tot het bekomen van een milieuvergunning of een aanvraag tot het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de zinsnede "aanvraag tot het bekomen van een milieuvergunning, een stedenbouwkundige vergunning of een omgevingsvergunning";
2° in paragraaf 4, eerste lid, 2°, worden de woorden "milieuvergunningen en stedenbouwkundige vergunningen" vervangen door de zinsnede "milieuvergunningen, stedenbouwkundige vergunningen of omgevingsvergunningen";
3° in paragraaf 5, eerste lid, wordt punt 6° vervangen door wat volgt :
"6° een verwijzing naar de verleende milieuvergunningen, stedenbouwkundige vergunningen en omgevingsvergunningen.".
Art. 701. A l'article 7.4.3 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 septembre 2013, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 4, alinéa 1er, point 1°, les mots " une demande d'obtention d'une autorisation urbanistique " sont remplacés par le membre de phrase " une demande d'obtention d'une autorisation écologique, d'un permis d'urbanisme ou d'un permis d'environnement " ;
2° au paragraphe 4, alinéa 1er, point 2°, les mots " autorisations écologiques et urbanistiques exigées " sont remplacés par le membre de phrase " autorisations écologiques, permis d'urbanisme ou permis d'environnement requis " ;
3° au paragraphe 5, alinéa 1er, le point 6° est remplacé par ce qui suit :
" 6° un renvoi aux autorisations écologiques, permis d'urbanisme et permis d'environnement octroyés. ".
1° au paragraphe 4, alinéa 1er, point 1°, les mots " une demande d'obtention d'une autorisation urbanistique " sont remplacés par le membre de phrase " une demande d'obtention d'une autorisation écologique, d'un permis d'urbanisme ou d'un permis d'environnement " ;
2° au paragraphe 4, alinéa 1er, point 2°, les mots " autorisations écologiques et urbanistiques exigées " sont remplacés par le membre de phrase " autorisations écologiques, permis d'urbanisme ou permis d'environnement requis " ;
3° au paragraphe 5, alinéa 1er, le point 6° est remplacé par ce qui suit :
" 6° un renvoi aux autorisations écologiques, permis d'urbanisme et permis d'environnement octroyés. ".
Art. 702. In artikel 7.5.3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 september 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 4, eerste lid, 1°, worden de woorden "aanvraag tot het bekomen van een milieuvergunning of een aanvraag tot het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de zinsnede "aanvraag tot het bekomen van een milieuvergunning, een stedenbouwkundige vergunning of een omgevingsvergunning";
2° in paragraaf 4, eerste lid, 2°, worden de woorden "milieuvergunningen en stedenbouwkundige vergunningen" vervangen door de zinsnede "milieuvergunningen, stedenbouwkundige vergunningen of omgevingsvergunningen";
3° in paragraaf 5, eerste lid, wordt punt 6° vervangen door wat volgt :
"6° een verwijzing naar de verleende milieuvergunningen, stedenbouwkundige vergunningen en omgevingsvergunningen.".
1° in paragraaf 4, eerste lid, 1°, worden de woorden "aanvraag tot het bekomen van een milieuvergunning of een aanvraag tot het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de zinsnede "aanvraag tot het bekomen van een milieuvergunning, een stedenbouwkundige vergunning of een omgevingsvergunning";
2° in paragraaf 4, eerste lid, 2°, worden de woorden "milieuvergunningen en stedenbouwkundige vergunningen" vervangen door de zinsnede "milieuvergunningen, stedenbouwkundige vergunningen of omgevingsvergunningen";
3° in paragraaf 5, eerste lid, wordt punt 6° vervangen door wat volgt :
"6° een verwijzing naar de verleende milieuvergunningen, stedenbouwkundige vergunningen en omgevingsvergunningen.".
Art. 702. A l'article 7.5.3 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 septembre 2013, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 4, alinéa 1er, point 1°, les mots " une demande d'obtention d'une autorisation urbanistique " sont remplacés par le membre de phrase " une demande d'obtention d'une autorisation écologique, d'un permis d'urbanisme ou d'un permis d'environnement " ;
2° au paragraphe 4, alinéa 1er, point 2°, les mots " autorisations écologiques et urbanistiques exigées " sont remplacés par le membre de phrase " autorisations écologiques, permis d'urbanisme ou permis d'environnement requis " ;
3° au paragraphe 5, alinéa 1er, le point 6° est remplacé par ce qui suit :
" 6° un renvoi aux autorisations écologiques, permis d'urbanisme et permis d'environnement octroyés. ".
1° au paragraphe 4, alinéa 1er, point 1°, les mots " une demande d'obtention d'une autorisation urbanistique " sont remplacés par le membre de phrase " une demande d'obtention d'une autorisation écologique, d'un permis d'urbanisme ou d'un permis d'environnement " ;
2° au paragraphe 4, alinéa 1er, point 2°, les mots " autorisations écologiques et urbanistiques exigées " sont remplacés par le membre de phrase " autorisations écologiques, permis d'urbanisme ou permis d'environnement requis " ;
3° au paragraphe 5, alinéa 1er, le point 6° est remplacé par ce qui suit :
" 6° un renvoi aux autorisations écologiques, permis d'urbanisme et permis d'environnement octroyés. ".
Art. 703. In artikel 7.6.3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 september 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 4, eerste lid, 1°, worden de woorden "aanvraag tot het bekomen van een milieuvergunning of een aanvraag tot het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de zinsnede "aanvraag tot het bekomen van een milieuvergunning, een stedenbouwkundige vergunning of een omgevingsvergunning";
2° in paragraaf 4, eerste lid, 2°, worden de woorden "milieuvergunningen en stedenbouwkundige vergunningen" vervangen door de zinsnede "milieuvergunningen, stedenbouwkundige vergunningen of omgevingsvergunningen";
3° in paragraaf 5, eerste lid, wordt punt 5° vervangen door wat volgt :
"5° een verwijzing naar de verleende milieuvergunningen, stedenbouwkundige vergunningen en omgevingsvergunningen.".
1° in paragraaf 4, eerste lid, 1°, worden de woorden "aanvraag tot het bekomen van een milieuvergunning of een aanvraag tot het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de zinsnede "aanvraag tot het bekomen van een milieuvergunning, een stedenbouwkundige vergunning of een omgevingsvergunning";
2° in paragraaf 4, eerste lid, 2°, worden de woorden "milieuvergunningen en stedenbouwkundige vergunningen" vervangen door de zinsnede "milieuvergunningen, stedenbouwkundige vergunningen of omgevingsvergunningen";
3° in paragraaf 5, eerste lid, wordt punt 5° vervangen door wat volgt :
"5° een verwijzing naar de verleende milieuvergunningen, stedenbouwkundige vergunningen en omgevingsvergunningen.".
Art. 703. A l'article 7.6.3 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 septembre 2013, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 4, alinéa 1er, point 1°, les mots " une demande d'obtention d'une autorisation urbanistique " sont remplacés par le membre de phrase " une demande d'obtention d'une autorisation écologique, d'un permis d'urbanisme ou d'un permis d'environnement " ;
2° au paragraphe 4, alinéa 1er, point 2°, les mots " autorisations écologiques et urbanistiques exigées " sont remplacés par le membre de phrase " autorisations écologiques, permis d'urbanisme ou permis d'environnement requis " ;
3° au paragraphe 5, alinéa 1er, le point 5° est remplacé par ce qui suit :
" 5° un renvoi aux autorisations écologiques, permis d'urbanisme et permis d'environnement octroyés. ".
1° au paragraphe 4, alinéa 1er, point 1°, les mots " une demande d'obtention d'une autorisation urbanistique " sont remplacés par le membre de phrase " une demande d'obtention d'une autorisation écologique, d'un permis d'urbanisme ou d'un permis d'environnement " ;
2° au paragraphe 4, alinéa 1er, point 2°, les mots " autorisations écologiques et urbanistiques exigées " sont remplacés par le membre de phrase " autorisations écologiques, permis d'urbanisme ou permis d'environnement requis " ;
3° au paragraphe 5, alinéa 1er, le point 5° est remplacé par ce qui suit :
" 5° un renvoi aux autorisations écologiques, permis d'urbanisme et permis d'environnement octroyés. ".
Art. 704. In artikel 9.1.1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 20 mei 2011 en 29 november 2013, worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art. 704. A l'article 9.1.1 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 20 mai 2011 et 29 novembre 2013, les mots " permis d'urbanisme " sont chaque fois remplacés par les mots " permis d'environnement pour des actes urbanistiques " et les mots " autorisation urbanistique " sont chaque fois remplacés par les mots " permis d'environnement pour des actes urbanistiques ".
Art. 705. In artikel 9.1.2, § 3 en § 4, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 november 2013, worden de woorden "de stedenbouwkundige vergunning aangevraagd" vervangen door de woorden "de stedenbouwkundige vergunning of de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen aangevraagd".
Art. 705. A l'article 9.1.2, § 3 et § 4, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 novembre 2013, les mots " de la demande de l'autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " de la demande de permis d'urbanisme ou de permis d'environnement pour des actes urbanistiques ".
Art. 706. In artikel 9.1.11 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 28 september 2012 en 29 november 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1, 5°, worden de woorden "de stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "de stedenbouwkundige vergunning of de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen";
2° in paragraaf 1, 6° tot 8°, worden de woorden "de stedenbouwkundige vergunning" telkens vervangen door de woorden "de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen";
3° in paragraaf 2, eerste lid, 4°, worden de woorden "de stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "de stedenbouwkundige vergunning of de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen";
4° in paragraaf 2, eerste lid, 5° tot 7°, worden de woorden "de stedenbouwkundige vergunning" telkens vervangen door de woorden "de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen";
5° in paragraaf 2, tweede lid, 1°, worden de woorden "de stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "de stedenbouwkundige vergunning of de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen";
6° in paragraaf 2, tweede lid, 2° en 3°, worden de woorden "de stedenbouwkundige vergunning" telkens vervangen door de woorden "de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen";
7° in paragraaf 4 worden de woorden "de stedenbouwkundige vergunning aangevraagd" telkens vervangen door de woorden "de stedenbouwkundige vergunning of de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen aangevraagd".
1° in paragraaf 1, 5°, worden de woorden "de stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "de stedenbouwkundige vergunning of de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen";
2° in paragraaf 1, 6° tot 8°, worden de woorden "de stedenbouwkundige vergunning" telkens vervangen door de woorden "de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen";
3° in paragraaf 2, eerste lid, 4°, worden de woorden "de stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "de stedenbouwkundige vergunning of de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen";
4° in paragraaf 2, eerste lid, 5° tot 7°, worden de woorden "de stedenbouwkundige vergunning" telkens vervangen door de woorden "de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen";
5° in paragraaf 2, tweede lid, 1°, worden de woorden "de stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "de stedenbouwkundige vergunning of de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen";
6° in paragraaf 2, tweede lid, 2° en 3°, worden de woorden "de stedenbouwkundige vergunning" telkens vervangen door de woorden "de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen";
7° in paragraaf 4 worden de woorden "de stedenbouwkundige vergunning aangevraagd" telkens vervangen door de woorden "de stedenbouwkundige vergunning of de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen aangevraagd".
Art. 706. A l'article 9.1.11 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 28 septembre 2012 et 29 novembre 2013, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 1er, point 5°, les mots " l'autorisation urbanistique est demandée " sont remplacés par les mots " le permis d'urbanisme ou le permis d'environnement pour des actes urbanistiques est demandé " ;
2° au paragraphe 1er, points 6° à 8°, les mots " l'autorisation urbanistique est demandée " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour des actes urbanistiques est demandé " ;
3° au paragraphe 2, alinéa 1er, point 4°, les mots " l'autorisation urbanistique est demandée " sont remplacés par les mots " le permis d'urbanisme ou le permis d'environnement pour des actes urbanistiques est demandé " ;
4° au paragraphe 2, alinéa 1er, points 5° à 7°, les mots " l'autorisation urbanistique est demandée " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour des actes urbanistiques est demandé " ;
5° au paragraphe 2, alinéa 2, point 1°, les mots " l'autorisation urbanistique est demandée " sont remplacés par les mots " le permis d'urbanisme ou le permis d'environnement pour des actes urbanistiques est demandé " ;
6° au paragraphe 2, alinéa 2, points 2° et 3°, les mots " l'autorisation urbanistique est demandée " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour des actes urbanistiques est demandé " ;
7° au paragraphe 4, les mots " l'autorisation urbanistique est demandée " et les mots " le permis urbanistique est demandé " sont remplacés par les mots " le permis d'urbanisme ou le permis d'environnement pour des actes urbanistiques est demandé ".
1° au paragraphe 1er, point 5°, les mots " l'autorisation urbanistique est demandée " sont remplacés par les mots " le permis d'urbanisme ou le permis d'environnement pour des actes urbanistiques est demandé " ;
2° au paragraphe 1er, points 6° à 8°, les mots " l'autorisation urbanistique est demandée " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour des actes urbanistiques est demandé " ;
3° au paragraphe 2, alinéa 1er, point 4°, les mots " l'autorisation urbanistique est demandée " sont remplacés par les mots " le permis d'urbanisme ou le permis d'environnement pour des actes urbanistiques est demandé " ;
4° au paragraphe 2, alinéa 1er, points 5° à 7°, les mots " l'autorisation urbanistique est demandée " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour des actes urbanistiques est demandé " ;
5° au paragraphe 2, alinéa 2, point 1°, les mots " l'autorisation urbanistique est demandée " sont remplacés par les mots " le permis d'urbanisme ou le permis d'environnement pour des actes urbanistiques est demandé " ;
6° au paragraphe 2, alinéa 2, points 2° et 3°, les mots " l'autorisation urbanistique est demandée " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement pour des actes urbanistiques est demandé " ;
7° au paragraphe 4, les mots " l'autorisation urbanistique est demandée " et les mots " le permis urbanistique est demandé " sont remplacés par les mots " le permis d'urbanisme ou le permis d'environnement pour des actes urbanistiques est demandé ".
Art. 707. In artikel 9.1.11/1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 november 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in punt 1° worden de woorden "de stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "de stedenbouwkundige vergunning of de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen";
2° in punt 2° en 3° worden de woorden "de stedenbouwkundige vergunning" telkens vervangen door de woorden "de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
1° in punt 1° worden de woorden "de stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "de stedenbouwkundige vergunning of de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen";
2° in punt 2° en 3° worden de woorden "de stedenbouwkundige vergunning" telkens vervangen door de woorden "de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art. 707. A l'article 9.1.11/1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 novembre 2013, les modifications suivantes sont apportées :
1° au point 1°, les mots " du permis d'urbanisme " sont remplacés par les mots " de permis d'urbanisme ou de permis d'environnement pour des actes urbanistiques " ;
2° aux points 2° et 3°, les mots " du permis d'urbanisme " sont chaque fois remplacés par les mots " de permis d'urbanisme ou de permis d'environnement pour des actes urbanistiques " ;
1° au point 1°, les mots " du permis d'urbanisme " sont remplacés par les mots " de permis d'urbanisme ou de permis d'environnement pour des actes urbanistiques " ;
2° aux points 2° et 3°, les mots " du permis d'urbanisme " sont chaque fois remplacés par les mots " de permis d'urbanisme ou de permis d'environnement pour des actes urbanistiques " ;
Art. 708. In artikel 9.1.12/1, § 1, 2°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 mei 2011 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 november 2013, worden de woorden "de stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "de stedenbouwkundige vergunning of de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art. 708. A l'article 9.1.12/1, § 1er, point 2°, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 mai 2011 et remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 novembre 2013, les mots " l'autorisation urbanistique est demandée " sont remplacés par les mots " le permis d'urbanisme ou le permis d'environnement pour des actes urbanistiques est demandé ".
Art. 709. In artikel 9.1.12/2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij besluit van de Vlaamse Regering van 28 september 2012 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 november 2013, worden de woorden "de stedenbouwkundige vergunning" telkens vervangen door de woorden "de stedenbouwkundige vergunning of de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art. 709. A l'article 9.1.12/2 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 septembre 2012 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 novembre 2013, les mots " du permis d'urbanisme " sont chaque fois remplacés par les mots " de permis d'urbanisme ou de permis d'environnement pour des actes urbanistiques ".
Art. 710. In artikel 9.1.12/3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij besluit van de Vlaamse Regering van 28 september 2012 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 november 2013, worden de woorden "de stedenbouwkundige vergunning" telkens vervangen door de woorden "de stedenbouwkundige vergunning of de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art. 710. A l'article 9.1.12/3 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 septembre 2012 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 novembre 2013, les mots " du permis d'urbanisme " sont chaque fois remplacés par les mots " de permis d'urbanisme ou de permis d'environnement pour des actes urbanistiques " et les mots " le permis urbanistique " sont remplacés par les mots " le permis d'urbanisme ou le permis d'environnement pour des actes urbanistiques "
Art. 711. In artikel 9.1.13, eerste lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 mei 2011, worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "stedenbouwkundige vergunning of een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art. 711. A l'article 9.1.13, alinéa 1er, du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 mai 2011, les mots " du permis d'urbanisme " sont remplacés par les mots " de permis d'urbanisme ou de permis d'environnement pour des actes urbanistiques ".
Art. 712. In artikel 9.1.17 van hetzelfde besluit, hersteld bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 november 2013 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 april 2014, worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" telkens vervangen door de woorden "stedenbouwkundige vergunning of omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art. 712. A l'article 9.1.17 du même arrêté, rétabli par l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 novembre 2013 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 avril 2014, les mots " du permis d'urbanisme " sont chaque fois remplacés par les mots " de permis d'urbanisme ou de permis d'environnement pour des actes urbanistiques ".
Art. 713. In artikel 9.1.20 van hetzelfde besluit worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "stedenbouwkundige vergunning of een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art. 713. A l'article 9.1.20 du même arrêté, les mots " permis d'urbanisme " sont remplacés par les mots " permis d'urbanisme ou d'un permis d'environnement pour des actes urbanistiques ".
Art. 714. In artikel 9.1.21 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de zinsnede "tijdelijke vergunning, met toepassing van artikel 4.6.1, in fine, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009" wordt vervangen door de zinsnede "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen voor bepaalde duur, met toepassing van artikel 68, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning";
2° de woorden "die tijdelijke vergunning" worden vervangen door de woorden "die omgevingsvergunning van bepaalde duur".
1° de zinsnede "tijdelijke vergunning, met toepassing van artikel 4.6.1, in fine, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009" wordt vervangen door de zinsnede "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen voor bepaalde duur, met toepassing van artikel 68, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning";
2° de woorden "die tijdelijke vergunning" worden vervangen door de woorden "die omgevingsvergunning van bepaalde duur".
Art. 714. A l'article 9.1.21 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
1° le membre de phrase " d'un permis temporaire en application de l'article 4.6.1, in fine du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 1999 " est remplacé par le membre de phrase " permis d'environnement pour des actes urbanistiques à durée déterminée, en application de l'article 68, alinéa 2, du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement " ;
2° les mots " ce permis temporaire " sont remplacés par les mots " ce permis d'environnement à durée déterminée ".
1° le membre de phrase " d'un permis temporaire en application de l'article 4.6.1, in fine du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 1999 " est remplacé par le membre de phrase " permis d'environnement pour des actes urbanistiques à durée déterminée, en application de l'article 68, alinéa 2, du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement " ;
2° les mots " ce permis temporaire " sont remplacés par les mots " ce permis d'environnement à durée déterminée ".
Art. 715. In artikel 9.1.30, § 2, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 november 2013, worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "stedenbouwkundige vergunning of omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art. 715. A l'article 9.1.30, § 2, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 novembre 2013, les mots " de l'autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " du permis d'urbanisme ou du permis d'environnement pour des actes urbanistiques ".
Art. 716. In artikel 9.1.32, § 1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 november 2013, wordt de zinsnede "een stedenbouwkundige vergunning, van de stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de zinsnede "een stedenbouwkundige vergunning of een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen, van de stedenbouwkundige vergunning of de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art. 716. A l'article 9.1.32, § 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 novembre 2013, le membre de phrase " de l'autorisation urbanistique " est remplacé par le membre de phrase " de permis d'urbanisme ou de permis d'environnement pour des actes urbanistiques, du permis d'urbanisme ou du permis d'environnement pour des actes urbanistiques ".
Hoofdstuk 43. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2011 betreffende de procedure en de uitvoeringsmodaliteiten voor het voorbereiden, het uitvoeren en het opvolgen van de projecten in het projectgrindwinningscomité
Chapitre 43. - Modification de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 2011 relatif à la procédure et aux modalités d'exécution pour la préparation, l'exécution et le suivi des projets au sein du comité de projet d'exploitation de gravier
Art. 717. In artikel 14 van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2011 betreffende de procedure en de uitvoeringsmodaliteiten voor het voorbereiden, het uitvoeren en het opvolgen van de projecten in het projectgrindwinningscomité wordt paragraaf 2 vervangen door wat volgt :
" § 2. De individuele vergunning voor projectgrindwinning wordt door de minister verleend nadat de omgevingsvergunning voor de stedenbouwkundige handelingen, vermeld in het maatschappelijk project, is verleend, voorzover de houder van de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of de kandidaat-exploitant voldoet aan de vereisten die in het maatschappelijk project zijn vermeld.
De vergunning voor projectgrindwinning kan worden overgedragen na goedkeuring door de minister.".
" § 2. De individuele vergunning voor projectgrindwinning wordt door de minister verleend nadat de omgevingsvergunning voor de stedenbouwkundige handelingen, vermeld in het maatschappelijk project, is verleend, voorzover de houder van de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of de kandidaat-exploitant voldoet aan de vereisten die in het maatschappelijk project zijn vermeld.
De vergunning voor projectgrindwinning kan worden overgedragen na goedkeuring door de minister.".
Art. 717. A l'article 14 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 2011 relatif à la procédure et aux modalités d'exécution pour la préparation, l'exécution et le suivi des projets au sein du comité de projet d'exploitation de gravier, le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. L'autorisation individuelle pour l'exploitation de gravier liée à un projet est accordée par le ministre après octroi du permis d'environnement pour des actes urbanistiques visé dans le projet social, dans la mesure où le titulaire du permis d'environnement pour des actes urbanistiques ou le candidat-exploitant répond aux exigences mentionnées dans le projet social.
L'autorisation pour l'exploitation de gravier liée à un projet peut être transférée après l'approbation du ministre. ".
" § 2. L'autorisation individuelle pour l'exploitation de gravier liée à un projet est accordée par le ministre après octroi du permis d'environnement pour des actes urbanistiques visé dans le projet social, dans la mesure où le titulaire du permis d'environnement pour des actes urbanistiques ou le candidat-exploitant répond aux exigences mentionnées dans le projet social.
L'autorisation pour l'exploitation de gravier liée à un projet peut être transférée après l'approbation du ministre. ".
Hoofdstuk 44. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 april 2011 houdende bepalingen van rechten en plichten van de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk en hun klanten met betrekking tot de levering van water bestemd voor menselijke consumptie, de uitvoering van de saneringsverplichting en het algemeen waterverkoopreglement.
Chapitre 44. - Modification de l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 avril 2011 portant définition des droits et obligations des exploitants des réseaux publics de distribution d'eau et de leurs clients relatifs à la fourniture d'eau destinée à la consommation humaine, la mise en oeuvre de l'obligation d'assainissement et au règlement général de la vente d'eau
Art. 718. In artikel 9, § 1, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 april 2011 houdende bepalingen van rechten en plichten van de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk en hun klanten met betrekking tot de levering van water bestemd voor menselijke consumptie, de uitvoering van de saneringsverplichting en het algemeen waterverkoopreglement wordt de zinsnede "lozings- of milieuvergunning" vervangen door de woorden "lozingsvergunning of omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 718. A l'article 9, § 1er, alinéa 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 avril 2011 portant définition des droits et obligations des exploitants des réseaux publics de distribution d'eau et de leurs clients relatifs à la fourniture d'eau destinée à la consommation humaine, la mise en oeuvre de l'obligation d'assainissement et au règlement général de la vente d'eau, le membre de phrase " d'un permis d'environnement ou d'une autorisation de déversement " est remplacé par les mots " d'une autorisation de déversement ou d'un permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Hoofdstuk 45. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 september 2011 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder investeringssubsidies kunnen worden toegekend aan toeristische logiezen
Chapitre 45. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 30 septembre 2011 fixant les conditions d'octroi de subventions d'investissement aux hébergements touristiques
Art. 719. In artikel 5, § 3, eerste lid, 1°, b), van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 september 2011 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder investeringssubsidies kunnen worden toegekend aan toeristische logiezen worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de zinsnede "stedenbouwkundige vergunning als vermeld in artikel 4.2.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009" wordt vervangen door de zinsnede "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen als vermeld in artikel 4.2.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening";
2° de woorden "een stedenbouwkundige vergunning" worden vervangen door de woorden "een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen";
3° de woorden "de akteneming door het college van burgemeester en schepenen van de melding" worden vervangen door de zinsnede "de meldingsakte, vermeld in artikel 2, eerste lid, 6°, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning".
1° de zinsnede "stedenbouwkundige vergunning als vermeld in artikel 4.2.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009" wordt vervangen door de zinsnede "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen als vermeld in artikel 4.2.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening";
2° de woorden "een stedenbouwkundige vergunning" worden vervangen door de woorden "een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen";
3° de woorden "de akteneming door het college van burgemeester en schepenen van de melding" worden vervangen door de zinsnede "de meldingsakte, vermeld in artikel 2, eerste lid, 6°, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning".
Art. 719. A l'article 5, § 3, alinéa 1er, point 1°, b), de l'arrêté du Gouvernement flamand du 30 septembre 2011 fixant les conditions d'octroi de subventions d'investissement aux hébergements touristiques, les modifications suivantes sont apportées :
1° le membre de phrase " de l'autorisation urbanistique telle que visée à l'article 4.2.1 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009 " est remplacé par le membre de phrase " du permis d'environnement pour des actes urbanistiques tel que visé à l'article 4.2.1 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire " ;
2° les mots " une autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement pour des actes urbanistiques " ;
3° les mots " de la prise d'acte par le collège des bourgmestre et échevins de la déclaration " sont remplacés par le membre de phrase " de l'acte de déclaration visé à l'article 2, alinéa 1er, point 6°, du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement ".
1° le membre de phrase " de l'autorisation urbanistique telle que visée à l'article 4.2.1 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009 " est remplacé par le membre de phrase " du permis d'environnement pour des actes urbanistiques tel que visé à l'article 4.2.1 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire " ;
2° les mots " une autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement pour des actes urbanistiques " ;
3° les mots " de la prise d'acte par le collège des bourgmestre et échevins de la déclaration " sont remplacés par le membre de phrase " de l'acte de déclaration visé à l'article 2, alinéa 1er, point 6°, du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement ".
Hoofdstuk 46. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen
Chapitre 46. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 février 2012 fixant le règlement flamand relatif à la gestion durable de cycles de matériaux et de déchets
Art. 721. In artikel 2.4.2.2, 6°, van hetzelfde besluit wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 721. A l'article 2.4.2.2, point 6°, du même arrêté, les mots " de l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " du permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 722. In artikel 4.2.2 van hetzelfde besluit, wordt het woord "Milieuvergunningendecreet" vervangen door de woorden "Decreet betreffende de omgevingsvergunning".
Art. 722. A l'article 4.2.2 du même arrêté, les mots " décret relatif à l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " décret relatif au permis d'environnement ".
Art. 723. In artikel 4.3.3, § 1 en § 4, van hetzelfde besluit worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art. 723. A l'article 4.3.3, § 1er et § 4, du même arrêté, les mots " permis d'urbanisme " sont chaque fois remplacés par les mots " permis d'environnement pour des actes urbanistiques ".
Art. 727. In artikel 5.2.4.8, § 4, 2°, van hetzelfde besluit, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 727. A l'article 5.2.4.8, § 4, point 2°, du même arrêté, les mots " d'une autorisation écologique " sont remplacés par les mots " d'un permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 728. In artikel 5.2.5.3 van hetzelfde besluit, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 728. A l'article 5.2.5.3 du même arrêté, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 729. In artikel 7.2.1.4, derde lid, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het woord "milieuvergunning" wordt vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
2° het woord "Milieuvergunningendecreet" wordt vervangen door de woorden "decreet betreffende de omgevingsvergunning".
1° het woord "milieuvergunning" wordt vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
2° het woord "Milieuvergunningendecreet" wordt vervangen door de woorden "decreet betreffende de omgevingsvergunning".
Art. 729. A l'article 7.2.1.4, alinéa 3, du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
1° les mots " l'autorisation écologique délivrée " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée délivré " ;
2° les mots " décret relatif à l'autorisation antipollution " sont remplacés par les mots " décret relatif au permis d'environnement ".
1° les mots " l'autorisation écologique délivrée " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée délivré " ;
2° les mots " décret relatif à l'autorisation antipollution " sont remplacés par les mots " décret relatif au permis d'environnement ".
Art. 730. In artikel 7.3.1.2 van hetzelfde besluit wordt paragraaf 1 vervangen door wat volgt :
" § 1. De afvalstoffenproducenten en grondstoffenproducenten die zijn opgenomen in de selectie, vermeld in artikel 7.3.1.1, eerste lid, alsook de afvalstoffenproducenten van bedrijfsafvalstoffen, vermeld in de indelingslijst, vermeld in artikel van 5.2.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, brengen verslag uit over de in het vorige kalenderjaar geproduceerde afvalstoffen en grondstoffen.".
" § 1. De afvalstoffenproducenten en grondstoffenproducenten die zijn opgenomen in de selectie, vermeld in artikel 7.3.1.1, eerste lid, alsook de afvalstoffenproducenten van bedrijfsafvalstoffen, vermeld in de indelingslijst, vermeld in artikel van 5.2.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, brengen verslag uit over de in het vorige kalenderjaar geproduceerde afvalstoffen en grondstoffen.".
Art. 730. A l'article 7.3.1.2 du même arrêté, le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Les producteurs de déchets et producteurs de matières premières, repris dans la sélection visée à l'article 7.3.1.1, alinéa 1er, ainsi que les producteurs de déchets industriels mentionnés dans la liste de classification visée à l'article 5.2.1, § 1er, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, font rapport sur les déchets et matières premières produits au cours de l'année calendrier précédente. ".
" § 1er. Les producteurs de déchets et producteurs de matières premières, repris dans la sélection visée à l'article 7.3.1.1, alinéa 1er, ainsi que les producteurs de déchets industriels mentionnés dans la liste de classification visée à l'article 5.2.1, § 1er, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, font rapport sur les déchets et matières premières produits au cours de l'année calendrier précédente. ".
Art. 733. In bijlage 10.7 bij hetzelfde besluit wordt de zinsnede "vermeld in de lijst van hinderlijke inrichtingen, opgenomen als bijlage I bij titel I van het Vlarem, met de letter R in de zevende kolom" vervangen door de zinsnede "opgenomen in de indelingslijst, vermeld in artikel van 5.2.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, met de letter R in de zevende kolom".
Art. 733. A l'annexe 10.7 du même arrêté, le membre de phrase " qui sont repris dans la liste des établissements incommodants repris à l'annexe I du titre I du Vlarem, avec la lettre R dans la septième colonne " est remplacé par le membre de phrase " désignés par la lettre R dans la septième colonne de la liste de classification visée à l'article 5.2.1, § 1er, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement ".
Hoofdstuk 47. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2012 inzake verhandelbare emissierechten voor broeikasgassen voor vaste installaties, luchtvaartactiviteiten en de inzet van flexibele mechanismen
Chapitre 47. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 avril 2012 relatif au système d'échange de quotas de gaz à effet de serre pour les installations fixes, activités aéronautiques et l'introduction de mécanismes de flexibilité
Art. 734. In artikel 1, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2012 inzake verhandelbare emissierechten voor broeikasgassen voor vaste installaties, luchtvaartactiviteiten en de inzet van flexibele mechanismen, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013 en 4 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in punt 6°, b), wordt de zinsnede "zoals omschreven in de indelingslijst in bijlage 1 van titel I van het VLAREM en aangeduid met de letter Y in de vierde kolom van de indelingslijst" vervangen door de zinsnede : "zoals omschreven in de indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, aangeduid met de letter Y in de vierde kolom van de indelingslijst";
2° in punt 13°, b), wordt het woord "milieuvergunning(en)" vervangen door het woord "omgevingsvergunning(en)".
1° in punt 6°, b), wordt de zinsnede "zoals omschreven in de indelingslijst in bijlage 1 van titel I van het VLAREM en aangeduid met de letter Y in de vierde kolom van de indelingslijst" vervangen door de zinsnede : "zoals omschreven in de indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, aangeduid met de letter Y in de vierde kolom van de indelingslijst";
2° in punt 13°, b), wordt het woord "milieuvergunning(en)" vervangen door het woord "omgevingsvergunning(en)".
Art. 734. A l'article 1er, alinéa 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 avril 2012 relatif au système d'échange de quotas de gaz à effet de serre pour les installations fixes, activités aéronautiques et l'introduction de mécanismes de flexibilité, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 7 juin 2013 et 4 avril 2014, les modifications suivantes sont apportées :
1° au point 6°, b), le membre de phrase " tels que décrits dans la liste de classification à l'annexe 1re du titre Ier du VLAREM et indiquée par la lettre Y dans la quatrième colonne de la liste de classification " est remplacé par le membre de phrase : " tels que décrits dans la liste de classification visée à l'article 5.2.1, § 1er, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, désignés par la lettre Y dans la quatrième colonne de la liste de classification " ;
2° au point 13°, b), les mots " de l'autorisation ou des autorisations écologique(s) " sont remplacés par les mots " du ou des permis d'environnement ".
1° au point 6°, b), le membre de phrase " tels que décrits dans la liste de classification à l'annexe 1re du titre Ier du VLAREM et indiquée par la lettre Y dans la quatrième colonne de la liste de classification " est remplacé par le membre de phrase : " tels que décrits dans la liste de classification visée à l'article 5.2.1, § 1er, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, désignés par la lettre Y dans la quatrième colonne de la liste de classification " ;
2° au point 13°, b), les mots " de l'autorisation ou des autorisations écologique(s) " sont remplacés par les mots " du ou des permis d'environnement ".
Art. 735. In artikel 9, § 1, en § 2, 3°, van hetzelfde besluit wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 735. A l'article 9, § 1er, du même arrêté, les mots " une autorisation écologique " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ". A l'article 9, § 2, point 3°, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 736. In artikel 11, § 2, 3°, van hetzelfde besluit wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 736. A l'article 11, § 2, point 3°, du même arrêté, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 737. In artikel 17 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1, eerste en tweede lid, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
2° in paragraaf 1, derde lid, wordt het woord "milieuvergunningssituatie" vervangen door de woorden "situatie inzake de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
3° in paragraaf 2, eerste lid, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
4° in paragraaf 2, derde lid, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit" en wordt het woord "milieuvergunningsvoorwaarden" vervangen door de woorden "voorwaarden met betrekking tot de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
1° in paragraaf 1, eerste en tweede lid, wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
2° in paragraaf 1, derde lid, wordt het woord "milieuvergunningssituatie" vervangen door de woorden "situatie inzake de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
3° in paragraaf 2, eerste lid, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
4° in paragraaf 2, derde lid, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit" en wordt het woord "milieuvergunningsvoorwaarden" vervangen door de woorden "voorwaarden met betrekking tot de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 737. A l'article 17 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 1er, alinéas 1er et 2, les mots " (à) (de) (l')autorisation écologique " sont remplacés par les mots " (au) (du) (le) permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
2° au paragraphe 1er, alinéa 3, les mots " la situation modifiée de l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " la situation modifiée concernant le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
3° au paragraphe 2, alinéa 1er, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
4° au paragraphe 2, alinéa 3, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " et les mots " conditions de l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " conditions du permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
1° au paragraphe 1er, alinéas 1er et 2, les mots " (à) (de) (l')autorisation écologique " sont remplacés par les mots " (au) (du) (le) permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
2° au paragraphe 1er, alinéa 3, les mots " la situation modifiée de l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " la situation modifiée concernant le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
3° au paragraphe 2, alinéa 1er, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
4° au paragraphe 2, alinéa 3, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " et les mots " conditions de l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " conditions du permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 738. In artikel 23, eerste, tweede en vierde lid, van hetzelfde besluit wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 738. A l'article 23, alinéas 1er, 2 et 4, du même arrêté, les mots " (de) (l')autorisation écologique " sont remplacés par les mots " (du) (le) permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ", les mots " une autorisation écologique " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " et les mots " autorisations écologiques (regroupées) " sont remplacés par les mots " permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée (regroupés) ".
Art. 739. In artikel 36, derde lid, 4°, van hetzelfde besluit wordt het woord "milieuvergunningen" vervangen door de woorden "omgevingsvergunningen voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 739. A l'article 36, alinéa 3, point 4°, du même arrêté, les mots " autorisations écologiques " sont remplacés par les mots " permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 740. In artikel 43, § 1, eerste lid, 1° tot en met 3°, en tweede lid, van hetzelfde besluit wordt het woord "milieuvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 740. A l'article 43, § 1er, alinéa 1er, points 1° à 3° inclus, du même arrêté, au paragraphe 1er, alinéas 1er et 2, les mots " (à) (de) (l')autorisation écologique " sont remplacés par les mots " (au) (du) (le) permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 741. In bijlage 2, 5°, van hetzelfde besluit wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 741. A l'annexe 2, point 5°, du même arrêté, les mots " l'autorisation écologique sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée.
Art. 742. In bijlage 3 bij hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in hoofdstuk 2, 19°, a), en 20°, a), wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
2° in hoofdstuk 3, 3.2, negende alinea, 2°, van hetzelfde besluit wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
1° in hoofdstuk 2, 19°, a), en 20°, a), wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit";
2° in hoofdstuk 3, 3.2, negende alinea, 2°, van hetzelfde besluit wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 742. A l'annexe 3 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
1° au chapitre 2, point 19°, a), et point 20°, a), les mots " autorisation écologique " sont remplacés par les mots " permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
2* au chapitre 3, 3.2, alinéa 9, point 2°, du même arrêté, les mots " autorisation écologique " sont remplacés par les mots " permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
1° au chapitre 2, point 19°, a), et point 20°, a), les mots " autorisation écologique " sont remplacés par les mots " permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée " ;
2* au chapitre 3, 3.2, alinéa 9, point 2°, du même arrêté, les mots " autorisation écologique " sont remplacés par les mots " permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 743. In bijlage 5, derde alinea, 4°, bij hetzelfde besluit wordt het woord "milieuvergunning(en)" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 743. A l'annexe 5, alinéa 3, point 4°, du même arrêté, les mots " autorisation(s) écologique(s) " sont chaque fois remplacés par les mots " permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Hoofdstuk 48. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 2012 betreffende toerismesubsidies
Chapitre 48. - Modification de l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 décembre 2012 relatif aux subventions au tourisme
Art. 744. In artikel 7, § 7, 2°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 2012 betreffende toerismesubsidies, wordt tussen de woorden "een stedenbouwkundige vergunning" en de woorden "of een stedenbouwkundig attest" de zinsnede ", een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen" ingevoegd.
Art. 744. A l'article 7, § 7, point 2°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 décembre 2012 relatif aux subventions au tourisme, le membre de phrase " un permis urbanistique ou une attestation urbanistique " sont remplacés par les mots " un permis d'urbanisme, un permis d'environnement pour des actes urbanistiques ou un certificat d'urbanisme ".
Hoofdstuk 49. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 25 januari 2013 tot bepaling van de nadere regels betreffende de organisatorische omkadering, de financiering en de samenwerking voor het mobiliteitsbeleid
Chapitre 49. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 25 janvier 2013 fixant les modalités relatives à l'encadrement organisationnel, au financement et à la coopération pour la politique de la mobilité
Art. 745. In artikel 4, § 2, vijfde lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 25 januari 2013 tot bepaling van de nadere regels betreffende de organisatorische omkadering, de financiering en de samenwerking voor het mobiliteitsbeleid worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen" en wordt de zinsnede "artikel 4.7.16, § 1 of artikel 4.7.26, § 4, eerste lid, 2°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009" vervangen door de zinsnede "artikel 24, eerste lid, artikel 42, eerste lid, of artikel 59, eerste lid, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning".
Art. 745. A l'article 4, § 2, alinéa 5, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 25 janvier 2013 fixant les modalités relatives à l'encadrement organisationnel, au financement et à la coopération pour la politique de la mobilité, les mots " une autorisation urbanistique est requise " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement pour des actes urbanistiques est requis ", les mots " d'autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " de permis d'environnement pour des actes urbanistiques " et le membre de phrase " l'article 4.7.16, § 1er, ou de l'article 4.7.26, § 4, alinéa premier, point 2°, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009 " est remplacé par le membre de phrase " l'article 24, alinéa 1er, de l'article 42, alinéa 1er, ou de l'article 59, alinéa 1er, du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement ".
Art. 746. In artikel 43, § 2, 1°, c), van hetzelfde besluit worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art. 746. A l'article 43, § 2, point 1°, c), du même arrêté, les mots " l'autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour des actes urbanistiques ".
Art. 747. In artikel 47, § 2, 1°, c), van hetzelfde besluit worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art. 747. A l'article 47, § 2, point 1°, c), du même arrêté, les mots " l'autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour des actes urbanistiques ".
Art. 748. In artikel 55, § 3, eerste lid, 3°, van hetzelfde besluit worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art. 748. A l'article 55, § 3, alinéa 1er, point 3°, du même arrêté, les mots " de l'autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " du permis d'environnement pour des actes urbanistiques ".
Art. 749. In artikel 56, § 2, eerste lid, 3°, van hetzelfde besluit worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art. 749. A l'article 56, § 2, alinéa 1er, point 3°, du même arrêté, les mots " de l'autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " du permis d'environnement pour des actes urbanistiques ".
Hoofdstuk 50. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 maart 2013 tot bepaling van de nadere regels inzake het planologisch attest
Chapitre 50. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 mars 2013 fixant les règles détaillées en matière de l'attestation planologique
Art. 750. In artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 maart 2013 tot bepaling van de nadere regels inzake het planologisch attest, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "gemeentelijk stedenbouwkundig ambtenaar" vervangen door de woorden "gemeentelijke omgevingsambtenaar";
2° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden "gemeentelijk stedenbouwkundig ambtenaar" vervangen door de woorden "gemeentelijke omgevingsambtenaar".
1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "gemeentelijk stedenbouwkundig ambtenaar" vervangen door de woorden "gemeentelijke omgevingsambtenaar";
2° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden "gemeentelijk stedenbouwkundig ambtenaar" vervangen door de woorden "gemeentelijke omgevingsambtenaar".
Art. 750. A l'article 8 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 mars 2013 fixant les règles détaillées en matière de l'attestation planologique, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 avril 2014, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots " fonctionnaire urbaniste communal " sont remplacés par les mots " fonctionnaire environnement communal " ;
2° au paragraphe 2, alinéa 1er, les mots " fonctionnaire urbaniste communal " sont remplacés par les mots " fonctionnaire environnement communal ".
1° au paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots " fonctionnaire urbaniste communal " sont remplacés par les mots " fonctionnaire environnement communal " ;
2° au paragraphe 2, alinéa 1er, les mots " fonctionnaire urbaniste communal " sont remplacés par les mots " fonctionnaire environnement communal ".
Hoofdstuk 51. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 juli 2013 betreffende de kwaliteits- en veiligheidsnormen voor woningen
Chapitre 51. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 juillet 2013 portant les normes de qualité et de sécurité pour habitations
Art. 751. In artikel 18, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 juli 2013 betreffende de kwaliteits- en veiligheidsnormen voor woningen worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° punt 1° wordt vervangen door wat volgt :
"1° 36 maanden als er een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen nodig is met toepassing van artikel 4.2.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;";
2° in punt 2° worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
1° punt 1° wordt vervangen door wat volgt :
"1° 36 maanden als er een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen nodig is met toepassing van artikel 4.2.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;";
2° in punt 2° worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art. 751. A l'article 18, alinéa 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 juillet 2013 portant les normes de qualité et de sécurité pour habitations, les modifications suivantes sont apportées :
1° le point 1° est remplacé par ce qui suit :
" 1° 36 mois si un permis d'environnement pour des actes urbanistiques est nécessaire en application de l'article 4.2.1 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire ; " ;
2° au point 2°, les mots " une autorisation urbanistique n'est pas requise " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement pour des actes urbanistiques n'est pas requis ".
1° le point 1° est remplacé par ce qui suit :
" 1° 36 mois si un permis d'environnement pour des actes urbanistiques est nécessaire en application de l'article 4.2.1 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire ; " ;
2° au point 2°, les mots " une autorisation urbanistique n'est pas requise " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement pour des actes urbanistiques n'est pas requis ".
Hoofdstuk 52. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 september 2013 houdende de voorwaarden waaronder de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen en het Vlaams Woningfonds bijzondere sociale leningen aan particulieren kunnen toestaan
Chapitre 52. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 septembre 2013 portant les conditions auxquelles la Société flamande du Logement social et le Fonds flamand du Logement peuvent octroyer des prêts sociaux spéciaux à des particuliers
Art. 752. In artikel 1, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 september 2013 houdende de voorwaarden waaronder de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen en het Vlaams Woningfonds bijzondere sociale leningen aan particulieren kunnen toestaan, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° punt 2° wordt vervangen door wat volgt :
"2° bouwgrond : de grond, met uitsluiting van kavels, die paalt aan een voldoende uitgeruste weg als vermeld in artikel 4.3.5 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, en die ligt in een woongebied of in een woonuitbreidingsgebied dat al voor bebouwing in aanmerking komt met toepassing van artikel 5.6.6 van de voormelde codex;";
2° in punt 4° worden tussen de woorden "een verkavelingsvergunning" en de woorden "van een niet vervallen" de woorden "of omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden" ingevoegd.
1° punt 2° wordt vervangen door wat volgt :
"2° bouwgrond : de grond, met uitsluiting van kavels, die paalt aan een voldoende uitgeruste weg als vermeld in artikel 4.3.5 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, en die ligt in een woongebied of in een woonuitbreidingsgebied dat al voor bebouwing in aanmerking komt met toepassing van artikel 5.6.6 van de voormelde codex;";
2° in punt 4° worden tussen de woorden "een verkavelingsvergunning" en de woorden "van een niet vervallen" de woorden "of omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden" ingevoegd.
Art. 752. A l'article 1er, alinéa 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 septembre 2013 portant les conditions auxquelles la Société flamande du Logement social et le Fonds flamand du Logement peuvent octroyer des prêts sociaux spéciaux à des particuliers, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 mai 2014, les modifications suivantes sont apportées :
1° le point 2° est remplacé par ce qui suit :
" 2° terrain à bâtir : le terrain, à l'exclusion de lots, confinant à une route dûment équipée telle que visée à l'article 4.3.5 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire et situé dans une zone d'habitat ou dans une zone d'extension d'habitat qui entre déjà en ligne de compte pour l'érection d'une construction en application de l'article 5.6.6 du code précité ; " ;
2° au point 4°, les mots " ou un permis d'environnement pour le lotissement de terrains " sont insérés entre les mots " une autorisation de lotir " et les mots " d'un lotissement non échu " et les mots " une autorisation de lotir " sont remplacés par " un permis de lotir ".
1° le point 2° est remplacé par ce qui suit :
" 2° terrain à bâtir : le terrain, à l'exclusion de lots, confinant à une route dûment équipée telle que visée à l'article 4.3.5 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire et situé dans une zone d'habitat ou dans une zone d'extension d'habitat qui entre déjà en ligne de compte pour l'érection d'une construction en application de l'article 5.6.6 du code précité ; " ;
2° au point 4°, les mots " ou un permis d'environnement pour le lotissement de terrains " sont insérés entre les mots " une autorisation de lotir " et les mots " d'un lotissement non échu " et les mots " une autorisation de lotir " sont remplacés par " un permis de lotir ".
Art. 753. In artikel 10, vierde lid, van hetzelfde besluit worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art. 753. A l'article 10, alinéa 4, du même arrêté, les mots " une autorisation urbanistique est requise " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement pour des actes urbanistiques est requis ".
Hoofdstuk 53. - Wijzigingen van het Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit van 20 december 2013
Chapitre 53. - Modifications de l'arrêté du 20 décembre 2013 relatif au Code flamand de la Fiscalité
Art. 754. Aan artikel 2.1.6.0.2, 1°, van het Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit van 20 december 2013 worden de woorden "of omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen" toegevoegd.
Art. 754. A l'article 2.1.6.0.2, point 1°, de l'arrêté du 20 décembre 2013 relatif au Code flamand de la Fiscalité, les mots " ou du permis d'environnement pour des actes urbanistiques " sont ajoutés.
Art. 755. In artikel 2.1.6.0.3, 1°, van hetzelfde besluit worden tussen de woorden "stedenbouwkundige vergunning" en de woorden "voor de renovatiewerkzaamheden" de woorden "of omgevingsvergunning" ingevoegd.
Art. 755. A l'article 2.1.6.0.3, point 1°, du même arrêté, les mots " ou du permis d'environnement " sont insérés entre les mots " de l'autorisation urbanistique " et les mots " pour les travaux de rénovation ".
Art. 756. In artikel 2.6.7.0.1, § 2, eerste lid, 5°, van hetzelfde besluit worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning en milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit of voor stedenbouwkundige handelingen".
Art. 756. A l'article 2.6.7.0.1, § 2, alinéa 1er, point 5°, du même arrêté, les mots " l'autorisation urbanistique et écologique, si requises " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation d'un établissement classé ou d'une activité classée ou pour des actes urbanistiques, si requis ".
Hoofdstuk 54. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 december 2013 betreffende de voorafgaande vergunning voor centra voor kortverblijf en woonzorgcentra en tot wijziging van de regels betreffende de voorafgaande vergunning en de erkenning van die centra
Chapitre 54. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 décembre 2013 relatif à l'autorisation préalable pour les centres de court séjour et les centres de services de soins et de logement et modifiant les règles relatives à l'autorisation préalable et à l'agrément de ces centres
Art. 757. In artikel 9, tweede lid, 8°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 december 2013 betreffende de voorafgaande vergunning voor centra voor kortverblijf en woonzorgcentra en tot wijziging van de regels betreffende de voorafgaande vergunning en de erkenning van die centra worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art. 757. A l'article 9, alinéa 2, point 8°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 décembre 2013 relatif à l'autorisation préalable pour les centres de court séjour et les centres de services de soins et de logement et modifiant les règles relatives à l'autorisation préalable et à l'agrément de ces centres, les mots " (de l') (d'une) autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " (du) (d'un) permis d'environnement pour des actes urbanistiques ".
Hoofdstuk 55. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2014 houdende vaststelling van de regels inzake het lozen van bedrijfsafvalwater op een openbare rioolwaterzuiveringsinstallatie
Chapitre 55. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 février 2014 fixant les règles en matière de déversement d'eaux usées industrielles dans une installation publique d'épuration des eaux d'égout
Art. 758. In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2014 houdende vaststelling van de regels inzake het lozen van bedrijfsafvalwater op een openbare rioolwaterzuiveringsinstallatie worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in punt 12° wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit" en wordt de zinsnede "decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning";
2° in punt 18° wordt de zinsnede "als vermeld in subrubriek 53.2 van de indelingslijst van het VLAREM I;" vervangen door de zinsnede "als vermeld in subrubriek 53.2 van de indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid";
3° in punt 19° wordt de zinsnede "als vermeld in de rubriek 3.6.4 van bijlage 1 bij het VLAREM" vervangen door de zinsnede "als vermeld in de rubriek 3.6.4 van de indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid".
1° in punt 12° wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit" en wordt de zinsnede "decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning";
2° in punt 18° wordt de zinsnede "als vermeld in subrubriek 53.2 van de indelingslijst van het VLAREM I;" vervangen door de zinsnede "als vermeld in subrubriek 53.2 van de indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid";
3° in punt 19° wordt de zinsnede "als vermeld in de rubriek 3.6.4 van bijlage 1 bij het VLAREM" vervangen door de zinsnede "als vermeld in de rubriek 3.6.4 van de indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid".
Art. 758. A l'article 1er de l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 février 2014 fixant les règles en matière de déversement d'eaux usées industrielles dans une installation publique d'épuration des eaux d'égout, les modifications suivantes sont apportées :
1° au point 12°, les mots " une autorisation de déversement ou autorisation écologique, délivrée " sont remplacés par les mots " une autorisation de déversement ou un permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée, délivré(e) " et le membre de phrase " décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique " est remplacé par le membre de phrase " décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement " ;
2° au point 18°, le membre de phrase " tel que visé à la sous-rubrique 53.2 de la liste de classification du VLAREM I ; " est remplacé par le membre de phrase " tel que visé à la sous-rubrique 53.2 de la liste de classification visée à l'article 5.2.1, § 1er, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement " .
3° au point 19°, le membre de phrase " tels que visés à la rubrique 3.6.4 de l'annexe 1re au VLAREM " est remplacé par le membre de phrase " telles que visées à la sous-rubrique 3.6.4 de la liste de classification visée à l'article 5.2.1, § 1er, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement " .
1° au point 12°, les mots " une autorisation de déversement ou autorisation écologique, délivrée " sont remplacés par les mots " une autorisation de déversement ou un permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée, délivré(e) " et le membre de phrase " décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique " est remplacé par le membre de phrase " décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement " ;
2° au point 18°, le membre de phrase " tel que visé à la sous-rubrique 53.2 de la liste de classification du VLAREM I ; " est remplacé par le membre de phrase " tel que visé à la sous-rubrique 53.2 de la liste de classification visée à l'article 5.2.1, § 1er, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement " .
3° au point 19°, le membre de phrase " tels que visés à la rubrique 3.6.4 de l'annexe 1re au VLAREM " est remplacé par le membre de phrase " telles que visées à la sous-rubrique 3.6.4 de la liste de classification visée à l'article 5.2.1, § 1er, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement " .
Art. 759. In artikel 2, § 1, derde lid, 6°, van hetzelfde besluit wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 759. A l'article 2, § 1er, alinéa 3, point 6°, du même arrêté, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Hoofdstuk 56. - Wijzigingen van het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014
Chapitre 56. - Modifications de l'arrêté relatif au patrimoine immobilier du 16 mai 2014
Art. 760. Artikel 6.3.1 van het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014 wordt vervangen door wat volgt :
"Art. 6.3.1. § 1. Als voor de handelingen aan of in beschermde goederen een omgevingsvergunning of een vergunning, toelating, machtiging, ontheffing of afwijking overeenkomstig de VCRO, het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, het Bosdecreet van 13 juni 1990 of het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu vereist is, wordt de aanvraag van een toelating ingediend conform de bepalingen van artikel 6.4.4, § 2 en § 3, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.
§ 2. Als de handelingen aan of in beschermde goederen overeenkomstig de bepalingen van de VCRO, het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, het Bosdecreet van 13 juni 1990 en het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu zijn vrijgesteld van vergunning, toelating of machtiging, wordt de aanvraag van een toelating voor handelingen aan of in beschermde monumenten, beschermde cultuurhistorische landschappen of beschermde archeologische sites ingediend en behandeld volgens de procedure, vermeld in artikel 6.3.2 tot en met 6.3.11 van dit besluit.".
"Art. 6.3.1. § 1. Als voor de handelingen aan of in beschermde goederen een omgevingsvergunning of een vergunning, toelating, machtiging, ontheffing of afwijking overeenkomstig de VCRO, het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, het Bosdecreet van 13 juni 1990 of het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu vereist is, wordt de aanvraag van een toelating ingediend conform de bepalingen van artikel 6.4.4, § 2 en § 3, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.
§ 2. Als de handelingen aan of in beschermde goederen overeenkomstig de bepalingen van de VCRO, het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, het Bosdecreet van 13 juni 1990 en het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu zijn vrijgesteld van vergunning, toelating of machtiging, wordt de aanvraag van een toelating voor handelingen aan of in beschermde monumenten, beschermde cultuurhistorische landschappen of beschermde archeologische sites ingediend en behandeld volgens de procedure, vermeld in artikel 6.3.2 tot en met 6.3.11 van dit besluit.".
Art. 760. L'article 6.3.1 de l'arrêté relatif au patrimoine immobilier du 16 mai 2014 est remplacé par ce qui suit :
" Art. 6.3.1. § 1er. Lorsque, pour les actes à ou dans des biens protégés, un permis d'environnement ou un permis, une autorisation, un mandat, une exemption ou une dérogation sont requis conformément au Code flamand de l'Aménagement du Territoire, au décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, au décret forestier du 13 juin 1990 ou au décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, la demande d'une autorisation est introduite conformément aux dispositions de l'article 6.4.4, § 2 et § 3, du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013.
§ 2. Lorsque les actes à ou dans des biens protégés sont dispensés d'un permis, d'une autorisation ou d'un mandat conformément aux dispositions du Code flamand de l'Aménagement du Territoire, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, du décret forestier du 13 juin 1990 et du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, la demande d'une autorisation pour des actes sur ou dans des monuments protégés, des paysages historico-culturels protégés ou des sites archéologiques protégés est introduite et traitée selon la procédure visée aux articles 6.3.2 à 6.3.11 du présent arrêté. ".
" Art. 6.3.1. § 1er. Lorsque, pour les actes à ou dans des biens protégés, un permis d'environnement ou un permis, une autorisation, un mandat, une exemption ou une dérogation sont requis conformément au Code flamand de l'Aménagement du Territoire, au décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, au décret forestier du 13 juin 1990 ou au décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, la demande d'une autorisation est introduite conformément aux dispositions de l'article 6.4.4, § 2 et § 3, du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013.
§ 2. Lorsque les actes à ou dans des biens protégés sont dispensés d'un permis, d'une autorisation ou d'un mandat conformément aux dispositions du Code flamand de l'Aménagement du Territoire, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, du décret forestier du 13 juin 1990 et du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, la demande d'une autorisation pour des actes sur ou dans des monuments protégés, des paysages historico-culturels protégés ou des sites archéologiques protégés est introduite et traitée selon la procédure visée aux articles 6.3.2 à 6.3.11 du présent arrêté. ".
Art. 761. In artikel 6.3.2, eerste lid, van hetzelfde besluit wordt de zinsnede "het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid".
Art. 761. A l'article 6.3.2, alinéa 1er, du même arrêté, le membre de phrase " décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique " est remplacé par le membre de phrase " décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement ".
Art. 762. Artikel 6.3.27 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt :
"Art. 6.3.27. Deze onderafdeling is van toepassing op de administratieve beroepen tegen een beslissing houdende de toekenning of weigering van een vergunning, toelating, machtiging, ontheffing of afwijking overeenkomstig het Bosdecreet van 13 juni 1990 of het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu voor een handeling als vermeld in artikel 6.4.4, § 2 en § 3, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, als in het beroepschrift middelen worden opgeworpen tegen het advies van het agentschap over die vergunning, toelating, machtiging, ontheffing of afwijking.".
"Art. 6.3.27. Deze onderafdeling is van toepassing op de administratieve beroepen tegen een beslissing houdende de toekenning of weigering van een vergunning, toelating, machtiging, ontheffing of afwijking overeenkomstig het Bosdecreet van 13 juni 1990 of het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu voor een handeling als vermeld in artikel 6.4.4, § 2 en § 3, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, als in het beroepschrift middelen worden opgeworpen tegen het advies van het agentschap over die vergunning, toelating, machtiging, ontheffing of afwijking.".
Art. 762. L'article 6.3.27 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
" Art. 6.3.27. La présente sous-section s'applique aux recours administratifs contre une décision d'octroi ou de refus d'un permis, d'une autorisation, d'un mandat, d'une exemption ou d'une dérogation, conformément au décret forestier du 13 juin 1990 ou au décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, pour un acte, visé à l'article 6.4.4, § 2 et 3, du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, si le recours invoque des moyens contre l'avis de l'agence concernant ce permis, cette autorisation, ce mandat, cette exemption ou cette dérogation. ".
" Art. 6.3.27. La présente sous-section s'applique aux recours administratifs contre une décision d'octroi ou de refus d'un permis, d'une autorisation, d'un mandat, d'une exemption ou d'une dérogation, conformément au décret forestier du 13 juin 1990 ou au décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, pour un acte, visé à l'article 6.4.4, § 2 et 3, du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, si le recours invoque des moyens contre l'avis de l'agence concernant ce permis, cette autorisation, ce mandat, cette exemption ou cette dérogation. ".
Art. 763. In artikel 6.5.1 van hetzelfde besluit wordt de zinsnede "het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" telkens vervangen door de zinsnede "het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid".
Art. 763. A l'article 6.5.1 du même arrêté, le membre de phrase " décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique " est chaque fois remplacé par le membre de phrase " décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement ".
Art. 764. In artikel 11.2.34, 3°, van hetzelfde besluit worden de woorden "de stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art. 764. A l'article 11.2.34, point 3°, du même arrêté, les mots " l'autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour des actes urbanistiques ".
Hoofdstuk 57. - Wijzigingen van titel III van het VLAREM van 16 mei 2014
Chapitre 57. - Modifications du titre III du VLAREM du 16 mai 2014
Art. 765. In artikel 1.3 van titel III van het VLAREM van 16 mei 2014, wordt de zinsnede "artikel 30bis, § 4, van titel I van het VLAREM kan in de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "artikel 3.3.0.3, 3°, van titel II van het VLAREM kan in de omgevingsvergunning".
Art. 765. A l'article 1.3 du titre III du VLAREM du 16 mai 2014, le membre de phrase " l'article 30bis, § 4, du titre 1er du VLAREM, l'autorisation écologique " est remplacé par le membre de phrase " l'article 3.3.0.3, point 3°, du titre II du VLAREM, le permis d'environnement " .
Art. 766. In artikel 1.4 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid wordt de zinsnede "In afwijking van artikel 30bis, § 10, van titel I van het VLAREM, en met behoud van de toepassing van artikel 30bis, § 4, van titel I van het VLAREM" vervangen door de zinsnede "In afwijking van artikel 1.9, 5°, van dit besluit, en met behoud van de toepassing van artikel 3.3.0.3, 3°, van titel II van het VLAREM", wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning" en wordt het woord "milieuvergunningsvoorwaarden" vervangen door de woorden "bijzondere milieuvoorwaarden";
2° het derde en vierde lid worden vervangen door wat volgt :
"De vraag tot afwijking, vermeld in het eerste lid, wordt met een beveiligde zending ingediend bij de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning.
De afwijkingsaanvraag omvat de volgende gegevens :
1° de naam, de hoedanigheid en het adres van de aanvrager;
2° de naam en, in voorkomend geval, het ondernemersnummer van de exploitant;
3° de identificatie van de ingedeelde inrichting of activiteit die het voorwerp uitmaakt van de afwijkingsaanvraag;
4° de vermelding van het toepasselijke BREF, de toepasselijke BBT uit de BBT-conclusies en, voor zover dat van toepassing is, de overeenkomstige voorwaarden met betrekking tot de emissiegrenswaarden, alsook de artikelen van dit besluit waarvoor de afwijking wordt aangevraagd;
5° een beoordeling waaruit blijkt dat het behalen van emissieniveaus die samenhangen met de BBT zoals beschreven in de BBT-conclusies, zou leiden tot buitensporige hogere kosten in verhouding tot de milieuvoordelen, als gevolg van een van de volgende oorzaken :
a) de geografische ligging of de plaatselijke milieuomstandigheden van de installatie in kwestie;
b) de technische kenmerken van de installatie in kwestie;
6° een voorstel van emissiegrenswaarden waarbij wordt aangetoond dat ze niet hoger zijn dan :
a) de desbetreffende emissiegrenswaarden, vermeld in titel II van het VLAREM, als er niet in een afwijkingsmogelijkheid van titel II van het VLAREM is voorzien;
b) de eventueel toepasselijke grenswaarden, vermeld in bijlage 2;
7° een voorstel van maatregelen die waarborgen dat er geen aanzienlijke verontreiniging wordt veroorzaakt en dat een hoog niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel wordt bereikt;
8° een nota waarin wordt aangetoond dat de voorgestelde maatregelen beantwoorden aan de BBT, met bijzondere aandacht voor de criteria, vermeld in bijlage 3.3 van titel II van het VLAREM.";
3° er wordt een vijfde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
"De afwijking, vermeld in het eerste lid, is geldig tot een van de volgende gevallen zich voordoet :
1° de geldigheidsduur van de omgevingsvergunning waarop ze betrekking heeft verstrijkt;
2° als de afwijking voor een beperkte termijn werd verleend, bij het verstrijken van deze termijn;
3° de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning :
a) stelt de bijzondere milieuvoorwaarden bij als gevolg van een evaluatie als vermeld in artikel 1.4.1.1 en 1.4.2.1 van titel II van het VLAREM, en deze milieuvoorwaarden zijn strenger dan de voorwaarden die gelden als gevolg van de verleende afwijking;
b) stelt de bijzondere milieuvoorwaarden bij als gevolg van een verzoek of ambtshalve initiatief tot bijstelling van het voorwerp of de duur van de omgevingsvergunning, vermeld in artikel 83 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, en deze milieuvoorwaarden zijn strenger dan de voorwaarden die gelden als gevolg van de verleende afwijking;
4° de voorwaarden waarvan afwijking is verleend, worden opgeheven of vervangen door andere voorwaarden.".
1° in het eerste lid wordt de zinsnede "In afwijking van artikel 30bis, § 10, van titel I van het VLAREM, en met behoud van de toepassing van artikel 30bis, § 4, van titel I van het VLAREM" vervangen door de zinsnede "In afwijking van artikel 1.9, 5°, van dit besluit, en met behoud van de toepassing van artikel 3.3.0.3, 3°, van titel II van het VLAREM", wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning" en wordt het woord "milieuvergunningsvoorwaarden" vervangen door de woorden "bijzondere milieuvoorwaarden";
2° het derde en vierde lid worden vervangen door wat volgt :
"De vraag tot afwijking, vermeld in het eerste lid, wordt met een beveiligde zending ingediend bij de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning.
De afwijkingsaanvraag omvat de volgende gegevens :
1° de naam, de hoedanigheid en het adres van de aanvrager;
2° de naam en, in voorkomend geval, het ondernemersnummer van de exploitant;
3° de identificatie van de ingedeelde inrichting of activiteit die het voorwerp uitmaakt van de afwijkingsaanvraag;
4° de vermelding van het toepasselijke BREF, de toepasselijke BBT uit de BBT-conclusies en, voor zover dat van toepassing is, de overeenkomstige voorwaarden met betrekking tot de emissiegrenswaarden, alsook de artikelen van dit besluit waarvoor de afwijking wordt aangevraagd;
5° een beoordeling waaruit blijkt dat het behalen van emissieniveaus die samenhangen met de BBT zoals beschreven in de BBT-conclusies, zou leiden tot buitensporige hogere kosten in verhouding tot de milieuvoordelen, als gevolg van een van de volgende oorzaken :
a) de geografische ligging of de plaatselijke milieuomstandigheden van de installatie in kwestie;
b) de technische kenmerken van de installatie in kwestie;
6° een voorstel van emissiegrenswaarden waarbij wordt aangetoond dat ze niet hoger zijn dan :
a) de desbetreffende emissiegrenswaarden, vermeld in titel II van het VLAREM, als er niet in een afwijkingsmogelijkheid van titel II van het VLAREM is voorzien;
b) de eventueel toepasselijke grenswaarden, vermeld in bijlage 2;
7° een voorstel van maatregelen die waarborgen dat er geen aanzienlijke verontreiniging wordt veroorzaakt en dat een hoog niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel wordt bereikt;
8° een nota waarin wordt aangetoond dat de voorgestelde maatregelen beantwoorden aan de BBT, met bijzondere aandacht voor de criteria, vermeld in bijlage 3.3 van titel II van het VLAREM.";
3° er wordt een vijfde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
"De afwijking, vermeld in het eerste lid, is geldig tot een van de volgende gevallen zich voordoet :
1° de geldigheidsduur van de omgevingsvergunning waarop ze betrekking heeft verstrijkt;
2° als de afwijking voor een beperkte termijn werd verleend, bij het verstrijken van deze termijn;
3° de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning :
a) stelt de bijzondere milieuvoorwaarden bij als gevolg van een evaluatie als vermeld in artikel 1.4.1.1 en 1.4.2.1 van titel II van het VLAREM, en deze milieuvoorwaarden zijn strenger dan de voorwaarden die gelden als gevolg van de verleende afwijking;
b) stelt de bijzondere milieuvoorwaarden bij als gevolg van een verzoek of ambtshalve initiatief tot bijstelling van het voorwerp of de duur van de omgevingsvergunning, vermeld in artikel 83 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, en deze milieuvoorwaarden zijn strenger dan de voorwaarden die gelden als gevolg van de verleende afwijking;
4° de voorwaarden waarvan afwijking is verleend, worden opgeheven of vervangen door andere voorwaarden.".
Art. 766. A l'article 1.4 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
1° à l'alinéa 1er, le membre de phrase " Par dérogation à l'article 30bis, § 10, du titre 1er du VLAREM, et moyennant application de l'article 30bis, § 4, du titre 1er du VLAREM " est remplacé par le membre de phrase " Par dérogation à l'article 1.9, point 5°, du présent arrêté et sans préjudice de l'application de l'article 3.3.0.3, point 3°, du titre II du VLAREM ", les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement " et les mots " conditions d'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " conditions environnementales particulières " ;
2° les alinéas 3 et 4 sont remplacés par ce qui suit :
La demande de dérogation, visée à l'article 1er, est introduite par envoi sécurisé auprès de la division Environnement compétente pour le permis d'environnement.
La demande de dérogation contient les éléments suivants :
1° les nom, qualité et adresse du demandeur ;
2° le nom et, le cas échéant, le numéro d'entreprise de l'exploitant ;
3° l'identification de l'établissement classé ou de l'activité classée qui fait l'objet de la demande de dérogation ;
4° la mention du BREF applicable, les MTD applicables sur la base des conclusions sur les MTD et, le cas échéant, les conditions correspondantes relatives aux valeurs limites d'émission de même que les articles du présent arrêté visés par la demande de dérogation ;
5° une évaluation dont il ressort que l'obtention des niveaux d'émission associés aux MTD, conformément aux indications figurant dans les conclusions sur les MTD, entraînerait une hausse des coûts disproportionnée au regard des avantages pour l'environnement, en raison de l'une des causes suivantes :
a) l'implantation géographique ou les conditions locales de l'environnement de l'installation concernée ;
b) les caractéristiques techniques de l'installation concernée ;
6° une proposition de valeurs limites d'émission qui démontre que ces dernières ne dépassent pas :
a) les valeurs limites d'émission concernées visées au titre II du VLAREM si aucune possibilité de dérogation au titre II du VLAREM n'est prévue ;
b) les valeurs limites éventuellement applicables, visées à l'annexe 2 ;
7° une proposition de mesures garantissant qu'aucune pollution importante n'est provoquée et qu'un niveau élevé de protection de l'environnement dans son ensemble est atteint ;
8° une note dans laquelle il est démontré que les mesures proposées répondent aux MTD, avec une attention particulière pour les critères visés à l'annexe 3.3 du titre II du VLAREM. " ;
3° il est ajouté un alinéa 5, libellé comme suit :
" La dérogation visée à l'alinéa 1er est valable jusqu'à ce que se produise l'un des cas suivants :
1° la durée de validité du permis d'environnement auquel elle se rapporte expire ;
2° lorsque la dérogation a été accordée pour une durée limitée, à l'expiration de ce délai ;
3° l'autorité compétente visée à l'article 15 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement :
a) actualise les conditions environnementales particulières par suite d'une évaluation telle que visée aux articles 1.4.1.1 et 1.4.2.1 du titre II du VLAREM, et ces conditions environnementales sont plus strictes que celles qui s'appliquent à la suite de la dérogation accordée ;
b) actualise les conditions environnementales particulières en conséquence d'une demande ou d'une initiative d'office d'actualisation de l'objet ou de la durée du permis d'environnement, visée à l'article 83 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, et ces conditions environnementales sont plus strictes que celles qui s'appliquent à la suite de la dérogation accordée ;
4° les conditions visées par la dérogation accordée sont abrogées ou remplacées par d'autres conditions. ".
1° à l'alinéa 1er, le membre de phrase " Par dérogation à l'article 30bis, § 10, du titre 1er du VLAREM, et moyennant application de l'article 30bis, § 4, du titre 1er du VLAREM " est remplacé par le membre de phrase " Par dérogation à l'article 1.9, point 5°, du présent arrêté et sans préjudice de l'application de l'article 3.3.0.3, point 3°, du titre II du VLAREM ", les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement " et les mots " conditions d'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " conditions environnementales particulières " ;
2° les alinéas 3 et 4 sont remplacés par ce qui suit :
La demande de dérogation, visée à l'article 1er, est introduite par envoi sécurisé auprès de la division Environnement compétente pour le permis d'environnement.
La demande de dérogation contient les éléments suivants :
1° les nom, qualité et adresse du demandeur ;
2° le nom et, le cas échéant, le numéro d'entreprise de l'exploitant ;
3° l'identification de l'établissement classé ou de l'activité classée qui fait l'objet de la demande de dérogation ;
4° la mention du BREF applicable, les MTD applicables sur la base des conclusions sur les MTD et, le cas échéant, les conditions correspondantes relatives aux valeurs limites d'émission de même que les articles du présent arrêté visés par la demande de dérogation ;
5° une évaluation dont il ressort que l'obtention des niveaux d'émission associés aux MTD, conformément aux indications figurant dans les conclusions sur les MTD, entraînerait une hausse des coûts disproportionnée au regard des avantages pour l'environnement, en raison de l'une des causes suivantes :
a) l'implantation géographique ou les conditions locales de l'environnement de l'installation concernée ;
b) les caractéristiques techniques de l'installation concernée ;
6° une proposition de valeurs limites d'émission qui démontre que ces dernières ne dépassent pas :
a) les valeurs limites d'émission concernées visées au titre II du VLAREM si aucune possibilité de dérogation au titre II du VLAREM n'est prévue ;
b) les valeurs limites éventuellement applicables, visées à l'annexe 2 ;
7° une proposition de mesures garantissant qu'aucune pollution importante n'est provoquée et qu'un niveau élevé de protection de l'environnement dans son ensemble est atteint ;
8° une note dans laquelle il est démontré que les mesures proposées répondent aux MTD, avec une attention particulière pour les critères visés à l'annexe 3.3 du titre II du VLAREM. " ;
3° il est ajouté un alinéa 5, libellé comme suit :
" La dérogation visée à l'alinéa 1er est valable jusqu'à ce que se produise l'un des cas suivants :
1° la durée de validité du permis d'environnement auquel elle se rapporte expire ;
2° lorsque la dérogation a été accordée pour une durée limitée, à l'expiration de ce délai ;
3° l'autorité compétente visée à l'article 15 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement :
a) actualise les conditions environnementales particulières par suite d'une évaluation telle que visée aux articles 1.4.1.1 et 1.4.2.1 du titre II du VLAREM, et ces conditions environnementales sont plus strictes que celles qui s'appliquent à la suite de la dérogation accordée ;
b) actualise les conditions environnementales particulières en conséquence d'une demande ou d'une initiative d'office d'actualisation de l'objet ou de la durée du permis d'environnement, visée à l'article 83 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, et ces conditions environnementales sont plus strictes que celles qui s'appliquent à la suite de la dérogation accordée ;
4° les conditions visées par la dérogation accordée sont abrogées ou remplacées par d'autres conditions. ".
Art. 767. Artikel 1.5 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt :
"Art. 1.5. De behandeling van de afwijkingsaanvraag, vermeld in artikel 1.4 van dit besluit, de beslissing erover en de bekendmaking van de beslissing gebeuren conform de bepalingen van artikel 1.2.2ter.2 tot en met artikel 1.2.2ter.6 van titel II van het VLAREM.".
"Art. 1.5. De behandeling van de afwijkingsaanvraag, vermeld in artikel 1.4 van dit besluit, de beslissing erover en de bekendmaking van de beslissing gebeuren conform de bepalingen van artikel 1.2.2ter.2 tot en met artikel 1.2.2ter.6 van titel II van het VLAREM.".
Art. 767. L'article 1.5 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
" Art. 1.5. Le traitement de la demande de dérogation, visée à l'article 1.4 du présent arrêté, la décision à son sujet et la publication de la décision ont lieu conformément aux dispositions des articles 1.2.2ter.2 à 1.2.2ter.6 du titre II du VLAREM. ".
" Art. 1.5. Le traitement de la demande de dérogation, visée à l'article 1.4 du présent arrêté, la décision à son sujet et la publication de la décision ont lieu conformément aux dispositions des articles 1.2.2ter.2 à 1.2.2ter.6 du titre II du VLAREM. ".
Art. 768. In artikel 1.6 van hetzelfde besluit wordt de zinsnede "milieuvergunning artikel 30bis, § 10, 2°, van titel I van het VLAREM" vervangen door de zinsnede "omgevingsvergunning artikel 1.9, 5°, b), van dit besluit,".
Art. 768. A l'article 1.6 du même arrêté, le membre de phrase " l'article 30bis, § 10, point 2°, du titre Ier du VLAREM est appliqué dans l'autorisation écologique " est remplacé par le membre de phrase " l'article 1.9, point 5°, b), du présent arrêté est appliqué dans le permis d'environnement ".
Art. 769. In artikel 1.7 van hetzelfde besluit wordt de zinsnede "milieuvergunning met toepassing van artikel 30bis, § 8, van titel I van het VLAREM" vervangen door de zinsnede "omgevingsvergunning met toepassing van artikel 1.9, 3°, ".
Art. 769. A l'article 1.7 du même arrêté, le membre de phrase " dans l'autorisation écologique en application de l'art. 30bis, § 8, du titre Ier du VLAREM " est remplacé par le membre de phrase " dans le permis d'environnement, en application de l'article 1.9, point 3°, ".
Art. 770. In hetzelfde besluit worden een artikel 1.8 en 1.9 ingevoegd, die luiden als volgt :
"Art. 1.8. Met behoud van de toepassing van artikel 3.3.0.2 van titel II van het VLAREM, omvatten de bijzondere milieuvoorwaarden bovendien :
1° de bepalingen waaruit blijkt dat rekening wordt gehouden met de algemene beginselen, vermeld in artikel 2.1.1;
2° voor installaties die in de achtste kolom van de indelingslijst worden aangeduid met de kenletter S : de bepalingen over de periodieke monitoring van bodem en grondwater met betrekking tot relevante gevaarlijke stoffen die op het terrein kunnen worden aangetroffen, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming. Daarbij wordt rekening gehouden met de mogelijkheid van bodem- en grondwaterverontreiniging op het terrein van de installatie;
3° met toepassing van artikel 1.9, 5°, b), de bepalingen dat de resultaten van de monitoring van emissies beschikbaar zijn voor dezelfde periode en referentieomstandigheden als voor de BBT-GEN.
Art. 1.9. Met behoud van de toepassing van artikel 3.3.0.3 van titel II van het VLAREM gelden bij het vaststellen van de bijzondere milieuvoorwaarden de volgende bepalingen :
1° in voorkomend geval vormen de BBT-conclusies de referentie voor de vaststelling van milieuvoorwaarden. In afwachting van de aanneming door de Europese Commissie van het besluit met betrekking tot die BBT-conclusies gelden de BBT, afkomstig van de BREF's die door de Europese Commissie vóór 7 januari 2011 zijn aangenomen, met uitzondering van de emissiegrenswaarden, vermeld in punt 5° en artikel 1.4;
2° conform artikel 3.3.0.3, 4°, tweede lid, van titel II van het VLAREM kunnen strengere bijzondere vergunningsvoorwaarden vastgesteld worden dan die welke haalbaar zijn door gebruik te maken van de BBT-conclusies;
3° als de milieuvoorwaarden worden vastgesteld op basis van een beste beschikbare techniek die niet in een van de desbetreffende BBT-conclusies staat beschreven, gelden de volgende voorwaarden :
a) de techniek wordt bepaald met bijzondere aandacht voor de criteria, vermeld in bijlage 3.3 van titel II van het VLAREM;
b) er is voldaan aan de definitie van emissiegrenswaarde, vermeld in artikel 1.1.2, en artikel 3.3.0.3, 2°, tweede lid, van titel II van het VLAREM, de punten 5° en 6°, en artikel 1.4;
Als de BBT-conclusies, vermeld in het eerste lid, geen BBT-GEN bevatten, garandeert de techniek, vermeld in het eerste lid, een niveau van milieubescherming dat gelijkwaardig is aan dat van de BBT, vermeld in de BBT-conclusies;
4° als op een activiteit of op een type productieproces geen BBT-conclusies van toepassing zijn of als die BBT-conclusies niet alle mogelijke milieueffecten van de activiteit of het proces behandelen, worden de bijzondere milieuvoorwaarden vastgesteld, na voorafgaande raadpleging van de exploitant, op basis van de BBT die voor de desbetreffende activiteiten of processen bepaald zijn met bijzondere aandacht voor de criteria, vermeld in bijlage 3.3 van titel II van het VLAREM;
5° de emissiegrenswaarden, vermeld in artikel 3.3.0.2, 2°, van titel II van het VLAREM, waarborgen dat de emissies onder normale bedrijfsomstandigheden niet hoger zijn dan de BBT-GEN die zijn vastgesteld in de BBT-conclusies, door te opteren voor een van de volgende mogelijkheden :
a) door emissiegrenswaarden vast te stellen die niet hoger zijn dan de BBT-GEN. Die emissiegrenswaarden worden uitgedrukt voor dezelfde of voor kortere periodes en voor dezelfde referentieomstandigheden als de BBT-GEN;
b) door emissiegrenswaarden vast te stellen die, wat betreft waarden, perioden en referentieomstandigheden, verschillen van de emissiegrenswaarden, vermeld in punt a);
Als emissiegrenswaarden worden vastgesteld met toepassing van het eerste lid, b), worden ten minste jaarlijks de resultaten van de monitoring van die emissies beoordeeld door de vergunningverlenende overheid die in eerste aanleg bevoegd is, zodat die kan nagaan of de emissies in normale bedrijfsomstandigheden niet hoger waren dan de BBT-GEN;
6° er kan een tijdelijke vrijstelling toegestaan worden van de eisen, vermeld in punt 5°, artikel 3.3.0.3, 2°, tweede lid, van titel II van het VLAREM, en artikel 2.1.1, 1° en 2°, voor een totale periode van ten hoogste negen maanden om technieken in opkomst te testen en te gebruiken, op voorwaarde dat na de vermelde periode hetzij met de techniek wordt gestopt, hetzij met de activiteit in kwestie in elk geval de BBT-GEN niet worden overschreden;
7° met behoud van de toepassing van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden worden de eisen voor monitoring, vermeld in artikel 3.3.0.2, 9°, tweede lid, van titel II van het VLAREM, in voorkomend geval gebaseerd op de conclusies voor monitoring die in de BBT-conclusies worden beschreven.".
"Art. 1.8. Met behoud van de toepassing van artikel 3.3.0.2 van titel II van het VLAREM, omvatten de bijzondere milieuvoorwaarden bovendien :
1° de bepalingen waaruit blijkt dat rekening wordt gehouden met de algemene beginselen, vermeld in artikel 2.1.1;
2° voor installaties die in de achtste kolom van de indelingslijst worden aangeduid met de kenletter S : de bepalingen over de periodieke monitoring van bodem en grondwater met betrekking tot relevante gevaarlijke stoffen die op het terrein kunnen worden aangetroffen, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming. Daarbij wordt rekening gehouden met de mogelijkheid van bodem- en grondwaterverontreiniging op het terrein van de installatie;
3° met toepassing van artikel 1.9, 5°, b), de bepalingen dat de resultaten van de monitoring van emissies beschikbaar zijn voor dezelfde periode en referentieomstandigheden als voor de BBT-GEN.
Art. 1.9. Met behoud van de toepassing van artikel 3.3.0.3 van titel II van het VLAREM gelden bij het vaststellen van de bijzondere milieuvoorwaarden de volgende bepalingen :
1° in voorkomend geval vormen de BBT-conclusies de referentie voor de vaststelling van milieuvoorwaarden. In afwachting van de aanneming door de Europese Commissie van het besluit met betrekking tot die BBT-conclusies gelden de BBT, afkomstig van de BREF's die door de Europese Commissie vóór 7 januari 2011 zijn aangenomen, met uitzondering van de emissiegrenswaarden, vermeld in punt 5° en artikel 1.4;
2° conform artikel 3.3.0.3, 4°, tweede lid, van titel II van het VLAREM kunnen strengere bijzondere vergunningsvoorwaarden vastgesteld worden dan die welke haalbaar zijn door gebruik te maken van de BBT-conclusies;
3° als de milieuvoorwaarden worden vastgesteld op basis van een beste beschikbare techniek die niet in een van de desbetreffende BBT-conclusies staat beschreven, gelden de volgende voorwaarden :
a) de techniek wordt bepaald met bijzondere aandacht voor de criteria, vermeld in bijlage 3.3 van titel II van het VLAREM;
b) er is voldaan aan de definitie van emissiegrenswaarde, vermeld in artikel 1.1.2, en artikel 3.3.0.3, 2°, tweede lid, van titel II van het VLAREM, de punten 5° en 6°, en artikel 1.4;
Als de BBT-conclusies, vermeld in het eerste lid, geen BBT-GEN bevatten, garandeert de techniek, vermeld in het eerste lid, een niveau van milieubescherming dat gelijkwaardig is aan dat van de BBT, vermeld in de BBT-conclusies;
4° als op een activiteit of op een type productieproces geen BBT-conclusies van toepassing zijn of als die BBT-conclusies niet alle mogelijke milieueffecten van de activiteit of het proces behandelen, worden de bijzondere milieuvoorwaarden vastgesteld, na voorafgaande raadpleging van de exploitant, op basis van de BBT die voor de desbetreffende activiteiten of processen bepaald zijn met bijzondere aandacht voor de criteria, vermeld in bijlage 3.3 van titel II van het VLAREM;
5° de emissiegrenswaarden, vermeld in artikel 3.3.0.2, 2°, van titel II van het VLAREM, waarborgen dat de emissies onder normale bedrijfsomstandigheden niet hoger zijn dan de BBT-GEN die zijn vastgesteld in de BBT-conclusies, door te opteren voor een van de volgende mogelijkheden :
a) door emissiegrenswaarden vast te stellen die niet hoger zijn dan de BBT-GEN. Die emissiegrenswaarden worden uitgedrukt voor dezelfde of voor kortere periodes en voor dezelfde referentieomstandigheden als de BBT-GEN;
b) door emissiegrenswaarden vast te stellen die, wat betreft waarden, perioden en referentieomstandigheden, verschillen van de emissiegrenswaarden, vermeld in punt a);
Als emissiegrenswaarden worden vastgesteld met toepassing van het eerste lid, b), worden ten minste jaarlijks de resultaten van de monitoring van die emissies beoordeeld door de vergunningverlenende overheid die in eerste aanleg bevoegd is, zodat die kan nagaan of de emissies in normale bedrijfsomstandigheden niet hoger waren dan de BBT-GEN;
6° er kan een tijdelijke vrijstelling toegestaan worden van de eisen, vermeld in punt 5°, artikel 3.3.0.3, 2°, tweede lid, van titel II van het VLAREM, en artikel 2.1.1, 1° en 2°, voor een totale periode van ten hoogste negen maanden om technieken in opkomst te testen en te gebruiken, op voorwaarde dat na de vermelde periode hetzij met de techniek wordt gestopt, hetzij met de activiteit in kwestie in elk geval de BBT-GEN niet worden overschreden;
7° met behoud van de toepassing van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden worden de eisen voor monitoring, vermeld in artikel 3.3.0.2, 9°, tweede lid, van titel II van het VLAREM, in voorkomend geval gebaseerd op de conclusies voor monitoring die in de BBT-conclusies worden beschreven.".
Art. 770. Dans le même arrêté, il est inséré un article 1.8 et un article 1.9, libellés comme suit :
" Art. 1.8. Sans préjudice de l'application de l'article 3.3.0.2 du titre II du VLAREM, les conditions environnementales particulières comportent en outre :
1° les dispositions dont il ressort qu'il est tenu compte des principes généraux visés à l'article 2.1.1 ;
2° pour les installations désignées par la lettre S dans la huitième colonne de la liste de classification : les dispositions relatives à la surveillance périodique du sol et des eaux souterraines portant sur les substances dangereuses pertinentes susceptibles de se trouver sur le site, visées à l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 décembre 2007 fixant le règlement flamand relatif à l'assainissement du sol et à la protection du sol. Il est tenu compte à cet égard de la possibilité de contamination du sol et des eaux souterraines sur le site de l'installation ;
3° en application de l'article 1.9, point 5°, b), les dispositions selon lesquelles les résultats de la surveillance des émissions sont disponibles pour les mêmes périodes et pour les mêmes conditions de référence que les NEA-MTD.
Art. 1.9. Sans préjudice de l'application de l'article 3.3.0.3 du titre II du VLAREM, les dispositions suivantes s'appliquent pour la fixation des conditions environnementales particulières :
1° le cas échéant, les conclusions sur les MTD servent de référence pour la fixation des conditions environnementales. Dans l'attente de l'adoption par la Commission européenne de la décision relative à ces conclusions sur les MTD, les MTD issues des BREF adoptés par la Commission européenne avant le 7 janvier 2011 s'appliquent, à l'exception des valeurs limites d'émission visées au point 5° et à l'article 1.4 ;
2° conformément à l'article 3.3.0.3, point 4°, alinéa 2, du titre II du VLAREM, des conditions d'autorisation particulières plus sévères que celles pouvant être atteintes par l'utilisation des conclusions sur les MTD peuvent être fixées ;
3° si des conditions environnementales sont fixées sur la base d'une meilleure technique disponible qui n'est décrite dans aucune des conclusions pertinentes sur les MTD, les conditions suivantes s'appliquent :
a) ladite technique est déterminée en accordant une attention particulière aux critères énumérés à l'annexe 3.3 du titre II du VLAREM ;
b) il est satisfait à la définition de valeur limite d'émission visée à l'article 1.1.2, à l'article 3.3.0.3, point 2°, alinéa 2, du titre II du VLAREM, points 5° et 6°, et à l'article 1.4 ;
Lorsque les conclusions sur les MTD visées à l'alinéa 1er ne contiennent pas de NEA-MTD, la technique visée à l'alinéa 1er garantit un niveau de protection de l'environnement équivalent à celui résultant des MTD visées dans les conclusions sur les MTD ;
4° lorsqu'aucune des conclusions sur les MTD ne s'applique à une activité ou un type de procédé de production ou lorsque ces conclusions sur les MTD ne prennent pas en considération toutes les incidences possibles de l'activité ou du procédé sur l'environnement, les conditions environnementales particulières sont fixées, après consultation préalable de l'exploitant, sur la base des MTD déterminées pour les activités ou procédés concernés en accordant une attention particulière aux critères figurant à l'annexe 3.3 du titre II du VLAREM ;
5° les valeurs limites d'émission visées à l'article 3.3.0.2, point 2°, du titre II du VLAREM, garantissent que, dans des conditions d'exploitation normales, les émissions n'excèdent pas les NEA-MTD qui ont été fixées dans les conclusions sur les MTD en optant pour l'une des possibilités suivantes :
a) soit en fixant des valeurs limites d'émission qui n'excèdent pas les NEA-MTD. Ces valeurs limites d'émission sont exprimées pour les mêmes périodes, ou pour des périodes plus courtes, et pour les mêmes conditions de référence que les NEA-MTD ;
b) soit en fixant des valeurs limites d'émission différentes de celles visées au point a) en termes de valeurs, de périodes et de conditions de référence ;
Lorsque les valeurs limites d'émission sont fixées en application de l'alinéa 1er, b), l'autorité délivrant le permis compétente en première instance évalue, au moins une fois par an, les résultats de la surveillance des émissions de façon à pouvoir vérifier que les émissions, dans des conditions d'exploitation normales, n'ont pas excédé les NEA-MTD ;
6° une dérogation temporaire aux exigences, visées au point 5°, de l'article 3.3.0.3, 2°, alinéa 2, du titre II du VLAREM, et de l'article 2.1.1, points 1° et 2°, peut être accordée en cas d'expérimentation et d'utilisation de techniques émergentes pour une durée totale ne dépassant pas neuf mois, à condition qu'à l'issue de la période prévue, l'utilisation de ces techniques ait cessé ou que les émissions de l'activité respectent au minimum les NEA-MTD ;
7° sans préjudice de l'application des conditions environnementales générales et sectorielles, les exigences de surveillance visées à l'article 3.3.0.3, point 9°, alinéa 2, du titre II du VLAREM, sont basées, le cas échéant, sur les conclusions de la surveillance décrite dans les conclusions sur les MTD. ".
" Art. 1.8. Sans préjudice de l'application de l'article 3.3.0.2 du titre II du VLAREM, les conditions environnementales particulières comportent en outre :
1° les dispositions dont il ressort qu'il est tenu compte des principes généraux visés à l'article 2.1.1 ;
2° pour les installations désignées par la lettre S dans la huitième colonne de la liste de classification : les dispositions relatives à la surveillance périodique du sol et des eaux souterraines portant sur les substances dangereuses pertinentes susceptibles de se trouver sur le site, visées à l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 décembre 2007 fixant le règlement flamand relatif à l'assainissement du sol et à la protection du sol. Il est tenu compte à cet égard de la possibilité de contamination du sol et des eaux souterraines sur le site de l'installation ;
3° en application de l'article 1.9, point 5°, b), les dispositions selon lesquelles les résultats de la surveillance des émissions sont disponibles pour les mêmes périodes et pour les mêmes conditions de référence que les NEA-MTD.
Art. 1.9. Sans préjudice de l'application de l'article 3.3.0.3 du titre II du VLAREM, les dispositions suivantes s'appliquent pour la fixation des conditions environnementales particulières :
1° le cas échéant, les conclusions sur les MTD servent de référence pour la fixation des conditions environnementales. Dans l'attente de l'adoption par la Commission européenne de la décision relative à ces conclusions sur les MTD, les MTD issues des BREF adoptés par la Commission européenne avant le 7 janvier 2011 s'appliquent, à l'exception des valeurs limites d'émission visées au point 5° et à l'article 1.4 ;
2° conformément à l'article 3.3.0.3, point 4°, alinéa 2, du titre II du VLAREM, des conditions d'autorisation particulières plus sévères que celles pouvant être atteintes par l'utilisation des conclusions sur les MTD peuvent être fixées ;
3° si des conditions environnementales sont fixées sur la base d'une meilleure technique disponible qui n'est décrite dans aucune des conclusions pertinentes sur les MTD, les conditions suivantes s'appliquent :
a) ladite technique est déterminée en accordant une attention particulière aux critères énumérés à l'annexe 3.3 du titre II du VLAREM ;
b) il est satisfait à la définition de valeur limite d'émission visée à l'article 1.1.2, à l'article 3.3.0.3, point 2°, alinéa 2, du titre II du VLAREM, points 5° et 6°, et à l'article 1.4 ;
Lorsque les conclusions sur les MTD visées à l'alinéa 1er ne contiennent pas de NEA-MTD, la technique visée à l'alinéa 1er garantit un niveau de protection de l'environnement équivalent à celui résultant des MTD visées dans les conclusions sur les MTD ;
4° lorsqu'aucune des conclusions sur les MTD ne s'applique à une activité ou un type de procédé de production ou lorsque ces conclusions sur les MTD ne prennent pas en considération toutes les incidences possibles de l'activité ou du procédé sur l'environnement, les conditions environnementales particulières sont fixées, après consultation préalable de l'exploitant, sur la base des MTD déterminées pour les activités ou procédés concernés en accordant une attention particulière aux critères figurant à l'annexe 3.3 du titre II du VLAREM ;
5° les valeurs limites d'émission visées à l'article 3.3.0.2, point 2°, du titre II du VLAREM, garantissent que, dans des conditions d'exploitation normales, les émissions n'excèdent pas les NEA-MTD qui ont été fixées dans les conclusions sur les MTD en optant pour l'une des possibilités suivantes :
a) soit en fixant des valeurs limites d'émission qui n'excèdent pas les NEA-MTD. Ces valeurs limites d'émission sont exprimées pour les mêmes périodes, ou pour des périodes plus courtes, et pour les mêmes conditions de référence que les NEA-MTD ;
b) soit en fixant des valeurs limites d'émission différentes de celles visées au point a) en termes de valeurs, de périodes et de conditions de référence ;
Lorsque les valeurs limites d'émission sont fixées en application de l'alinéa 1er, b), l'autorité délivrant le permis compétente en première instance évalue, au moins une fois par an, les résultats de la surveillance des émissions de façon à pouvoir vérifier que les émissions, dans des conditions d'exploitation normales, n'ont pas excédé les NEA-MTD ;
6° une dérogation temporaire aux exigences, visées au point 5°, de l'article 3.3.0.3, 2°, alinéa 2, du titre II du VLAREM, et de l'article 2.1.1, points 1° et 2°, peut être accordée en cas d'expérimentation et d'utilisation de techniques émergentes pour une durée totale ne dépassant pas neuf mois, à condition qu'à l'issue de la période prévue, l'utilisation de ces techniques ait cessé ou que les émissions de l'activité respectent au minimum les NEA-MTD ;
7° sans préjudice de l'application des conditions environnementales générales et sectorielles, les exigences de surveillance visées à l'article 3.3.0.3, point 9°, alinéa 2, du titre II du VLAREM, sont basées, le cas échéant, sur les conclusions de la surveillance décrite dans les conclusions sur les MTD. ".
Art. 771. In artikel 2.2.2 van hetzelfde besluit wordt de zinsnede "titel I" vervangen door de zinsnede "titel II".
Art. 771. A l'article 2.2.2 du même arrêté, le membre de phrase " titre Ier " est remplacé par le membre de phrase " titre II ".
Art. 772. In artikel 2.2.3 van hetzelfde besluit wordt de zinsnede "titel I" vervangen door de zinsnede "titel II".
Art. 772. A l'article 2.2.3 du même arrêté, le membre de phrase " titre Ier " est remplacé par le membre de phrase " titre II ".
Art. 773. In artikel 2.3.2 van hetzelfde besluit wordt de zinsnede "30bis, § 10, 2°, van titel I van het VLAREM" vervangen door de zinsnede "artikel 1.9, 5°, b),".
Art. 773. A l'article 2.3.2 du même arrêté, le membre de phrase " l'article 30bis, § 10, point 2°, du titre Ier du VLAREM " est remplacé par le membre de phrase " l'article 1.9, point 5°, b), ".
Art. 774. In artikel 2.3.3 van hetzelfde besluit wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning".
Art. 774. A l'article 2.3.3 du même arrêté, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement ".
Art. 775. Artikel 2.3.4 van hetzelfde besluit wordt opgeheven.
Art. 775. L'article 2.3.4 du même arrêté est abrogé.
Art. 776. In artikel 3.1.1.1, § 1, eerste lid, van hetzelfde besluit wordt de zinsnede "titel I" vervangen door de zinsnede "titel II".
Art. 776. A l'article 3.1.1.1, § 1er, alinéa 1er, du même arrêté, le membre de phrase " titre Ier " est remplacé par le membre de phrase " titre II ".
Art. 777. In artikel 3.2.1.1, § 1, eerste lid, van hetzelfde besluit wordt de zinsnede "titel I" vervangen door de zinsnede "titel II".
Art. 777. A l'article 3.2.1.1, § 1er, alinéa 1er, du même arrêté, le membre de phrase " titre Ier " est remplacé par le membre de phrase " titre II ".
Hoofdstuk 58. - Wijzigingen van de bijlage III van titel III van het VLAREM
Chapitre 58. - Modifications de l'annexe III du titre III du VLAREM
Art. 778. In de bijlage III van titel III van het Vlarem, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in de regel :
1° in de regel :
Art. 778. A l'annexe III du titre III du Vlarem, les modifications suivantes sont apportées :
1° à la ligne :
1° à la ligne :
| 2.3.3 | De exploitant brengt de toezichthouder regelmatig en ten minste jaarlijks op de hoogte van de informatie die wordt verkregen op basis van de resultaten van de monitoring van emissies, die door dit besluit of de milieuvergunning werd opgelegd, en van andere vereiste gegevens aan de hand waarvan de toezichthouder de naleving van de vergunningsvoorwaarden kan toetsen. |
wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning" en wordt het woord "vergunningsvoorwaarden" vervangen door het woord "milieuvoorwaarden".
2° de regel
| 2.3.3 | L'exploitant communique régulièrement au contrôleur, et au moins une fois par an, les informations qui sont obtenues sur la base des résultats du monitoring des émissions, qui a été imposé par le présent règlement ou par l'autorisation écologique, et les autres données requises sur la base desquelles le contrôleur peut contrôler le respect des conditions d'autorisation. |
est remplacée par ce qui suit : " L'exploitant communique régulièrement, et au moins une fois par an, au contrôleur les informations qui sont obtenues sur la base des résultats de la surveillance des émissions, qui a été imposée par le présent arrêté ou par le permis d'environnement, et les autres données requises sur la base desquelles le contrôleur peut contrôler le respect des conditions environnementales ".
2° la ligne
| 2.3.4 | De exploitant bezorgt op verzoek van de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, alle gegevens die voor de toetsing van de vergunningsvoorwaarden, vermeld in artikel 41bis van titel I van het VLAREM, noodzakelijk zijn, waaronder met name de resultaten van de monitoring van emissies en andere gegevens die een vergelijking mogelijk maken van de werking van de installatie met de BBT zoals beschreven in de toepasselijke BBT-conclusies en met de BBT-GEN. |
wordt opgeheven.
| 2.3.4 | L'exploitant fournit, à la demande de la division compétente pour les autorisations écologiques, toutes les données qui sont nécessaires au contrôle des conditions d'autorisation visées à l'article 41bis du titre I du VLAREM, dont notamment les résultats de la surveillance des émissions et les autres données permettant de comparer le fonctionnement de l'installation aux MTD telles que décrites dans les conclusions sur les MTD applicables et aux NEA-MTD. |
est abrogée.
Hoofdstuk 59. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2014 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende complexe projecten
Chapitre 59. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2014 portant exécution du décret du 25 avril 2014 relatif aux projets complexes
Art. 779. In artikel 29, § 1, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2014 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende complexe projecten worden de punten 2° en 3° opgeheven.
Art. 779. A l'article 29, § 1er, alinéa 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2014 portant exécution du décret du 25 avril 2014 relatif aux projets complexes, les points 2° et 3° sont abrogés.
Hoofdstuk 60. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 2014 betreffende steun aan de investeringen en aan de overname in de landbouw
Chapitre 60. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 décembre 2014 concernant les aides aux investissements et à la reprise dans l'agriculture
Art. 780. In artikel 5, § 1, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 2014 betreffende steun aan de investeringen en aan de overname in de landbouw, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "milieuvergunning of omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 780. A l'article 5, § 1er, alinéa 2, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 décembre 2014 concernant les aides aux investissements et à la reprise dans l'agriculture, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " l'autorisation écologique ou le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 781. In artikel 9, vierde lid, 6°, van hetzelfde besluit, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "milieuvergunning of omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 781. A l'article 9, alinéa 4, point 6°, du même arrêté, les mots " de l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " de l'autorisation écologique ou du permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
Art. 782. In artikel 15, eerste lid, van hetzelfde besluit worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning of een milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art. 782. A l'article 15, alinéa 1er, du même arrêté, les mots " d'une autorisation urbanistique ou d'une autorisation écologique " sont remplacés par les mots " d'un permis d'environnement pour des actes urbanistiques ou pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée ".
TITEL 10. - Slotbepalingen
TITRE 10. - Dispositions finales
Hoofdstuk 1. - Opheffingsbepalingen
Chapitre 1er. - Dispositions abrogatoires
Art. 783. De volgende regelingen worden opgeheven :
1° het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams Reglement betreffende de milieuvergunning, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 mei 2014;
2° het besluit van de Vlaamse Regering van 4 maart 1997 houdende delegatie van de bepaling van de vorm van modelformulieren inzake ruimtelijke ordening;
3° het besluit van de Vlaamse Regering van 5 mei 2000 betreffende de openbare onderzoeken over aanvragen tot stedenbouwkundige vergunning, verkavelingsaanvragen en aanvragen tot verkavelingswijziging, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 2014;
4° het besluit van de Vlaamse Regering van 5 mei 2000 tot bepaling van de werken en handelingen die vrijgesteld zijn van het eensluidend advies van het Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 2014;
5° [1 ...]1
6° het besluit van de Vlaamse Regering van 28 mei 2004 betreffende de dossiersamenstelling van de aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014;
7° het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009 betreffende de dossiersamenstelling van de aanvraag voor een verkavelingsvergunning, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014;
8° het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 tot aanwijzing van de instanties die over een vergunningsaanvraag advies verlenen, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014;
9° het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 tot regeling van sommige onderdelen van de administratieve beroepsprocedure inzake stedenbouwkundige of verkavelingsvergunningen, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 september 2012.
1° het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams Reglement betreffende de milieuvergunning, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 mei 2014;
2° het besluit van de Vlaamse Regering van 4 maart 1997 houdende delegatie van de bepaling van de vorm van modelformulieren inzake ruimtelijke ordening;
3° het besluit van de Vlaamse Regering van 5 mei 2000 betreffende de openbare onderzoeken over aanvragen tot stedenbouwkundige vergunning, verkavelingsaanvragen en aanvragen tot verkavelingswijziging, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 2014;
4° het besluit van de Vlaamse Regering van 5 mei 2000 tot bepaling van de werken en handelingen die vrijgesteld zijn van het eensluidend advies van het Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 2014;
5° [1 ...]1
6° het besluit van de Vlaamse Regering van 28 mei 2004 betreffende de dossiersamenstelling van de aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014;
7° het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009 betreffende de dossiersamenstelling van de aanvraag voor een verkavelingsvergunning, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014;
8° het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 tot aanwijzing van de instanties die over een vergunningsaanvraag advies verlenen, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014;
9° het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 tot regeling van sommige onderdelen van de administratieve beroepsprocedure inzake stedenbouwkundige of verkavelingsvergunningen, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 september 2012.
Art. 783. Les règlements suivants sont abrogés :
1° l'arrêté de l'Exécutif flamand du 6 février 1991 fixant le règlement flamand relatif à l'autorisation écologique, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 mai 2014 ;
2° l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 mars 1997 portant délégation de la fixation de la forme des formulaires modèles en matière d'aménagement du territoire ;
3° l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 mai 2000 relatif aux enquêtes publiques sur les demandes d'autorisations urbanistiques, les demandes des permis de lotir et les demandes de modification des permis de lotir, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 juin 2014 ;
4° l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 mai 2000 fixant les travaux et actes exonérés de l'avis conforme du département de l'Aménagement du Territoire, de la Politique du Logement et du Patrimoine immobilier, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 juin 2014 ;
5° [1 ...]1
6° l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 mai 2004 relatif à la composition du dossier de demande d'une autorisation urbanistique, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014 ;
7° l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 mai 2009 relatif à la composition du dossier de demande d'un permis de lotir, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014 ;
8° l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 juin 2009 portant désignation des instances formulant un avis sur une demande de permis, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014 ;
9° l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juillet 2009 réglant certaines parties de la procédure de recours administrative en matière d'autorisations urbanistiques ou de permis de lotir, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 septembre 2012.
1° l'arrêté de l'Exécutif flamand du 6 février 1991 fixant le règlement flamand relatif à l'autorisation écologique, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 mai 2014 ;
2° l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 mars 1997 portant délégation de la fixation de la forme des formulaires modèles en matière d'aménagement du territoire ;
3° l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 mai 2000 relatif aux enquêtes publiques sur les demandes d'autorisations urbanistiques, les demandes des permis de lotir et les demandes de modification des permis de lotir, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 juin 2014 ;
4° l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 mai 2000 fixant les travaux et actes exonérés de l'avis conforme du département de l'Aménagement du Territoire, de la Politique du Logement et du Patrimoine immobilier, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 juin 2014 ;
5° [1 ...]1
6° l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 mai 2004 relatif à la composition du dossier de demande d'une autorisation urbanistique, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014 ;
7° l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 mai 2009 relatif à la composition du dossier de demande d'un permis de lotir, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014 ;
8° l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 juin 2009 portant désignation des instances formulant un avis sur une demande de permis, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014 ;
9° l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juillet 2009 réglant certaines parties de la procédure de recours administrative en matière d'autorisations urbanistiques ou de permis de lotir, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 septembre 2012.
Hoofdstuk 2. - Overgangsbepalingen wat betreft de rapportage over de naleving van de beslissingstermijnen
Chapitre 2. - Dispositions transitoires concernant l'établissement de rapports sur le respect des délais de décision
Art. 784. De rapportage door de gemeenten, de provincies en de Vlaamse Regering, vermeld in artikel 14 van het decreet van 25 april 2014, gebeurt aan de hand van de gegevens, opgenomen in het uitwisselingsplatform.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, kunnen samen de nadere modaliteiten voor die rapportage vaststellen.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, kunnen samen de nadere modaliteiten voor die rapportage vaststellen.
Art. 784. L'établissement de rapports par les communes, les provinces et le Gouvernement flamand, visé à l'article 14 du décret du 25 avril 2014, s'effectue à l'aide des données reprises dans la plate-forme d'échange.
Le ministre flamand qui a l'aménagement du territoire dans ses attributions et le ministre flamand qui a l'environnement dans ses attributions peuvent fixer conjointement les modalités de ces rapports.
Le ministre flamand qui a l'aménagement du territoire dans ses attributions et le ministre flamand qui a l'environnement dans ses attributions peuvent fixer conjointement les modalités de ces rapports.
Hoofdstuk 3. - Overgangsbepalingen wat betreft de omzetting van een milieuvergunning van bepaalde duur in een vergunning van onbepaalde duur
Chapitre 3. - Dispositions transitoires concernant la conversion d'une autorisation écologique à durée déterminée en un permis à durée indéterminée
Afdeling 1. - Het indienen van de mededeling met de vraag tot omzetting
Section 1re. - L'introduction de la notification avec la demande de conversion
Art. 785. De mededeling met de vraag tot omzetting, vermeld in artikel 390, § 1, eerste lid, 1°, van het decreet van 25 april 2014, wordt met een beveiligde zending door de aanvrager gedaan bij de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 van het decreet van 25 april 2015.
De persoon die de mededeling doet, gebruikt hiertoe :
1° het formulier, vastgesteld in bijlage 19, die bij dit besluit is gevoegd;
2° de in het formulier aangewezen addenda uit de addenda-bibliotheek die is opgenomen in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd.
De mededeling met de vraag tot omzetting omvat de gegevens die als verplicht in te vullen of bij te voegen voorgeschreven zijn in het formulier en de desbetreffende addenda.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, zijn gemachtigd gezamenlijk het formulier en de addenda-bibliotheek, vermeld in het tweede lid, en de dossiersamenstelling te wijzigen, waarbij minstens de volgende gegevens worden gevraagd :
1° het voorwerp van de mededeling;
2° de identificatiegegevens van de plaats waar het voorwerp van de mededeling uitgevoerd zal worden;
3° plannen;
4° de identificatiegegevens van de exploitant.
De persoon die de mededeling doet, gebruikt hiertoe :
1° het formulier, vastgesteld in bijlage 19, die bij dit besluit is gevoegd;
2° de in het formulier aangewezen addenda uit de addenda-bibliotheek die is opgenomen in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd.
De mededeling met de vraag tot omzetting omvat de gegevens die als verplicht in te vullen of bij te voegen voorgeschreven zijn in het formulier en de desbetreffende addenda.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, zijn gemachtigd gezamenlijk het formulier en de addenda-bibliotheek, vermeld in het tweede lid, en de dossiersamenstelling te wijzigen, waarbij minstens de volgende gegevens worden gevraagd :
1° het voorwerp van de mededeling;
2° de identificatiegegevens van de plaats waar het voorwerp van de mededeling uitgevoerd zal worden;
3° plannen;
4° de identificatiegegevens van de exploitant.
Art. 785. La notification avec la demande de conversion, visée à l'article 390, § 1er, alinéa 1er, point 1°, du décret du 25 avril 2014, est introduite par envoi sécurisé par le demandeur auprès de l'autorité compétente mentionnée à l'article 15 du décret du 25 avril 2014.
La personne qui effectue la notification utilise à cet effet :
1° le formulaire établi à l'annexe 19 jointe au présent arrêté ;
2° les avenants, indiqués sur le formulaire, issus de la bibliothèque d'avenants reprise à l'annexe 2 jointe au présent arrêté.
La notification avec la demande de conversion comprend les données prescrites comme devant être obligatoirement remplies ou jointes sur le formulaire et dans les avenants concernés.
Le ministre flamand qui a l'aménagement du territoire dans ses attributions et le ministre flamand qui a l'environnement dans ses attributions sont autorisés à modifier conjointement le formulaire et la bibliothèque d'avenants, visés à l'alinéa 2, ainsi que la composition du dossier, les données suivantes au moins étant demandées :
1° l'objet de la notification ;
2° les données d'identification du lieu où sera exécuté l'objet de la notification ;
3° des plans ;
4° les données d'identification de l'exploitant.
La personne qui effectue la notification utilise à cet effet :
1° le formulaire établi à l'annexe 19 jointe au présent arrêté ;
2° les avenants, indiqués sur le formulaire, issus de la bibliothèque d'avenants reprise à l'annexe 2 jointe au présent arrêté.
La notification avec la demande de conversion comprend les données prescrites comme devant être obligatoirement remplies ou jointes sur le formulaire et dans les avenants concernés.
Le ministre flamand qui a l'aménagement du territoire dans ses attributions et le ministre flamand qui a l'environnement dans ses attributions sont autorisés à modifier conjointement le formulaire et la bibliothèque d'avenants, visés à l'alinéa 2, ainsi que la composition du dossier, les données suivantes au moins étant demandées :
1° l'objet de la notification ;
2° les données d'identification du lieu où sera exécuté l'objet de la notification ;
3° des plans ;
4° les données d'identification de l'exploitant.
Afdeling 2. - Behandeling van de mededeling met de vraag tot omzetting
Section 2. - Traitement de la notification avec la demande de conversion
Onderafdeling 1. - Onderzoek naar de ontvankelijkheid en volledigheid
Sous-section 1re. - Examen de la recevabilité et de la complétude
Art. 786. Het bevoegde bestuur onderzoekt of de mededeling met de vraag tot omzetting :
1° bij de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 van het decreet van 25 april 2014, is ingediend;
2° tussen de achtenveertig en zesendertig maanden voor het verstrijken van de geldigheidsduur van de milieuvergunning is ingediend;
3° de gegevens en bijlagen, vermeld in artikel 785, omvat.
Binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat de dag na de datum van de indiening van de mededeling met de vraag tot omzetting, bevestigt het bevoegde bestuur de ontvangst ervan aan de aanvrager. Bij de ontvangstbevestiging wordt de aanvrager, in voorkomend geval :
1° ervan op de hoogte gebracht dat de mededeling met de vraag tot omzetting niet conform het eerste lid, 2°, is ingediend waardoor ze onontvankelijk is en de procedure wordt stopgezet;
2° gevraagd de ontbrekende gegevens of documenten, vermeld in artikel 785, binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat de dag na de datum van de verzending van de ontvangstbevestiging, aan de mededeling toe te voegen.
Als de aanvrager nalaat de ontbrekende gegevens of bijlagen, vermeld in het tweede lid, binnen de termijn van dertig dagen toe te voegen, wordt de mededeling van rechtswege als onvolledig beschouwd, de procedure stopgezet en de aanvrager daarvan met een beveiligde zending op de hoogte gebracht.
1° bij de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 van het decreet van 25 april 2014, is ingediend;
2° tussen de achtenveertig en zesendertig maanden voor het verstrijken van de geldigheidsduur van de milieuvergunning is ingediend;
3° de gegevens en bijlagen, vermeld in artikel 785, omvat.
Binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat de dag na de datum van de indiening van de mededeling met de vraag tot omzetting, bevestigt het bevoegde bestuur de ontvangst ervan aan de aanvrager. Bij de ontvangstbevestiging wordt de aanvrager, in voorkomend geval :
1° ervan op de hoogte gebracht dat de mededeling met de vraag tot omzetting niet conform het eerste lid, 2°, is ingediend waardoor ze onontvankelijk is en de procedure wordt stopgezet;
2° gevraagd de ontbrekende gegevens of documenten, vermeld in artikel 785, binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat de dag na de datum van de verzending van de ontvangstbevestiging, aan de mededeling toe te voegen.
Als de aanvrager nalaat de ontbrekende gegevens of bijlagen, vermeld in het tweede lid, binnen de termijn van dertig dagen toe te voegen, wordt de mededeling van rechtswege als onvolledig beschouwd, de procedure stopgezet en de aanvrager daarvan met een beveiligde zending op de hoogte gebracht.
Art. 786. L'administration compétente examine si la notification avec la demande de conversion :
1° a été introduite auprès de l'autorité compétente visée à l'article 15 du décret du 25 avril 2014 ;
2° a été introduite entre le quarante-huitième jour et le trente-sixième jour avant l'expiration de la durée de validité de l'autorisation écologique ;
3° contient les données et annexes visées à l'article 785.
Dans un délai de trente jours prenant cours le lendemain de l'introduction de la notification avec la demande de conversion, l'administration compétente en confirme la réception au demandeur. Lors de la confirmation de réception, le demandeur est, le cas échéant :
1° informé du fait que la notification avec la demande de conversion n'a pas été introduite conformément à l'alinéa 1er, point 2°, de sorte qu'elle est irrecevable et qu'il est mis fin à la procédure ;
2° est invité à joindre à la notification les éléments ou documents manquants, visés à l'article 785, dans un délai de trente jours prenant cours le lendemain de l'envoi de l'accusé de réception.
Si le demandeur omet de joindre les éléments ou annexes visés à l'alinéa 2 dans le délai de trente jours, la notification est considérée de plein droit comme incomplète, il est mis fin à la procédure et le demandeur en est informé par envoi sécurisé.
1° a été introduite auprès de l'autorité compétente visée à l'article 15 du décret du 25 avril 2014 ;
2° a été introduite entre le quarante-huitième jour et le trente-sixième jour avant l'expiration de la durée de validité de l'autorisation écologique ;
3° contient les données et annexes visées à l'article 785.
Dans un délai de trente jours prenant cours le lendemain de l'introduction de la notification avec la demande de conversion, l'administration compétente en confirme la réception au demandeur. Lors de la confirmation de réception, le demandeur est, le cas échéant :
1° informé du fait que la notification avec la demande de conversion n'a pas été introduite conformément à l'alinéa 1er, point 2°, de sorte qu'elle est irrecevable et qu'il est mis fin à la procédure ;
2° est invité à joindre à la notification les éléments ou documents manquants, visés à l'article 785, dans un délai de trente jours prenant cours le lendemain de l'envoi de l'accusé de réception.
Si le demandeur omet de joindre les éléments ou annexes visés à l'alinéa 2 dans le délai de trente jours, la notification est considérée de plein droit comme incomplète, il est mis fin à la procédure et le demandeur en est informé par envoi sécurisé.
Onderafdeling 2. - Onderzoek naar de vereiste van een milieueffectrapport
Sous-section 2. - Examen de l'exigence d'une évaluation des incidences sur l'environnement
Art. 787. Het bevoegde bestuur onderzoekt of de mededeling met de vraag tot omzetting een milieueffectrapport vereist.
Als met toepassing van artikel 4.3.3, § 2, van het DABM een project-MER-screeningsnota bij de mededeling is gevoegd, voert het bevoegde bestuur het onderzoek op basis van die nota en beslist of er voor de verdere exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit een milieueffectrapport moet worden opgesteld.
[1 Het resultaat van het onderzoek, vermeld in het eerste lid, bevat in voorkomend geval:
1° als besloten wordt dat een project-MER moet worden opgesteld, de belangrijkste redenen waarom een project-MER moet worden opgesteld, waarbij verwezen wordt naar de relevante criteria, vermeld in bijlage II van het DABM;
2° als besloten wordt dat er geen project-MER hoeft te worden opgesteld, de belangrijkste redenen waarom er geen project-MER hoeft te worden opgesteld, waarbij verwezen wordt naar de relevante criteria, vermeld in bijlage II van het DABM, en, als de aanvrager die heeft voorgesteld, de kenmerken van het project of de geplande maatregelen om te vermijden of te voorkomen wat anders wellicht aanzienlijke nadelige milieueffecten zouden zijn geweest.
Het bevoegde bestuur houdt, als dat relevant is, bij de beslissing, vermeld in het derde lid, rekening met de resultaten van de voorafgaande controles die zijn verricht, of met de beoordelingen van de effecten op het milieu die zijn gemaakt met toepassing van titel IV van het DABM of met toepassing van andere gewestelijke of federale regelgeving.]1
Het resultaat van het onderzoek, vermeld in het eerste lid, en, in voorkomend geval, de beslissing, vermeld in het tweede lid, worden met een beveiligde zending aan de aanvrager meegedeeld binnen een termijn van negentig dagen vanaf de dag na de datum waarop de mededeling is ingediend hetzij na de ontvangst van de ontbrekende gegevens of documenten.
Als geen milieueffectrapport is vereist, wordt in de mededeling aan de aanvrager, vermeld in het [1 vijfde]1 lid, verwezen naar de opdracht aan de gemeente om een openbaar onderzoek in te stellen.
Als met toepassing van artikel 4.3.3, § 2, van het DABM een project-MER-screeningsnota bij de mededeling is gevoegd, voert het bevoegde bestuur het onderzoek op basis van die nota en beslist of er voor de verdere exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit een milieueffectrapport moet worden opgesteld.
[1 Het resultaat van het onderzoek, vermeld in het eerste lid, bevat in voorkomend geval:
1° als besloten wordt dat een project-MER moet worden opgesteld, de belangrijkste redenen waarom een project-MER moet worden opgesteld, waarbij verwezen wordt naar de relevante criteria, vermeld in bijlage II van het DABM;
2° als besloten wordt dat er geen project-MER hoeft te worden opgesteld, de belangrijkste redenen waarom er geen project-MER hoeft te worden opgesteld, waarbij verwezen wordt naar de relevante criteria, vermeld in bijlage II van het DABM, en, als de aanvrager die heeft voorgesteld, de kenmerken van het project of de geplande maatregelen om te vermijden of te voorkomen wat anders wellicht aanzienlijke nadelige milieueffecten zouden zijn geweest.
Het bevoegde bestuur houdt, als dat relevant is, bij de beslissing, vermeld in het derde lid, rekening met de resultaten van de voorafgaande controles die zijn verricht, of met de beoordelingen van de effecten op het milieu die zijn gemaakt met toepassing van titel IV van het DABM of met toepassing van andere gewestelijke of federale regelgeving.]1
Het resultaat van het onderzoek, vermeld in het eerste lid, en, in voorkomend geval, de beslissing, vermeld in het tweede lid, worden met een beveiligde zending aan de aanvrager meegedeeld binnen een termijn van negentig dagen vanaf de dag na de datum waarop de mededeling is ingediend hetzij na de ontvangst van de ontbrekende gegevens of documenten.
Als geen milieueffectrapport is vereist, wordt in de mededeling aan de aanvrager, vermeld in het [1 vijfde]1 lid, verwezen naar de opdracht aan de gemeente om een openbaar onderzoek in te stellen.
Art. 787. L'administration compétente examine si la notification avec la demande de conversion exige une évaluation des incidences sur l'environnement.
Lorsqu'une note de screening du RIE du projet a été jointe à la notification en application de l'article 4.3.3, § 2, du DABM, l'administration compétente procède à l'examen sur la base de cette note et décide si une évaluation des incidences sur l'environnement doit être établie pour la poursuite de l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée.
[1 Le résultat de l'examen visé à l'alinéa 1er indique le cas échéant :
1° s'il a été décidé qu'un RIE du projet devait être dressé, les raisons principales de la décision d'exiger un RIE du projet au regard des critères pertinents énumérés à l'annexe II du DABM ;
2° s'il a été décidé qu'un RIE du projet n'est pas nécessaire, les principales raisons de ne pas exiger un RIE du projet par rapport aux critères pertinents visés à l'annexe II du DABM, ainsi que, sur proposition du demandeur, les caractéristiques du projet ou les mesures envisagées pour éviter ou prévenir ce qui aurait pu, à défaut, constituer des incidences négatives notables sur l'environnement.
Pour la décision visée à l'alinéa 3, l'administration compétente tient compte, s'il y a lieu, des résultats des vérifications préliminaires ou des évaluations des incidences sur l'environnement réalisées en application du titre IV du DABM ou en application de toute autre réglementation régionale ou fédérale.]1
Le résultat de l'examen visé à l'alinéa 1er et, le cas échéant, la décision visée à l'alinéa 2 sont communiqués par envoi sécurisé au demandeur dans le délai de nonante jours à compter du jour suivant l'introduction de la notification ou la réception des éléments ou documents manquants.
Si une évaluation des incidences sur l'environnement n'est pas requise, la communication au demandeur, visée à l'alinéa [1 5]1, renvoie à l'ordre donné à la commune d'ouvrir une enquête publique.
Lorsqu'une note de screening du RIE du projet a été jointe à la notification en application de l'article 4.3.3, § 2, du DABM, l'administration compétente procède à l'examen sur la base de cette note et décide si une évaluation des incidences sur l'environnement doit être établie pour la poursuite de l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée.
[1 Le résultat de l'examen visé à l'alinéa 1er indique le cas échéant :
1° s'il a été décidé qu'un RIE du projet devait être dressé, les raisons principales de la décision d'exiger un RIE du projet au regard des critères pertinents énumérés à l'annexe II du DABM ;
2° s'il a été décidé qu'un RIE du projet n'est pas nécessaire, les principales raisons de ne pas exiger un RIE du projet par rapport aux critères pertinents visés à l'annexe II du DABM, ainsi que, sur proposition du demandeur, les caractéristiques du projet ou les mesures envisagées pour éviter ou prévenir ce qui aurait pu, à défaut, constituer des incidences négatives notables sur l'environnement.
Pour la décision visée à l'alinéa 3, l'administration compétente tient compte, s'il y a lieu, des résultats des vérifications préliminaires ou des évaluations des incidences sur l'environnement réalisées en application du titre IV du DABM ou en application de toute autre réglementation régionale ou fédérale.]1
Le résultat de l'examen visé à l'alinéa 1er et, le cas échéant, la décision visée à l'alinéa 2 sont communiqués par envoi sécurisé au demandeur dans le délai de nonante jours à compter du jour suivant l'introduction de la notification ou la réception des éléments ou documents manquants.
Si une évaluation des incidences sur l'environnement n'est pas requise, la communication au demandeur, visée à l'alinéa [1 5]1, renvoie à l'ordre donné à la commune d'ouvrir une enquête publique.
Onderafdeling 3. - Organisatie van het openbaar onderzoek
Sous-section 3. - Organisation de l'enquête publique
Art. 788. Voor zover uit het onderzoek blijkt dat de ontvankelijk en volledig bevonden mededeling met de vraag tot omzetting geen milieueffectrapport vereist, stelt het bevoegde bestuur op dezelfde dag van de mededeling aan de aanvrager, vermeld in artikel 787, [1 vijfde]1 lid, het dossier ter beschikking van de gemeente waar het voorwerp van de ingedeelde inrichting of activiteit ligt, met de opdracht om een openbaar onderzoek in te stellen.
Voor de organisatie van het openbaar onderzoek zijn de bepalingen van titel 3, hoofdstuk 5, van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat :
1° de vergunningsaanvraag of de aanvraag tot omgevingsvergunning moeten worden gelezen als de mededeling van de vraag tot omzetting van een milieuvergunning van bepaalde duur in een vergunning van onbepaalde duur;
2° de vergunningsaanvrager moet worden gelezen als de aanvrager;
3° de tekst die gebruikt wordt voor de bekendmaking altijd melding maakt van de mogelijkheid om met toepassing van artikel 390, § 1, eerste lid, 2°, van het decreet van 25 april 2014 een bezwaar in te dienen;
4° de beslissing over de project-MER-screeningsnota in voorkomend geval deel uitmaakt van het dossier dat ter inzage wordt gelegd op het gemeentehuis.
Tijdens het openbaar onderzoek kan het betrokken publiek naast een bezwaar, een verzoek tot het uitvoeren van een passende beoordeling, vermeld in artikel 36ter, § 3, derde lid, van het Natuurdecreet, indienen.
Voor de organisatie van het openbaar onderzoek zijn de bepalingen van titel 3, hoofdstuk 5, van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat :
1° de vergunningsaanvraag of de aanvraag tot omgevingsvergunning moeten worden gelezen als de mededeling van de vraag tot omzetting van een milieuvergunning van bepaalde duur in een vergunning van onbepaalde duur;
2° de vergunningsaanvrager moet worden gelezen als de aanvrager;
3° de tekst die gebruikt wordt voor de bekendmaking altijd melding maakt van de mogelijkheid om met toepassing van artikel 390, § 1, eerste lid, 2°, van het decreet van 25 april 2014 een bezwaar in te dienen;
4° de beslissing over de project-MER-screeningsnota in voorkomend geval deel uitmaakt van het dossier dat ter inzage wordt gelegd op het gemeentehuis.
Tijdens het openbaar onderzoek kan het betrokken publiek naast een bezwaar, een verzoek tot het uitvoeren van een passende beoordeling, vermeld in artikel 36ter, § 3, derde lid, van het Natuurdecreet, indienen.
Art. 788. Dans la mesure où il ressort de l'examen que la notification avec la demande de conversion, jugée recevable et complète, ne requiert pas d'évaluation des incidences sur l'environnement, l'administration compétente met, le même jour que la communication au demandeur, visée à l'article 787, alinéa [1 5]1, le dossier à la disposition de la commune où se situe l'objet de l'établissement classé ou de l'activité classée, en la chargeant d'ouvrir une enquête publique.
Pour l'organisation de l'enquête publique, les dispositions du titre 3, chapitre 5, s'appliquent par analogie étant entendu que :
1° la demande de permis ou demande de permis d'environnement doit se lire comme la notification de la demande de conversion d'une autorisation écologique à durée déterminée en un permis à durée indéterminée ;
2° le demandeur du permis doit se lire comme le demandeur ;
3° le texte utilisé pour la publication fait toujours mention de la faculté d'introduire une objection en application de l'article 390, § 1er, alinéa 1er, point 2°, du décret du 25 avril 2014 ;
4° la décision au sujet de la note de screening du RIE du projet fait, le cas échéant, partie du dossier ouvert à la consultation à la maison communale.
Durant l'enquête publique, le public concerné peut introduire, outre une objection, une demande d'évaluation appropriée, visée à l'article 36ter, § 3, alinéa 3, du décret sur la Nature.
Pour l'organisation de l'enquête publique, les dispositions du titre 3, chapitre 5, s'appliquent par analogie étant entendu que :
1° la demande de permis ou demande de permis d'environnement doit se lire comme la notification de la demande de conversion d'une autorisation écologique à durée déterminée en un permis à durée indéterminée ;
2° le demandeur du permis doit se lire comme le demandeur ;
3° le texte utilisé pour la publication fait toujours mention de la faculté d'introduire une objection en application de l'article 390, § 1er, alinéa 1er, point 2°, du décret du 25 avril 2014 ;
4° la décision au sujet de la note de screening du RIE du projet fait, le cas échéant, partie du dossier ouvert à la consultation à la maison communale.
Durant l'enquête publique, le public concerné peut introduire, outre une objection, une demande d'évaluation appropriée, visée à l'article 36ter, § 3, alinéa 3, du décret sur la Nature.
Onderafdeling 4. - Raadpleging van de adviesinstanties
Sous-section 4. - Consultation des instances d'avis
Art. 789. § 1. Op de dag dat het bevoegde bestuur de gemeente de opdracht geeft om een openbaar onderzoek in te stellen, stelt het bevoegde bestuur het dossier ter beschikking van :
1° de adviesinstanties, vermeld in artikel 37, als ze in eerste administratieve aanleg over een vergunningsaanvraag voor de exploitatie van de betrokken ingedeelde inrichting of activiteit advies geven en voor zover ze de mededeling met de vraag tot omzetting niet zelf hebben ingediend, met het verzoek om hun eventuele bezwaren tegen de omzetting mee te delen;
2° het adviserend schepencollege, met het bevel om mee te delen of de ingedeelde inrichting of activiteit stedenbouwkundig hoofdzakelijk is vergund als vermeld in artikel 4.1.1, 7°, a), van de VCRO.
De leidend ambtenaar van de adviesinstanties en het adviserend schepencollege delen hun eventuele bezwaren respectievelijk de informatie, vermeld in het eerste lid, 2°, mee binnen een termijn van dertig dagen na de dag waarop hun het dossier ter beschikking is gesteld.
§ 2. Als tijdens het openbaar onderzoek, vermeld in artikel 788, het betrokken publiek een verzoek tot het uitvoeren van een passende beoordeling, vermeld in artikel 36ter, § 3, derde lid, van het Natuurdecreet, indient, stelt het bevoegde bestuur dat verzoek met een beveiligde zending ter beschikking van het Agentschap voor Natuur en Bos.
Het Agentschap voor Natuur en Bos beslist overeenkomstig artikel 36ter, § 3, derde lid, van het Natuurdecreet over de vereiste om een passende beoordeling op te stellen.
Binnen een termijn van dertig dagen vanaf de dag na de datum waarop het verzoek ter beschikking van het Agentschap voor Natuur en Bos wordt gesteld, stelt het agentschap de beslissing, vermeld in het tweede lid, met een beveiligde zending ter beschikking van het bevoegde bestuur.
1° de adviesinstanties, vermeld in artikel 37, als ze in eerste administratieve aanleg over een vergunningsaanvraag voor de exploitatie van de betrokken ingedeelde inrichting of activiteit advies geven en voor zover ze de mededeling met de vraag tot omzetting niet zelf hebben ingediend, met het verzoek om hun eventuele bezwaren tegen de omzetting mee te delen;
2° het adviserend schepencollege, met het bevel om mee te delen of de ingedeelde inrichting of activiteit stedenbouwkundig hoofdzakelijk is vergund als vermeld in artikel 4.1.1, 7°, a), van de VCRO.
De leidend ambtenaar van de adviesinstanties en het adviserend schepencollege delen hun eventuele bezwaren respectievelijk de informatie, vermeld in het eerste lid, 2°, mee binnen een termijn van dertig dagen na de dag waarop hun het dossier ter beschikking is gesteld.
§ 2. Als tijdens het openbaar onderzoek, vermeld in artikel 788, het betrokken publiek een verzoek tot het uitvoeren van een passende beoordeling, vermeld in artikel 36ter, § 3, derde lid, van het Natuurdecreet, indient, stelt het bevoegde bestuur dat verzoek met een beveiligde zending ter beschikking van het Agentschap voor Natuur en Bos.
Het Agentschap voor Natuur en Bos beslist overeenkomstig artikel 36ter, § 3, derde lid, van het Natuurdecreet over de vereiste om een passende beoordeling op te stellen.
Binnen een termijn van dertig dagen vanaf de dag na de datum waarop het verzoek ter beschikking van het Agentschap voor Natuur en Bos wordt gesteld, stelt het agentschap de beslissing, vermeld in het tweede lid, met een beveiligde zending ter beschikking van het bevoegde bestuur.
Art. 789. § 1er. Le jour où l'administration compétente charge la commune d'ouvrir une enquête publique, elle met le dossier à la disposition :
1° des instances d'avis visées à l'article 37 lorsqu'elles rendent un avis en première instance administrative sur une demande de permis pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée concerné et dans la mesure où elles n'ont pas introduit elles-mêmes la notification avec la demande de conversion, en leur demandant de communiquer leurs objections éventuelles à la conversion ;
2° du collège consultatif des échevins, en lui ordonnant de communiquer si l'établissement classé ou l'activité classée a été principalement autorisé(e) du point de vue urbanistique tel que mentionné à l'article 4.1.1, point 7°, a), du VCRO.
Le fonctionnaire dirigeant des instances d'avis et le collège consultatif des échevins communiquent leurs objections éventuelles ou les informations visées à l'alinéa 1er, point 2°, dans un délai de trente jours suivant celui auquel le dossier a été mis à leur disposition.
§ 2. Si, durant l'enquête publique, visée à l'article 788, le public concerné introduit une demande d'évaluation appropriée, visée à l'article 36ter, § 3, alinéa 3, du décret sur la Nature, l'administration compétente transmet cette demande par envoi sécurisé à l'Agence de la Nature et des Forêts.
L'Agence de la Nature et des Forêts statue, conformément à l'article 36ter, § 3, alinéa 3, du décret sur la Nature, sur l'exigence d'établir une évaluation appropriée.
Dans un délai de trente jours jour suivant la date à laquelle la demande est mise à la disposition de l'Agence de la Nature et des Forêts, l'agence met la décision visée à l'alinéa 2 à la disposition de l'administration compétente par envoi sécurisé.
1° des instances d'avis visées à l'article 37 lorsqu'elles rendent un avis en première instance administrative sur une demande de permis pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée concerné et dans la mesure où elles n'ont pas introduit elles-mêmes la notification avec la demande de conversion, en leur demandant de communiquer leurs objections éventuelles à la conversion ;
2° du collège consultatif des échevins, en lui ordonnant de communiquer si l'établissement classé ou l'activité classée a été principalement autorisé(e) du point de vue urbanistique tel que mentionné à l'article 4.1.1, point 7°, a), du VCRO.
Le fonctionnaire dirigeant des instances d'avis et le collège consultatif des échevins communiquent leurs objections éventuelles ou les informations visées à l'alinéa 1er, point 2°, dans un délai de trente jours suivant celui auquel le dossier a été mis à leur disposition.
§ 2. Si, durant l'enquête publique, visée à l'article 788, le public concerné introduit une demande d'évaluation appropriée, visée à l'article 36ter, § 3, alinéa 3, du décret sur la Nature, l'administration compétente transmet cette demande par envoi sécurisé à l'Agence de la Nature et des Forêts.
L'Agence de la Nature et des Forêts statue, conformément à l'article 36ter, § 3, alinéa 3, du décret sur la Nature, sur l'exigence d'établir une évaluation appropriée.
Dans un délai de trente jours jour suivant la date à laquelle la demande est mise à la disposition de l'Agence de la Nature et des Forêts, l'agence met la décision visée à l'alinéa 2 à la disposition de l'administration compétente par envoi sécurisé.
Art. 790. Het bevoegde bestuur stelt een verslag op over de toepassing van artikel 788 en 789. In voorkomend geval bevat het verslag de redenen waarom niet voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in artikel 390, § 1, eerste lid, 2°, 3° en 4°, wat betreft de passende beoordeling, van het decreet van 25 april 2014.
Art. 790. L'administration compétente dresse un rapport sur l'application des articles 788 et 789. Le cas échéant, le rapport contient les motifs pour lesquels les conditions en ce qui concerne l'évaluation appropriée, visées à l'article 390, § 1er, alinéa 1er, points 2°, 3° et 4°, du décret du 25 avril 2014, n'ont pas été remplies.
Afdeling 3. - Aktename van de mededeling met de vraag tot omzetting
Section 3. - Prise d'acte de la notification avec la demande de conversion
Art. 791. Als aan de voorwaarden, vermeld in artikel 390, § 1, eerste lid, van het decreet van 25 april 2014, is voldaan, neemt de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 van het decreet van 25 april 2014, binnen een termijn van acht maanden vanaf de dag na de datum waarop de mededeling met de vraag tot omzetting op volledige wijze is ingediend, conform artikel 390, § 2, van het decreet van 25 april 2014, akte van de mededeling met opgave van de geactualiseerde vergunningssituatie op het vlak van de exploitatie van de ingedeelde inrichtingen of activiteiten.
Art. 791. Lorsque les conditions visées à l'article 390, § 1er, alinéa 1er, du décret du 25 avril 2014, ont été remplies, l'autorité compétente, visée à l'article 15 du décret du 25 avril 2014, prend acte dans un délai de huit mois à compter du jour suivant la date à laquelle la notification avec la demande de conversion a été introduite de façon complète, conformément à l'article 390, § 2, du décret du 25 avril 2014, de la communication mentionnant la situation d'autorisation actualisée sur le plan de l'exploitation des établissements ou activités classés.
Art. 792. Het bevoegde bestuur stelt de akte, vermeld in artikel 791, ter beschikking van de aanvrager met een beveiligde zending binnen een termijn van tien dagen.
Het bevoegde bestuur stelt de akte, vermeld in artikel 791, ter beschikking van de adviesinstanties en het adviserend schepencollege, vermeld in artikel 789, met een digitale zending binnen een termijn van tien dagen.
Het bevoegde bestuur stelt de akte, vermeld in artikel 791, ter beschikking van de adviesinstanties en het adviserend schepencollege, vermeld in artikel 789, met een digitale zending binnen een termijn van tien dagen.
Art. 792. L'administration compétente met l'acte visé à l'article 791 à la disposition du demandeur par envoi sécurisé dans un délai de dix jours.
L'administration compétente met l'acte visé à l'article 791 à la disposition des instances d'avis et du collège consultatif des échevins visés à l'article 789 par envoi sécurisé dans un délai de dix jours.
L'administration compétente met l'acte visé à l'article 791 à la disposition des instances d'avis et du collège consultatif des échevins visés à l'article 789 par envoi sécurisé dans un délai de dix jours.
Art. 793. Als aan de voorwaarden, vermeld in artikel 390, § 1, eerste lid, 2°, 3° en 4°, wat betreft de passende beoordeling, van het decreet van 25 april 2014, niet is voldaan, zal het bevoegde bestuur de redenen daarvan aan de aanvrager meedelen met een beveiligde zending binnen een termijn van acht maanden vanaf de dag na de datum waarop de mededeling met de vraag tot omzetting op volledige wijze werd ingediend.
Art. 793. Lorsque les conditions en ce qui concerne l'évaluation appropriée, visées à l'article 390, § 1er, alinéa 1er, points 2°, 3° et 4°, du décret du 25 avril 2014, n'ont pas été remplies, l'autorité compétente en communiquera les motifs au demandeur par envoi sécurisé dans un délai de huit mois à compter du jour suivant la date à laquelle la notification avec la demande de conversion a été introduite de façon complète.
Afdeling 4. - Behandeling van de mededeling met de vraag tot omzetting volgens de gewone vergunningsprocedure
Section 4. - Traitement de la notification avec la demande de conversion suivant la procédure d'autorisation ordinaire
Art. 794. Als aan de voorwaarden, vermeld in artikel 390, § 1, eerste lid, 2° of 4°, van het decreet van 25 april 2014, niet is voldaan, omvat de beveiligde zending aan de aanvrager, vermeld in artikel 787 of artikel 793, de vraag om het dossier aan te vullen met :
1° de overige gegevens en de bijlagen die in het formulier, vastgesteld [1 in bijlage 1]1, als verplicht in te vullen of bij te voegen zijn voorgeschreven als ze nog niet zijn bezorgd;
2° het milieueffectrapport of de passende beoordeling als dat vereist is;
3° in voorkomend geval, de beslissing tot afwijking van algemene of sectorale milieuvoorwaarden.
Na toevoeging van de gegevens, bijlagen of rapporten, vermeld in het eerste lid, brengt het bevoegde bestuur de aanvrager op de hoogte van de datum van het opstarten van de gewone vergunningsprocedure voor de omzetting van de milieuvergunning van bepaalde duur in een vergunning van onbepaalde duur.
De vraag tot omzetting wordt in dit geval behandeld conform artikel 390, § 4 van het decreet van 25 april 2014.
1° de overige gegevens en de bijlagen die in het formulier, vastgesteld [1 in bijlage 1]1, als verplicht in te vullen of bij te voegen zijn voorgeschreven als ze nog niet zijn bezorgd;
2° het milieueffectrapport of de passende beoordeling als dat vereist is;
3° in voorkomend geval, de beslissing tot afwijking van algemene of sectorale milieuvoorwaarden.
Na toevoeging van de gegevens, bijlagen of rapporten, vermeld in het eerste lid, brengt het bevoegde bestuur de aanvrager op de hoogte van de datum van het opstarten van de gewone vergunningsprocedure voor de omzetting van de milieuvergunning van bepaalde duur in een vergunning van onbepaalde duur.
De vraag tot omzetting wordt in dit geval behandeld conform artikel 390, § 4 van het decreet van 25 april 2014.
Art. 794. Lorsque les conditions, visées à l'article 390, § 1er, alinéa 1er, point 2° ou 4°, du décret du 25 avril 2014, n'ont pas été remplies, l'envoi sécurisé au demandeur, visé à l'article 787 ou l'article 793, contient la demande de compléter le dossier :
1° des autres données et des annexes prescrites comme devant être obligatoirement remplies ou jointes sur le formulaire établi [1 à l'annexe 1ère]1, si elles n'ont pas encore été transmises ;
2° de l'évaluation des incidences sur l'environnement ou de l'évaluation appropriée si elle est requise ;
3° le cas échéant, de la décision de dérogation aux conditions environnementales générales ou sectorielles.
Une fois les données, annexes ou évaluations visées à l'alinéa 1er jointes, l'administration compétente informe le demandeur de la date du lancement de la procédure d'autorisation ordinaire pour la conversion de l'autorisation écologique à durée déterminée en un permis à durée indéterminée.
Dans ce cas, la demande de conversion est traitée conformément à l'article 390, § 4, du décret du 25 avril 2014.
1° des autres données et des annexes prescrites comme devant être obligatoirement remplies ou jointes sur le formulaire établi [1 à l'annexe 1ère]1, si elles n'ont pas encore été transmises ;
2° de l'évaluation des incidences sur l'environnement ou de l'évaluation appropriée si elle est requise ;
3° le cas échéant, de la décision de dérogation aux conditions environnementales générales ou sectorielles.
Une fois les données, annexes ou évaluations visées à l'alinéa 1er jointes, l'administration compétente informe le demandeur de la date du lancement de la procédure d'autorisation ordinaire pour la conversion de l'autorisation écologique à durée déterminée en un permis à durée indéterminée.
Dans ce cas, la demande de conversion est traitée conformément à l'article 390, § 4, du décret du 25 avril 2014.
Hoofdstuk 4. - Diverse overgangsbepalingen
Chapitre 4. - Dispositions transitoires diverses
Art. 795. Voor de behandeling van en de beslissing over vergunningsaanvragen, mededelingen van een kleine verandering, meldingen [1 , verzoeken tot aanvulling of wijziging van de milieuvoorwaarden]1 of afwijkingsaanvragen van de milieuvoorwaarden voor ingedeelde inrichtingen, die voor [1 de inwerkingtreding van artikel 6 van het decreet van 25 april 2014]1 krachtens het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning zijn ingediend, wordt de indelingslijst vastgesteld in bijlage 1 van titel I van het Vlaams Regelement betreffende de milieuvergunning die gold op de datum van de indiening, toegepast.
Art. 795. Pour le traitement des demandes de permis, notifications de modification mineure, déclarations [1 , demandes d'ajout ou de modification aux conditions environnementales]1 ou demandes de dérogation aux conditions environnementales pour des établissements classés, introduites en vertu du décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique avant [1 l'entrée en vigueur de l'article 6 du décret du 25 avril 2014]1, et la décision à leur sujet, la liste de classification établie à l'annexe 1 du titre 1er du règlement flamand relatif à l'autorisation écologique applicable à la date de l'introduction s'applique.
Art. 796. [1 De toetsingen en het onderzoek van de milieuvoorwaarden van vergunde inrichtingen of activiteiten uitgevoerd overeenkomstig artikel 41, 41bis, 41ter en 41quater van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams Reglement betreffende de milieuvergunning, waarvan de exploitant in kennis is gesteld voor 1 januari 2018, worden behandeld op grond van de bepalingen die geldig waren op het tijdstip van de kennisgeving aan de exploitant.]1
De toetsing van die milieuvoorwaarden die uitgevoerd is overeenkomstig artikel 41bis van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams Reglement betreffende de milieuvergunning, wordt in aanmerking genomen bij het vaststellen van het tijdstip waarop een GPBV-installatie aan een algemene evaluatie als vermeld in artikel 1.4.1.1, zesde lid, van titel II van het VLAREM, wordt onderworpen.
De toetsing van die milieuvoorwaarden die uitgevoerd is overeenkomstig artikel 41bis van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams Reglement betreffende de milieuvergunning, wordt in aanmerking genomen bij het vaststellen van het tijdstip waarop een GPBV-installatie aan een algemene evaluatie als vermeld in artikel 1.4.1.1, zesde lid, van titel II van het VLAREM, wordt onderworpen.
Art. 796. [1 Les contrôles et l'examen des conditions environnementales d'établissements ou d'activités autorisés exécutés conformément aux articles 41, 41bis, 41ter et 41quater de l'arrêté de l'Exécutif flamand du 6 février 1991 fixant le règlement flamand relatif à l'autorisation écologique, dont l'exploitant a été informé avant le 1er janvier 2018, sont traités conformément aux dispositions qui étaient valables au moment de la notification à l'exploitant.]1
Le contrôle de ces conditions environnementales exécuté conformément à l'article 41bis de l'arrêté de l'Exécutif flamand du 6 février 1991 fixant le règlement flamand relatif à l'autorisation écologique est pris en considération pour établir le moment auquel une installation IPPC est soumise à une évaluation générale telle que visée à l'article 1.4.1.1, alinéa 6, du titre II du VLAREM.
Le contrôle de ces conditions environnementales exécuté conformément à l'article 41bis de l'arrêté de l'Exécutif flamand du 6 février 1991 fixant le règlement flamand relatif à l'autorisation écologique est pris en considération pour établir le moment auquel une installation IPPC est soumise à une évaluation générale telle que visée à l'article 1.4.1.1, alinéa 6, du titre II du VLAREM.
Art. 796/1. [1 Voor de toepassing van artikel 35, § 6, van dit besluit wordt ook na de vervanging van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen door het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen, vermeld in artikel 2.1.5 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, gebruikgemaakt van de wegenselecties, opgenomen in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen zoals het tot dan toe gold.]1
Art. 796/1. [1 Aux fins de l'application de l'article 35, § 6, du présent arrêté, il est fait usage, également après le remplacement du Schéma de Structure d'Aménagement de la Flandre par le Plan de politique spatiale pour la Flandre, visé à l'article 2.1.5 du Code flamand de l'aménagement du territoire, des sélections des routes reprises dans le Schéma de Structure d'Aménagement de la Flandre tel qu'il s'appliquait jusqu'alors.]1
Hoofdstuk 5. - Inwerkingtredings- en uitvoeringsbepalingen
Chapitre 5. - Dispositions d'entrée en vigueur et d'exécution
Art. 798. [1 Dit besluit treedt in werking op 23 februari 2017, met uitzondering van :
1° artikel 3, 4, 5, 39, 40, 141 tot en met 146, die uitwerking hebben vanaf 28 november 2016;
2° artikel 24, § 4, dat in werking treedt op 15 mei 2017;
3° artikel 173, dat in werking treedt op 1 januari 2018.]1
1° artikel 3, 4, 5, 39, 40, 141 tot en met 146, die uitwerking hebben vanaf 28 november 2016;
2° artikel 24, § 4, dat in werking treedt op 15 mei 2017;
3° artikel 173, dat in werking treedt op 1 januari 2018.]1
Art. 798. [1 Le présent arrêté en vigueur le 23 février 2017, à l'exception :
1° des articles 3, 4, 5, 39, 40, 141 à 146, qui produisent leurs effets à partir du 28 novembre 2016 ;
2° de l'article 24, § 4, qui entre en vigueur le 15 mai 2017 ;
3° de l'article 173, qui entre en vigueur le 1er janvier 2018.]1
1° des articles 3, 4, 5, 39, 40, 141 à 146, qui produisent leurs effets à partir du 28 novembre 2016 ;
2° de l'article 24, § 4, qui entre en vigueur le 15 mai 2017 ;
3° de l'article 173, qui entre en vigueur le 1er janvier 2018.]1
Art. 799. De Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, zijn, ieder wat hem of haar betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 799. Le ministre flamand qui a l'aménagement du territoire dans ses attributions et le ministre flamand qui a l'environnement dans ses attributions sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N. [1 Bijlagen 1 tot en met 8.
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 03-02-2017, p. 15913)]1
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 03-02-2017, p. 15913)]1
Art. N. [1 [Annexes 1 à 20]
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 03-02-2017, p. 15913)
(Erratum, voir M.B. 31-03-2017, p. 46596)]1
Annexe 1. (image non reprise)
modifiée par :
Annexe 2. (image non reprise)
modifiée par :
Annexe 3. (image non reprise)
modifiée par :
Annexe 4. (image non reprise)
modifiée par :
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 03-02-2017, p. 15913)
(Erratum, voir M.B. 31-03-2017, p. 46596)]1
Annexe 1. (image non reprise)
modifiée par :
Annexe 2. (image non reprise)
modifiée par :
Annexe 3. (image non reprise)
modifiée par :
Annexe 4. (image non reprise)
modifiée par :
Bijlage 1. (niet opgenomen)
Gewijzigd bij :
Bijlage 2. (niet opgenomen)
Gewijzigd bij :
Bijlage 3. (niet opgenomen)
Gewijzigd bij :
Bijlage 4. (niet opgenomen)
Gewijzigd bij :
Gewijzigd bij :
Bijlage 2. (niet opgenomen)
Gewijzigd bij :
Bijlage 3. (niet opgenomen)
Gewijzigd bij :
Bijlage 4. (niet opgenomen)
Gewijzigd bij :
Annexe 5. (image non reprise)
modifiée par :
modifiée par :
Bijlage 5. (niet opgenomen)
Gewijzigd bij :
Gewijzigd bij :
Annexe 6. (image non reprise)
modifiée par :
Annexe 7. (image non reprise)
modifiée par :
modifiée par :
Annexe 7. (image non reprise)
modifiée par :
Bijlage 6. (niet opgenomen)
Gewijzigd bij :
Bijlage 7. (niet opgenomen)
Gewijzigd bij :
)
Gewijzigd bij :
Bijlage 7. (niet opgenomen)
Gewijzigd bij :
)
Annexe 19. (image non reprise)
modifiée par :
[2 Annexe 20 (image non reprise)]2
modifiée par :
modifiée par :
[2 Annexe 20 (image non reprise)]2
modifiée par :
Bijlage 19. (niet opgenomen)
Gewijzigd bij :
[2 Bijlage 20. (niet opgenomen)]2
Gewijzigd bij :
Gewijzigd bij :
[2 Bijlage 20. (niet opgenomen)]2
Gewijzigd bij :
-