Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
1 JULI 2016. - Programmawet(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 04-07-2016 en tekstbijwerking tot 16-07-2018)
Titre
1 JUILLET 2016. - Loi-programme(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 04-07-2016 et mise à jour au 16-07-2018)
Dokumentinformationen
Info du document
Inhoud
TITEL 1. - Algemene bepaling
TITEL 2. - Sociale bepalingen
HOOFDSTUK 1. - Sociale Zaken
Afdeling 1. - Financiering
Onderafdeling 1. - Vermindering van de alternat...
Onderafdeling 2. - Financiering van de gezondhe...
Onderafdeling 3. - Inwerkingtreding
Afdeling 2. - Wijzigingen van de wet betreffend...
Onderafdeling 1. - Gerichte herbeoordeling
Onderafdeling 2. - Terugvordering van kennelijk...
HOOFDSTUK 2. - Zelfstandigen
Afdeling 1. - Administratieve geldboeten in de ...
Onderafdeling 1. - Wijzigingen van het koninkli...
Onderafdeling 2. - Wijziging van de wet van 16 ...
Afdeling 2. - Moment van aansluiting voor een z...
Afdeling 3. - Deeleconomie
HOOFDSTUK 3. - Strijd tegen de sociale fraude R...
TITEL 3. - Financiën
HOOFDSTUK 1. - Opheffing van de btw-vrijstellin...
HOOFDSTUK 2. - Deeleconomie
Afdeling 1. - Inkomstenbelastingen
Afdeling 2. - Belasting over de toegevoegde waarde
HOOFDSTUK 3. - Vestiging en invordering van de ...
Afdeling 1. - Inkomstenbelastingen
Afdeling 2. - Belasting over de toegevoegde waarde
Onderafdeling 1. - Cloud Computing
Onderafdeling 2. - Uitbreiding rechtsgronden bi...
Afdeling 3. - Verrekenprijzen
Afdeling 4. - Invordering
Onderafdeling 1. - Schorsing van de invordering
Onderafdeling 2. - Vereenvoudigd derdenbeslag
Afdeling 5. - Bankinlichtingen
Onderafdeling 1. - Belasting over de toegevoegd...
Onderafdeling 2. - Douane
Onderafdeling 3. - Registratie- en successierec...
Onderafdeling 4. - Raadpleging van het Centraal...
HOOFDSTUK 4. - Niet-fiscale invordering
Afdeling 1. - Wijziging van de domaniale wet va...
Afdeling 2. - Wijziging van de wet van 21 febru...
Afdeling 3. - Wijziging van de wet van 3 august...
Afdeling 4. - Wijzigingen aan het Gerechtelijk ...
Afdeling 5. - Diverse en overgangsbepalingen
Afdeling 6. - Inwerkingtreding
HOOFDSTUK 5. - Accijnzen
Afdeling 1. - Wijzigingen van de wet van 3 apri...
Afdeling 2. - Wijzigingen van de programmawet v...
Afdeling 3. - Inwerkingtreding
HOOFDSTUK 6. - Wijzigingen van de wet van 3 apr...
HOOFDSTUK 7. - Bevraging van het Centraal Aansp...
Afdeling 1. - Wijzigingen van het Wetboek van s...
Afdeling 2. - Wijziging van de wet van 11 janua...
Afdeling 3. - Wijziging van de wet van 25 ventô...
HOOFDSTUK 8. - CFI
Inhoud
TITRE 1er. - Disposition générale
TITRE 2. - Dispositions sociales
CHAPITRE 1er. - Affaires sociales
Section 1re. - Financement
Sous-section 1re. - Diminution du financement a...
Sous-section 2. - Financement des soins de santé
Sous-section 3. - Entrée en vigueur
Section 2. - Modifications de la loi relative à...
Sous-section 1re. - Contrôle ciblé
Sous-section 2. - Récupération des indus manife...
CHAPITRE 2. - Indépendants
Section 1re. - Amendes administratives dans le ...
Sous-section 1re. - Modifications de l'arrêté r...
Sous-section 2. - Modification de la loi du 16 ...
Section 2. - Moment de l'affiliation pour une a...
Section 3. - économie collaborative
CHAPITRE 3. - Lutte contre la fraude sociale Ré...
TITRE 3. - Finances
CHAPITRE 1er. - Abrogation de l'exemption de la...
CHAPITRE 2. - Economie collaborative
Section 1re. - Impôts sur les revenus
Section 2. - Taxe sur la valeur ajoutée
CHAPITRE 3. - Etablissement et recouvrement des...
Section 1re. - Impôts sur les revenus
Section 2. - Taxe sur la valeur ajoutée
Sous-section 1re. - Cloud Computing
Sous-section 2. - Extension des fondements juri...
Section 3. - Prix de transfert
Section 4. - Recouvrement
Sous-section 1re. - Suspension du recouvrement
Sous-section 2. - Simplification de la saisie-a...
Section 5. - Informations des banques
Sous-section 1re. - Taxe sur la valeur ajoutée
Sous-section 2. - Douanes
Sous-section 3. - Droits d'enregistrement et de...
Sous-section 4. - Consultation du Point de Cont...
CHAPITRE 4. - Recouvrement non fiscal
Section 1re. - Modifications de la loi domanial...
Section 2. - Modifications de la loi du 21 févr...
Section 3. - Modification de la loi du 3 août 2...
Section 4. - Modifications du Code judiciaire e...
Section 5. - Dispositions diverses et transitoires
Section 6. - Entrée en vigueur
CHAPITRE 5. - Accises
Section 1re. - Modifications de la loi du 3 avr...
Section 2. - Modifications de la loi-programme ...
Section 3. - Entrée en vigueur
CHAPITRE 6. - Modifications de la loi du 3 avri...
CHAPITRE 7. - Demande d'informations au Point d...
Section 1re. - Modifications du Code d'instruct...
Section 2. - Modification de la loi du 11 janvi...
Section 3. - Modification de la loi du 25 ventô...
CHAPITRE 8. - CTIF
Tekst (182)
Texte (182)
TITEL 1. - Algemene bepaling
TITRE 1er. - Disposition générale
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 74 de la Constitution.
TITEL 2. - Sociale bepalingen
TITRE 2. - Dispositions sociales
HOOFDSTUK 1. - Sociale Zaken
CHAPITRE 1er. - Affaires sociales
Afdeling 1. - Financiering
Section 1re. - Financement
Onderafdeling 1. - Vermindering van de alternatieve financiering 2016
Sous-section 1re. - Diminution du financement alternatif 2016
Art. 2. In artikel 66 van de programmawet van 2 januari 2001, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 26 december 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 3nonies, 1°, worden de woorden "verminderd met 5 048 666 duizend euro" vervangen door de woorden "verminderd met 4 850 131 duizend euro".
2° in paragraaf 3nonies, 2°, worden de woorden "verminderd met 222 991 duizend euro" vervangen door de woorden "verminderd met 214 222 duizend euro".
1° in paragraaf 3nonies, 1°, worden de woorden "verminderd met 5 048 666 duizend euro" vervangen door de woorden "verminderd met 4 850 131 duizend euro".
2° in paragraaf 3nonies, 2°, worden de woorden "verminderd met 222 991 duizend euro" vervangen door de woorden "verminderd met 214 222 duizend euro".
Art. 2. A l'article 66 de la loi-programme du 2 janvier 2001, modifié en dernier lieu par la loi du 26 décembre 2015, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 3nonies, 1°, les mots "diminués de 5 048 666 milliers d'euros" sont remplacés par les mots "diminués de 4 850 131 milliers d'euros";
2° dans le paragraphe 3nonies, 2°, les mots "diminués de 222 991 milliers d'euros" sont remplacés par les mots "diminués de 214 222 milliers d'euros".
1° dans le paragraphe 3nonies, 1°, les mots "diminués de 5 048 666 milliers d'euros" sont remplacés par les mots "diminués de 4 850 131 milliers d'euros";
2° dans le paragraphe 3nonies, 2°, les mots "diminués de 222 991 milliers d'euros" sont remplacés par les mots "diminués de 214 222 milliers d'euros".
Onderafdeling 2. - Financiering van de gezondheidszorg
Sous-section 2. - Financement des soins de santé
Art. 3. In artikel 24, § 1bis, dertiende lid, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 26 december 2015, worden de woorden "vastgesteld op 19 925 021 duizend euro." vervangen door de woorden "vastgesteld op 19 821 516 duizend euro.".
Art. 3. Dans l'article 24, § 1erbis, alinéa 13, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés, modifié en dernier lieu par la loi du 26 décembre 2015, les mots "fixé à 19 925 021 milliers d'euros" sont remplacés par les mots "fixé à 19 821 516 milliers d'euros.".
Art. 4. Artikel 24, § 1quinquies, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, ingevoegd bij de wet van 26 maart 2007, wordt aangevuld met een lid, luidende :
"Het vorige lid is niet van toepassing voor de begrotingsoefening 2016.".
"Het vorige lid is niet van toepassing voor de begrotingsoefening 2016.".
Art. 4. L'article 24, § 1erquinquies, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés, inséré par la loi du 26 mars 2007, est complété par un alinéa rédigé comme suit :
"L'alinéa précédent ne s'applique pas pour l'exercice budgétaire 2016.".
"L'alinéa précédent ne s'applique pas pour l'exercice budgétaire 2016.".
Art. 5. In artikel 6, § 1bis, achttiende lid, van het koninklijk besluit van 18 november 1996 strekkende tot invoering van een globaal financieel beheer in het sociaal statuut der zelfstandigen, met toepassing van hoofdstuk I van titel VI van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 26 december 2015, worden de woorden "vastgesteld op 1 970 290 duizend euro." vervangen door de woorden "vastgesteld op 1 960 055 duizend euro.".
Art. 5. Dans l'article 6, § 1erbis, alinéa 18, de l'arrêté royal du 18 novembre 1996 visant l'introduction d'une gestion financière globale dans le statut social des travailleurs indépendants, en application du chapitre Ier du titre VI de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions, modifié en dernier lieu par la loi du 26 décembre 2015, les mots "fixé à 1 970 290 milliers d'euros" sont remplacés par les mots "fixé à 1 960 055 milliers d'euros.".
Art. 6. Artikel 6, § 1quinquies, van het koninklijk besluit van 18 november 1996 strekkende tot invoering van een globaal financieel beheer in het sociaal statuut der zelfstandigen, met toepassing van hoofdstuk I van titel VI van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, ingevoegd bij de wet van 26 maart 2007, wordt aangevuld met een lid, luidende :
"De verhogingen bedoeld in de voorgaande leden zijn niet van toepassing voor de begrotingsoefening 2016.".
"De verhogingen bedoeld in de voorgaande leden zijn niet van toepassing voor de begrotingsoefening 2016.".
Art. 6. L'article 6, § 1erquinquies, de l'arrêté royal du 18 novembre 1996 visant l'introduction d'une gestion financière globale dans le statut social des travailleurs indépendants, en application du chapitre Ier du titre VI de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions, inséré par la loi du 26 mars 2007, est complété par un alinéa rédigé comme suit :
"Les augmentations visées aux alinéas précédents ne s'appliquent pas pour l'exercice budgétaire 2016.".
"Les augmentations visées aux alinéas précédents ne s'appliquent pas pour l'exercice budgétaire 2016.".
Onderafdeling 3. - Inwerkingtreding
Sous-section 3. - Entrée en vigueur
Art. 7. Deze afdeling heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2016.
Art. 7. La présente section produit ses effets le 1er janvier 2016.
Afdeling 2. - Wijzigingen van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994
Section 2. - Modifications de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994
Onderafdeling 1. - Gerichte herbeoordeling
Sous-section 1re. - Contrôle ciblé
Art. 8. In artikel 82 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2014 houdende diverse bepalingen inzake sociale zekerheid, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid, 1°, worden de woorden "bij artikel 94" vervangen door de woorden "in de artikelen 90, tweede lid, en 94";
2° in het tweede lid worden de woorden "de staat van invaliditeit" vervangen door de woorden "de staat van arbeidsongeschiktheid in uitvoering van het eerste lid, 1° ".
1° in het eerste lid, 1°, worden de woorden "bij artikel 94" vervangen door de woorden "in de artikelen 90, tweede lid, en 94";
2° in het tweede lid worden de woorden "de staat van invaliditeit" vervangen door de woorden "de staat van arbeidsongeschiktheid in uitvoering van het eerste lid, 1° ".
Art. 8. A l'article 82 de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994, modifié en dernier lieu par la loi du 25 avril 2014 portant des dispositions diverses en matière de sécurité sociale, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 1er, 1°, les mots "à l'article 94" sont remplacés par les mots "aux articles 90, alinéa 2, et 94";
2° dans l'alinéa 2, les mots "à l'état d'invalidité" sont remplacés par les mots "à l'état d'incapacité de travail en exécution de l'alinéa 1er, 1° ".
1° dans l'alinéa 1er, 1°, les mots "à l'article 94" sont remplacés par les mots "aux articles 90, alinéa 2, et 94";
2° dans l'alinéa 2, les mots "à l'état d'invalidité" sont remplacés par les mots "à l'état d'incapacité de travail en exécution de l'alinéa 1er, 1° ".
Art. 9. In artikel 90 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 december 2013 houdende dringende diverse bepalingen inzake sociale wetgeving, wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd, luidende :
"De Geneeskundige Raad voor invaliditeit kan echter, vanaf de eerste dag van de zevende maand van het tijdvak van primaire ongeschiktheid, het einde van de arbeidsongeschiktheid vaststellen. In dat geval geeft hij van zijn beslissing kennis onder de voorwaarden en binnen de termijnen door de Koning vastgesteld.".
"De Geneeskundige Raad voor invaliditeit kan echter, vanaf de eerste dag van de zevende maand van het tijdvak van primaire ongeschiktheid, het einde van de arbeidsongeschiktheid vaststellen. In dat geval geeft hij van zijn beslissing kennis onder de voorwaarden en binnen de termijnen door de Koning vastgesteld.".
Art. 9. Dans l'article 90 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 21 décembre 2013 portant des dispositions diverses urgentes en matière de législation sociale, un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 1er et 2 :
"Toutefois, le Conseil médical de l'invalidité peut, à partir du premier jour du septième mois de la période d'incapacité primaire, constater la fin de l'incapacité de travail. Dans ce cas, il notifie sa décision dans les conditions et délais fixés par le Roi.".
"Toutefois, le Conseil médical de l'invalidité peut, à partir du premier jour du septième mois de la période d'incapacité primaire, constater la fin de l'incapacité de travail. Dans ce cas, il notifie sa décision dans les conditions et délais fixés par le Roi.".
Art. 10. De artikelen 8 en 9 treden in werking op 1 juli 2016.
Art. 10. Les articles 8 et 9 entrent en vigueur le 1er juillet 2016
Onderafdeling 2. - Terugvordering van kennelijk onbetwiste en niet-verschuldigde bedragen
Sous-section 2. - Récupération des indus manifestement non contestés
Art. 11. Artikel 164 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet houdende diverse bepalingen inzake gezondheid van 10 april 2014, wordt aangevuld met het volgende lid :
"De Koning bepaalt de modaliteiten van de terugvordering van de prestaties, waarvan het onverschuldigd karakter het gevolg is van het overlijden van de sociaal verzekerde, bij de financiële instelling waar de rekening geopend is op dewelke de prestaties worden betaald.".
"De Koning bepaalt de modaliteiten van de terugvordering van de prestaties, waarvan het onverschuldigd karakter het gevolg is van het overlijden van de sociaal verzekerde, bij de financiële instelling waar de rekening geopend is op dewelke de prestaties worden betaald.".
Art. 11. L'article 164 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi portant dispositions diverses en matière de santé du 10 avril 2014, est complété par l'alinéa suivant :
"Le Roi détermine les modalités de récupération des prestations dont le caractère indu est la conséquence du décès de l'assuré social, auprès de l'institution financière au sein de laquelle est ouvert le compte bancaire sur lequel sont payées lesdites prestations.".
"Le Roi détermine les modalités de récupération des prestations dont le caractère indu est la conséquence du décès de l'assuré social, auprès de l'institution financière au sein de laquelle est ouvert le compte bancaire sur lequel sont payées lesdites prestations.".
HOOFDSTUK 2. - Zelfstandigen
CHAPITRE 2. - Indépendants
Afdeling 1. - Administratieve geldboeten in de regeling voor zelfstandigen
Section 1re. - Amendes administratives dans le régime des travailleurs indépendants
Onderafdeling 1. - Wijzigingen van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen
Sous-section 1re. - Modifications de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants
Art. 12. In artikel 15, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 23 december 2009, worden de woorden "de door deze laatste verschuldigde bijdragen" vervangen door de woorden "de door deze laatste verschuldigde bijdragen en administratieve geldboeten, bedoeld in artikel 17bis".
Art. 12. Dans l'article 15, § 1er, alinéa 3, de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants, modifié en dernier lieu par la loi du 23 décembre 2009, les mots "des cotisations dont ce dernier est redevable" sont remplacés par les mots "des cotisations et des amendes administratives visées à l'article 17bis, dont ce dernier est redevable".
Art. 13. In artikel 16 van hetzelfde koninklijk besluit, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1, vervangen bij het koninklijk besluit van 3 december 1984, worden de woorden "en van de administratieve geldboeten, bedoeld in artikel 17bis" ingevoegd tussen de woorden "bijdragen" en ", zo nodig".
2° in § 2, vervangen door de wet van 22 november 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° tussen het tweede en het derde lid wordt een lid ingevoegd, luidende :
"De invordering van de administratieve geldboete, bedoeld in artikel 17bis, verjaart na vijf jaar, te rekenen vanaf de dag waarop er geen beroep meer kan worden aangetekend tegen de beslissing van de bevoegde administratie tot het opleggen van een administratieve geldboete.";
2° in het vroegere derde lid, dat het vierde lid wordt, wordt de bepaling onder 2° vervangen als volgt :
"2° met een aangetekende brief waarbij het organisme, dat belast is met de invordering, de door de betrokkene verschuldigde bijdragen of administratieve geldboeten vordert;";
3° in het vroegere vierde lid, dat het vijfde lid wordt, worden de woorden "of van de administratieve geldboeten" ingevoegd tussen de woorden "van de bijdragen" en de woorden "die verschuldigd zijn".
3° in § 3, laatst gewijzigd bij de wet van 22 november 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het eerste lid wordt vervangen als volgt :
"De vorderingen tot terugbetaling van ten onrechte betaalde bijdragen of administratieve geldboeten, bedoeld in artikel 17bis, verjaren na vijf jaar te rekenen vanaf de 1ste januari van het jaar dat volgt op datgene waarin de onverschuldigde bijdragen of administratieve geldboeten werden betaald.";
2° het derde lid wordt aangevuld met de bepaling onder 3°, luidende :
"3° met een aangetekende brief door de betrokkene gericht aan het organisme dat de administratieve geldboete heeft geïnd en waarbij hij de terugbetaling van de ten onrechte betaalde administratieve geldboete vordert.".
1° in § 1, vervangen bij het koninklijk besluit van 3 december 1984, worden de woorden "en van de administratieve geldboeten, bedoeld in artikel 17bis" ingevoegd tussen de woorden "bijdragen" en ", zo nodig".
2° in § 2, vervangen door de wet van 22 november 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° tussen het tweede en het derde lid wordt een lid ingevoegd, luidende :
"De invordering van de administratieve geldboete, bedoeld in artikel 17bis, verjaart na vijf jaar, te rekenen vanaf de dag waarop er geen beroep meer kan worden aangetekend tegen de beslissing van de bevoegde administratie tot het opleggen van een administratieve geldboete.";
2° in het vroegere derde lid, dat het vierde lid wordt, wordt de bepaling onder 2° vervangen als volgt :
"2° met een aangetekende brief waarbij het organisme, dat belast is met de invordering, de door de betrokkene verschuldigde bijdragen of administratieve geldboeten vordert;";
3° in het vroegere vierde lid, dat het vijfde lid wordt, worden de woorden "of van de administratieve geldboeten" ingevoegd tussen de woorden "van de bijdragen" en de woorden "die verschuldigd zijn".
3° in § 3, laatst gewijzigd bij de wet van 22 november 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het eerste lid wordt vervangen als volgt :
"De vorderingen tot terugbetaling van ten onrechte betaalde bijdragen of administratieve geldboeten, bedoeld in artikel 17bis, verjaren na vijf jaar te rekenen vanaf de 1ste januari van het jaar dat volgt op datgene waarin de onverschuldigde bijdragen of administratieve geldboeten werden betaald.";
2° het derde lid wordt aangevuld met de bepaling onder 3°, luidende :
"3° met een aangetekende brief door de betrokkene gericht aan het organisme dat de administratieve geldboete heeft geïnd en waarbij hij de terugbetaling van de ten onrechte betaalde administratieve geldboete vordert.".
Art. 13. Dans l'article 16 du même arrêté royal, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le § 1er, remplacé par l'arrêté royal du 3 décembre 1984, les mots "et des amendes administratives visées à l'article 17bis" sont insérés entre les mots "des cotisations" et les mots ", au besoin";
2° dans le § 2, remplacé par la loi du 22 novembre 2013, les modifications suivantes sont apportées :
1° un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 2 et 3 :
"Le recouvrement de l'amende administrative, visée à l'article 17bis, se prescrit par cinq ans à compter du jour où la décision de l'administration compétente d'infliger une amende administrative n'est plus susceptible de recours.";
2° dans l'alinéa 3 ancien, devenant l'alinéa 4, le 2° est remplacé par ce qui suit :
"2° par une lettre recommandée de l'organisme chargé du recouvrement, réclamant les cotisations ou les amendes administratives dont l'intéressé est redevable;";
3° dans l'alinéa 4 ancien, devenant l'alinéa 5, les mots "ou des amendes administratives" sont insérés entre les mots "des cotisations" et "dues par".
3° dans le § 3, modifié en dernier lieu par la loi du 22 novembre 2013, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
"Les actions en répétition de cotisations ou d'amendes administratives visées à l'article 17bis payées indûment se prescrivent par cinq ans à compter du 1er janvier de l'année qui suit celle au cours de laquelle les cotisations ou les amendes administratives indues ont été payées.";
2° l'alinéa 3 est complété par le 3° rédigé comme suit :
"3° par une lettre recommandée adressée par l'intéressé à l'organisme qui a perçu l'amende administrative et réclamant le remboursement de l'amende administrative payée indûment.".
1° dans le § 1er, remplacé par l'arrêté royal du 3 décembre 1984, les mots "et des amendes administratives visées à l'article 17bis" sont insérés entre les mots "des cotisations" et les mots ", au besoin";
2° dans le § 2, remplacé par la loi du 22 novembre 2013, les modifications suivantes sont apportées :
1° un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 2 et 3 :
"Le recouvrement de l'amende administrative, visée à l'article 17bis, se prescrit par cinq ans à compter du jour où la décision de l'administration compétente d'infliger une amende administrative n'est plus susceptible de recours.";
2° dans l'alinéa 3 ancien, devenant l'alinéa 4, le 2° est remplacé par ce qui suit :
"2° par une lettre recommandée de l'organisme chargé du recouvrement, réclamant les cotisations ou les amendes administratives dont l'intéressé est redevable;";
3° dans l'alinéa 4 ancien, devenant l'alinéa 5, les mots "ou des amendes administratives" sont insérés entre les mots "des cotisations" et "dues par".
3° dans le § 3, modifié en dernier lieu par la loi du 22 novembre 2013, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
"Les actions en répétition de cotisations ou d'amendes administratives visées à l'article 17bis payées indûment se prescrivent par cinq ans à compter du 1er janvier de l'année qui suit celle au cours de laquelle les cotisations ou les amendes administratives indues ont été payées.";
2° l'alinéa 3 est complété par le 3° rédigé comme suit :
"3° par une lettre recommandée adressée par l'intéressé à l'organisme qui a perçu l'amende administrative et réclamant le remboursement de l'amende administrative payée indûment.".
Art. 14. In artikel 17bis van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij de wet van 23 december 2009 en gewijzigd bij de wetten van 27 december 2012 en 10 augustus 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° paragraaf 1bis wordt vervangen als volgt :
" § 1bis. Loopt een administratieve geldboete op gelijk aan tweemaal het bedrag van de voorlopige kwartaalbijdrage bedoeld in artikel 13bis, § 2, 1°, a), elke persoon die een attest van aansluiting bij een sociaal verzekeringsfonds voor zelfstandigen vraagt om een verblijfstitel van langer dan 3 maanden te bekomen en voor wie wordt vastgesteld door een bevoegd ambtenaar van het Rijksinstituut voor sociale verzekeringen der zelfstandigen of door een persoon bedoeld in artikel 23bis, dat hij zich bij dat fonds heeft aangesloten zonder een beroepsactiviteit aan te vatten.
Zijn hoofdelijk gehouden tot de betaling van die administratieve geldboete :
1° de natuurlijke persoon die valselijk verklaard heeft door de pleger van de inbreuk geholpen te worden, in de zin van artikel 6;
2° de rechtspersoon die valselijk verklaard heeft dat de pleger van de inbreuk in zijn schoot een zelfstandige beroepsactiviteit uitoefent als werkend vennoot of als mandataris.";
2° in het vijfde lid van paragraaf 2 worden de woorden "één jaar" vervangen door de woorden "vijf jaar";
3° in het zesde lid van paragraaf 2 worden de woorden "één jaar" vervangen door de woorden "vijf jaar".
1° paragraaf 1bis wordt vervangen als volgt :
" § 1bis. Loopt een administratieve geldboete op gelijk aan tweemaal het bedrag van de voorlopige kwartaalbijdrage bedoeld in artikel 13bis, § 2, 1°, a), elke persoon die een attest van aansluiting bij een sociaal verzekeringsfonds voor zelfstandigen vraagt om een verblijfstitel van langer dan 3 maanden te bekomen en voor wie wordt vastgesteld door een bevoegd ambtenaar van het Rijksinstituut voor sociale verzekeringen der zelfstandigen of door een persoon bedoeld in artikel 23bis, dat hij zich bij dat fonds heeft aangesloten zonder een beroepsactiviteit aan te vatten.
Zijn hoofdelijk gehouden tot de betaling van die administratieve geldboete :
1° de natuurlijke persoon die valselijk verklaard heeft door de pleger van de inbreuk geholpen te worden, in de zin van artikel 6;
2° de rechtspersoon die valselijk verklaard heeft dat de pleger van de inbreuk in zijn schoot een zelfstandige beroepsactiviteit uitoefent als werkend vennoot of als mandataris.";
2° in het vijfde lid van paragraaf 2 worden de woorden "één jaar" vervangen door de woorden "vijf jaar";
3° in het zesde lid van paragraaf 2 worden de woorden "één jaar" vervangen door de woorden "vijf jaar".
Art. 14. Dans l'article 17bis du même arrêté royal, inséré par la loi du 23 décembre 2009 et modifié par les lois des 27 décembre 2012 et 10 août 2015, les modifications suivantes sont apportées :
1° le paragraphe 1erbis est remplacé par ce qui suit :
" § 1erbis. Encourt une amende administrative d'un montant équivalent à deux fois le montant de la cotisation trimestrielle provisoire visée à l'article 13bis, § 2, 1°, a), toute personne qui demande une attestation d'affiliation à une caisse d'assurances sociales pour travailleurs indépendants en vue d'obtenir un titre de séjour de plus de trois mois et pour laquelle il est constaté, par un fonctionnaire compétent de l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants ou par une personne visée à l'article 23bis, qu'elle s'est affiliée à cette caisse sans démarrer une activité professionnelle.
Sont tenues solidairement au paiement de cette amende administrative :
1° la personne physique ayant déclaré faussement être aidée, au sens de l'article 6, par l'auteur de l'infraction;
2° la personne morale ayant déclaré faussement l'exercice en son sein d'une activité professionnelle indépendante, en tant qu'associé actif ou mandataire, par l'auteur de l'infraction.";
2° dans l'alinéa 5 du paragraphe 2, les mots "d'un an" sont remplacés par les mots "de cinq ans";
3° dans l'alinéa 6 du paragraphe 2, les mots "d'un an" sont remplacés par les mots "de cinq ans".
1° le paragraphe 1erbis est remplacé par ce qui suit :
" § 1erbis. Encourt une amende administrative d'un montant équivalent à deux fois le montant de la cotisation trimestrielle provisoire visée à l'article 13bis, § 2, 1°, a), toute personne qui demande une attestation d'affiliation à une caisse d'assurances sociales pour travailleurs indépendants en vue d'obtenir un titre de séjour de plus de trois mois et pour laquelle il est constaté, par un fonctionnaire compétent de l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants ou par une personne visée à l'article 23bis, qu'elle s'est affiliée à cette caisse sans démarrer une activité professionnelle.
Sont tenues solidairement au paiement de cette amende administrative :
1° la personne physique ayant déclaré faussement être aidée, au sens de l'article 6, par l'auteur de l'infraction;
2° la personne morale ayant déclaré faussement l'exercice en son sein d'une activité professionnelle indépendante, en tant qu'associé actif ou mandataire, par l'auteur de l'infraction.";
2° dans l'alinéa 5 du paragraphe 2, les mots "d'un an" sont remplacés par les mots "de cinq ans";
3° dans l'alinéa 6 du paragraphe 2, les mots "d'un an" sont remplacés par les mots "de cinq ans".
Art. 15. In artikel 17ter van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij de wet van 23 december 2009 en gewijzigd bij de wetten van 27 december 2012 en 16 december 2015, wordt tussen het zesde en het zevende lid een lid ingevoegd, luidende :
"Vanaf de datum waarop het fonds een administratieve geldboete vordert, wordt elke daaropvolgende betaling, in afwijking van de artikelen 1253 en 1256 van het Burgerlijk Wetboek, prioritair door het betrokken fonds aangewend voor de betaling van die administratieve geldboete.".
"Vanaf de datum waarop het fonds een administratieve geldboete vordert, wordt elke daaropvolgende betaling, in afwijking van de artikelen 1253 en 1256 van het Burgerlijk Wetboek, prioritair door het betrokken fonds aangewend voor de betaling van die administratieve geldboete.".
Art. 15. Dans l'article 17ter du même arrêté royal, inséré par la loi du 23 décembre 2009 et modifié par les lois des 27 décembre 2012 et 16 décembre 2015, un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 6 et 7 :
"A partir de la date à laquelle la caisse réclame une amende administrative, tout paiement subséquent est, en dérogation aux articles 1253 et 1256 du Code civil, affecté prioritairement par la caisse concernée au paiement de cette amende administrative.".
"A partir de la date à laquelle la caisse réclame une amende administrative, tout paiement subséquent est, en dérogation aux articles 1253 et 1256 du Code civil, affecté prioritairement par la caisse concernée au paiement de cette amende administrative.".
Art. 16. In hetzelfde koninklijk besluit wordt een artikel 17quinquies ingevoegd, luidende :
"Art. 17quinquies. De administratieve geldboete, bedoeld in artikel 17bis, kan niet meer opgelegd worden vijf jaar na de feiten.
De daden van onderzoek of van vervolging, met inbegrip van de kennisgeving van de mogelijkheid tot het opleggen van de administratieve geldboete, waarbij betrokkene uitgenodigd werd zijn verweermiddelen in te dienen, verricht binnen de in het eerste lid gestelde termijn, stuiten evenwel de loop ervan. Met die daden vangt een nieuwe termijn van gelijke duur aan, zelfs ten aanzien van personen die daarbij niet betrokken waren.".
"Art. 17quinquies. De administratieve geldboete, bedoeld in artikel 17bis, kan niet meer opgelegd worden vijf jaar na de feiten.
De daden van onderzoek of van vervolging, met inbegrip van de kennisgeving van de mogelijkheid tot het opleggen van de administratieve geldboete, waarbij betrokkene uitgenodigd werd zijn verweermiddelen in te dienen, verricht binnen de in het eerste lid gestelde termijn, stuiten evenwel de loop ervan. Met die daden vangt een nieuwe termijn van gelijke duur aan, zelfs ten aanzien van personen die daarbij niet betrokken waren.".
Art. 16. Dans le même arrêté royal, il est inséré un article 17quinquies rédigé comme suit :
"Art. 17quinquies. L'amende administrative, visée à l'article 17bis, ne peut plus être infligée cinq ans après les faits.
Toutefois, les actes d'instruction ou de poursuites, y compris la notification de la possibilité d'infliger une amende administrative par laquelle le contrevenant est invité à présenter des moyens de défense, accomplis dans le délai déterminé à l'alinéa 1er, en interrompent le cours. Ces actes font courir un nouveau délai d'égale durée, même à l'égard des personnes qui n'y sont pas impliquées.".
"Art. 17quinquies. L'amende administrative, visée à l'article 17bis, ne peut plus être infligée cinq ans après les faits.
Toutefois, les actes d'instruction ou de poursuites, y compris la notification de la possibilité d'infliger une amende administrative par laquelle le contrevenant est invité à présenter des moyens de défense, accomplis dans le délai déterminé à l'alinéa 1er, en interrompent le cours. Ces actes font courir un nouveau délai d'égale durée, même à l'égard des personnes qui n'y sont pas impliquées.".
Onderafdeling 2. - Wijziging van de wet van 16 december 1851 betreffende de voorrechten en hypotheken, die titel XVIII van Boek III van het Burgerlijk Wetboek vormt
Sous-section 2. - Modification de la loi du 16 décembre 1851 concernant les privilèges et hypothèques, formant le titre XVIII du Livre III du Code civil
Art. 17. In artikel 19, 4° ter, derde lid, van de wet van 16 december 1851 betreffende de voorrechten en hypotheken, die titel XVIII van Boek III van het Burgerlijk Wetboek vormt, vervangen bij de wet van 3 juli 2005, worden de woorden "De bijdragen en bijdrageopslagen" vervangen door de woorden "De administratieve geldboeten, de bijdragen en bijdrageopslagen".
Art. 17. Dans l'article 19, 4° ter, alinéa 3, de la loi du 16 décembre 1851 concernant les privilèges et hypothèques, formant le titre XVIII du Livre III du Code civil, remplacé par la loi du 3 juillet 2005, les mots "Les cotisations et les majorations" sont remplacés par les mots "Les amendes administratives, les cotisations et les majorations".
Art. 18. Deze afdeling is van toepassing op de beslissingen tot het opleggen van een administratieve geldboete die betekend worden vanaf 1 juli 2016, met uitzondering van artikel 16, 1°, dat van toepassing is op de aansluitingsverklaringen die worden ondertekend vanaf 1 juli 2016.
De niet in het eerste lid bedoelde gevallen worden geregeld overeenkomstig de bepalingen die van toepassing waren vóór de inwerkingtreding van deze afdeling.
De niet in het eerste lid bedoelde gevallen worden geregeld overeenkomstig de bepalingen die van toepassing waren vóór de inwerkingtreding van deze afdeling.
Art. 18. La présente section s'applique aux décisions d'infliger une amende administrative qui sont signifiées à partir du 1er juillet 2016, à l'exception de l'article 16, 1°, qui s'applique aux déclarations d'affiliation souscrites à partir du 1er juillet 2016.
Les cas qui ne sont pas visés à l'alinéa 1er, sont réglés conformément aux dispositions applicables avant l'entrée en vigueur de la présente section.
Les cas qui ne sont pas visés à l'alinéa 1er, sont réglés conformément aux dispositions applicables avant l'entrée en vigueur de la présente section.
Art. 19. Deze afdeling treedt in werking op 1 juli 2016.
Art. 19. La présente section entre en vigueur le 1er juillet 2016.
Afdeling 2. - Moment van aansluiting voor een zelfstandige beroepsactiviteit
Section 2. - Moment de l'affiliation pour une activité professionnelle indépendante
Art. 20. In artikel 10, § 1, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, laatst gewijzigd bij de Programmawet van 23 december 2009, worden de woorden "uiterlijk op de dag van de aanvang" vervangen door de woorden "vóór de aanvang".
Art. 20. Dans l'article 10, § 1er, de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants, modifié en dernier lieu par la Loi-programme du 23 décembre 2009, les mots "au plus tard le jour où elle débute" sont remplacés par les mots "avant le début de".
Art. 21. Deze afdeling treedt in werking op 1 juli 2016.
Art. 21. La présente section entre en vigueur le 1er juillet 2016.
Afdeling 3. - Deeleconomie
Section 3. - économie collaborative
Art. 22. In het koninklijk besluit nr. 38 wordt een artikel 5ter ingevoegd, luidende :
"Art. 5ter. De personen die in België een activiteit uitoefenen die de inkomsten zoals bedoeld in artikel 90, eerste lid, 1° bis, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 genereren, zijn niet onderworpen aan dit besluit voor de activiteit verbonden met die inkomsten, voor zover die inkomsten het bedrag zoals bedoeld in artikel 37bis, § 2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, niet overschrijden.
Een aandeel van 25 % van de belasting zoals bedoeld in artikel 171, 3° bis, a) van het Wetboek van de inkomstenbelastingen wordt aangewend voor het globaal financieel beheer in het sociaal statuut der zelfstandigen, met toepassing van hoofdstuk I van titel VI van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels.
De Koning bepaalt de modaliteiten van overdracht van dit aandeel voor het globaal financieel beheer.".
"Art. 5ter. De personen die in België een activiteit uitoefenen die de inkomsten zoals bedoeld in artikel 90, eerste lid, 1° bis, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 genereren, zijn niet onderworpen aan dit besluit voor de activiteit verbonden met die inkomsten, voor zover die inkomsten het bedrag zoals bedoeld in artikel 37bis, § 2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, niet overschrijden.
Een aandeel van 25 % van de belasting zoals bedoeld in artikel 171, 3° bis, a) van het Wetboek van de inkomstenbelastingen wordt aangewend voor het globaal financieel beheer in het sociaal statuut der zelfstandigen, met toepassing van hoofdstuk I van titel VI van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels.
De Koning bepaalt de modaliteiten van overdracht van dit aandeel voor het globaal financieel beheer.".
Art. 22. Dans l'arrêté royal n° 38, un article 5ter est inséré rédigé comme suit :
"Art. 5ter. Les personnes qui exercent, en Belgique, une activité produisant des revenus visés à l'article 90, alinéa 1, 1° bis, du Code des impôts sur les revenus 1992 ne sont pas assujetties au présent arrêté pour l'activité liée à ces revenus, pour autant que ces revenus ne dépassent pas le montant visé à l'article 37bis, § 2, du Code des impôts sur les revenus 1992.
Une quote-part équivalente à 25 % de l'impôt visé à l'article 171, 3° bis, a) du Code d'impôt sur les revenus est affecté à la gestion financière globale dans le statut social des travailleurs indépendants, en application du chapitre I du titre VI de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions.
Le Roi détermine les modalités de transfert de cette quote-part à la gestion financière globale.".
"Art. 5ter. Les personnes qui exercent, en Belgique, une activité produisant des revenus visés à l'article 90, alinéa 1, 1° bis, du Code des impôts sur les revenus 1992 ne sont pas assujetties au présent arrêté pour l'activité liée à ces revenus, pour autant que ces revenus ne dépassent pas le montant visé à l'article 37bis, § 2, du Code des impôts sur les revenus 1992.
Une quote-part équivalente à 25 % de l'impôt visé à l'article 171, 3° bis, a) du Code d'impôt sur les revenus est affecté à la gestion financière globale dans le statut social des travailleurs indépendants, en application du chapitre I du titre VI de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions.
Le Roi détermine les modalités de transfert de cette quote-part à la gestion financière globale.".
Art. 23. Deze afdeling treedt in werking op 1 juli 2016.
Art. 23. La présente section entre en vigueur le 1er juillet 2016.
HOOFDSTUK 3. - Strijd tegen de sociale fraude Reorganisatie van de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst
CHAPITRE 3. - Lutte contre la fraude sociale Réorganisation du Service d'information et de Recherche sociale
Art. 24. Artikel 6, § 3, 2° van het Sociaal Strafwetboek, vervangen bij de wet van 27 december 2012, wordt vervangen als volgt :
"2° experten belast met de ondersteuning van de directeur bij het opstellen en opvolgen van het beleidsplan en het operationeel plan bedoeld in artikel 2;".
"2° experten belast met de ondersteuning van de directeur bij het opstellen en opvolgen van het beleidsplan en het operationeel plan bedoeld in artikel 2;".
Art. 24. L'article 6, § 3, 2° du Code pénal social, remplacé par la loi du 27 décembre 2012, est remplacé par ce qui suit :
"2° des experts chargés de soutenir le directeur dans l'élaboration et le suivi du plan stratégique et du plan opérationnel visés à l'article 2;".
"2° des experts chargés de soutenir le directeur dans l'élaboration et le suivi du plan stratégique et du plan opérationnel visés à l'article 2;".
Art. 25. Artikel 8 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij wet van 27 december 2012, wordt vervangen als volgt :
"Art. 8. De functie van leidinggevende, genoemd de directeur van het Bureau, de voorwaarden voor zijn benoeming en zijn statuut
De directeur van het Bureau moet een managementfunctie bekleden.
De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de benoemingsvoorwaarden en het geldelijk en administratief statuut van de directeur.".
"Art. 8. De functie van leidinggevende, genoemd de directeur van het Bureau, de voorwaarden voor zijn benoeming en zijn statuut
De directeur van het Bureau moet een managementfunctie bekleden.
De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de benoemingsvoorwaarden en het geldelijk en administratief statuut van de directeur.".
Art. 25. L'article 8 du même Code, remplacé par la loi du 27 décembre 2012, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 8. La fonction du dirigeant, appelé le directeur du Bureau, les conditions de sa nomination et son statut
Le directeur du Bureau doit être titulaire d'une fonction de management.
Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les conditions de nomination et le statut pécuniaire et administratif du directeur.".
"Art. 8. La fonction du dirigeant, appelé le directeur du Bureau, les conditions de sa nomination et son statut
Le directeur du Bureau doit être titulaire d'une fonction de management.
Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les conditions de nomination et le statut pécuniaire et administratif du directeur.".
Art. 26. In artikel 9, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 27 december 2012, worden de woorden "stuurt het Bureau aan" vervangen door de woorden "oefent het dagelijks beheer van het Bureau uit".
Art. 26. Dans l'article 9, alinéa 1er, du même Code, remplacé par la loi du 27 décembre 2012, les mots "dirige le Bureau" sont remplacé par les mots "exerce la gestion journalière du Bureau".
Art. 27. Artikel 9/1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 27 december 2012, wordt opgeheven.
Art. 27. L'article 9/1 du même Code, inséré par la loi du 27 décembre 2012, est abrogé.
Art. 28. Artikel 24 treedt in werking op 1 juli 2016. De artikelen 25 tot 27 treden in werking op 1 januari 2017.
Art. 28. L'article 24 entre en vigueur le 1er juillet 2016. Les articles 25 à 27 entrent en vigueur le 1er janvier 2017.
TITEL 3. - Financiën
TITRE 3. - Finances
HOOFDSTUK 1. - Opheffing van de btw-vrijstelling voor online kans- en geldspelen andere dan loterijen
CHAPITRE 1er. - Abrogation de l'exemption de la T.V.A. sur les jeux de hasard ou d'argent en ligne autres que les loteries
Art. 29. Artikel 1 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 december 2013, wordt aangevuld met een paragraaf 14, luidende :
" § 14. Voor de toepassing van dit Wetboek wordt verstaan onder :
1° "kans- en geldspelen" :
a) de spelen, onder welke benaming ook, die gelegenheid geven tot mededinging naar prijzen of premies in geld of natura, waarbij de spelers noch bij het begin, noch in de loop of bij het einde van het spel kunnen tussenkomen en de winnaars uitsluitend door het lot of enig andere kansbepaling worden aangewezen;
b) de spelen, onder welke benaming ook, die gelegenheid geven tot mededinging naar prijzen of premies in geld of natura, uitgeloofd aan de deelnemers van een prijskamp, van welke aard ook, tenzij de prijskamp de totstandbrenging van een contract tussen de winnaars en de organisator ervan tot gevolg heeft;
2° "loterijen" : elke gelegenheid om door middel van te kopen deelbewijzen van deelneming mee te dingen naar prijzen of premies in geld of in natura waarbij de winnaars door het lot of een andere kansbepaling waarop zij geen invloed kunnen uitoefenen worden aangewezen.".
" § 14. Voor de toepassing van dit Wetboek wordt verstaan onder :
1° "kans- en geldspelen" :
a) de spelen, onder welke benaming ook, die gelegenheid geven tot mededinging naar prijzen of premies in geld of natura, waarbij de spelers noch bij het begin, noch in de loop of bij het einde van het spel kunnen tussenkomen en de winnaars uitsluitend door het lot of enig andere kansbepaling worden aangewezen;
b) de spelen, onder welke benaming ook, die gelegenheid geven tot mededinging naar prijzen of premies in geld of natura, uitgeloofd aan de deelnemers van een prijskamp, van welke aard ook, tenzij de prijskamp de totstandbrenging van een contract tussen de winnaars en de organisator ervan tot gevolg heeft;
2° "loterijen" : elke gelegenheid om door middel van te kopen deelbewijzen van deelneming mee te dingen naar prijzen of premies in geld of in natura waarbij de winnaars door het lot of een andere kansbepaling waarop zij geen invloed kunnen uitoefenen worden aangewezen.".
Art. 29. L'article 1er du Code de la taxe sur la valeur ajoutée, modifié en dernier lieu par la loi du 21 décembre 2013, est complété par un paragraphe 14 rédigé comme suit :
" § 14. Pour l'application du présent Code, on entend par :
1° "jeux de hasard ou d'argent" :
a) les jeux, sous quelque dénomination que ce soit, qui procurent la chance de gagner des prix ou des primes en argent ou en nature, et à l'occasion desquels les joueurs ne peuvent intervenir ni au début, ni au cours, ni à la fin du jeu, et les gagnants sont uniquement désignés par le sort ou par toute autre circonstance due au hasard;
b) les jeux, sous quelque dénomination que ce soit, qui procurent aux participants à un concours de quelque nature qu'il soit, la chance de gagner des prix ou des primes en argent ou en nature, à moins que le concours ne débouche sur la conclusion d'un contrat entre les gagnants et l'organisateur de ce concours;
2° "loteries" : chaque circonstance permettant par l'achat de billets de loterie, de concourir pour des prix ou des primes en argent ou en nature, où les gagnants sont désignés par le sort ou par toute autre circonstance due au hasard sur lesquels ils ne peuvent exercer aucune influence.".
" § 14. Pour l'application du présent Code, on entend par :
1° "jeux de hasard ou d'argent" :
a) les jeux, sous quelque dénomination que ce soit, qui procurent la chance de gagner des prix ou des primes en argent ou en nature, et à l'occasion desquels les joueurs ne peuvent intervenir ni au début, ni au cours, ni à la fin du jeu, et les gagnants sont uniquement désignés par le sort ou par toute autre circonstance due au hasard;
b) les jeux, sous quelque dénomination que ce soit, qui procurent aux participants à un concours de quelque nature qu'il soit, la chance de gagner des prix ou des primes en argent ou en nature, à moins que le concours ne débouche sur la conclusion d'un contrat entre les gagnants et l'organisateur de ce concours;
2° "loteries" : chaque circonstance permettant par l'achat de billets de loterie, de concourir pour des prix ou des primes en argent ou en nature, où les gagnants sont désignés par le sort ou par toute autre circonstance due au hasard sur lesquels ils ne peuvent exercer aucune influence.".
(NOTA : bij arrest nr. 34/2018 van 22-03-2018 (B.St. 22-05-2018, p. 41906), heeft het Grondwettelijk Hof dit artikel vernietigd)
(NOTE : par son arrêt n° 34/2018 du 22-03-2018 (M.B. 22-05-2018, p. 41906), la Cour constitutionnelle a annulé le présent article)
Art. 30. In artikel 18, § 1, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, worden in de bepaling onder 16°, ingevoegd bij de wet van 22 april 2003 en gewijzigd bij de wet van 26 november 2009, de woorden "kans- of gokspelen" vervangen door de woorden "kans- en geldspelen".
Art. 30. Dans le texte néerlandais de l'article 18, § 1er, alinéa 2, 16°, du même Code, inséré par la loi du 22 avril 2003 et modifié par la loi du 26 novembre 2009, les mots "kans- of gokspelen" sont remplacés par les mots "kans- en geldspelen".
(NOTA : bij arrest nr. 34/2018 van 22-03-2018 (B.St. 22-05-2018, p. 41906), heeft het Grondwettelijk Hof dit artikel vernietigd)
(NOTE : par son arrêt n° 34/2018 du 22-03-2018 (M.B. 22-05-2018, p. 41906), la Cour constitutionnelle a annulé le présent article)
Art. 31. In artikel 44, § 3, van hetzelfde Wetboek wordt de bepaling onder 13°, vervangen bij de wet van 28 december 1992, vervangen als volgt :
"13° a) de loterijen;
b) de andere kans- en geldspelen, met uitzondering van degene die langs elektronische weg worden verricht zoals bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 16° ;".
"13° a) de loterijen;
b) de andere kans- en geldspelen, met uitzondering van degene die langs elektronische weg worden verricht zoals bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 16° ;".
Art. 31. Dans l'article 44, § 3, du même Code, le 13°, remplacé par la loi du 28 décembre 1992, est remplacé par ce qui suit :
"13° a) les loteries;
b) les autres jeux de hasard ou d'argent, à l'exception de ceux fournis par voie électronique tels que visés à l'article 18, § 1er, alinéa 2, 16° ; ".
"13° a) les loteries;
b) les autres jeux de hasard ou d'argent, à l'exception de ceux fournis par voie électronique tels que visés à l'article 18, § 1er, alinéa 2, 16° ; ".
(NOTA : bij arrest nr. 34/2018 van 22-03-2018 (B.St. 22-05-2018, p. 41906), heeft het Grondwettelijk Hof dit artikel vernietigd)
(NOTE : par son arrêt n° 34/2018 du 22-03-2018 (M.B. 22-05-2018, p. 41906), la Cour constitutionnelle a annulé le présent article)
Art. 32. In artikel 51bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 december 1992 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 17 juni 2013, wordt een paragraaf 1bis ingevoegd, luidende :
" § 1bis. De medecontractant van de niet in België gevestigde schuldenaar van de belasting krachtens artikel 51, § 1, 1°, is met deze tegenover de Staat hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting verschuldigd op de voor de medecontractant langs elektronische weg verrichte kans- en geldspelen bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 16°, wanneer de schuldenaar niet beschikt over een btw-identificatienummer in België, desgevallend in toepassing van één van de bijzondere regelingen bedoeld in artikel 58ter en artikel 58quater, noch beschikt over een btw-identificatienummer toegekend door een andere lidstaat in toepassing van één van de bijzondere regelingen bedoeld in de artikelen 358bis tot en met 369duodecies van richtlijn 2006/112/EG.".
" § 1bis. De medecontractant van de niet in België gevestigde schuldenaar van de belasting krachtens artikel 51, § 1, 1°, is met deze tegenover de Staat hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting verschuldigd op de voor de medecontractant langs elektronische weg verrichte kans- en geldspelen bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 16°, wanneer de schuldenaar niet beschikt over een btw-identificatienummer in België, desgevallend in toepassing van één van de bijzondere regelingen bedoeld in artikel 58ter en artikel 58quater, noch beschikt over een btw-identificatienummer toegekend door een andere lidstaat in toepassing van één van de bijzondere regelingen bedoeld in de artikelen 358bis tot en met 369duodecies van richtlijn 2006/112/EG.".
Art. 32. Dans l'article 51bis du même Code, inséré par la loi du 28 décembre 1992 et modifié en dernier lieu par la loi du 17 juin 2013, il est inséré un paragraphe 1erbis, rédigé comme suit :
" § 1erbis. Le cocontractant de la personne non établie en Belgique qui est redevable de la taxe en vertu de l'article 51, § 1er, 1°, est solidairement tenu avec elle au paiement de la taxe due envers l'Etat sur les jeux de hasard ou d'argent fournis au cocontractant par voie électronique visés à l'article 18, § 1er, alinéa 2, 16°, lorsque le redevable ne dispose pas d'un numéro d'identification à la T.V.A. en Belgique, le cas échéant en application de l'un des régimes spéciaux visés aux articles 58ter et 58quater, ni d'un numéro d'identification à la T.V.A. attribué par un autre Etat membre en application de l'un des régimes spéciaux visés aux articles 358bis à 369duodecies de la directive 2006/112/CE.".
" § 1erbis. Le cocontractant de la personne non établie en Belgique qui est redevable de la taxe en vertu de l'article 51, § 1er, 1°, est solidairement tenu avec elle au paiement de la taxe due envers l'Etat sur les jeux de hasard ou d'argent fournis au cocontractant par voie électronique visés à l'article 18, § 1er, alinéa 2, 16°, lorsque le redevable ne dispose pas d'un numéro d'identification à la T.V.A. en Belgique, le cas échéant en application de l'un des régimes spéciaux visés aux articles 58ter et 58quater, ni d'un numéro d'identification à la T.V.A. attribué par un autre Etat membre en application de l'un des régimes spéciaux visés aux articles 358bis à 369duodecies de la directive 2006/112/CE.".
(NOTA : bij arrest nr. 34/2018 van 22-03-2018 (B.St. 22-05-2018, p. 41906), heeft het Grondwettelijk Hof dit artikel vernietigd)
(NOTE : par son arrêt n° 34/2018 du 22-03-2018 (M.B. 22-05-2018, p. 41906), la Cour constitutionnelle a annulé le présent article)
Art. 33. Het koninklijk besluit nr. 45 van 14 april 1993 met betrekking tot de vrijstelling op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van de kans- en geldspelen, wordt opgeheven.
Art. 33. L'arrêté royal n° 45 du 14 avril 1993, relatif à l'exemption pour les jeux de hasard ou d'argent sur le plan de la taxe sur la valeur ajoutée, est abrogé.
(NOTA : bij arrest nr. 34/2018 van 22-03-2018 (B.St. 22-05-2018, p. 41906), heeft het Grondwettelijk Hof dit artikel vernietigd)
(NOTE : par son arrêt n° 34/2018 du 22-03-2018 (M.B. 22-05-2018, p. 41906), la Cour constitutionnelle a annulé le présent article)
Art. 34. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 juli 2016.
Art. 34. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er juillet 2016.
(NOTA : bij arrest nr. 34/2018 van 22-03-2018 (B.St. 22-05-2018, p. 41906), heeft het Grondwettelijk Hof dit artikel vernietigd)
(NOTE : par son arrêt n° 34/2018 du 22-03-2018 (M.B. 22-05-2018, p. 41906), la Cour constitutionnelle a annulé le présent article)
HOOFDSTUK 2. - Deeleconomie
CHAPITRE 2. - Economie collaborative
Afdeling 1. - Inkomstenbelastingen
Section 1re. - Impôts sur les revenus
Art. 35. In artikel 37bis van het Wetboek van de inkomstenbelasting 1992, ingevoegd bij de wet van 15 december 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de huidige tekst wordt paragraaf 1;
2° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 2, luidende :
" § 2. De in artikel 90, eerste lid, 1° bis, vermelde inkomsten worden, behoudens tegenbewijs, als beroeps-inkomsten aangemerkt wanneer het bruto bedrag van die inkomsten in het belastbare tijdperk of in het vorige belastbare tijdperk meer bedraagt dan 3 255 euro.".
1° de huidige tekst wordt paragraaf 1;
2° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 2, luidende :
" § 2. De in artikel 90, eerste lid, 1° bis, vermelde inkomsten worden, behoudens tegenbewijs, als beroeps-inkomsten aangemerkt wanneer het bruto bedrag van die inkomsten in het belastbare tijdperk of in het vorige belastbare tijdperk meer bedraagt dan 3 255 euro.".
Art. 35. A l'article 37bis du Code des impôts sur les revenus 1992, inséré par la loi du 15 décembre 2004, les modifications suivantes sont apportées :
1° le texte actuel devient le paragraphe 1er;
2° l'article est complété d'un paragraphe 2, rédigé comme suit :
" § 2. Les revenus visés à l'article 90, alinéa 1er, 1° bis, sont, sauf preuve contraire, considérés comme des revenus professionnels lorsque le montant brut de ces revenus excède pour la période imposable ou la période imposable précédente le montant de 3 255 euros.".
1° le texte actuel devient le paragraphe 1er;
2° l'article est complété d'un paragraphe 2, rédigé comme suit :
" § 2. Les revenus visés à l'article 90, alinéa 1er, 1° bis, sont, sauf preuve contraire, considérés comme des revenus professionnels lorsque le montant brut de ces revenus excède pour la période imposable ou la période imposable précédente le montant de 3 255 euros.".
Art. 36. In artikel 90 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 26 december 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid, 1°, worden de woorden "in 8° en 10°, " vervangen door de woorden "in 1° bis, 8° en 10° ";
2° in het eerste lid wordt een bepaling ingevoegd onder 1° bis, luidende :
"1° bis winst of baten, die, buiten het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid, voortkomen uit diensten, andere dan diensten die inkomsten genereren die overeenkomstig de artikelen 7 of 17 of het 5° van dit lid aan de belasting worden onderworpen, die door de belastingplichtige zelf worden verleend aan derden, wanneer aan alle onderstaande voorwaarden is voldaan :
a) de diensten worden uitsluitend verleend aan natuurlijke personen die niet handelen in het kader van hun beroepswerkzaamheid;
b) de diensten worden uitsluitend verleend in het kader van overeenkomsten die tot stand zijn gebracht door tussenkomst van een erkend elektronisch platform of een elektronisch platform dat door een overheid wordt georganiseerd;
c) de vergoedingen met betrekking tot de diensten worden enkel door het in b) vermelde platform of door tussenkomst van dat platform aan de dienstverrichter betaald of toegekend.".
3° tussen het eerste en het tweede lid, dat het vierde lid wordt, worden twee leden ingevoegd, luidende :
"De Koning erkent de in het eerste lid, 1° bis bedoelde platformen onder de voorwaarden die Hij bepaalt. Elk platform stelt bij het einde van elk jaar voor elke dienstverrichter een document op dat het bezorgt aan de betrokken dienstverrichter en aan de bevoegde administratie en waarin minstens de identiteit van de dienstverrichter, de omschrijving van de geleverde diensten, het bedrag van de vergoedingen en het bedrag en de aard van de ingehouden sommen worden vermeld. De Koning bepaalt de inhoud van het document, de termijn waarbinnen het moet worden bezorgd, evenals de manier waarop het bij de bevoegde administratie wordt ingediend.
Wanneer de in het eerste lid, 1° bis, bedoelde dienstverrichter één globale vergoeding vraagt zowel voor diensten die inkomsten genereren die overeenkomstig de artikelen 7 of 17 of het eerste lid, 5°, aan de belasting worden onderworpen, als voor diensten die inkomsten genereren die overeenkomstig het eerste lid, 1° bis, aan de belasting worden onderworpen, en in de overeenkomst geen afzonderlijke prijs voor de laatst vermelde diensten is bepaald, wordt 20 pct. van de globale vergoeding geacht betrekking te hebben op die laatst vermelde diensten.".
1° in het eerste lid, 1°, worden de woorden "in 8° en 10°, " vervangen door de woorden "in 1° bis, 8° en 10° ";
2° in het eerste lid wordt een bepaling ingevoegd onder 1° bis, luidende :
"1° bis winst of baten, die, buiten het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid, voortkomen uit diensten, andere dan diensten die inkomsten genereren die overeenkomstig de artikelen 7 of 17 of het 5° van dit lid aan de belasting worden onderworpen, die door de belastingplichtige zelf worden verleend aan derden, wanneer aan alle onderstaande voorwaarden is voldaan :
a) de diensten worden uitsluitend verleend aan natuurlijke personen die niet handelen in het kader van hun beroepswerkzaamheid;
b) de diensten worden uitsluitend verleend in het kader van overeenkomsten die tot stand zijn gebracht door tussenkomst van een erkend elektronisch platform of een elektronisch platform dat door een overheid wordt georganiseerd;
c) de vergoedingen met betrekking tot de diensten worden enkel door het in b) vermelde platform of door tussenkomst van dat platform aan de dienstverrichter betaald of toegekend.".
3° tussen het eerste en het tweede lid, dat het vierde lid wordt, worden twee leden ingevoegd, luidende :
"De Koning erkent de in het eerste lid, 1° bis bedoelde platformen onder de voorwaarden die Hij bepaalt. Elk platform stelt bij het einde van elk jaar voor elke dienstverrichter een document op dat het bezorgt aan de betrokken dienstverrichter en aan de bevoegde administratie en waarin minstens de identiteit van de dienstverrichter, de omschrijving van de geleverde diensten, het bedrag van de vergoedingen en het bedrag en de aard van de ingehouden sommen worden vermeld. De Koning bepaalt de inhoud van het document, de termijn waarbinnen het moet worden bezorgd, evenals de manier waarop het bij de bevoegde administratie wordt ingediend.
Wanneer de in het eerste lid, 1° bis, bedoelde dienstverrichter één globale vergoeding vraagt zowel voor diensten die inkomsten genereren die overeenkomstig de artikelen 7 of 17 of het eerste lid, 5°, aan de belasting worden onderworpen, als voor diensten die inkomsten genereren die overeenkomstig het eerste lid, 1° bis, aan de belasting worden onderworpen, en in de overeenkomst geen afzonderlijke prijs voor de laatst vermelde diensten is bepaald, wordt 20 pct. van de globale vergoeding geacht betrekking te hebben op die laatst vermelde diensten.".
Art. 36. A l'article 90 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 26 décembre 2015, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 1er, 1°, les mots "du 8° et 10°, " sont remplacés par les mots "du 1° bis, 8° et 10° ";
2° dans l'alinéa 1er, il est inséré un 1° bis, rédigé comme suit :
"1° bis les bénéfices ou profits qui résultent de services, autres que les services qui génèrent des revenus qui sont soumis à l'impôt conformément aux articles 7 ou 17 ou au 5° du présent alinéa, rendus par le contribuable à des tiers, en dehors de l'exercice d'une activité professionnelle, lorsqu'il est satisfait à toutes les conditions suivantes :
a) les services sont uniquement rendus à des personnes physiques qui n'agissent pas dans le cadre de leur activité professionnelle;
b) les services sont uniquement rendus dans le cadre de conventions qui ont été conclues par l'intermédiaire d'une plateforme électronique agréée ou d'une plateforme électronique organisée par une autorité publique;
c) les indemnités afférentes aux services sont uniquement payées ou attribuées au prestataire des services par la plateforme visée au b) ou par l'intermédiaire de cette plateforme.".
3° entre l'alinéa 1er et l'alinéa 2, qui devient l'alinéa 4, il est inséré deux alinéas, rédigés comme suit :
"Le Roi agrée les plateformes visées à l'alinéa 1er, 1° bis, aux conditions qu'Il détermine. Chaque plateforme établit à la fin de chaque année pour chaque prestataire de service un document qu'il remet au prestataire de service concerné et à l'administration compétente et qui mentionne au moins l'identité du prestataire de service, la description des services rendus, le montant des indemnités et le montant et la nature des sommes retenues. Le Roi détermine le contenu du document, le délai dans lequel il doit être remis, ainsi que la manière de le remettre à l'administration compétente.
Lorsque le prestataire de service visé à l'alinéa 1er, 1° bis, demande une indemnité globale aussi bien pour des services qui génèrent des revenus soumis à l'impôt conformément aux articles 7 ou 17 ou à l'alinéa 1er, 5°, que pour des services qui génèrent des revenus soumis à l'impôt conformément à l'alinéa 1er, 1° bis, et lorsque la convention ne prévoit pas de prix distinct pour ces derniers services, 20 p.c. de l'indemnité globale est censé se rapporter à ces derniers services.".
1° dans l'alinéa 1er, 1°, les mots "du 8° et 10°, " sont remplacés par les mots "du 1° bis, 8° et 10° ";
2° dans l'alinéa 1er, il est inséré un 1° bis, rédigé comme suit :
"1° bis les bénéfices ou profits qui résultent de services, autres que les services qui génèrent des revenus qui sont soumis à l'impôt conformément aux articles 7 ou 17 ou au 5° du présent alinéa, rendus par le contribuable à des tiers, en dehors de l'exercice d'une activité professionnelle, lorsqu'il est satisfait à toutes les conditions suivantes :
a) les services sont uniquement rendus à des personnes physiques qui n'agissent pas dans le cadre de leur activité professionnelle;
b) les services sont uniquement rendus dans le cadre de conventions qui ont été conclues par l'intermédiaire d'une plateforme électronique agréée ou d'une plateforme électronique organisée par une autorité publique;
c) les indemnités afférentes aux services sont uniquement payées ou attribuées au prestataire des services par la plateforme visée au b) ou par l'intermédiaire de cette plateforme.".
3° entre l'alinéa 1er et l'alinéa 2, qui devient l'alinéa 4, il est inséré deux alinéas, rédigés comme suit :
"Le Roi agrée les plateformes visées à l'alinéa 1er, 1° bis, aux conditions qu'Il détermine. Chaque plateforme établit à la fin de chaque année pour chaque prestataire de service un document qu'il remet au prestataire de service concerné et à l'administration compétente et qui mentionne au moins l'identité du prestataire de service, la description des services rendus, le montant des indemnités et le montant et la nature des sommes retenues. Le Roi détermine le contenu du document, le délai dans lequel il doit être remis, ainsi que la manière de le remettre à l'administration compétente.
Lorsque le prestataire de service visé à l'alinéa 1er, 1° bis, demande une indemnité globale aussi bien pour des services qui génèrent des revenus soumis à l'impôt conformément aux articles 7 ou 17 ou à l'alinéa 1er, 5°, que pour des services qui génèrent des revenus soumis à l'impôt conformément à l'alinéa 1er, 1° bis, et lorsque la convention ne prévoit pas de prix distinct pour ces derniers services, 20 p.c. de l'indemnité globale est censé se rapporter à ces derniers services.".
Art. 37. In hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 97/1 ingevoegd, luidende :
"Art. 97/1. De in artikel 90, eerste lid, 1° bis, vermelde inkomsten worden naar het netto bedrag ervan in aanmerking genomen, dit is het bruto bedrag verminderd met 50 pct. forfaitaire kosten.
Het bruto bedrag omvat het bedrag dat door of door tussenkomst van het platform daadwerkelijk is betaald of toegekend, verhoogd met alle sommen die door het platform of door tussenkomst van het platform zijn ingehouden.".
"Art. 97/1. De in artikel 90, eerste lid, 1° bis, vermelde inkomsten worden naar het netto bedrag ervan in aanmerking genomen, dit is het bruto bedrag verminderd met 50 pct. forfaitaire kosten.
Het bruto bedrag omvat het bedrag dat door of door tussenkomst van het platform daadwerkelijk is betaald of toegekend, verhoogd met alle sommen die door het platform of door tussenkomst van het platform zijn ingehouden.".
Art. 37. Dans le même Code, il est inséré un article 97/1, rédigé comme suit :
"Art. 97/1. Les revenus visés à l'article 90, alinéa 1er, 1° bis, s'entendent de leur montant net, c'est-à-dire le montant brut diminué de 50 p.c. de frais forfaitaires.
Le montant brut comprend le montant qui a effectivement été payé ou attribué par la plateforme ou par l'intermédiaire de la plateforme, majoré de toutes les sommes qui ont été retenues par la plateforme ou par l'intermédiaire de la plateforme.".
"Art. 97/1. Les revenus visés à l'article 90, alinéa 1er, 1° bis, s'entendent de leur montant net, c'est-à-dire le montant brut diminué de 50 p.c. de frais forfaitaires.
Le montant brut comprend le montant qui a effectivement été payé ou attribué par la plateforme ou par l'intermédiaire de la plateforme, majoré de toutes les sommes qui ont été retenues par la plateforme ou par l'intermédiaire de la plateforme.".
Art. 38. In artikel 171 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 26 december 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in de bepaling onder 1°, d, worden de woorden "2° quater, 3° bis en 4°, f," vervangen door de woorden "2° quater, 3° bis, b, en 4°, f,";
2° de bepaling onder 3° bis wordt vervangen als volgt :
"3° bis tegen een aanslagvoet van 20 pct;
- de in artikel 90, eerste lid, 1° bis, vermelde diverse inkomsten;
- kapitalen en afkoopwaarden als vermeld in 4°, f, in zover het kapitalen betreft die door werkgeversbijdragen of bijdragen van de onderneming zijn gevormd en bij leven worden uitgekeerd :
- aan de werknemer of de bedrijfsleider op de leeftijd van 60 jaar;
- aan de werknemer naar aanleiding van de pensionering als bedoeld in artikel 27, § 3, van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake Sociale Zekerheid, vóór het bereiken van de leeftijd van 61 jaar;";
3° in de bepaling onder 4°, f, vierde streepje, worden de woorden "in 3° bis, tweede streepje" vervangen door de woorden "in 3° bis, b, tweede streepje".
1° in de bepaling onder 1°, d, worden de woorden "2° quater, 3° bis en 4°, f," vervangen door de woorden "2° quater, 3° bis, b, en 4°, f,";
2° de bepaling onder 3° bis wordt vervangen als volgt :
"3° bis tegen een aanslagvoet van 20 pct;
- de in artikel 90, eerste lid, 1° bis, vermelde diverse inkomsten;
- kapitalen en afkoopwaarden als vermeld in 4°, f, in zover het kapitalen betreft die door werkgeversbijdragen of bijdragen van de onderneming zijn gevormd en bij leven worden uitgekeerd :
- aan de werknemer of de bedrijfsleider op de leeftijd van 60 jaar;
- aan de werknemer naar aanleiding van de pensionering als bedoeld in artikel 27, § 3, van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake Sociale Zekerheid, vóór het bereiken van de leeftijd van 61 jaar;";
3° in de bepaling onder 4°, f, vierde streepje, worden de woorden "in 3° bis, tweede streepje" vervangen door de woorden "in 3° bis, b, tweede streepje".
Art. 38. Dans l'article 171 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 26 décembre 2015, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le 1°, d, les mots "2° quater, 3° bis et 4°, f," sont remplacés par les mots "2° quater, 3° bis, b, et 4°, f,";
2° le 3° bis est remplacé par ce qui suit :
"3° bis au taux de 20 p.c. :
- les revenus divers visés à l'article 90, alinéa 1er, 1° bis;
- les capitaux et valeurs de rachat visés au 4°, f, dans la mesure où il s'agit de capitaux constitués au moyen de cotisations de l'employeur ou de l'entreprise et liquidés en cas de vie :
- au travailleur ou au dirigeant d'entreprise à l'âge de 60 ans;
- au travailleur à l'occasion de la mise à la retraite visée à l'article 27, § 3, de la loi du 28 avril 2003 relative aux pensions complémentaires et au régime fiscal de celles-ci et de certains avantages complémentaires en matière de Sécurité sociale, avant d'atteindre l'âge de 61 ans;";
3° dans le 4°, f, quatrième tiret, les mots "au 3° bis, deuxième tiret" sont remplacés par les mots "au 3° bis, b, deuxième tiret".
1° dans le 1°, d, les mots "2° quater, 3° bis et 4°, f," sont remplacés par les mots "2° quater, 3° bis, b, et 4°, f,";
2° le 3° bis est remplacé par ce qui suit :
"3° bis au taux de 20 p.c. :
- les revenus divers visés à l'article 90, alinéa 1er, 1° bis;
- les capitaux et valeurs de rachat visés au 4°, f, dans la mesure où il s'agit de capitaux constitués au moyen de cotisations de l'employeur ou de l'entreprise et liquidés en cas de vie :
- au travailleur ou au dirigeant d'entreprise à l'âge de 60 ans;
- au travailleur à l'occasion de la mise à la retraite visée à l'article 27, § 3, de la loi du 28 avril 2003 relative aux pensions complémentaires et au régime fiscal de celles-ci et de certains avantages complémentaires en matière de Sécurité sociale, avant d'atteindre l'âge de 61 ans;";
3° dans le 4°, f, quatrième tiret, les mots "au 3° bis, deuxième tiret" sont remplacés par les mots "au 3° bis, b, deuxième tiret".
Art. 39. De artikelen 35 tot 38 zijn van toepassing op de inkomsten die worden betaald of toegekend vanaf 1 juli 2016.
Voor het inkomstenjaar 2016 wordt in artikel 37bis, § 2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 het bedrag van 3 255 euro vervangen door het bedrag van 1 627,50 euro.
Voor het inkomstenjaar 2016 wordt in artikel 37bis, § 2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 het bedrag van 3 255 euro vervangen door het bedrag van 1 627,50 euro.
Art. 39. Les articles 35 à 38 sont applicables aux revenus qui sont payés ou attribués à partir du 1er juillet 2016.
Pour l'année de revenus 2016, le montant de 3 255 euros est remplacé par le montant de 1 627,50 euros dans l'article 37bis, § 2, du Code des impôts sur les revenus 1992.
Pour l'année de revenus 2016, le montant de 3 255 euros est remplacé par le montant de 1 627,50 euros dans l'article 37bis, § 2, du Code des impôts sur les revenus 1992.
Afdeling 2. - Belasting over de toegevoegde waarde
Section 2. - Taxe sur la valeur ajoutée
Art. 40. Artikel 50 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, vervangen bij de wet van 26 december 2014 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 19 december 2015, wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende :
" § 4. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, 1°, kent de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde geen btw-identificatienummer toe aan de belastingplichtige natuurlijke personen op wie de in artikel 56bis bedoelde regeling van toepassing is en die uitsluitend diensten verrichten, wanneer de volgende voorwaarden vervuld zijn :
1° de plaats van de diensten is in België;
2° de diensten worden verricht voor andere doeleinden dan die van de economische activiteit van de belastingplichtige;
3° de diensten worden uitsluitend verricht voor natuurlijke personen die ze bestemmen voor hun privé-gebruik of dat van andere personen;
4° de diensten worden uitsluitend verricht in het kader van overeenkomsten die tot stand zijn gebracht door tussenkomst van een door de Koning erkend elektronisch platform krachtens artikel 90, eerste lid, 1° bis, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 of een platform dat door een overheid wordt georganiseerd;
5° de vergoedingen met betrekking tot de diensten worden enkel door het in de bepaling onder 4° bedoelde platform of door tussenkomst van dat platform aan de dienstverrichter betaald of toegekend;
6° de omzet die bestaat uit de vergoedingen bedoeld in de bepaling onder 5°, met inbegrip van alle sommen die door dat platform of door tussenkomst van dat platform zijn ingehouden, bedraagt per kalenderjaar niet meer dan 3 255 euro, geïndexeerd overeenkomstig artikel 178, § 1 en § 3, eerste lid, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.".
" § 4. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, 1°, kent de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde geen btw-identificatienummer toe aan de belastingplichtige natuurlijke personen op wie de in artikel 56bis bedoelde regeling van toepassing is en die uitsluitend diensten verrichten, wanneer de volgende voorwaarden vervuld zijn :
1° de plaats van de diensten is in België;
2° de diensten worden verricht voor andere doeleinden dan die van de economische activiteit van de belastingplichtige;
3° de diensten worden uitsluitend verricht voor natuurlijke personen die ze bestemmen voor hun privé-gebruik of dat van andere personen;
4° de diensten worden uitsluitend verricht in het kader van overeenkomsten die tot stand zijn gebracht door tussenkomst van een door de Koning erkend elektronisch platform krachtens artikel 90, eerste lid, 1° bis, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 of een platform dat door een overheid wordt georganiseerd;
5° de vergoedingen met betrekking tot de diensten worden enkel door het in de bepaling onder 4° bedoelde platform of door tussenkomst van dat platform aan de dienstverrichter betaald of toegekend;
6° de omzet die bestaat uit de vergoedingen bedoeld in de bepaling onder 5°, met inbegrip van alle sommen die door dat platform of door tussenkomst van dat platform zijn ingehouden, bedraagt per kalenderjaar niet meer dan 3 255 euro, geïndexeerd overeenkomstig artikel 178, § 1 en § 3, eerste lid, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.".
Art. 40. L'article 50 du Code de la taxe sur la valeur ajoutée, remplacé par la loi du 26 décembre 2014 et modifié en dernier par la loi du 19 décembre 2015, est complété par le paragraphe 4 rédigé comme suit :
" § 4. Par dérogation au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, l'administration en charge de la taxe sur la valeur ajoutée n'attribue pas de numéro d'identification à la T.V.A. aux personnes physiques assujetties, qui bénéficient du régime visé à l'article 56bis et qui effectuent exclusivement des prestations de services lorsque les conditions suivantes sont réunies :
1° le lieu des prestations de services est situé en Belgique;
2° les prestations de services sont effectuées à des fins étrangères à l'activité économique de l'assujetti;
3° les prestations de services sont exclusivement effectuées pour des personnes physiques qui les destinent à leur usage privé ou celui d'autres personnes;
4° les prestations de services sont uniquement effectuées dans le cadre de conventions qui ont été conclues par l'intermédiaire d'une plateforme électronique agréée par le Roi en vertu de l'article 90, alinéa 1er, 1° bis, alinéa 2, du Code des impôts sur les revenus 1992 ou d'une plateforme qui est organisée par une autorité publique;
5° les indemnités afférentes aux prestations de services sont uniquement payées ou attribuées au prestataire de services par la plateforme visée au 4° ou par l'intermédiaire de cette plateforme;
6° le chiffre d'affaires constitué des indemnités visées au 5°, y compris toutes les sommes qui ont été retenues par la plateforme ou par l'intermédiaire de cette plateforme, n'excède pas 3 255 euros, indexé conformément à l'article 178, § 1er et § 3, alinéa 1er, 2°, du Code des impôts sur les revenus 1992, par année calendrier.".
" § 4. Par dérogation au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, l'administration en charge de la taxe sur la valeur ajoutée n'attribue pas de numéro d'identification à la T.V.A. aux personnes physiques assujetties, qui bénéficient du régime visé à l'article 56bis et qui effectuent exclusivement des prestations de services lorsque les conditions suivantes sont réunies :
1° le lieu des prestations de services est situé en Belgique;
2° les prestations de services sont effectuées à des fins étrangères à l'activité économique de l'assujetti;
3° les prestations de services sont exclusivement effectuées pour des personnes physiques qui les destinent à leur usage privé ou celui d'autres personnes;
4° les prestations de services sont uniquement effectuées dans le cadre de conventions qui ont été conclues par l'intermédiaire d'une plateforme électronique agréée par le Roi en vertu de l'article 90, alinéa 1er, 1° bis, alinéa 2, du Code des impôts sur les revenus 1992 ou d'une plateforme qui est organisée par une autorité publique;
5° les indemnités afférentes aux prestations de services sont uniquement payées ou attribuées au prestataire de services par la plateforme visée au 4° ou par l'intermédiaire de cette plateforme;
6° le chiffre d'affaires constitué des indemnités visées au 5°, y compris toutes les sommes qui ont été retenues par la plateforme ou par l'intermédiaire de cette plateforme, n'excède pas 3 255 euros, indexé conformément à l'article 178, § 1er et § 3, alinéa 1er, 2°, du Code des impôts sur les revenus 1992, par année calendrier.".
Art. 41. Artikel 53quinquies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 december 1992, vervangen bij de wet van 26 november 2009 en gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, wordt aangevuld met een lid, luidende :
"De belastingplichtige op wie de in artikel 56bis bedoelde regeling van toepassing is en die geen enkele van de in het eerste lid bedoelde handelingen verricht, is niet gehouden de voornoemde administratie hiervan in kennis te stellen.".
"De belastingplichtige op wie de in artikel 56bis bedoelde regeling van toepassing is en die geen enkele van de in het eerste lid bedoelde handelingen verricht, is niet gehouden de voornoemde administratie hiervan in kennis te stellen.".
Art. 41. L'article 53quinquies du même Code, inséré par la loi du 28 décembre 1992, remplacé par la loi du 26 novembre 2009 et modifié par la loi du 25 avril 2014, est complété par un alinéa rédigé comme suit :
"L'assujetti qui bénéficie du régime visé à l'article 56bis et qui n'effectue aucune des opérations visées à l'alinéa 1er, n'est pas tenu d'en informer l'administration précitée.".
"L'assujetti qui bénéficie du régime visé à l'article 56bis et qui n'effectue aucune des opérations visées à l'alinéa 1er, n'est pas tenu d'en informer l'administration précitée.".
Art. 42. Artikel 56bis, § 2, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 15 mei 2014 en gewijzigd bij de wet van 6 december 2015, wordt aangevuld met een derde lid, luidende :
"De uitsluiting bedoeld in het tweede lid, 1°, is niet van toepassing voor de diensten verricht door belastingplichtige natuurlijke personen onder de voorwaarden bedoeld in artikel 50, § 4.".
"De uitsluiting bedoeld in het tweede lid, 1°, is niet van toepassing voor de diensten verricht door belastingplichtige natuurlijke personen onder de voorwaarden bedoeld in artikel 50, § 4.".
Art. 42. L'article 56bis, § 2, du même Code, inséré par la loi du 15 mai 2014 et modifié par la loi du 6 décembre 2015, est complété par un alinéa 3 rédigé comme suit :
"L'exclusion visée à l'alinéa 2, 1°, n'est pas applicable pour les prestations de services effectuées par des personnes physiques assujetties dans les conditions visées à l'article 50, § 4.".
"L'exclusion visée à l'alinéa 2, 1°, n'est pas applicable pour les prestations de services effectuées par des personnes physiques assujetties dans les conditions visées à l'article 50, § 4.".
Art. 43. Deze afdeling treedt in werking op 1 juli 2016.
Art. 43. La présente section entre en vigueur le 1er juillet 2016.
HOOFDSTUK 3. - Vestiging en invordering van de belastingen
CHAPITRE 3. - Etablissement et recouvrement des impôts
Afdeling 1. - Inkomstenbelastingen
Section 1re. - Impôts sur les revenus
Art. 44. In artikel 307, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 26 december 2015 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in de inleidende zin van het vijfde lid worden de woorden "aan personen gevestigd in een Staat" vervangen door de woorden "aan personen of vaste inrichtingen gevestigd of gelegen in een Staat, of aan bankrekeningen die worden beheerd door of aangehouden bij één van deze personen of vaste inrichtingen in een Staat, of aan bankrekeningen die worden beheerd door of aangehouden bij kredietinstellingen gevestigd of met een vaste inrichting in een Staat";
2° in het vijfde lid wordt de bepaling onder a) vervangen als volgt :
"a) ofwel op het ogenblik waarop de betaling heeft plaatsgevonden, door het Mondiaal Forum inzake transparantie en uitwisseling van inlichtingen in belastingaangelegenheden, werd aangemerkt als een Staat die niet effectief of substantieel de standaard op het gebied van de uitwisseling van inlichtingen op verzoek toepast;";
3° het zesde lid wordt vervangen als volgt :
"Voor de toepassing van het vijfde lid wordt onder Staat verstaan, een door de meerderheid van de leden van de Verenigde Naties erkende onafhankelijke Staat of een deel van deze Staat dat op autonome wijze bevoegd is om de grondslag of het tarief van de vennootschapsbelasting, geheel of gedeeltelijk, te bepalen en wordt onder een Staat zonder of met een lage belasting verstaan een Staat die geen deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte en :
- die geen vennootschapsbelasting heft, op inkomsten van binnenlandse oorsprong of van buitenlandse oorsprong of;
- waarvan het nominale tarief van de vennootschapsbelasting lager is dan 10 pct. of;
- waarvan het tarief van de vennootschapsbelasting dat met de werkelijke belastingdruk op inkomsten van buitenlandse oorsprong overeenstemt lager is dan 15 pct.".
1° in de inleidende zin van het vijfde lid worden de woorden "aan personen gevestigd in een Staat" vervangen door de woorden "aan personen of vaste inrichtingen gevestigd of gelegen in een Staat, of aan bankrekeningen die worden beheerd door of aangehouden bij één van deze personen of vaste inrichtingen in een Staat, of aan bankrekeningen die worden beheerd door of aangehouden bij kredietinstellingen gevestigd of met een vaste inrichting in een Staat";
2° in het vijfde lid wordt de bepaling onder a) vervangen als volgt :
"a) ofwel op het ogenblik waarop de betaling heeft plaatsgevonden, door het Mondiaal Forum inzake transparantie en uitwisseling van inlichtingen in belastingaangelegenheden, werd aangemerkt als een Staat die niet effectief of substantieel de standaard op het gebied van de uitwisseling van inlichtingen op verzoek toepast;";
3° het zesde lid wordt vervangen als volgt :
"Voor de toepassing van het vijfde lid wordt onder Staat verstaan, een door de meerderheid van de leden van de Verenigde Naties erkende onafhankelijke Staat of een deel van deze Staat dat op autonome wijze bevoegd is om de grondslag of het tarief van de vennootschapsbelasting, geheel of gedeeltelijk, te bepalen en wordt onder een Staat zonder of met een lage belasting verstaan een Staat die geen deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte en :
- die geen vennootschapsbelasting heft, op inkomsten van binnenlandse oorsprong of van buitenlandse oorsprong of;
- waarvan het nominale tarief van de vennootschapsbelasting lager is dan 10 pct. of;
- waarvan het tarief van de vennootschapsbelasting dat met de werkelijke belastingdruk op inkomsten van buitenlandse oorsprong overeenstemt lager is dan 15 pct.".
Art. 44. A l'article 307, § 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992, modifié en dernier lieu par la loi du 26 décembre 2015, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans la phrase liminaire de l'alinéa 5, les mots "à des personnes établies dans un Etat" sont remplacés par les mots "à des personnes ou des établissements stables qui sont établis dans un Etat, sur des comptes bancaires qui sont gérés ou détenus par une de ces personnes ou établissements stables, ou sur des comptes bancaires qui sont gérés ou détenus auprès d'établissements de crédit établis ou avec établissement stable dans un Etat";
2° dans l'alinéa 5, le a) est remplacé par ce qui suit :
"a) soit au moment où le paiement a eu lieu, est considéré par le Forum mondial sur la transparence et l'échange de renseignements à des fins fiscales, comme un Etat n'ayant pas mis effectivement ou substantiellement en oeuvre le standard sur l'échange de renseignements sur demande;";
3° l'alinéa 6 est remplacé par ce qui suit :
"Pour l'application de l'alinéa 5, on entend par Etat, un Etat indépendant qui est reconnu par la majorité des membres des Nations Unies, ou une partie de cet Etat qui est compétente de façon autonome sur le plan de la détermination de la base imposable ou du taux d'imposition de l'impôt des sociétés, global ou partiel, et on entend par un Etat à fiscalité inexistante ou peu élevée, un Etat qui ne fait pas partie de l'Espace économique européen et :
- qui ne soumet pas les sociétés à un impôt des sociétés sur les revenues d'origine domestique ou d'origine étrangère, soit;
- dont le taux nominal de l'impôt des sociétés est inférieur à 10 p.c. ou;
- dont le taux de l'impôt des sociétés correspondant à la charge fiscale effective sur les revenus d'origine étrangère est inférieur à 15 p.c.".
1° dans la phrase liminaire de l'alinéa 5, les mots "à des personnes établies dans un Etat" sont remplacés par les mots "à des personnes ou des établissements stables qui sont établis dans un Etat, sur des comptes bancaires qui sont gérés ou détenus par une de ces personnes ou établissements stables, ou sur des comptes bancaires qui sont gérés ou détenus auprès d'établissements de crédit établis ou avec établissement stable dans un Etat";
2° dans l'alinéa 5, le a) est remplacé par ce qui suit :
"a) soit au moment où le paiement a eu lieu, est considéré par le Forum mondial sur la transparence et l'échange de renseignements à des fins fiscales, comme un Etat n'ayant pas mis effectivement ou substantiellement en oeuvre le standard sur l'échange de renseignements sur demande;";
3° l'alinéa 6 est remplacé par ce qui suit :
"Pour l'application de l'alinéa 5, on entend par Etat, un Etat indépendant qui est reconnu par la majorité des membres des Nations Unies, ou une partie de cet Etat qui est compétente de façon autonome sur le plan de la détermination de la base imposable ou du taux d'imposition de l'impôt des sociétés, global ou partiel, et on entend par un Etat à fiscalité inexistante ou peu élevée, un Etat qui ne fait pas partie de l'Espace économique européen et :
- qui ne soumet pas les sociétés à un impôt des sociétés sur les revenues d'origine domestique ou d'origine étrangère, soit;
- dont le taux nominal de l'impôt des sociétés est inférieur à 10 p.c. ou;
- dont le taux de l'impôt des sociétés correspondant à la charge fiscale effective sur les revenus d'origine étrangère est inférieur à 15 p.c.".
Art. 45. In artikel 315bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd bij de wet van 6 juli 1994 en gewijzigd door de wet van 22 december 2008 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden "een computersysteem" vervangen door "een informaticasysteem of elk ander elektronisch apparaat";
2° in het vierde lid wordt het woord "computersystemen" vervangen door de woorden "informaticasystemen of elk ander elektronisch apparaat";
3° er wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende :
"De in dit artikel vermelde verplichtingen gelden eveneens wanneer de gegevens waar de administratie om verzoekt, zich digitaal in België of in het buitenland bevinden.".
1° in het eerste lid worden de woorden "een computersysteem" vervangen door "een informaticasysteem of elk ander elektronisch apparaat";
2° in het vierde lid wordt het woord "computersystemen" vervangen door de woorden "informaticasystemen of elk ander elektronisch apparaat";
3° er wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende :
"De in dit artikel vermelde verplichtingen gelden eveneens wanneer de gegevens waar de administratie om verzoekt, zich digitaal in België of in het buitenland bevinden.".
Art. 45. Dans l'article 315bis du Code des impôts sur les revenus 1992, inséré par la loi du 6 juillet 1994 et modifié par la loi du 22 décembre 2008, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 1er, les mots "à un système informatisé" sont remplacés par les mots "à un système informatisé ou à tout autre appareil électronique"; "
2° dans l'alinéa 4, les mots "de systèmes informatisés" sont remplacés par les mots "de systèmes informatisés ou de tout autre appareil électronique";
3° l'article 315bis est complété par l'alinéa suivant :
"Les obligations du présent article sont également d'application lorsque les données requises par l'administration sont situées digitalement en Belgique ou à l'étranger.".
1° dans l'alinéa 1er, les mots "à un système informatisé" sont remplacés par les mots "à un système informatisé ou à tout autre appareil électronique"; "
2° dans l'alinéa 4, les mots "de systèmes informatisés" sont remplacés par les mots "de systèmes informatisés ou de tout autre appareil électronique";
3° l'article 315bis est complété par l'alinéa suivant :
"Les obligations du présent article sont également d'application lorsque les données requises par l'administration sont situées digitalement en Belgique ou à l'étranger.".
Art. 46. In artikel 323bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 6 juli 1994, wordt het woord "computersystemen" vervangen door de woorden "informaticasystemen of elk ander elektronisch apparaat".
Art. 46. Dans l'article 323bis du même Code, inséré par la loi du 6 juillet 1994, les mots "de systèmes informatisés" sont remplacés par les mots "de systèmes informatisés ou de tout autre appareil électronique" .
Art. 47. In titel VII, hoofdstuk III, afdeling IV van hetzelfde Wetboek wordt een artikel 333/2 ingevoegd, luidende :
"Art. 333/2. Onverminderd de toepassing van artikel 333, kan de administratie binnen de aanslagtermijn van artikel 358, § 3, de in dit hoofdstuk bedoelde onderzoekingen verrichten voor de in artikel 358, § 1, 2°, vermelde jaren.".
"Art. 333/2. Onverminderd de toepassing van artikel 333, kan de administratie binnen de aanslagtermijn van artikel 358, § 3, de in dit hoofdstuk bedoelde onderzoekingen verrichten voor de in artikel 358, § 1, 2°, vermelde jaren.".
Art. 47. Dans le titre VII, chapitre III, section IV du même Code, il est inséré un article 333/2 rédigé comme suit :
"Art. 333/2. Sans préjudice de l'application de l'article 333, l'administration peut procéder aux investigations visées au présent chapitre dans le délai d'imposition de l'article 358, § 3, pour les années mentionnées dans l'article 358, § 1er, 2°. ".
"Art. 333/2. Sans préjudice de l'application de l'article 333, l'administration peut procéder aux investigations visées au présent chapitre dans le délai d'imposition de l'article 358, § 3, pour les années mentionnées dans l'article 358, § 1er, 2°. ".
Art. 48. In artikel 358 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 juli 2006 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1, wordt de bepaling onder 2° vervangen als volgt :
"2° ofwel het bekomen van inlichtingen uit het buitenland, waarvoor een rechtsgrond bestaat die het uitwisselen van inlichtingen regelt in verband met een belasting waarop die rechtsgrond van toepassing is, ofwel het in artikel 333/2 bedoelde onderzoek ten gevolge van het bekomen van dergelijke inlichtingen uitwijst dat belastbare inkomsten in België niet werden aangegeven :
a) in de loop van één der vijf jaren vóór het jaar waarin de inlichtingen ter kennis van de Belgische administratie werden gebracht;
b) ingeval van bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, in de loop van één der zeven jaren vóór het jaar waarin de inlichtingen ter kennis van de Belgische administratie werden gebracht;";
2° in paragraaf 3 worden de woorden " de resultaten van de controle of het onderzoek bedoeld in § 1, 2°. " vervangen door de woorden "de inlichtingen bedoeld in § 1, 2°. ".
1° in paragraaf 1, wordt de bepaling onder 2° vervangen als volgt :
"2° ofwel het bekomen van inlichtingen uit het buitenland, waarvoor een rechtsgrond bestaat die het uitwisselen van inlichtingen regelt in verband met een belasting waarop die rechtsgrond van toepassing is, ofwel het in artikel 333/2 bedoelde onderzoek ten gevolge van het bekomen van dergelijke inlichtingen uitwijst dat belastbare inkomsten in België niet werden aangegeven :
a) in de loop van één der vijf jaren vóór het jaar waarin de inlichtingen ter kennis van de Belgische administratie werden gebracht;
b) ingeval van bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, in de loop van één der zeven jaren vóór het jaar waarin de inlichtingen ter kennis van de Belgische administratie werden gebracht;";
2° in paragraaf 3 worden de woorden " de resultaten van de controle of het onderzoek bedoeld in § 1, 2°. " vervangen door de woorden "de inlichtingen bedoeld in § 1, 2°. ".
Art. 48. Dans l'article 358 du même Code, dernièrement modifié en dernier lieu par la loi du 20 juillet 2006, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, le 2°, est remplacé par ce qui suit :
"2° soit l'obtention d'informations de l'étranger, pour lequel un fondement juridique existe qui règle les échanges d'informations et sur lequel ce fondement juridique se rapportant à un impôt est d'application, soit le contrôle visé à l'article 333/2 suite à l'obtention de telles informations fait apparaître que des revenus imposables n'ont pas été déclarés en Belgique :
a) au cours d'une des cinq années qui précèdent celle pendant laquelle les informations sont venues à la connaissance de l'administration belge;
b) en cas d'intention frauduleuse ou à dessein de nuire, au cours d'une des sept années qui précèdent celle pendant laquelle les informations sont venues à la connaissance de l'administration belge;";
2° dans le paragraphe 3, les mots "les résultats du contrôle ou de l'enquête visés au § 1er, 2°. " sont remplacés par les mots "les informations visées au § 1er, 2°. ".
1° dans le paragraphe 1er, le 2°, est remplacé par ce qui suit :
"2° soit l'obtention d'informations de l'étranger, pour lequel un fondement juridique existe qui règle les échanges d'informations et sur lequel ce fondement juridique se rapportant à un impôt est d'application, soit le contrôle visé à l'article 333/2 suite à l'obtention de telles informations fait apparaître que des revenus imposables n'ont pas été déclarés en Belgique :
a) au cours d'une des cinq années qui précèdent celle pendant laquelle les informations sont venues à la connaissance de l'administration belge;
b) en cas d'intention frauduleuse ou à dessein de nuire, au cours d'une des sept années qui précèdent celle pendant laquelle les informations sont venues à la connaissance de l'administration belge;";
2° dans le paragraphe 3, les mots "les résultats du contrôle ou de l'enquête visés au § 1er, 2°. " sont remplacés par les mots "les informations visées au § 1er, 2°. ".
Art. 49. Artikel 445 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 10 maart 2016 waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met een paragraaf 2, luidende :
" § 2. In afwijking van § 1, eerste lid, legt de door de bevoegde adviseur-generaal gemachtigde ambtenaar een geldboete op van 6 250 EUR wanneer niet voldaan is aan de in artikel 307, § 1, vierde, negende en tiende lid, bedoelde verplichting.
De voormelde geldboete wordt opgelegd per jaar en per niet gemelde juridische constructie.".
" § 2. In afwijking van § 1, eerste lid, legt de door de bevoegde adviseur-generaal gemachtigde ambtenaar een geldboete op van 6 250 EUR wanneer niet voldaan is aan de in artikel 307, § 1, vierde, negende en tiende lid, bedoelde verplichting.
De voormelde geldboete wordt opgelegd per jaar en per niet gemelde juridische constructie.".
Art. 49. L'article 445 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 10 mars 2016, dont le texte actuel formera le paragraphe 1er, est complété par un paragraphe 2 rédigé comme suit :
" § 2. Par dérogation au § 1er, alinéa 1er, le fonctionnaire délégué par le conseiller général applique une amende de 6 250 EUR en cas de non-respect de l'obligation prévue à l'article 307, § 1er, alinéas 4, 9 et 10.
L'amende précitée est appliquée par année et par construction juridique non mentionnée.".
" § 2. Par dérogation au § 1er, alinéa 1er, le fonctionnaire délégué par le conseiller général applique une amende de 6 250 EUR en cas de non-respect de l'obligation prévue à l'article 307, § 1er, alinéas 4, 9 et 10.
L'amende précitée est appliquée par année et par construction juridique non mentionnée.".
Art. 50. Artikel 49 treedt in werking op de dag van de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad.
Art. 50. L'article 49 entre en vigueur le jour de la publication de la présente loi au Moniteur belge.
Afdeling 2. - Belasting over de toegevoegde waarde
Section 2. - Taxe sur la valeur ajoutée
Onderafdeling 1. - Cloud Computing
Sous-section 1re. - Cloud Computing
Art. 51. Artikel 61 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde vervangen bij de wet van 17 december 2012 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, wordt aangevuld met een paragraaf 3, luidende :
" § 3. De in dit artikel vermelde verplichtingen gelden eveneens wanneer de gegevens waar de administratie om verzoekt, zich digitaal in België of in het buitenland bevinden.".
" § 3. De in dit artikel vermelde verplichtingen gelden eveneens wanneer de gegevens waar de administratie om verzoekt, zich digitaal in België of in het buitenland bevinden.".
Art. 51. L'article 61 du Code de la taxe sur la valeur ajoutée, remplacé par la loi du 17 décembre 2012 et modifié en dernier lieu par la loi du 25 avril 2014 est complété par un paragraphe 3 rédigé comme suit :
" § 3. Les obligations mentionnées au présent article sont également d'application lorsque les données requises par l'administration sont situées digitalement en Belgique ou à l'étranger.".
" § 3. Les obligations mentionnées au présent article sont également d'application lorsque les données requises par l'administration sont situées digitalement en Belgique ou à l'étranger.".
Onderafdeling 2. - Uitbreiding rechtsgronden bij het verkrijgen van buitenlandse inlichtingen voor de toepassing van de verjaringstermijn
Sous-section 2. - Extension des fondements juridiques en cas de réception d'informations de l'étranger pour l'application du délai de prescription
Art. 52. In artikel 81bis, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 15 maart 1999 en vervangen bij de wet van 22 december 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) in het tweede lid wordt de bepaling onder 1° vervangen als volgt :
"1° een inlichting, een onderzoek of een controle aantoont dat belastbare handelingen niet werden aangegeven in België, dat er handelingen ten onrechte werden vrijgesteld of dat er onrechtmachtige belastingaftrekken werden toegepast en de inlichting werd meegedeeld of verzocht of het onderzoek of de controle werd uitgevoerd of verzocht door, hetzij een andere lidstaat van de Europese Unie, overeenkomstig de regels daartoe bepaald in dit Wetboek of in de regelgeving van deze Unie, hetzij een bevoegde overheid van enig ander land waarmee België een overeenkomst heeft gesloten tot het vermijden van dubbele belasting of waarvoor een rechtsgrond bestaat die het uitwisselen van inlichtingen regelt, in verband met de belasting waarop die overeenkomst of die rechtsgrond van toepassing is;";
b) paragraaf 1 wordt aangevuld met een derde lid, luidende :
"Voor de toepassing van het tweede lid mag de ontvangst van de inlichting afkomstig van het buitenland, de rechtsvordering, de kennisname van de bewijskrachtige elementen of van de aanwijzingen van belastingontduiking, respectievelijk bedoeld onder 1° tot 4° van dat lid zowel voor als na het verstrijken van de verjaringstermijn bedoeld in het eerste lid plaatsvinden.".
a) in het tweede lid wordt de bepaling onder 1° vervangen als volgt :
"1° een inlichting, een onderzoek of een controle aantoont dat belastbare handelingen niet werden aangegeven in België, dat er handelingen ten onrechte werden vrijgesteld of dat er onrechtmachtige belastingaftrekken werden toegepast en de inlichting werd meegedeeld of verzocht of het onderzoek of de controle werd uitgevoerd of verzocht door, hetzij een andere lidstaat van de Europese Unie, overeenkomstig de regels daartoe bepaald in dit Wetboek of in de regelgeving van deze Unie, hetzij een bevoegde overheid van enig ander land waarmee België een overeenkomst heeft gesloten tot het vermijden van dubbele belasting of waarvoor een rechtsgrond bestaat die het uitwisselen van inlichtingen regelt, in verband met de belasting waarop die overeenkomst of die rechtsgrond van toepassing is;";
b) paragraaf 1 wordt aangevuld met een derde lid, luidende :
"Voor de toepassing van het tweede lid mag de ontvangst van de inlichting afkomstig van het buitenland, de rechtsvordering, de kennisname van de bewijskrachtige elementen of van de aanwijzingen van belastingontduiking, respectievelijk bedoeld onder 1° tot 4° van dat lid zowel voor als na het verstrijken van de verjaringstermijn bedoeld in het eerste lid plaatsvinden.".
Art. 52. A l'article 81bis, § 1er, du même Code, inséré par la loi du 15 mars 1999 et remplacé par la loi du 22 décembre 2008, les modifications suivantes sont apportées :
a) dans l'alinéa 2, le 1° est remplacé par ce qui suit :
"1° un renseignement, une enquête ou un contrôle, communiqués, effectués ou requis soit par un autre Etat membre de l'Union européenne selon les règles établies en la matière par le présent Code ou par la législation de cette Union, soit par une autorité compétente de tout pays avec lequel la Belgique a conclu une convention préventive de la double imposition ou pour lequel un fondement juridique existe qui règle les échanges de renseignements et se rapportant à l'impôt visé par cette convention ou ce fondement juridique, font apparaître que des opérations imposables n'ont pas été déclarées en Belgique, que des opérations y ont été exemptées à tort ou que des déductions de la taxe y ont été opérées à tort;";
b) le paragraphe 1er est complété par un alinéa 3 rédigé comme suit :
"Pour l'application de l'alinéa 2, la réception du renseignement venant de l'étranger, l'action judiciaire, la prise de connaissance des éléments probants ou des indices de fraude fiscale, visées respectivement aux 1° à 4° de cet alinéa, peuvent intervenir tant avant qu'après l'expiration du délai de prescription visé à l'alinéa 1er.".
a) dans l'alinéa 2, le 1° est remplacé par ce qui suit :
"1° un renseignement, une enquête ou un contrôle, communiqués, effectués ou requis soit par un autre Etat membre de l'Union européenne selon les règles établies en la matière par le présent Code ou par la législation de cette Union, soit par une autorité compétente de tout pays avec lequel la Belgique a conclu une convention préventive de la double imposition ou pour lequel un fondement juridique existe qui règle les échanges de renseignements et se rapportant à l'impôt visé par cette convention ou ce fondement juridique, font apparaître que des opérations imposables n'ont pas été déclarées en Belgique, que des opérations y ont été exemptées à tort ou que des déductions de la taxe y ont été opérées à tort;";
b) le paragraphe 1er est complété par un alinéa 3 rédigé comme suit :
"Pour l'application de l'alinéa 2, la réception du renseignement venant de l'étranger, l'action judiciaire, la prise de connaissance des éléments probants ou des indices de fraude fiscale, visées respectivement aux 1° à 4° de cet alinéa, peuvent intervenir tant avant qu'après l'expiration du délai de prescription visé à l'alinéa 1er.".
Afdeling 3. - Verrekenprijzen
Section 3. - Prix de transfert
Art. 53. In titel VII, hoofdstuk III, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt na afdeling I een nieuwe afdeling I/1 ingevoegd, die de artikelen 321/1 - 321/6 omvat, met als opschrift :
"Afdeling I/1 : Aanvullende rapporteringsverplichtingen inzake verrekenprijzen".
"Afdeling I/1 : Aanvullende rapporteringsverplichtingen inzake verrekenprijzen".
Art. 53. Dans le titre VII, chapitre III, du Code des impôts sur les revenus 1992, il est inséré après la section I une nouvelle section I/1 comprenant les articles 321/1 - 321/6, intitulée :
"Section I/1 : Obligations complémentaires de déclaration en matière de prix de transfert".
"Section I/1 : Obligations complémentaires de déclaration en matière de prix de transfert".
Art. 54. In afdeling I/1 van hoofdstuk III van titel VII van hetzelfde wetboek, ingevoegd bij artikel 53, wordt een artikel 321/1 ingevoegd, luidende :
"Art. 321/1. Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder :
1° de uitdrukking "groep" : een verzameling ondernemingen die door eigenaarschap of controle op zulkdanige manier verbonden zijn dat ze ofwel op grond van de geldende boekhoudkundige regels een geconsolideerde jaarrekening moet opmaken voor de financiële verslaggeving, ofwel dit zou moeten doen indien aandelenbelangen in een van de ondernemingen zouden verhandeld worden op een gereglementeerde markt;
2° de uitdrukking "onderneming" : elke vorm van bedrijfsuitoefening door elke persoon zoals die is bedoeld in artikel 338, paragraaf 2, 13°, b., c. en d.;
3° de uitdrukking "multinationale groep" : elke groep die twee of meer ondernemingen omvat die van een verschillend rechtsgebied inwoner zijn, of die een onderneming omvat die inwoner is van het ene rechtsgebied en in een ander rechtsgebied aan belasting onderworpen is ter zake van de werkzaamheden die met behulp van een vaste inrichting worden uitgeoefend;
4° de uitdrukking "groepsentiteit" :
a) elke afzonderlijke entiteit van een multinationale groep die opgenomen is in de geconsolideerde jaarrekening van de multinationale groep voor de financiële verslaggeving, of die in die jaarrekening zou opgenomen worden indien aandelenbelangen in dergelijke entiteit van een multinationale groep op een gereglementeerde markt zouden verhandeld worden;
b) elke dergelijke entiteit die enkel op grond van omvang of materieel belang niet opgenomen is in de geconsolideerde jaarrekening van de multinationale groep; en
c) elke vaste inrichting van elke afzonderlijke entiteit van de multinationale groep die onder punt a) of b) hierboven valt, op voorwaarde dat de entiteit voor die vaste inrichting een afzonderlijke jaarrekening opmaakt met het oog op de financiële verslaggeving, op het naleven van de reglementering, op het aangeven van de belastingen of op interne beheerscontrole;
5° de uitdrukking "gereglementeerde markt" : een markt in de zin van artikel 2, laatst gewijzigd door de wet van 25 april 2014, 3°, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten;
6° de uitdrukking "Belgische groepsentiteit" : elke groepsentiteit die fiscaal inwoner is van België;
7° de uitdrukking "rapporterende entiteit" : de groepsentiteit die, in het rechtsgebied waarvan zij fiscaal inwoner is, namens de multinationale groep een landenrapport moet indienen. De rapporterende entiteit kan de uiteindelijke moederentiteit zijn, de surrogaatmoederentiteit, of elke andere entiteit die is omschreven in paragraaf 2 van artikel 321/2;
8° de uitdrukking "uiteindelijke moederentiteit" : een groepsentiteit van een multinationale groep die aan de volgende voorwaarden voldoet :
a) ze bezit middellijk of onmiddellijk een belang in een of meer andere groepsentiteiten van die multinationale groep dat voldoende groot is om verplicht te zijn een geconsolideerde jaarrekening op te maken op grond van de boekhoudkundige regels die over het algemeen van toepassing zijn in het rechtsgebied waar die entiteit fiscaal inwoner is, of om verplicht te zijn dit te doen indien haar aandelenbelangen in het rechtsgebied waar ze haar fiscale woonplaats heeft, zouden verhandeld worden op een gereglementeerde markt, en
b) geen andere groepsentiteit van die multinationale groep bezit middellijk of onmiddellijk een belang in de eerstgenoemde groepsentiteit zoals omschreven in alinea a) hierboven;
9° de uitdrukking "surrogaatmoederentiteit" : een groepsentiteit van de multinationale groep die door die multinationale groep werd aangewezen als enige plaatsvervanger voor de uiteindelijke moederentiteit om namens die multinationale groep het landenrapport in te dienen, wanneer een of meer van de in artikel 321/2, § 2, eerste lid opgenoemde voorwaarden van toepassing zijn;
10° de uitdrukking "rapporteringsperiode", gebruikt in verband met een multinationale groep : de periode waarvoor de uiteindelijke moederentiteit van de multinationale groep haar geconsolideerde jaarrekening opmaakt;
11° de uitdrukking "internationaal akkoord" : de Multilaterale overeenkomst inzake wederzijdse administratieve bijstand in fiscale aangelegenheden van 25 januari 1988, elk bilateraal of multilateraal belastingverdrag of elk akkoord inzake de uitwisseling van belastinggegevens waarbij België partij is en die voorziet in de uitwisseling van inlichtingen, daaronder begrepen de automatische uitwisseling van die gegevens;
12° de uitdrukking "kwalificerend akkoord tussen bevoegde autoriteiten" : een akkoord :
a) dat gesloten is tussen gemachtigde vertegenwoordigers van België en rechtsgebieden buiten de Europese Unie die partij zijn bij een internationaal akkoord, en
b) dat de automatische uitwisseling vereist van landenrapporten tussen de rechtsgebieden die partij zijn;
13° de uitdrukking "geconsolideerde jaarrekening" : de jaarrekening van een multinationale groep waarin de activa, passiva, de opbrengsten, de kosten en, in voorkomend geval, de kasstromen van de uiteindelijke moederentiteit en van de groepsentiteiten weergegeven zijn als die van een enkele economische entiteit;
14° de uitdrukking "systematische nalatigheid", gebruikt in verband met een rechtsgebied : het feit dat een rechtsgebied een in werking zijnd kwalificerend akkoord tussen bevoegde autoriteiten heeft met België, maar dat dit rechtsgebied om andere redenen dan die welke in overeenstemming zijn met de bepalingen van dat akkoord, die automatische uitwisseling opgeschort heeft, dan wel anderszins stelselmatig nagelaten heeft om aan België automatisch de landenrapporten te bezorgen die het in zijn bezit heeft en die multinationale groepen betreffen die groepsentiteiten hebben in België;
15° de uitdrukking "landenrapport" : een rapport dat de volgende elementen bevat :
a) verzamelde informatie over het bedrag van de opbrengsten en van de winst of verlies vóór inkomstenbelasting, over de betaalde inkomstenbelasting, in de enkelvoudige jaarrekening opgenomen nog verschuldigde inkomstenbelasting, het gestorte kapitaal, de gereserveerde winst, het aantal personeelsleden, uitgedrukt in voltijdse equivalenten, en alle activa met uitzondering van liquiditeiten, geldbeleggingen met een vervaldatum korter dan drie maanden dewelke niet onderhevig zijn aan significante waardeschommelingen, immateriële vaste activa en aandelen geboekt binnen de financiële vaste activa, en dit voor elk rechtsgebied waarin de multinationale groep actief is;
b) een identificatie van elke groepsentiteit van de multinationale groep met vermelding van het rechtsgebied waarvan die groepsentiteit inwoner is, en indien verschillend, het rechtsgebied op grond van wiens wetgeving die groepsentiteit werd opgericht, en de aard van de voornaamste bedrijfsactiviteit of -activiteiten van die groepsentiteit;
16° de uitdrukking "bedrijfseenheid" : elk onderdeel, divisie, departement van de Belgische groepsentiteit gegroepeerd rond een bepaalde activiteit, productgroep of technologie.".
"Art. 321/1. Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder :
1° de uitdrukking "groep" : een verzameling ondernemingen die door eigenaarschap of controle op zulkdanige manier verbonden zijn dat ze ofwel op grond van de geldende boekhoudkundige regels een geconsolideerde jaarrekening moet opmaken voor de financiële verslaggeving, ofwel dit zou moeten doen indien aandelenbelangen in een van de ondernemingen zouden verhandeld worden op een gereglementeerde markt;
2° de uitdrukking "onderneming" : elke vorm van bedrijfsuitoefening door elke persoon zoals die is bedoeld in artikel 338, paragraaf 2, 13°, b., c. en d.;
3° de uitdrukking "multinationale groep" : elke groep die twee of meer ondernemingen omvat die van een verschillend rechtsgebied inwoner zijn, of die een onderneming omvat die inwoner is van het ene rechtsgebied en in een ander rechtsgebied aan belasting onderworpen is ter zake van de werkzaamheden die met behulp van een vaste inrichting worden uitgeoefend;
4° de uitdrukking "groepsentiteit" :
a) elke afzonderlijke entiteit van een multinationale groep die opgenomen is in de geconsolideerde jaarrekening van de multinationale groep voor de financiële verslaggeving, of die in die jaarrekening zou opgenomen worden indien aandelenbelangen in dergelijke entiteit van een multinationale groep op een gereglementeerde markt zouden verhandeld worden;
b) elke dergelijke entiteit die enkel op grond van omvang of materieel belang niet opgenomen is in de geconsolideerde jaarrekening van de multinationale groep; en
c) elke vaste inrichting van elke afzonderlijke entiteit van de multinationale groep die onder punt a) of b) hierboven valt, op voorwaarde dat de entiteit voor die vaste inrichting een afzonderlijke jaarrekening opmaakt met het oog op de financiële verslaggeving, op het naleven van de reglementering, op het aangeven van de belastingen of op interne beheerscontrole;
5° de uitdrukking "gereglementeerde markt" : een markt in de zin van artikel 2, laatst gewijzigd door de wet van 25 april 2014, 3°, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten;
6° de uitdrukking "Belgische groepsentiteit" : elke groepsentiteit die fiscaal inwoner is van België;
7° de uitdrukking "rapporterende entiteit" : de groepsentiteit die, in het rechtsgebied waarvan zij fiscaal inwoner is, namens de multinationale groep een landenrapport moet indienen. De rapporterende entiteit kan de uiteindelijke moederentiteit zijn, de surrogaatmoederentiteit, of elke andere entiteit die is omschreven in paragraaf 2 van artikel 321/2;
8° de uitdrukking "uiteindelijke moederentiteit" : een groepsentiteit van een multinationale groep die aan de volgende voorwaarden voldoet :
a) ze bezit middellijk of onmiddellijk een belang in een of meer andere groepsentiteiten van die multinationale groep dat voldoende groot is om verplicht te zijn een geconsolideerde jaarrekening op te maken op grond van de boekhoudkundige regels die over het algemeen van toepassing zijn in het rechtsgebied waar die entiteit fiscaal inwoner is, of om verplicht te zijn dit te doen indien haar aandelenbelangen in het rechtsgebied waar ze haar fiscale woonplaats heeft, zouden verhandeld worden op een gereglementeerde markt, en
b) geen andere groepsentiteit van die multinationale groep bezit middellijk of onmiddellijk een belang in de eerstgenoemde groepsentiteit zoals omschreven in alinea a) hierboven;
9° de uitdrukking "surrogaatmoederentiteit" : een groepsentiteit van de multinationale groep die door die multinationale groep werd aangewezen als enige plaatsvervanger voor de uiteindelijke moederentiteit om namens die multinationale groep het landenrapport in te dienen, wanneer een of meer van de in artikel 321/2, § 2, eerste lid opgenoemde voorwaarden van toepassing zijn;
10° de uitdrukking "rapporteringsperiode", gebruikt in verband met een multinationale groep : de periode waarvoor de uiteindelijke moederentiteit van de multinationale groep haar geconsolideerde jaarrekening opmaakt;
11° de uitdrukking "internationaal akkoord" : de Multilaterale overeenkomst inzake wederzijdse administratieve bijstand in fiscale aangelegenheden van 25 januari 1988, elk bilateraal of multilateraal belastingverdrag of elk akkoord inzake de uitwisseling van belastinggegevens waarbij België partij is en die voorziet in de uitwisseling van inlichtingen, daaronder begrepen de automatische uitwisseling van die gegevens;
12° de uitdrukking "kwalificerend akkoord tussen bevoegde autoriteiten" : een akkoord :
a) dat gesloten is tussen gemachtigde vertegenwoordigers van België en rechtsgebieden buiten de Europese Unie die partij zijn bij een internationaal akkoord, en
b) dat de automatische uitwisseling vereist van landenrapporten tussen de rechtsgebieden die partij zijn;
13° de uitdrukking "geconsolideerde jaarrekening" : de jaarrekening van een multinationale groep waarin de activa, passiva, de opbrengsten, de kosten en, in voorkomend geval, de kasstromen van de uiteindelijke moederentiteit en van de groepsentiteiten weergegeven zijn als die van een enkele economische entiteit;
14° de uitdrukking "systematische nalatigheid", gebruikt in verband met een rechtsgebied : het feit dat een rechtsgebied een in werking zijnd kwalificerend akkoord tussen bevoegde autoriteiten heeft met België, maar dat dit rechtsgebied om andere redenen dan die welke in overeenstemming zijn met de bepalingen van dat akkoord, die automatische uitwisseling opgeschort heeft, dan wel anderszins stelselmatig nagelaten heeft om aan België automatisch de landenrapporten te bezorgen die het in zijn bezit heeft en die multinationale groepen betreffen die groepsentiteiten hebben in België;
15° de uitdrukking "landenrapport" : een rapport dat de volgende elementen bevat :
a) verzamelde informatie over het bedrag van de opbrengsten en van de winst of verlies vóór inkomstenbelasting, over de betaalde inkomstenbelasting, in de enkelvoudige jaarrekening opgenomen nog verschuldigde inkomstenbelasting, het gestorte kapitaal, de gereserveerde winst, het aantal personeelsleden, uitgedrukt in voltijdse equivalenten, en alle activa met uitzondering van liquiditeiten, geldbeleggingen met een vervaldatum korter dan drie maanden dewelke niet onderhevig zijn aan significante waardeschommelingen, immateriële vaste activa en aandelen geboekt binnen de financiële vaste activa, en dit voor elk rechtsgebied waarin de multinationale groep actief is;
b) een identificatie van elke groepsentiteit van de multinationale groep met vermelding van het rechtsgebied waarvan die groepsentiteit inwoner is, en indien verschillend, het rechtsgebied op grond van wiens wetgeving die groepsentiteit werd opgericht, en de aard van de voornaamste bedrijfsactiviteit of -activiteiten van die groepsentiteit;
16° de uitdrukking "bedrijfseenheid" : elk onderdeel, divisie, departement van de Belgische groepsentiteit gegroepeerd rond een bepaalde activiteit, productgroep of technologie.".
Art. 54. Dans la section I/1 du chapitre III du titre VII du même Code, insérée par l'article 53, est inséré un article 321/1, rédigé comme suit :
"Art. 321/1. Aux fins de la présente section, il convient d'entendre par :
1° le terme "groupe" : un ensemble d'entreprises liées par la propriété ou le contrôle de manière telle qu'il est tenu, conformément aux règles comptables en vigueur, d'établir des comptes annuels consolidés à des fins d'information financière, ou qu'il serait tenu de le faire si des participations dans une de ces entreprises étaient négociées sur un marché réglementé;
2° le terme "entreprise" : toute forme d'exercice d'une activité commerciale par toute personne visée à l'article 338, paragraphe 2, 13°, b., c. et d.;
3° l'expression "groupe multinational" : tout groupe qui comprend deux entreprises ou plus qui sont résidentes de juridictions différentes, ou qui comprend une entreprise qui est résidente d'une juridiction et qui est soumise à l'impôt dans une autre juridiction au titre des activités exercées par l'intermédiaire d'un établissement stable;
4° l'expression "entité constitutive" :
a) toute entité distincte d'un groupe multinational qui est intégrée dans les comptes annuels consolidés du groupe multinational à des fins d'information financière, ou qui serait intégrée dans ces comptes annuels si des participations dans une telle entité d'un groupe multinational étaient négociées sur un marché réglementé;
b) toute entité distincte d'un groupe multinational qui est exclue des comptes annuels consolidés du groupe uniquement pour des raisons de taille ou d'importance relative; et
c) tout établissement stable d'une entité distincte du groupe multinational visée au point a) ou b) ci-avant, à condition que l'entité établisse des comptes annuels distincts pour cet établissement stable à des fins réglementaires, d'information financière, de déclaration fiscale ou de contrôle de la gestion interne;
5° l'expression "marché réglementé" : un marché au sens de l'article 2, de la loi du 2 août 2002, modifié pour la dernière fois par la loi du 25 avril 2014, 3° relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers;
6° l'expression "entité constitutive belge" : toute entité constitutive qui est résidente fiscale de la Belgique;
7° l'expression "entité déclarante" : l'entité constitutive qui est tenue de déposer dans la juridiction dont elle est résidente fiscale une déclaration pays par pays pour le compte du groupe multinational. L'entité déclarante peut être l'entité mère ultime, l'entité mère de substitution ou toute autre entité décrite au paragraphe 2 de l'article 321/2;
8° l'expression "entité mère ultime" : une entité constitutive d'un groupe multinational qui remplit les conditions suivantes :
a) elle détient directement ou indirectement dans une ou plusieurs autres entités constitutives de ce groupe multinational une participation d'une importance telle qu'elle est tenue d'établir des comptes annuels consolidés en vertu des règles comptables généralement applicables dans la juridiction où cette entité est résidente fiscale, ou qu'elle serait tenue de le faire si ses participations étaient négociées sur un marché réglementé dans la juridiction où elle a son domicile fiscal, et
b) aucune autre entité constitutive de ce groupe multinational ne détient directement ou indirectement une participation telle que décrite à l'alinéa a) ci-avant dans l'entité constitutive susmentionnée;
9° l'expression "entité mère de substitution" : une entité constitutive du groupe multinational qui a été mandatée par ce groupe, en qualité d'unique substitut de l'entité mère ultime, pour déposer la déclaration pays par pays pour le compte de ce groupe multinational, lorsqu'une ou plusieurs des conditions énoncées à l'article 321/2, § 2, alinéa 1er, s'appliquent;
10° l'expression "période déclarable", en ce qui concerne un groupe multinational : la période pour laquelle l'entité mère ultime du groupe multinational établit ses comptes annuels consolidés;
11° l'expression "accord international" : la Convention multilatérale concernant l'assistance administrative mutuelle en matière fiscale du 25 janvier 1988, toute convention fiscale bilatérale ou multilatérale ou tout accord d'échange de renseignements fiscaux auquel la Belgique est partie et qui prévoit l'échange de renseignements, y compris de façon automatique;
12° l'expression "accord éligible entre autorités compétentes" : un accord :
a) conclu entre des représentants autorisés de la Belgique et des juridictions hors de l'Union Européenne qui sont parties à un accord international, et
b) qui prévoit l'échange automatique des déclarations pays par pays entre les juridictions parties;
13° l'expression "comptes annuels consolidés" : les comptes annuels d'un groupe multinational dans lesquels les actifs, les passifs, les produits, les charges et, le cas échéant, les flux de trésorerie de l'entité mère ultime et des entités constitutives sont présentés comme étant ceux d'une seule entité économique;
14° l'expression "défaillance systématique" au regard d'une juridiction : le fait qu'une juridiction a en vigueur avec la Belgique un accord éligible entre autorités compétentes mais que cette juridiction a suspendu cet échange automatique pour des raisons autres que celles prévues par les dispositions de cet accord, ou a négligé de façon systématique de transmettre automatiquement à la Belgique les déclarations pays par pays en sa possession relatives à des groupes multinationaux qui ont des entités constitutives en Belgique;
15° l'expression "déclaration pays par pays" : une déclaration qui contient les éléments suivants :
a) des informations agrégées sur le montant des produits et du bénéfice ou de la perte avant impôt sur les revenus, l'impôt sur les revenus payé, l'impôt sur les revenus encore dû mentionné dans les comptes annuels, le capital libéré, les bénéfices réservés, le nombre du personnel et tous les actifs à l'exception des liquidités, des placements de trésorerie dont la date d'échéance est inférieure à trois mois et qui ne sont pas sujets à des fluctuations de valeur importantes, des immobilisations incorporelles et des actions enregistrées dans les immobilisations financières, ce pour chacune des juridictions dans lesquelles le groupe multinational exerce des activités;
b) une identification de chaque entité constitutive du groupe multinational, précisant la juridiction dont cette entité constitutive est résidente et, si elle diffère, la juridiction selon les lois de laquelle cette entité constitutive a été constituée, ainsi que la nature de son activité ou de ses activités commerciales principale(s);
16° l'expression "unité d'exploitation" : chaque composante, division, département de l'entreprise constitutive belge regroupée autour d'une activité, un groupe de produits ou une technologie particuliers.".
"Art. 321/1. Aux fins de la présente section, il convient d'entendre par :
1° le terme "groupe" : un ensemble d'entreprises liées par la propriété ou le contrôle de manière telle qu'il est tenu, conformément aux règles comptables en vigueur, d'établir des comptes annuels consolidés à des fins d'information financière, ou qu'il serait tenu de le faire si des participations dans une de ces entreprises étaient négociées sur un marché réglementé;
2° le terme "entreprise" : toute forme d'exercice d'une activité commerciale par toute personne visée à l'article 338, paragraphe 2, 13°, b., c. et d.;
3° l'expression "groupe multinational" : tout groupe qui comprend deux entreprises ou plus qui sont résidentes de juridictions différentes, ou qui comprend une entreprise qui est résidente d'une juridiction et qui est soumise à l'impôt dans une autre juridiction au titre des activités exercées par l'intermédiaire d'un établissement stable;
4° l'expression "entité constitutive" :
a) toute entité distincte d'un groupe multinational qui est intégrée dans les comptes annuels consolidés du groupe multinational à des fins d'information financière, ou qui serait intégrée dans ces comptes annuels si des participations dans une telle entité d'un groupe multinational étaient négociées sur un marché réglementé;
b) toute entité distincte d'un groupe multinational qui est exclue des comptes annuels consolidés du groupe uniquement pour des raisons de taille ou d'importance relative; et
c) tout établissement stable d'une entité distincte du groupe multinational visée au point a) ou b) ci-avant, à condition que l'entité établisse des comptes annuels distincts pour cet établissement stable à des fins réglementaires, d'information financière, de déclaration fiscale ou de contrôle de la gestion interne;
5° l'expression "marché réglementé" : un marché au sens de l'article 2, de la loi du 2 août 2002, modifié pour la dernière fois par la loi du 25 avril 2014, 3° relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers;
6° l'expression "entité constitutive belge" : toute entité constitutive qui est résidente fiscale de la Belgique;
7° l'expression "entité déclarante" : l'entité constitutive qui est tenue de déposer dans la juridiction dont elle est résidente fiscale une déclaration pays par pays pour le compte du groupe multinational. L'entité déclarante peut être l'entité mère ultime, l'entité mère de substitution ou toute autre entité décrite au paragraphe 2 de l'article 321/2;
8° l'expression "entité mère ultime" : une entité constitutive d'un groupe multinational qui remplit les conditions suivantes :
a) elle détient directement ou indirectement dans une ou plusieurs autres entités constitutives de ce groupe multinational une participation d'une importance telle qu'elle est tenue d'établir des comptes annuels consolidés en vertu des règles comptables généralement applicables dans la juridiction où cette entité est résidente fiscale, ou qu'elle serait tenue de le faire si ses participations étaient négociées sur un marché réglementé dans la juridiction où elle a son domicile fiscal, et
b) aucune autre entité constitutive de ce groupe multinational ne détient directement ou indirectement une participation telle que décrite à l'alinéa a) ci-avant dans l'entité constitutive susmentionnée;
9° l'expression "entité mère de substitution" : une entité constitutive du groupe multinational qui a été mandatée par ce groupe, en qualité d'unique substitut de l'entité mère ultime, pour déposer la déclaration pays par pays pour le compte de ce groupe multinational, lorsqu'une ou plusieurs des conditions énoncées à l'article 321/2, § 2, alinéa 1er, s'appliquent;
10° l'expression "période déclarable", en ce qui concerne un groupe multinational : la période pour laquelle l'entité mère ultime du groupe multinational établit ses comptes annuels consolidés;
11° l'expression "accord international" : la Convention multilatérale concernant l'assistance administrative mutuelle en matière fiscale du 25 janvier 1988, toute convention fiscale bilatérale ou multilatérale ou tout accord d'échange de renseignements fiscaux auquel la Belgique est partie et qui prévoit l'échange de renseignements, y compris de façon automatique;
12° l'expression "accord éligible entre autorités compétentes" : un accord :
a) conclu entre des représentants autorisés de la Belgique et des juridictions hors de l'Union Européenne qui sont parties à un accord international, et
b) qui prévoit l'échange automatique des déclarations pays par pays entre les juridictions parties;
13° l'expression "comptes annuels consolidés" : les comptes annuels d'un groupe multinational dans lesquels les actifs, les passifs, les produits, les charges et, le cas échéant, les flux de trésorerie de l'entité mère ultime et des entités constitutives sont présentés comme étant ceux d'une seule entité économique;
14° l'expression "défaillance systématique" au regard d'une juridiction : le fait qu'une juridiction a en vigueur avec la Belgique un accord éligible entre autorités compétentes mais que cette juridiction a suspendu cet échange automatique pour des raisons autres que celles prévues par les dispositions de cet accord, ou a négligé de façon systématique de transmettre automatiquement à la Belgique les déclarations pays par pays en sa possession relatives à des groupes multinationaux qui ont des entités constitutives en Belgique;
15° l'expression "déclaration pays par pays" : une déclaration qui contient les éléments suivants :
a) des informations agrégées sur le montant des produits et du bénéfice ou de la perte avant impôt sur les revenus, l'impôt sur les revenus payé, l'impôt sur les revenus encore dû mentionné dans les comptes annuels, le capital libéré, les bénéfices réservés, le nombre du personnel et tous les actifs à l'exception des liquidités, des placements de trésorerie dont la date d'échéance est inférieure à trois mois et qui ne sont pas sujets à des fluctuations de valeur importantes, des immobilisations incorporelles et des actions enregistrées dans les immobilisations financières, ce pour chacune des juridictions dans lesquelles le groupe multinational exerce des activités;
b) une identification de chaque entité constitutive du groupe multinational, précisant la juridiction dont cette entité constitutive est résidente et, si elle diffère, la juridiction selon les lois de laquelle cette entité constitutive a été constituée, ainsi que la nature de son activité ou de ses activités commerciales principale(s);
16° l'expression "unité d'exploitation" : chaque composante, division, département de l'entreprise constitutive belge regroupée autour d'une activité, un groupe de produits ou une technologie particuliers.".
Art. 55. In dezelfde afdeling I/1, ingevoegd bij artikel 53, wordt een artikel 321/2 ingevoegd, luidende :
"Art. 321/2. § 1. Elke Belgische groepsentiteit die de uiteindelijke moederentiteit van een multinationale groep is, moet binnen 12 maanden na de laatste dag van de rapporteringsperiode bij de Belgische administratie bevoegd voor de vestiging van de inkomstenbelastingen een landenrapport indienen dat betrekking heeft op die rapporteringsperiode.
§ 2. Een Belgische groepsentiteit die niet de uiteindelijke moederentiteit van een multinationale groep is, moet binnen 12 maanden na de laatste dag van de rapporteringsperiode bij de Belgische administratie bevoegd voor de vestiging van de inkomstenbelastingen een landenrapport indienen, dat betrekking heeft op de laatst afgesloten rapporteringsperiode van de multinationale groep waarvan ze een groepsentiteit is, indien een van de volgende voorwaarden vervuld is :
- de uiteindelijke moederentiteit van de multinationale groep is in het rechtsgebied waarvan zij fiscaal inwoner is niet verplicht om een landenrapport in te dienen; of
- uiterlijk 12 maanden na de laatste dag van de rapporteringsperiode heeft het rechtsgebied waarvan de uiteindelijke moederentiteit fiscaal inwoner is geen in werking zijnd kwalificerend akkoord tussen bevoegde autoriteiten waarbij België partij is; of
- de Belgische administratie bevoegd voor de vestiging van de inkomstenbelastingen heeft aan de Belgische groepsentiteit laten weten dat er sprake geweest is van systematische nalatigheid vanwege het rechtsgebied waarvan de uiteindelijke moederentiteit fiscaal inwoner is.
De Belgische groepsentiteit zal aan haar ultieme moederentiteit verzoeken om haar al de nodige informatie te verschaffen teneinde te voldoen aan haar verplichtingen om een landenrapport in te dienen. Indien een Belgische groepsentiteit desondanks niet alle vereiste informatie verkregen of verworven heeft om voor de multinationale groep te rapporteren, zal de Belgische groepsentiteit een landenrapport indienen met alle verkregen of verworven informatie waarover zij beschikt, en zal zij de Belgische administratie bevoegd voor de vestiging van de inkomstenbelastingen ervan in kennis stellen dat de uiteindelijke moederentiteit geweigerd heeft om de vereiste informatie beschikbaar te stellen. De Belgische administratie bevoegd voor de vestiging van de inkomstenbelastingen zal alle lidstaten van de Europese Unie, alsook de Europese Commissie, op de hoogte brengen van die weigering.
Wanneer meerdere groepsentiteiten van dezelfde multinationale groep fiscaal inwoner zijn van de Europese Unie, en een of meer van de in het eerste lid uiteengezette voorwaarden vervuld zijn, mag de multinationale groep een van die groepsentiteiten aanwijzen om :
- uiterlijk 12 maanden na de laatste dag van de rapporteringsperiode het landenrapport in te dienen dat betrekking heeft op de laatst afgesloten rapporteringsperiode, en
- de belastingadministratie waar het landenrapport wordt ingediend kennis te geven van het feit dat die indiening gebeurt teneinde gevolg te geven aan de indieningsvereisten die gelden voor al de groepsentiteiten van die multinationale groep die fiscaal inwoner zijn van de Europese Unie.
Wanneer een groepsentiteit niet alle informatie kan verkrijgen of verwerven die vereist is voor het indienen van een landenrapport, zal die groepsentiteit niet in aanmerking komen om te worden aangewezen als rapporterende entiteit voor de multinationale groep zoals omschreven in het voorafgaande lid. Deze regel doet geen afbreuk aan de verplichting van de groepsentiteit om de lidstaat waarvan zij inwoner is in kennis te stellen van het feit dat de uiteindelijke moedermaatschappij geweigerd heeft om de vereiste informatie beschikbaar te stellen.
§ 3. Niettegenstaande de bepalingen van paragraaf 2, is een Belgische groepsentiteit niet verplicht om bij de Belgische administratie bevoegd voor de vestiging van de inkomstenbelastingen een landenrapport in te dienen dat betrekking heeft op enige rapporteringsperiode indien de multinationale groep waarvan ze een groepsentiteit is uiterlijk 12 maanden na de laatste dag van de rapporteringsperiode een landenrapport ter beschikking stelt, dat betrekking heeft op die rapporteringsperiode, via een surrogaatmoederentiteit die dat landenrapport indient bij de belastingautoriteit van het rechtsgebied waarvan zij inwoner is. Hierbij moet aan de volgende voorwaarden voldaan zijn :
1. het rechtsgebied waarvan de surrogaatmoederentiteit fiscaal inwoner is, verplicht het indienen van een landenrapport;
2. uiterlijk 12 maanden na de laatste dag van de rapporteringsperiode waarvoor het landenrapport moet ingediend worden, heeft het rechtsgebied waarvan de surrogaatmoederentiteit fiscaal inwoner is een in werking zijnd kwalificerend akkoord tussen bevoegde autoriteiten waarbij België partij is;
3. het rechtsgebied waarvan de surrogaatmoederentiteit fiscaal inwoner is, heeft de Belgische administratie bevoegd voor de vestiging van de inkomstenbelastingen geen kennis gegeven van een systematische nalatigheid;
4. het rechtsgebied waarvan de surrogaatmoederentiteit fiscaal inwoner is, werd uiterlijk op de laatste dag van de rapporteringsperiode van die multinationale groep door de groepsentiteit die fiscaal inwoner is van dat rechtsgebied op de hoogte gebracht van het feit dat die groepsentiteit de surrogaatmoederentiteit is; en
5. er werd aan de Belgische administratie bevoegd voor de vestiging van de inkomstenbelastingen een kennisgeving bezorgd in overeenstemming met artikel 321/3, § 2.
§ 4. De verplichtingen in voorgaande paragrafen gelden voor multinationale groepen die, voor de rapporteringsperiode die onmiddellijk voorafgaat aan de laatste afgesloten rapporteringsperiode, een totaal van 750 miljoen euro of meer geconsolideerde bruto-groepsopbrengsten behalen zoals dat tot uiting komt in de geconsolideerde jaarrekening van die groep voor die voorafgaande rapporteringsperiode.
§ 5. Het landenrapport wordt ingediend door middel van een formulier waarvan het model en de wijze van indiening door de Koning wordt vastgesteld.".
"Art. 321/2. § 1. Elke Belgische groepsentiteit die de uiteindelijke moederentiteit van een multinationale groep is, moet binnen 12 maanden na de laatste dag van de rapporteringsperiode bij de Belgische administratie bevoegd voor de vestiging van de inkomstenbelastingen een landenrapport indienen dat betrekking heeft op die rapporteringsperiode.
§ 2. Een Belgische groepsentiteit die niet de uiteindelijke moederentiteit van een multinationale groep is, moet binnen 12 maanden na de laatste dag van de rapporteringsperiode bij de Belgische administratie bevoegd voor de vestiging van de inkomstenbelastingen een landenrapport indienen, dat betrekking heeft op de laatst afgesloten rapporteringsperiode van de multinationale groep waarvan ze een groepsentiteit is, indien een van de volgende voorwaarden vervuld is :
- de uiteindelijke moederentiteit van de multinationale groep is in het rechtsgebied waarvan zij fiscaal inwoner is niet verplicht om een landenrapport in te dienen; of
- uiterlijk 12 maanden na de laatste dag van de rapporteringsperiode heeft het rechtsgebied waarvan de uiteindelijke moederentiteit fiscaal inwoner is geen in werking zijnd kwalificerend akkoord tussen bevoegde autoriteiten waarbij België partij is; of
- de Belgische administratie bevoegd voor de vestiging van de inkomstenbelastingen heeft aan de Belgische groepsentiteit laten weten dat er sprake geweest is van systematische nalatigheid vanwege het rechtsgebied waarvan de uiteindelijke moederentiteit fiscaal inwoner is.
De Belgische groepsentiteit zal aan haar ultieme moederentiteit verzoeken om haar al de nodige informatie te verschaffen teneinde te voldoen aan haar verplichtingen om een landenrapport in te dienen. Indien een Belgische groepsentiteit desondanks niet alle vereiste informatie verkregen of verworven heeft om voor de multinationale groep te rapporteren, zal de Belgische groepsentiteit een landenrapport indienen met alle verkregen of verworven informatie waarover zij beschikt, en zal zij de Belgische administratie bevoegd voor de vestiging van de inkomstenbelastingen ervan in kennis stellen dat de uiteindelijke moederentiteit geweigerd heeft om de vereiste informatie beschikbaar te stellen. De Belgische administratie bevoegd voor de vestiging van de inkomstenbelastingen zal alle lidstaten van de Europese Unie, alsook de Europese Commissie, op de hoogte brengen van die weigering.
Wanneer meerdere groepsentiteiten van dezelfde multinationale groep fiscaal inwoner zijn van de Europese Unie, en een of meer van de in het eerste lid uiteengezette voorwaarden vervuld zijn, mag de multinationale groep een van die groepsentiteiten aanwijzen om :
- uiterlijk 12 maanden na de laatste dag van de rapporteringsperiode het landenrapport in te dienen dat betrekking heeft op de laatst afgesloten rapporteringsperiode, en
- de belastingadministratie waar het landenrapport wordt ingediend kennis te geven van het feit dat die indiening gebeurt teneinde gevolg te geven aan de indieningsvereisten die gelden voor al de groepsentiteiten van die multinationale groep die fiscaal inwoner zijn van de Europese Unie.
Wanneer een groepsentiteit niet alle informatie kan verkrijgen of verwerven die vereist is voor het indienen van een landenrapport, zal die groepsentiteit niet in aanmerking komen om te worden aangewezen als rapporterende entiteit voor de multinationale groep zoals omschreven in het voorafgaande lid. Deze regel doet geen afbreuk aan de verplichting van de groepsentiteit om de lidstaat waarvan zij inwoner is in kennis te stellen van het feit dat de uiteindelijke moedermaatschappij geweigerd heeft om de vereiste informatie beschikbaar te stellen.
§ 3. Niettegenstaande de bepalingen van paragraaf 2, is een Belgische groepsentiteit niet verplicht om bij de Belgische administratie bevoegd voor de vestiging van de inkomstenbelastingen een landenrapport in te dienen dat betrekking heeft op enige rapporteringsperiode indien de multinationale groep waarvan ze een groepsentiteit is uiterlijk 12 maanden na de laatste dag van de rapporteringsperiode een landenrapport ter beschikking stelt, dat betrekking heeft op die rapporteringsperiode, via een surrogaatmoederentiteit die dat landenrapport indient bij de belastingautoriteit van het rechtsgebied waarvan zij inwoner is. Hierbij moet aan de volgende voorwaarden voldaan zijn :
1. het rechtsgebied waarvan de surrogaatmoederentiteit fiscaal inwoner is, verplicht het indienen van een landenrapport;
2. uiterlijk 12 maanden na de laatste dag van de rapporteringsperiode waarvoor het landenrapport moet ingediend worden, heeft het rechtsgebied waarvan de surrogaatmoederentiteit fiscaal inwoner is een in werking zijnd kwalificerend akkoord tussen bevoegde autoriteiten waarbij België partij is;
3. het rechtsgebied waarvan de surrogaatmoederentiteit fiscaal inwoner is, heeft de Belgische administratie bevoegd voor de vestiging van de inkomstenbelastingen geen kennis gegeven van een systematische nalatigheid;
4. het rechtsgebied waarvan de surrogaatmoederentiteit fiscaal inwoner is, werd uiterlijk op de laatste dag van de rapporteringsperiode van die multinationale groep door de groepsentiteit die fiscaal inwoner is van dat rechtsgebied op de hoogte gebracht van het feit dat die groepsentiteit de surrogaatmoederentiteit is; en
5. er werd aan de Belgische administratie bevoegd voor de vestiging van de inkomstenbelastingen een kennisgeving bezorgd in overeenstemming met artikel 321/3, § 2.
§ 4. De verplichtingen in voorgaande paragrafen gelden voor multinationale groepen die, voor de rapporteringsperiode die onmiddellijk voorafgaat aan de laatste afgesloten rapporteringsperiode, een totaal van 750 miljoen euro of meer geconsolideerde bruto-groepsopbrengsten behalen zoals dat tot uiting komt in de geconsolideerde jaarrekening van die groep voor die voorafgaande rapporteringsperiode.
§ 5. Het landenrapport wordt ingediend door middel van een formulier waarvan het model en de wijze van indiening door de Koning wordt vastgesteld.".
Art. 55. Dans la même section I/1, insérée par l'article 53, est inséré un article 321/2, rédigé comme suit :
"Art. 321/2. § 1er. Chaque entité constitutive belge qui est l'entité mère ultime d'un groupe multinational doit, dans les 12 mois qui suivent le dernier jour de la période déclarable, faire parvenir à l'administration belge compétente pour l'établissement des impôts sur les revenus une déclaration pays par pays portant sur cette période déclarable.
§ 2. Une entité constitutive belge qui n'est pas l'entité mère ultime d'un groupe multinational doit, dans les 12 mois qui suivent le dernier jour de la période déclarable, faire parvenir à l'administration belge compétente pour l'établissement des impôts sur les revenus une déclaration pays par pays portant sur la dernière période déclarable clôturée du groupe multinational dont elle est une entité constitutive, si l'une des conditions suivantes est remplie :
- l'entité mère ultime du groupe multinational n'est pas tenue de déposer une déclaration pays par pays dans la juridiction dont elle est résidente fiscale; ou
- au plus tard 12 mois après le dernier jour de la période déclarable, la juridiction dont l'entité mère ultime est résidente fiscale n'a pas d'accord éligible entre autorités compétentes en vigueur auquel la Belgique est partie; ou
- l'administration belge compétente pour l'établissement des impôts sur les revenus a informé l'entité constitutive belge d'une défaillance systématique de la part de la juridiction dont l'entité mère ultime est résidente fiscale.
L'entité constitutive belge demandera à son entité mère ultime de lui fournir toutes les informations nécessaires pour pouvoir se conformer à son obligation de déposer une déclaration pays par pays. Si, malgré tout, l'entité constitutive belge n'a pas obtenu ou ne s'est pas procuré toutes les informations requises pour procéder à une déclaration pour le groupe multinational, cette entité constitutive belge déposera une déclaration pays par pays contenant toutes les informations dont elle dispose, qu'elle les ait obtenues ou qu'elle se les soit procurées, et communiquera à l'administration belge compétente pour l'établissement des impôts sur les revenus le fait que l'entité mère ultime a refusé de mettre à sa disposition les informations requises. L'administration belge compétente pour l'établissement des impôts sur les revenus informera de ce refus tous les autres Etats membres de l'Union Européenne.
Lorsque plusieurs entités constitutives du même groupe multinational sont des entités constitutives qui sont résidentes fiscales de l'Union Européenne, et qu'une ou plusieurs des conditions prévues à l'alinéa premier sont remplies, le groupe multinational peut désigner l'une de ces entités constitutives pour :
- déposer auprès de l'administration compétente pour l'établissement des impôts sur les revenus, au plus tard 12 mois après le dernier jour de la période déclarable, la déclaration pays par pays portant sur la dernière période déclarable clôturée, et
- informer l'administration compétente pour l'établissement des impôts sur les revenus du fait que ce dépôt vise à remplir les obligations déclaratives applicables à toutes les entités constitutives de ce groupe multinational qui sont résidentes fiscales de l'Union Européenne.
Lorsqu'une entité constitutive ne peut obtenir ou se procurer toutes les informations nécessaires pour déposer une déclaration pays par pays, elle ne peut être désignée comme entité déclarante pour le groupe multinational, conformément à l'alinéa précédent. Cette règle est sans préjudice de l'obligation de l'entité constitutive de communiquer à l'Etat membre de sa résidence fiscale le fait que l'entité mère ultime a refusé de mettre à disposition les informations requises.
§ 3. Nonobstant les dispositions du paragraphe 2, une entité constitutive belge n'est pas tenue de déposer auprès de l'administration belge compétente pour l'établissement des impôts sur les revenus une déclaration pays par pays relative à une période déclarable quelconque si, au plus tard 12 mois après le dernier jour de cette période déclarable, le groupe multinational dont elle est une entité constitutive fournit une déclaration pays par pays relative à cette période déclarable par l'intermédiaire d'une entité mère de substitution qui dépose ladite déclaration auprès de l'autorité fiscale de la juridiction dont elle est résidente. Pour ce faire, il doit être satisfait aux conditions suivantes :
1. la juridiction dont l'entité mère de substitution est résidente fiscale impose le dépôt d'une déclaration pays par pays;
2. au plus tard 12 mois après le dernier jour de la période déclarable pour laquelle la déclaration pays par pays doit être déposée, la juridiction dont l'entité mère de substitution est résidente fiscale a un accord éligible entre autorités compétentes en vigueur auquel la Belgique est partie;
3. la juridiction dont l'entité mère de substitution est résidente fiscale n'a pas informé l'administration belge compétente pour l'établissement des impôts sur les revenus d'une défaillance systématique;
4. la juridiction dont l'entité mère de substitution est résidente fiscale a été informée, conformément à l'article 321/3, paragraphe 1er, par l'entité constitutive qui est fiscalement résidente de cette juridiction du fait que cette entité constitutive est l'entité mère de substitution; et
5. une notification a été adressée à l'administration belge compétente pour l'établissement des impôts sur les revenus conformément à l'article 321/3, § 2.
§ 4. Les obligations prévues aux paragraphes précédents sont applicables aux groupes multinationaux qui, pour la période déclarable qui précède immédiatement la dernière période déclarable clôturée, ont réalisé des produits consolidé, tel qu'exprimé dans les comptes annuels consolidés du groupe pour cette période déclarable précédente, d'au moins 750 millions d'euros.
§ 5. La déclaration pays par pays est faite par un formulaire dont le modèle et les modalités de dépôt sont fixés par le Roi.".
"Art. 321/2. § 1er. Chaque entité constitutive belge qui est l'entité mère ultime d'un groupe multinational doit, dans les 12 mois qui suivent le dernier jour de la période déclarable, faire parvenir à l'administration belge compétente pour l'établissement des impôts sur les revenus une déclaration pays par pays portant sur cette période déclarable.
§ 2. Une entité constitutive belge qui n'est pas l'entité mère ultime d'un groupe multinational doit, dans les 12 mois qui suivent le dernier jour de la période déclarable, faire parvenir à l'administration belge compétente pour l'établissement des impôts sur les revenus une déclaration pays par pays portant sur la dernière période déclarable clôturée du groupe multinational dont elle est une entité constitutive, si l'une des conditions suivantes est remplie :
- l'entité mère ultime du groupe multinational n'est pas tenue de déposer une déclaration pays par pays dans la juridiction dont elle est résidente fiscale; ou
- au plus tard 12 mois après le dernier jour de la période déclarable, la juridiction dont l'entité mère ultime est résidente fiscale n'a pas d'accord éligible entre autorités compétentes en vigueur auquel la Belgique est partie; ou
- l'administration belge compétente pour l'établissement des impôts sur les revenus a informé l'entité constitutive belge d'une défaillance systématique de la part de la juridiction dont l'entité mère ultime est résidente fiscale.
L'entité constitutive belge demandera à son entité mère ultime de lui fournir toutes les informations nécessaires pour pouvoir se conformer à son obligation de déposer une déclaration pays par pays. Si, malgré tout, l'entité constitutive belge n'a pas obtenu ou ne s'est pas procuré toutes les informations requises pour procéder à une déclaration pour le groupe multinational, cette entité constitutive belge déposera une déclaration pays par pays contenant toutes les informations dont elle dispose, qu'elle les ait obtenues ou qu'elle se les soit procurées, et communiquera à l'administration belge compétente pour l'établissement des impôts sur les revenus le fait que l'entité mère ultime a refusé de mettre à sa disposition les informations requises. L'administration belge compétente pour l'établissement des impôts sur les revenus informera de ce refus tous les autres Etats membres de l'Union Européenne.
Lorsque plusieurs entités constitutives du même groupe multinational sont des entités constitutives qui sont résidentes fiscales de l'Union Européenne, et qu'une ou plusieurs des conditions prévues à l'alinéa premier sont remplies, le groupe multinational peut désigner l'une de ces entités constitutives pour :
- déposer auprès de l'administration compétente pour l'établissement des impôts sur les revenus, au plus tard 12 mois après le dernier jour de la période déclarable, la déclaration pays par pays portant sur la dernière période déclarable clôturée, et
- informer l'administration compétente pour l'établissement des impôts sur les revenus du fait que ce dépôt vise à remplir les obligations déclaratives applicables à toutes les entités constitutives de ce groupe multinational qui sont résidentes fiscales de l'Union Européenne.
Lorsqu'une entité constitutive ne peut obtenir ou se procurer toutes les informations nécessaires pour déposer une déclaration pays par pays, elle ne peut être désignée comme entité déclarante pour le groupe multinational, conformément à l'alinéa précédent. Cette règle est sans préjudice de l'obligation de l'entité constitutive de communiquer à l'Etat membre de sa résidence fiscale le fait que l'entité mère ultime a refusé de mettre à disposition les informations requises.
§ 3. Nonobstant les dispositions du paragraphe 2, une entité constitutive belge n'est pas tenue de déposer auprès de l'administration belge compétente pour l'établissement des impôts sur les revenus une déclaration pays par pays relative à une période déclarable quelconque si, au plus tard 12 mois après le dernier jour de cette période déclarable, le groupe multinational dont elle est une entité constitutive fournit une déclaration pays par pays relative à cette période déclarable par l'intermédiaire d'une entité mère de substitution qui dépose ladite déclaration auprès de l'autorité fiscale de la juridiction dont elle est résidente. Pour ce faire, il doit être satisfait aux conditions suivantes :
1. la juridiction dont l'entité mère de substitution est résidente fiscale impose le dépôt d'une déclaration pays par pays;
2. au plus tard 12 mois après le dernier jour de la période déclarable pour laquelle la déclaration pays par pays doit être déposée, la juridiction dont l'entité mère de substitution est résidente fiscale a un accord éligible entre autorités compétentes en vigueur auquel la Belgique est partie;
3. la juridiction dont l'entité mère de substitution est résidente fiscale n'a pas informé l'administration belge compétente pour l'établissement des impôts sur les revenus d'une défaillance systématique;
4. la juridiction dont l'entité mère de substitution est résidente fiscale a été informée, conformément à l'article 321/3, paragraphe 1er, par l'entité constitutive qui est fiscalement résidente de cette juridiction du fait que cette entité constitutive est l'entité mère de substitution; et
5. une notification a été adressée à l'administration belge compétente pour l'établissement des impôts sur les revenus conformément à l'article 321/3, § 2.
§ 4. Les obligations prévues aux paragraphes précédents sont applicables aux groupes multinationaux qui, pour la période déclarable qui précède immédiatement la dernière période déclarable clôturée, ont réalisé des produits consolidé, tel qu'exprimé dans les comptes annuels consolidés du groupe pour cette période déclarable précédente, d'au moins 750 millions d'euros.
§ 5. La déclaration pays par pays est faite par un formulaire dont le modèle et les modalités de dépôt sont fixés par le Roi.".
Art. 56. In dezelfde afdeling I/1, ingevoegd bij artikel 53, wordt een artikel 321/3 ingevoegd, luidende :
"Art. 321/3. § 1. Elke Belgische groepsentiteit van een multinationale groep, die overeenkomstig artikel 321/2, § 4 een landenrapport moet indienen, zal de Belgische administratie bevoegd voor de vestiging van de inkomstenbelastingen laten weten of zij de uiteindelijke moederentiteit dan wel de surrogaatmoederentiteit of de groepsentiteit overeenkomstig artikel 321/2, § 2 is, en dit uiterlijk op de laatste dag van de rapporteringsperiode van die multinationale groep.
§ 2. Wanneer een Belgische groepsentiteit van een multinationale groep, die overeenkomstig artikel 321/2, § 4 een landenrapport moet indienen, noch de uiteindelijke moederentiteit noch de surrogaatmoederentiteit is noch de groepsentiteit overeenkomstig artikel 321/2, § 2 is, zal ze uiterlijk op de laatste dag van de rapporteringsperiode van de multinationale groep de Belgische administratie bevoegd voor de vestiging van de inkomstenbelastingen op de hoogte brengen van de identiteit en de woonplaats van de rapporterende entiteit.".
"Art. 321/3. § 1. Elke Belgische groepsentiteit van een multinationale groep, die overeenkomstig artikel 321/2, § 4 een landenrapport moet indienen, zal de Belgische administratie bevoegd voor de vestiging van de inkomstenbelastingen laten weten of zij de uiteindelijke moederentiteit dan wel de surrogaatmoederentiteit of de groepsentiteit overeenkomstig artikel 321/2, § 2 is, en dit uiterlijk op de laatste dag van de rapporteringsperiode van die multinationale groep.
§ 2. Wanneer een Belgische groepsentiteit van een multinationale groep, die overeenkomstig artikel 321/2, § 4 een landenrapport moet indienen, noch de uiteindelijke moederentiteit noch de surrogaatmoederentiteit is noch de groepsentiteit overeenkomstig artikel 321/2, § 2 is, zal ze uiterlijk op de laatste dag van de rapporteringsperiode van de multinationale groep de Belgische administratie bevoegd voor de vestiging van de inkomstenbelastingen op de hoogte brengen van de identiteit en de woonplaats van de rapporterende entiteit.".
Art. 56. Dans la même section I/1, insérée par l'article 53, est inséré un article 321/3, rédigé comme suit :
"Art. 321/3. § 1er. Chaque entité constitutive belge d'un groupe multinational tenu de souscrire une déclaration pays par pays conformément à l'article 321/2, § 4 fera savoir à l'administration belge compétente pour l'établissement des impôts sur les revenus, au plus tard le dernier jour de la période déclarable de ce groupe multinational, si elle est l'entité mère ultime, l'entité mère de substitution ou l'entité constitutive conformément à l'article 321/2, § 2.
§ 2. Lorsqu'une entité constitutive belge d'un groupe multinational tenu de souscrire une déclaration pays par pays conformément à l'article 321/2, § 4 n'est ni l'entité mère ultime ni l'entité mère de substitution ni l'entité constitutive conformément à l'article 321/2, § 2, elle informera l'administration belge compétente pour l'établissement des impôts sur les revenus, au plus tard le dernier jour de la période déclarable de ce groupe multinational, de l'identité et du domicile de l'entité déclarante.".
"Art. 321/3. § 1er. Chaque entité constitutive belge d'un groupe multinational tenu de souscrire une déclaration pays par pays conformément à l'article 321/2, § 4 fera savoir à l'administration belge compétente pour l'établissement des impôts sur les revenus, au plus tard le dernier jour de la période déclarable de ce groupe multinational, si elle est l'entité mère ultime, l'entité mère de substitution ou l'entité constitutive conformément à l'article 321/2, § 2.
§ 2. Lorsqu'une entité constitutive belge d'un groupe multinational tenu de souscrire une déclaration pays par pays conformément à l'article 321/2, § 4 n'est ni l'entité mère ultime ni l'entité mère de substitution ni l'entité constitutive conformément à l'article 321/2, § 2, elle informera l'administration belge compétente pour l'établissement des impôts sur les revenus, au plus tard le dernier jour de la période déclarable de ce groupe multinational, de l'identité et du domicile de l'entité déclarante.".
Art. 57. In dezelfde afdeling I/1, ingevoegd bij artikel 53, wordt een artikel 321/4 ingevoegd, luidende :
"Art. 321/4. § 1. Een Belgische groepsentiteit moet binnen 12 maanden na de laatste dag van de rapporteringsperiode van de multinationale groep bij de Belgische administratie bevoegd voor de vestiging van de inkomstenbelastingen een groepsdossier indienen dat betrekking heeft op die laatst afgesloten rapporteringsperiode.
§ 2. In het groepsdossier wordt een overzicht gegeven van de multinationale groep, inclusief de aard van de bedrijfsactiviteiten, de immateriële vaste activa, de intra-groep financiële verrichtingen en de geconsolideerde financiële en fiscale positie van de multinationale groep, haar algehele verrekenprijspolitiek en haar wereldwijde allocatie van haar inkomsten en economische activiteiten om belastingadministraties te ondersteunen bij de beoordeling van de aanwezigheid van een verrekenprijsrisico.
§ 3. De verplichting in § 1 geldt voor elke Belgische groepsentiteit van een multinationale groep die, voor het boekjaar dat onmiddellijk voorafgaat aan het laatste afgesloten boekjaar, één van onderstaande criteria overschrijdt, zoals blijkt uit haar enkelvoudige jaarrekening :
- een totaal van 50 miljoen euro aan bedrijfs- en financiële opbrengsten met uitsluiting van de niet-recurrente opbrengsten;
- een balanstotaal van 1 miljard euro;
- het jaargemiddelde van het personeelsbestand van 100 voltijdse equivalenten.
§ 4. Het groepsdossier wordt ingediend door middel van een formulier waarvan het model en de indieningsmodaliteiten door de Koning wordt vastgesteld.".
"Art. 321/4. § 1. Een Belgische groepsentiteit moet binnen 12 maanden na de laatste dag van de rapporteringsperiode van de multinationale groep bij de Belgische administratie bevoegd voor de vestiging van de inkomstenbelastingen een groepsdossier indienen dat betrekking heeft op die laatst afgesloten rapporteringsperiode.
§ 2. In het groepsdossier wordt een overzicht gegeven van de multinationale groep, inclusief de aard van de bedrijfsactiviteiten, de immateriële vaste activa, de intra-groep financiële verrichtingen en de geconsolideerde financiële en fiscale positie van de multinationale groep, haar algehele verrekenprijspolitiek en haar wereldwijde allocatie van haar inkomsten en economische activiteiten om belastingadministraties te ondersteunen bij de beoordeling van de aanwezigheid van een verrekenprijsrisico.
§ 3. De verplichting in § 1 geldt voor elke Belgische groepsentiteit van een multinationale groep die, voor het boekjaar dat onmiddellijk voorafgaat aan het laatste afgesloten boekjaar, één van onderstaande criteria overschrijdt, zoals blijkt uit haar enkelvoudige jaarrekening :
- een totaal van 50 miljoen euro aan bedrijfs- en financiële opbrengsten met uitsluiting van de niet-recurrente opbrengsten;
- een balanstotaal van 1 miljard euro;
- het jaargemiddelde van het personeelsbestand van 100 voltijdse equivalenten.
§ 4. Het groepsdossier wordt ingediend door middel van een formulier waarvan het model en de indieningsmodaliteiten door de Koning wordt vastgesteld.".
Art. 57. Dans la même section I/1, insérée par l'article 53, est inséré un article 321/4, rédigé comme suit :
"Art. 321/4. § 1er. Une entité constitutive belge doit, dans les 12 mois qui suivent le dernier jour de la période déclarable du groupe multinational, déposer auprès de l'administration belge compétente pour l'établissement des impôts sur les revenus un fichier principal relatif à cette dernière période déclarable clôturée.
§ 2. Le fichier principal donne une vue d'ensemble du groupe multinational, y compris la nature de ses activités, les immobilisations incorporelles, les transactions financières intra-groupe et la situation financière et fiscale consolidée du groupe multinational, sa politique générale en matière de prix de transfert et la répartition mondiale de ses revenus et de ses activités économiques afin d'aider les administrations fiscales à évaluer l'existence d'un risque en matière de prix de transfert.
§ 3. L'obligation prévue au § 1er est applicable à toute entité belge constitutive d'un groupe multinational dont les comptes annuels montrent que, pour l'exercice comptable qui précède immédiatement le dernier exercice comptable clôturé, elle dépasse un des critères suivants :
- un total de 50 millions d'euros de produits d'exploitation et de produits financiers, à l'exclusion des produits non-récurrents;
- un total du bilan d'1 milliard d'euros;
- une moyenne annuelle de personnel de 100 équivalents temps plein.
§ 4. Le fichier principal est introduit par un formulaire dont le modèle et les modalités de dépôt sont fixés par le Roi.".
"Art. 321/4. § 1er. Une entité constitutive belge doit, dans les 12 mois qui suivent le dernier jour de la période déclarable du groupe multinational, déposer auprès de l'administration belge compétente pour l'établissement des impôts sur les revenus un fichier principal relatif à cette dernière période déclarable clôturée.
§ 2. Le fichier principal donne une vue d'ensemble du groupe multinational, y compris la nature de ses activités, les immobilisations incorporelles, les transactions financières intra-groupe et la situation financière et fiscale consolidée du groupe multinational, sa politique générale en matière de prix de transfert et la répartition mondiale de ses revenus et de ses activités économiques afin d'aider les administrations fiscales à évaluer l'existence d'un risque en matière de prix de transfert.
§ 3. L'obligation prévue au § 1er est applicable à toute entité belge constitutive d'un groupe multinational dont les comptes annuels montrent que, pour l'exercice comptable qui précède immédiatement le dernier exercice comptable clôturé, elle dépasse un des critères suivants :
- un total de 50 millions d'euros de produits d'exploitation et de produits financiers, à l'exclusion des produits non-récurrents;
- un total du bilan d'1 milliard d'euros;
- une moyenne annuelle de personnel de 100 équivalents temps plein.
§ 4. Le fichier principal est introduit par un formulaire dont le modèle et les modalités de dépôt sont fixés par le Roi.".
Art. 58. In dezelfde afdeling I/1, ingevoegd bij artikel 53, wordt een artikel 321/5 ingevoegd, luidende :
"Art. 321/5. § 1. Een Belgische groepsentiteit, dient bij haar aangifte een lokaal dossier in met betrekking tot het boekjaar waarop die aangifte betrekking heeft.
§ 2. Het lokaal dossier bestaat uit een formulier waarin informatie opgenomen is met betrekking tot de lokale entiteit en een gedetailleerd inlichtingenformulier aangaande de verrekenprijsanalyse van de verrichtingen tussen de lokale entiteit en de buitenlandse entiteiten van de multinationale groep, in het bijzonder de relevante financiële informatie van deze verrichtingen, de vergelijkbaarheidsstudie en de selectie en de toepassing van de meest aangewezen verrekenprijsmethode.
§ 3. De verplichting in § 1 geldt voor elke Belgische groepsentiteit van een multinationale groep die, voor het boekjaar dat onmiddellijk voorafgaat aan het laatste afgesloten boekjaar, één van onderstaande criteria overschrijdt, zoals blijkt uit haar enkelvoudige jaarrekening :
- een totaal van 50 miljoen euro aan bedrijfs- en financiële opbrengsten met uitsluiting van de niet-recurrente opbrengsten;
- een balanstotaal van 1 miljard euro;
- het jaargemiddelde van het personeelsbestand van 100 voltijdse equivalenten.
Het inlichtingenformulier bij het lokaal dossier dient slechts ingevuld te worden wanneer voor ten minste één van de bedrijfseenheden binnen de Belgische groepsentiteit de drempelwaarde van een totaal van 1 000 000 euro aan grensoverschrijdende transacties met groepsentiteiten werd overschreden in het laatste afgesloten boekjaar. In dat geval moet het inlichtingenformulier ingevuld worden voor elke bedrijfseenheid die deze drempelwaarde overschrijdt.
§ 4. Het lokale dossier moet ingediend worden in een formulier waarvan het model door de Koning werd vastgesteld.".
"Art. 321/5. § 1. Een Belgische groepsentiteit, dient bij haar aangifte een lokaal dossier in met betrekking tot het boekjaar waarop die aangifte betrekking heeft.
§ 2. Het lokaal dossier bestaat uit een formulier waarin informatie opgenomen is met betrekking tot de lokale entiteit en een gedetailleerd inlichtingenformulier aangaande de verrekenprijsanalyse van de verrichtingen tussen de lokale entiteit en de buitenlandse entiteiten van de multinationale groep, in het bijzonder de relevante financiële informatie van deze verrichtingen, de vergelijkbaarheidsstudie en de selectie en de toepassing van de meest aangewezen verrekenprijsmethode.
§ 3. De verplichting in § 1 geldt voor elke Belgische groepsentiteit van een multinationale groep die, voor het boekjaar dat onmiddellijk voorafgaat aan het laatste afgesloten boekjaar, één van onderstaande criteria overschrijdt, zoals blijkt uit haar enkelvoudige jaarrekening :
- een totaal van 50 miljoen euro aan bedrijfs- en financiële opbrengsten met uitsluiting van de niet-recurrente opbrengsten;
- een balanstotaal van 1 miljard euro;
- het jaargemiddelde van het personeelsbestand van 100 voltijdse equivalenten.
Het inlichtingenformulier bij het lokaal dossier dient slechts ingevuld te worden wanneer voor ten minste één van de bedrijfseenheden binnen de Belgische groepsentiteit de drempelwaarde van een totaal van 1 000 000 euro aan grensoverschrijdende transacties met groepsentiteiten werd overschreden in het laatste afgesloten boekjaar. In dat geval moet het inlichtingenformulier ingevuld worden voor elke bedrijfseenheid die deze drempelwaarde overschrijdt.
§ 4. Het lokale dossier moet ingediend worden in een formulier waarvan het model door de Koning werd vastgesteld.".
Art. 58. Dans la même section I/1, insérée par l'article 53, est inséré un article 321/5, rédigé comme suit :
"Art. 321/5. § 1er. Une entité belge constitutive doit joindre à sa déclaration un fichier local relatif à l'exercice comptable sur lequel porte la déclaration.
§ 2. Le fichier local est constitué d'un formulaire contenant des informations relatives à l'entité locale et d'un document d'information détaillé concernant l'analyse des prix de transfert des transactions entre l'entité locale et les entités étrangères du groupe multinational, en particulier les informations financières pertinentes relatives à ces transactions, l'étude de comparabilité et la sélection et l'application de la méthode de prix de transfert la plus appropriée.
§ 3. L'obligation prévue au § 1er est applicable à toute entité belge constitutive d'un groupe multinational dont les comptes statutaires montrent que, pour l'exercice comptable qui précède immédiatement l'exercice comptable le plus récent clôturé, elle dépasse un des critères suivants :
- un total de 50 millions d'euros de produits d'exploitation et de produits financiers, à l'exclusion des produits non-récurrents;
- un total du bilan d'1 milliard d'euros;
- une moyenne annuelle de personnel de 100 équivalents temps plein.
Le document d'information à joindre au fichier local ne doit être rempli que lorsque, pour au moins une des unités d'exploitation au sein de l'entité constitutive belge, la valeur totale des transactions transfrontalières avec des entités constitutives a dépassé le seuil de 1 000 000 euros au cours du dernier exercice comptable clôturé. Dans ce cas, le formulaire d'information doit être rempli pour chaque unité d'exploitation qui dépasse ce seuil.
§ 4. Le fichier local doit être introduit sur un formulaire dont le modèle est fixé par le Roi.".
"Art. 321/5. § 1er. Une entité belge constitutive doit joindre à sa déclaration un fichier local relatif à l'exercice comptable sur lequel porte la déclaration.
§ 2. Le fichier local est constitué d'un formulaire contenant des informations relatives à l'entité locale et d'un document d'information détaillé concernant l'analyse des prix de transfert des transactions entre l'entité locale et les entités étrangères du groupe multinational, en particulier les informations financières pertinentes relatives à ces transactions, l'étude de comparabilité et la sélection et l'application de la méthode de prix de transfert la plus appropriée.
§ 3. L'obligation prévue au § 1er est applicable à toute entité belge constitutive d'un groupe multinational dont les comptes statutaires montrent que, pour l'exercice comptable qui précède immédiatement l'exercice comptable le plus récent clôturé, elle dépasse un des critères suivants :
- un total de 50 millions d'euros de produits d'exploitation et de produits financiers, à l'exclusion des produits non-récurrents;
- un total du bilan d'1 milliard d'euros;
- une moyenne annuelle de personnel de 100 équivalents temps plein.
Le document d'information à joindre au fichier local ne doit être rempli que lorsque, pour au moins une des unités d'exploitation au sein de l'entité constitutive belge, la valeur totale des transactions transfrontalières avec des entités constitutives a dépassé le seuil de 1 000 000 euros au cours du dernier exercice comptable clôturé. Dans ce cas, le formulaire d'information doit être rempli pour chaque unité d'exploitation qui dépasse ce seuil.
§ 4. Le fichier local doit être introduit sur un formulaire dont le modèle est fixé par le Roi.".
Art. 59. In dezelfde afdeling I/1, ingevoegd bij artikel 53, wordt een artikel 321/6 ingevoegd, luidende :
"Art. 321/6. Het landenrapport zal gebruikt worden voor het beoordelen van grote verrekenprijsrisico's en van andere risico's die verband houden met de uitholling van de belastbare grondslag en met winstverschuiving, daaronder begrepen het risico dat leden van de multinationale groep waarvoor regels in verband met verrekenprijzen van toepassing zijn, die regels niet naleven en, waar aangewezen, ook voor het maken van een economische en statistische analyse. Aanpassingen van de verrekenprijzen, mogen niet louter gebaseerd zijn op het landenrapport. Niettegenstaande het voorafgaande, is het niet verboden om het landenrapport als basis te gebruiken om in het kader van een controle verder onderzoek te verrichten naar de verrekenprijsafspraken van de multinationale groep of naar andere belastingaangelegenheden, van een groepsentiteit met als gevolg dat passende correcties mogen gemaakt worden aan het belastbaar inkomen van een groepsentiteit.".
"Art. 321/6. Het landenrapport zal gebruikt worden voor het beoordelen van grote verrekenprijsrisico's en van andere risico's die verband houden met de uitholling van de belastbare grondslag en met winstverschuiving, daaronder begrepen het risico dat leden van de multinationale groep waarvoor regels in verband met verrekenprijzen van toepassing zijn, die regels niet naleven en, waar aangewezen, ook voor het maken van een economische en statistische analyse. Aanpassingen van de verrekenprijzen, mogen niet louter gebaseerd zijn op het landenrapport. Niettegenstaande het voorafgaande, is het niet verboden om het landenrapport als basis te gebruiken om in het kader van een controle verder onderzoek te verrichten naar de verrekenprijsafspraken van de multinationale groep of naar andere belastingaangelegenheden, van een groepsentiteit met als gevolg dat passende correcties mogen gemaakt worden aan het belastbaar inkomen van een groepsentiteit.".
Art. 59. Dans la même section I/1, insérée par l'article 53, est inséré un article 321/6, rédigé comme suit :
"Art. 321/6. La déclaration pays par pays sera utilisée pour l'évaluation des risques de haut niveau liés aux prix de transfert et d'autres risques associés à l'érosion de la base imposable et au transfert de bénéfices, y compris le risque que des membres du groupe multinational ne respectent pas les règles en matière de prix de transfert qui leur sont applicables. Le cas échéant, la déclaration pays par pays sera également utilisée pour effectuer une analyse économique et statistique. Les ajustements des prix de transfert ne peuvent être fondés uniquement sur la déclaration pays par pays. Nonobstant ce qui précède, il n'est pas interdit d'utiliser la déclaration pays par pays comme base pour accomplir, dans le cadre d'un contrôle, des investigations plus poussées portant sur les accords en matière de prix de transfert ou sur d'autres questions fiscales concernant le groupe multinational, ou une entité constitutive, à la suite desquelles des ajustements adéquats peuvent être apportés au revenu imposable d'une entité constitutive.".
"Art. 321/6. La déclaration pays par pays sera utilisée pour l'évaluation des risques de haut niveau liés aux prix de transfert et d'autres risques associés à l'érosion de la base imposable et au transfert de bénéfices, y compris le risque que des membres du groupe multinational ne respectent pas les règles en matière de prix de transfert qui leur sont applicables. Le cas échéant, la déclaration pays par pays sera également utilisée pour effectuer une analyse économique et statistique. Les ajustements des prix de transfert ne peuvent être fondés uniquement sur la déclaration pays par pays. Nonobstant ce qui précède, il n'est pas interdit d'utiliser la déclaration pays par pays comme base pour accomplir, dans le cadre d'un contrôle, des investigations plus poussées portant sur les accords en matière de prix de transfert ou sur d'autres questions fiscales concernant le groupe multinational, ou une entité constitutive, à la suite desquelles des ajustements adéquats peuvent être apportés au revenu imposable d'une entité constitutive.".
Art. 60. In dezelfde afdeling I/1, ingevoegd bij artikel 53, wordt een artikel 321/7 ingevoegd, luidende :
"Art. 321/7. Voor de toepassing van deze afdeling en de daaruit voortvloeiende uitvoeringsbesluiten kan de rapportage van de daarin bedoelde formulieren, naast de gebruikelijke landstalen, ook in het Engels gebeuren.
Voor elk ander gebruik van de formulieren dan de rapportage voorzien onder deze afdeling of een daaruit volgende controle, moet, indien vereist, een vertaling in een van de Belgische landstalen, al dan niet door een beëdigd vertaler, door de belastingplichtige ingediend worden.".
"Art. 321/7. Voor de toepassing van deze afdeling en de daaruit voortvloeiende uitvoeringsbesluiten kan de rapportage van de daarin bedoelde formulieren, naast de gebruikelijke landstalen, ook in het Engels gebeuren.
Voor elk ander gebruik van de formulieren dan de rapportage voorzien onder deze afdeling of een daaruit volgende controle, moet, indien vereist, een vertaling in een van de Belgische landstalen, al dan niet door een beëdigd vertaler, door de belastingplichtige ingediend worden.".
Art. 60. Dans la même section I/1, insérée par l'article 53, est inséré un article 321/7, rédigé comme suit :
"Art. 321/7. Pour l'application de la présente section et des arrêtés d'exécution qui en découlent, les formulaires y visés peuvent, outre dans les langues officielles de la Belgique, également être faits en anglais.
Pour toute autre utilisation des formulaires que le rapportage prévu par la présente section ou un contrôle en résultant, le contribuable doit, si nécessaire, fournir une traduction dans une des langues officielles de la Belgique, effectuée ou non par un traducteur-juré.".
"Art. 321/7. Pour l'application de la présente section et des arrêtés d'exécution qui en découlent, les formulaires y visés peuvent, outre dans les langues officielles de la Belgique, également être faits en anglais.
Pour toute autre utilisation des formulaires que le rapportage prévu par la présente section ou un contrôle en résultant, le contribuable doit, si nécessaire, fournir une traduction dans une des langues officielles de la Belgique, effectuée ou non par un traducteur-juré.".
Art. 61. In artikel 358 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 juli 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° paragraaf 1 wordt aangevuld met een 5° luidende :
"5° er na een procedure van onderling overleg in toepassing van een internationale overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting of na een procedure in toepassing van het Verdrag ter afschaffing van dubbele belasting in geval van winstcorrecties tussen verbonden ondernemingen (90/436/EEG) van 23 juli 1990, nog belastingen verschuldigd zijn.";
2° in paragraaf 2 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) in de inleidende zin worden de woorden "3° en 4° " vervangen door de woorden "3°, 4° en 5° ";
b) er wordt een bepaling onder 4° ingevoegd luidende : "4° waarop de procedure bedoeld in § 1, 5°, is beëindigd.".
1° paragraaf 1 wordt aangevuld met een 5° luidende :
"5° er na een procedure van onderling overleg in toepassing van een internationale overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting of na een procedure in toepassing van het Verdrag ter afschaffing van dubbele belasting in geval van winstcorrecties tussen verbonden ondernemingen (90/436/EEG) van 23 juli 1990, nog belastingen verschuldigd zijn.";
2° in paragraaf 2 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) in de inleidende zin worden de woorden "3° en 4° " vervangen door de woorden "3°, 4° en 5° ";
b) er wordt een bepaling onder 4° ingevoegd luidende : "4° waarop de procedure bedoeld in § 1, 5°, is beëindigd.".
Art. 61. L'article 358 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 20 juillet 2006, est modifié comme suit :
1° le paragraphe 1er est complété par un 5° rédigé comme suit :
"5° des impôts sont encore dus à la suite d'une procédure amiable en application d'une convention internationale préventive de la double imposition ou d'une procédure en application de la Convention relative à l'élimination des doubles impositions en cas de corrections des bénéfices des entreprises associées (90/436) du 23 juillet 1990.";
2° le paragraphe 2 est modifié comme suit :
a) dans la phrase liminaire, les mots "3° et 4° " sont remplacés par les mots"3°, 4° et 5° ";
b) un 4° est inséré, rédigé comme suit : "4° la procédure visée au § 1er, 5°, est terminée.".
1° le paragraphe 1er est complété par un 5° rédigé comme suit :
"5° des impôts sont encore dus à la suite d'une procédure amiable en application d'une convention internationale préventive de la double imposition ou d'une procédure en application de la Convention relative à l'élimination des doubles impositions en cas de corrections des bénéfices des entreprises associées (90/436) du 23 juillet 1990.";
2° le paragraphe 2 est modifié comme suit :
a) dans la phrase liminaire, les mots "3° et 4° " sont remplacés par les mots"3°, 4° et 5° ";
b) un 4° est inséré, rédigé comme suit : "4° la procédure visée au § 1er, 5°, est terminée.".
Art. 62. Artikel 376, § 3, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 december 2013, wordt aangevuld met een bepaling onder 3° luidende :
"3° van de teveel betaalde belasting die werd vastgesteld na een procedure van onderling overleg in toepassing van een internationale overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting of na een procedure in toepassing van het Verdrag ter afschaffing van dubbele belasting in geval van winstcorrecties tussen verbonden ondernemingen (90/436/EEG) van 23 juli 1990.".
"3° van de teveel betaalde belasting die werd vastgesteld na een procedure van onderling overleg in toepassing van een internationale overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting of na een procedure in toepassing van het Verdrag ter afschaffing van dubbele belasting in geval van winstcorrecties tussen verbonden ondernemingen (90/436/EEG) van 23 juli 1990.".
Art. 62. L'article 376, § 3, du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 21 décembre 2013, est complété par un 3° rédigé comme suit :
"3° de l'impôt excédentaire payé, tel que constaté après une procédure amiable en application d'une convention internationale préventive de la double imposition ou après une procédure en application de la Convention relative à l'élimination des doubles impositions en cas de corrections des bénéfices des entreprises associées (90/436/CEE) du 23 juillet 1990.".
"3° de l'impôt excédentaire payé, tel que constaté après une procédure amiable en application d'une convention internationale préventive de la double imposition ou après une procédure en application de la Convention relative à l'élimination des doubles impositions en cas de corrections des bénéfices des entreprises associées (90/436/CEE) du 23 juillet 1990.".
Art. 63. Artikel 445 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij deze wet, wordt aangevuld met een paragraaf 3 luidende :
" § 3. In afwijking van § 1, eerste lid, kan de door de bevoegde adviseur-generaal gemachtigde ambtenaar voor een overtreding van de bepalingen van de artikelen 321/1 tot 321/6, evenals van de ter uitvoering ervan genomen besluiten, een boete opleggen van 1 250 EUR tot 25 000 EUR vanaf de tweede overtreding.
De Koning legt de schaal van de administratieve geldboetes vast en regelt hun toepassingsmodaliteiten.".
" § 3. In afwijking van § 1, eerste lid, kan de door de bevoegde adviseur-generaal gemachtigde ambtenaar voor een overtreding van de bepalingen van de artikelen 321/1 tot 321/6, evenals van de ter uitvoering ervan genomen besluiten, een boete opleggen van 1 250 EUR tot 25 000 EUR vanaf de tweede overtreding.
De Koning legt de schaal van de administratieve geldboetes vast en regelt hun toepassingsmodaliteiten.".
Art. 63. L'article 445 du même Code, modifié en dernier lieu par cette loi, est complété par un paragraphe 3, rédigé comme suit :
" § 3. Par dérogation au § 1er, alinéa 1er, le fonctionnaire délégué par le conseiller général compétent peut, pour une infraction des dispositions des articles 321/1 à 321/6, ainsi que des arrêtés pris pour leur exécution, appliquer une amende de 1 250 EUR à 25 000 EUR à partir de la deuxième infraction.
Le Roi fixe l'échelle des amendes administratives et règle les modalités d'application de celles-ci.".
" § 3. Par dérogation au § 1er, alinéa 1er, le fonctionnaire délégué par le conseiller général compétent peut, pour une infraction des dispositions des articles 321/1 à 321/6, ainsi que des arrêtés pris pour leur exécution, appliquer une amende de 1 250 EUR à 25 000 EUR à partir de la deuxième infraction.
Le Roi fixe l'échelle des amendes administratives et règle les modalités d'application de celles-ci.".
Art. 64. Deze afdeling heeft uitwerking :
1° voor de artikelen 61, 62 en 63 vanaf aanslagjaar 2017;
2° voor de overige artikelen voor rapporteringsperiodes van multinationale groepen of boekjaren die beginnen vanaf 1 januari 2016.
1° voor de artikelen 61, 62 en 63 vanaf aanslagjaar 2017;
2° voor de overige artikelen voor rapporteringsperiodes van multinationale groepen of boekjaren die beginnen vanaf 1 januari 2016.
Art. 64. La présente section produira ses effets :
1° en ce qui concerne les articles 61, 62 et 63, à partir de l'exercice d'imposition 2017;
2° en ce qui concerne les autres articles, pour les périodes déclarables de groupes multinationaux ou les exercices comptables commençant à partir du 1er janvier 2016.
1° en ce qui concerne les articles 61, 62 et 63, à partir de l'exercice d'imposition 2017;
2° en ce qui concerne les autres articles, pour les périodes déclarables de groupes multinationaux ou les exercices comptables commençant à partir du 1er janvier 2016.
Afdeling 4. - Invordering
Section 4. - Recouvrement
Onderafdeling 1. - Schorsing van de invordering
Sous-section 1re. - Suspension du recouvrement
Art. 65. In artikel 300 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt paragraaf 2 vervangen als volgt :
" § 2. De termijnen van verzet, hoger beroep en cassatie, alsmede het verzet, het hoger beroep en de voorziening in cassatie schorsen de tenuitvoerlegging van de gerechtelijke beslissing met betrekking tot maatregelen welke er, zelfs gedeeltelijk, toe strekken de invordering van de belasting te verwezenlijken of te waarborgen, daarin begrepen alle opcentiemen, verhogingen en boetes, alsmede van de desbetreffende interesten en kosten.".
" § 2. De termijnen van verzet, hoger beroep en cassatie, alsmede het verzet, het hoger beroep en de voorziening in cassatie schorsen de tenuitvoerlegging van de gerechtelijke beslissing met betrekking tot maatregelen welke er, zelfs gedeeltelijk, toe strekken de invordering van de belasting te verwezenlijken of te waarborgen, daarin begrepen alle opcentiemen, verhogingen en boetes, alsmede van de desbetreffende interesten en kosten.".
Art. 65. Dans l'article 300 du Code des impôts sur les revenus 1992, le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. Les délais d'opposition, d'appel et de cassation, ainsi que l'opposition, l'appel et le pourvoi en cassation sont suspensifs de l'exécution de la décision de justice afférente, même partiellement, à des mesures destinées à effectuer ou à garantir le recouvrement de l'impôt, y compris tous additionnels, accroissements et amendes, ainsi que des intérêts et frais y relatifs.".
" § 2. Les délais d'opposition, d'appel et de cassation, ainsi que l'opposition, l'appel et le pourvoi en cassation sont suspensifs de l'exécution de la décision de justice afférente, même partiellement, à des mesures destinées à effectuer ou à garantir le recouvrement de l'impôt, y compris tous additionnels, accroissements et amendes, ainsi que des intérêts et frais y relatifs.".
Onderafdeling 2. - Vereenvoudigd derdenbeslag
Sous-section 2. - Simplification de la saisie-arrêt
Art. 66. Artikel 85bis van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, ingevoegd bij de wet van 8 augustus 1980 en gewijzigd bij de wetten van 22 december 1989 en 20 juli 2006, wordt vervangen als volgt :
"Art. 85bis. § 1. Na de in artikel 85 bedoelde kennisgeving of betekening kan de bevoegde ontvanger, bij aangetekende brief, uitvoerend beslag onder derden leggen op de sommen en zaken die de bewaarnemer of schuldenaar aan de belastingschuldige verschuldigd is of moet teruggeven.
Dit beslag heeft uitwerking vanaf de overhandiging van het stuk aan de geadresseerde.
§ 2. Vanaf de datum van de inwerkingtreding van het akkoord dat hiervoor tussen de derde-beslagene en de bevoegde diensten van de Federale Overheidsdienst Financiën wordt gesloten, kan de bevoegde ontvanger het in paragraaf 1 bedoelde beslag onder derden leggen door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken gebruikt worden.
Dit akkoord blijft van toepassing zolang de derde-beslagene het niet uitdrukkelijk bij aangetekende brief heeft opgezegd. De opzegging gaat in vanaf de eerste dag van de derde maand volgend op de ontvangst van de kennisgeving ervan door de bevoegde dienst van de Federale Overheidsdienst Financiën.
In de gevallen waarin gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid bedoeld in het eerste lid, heeft het beslag onder derden uitwerking vanaf de datum van ontvangstmelding van het beslag door de derde-beslagene.
Wanneer eenzelfde beslag onder derden achtereenvolgens wordt gelegd volgens de procedures bepaald respectievelijk in het eerste lid en paragraaf 1, eerste lid, zal het beslag gelegd overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, slechts primeren indien de overhandiging van het stuk aan de geadresseerde zoals bepaald in paragraaf 1, tweede lid, de datum van ontvangstmelding van het beslag door de derde-beslagene zoals bepaald in het derde lid voorafgaat.
De informatie opgenomen in de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde kennisgeving van het beslag, is dezelfde, ongeacht of ze wordt meegedeeld door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt of door een aangetekende brief.
De oorsprong en de integriteit van de inhoud van de kennisgeving van het beslag worden, in geval van verzending door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, verzekerd door middel van aangepaste beveiligingstechnieken.
Opdat de kennisgeving van het beslag op geldige wijze als beslag onder derden zou gelden, moet een digitaal certificaat worden gebruikt.
Ongeacht de toegepaste techniek, wordt er gegarandeerd dat enkel de gerechtigde personen toegang hebben tot de middelen waarmee het digitaal certificaat wordt gecreëerd.
De gevolgde procedures moeten bovendien toelaten dat de natuurlijke persoon die verantwoordelijk is voor de verzending correct kan worden geïdentificeerd en dat het tijdstip van de verzending correct kan worden vastgesteld.
Met als enig doel de in deze paragraaf vermelde bepalingen uit te voeren, wordt de beslagen belastingschuldige geïdentificeerd ofwel door het identificatienummer van het Rijksregister of, bij gebrek daaraan, het identificatienummer van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid wanneer het een natuurlijke persoon betreft, ofwel door het identificatienummer van de Kruispuntbank van Ondernemingen wanneer het een rechtspersoon betreft.
§ 3. Het beslag onder derden wordt eveneens bij aangetekende brief aan de belastingschuldige aangezegd. Indien de belastingschuldige geen gekende woonplaats meer heeft, geschiedt de aanzegging van het beslag bij aangetekende brief aan de procureur des Konings te Brussel.
De belastingschuldige kan tegen het beslag onder derden bij aangetekende brief verzet aantekenen bij de bevoegde ontvanger binnen de vijftien dagen te rekenen vanaf de afgifte van de aanzegging van het beslag bij de aanbieder van de universele postdienst. De belastingschuldige moet binnen dezelfde termijn bij aangetekende brief de derde-beslagene inlichten.
Wanneer het beslag slaat op inkomsten bedoeld in de artikelen 1409, §§ 1 en 1bis, en 1410 van het Gerechtelijk Wetboek, bevat de aanzegging, op straffe van nietigheid, het aangifteformulier voor kind ten laste waarvan het model bepaald is door de minister van Justitie.
§ 4. Het in de paragrafen 1 en 2 bedoelde beslag onder derden geeft aanleiding tot het opmaken en het verzenden, door de bevoegde ontvanger, van een bericht van beslag zoals bedoeld in artikel 1390 van het Gerechtelijk Wetboek.
§ 5. Onder voorbehoud van het bepaalde in de paragrafen 1, 2 en 3, zijn op dit beslag onder derden de bepalingen toepasselijk van de artikelen 1539, 1540, 1542, eerste lid, en 1543 van het Gerechtelijk Wetboek, met dien verstande dat :
1° de derde-beslagene zijn verklaring van de sommen of zaken die het voorwerp zijn van het beslag eveneens door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken gebruikt worden aan de betrokken ontvanger kan doen indien het beslag onder derden volgens de procedure voorzien in paragraaf 2, eerste lid, werd gelegd. In dit geval is de datum van de verklaring van de sommen of zaken die het voorwerp zijn van het beslag de datum van ontvangstmelding die door de bevoegde dienst van de Federale Overheidsdienst Financiën wordt verzonden;
2° de derde-beslagene er overeenkomstig artikel 1543 van het Gerechtelijk Wetboek toe gehouden is op overlegging van een afschrift van de aanzegging van het beslag, afgifte te doen van het bedrag van het in paragraaf 3, eerste lid, bedoeld beslag. Wanneer het beslag onder derden wordt gelegd volgens de in paragraaf 2, eerste lid, voorziene procedure, wordt de overlegging van een afschrift van de aanzegging van het beslag geacht te zijn vervuld door de mededeling aan de derde-beslagene van de datum van de afgifte van de aanzegging van het beslag bij de aanbieder van de universele postdienst. In dat geval gebeurt de mededeling eveneens door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken gebruikt worden;
3° de afgifte van het bedrag van het beslag geschiedt in handen van de bevoegde ontvanger.
Met als enig doel de in deze paragraaf vermelde bepalingen uit te voeren, wordt de beslagen belastingschuldige geïdentificeerd ofwel door het identificatienummer van het Rijksregister of, bij gebrek daaraan, het identificatienummer van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid wanneer het een natuurlijke persoon betreft, ofwel door het identificatienummer van de Kruispuntbank van Ondernemingen wanneer het een rechtspersoon betreft.
§ 6. De kosten voor de aangetekende brieven bedoeld in de paragrafen 1, 3 en 5 zijn ten laste van de belastingschuldige.
§ 7. De belastingschuldige wordt op de hoogte gebracht van de bestemming van de betalingen en van het saldo na de betalingen.
§ 8. Het uitvoerend beslag onder derden geschiedt door middel van een deurwaardersexploot op de wijze bepaald in de artikelen 1539 tot 1544 van het Gerechtelijk Wetboek, wanneer blijkt :
1° dat de belastingschuldige zich verzet tegen het in de paragrafen 1 en 2 bedoelde beslag;
2° dat de derde-beslagene zijn schuld tegenover de belastingschuldige betwist;
3° dat de sommen en zaken het voorwerp zijn van een verzet of beslag onder derden vóór het in de paragrafen 1 en 2 bedoelde beslag gedaan door andere schuldeisers;
4° dat de zaken te gelde moeten worden gemaakt.
In deze gevallen blijft het door de ontvanger overeenkomstig de paragrafen 1 en 2 gelegde beslag zijn bewarend effect behouden wanneer een uitvoerend beslag onder derden bij deurwaardersexploot wordt gelegd als bepaald bij artikel 1539 van het Gerechtelijk Wetboek, binnen een maand na :
1° ofwel de afgifte bij de aanbieder van de universele postdienst van het verzet van de belastingschuldige als bepaald bij paragraaf 3, tweede lid, of van de verklaring als bepaald bij artikel 1452 van het Gerechtelijk Wetboek;
2° ofwel de ontvangstmelding van deze verklaring indien zij werd verzonden door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken gebruikt worden als bepaald bij paragraaf 5, eerste lid, 1°. ".
"Art. 85bis. § 1. Na de in artikel 85 bedoelde kennisgeving of betekening kan de bevoegde ontvanger, bij aangetekende brief, uitvoerend beslag onder derden leggen op de sommen en zaken die de bewaarnemer of schuldenaar aan de belastingschuldige verschuldigd is of moet teruggeven.
Dit beslag heeft uitwerking vanaf de overhandiging van het stuk aan de geadresseerde.
§ 2. Vanaf de datum van de inwerkingtreding van het akkoord dat hiervoor tussen de derde-beslagene en de bevoegde diensten van de Federale Overheidsdienst Financiën wordt gesloten, kan de bevoegde ontvanger het in paragraaf 1 bedoelde beslag onder derden leggen door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken gebruikt worden.
Dit akkoord blijft van toepassing zolang de derde-beslagene het niet uitdrukkelijk bij aangetekende brief heeft opgezegd. De opzegging gaat in vanaf de eerste dag van de derde maand volgend op de ontvangst van de kennisgeving ervan door de bevoegde dienst van de Federale Overheidsdienst Financiën.
In de gevallen waarin gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid bedoeld in het eerste lid, heeft het beslag onder derden uitwerking vanaf de datum van ontvangstmelding van het beslag door de derde-beslagene.
Wanneer eenzelfde beslag onder derden achtereenvolgens wordt gelegd volgens de procedures bepaald respectievelijk in het eerste lid en paragraaf 1, eerste lid, zal het beslag gelegd overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, slechts primeren indien de overhandiging van het stuk aan de geadresseerde zoals bepaald in paragraaf 1, tweede lid, de datum van ontvangstmelding van het beslag door de derde-beslagene zoals bepaald in het derde lid voorafgaat.
De informatie opgenomen in de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde kennisgeving van het beslag, is dezelfde, ongeacht of ze wordt meegedeeld door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt of door een aangetekende brief.
De oorsprong en de integriteit van de inhoud van de kennisgeving van het beslag worden, in geval van verzending door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, verzekerd door middel van aangepaste beveiligingstechnieken.
Opdat de kennisgeving van het beslag op geldige wijze als beslag onder derden zou gelden, moet een digitaal certificaat worden gebruikt.
Ongeacht de toegepaste techniek, wordt er gegarandeerd dat enkel de gerechtigde personen toegang hebben tot de middelen waarmee het digitaal certificaat wordt gecreëerd.
De gevolgde procedures moeten bovendien toelaten dat de natuurlijke persoon die verantwoordelijk is voor de verzending correct kan worden geïdentificeerd en dat het tijdstip van de verzending correct kan worden vastgesteld.
Met als enig doel de in deze paragraaf vermelde bepalingen uit te voeren, wordt de beslagen belastingschuldige geïdentificeerd ofwel door het identificatienummer van het Rijksregister of, bij gebrek daaraan, het identificatienummer van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid wanneer het een natuurlijke persoon betreft, ofwel door het identificatienummer van de Kruispuntbank van Ondernemingen wanneer het een rechtspersoon betreft.
§ 3. Het beslag onder derden wordt eveneens bij aangetekende brief aan de belastingschuldige aangezegd. Indien de belastingschuldige geen gekende woonplaats meer heeft, geschiedt de aanzegging van het beslag bij aangetekende brief aan de procureur des Konings te Brussel.
De belastingschuldige kan tegen het beslag onder derden bij aangetekende brief verzet aantekenen bij de bevoegde ontvanger binnen de vijftien dagen te rekenen vanaf de afgifte van de aanzegging van het beslag bij de aanbieder van de universele postdienst. De belastingschuldige moet binnen dezelfde termijn bij aangetekende brief de derde-beslagene inlichten.
Wanneer het beslag slaat op inkomsten bedoeld in de artikelen 1409, §§ 1 en 1bis, en 1410 van het Gerechtelijk Wetboek, bevat de aanzegging, op straffe van nietigheid, het aangifteformulier voor kind ten laste waarvan het model bepaald is door de minister van Justitie.
§ 4. Het in de paragrafen 1 en 2 bedoelde beslag onder derden geeft aanleiding tot het opmaken en het verzenden, door de bevoegde ontvanger, van een bericht van beslag zoals bedoeld in artikel 1390 van het Gerechtelijk Wetboek.
§ 5. Onder voorbehoud van het bepaalde in de paragrafen 1, 2 en 3, zijn op dit beslag onder derden de bepalingen toepasselijk van de artikelen 1539, 1540, 1542, eerste lid, en 1543 van het Gerechtelijk Wetboek, met dien verstande dat :
1° de derde-beslagene zijn verklaring van de sommen of zaken die het voorwerp zijn van het beslag eveneens door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken gebruikt worden aan de betrokken ontvanger kan doen indien het beslag onder derden volgens de procedure voorzien in paragraaf 2, eerste lid, werd gelegd. In dit geval is de datum van de verklaring van de sommen of zaken die het voorwerp zijn van het beslag de datum van ontvangstmelding die door de bevoegde dienst van de Federale Overheidsdienst Financiën wordt verzonden;
2° de derde-beslagene er overeenkomstig artikel 1543 van het Gerechtelijk Wetboek toe gehouden is op overlegging van een afschrift van de aanzegging van het beslag, afgifte te doen van het bedrag van het in paragraaf 3, eerste lid, bedoeld beslag. Wanneer het beslag onder derden wordt gelegd volgens de in paragraaf 2, eerste lid, voorziene procedure, wordt de overlegging van een afschrift van de aanzegging van het beslag geacht te zijn vervuld door de mededeling aan de derde-beslagene van de datum van de afgifte van de aanzegging van het beslag bij de aanbieder van de universele postdienst. In dat geval gebeurt de mededeling eveneens door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken gebruikt worden;
3° de afgifte van het bedrag van het beslag geschiedt in handen van de bevoegde ontvanger.
Met als enig doel de in deze paragraaf vermelde bepalingen uit te voeren, wordt de beslagen belastingschuldige geïdentificeerd ofwel door het identificatienummer van het Rijksregister of, bij gebrek daaraan, het identificatienummer van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid wanneer het een natuurlijke persoon betreft, ofwel door het identificatienummer van de Kruispuntbank van Ondernemingen wanneer het een rechtspersoon betreft.
§ 6. De kosten voor de aangetekende brieven bedoeld in de paragrafen 1, 3 en 5 zijn ten laste van de belastingschuldige.
§ 7. De belastingschuldige wordt op de hoogte gebracht van de bestemming van de betalingen en van het saldo na de betalingen.
§ 8. Het uitvoerend beslag onder derden geschiedt door middel van een deurwaardersexploot op de wijze bepaald in de artikelen 1539 tot 1544 van het Gerechtelijk Wetboek, wanneer blijkt :
1° dat de belastingschuldige zich verzet tegen het in de paragrafen 1 en 2 bedoelde beslag;
2° dat de derde-beslagene zijn schuld tegenover de belastingschuldige betwist;
3° dat de sommen en zaken het voorwerp zijn van een verzet of beslag onder derden vóór het in de paragrafen 1 en 2 bedoelde beslag gedaan door andere schuldeisers;
4° dat de zaken te gelde moeten worden gemaakt.
In deze gevallen blijft het door de ontvanger overeenkomstig de paragrafen 1 en 2 gelegde beslag zijn bewarend effect behouden wanneer een uitvoerend beslag onder derden bij deurwaardersexploot wordt gelegd als bepaald bij artikel 1539 van het Gerechtelijk Wetboek, binnen een maand na :
1° ofwel de afgifte bij de aanbieder van de universele postdienst van het verzet van de belastingschuldige als bepaald bij paragraaf 3, tweede lid, of van de verklaring als bepaald bij artikel 1452 van het Gerechtelijk Wetboek;
2° ofwel de ontvangstmelding van deze verklaring indien zij werd verzonden door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken gebruikt worden als bepaald bij paragraaf 5, eerste lid, 1°. ".
Art. 66. L'article 85bis du Code de la taxe sur la valeur ajoutée, inséré par la loi du 8 août 1980 et modifié par les lois des 22 décembre 1989 et 20 juillet 2006, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 85bis. § 1er. Après la notification ou la signification visées à l'article 85, le receveur compétent peut faire procéder, par pli recommandé, à la saisie-arrêt-exécution entre les mains d'un tiers sur les sommes et effets dus ou appartenant au redevable.
Cette saisie sort ses effets à compter de la remise de la pièce au destinataire.
§ 2. A partir de la date d'effet de l'accord conclu à cette fin entre le tiers saisi et les services compétents du Service public fédéral Finances, le receveur compétent peut effectuer la saisie-arrêt visée au paragraphe 1er au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique.
Cet accord reste d'application tant que le tiers saisi ne l'a pas expressément dénoncé par pli recommandé. La dénonciation prend effet à partir du premier jour du troisième mois qui suit la réception de sa notification par le service compétent du Service public fédéral Finances.
Dans les cas où il est fait usage de la faculté prévue à l'alinéa 1er, la saisie-arrêt sort ses effets à compter de la date de l'accusé de réception de la saisie communiqué par le tiers saisi.
Lorsqu'une même saisie-arrêt est adressée successivement selon les procédures prévues respectivement à l'alinéa 1er et au paragraphe 1er, alinéa 1er, la saisie adressée conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er, ne prévaut que lorsque la date de remise de la pièce au destinataire visée au paragraphe 1er, alinéa 2, est antérieure à la date de l'accusé de réception communiqué par le tiers saisi visée à l'alinéa 3.
Les informations reprises dans la notification de saisie visée aux paragraphes 1er et 2 sont les mêmes, qu'elles soient communiquées au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique ou par pli recommandé.
L'origine et l'intégrité du contenu de la notification de saisie en cas d'envoi au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique sont assurées au moyen de techniques de protection adaptées.
Pour que la notification de saisie soit valable comme saisie-arrêt, un certificat électronique doit être utilisé.
Quelle que soit la technique appliquée, il est garanti que seules les personnes habilitées ont accès aux moyens avec lesquels le certificat électronique est créé.
Les procédures suivies doivent par ailleurs permettre à la personne physique responsable de l'envoi d'être identifiée correctement, ainsi que d'identifier correctement le moment de l'envoi.
Dans le seul but d'exécuter les dispositions visées dans ce paragraphe, le redevable saisi est identifié soit par le numéro d'identification du Registre national, ou à défaut, le numéro d'identification de la Banque-Carrefour de la Sécurité Sociale lorsqu'il s'agit d'une personne physique, soit par le numéro d'identification de la Banque-Carrefour des Entreprises lorsqu'il s'agit d'une personne morale.
§ 3. La saisie-arrêt doit également être dénoncée au redevable par pli recommandé. Lorsque le redevable n'a plus de domicile connu, la dénonciation de la saisie est faite par pli recommandé au procureur du Roi à Bruxelles.
Le redevable peut faire opposition à la saisie-arrêt par pli recommandé adressé au receveur compétent dans les quinze jours de la remise au prestataire de service postal universel de la dénonciation de la saisie. Le redevable doit en informer le tiers saisi dans le même délai par pli recommandé.
Lorsque la saisie porte sur des revenus visés aux articles 1409, §§ 1er et 1erbis, et 1410 du Code judiciaire, la dénonciation contient, à peine de nullité, le formulaire de déclaration d'enfant à charge dont le modèle est arrêté par le ministre de la Justice.
§ 4. La saisie-arrêt visée aux paragraphes 1er et 2, donne lieu à l'établissement et à l'envoi, par le receveur compétent, d'un avis de saisie comme prévu à l'article 1390 du Code judicaire.
§ 5. Sous réserve de ce qui est prévu aux paragraphes 1er, 2 et 3, les dispositions des articles 1539, 1540, 1542, alinéa 1er, et 1543, du Code judiciaire, sont applicables à cette saisie-arrêt, étant entendu que :
1° le tiers saisi peut également faire la déclaration des sommes ou effets, objets de la saisie, au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique au receveur concerné lorsque la saisie-arrêt est adressée selon la procédure prévue au paragraphe 2, alinéa 1er. Dans ce cas, la date de la déclaration des sommes ou effets, objets de la saisie, est la date de l'accusé de réception communiqué par le service compétent du Service public fédéral Finances;
2° le tiers saisi est tenu de vider ses mains conformément à l'article 1543 du Code judiciaire, sur production d'une copie de dénonciation de la saisie visée au paragraphe 3, alinéa 1er. Lorsque la saisie-arrêt est adressée selon la procédure prévue au paragraphe 2, alinéa 1er, la production d'une copie de dénonciation de la saisie est réputée accomplie par la communication au tiers saisi de la date de la remise au prestataire de service postal universel de la dénonciation de la saisie. Dans ce cas, cette communication s'effectue également au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique;
3° la remise du montant de la saisie se fait entre les mains du receveur compétent.
Dans le seul but d'exécuter les dispositions visées dans le présent paragraphe, le redevable saisi est identifié soit par le numéro d'identification du Registre national ou, à défaut, le numéro d'identification de la Banque-Carrefour de la Sécurité Sociale lorsqu'il s'agit d'une personne physique, soit par le numéro d'identification de la Banque-Carrefour des Entreprises lorsqu'il s'agit d'une personne morale.
§ 6. Les frais des plis recommandés visés aux paragraphes 1er, 3 et 5 sont à charge du redevable.
§ 7. Le redevable est avisé de la destination des paiements et du solde après paiements.
§ 8. La saisie-arrêt-exécution est pratiquée par exploit d'huissier, de la manière prévue aux articles 1539 à 1544 du Code judicaire, lorsqu'il apparaît :
1° que le redevable s'oppose à la saisie-arrêt visée aux paragraphes 1er et 2;
2° que le tiers saisi conteste sa dette à l'égard du redevable;
3° que les sommes et effets font l'objet de la part d'autres créanciers, d'une opposition ou d'une saisie-arrêt antérieure à la saisie-arrêt visée aux paragraphes 1er et 2;
4° que les effets doivent être réalisés.
Dans ces cas, la saisie-arrêt pratiquée par le receveur en application des paragraphes 1er et 2 garde ses effets conservatoires si le receveur fait procéder par exploit d'huissier, comme prévu à l'article 1539 du Code judicaire, à une saisie-arrêt-exécution entre les mains du tiers dans le mois qui suit :
1° soit la remise au prestataire de service postal universel de l'opposition du redevable prévue au paragraphe 3, alinéa 2, ou de la déclaration prévue à l'article 1452 du Code judiciaire;
2° soit l'accusé de réception de cette déclaration si elle a été transmise au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique comme prévu au paragraphe 5, alinéa 1er, 1°. ".
"Art. 85bis. § 1er. Après la notification ou la signification visées à l'article 85, le receveur compétent peut faire procéder, par pli recommandé, à la saisie-arrêt-exécution entre les mains d'un tiers sur les sommes et effets dus ou appartenant au redevable.
Cette saisie sort ses effets à compter de la remise de la pièce au destinataire.
§ 2. A partir de la date d'effet de l'accord conclu à cette fin entre le tiers saisi et les services compétents du Service public fédéral Finances, le receveur compétent peut effectuer la saisie-arrêt visée au paragraphe 1er au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique.
Cet accord reste d'application tant que le tiers saisi ne l'a pas expressément dénoncé par pli recommandé. La dénonciation prend effet à partir du premier jour du troisième mois qui suit la réception de sa notification par le service compétent du Service public fédéral Finances.
Dans les cas où il est fait usage de la faculté prévue à l'alinéa 1er, la saisie-arrêt sort ses effets à compter de la date de l'accusé de réception de la saisie communiqué par le tiers saisi.
Lorsqu'une même saisie-arrêt est adressée successivement selon les procédures prévues respectivement à l'alinéa 1er et au paragraphe 1er, alinéa 1er, la saisie adressée conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er, ne prévaut que lorsque la date de remise de la pièce au destinataire visée au paragraphe 1er, alinéa 2, est antérieure à la date de l'accusé de réception communiqué par le tiers saisi visée à l'alinéa 3.
Les informations reprises dans la notification de saisie visée aux paragraphes 1er et 2 sont les mêmes, qu'elles soient communiquées au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique ou par pli recommandé.
L'origine et l'intégrité du contenu de la notification de saisie en cas d'envoi au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique sont assurées au moyen de techniques de protection adaptées.
Pour que la notification de saisie soit valable comme saisie-arrêt, un certificat électronique doit être utilisé.
Quelle que soit la technique appliquée, il est garanti que seules les personnes habilitées ont accès aux moyens avec lesquels le certificat électronique est créé.
Les procédures suivies doivent par ailleurs permettre à la personne physique responsable de l'envoi d'être identifiée correctement, ainsi que d'identifier correctement le moment de l'envoi.
Dans le seul but d'exécuter les dispositions visées dans ce paragraphe, le redevable saisi est identifié soit par le numéro d'identification du Registre national, ou à défaut, le numéro d'identification de la Banque-Carrefour de la Sécurité Sociale lorsqu'il s'agit d'une personne physique, soit par le numéro d'identification de la Banque-Carrefour des Entreprises lorsqu'il s'agit d'une personne morale.
§ 3. La saisie-arrêt doit également être dénoncée au redevable par pli recommandé. Lorsque le redevable n'a plus de domicile connu, la dénonciation de la saisie est faite par pli recommandé au procureur du Roi à Bruxelles.
Le redevable peut faire opposition à la saisie-arrêt par pli recommandé adressé au receveur compétent dans les quinze jours de la remise au prestataire de service postal universel de la dénonciation de la saisie. Le redevable doit en informer le tiers saisi dans le même délai par pli recommandé.
Lorsque la saisie porte sur des revenus visés aux articles 1409, §§ 1er et 1erbis, et 1410 du Code judiciaire, la dénonciation contient, à peine de nullité, le formulaire de déclaration d'enfant à charge dont le modèle est arrêté par le ministre de la Justice.
§ 4. La saisie-arrêt visée aux paragraphes 1er et 2, donne lieu à l'établissement et à l'envoi, par le receveur compétent, d'un avis de saisie comme prévu à l'article 1390 du Code judicaire.
§ 5. Sous réserve de ce qui est prévu aux paragraphes 1er, 2 et 3, les dispositions des articles 1539, 1540, 1542, alinéa 1er, et 1543, du Code judiciaire, sont applicables à cette saisie-arrêt, étant entendu que :
1° le tiers saisi peut également faire la déclaration des sommes ou effets, objets de la saisie, au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique au receveur concerné lorsque la saisie-arrêt est adressée selon la procédure prévue au paragraphe 2, alinéa 1er. Dans ce cas, la date de la déclaration des sommes ou effets, objets de la saisie, est la date de l'accusé de réception communiqué par le service compétent du Service public fédéral Finances;
2° le tiers saisi est tenu de vider ses mains conformément à l'article 1543 du Code judiciaire, sur production d'une copie de dénonciation de la saisie visée au paragraphe 3, alinéa 1er. Lorsque la saisie-arrêt est adressée selon la procédure prévue au paragraphe 2, alinéa 1er, la production d'une copie de dénonciation de la saisie est réputée accomplie par la communication au tiers saisi de la date de la remise au prestataire de service postal universel de la dénonciation de la saisie. Dans ce cas, cette communication s'effectue également au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique;
3° la remise du montant de la saisie se fait entre les mains du receveur compétent.
Dans le seul but d'exécuter les dispositions visées dans le présent paragraphe, le redevable saisi est identifié soit par le numéro d'identification du Registre national ou, à défaut, le numéro d'identification de la Banque-Carrefour de la Sécurité Sociale lorsqu'il s'agit d'une personne physique, soit par le numéro d'identification de la Banque-Carrefour des Entreprises lorsqu'il s'agit d'une personne morale.
§ 6. Les frais des plis recommandés visés aux paragraphes 1er, 3 et 5 sont à charge du redevable.
§ 7. Le redevable est avisé de la destination des paiements et du solde après paiements.
§ 8. La saisie-arrêt-exécution est pratiquée par exploit d'huissier, de la manière prévue aux articles 1539 à 1544 du Code judicaire, lorsqu'il apparaît :
1° que le redevable s'oppose à la saisie-arrêt visée aux paragraphes 1er et 2;
2° que le tiers saisi conteste sa dette à l'égard du redevable;
3° que les sommes et effets font l'objet de la part d'autres créanciers, d'une opposition ou d'une saisie-arrêt antérieure à la saisie-arrêt visée aux paragraphes 1er et 2;
4° que les effets doivent être réalisés.
Dans ces cas, la saisie-arrêt pratiquée par le receveur en application des paragraphes 1er et 2 garde ses effets conservatoires si le receveur fait procéder par exploit d'huissier, comme prévu à l'article 1539 du Code judicaire, à une saisie-arrêt-exécution entre les mains du tiers dans le mois qui suit :
1° soit la remise au prestataire de service postal universel de l'opposition du redevable prévue au paragraphe 3, alinéa 2, ou de la déclaration prévue à l'article 1452 du Code judiciaire;
2° soit l'accusé de réception de cette déclaration si elle a été transmise au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique comme prévu au paragraphe 5, alinéa 1er, 1°. ".
Afdeling 5. - Bankinlichtingen
Section 5. - Informations des banques
Onderafdeling 1. - Belasting over de toegevoegde waarde
Sous-section 1re. - Taxe sur la valeur ajoutée
Art. 67. Artikel 62bis van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, ingevoegd bij de wet van 28 december 1992 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, wordt aangevuld met drie leden, luidende :
"De ambtenaren van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde met de graad van adviseur-generaal hebben de machtiging in gevallen van fraude en op specifieke en gemotiveerde aanvraag de in artikel 322, § 3, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde beschikbare gegevens over een schuldenaar op te vragen bij het centraal aanspreekpunt van de Nationale Bank van België.
De in het vorige lid vermelde machtiging wordt slechts verleend als alle andere wettelijke middelen voor het bekomen van de gewenste inlichtingen of informatie uitgeput zijn en na de bevraging van de schuldenaar. Bij die bevraging wordt aan de schuldenaar meegedeeld dat bij gebreke aan antwoord het in het tweede lid bedoelde contactpunt zal worden geraadpleegd.
De raadpleging van het in het tweede lid bedoeld centraal aanspreekpunt gebeurt volgens de nadere regels in toepassing van artikel 322, § 3, derde lid, 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.".
"De ambtenaren van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde met de graad van adviseur-generaal hebben de machtiging in gevallen van fraude en op specifieke en gemotiveerde aanvraag de in artikel 322, § 3, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde beschikbare gegevens over een schuldenaar op te vragen bij het centraal aanspreekpunt van de Nationale Bank van België.
De in het vorige lid vermelde machtiging wordt slechts verleend als alle andere wettelijke middelen voor het bekomen van de gewenste inlichtingen of informatie uitgeput zijn en na de bevraging van de schuldenaar. Bij die bevraging wordt aan de schuldenaar meegedeeld dat bij gebreke aan antwoord het in het tweede lid bedoelde contactpunt zal worden geraadpleegd.
De raadpleging van het in het tweede lid bedoeld centraal aanspreekpunt gebeurt volgens de nadere regels in toepassing van artikel 322, § 3, derde lid, 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.".
Art. 67. L'article 62bis du Code de la taxe sur la valeur ajoutée, inséré par la loi du 28 décembre 1992 et modifié en dernier lieu par la loi du 25 avril 2014, est complété par trois alinéas rédigés comme suit :
"Les agents de l'administration en charge de la taxe sur la valeur ajoutée avec le grade conseiller général ont l'autorisation de demander, dans les cas de fraude et sur demande spécifique et motivée, les données disponibles visées à l'article 322, § 3, alinéa 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992, relatives à un redevable au point de contact central de la Banque Nationale de Belgique.
L'autorisation visée à l'alinéa précédent est uniquement octroyée lorsque tous les autres moyens légaux nécessaires pour l'obtention des renseignements ou informations requis ont été épuisés et, ce après avoir interrogé le redevable. A l'occasion de cette interrogation, il est communiqué au redevable qu'à défaut de réponse, il sera procédé à la consultation du point de contact central visé à l'alinéa 2.
La consultation du point de contact central visé à l'alinéa 2, a lieu selon les modalités prévues en application de l'article 322, § 3, alinéa 3, 3°, du Code des impôts sur les revenus 1992.".
"Les agents de l'administration en charge de la taxe sur la valeur ajoutée avec le grade conseiller général ont l'autorisation de demander, dans les cas de fraude et sur demande spécifique et motivée, les données disponibles visées à l'article 322, § 3, alinéa 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992, relatives à un redevable au point de contact central de la Banque Nationale de Belgique.
L'autorisation visée à l'alinéa précédent est uniquement octroyée lorsque tous les autres moyens légaux nécessaires pour l'obtention des renseignements ou informations requis ont été épuisés et, ce après avoir interrogé le redevable. A l'occasion de cette interrogation, il est communiqué au redevable qu'à défaut de réponse, il sera procédé à la consultation du point de contact central visé à l'alinéa 2.
La consultation du point de contact central visé à l'alinéa 2, a lieu selon les modalités prévues en application de l'article 322, § 3, alinéa 3, 3°, du Code des impôts sur les revenus 1992.".
Art. 68. In artikel 63bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 december 1992 en laatstelijk gewijzigd bij de programmawet van 29 maart 2012, wordt tussen het tweede en het derde lid een lid ingevoegd, luidende :
"De ontvangers bevoegd voor de invordering van de belasting over de toegevoegde waarde kunnen, teneinde de verschuldigde belasting in te vorderen, de in artikel 322, § 3, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde beschikbare gegevens met betrekking tot een belastingschuldige opvragen bij het centraal aanspreekpunt van de Nationale Bank van België zonder de beperkingen van artikel 322, §§ 2 tot 4, van hetzelfde Wetboek. De machtiging hiertoe wordt verleend door een ambtenaar met minimum de graad van adviseur-generaal.".
"De ontvangers bevoegd voor de invordering van de belasting over de toegevoegde waarde kunnen, teneinde de verschuldigde belasting in te vorderen, de in artikel 322, § 3, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde beschikbare gegevens met betrekking tot een belastingschuldige opvragen bij het centraal aanspreekpunt van de Nationale Bank van België zonder de beperkingen van artikel 322, §§ 2 tot 4, van hetzelfde Wetboek. De machtiging hiertoe wordt verleend door een ambtenaar met minimum de graad van adviseur-generaal.".
Art. 68. Dans l'article 63bis du même Code, inséré par la loi du 28 décembre 1992 et modifié en dernier lieu par la loi-programme du 29 mars 2012, un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 2 et 3 :
"Les receveurs compétents pour le recouvrement de la taxe sur la valeur ajoutée peuvent, aux fins de recouvrer la taxe due, demander au point de contact central de la Banque nationale de Belgique les données disponibles visées à l'article 322, § 3, alinéa 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992, relatives à un redevable sans les limitations de l'article 322, §§ 2 à 4, du même Code. L'autorisation visée ici est octroyée par un agent doté au minimum du grade de conseiller général.".
"Les receveurs compétents pour le recouvrement de la taxe sur la valeur ajoutée peuvent, aux fins de recouvrer la taxe due, demander au point de contact central de la Banque nationale de Belgique les données disponibles visées à l'article 322, § 3, alinéa 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992, relatives à un redevable sans les limitations de l'article 322, §§ 2 à 4, du même Code. L'autorisation visée ici est octroyée par un agent doté au minimum du grade de conseiller général.".
Onderafdeling 2. - Douane
Sous-section 2. - Douanes
Art. 69. Artikel 203 van de Algemene wet van 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen wordt aangevuld met een § 4 luidende :
" § 4. Door middel van een met redenen omklede machtiging, uitgaande van de Administrateur-generaal kunnen de ambtenaren van de Algemene administratie van de douane en accijnzen in het kader van de onderzoeken gegevens opvragen uit het Centraal Aanspreekpunt zoals bedoeld in artikel 322, § 3, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 rekening houdend met de beperkingen van artikel 322, §§ 2 tot 4, van hetzelfde Wetboek.".
" § 4. Door middel van een met redenen omklede machtiging, uitgaande van de Administrateur-generaal kunnen de ambtenaren van de Algemene administratie van de douane en accijnzen in het kader van de onderzoeken gegevens opvragen uit het Centraal Aanspreekpunt zoals bedoeld in artikel 322, § 3, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 rekening houdend met de beperkingen van artikel 322, §§ 2 tot 4, van hetzelfde Wetboek.".
Art. 69. L'article 203 de la Loi générale du 18 juillet 1977 sur les douanes et accises, est complété par un § 4 rédigé comme suit :
" § 4. Via une autorisation motivée émanant de l'Administrateur général, les fonctionnaires de l'Administration générale des douanes et accises peuvent, dans le cadre des enquêtes, demander de se faire communiquer des données par le Point de Contact Central comme prévu à l'article 322, § 3, alinéa 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992 compte tenu des limitations de l'article 322, §§ 2 à 4, du même Code.".
" § 4. Via une autorisation motivée émanant de l'Administrateur général, les fonctionnaires de l'Administration générale des douanes et accises peuvent, dans le cadre des enquêtes, demander de se faire communiquer des données par le Point de Contact Central comme prévu à l'article 322, § 3, alinéa 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992 compte tenu des limitations de l'article 322, §§ 2 à 4, du même Code.".
Art. 70. In dezelfde Algemene wet wordt een artikel 319bis ingevoegd, luidende :
"Art. 319bis. § 1. De ontvangers bevoegd voor de douane en accijnzen kunnen teneinde de verschuldigde belasting in te vorderen de in artikel 322, § 3, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde beschikbare gegevens opvragen bij het centraal aanspreekpunt van de Nationale Bank van België zonder de beperkingen van artikel 322, §§ 2 tot 4, van hetzelfde Wetboek. De machtiging hiertoe wordt verleend door een ambtenaar met minimum de graad van adviseur-generaal.
§ 2. Dezelfde regeling wordt voorzien voor de regionale en centrale diensten bevoegd voor de invordering van douane- en accijnsschulden. Deze machtiging wordt verleend door een ambtenaar met minimum de graad van adviseur-generaal bevoegd voor de Administratie Geschillen.".
"Art. 319bis. § 1. De ontvangers bevoegd voor de douane en accijnzen kunnen teneinde de verschuldigde belasting in te vorderen de in artikel 322, § 3, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde beschikbare gegevens opvragen bij het centraal aanspreekpunt van de Nationale Bank van België zonder de beperkingen van artikel 322, §§ 2 tot 4, van hetzelfde Wetboek. De machtiging hiertoe wordt verleend door een ambtenaar met minimum de graad van adviseur-generaal.
§ 2. Dezelfde regeling wordt voorzien voor de regionale en centrale diensten bevoegd voor de invordering van douane- en accijnsschulden. Deze machtiging wordt verleend door een ambtenaar met minimum de graad van adviseur-generaal bevoegd voor de Administratie Geschillen.".
Art. 70. Un article 319bis est inséré dans la même Loi générale, rédigé comme suit :
"Art. 319bis. § 1er. Aux fins de recouvrer la taxe due, les receveurs compétents pour les douanes et accises peuvent demander au point de contact central de la Banque nationale de Belgique les données disponibles visées à l'article 322, § 3, alinéa 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992, relatives à un redevable sans les limitations de l'article 322, §§ 2 à 4, du même Code. L'autorisation visée ici est octroyée par un agent doté au minimum du grade de conseiller général.
§ 2. La même règle est prévue pour les services régionaux et centraux compétents pour le recouvrement de dettes douanières et accisiennes. Cette autorisation est accordé par un fonctionnaire ayant au minimum le grade de conseiller général compétent pour l'Administration Contentieux.".
"Art. 319bis. § 1er. Aux fins de recouvrer la taxe due, les receveurs compétents pour les douanes et accises peuvent demander au point de contact central de la Banque nationale de Belgique les données disponibles visées à l'article 322, § 3, alinéa 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992, relatives à un redevable sans les limitations de l'article 322, §§ 2 à 4, du même Code. L'autorisation visée ici est octroyée par un agent doté au minimum du grade de conseiller général.
§ 2. La même règle est prévue pour les services régionaux et centraux compétents pour le recouvrement de dettes douanières et accisiennes. Cette autorisation est accordé par un fonctionnaire ayant au minimum le grade de conseiller général compétent pour l'Administration Contentieux.".
Onderafdeling 3. - Registratie- en successierechten
Sous-section 3. - Droits d'enregistrement et de succession
Art. 71. Artikel 222 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, opgeheven bij de wet van 15 maart 1999, wordt hersteld als volgt :
"Art. 222. In geval van niet-betaling van een schuld voortvloeiende uit de toepassing van dit Wetboek, kan de ambtenaar die belast is met de inning van die schuld, bij het Centraal Aanspreekpunt van de Nationale Bank bedoeld in artikel 322, § 3, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 de gegevens opvragen die ten aanzien van die schuldenaar beschikbaar zijn zonder de beperkingen van artikel 322, §§ 2 tot 4, van hetzelfde Wetboek. De machtiging hiertoe wordt verleend door een ambtenaar met minimum de graad van adviseur-generaal.".
"Art. 222. In geval van niet-betaling van een schuld voortvloeiende uit de toepassing van dit Wetboek, kan de ambtenaar die belast is met de inning van die schuld, bij het Centraal Aanspreekpunt van de Nationale Bank bedoeld in artikel 322, § 3, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 de gegevens opvragen die ten aanzien van die schuldenaar beschikbaar zijn zonder de beperkingen van artikel 322, §§ 2 tot 4, van hetzelfde Wetboek. De machtiging hiertoe wordt verleend door een ambtenaar met minimum de graad van adviseur-generaal.".
Art. 71. L'article 222 du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe, abrogé par la loi du 15 mars 1999, est rétabli dans la rédaction suivante :
"Art. 222. En cas de non-paiement d'une dette résultant de l'application du présent Code, le fonctionnaire chargé de la perception de cette dette peut demander, auprès du Point de Contact Central de la Banque Nationale visé à l'article 322, § 3, alinéa 1er, du Code des impôts sur le revenus 1992, les données disponibles relatives à ce débiteur sans les limitations de l'article 322, §§ 2 à 4, du même Code. L'autorisation visée ici est octroyée par un agent doté au minimum du grade de conseiller général.".
"Art. 222. En cas de non-paiement d'une dette résultant de l'application du présent Code, le fonctionnaire chargé de la perception de cette dette peut demander, auprès du Point de Contact Central de la Banque Nationale visé à l'article 322, § 3, alinéa 1er, du Code des impôts sur le revenus 1992, les données disponibles relatives à ce débiteur sans les limitations de l'article 322, §§ 2 à 4, du même Code. L'autorisation visée ici est octroyée par un agent doté au minimum du grade de conseiller général.".
Art. 72. Artikel 100 van het Wetboek der successierechten, vervangen bij de besluitwet van 4 mei 1940 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, wordt aangevuld met twee leden, luidende :
"De ambtenaren van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie kunnen zich eveneens, in het kader van het bankonderzoek, richten tot het Centraal Aanspreekpunt van de Nationale Bank zoals bepaald in artikel 322, § 3, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992. Deze toegang is voorzien mits machtiging van een ambtenaar met minimum de graad van adviseur-generaal.
Enkel in het kader van de aangiften van nalatenschap kunnen de ambtenaren van Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie het Centraal Aanspreekpunt gehouden door de Nationale Bank van België om informatie vragen na voorafgaande machtiging door een ambtenaar met minstens de graad van adviseur-generaal.".
"De ambtenaren van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie kunnen zich eveneens, in het kader van het bankonderzoek, richten tot het Centraal Aanspreekpunt van de Nationale Bank zoals bepaald in artikel 322, § 3, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992. Deze toegang is voorzien mits machtiging van een ambtenaar met minimum de graad van adviseur-generaal.
Enkel in het kader van de aangiften van nalatenschap kunnen de ambtenaren van Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie het Centraal Aanspreekpunt gehouden door de Nationale Bank van België om informatie vragen na voorafgaande machtiging door een ambtenaar met minstens de graad van adviseur-generaal.".
Art. 72. L'article 100 du Code des droits de succession, remplacé par l'arrêté-loi du 4 mai 1940 et modifié en dernier lieu par la loi du 25 avril 2014, est complété par deux alinéas, rédigés comme suit :
"Les fonctionnaires de l'Administration générale de la Documentation patrimoniale peuvent également, dans le cadre de l'enquête en banque, s'adresser au Point de Contact Central de la Banque Nationale comme prévu à l'article 322, § 3, alinéa 1er, du Code des Impôts sur les revenus 1992. Cet accès se limite sous condition d'autorisation octroyée par un agent doté au minimum du grade de conseiller général.
Seulement dans le cadre de déclarations de succession, les fonctionnaires de l'Administration générale de la Documentation Patrimoniale peuvent contacter le point de contact central tenu par la Banque Nationale de Belgique pour demander des informations, mais après autorisation préalable par un agent doté au minimum d'un grade de conseiller général.".
"Les fonctionnaires de l'Administration générale de la Documentation patrimoniale peuvent également, dans le cadre de l'enquête en banque, s'adresser au Point de Contact Central de la Banque Nationale comme prévu à l'article 322, § 3, alinéa 1er, du Code des Impôts sur les revenus 1992. Cet accès se limite sous condition d'autorisation octroyée par un agent doté au minimum du grade de conseiller général.
Seulement dans le cadre de déclarations de succession, les fonctionnaires de l'Administration générale de la Documentation Patrimoniale peuvent contacter le point de contact central tenu par la Banque Nationale de Belgique pour demander des informations, mais après autorisation préalable par un agent doté au minimum d'un grade de conseiller général.".
Art. 73. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 1421/1ingevoegd, luidende :
"Artikel 1421/1. In geval van niet-betaling van een schuld voortvloeiende uit de toepassing van dit Wetboek, kan de ambtenaar die belast is met de inning van die schuld, bij het Centraal Aanspreekpunt van de Nationale Bank bedoeld in artikel 322, § 3, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, de gegevens opvragen die ten aanzien van die schuldenaar beschikbaar zijn zonder de beperkingen van artikel 322, §§ 2 tot 4, van hetzelfde Wetboek. De machtiging hiertoe wordt verleend door een ambtenaar met minstens de graad van adviseur-generaal.".
"Artikel 1421/1. In geval van niet-betaling van een schuld voortvloeiende uit de toepassing van dit Wetboek, kan de ambtenaar die belast is met de inning van die schuld, bij het Centraal Aanspreekpunt van de Nationale Bank bedoeld in artikel 322, § 3, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, de gegevens opvragen die ten aanzien van die schuldenaar beschikbaar zijn zonder de beperkingen van artikel 322, §§ 2 tot 4, van hetzelfde Wetboek. De machtiging hiertoe wordt verleend door een ambtenaar met minstens de graad van adviseur-generaal.".
Art. 73. Dans le même Code, il est inséré un article 1421/1, rédigé comme suit :
"Article 1421/1. En cas de non-paiement d'une dette résultant de l'application du présent Code, le fonctionnaire chargé de la perception de cette dette peut demander auprès du Point de Contact Central de la Banque Nationale visé à l'article 322, § 3, alinéa 1er, du Code des impôts sur le revenus 1992, les données disponibles relatives à ce débiteur sans les limitations de l'article 322, §§ 2 à 4, du même Code. L'autorisation visée ici est octroyée par un agent doté au minimum du grade de conseiller général.".
"Article 1421/1. En cas de non-paiement d'une dette résultant de l'application du présent Code, le fonctionnaire chargé de la perception de cette dette peut demander auprès du Point de Contact Central de la Banque Nationale visé à l'article 322, § 3, alinéa 1er, du Code des impôts sur le revenus 1992, les données disponibles relatives à ce débiteur sans les limitations de l'article 322, §§ 2 à 4, du même Code. L'autorisation visée ici est octroyée par un agent doté au minimum du grade de conseiller général.".
Onderafdeling 4. - Raadpleging van het Centraal Aanspreekpunt gehouden door de Nationale Bank door ontvangers bevoegd voor de invordering van de penale boeten
Sous-section 4. - Consultation du Point de Contact Central de la Banque Nationale de Belgique par les receveurs compétents pour le recouvrement des peines pénales
Art. 74. De [1 adviseurs belast met de invordering]1 van de penale boeten, verbeurdverklaring van geldsommen, gerechtskosten en bijdragen kunnen de in artikel 322, § 3, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde beschikbare gegevens opvragen bij het centraal aanspreekpunt van de Nationale Bank zonder de beperkingen van artikel 322, §§ 2 en 4, van hetzelfde Wetboek. De machtiging hiertoe wordt verleend door een ambtenaar met minstens de graad van adviseur-generaal.
Art. 74. Les [1 conseillers chargés du recouvrement]1 des peines pénales, confiscation des sommes d'argent, frais de justice et cotisations peuvent demander au Point de Contact Central de la Banque nationale de Belgique les données disponibles visées à l'article 322, § 3, alinéa 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992, même en l'absence de preuves de fraude fiscale sans les limitations de l'article 322, §§ 2 à 4, du même Code. L'autorisation visée ici est octroyée par un agent doté au minimum du grade de conseiller général.
Änderungen
HOOFDSTUK 4. - Niet-fiscale invordering
CHAPITRE 4. - Recouvrement non fiscal
Afdeling 1. - Wijziging van de domaniale wet van 22 december 1949
Section 1re. - Modifications de la loi domaniale du 22 décembre 1949
Art. 75. Artikel 3 van de domaniale wet van 22 december 1949, gewijzigd bij wet van 5 juli 1963, wordt vervangen als volgt :
"Art. 3. § 1. Onverminderd het treffen van bewarende maatregelen overeenkomstig het gemeen recht, wordt iedere som, verschuldigd aan de Staat of aan Staatsorganismen, waarvan de invordering wordt verzekerd door de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen, ingevorderd op basis van een uitvoerbaar verklaard bijzonder kohier, een administratieve uitvoerbare titel of een in kracht van gewijsde getreden rechterlijke beslissing houdende veroordeling tot betaling van deze som.
Voor de toepassing van de hiernavolgende bepalingen verstaat men onder "niet-fiscale schuldvordering" elke som van niet-fiscale aard verschuldigd aan de Staat of aan Staatsorganismen, in hoofdsom, interesten en bijbehoren, waarvan de invordering wordt verzekerd door de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen.
§ 2. Tenzij de niet-fiscale schuldvordering het voorwerp uitmaakt van een administratieve uitvoerbare titel of van een in kracht van gewijsde getreden rechterlijke beslissing houdende veroordeling tot betaling ervan, wordt de niet-fiscale schuldvordering, in geval van niet-betaling, in een bijzonder kohier opgenomen.
De niet-fiscale schuldvordering kan het voorwerp uitmaken van verbeterende bijzondere kohieren in het geval van latere wijzigingen, om welke reden dan ook, van de bedragen opgenomen in het bijzonder kohier overeenkomstig het eerste lid.
De bijzondere kohieren worden opgemaakt en uitvoerbaar verklaard door de bevoegde adviseur-generaal van de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen of door een door hem aangewezen ambtenaar.".
"Art. 3. § 1. Onverminderd het treffen van bewarende maatregelen overeenkomstig het gemeen recht, wordt iedere som, verschuldigd aan de Staat of aan Staatsorganismen, waarvan de invordering wordt verzekerd door de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen, ingevorderd op basis van een uitvoerbaar verklaard bijzonder kohier, een administratieve uitvoerbare titel of een in kracht van gewijsde getreden rechterlijke beslissing houdende veroordeling tot betaling van deze som.
Voor de toepassing van de hiernavolgende bepalingen verstaat men onder "niet-fiscale schuldvordering" elke som van niet-fiscale aard verschuldigd aan de Staat of aan Staatsorganismen, in hoofdsom, interesten en bijbehoren, waarvan de invordering wordt verzekerd door de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen.
§ 2. Tenzij de niet-fiscale schuldvordering het voorwerp uitmaakt van een administratieve uitvoerbare titel of van een in kracht van gewijsde getreden rechterlijke beslissing houdende veroordeling tot betaling ervan, wordt de niet-fiscale schuldvordering, in geval van niet-betaling, in een bijzonder kohier opgenomen.
De niet-fiscale schuldvordering kan het voorwerp uitmaken van verbeterende bijzondere kohieren in het geval van latere wijzigingen, om welke reden dan ook, van de bedragen opgenomen in het bijzonder kohier overeenkomstig het eerste lid.
De bijzondere kohieren worden opgemaakt en uitvoerbaar verklaard door de bevoegde adviseur-generaal van de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen of door een door hem aangewezen ambtenaar.".
Art. 75. L'article 3 de la loi domaniale du 22 décembre 1949, modifié par la loi du 5 juillet 1963, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 3. § 1er. Sans préjudice de la mise en oeuvre de mesures conservatoires conformément au droit commun, toute somme due à l'Etat ou à des organismes d'Etat dont le recouvrement est assuré par l'administration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances non fiscales est recouvrée sur base d'un rôle spécial rendu exécutoire, d'un titre exécutoire administratif ou d'une décision judiciaire coulée en force de chose jugée portant condamnation au paiement de cette somme.
Pour l'application des dispositions qui suivent, on entend par "créance non fiscale" toute somme de nature non-fiscal due à l'Etat ou à des organismes d'Etat, en principal, intérêts et accessoires, dont le recouvrement est assuré par l'administration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances non fiscales.
§ 2. Sauf lorsque la créance non fiscale fait l'objet d'un titre exécutoire administratif ou d'une décision judiciaire coulée en force de chose jugée portant condamnation au paiement de celle-ci, la créance non fiscale est, en cas de non-paiement, portée au rôle spécial.
La créance non-fiscale peut faire l'objet de rôles spéciaux rectificatifs en cas de modification ultérieure, pour quelque cause que ce soit, des montants portés au rôle spécial conformément à l'alinéa 1er.
Les rôles spéciaux sont formés et rendus exécutoires par le conseiller général compétent de l'administration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances non fiscales ou par un fonctionnaire délégué par lui.".
"Art. 3. § 1er. Sans préjudice de la mise en oeuvre de mesures conservatoires conformément au droit commun, toute somme due à l'Etat ou à des organismes d'Etat dont le recouvrement est assuré par l'administration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances non fiscales est recouvrée sur base d'un rôle spécial rendu exécutoire, d'un titre exécutoire administratif ou d'une décision judiciaire coulée en force de chose jugée portant condamnation au paiement de cette somme.
Pour l'application des dispositions qui suivent, on entend par "créance non fiscale" toute somme de nature non-fiscal due à l'Etat ou à des organismes d'Etat, en principal, intérêts et accessoires, dont le recouvrement est assuré par l'administration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances non fiscales.
§ 2. Sauf lorsque la créance non fiscale fait l'objet d'un titre exécutoire administratif ou d'une décision judiciaire coulée en force de chose jugée portant condamnation au paiement de celle-ci, la créance non fiscale est, en cas de non-paiement, portée au rôle spécial.
La créance non-fiscale peut faire l'objet de rôles spéciaux rectificatifs en cas de modification ultérieure, pour quelque cause que ce soit, des montants portés au rôle spécial conformément à l'alinéa 1er.
Les rôles spéciaux sont formés et rendus exécutoires par le conseiller général compétent de l'administration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances non fiscales ou par un fonctionnaire délégué par lui.".
Art. 76. Artikel 4 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 6 juli 1989, wordt vervangen als volgt :
"Art. 4. § 1. Een aanmaning tot betaling, die een uittreksel bevat uit het bijzonder kohier of uit de administratieve uitvoerbare titel met vermelding van de datum van uitvoerbaarverklaring van dit bijzonder kohier of van deze administratieve uitvoerbare titel, of die een afschrift van de uitgifte van de rechterlijke beslissing bevat, wordt bij aangetekende brief aan de schuldenaar verzonden. De afgifte van het stuk bij de aanbieder van de universele postdienst geldt als kennisgeving vanaf de derde daaropvolgende werkdag.
Indien de schuldenaar geen gekende woonplaats in België of in het buitenland heeft, wordt deze aanmaning tot betaling aangetekend verstuurd naar de procureur des Konings te Brussel.
§ 2. De niet-fiscale schuldvordering kan niet worden ingevorderd door uitvoeringsmaatregelen dan na het verstrijken van een termijn van acht dagen te rekenen vanaf de kennisgeving van de aanmaning tot betaling bedoeld in paragraaf 1, behalve indien de rechten van de Schatkist in het gedrang komen, in welk geval zij kan worden ingevorderd door middel van uitvoeringsmaatregelen te rekenen vanaf de voormelde kennisgeving.
§ 3. Deze kennisgeving van de aanmaning tot betaling :
- stuit de verjaringstermijn voor de invordering van de niet-fiscale schuldvordering;
- geldt als ingebrekestelling en doet de moratoire interesten lopen, behalve wanneer een specifieke wettelijke of reglementaire bepaling of de in kracht van gewijsde getreden rechterlijke beslissing houdende veroordeling tot betaling van de niet-fiscale schuldvordering ze eerder deed lopen. De moratoire interesten zijn verschuldigd tegen het tarief vastgelegd in burgerlijke zaken en volgens de regels in dezelfde aangelegenheid, tenzij een specifieke wettelijke of reglementaire bepaling anders bepaalt.".
"Art. 4. § 1. Een aanmaning tot betaling, die een uittreksel bevat uit het bijzonder kohier of uit de administratieve uitvoerbare titel met vermelding van de datum van uitvoerbaarverklaring van dit bijzonder kohier of van deze administratieve uitvoerbare titel, of die een afschrift van de uitgifte van de rechterlijke beslissing bevat, wordt bij aangetekende brief aan de schuldenaar verzonden. De afgifte van het stuk bij de aanbieder van de universele postdienst geldt als kennisgeving vanaf de derde daaropvolgende werkdag.
Indien de schuldenaar geen gekende woonplaats in België of in het buitenland heeft, wordt deze aanmaning tot betaling aangetekend verstuurd naar de procureur des Konings te Brussel.
§ 2. De niet-fiscale schuldvordering kan niet worden ingevorderd door uitvoeringsmaatregelen dan na het verstrijken van een termijn van acht dagen te rekenen vanaf de kennisgeving van de aanmaning tot betaling bedoeld in paragraaf 1, behalve indien de rechten van de Schatkist in het gedrang komen, in welk geval zij kan worden ingevorderd door middel van uitvoeringsmaatregelen te rekenen vanaf de voormelde kennisgeving.
§ 3. Deze kennisgeving van de aanmaning tot betaling :
- stuit de verjaringstermijn voor de invordering van de niet-fiscale schuldvordering;
- geldt als ingebrekestelling en doet de moratoire interesten lopen, behalve wanneer een specifieke wettelijke of reglementaire bepaling of de in kracht van gewijsde getreden rechterlijke beslissing houdende veroordeling tot betaling van de niet-fiscale schuldvordering ze eerder deed lopen. De moratoire interesten zijn verschuldigd tegen het tarief vastgelegd in burgerlijke zaken en volgens de regels in dezelfde aangelegenheid, tenzij een specifieke wettelijke of reglementaire bepaling anders bepaalt.".
Art. 76. L'article 4 de la même loi, inséré par la loi du 6 juillet 1989, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 4. § 1er. Une sommation de payer contenant un extrait du rôle spécial ou du titre exécutoire administratif mentionnant la date d'exécutoire de ce rôle spécial ou de ce titre exécutoire administratif, ou une copie de l'expédition de la décision judiciaire, est adressée par pli recommandé au débiteur. La remise de la pièce au prestataire de service postal universel vaut notification à compter du troisième jour ouvrable suivant.
Lorsque le débiteur n'a pas de domicile connu en Belgique ou à l'étranger, cette sommation de payer est adressée par pli recommandé au procureur du Roi à Bruxelles.
§ 2. La créance non fiscale ne peut être recouvrée par voies d'exécution qu'à l'expiration d'un délai de huit jours à compter de la notification de la sommation de payer visée au paragraphe 1er, sauf si les droits du Trésor sont en péril, auquel cas elle peut être recouvrée par voies d'exécution à compter de la notification précitée.
§ 3. Cette notification de la sommation de payer :
- interrompt le délai de prescription pour le recouvrement de la créance non fiscale;
- vaut mise en demeure et fait courir les intérêts moratoires, sauf lorsqu'une disposition légale ou réglementaire particulière ou la décision judiciaire coulée en force de chose jugée portant condamnation au paiement de la créance non fiscale les fait courir antérieurement. Les intérêts moratoires sont dus au taux fixé en matière civile, et selon les règles établies en la même matière, sauf si une disposition légale ou réglementaire particulière en dispose autrement.".
"Art. 4. § 1er. Une sommation de payer contenant un extrait du rôle spécial ou du titre exécutoire administratif mentionnant la date d'exécutoire de ce rôle spécial ou de ce titre exécutoire administratif, ou une copie de l'expédition de la décision judiciaire, est adressée par pli recommandé au débiteur. La remise de la pièce au prestataire de service postal universel vaut notification à compter du troisième jour ouvrable suivant.
Lorsque le débiteur n'a pas de domicile connu en Belgique ou à l'étranger, cette sommation de payer est adressée par pli recommandé au procureur du Roi à Bruxelles.
§ 2. La créance non fiscale ne peut être recouvrée par voies d'exécution qu'à l'expiration d'un délai de huit jours à compter de la notification de la sommation de payer visée au paragraphe 1er, sauf si les droits du Trésor sont en péril, auquel cas elle peut être recouvrée par voies d'exécution à compter de la notification précitée.
§ 3. Cette notification de la sommation de payer :
- interrompt le délai de prescription pour le recouvrement de la créance non fiscale;
- vaut mise en demeure et fait courir les intérêts moratoires, sauf lorsqu'une disposition légale ou réglementaire particulière ou la décision judiciaire coulée en force de chose jugée portant condamnation au paiement de la créance non fiscale les fait courir antérieurement. Les intérêts moratoires sont dus au taux fixé en matière civile, et selon les règles établies en la même matière, sauf si une disposition légale ou réglementaire particulière en dispose autrement.".
Art. 77. Dezelfde wet wordt aangevuld met een artikel 5, luidende :
"Art. 5. § 1. Onder voorbehoud van de bepalingen van deze wet, gebeurt de tenuitvoerlegging van het uitvoerbaar verklaard bijzonder kohier, de administratieve uitvoerbare titel of de in kracht van gewijsde getreden rechterlijke beslissing houdende veroordeling tot betaling van de niet-fiscale schuldvordering in overeenstemming met de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, Deel V, Titel III, over de gedwongen tenuitvoerlegging.
De overhandiging door de ontvanger aan de gerechtsdeurwaarder van een uittreksel uit het bijzondere kohier of uit de administratieve uitvoerbare titel met vermelding van de datum van uitvoerbaarverklaring van dat bijzonder kohier of van deze administratieve uitvoerbare titel, of van de uitgifte van de rechterlijke beslissing overeenkomstig artikel 1393 van het Gerechtelijk Wetboek, geldt als volmacht voor alle tenuitvoerleggingen.
Wanneer de ontvanger een bevel tot betaling laat betekenen, moet dit bovenaan een uittreksel uit het bijzonder kohier of van de administratieve uitvoerbare titel bevatten met vermelding van de datum van uitvoerbaarverklaring van dit bijzonder kohier of van deze administratieve uitvoerbare titel.
§ 2. De tenuitvoerlegging van het uitvoerbaar verklaard bijzonder kohier of de administratieve uitvoerbare titel kan slechts worden gestuit door een rechtsvordering voor de rechtbank van eerste aanleg, tenzij een specifieke wettelijke of reglementaire bepaling anders bepaalt.
§ 3. Het bijzonder kohier en de administratieve uitvoerbare titel zijn uitvoerbaar tegen de personen die er niet zijn in opgenomen in de mate dat zij gehouden zijn tot betaling van de niet-fiscale schuldvordering krachtens het gemeen recht of krachtens specifieke wettelijke of reglementaire bepalingen.
Voor de toepassing van de hiernavolgende bepalingen, worden deze personen aangeduid als medeschuldenaars.
De niet-fiscale schuldvordering kan evenwel slechts lastens de medeschuldenaars worden ingevorderd door uitvoeringsmaatregelen :
1° wanneer hen bij aangetekende brief een aanmaning tot betaling werd verstuurd, die een uittreksel bevat uit het bijzonder kohier of uit de administratieve uitvoerbare titel met vermelding van de datum van uitvoerbaarverklaring van dat bijzonder kohier of van deze algemene lijst. De afgifte van het stuk aan de aanbieder van de universele postdienst geldt als kennisgeving vanaf de derde daaropvolgende werkdag.
Indien de medeschuldenaar geen gekende woonplaats heeft in België of in het buitenland heeft, wordt deze aanmaning tot betaling aangetekend verstuurd naar de procureur des Konings te Brussel.
2° na het verstrijken van een termijn van acht dagen te rekenen vanaf de kennisgeving van de aanmaning tot betaling bedoeld onder 1°, behalve indien de rechten van de Schatkist in het gedrang komen.".
"Art. 5. § 1. Onder voorbehoud van de bepalingen van deze wet, gebeurt de tenuitvoerlegging van het uitvoerbaar verklaard bijzonder kohier, de administratieve uitvoerbare titel of de in kracht van gewijsde getreden rechterlijke beslissing houdende veroordeling tot betaling van de niet-fiscale schuldvordering in overeenstemming met de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, Deel V, Titel III, over de gedwongen tenuitvoerlegging.
De overhandiging door de ontvanger aan de gerechtsdeurwaarder van een uittreksel uit het bijzondere kohier of uit de administratieve uitvoerbare titel met vermelding van de datum van uitvoerbaarverklaring van dat bijzonder kohier of van deze administratieve uitvoerbare titel, of van de uitgifte van de rechterlijke beslissing overeenkomstig artikel 1393 van het Gerechtelijk Wetboek, geldt als volmacht voor alle tenuitvoerleggingen.
Wanneer de ontvanger een bevel tot betaling laat betekenen, moet dit bovenaan een uittreksel uit het bijzonder kohier of van de administratieve uitvoerbare titel bevatten met vermelding van de datum van uitvoerbaarverklaring van dit bijzonder kohier of van deze administratieve uitvoerbare titel.
§ 2. De tenuitvoerlegging van het uitvoerbaar verklaard bijzonder kohier of de administratieve uitvoerbare titel kan slechts worden gestuit door een rechtsvordering voor de rechtbank van eerste aanleg, tenzij een specifieke wettelijke of reglementaire bepaling anders bepaalt.
§ 3. Het bijzonder kohier en de administratieve uitvoerbare titel zijn uitvoerbaar tegen de personen die er niet zijn in opgenomen in de mate dat zij gehouden zijn tot betaling van de niet-fiscale schuldvordering krachtens het gemeen recht of krachtens specifieke wettelijke of reglementaire bepalingen.
Voor de toepassing van de hiernavolgende bepalingen, worden deze personen aangeduid als medeschuldenaars.
De niet-fiscale schuldvordering kan evenwel slechts lastens de medeschuldenaars worden ingevorderd door uitvoeringsmaatregelen :
1° wanneer hen bij aangetekende brief een aanmaning tot betaling werd verstuurd, die een uittreksel bevat uit het bijzonder kohier of uit de administratieve uitvoerbare titel met vermelding van de datum van uitvoerbaarverklaring van dat bijzonder kohier of van deze algemene lijst. De afgifte van het stuk aan de aanbieder van de universele postdienst geldt als kennisgeving vanaf de derde daaropvolgende werkdag.
Indien de medeschuldenaar geen gekende woonplaats heeft in België of in het buitenland heeft, wordt deze aanmaning tot betaling aangetekend verstuurd naar de procureur des Konings te Brussel.
2° na het verstrijken van een termijn van acht dagen te rekenen vanaf de kennisgeving van de aanmaning tot betaling bedoeld onder 1°, behalve indien de rechten van de Schatkist in het gedrang komen.".
Art. 77. La même loi est complétée par un article 5, rédigé comme suit :
"Art. 5. § 1er. Sous réserve des dispositions de la présente loi, l'exécution du rôle spécial rendu exécutoire, du titre exécutoire administratif ou de la décision judiciaire coulée en force de chose jugée portant condamnation au paiement de la créance non fiscale a lieu conformément aux dispositions du Code judiciaire, Cinquième partie, Titre III, relatif aux exécutions forcées.
La remise, par le receveur à l'huissier de justice, d'un extrait du rôle spécial ou du titre exécutoire administratif mentionnant la date d'exécutoire de ce rôle spécial ou de ce titre exécutoire administratif, ou de l'expédition de la décision judiciaire conformément à l'article 1393 du Code judiciaire, vaut pouvoir pour toutes exécutions.
Lorsque le receveur fait signifier un commandement de payer, il doit porter en tête un extrait du rôle spécial ou du titre exécutoire administratif mentionnant la date d'exécutoire de ce rôle spécial ou de ce titre exécutoire administratif.
§ 2. L'exécution du rôle spécial rendu exécutoire ou du titre exécutoire administratif ne peut être interrompue que par une action en justice devant le tribunal de première instance, sauf si une disposition légale ou réglementaire particulière en dispose autrement.
§ 3. Le rôle spécial et le titre exécutoire administratif sont exécutoires contre les personnes qui n'y sont pas reprises dans la mesure où elles sont tenues au paiement de la créance non fiscale en vertu du droit commun ou de dispositions légales ou réglementaires particulières.
Pour l'application des dispositions qui suivent, ces personnes sont dénommées codébiteurs.
La créance non fiscale ne peut toutefois être recouvrée par voies d'exécution à charge des codébiteurs que :
1° si une sommation de payer contenant un extrait du rôle spécial ou du titre exécutoire administratif mentionnant la date d'exécutoire de ce rôle spécial ou de ce titre exécutoire administratif leur est adressée par pli recommandé. La remise de la pièce au prestataire de service postal universel vaut notification à compter du troisième jour ouvrable suivant.
Lorsque le codébiteur n'a pas de domicile connu en Belgique ou à l'étranger, cette sommation de payer est adressée par pli recommandé au procureur du Roi à Bruxelles.
2° à l'expiration d'un délai de huit jours à compter de la notification de la sommation de payer visée au 1°, sauf si les droits du Trésor sont en péril.".
"Art. 5. § 1er. Sous réserve des dispositions de la présente loi, l'exécution du rôle spécial rendu exécutoire, du titre exécutoire administratif ou de la décision judiciaire coulée en force de chose jugée portant condamnation au paiement de la créance non fiscale a lieu conformément aux dispositions du Code judiciaire, Cinquième partie, Titre III, relatif aux exécutions forcées.
La remise, par le receveur à l'huissier de justice, d'un extrait du rôle spécial ou du titre exécutoire administratif mentionnant la date d'exécutoire de ce rôle spécial ou de ce titre exécutoire administratif, ou de l'expédition de la décision judiciaire conformément à l'article 1393 du Code judiciaire, vaut pouvoir pour toutes exécutions.
Lorsque le receveur fait signifier un commandement de payer, il doit porter en tête un extrait du rôle spécial ou du titre exécutoire administratif mentionnant la date d'exécutoire de ce rôle spécial ou de ce titre exécutoire administratif.
§ 2. L'exécution du rôle spécial rendu exécutoire ou du titre exécutoire administratif ne peut être interrompue que par une action en justice devant le tribunal de première instance, sauf si une disposition légale ou réglementaire particulière en dispose autrement.
§ 3. Le rôle spécial et le titre exécutoire administratif sont exécutoires contre les personnes qui n'y sont pas reprises dans la mesure où elles sont tenues au paiement de la créance non fiscale en vertu du droit commun ou de dispositions légales ou réglementaires particulières.
Pour l'application des dispositions qui suivent, ces personnes sont dénommées codébiteurs.
La créance non fiscale ne peut toutefois être recouvrée par voies d'exécution à charge des codébiteurs que :
1° si une sommation de payer contenant un extrait du rôle spécial ou du titre exécutoire administratif mentionnant la date d'exécutoire de ce rôle spécial ou de ce titre exécutoire administratif leur est adressée par pli recommandé. La remise de la pièce au prestataire de service postal universel vaut notification à compter du troisième jour ouvrable suivant.
Lorsque le codébiteur n'a pas de domicile connu en Belgique ou à l'étranger, cette sommation de payer est adressée par pli recommandé au procureur du Roi à Bruxelles.
2° à l'expiration d'un délai de huit jours à compter de la notification de la sommation de payer visée au 1°, sauf si les droits du Trésor sont en péril.".
Art. 78. Dezelfde wet wordt aangevuld met een artikel 6, luidende :
"Art. 6. § 1. De ontvanger kan, bij aangetekende brief, uitvoerend beslag onder derden leggen op de aan de schuldenaar of aan de medeschuldenaar verschuldigde of toebehorende sommen en zaken, tot beloop van het bedrag van de niet-fiscale schuldvordering, geheel of gedeeltelijk, dat door de schuldenaar verschuldigd is of tot betaling van hetgeen waartoe de medeschuldenaar gehouden is.
Dit beslag heeft uitwerking vanaf de overhandiging van het stuk aan de geadresseerde.
§ 2. Vanaf de datum van inwerkingtreding van het akkoord dat hiervoor tussen de derde-beslagene en de bevoegde diensten van de Federale Overheidsdienst Financiën wordt gesloten, kan de ontvanger het in paragraaf 1 bedoelde beslag onder derden leggen door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken gebruikt worden.
Dit akkoord blijft van toepassing zolang de derde-beslagene het niet uitdrukkelijk bij aangetekende brief heeft opgezegd. De opzegging gaat in vanaf de eerste dag van de derde maand volgend op de ontvangst van de kennisgeving ervan door de bevoegde dienst van de Federale Overheidsdienst Financiën.
In de gevallen waarin gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid bedoeld in het eerste lid, heeft het beslag onder derden uitwerking vanaf de datum van ontvangstmelding van het beslag door de derde-beslagene.
Wanneer eenzelfde beslag onder derden achtereenvolgens wordt gelegd volgens de procedures voorzien respectievelijk in het eerste lid en paragraaf 1, eerste lid, zal het beslag gelegd overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, slechts primeren indien de overhandiging van het stuk aan de geadresseerde zoals bepaald in paragraaf 1, tweede lid, de datum van ontvangstmelding van het beslag door de derde-beslagene zoals bepaald in het derde lid, voorafgaat.
De informatie opgenomen in de kennisgeving van het beslag bedoeld in deze paragraaf en in paragraaf 1 is dezelfde, ongeacht of ze wordt meegedeeld door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt of door een aangetekende brief.
In geval van verzending door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, worden de oorsprong en de integriteit van de inhoud van de kennisgeving van het beslag verzekerd door middel van aangepaste beveiligingstechnieken.
Opdat de kennisgeving van het beslag op geldige wijze als beslag onder derden zou gelden, wordt een digitaal certificaat gebruikt.
Ongeacht de toegepaste techniek, wordt er gegarandeerd dat enkel de gerechtigde personen toegang hebben tot de middelen waarmee het digitaal certificaat wordt gecreëerd.
De gevolgde procedures laten toe dat de natuurlijke persoon die verantwoordelijk is voor de verzending kan worden geïdentificeerd en dat het tijdstip van de verzending kan worden vastgesteld.
Met als enig doel de in deze paragraaf vermelde bepalingen uit te voeren, wordt de beslagen schuldenaar of de beslagen medeschuldenaar geïdentificeerd ofwel door het identificatienummer van het Rijksregister of, bij gebrek daaraan, het identificatienummer van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, wanneer het een natuurlijke persoon betreft, ofwel door het identificatienummer van de Kruispuntbank van Ondernemingen wanneer het een rechtspersoon betreft.
§ 3. Het beslag onder derden wordt eveneens bij aangetekende brief aan de schuldenaar of medeschuldenaar aangezegd. Indien de schuldenaar of medeschuldenaar geen gekende woonplaats heeft, geschiedt de aanzegging van het beslag bij aangetekende brief aan de procureur des Konings te Brussel.
De schuldenaar of medeschuldenaar kan tegen het beslag onder derden bij aangetekende brief verzet aantekenen bij de ontvanger binnen vijftien dagen te rekenen vanaf de afgifte bij de aanbieder van de universele postdienst van de aanzegging van het beslag. De schuldenaar of medeschuldenaar licht binnen dezelfde termijn bij aangetekende brief de derde-beslagene in.
Wanneer het beslag slaat op inkomsten bedoeld in de artikelen 1409, §§ 1 en 1bis, en 1410 van het Gerechtelijk Wetboek, bevat de aanzegging, op straffe van nietigheid, het aangifteformulier voor kind ten laste waarvan het model bepaald is door de minister van Justitie.
§ 4. Het in de paragrafen 1 en 2 bedoelde beslag onder derden geeft aanleiding tot het opmaken en het verzenden, door de ontvanger, van een bericht van beslag zoals bedoeld in artikel 1390 van het Gerechtelijk Wetboek.
§ 5. Onder voorbehoud van het bepaalde in de paragrafen 1, 2 en 3, zijn op dit beslag onder derden de bepalingen toepasselijk van de artikelen 1539, 1540, 1542, eerste en tweede lid, en 1543 van het Gerechtelijk Wetboek, met dien verstande dat :
1° de derde-beslagene zijn verklaring van de sommen of zaken die het voorwerp zijn van het beslag eveneens door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken gebruikt worden aan de ontvanger kan doen wanneer het beslag onder derden volgens de procedure voorzien in paragraaf 2, eerste lid, werd gelegd; in dit geval is de datum van de verklaring van de sommen of zaken die het voorwerp zijn van het beslag de datum van ontvangstmelding die door de bevoegde dienst van de Federale Overheidsdienst Financiën wordt meegedeeld;
2° de derde-beslagene er overeenkomstig artikel 1543 van het Gerechtelijk Wetboek toe gehouden is op overlegging van een afschrift van de aanzegging van het beslag, afgifte te doen van het in paragraaf 3, eerste lid, bedoelde beslag. Wanneer het beslag onder derden wordt gelegd volgens de in paragraaf 2, eerste lid, voorziene procedure, wordt de overlegging van een afschrift van de aanzegging van het beslag geacht te zijn vervuld door de mededeling aan de derde-beslagene van de datum van afgifte bij de aanbieder van de universele postdienst van de aanzegging van het beslag; in dat geval gebeurt de mededeling eveneens door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt;
3° de afgifte van het bedrag van het beslag geschiedt in handen van de ontvanger.
Met als enig doel de in deze paragraaf vermelde bepalingen uit te voeren, wordt de beslagen schuldenaar of de beslagen medeschuldenaar geïdentificeerd ofwel door het identificatienummer van het Rijksregister of, bij gebrek daaraan, het identificatienummer van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, wanneer het een natuurlijke persoon betreft, ofwel door het identificatienummer van de Kruispuntbank van Ondernemingen wanneer het een rechtspersoon betreft.
§ 6. De kosten voor de aangetekende brieven beoogd in de paragrafen 1, 3 en 5 zijn ten laste van de schuldenaar of medeschuldenaar.
§ 7. De schuldenaar of medeschuldenaar wordt op de hoogte gebracht van de bestemming van de betalingen en van het saldo na de betalingen.
§ 8. Het uitvoerend beslag onder derden geschiedt door middel van een deurwaardersexploot op de wijze bepaald in de artikelen 1539 tot 1544 van het Gerechtelijk Wetboek, wanneer blijkt :
1° dat de schuldenaar of medeschuldenaar zich verzet tegen het in de paragrafen 1 en 2 bedoelde beslag;
2° dat de derde-beslagene zijn schuld tegenover de schuldenaar of medeschuldenaar betwist;
3° dat de sommen en zaken het voorwerp zijn van een verzet of beslag onder derden vóór het in de paragrafen 1 en 2 bedoelde beslag gedaan door andere schuldeisers;
4° dat de zaken te gelde moeten worden gemaakt.
In deze gevallen blijft het door de ontvanger overeenkomstig de paragrafen 1 en 2 gelegd beslag zijn bewarend effect behouden wanneer een uitvoerend beslag onder derden bij deurwaardersexploot wordt gelegd als bepaald bij artikel 1539 van het Gerechtelijk Wetboek, binnen een maand na :
1° ofwel de afgifte bij de aanbieder van de universele postdienst van het verzet van de schuldenaar of medeschuldenaar als bepaald in paragraaf 3, tweede lid, of van de verklaring als bepaald in artikel 1452 van het Gerechtelijk Wetboek;
2° ofwel de ontvangstmelding van deze verklaring indien zij werd verzonden door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken gebruikt worden als bepaald bij paragraaf 5, eerste lid, 1°. ".
"Art. 6. § 1. De ontvanger kan, bij aangetekende brief, uitvoerend beslag onder derden leggen op de aan de schuldenaar of aan de medeschuldenaar verschuldigde of toebehorende sommen en zaken, tot beloop van het bedrag van de niet-fiscale schuldvordering, geheel of gedeeltelijk, dat door de schuldenaar verschuldigd is of tot betaling van hetgeen waartoe de medeschuldenaar gehouden is.
Dit beslag heeft uitwerking vanaf de overhandiging van het stuk aan de geadresseerde.
§ 2. Vanaf de datum van inwerkingtreding van het akkoord dat hiervoor tussen de derde-beslagene en de bevoegde diensten van de Federale Overheidsdienst Financiën wordt gesloten, kan de ontvanger het in paragraaf 1 bedoelde beslag onder derden leggen door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken gebruikt worden.
Dit akkoord blijft van toepassing zolang de derde-beslagene het niet uitdrukkelijk bij aangetekende brief heeft opgezegd. De opzegging gaat in vanaf de eerste dag van de derde maand volgend op de ontvangst van de kennisgeving ervan door de bevoegde dienst van de Federale Overheidsdienst Financiën.
In de gevallen waarin gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid bedoeld in het eerste lid, heeft het beslag onder derden uitwerking vanaf de datum van ontvangstmelding van het beslag door de derde-beslagene.
Wanneer eenzelfde beslag onder derden achtereenvolgens wordt gelegd volgens de procedures voorzien respectievelijk in het eerste lid en paragraaf 1, eerste lid, zal het beslag gelegd overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, slechts primeren indien de overhandiging van het stuk aan de geadresseerde zoals bepaald in paragraaf 1, tweede lid, de datum van ontvangstmelding van het beslag door de derde-beslagene zoals bepaald in het derde lid, voorafgaat.
De informatie opgenomen in de kennisgeving van het beslag bedoeld in deze paragraaf en in paragraaf 1 is dezelfde, ongeacht of ze wordt meegedeeld door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt of door een aangetekende brief.
In geval van verzending door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, worden de oorsprong en de integriteit van de inhoud van de kennisgeving van het beslag verzekerd door middel van aangepaste beveiligingstechnieken.
Opdat de kennisgeving van het beslag op geldige wijze als beslag onder derden zou gelden, wordt een digitaal certificaat gebruikt.
Ongeacht de toegepaste techniek, wordt er gegarandeerd dat enkel de gerechtigde personen toegang hebben tot de middelen waarmee het digitaal certificaat wordt gecreëerd.
De gevolgde procedures laten toe dat de natuurlijke persoon die verantwoordelijk is voor de verzending kan worden geïdentificeerd en dat het tijdstip van de verzending kan worden vastgesteld.
Met als enig doel de in deze paragraaf vermelde bepalingen uit te voeren, wordt de beslagen schuldenaar of de beslagen medeschuldenaar geïdentificeerd ofwel door het identificatienummer van het Rijksregister of, bij gebrek daaraan, het identificatienummer van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, wanneer het een natuurlijke persoon betreft, ofwel door het identificatienummer van de Kruispuntbank van Ondernemingen wanneer het een rechtspersoon betreft.
§ 3. Het beslag onder derden wordt eveneens bij aangetekende brief aan de schuldenaar of medeschuldenaar aangezegd. Indien de schuldenaar of medeschuldenaar geen gekende woonplaats heeft, geschiedt de aanzegging van het beslag bij aangetekende brief aan de procureur des Konings te Brussel.
De schuldenaar of medeschuldenaar kan tegen het beslag onder derden bij aangetekende brief verzet aantekenen bij de ontvanger binnen vijftien dagen te rekenen vanaf de afgifte bij de aanbieder van de universele postdienst van de aanzegging van het beslag. De schuldenaar of medeschuldenaar licht binnen dezelfde termijn bij aangetekende brief de derde-beslagene in.
Wanneer het beslag slaat op inkomsten bedoeld in de artikelen 1409, §§ 1 en 1bis, en 1410 van het Gerechtelijk Wetboek, bevat de aanzegging, op straffe van nietigheid, het aangifteformulier voor kind ten laste waarvan het model bepaald is door de minister van Justitie.
§ 4. Het in de paragrafen 1 en 2 bedoelde beslag onder derden geeft aanleiding tot het opmaken en het verzenden, door de ontvanger, van een bericht van beslag zoals bedoeld in artikel 1390 van het Gerechtelijk Wetboek.
§ 5. Onder voorbehoud van het bepaalde in de paragrafen 1, 2 en 3, zijn op dit beslag onder derden de bepalingen toepasselijk van de artikelen 1539, 1540, 1542, eerste en tweede lid, en 1543 van het Gerechtelijk Wetboek, met dien verstande dat :
1° de derde-beslagene zijn verklaring van de sommen of zaken die het voorwerp zijn van het beslag eveneens door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken gebruikt worden aan de ontvanger kan doen wanneer het beslag onder derden volgens de procedure voorzien in paragraaf 2, eerste lid, werd gelegd; in dit geval is de datum van de verklaring van de sommen of zaken die het voorwerp zijn van het beslag de datum van ontvangstmelding die door de bevoegde dienst van de Federale Overheidsdienst Financiën wordt meegedeeld;
2° de derde-beslagene er overeenkomstig artikel 1543 van het Gerechtelijk Wetboek toe gehouden is op overlegging van een afschrift van de aanzegging van het beslag, afgifte te doen van het in paragraaf 3, eerste lid, bedoelde beslag. Wanneer het beslag onder derden wordt gelegd volgens de in paragraaf 2, eerste lid, voorziene procedure, wordt de overlegging van een afschrift van de aanzegging van het beslag geacht te zijn vervuld door de mededeling aan de derde-beslagene van de datum van afgifte bij de aanbieder van de universele postdienst van de aanzegging van het beslag; in dat geval gebeurt de mededeling eveneens door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt;
3° de afgifte van het bedrag van het beslag geschiedt in handen van de ontvanger.
Met als enig doel de in deze paragraaf vermelde bepalingen uit te voeren, wordt de beslagen schuldenaar of de beslagen medeschuldenaar geïdentificeerd ofwel door het identificatienummer van het Rijksregister of, bij gebrek daaraan, het identificatienummer van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, wanneer het een natuurlijke persoon betreft, ofwel door het identificatienummer van de Kruispuntbank van Ondernemingen wanneer het een rechtspersoon betreft.
§ 6. De kosten voor de aangetekende brieven beoogd in de paragrafen 1, 3 en 5 zijn ten laste van de schuldenaar of medeschuldenaar.
§ 7. De schuldenaar of medeschuldenaar wordt op de hoogte gebracht van de bestemming van de betalingen en van het saldo na de betalingen.
§ 8. Het uitvoerend beslag onder derden geschiedt door middel van een deurwaardersexploot op de wijze bepaald in de artikelen 1539 tot 1544 van het Gerechtelijk Wetboek, wanneer blijkt :
1° dat de schuldenaar of medeschuldenaar zich verzet tegen het in de paragrafen 1 en 2 bedoelde beslag;
2° dat de derde-beslagene zijn schuld tegenover de schuldenaar of medeschuldenaar betwist;
3° dat de sommen en zaken het voorwerp zijn van een verzet of beslag onder derden vóór het in de paragrafen 1 en 2 bedoelde beslag gedaan door andere schuldeisers;
4° dat de zaken te gelde moeten worden gemaakt.
In deze gevallen blijft het door de ontvanger overeenkomstig de paragrafen 1 en 2 gelegd beslag zijn bewarend effect behouden wanneer een uitvoerend beslag onder derden bij deurwaardersexploot wordt gelegd als bepaald bij artikel 1539 van het Gerechtelijk Wetboek, binnen een maand na :
1° ofwel de afgifte bij de aanbieder van de universele postdienst van het verzet van de schuldenaar of medeschuldenaar als bepaald in paragraaf 3, tweede lid, of van de verklaring als bepaald in artikel 1452 van het Gerechtelijk Wetboek;
2° ofwel de ontvangstmelding van deze verklaring indien zij werd verzonden door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken gebruikt worden als bepaald bij paragraaf 5, eerste lid, 1°. ".
Art. 78. La même loi est complétée par un article 6, rédigé comme suit :
"Art. 6. § 1er. Le receveur peut faire procéder, par lettre recommandée, à la saisie-arrêt-exécution entre les mains d'un tiers sur les sommes et effets dus ou appartenant au débiteur ou au codébiteur, à concurrence de tout ou partie du montant de la créance non fiscale dû par le débiteur ou au paiement duquel le codébiteur est tenu.
Cette saisie sort ses effets à compter de la remise de la pièce au destinataire.
§ 2. A partir de la date d'effet de l'accord conclu à cette fin entre le tiers saisi et les services compétents du Service public fédéral Finances, le receveur peut effectuer la saisie-arrêt visée au paragraphe 1er au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique.
Cet accord reste d'application tant que le tiers saisi ne l'a pas expressément dénoncé par lettre recommandée. La dénonciation prend effet à partir du premier jour du troisième mois qui suit la réception de sa notification par le service compétent du Service public fédéral Finances.
Dans les cas où il est fait usage de la faculté prévue à l'alinéa 1er, la saisie-arrêt sort ses effets à compter de la date de l'accusé de réception de la saisie communiqué par le tiers saisi.
Lorsqu'une même saisie-arrêt est adressée successivement selon les procédures prévues respectivement à l'alinéa 1er et au paragraphe 1er, alinéa 1er, la saisie adressée conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er, ne prévaut que lorsque la date de remise de la pièce au destinataire visée au paragraphe 1er, alinéa 2, est antérieure à la date de l'accusé de réception communiqué par le tiers saisi visée à l'alinéa 3.
Les informations reprises dans la notification de saisie visée dans ce paragraphe et au paragraphe 1er sont les mêmes qu'elles soient communiquées au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique ou par lettre recommandée.
En cas d'envoi au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique, l'origine et l'intégrité du contenu de la notification de saisie sont assurées au moyen de techniques de protection adaptées.
Pour que la notification de saisie soit valable comme saisie-arrêt, un certificat électronique est utilisé.
Quelle que soit la technique appliquée, il est garanti que seules les personnes habilitées ont accès aux moyens de création du certificat électronique.
Les procédures mises en oeuvre permettent à la personne physique responsable de l'envoi d'être identifiée, ainsi que d'identifier le moment de l'envoi.
Dans le seul but d'exécuter les dispositions visées dans ce paragraphe, le débiteur saisi ou le codébiteur saisi est identifié soit par le numéro d'identification du Registre national ou, à défaut, le numéro d'identification de la Banque-carrefour de la Sécurité Sociale lorsqu'il s'agit d'une personne physique, soit par le numéro d'identification de la Banque-carrefour des Entreprises lorsqu'il s'agit d'une personne morale.
§ 3. La saisie-arrêt est également dénoncée au débiteur ou au codébiteur par lettre recommandée. Lorsque le débiteur ou le codébiteur n'a pas de domicile connu, la dénonciation de la saisie est faite par lettre recommandée au procureur du Roi à Bruxelles.
Le débiteur ou le codébiteur peut faire opposition à la saisie-arrêt par lettre recommandée adressée au receveur dans les quinze jours du dépôt auprès du prestataire de service postal universel de la dénonciation de la saisie. Le débiteur ou codébiteur en informe le tiers saisi dans le même délai par lettre recommandée.
Lorsque la saisie porte sur des revenus visés aux articles 1409, §§ 1er et 1erbis, et 1410 du Code judiciaire, la dénonciation contient, à peine de nullité, le formulaire de déclaration d'enfant à charge dont le modèle est arrêté par le ministre de la Justice.
§ 4. La saisie-arrêt visée aux paragraphes 1er et 2 donne lieu à l'établissement et à l'envoi, par le receveur, d'un avis de saisie comme prévu à l'article 1390 du Code judiciaire.
§ 5. Sous réserve de ce qui est prévu aux paragraphes 1er, 2 et 3, les dispositions des articles 1539, 1540, 1542, alinéas 1er et 2, et 1543, du Code judiciaire, sont applicables à cette saisie-arrêt, étant entendu que :
1° le tiers saisi peut également faire la déclaration des sommes ou effets, objets de la saisie, au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique au receveur lorsque la saisie-arrêt est adressée selon la procédure prévue au paragraphe 2, alinéa 1er; dans ce cas, la date de la déclaration des sommes ou effets, objets de la saisie, est la date de l'accusé de réception communiqué par le service compétent du Service public fédéral Finances;
2° le tiers saisi est tenu de vider ses mains conformément à l'article 1543 du Code judiciaire, sur production d'une copie de la dénonciation de la saisie visée au paragraphe 3, alinéa 1er. Lorsque la saisie-arrêt est adressée selon la procédure prévue au paragraphe 2, alinéa 1er, la production d'une copie de la dénonciation de la saisie est réputée accomplie par la communication au tiers saisi de la date de dépôt auprès du prestataire de service postal universel de la dénonciation de la saisie; dans ce cas, cette communication s'effectue également au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique;
3° la remise du montant de la saisie se fait entre les mains du receveur.
Dans le seul but d'exécuter les dispositions visées au présent paragraphe, le débiteur saisi ou le codébiteur saisi est identifié soit par le numéro d'identification du Registre national ou, à défaut, le numéro d'identification de la Banque-carrefour de la Sécurité Sociale lorsqu'il s'agit d'une personne physique, soit par le numéro d'identification de la Banque-carrefour des Entreprises lorsqu'il s'agit d'une personne morale.
§ 6. Les frais des plis recommandés visés aux paragraphes 1er, 3 et 5 sont à charge du débiteur ou du codébiteur.
§ 7. Le débiteur ou le codébiteur est avisé de la destination des paiements et du solde après paiements.
§ 8. La saisie-arrêt-exécution est pratiquée par exploit d'huissier, de la manière prévue aux articles 1539 à 1544 du Code judiciaire, lorsqu'il apparaît :
1° que le débiteur ou le codébiteur s'oppose à la saisie-arrêt visée aux paragraphes 1er et 2;
2° que le tiers saisi conteste sa dette à l'égard du débiteur ou du codébiteur;
3° que les sommes et effets font l'objet de la part d'autres créanciers, d'une opposition ou d'une saisie-arrêt antérieure à la saisie-arrêt visée aux paragraphes 1er et 2;
4° que les effets doivent être réalisés.
Dans ces cas, la saisie-arrêt pratiquée par le receveur en application des paragraphes 1er et 2 garde ses effets conservatoires si le receveur fait procéder par exploit d'huissier, comme prévu à l'article 1539 du Code judiciaire, à une saisie-arrêt-exécution entre les mains du tiers dans le mois qui suit :
1° soit le dépôt auprès du prestataire de service postal universel de l'opposition du débiteur ou du codébiteur visée au paragraphe 3, alinéa 2, ou de la déclaration visée à l'article 1452 du Code judiciaire;
2° soit l'accusé de réception de cette déclaration lorsqu'elle a été transmise au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique comme prévu au paragraphe 5, alinéa 1er, 1°. ".
"Art. 6. § 1er. Le receveur peut faire procéder, par lettre recommandée, à la saisie-arrêt-exécution entre les mains d'un tiers sur les sommes et effets dus ou appartenant au débiteur ou au codébiteur, à concurrence de tout ou partie du montant de la créance non fiscale dû par le débiteur ou au paiement duquel le codébiteur est tenu.
Cette saisie sort ses effets à compter de la remise de la pièce au destinataire.
§ 2. A partir de la date d'effet de l'accord conclu à cette fin entre le tiers saisi et les services compétents du Service public fédéral Finances, le receveur peut effectuer la saisie-arrêt visée au paragraphe 1er au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique.
Cet accord reste d'application tant que le tiers saisi ne l'a pas expressément dénoncé par lettre recommandée. La dénonciation prend effet à partir du premier jour du troisième mois qui suit la réception de sa notification par le service compétent du Service public fédéral Finances.
Dans les cas où il est fait usage de la faculté prévue à l'alinéa 1er, la saisie-arrêt sort ses effets à compter de la date de l'accusé de réception de la saisie communiqué par le tiers saisi.
Lorsqu'une même saisie-arrêt est adressée successivement selon les procédures prévues respectivement à l'alinéa 1er et au paragraphe 1er, alinéa 1er, la saisie adressée conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er, ne prévaut que lorsque la date de remise de la pièce au destinataire visée au paragraphe 1er, alinéa 2, est antérieure à la date de l'accusé de réception communiqué par le tiers saisi visée à l'alinéa 3.
Les informations reprises dans la notification de saisie visée dans ce paragraphe et au paragraphe 1er sont les mêmes qu'elles soient communiquées au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique ou par lettre recommandée.
En cas d'envoi au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique, l'origine et l'intégrité du contenu de la notification de saisie sont assurées au moyen de techniques de protection adaptées.
Pour que la notification de saisie soit valable comme saisie-arrêt, un certificat électronique est utilisé.
Quelle que soit la technique appliquée, il est garanti que seules les personnes habilitées ont accès aux moyens de création du certificat électronique.
Les procédures mises en oeuvre permettent à la personne physique responsable de l'envoi d'être identifiée, ainsi que d'identifier le moment de l'envoi.
Dans le seul but d'exécuter les dispositions visées dans ce paragraphe, le débiteur saisi ou le codébiteur saisi est identifié soit par le numéro d'identification du Registre national ou, à défaut, le numéro d'identification de la Banque-carrefour de la Sécurité Sociale lorsqu'il s'agit d'une personne physique, soit par le numéro d'identification de la Banque-carrefour des Entreprises lorsqu'il s'agit d'une personne morale.
§ 3. La saisie-arrêt est également dénoncée au débiteur ou au codébiteur par lettre recommandée. Lorsque le débiteur ou le codébiteur n'a pas de domicile connu, la dénonciation de la saisie est faite par lettre recommandée au procureur du Roi à Bruxelles.
Le débiteur ou le codébiteur peut faire opposition à la saisie-arrêt par lettre recommandée adressée au receveur dans les quinze jours du dépôt auprès du prestataire de service postal universel de la dénonciation de la saisie. Le débiteur ou codébiteur en informe le tiers saisi dans le même délai par lettre recommandée.
Lorsque la saisie porte sur des revenus visés aux articles 1409, §§ 1er et 1erbis, et 1410 du Code judiciaire, la dénonciation contient, à peine de nullité, le formulaire de déclaration d'enfant à charge dont le modèle est arrêté par le ministre de la Justice.
§ 4. La saisie-arrêt visée aux paragraphes 1er et 2 donne lieu à l'établissement et à l'envoi, par le receveur, d'un avis de saisie comme prévu à l'article 1390 du Code judiciaire.
§ 5. Sous réserve de ce qui est prévu aux paragraphes 1er, 2 et 3, les dispositions des articles 1539, 1540, 1542, alinéas 1er et 2, et 1543, du Code judiciaire, sont applicables à cette saisie-arrêt, étant entendu que :
1° le tiers saisi peut également faire la déclaration des sommes ou effets, objets de la saisie, au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique au receveur lorsque la saisie-arrêt est adressée selon la procédure prévue au paragraphe 2, alinéa 1er; dans ce cas, la date de la déclaration des sommes ou effets, objets de la saisie, est la date de l'accusé de réception communiqué par le service compétent du Service public fédéral Finances;
2° le tiers saisi est tenu de vider ses mains conformément à l'article 1543 du Code judiciaire, sur production d'une copie de la dénonciation de la saisie visée au paragraphe 3, alinéa 1er. Lorsque la saisie-arrêt est adressée selon la procédure prévue au paragraphe 2, alinéa 1er, la production d'une copie de la dénonciation de la saisie est réputée accomplie par la communication au tiers saisi de la date de dépôt auprès du prestataire de service postal universel de la dénonciation de la saisie; dans ce cas, cette communication s'effectue également au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique;
3° la remise du montant de la saisie se fait entre les mains du receveur.
Dans le seul but d'exécuter les dispositions visées au présent paragraphe, le débiteur saisi ou le codébiteur saisi est identifié soit par le numéro d'identification du Registre national ou, à défaut, le numéro d'identification de la Banque-carrefour de la Sécurité Sociale lorsqu'il s'agit d'une personne physique, soit par le numéro d'identification de la Banque-carrefour des Entreprises lorsqu'il s'agit d'une personne morale.
§ 6. Les frais des plis recommandés visés aux paragraphes 1er, 3 et 5 sont à charge du débiteur ou du codébiteur.
§ 7. Le débiteur ou le codébiteur est avisé de la destination des paiements et du solde après paiements.
§ 8. La saisie-arrêt-exécution est pratiquée par exploit d'huissier, de la manière prévue aux articles 1539 à 1544 du Code judiciaire, lorsqu'il apparaît :
1° que le débiteur ou le codébiteur s'oppose à la saisie-arrêt visée aux paragraphes 1er et 2;
2° que le tiers saisi conteste sa dette à l'égard du débiteur ou du codébiteur;
3° que les sommes et effets font l'objet de la part d'autres créanciers, d'une opposition ou d'une saisie-arrêt antérieure à la saisie-arrêt visée aux paragraphes 1er et 2;
4° que les effets doivent être réalisés.
Dans ces cas, la saisie-arrêt pratiquée par le receveur en application des paragraphes 1er et 2 garde ses effets conservatoires si le receveur fait procéder par exploit d'huissier, comme prévu à l'article 1539 du Code judiciaire, à une saisie-arrêt-exécution entre les mains du tiers dans le mois qui suit :
1° soit le dépôt auprès du prestataire de service postal universel de l'opposition du débiteur ou du codébiteur visée au paragraphe 3, alinéa 2, ou de la déclaration visée à l'article 1452 du Code judiciaire;
2° soit l'accusé de réception de cette déclaration lorsqu'elle a été transmise au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique comme prévu au paragraphe 5, alinéa 1er, 1°. ".
Art. 79. Dezelfde wet wordt aangevuld met een artikel 7, luidende :
"Art. 7. De termijnen van verzet, hoger beroep en cassatie, alsmede het verzet, het hoger beroep en de voorziening in cassatie schorsen de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing, met betrekking tot de maatregelen welke er, zelfs gedeeltelijk, toe strekken de invordering van de niet-fiscale schuldvordering te verwezenlijken of te waarborgen.".
"Art. 7. De termijnen van verzet, hoger beroep en cassatie, alsmede het verzet, het hoger beroep en de voorziening in cassatie schorsen de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing, met betrekking tot de maatregelen welke er, zelfs gedeeltelijk, toe strekken de invordering van de niet-fiscale schuldvordering te verwezenlijken of te waarborgen.".
Art. 79. La même loi est complétée par un article 7, rédigé comme suit :
"Art. 7. Les délais d'opposition, d'appel et de cassation, ainsi que l'opposition, l'appel et le pourvoi en cassation sont suspensifs de l'exécution de la décision de justice afférente, même partiellement, à des mesures destinées à effectuer ou à garantir le recouvrement de la créance non fiscale.".
"Art. 7. Les délais d'opposition, d'appel et de cassation, ainsi que l'opposition, l'appel et le pourvoi en cassation sont suspensifs de l'exécution de la décision de justice afférente, même partiellement, à des mesures destinées à effectuer ou à garantir le recouvrement de la créance non fiscale.".
Art. 80. Dezelfde wet wordt aangevuld met een artikel 8, luidende :
"Art. 8. § 1. De verjaringstermijn voor de invordering van de niet-fiscale schuldvordering wordt gestuit :
1° op de wijze bepaald in de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, met uitsluiting van artikel 2244, § 2;
2° door afstand te doen van de op verjaring verlopen termijn;
3° door de verzending, bij aangetekende brief, van een aanmaning tot betaling die een uittreksel bevat uit het bijzonder kohier of uit de administratieve uitvoerbare titel, met vermelding van de datum van de uitvoerbaarverklaring van dat bijzonder kohier of van deze administratieve uitvoerbare titel, of een afschrift van de uitgifte van de rechterlijke beslissing bevat. De afgifte van het stuk bij de aanbieder van de universele postdienst geldt als kennisgeving te rekenen vanaf de derde daaropvolgende werkdag. Indien de schuldenaar of de medeschuldenaar geen gekende woonplaats heeft in België of in het buitenland, wordt deze aanmaning tot betaling aangetekend verstuurd naar de procureur des Konings te Brussel. De kosten voor de aangetekende verzending zijn ten laste van de schuldenaar of medeschuldenaar.
§ 2. Elk rechtsgeding met betrekking tot de invordering van de niet-fiscale schuldvordering dat wordt ingesteld door de Belgische Staat, door de schuldenaar of door elke medeschuldenaar, schorst de verjaring.
De schorsing vangt aan met de inleidende vordering en eindigt wanneer de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is getreden.".
"Art. 8. § 1. De verjaringstermijn voor de invordering van de niet-fiscale schuldvordering wordt gestuit :
1° op de wijze bepaald in de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, met uitsluiting van artikel 2244, § 2;
2° door afstand te doen van de op verjaring verlopen termijn;
3° door de verzending, bij aangetekende brief, van een aanmaning tot betaling die een uittreksel bevat uit het bijzonder kohier of uit de administratieve uitvoerbare titel, met vermelding van de datum van de uitvoerbaarverklaring van dat bijzonder kohier of van deze administratieve uitvoerbare titel, of een afschrift van de uitgifte van de rechterlijke beslissing bevat. De afgifte van het stuk bij de aanbieder van de universele postdienst geldt als kennisgeving te rekenen vanaf de derde daaropvolgende werkdag. Indien de schuldenaar of de medeschuldenaar geen gekende woonplaats heeft in België of in het buitenland, wordt deze aanmaning tot betaling aangetekend verstuurd naar de procureur des Konings te Brussel. De kosten voor de aangetekende verzending zijn ten laste van de schuldenaar of medeschuldenaar.
§ 2. Elk rechtsgeding met betrekking tot de invordering van de niet-fiscale schuldvordering dat wordt ingesteld door de Belgische Staat, door de schuldenaar of door elke medeschuldenaar, schorst de verjaring.
De schorsing vangt aan met de inleidende vordering en eindigt wanneer de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is getreden.".
Art. 80. La même loi est complétée par un article 8, rédigé comme suit :
"Art. 8. § 1er. Le délai de prescription pour le recouvrement de la créance non fiscale est interrompu :
1° de la manière prévue par les articles 2244 et suivants du Code civil, à l'exclusion de l'article 2244, § 2;
2° par une renonciation au temps couru de la prescription;
3° par l'envoi, par pli recommandé, d'une sommation de payer contenant un extrait du rôle spécial ou du titre exécutoire administratif mentionnant la date d'exécutoire de ce rôle spécial ou de de ce titre exécutoire administratif, ou une copie de l'expédition de la décision judiciaire. La remise de la pièce au prestataire de service postal universel vaut notification à compter du troisième jour ouvrable suivant. Lorsque le débiteur ou le codébiteur n'a pas de domicile connu en Belgique ou à l'étranger, cette sommation de payer est adressée par pli recommandé au procureur du Roi de Bruxelles. Les frais d'envoi recommandé sont à charge du débiteur ou codébiteur.
§ 2. Toute instance en justice relative au recouvrement de la créance non fiscale qui est introduite par l'Etat belge, par le débiteur ou par tout codébiteur, suspend le cours de la prescription.
La suspension débute avec l'acte introductif d'instance et se termine lorsque la décision judiciaire est coulée en force de chose jugée.".
"Art. 8. § 1er. Le délai de prescription pour le recouvrement de la créance non fiscale est interrompu :
1° de la manière prévue par les articles 2244 et suivants du Code civil, à l'exclusion de l'article 2244, § 2;
2° par une renonciation au temps couru de la prescription;
3° par l'envoi, par pli recommandé, d'une sommation de payer contenant un extrait du rôle spécial ou du titre exécutoire administratif mentionnant la date d'exécutoire de ce rôle spécial ou de de ce titre exécutoire administratif, ou une copie de l'expédition de la décision judiciaire. La remise de la pièce au prestataire de service postal universel vaut notification à compter du troisième jour ouvrable suivant. Lorsque le débiteur ou le codébiteur n'a pas de domicile connu en Belgique ou à l'étranger, cette sommation de payer est adressée par pli recommandé au procureur du Roi de Bruxelles. Les frais d'envoi recommandé sont à charge du débiteur ou codébiteur.
§ 2. Toute instance en justice relative au recouvrement de la créance non fiscale qui est introduite par l'Etat belge, par le débiteur ou par tout codébiteur, suspend le cours de la prescription.
La suspension débute avec l'acte introductif d'instance et se termine lorsque la décision judiciaire est coulée en force de chose jugée.".
Art. 81. Dezelfde wet wordt aangevuld met een artikel 9, luidende :
"Art. 9. § 1. De niet-fiscale schuldvordering in hoofdsom, interesten en bijbehoren wordt gewaarborgd door een wettelijke hypotheek op alle in België gelegen en voor hypotheek vatbare goederen van de schuldenaar en de medeschuldenaar.
De wettelijke hypotheek neemt rang vanaf de dag van de inschrijving die is gebeurd op verzoek van de ontvanger.
§ 2. De inschrijving van de wettelijke hypotheek kan gevorderd worden na de kennisgeving van de aanmaning tot betaling bedoeld in artikel 4, § 1, of in artikel 5, § 3, derde lid, 1°.
In afwijking van de vorige alinea mag, wanneer de rechten van de Schatkist in het gedrang komen, de inschrijving gevorderd worden vanaf de datum van uitvoerbaarverklaring van het bijzonder kohier of de administratieve uitvoerbare titel, of vanaf het moment waarop de rechterlijke beslissing houdende veroordeling tot betaling van de niet-fiscale schuldvordering in kracht van gewijsde is getreden.
Artikel 19, tweede lid, van de faillissementswet van 8 augustus 1997 is niet van toepassing op de wettelijke hypotheek wat betreft de niet-fiscale schuldvordering die is opgenomen in een bijzonder kohier of in een administratieve uitvoerbare titel die vóór het vonnis van faillietverklaring uitvoerbaar werd verklaard, of die het voorwerp uitmaakt van een rechterlijke beslissing houdende veroordeling tot betaling hiervan die vóór het vonnis van faillietverklaring in kracht van gewijsde is getreden.
§ 3. De inschrijving van de wettelijke hypotheek heeft plaats, niettegenstaande verzet, betwisting of beroep, op voorlegging van een uittreksel uit het bijzonder kohier of uit de administratieve uitvoerbare titel met vermelding van de datum van de uitvoerbaarverklaring van dat bijzonder kohier of van deze administratieve uitvoerbare titel, of van een afschrift van de uitgifte van de rechterlijke beslissing houdende veroordeling tot betaling van de niet-fiscale schuldvordering gewaarborgd door de wettelijke hypotheek van de Schatkist.
§ 4. Onverminderd de toepassing van artikel 87 van de hypotheekwet van 16 december 1851, kan de inschrijving van de wettelijke hypotheek worden gevorderd voor een door de ontvanger in het borderel te bepalen bedrag, dat al de interesten en bijbehoren die voor de vereffening van de niet-fiscale schuldvordering in hoofdsom zouden kunnen verschuldigd zijn, vertegenwoordigt.
§ 5. De kosten van de hypothecaire formaliteiten in verband met de wettelijke hypotheek zijn ten laste van de schuldenaar of de medeschuldenaar.
§ 6. De ontvanger verleent handlichting in de administratieve vorm zonder dat hij, tegenover de hypotheekbewaarder, gehouden is verantwoording van de betaling van de verschuldigde sommen te verstrekken.".
"Art. 9. § 1. De niet-fiscale schuldvordering in hoofdsom, interesten en bijbehoren wordt gewaarborgd door een wettelijke hypotheek op alle in België gelegen en voor hypotheek vatbare goederen van de schuldenaar en de medeschuldenaar.
De wettelijke hypotheek neemt rang vanaf de dag van de inschrijving die is gebeurd op verzoek van de ontvanger.
§ 2. De inschrijving van de wettelijke hypotheek kan gevorderd worden na de kennisgeving van de aanmaning tot betaling bedoeld in artikel 4, § 1, of in artikel 5, § 3, derde lid, 1°.
In afwijking van de vorige alinea mag, wanneer de rechten van de Schatkist in het gedrang komen, de inschrijving gevorderd worden vanaf de datum van uitvoerbaarverklaring van het bijzonder kohier of de administratieve uitvoerbare titel, of vanaf het moment waarop de rechterlijke beslissing houdende veroordeling tot betaling van de niet-fiscale schuldvordering in kracht van gewijsde is getreden.
Artikel 19, tweede lid, van de faillissementswet van 8 augustus 1997 is niet van toepassing op de wettelijke hypotheek wat betreft de niet-fiscale schuldvordering die is opgenomen in een bijzonder kohier of in een administratieve uitvoerbare titel die vóór het vonnis van faillietverklaring uitvoerbaar werd verklaard, of die het voorwerp uitmaakt van een rechterlijke beslissing houdende veroordeling tot betaling hiervan die vóór het vonnis van faillietverklaring in kracht van gewijsde is getreden.
§ 3. De inschrijving van de wettelijke hypotheek heeft plaats, niettegenstaande verzet, betwisting of beroep, op voorlegging van een uittreksel uit het bijzonder kohier of uit de administratieve uitvoerbare titel met vermelding van de datum van de uitvoerbaarverklaring van dat bijzonder kohier of van deze administratieve uitvoerbare titel, of van een afschrift van de uitgifte van de rechterlijke beslissing houdende veroordeling tot betaling van de niet-fiscale schuldvordering gewaarborgd door de wettelijke hypotheek van de Schatkist.
§ 4. Onverminderd de toepassing van artikel 87 van de hypotheekwet van 16 december 1851, kan de inschrijving van de wettelijke hypotheek worden gevorderd voor een door de ontvanger in het borderel te bepalen bedrag, dat al de interesten en bijbehoren die voor de vereffening van de niet-fiscale schuldvordering in hoofdsom zouden kunnen verschuldigd zijn, vertegenwoordigt.
§ 5. De kosten van de hypothecaire formaliteiten in verband met de wettelijke hypotheek zijn ten laste van de schuldenaar of de medeschuldenaar.
§ 6. De ontvanger verleent handlichting in de administratieve vorm zonder dat hij, tegenover de hypotheekbewaarder, gehouden is verantwoording van de betaling van de verschuldigde sommen te verstrekken.".
Art. 81. La même loi est complétée par un article 9, rédigé comme suit :
"Art. 9. § 1er. La créance non fiscale en principal, intérêts et accessoires est garantie par une hypothèque légale sur tous les biens appartenant au débiteur et au codébiteur, situés en Belgique et susceptibles d'hypothèque.
L'hypothèque légale prend rang à compter du jour de l'inscription qui en est faite à la requête du receveur.
§ 2. L'inscription de l'hypothèque légale peut être requise à compter de la notification de la sommation de payer visée à l'article 4, § 1er ou à l'article 5, § 3, alinéa 3, 1°.
Par dérogation à l'alinéa précédent, lorsque les droits du Trésor sont en péril, l'inscription peut être requise à compter de la date d'exécutoire du rôle spécial ou du titre exécutoire administratif, ou du moment où la décision judiciaire portant condamnation au paiement de la créance non fiscale est coulée en force de chose jugée.
L'article 19, alinéa 2, de la loi du 8 août 1997 sur les faillites n'est pas applicable à l'hypothèque légale en ce qui concerne la créance non fiscale reprise dans un rôle spécial ou un titre exécutoire administratif rendus exécutoires antérieurement au jugement déclaratif de la faillite, ou faisant l'objet d'une décision judiciaire portant condamnation au paiement de celle-ci coulée en force de chose jugée antérieurement au jugement déclaratif de faillite.
§ 3. L'inscription de l'hypothèque légale a lieu, nonobstant opposition, contestation ou recours, sur présentation d'un extrait du rôle spécial ou du titre exécutoire administratif mentionnant la date d'exécutoire de ce rôle spécial ou de ce titre exécutoire administratif, ou d'une copie de l'expédition de la décision judiciaire portant condamnation au paiement de la créance non fiscale garantie par l'hypothèque légale du Trésor.
§ 4. Sans préjudice de l'application de l'article 87 de la loi hypothécaire du 16 décembre 1851, l'inscription de l'hypothèque légale peut être requise pour une somme à arbitrer par le receveur, dans le bordereau, en représentation de tous les intérêts et accessoires qui pourraient être dus avant l'acquittement de la créance non fiscale en principal.
§ 5. Les frais de formalités hypothécaires relatives à l'hypothèque légale sont à charge du débiteur ou du codébiteur.
§ 6. Le receveur donne mainlevée dans la forme administrative sans qu'il soit tenu, vis-à-vis du conservateur des hypothèques, de fournir la justification du paiement des sommes dues.".
"Art. 9. § 1er. La créance non fiscale en principal, intérêts et accessoires est garantie par une hypothèque légale sur tous les biens appartenant au débiteur et au codébiteur, situés en Belgique et susceptibles d'hypothèque.
L'hypothèque légale prend rang à compter du jour de l'inscription qui en est faite à la requête du receveur.
§ 2. L'inscription de l'hypothèque légale peut être requise à compter de la notification de la sommation de payer visée à l'article 4, § 1er ou à l'article 5, § 3, alinéa 3, 1°.
Par dérogation à l'alinéa précédent, lorsque les droits du Trésor sont en péril, l'inscription peut être requise à compter de la date d'exécutoire du rôle spécial ou du titre exécutoire administratif, ou du moment où la décision judiciaire portant condamnation au paiement de la créance non fiscale est coulée en force de chose jugée.
L'article 19, alinéa 2, de la loi du 8 août 1997 sur les faillites n'est pas applicable à l'hypothèque légale en ce qui concerne la créance non fiscale reprise dans un rôle spécial ou un titre exécutoire administratif rendus exécutoires antérieurement au jugement déclaratif de la faillite, ou faisant l'objet d'une décision judiciaire portant condamnation au paiement de celle-ci coulée en force de chose jugée antérieurement au jugement déclaratif de faillite.
§ 3. L'inscription de l'hypothèque légale a lieu, nonobstant opposition, contestation ou recours, sur présentation d'un extrait du rôle spécial ou du titre exécutoire administratif mentionnant la date d'exécutoire de ce rôle spécial ou de ce titre exécutoire administratif, ou d'une copie de l'expédition de la décision judiciaire portant condamnation au paiement de la créance non fiscale garantie par l'hypothèque légale du Trésor.
§ 4. Sans préjudice de l'application de l'article 87 de la loi hypothécaire du 16 décembre 1851, l'inscription de l'hypothèque légale peut être requise pour une somme à arbitrer par le receveur, dans le bordereau, en représentation de tous les intérêts et accessoires qui pourraient être dus avant l'acquittement de la créance non fiscale en principal.
§ 5. Les frais de formalités hypothécaires relatives à l'hypothèque légale sont à charge du débiteur ou du codébiteur.
§ 6. Le receveur donne mainlevée dans la forme administrative sans qu'il soit tenu, vis-à-vis du conservateur des hypothèques, de fournir la justification du paiement des sommes dues.".
Art. 82. Dezelfde wet wordt aangevuld met een artikel 10, luidende :
"Art. 10. § 1. De bestuursdiensten van de Staat, met inbegrip van de parketten en de griffies van de hoven en van alle rechtscolleges, de besturen van de Gemeenschappen, de Gewesten, de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten en de gemeenten evenals de openbare instellingen en inrichtingen, zijn gehouden, wanneer zij daartoe worden aangezocht door een ambtenaar belast met de invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen, hem alle in hun bezit zijnde inlichtingen te verstrekken, hem, zonder verplaatsing, van alle in hun bezit zijnde akten, stukken, registers en om het even welke bescheiden inzage te verlenen, en hem alle inlichtingen, afschriften of uittreksels te laten nemen, welke de bedoelde ambtenaar nodig acht om de invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen te verzekeren.
Onder "openbare instellingen of inrichtingen" verstaat men de instellingen, maatschappijen, verenigingen, inrichtingen en diensten welke de Staat, een Gemeenschap of een Gewest mede beheert, waaraan de Staat, een Gemeenschap of een Gewest een waarborg verstrekt, op de werkzaamheden waarvan de Staat, een Gemeenschap of een Gewest toezicht uitoefent of waarvan het bestuurspersoneel wordt aangewezen door de federale regering of een Gemeenschaps- of Gewestregering, op haar voordracht of met haar goedkeuring.
Van de akten, stukken, registers, bescheiden of inlichtingen in verband met gerechtelijke procedures mag evenwel geen inzage of afschrift worden verleend zonder uitdrukkelijke toelating van het openbaar ministerie.
§ 2. Paragraaf 1 is niet van toepassing op de Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie van de Federale Overheidsdienst Economie, noch op de Gemeenschappen en Gewesten voor de bevoegdheden die voorheen waren toegekend aan het Economisch en Sociaal Instituut voor de middenstand en die werden overgedragen aan de Gemeenschappen en Gewesten wat de individueel verkregen inlichtingen betreft.".
"Art. 10. § 1. De bestuursdiensten van de Staat, met inbegrip van de parketten en de griffies van de hoven en van alle rechtscolleges, de besturen van de Gemeenschappen, de Gewesten, de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten en de gemeenten evenals de openbare instellingen en inrichtingen, zijn gehouden, wanneer zij daartoe worden aangezocht door een ambtenaar belast met de invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen, hem alle in hun bezit zijnde inlichtingen te verstrekken, hem, zonder verplaatsing, van alle in hun bezit zijnde akten, stukken, registers en om het even welke bescheiden inzage te verlenen, en hem alle inlichtingen, afschriften of uittreksels te laten nemen, welke de bedoelde ambtenaar nodig acht om de invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen te verzekeren.
Onder "openbare instellingen of inrichtingen" verstaat men de instellingen, maatschappijen, verenigingen, inrichtingen en diensten welke de Staat, een Gemeenschap of een Gewest mede beheert, waaraan de Staat, een Gemeenschap of een Gewest een waarborg verstrekt, op de werkzaamheden waarvan de Staat, een Gemeenschap of een Gewest toezicht uitoefent of waarvan het bestuurspersoneel wordt aangewezen door de federale regering of een Gemeenschaps- of Gewestregering, op haar voordracht of met haar goedkeuring.
Van de akten, stukken, registers, bescheiden of inlichtingen in verband met gerechtelijke procedures mag evenwel geen inzage of afschrift worden verleend zonder uitdrukkelijke toelating van het openbaar ministerie.
§ 2. Paragraaf 1 is niet van toepassing op de Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie van de Federale Overheidsdienst Economie, noch op de Gemeenschappen en Gewesten voor de bevoegdheden die voorheen waren toegekend aan het Economisch en Sociaal Instituut voor de middenstand en die werden overgedragen aan de Gemeenschappen en Gewesten wat de individueel verkregen inlichtingen betreft.".
Art. 82. La même loi est complétée par un article 10, rédigé comme suit :
"Art. 10. § 1er. Les services administratifs de l'Etat, y compris les parquets et les greffes des cours et de toutes les juridictions, les administrations des Communautés, des Régions, des provinces, des agglomérations, des fédérations de communes et des communes, ainsi que les établissements et organismes publics sont tenus, lorsqu'ils en sont requis par un fonctionnaire chargé du recouvrement des créances non fiscales, de lui fournir tous renseignements en leur possession, de lui communiquer, sans déplacement, tous actes, pièces, registres et documents quelconques qu'ils détiennent et de lui laisser prendre tous renseignements, copies ou extraits que ledit fonctionnaire juge nécessaires pour assurer le recouvrement des créances non fiscales.
Par "établissements ou organismes publics", on entend les institutions, sociétés, associations, établissements et offices à l'administration desquels l'Etat, une Communauté ou une Région participe, auxquels l'Etat, une Communauté ou une Région fournit une garantie, sur l'activité desquels l'Etat, une Communauté ou une Région exerce une surveillance ou dont le personnel de direction est désigné par le gouvernement fédéral ou un gouvernement de Communauté ou de Région, sur sa proposition ou moyennant son approbation.
Toutefois, les actes, pièces, registres, documents ou renseignements relatifs à des procédures judiciaires ne peuvent être communiqués ou copiés sans l'autorisation expresse du ministère public.
§ 2. Le paragraphe 1er n'est pas applicable à la Direction générale Statistique et Information économique du Service public fédéral Economie, ni aux Communautés et Régions pour les compétences qui autrefois étaient concédées à l'Institut économique et social des Classes moyennes et qui ont été transférées aux Communautés et Régions pour ce qui concerne les renseignements individuels recueillis.".
"Art. 10. § 1er. Les services administratifs de l'Etat, y compris les parquets et les greffes des cours et de toutes les juridictions, les administrations des Communautés, des Régions, des provinces, des agglomérations, des fédérations de communes et des communes, ainsi que les établissements et organismes publics sont tenus, lorsqu'ils en sont requis par un fonctionnaire chargé du recouvrement des créances non fiscales, de lui fournir tous renseignements en leur possession, de lui communiquer, sans déplacement, tous actes, pièces, registres et documents quelconques qu'ils détiennent et de lui laisser prendre tous renseignements, copies ou extraits que ledit fonctionnaire juge nécessaires pour assurer le recouvrement des créances non fiscales.
Par "établissements ou organismes publics", on entend les institutions, sociétés, associations, établissements et offices à l'administration desquels l'Etat, une Communauté ou une Région participe, auxquels l'Etat, une Communauté ou une Région fournit une garantie, sur l'activité desquels l'Etat, une Communauté ou une Région exerce une surveillance ou dont le personnel de direction est désigné par le gouvernement fédéral ou un gouvernement de Communauté ou de Région, sur sa proposition ou moyennant son approbation.
Toutefois, les actes, pièces, registres, documents ou renseignements relatifs à des procédures judiciaires ne peuvent être communiqués ou copiés sans l'autorisation expresse du ministère public.
§ 2. Le paragraphe 1er n'est pas applicable à la Direction générale Statistique et Information économique du Service public fédéral Economie, ni aux Communautés et Régions pour les compétences qui autrefois étaient concédées à l'Institut économique et social des Classes moyennes et qui ont été transférées aux Communautés et Régions pour ce qui concerne les renseignements individuels recueillis.".
Art. 83. Dezelfde wet wordt aangevuld met een artikel 11, luidende :
"Art. 11. Alle administraties die ressorteren onder de Federale Overheidsdienst Financiën zijn gehouden aan de ambtenaren belast met de invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen alle in hun bezit zijnde toereikende, ter zake dienende en niet overmatige inlichtingen ter beschikking te stellen, die bijdragen tot de vervulling van de opdracht van die ambtenaren om de invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen te verzekeren.".
"Art. 11. Alle administraties die ressorteren onder de Federale Overheidsdienst Financiën zijn gehouden aan de ambtenaren belast met de invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen alle in hun bezit zijnde toereikende, ter zake dienende en niet overmatige inlichtingen ter beschikking te stellen, die bijdragen tot de vervulling van de opdracht van die ambtenaren om de invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen te verzekeren.".
Art. 83. La même loi est complétée par un article 11, rédigé comme suit :
"Art. 11. Toutes les administrations qui ressortissent du Service public fédéral Finances sont tenues de mettre à disposition des fonctionnaires chargés du recouvrement des créances non fiscales tous les renseignements adéquats, pertinents et non excessifs en leur possession, qui contribuent à la poursuite de la mission de ces fonctionnaires en vue d'assurer le recouvrement des créances non fiscales.".
"Art. 11. Toutes les administrations qui ressortissent du Service public fédéral Finances sont tenues de mettre à disposition des fonctionnaires chargés du recouvrement des créances non fiscales tous les renseignements adéquats, pertinents et non excessifs en leur possession, qui contribuent à la poursuite de la mission de ces fonctionnaires en vue d'assurer le recouvrement des créances non fiscales.".
Art. 84. Dezelfde wet wordt aangevuld met een artikel 12, luidende :
"Art. 12. Onverminderd het recht van de ambtenaren belast met de invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen om mondeling inlichtingen te vragen, is iedere persoon verplicht deze ambtenaren op hun verzoek, binnen de termijn vermeld op de schriftelijke vraag, welke termijn wegens wettige redenen kan worden verlengd, schriftelijk alle toereikende, ter zake dienende en niet overmatige inlichtingen te verstekken die van hem worden gevorderd, teneinde zijn vermogenssituatie of die van derden te bepalen met het oog op het invorderen van de niet-fiscale schuldvorderingen lastens hem of lastens derden.
De ontvanger bevoegd voor de invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen kan de in artikel 322, § 3, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde beschikbare gegevens opvragen bij het Centraal Aanspreekpunt van de Nationale Bank van België zonder de beperkingen van artikel 322, §§ 2 tot 4, van hetzelfde Wetboek. De machtiging hiertoe wordt verleend door een ambtenaar met minstens de graad van adviseur-generaal.".
"Art. 12. Onverminderd het recht van de ambtenaren belast met de invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen om mondeling inlichtingen te vragen, is iedere persoon verplicht deze ambtenaren op hun verzoek, binnen de termijn vermeld op de schriftelijke vraag, welke termijn wegens wettige redenen kan worden verlengd, schriftelijk alle toereikende, ter zake dienende en niet overmatige inlichtingen te verstekken die van hem worden gevorderd, teneinde zijn vermogenssituatie of die van derden te bepalen met het oog op het invorderen van de niet-fiscale schuldvorderingen lastens hem of lastens derden.
De ontvanger bevoegd voor de invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen kan de in artikel 322, § 3, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde beschikbare gegevens opvragen bij het Centraal Aanspreekpunt van de Nationale Bank van België zonder de beperkingen van artikel 322, §§ 2 tot 4, van hetzelfde Wetboek. De machtiging hiertoe wordt verleend door een ambtenaar met minstens de graad van adviseur-generaal.".
Art. 84. La même loi est complétée par un article 12, rédigé comme suit :
"Art. 12. Sans préjudice du droit des fonctionnaires chargés du recouvrement des créances non fiscales de demander des renseignements verbaux, toute personne a l'obligation, lorsqu'elle en est requise par ces fonctionnaires, de leur fournir, par écrit, dans le délai mentionné dans la demande écrite, ce délai pouvant être prolongé pour de justes motifs, tous renseignements adéquats, pertinents et non excessifs en sa possession qui lui sont réclamés en vue d'établir sa situation patrimoniale ou celle de tiers pour assurer le recouvrement des créances non fiscales à sa charge ou à la charge de tiers.
Le receveur compétent pour le recouvrement des créances non fiscales peut demander au Point de contact central de la Banque nationale de Belgique les données disponibles visées à l'article 322, § 3, alinéa 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992 relatives à un redevable sans les limitations de l'article 322, §§ 2 à 4, du même Code. L'autorisation visée ici est octroyée par un agent doté au minimum du grade de conseiller général.".
"Art. 12. Sans préjudice du droit des fonctionnaires chargés du recouvrement des créances non fiscales de demander des renseignements verbaux, toute personne a l'obligation, lorsqu'elle en est requise par ces fonctionnaires, de leur fournir, par écrit, dans le délai mentionné dans la demande écrite, ce délai pouvant être prolongé pour de justes motifs, tous renseignements adéquats, pertinents et non excessifs en sa possession qui lui sont réclamés en vue d'établir sa situation patrimoniale ou celle de tiers pour assurer le recouvrement des créances non fiscales à sa charge ou à la charge de tiers.
Le receveur compétent pour le recouvrement des créances non fiscales peut demander au Point de contact central de la Banque nationale de Belgique les données disponibles visées à l'article 322, § 3, alinéa 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992 relatives à un redevable sans les limitations de l'article 322, §§ 2 à 4, du même Code. L'autorisation visée ici est octroyée par un agent doté au minimum du grade de conseiller général.".
Art. 85. Dezelfde wet wordt aangevuld met een artikel 13, luidende :
"Art. 13. De gegevens en documenten die in het kader van de toepassing van deze wet worden ontvangen, opgesteld of verzonden, en die door de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën die belast is met de inning en de invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen worden geregistreerd, bewaard of weergegeven volgens een fotografische, optische, elektronische of volgens elke andere informatica- of telegeleidingstechniek, alsook de weergave ervan op een leesbare drager, hebben bewijskracht tot bewijs van het tegendeel.".
"Art. 13. De gegevens en documenten die in het kader van de toepassing van deze wet worden ontvangen, opgesteld of verzonden, en die door de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën die belast is met de inning en de invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen worden geregistreerd, bewaard of weergegeven volgens een fotografische, optische, elektronische of volgens elke andere informatica- of telegeleidingstechniek, alsook de weergave ervan op een leesbare drager, hebben bewijskracht tot bewijs van het tegendeel.".
Art. 85. La même loi est complétée par un article 13, rédigé comme suit :
"Art. 13. Les données et documents reçus, établis ou envoyés dans le cadre de l'application de la présente loi, et qui sont enregistrés, conservés ou reproduits par l'administration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances non fiscales, selon un procédé photographique, optique, électronique ou par toute autre technique de l'informatique ou de la télématique, ainsi que leur représentation sur un support lisible, ont force probante, sauf preuve contraire.".
"Art. 13. Les données et documents reçus, établis ou envoyés dans le cadre de l'application de la présente loi, et qui sont enregistrés, conservés ou reproduits par l'administration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances non fiscales, selon un procédé photographique, optique, électronique ou par toute autre technique de l'informatique ou de la télématique, ainsi que leur représentation sur un support lisible, ont force probante, sauf preuve contraire.".
Art. 86. Dezelfde wet wordt aangevuld met een artikel 14, luidende :
"Art. 14. Hij die, in welke hoedanigheid ook, optreedt bij de toepassing van deze wet of die toegang heeft tot de ambtsvertrekken van de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën die belast is met de inning en invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen, is, buiten de uitoefening van zijn functie, verplicht tot de meest volstrekte geheimhouding over alles waarvan hij kennis heeft gekregen bij de uitvoering van zijn opdracht.
De ambtenaren van de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën die belast is met de inning en de invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen oefenen hun ambt uit wanneer zij aan andere administratieve diensten van de Staat, daaronder begrepen de parketten en de griffies van de hoven en van alle rechtsmachten, en van de Gemeenschappen en de Gewesten, evenals aan de in artikel 10, § 1, tweede lid, bedoelde openbare instellingen of inrichtingen, inlichtingen verstrekken welke voor die administratieve diensten, administraties, openbare instellingen of inrichtingen nodig zijn om de uitvoering van de hun opgedragen wettelijke of reglementaire bepalingen te verzekeren.
De ambtenaren van de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën die belast is met de inning en de invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen oefenen eveneens hun ambt uit wanneer zij met betrekking tot de niet-fiscale schuldvordering van een schuldenaar een vraag om raadpleging, uitleg of mededeling van een medeschuldenaar inwilligen.
Personen die deel uitmaken van de diensten waaraan de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën die belast is met de inning en de invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen inlichtingen heeft verstrekt ingevolge het tweede lid, zijn tot dezelfde geheimhouding verplicht en mogen de bekomen inlichtingen niet gebruiken buiten het kader van de wettelijke of reglementaire bepalingen voor de uitvoering waarvan zij zijn verstrekt.".
"Art. 14. Hij die, in welke hoedanigheid ook, optreedt bij de toepassing van deze wet of die toegang heeft tot de ambtsvertrekken van de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën die belast is met de inning en invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen, is, buiten de uitoefening van zijn functie, verplicht tot de meest volstrekte geheimhouding over alles waarvan hij kennis heeft gekregen bij de uitvoering van zijn opdracht.
De ambtenaren van de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën die belast is met de inning en de invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen oefenen hun ambt uit wanneer zij aan andere administratieve diensten van de Staat, daaronder begrepen de parketten en de griffies van de hoven en van alle rechtsmachten, en van de Gemeenschappen en de Gewesten, evenals aan de in artikel 10, § 1, tweede lid, bedoelde openbare instellingen of inrichtingen, inlichtingen verstrekken welke voor die administratieve diensten, administraties, openbare instellingen of inrichtingen nodig zijn om de uitvoering van de hun opgedragen wettelijke of reglementaire bepalingen te verzekeren.
De ambtenaren van de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën die belast is met de inning en de invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen oefenen eveneens hun ambt uit wanneer zij met betrekking tot de niet-fiscale schuldvordering van een schuldenaar een vraag om raadpleging, uitleg of mededeling van een medeschuldenaar inwilligen.
Personen die deel uitmaken van de diensten waaraan de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën die belast is met de inning en de invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen inlichtingen heeft verstrekt ingevolge het tweede lid, zijn tot dezelfde geheimhouding verplicht en mogen de bekomen inlichtingen niet gebruiken buiten het kader van de wettelijke of reglementaire bepalingen voor de uitvoering waarvan zij zijn verstrekt.".
Art. 86. La même loi est complétée par un article 14, rédigé comme suit :
"Art. 14. Celui qui intervient, à quelque titre que ce soit, dans l'application de la présente loi ou qui a accès dans les bureaux de l'administration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances non fiscales, est tenu de garder, en dehors de l'exercice de ses fonctions, le secret le plus absolu au sujet de tout ce dont il a eu connaissance par suite de l'exécution de sa mission.
Les fonctionnaires de l'administration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances non fiscales restent dans l'exercice de leurs fonctions lorsqu'ils communiquent aux autres services administratifs de l'Etat, y compris les parquets et les greffes des cours et de toutes les juridictions, et des Communautés et des Régions, ainsi qu'aux établissements ou organismes publics visés à l'article 10, § 1er, alinéa 2, les renseignements qui sont nécessaires à ces services administratifs, administrations, établissements ou organismes publics pour assurer l'exécution des dispositions légales ou réglementaires dont ils sont chargés.
Les fonctionnaires de l'administration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances non fiscales restent également dans l'exercice de leurs fonctions lorsqu'ils accueillent une demande de consultation, d'explication ou de communication relative à la créance non fiscale d'un débiteur, émanant d'un codébiteur.
Les personnes appartenant aux services à qui l'administration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances non fiscales a fourni des renseignements en application de l'alinéa 2 sont également tenues au même secret et elles ne peuvent utiliser les renseignements obtenus en dehors du cadre des dispositions légales ou réglementaires pour l'exécution desquelles ils ont été fournis.".
"Art. 14. Celui qui intervient, à quelque titre que ce soit, dans l'application de la présente loi ou qui a accès dans les bureaux de l'administration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances non fiscales, est tenu de garder, en dehors de l'exercice de ses fonctions, le secret le plus absolu au sujet de tout ce dont il a eu connaissance par suite de l'exécution de sa mission.
Les fonctionnaires de l'administration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances non fiscales restent dans l'exercice de leurs fonctions lorsqu'ils communiquent aux autres services administratifs de l'Etat, y compris les parquets et les greffes des cours et de toutes les juridictions, et des Communautés et des Régions, ainsi qu'aux établissements ou organismes publics visés à l'article 10, § 1er, alinéa 2, les renseignements qui sont nécessaires à ces services administratifs, administrations, établissements ou organismes publics pour assurer l'exécution des dispositions légales ou réglementaires dont ils sont chargés.
Les fonctionnaires de l'administration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances non fiscales restent également dans l'exercice de leurs fonctions lorsqu'ils accueillent une demande de consultation, d'explication ou de communication relative à la créance non fiscale d'un débiteur, émanant d'un codébiteur.
Les personnes appartenant aux services à qui l'administration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances non fiscales a fourni des renseignements en application de l'alinéa 2 sont également tenues au même secret et elles ne peuvent utiliser les renseignements obtenus en dehors du cadre des dispositions légales ou réglementaires pour l'exécution desquelles ils ont été fournis.".
Art. 87. Dezelfde wet wordt aangevuld met een artikel 15, luidende :
"Art. 15. Met het oog op de invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen door de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën die belast is met de inning en de invordering van deze schulden, kan de bevoegde adviseur-generaal van deze administratie of de door hem gedelegeerde ambtenaar, onder de door hem in elk specifiek geval te bepalen voorwaarden, gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de interestschuld verlenen en ermee instemmen dat de gedeeltelijke betalingen eerst op het kapitaal worden toegerekend.
In het geval waarin de toestand van de schuldenaar te goeder trouw dat wettigt, gaat hij met hem dadingen aan indien de schuldeiser daarin toestemt.".
"Art. 15. Met het oog op de invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen door de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën die belast is met de inning en de invordering van deze schulden, kan de bevoegde adviseur-generaal van deze administratie of de door hem gedelegeerde ambtenaar, onder de door hem in elk specifiek geval te bepalen voorwaarden, gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de interestschuld verlenen en ermee instemmen dat de gedeeltelijke betalingen eerst op het kapitaal worden toegerekend.
In het geval waarin de toestand van de schuldenaar te goeder trouw dat wettigt, gaat hij met hem dadingen aan indien de schuldeiser daarin toestemt.".
Art. 87. La même loi est complétée par un article 15, rédigé comme suit :
"Art. 15. En vue du recouvrement des créances non fiscales par l'administration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement de ces créances, le conseiller général compétent de cette administration ou un fonctionnaire délégué par lui peut, aux conditions qu'il fixe dans chaque cas particulier, remettre tout ou partie de la dette en intérêts et consentir à ce que les paiements partiels soient imputés d'abord sur le capital.
Dans les cas où la situation du débiteur de bonne foi le justifie, il conclut avec lui des transactions, si le créancier y consent.".
"Art. 15. En vue du recouvrement des créances non fiscales par l'administration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement de ces créances, le conseiller général compétent de cette administration ou un fonctionnaire délégué par lui peut, aux conditions qu'il fixe dans chaque cas particulier, remettre tout ou partie de la dette en intérêts et consentir à ce que les paiements partiels soient imputés d'abord sur le capital.
Dans les cas où la situation du débiteur de bonne foi le justifie, il conclut avec lui des transactions, si le créancier y consent.".
Afdeling 2. - Wijziging van de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën
Section 2. - Modifications de la loi du 21 février 2003 créant un Service des créances alimentaires au sein du SPF Finances
Art. 88. Artikel 13 van de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën, gewijzigd bij de wet van 12 mei 2014, wordt vervangen als volgt :
"Art. 13. Ten vroegste één maand na de kennisgeving bedoeld in artikel 10, gaat de Dienst voor alimentatievorderingen over tot de invordering van de verschuldigde bedragen door middel van een dwangbevel.
Het dwangbevel wordt uitgevaardigd door de Dienst voor alimentatievorderingen; het wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de adviseur-generaal bevoegd voor de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën waaronder de Dienst voor alimentatievorderingen ressorteert, of door een door hem aangewezen ambtenaar.
Het wordt ter kennis gebracht bij aangetekende brief. De afgifte van het stuk bij de aanbieder van de universele postdienst geldt als kennisgeving vanaf de derde daaropvolgende werkdag.
Het dwangbevel mag eveneens worden betekend bij deurwaardersexploot met bevel tot betaling.".
"Art. 13. Ten vroegste één maand na de kennisgeving bedoeld in artikel 10, gaat de Dienst voor alimentatievorderingen over tot de invordering van de verschuldigde bedragen door middel van een dwangbevel.
Het dwangbevel wordt uitgevaardigd door de Dienst voor alimentatievorderingen; het wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de adviseur-generaal bevoegd voor de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën waaronder de Dienst voor alimentatievorderingen ressorteert, of door een door hem aangewezen ambtenaar.
Het wordt ter kennis gebracht bij aangetekende brief. De afgifte van het stuk bij de aanbieder van de universele postdienst geldt als kennisgeving vanaf de derde daaropvolgende werkdag.
Het dwangbevel mag eveneens worden betekend bij deurwaardersexploot met bevel tot betaling.".
Art. 88. L'article 13 de la loi du 21 février 2003 créant un Service des créances alimentaires au sein du SPF Finances, modifié par la loi du 12 mai 2014, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 13. Au plus tôt un mois après la notification visée à l'article 10, le Service des créances alimentaires procède au recouvrement des montants dus au moyen d'une contrainte.
La contrainte est décernée par le Service des créances alimentaires; elle est visée et rendue exécutoire par le conseiller général compétent de l'administration du Service public fédéral Finances dont relève le Service des créances alimentaires, ou par un fonctionnaire délégué par lui.
Elle est notifiée par pli recommandé. La remise de la pièce au prestataire de service postal universel vaut notification à compter du troisième jour ouvrable suivant.
La contrainte peut également être signifiée par exploit d'huissier de justice avec commandement de payer.".
"Art. 13. Au plus tôt un mois après la notification visée à l'article 10, le Service des créances alimentaires procède au recouvrement des montants dus au moyen d'une contrainte.
La contrainte est décernée par le Service des créances alimentaires; elle est visée et rendue exécutoire par le conseiller général compétent de l'administration du Service public fédéral Finances dont relève le Service des créances alimentaires, ou par un fonctionnaire délégué par lui.
Elle est notifiée par pli recommandé. La remise de la pièce au prestataire de service postal universel vaut notification à compter du troisième jour ouvrable suivant.
La contrainte peut également être signifiée par exploit d'huissier de justice avec commandement de payer.".
Art. 89. In artikel 14, § 1, van dezelfde wet, worden de woorden "de kennisgeving of" ingevoegd tussen het woord "Na" en de woorden "de betekening van het in artikel 13 bedoelde dwangbevel".
Art. 89. Dans l'article 14, § 1er, de la même loi, les mots "la notification ou" sont insérés entre le mot "Après" et les mots "la signification de la contrainte".
Art. 90. In artikel 18, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 12 mei 2014, worden de woorden "artikel 3 van de domaniale wet van 22 december 1949" vervangen door de woorden "artikel 13, tweede tot vierde lid".
Art. 90. Dans l'article 18, alinéa 1er, de la même loi, modifié par la loi du 12 mai 2014, les mots "l'article 3 de la loi domaniale du 22 décembre 1949" sont remplacés par les mots "l'article 13, alinéas 2 à 4".
Art. 91. In artikel 19 van dezelfde wet, worden de woorden "de kennisgeving of" ingevoegd tussen de woorden "te rekenen vanaf" en de woorden "de betekening van het dwangbevel".
Art. 91. Dans l'article 19 de la même loi, les mots "la notification ou" sont insérés entre les mots "à compter de"et les mots "la signification de la contrainte".
Afdeling 3. - Wijziging van de wet van 3 augustus 2012 houdende bepalingen betreffende de verwerking van persoonsgegevens door de Federale Overheidsdienst Financiën in het kader van zijn opdrachten
Section 3. - Modification de la loi du 3 août 2012 portant dispositions relatives aux traitements de données à caractère personnel réalisés par le Service public fédéral Finances dans le cadre de ses missions
Art. 92. In artikel 6, § 3, van de wet van 3 augustus 2012 houdende bepalingen betreffende de verwerking van persoonsgegevens door de Federale Overheidsdienst Financiën in het kader van zijn opdrachten, worden de woorden ", van artikel 14 van de domaniale wet van 22 december 1949" ingevoegd tussen de woorden "diverse rechten en taksen" en de woorden "en van artikel 320".
Art. 92. Dans l'article 6, § 3, de la loi du 3 août 2012 portant dispositions relatives aux traitements de données à caractère personnel réalisés par le Service public fédéral Finances dans le cadre de ses missions, les mots ", de l'article 14 de la loi domaniale du 22 décembre 1949" sont insérés entre les mots "des droits et taxes divers" et les mots "et de l'article 320".
Afdeling 4. - Wijzigingen aan het Gerechtelijk Wetboek en aan diverse bepalingen
Section 4. - Modifications du Code judiciaire et de dispositions diverses
Art. 93. In artikel 669 van het Gerechtelijk Wetboek worden de woorden "ontvanger der registratie" vervangen door de woorden "bevoegde ontvanger van de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen".
Art. 93. Dans l'article 669 du Code judiciaire, les mots "receveur de l'enregistrement" sont remplacés par les mots "receveur compétent de l'administration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances non fiscales".
Art. 94. In artikel 684, eerste lid, van hetzelfde Wetboek worden de woorden "het kantoor van de ontvanger der registratie" vervangen door de woorden "de bevoegde ontvanger van de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen".
Art. 94. Dans l'article 684, alinéa 1er, du même Code, les mots "bureau du receveur de l'enregistrement" sont remplacés par les mots "receveur compétent de l'administration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances non fiscales".
Art. 95. In artikel 693, eerste lid, van hetzelfde Wetboek worden de woorden "het bestuur van registratie en domeinen" vervangen door de woorden "de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen".
Art. 95. Dans l'article 693, alinéa 1er, du même Code, les mots "l'administration de l'enregistrement et des domaines" sont remplacés par les mots "l'administration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances non fiscales".
Art. 96. Artikel 694 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
"Art. 694. Indien de tegenpartij van diegene die rechtsbijstand geniet, in de kosten wordt veroordeeld, doet de griffier binnen een maand aan de bevoegde ontvanger van de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen een uittreksel uit het vonnis toekomen.
In geval van dading zijn de partijen ertoe gehouden bij een aangetekende brief aan de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen mee te delen dat het geschil beëindigd is. Deze mededeling moet geschieden binnen zestig dagen nadat de overeenkomst getroffen is. Bij gebreke daarvan wordt aan elke partij een administratieve geldboete van ten minste vijftig euro opgelegd, welke kan worden gebracht op het dubbele van de gerechtskosten, door de administratie voorgeschoten.".
"Art. 694. Indien de tegenpartij van diegene die rechtsbijstand geniet, in de kosten wordt veroordeeld, doet de griffier binnen een maand aan de bevoegde ontvanger van de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen een uittreksel uit het vonnis toekomen.
In geval van dading zijn de partijen ertoe gehouden bij een aangetekende brief aan de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen mee te delen dat het geschil beëindigd is. Deze mededeling moet geschieden binnen zestig dagen nadat de overeenkomst getroffen is. Bij gebreke daarvan wordt aan elke partij een administratieve geldboete van ten minste vijftig euro opgelegd, welke kan worden gebracht op het dubbele van de gerechtskosten, door de administratie voorgeschoten.".
Art. 96. L'article 694 du même Code est remplacé par ce qui suit :
"Art. 694. Si l'adversaire de l'assisté est condamné aux dépens, le greffier transmet, dans le mois, un extrait du jugement au receveur compétent de l'administration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances non fiscales.
En cas de transaction, les parties sont tenues d'informer l'administration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances non fiscales, par lettre recommandée, qu'il a été mis fin au litige. Cette information doit être donnée dans les soixante jours de l'accord intervenu, faute de quoi il est encouru par chacune des parties une amende administrative de cinquante euros au minimum et qui peut être portée au double des frais de justice avancés par l'administration.".
"Art. 694. Si l'adversaire de l'assisté est condamné aux dépens, le greffier transmet, dans le mois, un extrait du jugement au receveur compétent de l'administration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances non fiscales.
En cas de transaction, les parties sont tenues d'informer l'administration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances non fiscales, par lettre recommandée, qu'il a été mis fin au litige. Cette information doit être donnée dans les soixante jours de l'accord intervenu, faute de quoi il est encouru par chacune des parties une amende administrative de cinquante euros au minimum et qui peut être portée au double des frais de justice avancés par l'administration.".
Art. 97. In artikel 695 van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het eerste lid wordt vervangen als volgt :
"De Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen verhaalt de eraan verschuldigde gelden overeenkomstig de artikelen 3 en volgende van de domaniale wet van 22 december 1949.";
2° het tweede lid wordt opgeheven.
1° het eerste lid wordt vervangen als volgt :
"De Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen verhaalt de eraan verschuldigde gelden overeenkomstig de artikelen 3 en volgende van de domaniale wet van 22 december 1949.";
2° het tweede lid wordt opgeheven.
Art. 97. Dans l'article 695 du même Code, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
"Le recouvrement de la créance de l'administration est poursuivi par l'administration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances non fiscales, conformément aux articles 3 et suivants de la loi domaniale du 22 décembre 1949.";
2° l'alinéa 2 est abrogé.
1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
"Le recouvrement de la créance de l'administration est poursuivi par l'administration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances non fiscales, conformément aux articles 3 et suivants de la loi domaniale du 22 décembre 1949.";
2° l'alinéa 2 est abrogé.
Art. 98. In artikel 697 van hetzelfde Wetboek worden de woorden "het bestuur der registratie de betaling heeft gedaan, wanneer het voorschotten van dit bestuur betreft" vervangen door de woorden "de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen de betaling heeft gedaan, wanneer het voorschotten van deze administratie betreft".
Art. 98. Dans l'article 697 du même Code, les mots "l'administration de l'enregistrement a effectué le payement, s'il s'agit d'avances faites par elle" sont remplacés par les mots "l'administration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances non fiscales a effectué le payement, s'il s'agit d'avances faites par elle".
Art. 99. Het opschrift van de wet van 18 december 1986 houdende bevoegdverklaring van de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen tot het uitvoeren van bepaalde vermogensrechtelijke verrichtingen voor rekening van de gemeenschaps- en gewestinstellingen, wordt vervangen als volgt :
"Wet houdende bevoegdverklaring van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen tot invordering van niet-fiscale schuldvorderingen voor rekening van de Gemeenschappen, de Gewesten en de instellingen van openbaar nut die ervan afhangen".
"Wet houdende bevoegdverklaring van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen tot invordering van niet-fiscale schuldvorderingen voor rekening van de Gemeenschappen, de Gewesten en de instellingen van openbaar nut die ervan afhangen".
Art. 99. L'intitulé de la loi du 18 décembre 1986 habilitant l'Administration de la taxe sur la valeur ajoutée, de l'enregistrement et des domaines à réaliser certaines opérations patrimoniales pour le compte des institutions communautaires et régionales, est remplacé par l'intitulé suivant :
"Loi habilitant l'administration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances non fiscales à effectuer le recouvrement des créances non fiscales pour le compte des Communautés, des Régions, ainsi que des organismes d'intérêt public qui en dépendent".
"Loi habilitant l'administration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances non fiscales à effectuer le recouvrement des créances non fiscales pour le compte des Communautés, des Régions, ainsi que des organismes d'intérêt public qui en dépendent".
Art. 100. Artikel 1 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
"Art. 1. De administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen kan, op aanvraag, in naam en voor rekening van de Gemeenschappen, de Gewesten en de instellingen van openbaar nut die ervan afhangen, de invordering van hun niet-fiscale schuldvorderingen vervolgen.".
"Art. 1. De administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen kan, op aanvraag, in naam en voor rekening van de Gemeenschappen, de Gewesten en de instellingen van openbaar nut die ervan afhangen, de invordering van hun niet-fiscale schuldvorderingen vervolgen.".
Art. 100. L'article 1er de la même loi est remplacé par ce qui suit :
"Article 1er. L'administration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances non fiscales peut effectuer, à la demande, au nom et pour le compte des Communautés, des Régions, ainsi que des organismes d'intérêt public qui en dépendent, le recouvrement de leurs créances non fiscales.".
"Article 1er. L'administration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances non fiscales peut effectuer, à la demande, au nom et pour le compte des Communautés, des Régions, ainsi que des organismes d'intérêt public qui en dépendent, le recouvrement de leurs créances non fiscales.".
Art. 101. Artikel 2 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
"Art. 2. De niet-fiscale schuldvorderingen bedoeld in artikel 1 worden ingevorderd overeenkomstig de artikelen 3 en volgende van de domaniale wet van 22 december 1949.
Bij het uitoefenen van de bevoegdheden die haar krachtens deze wet worden opgedragen voegt de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen zich naar de onderrichtingen van de overheid die op haar diensten een beroep doet.".
"Art. 2. De niet-fiscale schuldvorderingen bedoeld in artikel 1 worden ingevorderd overeenkomstig de artikelen 3 en volgende van de domaniale wet van 22 december 1949.
Bij het uitoefenen van de bevoegdheden die haar krachtens deze wet worden opgedragen voegt de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen zich naar de onderrichtingen van de overheid die op haar diensten een beroep doet.".
Art. 101. L'article 2 de la même loi est remplacé par ce qui suit :
"Art. 2. Les créances non fiscales visées à l'article 1er sont recouvrées conformément aux articles 3 et suivants de la loi domaniale du 22 décembre 1949.
Dans l'exercice des attributions qui lui sont confiées en vertu de la présente loi, l'administration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances non fiscales agit selon les instructions de l'autorité qui requiert son intervention.".
"Art. 2. Les créances non fiscales visées à l'article 1er sont recouvrées conformément aux articles 3 et suivants de la loi domaniale du 22 décembre 1949.
Dans l'exercice des attributions qui lui sont confiées en vertu de la présente loi, l'administration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances non fiscales agit selon les instructions de l'autorité qui requiert son intervention.".
Art. 102. Artikel 15 van de wet van 9 januari 2007 houdende toekenning van een toelage voor het aanschaffen van huisbrandolie, van propaangas in bulk, van lamppetroleum en van aardgas bestemd voor de verwarming van een privéwoning, wordt vervangen als volgt :
"Art. 15. De invordering van de bedragen die bij toepassing van deze wet aan de Staat verschuldigd zijn, wordt vervolgd door de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen overeenkomstig de artikelen 3 en volgende van de domaniale wet van 22 december 1949.".
"Art. 15. De invordering van de bedragen die bij toepassing van deze wet aan de Staat verschuldigd zijn, wordt vervolgd door de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen overeenkomstig de artikelen 3 en volgende van de domaniale wet van 22 december 1949.".
Art. 102. L'article 15 de la loi du 9 janvier 2007 visant à octroyer une allocation pour l'acquisition du gasoil, du gaz propane en vrac, du pétrole lampant et du gaz naturel destinés au chauffage d'une habitation privée, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 15. Le recouvrement des sommes dues à l'Etat en application de la présente loi est poursuivi par l'administration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances non fiscales conformément aux articles 3 et suivants de la loi domaniale du 22 décembre 1949.".
"Art. 15. Le recouvrement des sommes dues à l'Etat en application de la présente loi est poursuivi par l'administration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances non fiscales conformément aux articles 3 et suivants de la loi domaniale du 22 décembre 1949.".
Art. 103. In artikel 13, tweede lid, van de wet van 8 december 2006 tot vaststelling van een heffing ter bestrijding van het niet benutten van een site voor de productie van elektriciteit door een producent, worden de woorden "bij dwangbevel, overeenkomstig de bepalingen van artikel 94 van de gecoördineerde wetten van 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit" vervangen door de woorden "door de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen overeenkomstig de artikelen 3 en volgende van de domaniale wet van 22 december 1949".
Art. 103. Dans l'article 13, alinéa 2, de la loi du 8 décembre 2006 établissant un prélèvement visant à lutter contre la non-utilisation d'un site de production d'électricité par un producteur, les mots "par voie de contrainte, conformément aux dispositions de l'article 94 des lois coordonnées du 17 juillet 1991 sur la comptabilité de l'Etat" sont remplacés par les mots "par l'administration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances non fiscales conformément aux articles 3 et suivants de la loi domaniale du 22 décembre 1949".
Art. 104. Artikel 14 van dezelfde wet wordt opgeheven.
Art. 104. L'article 14 de la même loi est abrogé.
Art. 105. In artikel 40, § 2, van de wet van 15 december 2013 met betrekking tot medische hulpmiddelen, wordt het eerste lid vervangen als volgt :
"Indien geen betaling volgt binnen de in paragraaf 1 bedoelde termijn, verstuurt de ambtenaar de definitieve beslissing met het te betalen bedrag naar de bevoegde ontvanger van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen, en worden de verschuldigde gelden ingevorderd overeenkomstig de artikelen 3 en volgende van de domaniale wet van 22 december 1949.".
"Indien geen betaling volgt binnen de in paragraaf 1 bedoelde termijn, verstuurt de ambtenaar de definitieve beslissing met het te betalen bedrag naar de bevoegde ontvanger van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen, en worden de verschuldigde gelden ingevorderd overeenkomstig de artikelen 3 en volgende van de domaniale wet van 22 december 1949.".
Art. 105. Dans l'article 40, § 2, de la loi du 15 décembre 2013 en matière de dispositifs médicaux, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
"Si le paiement n'est pas effectué dans le délai visé au paragraphe 1er, le fonctionnaire envoie la décision définitive avec le montant à payer au receveur compétent de l'administration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances non fiscales, et les sommes dues sont recouvrées conformément aux articles 3 et suivants de la loi domaniale du 22 décembre 1949.".
"Si le paiement n'est pas effectué dans le délai visé au paragraphe 1er, le fonctionnaire envoie la décision définitive avec le montant à payer au receveur compétent de l'administration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances non fiscales, et les sommes dues sont recouvrées conformément aux articles 3 et suivants de la loi domaniale du 22 décembre 1949.".
Art. 106. Artikel 41 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 21 december 2013, wordt opgeheven.
Art. 106. L'article 41 de la même loi, modifié par la loi du 21 décembre 2013, est abrogé.
Afdeling 5. - Diverse en overgangsbepalingen
Section 5. - Dispositions diverses et transitoires
Art. 107. Telkens wanneer een wettelijke of reglementaire bepaling stelt dat een aan de Staat of aan een Staatsorganisme niet-fiscale schuldvordering wordt ingevorderd hetzij overeenkomstig artikel 3 van de domaniale wet van 22 december 1949, hetzij door de voormalige administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, door een van zijn rechtsvoorgangers of rechtsopvolgers of door een van zijn ambtenaren, moet dit gelezen worden met weglating van de termen "bij dwangbevel", "door middel van aanmaning-dwangbevel" of "door middel van een dwangbevel" of van soortgelijke termen die verwijzen naar het dwangbevel.
Telkens wanneer een wettelijke of reglementaire bepaling stelt dat een niet-fiscale schuldvordering wordt ingevorderd door de voormalige administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, door een van zijn rechtsvoorgangers of rechtsopvolgers of door een van zijn ambtenaren "op dezelfde wijze als voor het invorderen van de registratierechten", "overeenkomstig de bepalingen van artikel 94 van de gecoördineerde wetten van 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit" of "overeenkomstig artikel 94 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991", moet dit gelezen worden als "overeenkomstig de artikelen 3 en volgende van de domaniale wet van 22 december 1949".
Telkens wanneer een wettelijke of reglementaire bepaling stelt dat een niet-fiscale schuldvordering wordt ingevorderd door de voormalige administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, door een van zijn rechtsvoorgangers of rechtsopvolgers of door een van zijn ambtenaren "op dezelfde wijze als voor het invorderen van de registratierechten", "overeenkomstig de bepalingen van artikel 94 van de gecoördineerde wetten van 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit" of "overeenkomstig artikel 94 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991", moet dit gelezen worden als "overeenkomstig de artikelen 3 en volgende van de domaniale wet van 22 december 1949".
Art. 107. Chaque fois qu'une disposition légale ou réglementaire mentionne qu'une créance non fiscale est recouvrée soit conformément à l'article 3 de la loi domaniale du 22 décembre 1949, soit par l'ancienne administration de la taxe sur la valeur ajoutée, de l'enregistrement et des domaines, par un de ses prédécesseurs ou successeurs juridiques ou par un de ses fonctionnaires, "par voie de contrainte", "par voie de sommation-contrainte", "par la contrainte" ou par des termes similaires faisant référence à la contrainte, il y a lieu de la lire en omettant ces termes.
Chaque fois qu'une disposition légale ou réglementaire mentionne qu'une créance non fiscale est recouvrée par l'ancienne administration de la taxe sur la valeur ajoutée, de l'enregistrement et des domaines, par un de ses prédécesseurs ou successeurs juridiques ou par un de ses fonctionnaires "comme en matière de recouvrement des droits d'enregistrement ", "conformément aux dispositions de l'article 94 des lois coordonnées du 17 juillet 1991 sur la comptabilité de l'Etat" ou "conformément à l'article 94 des lois sur la comptabilité de l'Etat, coordonnées le 17 juillet 199 ", il y a lieu de la lire comme mentionnant "conformément aux articles 3 et suivants de la loi domaniale du 22 décembre 1949".
Chaque fois qu'une disposition légale ou réglementaire mentionne qu'une créance non fiscale est recouvrée par l'ancienne administration de la taxe sur la valeur ajoutée, de l'enregistrement et des domaines, par un de ses prédécesseurs ou successeurs juridiques ou par un de ses fonctionnaires "comme en matière de recouvrement des droits d'enregistrement ", "conformément aux dispositions de l'article 94 des lois coordonnées du 17 juillet 1991 sur la comptabilité de l'Etat" ou "conformément à l'article 94 des lois sur la comptabilité de l'Etat, coordonnées le 17 juillet 199 ", il y a lieu de la lire comme mentionnant "conformément aux articles 3 et suivants de la loi domaniale du 22 décembre 1949".
Art. 108. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op het dwangbevel dat werd betekend voor de datum van zijn inwerkingtreding.
Art. 108. Le présent chapitre n'est pas applicable à la contrainte qui a été signifiée avant la date de son entrée en vigueur.
Afdeling 6. - Inwerkingtreding
Section 6. - Entrée en vigueur
Art. 109. Dit hoofdstuk treedt in werking op de datum bepaald door de Koning en uiterlijk op 1 januari 2017.
Art. 109. Le présent chapitre entre en vigueur à la date fixée par le Roi et au plus tard le 1er janvier 2017.
HOOFDSTUK 5. - Accijnzen
CHAPITRE 5. - Accises
Afdeling 1. - Wijzigingen van de wet van 3 april 1997 betreffende het fiscaal stelsel van gefabriceerde tabak
Section 1re. - Modifications de la loi du 3 avril 1997 relative au régime fiscal des tabacs manufacturés
Art. 110. In artikel 3 van de wet van 3 april 1997 betreffende het fiscaal stelsel van gefabriceerde tabak, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 26 december 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt :
" § 3. Voor de sigaretten mag het totaal van de accijnzen en van de bijzondere accijnzen, geheven overeenkomstig § 1, 2°, en § 2, a), in geen geval minder bedragen dan 161,9645 euro per 1 000 stuks";
2° paragraaf 4, eerste lid, wordt vervangen als volgt :
"Voor de rooktabak van fijne snede voor het rollen van sigaretten en andere soorten rooktabak mag het totaal van de accijnzen en van de bijzondere accijnzen, geheven overeenkomstig § 1, 3°, en § 2, b), in geen geval minder bedragen dan 61,0747 euro per kilogram".
1° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt :
" § 3. Voor de sigaretten mag het totaal van de accijnzen en van de bijzondere accijnzen, geheven overeenkomstig § 1, 2°, en § 2, a), in geen geval minder bedragen dan 161,9645 euro per 1 000 stuks";
2° paragraaf 4, eerste lid, wordt vervangen als volgt :
"Voor de rooktabak van fijne snede voor het rollen van sigaretten en andere soorten rooktabak mag het totaal van de accijnzen en van de bijzondere accijnzen, geheven overeenkomstig § 1, 3°, en § 2, b), in geen geval minder bedragen dan 61,0747 euro per kilogram".
Art. 110. Dans l'article 3 de la loi du 3 avril 1997 relative au régime fiscal des tabacs manufacturés, modifié en dernier lieu par la loi du 26 décembre 2015, les modifications suivantes sont apportées :
1° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Pour les cigarettes, le total des droits d'accise et des droits d'accise spéciaux perçus conformément aux § 1er, 2°, et § 2, a), ne peut en aucun cas être inférieur à 161,9645 euros par 1 000 pièces";
2° le paragraphe 4, alinéa 1er, est remplacé par ce qui suit :
"Pour le tabac à fumer fine coupe destiné à rouler les cigarettes et les autres tabacs à fumer, le total des droits d'accise et des droits d'accise spéciaux perçus conformément aux § 1er, 3°, et § 2, b), ne peut en aucun cas être inférieur à 61,0747 euros par kilogramme".
1° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Pour les cigarettes, le total des droits d'accise et des droits d'accise spéciaux perçus conformément aux § 1er, 2°, et § 2, a), ne peut en aucun cas être inférieur à 161,9645 euros par 1 000 pièces";
2° le paragraphe 4, alinéa 1er, est remplacé par ce qui suit :
"Pour le tabac à fumer fine coupe destiné à rouler les cigarettes et les autres tabacs à fumer, le total des droits d'accise et des droits d'accise spéciaux perçus conformément aux § 1er, 3°, et § 2, b), ne peut en aucun cas être inférieur à 61,0747 euros par kilogramme".
Afdeling 2. - Wijzigingen van de programmawet van 27 december 2004
Section 2. - Modifications de la loi-programme du 27 décembre 2004
Art. 111. In artikel 419 van de programmawet van 27 december 2004, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 juni 2016 tot wijziging van de programmawet van 27 december 2004 en van de wet van 7 januari 1998 betreffende de structuur en de accijnstarieven op alcohol en alcoholhoudende dranken en tot opheffing van het koninklijk besluit van 26 oktober 2015 tot voorlopige wijziging van de programmawet van 27 december 2004 en van het koninklijk besluit van 26 oktober 2015 tot voorlopige wijziging van de wet van 7 januari 1998 betreffende de structuur en de accijnstarieven op alcohol en alcoholhoudende dranken, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de bepaling onder e), i), wordt vervangen door :
"e) gasolie van de GN-codes 2710 19 41, 2710 19 45 en 2710 19 49 met een zwavelgehalte van meer dan 10 mg/kg :
i) gebruikt als motorbrandstof :
accijns : 198,3148 euro per 1 000 liter bij 15 ° C;
bijzondere accijns : 266,7814 euro per 1 000 liter bij 15 ° C;
bijdrage op de energie : 14,8736 euro per 1 000 liter bij 15 ° C;";
2° de bepaling onder f), i), wordt vervangen door :
"f) gasolie van de GN-code 2710 19 41 met een zwavelgehalte van niet meer dan 10 mg/kg :
i) gebruikt als motorbrandstof :
accijns : 198,3148 euro per 1 000 liter bij 15 ° C;
bijzondere accijns : 251,6461 euro per 1 000 liter bij 15 ° C;
bijdrage op de energie : 14,8736 euro per 1 000 liter bij 15 ° C;".
1° de bepaling onder e), i), wordt vervangen door :
"e) gasolie van de GN-codes 2710 19 41, 2710 19 45 en 2710 19 49 met een zwavelgehalte van meer dan 10 mg/kg :
i) gebruikt als motorbrandstof :
accijns : 198,3148 euro per 1 000 liter bij 15 ° C;
bijzondere accijns : 266,7814 euro per 1 000 liter bij 15 ° C;
bijdrage op de energie : 14,8736 euro per 1 000 liter bij 15 ° C;";
2° de bepaling onder f), i), wordt vervangen door :
"f) gasolie van de GN-code 2710 19 41 met een zwavelgehalte van niet meer dan 10 mg/kg :
i) gebruikt als motorbrandstof :
accijns : 198,3148 euro per 1 000 liter bij 15 ° C;
bijzondere accijns : 251,6461 euro per 1 000 liter bij 15 ° C;
bijdrage op de energie : 14,8736 euro per 1 000 liter bij 15 ° C;".
Art. 111. Dans l'article 419 de la loi-programme du 27 décembre 2004, modifié en dernier lieu par la loi du 27 juin 2016 modifiant la loi-programme du 27 décembre 2004 et la loi du 7 janvier 1998 concernant la structure et les taux des droits d'accise sur l'alcool et les boissons alcoolisées et abrogeant l'arrêté royal du 26 octobre 2015 modifiant provisoirement la loi-programme du 27 décembre 2004 et l'arrêté royal du 26 octobre 2015 modifiant provisoirement la loi du 7 janvier 1998 concernant la structure et les taux des droits d'accise sur l'alcool et les boissons alcoolisées, les modifications suivantes sont apportées :
1° le e), i), est remplacé par :
"e) gasoil relevant des codes NC 2710 19 41, 2710 19 45 et 2710 19 49 d'une teneur en poids de soufre excédant 10 mg/kg :
i) utilisé comme carburant :
droit d'accise : 198,3148 euros par 1 000 litres à 15 ° C;
droit d'accise spécial : 266,7814 euros par 1 000 litres à 15 ° C;
cotisation sur l'énergie : 14,8736 euros par 1 000 litres à 15 ° C;";
2° le f), i), est remplacé par :
"f) gasoil relevant du code NC 2710 19 41 d'une teneur en poids de soufre n'excédant pas 10 mg/kg :
i) utilisé comme carburant :
droit d'accise : 198,3148 euros par 1 000 litres à 15 ° C;
droit d'accise spécial : 251,6461 euros par 1 000 litres à 15 ° C;
cotisation sur l'énergie : 14,8736 euros par 1 000 litres à 15 ° C;".
1° le e), i), est remplacé par :
"e) gasoil relevant des codes NC 2710 19 41, 2710 19 45 et 2710 19 49 d'une teneur en poids de soufre excédant 10 mg/kg :
i) utilisé comme carburant :
droit d'accise : 198,3148 euros par 1 000 litres à 15 ° C;
droit d'accise spécial : 266,7814 euros par 1 000 litres à 15 ° C;
cotisation sur l'énergie : 14,8736 euros par 1 000 litres à 15 ° C;";
2° le f), i), est remplacé par :
"f) gasoil relevant du code NC 2710 19 41 d'une teneur en poids de soufre n'excédant pas 10 mg/kg :
i) utilisé comme carburant :
droit d'accise : 198,3148 euros par 1 000 litres à 15 ° C;
droit d'accise spécial : 251,6461 euros par 1 000 litres à 15 ° C;
cotisation sur l'énergie : 14,8736 euros par 1 000 litres à 15 ° C;".
Art. 112. In artikel 420, § 3, 1°, van de programmawet van 27 december 2004, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 juni 2016 tot wijziging van de programmawet van 27 december 2004 en van de wet van 7 januari 1998 betreffende de structuur en de accijnstarieven op alcohol en alcoholhoudende dranken en tot opheffing van het koninklijk besluit van 26 oktober 2015 tot voorlopige wijziging van de programmawet van 27 december 2004 en van het koninklijk besluit van 26 oktober 2015 tot voorlopige wijziging van de wet van 7 januari 1998 betreffende de structuur en de accijnstarieven op alcohol en alcoholhoudende dranken, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden "1 november 2015" worden vervangen door de woorden "1 juli 2016";
2° de woorden "33,29 euro per 1 000 liter bij 15 ° C" worden vervangen door de woorden "32,0849 euro per 1 000 liter bij 15 ° C";
3° de woorden "34,60 euro per 1 000 liter bij 15 ° C" worden vervangen door de woorden "22,3197 euro per 1 000 liter bij 15 ° C";
4° de woorden "50,00 euro per 1 000 liter bij 15 ° C" worden vervangen door de woorden "54,5197 euro per 1 000 liter bij 15 ° C".
1° de woorden "1 november 2015" worden vervangen door de woorden "1 juli 2016";
2° de woorden "33,29 euro per 1 000 liter bij 15 ° C" worden vervangen door de woorden "32,0849 euro per 1 000 liter bij 15 ° C";
3° de woorden "34,60 euro per 1 000 liter bij 15 ° C" worden vervangen door de woorden "22,3197 euro per 1 000 liter bij 15 ° C";
4° de woorden "50,00 euro per 1 000 liter bij 15 ° C" worden vervangen door de woorden "54,5197 euro per 1 000 liter bij 15 ° C".
Art. 112. Dans l'article 420, § 3, 1°, de la loi-programme du 27 décembre 2004, modifié en dernier lieu par la loi du 27 juin 2016 modifiant la loi-programme du 27 décembre 2004 et la loi du 7 janvier 1998 concernant la structure et les taux des droits d'accise sur l'alcool et les boissons alcoolisées et abrogeant l'arrêté royal du 26 octobre 2015 modifiant provisoirement la loi-programme du 27 décembre 2004 et l'arrêté royal du 26 octobre 2015 modifiant provisoirement la loi du 7 janvier 1998 concernant la structure et les taux des droits d'accise sur l'alcool et les boissons alcoolisées, les modifications suivantes sont apportées :
1° les mots "1er novembre 2015" sont remplacés par les mots "1er juillet 2016";
2° les mots "33,29 euros par 1 000 litres à 15 ° C" sont remplacés par les mots "32,0849 euros par 1 000 litres à 15 ° C";
3° les mots "34,60 euros par 1 000 litres à 15 ° C" sont remplacés par les mots "22,3197 euros par 1 000 litres à 15 ° C";
4° les mots "50,00 euros par 1 000 litres à 15 ° C" sont remplacés par les mots "54,5197 euros par 1 000 litres à 15 ° C".
1° les mots "1er novembre 2015" sont remplacés par les mots "1er juillet 2016";
2° les mots "33,29 euros par 1 000 litres à 15 ° C" sont remplacés par les mots "32,0849 euros par 1 000 litres à 15 ° C";
3° les mots "34,60 euros par 1 000 litres à 15 ° C" sont remplacés par les mots "22,3197 euros par 1 000 litres à 15 ° C";
4° les mots "50,00 euros par 1 000 litres à 15 ° C" sont remplacés par les mots "54,5197 euros par 1 000 litres à 15 ° C".
Art. 113. In artikel 420, § 3, 2°, van de programmawet van 27 december 2004, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 juni 2016 tot wijziging van de programmawet van 27 december 2004 en van de wet van 7 januari 1998 betreffende de structuur en de accijnstarieven op alcohol en alcoholhoudende dranken en tot opheffing van het koninklijk besluit van 26 oktober 2015 tot voorlopige wijziging van de programmawet van 27 december 2004 en van het koninklijk besluit van 26 oktober 2015 tot voorlopige wijziging van de wet van 7 januari 1998 betreffende de structuur en de accijnstarieven op alcohol en alcoholhoudende dranken, worden de woorden "1 november 2015" vervangen door de woorden "1 juli 2016".
Art. 113. Dans l'article 420, § 3, 2°, de la loi-programme du 27 décembre 2004, modifié en dernier lieu par la loi du 27 juin 2016 modifiant la loi-programme du 27 décembre 2004 et la loi du 7 janvier 1998 concernant la structure et les taux des droits d'accise sur l'alcool et les boissons alcoolisées et abrogeant l'arrêté royal du 26 octobre 2015 modifiant provisoirement la loi-programme du 27 décembre 2004 et l'arrêté royal du 26 octobre 2015 modifiant provisoirement la loi du 7 janvier 1998 concernant la structure et les taux des droits d'accise sur l'alcool et les boissons alcoolisées, les mots "1er novembre 2015" sont remplacés par les mots "1er juillet 2016".
Art. 114. In artikel 420, § 3, 2°, i), van de programmawet van 27 december 2004, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 juni 2016 tot wijziging van de programmawet van 27 december 2004 en van de wet van 7 januari 1998 betreffende de structuur en de accijnstarieven op alcohol en alcoholhoudende dranken en tot opheffing van het koninklijk besluit van 26 oktober 2015 tot voorlopige wijziging van de programmawet van 27 december 2004 en van het koninklijk besluit van 26 oktober 2015 tot voorlopige wijziging van de wet van 7 januari 1998 betreffende de structuur en de accijnstarieven op alcohol en alcoholhoudende dranken, worden de woorden "26,09 euro per 1 000 liter bij 15 ° C" vervangen door de woorden "29,15 euro per 1 000 liter bij 15 ° C".
Art. 114. Dans l'article 420, § 3, 2°, i), de la loi-programme du 27 décembre 2004, modifié en dernier lieu par la loi du 27 juin 2016 modifiant la loi-programme du 27 décembre 2004 et la loi du 7 janvier 1998 concernant la structure et les taux des droits d'accise sur l'alcool et les boissons alcoolisées et abrogeant l'arrêté royal du 26 octobre 2015 modifiant provisoirement la loi-programme du 27 décembre 2004 et l'arrêté royal du 26 octobre 2015 modifiant provisoirement la loi du 7 janvier 1998 concernant la structure et les taux des droits d'accise sur l'alcool et les boissons alcoolisées, les mots "26,09 euros par 1 000 litres à 15 ° C" sont remplacés par les mots "29,15 euros par 1 000 litres à 15 ° C".
Art. 115. In artikel 420, § 3, 2°, ii), van de programmawet van 27 december 2004, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 juni 2016 tot wijziging van de programmawet van 27 december 2004 en van de wet van 7 januari 1998 betreffende de structuur en de accijnstarieven op alcohol en alcoholhoudende dranken en tot opheffing van het koninklijk besluit van 26 oktober 2015 tot voorlopige wijziging van de programmawet van 27 december 2004 en van het koninklijk besluit van 26 oktober 2015 tot voorlopige wijziging van de wet van 7 januari 1998 betreffende de structuur en de accijnstarieven op alcohol en alcoholhoudende dranken, worden de woorden "27,40 euro per 1 000 liter bij 15 ° C" vervangen door de woorden "16,45 euro per 1 000 liter bij 15 ° C".
Art. 115. Dans l'article 420, § 3, 2°, ii), de la loi-programme du 27 décembre 2004, modifié en dernier lieu par la loi du 27 juin 2016 modifiant la loi-programme du 27 décembre 2004 et la loi du 7 janvier 1998 concernant la structure et les taux des droits d'accise sur l'alcool et les boissons alcoolisées et abrogeant l'arrêté royal du 26 octobre 2015 modifiant provisoirement la loi-programme du 27 décembre 2004 et l'arrêté royal du 26 octobre 2015 modifiant provisoirement la loi du 7 janvier 1998 concernant la structure et les taux des droits d'accise sur l'alcool et les boissons alcoolisées, les mots "27,40 euros par 1 000 litres à 15 ° C" sont remplacés par les mots "16,45 euros par 1 000 litres à 15 ° C".
Art. 116. In artikel 420, § 3, 2°, iii), van de programmawet van 27 december 2004, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 juni 2016 tot wijziging van de programmawet van 27 december 2004 en van de wet van 7 januari 1998 betreffende de structuur en de accijnstarieven op alcohol en alcoholhoudende dranken en tot opheffing van het koninklijk besluit van 26 oktober 2015 tot voorlopige wijziging van de programmawet van 27 december 2004 en van het koninklijk besluit van 26 oktober 2015 tot voorlopige wijziging van de wet van 7 januari 1998 betreffende de structuur en de accijnstarieven op alcohol en alcoholhoudende dranken, worden de woorden "42,80 euro per 1 000 liter bij 15 ° C" vervangen door de woorden "48,65 euro per 1 000 liter bij 15 ° C".
Art. 116. Dans l'article 420, § 3, 2°, iii), de la loi-programme du 27 décembre 2004, modifié en dernier lieu par la loi du 27 juin 2016 modifiant la loi-programme du 27 décembre 2004 et la loi du 7 janvier 1998 concernant la structure et les taux des droits d'accise sur l'alcool et les boissons alcoolisées et abrogeant l'arrêté royal du 26 octobre 2015 modifiant provisoirement la loi-programme du 27 décembre 2004 et l'arrêté royal du 26 octobre 2015 modifiant provisoirement la loi du 7 janvier 1998 concernant la structure et les taux des droits d'accise sur l'alcool et les boissons alcoolisées, les mots "42,80 euros par 1 000 litres à 15 ° C" sont remplacés par les mots "48,65 euros par 1 000 litres à 15 ° C".
Art. 117. In artikel 420, § 3, 2°, iv), van de programmawet van 27 december 2004, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 juni 2016 tot wijziging van de programmawet van 27 december 2004 en van de wet van 7 januari 1998 betreffende de structuur en de accijnstarieven op alcohol en alcoholhoudende dranken en tot opheffing van het koninklijk besluit van 26 oktober 2015 tot voorlopige wijziging van de programmawet van 27 december 2004 en van het koninklijk besluit van 26 oktober 2015 tot voorlopige wijziging van de wet van 7 januari 1998 betreffende de structuur en de accijnstarieven op alcohol en alcoholhoudende dranken, worden de woorden "3,17 keer" vervangen door de woorden "3,09 keer".
Art. 117. Dans l'article 420, § 3, 2°, iv), de la loi-programme du 27 décembre 2004, modifié en dernier lieu par la loi du 27 juin 2016 modifiant la loi-programme du 27 décembre 2004 et la loi du 7 janvier 1998 concernant la structure et les taux des droits d'accise sur l'alcool et les boissons alcoolisées et abrogeant l'arrêté royal du 26 octobre 2015 modifiant provisoirement la loi-programme du 27 décembre 2004 et l'arrêté royal du 26 octobre 2015 modifiant provisoirement la loi du 7 janvier 1998 concernant la structure et les taux des droits d'accise sur l'alcool et les boissons alcoolisées, les mots "3,17 fois" sont remplacés par les mots "3,09 fois".
Art. 118. In artikel 429, § 5, 1), van de programmawet van 27 december 2004, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 juni 2016 tot wijziging van de programmawet van 27 december 2004 en van de wet van 7 januari 1998 betreffende de structuur en de accijnstarieven op alcohol en alcoholhoudende dranken en tot opheffing van het koninklijk besluit van 26 oktober 2015 tot voorlopige wijziging van de programmawet van 27 december 2004 en van het koninklijk besluit van 26 oktober 2015 tot voorlopige wijziging van de wet van 7 januari 1998 betreffende de structuur en de accijnstarieven op alcohol en alcoholhoudende dranken, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in de eerste zin worden de woorden "79,0017 euro per 1 000 liter bij 15° C" vervangen door de woorden "112,2917 euro per 1 000 liter bij 15 ° C";
2° in de tweede zin worden de woorden "zoals voorzien in artikel 420, § 3" opgeheven.
1° in de eerste zin worden de woorden "79,0017 euro per 1 000 liter bij 15° C" vervangen door de woorden "112,2917 euro per 1 000 liter bij 15 ° C";
2° in de tweede zin worden de woorden "zoals voorzien in artikel 420, § 3" opgeheven.
Art. 118. Dans l'article 429, § 5, 1), de la loi-programme du 27 décembre 2004, modifié en dernier lieu par la loi du 27 juin 2016 modifiant la loi-programme du 27 décembre 2004 et la loi du 7 janvier 1998 concernant la structure et les taux des droits d'accise sur l'alcool et les boissons alcoolisées et abrogeant l'arrêté royal du 26 octobre 2015 modifiant provisoirement la loi-programme du 27 décembre 2004 et l'arrêté royal du 26 octobre 2015 modifiant provisoirement la loi du 7 janvier 1998 concernant la structure et les taux des droits d'accise sur l'alcool et les boissons alcoolisées, les modifications suivantes sont apportées :
1° les mots "79,0017 euros par 1 000 litres à 15 ° C" de la première phrase sont remplacés par les mots "112,2917 euros par 1 000 litres à 15 ° C";
2° les mots "comme prévu à l'article 420, § 3" de la deuxième phrase sont abrogés.
1° les mots "79,0017 euros par 1 000 litres à 15 ° C" de la première phrase sont remplacés par les mots "112,2917 euros par 1 000 litres à 15 ° C";
2° les mots "comme prévu à l'article 420, § 3" de la deuxième phrase sont abrogés.
Art. 119. De tarieven voorzien in artikel 419, a), b) en c), van de programmawet van 27 december 2004 van gelode benzine van de GN-codes 2710 11 31, 2710 11 51 en 2710 11 59 en van ongelode benzine van de GN-codes 2710 11 41, 2710 11 45 en 2710 11 49 en deze voorzien in artikel 419, e), i), en f), i), van de programmawet van 27 december 2004, voor gasolie van de GN-codes 2710 19 41, 2710 19 45 en 2710 19 49, zoals van toepassing op 31 december 2016 en op 31 december 2017 worden respectievelijk op 1 januari 2017 en op 1 januari 2018 geïndexeerd.
Het indexpercentage dat wordt toegepast op 1 januari 2017 en 1 januari 2018 bedraagt het verschil tussen de index van de consumptieprijzen respectievelijk van juni 2016 en juni 2015 en van juni 2017 en juni 2016.
Dit percentage wordt toegepast op het totale bedrag aan accijnzen. Het resultaat van deze berekening wordt omgevormd naar een verhoging van de bijzondere accijns.
De minister bevoegd voor Financiën publiceert een officieel bericht in het Belgisch Staatsblad met vermelding van de tarieven die respectievelijk op 1 januari 2017 en 1 januari 2018 in werking treden.
Het indexpercentage dat wordt toegepast op 1 januari 2017 en 1 januari 2018 bedraagt het verschil tussen de index van de consumptieprijzen respectievelijk van juni 2016 en juni 2015 en van juni 2017 en juni 2016.
Dit percentage wordt toegepast op het totale bedrag aan accijnzen. Het resultaat van deze berekening wordt omgevormd naar een verhoging van de bijzondere accijns.
De minister bevoegd voor Financiën publiceert een officieel bericht in het Belgisch Staatsblad met vermelding van de tarieven die respectievelijk op 1 januari 2017 en 1 januari 2018 in werking treden.
Art. 119. Les taux prévus dans l'article 419, a), b) et c), de la loi-programme du 27 décembre 2004 de l'essence au plomb des codes NC 2710 11 31, 2710 11 51 et 2710 11 59 et de l'essence sans plomb des codes NC 2710 11 41, 2710 11 45 et 2710 11 49 et ceux prévus dans l'article 419, e), i), et f), i), de la loi-programme du 27 décembre 2004, pour le gasoil des codes NC 2710 19 41, 2710 19 45 et 2710 19 49, applicables le 31 décembre 2016 et le 31 décembre 2017, sont indexés respectivement le 1er janvier 2017 et le 1er janvier 2018.
Le pourcentage d'indexation appliqué le 1er janvier 2017 et le 1er janvier 2018 s'élève à la différence entre l'index des prix à la consommation, respectivement, de juin 2016 et juin 2015 et de juin 2017 et juin 2016.
Ce pourcentage est appliqué au montant total de l'accise. Le montant résultant du calcul précité est transformé en une augmentation du droit d'accise spécial.
Le ministre ayant les Finances dans ses attributions publie un avis officiel au Moniteur belge, mentionnant les taux qui entrent en vigueur respectivement le 1er janvier 2017 et le 1er janvier 2018.
Le pourcentage d'indexation appliqué le 1er janvier 2017 et le 1er janvier 2018 s'élève à la différence entre l'index des prix à la consommation, respectivement, de juin 2016 et juin 2015 et de juin 2017 et juin 2016.
Ce pourcentage est appliqué au montant total de l'accise. Le montant résultant du calcul précité est transformé en une augmentation du droit d'accise spécial.
Le ministre ayant les Finances dans ses attributions publie un avis officiel au Moniteur belge, mentionnant les taux qui entrent en vigueur respectivement le 1er janvier 2017 et le 1er janvier 2018.
Afdeling 3. - Inwerkingtreding
Section 3. - Entrée en vigueur
Art. 120. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 juli 2016.
Art. 120. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er juillet 2016.
HOOFDSTUK 6. - Wijzigingen van de wet van 3 april 1953 betreffende de rechterlijke inrichting
CHAPITRE 6. - Modifications de la loi du 3 avril 1953 d'organisation judiciaire
Art. 121. In de tabel "III. Rechtbanken van eerste aanleg" gevoegd bij wet van 3 april 1953 betreffende de rechterlijke inrichting, vervangen bij de wet van 1 december 2013, die gewijzigd is bij de wetten van 6 januari 2014 en 25 april 2014, worden in de kolom met als opschrift "Kader Parket Substituten" de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het cijfer "94" dat voorkomt tegenover "Antwerpen" wordt vervangen door het cijfer "95";
2° het cijfer "19" dat voorkomt tegenover "Brussel Nederlandstalig" wordt vervangen door het cijfer "21";
3° het cijfer "95" dat voorkomt tegenover "Brussel Franstalig" wordt vervangen door het cijfer "98";
4° het cijfer "85" dat voorkomt tegenover "Oost-Vlaanderen" wordt vervangen door het cijfer "86";
5° het cijfer "69" dat voorkomt tegenover "Luik" wordt vervangen door het cijfer "70";
6° het cijfer "44" dat voorkomt tegenover "Henegouwen - zetel Bergen" wordt vervangen door het cijfer "45".
1° het cijfer "94" dat voorkomt tegenover "Antwerpen" wordt vervangen door het cijfer "95";
2° het cijfer "19" dat voorkomt tegenover "Brussel Nederlandstalig" wordt vervangen door het cijfer "21";
3° het cijfer "95" dat voorkomt tegenover "Brussel Franstalig" wordt vervangen door het cijfer "98";
4° het cijfer "85" dat voorkomt tegenover "Oost-Vlaanderen" wordt vervangen door het cijfer "86";
5° het cijfer "69" dat voorkomt tegenover "Luik" wordt vervangen door het cijfer "70";
6° het cijfer "44" dat voorkomt tegenover "Henegouwen - zetel Bergen" wordt vervangen door het cijfer "45".
Art. 121. Dans le tableau "III. Tribunaux de première instance" annexé à la loi du 3 avril 1953 d'organisation judiciaire, remplacé par la loi du 1er décembre 2013 modifiée par les lois du 6 janvier 2014 et du 25 avril 2014, les modifications suivantes sont apportées à la colonne intitulée "Cadre parquet Substituts" :
1° le chiffre "94" en regard d' "Anvers" est remplacé par le chiffre "95";
2° le chiffre "19" en regard de "Bruxelles néerlandophone" est remplacé par le chiffre "21";
3° le chiffre "95" en regard de "Bruxelles francophone" est remplacé par le chiffre "98";
4° le chiffre "85" en regard de "Flandre orientale" est remplacé par le chiffre "86";
5° le chiffre "69" en regard de "Liège" est remplacé par le chiffre "70";
6° le chiffre "44" en regard de "Hainaut - siège Mons" est remplacé par le chiffre "45".
1° le chiffre "94" en regard d' "Anvers" est remplacé par le chiffre "95";
2° le chiffre "19" en regard de "Bruxelles néerlandophone" est remplacé par le chiffre "21";
3° le chiffre "95" en regard de "Bruxelles francophone" est remplacé par le chiffre "98";
4° le chiffre "85" en regard de "Flandre orientale" est remplacé par le chiffre "86";
5° le chiffre "69" en regard de "Liège" est remplacé par le chiffre "70";
6° le chiffre "44" en regard de "Hainaut - siège Mons" est remplacé par le chiffre "45".
Art. 122. In de tabel "Aantal substituut-procureurs des Konings gespecialiseerd in fiscale aangelegenheden in de rechtbank van eerste aanleg" gevoegd bij dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 31 december 2012, worden in de kolom met als opschrift "Aantal substituut-procureurs des Konings gespecialiseerd in fiscale aangelegenheden (begrepen in het aantal substituut-procureurs des Konings)" de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het cijfer "4" dat voorkomt tegenover "Antwerpen" wordt vervangen door het cijfer "5";
2° het cijfer "5" dat voorkomt tegenover "Brussel" wordt vervangen door het cijfer "10";
3° het cijfer "4" dat voorkomt tegenover "Gent" wordt vervangen door het cijfer "5";
4° het cijfer "4" dat voorkomt tegenover "Luik" wordt vervangen door het cijfer "5";
5° het cijfer "4" dat voorkomt tegenover "Bergen" wordt vervangen door het cijfer "5".
1° het cijfer "4" dat voorkomt tegenover "Antwerpen" wordt vervangen door het cijfer "5";
2° het cijfer "5" dat voorkomt tegenover "Brussel" wordt vervangen door het cijfer "10";
3° het cijfer "4" dat voorkomt tegenover "Gent" wordt vervangen door het cijfer "5";
4° het cijfer "4" dat voorkomt tegenover "Luik" wordt vervangen door het cijfer "5";
5° het cijfer "4" dat voorkomt tegenover "Bergen" wordt vervangen door het cijfer "5".
Art. 122. Dans le tableau "Nombre de substituts du procureur du Roi spécialisés en matière fiscale dans les tribunaux de première instance" annexé à la même loi, remplacé par la loi du 31 décembre 2012, les modifications suivantes sont apportées à la colonne intitulée "Nombre de substituts du procureur du Roi spécialisés en matière fiscale (inclus dans le nombre des substituts du procureur du Roi)" :
1° le chiffre "4" en regard d'"Anvers" est remplacé par le chiffre "5";
2° le chiffre "5" en regard de "Bruxelles" est remplacé par le chiffre "10";
3° le chiffre "4" en regard de "Gand" est remplacé par le chiffre "5";
4° le chiffre "4" en regard de "Liège" est remplacé par le chiffre "5";
5° le chiffre "4" en regard de "Mons" est remplacé par le chiffre "5".
1° le chiffre "4" en regard d'"Anvers" est remplacé par le chiffre "5";
2° le chiffre "5" en regard de "Bruxelles" est remplacé par le chiffre "10";
3° le chiffre "4" en regard de "Gand" est remplacé par le chiffre "5";
4° le chiffre "4" en regard de "Liège" est remplacé par le chiffre "5";
5° le chiffre "4" en regard de "Mons" est remplacé par le chiffre "5".
HOOFDSTUK 7. - Bevraging van het Centraal Aanspreekpunt gehouden door de Nationale Bank van België zoals bedoeld in artikel 322, § 3, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
CHAPITRE 7. - Demande d'informations au Point de contact central de la Banque Nationale de Belgique visé à l'article 322, § 3, du Code des impôts sur les revenus 1992
Afdeling 1. - Wijzigingen van het Wetboek van strafvordering
Section 1re. - Modifications du Code d'instruction criminelle
Art. 123. Artikel 46quater, § 1, van het Wetboek van strafvordering, ingevoegd door de wet van 6 januari 2003 en gewijzigd door de wet van 27 december 2005, wordt aangevuld met een lid, luidende :
"Om de in het eerste lid bedoelde maatregelen mogelijk te maken, kan de procureur des Konings in geval van misdrijven bedoeld in de artikelen 137 tot 141 of 505, eerste lid, 2° tot 4°, van het Strafwetboek, of in het kader van fiscale fraude zoals bedoeld in de artikelen 449 en 450 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, in de artikelen 73 en 73bis van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, in de artikelen 133 en 133bis van het Wetboek der successierechten, in de artikelen 206 en 206bis van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, in de artikelen 207 en 207bis van het Wetboek diverse rechten en taksen, in de artikelen 220, § 2, 259 en 260 van de Algemene wet van 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen, in de artikelen 3.15.3.0.1. en 3.15.3.0.2. van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 en in de artikelen 68 en 68ter van het Wetboek van met inkomsten gelijkgestelde belastingen, alsook in geval van het misdrijf bedoeld in artikel 5, § 3, van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, op specifiek en met redenen omkleed verzoek, het Centraal Aanspreekpunt gehouden door de Nationale Bank van België zoals bedoeld in artikel 322, § 3, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, om informatie vragen.".
"Om de in het eerste lid bedoelde maatregelen mogelijk te maken, kan de procureur des Konings in geval van misdrijven bedoeld in de artikelen 137 tot 141 of 505, eerste lid, 2° tot 4°, van het Strafwetboek, of in het kader van fiscale fraude zoals bedoeld in de artikelen 449 en 450 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, in de artikelen 73 en 73bis van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, in de artikelen 133 en 133bis van het Wetboek der successierechten, in de artikelen 206 en 206bis van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, in de artikelen 207 en 207bis van het Wetboek diverse rechten en taksen, in de artikelen 220, § 2, 259 en 260 van de Algemene wet van 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen, in de artikelen 3.15.3.0.1. en 3.15.3.0.2. van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 en in de artikelen 68 en 68ter van het Wetboek van met inkomsten gelijkgestelde belastingen, alsook in geval van het misdrijf bedoeld in artikel 5, § 3, van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, op specifiek en met redenen omkleed verzoek, het Centraal Aanspreekpunt gehouden door de Nationale Bank van België zoals bedoeld in artikel 322, § 3, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, om informatie vragen.".
Art. 123. L'article 46quater, § 1er,du Code d'instruction criminelle, inséré par la loi du 6 janvier 2003 et modifié par la loi du 27 décembre 2005, est complété par un alinéa rédigé comme suit :
"Afin de permettre les mesures visées à l'alinéa 1er, le procureur du Roi peut, en cas d'infractions aux articles 137 à 141 ou 505, alinéa 1er, 2° à 4°, du Code pénal, ou dans le cadre de la fraude fiscale visée aux articles 449 et 450 du Code des impôts sur les revenus 1992, aux articles 73 et 73bis du Code de la taxe sur la valeur ajoutée, aux articles 133 et 133bis du Code des droits de succession, aux articles 206 et 206bis du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe, aux articles 207 et 207bis du Code des droits et taxes divers, aux articles 220, § 2, 259 en 260 de la Loi générale du 18 juillet 1977 sur les douanes et accises, aux articles 3.15.3.0.1. en 3.15.3.0.2. du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013 et aux articles 68 et 68ter du Code des taxes assimilées aux impôts sur les revenus, ainsi qu'en cas d'infraction visée à l'article 5, § 3, de la loi du 11 janvier 1993 relative à la prévention de l'utilisation du système financier aux fins du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme, par sollicitation spécifique et motivée, demander des informations au Point de contact central de la Banque Nationale de Belgique visé à l'article 322, § 3, alinéa 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992.".
"Afin de permettre les mesures visées à l'alinéa 1er, le procureur du Roi peut, en cas d'infractions aux articles 137 à 141 ou 505, alinéa 1er, 2° à 4°, du Code pénal, ou dans le cadre de la fraude fiscale visée aux articles 449 et 450 du Code des impôts sur les revenus 1992, aux articles 73 et 73bis du Code de la taxe sur la valeur ajoutée, aux articles 133 et 133bis du Code des droits de succession, aux articles 206 et 206bis du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe, aux articles 207 et 207bis du Code des droits et taxes divers, aux articles 220, § 2, 259 en 260 de la Loi générale du 18 juillet 1977 sur les douanes et accises, aux articles 3.15.3.0.1. en 3.15.3.0.2. du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013 et aux articles 68 et 68ter du Code des taxes assimilées aux impôts sur les revenus, ainsi qu'en cas d'infraction visée à l'article 5, § 3, de la loi du 11 janvier 1993 relative à la prévention de l'utilisation du système financier aux fins du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme, par sollicitation spécifique et motivée, demander des informations au Point de contact central de la Banque Nationale de Belgique visé à l'article 322, § 3, alinéa 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992.".
Art. 124. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 56ter ingevoegd, luidende :
"Art. 56ter. Teneinde de maatregelen bedoeld in artikel 46quater, § 1, eerste lid, mogelijk te maken, kan de onderzoeksrechter op specifiek en met redenen omkleed verzoek het Centraal Aanspreekpunt gehouden door de Nationale Bank van België zoals bedoeld in artikel 322, § 3, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, om informatie vragen.".
"Art. 56ter. Teneinde de maatregelen bedoeld in artikel 46quater, § 1, eerste lid, mogelijk te maken, kan de onderzoeksrechter op specifiek en met redenen omkleed verzoek het Centraal Aanspreekpunt gehouden door de Nationale Bank van België zoals bedoeld in artikel 322, § 3, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, om informatie vragen.".
Art. 124. Dans le même Code, il est inséré un article 56ter rédigé comme suit :
"Art. 56ter. Afin de permettre les mesures visées à l'article 46quater, § 1er, alinéa 1er, le juge d'instruction peut, par sollicitation spécifique et motivée, demander des informations au Point de contact central de la Banque Nationale de Belgique visé à l'article 322, § 3, alinéa 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992.".
"Art. 56ter. Afin de permettre les mesures visées à l'article 46quater, § 1er, alinéa 1er, le juge d'instruction peut, par sollicitation spécifique et motivée, demander des informations au Point de contact central de la Banque Nationale de Belgique visé à l'article 322, § 3, alinéa 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992.".
Art. 125. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 158sexies ingevoegd, luidende :
"Art. 158sexies. De rechtbank kan, om de waarheid aan het licht te brengen, de procureur des Konings ambtshalve uitnodigen om door middel van een specifiek en met redenen omkleed verzoek informatie te vragen aan het Centraal Aanspreekpunt gehouden door de Nationale Bank van België zoals bedoeld in artikel 322, § 3, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.".
"Art. 158sexies. De rechtbank kan, om de waarheid aan het licht te brengen, de procureur des Konings ambtshalve uitnodigen om door middel van een specifiek en met redenen omkleed verzoek informatie te vragen aan het Centraal Aanspreekpunt gehouden door de Nationale Bank van België zoals bedoeld in artikel 322, § 3, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.".
Art. 125. Dans le même Code, il est inséré un article 158sexies rédigé comme suit :
"Art. 158sexies. Le tribunal peut, dans l'intérêt de la manifestation de la vérité, d'office, inviter le procureur du Roi à demander des informations, par sollicitation spécifique et motivée, au Point de contact central de la Banque Nationale de Belgique visé à l'article 322, § 3, alinéa 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992.".
"Art. 158sexies. Le tribunal peut, dans l'intérêt de la manifestation de la vérité, d'office, inviter le procureur du Roi à demander des informations, par sollicitation spécifique et motivée, au Point de contact central de la Banque Nationale de Belgique visé à l'article 322, § 3, alinéa 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992.".
Art. 126. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 190quinquies ingevoegd, luidende :
"Art. 190quinquies. De rechtbank kan, om de waarheid aan het licht te brengen, de procureur des Konings ambtshalve uitnodigen om door middel van een specifiek en met redenen omkleed verzoek informatie te vragen aan het Centraal Aanspreekpunt gehouden door de Nationale Bank van België zoals bedoeld in artikel 322, § 3, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.".
"Art. 190quinquies. De rechtbank kan, om de waarheid aan het licht te brengen, de procureur des Konings ambtshalve uitnodigen om door middel van een specifiek en met redenen omkleed verzoek informatie te vragen aan het Centraal Aanspreekpunt gehouden door de Nationale Bank van België zoals bedoeld in artikel 322, § 3, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.".
Art. 126. Dans le même Code, il est inséré un article 190quinquies rédigé comme suit :
"Art. 190quinquies. Le tribunal peut, dans l'intérêt de la manifestation de la vérité, d'office, inviter le procureur du Roi à demander des informations, par sollicitation spécifique et motivée, au Point de contact central de la Banque Nationale de Belgique visé à l'article 322, § 3, alinéa 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992.".
"Art. 190quinquies. Le tribunal peut, dans l'intérêt de la manifestation de la vérité, d'office, inviter le procureur du Roi à demander des informations, par sollicitation spécifique et motivée, au Point de contact central de la Banque Nationale de Belgique visé à l'article 322, § 3, alinéa 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992.".
Afdeling 2. - Wijziging van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme
Section 2. - Modification de la loi du 11 janvier 1993 relative à la prévention de l'utilisation du système financier aux fins du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme
Art. 127. In de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, zoals laatst gewijzigd bij de wet van 13 maart 2016, wordt een hoofdstuk IVbis ingevoegd, dat het artikel 36bis bevat, luidende :
"HOOFDSTUK IVbis. - Bevraging van het Centraal Aanspreekpunt gehouden door de Nationale Bank van België
Art. 36bis. Voor de uitvoering van haar wettelijke opdracht en onverminderd de bevoegdheden van de gerechtelijke overheden kan de Cel, op specifiek en met redenen omkleed verzoek, het Centraal Aanspreekpunt gehouden door de Nationale Bank van België zoals bedoeld in artikel 322, § 3, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, om informatie vragen.".
"HOOFDSTUK IVbis. - Bevraging van het Centraal Aanspreekpunt gehouden door de Nationale Bank van België
Art. 36bis. Voor de uitvoering van haar wettelijke opdracht en onverminderd de bevoegdheden van de gerechtelijke overheden kan de Cel, op specifiek en met redenen omkleed verzoek, het Centraal Aanspreekpunt gehouden door de Nationale Bank van België zoals bedoeld in artikel 322, § 3, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, om informatie vragen.".
Art. 127. Dans la loi du 11 janvier 1993 relative à la prévention de l'utilisation du système financier aux fins du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme, modifiée en dernier lieu par la loi du 13 mars 2016, il est inséré un chapitre IVbis comportant l'article 36bis, rédigé comme suit :
"CHAPITRE IVbis. - Demande d'informations au Point de contact central de la Banque Nationale de Belgique
Art. 36bis. Pour l'accomplissement de sa mission légale et sans préjudice des compétences des autorités judiciaires, la Cellule peut, par sollicitation spécifique et motivée, demander des informations au Point de contact central de la Banque Nationale de Belgique visé à l'article 322, § 3, alinéa 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992.".
"CHAPITRE IVbis. - Demande d'informations au Point de contact central de la Banque Nationale de Belgique
Art. 36bis. Pour l'accomplissement de sa mission légale et sans préjudice des compétences des autorités judiciaires, la Cellule peut, par sollicitation spécifique et motivée, demander des informations au Point de contact central de la Banque Nationale de Belgique visé à l'article 322, § 3, alinéa 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992.".
Afdeling 3. - Wijziging van de wet van 25 ventôse jaar XI op het notarisambt
Section 3. - Modification de la loi du 25 ventôse an XI contenant organisation du notariat
Art. 128. In de wet van 25 ventôse jaar XI op het notarisambt wordt een artikel 118 ingevoegd, luidende :
"Art. 118. Enkel in het kader van aangiften van nalatenschap kan de notaris, op specifiek en met redenen omkleed verzoek, het Centraal Aanspreekpunt gehouden door de Nationale Bank van België zoals bedoeld in artikel 322, § 3, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, om informatie vragen.".
"Art. 118. Enkel in het kader van aangiften van nalatenschap kan de notaris, op specifiek en met redenen omkleed verzoek, het Centraal Aanspreekpunt gehouden door de Nationale Bank van België zoals bedoeld in artikel 322, § 3, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, om informatie vragen.".
Art. 128. Dans la loi du 25 ventôse an XI contenant organisation du notariat, il est inséré un article 118 rédigé comme suit :
"Art. 118. Seulement dans le cadre de déclarations de successions, le notaire peut, par sollicitation spécifique et motivée et demander des informations au Point de contact central de la Banque Nationale de Belgique visé à l'article 322, § 3, alinéa 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992.".
"Art. 118. Seulement dans le cadre de déclarations de successions, le notaire peut, par sollicitation spécifique et motivée et demander des informations au Point de contact central de la Banque Nationale de Belgique visé à l'article 322, § 3, alinéa 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992.".
HOOFDSTUK 8. - CFI
CHAPITRE 8. - CTIF
Art. 129. In hoofdstuk IV van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, wordt een artikel 27/1 ingevoegd, luidende :
"Art. 27/1. De in artikel 2, § 1, 1° tot en met 18°, beoogde ondernemingen of personen stellen de CFI, op de door haar bepaalde wijze, automatisch en periodiek in kennis van alle verrichtingen met de fiscale paradijzen zoals bepaald in de lijst op basis van artikel 307, § 1, zesde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelasting 1992.
De wijze en de periodiciteit van de kennisgevingen, worden bepaald door de Koning.
Indien uit de analyse van de inlichtingen die haar zijn meegedeeld krachtens het eerste lid een verband blijkt met een melding ontvangen overeenkomstig artikel 23 en volgende, oefent de CFI haar bevoegdheden uit overeenkomstig artikel 33 en volgende.".
"Art. 27/1. De in artikel 2, § 1, 1° tot en met 18°, beoogde ondernemingen of personen stellen de CFI, op de door haar bepaalde wijze, automatisch en periodiek in kennis van alle verrichtingen met de fiscale paradijzen zoals bepaald in de lijst op basis van artikel 307, § 1, zesde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelasting 1992.
De wijze en de periodiciteit van de kennisgevingen, worden bepaald door de Koning.
Indien uit de analyse van de inlichtingen die haar zijn meegedeeld krachtens het eerste lid een verband blijkt met een melding ontvangen overeenkomstig artikel 23 en volgende, oefent de CFI haar bevoegdheden uit overeenkomstig artikel 33 en volgende.".
Art. 129. Dans le chapitre IV de la loi du 11 janvier 1993 relative à la prévention de l'utilisation du système financier aux fins du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme, il est inséré un article 27/1, rédigée comme suit :
"Art. 27/1. Les organismes et les personnes visés à l'article 2, § 1er, 1° à 18°, informent automatiquement et périodiquement la CTIF, selon les modalités qu'elle détermine, de toutes les opérations impliquant les paradis fiscaux repris dans la liste établie sur base de l'article 307, § 1er, alinéa 6, du Code des impôts sur les revenus 1992.
La forme et la périodicité de la communication des informations sont établies par le Roi.
Lorsque l'analyse des informations qui lui sont transmises en vertu du premier alinéa fait apparaître un lien avec une déclaration de soupçon reçue en application des articles 23 et suivants, la CTIF exerce ses compétences en application des articles 33 et suivants.".
"Art. 27/1. Les organismes et les personnes visés à l'article 2, § 1er, 1° à 18°, informent automatiquement et périodiquement la CTIF, selon les modalités qu'elle détermine, de toutes les opérations impliquant les paradis fiscaux repris dans la liste établie sur base de l'article 307, § 1er, alinéa 6, du Code des impôts sur les revenus 1992.
La forme et la périodicité de la communication des informations sont établies par le Roi.
Lorsque l'analyse des informations qui lui sont transmises en vertu du premier alinéa fait apparaître un lien avec une déclaration de soupçon reçue en application des articles 23 et suivants, la CTIF exerce ses compétences en application des articles 33 et suivants.".